Ga direct naar de content

Jrg. 40, editie 1995

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 7 1955

/

• EconomtschwStatistisc
‘he


Berichten

Scha1uwzijden van ,,over-fulI mp1oyment”

*

-.

Prof. Dr C. Campagne

Het wetsontwerp

Algemene Ouderdomsverzekering

B. de Boer

;

Vreedzame toepassingen

der atoornenergie
*

Dr J.M. E. M. A. Zonnenberg

Hoe moet art. 24 Cornptabiliteitswet

S

worden gehanteeid?

*
S

Dr R. A. de Widt

De mechanisatie

van de Amerikaanse 1andboiw

UiTGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT


S

.
z

40e JAARGANG

Ni 1995

.

WOENSDAG 7 SEPTEMBER 1955

S
.,

S-

1•i

Financiering van de Intern. Handel

N.V. SLAVENBUIIG’S BAfVK

Rotterdam – Amsterdam – Den Haag – Dordrecht

Haarlem – Schiedam – Amersfoort – Maassluis

Vlaardingen – Ijssehnonde – Utrecht

AGENTSCHAPPEN:

Zevenbergen – Vianen – Middelliarnis/Somnielsdijk
Vrijhoeve-Capelle – Zwijudrecht

R. Mees & Zoonen

Bankiers en

Assurantie-makelaars

Rotterdam

Amsterdam – ‘s-Gravenbage

Delft – Schiedam – Vlaardingen

Praclijkdiploma Belasfingrectit
Examen onder Rjkstoezicht
inlichtingen schritt./mond. cursus:
Kraaienlaan 13, ‘s Gravenhage Tel. 33960

1•

NEDERLANDSCHE MIDDENSTANOSBANK N.V.

Gevestigd te Amsterdam

Uitgifte van

7274 gewone aandelen

In stukIen
van nominaal t. 800.- aan toonder

(waarvan 5625 aandelen op inschrijvingscondities zijn
geplaatst bij dc Staat der Nederlanden),

voor één vierde delende in de winst van het boekjaar
1955 en ten volle in die van de volgende jaren.

Ondergetekende bericht dat zij de inschrijving op

1649 aandelen elk groet t 800.- aan toonder

in bare instelling uitsluitend voor houders van claims
van aandelen eia onderaandelen openstelt op

Woensdag 14 September 1955

van des voormiddags 9 uur tot des namiddags 4 uur

tot de koers van 130 pCt.

ten kantore van de

Nederlandsche Middenstandsbank N.V. te

Amsterdam, Rotterdam en ‘s-Gravenhage

op de voorwaarden van het prospectus d.d. 3 September
1955. Prospectussen en inschrijvingsbiljetten zijn bij de
kantoren van inschrijving verkrijgbaar.

NEDERLANDSCHE MIDDENSTANDSBANK N.V.

Amsterdam, 3 September 1955.

H. BRONS Jr

MAKELAAR IN ASSURANTIËN

TELEFOON 11 19 80

EENDRACHTSWEG 11

(3 LIJNEN)

ROUERDAM

E C O.N 0 MI S C H.

STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van het Nederlandsch Economisch Instituut

Adres voor
Nederland:
Pieter de Hooch weg 120, Rotterdam- W.

Telefoon redactie: K 1800-52939. Administratie: K 1800-

38040
)
. Giro 8408.

Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam. Banque de Corn-

merce, 6, Place Royale, Brussel, postcheck-rekening 260.34.

Redactie-adres voor België:
Dr J. Geluck, Zwjnaardse Steen-
weg
357, Gent.

Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam-W.

Abonnementsprjs:
franco per post, voor Nederland en de

Overzeese Rjjksdelen (per zeepost) f 29,—, overige landen

f 31,— per jaar. Abonnementen kunnen ingaan met elk

nummer en slechts worden beëindigd per ultimo van het

kalenderjaar.
Losse nummers 75 cts.

No. 1977:
f
2,—

Aangetekende stukken
in Nederland •aan het Bijkantoor

Westzeedijk,’ Rotterdam- W.

Advertenties.
Alle correspondentie betreffende advertenties

te richten aan de Koninklijke Nederlandsche Boekdrukkerjj

H. A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam (Telefoon

69300, toestel 1
of
3).

Advertentie-tarief
f 0,30 per mm. Contract-tarieven op aan-

vraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”

f0,60 per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt

zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van

redenen te weigeren.

7 September
1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

775

Schaduwzijden van ,,over-full employment”

Het tekort aan arbeidskrachten in vrijwel alle gele-

dingen van het bedrijfsleven – en daar waarlijk niet

alleen – met alle voor handel, nijverheid en verkeer

daaraan verbonden schadelijke gevolgen, heeft nog een

andere consequentie waaraan tot dusver in het merendeel

der beschouwingen, aan de huidige situatie op de ar-

beidsmarkt gewijd, weinig of geen aandacht werd ge-

schonken. Nochtans geldt het een probleem welks beteke-

nis niet mag worden onderschat. Ik denk aan de voortdu
rende mutaties in de gelederen der jeugdige werknemers,

die voor gering geldelijk voordeel en met veronachtza-

ming niet alleen van eigen vooruitzichten en mogelijkheden

bij de onderneming wier dienst zij verlaten, maar ook van

de belangen dier onderneming zelve, van werkkring
veranderen. Maar al te vaak komt het bij de huidige

overspannen arbeidsmarkt voor dat men, slechts de

wettelijke termijn in acht nemend, op de laatste of voor-

laatste dag van de maand, waardoor de werkgever iedere

mogelijkheid ontnomen wordt tijdig in de ontstaande

vacature te voorzien, mededeling doet van zijn aanstaand

vertrek.
Het euvel neemt hand over hand toe en het bedenkelijke

van dit verschijnsel is, dat het element ,,trouw” voort-

durend devalueert. Dit verschijnsel doet zich, wat de

hoofdarbeiders betreft, vooral voor bij de groep der jonge-

re werknemers, maar het is daarom zo bedenkelijk omdat

juist deze groep de kern van de toekomstige onderne-

mingsstaf vormt, althans behoort te vormen. Natuurlijk

dient iedere werknemer het recht te hebben de functie,

welke hij vervult, op te zeggen indien hij zijn positie, zowel

wat de financiële als wat de toekomstmogelijkheden be-

treft, inderdaad kan verbeteren. Thans komt het echter

maar al te vaak voor dat men voor gering ogenblikkelijk

voordeel een werkkring, die duurzaam betere mogelijk-

heden biedt dan de – onbekende – nieuwe, prijs

geeft. Men let uitsluitend op eigen schijnbaar voordeel

en geeft zich geen rekenschap van de morele verplichtingen

die men jegens zijn werkgever heeft.

Hierbij komt dat, de enkele goede niet te na gesproken,

de wil om mede te helpen opbouwen en zich door be-
kwaamheid, werklust en initiatief een levenspositie te

veroveren, veelal ontbreekt. Men wil liefst, al weder-

om de goede uitzonderingen daar gelaten, met zo

weinig mogelijk inspanning een bepaald inkomen ver-

werven. Dit komt mede tot uitdrukking in de vaak zeer

beperkte, om niet te zeggen gebrekkige, kennis. Hoe

betrekkelijk zelden komt het bij de jongeren voor dat

men een taalkundig èn stylistisch goed verzorgde Neder-

landse brief kan schrijven om van grondige talenkennis,

waarvoor de beheersing der eigen taal onmisbare voor-

waarde is, niet te spreken. Natuurlijk doet zich het

probleem der ontoereikende personeelsbezetting, zij het

in milder vorm, steeds voor in een periode van grote

bedrijvigheid. Thans echter – en dit is wel een der meest

bedenkelijke aspecten van het huidig tijdsgewricht –
voegen zich daarbij als ernstige nevenverschijnselen

onbekwaamheid enerzijds en een gebrek aan verantwoor

deljksheidsbesef anderzijds.

,,Maar er is toch een arbeidsbureau?”, zal men zeggen.

Inderdaad, maar in de practijk van het zakenleven is

het vooral de werknemer die van deze overigens nuttige

instelling de vruchten plukt. Ontslag van voor hun

taak niet berekende medewerkers is geen eenvoudige

opgave en in ieder geval een tijdrovende en kostbare

procedure. Daartegenover staat dat het geen zin heeft

medewerkers die wensen te veranderen, te dwingen nog

enkele maanden te blijven. V66r alles toch heeft de onder-

neming behoefte aan toegewijde medewerkers. Het ligt

voor de hand dat in een tijd van ,,over-full employment”
en schrijnend personeelstekort, salarisverbetering zonder

grote moeite kan worden verkregen. Hier gaan trouwens

ook werkgevçrs niet vrij uit. De bedenkelijke uitdrukking

,,personeel wègkopen” doet thans opgeld.

De oplossing van dit probleem is niet eenvoudig. Maat-

regelen van hoger hand zullen weinig of niets uitrichten.

Groter plichtsbesef, verantwoordelijkheidsgevoel, de wil

om zich door kennis, ijver en toewijding een levenspositie

te verwerven, betere opleiding – hier speelt ook het

onderwijsvraagstuk een rol – al deze materieel onweeg-

bare maar niettemin zeer reële waarden dienen wederom

tot gelding te komen. Het ,,chacun pour soi-même” –

dit geldt voor werknemer èn werkgever beide –

dient plaats te maken voor saamhorigheidsgevoel, het

bewustzijn dat beiden op elkander zijn aangewezen en

verplichtingen jegens elkander hebben. De jongeren vooral

mogen bedenken, dat slechts zij die trouw aan werklust,

toewijding en bekwaamheid paren, wanneer het huidig

tijdsgewricht tot het verleden behoort en de werknemer

aan bepaalde eisen moet voldoen wil hij zich een levens-

positie veroveren, de gevolgen van een toekomstige reces-

sie niet aan den lijve zullen ondervinden.

Rotterdam.

C. VERMEY.

INHOUD

Blz.

Blz.

Schaduwzijden van ,,over-full employment”,
door

C. Vermey …………………………..775

Het wetsontwerp Algemene Ouderdomsverze-

kering, door Prof. Dr C. Campagne ………
777

Vreedzame toepassingen der atoomenergie,
door

B. de Boer …………………………
778

De mechanisatie van de Amerikaanse landbouw,

door Dr R. A. de Widt …………………
782

Ingezonden stuk:

Nogmaals: De ondersteuningsnormen volgens

de Armenwet, door Mr W. A. A. Aarts, met

Geld- en kapitaalmarkt,
door Drs J. Willems

een naschrift van Drs W. C. Kroft ………
784
786

Hoe moet art. 24 Comptabiliteitswet worden ge-

S t
a
t i 5 t
i e
K
e n:

hanteerd?
door Dr J. M. E. M. A. Zonnenberg
781

Bankstaten …………………………787

COMMISSIE VAN REDACTIE: C. van den Berg; Ch. Glasz; L. M. Koyck; H. W. Lambers; J. Tinbergen;
F. de Vries. Redacteur-Secretaris: A. de Wit. Adjunct Redacteur-Secretaris: J. H. Zoon.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË: F. Collin; J. E. Mertens de Wilmars;

J. van Tichelen;
R. Vandeputte;
A.
Vlerick.

AUTEURSRECHT voORBEHOUDEN

tit

BËRICIITEN

1
September1955

DE ARTIKELN VAN DEZE WEEK

Prof. Dr C. CAMPAGNE, Het wetsontwerp Algemene

Ouderdomsverzekering.

– Schrijver geeft een nadere uitwerking van de door hem

in ,,E.-S.B.” van 27 Juli en 10 Augustus ji. gedane voor-

stellen tot wijziging der Algemene Ouderdomsverzekering.

Volgens de door schrijver voorgestane regeling is iedereen

verzekerd voor een ouderdomspensioen, ingaande op

65-jarige leeftijd, met dien verstande, dat uitkering alleen

geschiedt indien het inkomen beneden een bepaalde norm

ligt. De onbillijkheid, dat personen, die nog juist voor

toekenning in aanmerking komen, met inbegrip van het

pensioen een inkomen zouden genieten, dat hoger is dan

dat van personen die net niet voor pensioen in aanmerking

komen, kan worden vermeden door aan personen met

een inkomen even boven de grens een aanvullend pensioen

te verstrekken, waardoor hun totale inkomen gelijk wordt

aan dat der nog juist in aanmerking komenden. Het be-

zwair, dat personen geen belang hebben bij vergroting

hunner inkomsten, omdat hun aanvullend pensioen dan
met eenzelfde bedrag wordt gekort, kan worden onder

vangen door een geleidelijk aflopend wettelijk ouderdoms-

pensioen, naarmate het eigen inkomen stijgt. De voor-
gestelde gewijzigde regeling betekent een aanzienlijke
bezuiniging ten opzichte van de regeling van het wets-

ontwerp, terwijl, wat de grootte der pensioenen betreft,

deze voor de minst draagkrachtigen hoger wordt gesteld

dan die volgens het wetsontwerp, hetgeen sociaal gezien

alleszins wenselijk is. Voorts is de conjunctuurgevoeligheid

van de voorgestelde regeling veel geringer dan die van de

ontworpen rijksregeling.
B. DE BOER, Vreedzame toepassingen der atoomenergie.

