Ga direct naar de content

Jrg. 40, editie 1966

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 16 1955

1

1

Ad

_•
i_

rjconomiscn-taususcne.

ii
IIIAI

S

1

• D€t1Cfl1Mfl____

Waterle:idi.ng en leidingwater
*

Dr Mr N. H. Wiarda

Vergoeding van schade door overstroming

overheicistaak?

*

Drs P. W. Setn

De tarievenoorlogen in het lijnbedrjf der

zeescheepvaart

*•

Drs R. A. de Widt

De mechanisatie van de Nederlandse

landbouw

R. P. Simons Cohen

De bijeenkomsten van E.G.K.S. en

Raad van Europa

*

/

Drs J. G. Kieve

Het huidige valutatekort van Denemarken

/

UITGAVE VAN HET N’EDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

40e JAARGANG

No1966

WOENSDAG 16 FEBRUABI
1955′ •

R. Mees & Zoonen

Bankiers en

Assiîrantie-makelaars

Rotterdam

Amsterdam – ‘s-Gravenhage

Delft –
Schiedam
– Vlaardingen

Iê$

18Db

188D

KAS-ASSOCIATIE N.V.

SPUTRAAT 372

AMSTERDAM

Open bwaring van effecten

en schatkistpapier

Door Organ isatie-afdel in g van groot accountants-
kantoor wordt gevrâagd:

een Economisch en statistisch geschoold mede-
werker
met enige ervaring in administratieve organisatie.

Geboden wordt een afwisselende werkkring met goede
perspectieven voor een dynamische geest.

Brieven met volledige inlichtingen, onder no. E.S.B.
7-2, bureau van dit blad.

N.V. PHILIPS
0

GLOEILAMPENFABRIEKEN

EINDHOVEN

Voor de Centrale Administratie van het Philips
Concern wordt gezocht een

statisticus

die aTs adviseur van Directie en Staffunctionarissen
de statistische verwerking der bedrijfseconomische gegevens zal coördineren, en activeren.

De voor deze functie noodzakelijke statistische
kennis zal – verworven door brede en grondige
ervaring op dit terrein – veelzijdiger moeten zijn
dan door de bestaande opleidingen kan worden
verkregen.

Bedrijfseconomen – al dan niet academisch gevormd
– wordt verzocht in hun sollicitatie een duidelijk
beeld te geven van hun ervaring.

Brieven kunnen worden gezonden aan de afdeling
Personeelzaken, Willemstraat 20, Eindhoven, onder

ESB 5533.

dveeq&naU

122

U zoekt toch al lang

een
fONO ACAIYFflUICTJS,
24 jaar economisch en juri-
disch geschoold, met goed organisatievermogen en enige
jaren praktijkervaring, die zich in een andere, hem pas-
sende, betrekking, waar hij zich ten volle kan ont-
plooien, door hard werken een goede positie wil ver-
overen? Waagt 1? ei’ dan een briefje aan, onder no.
ESB 7-1, Bureau v, d. blad, Postbus 42, Schiedam

ECONOMISCH-

STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van het Nederlandsch Economisch Instituut

Adres voor Nederland:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam- W.

Telefoon redactie: K 1800-52939. Administratie: K 1800-

38040. Giro 8408.

Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam.

Redactie-adres voor België:
Dr J. Geluck, Zwijnaara’se Steen-

weg 357, Gent.’

Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam-W.

Abonnementsprijs:
franco per post, voor Nederland en de

Overzeese Rzjksdelen (per zeepost) f29,—, overige• landen

f 31,— per jaar. Abonnementen kunnen ingaan met elk

nummer en slechts worden beëindigd per ultimo san het

kalenderjaar.

, Losse nummers 75 ets.

Aangetekende
stukken
in Nederland aan het Bijkantoor

Westzeedjjk, Rotterdam- W. –

Advertenties.
Alle correspondentie
betreffende
advertenties

te richten aan de Koninklijke Nederlandsche Boekdrukkerjj

H. A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam (Telefoon

69300, toestel 1
of
3). –

Advertentie-tarief
f 0,30 per mm. Contract-tarieven op aan-

vraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”

/ 0,60 per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt

zich het ,recht voor om advertenties zonder opgaaf van,

redenen te weigeren.

lIIflTJllfflTI1

aansluitings

IIllillllllllIIIi

aansluitings

III 111111

aanSlUitihgs

1111111111

aansluitings

geen waterit

– percentage 95 -100

– percentage 80 – 95

– percentage 50 – 80

– percentage 0 – 50

iding.

naar het gemeentelijke aansluitings – percentag

31 December 1951

16 Februari
1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

123

Waterleiding en leidingwater

Hygiëne, bevolkingstoeneming en industrialisatie heb-
ben leidingwater tot een belangrijk economisch goed ge-

maakt. Was de voorziening met zuiver water eerst een

lôcaal probleem, dikwijls aan de afzonderlijke huis-

houdingen overgelaten, thans worden hoge eisen gesteld

aan de waterleidingbedrijven, niet alleen wat de te leveren

hoeveelheid water maar ook wat de hoedanigheid er van
betreft. Een beeld van wat ons land op het gebied van de

drinkwatervoorziening presteert, verschaffen de ,,Sta-

tistische Overzichten der Waterleidingen in Nederland”
1
).

Deze overzichten bevatten cijfers over de verbreiding

van de waterleiding, het verbruik van leidingwater en

voorts gegevens over de productie- en distributiebedrijven.

Uit het onlangs verschenen Statistisch Overzicht over

de jaren 1950.en 1951 blijkt, dat niet minder dan 839 van

De behoefte aan waterleiding neemt voortdurend toe,

waarbij de drie componenten: waterbeschaving, bevol-

kingsaanwas en industrieel verbruik, een niet nader ge-
analyseerde betekenis hebben. Sedert 1939 is het totale

verbruik,gestegen met ruim 47 pCt; het bedroeg in 1951

ca 336 mln m
3
(het nog niet gepubliceerde cijfer voor 1953.

is ca 367 mln m
3
). Het gemiddeld verbruik per aange-

sloten woning bedroeg 167,2 m
3
, d.i. 38,4 m
3
per hoofd

van de bevolking wonende in aangesloten woningen. De
waterlevering bracht in 1951
f
58,3 mln op (voor 1953

vernamen wij een opbrengstcijfer van ca f 70,7 mln); de

gemiddelde
opbrengst per 1.000 liter afgeleverd water

was ongeveer 18 cent (de twee uitersten waren de pro-

vincies Utrecht: 15,4 cent en Zeeland: 28,9 cent), d.i.

gemiddeld per aangesloten woning ongeveer f 30.

AANTAL GEMEENTEN

Aantal gemeenten en bevolking van Nederland verdeeld

BEVOLKING

de 1.013 gemeenten, die ons land eind Decemb(r 1951

‘ telde, waterleiding hadden. De woningvoorraad bestond

op dat tijdstip uit 2.319.784 woningen; hiervan was ca

84 pCt op dé wat&rleiding aangesloten. Beziet men de

aansluitingspercentages voor de provincies, dan valt op

dat in Drente nog niet de helft der woningen waterleiding

heeft (38,9 pCt); Noord-Holland, Zuid-Holland en

Utrecht daarentegen hebben een zeer hoog percentage
(resp. 98,9; 98,8 en 92,1 pCt). In bovenstaande cirkel-

diagrammen is het aantal gemeenten en de bevolking ver-

deeld naar het gemeentelijke aanslifitingspercentage. Er

blijkt uit, welke grote invloed de groep van 95-100 pCt heeft.

‘) Uitgegeven door de Vereniging van Exploitanten van Waterbedrijven in
Nederland.

Tracht men de watervoorziening van ons land te verge-

lijkefi met die van andere Westeûropese landen, dan stuit

men op gebrek aan daarvoor geschikte en voldoende be-

trouwbare gegevens. De volgende ons van bevoegde zijde

welwillend verstrekte cijfers, die voor enkele landen een
ruwe schatting weergeven van het woningpercentage dat

in 1953 op de waterleiding was aangesloten, geven echter

een globale indruk: Engeland en Wales 95 pCt, Luxem-

burg
95
pCt, Denemarken 66 pCt, West-Duitsland 66 pCt,

België 60 pCt, Frankrijk 59 pCt Stelt men hiernaast voor

Nederland het eerder genoemde percentage van ongeveer

84, dat ook voor 1953 kan worden aangehouden, dan

zien wij dat ons land geen slecht figuur slaat.

d. W.

INHOUD

Blz.

Blz.

Waterleiding en leidingwater,
door Drs A. de Wit•
123 Het huidige valutatekort van Denemarken,
door

v
çrg
r
oe
uuii vau ouiau
v, 001
‘J
ViLL)1Iuhi5 j v.i-
,4

Drs J. G. Kleve
………………………..
133

heidstaak?
door Dr Mr N. H. Wiarda
…….
125

De tarievenoorlogen in het lijnbedrjf der zee-

scheepvaart, door Drs P. W. Seton
……….
127

De mechanisatie van de Nederlandse landbouw,

door Drs R. A. de Widt
……………….
129

De bijeenkomsten van E.G.K.S. en Raad van

Europa,
door R. P. Simons Cohen
……….
132

COMMISSiE VAN REDACTIE: C. van den Berg; Ch. Glasz; L. M. Koyck; H. W. Lambers; J. Tinbergen;

F. de Vries. Redacteur-Secretaris: A. de Wit. Adjunct Redacteur-Secretaris: J. H. Zoon.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË: F. Collin; J. E. Mertens de Wilmars;

J. van Tichelen: R. Vandeputte; A. Vlerick.

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN.

B e d r ij f s e c o n o m i s c h e n o t i t i e s :

De Spaarbank te Rotterdam,
door Drs J. C. Brezet
135

B o e k b e s p r e k i n g :

,,The Economic Development of Mexico”;

,,The Economic Development of British

Guiana”,
bespr. door H. Linnemann
…….
137.

Geld- en kapitaalmarkt,
door Drs J. C. Brezet

138

Recente economische publicaties
…………..
139

124

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 Februari
1955

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK

Dr Mr N. H. WIARDA, Vergoeding van schade door

overstroming o verheidstaak?

Regering en Nationaal Rampenfonds kwamen na de

stormvloed van 23 op 24 Decemberjl. vpor de noodzaak te

staan duidelijk stelling te nemen ten opzichte van de door

‘deze overstromingen aangerichte schade. De Regering

gaf te kennen, dat zij de in 1953 getroffen vergoedings-

regelingen een eenmalig karakter wenste te geven. In

tegenstelling hiermee nam het Besthur van het Nationaal

Rampenfonds de veroorzaakte huisraadschade voor zijn

rekening. Het door de Regering gehanteerde criterium

of er sprake is van een nationale ramp lijkt schrijver

weinig bruikbaar. Men zal zich principieel dienen te

bezinnen op de taak, die de Overheid t.o.v. stormvloeden

en overstromingen in het algemeen heeft en niet heeft.

Wat betreft de preventieve taak meent schrijver, dat het

treffen van beschermende maatregelen tegen het op-

dringende water een taak voor de centrale Overheid

vormt in zoverre het om waterkeringen gaat, die voor die

beveiliging van essentieel belang zijn, en dat particulieren,

wier belangen als gevolg van een bepaald systeem van

beveiliging worden opgeofferd, van overheidswege worden

schadeloosgesteld. De repressieve taak zou de Overheid

bijv. kunnen uitvoeren door een stichting of een publiek-

rechtelijk of semi-publiekrechtelijk orgaan op te richten

met tot taak als verzekeraar van watersnoodschade op

te treden; een andere oplossing is, dat particuliere

verzekeringsinstellingen zich hiertoe bereid verklaren,

mits de Overheid genegen is als herverzekeraar op te

treden of het ontbrekende â fonds perdu bij te passen.

Drs P. W. SETOJV, De tarie venoorlogen in het ijnbedrij

der zeescheep vaart.

In de laatste jaren is het wapengekletter van de met

elkander in tarievenoorlogen verwikkelde rederijen bijna

niet verstomd. Gedurende 1953 woedde een hevig conflict

op de Noordelijke Atlantische Oceaan, waar de ,,Conti-

nental North Atlantic Westbound Freight Conference”

de orde in het verkeer handhaaft. Schrijver schetst het

verloop vaiT deze strijd, welke leidde tot het verlaten van

de ,,conference” door vier maatschappijen. In October

1953 werd de vrede voorlopig getekend en op 1 Januari

1954 zag de nieuwe ,,conference”, versterkt met een

Noorse en twee Duitse maatschappijen, het licht. Onder

de huidige structuur van de wereldscheepvaart zal het
volgens schr. zeer moeilijk zijn, dergelijke ongezonde

conflicten te vermijden.

Drs R. A. DE WIDT, De mechanisatie van de Nederlandse

landbouw.

De mechanisatie van de landbouw is in de jaren na

1945 in zeer snel tempo voortgeschreden. Zo stéeg het

aantal trekkers van ongeveer 2.500 na afloop van de

oorlog tot ongeveer 35.000 in de tweede helft van 1954.
Dit hoge tempo van de iandbouwmechanisatie komt ook

in de import tot uitdrukking. Wat de landen van her-

komst van landbouwmachines betreft kan worden op-

gemerkt, dat Amerika en Engeland de eerste jaren een

overheersende positie innamen. Momenteel heeft (West)

Duitsland zijn belangrijke positie van de jaren vôér de

oorlog herwonnen. Verder heeft zich een Vrij belangrijke

eigen landbouwwerktuigenindustrie ontwikkeld. Schrijver

gaat het verband na tussen het krappe arbeidsaanbod en

de mechanisatie in de landbouw.

R. P. SIMON COHEN, De bijeenkomsten van E.G.K.S.

en Raad van Europa.

In de recente bijeenkomst van de Gemeenschappelijke

Vergadering van de E.G.K.S. zijn de drie gewraakte

kartels op de kolenmarkt onderwerp geweest van menige

parlementaire aanval. Het daarop volgende politieke

debat liet verder nauwelijks ruimte voor gedegen econo-

mische beschouwingen, terwijl toch de uiteenzetting van

de Hoge Autoriteit over ,,De Toestand van de Gemeen-

schap” daar alle stof voor bood. Schrijver geeft aan de

hand van dit rapport een overzicht van de ontwikkeling,

welke de dekking van energiebehoeften in de Gemeen-

schap vertoont, en welk aandeel daarvan met steenkolen

wordt gedekt. Een daling van de kolenprjzen is slechts

mogelijk als de kolen zo rationeel mogelijk worden

gewonnen.

Drs J. G. KLEVE, Het huidige valutatekort van Dene-

marken.

Sinds het begin yan het vorige jaar is de goud- en

deviezenreserve bij de nationale bank van Denemarken

snel geslonken en zelfs tot ver beneden nul gedaald. In

het algemeen zijn het afgelopen jaar de deviezenreserves

der zwakke valutalanden juist toegenomen. Schrijver

schetst de ontwikkeling van de ruilvoet, de uitvoer en de

invoer naar samenstelling en de geldschepping van het

Rijk. Hij komt tot de ëonclusie, dat de invoer in 1954

sterk toenam door de vrees voor devaluatie en prijsstijging.

Tevens nam de invoer toe door een stijging van de koop-

kracht en opheffing. van invoerbeperkingen.

– SOMMAIRE

Dr Mr N. H. WIARDA, Est-ce que c’est le devoir des
autorités de payer des indemnités pour les dégôts

occasionnés par les inondations?

La différence d’attitude prise par le Gouvernement

et le Nationaal Rampenfonds en ce qui concerne la ques-

tion de l’indemnisation des dégâts occasionnés par les

inondations, donne â l’auteur l’occasion d’émettre des

réflexions sur les devoirs qui incombent â l’autorité en

cette matière.

Drs P. W. SETON, La guerre des tarfs dans les lignes

de navigation.

L’auteur décrit la guerre des tarifs qui sévit en 1953

dans la partie Nord de l’Océan Atlantique. Dans les

circonstances actuelles il ne s’attend pas â ce que de

tels conifits puissent &re évité.,

Drs R. A. DE WIDT. La mécanisation de l’agriculture

néerlandaise.

L’auteur dépeint le grand développement survenu

depuis la guerre dans la mécanisation de 1’agriulture

aux Pays-Bas.

R. P. SIMONS COHEN, La réunion de la Comtnunauté

Européenne Charbon-Acier et le Conseil de l’Europe.

L’auteur donne un compte rendu des pourparlers qui

ont lieu lors de la dernière assemblée de la Communauté

Européenne

Charbon-Acier et ‘le Conseil de l’Europe.

Drs J. G. KLEVE, Le man que de devises au Danemark.