De conferentie te Genève heeft een eerste contact tussen

de atoomgeleerden van Oost en West mogelijk gemaakt.

Het voornaamste sociaal-economische aspect van de

gewijzigde situatie is, dat de kernenergie, wat haar vreed-

zame toepassing betreft, niet meer onderhevig is aan de

strenge geheimhoudingsclausules. Bovendien is het oider-

zoek door internationaal contact ten zeerste verge-

makkelijkt, en de kosten die voor ieder land afzonderlijk

aan het ontwïkkelingswerk besteed dienen te worden,

kunnen hierdoor sterk gereduceerd of efficiënter besteed

worden. De noodzaak tot investering van aanzienlijke

bedragen in een nieuwe wijze van energieproductie wordt

duidelijk indien wordt bedacht, dat in het jaar 2000 aan

de grote vraag nâar energie niet door de conventionele

brandstoffen zal kunnen worden voldaan, zonder dat via

prijsverhoging van energie een ernstige storing in de

welvaartsontwikkeling zou ontstaan. Schr. geeft een in-

druk van de situatie ta.v. de toepassing der kernenergie
voor de productie van electriciteit in een aantal landen.

De Conferentie behelsde echter ook het gebruik van

radio-actieve isotopen. Door deze conferentie is de

nieuwe vorm van energie Uit de politieke sfeer getrokken

en voor een belangrijk deel in de internationale commer-

ciële sfeer gekomen.

Dr J. M. E. M. A. ZONNENBERG, Hoe moet art. 24

Comptabiliteitswet worden gehanteerd?

Van de Gewone Dienst van het begrotingshoofdstuk

,,Oorlog” is
56
pCt en van de kapitaalsuitgaven 100 pCt
aangewezen voor toepassing van art. 24 der Comptabili-

teitswet. Hieruit kan men zich een beeld vormen omtrent

de omvang van het gebruik van art. 24 in één enkel

begrotingshoofdstuk. Schrijver geeft de tekst van art. 24

Comptabiliteits.vet en de wordingsgeschiedenis van dit

artikel weer. Hij vraagt zich op grond daarvan af, of het,

nu blijkt dat de toepassing van dit artikel zulke reusachti-

ge, en – volgens schrijver – niet geoorloofde, afmetingen

heeft aangenomen, geen aanbeveling zou verdienen bij

de publicatie der Begroting 1956 een overzicht sinds 1950

te (even van oorspronkelijke en herziene ramingen en

eindafrekeningen van reeds afgesloten dienstjaren. Hij

acht het noodzakelijk vast te stellen of de vermoedelijk

wijde kloof, die – volgens hem – gaapt tussen theorie en

practijk van de hantering van genoemd’ artikel, niet ten

spoedigste moet worden overbrugd.

Dr R. A. DE WIDT, De mechanisatie van de Amerikaanse

landbouw.

De Amerikaanse landbouw behoort tot de meest ge-

mechaniseerde ter wereld. Dit is o.a. toe te schrijven aan
het voorkomen van relatief veel grote bedrijven, het naar

verhouding eenvoudige bouwplan, het geringe conserva-

tisme van de Amerikaanse boer en aan het feit, dat de

mechanisatie een sterke steun vindt in de ver ontwikkelde

landbouwwerktuigenindustrie. Ten slotte speelt uiteraard

de grote kapitaalrijkdom een rol. Schrijver geeft een

overzicht van de ontwikkeling der landbouwmechanisatie

in de tijd. Het ziet er naar uit, dat het tempo, waarin de

eerstkomende jaren zal worden gemechaniseerd, belang-

rijk lager ‘zal zijn dan gedurende de eerste na-oorlogse

periode. Zolang in belangrijke sectoren van de Amerikaan-

se landbouw meer wordt geproduceerd dan tegen redelijke

prijzen kan worden afgezet zal dit een belangrijke rem.

op de mechanisatie blijven vormen.

– SOMMAIRE –
Prof. Dr C. CAMPAGNE, Le projet de bi Assurance

con tre la Vieillesse Générale.

Dans cet article l’auteur entre davantage en détails

au sujet des propositions de modification de l’Assurance

Vieillesse Générale qu’il avait présentées dans nos édi-

tions des 27 juillet et 10 août dermer. Les arrangements

proposés par lui représentent une écononiie considérable,

tandis que les pensions pour ceux qui sont économique-

ment les plus faibles seraient plus élevés.

B. DE BOER, Application pacfique de l’énergie atomique.

A l’occasion de la conférence de Genève l’auteur donne
une vue d’ensemble de l’application de l’énergie atomique
â des fins pacifiques. La conférence a sorti la question de

l’énergie nucléaire du cadre politique et l’a portée pour

une importante partie dans le cdre commercial inter-

national.

Dr J. M. E. M. A. ZONNENBERG, Comment doit-on

mettre en application l’ar,ticle 24 de La bi dite ,,Comp-

tabiliteitswet”?

En vertu de l’article 24 de la bi précitée une partie

des ressources budgétaires d’une certaine année peut â

des conditions déterminées être reportée sur l’année

suivante. L’auteur examine â quel point l’usage fait de

cette faculté est en conformité avec l’article de bi en

question et avec l’histoire de sa réalisation.

Dr R. A. DE WIDT, La mécanisation de l’agriculture aux

Etats- Unis.

L’agriculture américaine est une des plus mécanisées

du monde. L’auteur en indique les causes et donne un

aperçu du développement de la mécanisation â travers

des âges.

7September 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

777

Het wetsontwerp Algemene Ouderdomsverzekering

Nadere uitwerking van mijn voorstel jot wijziging

Mede naar aanleiding van enkle reacties op mijn

artikelen met betrekking tot het wetsontwerp der Alge-

mene Ouderdomsverzekering
1)
lijkt het mij gewenst mijn

opvatting ter zake nader te preciseren.

De doelstelling dezer verzekering moet naar mijn

gevoelen niet zijn een algemene bodemvoorziening in de

vorm van oudedagverzekering voor iedereen, dus ook

voor groepen van personen die daaraan geen behoefte

hebben. Evenmin lijkt het mij juist personen, die reeds

een ruime penioenvoorziening hebben, op zodanige wijze

in deze verzekering te betrekken, dat zij door de aan-

passingsmogelijkheid een aan hun eigen belang tegen-

gesteld effect zien gecreëerd.

Veeleer moet de doelstelling gezocht worden in een

wettelijke pensioenregeling ten aanzien van hen die na de

65-jarige leeftijd geen of onvoldoende inkomsten genieten.

De regeling dient voorts zo eenvoudig mogelijk te zijn,

zodat zij met zo min mogelijk administratiekosten kan

worden uitgevoerd. Ten slotte dient het een verzekerings-

regeling te zijn.
1

Het beginsel van de door mij voorgestane regeling kan

men nu als volgt schetsen. Iedereen is verzekerd voor een

eenheidspensioen, ingaande op 65-jarige leeftijd, met dien

verstande dat uitkering alleen geschiedt indien het inko-

men ,bij of bovn de 65-jarige leeftijd beneden een be-

paalde norm ligt. Dit pensioen wordt uitbetaald door de

belastingdienst aan de hand van gegevens, te ontlenen aan

de opgaven voor de inkomstenbelasting.

Nu is het zonder nadere regeling niet mogelijk dit

pensioen aan de categorie personen zonder of met een

bepaald minimum inkomen toe te kennen, omdat per-

sonen die nog juist voor toekenning in aanmerking komen

dan met inbegrip van het ouderdomspensioen een inko-
men zouden genieten, uitgaande boven het inkomen van

personen, die nog juist niet van de regeling kunnen pro-
fiteren, omdat hun inkomen de grens net overschrijdt.

Vandaar dat het noodzakelijk is de regeling nader uit

te werken teneinde bovenbedoelde onbillijkheid te

vermijden.

Dit kan geschieden door aan personen, die een inkomen

genieten even boven de grens, een aanvullend pensioen te

verstrekken, zodanig dat hun totale inkomen gelijk wordt

aan het totale inkomen (dus met inbegrip van de eenheids-

rente) van diegenen, die nog juist in aanmerking komen
voor een rente.

Stellen wij de eenheidsrente op f 804 per jaar en kennen

wij deze toe aan personen met een inkomen kleiner of

gelijk aan f 804, dan zou men aan alle personen met een

inkomen, groter dan f 804 doch kleiner dan f 1.608, een

zodanig toeslagpensioen moeten toekennen dat hun totale

inkomen f 1.608 bedraagt.
Bij een dergelijke regeling haalt men echter een ander,

bezwaar binnen, namelijk dat het onder die omstandig-

heden voor de betrokken categorie van personen met

inkomsten tussen f 804 en f 1.608 niet van belang is, dat

hun eigen inkomsten worden vergroot, hetzij door bij-

verdienste hetzij door een verbetering van de private

pensioenregeling. Zij zouden immers daarvan de vruchten

niet plukken omdat hun aanvullend wettelijk pensioen

dan met hetzelfde bedrag wordt gekort. Alleen indien de

nieuwe inkomsten het bedrag van het aanvullend pensioen

‘) Verschenen in ,,Economisch-Statistische Berichten” van 27Juli en 10 Augustus
1955.


zouden overtreffen, wordt hun totaal inkomstenbedrag

groter dan f 1.608.

Teneinde dit bezwaar te voorkomen zou men de

volgende regeling kunnen treffen.

Wij stellen ons voor dat een echtpaar zonder inkomsten

een pensioen verleend wordt ter grootte van tweemaal de

eenheidsrente, welke laatste wij eenvoudigheidshalve

stellen op f 800.

Wij kennen nu aan een echtpaar, naarmate het eigen

inkomen stijgt, een geleidelijk aflopend wettelijk ouder-

domspensioen toe, op zodanige wijze dat, indien het eigen

inkomen van het echtpaar f 5.000 bedraagt, dit pensioen

nihil is, dus volgens een langzaam aflopende schaal.

Uiteraard loopt deze schaal langzamer af naarmate men

de grens van het eigen-inkomstenbedrag, waarboven geen

pensioen meer wordt toegekend, hoger stelt. Door de

grens op f 5.000 te stellen verkrjgt men reeds een zeer

geleidelijke aanpassing. -.

Een dergelijke regeling weerhoudt de verzekerden er

niet van het eigen inkomen te vergroten, noch weerhoudt

dit de werkgevers resp. werknemers er van de pensioen-

regelingen te verbeteren, omdat het nuttig effect van de

vermeerdering van inkomsten groot. is.

Onder nuttig effect verstaan wij in dit verband de toe-

name van het eigen inkomen, verminderd met de afname

van het wettelijk pensioenbedrag, welk saldo dan gedeeld

moet worden door de vergroting van ‘het
e
igen inkomen.

Is het nuttig effect bijv. 70 pCt, dan betekent dit dat bij

een vergroting van het eigen inkomen met f 100 hët

pensoenbedrag slechts met f 30 achteruitgaat.

In onderstaande tabel is nu opgenomen de grootte van

het pensioenbedrag voor een echtpaar, resp. voor een

ongehuwde bij verschillende eigen-inkomstenbedragen.

De a’anpassing van het pensioenbedrag van de ongehuwde

heeft ztdanig plaats gevonden, dat een verhoging van het

eigen inkomen van een ongehuwde hetzelfde nuttig effect
heeft als bij een echtpaar.
Bij de samenstelling van onderstaande tabel hebben wij

als eigen-inkomen-grens, waarboven geen uitkering uit

hoofde van de bodemvoorziening geschiedt, f 5.000 (voor

een echtpaar) aangehouden. Bij deze regeling bedraagt het

nuttig effect van een verhoging van het eigen inkomen

68 pCt.

Bij de regelingen, waarbij de hiervoor bedoelde grens

op f 3.000 resp. f 4.000 wordt gesteld, bédraagt het. nuttig

effect van een verhoging van het eigen inkomen 46 pCt
resp. 60 pCt.

Het komt mij voor dat bij een nuttig effect van 68 pCt

er voor de belanghebbende geen reden is zijn inkomen niet

te vergroten noch voor werkgevers, resp. werknemers om

wenselij ke pensioenverbeteringen na te laten.

Ten slotte geeft deze regeling werkgevers en werkne:

mers, welke reeds een zekere pensioenregeling voor, hun

personeél hebben gemaakt in de vorm van bedrjfs- of

ondernemingspensioenfondsen, geen aanleiding dit te be-
treuren,
omdat
het nuttig effect hunner regeling hoog ligt.

Eigen

Wettelijk
.
Wettelijk

inkomen

i
ouderdoms-
.
Totaal
ouderdoms-
Totaal
echtpaar
pensioen
ongehuwde
pensioen
echtpaar
ongehuwile

0

t
1.600 1.600
0
800 800
1

1.344
2.144
800
544
1.344 1.600

‘1
1.088,
1

2.688
1.600
288
1

1.888
2.400
832
3.232
2.400
32
2.432
3.200
1

576
3.776
3.200 0 3.200
4.000
1

320
4.320
4.000

1

4.000
5.000
0

,
5.000
5.000

t

5.000

778

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
7 September 1955

Kostenbesparing.

Teneinde een inzicht te verkrijgen in de kostenbe-

sparing, welke de voorgestelde regeling ten opzichte van

de ontworpen rjksregeling met zich brengt, heb ik voor

het jaar 1954 een globale becijfering gemaakt van de

kosten der ontworpen rij ksregeling en van de kosten der

gewijzigde regeling volgens het bovenomschreven plan.

Uiteraard had deze berekening niet de pretentie een ra-
ming van de kosten te zijn; ik heb daarmede uitsluitend

de bedoeling gehad enig inzicht te verkrijgen in de kosten-

besparing welke uit het aanvaarden van mijn voorstel

zou volgen.

Te mijner beschikking stonden enige globale gegevens

over de inkomstenverdeling van persönen boven de
65

jaar, zoals deze geldig geacht kunnen worden te zijn voor

het jaar 1954.
Ik maakte een drieledige berekening waarbij de grens
van het eigen inkomen, waarboven geen uitkering inge-

volge de wettelijke voorziening plaatsvindt, gesteld wordt

op f 3.000, f 4.000 resp. f 5.000.

Uit mijn berekeningen blijkt dat de kosten van de voor-

gestelde regeling bij de hierbovengenoemde grenzen

48 pCt, 58 pCt resp. 64 pCt bedragen van de kosten van

de regeling volgens het wetsontwerp.
Bij deze eigen-inkomen-grenzen is het aantal voor uit-
kering in aanmerking komende personen
63:.pCt,
81 pCt

resp. 82 pCt van het aantal personen dat volgens het

wetsontwerp voor pensioen in aanmerking komt.

Uit het vorenstaande valt de conclusie te trekken dat

de voorgestelde regeling een aanzienlijke bezuiniging

betekent ten opzichte van de regeling van het wets-

ontwerp, terwijl, wat de grootte van de pensioenen be-

treft, deze voor de minstdraagkrachtigen hoger wordt

gesteld dan die volgens het wetsontwerp, hetgeen sociaal

gezien alleszins wenselijk is.

Men zou daartegenover kunnen stellen, dat er een

groep van de Nederlandse bevolking is die tot premie-

betaling verplicht is, terwijl zij slechts een vrijwel fictief

belang bij deze verzekering heeft, omdat zij daarvan alleen

de vruchten kan plukken indien haar inkomen beneden

een bepaalde grens daalt na de 65-jarige leeftijd.

Men vergete echter niet dat door de invoering van dit

voorstel de premie een aanzienlijke verlaging ondergaat.

Een ander punt ter overweging is dat bij personen met

een inkomen boven een bepaalde grens de fiscus een groot

deel van het ouderdomspensioen wegneemt. Een premie-

verlaging is voor deze groep van personen een reëler

behng dan het pensiôen dat hun anders in uitzicht

wordt gesteld.

De door het wetsontwerp voorgestelde regeling geeft

een permanent algemeen bodempensioen, terwijl de aan-

vullende pensioenvoorziening van de gewijzigde regeling

als een zich geleidelijk inkrimpende voorziening valt te

karakteriseren. Worden namelijk nieuwe private pensioen-

aanspraken in uitzicht gesteld of bestaande gunstiger

gemaakt, dan heeft dit tot resultaat dat de lasten van de

aanvullende wettelijke pensioenvoorziening afnemen.

De conjunctuurgevoeligheid van de voorgestelde rege-

ling is dan ook veel geringer dan die van de ontworpen

rij ksregeling.

Het is ook in hoge mate gewenst dat een soort zelf-

regulerende werking in de regeling is vervat, omdat in

verband met de veroudering van de bevolking reeds

rekening moet worden gehouden met een verzwaring van

de lasten der verzekering Een en ander geeft voldoende

aanleiding om te overdenken of er môgelijkheden lijn

een doeltreffende regeling te ontwerpen zonder daarmede

verplichtingen te aanvaarden waarvan men zeer onzeker

is of zij wel nagekomen zullen kunnen worden.

Een poging hiertoe heb ik met dit voorstel willen doen.

Amsterdam.

Prof. Dr C. CAMPAGNE.

Vreedzame toepassingen der atoomenergie

Van 8-20 Augustus jl. is in Genève onder auspiciën van

de Verenigde Naties een conferentie gehouden over de

vreedzame toepassingen van de kernenergie. Het is geens-

zins onze bedoeling een verslag van deze conferentie te

geven; wij willen slechts deze wetenschappelijke gedach-

tenwisseling als uitgangspunt nemen voor een beschou-

wing van de huidige situatie met betrekking tot de ont-

wikkeling van de atoornenergiè in haar vreedzame

toepassingen.

Het plan voor de conferentie te Genève stamt van

president Eisenhower, die een desbetreffende suggestie

deed aan de Algemene Vergadering van de Verenigde

Naties in December 1953. Het was de bedoeling van de

Verenigde Staten een zo groot mogelijk gedeelte van het

aan geheimhouding gebonden onderzoekingswerk voor

publicatie vrij te geven, wanneer de Sowjet-Unie bereid

zou zijn hetzelfde te doen. De Russische delegatie bij de

Verenigde Naties verklaarde zich hiertoe bereid, en daar-

mee was in principe de mogelijkheid geschapen tot een

eerste contact tussen de atoomgeleerden van Oost en

West.

Ook andere, met name de kleinere, landen profiteren

uiteraard van een dergelijke gedachtenwisseling. Want de

zeer kostbare onderzoekingen, die aan de ontwikkeling

in de grote landen ten grondslag liggen, kunnen niet door

ieder land afzonderlijk gedupliceerd worden tr voorbe-
reiding van de kernenergieproductie. Het is daarom een

direct economisch belang dat een intensieve uitwisseling

plaatsvindt. Dit is wel het belangrijkste sociaal-econo-

mische aspect van de gewijzigde situatie, waarvan Genève

een treffende illustratie is: de kernenergie is niet meer

onderhevig aan de strenge geheimhoudingsclausules, wat

haar vreedzame toepassingen betreft. Het onderzoek is

bovendien door een internationaal contact tussen de

geleerden van de landen die deelnamen ten zeerste ver-

gemakkelijkt, en de kosten, die vooriederland afzonderlijk

aan het ontwikkelingswerk besteed dienen te worden,

kunnen hierdoor sterk gereduceerd of efficiënter besteed

worden.

Men zal zich afvragen waarom het noodzakelijk is zo
veel geld te investeren in een nieuwe wijze van energie-

productie, wanneer deze per geproduceerde eenheid

energie altijd nog duurder is dan de huidige processen

als de verbranding van steenkool. Een antwoord op deze

vraag werd reeds gedurende de eerste dagen gegeven, toen

de wereldenergievoorziening en aanverwante onderwerpen

als steenkoolreserves en bevolkingstöename aan de orde

kwamen. Volgens een door deskundigen van de Verenigde

779
7 September
1955

ECONOMISCH-STATISTISÇHE BERICHTEN

/

Naties geprepareerd rapport zou in
1975
de vraag naar

energie reeds het drievoudige zijn van de huidige vraag,

terwijl in het jaar 2000 de wereld volgens deze schatting

acht maal zoveel energie nodig heeft als thans per jaar.

Er is geen sprake van dat aan deze vraag kan worden

voldaan door de conventionele grondstoffen voor de

energieproductie als steenkool en olie, zonder dat via een

prijsverhoging van. de energie een ernstige storing in de
ontwikkeling van het welvaartsniveau zou ontstaan. Om

een dergelijke storing te voorkomen dient een nieuwe bron

van energie, i.c. de atoomenergie, te worden aange-

sproken.

Nu wordt over het algemeen bij de toepassing van

kernenergie in de eerste plaats gedacht aan de productie

van electriciteit. Dit is een gevolg van het feit, dat de vraag

naar electriciteit zich sneller ontwikkelt dan de vraag naar

andere vormen van energie. Men zal daarom in de eerste

plaats een mogelijkheid tot productie van electriciteit

overwegen. De energie in de kernreactor komt echter in
eerste instantie vrij in de vorm van warmte, en de indus-

triële bedrijven die energie in de vorm van warmte ver-

bruiken, zullen dus op relatief eenvoudige wijze van een

kernreactor gebruik kunnen maken. Dit is ook geheel in

overeenstemming met de ervaring: een Noors hout-

veredelingsbedrijf, dat gebruik maakt van stoom, zal

binnenkort deze stoom betrekken van een kernreactor.

Deze reactor is in aanbouw in de buurt van het stadje

Halden. Ook voor bijv. stadsverwarming in de geest van

de Utrechtse PEGUS-verwarming zou in principe gebruik

van kernenergie in aanmerking komen, evenals voor de

thermochemische industrie.
Houden we slechts rekening met de toepassing voor de

electriciteitsvoorziening, dan zou de kernenergie in het

jaar 2000 een vijfde deel van de gehele energievoorziening

voor haar rekening kunnen nemen. Betrekken we ook de

consumptie in de vorm van warmte bij onze beschou-

wingen, dan komen we tot een aandeel van drie vierde

voor de kernenergie.

Voor de diverse landen is het beeld uiteraard ver-

schillend. Zo is men in de Verenigde Staten in mindere
mate van een nieuwe energiebron afhankelijk dan bijv.

in Groot-Brittannië. Als consequentie hiervan maakt men

in het laatste land dan ook wat meer haast met de ont-

wikkeling dan in Amerika. Terwijl men in Amerika,

.blijkens ter conferentie gepresenteerde gegevens, in
1975

verwacht 6-12 pCt van de totale energieproductie te

dekken met behulp van kernenergiecentrales, zou men in

Engeland in
1975
40 pCt van de electriciteitsproductie

reeds uit de splijting van de atoom.kern willen verkrijgen.

Een en ander is weerspiegeld in de aanpak van het

ontwikkelingswerk. We hebben reeds eerder een uiteen-

zetting gegeven van het Britse tienjarenplan voor de

ontwikkeling van de kernenergie voor vreedzame doel-

einden. Dit plan komt in het kort hierop neer, dat in tien

jaren een capaciteit van 2 mln kW wordt opgebouwd aan

centrales, die worden gedreven door een kernreactor.

In
1975
hoopt men de gehele uitbreiding van het Britse

electriciteitsnet te realiseren door de constructie van

kernenergiecentrales. Men heeft, om dit plan ten uitvoer

te kunnen brengen, bewust een keus moeten doen uit de

verschillende mogelijkheden, waarop een kernreactor kan

worden gebouwd. Binnen dit kader echter is het plan zo

breed mogelijk opgezet: langzamerhand zal men van het

minder gecompliceerde type reactor overgaan . op het

meer voorbereiding eisende: Na enige jaren hoopt men

dan in de practijk gebruik te maken van de mogelijkheid,

natuurlijk uraan voor 100 pCt als brandstof te benutten.
Natuurlijk uraan bestaat namelijk voor meer dan 99 pCt

uit een isotoop, die niet gespleten kan worden, maar wel

in een nieuw splijtbaar materiaal kan worden omgezet.

Dit proces vindt weliswaar in kI me schaal in iedere

reactor, waarin natuurlijk uraan gbruikt wordt, plaats,

doch de (practisch) volledige omzetting van dit onsplijt-

bare hoofdbestanddeel vraagt nog een hoeveelheid

research.

Op deze wijze heeft men in Groot-Brittannië de ont-

wikkeling van de reactor als zodanig gecombineerd met

een spoedigetoepassing, waarbij echter het laatste aspect

duidelijk op de voorgrond .treedt. Dit blijkt vooral ook

wanneer wij het Britse tienjarenplan vergelijken met de
ontwikkeling in Amerika. Daar is men in mindere mate

genoodzaakt uit te zien naar een nieuwe energiebron, en

datbetekent dat het Amerikaanse programma er een is op

veel langere termijn dan het Britse. In de Verenigde Staten

heeft men meer de nadruk gelegd op de ontwikkeling van

de kernreactor als zodanig, en over enige jaren zal men

als gevolg hiervan de wereld een ruime keuze van kern-

reactoren als handelsartikel kunnen aanbieden. Uiteraard

zijn er ook in Amerika plannen voor de productie van

electrische energie; hierbij treedt echter een •typisch

verschil aan de dag met de Britse benadering. In de

Amerikaanse lezingen te Genève werd duidelijk

de eis gesteld aan de kernenergiecentrale, stroom

te kunnen leveren tegen dezelfde prijs als een

conventioneft steenkoolcentrale. In de Britse plannen

is uiteraard het kostenaspect eveneens van belang, doch
voor de bouw van een centrale speelthet, wanneer onze

indrukkeijuist zijn, een minder grote rol dan in Amerika.

Wij moeten de verleiding weerstaan in te gaan op de

interessante invloed, die de industriële structuur van een

land kan hebben op de technische ontwikkeling; wij

volstaan daarom met er op te vijzen dat andere maat-

staven dan in Engeland inderdaad in het – excuseer het

woord – bij uitstek kapitalistische Amerika te verwachten

.
zijn.

In de Sovjet-Unie is de situatie weer geheel anders.

Dit land staat aan het begin van zijn industriële ont-

plooiing. Een nieuwe bron van energie, die zekere

technische en economische vooruitzichten biedt en die de

energiebron der toekomst lijkt te zijn, is een bijzonder

aantrekkelijk object om te worden opgenomen in de

plannen voor een industriële ontwikkeling. De Ameri-

kaanse aanpak is in dit land niet te verwachten; men is in

Rusland in nog veel sterkere mate dan in bijv. Groot-

Brittannië geneigd zich in de eerste plaats te richten op

de practische toepassingen. Men heeft, om deze te reali-

seren, een betrekkelijk eenvoudig reactortype gekozen en

hiermee een vrij inefficiënte en kostbare centrale gebouwd

van de betrekkelijk lage capaciteit van 5.000 kilowatt.