Le manque de devises au Danemark est décrit par

l’auteur comme étant un résultat de l’augmentation

croissante des importations.

16 Februari 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

125

Vergoeding van schade door overstroming ôverheidstaak?

Toen de stormvloed van 23 op 24 December ji. het

water, nog geen twee jaar na de grote ramp, andermaal

tot grote hoogten opdreef en het land, hier en daar met

doorbreking van de dijken, op tal van plaatsen deed

overstromen, kwamen Regering en Nationaal Rampen-

fonds, als logische consequentie van het door haar tegen-

over de watersnood van 1953 ingenomen standpunt,

voor de noodzaak te staan duidelijk stelling te nemen

ten opzichte van de door deze overstromingen aangerichte

schade. Moest deze schade van overheidswege en, voor

zover zij in de persoonlijke sfeer was geleden, met de

gelden van het Nationaal Rampenfonds worden vergoed

of niet?

Standpunt Regering en Nationaal Rampenjonds verschillend.

De Regering meende van niet. Slechts in zoverre als de

overstroming was te zien als een gevolg van de grote ramp

in 1953, doordat de dijken nog niet of onvoldoende waren
hersteld, maakte zij, althans wat het herstel van de water-

keringen zelf betreft, een uitzondering, welke overigens,
gezien haar natuurlijke bestemming als opvangbassin bij

hoge waterstanden, niet gold voor de Brabantse Bies-
bosch: Daarmee gaf de Regering duidelijk te kennen,

dat zij de bij de Wet op de Watersnoodschade 1953

(Staatsblad 1953, no 661) en de Wet Financiering Storm-

vloedschade Publiekre chtelijke Lichamen (Staatsbiad

1953, no 401) getroffen vergoedingsregelingen een een-
malig karakter wenste te geven. In tegenstelling hiermee

besloot het Bestuur van het NationaalRampenfonds, dat

het in deze schade op dezelfde voet zou tegemoetkomen

als in de watersnoodschade van 1953, hetgeen wilde zeg-

gen, dat het Nationaal Rampenfonds de door de over

stromingen veroorzaakte huisraadschade voor zijn reke-

ning zou nemen. De vergoeding van deze schade door de

met het Nationaal Rampenfonds samenwerkende Schade-

enquêtecommissies en Rampschadebure aux is inmiddels
in volle gang.
Of het van het standpunt der Regering zo sterk af-

wijkende, immers diametraal daartegenover staande,

standpunt van het Nationaal Rampenfonds zijn grond-

slag vindt in een principieel anders stelling nemen tegen-

over de schade a1sgevo1g van overstromingen in het al-
gemeen, meen ik overigens te moeten betwijfelen. In dat
geval toch zou het Nationaal Rampenfonds ook van zich

hebben moeten doen spreken bij de wateroverlast in

Overijssel in het najaar van 1954, de stormvloed, die in

October van dat jaar enige schade aanrichtte en de over-

stromingen der grote rivieren van de laatste tijd als gevolg

van de ontzaglijke watertoevloed uit Zwitserland en

Duitsland. Veeleer ben ik van mening, dat het Nationaal

Rampenfonds, zonder zich principieel in de problematiek

rond de vergoeding van schade door overstromingen te

verdiepen, de overstromingen van December 1954 be-

langrijk genoeg achtte om de gelden, waarover het nu
eenmaal nog beschikt, ten dele voor de daaruit voort-

vloeiende schade te bestemmen. Zou het niet in die mate,

als thans het geval was, over middelen hebben kunnen

beschikken, dan zou men, naar mijn stellige overtuiging,

ook van de kant- van het Nationaal Rampenfonds niet

op een vergoeding van de stormvloedschade van Decem-

ber 1954 hebben behoeven rekenen.

Vanwaar nu dit verschil, in behandeling? In beide ge-

vallen toch is sprake van stormvloedschade? Waarom in

hei ene geval wel de schade vergoed en in het andere geval
niet? In de kringen van de belanghebbenden stelt men deze

vraag met nadruk. Men voelt het als onrecht en tracht

langs allerlei wegen, maar vooral door de bemoeiingen

van de Stichting voor de Landbouw wijziging in het

regeringsstandpunt te verkrijgen. Het daarvan afwijkende

besluit van het Nationaal Rampenfonds heeft er slechts

toe bijgedragen de verwarring bij de betrokkenen nog te

vergroten en hun aandrang op de Regering te verdubbelen.

De achtergrond van het regeringsbesluit schijnt wel deze

te zijn, dat de stormvloed van December 1954 geen natio-

nale ramp, het Nederlandse volksbestaan in gevaar

brengend, heeft teweeggebracht, zodat haar gevolgen het

Nederlandse volk als geheel niet aangaan en er ten aan-

zien daarvan voor de rijksoverheid geen taak ligt.

Een dergelijk criterium lijkt mij weinig bruikbaar.

Wie zal zeggen, of er sprake is van een nationale. ramp?

Voor de betrokkenen individueel maakt het geen enkel

verschil of de ramp, vit een nationaal oogpunt gezien,

groot is of klein. In beide gevallen is er sprake van schade

door iets, wat voor de betrokkenen een natuurramp is.

Bij een uit nationaal oogpunt bezien kleine natuurramp

kan iemands schade zelfs belangrijk groter zijn dan die

van een ander, gtroffen bij een in nationale zin grote

ramp. Entoch krijgt hij geen schadevergoeding en die
ander wel. Het valt dan ook niet te ontkennen, dat het

vergoeden van grote zowel als kleine stôrmvloedschade,

in geval, van een nationale ramp en het niet vergoeden van

stormvloedschade, ook niet van de grote, in geval van een

ramp’ die niet met nationaal betiteld mag worden, een

ernstige met redelijke argumenten nauwelijks te ver-

dedigen onevenredigheid oplevert.

Principiële bezinning op overheidstaak noodzakelijk.

Al met al blijft men met dit vraagstuk volkomen in de

mist. Om hier uit te komen, zal men zich principieel

moeten bezinnen op de taak, die de Overheid ten op-

zichte van stormvloeden en overstromingen in het alge-

meen heeft en niet heeft. Dat het daartoe niet aanstonds

na de grote watersnood van 1953 is gekomen, is alleszins

verklaarbaar. Diep onder de indruk van de zware slagen,
waarmee de vreedzame burgerij van grote delen van ons

land zo plotseling werd getroffen, schoot men van alle

kanten ‘spontaan te hulp. De Regering ging hierbij voor-

aan en heeft op voorbeeldige wijze leiding gegeven aan de

acties tot hulpverlening en herstel. De stem van het hart

volgend en, naar het zich laat aanzien, zonder zich nauw-

keurig rekenschap te geven van het waarom, kwam zij

als vanzelf tot het besluit de materiële schade, zij het dan

met uitzondering van de huisraadschade, voor rekening

van het Rijk te vergoeden. Ook later is het niet tot een

duidelijke probleemstelling en een principieel positie

kiezen gekomen, hetgeen vooral bevorderd zal zijn door

de vele gerusts’telIende perspublicaties, waarin’de frequen-

tie van rampzalige stormvloeden op ongeveer, eenmaal, in

de drie- â vierhonderd jaar werd gesteld.

Het mag op zijn minst twijfelachtig heten, dat die kal-

merende publicaties, hoezeer uit psychologisch oogpunt

ook verantwoord, een juist inzicht in de situatie hebben

gegeven. Er is toch een aantal vaststaande feiten, dat

naar mijn mening het probleem van de zeer hoge water-

standen en de schadelijke gevolgen daarvan met het

voortschrijden der jaren meer acuut zal doen worden.

Reeds lang heeft men een geleidelijke opschuiving Noord-

waarts waargenomen van de ijsgrens in de Noordelijke

IJszee. Grote massa’s water, belangrijk groter in volume

dan het gesmolten ijs, zijn daardoor vrijgekomen. Dit op

126

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
16 Februari
1955

zich zelf houdt reeds een niveaustijging in. Bij stormen

uit Noordwestelijke richtingen worden veel grotere massa’s

water in de richting van het Kanaal en ons land gestuwd

dan vele jaren geleden. Het Kanaal is te smal om dit water

normaal te verwerken met als gevolg .dat ten dele via de

Engelse kust bovendien nog een tegenstroom ontstaat,
wederom op ons grondgebied gericht. Daarnaast vindt

een zeer geleidelijke verzinking van onze bodem plaats.

En ten slotte zijn de uitloopmogelijkheden van het water

binnen ons grondgebied als gevolg van verdergaande

indijkingen en indammingen aanmerkelijk geringer

geworden. Mede door de samenwerking van de eerste

twee factoren zijn de stranden zo langzamerhand op

verschillende plaatsen niet onbelangrijk ingekort.

Di; leidde o.a. tot een uitstulping van de Scheveningse

boulevard buiten de kustlijn, waardoor men zich thans

mo t gaan beraden over plannen tot haar beveiliging.

Her en der zijn voorts flinke stukken van de beschermende

duinenrij weggeslagen, hetgeen vooral spreekt op het

eiland Texel, alwaar de op de Noordelijke punt gelegen

vuurtoren binnen niet al te lange tijd zal moeten worden

prijsgegeven. Ook wordt wel beweerd, dat de geleidelijke
verandering, die zich in de kosmische structuur voordoet,

klimatologisch van invloed zal kunnen zijn, in dier voege,

dat een nog sterkere binding van ons klimaat aan de zee

dan tot dusverre in de toekomst hogere temperaturen in

de winter en over het geheel genomen meer neerslag niet

onmogelijk doen zijn. Het heeft er dus in alle opzichten

de schijn van, dat de greep van het water op ons land

direct en indirect sterker wordt en ons volk in toenemende

mate met deze, zijn aloude vijand, zal worden geconfron-

teerd.

De preventieve taak.

Wat staat de centrale Overheid in een dergelijl.e situatie

nu te doen? Komend tot de beantwoording van deze

vraag, dient men twee dingen te onderscheiden, t.w. de

preventieve en de repressieve kant van de zaak. De eerste

ziet op de beveiliging van ons grondgebied door.bescher-

mende maatregelen en de tweede op het helen vande door

het water geslagen wonden, als de beschermende maat-

regelen onvoldoende blijken te zijn geweest. Mij eerst

bezig houdend met de preventieve taak, die hier ligt,

spreek ik als mijn mening uit, dat het treffen van bescher-

mende maatregelen tegen het opdringende water, in het

bijzonder dus de zorg voor de waterkeringen, een voor

de hand liggende taak van de centrale Overheid vormt

althans in zoverre het om waterkeringen gaat, die essen-

tieel zijn voor het behoud van ons grondgebied of dit

misschien zullen worden. De uit een al te individualis-

tisch guichte tijd stammende stelrègel ,,wie het water

deert, die.het water keert” heeft in zijn algemeenheid

afgedaan. Bij gebreke van de bovenbedoelde essentie ech-

ter is er geen bezwaar tegen, dat een kleinere publiek-

rechteljke gemeenschap, bijv. een waterschap of polder-

schap, of soms zelfs een particulier, de zorg voor de water-

kering heeft. In het andere geval daarentegen, practisch

gesproken dus steeds wanneer het om zeeweringen gaat,

ligt hier m.i. uitsluitend een taak voor de centrale Over-

heid. Dit vooral daarom, omdat de uitoefening van’ deze

taak hoogst onpersoonlijk is gericht. Het gaat daarbij

nl. om de beveiliging van ons grondgebied, althans een

gedeelte daarvan, en dus om de instandhouding van de

bestaansvoorwaarden van het Nederlandse volk als ge-

heel. Dit behoort bij uitstek tot het terrein van de centrale

Overheid.

Hoe onpersoonlijk de vervulling van deze taak ook

gei icht mag zijn, toch zal de Overheid, haar daadwerkelijk

aanvattend, er niet steeds aan voorbij kunnen gaan in te

grijpen in de persoonlijke belangensfeer van bepaalde

burgers. Een beschermend systeem of het stellen van

beschermende maatregelen brengt immers wel mee, dat

bijzondere belangen aan het praevalerende algemene

belang moeten worden opgeofferd. Men denke in dit

verband aan de belangen van de oester- en mosselkwekers

in de Oosterschelde, die bij de uitvoering van het Delta-

plan ten offer zullen vallen. Dat de betrokkenen van

overheidswege zullen worden schadeloos gesteld, wordt

als vanzelfsprekend beschouwd. De maatschappelijke

solidariteit brengt nu eenmaal mede, dat de gemeenschap

opkomt voor de enkeling, die zij in het gemeenschappelijk

belang schade berokkent. Vreemd doet het daarom aan,

dat de slachtoffers van de overstroming in de Biesbosch

in de steek gelaten dreigen te worden,
omdat
de Biesbosch

van nature bestemd is om bij zeer hoge waterstanden als

opvangbassin te fungeren. De Biesbosch vervult dus in het

gemeenschappelijk belang van een groot deel van het

Nederlandse volk een beschermende functie. Zij wordt
daar doelbewust voor. gebruikt ten nadele van hen, die

daar gevestigd zijn en hun bedrijf uitoefenen. Ligt het

dan niet voor de hand, dat de gemeenschap opkomt voor

de schade, die de inwoners van de Biesbosch ten behoeve

van die gemeenschap hebben geleden? Het privé-belang

wordt opgeofferd aan het sterker sprekende algemeen

belang. De als gevolg daarvan geleden schade dient naar

mijn mening van overheidswege te worden vergoed. –

Ik kom derhalve tot de conclusie, dat, wat de beveiliging

van ons grondgebied tegen het opdringende water betreft,

hier primair een taak ligt voor de centrale Overheid in

zoverre het om waterkeringen gaat, die voor de beveiliging

van essentieel belang zijn en dat de particulieren, wier

belangen als gevolg van een bepaald systeem van be

veiliging of door het treffen van bepaalde beschermende

maatregelen worden opgeofferd, van overheidswege

worden schadeloosgesteld. Naar de jongste ontwikke-

lingen doen verwachten – voorbereiding van het Delta-

plan, plannen tot overneming van de zorg voor water

keringen door de centrale Overheid, die voor de be-

veiliging van het grondgebied van essentieel belang zijn

(Texel), bereidheid tot subsidiëring van het Provinciaal

Rampenfonds van Noord-Brabant ten behoeve van de

Biesbosch-slachtoffers – bestaat er een gerede kans,

dat mijn. wensen worden vervuld.

De repressieve taak.

Hoe staat het echter met de repressieve kant van de

zaak, het helen van de door het water geslagen wonden,

het herstellen van de door de overstroming aangerichte

schade? Alles wijst er op, dat de Regering, behoudens

enkele uitzonderingen die hiervoor reeds ter sprake

kwamen, niet voornemens is tot vergoeding van de door

de stormvloed van eind December 1954 aangerichte

schade over te gaan. Een aanvaardbare motivering van

dit standpunt lijkt mij moeilijk te geven, nu de schade als

gevolg van de grote ramp in de aanvang van
1953
wel is

vergoed. Te verklaren is dit verschil in behandeling wèl.

In tegenstelling met de stormvloed van December
1954

sprak de grote ramp van
1953
sterk tot ieders verbeel-

ding. Zij vroeg als het ware om een spontane daad.

Maar daarmee kan het verschil in behandeling nièt

worden gemotiveerd. Principieel maakt het geen enkel

verschil, of men schade heeft als gevolg van een ernstie

of minder ernstige overstromingsramp. Door het ont-

breken van de emotionele geladenheid, die kenmerkend

•••

16 Februari
1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

127

was voor de grote Februari-ramp, kon de Regering in

rustige bezinning tot haar besluit komen. Dit leidde tot
een critischer oordeel en een scherper belichten van de

persoonlijke verantwoordelijkheid van de bewoners der

getroffen en bedreigde gebieden met als gevolg een nega-

tieve beslissing. Ik geloof niet, dat dit juist is. Door de

watersnoodschade als gevolg van de grote Februari-

ramp te vergoeden, heeft de Regering min of meer een

precedent geschapen. De geruststellende beschouwingen

in de pers en de dito radiocommentaren hebben voorts

de gedachte aan de mogelijkheid ener spoedige herhaling

opzij gezet. Vrij algemeen dacht men, ook in overheidr-

kringen, aan een eenmalige schadepost. Voorwaar geen

geschikte voedingsbodem voor nieuwe constructieve ge-

dachten. Men bepaalde zich uitsluitend tot het herstel.

Een principiële benadering van het vraagstuk van de

vergoeding der watersnoodschade bleef achterwege.

Op zichzelf was het naar mijn mening goed, dat de

Regering de schade als gevolg van de watersnood in 1953

vergoedde. Daarmee had zij echter niet mogen volstaan.

De ramp had voor haar en voor het ganse Nederlandse

volk een teken aan de wand moeten zijn in die zin, dat zij

zich duidelijk voor ogen stelde, dat hier een vraagstuk

lag, dat dringend om een oplossing vroeg, t.w. hoe moet

het met de schade, die in de toekomst als gevolg van
oe:stromingen mocht ontstaan. Zij zou dan stellig tot

dezelfde overtuiging zijn gekomen als die, welke zij thans

ten aanzien van de stormvloed van December
1954
blijkt

te lezitten, nI. deze, dat het met het oog op mogelijke

overstromingen bestaande risico in de eerste plaats de

belanghebbenden zelf aangaat. Daaruit de consequenties

trekkend, zou zij dan het afsluiten van verzekeringen tegen

toekomstige watersnoodschade zoveel mogelijk hebben

moeten bevorderen. Dit is evenwel niet gebeurd. Dat

neemt intussen niet weg, dat de gelegenheid daartoe nog

steeds openstaat. Nu wil echter het geval, dat het risico

van schade door overstromingen hier te lande in het alge-

meen niet tegen vaste premies is te verzekeren. Bovendien

lijkt het onwaarschijnlijk, dat de inwoners en bedrijven

van de meest bedreigde gebieden, zo zij al een verzekering

zullen kunnen afsluiten, dit tegen een enigszins redelijk

tarief zullen kunnen doen. Een stimulans van de ver-

zekeringsgedachte zonder meer lijkt mij dan ook niet

voldoende.

Een oplossing.

Het zöu voor ieder, die zich enigszins door het water

bedreigd gevoelt, mogelijk moeten zijn zich tegen een

binnen zekere grenzen variabel doch goedkoop tarief

te verzekeren tegen het gevaar van overstroming. Een

dergelijke verzekering zou evenals dat met de brand-

verzekering het geval is kunnen uitgroeien tot een volks-

verzekering. Het is niet te verwachten, dat deze Yer

zekering uit de particuliere verzekeringswereld alleen
geboren zou kunnen worden. Anders was zij er stellig

reeds geweest. De Overheid zal er dus aan te pas moeten

komen. Dit kan op verschillende manieren gebeuren.

De Overheid zou bijv. een stichting of een publiekrechte-

lijk of semi-publiekrechtelijk orgaan met een andere

rechtsvorm in het leven kunnen roepen, die tot taak zou

hebben als verzekeraar van watersnoodschade op te

treden. Zij zou deze instelling in de aanvang een renteloos

voorschot moeten verstrekken, dat geleidelijk zou moeten

worden afgelost. Zouden de reserves van bedoelde in-

stelling op een gegeven ogenblik niet voldoende zijn om

alleverzekerde schaden te vergoeden, dan zou de Over

heid weer met een renteloos voorschot dienen bij te

springen.

Een andere oplossing is, dat particuliere verzekerings-

instellingen zich bereid verklaren watersnoodschade te

verzekeren tegen bepaalde variabele doch goedkope

tarieven, mits de Overheid genegen is als herverzekeraar

op te treden of in geval van calamiteiten, die meer dan de

voor de uitkering van schadeloosstellingen gekweekte

reserve opeisen, het ontbrekende i fonds perdu bij te

passen. Dit zou kunnen zowel in de vorm ener premie-

verzekering als in de vorm ener onderlinge-verzekering.

Om de verzekering in het laatste geval haar aantrekkelijk-

heid voor het publiek te doen behouden zou de omslag-

heffing dan tot een naar verhouding in alle opzichten

verantwoord bedrag gelimiteerd moeten blijven. Het zou

niet de eerste keer zijn, dat een risico, dat in de eerste

plaats een persoonlijk risico is en zich uit dien hoofde

bijzonder goed leent voor verzekering, vanwege zijn

onaantrekkelijkheid voor de particuliere verzekering-
maatschappijen slechts door samenwerking tussen de

Overheid en die verzekeringmaatschappijen tot ver-

zekering werd gebracht. Men denke in dit verband aan

het oorlogsmolestrisico van vaartuigen bij het uitbreken

van de tweede wereldoorlog in 1939. Om de vrachtvaart

gaande te houden dienden toen Overheid en particuliere

verzekeringswereld de handen ineen te slaan. De Zee- en

Luchtvaartverzekeringswet 1939 was daarvan het gevolg.

Op gelijke wijze zou thans uit de samenwerking van Over

heid en particulier verzekeringswezen een verzekering

geboren kunnen worden met het grote doel een lonende

exploitatie van de bedrijven en gebieden, die aan het risico

van overstroming bloot staan, voor de toekomst mogelijk

te doen blijven. Met dit perspectief voor ogen zou de

Regering er dan zonder enig bezwaar toe kunnen beslui-

ten, de als gevolg van de stormvloed van December 1954

ontstane schade nog voor rekening van het Rijk te nemen.
‘s-Gravenhage.

Dr Mr N.
H. WIkRDA.

De tarievenoorlogen in het lijnbedrijf der zeescheepvaart

De ,,conferences” waarborgen in de ljnvaart een zekere

tarievenstabiliteit, zulks in tegenstelling tot de wilde

vaart. Zo fluctueerde de zgh., Duitse Iijnvaartindex tussen

begin 1951 en einde 1952 tussen 107,8 en 127,1 met een
maximum-uitslag van 144,5, terwijl de overeenkomstige

waarden voor de bekende Britse trampindex 151,9, 98,8

en 203,8 maximaal tegen 79,2 minimaal bedroegen.

De wilde vaart-amplitude uitgedrukt in pCt van het

basisjaar was dus 124,6, die voor de ljnvaart slechts 36,7!

Af en toe echter wordt de betrekkelijke stabiliteit van

de lijnvaartvrachten onderbroken door verwoede ta-

rievenoorlogen, gedurende welke de ,,conference”-tarie-

ven ongelooflijke bokkesprongen maken. Dergelijke

verbitterde economische gevechten kunnen door ver-
schillende oorzaken ontstaan, welke echter alle onder

één hoofd zijn samen te vatten: de outsiderconcurrentie.

Er zijn verschillende soorten outsiders. Soms varen

onafhankelijke maatschappijen op dezelfde range als

een ,,conference” tegen het ,,conference”-tarief; op

deze wijze wordt de vrede en rust natuurlijk niet verstoord.

Andere outsiders – zoals de zeer solide Isbrandtsen

Line – hebben de bedenkelijke gewoonte om pro-

fijt te trekken van de door de ,,conference” op een re-

delijk niveau gehouden tarieven; zij onderbieden de

128

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 Februari1955

,,conference”-tarieven met een standaardpercentage –

gewoonlijk een 10 pCt – teneinde zich van een winst-

gevend deel van het vervoer te verzekeren. Verdere

onderbieding is dan soms de vonk, die het buskruit van
de .teugelloze concurrentie doet exploderen. De laatste

en gevaarlijkste buitenstaanders zijn de wilde outsiders,

die ,,rücksichtslos”

een bepaald vaargebied door onder-

bieding komen afromen om, zodra de melk zichtbaar

begint te worden, de met veel bombarie aangekondigde

,,geregelde dienst” te staken en in een andere range, waar
betere winstkansen hun toelachen, hetzelfde, de gezond-

heid van het bonafide lijnvaartbedrjf ondermijnende,

spelletje te spelen. Ziet het enfant terrible hierin weinig

heil, dan zoekt het het tijdelijk in de wilde vaart, van

kolen of graan. Op straffe van verdringing kunnen de

betrokken ,,conference”-lijnen de aanval niet over hun

kant laten gaan en onderbieden op hun beurt de tarieven

van de outsider. Zo komen de poppen aan het dansen

– de indringer laat zich niet onbetuigd en het cumula-

tieve proces van de tarievendaling is begonnen.

In de laatste jaren is het wapengekletter van de met

elkander in tarievenoorlogen verwikkelde rederijen bijna

niet verstomd. Wij willen hier het verloop van zulk een

onverkwikkelijke strijd aan de hand van een enkel ge-

val beschrijven. Gedurende
.
1953 woedde een hevig

conflict op de grauwe golven van de Noordelijke Atlan-

tische Oceaan, waar gewoonlijk de ,,Continental North

Atlantic Westbound Freight Conference” als economische

politie-agent de orde in het verkeer tussen de havens

van België, Nederland en Duitsland te ener zijde en de

havens aan de Oostkust van de Verenigde Staten (de

zgn. Portland, Maine/Hampton Roads
1
) Range) hand-

haaft. Reeds lang voordat op 1 Januari 1953 de ,,con-

ference” aan de inwendige spanningen ten gronde ging,

stond zij bloot aan hevige aanvallen van outsiders en

trampreders. De wilde vaartreder dgt in tijden van grote

vraag naar tonnage de ljnvaart wel concurientie aan
door boven op een lading massagoederen een partij

stukgoederen te laten stuwen. Omgekeerd dringt, vooral

in een tijd van slechte scheepvaartconjunctuur zoals

1952,
de lijnvaart het natuurlijke arbeidsveld van de wilde

vaart binnen, door, bij een ontoereikende vraag naar

tonnage voor het vervoer van stukgoederen, mede te

dingen op de vervoersmarkt voor bulkgoederen. Wegens

de belangrijke rol van de vaste kosten in het lijnvaart-

bedrijf wordt het accepteren van bulklading tegen ieder

tarief, dat ligt boven de directe kosten, veroorzaakt

door deze lading, verliesverminderend.

Tijdens de recessie na de Koreahausse waren de

tr’ampvrachten voor broodgranen afgebrokkeld tot

$ 8/ton. De ,,conference”-ljnen, die zo lang de hoog-
conjunctuur duurde, voldoende graanvervoer hadden

kunnen verrichten tegen $ 14/ton, zagen nu hun aandeel

hard teruglopen. In Maart 1952 deden zij een mislukte

poging om door een tariefverlaging tot $ 12,50!ton hun

portie op te voeren. De tweespalt in de boezem van de
,,conference”, welke later tot een openlijke uitbarsting
zou komen, was bij dit besluit al in de kiem aanwezig;

sommige rederijen wensten een verdergaande verlaging.

Op een yergadering op 15 April 1952 werd besloten

per 1 Mei zijn toevlucht te nemen tot het middel der

zgn. ,,open rates” voor broodgranen, d.w.z. iedere

aangesloten’ scheepvartmaatschappij mocht volkomen

vrij zijn tarieven noteren. Een dergelijk wanhoopsmiddel

verdraagt zich slecht met het wezen van een ,,conference”;

‘) De Harnpton Roads is de grote natuurlijke rede, gevormd door het samen-
vloeien van drie rivieren bij de Zuidzijde van
de Chesapeske Esy.

het is dan ook geen wonder, dat verschillende maatre-

gelen ter vermijding van interne conflicten moesten wor-

den getroffen.

Alsof deze moeilijkheden nog niet ernstig genoeg waren,

knaagden bovendien de outsiders nog aan de fundamen-

ten van de Westbound en Eastbound ,,conferences”.

Deze hadden reeds in 1950 getracht zich hiertegen te

verweren door het bekende, aloude systeem van verla-

derbinding. Uit het arsenaal van de uitgestelde rabatten,

preferentiële contracten en uitsluitende begunstigings-

contracten werd het laatstgenoemde wapen in stelling

gebracht. Men wilde de verladers dwingen een uitslui-

tend begunstigingscontract te ondertekenen op straffe

van een tariefsverhoging van 20 pCt! Tegenover dit

,,dual rate system” stelde evenwel Isbrandtsen het zware

geschut van een klacht bij de machtige ,,Federal Man-
time Board”. Het ,,Federal Court” van New York ver-

bood daarop de uitvoering van het besluit omdat ,,the

spread in rates by the two conferences between contract

shippers and others was arrived at in an arbitrary manner”.

Door een staking van de stemmen in het ,,U.S. Supreme

Court”, na hoger beroep op dit Hof verloren de ,,con-

ferences” het pleit.

De ,,North Atlantic Continental Freight Conference”

toonde zich echter niet voor één gat gevangen door op

2 September 1952 een nieuw ,,dual rate system” aan te
kondigen, waarbij de non-contractanten dezelfde tarie-

ven zouden blijven betalen als tot dan toe, terwijl de

contractanten een reductie van 10 pCt zouden krijgen.

Ook deze poging leed echter schipbreuk op een door de

aartsvijand van alles wat ,conference” is – de Isbrandtsen

Line – uitgelokte gerechtelijke uitspraak.

Ten einde raad besloot de ,,conference” toen per 1

October 1952 alle vrachtprjzen, behalve die voor bulk-

goederen, explosieve stoffen, hooi, levende dieren, edele

metalen en munten, met 10 pCt te verlagen. Een onder- /

scheid tussen contractanten en non-contractanten bleef

hierbij achterwege. De outsiders, Meyer Line, Maersk

Line en Isbrandtsen Line, lieten dit niet op zich zitten

en maakten eveneens algemene reducties bekend. Hevige

onenigheid over de tegen deze concurrentie te nemen

maatregelen leidde ten slotte tot de fatale gebeurtenis.

Op een einde 1952 te Rotterdam gehouden bijeenkomst,

kondigden de Holland-Amerikalijn, de Black Diamond

Line, de Compagnie Manitime Beige en de Cosmopolitan

Line aan, dat zij zich uit de ,,conference” zouden terug-
trekken en hun vrachttarieven met ingang van 1 Januari

1953 zouden verlagen. De drie andere rederijen United

States Lines, Waterman Lines en South Atlantic Lines

bleven door hun besluit om zich aan de tariefbepalingen

te zulleii houden als enige bewoners in het nu wel zeer

leeg geworden ,,conference”-huis achter. De reeds lang

overbelaste ketel was eindelijk gesprongen, hetgeen,

gezien de omstandigheden, ook niet had kunnen uit-

blijven. Langzamerhand was een enigszins -belachelijke

situatie gegioeid; de H.A.L. wees er in een bericht aan

de pers op, dat het aantal outsiders gestadig gegroeid

was en, doordat de Hamburg-Amerika Lijn en de Nord-

deutsche Lloyd hardnekkig’ weigerden om tot de con-
ference” toe te treden, ten slotte dat der ,,conference”-

leden overtrof!

Wat er zich precies binnenskamers heeft afgespeeld

is nooit bekend geworden, doch men mag gerust aan-

nemen, dat berichten uit Antwerpen, volgens welke de

spanning in de ,,conferénce” hoofdzakelijk een gevolg

was van de herleefde Duitse concurrentie, niet geheel

bezijden de waarheid waren. Hoe sterk deze concurrentie

16 Februari 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

129

weer was geworden blijkt wel uit de omvang van de

Duitse koopvaardijvloot, welke van 4,1 mln B.R.T. op

1 Januari 1938 na de capitulatie terugliep tot 400.000

B.R.T., doch op 1 Januari 1953 weer 1,6 mln B.R.T. mat.

Typerend in dit verband zijn uitlatingen van de West-
duitse Minister van Verkeer, Dr Seebohm, gedaan bij

een ontvangst aan boord van het Amerikaanse vlagge-

schip United States te Bremerhafen, begin Januari 1953.

Deze sprak de hoop uit, dat de ,,conference”-verhou-

dingen weer zouden kunnen worden geordend, echter

onder voorbehoud van een niet te gering aantal Duitse

afvaarten en van afschaffing van de twistappel der zgn.

range-toeslagen. Hij doelde hiermede op de door de

,,East-bound conference” geheven toeslag van 10 .pCt in

de vaart Oostwaarts op Hamburg en Bremen in vergelij-

king met de tarieven van de Benelux-havens. Deze ver-

schillende behandeling lag de Duitsers sinds lang zeer

zwaar op de maag. In de eerder geciteerde verklaring

wees de H.A.L. uitdrukkelijk de wel eens gehoorde be-

schuldiging, als zou het in haar voornemen liggen in een

eventueel nieuw te vormen ,,conference” aan te dringen
op maatregelen ter voorkeursbehandeling van de Bene-

lux-havens, van de hand. Hierbij zij ove igens opgemerkt,

dat de range-toeslagen ook in de oude ,,Westbound-

conference” ontbraken!

De uitgetreden rederijen gingen tot drastische tarieven-

verlagingen over. Zo werden de vrachten voor melkpoe-

der en het voor Nederland belangrijke exportartikel

ham in blik met resp. 20 en ruim 33 pCt naar beneden

gebracht. Daarna ging het met de vrachten steeds verder

bergafwaarts. In Maart 1953 was het niveau een 30 pCt

gezakt. Einde April 1954 was de vracht voor tin van $ 22

tot $ 14 en die voor rayonvezel van $ 22 tot $ 17/ton

teruggelopen. De laatste notering was een gevolg van

de bereidverklaring door een scheepvaartmaatschappij,

welke normaal geen rayonvezel vervoerde, dit product

tegen $ 15 te verschepen. De drie ,,conference”-maat-

schappijen lieten zich bij dit alles uiteraard niet onbe-

tuigd. Ook zij zagen zich gedwongen tot onderdompeling

in de stroomversnelling der tarievendaling.