Deze centra1e, die thans ongeveer een jaar in bedrijf is,

was de eerste ter wereld. Inmiddels zijn plannen in de

maak voor een grotere centrale, en wel één van 100.000

kilowatt capaciteit. Het Russische programma mag

minder breed van opzet zijn dan het Britse, een feit is

dat men in de Sovjet-Unie reeds thans een waardevolle

hoeveelheid ervaring heeft opgedaan met de toepassing
van de reactor in de practijk. Hierbij is gebleken, dat de

kernenergiecentrale een bijzonder gemakkelijk te bedienen

bedrijf is, dat weinig contrôle eist en alleen in de allereerste

periodes van zijn bestaan de kinderziekten vertoonde,

welke men in Westelijke kringen op grond van de daar

opgedane ervaringen met experimentele opstellingen

vreesde.

780

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
7 September 1955

Van Russische zijde heeft men verder mededelin’gen

gedaan over de productiekosten van• kernenergie met

behulp van grotere centrales dan de in bedrijf genomen

centrale. Wanneer de capaciteit 100.000 kilowatt of meer

is, aldus de Russische deskundige Dr Blochintshew, zullen
de productiekosten voor de kernenergiecentrale gelijk zijn

aan die voor een klassieke centrale. In Amerika en Enge-
land huldigt men over het algemeen een overeenkomstige

opvatting. Overigens zijn uitlatingen als deze moeilijk
zonder meer naar hun waarde te schatten, daar de pro-

ductiekosten van kernenergie, naar wij elders uiteengezet

hebben, zeer sterk afhankelijk zijn van afschrijvings-

methoden en productiewijze. Over het algemeen mag men

echter wel zeggen dat de kernenergie niet lang meer als

een economisch niet-lonende vorm van energie beschouwd

behoeft te worden
1).

In dit verband was het interessant te vernemen welke

prijzen d,e Verenigde Staten thans berekenen voor de

kernbrandstof, uranium, en voor een belangrijk hulp-

middel, het zware water. Deze prijzen werden tijdens de

conferentie bekend gemaakt, en bleken aanmerkelijk lager

dan veelal werd aangenomen. Zo werd voor zwaar water

een prijs genoemd van $ 28 per pound, oftewel één derde

van de prijs waarvoor het Noorse concern Norsk Hydro

– onder andere aan Nederland – zwaar water levert.

Deze eigenaardige wijze van doen heeft verschillende

reacties opgewekt. Van Britse zijde heeft men, bij monde

van ,,The Economist”, deze bekendmaking gekwalificeerd

als een mogelijke tegenaanval op de verregaande Britse

inspanningen om een plaats te veroveren op de internatio-

nale markt, die thans bezig is gevormd te worden. Het

blad vervolgt:
,,The American price for heavy water, $ 28 per pound, was
freely admitted to be below the cost of production. The prices
of $ 40 per kilogramme for nâtural uranium and $
25
a gram-
me for the lease of uranium containing an additional 20 per
cent of fissile atoms also smack of a bargain offer. The Ame-
rican Atomic Energy Commission bas been at some pains to
avoid direct association with the United States companies’
export drive, but there is . no doubt that this announcement
was intended to help American manufacturers at Geneva”.
Zo heeft de conferentie te Genève ook commerciële

achtergronden. Gelijktijdig met de conferentie werd,

behalve een technische tentoonstelling in het Palais des

Nations, elders in de stad een complete ‘handelsbeurs

gehouden van kernreactoren, contrôle-instrumentarium

en dergelijke. We dienen echter bij het beschouwen van

de toekomstige ontwikkeling van de kernenergie rekening

te houden met het feit, dat niet alle landen in staat zijnde

kernreactoren en de er voor benodigde brandstof op

zuiver commerciële basis. te betrekken. De onderont-

wikkelde gebieden zullen op andere basis, door tussen-

komst van de Verenigde Naties, met de ontwikkeling van

een kernenergie-industrie geholpen moeten worden. De

hulp van de Verenigde Staten aan de kleine landen in het
Westen en van Rusland aan de satellietstaten en commu-

nistisch China heeft o.i. nog tezeer een politieke bijsmaak

om zonder meer als onbaatzuchtige hulp te worden

gekarakteriseerd. En een dergelijke hulp is nu juist nodig
voor vele landen, diè beslist niet over mogelijkheden be-
schikken om op eigen kracht een industrie op te bouwen.

Er is een zeer sterke correlatie tussen energieverbruik per,

hoofd en ontwikkelingsniveau; de verhoging van levens-

standaard gaat dan ook gepaard met een uitbreiding van

de capaciteit der energieproducerende bedrijven. Kern-

energie is een bijzonder aantrekkelijke vorm van energie

voor deze gebieden, aangezien de juist hier zo belangrijke

‘) Zie: Bram de noer: Enige kostprijsaspecten van kernenergie. De Economist,
December 1954.

kostenverhoging door het transport van steenkool voor-
komen kan worden. Dit maakt kernenergie economisch

aantrekkelijk in vergelijking met electriciteit, gewonnen

uit de verbranding van steenkool.

Om de hulp aan onderontwikkelde gebieden te kunnen

realiseren is het echter nodig het beschikbare splijtbare

materiaal op de een of andere wijze te distribueren.

Presideht Eisenhower stelde daarom in December 1953

aan de Verenigde Naties voor een internationaal atoom-
agentschap te. stichten, dat onder auspiciën van de Ver

enigde Naties de verdeling van splijtbaar materiaal tot

taak zou hebben. Een desbetreffende resolutie werd daar-

op ingediend door Australië, België, Canada, Frankrijk,

Zuid-Afrika, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde
Staten. Deze zeven landen zijn juist de landen, die zelf

beschikken over uraniumreserves. Op het eerste gezicht

lijkt het niet meer dan logisch dat deze landen een der-

gelijke resolutie indienen. Men verlieze echter niet uit het

oog, dat kleine landen die zelf niet over uranium en/of

een zekere economische macht beschikken, de garantie

dienen te hebben dat het agentschap voor atoomenergie

en uranium de belangen van de wereldenergievoorziening

en van de energievoorziening van de kleinere en de

onontwikkelde landen niet afhankelijk stelt van de

commerciële belangen, welke de genoemde landen hebben

bij de verhandeling van splijtbaar materiaal. Een atoom-

agentschap onder de. vlag van de Verenigde Naties is

gevaarlijk,, wanneer dit in feite een belangenconcentratie

van uraniumproducerende landen zou kunnen blijken

te zijn.

We hebben tot nu toe uitsluitend gesproken over de

toepassing van de kernenergie voor de productie van

electriciteit. De conferentie behelsde echter behalve deze

toepassing ook het gebruik van radio-actieve isotopen.

Deze toepassing van isotopen is nit iets van de laatste

jaren. Reeds v66r de oorlog wist men met behulp van het

zgn. cyclotron stoffen te produceren die zich onder-

scheidden door de uitgezonden radio-actieve straling. Deze

straling maakt het mogelijk de stoffen op hun weg door

het menselijk, dierljk en plantaardig lichaam te volgen.

De radio-actieve stoffen vormen zo eén belangrijk hulp-

middel bij het medisch en biologisch onderzoek. Daar-

naast kunnen de kunstmatig geproduceerde isotopen

gebruikt worden voor therapeutische doeleinden ter ver-
vanging van de dure natuurlijke radio-actieve stoffen als

radium. De ontwikkeling van de kernreactor heeft het

o.a. mogelijk gemaakt deze isotopen in grotere mate tegen

lagere kosten te produceren dan vroeger het geval was.

Vandaar dat met de verdere ontwikkeling van de kern-

reactor een grote uitbreiding van de toepassingen van

radio-actieve isotopen gepaard is gegaan. Op het gebied

van de productie van isotopen spreekt Nederland op de

internationale markt een woordje mee. In het Noors-

Nederlands instituut voor atoomenergie te Kjeller in

Noorwegen wordt een grote verscheidenheid van isotopen

voor de verschillende toepassingen geproduceerd. Met

betrekking tot de toepassing van isotopen heeft Nederland

echter nog het een en ander te leren van bijv. Amerika.
Het behoeft geen betoog dat een uitgebreide toepassing

van deze moderne hulpmiddelen een economisch belang

vormt. De bedrijfscontrôle in verschillende takken van

industrie wordt, door de toepassing. van radio-actieve

isotopen als ,,tracers” op overeenkomstige wijze als

zoëven geschetst werd voor plant en dier, zeer stejk ver-

eenvoudigd en versneld. Ook op dit terrein is een inter-
nationale uitwisseling van gegevens een eerste vereiste

voor een gezonde ontwikkeling.

7September 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

781

Die internationale uitwisseling was wel het .hoofddoel

van deze geslaagde wetenschappelijke conferentie. Zij

werd ten overvloede geïllusteerd door een bezoek, dat

gedelegeerden van verschillende landen de Woensdag na

de conferentie brachten aan het Britse atoomcentrum in

Harweli. Aan deze excursië, Waarvoor men een aantal

vliegtuigen had gecharterd, namen- deskundigen deel van

beide zijden van het ijzeren gordijn. Het is in dit verband

misschien interessant te wijzen op een bezoek, dat een

aantal geleerden vôôr de conferentie bracht aan de

Russische kernenergiecentrale en laboratoria Onder deze

deskundigen waren onze landgenoten Prof. Dr J. H. de

Boer, wetenschappelijk adviseur van de Staatsmijnen en

Dr T. J. Barendregt, leider van de chemische afdeling van

het instituut te Kjeller. Hun indruk over de stand van het

onderzoek in de Sowjet-Unie was, dat men in Rusland

op verschillende delen van het terrein van onderzoek,

waarop deze conferentie te Genève betrekking had, zeker

niet ten achter is. Bovendien – en dit blijkt ook uit de

sfeer, die op de conferentie heerste – blijkt het de Russen

er wel degelijk om te doen te zijn tot een meer intensief

contact met het Westen te komen wat de ontwikkeling

van de kernenergie voor vreedzame doeleinden betreft.

Dit is ten zeerste verheugend. De kernenergie is een be-

langrijke factor in het streven, de levensstandaard in de

ontwikkelde landen ten minste te handhaven en in minder

ontwikkelde gebieden te verhogen Het is daarom voor

de wereld een levensbelang, dat deze nieuwe vorm van

energie uit de politieke sfeer wordt getrokken. Dit is thans

geschied, en daarmee is de kernenergie voor een belangrijk

deel in de internationale commerciële sfeer gekomen.

Er is echter nog één aspect van de ontwikkeling, dat

nog niet uitgebreid op de conferentie ter sprake is ge-

komen, en waarover wij volledigheidshalve ten slotte nog

iets dienen te vertellen. Deskundigen op het gebied van

de atoomenergie puzzlen al enige jaren met het probleem,
in hoeverre het mogelijk is de principes van de waterstof-

bom als basis te nemen voor de constructie van een kern-

reactor. Een dergelijke reactor, die dus in plaats van op

splijting van uraniumkernen gebaseerd zou zijn op de

fusie van waterstofatomen, zou vele voordelen hebben

boven de uraniumreactor. De grondstoffenvoorziening en

de afvalverwerking zouden zeer veel eenvoudiger worden.

Een gevaar van deze ontwikkeling is echter dat de

uraniumreactor op een (economisch gezien) ongelegen

moment bedreigd zou worden met een zeer snelle ver-

oudering. Het onderzoekingswerk op dit terrein, dat

ongetwijfeld zowel in Amerika als Rusland plaatsvindt,

is nog strikt geheim; het is dan ook niet mogelijk gebleken
hierover nadere gegevens van de betrokken gedelegeerden

los te krijgen. Wij hoorden een enkele stem die zei, dat de

dreigende veroudering van de uranium-business één van

de redenen was, waarom men plotseling zo vrjgevig was

geworden met ,,atoomgeheimen”. De complicaties, ver-

bonden aan de ontwikkeling van de waterstofreactor, zijn

echter nogal groot en voorlopig zullen wij dus op de

uraniumsplijting zijn aangewezen. Ook al weer blijkens

ter conferentie gepresenteerde gegevens is er voldoende

uranium in de bodem aanwezig om voor vele jaren de

grondstoffenvoorziening voor de kernenergieproductie te

garanderen.

Btissum.

BRAM DE BOER.

Hoe moet art. 24 Comptabiliteitswet worden gehanteerd?

Nu de derde Dinsdag in September spoedig nadert,

heeft het wellicht nut eens te wijzen op een door de recente

practijk blijkbaar geijkte hantering van art. 24 der Comp-

tabiliteitswet, e1ke hantering o.i. niet strookt met de

bedoeling, welke de wetgever met dit artikel heeft gehad.