Een persstem uit die tijd verklaarde, dat het er naar

uitzag, alsof alle partijen vastbesloten waren tot het

bittere einde door te vechten. Inderdaad kostte het con-

flict, zoals iedere tarievenoorlog, de deelnemers handen

vol geld. Tot het bittere einde kwam het echter niet,
indien men daaronder althans de ondergang der out-

siders wil verstaan. Deze bleken te kapitaalkrachtig om

op de knieën gedwongen te worden. Overigens is het

einde van elke tarievenstrjd bitter genoeg. Teneinde

aan de vernietiging te ontkomen moeten de belligerenten

ten slotte altijd het dwaze spel staken en elkander in

het beperkte aanbodsmonopolie der ,,conference” terug-
vinden. Meestal blijken er dan geen overwinnaars, doch

slechts verliezers te zijn geweest. Nadat de vrachten zich

enigermate gestabiliseerd hadden op een zeer laag,

verliesgevend niveau, trad een soort wapenstilstand in

en werd in October 1953 de vrede voorlopig getekend.

De, H.A.L., de Black Diamond Lines en de Compagnie

Maritime Belge reikten hun oude ,,conference”-partners,

de South Atlantic Lines, de United States Lines en de

Waterman Lines, de hand. Geheel voor niets was de

strijd niet gevoerd, want de Duitse Hamburg-Amerika

Linie en de Norddeutsche Lloyd kwamen de muren van

de ,,conference”-vesting versterken. Na een aanvankelijke

aarzeling trad ook de Cosmopolitan Line weer toe,

terwijl tevens de tijdens de ontbindingsperiode van de

,,conference” opgekomen Noorse outsider de Fjell Line

zich eind November 1953 aansloot. Waren er dus voor

de versteviging van de ,,conference” enige winstpunten,

de Isbrandtsen Line, de Meyer Line en de Maersk Line

bleven als evenzovele snoeken in de karpervijver buiten

de ,,conference”-ordening. De tarieven werden verhoogd,

doch het overaanbod van tonnage, alsmede de outsiders,

beletten een herstel op het oude niveau. Na de goedkeu-

ring door de Federal Maritime Board zag de nieuwe

,,conference” op 1 Januari 1954 het licht.

De ene tarievenoorlog was echter nog niet ten einde,

of een andere begon weer. De outsider Saguenay Ter-

niinals onderbood in Januari 1954 op verleidelijke wijze

de vrachten van de ,,Canadian United Kingdom East-

bound Freight Conference”. In September 1954 noteerde

de Japanse Mitsui Line, aan wie het lidmaatschap van

de ,,Far East Freight Conference” was geweigerd, tarie-

ven, die 50 pCt onder die van de ,,conference” lagen.

Zo blijft het overal in de ,,conference”-wereld rommelen.

De door ons besproken tarievenoorlog was niet eens

een uitzonderlijk hevige. Tijdens een vrachtenstrjd op

leven en dood op de Pacific in het voorjaar van 1953,

daalde het vrachtenniveau met niet minder dan 70 pCt.

Hoe lachwekkend en tegelijkertijd bedroevend zulke

economische wanverhoudingen zijn blijkt uit het einde

van deze oorlog. De voornaamste betrokken outsider

de Isbrandisen Lijn, bracht dit teweeg door zijn eigen

tarieven met 100 pCI (!) te “erhogen.

Zo men zou verwachten, dat althans de verladers bij

deze absurde prijsdalingen garen zouden spinnen,

komt men bedrogen uit. De handel heeft immers be-

hoefte aan een klimaat van stabiliteit en zekerheid en

het is duidelijk, dat deze noodzakelijke voorwaarde

tijdens een verbitterde tarievenoorlog niet wordt ver

vuld. Bij de tarievenoorlog op de Stille Oceaan liep de

handel in drie maanden met 40 pCt terug.

Onder de huidige structuur van de wereldscheepvaart

zal het zeer moeilijk vallen dergelijke ongezonde con-

flicten te vermijden, hetgeen niet wil zeggen, dat dit,

bij een andere structuur, tot de onmogelijkheden
ZOU

behoren.

Dordrecht.

P. W. SETON, econ. drs.

De mechanisatie van de Nederlandse landbouw

Inleiding.

,,Hoe genoeglyk rolt het leven des gerusteii Lantmans

heen” schreef Poot ruim 200 jaar geleden. De moderne

tijd heeft echter het boerenleven niet onberoerd gelaten;

genoeglijkheid en rust zijn schaars geworden. De mecha-
nisatie van de landbouw is een belangrijk en min of meer

typerend facet van de wijziging van het beeld der agra-

rische voortbrenging, welke, gedurende de afgelopen

negen jaar in het bijzonder, de aandacht van agrarisch

Nederland heeft getrokken.

Enkele saillante punten betreffende de periode 1800-1945.

In de jaren v66r 1850 was er van belangrijke veranderin-

gen in de aard van de technische hulpmiddelen die in de

landbouw werden gebruikt weinig sprake, terwijl ook

quantitatief de wijzigingen gering waren. De reeds vrij

belangrijke mechanisatie van de bedrijfsvoering in Enge-

land en de Verenigde Staten vond hier geen navolging.
Omstreeks 1850 begint het gebruik van machines op
de grotere bedrijven meer ingang te vinden, speciaal in

de provincie Groninger). Langzamerhand krijgt deze

130

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 Februari
1955

beweging een meer algemeen karakter en geleidelijk strekt

een en ander zich ook uit tot de kleinere bedrijven. De

gebruikte machines waren aanvankelijk veelal van Engelse

en Amerikaanse origine, terwijl naderhand de Duitse
merken van groot belang werden
1).
De Nederlandse

landbouwwerktuigenindustrie had véôr 1945 weinig te

betekenen.

Het tempo van de mechanisatie wordt in deze periode

voor een belangrijk deel bepaald door de welvaart in de

agrarische sector
2).

Als belangrijkste punt in de technische ontwikkeling

moet in deze periode de introductie van de motortrekkers
worden genoemd, waarvan de eerste hier te lande in 1913

werd beproefd. Niet dat deze in de hier behandelde periode

reeds een grote invloed op de bedrijfsvoering hadden,

daarvoor waren ze nog te weinig talrijk (ongeveer 4.000
in 1940). Het gaat hier echter om het beginsel dat moto-

risatie van de veldarbeid mogelijk was geworden door de’

introductie van de ten opzichte van de stoommachine

veel kleinere en mobielere verbrandingsmotor.

Anders dan in de industrie is nl. de betekenis van de

omstreeks
1855
op onze landbouwbedrijven geïntrodu-

ceerde stoomriTachine ‘voor de bedrijfsvoering in engere

zin beperkt gebleven. Slechts voor stationnair werk,

speciaal voof het dorsen, werd de stoommachine wel van

groot belang.

Zeer belangrijk was verder dat de trekkers in de twin-

tiger jaren werden uitgerust met een aftakas, waardoor

het mogelijk werd de motor te gebruiken voor de aan-

drijving van de achter de trekker gebruikte werktuigen,

waardoor men niet meer afhankelijk was van de vaak

bezwaarlijke aandrjving via de wielen. Door de ver

betering van, het model, de introductie van rubberbanden

en de ontwikkeling van aanbouwwerktuigen werd de

seizoenmatigheid van het gebruik – een ernstig bezwaar

voor het rendabel gebruiken van vele landbouwmachines

– in ‘vrij sterke mate beperkt. De moderne trekkers,

zoalsdie in de dertiger jaren in de Verenigde Staten zijn

ontwikkeld, hebben hier echter pas in groten getale hun
intrede gedaan na
1945.

De spectaculaire ontwikkeling in de periode na de tweede

wereldoorlog.

De mechanisatie van de landbouw is in de jaren na

1945 in een zeer snel tempo voortgeschreden. In het

voorafgaande is reeds de betekenis van de trekkers ge-

schetst en als wij de toename van het aantal van deze

machines, de mate waarin de trekkracht gemotoriseerd

wordt dus, beschouwen als een index voor het tempo.van

de mechanisatie, dan zijn de cijfers in tabel 1 bepaaldelijk

veelzeggend. Het aantal trekkers steeg van ongeveer 2.500

na afloop van de oorlog tot ongeveer 35.000 in de tweede

helft van
1954.

‘)zie over de mechanisatie in de 18de en l9de eeuw ook R. A. de widt: ,,Land-
bouwwerktuigen in vroeger dagen.” ,,Landbouwmechanisatie”, November 1954.
‘) In ,,Het Centraal Bureau, een coöperatief krachtveld in de Nederlandse
landbouw 1819-1949″, blz. 402, poneert J. H. van Stuijvenberg de stelling dat de
schommelingen in de waarde van de import voor ruim 80 pCt uit de fluctuaties in
het agrarisch inkomen kunnen worden verklaard. Ongetwijfeld zijn, tenminste
vôôr 1940, de schommelingen in het agrarisch inkomen van grote invloed op de
grootte van de voor aankopen van machines bestede bedragen, hoewel waarschijnlijk
ook andere factoren – bi. deconjunctuurgevoeligheid van het arbeidsaanbod-een
rol spelen, terwijl de hoeveelheid aangekocht materiaal en dus het tempo van de
mechanisatie ook door de prijzen van de landbouwmachines wordt bepaald. Zo
leidde een plotselinge prijsdaling van de importprijzen in 1934 met 33 pCt tot een stijging van de invoer met
bijna
80 pCt. De uitspraak van Van Stuijvenberg vindt
steun in de resultaten van de onderzoekingen van John W. Kendrick en Cari
E. Jones van het U.S. Dept. of Comn,erce, die voor de Verenigde Staten onlangs
tot de conclusie kwamen dat voor schommelingen in de jaarlijkse uitgaven voor
kapitaaigoederen, waarvan die voor machines ongeveer 50 pCt uitmaken,. de
verschillen in het netto-inkomen de belangrijkste verkiarende factor waren. Beide
onderzoekers meenden dat er ook wel andere verklarende factorefr waren, maar zij
konden de werking daarvan niet nagaan of waren van mening dat deze van weinig belang was.
TABEL 1.

Het gebruik van landbouwtrekkers in Nederland
Jaar:

Aantal trekkers
1939

……………… …. …… … …..

ca

4.000
1945

………………………………
ca

2.500
1946

………………………………
ca

6.200
1947

……………………………….
ca

8.700
1948

………………………………
ca 14.700
1949

………………………………
ca 17.700
1950

……………………………….
ca 21.000
195 1

………………………………ca
24.600
1952

….
……………………….. …ca
28.200
1953

……………………………….ca
31.000
1954

………………………………ca
35.000

Deze cijfers berusten op de resultaten van de C.B.S.-

tellingen van 1950 en 1953, gegevens uit de importstatis-
tiek van hetzelfde Bureau en eigen schattingen.

Met de geschetste ontwikkeling is een afname van het

aantal- landbouwpaarden gepaard gegaan. Waren er in

1938-1939 nog 317.000 landbouwpaarden in Nederland,

in Mei 1954 was dit aantal gedaald tot 241.518. Deze

daling zou nog groter zijn geweest, indien het een aantal

kleine boeren, die het er vroeger geheel zonder deden,

door de grotere welvaart niet mogelijk was geworden

zich na de oorlog wel een paard aan te schaffen.

Het hoge tempo, waarin de landbouw in de afgelopen
9 jaar is gemechaniseerd, komt ook in de import tot uit-

drukking. Men zie hiervoor de cijfers in tabel 2, waar

tevens de prijsstijging uit blijkt.

TABEL 2.

De import van landbouwmachines in de jaren na
de tweede wereldoorlog

Jaar

Gewicht (x 1.000 kg)
waarde (x f1.000)

excl.
mci
cxci.
md.
trekkers
trekkers
trekkers
trekkers

1938/39
7.900
ca

9.000
3.200
4.100
1946
9.400

1 1.100
20.100
1947
16.000

22.300 30.400
1948
15.000

22.700
44000
1949
11.900

18.400
35.800
1950
17.700
23.300 28.500
44.000
1951
12.200 18.100
23.000
40.500
1952
8.400
13.900 16.600
33.200
1953
7.400
13.600
16.100
36.200
Bron:
CBS.
Invoerstatistiek.

De vergrote invoer van werktuigen kan natuurlijk ten

dele worden beschouwd als een gevolg van het sterk

afnemen van de invoer gedurende de eerste drie oorlogs-

jaren, terwijl de import in de laatste twee jaar nihil was.

Bovendien gingen er door de gevechtshandelingen

machines verloren en werd een aantal trekkers door de

Duitsers gevorderd.

Als men aanneemt dat de invoer in de oorlog normaal

door was gegaan, zou dit betekenen dat in de periode
1940 t/m 1953 slechts 5.400 ton extra was ingevoerd

(trekkers buiten beschouwing gelaten). Een gedeelte

hiervan kan dan nog op rekening van verwoeste machines

worden geschreven.

De stijging van de invoer als totaal moet, zo blijkt wel

uit de cijfers in tabel 2, voor een zeer groot gedeelte aan

de sterk toegenomen invoer van landbouwtrekkers worden

toegeschreven.

Wat betreft de landen van herkomst kan worden op-

gemerkt dat Amerika en Engeland de eerste jaren een

overheersende positie innamen. Momenteel heeft (West)

Duitsland zijn belangrijke positie van de jaren vôér de

oorlog herwonnen, en neemt . ongeveer de helft van de

invoer van de werktuigen (excl. trekkers) voor zijn reke-

ning. De B.L.E.U. en Groot-Brittannië verzorgen ieder
ongeveer 15 pCt van de invoer, terwijl de import uit de

Verenigde Staten vrijwel geheel is weggevallen.

Ook wat de trekkers betreft is de positie van Duitsland

weer zeer belangrijk geworden. In 1946 verzorgden de

16 Februari
1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

131

Verenigde Staten en Groot-Brittannië ieder voor de helft

de import. In 1953 was de import uit het eerstgenoemde

land gedaald tot 7,3 pCt van het totaal. Alleen de nieuwe
rupsbandtrekkers komen nog goeddeels uit de Verenigde
Staten. Groot-Brittannië neemt nu de belangrijkste plaats

in met 45 pCt, terwijl West-Duitsland 40 pCt van de

import heeft veroverd.

In dit opzicht is het van belang te vermelden dat de

Duitse trekkerfabrieken veel meer dan de Engelse –

wier belangrijke export vooral op mede-leden van de

Commonwealth en andere niet-Europese landen gericht

is – georiënteerd zijn op de eigen markt en er dus rekening

mee moeten houden dat in Duitsland, zoals in continen-

taal Europa in het algemeen, het kleine gezinsbedrjf het

overheersende bedrijfstype is. Men heeft dus tijdig een

aantal lichte typen ontwikkeld, waarvoor de laatste jaren
in Nederland een levendige belangstelling bestaat, mede

omdat de grotere bedrijven nu vrijwel alle een middel-

zware trekker hebben ingeschakeld
3).
Bovendien zijn deze

DuitEe machines alle uitgerust met een dieselmotor, ter-

wijl er momenteel een zeer duidelijke tendentie aanwezig

is om. om te schakelen van benzine en trekkerpetroleum

naar dieselolie als brandstof voor landbouwtrekkers.

Verder heeft zich, mede dank zij het goeddeels uit-

blijven van de buitenlandse – vooral Duitse – concur-

rentie in de eerste jaren en de verleende opvoedende

bescherming daarna, na de tweede wereldoorlog een Vrij

belangrijke eigen landbouwwerktuigenindustrie ontwik-
keld. In 1951 werd een productie van 9.500 ton bereikt,
welke waarschijnlijk sindsdien niet veel meer veranderd

is (cijfers van latere jaren ontbreken).

Momenteel is de eigen productie qua hoeveelheid dus

groter dan de import; de prijs per kg is waarschijnlijk iets

lager. Aangezien de export 1.000 A 2.000 ton bedraagt,

kunnen wij aannemen dat eigen en vreemde industrie
momenteel ieder voor een gelijk deel de Nederlandse

markt verzorgen (trekkers buiten beschouwing gelaten).

Aangezien de Nederlandse productie v66r de oorlog,

zoals gezegd, slechts een geringe betekenis had, blijkt uit

het bovenstaande tevens dat momenteel de afzet van

werktuigen zich op een peil bevindt dat aanmerkelijk

boven dat van v66r 1940 ligt
4).

Ten slotte hebben wij berekend dat de totale ‘inves-

teringen in machines per arbeider in de periode 1940-1950

24 â 3 maal zo groot zijn geworden (dit getal kon wegens

gebrek aan gegevens slechts ruwweg worden bepaald).

De totale waarde van het in machines geïnvesteerde kapi-
taal zal momenteel ongeveer f 1 mrd bedragen voor land-

en tuinbouw samen, wat neerkomt op ongeveer f
1.750

per mannelijke arbeidskracht (verwarmingsinstallaties

e.d. zijn hierbij niet meegerekend).

Ook na 1945 is de mechanisatie gestimuleerd door de

ten opzichte van de dertiger jaren belangrijke verbetering

van de inkomenspositie der boeren; verder was er in het

buitenland een fonds van nieuwe vindingen gevormd

waaruit men na de bevrijding kon putten. Voor de grotere
bedrijven waren ook het gebrek aan arbeiders en de loon-

stijging – die groter was dan de stijging van de machine-

prijzen – van groot belang. (Het verschil tussen de in de

industrie betaalde lonen en de landarbeiderslonen is

verdwenen, wat dus een relatief grotere stijging voor de
landarbeiderslonen impliceert; de sociale voorzieningen
zijn ook op peil gebracht en de werktijden verkort).

Mede onder invloed van het krappe arbeidsaanbod in

‘)Vgl. ook R. A. de Widt: ,,Paarden en trekkers op de grotere bedrijven”.
e Nieuwe Veldbode” van 22 Juli 1954.
‘) zie voor uitvoeriger gegevens R. A. de Widt: ,,De betekenis van de Neder-
landse landbouwwerktuigenindustrie”. ,,De Nieuwe veldbode” van 3 Juni 1954.

de tegenwoordige periodç van hoogconjunctuur bestaat

het genoemde gebrek aan goede. landarbeiders nog steeds,

speciaal in de omgeving van de industriecentra.

Het ligt in de lijn der verwachtingen dat deze schaarste

voorlopig nog niet zal verdwijnen. In dit verband is het

van belang te vermelden dat onlangs is berekend dat

ceteris paribus in de komende 13 jaar het totale aantal

landarbeiders met ongeveer 14 pCt per jaar zal af-

nemen, waarbij echter belangrijke regionale verschillen

zullen optreden. Ter compensatie van deze vermindering

van het arbeidsaanbod zal dan een vrij belangrijke

mechanisatie en rationalisatie moeten plaatsvinden
5).

De inkomenspositie is de laatste paar jaar wat minder

gunstig geworden, speciaal op de bedrijven waar de vee-

teelt van veel belang is. Op de grotere weidebedrjven

echter ondervond de mechanisatie, speciaal van het

melken, de afgelopen anderhalf jaar een vrij levendige

belangstelling, omdat de animo voor deze arbeid, mede

door de onaantrekkelijke werktijden, gering is. In ver-

gelijking met het, buitenland is echter het aantal gebruikte
meikmachines nog klein.

De arbeidsbehoefte in de landbouw is sterk seizoen-

matig. De drang naar mechanisatie was en is het grootst bij

de werkzaamheden in de perioden van grote drukte,

meestal de oogsttijd, wanneer doorgaans yan losse arb,ei-

ders gebruik moet worden gemaakt. Mede hierdoor is het

te verklaren, dat de vlasoogst, vroeger geheel handwerk,

nu goeddeels gemechaniseerd is, terwijl door de insçhake-

ling van een kleine 1.800 maaidorsers en de verdubbeling

van het aantal zelfbinders de arbeidsbehoefte tijdens de

graanoogst verder verminderd is. Vervolgens verdienen de

aanschaffing van vele aardappelrooimachines en hooi-

bouwwerktuigen en de geleidelijke mechanisatie van de

bieten oogst in dit verband vermelding. Bij vele van deze

machines is het gebruik van een trekker noodzakelijk of

gewenst. Door deze mechanisatie is bijv. in de periode

1950-1953 het aantal door losse arbeiders geleverde

werkweken met ca 30 pCt afgenomen (voor vrouwelijke
losse arbeidskrachten was dit ongeveer 7 pCt).

Helaas zijn er echter enkele seizoenwerkzaamheden,

zoals het bieten dunnen, welke nog vrijwel geheel met de

hand moeten gebeuren, omdat het technisch nog niet

mogelijk is, deze arbeid te mechaniseren. Er is dus nog

steeds een arbeidsreserve nodig, waarvan echter de

bezettingsgraad door de mechanisatie van de boven-

vermelde werkzaamheden in ongunstige zin wordt

beïnvloed en waarvan de gewenste omvang, in verband

met de verschillende mate waarin er, afhankelijk van de

weersgesteldheid, jaar voor jaar een beroep op moet

worden gedaan, moeilijk is vast te stellen. Het door

boeren en arbeiders nagestreefde doel, te bevorderen dat

zoveel mogelijk wordt gewerkt met een vaste kern, zou

door mechanisatie van de’ nog resterende seizoenarbeid

en’ door vervolmaking van de bestaande machines, waar-

door men ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden

minder van het weer afhankelijk is, in sterke mate worden

gediend.

Met betrekking tot de kleine gezinsbedrjven kan

worden opgemerkt dat hier de mechanisatie, behuive van

‘) De bedoelde berekening is te vinden in’ de publicatie van het Landbouw-
Economisch Instituut: De landarbeiders in Nederland” van de hand van d2 heren
A. Mans, M. A. J. Visser en R. Rijneveld, Uitg. September 1954, blz. 73 cv.
Helaas blijft in bovenvermelde becijfering de vraag, of deze afvloeiing nog ver-
schillend zal zijn al naar het de categorie vaste arbeiders of losse arbeiders betreft,
onbeantwoord. Wij hebben zelf enigszins de indiuk dat de gang van zaken

momen-
teel vaak zo is, dat een vaste arbeider eerst los wordt en dat dan daarna, nadat de
binding met de landbouw os, door de tewerkstelling bij cultuurtechnische werken in de winter, verslapt is, menigmaal afvloeiing volgt. De ook in deze publicatie te
vinden ex ante bepaling van de vermindering van de vraag, te weeg te brengen door
mechanisatie en rationalisatie, hebben wij in dit artikel niet overgenomen wegens het ontbreken van een ook maar enigszins bevredigende documentatie.

132

ECONOMISCHSTATISTISCHE BERICHTEN

16 Februari
1955

de technische ontwikkeling, wel zeer sterk afhangt van

het inkomen. Naast de mogelijkheid tot inkomens-

vergroting spelen hier nl. de factoren vergemakkelijking

van het werk en verkorting van de werktijd een belang-

rijke rol. Deze bedrijven hebben geprofiteerd van het feit
dat vele machines technisch aangepast zijn aan het kleine

bedrijf. Voor zover individuele aanschaf nog niet ver-

antwoord was heeft men vaak een oplossing gezocht in

de richting van gezamenlijk, soms georganiseerd coöpe-

ratief, gebruik. Het oprichten van landbouwwerktuigen
:

coöperaties, waarvan het aantal echter de laatste paar

jaar weinig meer toeneemt, is in de na-oorlogse periode

van overheidswege gestimuleerd.

Wageningen.

R. A. DE WIDT, ec. drs.

De bijeenkomsten van E.G.K.S. en Raad van Europa

De recente bijeenkomst in Straatsburg
1)
van de

Gemeenschappelijke Vergadering van de Europese

Gemeenschap voor Kolen en Staal heeft nog weer eens

aangetoond hoe moeilijk het is voor de 78 verzamelde

parlementsleden uit de zes bij de Gemeenschap aan-

gesloten landen, de grote lijn van de markt in het oog te

houden. Reeds lang voor de vergadering begon wist men,

dat het kartelbeleid van de Hoge Autoriteit op deze

bijeenkomst een veelbesproken punt zou worden. Nu, dat

is het dan ook geweest, maar een groot debat over de

brede problematiek van onze enige supranationale

organisatie is, ook al doordat onvermijdelijk de politieke
kant van de zaak in het middelpunt van de belangstelling

kwam, niet de vrucht van de bijeenkomst geworden.

Het moet gezegd, dat de Hoge Autoriteit daartoe nu

ook niet bepaald animeerde – daargelaten of dat tot

haar taak zou behoren of niet. De drie gewraakte kartels:

de ,,Gemeinschaftsorgan.isation Ruhrkohle” (GEORG),

het ,,Comptoir beige des Charbons” (COBECHAR) en

de ,,Association technique de l’Importation charbon-

nière” (ATIC) zijn onderwerp geweest van menige parle-

mentaire aanval, maar ook van uitgesproken twijfel over

de vraag of men in deze drie gevallen wel werkelijk van

echte kartels spreken mocht. De socialistische fractie in

de vergadering liet de aanval leiden door de Nederlanç1se

afgevaardigde G. M. Nederhorst. Hij stelde voor, de
kartels (,,Particuliere kartels schieten nog steeds als

paddestoelen de grond uit!”) te laten vervangen door

organen waarin vertegenwoordigers van werkgevers,

werknemers en van hét algemeen belang zitting zouden

hebben, naar het voorbeeld van de Nederlandse publiek-

rechtelijke bedrjfsorganisatie. Intussen had men ten

aanzien van de kartels een uitspraak van de aftredende

president,’ Jean Monnet, dat de Hoge Autoriteit hoopt

voor 31 Maart 1955 belangrijke beschikkingen af te

kondigen.

• Met een nasmeulend onbehagen over het weinig con-

crete dat tot dusver aan de zaak gedaanwas, maar tegelijk

met hoop op de aangekondigde nadere actie van de Hoge

Autoriteit nam men afscheid van de kartelkwestie om

over te stappen in de politiek. De Nederlandse afgevaar-
digde Mejuffrouw Klompé en de Franse M.R.P.-er Teit-

gen stonden vooraan in het front dergenen, die van de

Gemeenschap voor Kolen en Staal uit de Europese inte-

gratie verder wilden doortrekken. Het emotionele debat

over dit onderwerp liet verder nauwelijks ruimte voor
gedegen economische beschouwingen, terwijl toch de

uiteenzetting van de Hoge Autoriteit over ,,De Toestand

van de Gemeenschap” daar alle stof voor bood, meer nog

dan voor geharrewar over de kartels. Ten aanzien van de

kartels had men slechts de beschikking over de mededeling

dat besprekingen gaande waren, en over de aankondiging

van hoop op de afkondiging van beschikkingen binnen

vier maanden; ten aanzien van de steenkoolmarkt als

geheel kon . men beschikken over een belangwekkend

) 29 November – 2 December 1954.

overzicht, dat overigens de parlementariërs alle geiegen-

heid bood ook wat dat betreft de Hoge Autoriteit onder

vuur te nemen. Men had kunnen aanvoeren dat de Hoge

Autoriteit nog niet ver is gevorderd op de weg naar een

vaste, algemene kolenpolitiek. Ook als men begrip heeft

voor de verontschuldigende verklaring, dat het vast-

leggen van een algemeen kolenbeleid een werk is van

lange duur en, zoals de Hoge Autoriteit zegt, slechts ge-

leidelijk kan worden aangepakt, blijft er voor een critisch

gestemd parlement ruimte voor vrâgen over het tempo

in dezé uiterst belangrijke materie.

Deze kwestie nu is tijdens de bijeenkomst niet uit de

verf gekomen, ofschoon als basis voor debat een aantal

principiële punten naar voren was gebracht in de uit-

eenzetting over ,,De Toestand van’ de Gemeenschap”.

Men vindt daarin o.a. een illustrâtie van het feit dat het

aandeel van kolen bij de dekking van de energiebehoeften

in de Gemeenschap voortdurend achteruit loopt. Dezé

ontwikkelingheeft zich onlangs nog versneld. Ondanks

een algemeen oplopende conjunctuur en een uitbreiding

van de productie in de ijzer- en staalindustrie is de kolen-

markt tot nu toe zwak gebleven.

1950 = 100
1

1947
1

1952
1953
j

1914
(rarnngen)
98
112 107
109
Verbruikvankolen
………………
Energieverbruik ………………..94
1

116
115

Industriële productie

……………89
120 126
135

De kolen van de Gemeenschap bekleden geen mono-

polistische positie meer: zij worden bedreigd door de
concurrentie van andere vormen van energie en door

andere bevoorradingsbronnen. Een belangrijke aan-

passing van het kolenbeleid, aldus de Hoge Autoriteit,

‘aan deze nieuwe toestand is geboden. Rekent men van
1929 af dan is tot en met
1954
de industriële productie
van de Gemeenschap toegenomen met ongeveer 50 pCt,

het totale energieverbruik met 20 pCt (door verbetering

van het thermisch rendement der bedrijven), maar het

kolenverbruik liep terug. In het gunstigste jaar ria de

oorlog, in 1952, was het kolenverbruik in de Gemeen-

schap maar 0,4 pCt groter dan in 1929.

1929 = 100
1937
1952
1953
1954
(ramingen)
95
100
96
98
Verbruik van kolen
……………….
Energieverbruik ………………..02
119 118

Industriële productie

……………102
136
143
156

In de zes bij de Gemeenschap aangesloten landen

liggen de cijfers onderling nogal verschillend. In Duits-

land heeft het kolenverbruik in 1953 dat van 1929 met

ongeveer 25 pCt overtroffen, terwijl hét energieverbruik

uit andere bronnen met 60 pCt toenam. Frankrijk, het

Saargebied en Italië daarentegen hebben hun kolen-

verbruik van 1929 t/m 1953 met ruim 20 pCt verminderd,

maar hun energieverbruik uit andere bronnen verdrie-

voudigd. Evenzo België en Luxemburg, waar het kolen-

verbruik sedert 1929 met meer dan 20 pCt terugliep,
maar waar het energieverbruik uit andere bronnen in

dezelfde periode steeg van 500.000 ton tot meer dan

16 Februari 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

133

4 mln ton. Nederland zag, evenals Duitsland, zijn kolen-

verbruik stijgen, met 22 pCt, maar ons energieverbruik

uit andere bronnen verdrievoudigde.

Wie deze cijfers beziet kan met de Hoge Autoriteit

instemmen als zij zegt, alles in het werk te willen stellen

om de concurrentiapaciteit van de binnen de Gemeen-

schap gewonnen kolen op te voeren ten opzichte van uit

derde, landen ingevoerde kolen en ten opzichte van andere

energiebronnen, waarvan ze noemt: waterkracht, bruin-

kool, aardgas en vloeibare brandstoffen. Als eerste con-

currentiemogelijkheid lanceert de. Hoge Autoriteit, dat

alles moet worden geprobeerd om van steenkool een meer

economische energiebron te maken. Het is nu zo dat de

kolenprijzen binnen de Gemeenschap sterker zijn ge-

stegen dan de andere prijzen, in het bijzonder sterker dan

de prijzen van stookolie. Als oorzaken noemt de Hoge

Autoriteit: de verbeterde lonen van de mijnwerkers, het

minder snelle tempo van de technische vooruitgang in

de mijnen en het winnen van kolen op grotere diepte.

Een daling van de kolenprjzen is slechts mogelijk als de

kolen onder zo rationeel mogelijke omstandigheden

worden gewonnen en als gestreefd wordt naar het meest

economische gebruik van kolen. Hier doet zich de invloed

gelden van de snelle ontwikkeling, gedurende de laatste

tien jaren, van de valorisatieproducten: cokes, gas en

electriciteit. Alleen al van 1937 tot 1953 is de hoeveelheid

kolen die in de Gemeenschap werd gebruikt voor ver-

werking, gestegen van 98 mln ton tot 118 mln ton, ter-
wijl het overige kolenverbruik daalde van
135
mln tot

118 mln. In 1939 werd ongeveer 40 pCt van de verbruikte

steenkool gevaloriseerd, in 1953 50 pCt, en de Hoge

Autoriteit neemt aan dat deze ontwikkeling nog niet is

geëindigd. Het voorbeeld van Duitsland, waar over lange
afstand aangevoerd gas een aanzienlijk deel heeft gedekt

van de vraag, die anders wellicht, zou zijn gedekt door

vloeibare brandstoffen, kan aantonen hoe die ontwikke-

ling de concurreniiecapaciceit van steenkool kan verster-

ken. Bovendien wordt door valorisatie de oplossing ver-

gemakkelijkt van het vraagstuk d6r
1
minderwaardige

kolen.