Tot uitgangspunt nemen wij hierbij een bijdrage in

,,E.-S.B.” van 14 Juli 1954 (blz.
552-554)
onder de titel

,,Nederlands defensielasten”. De schrijver van dit artikel

stelt daarin o.a.: , …..vier jaarbegrotingen ten bedrage

van f 1.500 mln betekenen nog niet, dat per jaar ook

inderdaad f 1.500 mln wordt uitgegeven, zelfs al worden

Oorlog

Gewone Dienst

1 Waarvan aan-

Total

gewezen voor
Omschrijving onderdeel der begroting

(in mln gtd)
a

1 toepassing van
1
art 24 Compt.w.

Ministerie:
Afd,

1

Ministerie

………………
24,1
2,1
Militaire uitgaven:
Afd.

IT Militaire uitgaven
10,2

Afd. 111 Koninklijke Landmacht
574,1
321,8
Afd.
iv
Koninklijke Luchtmacht
252,8
187,1
Afd.

V Gezamenlijke

uitgaven

(III

..

en

Iv)

………………
21,5
2,6
Uitgaven

niet

rechtstreeks

verband
houdende met de Kon. Land- en Lucht-

..

macht

………………………
36,3
0,4
Totaal Gewone Dienst

………………
919,
0

..
514,0

Oorlog

Buitengewone Dienst
(Kapitaalsuitgaven)

Afd. TH Koninklijke Landmacht
……..

41,0

41,0
Afd.
iv
Koninklijke Luchtmacht

27,2

27,1
Afd. V Gezamenlijke uitgaven (111 en IV)

.

29,6

29,6
Totaal Buitengewone Dienst
………….
. 97,8

.

97,7

de bedragen volledig verbonden; art. 24 der Comptabili-

teitswet geeft, zonder dat bijzondere procedures nodig

zijn, de mogelijkheid om begrotingsbedragen van een

bepaald jaar te doen overlopen naar het volgende jaar”.

Wij menen, dat op deze uitspraak wel het een en andei

is af te dingen, gezien de wordingsgeschiedenis van art.

24 der Comptabiliteitswet.

Alvorens hier het een en

ander over tè vermelden, zij

ter inleiding hiernaast enig cijfermateriaal weergegeven,

ontleend aan het hoofdstuk ,,Oorlog” der Rijksbegroting

1955 (Kamerstuk 3700-Vijl A-l). De lezer zal zich hieruit

een beeld kunnen vormen omtrent de omvang vaii het
gebruik ‘van art. 24 in dit enkele begrotingshoofdstuk.

Van de Gewone Dienst van het begrotingshoofdstuk

,,Oorlog” is dus
56
pCt, van de kapitaalsuitgaven 100 pCt

aangewezen voor toepassing van art. 24 der Comptabili-

teitswet. Bedoeld artikel luidt als volgt:

l. Bij de begrotingswet kunnen artikelen van uitgaaf worden
aangewezen, welke, indien en voorzover ten laste van het
dienstjaar geen vorderingen zijn ontstaan tot het volle
bedrag der op die artikelen geraamde sommen, voor het’
restant door Ons bij in het
Staatsbiad op
te nemen besluit
kunnen worden toegevoegd aan de begrooting van uitgaven
van het volgende jaar, hetzij door opneming van nieuwe,
hetzij door verhooging van reeds opgenomen artikelen en
alsdan van die begrooting deel uitmaken op denzelfden
voet als de overige artikelen dier begrooting, terwijl de
terzake overgebrachte bedragen op de voor het vorige
jaar toegestane sommen worden in mindering gebracht.
2. Een besluit als in het vorige lid bedoeld wordt ,niet
genomen, dan met medewerking van Onzen Minister van
Financiën, indien de voordracht niet van anderen uitgaat”.

782

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
7 September 1955

En nu de wordingsgeschiedenis van dit artikel. In het

door een speciale Commissie opgestelde Voorlopig Ver

slag van 17 Maart 1927 wordt het juister geacht ,,indien

de bepaling beperkt werd tqt de kapitaalsuitgaien. Zij

(= de Commissie-J.Z.) veronderstelde, dat dit ook de

bedoeling der Regering is; het zou dan in het artikel zelf
kunnen worden vermeld”. In de Memorie van Antwoord

van 20 April 1927 antwoordt de betrokken Minister:

,,Ondergetekende heeft gemeend, dat dit artikel wel in

hoofdzaak doch niet uitsluitend voor uitgaven van den

kapitaalsdienst toepassing zal vinden. . . . “. M.a.w., dit

artikel kan dus ook worden gebruikt voor uitgaven be-

horende tot de Gewone Diénst. Genoemde Memorie

van Antwoord preciseert deze uitgaven met een verwijzing

naar het tegenwoordige art. 23 der Comptabiliteitswet.

Daarin is te lezen, dat ,,uitgaven krachtens schriftelijke

overeenkomsten zaken betreffende, die, volgens verkla-
ring van den daarbij betrokken Minister door bijzondere

in de verklaring te vermelden omstandigheden, niet

konden worden opgeleverd in het dienstjaar, waarin de

oplevering verwacht werd, niettemin (behooren) tot dat

dienstjaar, bijaldien de oplevering plaats vindt vôôr 1

Juni van het volgend jaar;. . . “. Wordt nu deze termijn

overschreden, dan zou – aldus meergenoemde Memorie

van Antwoord – ,,het restant der desbetreffende (be-

grotings)-artikelen, met toepassing van artikel 24, kunnen

worden overgebracht naar het volgende dienstjaar. Na-

tuurlijk moet de toepassing van dit artikel voor de voren-
omschreven gevallen zekere grenzen niet çiverschrijden.

In de praktijk zal moeten blijken hoever men gaan kan”.

Tot zover de Memorie van Antwoord van 20 April 1927.

De practische hantering van art. 24 zal zich
in alle

sirikiheid
aan het bovenstaande hebben te houden. Kan

dit nu wel het geval zijn bij een practische hantering, die

er op neerkomt, dat dit artikel in hoofdzaak wordt .ge

bruikt voor de Gewone Dienst? M.a.w. bestaat deze

f514 mln dus geheel uit uitgaven krachtens
schrij’telijke
overeenkomsten,
die door
bijzondere omstandigheden
niet

véôr 1 Juni 1955 konden worden opgeleverd? Zo ja,

welke zijn dan deze schriftelijke overeenkomsten en deze

bijzondere omstandigheden? En is bijv. voor elk der 176

begrotingsartikelen – waarbij in 81 gevallen art. 24
voor

het volle bedrag
van het betrokken begrotingsartikel

moest worden gebruikt – dus een specifiek besluit in

het Staatsblad gepubliceerd geweest, zoals voorgeschreven

in lid 1 van art. 24? Zo ja, waarom wordt dit dan niet bij

elk der begrotingsartikelen genoemd of gebeurt dit pas

na het indienen c.q. goedkeuren van het betrokken be-

grotingshoofdstuk?

In dit verband lijkt het ons ten slotte gewenst op het

volgende te wijzen. Volgens lid 1 van art. 24 moeten de

ca f 600 mln overgebracht naar het dienstjaar
1955
,,op

de voor het vorige jaar toegestane sommen in mindering

worden gebracht”. Zou, nu blijkt, dat toepassing van

art. 24 zulke reusachtige, o.i. niet geoorloofde, afmetingen

heeft aangenomen – het bedrag ondèr art. 24 is alleen

voor Oorlog meer dan de totale recente belastingver-

laging! -, het dan ook geen aanbeveling verdienen bij de

publicatie in de dagbladpers in September a.s. der Be-

groting 1956, eens een overzicht sinds 1950 te geven van

oorspronkelijke en herziene ramingen en eindafrekeningen

van reeds afgesloten dienstjaren?

Tot dusver is dit niet gebruikelijk. Begrotingstekorten

van het a.s. dienstjaar worden met ,,levensgrote” vette

koppen elke Septembermaand gepubliceerd. Het enorme

terugblijven van de werkelijke uitgaven bij de raming

over afgesloten dienstjaren wordt niet aan en breed

publiek bekend gemaakt. Zo was bijv. voor 1951 en 1952,

volgens het reeds genoemde artikel in ,,E.-S.B.” aan uit-

gaven f 3,3 mrd geraamd (inclusief f 300 mln zgn. ,,tegen-

waardegelden”). Er is echter in die jaren f1 mrd minder,

ni. f2,3 mrd, uitgegeven. Het lijkt stellig mogelijk, dat
de jaren
1953,
1954 en 1955, bij afsluiting, nog grotere

verschillen te zien kunnen of zullen geven.

Deze procedure van ruime openbaarheid zou van be-
tekenis kunnen zijn bij de overweging van verdere aan-

zienlijke belastingverlagingen, o.a. meteen mede dienst-

baar te maken aan de oplossing van werkelijke problemen,

zoals dat van de woningnood, Nederlands permanent

probleem no.
11).
Juist tegen deze achtergrond is het nood-

zakelijk vast te stellen, of de vermoedelijk wijde kloof,

die, naar het ons wil voorkomen, gaapt tussen de theorie

en de practijk van de hantering van art. 24 der Compta-

biliteitswet, niet ten spoedigste moet worden overbrugd,

temeer daar de huidige hantering hiervan bij de begro-

tingshoofdstukken Oorlog en Marine het vermoeden doet

opkomen, dat deze begrotingshoofdstukken als ,,auto-

nome grootheden” worden aangemerkt, die niet beïn-

vloedbaar zijn door de zeer sterke dynamiek, welke de

internationaal-politieke ontwikkeling speciaal in de jong-

ste tijd met nadruk kenmerkt.

‘s-Gravenhage.

Dr J. M. E. M. A. ZONNENBERG.

) Zie o.a. ons artikel in ,,E.-S.S.” van 17 Augustus 1955 (blz. 725-729) onder
de titel ,,Woningcontingentermg, huurbeleid en een initiatief-voorstel’.

De mechanisatie van de Amerikaanse landbouw

Min of meer aansluitend aan ons artikel over de

mechanisatie van de Nederlandse landbouw, willen wij

de lezers thans iets mededelen over de recente ontwikke-

ling van de landbouwmechanisatie in de Verenigde

Staten
1)

De Amerikaanse landbouw behoort tot de meest ge-

mechaniseerde ter wereld. Van de ongeveer 6,2 mln land-

bouwtrekkers, die begin 1952 in totaal in de wereld

aanwezig waren, liepen er 3,9 mln in de Verenigde Staten,

oftewel ruim 60 pCt
2).
Het aantal agrariërs per trekker

is tienmaal zo gering als in Nederland (7 tegenover 70).

De sterke mate, waarin bij de agrarische productie in

) Een uitzondering vormen nog enigszins het Zuiden en Zuid-Oosten van de
‘) Zie ,,E.-S.B.” van 16 Februari 1955.

Verenigde Staten met relatief veel kleine deelpachtbedrijven. In de Verenigde
‘). De overeenkomstige percentages voor personen- en vrachtauto’s zijn resp.

Staten als geheel telt men echter 20 bewoners per km’, tegenover in west-Europa
75 en 50.

82 en in Nederland 3241

de Verenigde Staten van machines gebruik wordt gemaakt,

is te danken aan verschillende factoren.

Wij noemen in dit verband het voorkomen van relatief

veel naar Europese begrippen grote bedrijven, hetgeen

in verband staat met de veel geringere agrarische be-

volkingsdruk
3).
Verder is vaak het bouwplan eenvoudiger

dan op onze Westeuropese bedrijven zodat met relatief

minder machines kan worden volstaan. Ook is de Ameri-

kaanse boer, die zich- trouwens niet zo sterk aan ,,zijn”

beroep gebonden voelt, vaak minder conservatief dan

zijn Europese collega en bovendien vindt de mechanisatie

7September 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

783

een sterke steun in de ver ontwikkelde landbouwwerk-

tuigenindustrie, die in 1953 aan 126.000 arbeiders werk

verschafte. Ten slotte speelt natuurlijk de grote kapitaal-

rijkdom een belangrijke rol, hetgeen tot uitdrukking komt

in het bestaan van andere prjsrelaties tussen de diverse

productiefactoren dan in Europa. Hierdoor is ook bij

gelijke technische omstandigheden in de Verenigde Staten
een meer kapitaalintensieve productiewijze de optimale
4).

De door de crisis onderbroken trendlijn, die wees op

een afname van het aantal werkers in de landbouw,

gepaard gaande met o.a. een stijging van de gemiddelde

bedrijfsgrootte en met een toeneming van het gebruik van

machines, had zich nauwelijks hersteld van de schok der

dertiger jaren, toen de tweede wereldoorlog uitbrak. Al

gauw werd toen de verhouding tussen kosten en op-

brengsten in de Amerikaanse landbouw nog gunstiger

en ceteris paribus zou zich een sterke vraag naar machines

hebben ontwikkeld. Zulks temeer daar het traditionele

overschot aan agrarische werkers nu veel gemakkelijker

in andere seètoren emplooi kon vinden, terwijl ook de

militaire dienst velen bond. Doordat vele landbouwwerk-

tuigenfabrieken echter werden ingeschakeld bij de produc-

tie van oorlogsmatriaal (tanks voor de geallieerde

legers o.a.) was het onmogelijk aan de sterk gestegen

vraag te voldoen.