Is een conclusie mogelijk? De Hoge Autoriteit, aan wier

jongste ,,Uiteenzetting over de Toestand van de Gemeen-

schap” deze beschouwingen en cijfers zijn ontleend, zegt

dat de algemene economische ontwikkeling natuurlijk

bepalend is voor het energieverbruik in de nationale

economieën. Maar daarbij komt dat de verschillende

vormen van beleid bepalend zijn voor de ontwikkeling

van de diverse concurrerende energiebronnen. En beide

factoren hebben een beslissende invloed op de rol die

wordt gespeeld door de kolen – nii, en, zegt de Hoge

Autoriteit, in de toekomst. Twijfelt de Hoge Autoriteit

hier aan haar vermogen om de nationale belangen te

doorbreken ten gunste van een supranationaal beleid?

Zij zal in ieder gevâl met belangstelling hebben kennis

genomen van wat werd gezegd door de parlemeiltsleden

die op de zetels van de Kolen- en Staalafgevaardigden

plaatsnamen toen op 8 December, ook in Straatsburg,

de niet-supranationale Assemblée Consultative van de

Raad van Europa bijeenkwam.

Kort nadat daar een Engelse afgevaardigde zijn twijfel

had uitgesproken over het perspectief van het politiek

debat zolang men de economische problemen niet in het

oog vatte, hield onze landgenoot P. J. Kapteyn een klem-
mend betoog voor West-Europa’s economische defensie.

Hij vroeg zich af, hoe de Westeurpese Unie zou kunnen

voorkomen dat West-Duitsland wordt weggelokt naar

het Kremlin, dat de Duitsers economische voordelen kan

bieden tegenover de beschermende rechten van de Corn-

monwealth en de Union Française, de hoge Amerikaanse

invoerrechten en de goedkope Japanse massaproductie.

Hoe kan onze Westeuropese Unie voorkomen dat in

Duitsland opnieuw een toestand ontstaat die een Hitler

deed opstaan? Wat wij moeten. hebben, aldus de heer

Kapteyn, is een plan voor Europa’s economische defensie

tegenover het potentiële Russische tarwe-aanbod en de

groeiende staalproductie van Moskou: de Sowjet-Unie

produceerde in 1913 44 mln ton staal, tegen 25 mln ton

in West-Europa en 42 mln ton in Amerika. Maar in 1953

produceerde de Sowjet-Unie 50 mln ton staal, en de landen

die zijn aangesloten bij de Europese Gemeenschap voor

Kolen en Staal 40
1),
ofschoon Amerika 100. Binnen

vijftig jaar zouden de Sowjet.-Unie en China wellicht even-

veel kunnen produceren als Amerika. Men heeft gezegd,

dat wij een brug moeten vormen tussen Oost en West.

Maar laat het niet de brug zijn waarover de Sowjet-Unie

haar economische opmars maakt naar het Westen. De-

genen die juichten bij verwerping van de Europese

Defensiegemeenschap moeten nu met plannen komen

voor Europa’s economische defensie!

Toen de heer Kapteyn zijn rede hield stond een politiek

punt op de agenda en geen economisch. Maar in de vol-

gende zitting van de Assemblée van de Raad van Europa,

in Mei, zal dat anders zijn. Het is te verwachten dat deze
zaak dan verder wordt uitgesponnen, nadat eerst nog het

parlement van de Gemeenschap voor Kolen en Staal ge-

legenheid zal hebben gehad zich te rehabiliteren op een

zitting in Februari.
Hilversum. .

R. P. 51M0N5 COHEN.

‘) In 1954 10 PCt meer.

Het huidige valutatekort van Denemarken

Inleiding.

Sinds het begin van dit jaar is de goud- en deviezen-

reserve bij de nationale bank van Denemarken snel

geslonken en zelfs tot nul gedaald, hetgeen in Denemar-

ken en daarbuiten sterk de aandacht heeft getrokken.
In het algemeen zijn dit jaar de devieze,nreserves der

zwakke valutalanden juist toegenomen. Het is daarom

interessant na te gaan waarom de ontwikkeling in Dene-

marken tegengesteld is geweeest.

De na-oorlogse economische ontwikkeling van Dene-

marken liep tot voor kort parallel met die van ons land.

Zo werd in 1949 een zekere sanering van de betalings-

balans bereikt, welke in 1950 weer ongedaan werd ge-

maakt. Men heeft sindsdien een deflatoire politiek gevoerd,

welke tot een herstel van de betalingsbalanspositie leidde,

doch aanvankelijk met een binnenlandse contractie ge-

paard ging.

Er is echter een belangrijk verschil met ons land:

het herstel van de Deense economische positie tegenover

het buitenland is niet zo ver gegaan. Aan het einde van

1953 bedroeg de reserve aan goud en deviezen 325 mln

kronen, voldoende voor de invoer van 3 weken (in

Nederland een halfjaar). Een kleine vermindering brengt

de reserve dus spoedig tot het nulpunt en werkt daardoor

veel meer spectaculair, zodat gemakkelijk speculatieve

bewegingen worden opgeroepen, die de daling versterken.

134

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 Februari 1955

Vanaf het begin van dit jaar nam de reserve aan devie-

zen snel af en was eind Juli tot practisch nul gedaald

(zie tabel 1). De oorzaak van deze daling in de goud- en

deviezenreserve ligt in eerste instantie bij het grote

invoeroverschot. In tabel 2 zijn in- en uitvoer van de

eerste
Ii
maanden van 1953 en 1954 met elkaar ver-

geleken. De stijging van het invoeroverschot komt vrijwel

overeen met de daliiig van de deviezenreserve.

TABEL 1.

Goud- en deviezenreserve December 1953 – October 1954

(eind van de maand, mln kronen)

Bedrag

325
December

1953

…………………….
Januari

1954

………………………..
319
Februari

…………………………
..312
274
April
…………………………….
195
Maart
…………………………….

. 86

Mei……………………………..42
Juni

………………………………24

Augustus
…………………………..

1

.
.
Juli……………………………….5

September

…………………………

64
October

…………………………..
.-257
.

TABEL 2.

in- en uitvoer Januari – October 1953 en 1954

(mln kronen)

invoeroverschot
invoer

uitvoer

in PCI van

absoluut

de invoer

1953 Jan./Oct
……….
6.277,3

5.579,3

698,0

11,1
1954 Jan./Oct
……….
7.304,7

5.950,8

1.353,9

18,5

In het volgende zullen de achterliggende oorzaken van

deze ontwikkeling nader worden bezien.

Ruilvoet en uitvoer.

De ruilvoet van Denemarken vertoont in de periode

Jan.-Oct. 1954 ten opzichte van da overeenkomstige

periode van 1953 geen verandering. De,Deense ruilvoet

vertoont een gunstiger ontwikkeling dan de ruilvoet in
Nederland’: uit de beweging van de Deense ruilvoet is

dus niet te verklaren waarom dë ontwikkeling van de

goud- en deviezenreserve in Denemarken anders is ge-

weest dan bij ons.

In tabel 3 hebben wij de Deense uitvoer vergeleken met

de uitvoer van’ de O.E.E.Ç.-landen en van ons land.

Het blijkt, dat de Deense uitvoer zeer goed met de uit-
breiding van de Europese uitvoer is meegegaan en een
normale ontwikkeling vertoont. De uitvoer van Neder-

land is daarentegen veel sterker dan normaal toegenomen.

TABEL 3.

Volume-indices van uit voer van Denemarken

en gezamenlijke O.E.E. C.-landen

1
Nederland

Denemarken O.E.E.C.-landen

1952
……………….
100 ‘

100

100
1953
……………….
114

110 .

111
1954
……………….
127a)

123a)

115 a)
a) gemiddelde van de eerste 6 maanden.

In voer van grondstoffen.

In de eerste helft van 1954 is de invoer veel sterker

toegenomen dan de uitvoer. Wanneer we de invoer onder

scheiden naar bestemming (tabel 4) blijken vooral de

invoer van de niet-duurzame productiemiddelen en van

de ,,andere consumptiegoederen” te zijn toegenomen.

Bij de niet-duurzame productiemiddelen zijn met name
gestegen de invoer van granen en ander veevoeder, als-

mede de metalen. De ,,andere consumptiegoederen”

zijn met name auto’s, motorfietsen e.d.

TABEL 4.

Verdeling van de invoer naar bestemming

(mln kronen)

absoluut

I
iiidexcijfer 1954
1953
‘/,

1
1954 ‘i

0953 = 100)

niet duurzame productiemiddelen

4473

5.268

118
duurzame productiemiddelers

912

968

106
voedings- en genotmiddelen

232

252

109
andere consumptiegoederen

660

817

124

Vergelijken we de invoer van de verschillende niet-

duurzame productiemiddelen over de’ jaren 1952-1954

(tabel 5) dan blijken de importen van granen in 1953 een

sterke daling te hebben ondergaan. De productie in de

voedingsmiddelenindustrie en in de landbouw vertoont

van 1952 naar 1953 geen daling.

TABEL 5.

In voer van niet duurzame productiemiddelen

volume in 1.000 tonnen

waarde per ton in kr.

1952
1
/111
1953
111,11954
1/

1952
‘/J
1953 1/1,11954

granen

……………
217

150

951

704

593

423
ander veevoeder
…….
343

497

642

647

583

570
metalen
……………
415

427

521

155

132

127

In 1953 daalden de prijzen van granen en in verwach-

ting van een verdere daling werden de aankopen uit-

gesteld. In 1954 vond echter voorraadaanvulling plaats,

die gestimuleerd werd door een sterke uitbreiding van de

productie in de landbouw en een – zij het geringe –

voortgang in de voedingsmiddelenindustrie ‘(tabellen

6 en 7) De productie-uitbreiding in de landbouw en in de

metaalnijverheid in 1954 deed de invoer van veevoeder en

grondstoffen voor de ijzer- en metaal-industrie stijgen.

TABEL 6.

Productie-indices
(overeenk. periode 1953 = 100)

1954 ‘/,

voedingsmiddelenindustrie

……………
102
dierlijke landbouwproductie
……………
104
ijzer- en nsetaalindustrie

……………..
114

De toeneming werd verder bevorderd door een bijzon-

dere prjsverwachting van de Deense importeurs: zij vrees-

den prijsstijging als gevolg van devaluatie. Van de totale

waarde ‘van de ingevoerde niet-duurzame productie-

middelen kunnen we, rekening houdend met de productie-

stijging, ongeveer 300 mln kronen toerekenen aan specu-.

latie. Tabel’ 8 geeft aan hoe deze speculatie over de

ingevoerde grondstoffen is verdeeld.

TABEL 7.
Uitbreiding varkens- en veestapel

(1.000 stuks)

1
varkens rundvee

April 1953

………………..
…….
3.053
Nov. 1953

………………..

4.594
.
April 1954

………………..
…….
3.144
5.065
Oct.

1954

…………………

TABEL 8.

Samenstelling van de invoer van grondstoffen in 1954
1/7

t ta 1

voorraadvorming specu-

0
a

uitbreiding van

latie
de productie

invoer van granen
……………..
403

162

241
invoer van- andere voederstoffen – . . –

366

311

55
invoer van metalen

……………
664

664

In voer van consumptiegoederen.

Zoals tabel 4 laat zien vormt de invoer van consumptie-

goederen slechts 15 pCt van de totale Deense invoer.

De toeneming van de invoer van consumptiegoederen

16 Februari 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

135

De werkgelegenheid nam ten opzichte van de over-

eenkomstige periode van het vorig jaar, met 1,0 pCt toe.

Tot deze vergroting van de werkgelegenheid heeft de

Overheid bijgedragen door vergroting van defensie-

uitgaven en een krachtige stimulering van de woning-
bouw. Wij kunnen de infiatoire invloed van het Rijk bij –

benadering nagaan aan de hand van de mutaties in de

verhouding tot de geldscheppende instellingen. Uit het

verloop van de maandelijkse geldschepping van het Rijk

blijkt in totaal een zekere infiatoire invloed ten bedrage
van ca 500 mln kronen (tabel 10).
bedraagt ca 180 mln kronen. Van deze toeneming komt

ca 80 mln voor rekening van automobielen en motor-

rijwielen.

De toeneming van deze invoer is allereerst te danken

aan verlichting van invoerbeperkingen, waardoor de

auto-import uit de Verenigde Staten met ca
25
mln

kronen toenam. In de tweede plaats is deze vergrote in-

voer van auto’s en motorfietsen veroorzaakt door een

gestegen koopkracht. Deze stijging is ook verantwoorde-

lijk voor de algemene stijging van de invoer van con-

sumptiegoederen. De stijging van de koopkracht is een

gevolg van verhoogde lonen en van een uitbreiding van

de werkgelegenheid.

De ontwikkeling van de lonen in Denemarken is in

tabel 9 gegeven. De ontwikkeling is uitgesproken rustig
geweest en is in 1954 niet verstoord. Voorstellen tot be-

lastingverlaging zijn dit voorjaar ingediend en kunnen

nog geen effect hebben gehad.

TABEL 9.

Lonen in Denemarken

(1951 = 100)

Lonen in
landbouw
Lonen in
industrie
Lonen
landelijk

113,6
107,8
109,4
121,8
2e kwartaal
110,9
3e kwartaal

1952

………………………..
1953

le

kwartaal

……………..

4e kwartaal
130,0
1954

le

kwartaal

……………..
2e

kwartaal

……………..
124,5
115,1
118,2
3e

kwartaal

……………..
124,5

TABEL 10.
Maandelijkse geldschepping van het Rijk
(mln kronen)

saldo verandering

t

totale infiatoire
1

rekening bij

bij bankwezen
1

Nationale Bank
1

geplaatste

1
(-
of deflatoire
staatsschuld

1

(+) invloed
1
(eind van de maand)
1

(2) – (3)

Februari

72,3
+
67,9

140,2
Maart
+
118,9
0
+
118,9
April

95,2

6,5

88,7
Mei

-3,0
-147,7
Juni :50
:
7
+
850
. +
17
+
68
Juli

81,7
0

81,7
Augustus

..

74,2
0

174,2
September..
+

15,3

35.6
+

50,9
October

..

74,4
0

74,4

De stimulering van de woningbouw heeft de industrie-

bouw enigszins achter doen blijven (tabel 11).
TABEL II.

Woningbouw en industriebouw
(1.000 m’)

woningbouw

induttriebouw

totaal

1953
‘/,

767,9

338,4

1.106,3

1954
‘/,

904,0

350,0

1.254,0

In deze situatie is van de industriële investeringen

slechts een geringe stimulans uitgegaan.

Per saldo is de inflatie dus gering gebleven, zij het dat

deze geringe inflatie niet zonder gevolgen is gebleven voor

de invoer van consumptiegoederen.

(Advertentse)

De loonsverhoging en de uitbreiding der werkgelegen-

heid hebben de loonsom met 4,6 pCt doen toenemen.

Deze toeneming is gering. Men zie in dit verband ook de

slechts bescheiden stijging van de kleinhandelsomzetten

(tabel 12). De mate van deze stijging is in overeenstemming

met de vergroting van de koopkracht.

TABEL 12.

Kleinhandelsomzetten

(1950 = 100)

1953
1

1954

Januari
……………………
99
101
Februari

.. ………………
.

07 97
Maart

……………………
107
April

……………………

.93

108

..

115 108
..
115
Mei

………………………
Juni

……………………
.107
114

Samenvatting:

Op grond van dit onderzoek zijn wij dus tot de volgende
conclusies gekomen:

de Deense deviezenreserve was aan het begin van dit

jaar bijzonder klein. Een geringe verandering in de

verhouding tot het buitenland is voldoende geweest

om deze deviezenreserve te doen verdwijnen en aan-

leiding te geven tot speculatieve reacties;

in 1953 heeft een geringe invoer van grondstoffen

plaats gehad. In f954 vond een voorraadaanvulling

plaats, die gestimuleerd werd door een uitbreiding

van de prodüctie in landbouw en industrie. De

invoer nam bovendien sterk toe door een bijzondere

prijsverwachting yan de Denen: zij vreesden een

devaluatie en prijsstijging;

de invoer van auto’s en motorfietsen nam toe, ener-

zijds als gevolg van het opheffen van invoerbeper-‘

kingen uit de Verenigde Staten, anderzijds als ge-

volg van een toenenling van de koopkracht;

een geringe stijging der lonen en de infiatoire invloed

-‘van de overheidshuishouding hebben de koopkracht

doen stijgen en zijn vermoedelijk de oorzaak van de

stijging van de invoer van de overige consumptie-

goederen.
‘s-Gravenliage

J. G. KLEVE, ec. drs.

BEDRIJFSECONOMISCHE

NOTITIES

-‘

De Spaarbank te Rotterdam

Het sparen bij spaarbanken vertoont de laatste jaren

hier te lande een §nelle – om niet te spreken van een

stormachtige – ontwikkeling. De cijfers van de Spaar-

bank te Rotterdam, welke haar jaarverslag 1954 onlangs

publiceerde, vormen hiervan een treffende illustratie.