Eerst in 1946 kon geleidelijk de productie van ver-

schillende soorten landbouwmachines worden verhoogd,

maar het duurde jaren voordat geheel aan de tijdens de

oorlogsjaren geaccumuleerde vraag was voldaan. Een

belangrijke stimulans was verder in de eerste na-oorlogs

jaren de blijvend gunstige inkomenspositie van de Ameri-

kaanse boer, welke o.a. in, verband stond met de na-

oorlogse voedseltekorten in vele landen en de opbloei
van de Amerikaanse economie.

Juist toen in 1949-1950 de afzet van bijv. oogstmachines

en trekkers wat stokte en aan de jaarlijkse stijging van
de aankopen van landbouwmachines een einde scheen

te komen, ontstond door’het conflict in Korea een nieuwe

impuls. Hierdoor vertoonden de verkopen van land-

bouwmachines nog enige tijd een stijgende lijn.

Te beginnen met 1951 valt echter een daling van het

agrarisch inkomen te constateren. Het netto inkomen

daaldeni. van $ 15,6mrdin 1951 totca $ 12mrdin 1954.

Een daling die ondanks de recente opbloei van de Ameri-

kaanse economie toch nog wel niet snel in een stijging

zal veranderen, gezien bijv. de recente verlaging ,van het
percentage van de pariteit waarop de steunverlening voor

de zgn. basic commodities (tarwe, mais, katoen, rijst,

aardnoten en tabak) berust. De vermindering van de

winsten en de daling van de winstverwachtingen remde

de aankoop van kapitaalgoederen.

Bovendien oefende de recessie in de algemene

conjunctuur een remmende werking uit op de afvloeiing

4)
Uiteraard is hier de omvangsintensiteit bedoeld en niet de gebruiksinlensiteit
D. Amerikaanse omstandigheden en prijsverhoudingen worden wat Europa betreft
nog het beste benaderd door de Engelse en in Engeland vindt men dan ook van
alle Westeuropese landen de meest gemechaniseerde landbouw. Zie ook R.A. de
Widt: ,,Landbotiwmechanisatie; economische en sociale aspecten van de mechani-
satie van de landbouw en de verenigde Staten van Noord-Amerika en Nederland’, hoofdstuk
XII,
Zwolle 1955.

van werkers uit de agrarische sector naar andere delen

van de volkshuishouding. Nam het aantal agrarische

werkers van 1950 op 1951 immers nog af van 7,5 mln

tot ruim 7 mln, dus met een
I
mln mensen, in de volgende

3 jaren bedroeg deze afname resp. 239.000, 277.000 en

117.000 beroepspersonen. Van inhaalvraag of hamster

aankopen was geen sprake meer en zo vertoonde de afzet

n. .landbouwmachines, nauw samenhangend met de

grootte van de winst en de winstverwachtingen en be-

invloed door de grootte van het arbeidsaanbod, een aan-

zienlijke inzinking. De volume-index voor de landbouw-

machine-industrie, die op basis 1939 = 100 in 1951

gemiddeld op 356,6 stond, was in de zomer van 1954

gedaald tot 143. Het aantal arbeiders in deze industrietak

nam af van 154.000 in 1951 tot ruim 100.000 in 1954
5).

Zoals het volgens deeconomische theorie betaamt, toonde

deze kapitaalgôederenindustrie zich dus uitermate ge-

voelig voor de daling van de conjunctuur die speciaal

voor de landbouw vrij belangrijk was en nog is.

Momenteel valt weer een lichte stijging van productie

en afzet te constateren, wat o.a. verband houdt met het

feit, dat aan het proces van voorraadintering een einde

is gekomen en de vervangingsvraag van de direct na de

oorlog gekochte machines een, rol gaat spelen. Verder

zijn enkele nieuwe series trekkermodellen gepousseerd.

Het ziet er echter naar uit, dat het tempo waarin in de
eerstkomende jaren de Amerikaanse landbouw geme-

chaniseerd zal worden, belangrijk lager zal zijn dan ge-

durende de periode 1946 t/m 1951. De opleving in de

conjunctuur als geheel zal er echter wel toe leiden, dat

de afvloeiing van werkers naar andere sectoren weer zal

stijgen boven het lage peil van 1953-1954. De vervanging
van arbeid door kapitaal en de stijging van de gemiddelde

bedrjfsgrootte, welke de mechanisatie bevorderen, zullen

het tempo misschien wel weer boven dat van 1954 doen

stijgen. .

Zolang echter in belangrijke sectoren van de’ Ameri-

kaanse ldndbouw meer wordt geproduceerd dan tegen

redelijke prijzen kan worden afgezet zal dit een belangrijke

rem blijven vormen, omdat het een nadelige invloed bit-

oefent op het inkomenspeil. Het merkwaardige is dat

een sanering van de depressed industry”, die de Ameri-
kaanse landbouw in zekere zin is, juist een toename van

de kapitaalintensiteit eist, omdat slechts hierdoor en door

een stijging van de gemiddelde bedrjfsgrootte en de toe-

passing van betere methodes de gewenste stijging van de

productiviteit kan plaatsvinden, waardoor ,,parity” niet

meer steun zal betekenen maar economisch gerechtvaar-

dige gelijkwaardigheid
6).

Wageningen.

R. A. DE WIDT.

-‘) In de bedrijven die trekker, produceerden werd veelal slechts de helft van de
normale arbeidstijd gewerkt.
‘) De aandacht dient er op te worden gevestigd, dat er in de verenigde Staten,
eve’nals trouwens in Nederland, uitermate grote verschillen, bestaan tussen de efficiency van de bedrijfsvoering en dat er daarmee samenhangend, zeer grote
inkomensverschillen op soortgelijke bedrijven voorkomen. Sanering wordt echter
bemoeilijkt door het feit, dat met eigen mensen wordt gewerkt (familiebedrijven),
die sneller met een lage beloning genoegen nemen. Door de mechanisatie eis de
moderne bedrijfsvoering wordt het boerenbedrijf echter minder autarkisch en
gaat de kostenrem beter werken. In dit verband is het bijv. van belang, dat paarde-
tractie in het overgrote deel van de verenigde Staten haast geen rol meer speelt.
(Advertentie)

voor industriële doeleinden

784-

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
7September 1955
S..

INGEZONDEN STUK

Nogmaals: De onderseuningsnormen volgens de. Armenwet

Mr W. A. A. Aarts te Amersfoort schrijft ons:

Mijn ingezonden stuk over de ondersteuningsnormen

volgens de Armenwet in ,,E.-S.B.” van
25
Mei
1955,
blz.

498, heeft bij de schrijver van het gelijknamige artikel in

,,E.-S.B.” van 9 Maart
1955
tot mijn spijt aanleiding tot

misverstand gegeven. Bovendien krijg ik de indruk, dat

de schrijver nauwelijks moeite doet op vele van mijn

bezwaren ernstig in te gaan, doch mijn bernerkingen afdoet

met enkele debaterstrucs. Wanneer ik zeg, dat het systeem

dat ik bestrjd, afgezien van de principiële bezwaren daar-
tegen, moeilijk aan gewijzigde omstandigheden kan wor-

den aangepast, legt de heer Kroft dit uit als een pleidooi

voor een goede aanpassing van het systeem aan gewijzigde

omstandigheden en dus als een pleidooi v66r het systeem.

Op dit niveau van handigheidjes is het moeilijk serieus

te discussiëren
1).

Ik ben het echter met de heer Kroft eens, dat het vraag-

stuk van de ondérsteuningsnormen van groot belang is

en een verdere discussie gewenst. Gaarne zal ik hier dus

een nadere uiteenzetting van mijn voorkeur voor het

,,oude” systeem geven – op gevaar af dat ik er van word

beschuldigd een pleidooi te houden voor de instandhou-

ding van een groep op sub-sociaal niveau levende mensen.

Het systeem-Kroft dan gaat uit van de veronderstelling,

dat de uitgavenrekeningen van ongeschoolde en geoefende

arbeiders het minimale (sociale) welvaartsniveau aan-
geven; de heer Kroft acht liet onnodig deze steffing te

toetsen, doch verzuimt daaraan te te voegen dat tevens

door hem wordt gesteld: ,,dit minimale sociale welvaarts-

niveau is hetzelfde als het in artikel 29 der Armenwet

bedoelde ,,voor het levensonderhoud noodzakelijke” “.

Deze laatste stelling is het centrale punt in het gehele be-

toog, en die heb ik getracht te bestrijden. Het punt in

discussie is dus
niet
de door de heer Kroft gevonden recht-

lijnige correlatie tussen gezinsgrootte en -uitgaven, maar

di vraag of artikel 29 der Armenwet mag worden geïn-

terpreteerd zoals de heer Kroft dat doet. Voor het moti-

veren van mijn ontkennend antwoord op die vraag was

het noodzakelijk, de’
uitkomsten
van de twee systemen

met elkaar te vergelijken, en ik heb daartoe een grafiekje

getekend, dat eenvoudig een weergave is van de door de

heer Kroft zelf vastgestelde verschillen tussen de uitkom-

sten dier beide systemen. Immers, de volgens het systeem-

Kroft gevonden bedragen voor kleine gezinnen zijn hoger

dan de ,,oude” bedragen, hçt verschil wordt kleiner naar-

mate de gezinsgrootte toeneemt, en voor zeer grote ge-

zinnen zijn de oude bedragen hoger. Aldus:

Gezinsgrootte

oud” ;ysteern (rninimum levensonderhoud)

— Systeem-Kroft (= uitgovenrekeningen)

‘) Zie ook blz. 501,2e kolom, 4e alinta. MUrL opmerking dat bij toepassing der ,,oude” richtlijnen meestal enige spelingwordt gelaten, interpreteert de heer Kroft
als een erkenning van de volslagen ontoereikendheid van de op basis.van die richt-
lijnen uitgekeerde steun. Zoiets kan ik niet au aérieu.x nemen.

Iets anders is met dit grafiekje niet bedoeld, en ik

meende dat ook wel duidelijk te hebben gemaakt. In de

grafiek wordt niets a priori aangenomen, doch wordt

slechts een door mijn opponent zelf gevonden relatie in

beeld gebracht.

Daar het grafiekje overigens een (zij het globale) ana-

lyse van het totale cijfermateriaal bevat, is het bij een

principiële vergelijking in het geheel niet nodig daaraan

nog practische voorbeelden van steunberekening toe te

voegen.

Nu terug naar mijn betoog.

Door middel van het ,,oude” systeem tracht men

objectief vast te stellen hoeveel een gezin met een bepaald

aantal kinderen van bepaalde leeftijden volstrekt nodig

heeft om niet zedelijk en lichamelijk ten onder te gaan.

Daartoe gebruikt.men dan o.a. de door mijn opponent

zo irrelevant geachte tabellen van de voedingsraad.

Verstrekt men aan armlastige gezinnen nu een onder-

steuning, gelijk aan het aldus gevonden bedrag (in

Amersfoort is dit ongeveer f
24,50
voor man en vrouw,

verhoogd met het bedrag der werkelijke vaste lasten),

dan mag men aannemen dat men hun het bij artikel 29

der Armenwet bedoelde ,,noodzakelijk levensonderhoud”
garandeert
2).,.,
in principe; men kan natuurlijk van

mening verschillen over de vraag of tabak al dan niet een

eerste levensbehoefte is e.d., men kan de gevonden be-

dragen te laag vinden of te hoog, daar gaat het hier niet
om: mijn stelling is, dat men aldus een minimum geeft,

aantoonbaar voldoende voor het noodzakelijk levenson-

derhoud, en dat men bovendien
aan elk gezin naar ver-

houding evenveel
geeft. Dit alles lijkt mij voor een juiste

uitvoering van de Armnwet essentieel.

Aangenomen dat dit juist is, dan blijkt uit het grafiekje,

dat op grond van het systeem-Kroft aan kleine gezinnen

naar verhouding meer ondersteuning zou worden ver-

strekt dan aan grote; een klein gezin zal derhalve gemak-

kelijker met zijn steun rondkomen dan een groot. Het is
onbetwist, dat dit evenëens geldt voor alle loontrekken-

den, aangezien de wettelijke kinderbijslag slechts een be-

trekkelijk gering deel uitmaakt van de werkelijke kosten

die een gezinsuitbreiding meebrengt. In mijn vorig artikel –

heb ik dit zé uitgedrukt, dat de normen, gevonden vol-

gens het systeem-Kroft, ,,parallel lopen aan de lonen”,

een uitdrukking die mijn opponent ten onrechte heeft ver-

rast. Men zie de volgende tekèning, het reeds bekende

grafiekje, vermeerderd met een stippellijn, die het loon

aangeeft van een ongeschoolde fabrieksarbeider, na aftrek

van loonbelasting en met inbegrip van kinderbijslag
3).

Geeft men aan een klein gezin naar verhouding niéér

dan aan een groot (en dit kan men niet vermijden als men

zich, zoals bij het systeem-K.roft, baseert op uitgaven, die

nu eenmaal grotendeels door beschikbare middelen wor-

den bepaald), dan geeft men het kleine gezin derhalve

méér, het grote gezin minder dan een minimum. Dat is

mijn bezwaar tegen het systeem-Kroft; en nu begrijp ik

heel goed dat mijn opponent zal zeggen: ,,U verstaat

onder een miriijnurn iets anders dan ik; ik acht het juist

wenselijk dat de steunnormen een afspiegeling vormen

1)
En niet méér dan dat…. zo eist de .&rmenwet het nu eenmaal.
) Basisloon f 54,95 in een 2e klasse gemeente; zie de circulaire van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid aan de gemeentebesturen dd. 9 Dec. 1954.
no 13016 afd. S.B. en C.A. (Samsom, voorschriften sociale zorg, blz. I-B227).
Het netto-loon is voor gezinnen van 1 t/m 10 personen resp. f49,15, f52,30, f56,40,
f60,88, f 64,85, f69,65, f 74,45, f 79,85, f 85,25 en f90,65 per week.