De na-oorlogse ontwikkeling overziende, blijkt het

tegoed der inleggers volgens tabel 1 vooral in 1953 en

1954 een zeer sterke stijging te hebben ondergaan.

Slechts het jaar 1945 gaf, i.v.m. de verplichting in het

kader der geidsanering om, bankpapier bij banken en

spaarbanken in te leveren, een groter netto saldo inleg-

gingen boven terugbetalingen te zien. Opmerkelijk t.a.v.

136

ECONOMISCH-STATISTÏSCHE BERICHTEN
’16 Februari 1955

de ontwikkeling van het inleggerstegoed is voorts de

beperkte omvang van de daling er van in 1946 (opvraging

van vrij geld na de geidsanering) en, meer nog, in 1950 en

1951 (oorlogsvrees en na-Korea koopwoede bij het

publiek).

Enig inzicht in de oorzaken van de stijging van het

inleggerstegoed in de loop der jaren wordt verkregen uit

de beide laatste kolommen van tabel 1. Het gemiddeld

tegoed per inlegger vertoonde jarenlang een merkwaardige

stabiliteit, waardoor het einde 1952 nog steeds weinig
afweek van 1938 (f 281 tegen f 274). In 1953 en 1954
greep er echter een verandering plaats; het gemiddeld

tegoed per spaarder nam in deze twee jaar tezamen met

ruim 30 pCt toe.

TABEL

Uit
jet 1′
jaar

Tegoed van
inleggers

Saldo inleg-
gingen bo-
ven terugbe-
talingen

Bijgeschre-
ven rente
Aantal
rekeningen

Gemiddeld bedrag per
inlegger
‘x

f1
(x
f1 mln)

1938
53,2

0
1
9
1,3
194.000
274
1944
53,9
+

6,4
1,1
231.000
234
1945

83,1
+
27.7
1,5
252.000
330
1946
76,3

8.5
1,7
275.000
278
1947
81,4
+

3,4
1,7
292.000
279
1948
83,4
+
0,2
1,8
304.000 274
1949
90,9
+

5,6
1,9
317.000
287
1950
92,2

0,7
2,1
327.000
282
1951
91,5

2,7
1,9
336.000
272
1952
97,8
+

4,2
2,1
349.000
281 1953
117,6
+
17,2
2,6
363.000
323
1954
140,5
+
19,9
3,1
379.000
370

Een langzamer doch gestage groei viel daarentegen

waar te nemen bij het
aantal
der aangesloten spaarders,

hoewel ook hier de stijging in 1953 en 1954 enigermate

werd versneld.

De eerstgenoemde sprongsgewijze groei in beide laatst-

genoemde jaren hing vermoedelijk grotendeels samen
met de heersende exceptioneel gunstige conjuncturele

situatie.

De laatstgenoemde trendmatige ontwikkeling over de

beschouwde langere periode hield, behalve met de be-

volkingsgroei, waarschijnlijk vooral verband met groeien-

de spaargewoonten bij de brede massa.

De Spaarbank te Rotterdam wacht deze ontwikkeling

inmiddels niet met gekruiste armen af. Integendeel, deze

groçi zal voor een deel juist het gevolg zijn van haar

daarop gerichte grote activiteit. Op dit gebied spreidt zij

zelfs een verbazingwekkende vindingrijkheid ten toon,

zoals uit onderstaande opsomming van acties moge

blijken: reclame voor boekjes voor pasgeborenen; school-

sparen; sparen met automaten; spaarclubs; spaarzegels;

bedrjfssparen; spaarblokken; honderd gulden club;

sparen met levensverzekering; spaarbusjes; deelneming
aan tentoonstellingen; filmvoorstellingen voor de jeugd

enz. enz.

Voorspoedig als deze ontwikkeling moge zijn, moet

hier toch worden gewezen op een schaduw die over het

sparen hangt. Wie een gulden bij een spaarbank inlegt,

heeft recht op terugbetaling van één gulden (vermeerderd

met de gekweekte rente), ongeacht hoe groot de koop-

kracht daarvan na enige tijd is geworden. Terecht merkt

de Directie nu in haar verslag op, dat de spaarders ver

moedelijk de grootste der ,,vergeten groepen” vormen,

en dat op hun belangen helaas zelden de aandacht wordt

gevestigd. Zij ziet het als een deel van de sociale taak van

de spaarbanken met kracht voor deze belangen op te

komen. Het zou inderdaad zijn toe te juichen als degenen,
die voor de steeds verder gaande uitholling van de gulden

door loon- en prijsronden verantwoordelijk zijn, met de

gevolgen daarvan voor de spaarders rekening zouden

houden; of hierop werkelijk kans bestaat moet o.i. echter
wel sterk worden betwijfeld.

**
*

Het doel van de Spaarbank, bevorderen van het

sparen in deze vorm, werd derhalve de afgelopen jaren

in sterke mate bereikt. Dit bracht echter onmiddellijk een

tweede vraagstuk mee, nl. de belegging der binnenkomen-

de middelen. Belegging moet hier op zodanige wijze ge-

schieden, dat de inkomstén daaruit ten minste voldoende

zijn om de onkosten te bestrijden en een matige rente –

de laatste jaren 2,4 pCt per jaar – over de inleggelden

uit te keren. Anderzijds moet de belegging zodanig zijn

opgebouwd, dat aan alle opvragingen zonder geforceerde
maatregelen kan worden voldaan, hetgeen aan de liquidi-

teit der activa bepaalde eisen stelt. Uit tabel 2 is op te

maken, op welke wijze de Spaarbank de afgelopen jaren

bij haar beleggingen is tewerk gegaan.

De eerste na-oorlogse jaren werd een sterk accent op

het zeer liquide doch laag rentende actief schatkistpapier

gelegd. Van ca medio 1946 – medio 1948 bestond er

een mogelijkheid onder bepaalde voorwaarden met een
opzeggingstermijn van drie maanden gelden in ‘s Rijks

Schatkist te storten tegen een rentevergoeding van 24 pCt

(op zgn. Liquiditeitsrekening). Van begin 1949 af tot

heden voortdurend konden – tot een gelimiteerd be-

drag gelden worden gestort op de zgn. Spaarbank-

rekening bij de Schatkist. Maandelijks kan op deze

rekening worden gestort of teruggevraagd. De rente-

vergoeding bedraagt 2+ pCt per jaar over de laagste

stand tijdens het betreffende kalenderjaar, en 2 pCt over

het meerdere (inmiddels met ingang van 1 Januari 1955

verlaagd tot 2 resp. 1+ pCt). Deze belegging, kas, bank-

en girotegoed, enig daggeld en enkele kasgeldieningen

vormden tezamen per ultimo 1954 een totaal van ca

f 16 mln, welk bedrag dus op korte termijn liquide kon

worden gemaakt, en toch nog een vrij bevredigend ren-

dement opleverçle.

TABEL 2.

(x

Activa

uit.
1949
1950i95I
1952 1953
1954

Kas, bank, giro
5,1
2,7

1,0

0,8
1,0!

1,9
1,4
2,7
4,0

2,1
3,3

– –
0,3
0,3 0,3 0,2 0,5 0,5


0,2
Daggeld

……………
Schatkistpapier

……
2,0

6,820,3
9,0
0,5

– –

Kasgeldieningen

….
15
.,944,3

– –


3,1
7,0 2,0

2,0
1,5
Spaarbankrekening

bij
het Rijk a)


35,0 28,5

12,3
13,5
5,0
5,5

9,0
li,C
3,0 39,2
2,8

2,6

2,6
44,6 46,6 48,4
3,1
49,1
3,2
54,3 3,2
55,9
6,1
51,5

11,7

14,1

58,7

70,3
15,3
79,
Hypotheken

………..

Leningen op schuldbe-
Effecten b)

………..

3,
2,9

2,5,

7,6
23,4
24,7 27,5 26,3
27,2

33,5
42,
kentenis

……….
Onroerend goed

….
0,4
0,4

0,5

0,5
0,5
0,5
0,5
0,6
0,9

1,1 1,3
Totaal kasmiddelen enl
beleggingen

……
167,3
97,7
90,2 95,597,71I05,3105,8
99,7
110,5
132,1
154,
In 1946 en 1947 ,,Liquiditeitsrekening”.
Inclusief 3 pCI voorinschrijfrekening bij het Rijk.

Wat de overige beleggingen betreft, valt het accent

uiteraard meer op de rentabiliteit dan op de liquiditeit,

hoewel er vanzelfsprekend zoveel mogelijk naar zal

worden gestreefd, dat door het vervallen van hypotheken

en het aflossen van obligaties en onderhandse leningen

regelmatig kasmiddelen binnenvloeien.

De voornaamste dezer langere beleggingen vormt reeds

jaren lang de groep effecten, ad f 79,4 mln per ultimo

1954, waarvan staatsfondsen met f 57,9 mln en gemeente-

obligaties met f 13,1 mln het leeuwendeel vormen. Het

in aandelen belegde bedrag bedroeg slechts 1.6 mln (vnl.

aandelen Koninklijke en preferente aandelen Herstelbank

ën Unilever). De leningen op schuidbekentenis – die

sinds 1948 ongeveer de helft van het effectenbedrag uit-

maken – hebben vnl. gemeenten en provincies tot debi-

16 Februari’1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

137

trice (resp. f 32,8 mln en f 4,4 mln op een totaal van

f 42,6 mln).

Het bedrag der hypothe

1en vertoont weliswaar de

laatste vier jaar een relatief sterke stijging, doch t.o.v.

effecten en leningen op schuldbekentenis blijft het toch

nog bescheiden van omvang.
Overheidsschuld neemt derhalve onder de beleggingen


een overwegende plaats in. Uit soliditeitsoverwegingen is

deze beleggingspolitiek begrijpelijki z’ij brengt echter

i.v.m. de
/
lage rente, die de Overheid op haar leningen

wenst te betalen, slechts een matig rendement mede.

De gemiddelde rente voor alle beleggingen tezamen

bedroeg, prospectief per ultimo 1954 berekend, 3,25 pCt

(per ultimo
1953, 1952,
en 1951 resp. 3,30 pCt, 3,25

pCt en 3,11 pCt). De rentevergoeding aan inleggers be-

droeg in 1953 en 1954 2,40 pCt (maximaal over f10.000),

over 1949 t/m 1952 2,25 pCt (maximaal over f
5.000).

Het bedrag der onkosten, salarissen en pensioenen

bedroeg in 1954 0,77 pCt van het gemiddelde inleggers-

tegoed per ultimo 1953 en
1954;
het overeenkomstige

cijfr voor 1953 bedroeg 0,82 pCt.
Voornamelijk daar het belegde bedrag het tegoed der

inleggers in ruime mate overtreft (zie tabel 1 en 2), wordt
elk jaar winst (,,bedrjfsoverschot”) gemaakt. Deze wordt,

daar er i.v.m. de vorm van ,,stichting” der Spaarlank

geen uitkering aan winstgerechtigden behoeft plaats te

vinden, aangewend voor reservering.

– De reserves, die hier het waarborgkapitaal voor de

inleggers vormen, wordçi op deze wijze van jaar tot jaar

versterkt. Per ultimo 1954 bedroeg de (algemene) reserve

f 9,2 mln (=6+ pCt van het inleggerstegoed), waarnaast

nog aanwezig waren een reserve voor koersverschillen

op effecten en verlis op hypotheken van f4,5 mln eneen

Fonds voor herbouw van f 3,3 mln. Mede met het oog
op de .soliditeit der beleggingen kan derhalve van een
financieel krachtige positie van de Spaarbank worden

gesproken.
Rotterdam.

J. C. BREZ6T.

BOEKBESPREKING

The Economic Development of Mexico.
Report of the

Combined Mexican Working Party. The Johns

Hopkins Press, Baltimore,
1953,
392 blz., $10.

The Economic Development of British Guiana.
Report of

a Mission organized by the International Bank

for Reconstruction and Development. The Jobns

Hopkins Press, Baltimore, 1953, 366 blz., $ 6.

Het rapport over de economische ontwikkeling van

Mexico verschilt belangrijk van zijn voorgangers in de

reeks studies over achtergebleven landen, gepubliceerd

door de Wereldbank onder titçls, in de regel analoog

aan de bovenstaande
1).
In. de eerste plaats waren de

samenstellers van het rapport vier economisten (twee
Mexicanen en twee economis.en van de International

Bank for Reconstruction and Development), terwijl
normaliter de ,,General Economic Survey Mission”

bestaat uit een aantal specialisten plus een economist,

allen aangewezen door de Wereldbank.

Deze uitzondering vindt haar verklaring in de taak-

stelling, die ditmaal niet het opstellen van een investe-

ringsplan voor de komende jaren, maar juist een analyse

1)
zie voor een bespreking van het rapport over Suriname ,,E..S.B.” van 10
December 1952; over Jamaica ,,E.-S.B.” van 13Mei1953: over Nicaragua ,,E.-S.B.’
van 9 September 1953.

van de feitelijke investeringen in de jaren 1939 t/m 1950

inhield. Met betrekking tot de toekomst heeft de Wor-

king Party zich slechts bezig gehouden met een schatting

van de betalingsbalans in het jaar 1956. Hier rijst van-
zelfsprekend de vraag, in hoeverre het mogelijk is een

kwantitatief betrouwbare raming van de ontwikkeling

van de betalingsbalans te geven, zonder gebruik te maken

van een model dat de gehele economie beschrijft. Overi-

gens wordt de waarde van het rapport hierdoor nauwelijks

beïnvloed, daar het zwaartepunt van deze studie gelegen

is in het onderzoek naar de groei van de Mexicaanse

economie in de jaren 1939 t/m 1950. Die groei was zeer
aanzienlijk: het reële nationale inkomen per hoofd steeg

met 62 pCt. De lêvensstandaard is echter in het algemeen

veel minder gestegen, omdat de winsten van industrie
en handel veel sneller toenamen dan de lonen en sala-
rissen. Het aandeel van de winsten in het nationale in-

komen kwam van 26,2 pCt (in 1939) op 41,4 pCt (in

– 1950), ten koste van het aandeel van de andere factoren,

waaronder de arbeid.

In alle sectoren der economie werd de productie be-

langrijk vergroot, behalve in de mijnbouw. Een gunstige

ruilvoet maakte de invoer van kapitaalgoederen moge-

lijk. Voor een voortgezette stijging van de productie

moet evenwel rekening worden gehouden met een ver-

slechtering van de kapitaalcoëfficient, onder andere als

gevolg van het optreden van ,,bottlenecks” in kapitaal-

intensieve sectoren als vervoerswezen en energievoor-

ziening. Ter ontsluiting en bescherming van de natuur-

lijke rijkdommen zijn investeringen vereist; deze zullen

een kleiner jaarlijks rendement geven dan het tot dusver

geïnvesteerde kapitaal, dat steeds werd gericht op die

aanvendingen, die op korte termijn grote opbrengsten

verschaften.

De snelle ontwikkeling werd mogelijk gemaakt door

het relatief hoge niveau van de besparingen, die voor een

groot deel onvrijwillig waren (inflatie ten gevolge van
overheidstekorten, expansie van bankcredieten, en im-

portrestricties). In 1950 was de gemiddelde spaarquote –

0,15.
De financiering door middel van buitenlandse

leningen was van ondergeschikte betekenis, maar zal in

de toekomst waarschijnlijk van groter belang (moeten)

worden.

De ,,Working Party” heeft veel aandacht en tijd be-

steed aan het verzamelen en bewerken van statistische

gegevens. De 153 tabellen nemen meer bladzijden in

beslag dan het eigenlijke rapport. Het is vreemd, dat de

,,Working Party” wel zegt, dat niet allé cijfers even

betrouwbaar zijn, maar niet vermeldt voor welke ta-

bellen deze reserve in het bijzonder geldt. Dat een zo

grote hoeveelheid cijfermateriaal te verkrijgen was,

moèt voor een onderontwikkeld land als een uitzondering

worden beschouwd. Het is waarschijnlijk te verklaren

uit de reeds vrij grote economische ontwikkeling in

Mexico, vergeleken met die in de meeste andere achter

gebleven landen. Ook hel nauwere contact met een hoog-

ontwikkeld land, in casu de Verenigde Staten, is van

betekenis voor de gehele Mexicaanse samenleving.
Volgehs de door J. Baster voorgestelde terminologie
2)

zou men met betrekking tot Mexico veeleer moeten spre-

ken van ,,economic growth” dan van ,,economic de-

velopment”. Deze laatste term, die een min of meer

revolutionaire maatschappelijke ommekeer impliceert,

zou dan ook op het geval van Brits Guyana niet goed
toepasselijk zijn.