7
September 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

785

2

3

4

5

6

7

ö

V

‘Iv

loon ongeschoold fabrieksarbeider-



– normen systeem Kroft
normfn oud systeem

van de lonen, omdat het nu eenmaal
gewoonte
is dat een

klein gezin gemakkelijker rondkomt dan een groot”;

maar dan kan ik slechts herhalen dat de Armenwet nu

eenmaal van een ander standpunt uitgaat, en niet toelaat
een klein gezin te ondersteunen met een bedrag dat des-

noods kleiner zou kunnen zijn, en een groot gezin met een
bedrag dat minder is dan het physiologisch nuodzakelijke.

Ik geloof dat we hiermee onze discussie, die we tot het

essentiële punt hebben teruggebracht, gevoegelij k kunnen

beëindigen
4).
Naar ik hoop zal uit het naschrift van mijn

opponent blijken dat door mijn nadere uiteenzetting enkele

misverstanden uit de weg zijn geruimd, en dat we het toch

nog op verscheidene punten eens zijn geworden. Wellicht

kunnen de lezers der ,,E.-. S.B.” met de resultaten van onze

controverse dan nog hun voordeel doen.

4)
Terzijde” nog enkele opmerkingen over de practishe k’snten van deze zaak:
In mijn vorig ingezonden stuk merkte ik op, dat het voor de gemeentebesturen
.om voor de hand liggende redenen” onmogelijk is aan de armlastigen hogere Uit-
keringen te doen dan het Rijk aan de werklozen verleent. De heer Kroft verlangt hier
een cijfervoorbeeld; welnu een werkloze, die valt onder groep B der sociale voorzie-
ning, ontvangt vanwege het Rijk f30,20 per week, vermeerderd met huur. Volgens
het ayateem-Kroft zou hij, ware hij armlastig, f 39,11 èn huur ontvangen. Het
lijkt mij toch niet moeilijk in te zien, dat de gemeentebesturen hier niet aan kunnen
beginnen, evenmin lijkt het mij een’,,blote bewering”, dat deze man in de verleiding
zou kunnen komen zichzelf tot,armlastige te degraderen
Volgens de heer Kroft zou het in zijn systeem gemakkelijk zijn, met een algemene
welvaartsstjging rekening te houden. .Dit ia practisch
niet juisl. Op grônd van de
indexcijfers kan men alleen maar berekenen hoeveel geld een bepaald gezin
thans
nodig zou hebben om zich dezelfde hoeveelheid goederen en diensten te kunnen
verschaffen
als lie! in 1951 deed;
door het werken met indexcijfers wordt juist de
invloed van welvaartastijgingen geëlimirieerd! Natuurlijk kan men het systeem aan-
passen aan nieuw verschijnende budgetstatiatieken, maar thans heeft men nog niet
anders dan de statistieken van 1951. Is het de heer Kroft bekend wanneer de vol-
gende nationale budgetstatistieken zullen verschijnen?
Inkomsten

NASCHRIFT

De heer Aarts stelt, dat ik in mijn systeem van, de

veronderstelling uitga, dat de uitgavenrekeningen van

ongeschoolde en geoefende arbeiders het minimale

(sociale) welvaartsniveau aangeven. Inderdaad is dit door

mij duidelijk naar voren gebracht in mijn artikel en even-

eens in mijn naschrift enige tijd daarna. Door mij is

eveneens gesteld, dat het begrip ,,minimaal welvaarts-

niveau”, dat ik hanteer, tegemoet komt aan het begrip

,,voor het levensonderhoud noodzakelijke” van art. 29,

derde lid, van de Armenwet.

Zoals ik reeds eerder, is nu ook de heer Aarts van

mening, dat deze laatste stelling het centrale punt in het

gehele betoog is. En deze stelling is nu in discussie, wai-

neer men vraagt of artikel 29, derde lid, der Armenwet

op deze wijzë mag worden geïnterpreteerd. De heer Aarts

meent, dat het, antwoord op die vraag ontkennend moet

luiden en ter motivering van dit ontkennende antwoord

acht hij het noodzakelijk de uitkomstèn van de twee

systemen (het ,,oude” systeem en het ,,systeem-Kroft”)

met elkaar te vergelijken. Daartoe is door de heer Aarts

een grafiekje getekend, dat volgens hem een weergave is

van de door mij vastgestelde verschillen tussen de uit-

komsten der beide systemen.

De heer Aarts zegt letterlijk: ,,Iets anders is met dit

grafiekje niet bedoeld, en ik meende dat ook wel duide-
lijk te hebben gemaakt”. Dit laatste betwijfel ik. Immers

in zijn eerste ingezonden stuk stelt de heer Aarts het in

het onderschrift bij het grafiekje voor alsof de getrokken
.

lijn (,,oud” systeem) het minimum-levensonderhoud

weergeeft. Ik acht deze wijze van voorstellen onweten-

schappelijk, omdat bij voorbaat wordt aangenomen, dat

de getrokken lijn
het
minimum-levensonderhoud weer-

geeft. Allereerst had de heer Aarts moeten aantonen

waarom het ,,oude” systeem recht doet ian de juiste

betekenis van het begrip ,,voor het levensonderhoud

noodzakelijke” van art. 29, derde lid’ Eerst hierna kan

men overgaan tot het vergelijken van de uitkomsten der

beide systemen.

De heer Aarts zegt nu, dat men door middel van het

,,oude” systeem tracht objectief vast te stellen, hoeveel

een gezin met een bepaald aantal kinderen van bepaalde

leeftijden voltrekt nodig heeft om niet zedelijk en lichame-

lijk ten onder te gaan. Verstrekt men aân armlastige

gezinnen een ondersteuning, die is vastgesteld door mid-

del van het ,,oude” systeem dan mâg men aannemen,

dat menhun het bij artikel 29 der Armenwet bedoelde

,,noodzakelijk levensonderhoud” garandeert…. in

principe.

Door mij nu is gesteld, dataan dat noodzakelijk levens-.

onderhoud wordt tegemoet gekomen door het begrip

,,minimaal welvaartsniveau”. Dit ,,minimaal welvaarts-

niveau is het op grond van een evenwichtige socialç

structuur noodzakelijk geachte. Het minimum is een

sociaal minimum en wordt bepaald door het welvaarts-

niveau” op een bepaalde plaats en in een bepaalde tijd.

Eerst’ wanneer dit minimum wordt verstrekt kan men aan-

nemen, dat men het noodzakelijk levensonderhoud

garandeert.

Wanneer men nu, na vergelijking van de ohdersteu-

‘ningsbedragen, gevonden met beide methoden, consta-
teert, dat het ondersteuningsbedrag volgens het ,,oude”

systeem lager is, dan acht ik dit bedrag onvoldoende

voor het noodzakelijke levensonderhoud. –

De heer Aarts zegt, dat het er hier niet om gaat of

men de gevonden bedragen te hoog of te laag vindt.

Mijns inziens gaat het hier echter wel om. Wanneer nl.

het volgens het ,,oude” systeem berekende bedrag lager

is dan het volgens mijn systeem berekende, dan geeft

men aantoonbaar onvoldoende voor het noodzakelijke

levensonderhoud.

De heer Aarts acht het bovendien een voordeel van het

,,oude” systeem, dat aan elk gezin naar verhouding

evenveel wordt verstrekt. Wat dit punt betreft; behoef

ik slechts te wijzen op het feit, dat er geen uniformiteit

bestaat wat betreft de bepaling van de gezinsleden-

bijslagen, hetgeen er toe leidde, dat in de literatuur om-
trent de ondersteuningsnormen ingevolge de Armenwet

verscl3illende bedragen voor gezinsledenbijslag worden

genoemd. Daarnaast behoef ik slechts te wijzen op de

uitkomsten van de in mijn artikel genoemde enquête,

welke de heer Mr E. Vogelesang heeft gehouden. Ik acht
dan ook dit standpunt van de heer Aarts onjuist. Volgens

786

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

7September 1955

het ,,oude” systeem wordt niet aan elk gezin naar verhou-

ding evenveel gegeven.

Waarschijnlijk kan wel worden gezegd, dat een klein
gezin gemakkelijker met zijn steun kan rondkomen dan

een groot. Hetzelfde geldt voor loontrekkenden, wat hun

inkomsten betreft. Het is dus heel goed mogelijk, dat de

steunbedragen vastgesteld volgens mijn systeem aan het

kleine gezin meer ruimte laten dan aan het grote. Wanneer

dit echter zo is, dan zal dit echter slechts in die mate

geschieden als met de normale maatschappelijke ver-

houdingen in overeenstemming is. Mijn ondersteunings-

bedragen zijn immers gebaseerd op de uitgavenreken’ingen

van gezinnen van geoefende en ongeschoolde arbeiders

van verschillende grootte. Het vraagstuk dient op deze

wijze dus te worden gezien als een algemeen maat-

schappelijk probleem.

Ten slotte wil ik gaarne enkele opmerkingen maken

naar aanleiding van de noten, die de heer Aarts aan zijn
beschouwing toevoegt. Het cijfervoorbeeld van de heer

Aarts in noot a overtuigt mij niet. •Heeft het, cijfer-

voorbeeld betrekking op een werkloze alleenstaande, of

op een gehuwd werkloze, met of zonder kinderen? Hoe
komt de heer Aarts tot het becrag van f 39,11 vermeer-

derd met huur volgens mijn systeem?

Wat betreft het antwoord op het in noot b gestelde,

verwijs ik naar’de over dit vraagstuk handelende alinea

in mijn,naschrift in ,,E.-S.B.” van 25 Mei
1955.
Wat

betreft het verschijnen der budgetstatistieken kan worden

opgemerkt, dat door het C.B.S. regelmatig budget-

statistieken worden gepubliceerd. Daarenboven is uit

ervaring bekend, dat het consufriptiepatro,on, in het bij-

zonder van de lagere inkomensgroepen, een zekere

starheid vertoont en wijzigingen daarin geleidelijk ver-

lopen. Om deze reden is het bij voortduring kunnen be’-

schikken over recente budgetstatistieken geen urgent

probleem, al zal het .inderdaad zo zijn, dat in dat geval

een nog nauwere aanpassing van ‘de nofmen
rn
aan ‘de

practijk mogelijk zal zijn.
Samenvatting en conclusie.

De opvatting van de heer Aarts, dat we onze discussie

tot het essentiële hebben teruggebracht, meen ik te kun-

nen beamen. Dit essentiële punt wordt gevormd door de

interpretatie van het begrip ,,voor het levensonderhoud

noodzakelijke”, welk begrip in de opvatting van de heer.

‘ Aarts een physiologisch minimum is, terwijl volgens mijn

mening dit begrip moet worden gezien als bedoelende een

sociaal. minimum. Deze tegenstelling kwam in het eerste

ingezonden stuk van de heer Aarts in ,,E.-S.B.” van 25

Mei 155 te weinig of niet tot uiting.

In genoemd stuk waren de ‘tegenwerpingen van de

heer Aarts vele. De inhoud van deze tegenwerpingen be-

antwoordde echter niet aan de sterk suggestieve werking,

die er van uitging. Wanneer d6 heer Aarts bijv. in zijn

vorige naschrift zegt, dat de uitkeringen op grond van

de Werkloosheidswet, de sociale voorzieningsregelingen

enz. gefixeerd zijn op maxfinaal 80 pCt van de lonen,

terwijl bijv. het burgerlijk pensioenfonds aan. gepension-

neerde overheidsdienaren slechts maximaal 70 pCt van

het laatstgenoten loon uitkeert, dan wordt hiermee ge-

suggereerd, dat de ‘volgens mijn systeem berekende

öndersteuningsbedragen hoger liggen ‘dan . genoemde

80 of 70 pCt. Dit had met cijfervoorbeelden moeten

worden aangetoond. Om die reden heb ik de heer Aarts

gevraagd te komen met practische voorbeelden van

steunberekening. Dit nu laat de heer Aarts ook in zijn

tweede ingezonden stuk na:

Op bovenstaande gronden handhaaf ik dan ook’ de

conclusie, die ik in mijn artikel en in mijn vorig naschrift

heb getrokken ten aanzien van het in de practijk ge-‘

bruikelijke systeem van steunberekening. Deze conclusie

luidde, dat dit systeem niet tegemoet komt aan de eis

van, de vaststelling van het noodzakelijke levensonder-

houd, zoals artikel 29,. derde lid, van de Armenwet stelt.

Rotterdam.

I
W. C. KROFT

GELD- EN KAPITAALMARKT

De geldmarkt.

Ondanks ruime betalingen door het Rijk – de week-

staat per 29 Augustus gaf een daling van het saldo

Schatkist met f .80 mln te zien, terwijl ook in de afge-

lopen week grote bedragen aan aflossing en rente schat-

kistpapier Vrij kwamen – bleef de situatie ter geidmarkt

krap. Weliswaar namen de verplichte kasreserves der

handelsbanken bij De ‘.Tederlandsche Bank met niet

meer dan f30 mln af eii moest slechts voor een bescheiden

bedrag aan voorschotten worden opgenomen, doch een

aanvankelijk onzichtbare post als belastingbetali.ng
deed
ook zijn invloed gelden en zal, naar ter markt,verwacht

wordt, ook in September nog in het geding zijn.

De affaire op ‘de discontomarkt bleef zeer gering.

Alleen in zeer kort (October
1955)
en zeer lang (5 jaars)
papier ging wat om. Hieronder volgen enige noteringen:

October 1955: ‘l-l/ pCt, Februari 1956: 1 pCI,
9

maand – 1 jaar:
1’/16
pCt, September
1957:
pCt,

Juli 1958: pCt,’
Jul’
1959: – 1/
8
pCt, Augustus

1960:
111/16 –
l, pCt. Caligeld bleef onveranderd op

pCt.

De kabitaalmarkt.

Met een nominaal-aaridelenomzet van f 100 mln is

Augustus voor de beurs beslist geen magere vacantie-

‘maand geweest (Augustus
1954:
f 53 mln). De periode
Januari-Augustus van dit jaar kwam zodoende op een

omzet van f 609 mln nominaal, tegen f 552 mln over de-

zelfde periode van 1954, dus thans ongeveer 10 pCt meer.

En de nieuwe maand begon Donderdag 1 September,

met een dagomzet van f 6,7 mln aandelen, ook al in

hoog tempo.

De vorige week reeds gesignaleërde koersstijging zette

zich ook in de verslagweek voort, zij het in het algemeen
in iets matiger tempo (het aandelenindexcijfer Algemeen

steeg in de week van 19-26 Augustus met 8 punten, in de

.verslagweek met ruim
5
punten). Alleen de Indonesische

aandelen en in mindere mate de industriegroep toonden

deze week een groter koersavans dan in de voorafgaande
periode. Indonesische aandelen 19.26 Augustus:
61
punt

stijging, thans 14’punten; industrie 19-26 Augustus: 3,4

punten, thans bijna ,5 punten vooruitgang. Bij de Indo-

nesische fondsen was Senembah bijzonder willig op

berichten van internationaie belangstelling voor de

‘Opleiding tot Belastingconsulent

De Nederlandse Federatie van Belastingconsulenten (Bond
en Instituut) organiseert mondelinge cursussen in
AM-
STERDAM, ROTTERDAM, DEN HAAG, UTRECHT,
ARNHEM
en
GRONINGEN.
Middelbare Schoolopleiding vereist.
EXAMENS ONDER RIJKSIOEZICHT Prospectus en aanmelding:
BACHMANSTRAAT 29, DEN HAAG, TELEFOON 116914

7 September 1955

ECONÖMÏSCH- STATISTISCHEBEflICHTEN

787

maatschappij; doch ook Amsterdam Rubber en H.V.A.

gaven opmerkelijke koersstijgingen te zien. Het valt moei-

lijk te zeggen in hoeverre bij de Indonesische fondsen

behalve maatschappij- of producten,nieuws ook de be-

oordeling van de politiek-economische vooruitzichten

tot koersstijging heeft geleid. –

Bij de Nederlandse industriële fondsen waren de Hoog-

ovens onbetwist de leiders van het koersavans. Op de

gunstige dividendaankondiging steeg het fonds van 360
bij het begin van de week tot 396 aan het eind. Unilever

en Philips kwamen de beide laatste beursdagen van de

week boven 5-maalpari. De half-jaarcijfers van het Philips-

concern gaven ongetwijfeld reden tot tevredenheid. Of

dit gezegd kan worden van het huidig koerspeil ter beurze

is overigens de vraag die thans wel algemeen gesteld

wordt. Onmiskenbaar speelt de speculatieve handel thans

een groter rol dan normaal. De marktstructuur is in

zoverre labiel dat bij het vigerend koerspeil voor tal van

fondsen gevoelige reacties tot de reële mogelijkheden

behoren. Bij overspanning vermindert de veerkracht en

dat geldt stellig ook voor de beurs.

De obligatiemarkt toonde weinig verandering; alleen

tegen het eind van de verslagweek lagen de noteringen

in het algemeen iets hoger. De Maatschappij voor Inves-

teringscrediet ,,Mavic” kondigde de emissie aan van

f 0,5 mln obligaties 4 pCt, inschrijvingskoers pan.

Aand. indexcijfers (1953 = 100)

26 Aug. 1955

2 Sept. 1955
Algemeen

……………………………
230,1

235,4
Internat. concerns ………………….
296,1

300,4
Industrie ………………………………
174,4

179,3
Scheepvaart

…………………………
1732

177,1
Banken …………………………………
155,5

155,5
Indon. aand………………………….
175,3

189,3
Aandelen
Kon. Petroleum ……………………
644
1
4

644
Unilever

…………………………….496

514%
Philips …………………………………
499
1
/,

503%
A.K.0………………………………….
370

376
Kon. N.
Hoogovens

359

396
VanGelder Zn ………………………
338

368
H.A . L .

…………………………………

239

252
Amsterd. Rubber ……………………
148½

164½
H.V.A………………………………….
167
3
/
4

186’7
Staatsfondsen
2% pCt N.W.S . ………………………

80

79%
3-3% pCt 1947 ………………………
100%

100k
3 pCt Grootboek 1946

. 991/

99%
3 pCt Dollarlening

99%
Diverse obligaties
3% pCt Gem. R’dam 1937 VI

101

101%
314 pCt Bkv. Ned. Gem. 1954 11/111

99%

100
3% pCt Philips 1948

102
1
4

102
3% pCt Westl. Hyp. Bank

99½

98
S. WIL,LEMS.

STATISTIEKEN

BANK INDONESIA
(Voornaamste posten in duizenden rupiah’s)

“.8
.8
.
n°.E
n
0a
S
5

Data
Cc
‘2
u
0.14
2
O,uQ
u0.n
;
80
0’0
‘1
ou
Ci

£
>.

20 Juli

1955

953.053
386.923
1.518.305
365.620 6.037.450
27 Juli

1955

953.053 352.558
1.552.974
389.717 5.921.979
3 Aug.

1955

953.053
375.138 1.582.609
386.970
5.846.477
10 Aug.

1955

953.053 403.945
1.565.485
410.446
5.934.537
16Aug.

1955

953.053
403.706
1.567.119
425.057
5.875.507
24Aug.

1955

953.170
368.5261.590.062
429.435
5.812.923

Rekening
courant
saldi
S
.
v/d Reg.
v/d Rep. Indon.
°
Data
‘E

.>
0
Bijzondere
.0
0
rekening
inzake de
>
E.C.A.
hulp

20 Juli

1955
8.253.451 1.707.412
494.868
2.048.587
27 Juli

1955
8.203.477
1.708.816
494.868
2.022.527
3 Aug.

1955
8.197.428
1.719.297
494.868
2.069.634
10 Aug.

1955
8.222.293
1.708.925
494.868
2.177.808
16 Aug.

1955
8.230.459
1.683.374
494.868
2.160.744
24 Aug.

1955
8.232.697 1.674.457
494.868
2.092.594′

NATIONALE BANK VAN BELGIË
(Voornaamate posten in inillioenen franes)

‘0
S
‘5
.0

Data
0
93

o
‘nu
‘0
o
0
O

o
o
bol
9
0 0

28 Juli
1955
42.236
1.631
10.296
17.761
228
4 Aug.
1955
42.236
.
1.953
10.372
17.902
284
II Aug.
1955
42.263
1.581
10.442
17.378 245
18 Aug.
1955
42.376
1.641
10.108
16.314
305
25 Aug.
1955
42.518
1.478 10.388
16.096
197
1 Sept.
1955
42.772
1.204 10.725
17.164
333

Rekening-courant aaldi
Verbintenisaen

t

t.o. het buiten•
land i.v.m.bete. lingsaccoorden Schatkiat
.5
Date
.
Is

I
.0
•°
2
Inl0
0
7
e
t

1
1

28Juli
1955
696
105.8061

6
68
229
1.336
473
617
4 Aug.
1955
698
106.755
7
68
200 983
484
624
11
Aug.
1955
719
105.887
7
55
190
1.098
576 564
18 Aug.
1955
j

739
105.0341

6
55 196
1.000
264
609
25Aug.
1955
757
104.6291

3
55
192
1.171
248
657
1
Sept.
1955
1

753
106.1191
4
1

55
1

192
1.029
245
743

DE TWENTSCHE BANK
N.V.

Gecombineerde Maandstaat op 31 Augustus 1955

Kas, Kassiers en Dag.

Kapitaal.

.

.

.

&

.

• f.
49.000.000, –
geldleningen

. . f.
85.879.945,93
Reserve
. . . .

,,
20.000.000, -.
Nederlands
Bouwreserve

……..
1.000.000,-
Schatkistpapier
.
462.400.000, –
Deposito’s
op
Termijn
205353.519,75
Ander Overheidspapier,,
68.740.410,72
Crediteuren

………
786.813 286,60
Wissels

………..
12.303 419,58
Geaccepteerde Wissels

,,
8.477,27
Bankiers in Binnen- en
Door Derden
us
4′

Buitenland……
32084.310,09
Geaccepteerd

. .
152.791,72
Effecten, Syndicaten en
Overlopende

Saldi

en
Waarden

……
51.037 111,59
Andere Rekeningen
,,
48.392.590,59

Prolongatiën en Voor-
schotten tegen Effecten,,
32.286.024,03
Debiteuren

…….•;,
-355.037.802,31
Deelnemingen
(mcl.
Voorschotten)..
5.951 581,68
Gebouwen……….
5.000 000, –

f.1 110.720.665,93
f.1.110 720.665,93

&cLtuvee41 U 013

DE

ECONOM IST

Maandblad onder redactie

van:

Prof. P. Hennipman, A. M. de Jong,
Prof. P. B. Kreukniet,
Prof. H. W. Lambers,
Prof. J. Tinbergen,
Prof. G. M. Verrijn Stuart,
Prof. F. de Vries,
Prof. J. Zijlstra.

Abonnementsprijs
.f
22.50;
fr. p. post
f
23.60; voor stu-
denten
f
19.-; fr. per post
f
20.10.

Abonnementen worden aan-
genomen door de boekhandel
en door uitgevers

De Erven

F. Bohn te Haarlem

r
!
er
in
.
van .. /

SYS
te
men ?

lieve

•’-

WON-

-.1

d’.e
j

i

de kleinste der gecombineerde
1

belichtings- en ontwikkelmachines,
t
doet dit voor J op een sndlle,

goedkope. en eenvoudige wijze.

Een sympathiek apparaat waar-

voor het de moeite loont inlichtin. .

gen en demonstratie aan te vragen.

Het is .een loot

aan de grote stam

van . het bekende

0Z ALl D

1 ic htd ru kprocèdé.

DE

DELFT

tel.
25377

1
S

GEMEENTE ‘S-GRAVENHAGE

Bijde Gemeentelijke Geneeskundige en.
Gezondheidsdienst moet worden vervuld de
functie van

Adminkfroteui

Véreist zijn een ruime algemene ontwikkeling,
– een grondigé, zowel theoretische als practische
kennis op administratief en financieel-econo-
misch gebied, alsmede belangstelling voor
sociaal-medische problemen. Gegadigden met
academische opleiding genieten de voorkeur.

– Een nieuwe salarisregeling is in voorbereiding.
waarbij het minimum, respectievelijk maximum
• vermoedelijk op f 8.250,- en f10.350,. zullen
worden gesteld. Aanstelling boven het minimum
is mogelijk.

– Kindertoelage, vacantietoelage en vergoeding
voor verplaatsingskosten volgens gemeente.
lijke regeling.

-,

*

Uitvoerige, eigenhandig geschreven sollicitaties, met ver-
melding van volledige voornamen, geboortedatuin en
•plaats, alsmede opgave van referenties, binnen 14 dagen
-na het verschijnen van dit blad
onder no A 128 te
zenden aan de Directeur van het Gemeentelijk Bureau voor
Personeelsvoorziening, Kerkplein 3, ‘sGravenhage.

STUDEERT VANUIt LEJDEN.!

Gebaseerd op een mer dan 30-jaiige onderwijs-

ervaring vormen onze cursussen perfecte oplei-

*,- -dib6n, onder persoonlijke supervisie van des-

kurdige en bevoegde docenten; hun namen en

kwaliteiten vermeldei de verschillende
pospectussen.

BEDRIJFSLEIDER

TECHN. VOORCALC.

ARBEIDSANALYST TARIEFCALCITLATOR

M.O. ECONOMIE

BEDRIJFSTECHNICUS

MOD. ECONOMIE – CHEM. BEDRIJFSTECHN.

vd. ONDERNEMER – – ANALYST

PERSONEELSCHEF – ELECTRON. METEN

Schrijft ons, welke opleiding U interesseert;
wij zenden U dan het dienovereenkomstige,

uitvoerige prospectus.

eldsche

-. —

Erkend doör de I.S0.,

M.M.V.
Min. v. Onderw.

JOHAN DE
WITTSTRAAT 396 397
7


–LEIDEN

:xa I–

Auteur