‘) J. Baster: ,,Recent literature on the economic development of backward
areas”. The Quarterly Journal of Economica, November 1954, blz. 602.

138

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 Februari
1955

Het rapport dat de economische groei van Brits

Guyana behandelt, sluit wat betreft opzet en inhoud

volkomen aan bij het gebruikelijke patroon van de

Wereidbank-rapporten. Het eerste deel (,,Main Report”)
vermeldt de structuur van het vôorgestelde vijfjarenplan
en yat de voornaanste aanbevelingen samen; het tweede

deel geeft de technische rapporten van de specialisten.

Brïts Guyana, de westelijke buur van Suriname, heeft

een oppervlakte .van 215.000 km
2
, of bijna zeven maal

de oppervlakte van Nederland. Het aantal inwoners,

vrijwel geheel afkomstig uit Voor-Indië en Afrika, werd

in 1952 geschat op 450.000. In 1945 werd een enorme

verdelgingsactie begonnen tegen de malariamug; ten

gevolge hiervan daalde het sterftecijfer – van de men-

selijke bevolking, wel te verstaan – zeer sterk (vooral

de zuigelingensterfte kwam op een veel lager niveau
te liggen). Tezamen met een gestegen gebocrtecijfer

bewerkte dit een stijging van het jaarlijkse groeipercen-

tage van 1,5 pCt (in 1945) tot 2,8 pCt (in 1951)! Een

hoog niN eau van investeringen is nu vereist om de levens-

standaard desondanks te verbeteren.

Het door de ,,Mission” voorgestelde vijfjarenplan

beoogt een stijging van het nationale inkomen met 20
pCt te bewerken, wat neerkomt op een toeneming per

hoofd der bevolking met 6 pCt (t/m 1958). Het inves-

teringsplan is uiteraard gedetailleerd naar jaren en pro-

jecten; een samenvattend overzich vertoont het volgende

beeld.

Het ontwikkelingsprogramma zal vrijwel geheel worden

gefinancierd uit binnenlandse besparingen, waarvan

B.W.I. $ 41,8 mln voor rekening van de Overheid komt.

Het resterende bedrag wordt verkregen uit nieuwe, nog

te sluiten leningen, en uit schenkingen van het Verenigd

Koninkrijk krachtens de ,,Colonial Development and

Welfare Act”.
Het rapport is waardevol, èn als informatie omtrent de

economische toestand in Brits Guyana, èn als bron van

ideeën en wenken voor de Regering. Men kan de ,,Mis-

sion” evenwel een zekere oppervlakkigheid verwijten,
vooral ten aanzien van de vraagzijde van de markt; dit

tekort signaleerde ik ook bij de bespreking van het

rapport betreffende Jamaica.

Evenals de voorgaande rapporten werden.beide boeken

voor de I.B.R.D. uitgegeven door ,,The Johns Hopkins
Press”. De kwaliteit van de uitvoering is hoog; de prijs

(voor een niet-Amerikaan) ook.

Rotterdam.

H. LINNEMANN.

GELD- EN KAPITAALMARKT

De geldmarkt.

De weekstaat van De’ Nederlandsche Bank per

7 Februari gaf enige opvallende verschuivingen, te zien.

Vnl. ten gevolge van de storting op de staatslening

(f 410 mln excl. de inschrijving der Rijksfondsen) en

anderzijds de vervroegde aflossing op de Wereldbank-
lening (ca f 192 mln) steeg het tegoed van de Schatkist

bij de Centrale Bank tot f671 mln. De goud- en’deviezen-

voorraad onderging vnl. in verband met laatstgenoemde

factor een daling tot f 4.565 mln; dit bedrag evenaart

inmiddels nog altijd bijv. het cijfer van begin December

1954.

In hoofdzaak doordat slechts ca f 40 mln schatkist-

papier door de banken in betaling werd gegeven bij de

storting op de staatslening, daalden de tegoeden der

banken bij de Centrale Bank tot f 408 mln. Dit bedrag

is grosso modo nog juist voldoende voor het momenteel

geldende kaspercentage van 8 pCt. Niet duidelijk is voor-

alsnog, waarom dit kaspercentage – naar door De

Nederlandsche Bank reeds werd aangekondigd – met

ingang van 22 Februari a.s. weer tot het vôèr 22 Januari

jl. geldende niveau van 10 pCt zal worden teruggebracht.

Dat de Staat niet van zins is zijn overheese.Me posi,ie

op de geidmarkt prijs te geven, ook voor het geval het

tij op deze markt eens mocht keien, blijkt wel uit de ver-
hoging van het maximum renteloze tegoed van de Schat-

kist bij de Centrale Bank vân f 15 mln tot f 150 mln, bij

een onlangs ‘door de Tweede Kamer aanvaard Wets-

ontwerp. De kans, dat de huidige fundamenteel zwakke

positie der
geidgevers –
zij moeten gelaten afwachten, of

de enige grote debiteur, het Rijk, van hen wil leaen, en
zo ja, tegen welke condities – nog eens zou omslaan in

een fundamenteel zwakke positie van de grote geld-

nemer, is hiermede verder verkhind. De mog.lijkheid van
voortzetting der goedkoopgeidpolitiek op de N.derlsndse

geidmarkt, ook onder andere omstandigheden dan de

tegenwoordige, wordt hierdoor dienovereenkomstig

vergroot.

De kapitaalmarkt.

De stemming op de aandelenmarkt vertoonde de

afgelopen week, vnl. onder invloed van het aftreden van

de Russische premier, een nogal wisselend beeld. Dè

daling, die aanvankelijk optrad, en die overigens groten-

deels aan verkopen van de beroepshandel werd toe-

geschreven, bleef van beperkte omvang en. maakte in

overeenstemming met het koersbeloop in Wallstreet,

ten- slotte zelfs voor een stijging’ plaats. Bereikte in

Amsterdam h”et algemeen koersgemiddelde het tot dus-

verre geregistreerde maximum van .231,8 (11 Januari

1955) nog niet geheel,in New York werd weer een nieuw

hoogterecord geboekt (Dow Jones Industrials 11 Februari

414,0 tegen 409,8 op 4 Februari jI.).

Marktwaarnemers wijzen er op, dat, gezien het feit,

dat gunstig nieuws tot relatief grote koersstijgingen en

oiigunstig nieuws tot relatief kleine koersdalingen leidt,

nog altijd van een haussemarkt sprake is. Zowel de

technisch zeer sterke marktpositie hier te lande – o.a.

door de’ aanwezigheid van grote onbelegde kapitalen,

ontstaan door winstnemingen en daarmee gepaard gaande

verkoop van internationale fondsen naar het buitenland

– als ook de veel gekoesterde mening dat het niet tot een

,,shooting war” zal komen, maar dat wel de hoog-

conjunctuur door hoge en zelfs stijgende bewapenings-

uitgaven gehandhaafd zal blijven, spelen hierbij een rol.

De hoge opbrengst van de Rijksmiddelen (in 1954

f 900 mln boven de oorspronkelijke raming) onderstreept

nog eens de sterke positie die de Staat ook in de niet

risicodragende sfeer van de
kapitaalmarkt
inneemt. Hoe

groter deze opbrengst, hoe geringer cet. par. de nood-

zaak voor het Rijk, om een beroep op deze markt e doen,

en hoe groter de overheidszeggenschap over de lenings-

condities.

Totaal der van 1954 t/m 1958 te investeren bedragen

in

duizenden
B.W.1.
in pCt
dollars a)

Landbouw

en

veeteelt

……………………..
24.487
31
22.304
34
2.280 4
Huisvesting,

onderwijs e.d.

………………..
7.450
11

Verkeer

en

vervoer

………………………
Bosbouw

……………………………….

1.4.40
2
Energie

…………………………………
6.050

.

9
Overige openbare voorzieningen

……………
1.500
2
Industrie

……………………………….
Studies en onderzoekingen
400
65.911

100
a) B.W.I. $1′ = U.S. $ 0,58 = f2,22.

In dezelfde richting werkt de voortgaande, ja zelfs nog

toenemende accumulatie van besparingen bij de institu-
tionele beleggers. Een illustratie hiervan op spaarbank-

gebied wordt elders in dit blad gegeven. T.a.v. de levens-

verzekeringondernemingen kan worden gewezen op het

totaalbedrag der in 1954 afgesloten levensverzekeringen

af f2.613 mln tegen f2.320 mln in 1953. I.v.m. deze ont-

wikkeling staat reeds nu practisch vast, dat de ‘oor be-

legging beschikbaar komende middelen in deze branche

de komende jaren in progressieve mate zullen toenemen.

Aand.
indexcijfers
4 Febr. 1955
11 Febr. 1955
Algemeen

……………………………
227,3 230,3
Industrie

……………………………
322,5 326,6
Petroleum

……………….. …. …. …..
299,8
302,9
Scheepvaart

…………………………
231,1
236,8
Banken

…………………………………
190,5 192,2
Indon.

aand
………………………….
70,3
71,3

Aandelen
Kon.

Petroleum

……………………
545
5504
1

Unilever

……………………………
365%
369
Philips

…………………………………
325½
329’/4
A.K.0
………………………………….
281’%
2861%
Kon. N. Hoogovens
276
285
1
/-
Van

Gelder

Zn

………………………
271
275
192
194
.
H
.A.L
……………. … ……………… …
Amsterd.

Rubber
……………………
113½
114
1
/4
H
.V.A .

…………………………………
140
140%

Staatsfondsen

pCt N.W.S.

………………………
79%
80
3-3
1
h

pCt

1947

………………………
lOO
5
hc
100%
3 pCt Grootboek 1946
100
3
)ie
100½
3

pCt Dollarlening

…………………
96i
96%

Diverse
obligzties
3½ pCt Gem. R’dam 1937 VI
102
1
%
102%
314 pCt Bkv. Ned.. Gem. 1954 11/111
99%
99
7
/8
3½ pCt Philips 1948
102
3
A
102
3% pCt Westl. Hyp. Bank
99
5
19
99%
S. C. BREZET.

RECENTE ECONOMISCHE PUBLICATIES

David A. Alhadeff: Monopoly and competition in banking.

Berkeley
1954,
263 blz., f
19,15.

The main purpose of this study is to examine

existing banking markets from a market structure

viewpoint and to observe how (or wether) banking

markets and banking structures have been affected

by banking concentration in the form of giant

branch banking.

F. Baudhuin: Codes économique et financier.
2e edit.

Léglisation étrangère
1954,
1.120 blz., f 82,—.

B. H. Beckhart: Banking systems. A definitive comparison

and authoritive account of the banking systems of

sixteen countries. N.Y.
1954, 934 blz., f
55,50.

D. C. Breedveld: Enige beschouwingen over de recente

ontwikkelingen in de Europese betalingsunie.
Haarlem

1954, 39 blz., f 1,80.

J. B. Dirlam and A. E. Kahn: Fair competition; the law

and economics of Antitrustpolicy.
Ithaca, N.Y. 1954,
318 blz., f
19,35.
A summary of a new approach to

antitrust legislation which would ask the question

,,Is fair competition workable?” Attention is focused

on the decision of the last 15 years.

D. Granick: Management of the industrial firm in the

U.S.S.R. Oxford. U.P.
1954, 362 blz., f 22,50.

W. W. Ikonnikow: Geld- und Kreditwesen in der Ud.S.S.R.

Berlin
1954,
464 blz., f
15,45.

Die Integration des Europâischen Westens.
Vortrâge von

Karl Brunner, Ludwig Erhard und Paul Ruegger.

St Gallen 1954, 157 blz., f 14,10.

Voor

VRAAG OF AANBOD

op het gebied van

Kantoorbehoeften

Brandko sten

Machines
Apparaten

Fabrieks- en

kantoorgebouwen

!ndustrieterrinen

enz.
enz.

is een annonce in ,,Economisch-
Statistische Berichten” de meest

aangewezen weg.

NAAMLOOZE VENNOOTSCHAP

HOUTHANDEL
voorheen
WILLIAM PONT
gevestigd te Zaandam.

UITGIFTE van

f. 1.755.000— gewone aandelen

aan toonder, in stukken van f 650.-

nominaal, ten volle delende in de resultaten van het boekjaar

1955 en van de volgende boekjaren.
De ondergetekende bericht, dat zij de inschrijving op bovenvermelde
aandelen, uitsluitend voor houders van claims van gewone en cuniulatief
preferente aandelen, bij haar kantoren te Amsterdam, Rotterdani,
‘s.Gravenhage en Zaandam openstelt op

VRIJDAG, 18 FEBRUARI 1955

van des voormiddags 9 uur tot des namiddags 4 uur

TOT DE KOERS VAN 100 pCt.

op de voowaarden van het prospectus d.d. 9 Februari 1955.

Prospectussen en inschrijvingsbiljetten alsmede – tot een bçperkt
aantal – exemplaren van de statuten en van het jaarverslag over
het boekjaar 1953 zijn bij de inschrijvingskantoren verkrijgbaar.

DE TWENTSCHE BANK N.V.

Amsterdam, 9 Februari 1955.

139

A&o.tutwUop

D * e

Econmist

G. Kato,ia, L. R. Klein, J. B. Lansing, J.’ N. Morgan:

Contributions of survey methods to economics.

Columbia Univ. Press 1954, 269 blz., f 21,50.

K. K. Kurihara: Post Keynesian Economics.
Essays by 17

economists, each using Keynes ,,General theory”

as a frame of reference.
1954,
460 blz., f 35,55.

K. C. Lewin: De bestaanszekerheid van de middenstand.

Leiden
1954,
96 blz., f 2,25.

P. Mendès-France et G. Ardant: La science économique

et. l’action;
Unesco-uitgave 1954, 229 blz., f 6,60.

Dr J. W. G. Offergeld: De Amerikaanse conjunctuur en

het Nederlandse bedrijfsleven.
Leiden 1954, 64 blz.,

f 2,25.

Dr J. M. Pieters: Hulp aan de onderontwikkelde gebieden.

Diesrede Tilburg.
Leiden
1954,
27 blz., f1,35.

R. Richter: Das Konkurenzproblem im Oligopol.
Berlin

1954; 112 blz., f 8,70. Die Untersuchung geht von

dem Zentralproblem aus, dasz im Oligopol die

Gewinnhöhe eines einzelnen Anbieters nicht von

ihm allein bestimmt wird, sondern durch die Dispo-

sitionen sâmtlicher’ Konkurenten.

L. C. Robbins: The economist in the twentiestcentuiy,

and other lectures in political economy. .London 1954,

235 blz., f 10,25

K. W. Rothschild: The theory of wages.
Oxford .1954,
177 blz., f 11,40.

Schassmann W.: Die Zdhlungsbilanzschwierigkeiten

Westeuropas nach dem
2
Weltkrieg, insbesondere

gegenüber den U.S.A.
St Gallen 1954, 205 blz., f 14,20.

H. Theil: Linear aggregation of economic relations.

Amsterdam 1954, 205 blz., f 18,—.

Dorothy Woodman: The republic Indonesia.
London 1954,

f18,—.

0. Angehrn: Unternehmer urid. betriebliche Marktfor-

schung.
St Gallen 1954, 193 blz., f 18,65.

I, T. J. Bezemer: De bijdrage der integratie tot grotere

doelmatigheid.
Intreerede Rotterdam. Leiden 1955, 23 blz.,

f 1,35.

J. D. Glover: The attack on big business.
Boston 1954,
391 blz., f 17,20. A survey of the criticisms that have
been made of big busiriiess; the attacks on economic

grounds, the social and political criticisrns, the criti-,

• cism advanced on ethical and moral grounds. –

Overleg met de Bank

alvorens financiële risico’s te aanvaarden, welke U

niet direct kunt overzien. Wij verstrekken U handels-

inlichtingen en informaties uit binnen- en buitenland

en adviseren U bij het kiezen van de juiste vorm voor de

financiële afwikkeling van Uw transacties. Aldus dragen

wij er toe bij Uw risico’s te beperken en Uw resultaten

te vergroten.

.q I-

– DE TWENTSCHE BANK

-.

Uw financiële raadsman

Maandblad onder redactie

van:

Prof. P. Hennipman,
A. M. de Jong,

Prof. P. B. Kreukniet,

Prof. H. W. Lambers,

Prof. J. Tinbergen,

Prof. G. M. Verrijn Stuart,

Prof. F. de Vries,

Prf. J. Zijlstra.

Abonnementsprijs 5 22.50;

fr. p. post
f
23.60; voor stu-

denten
5
19.—; fr. per post

f
20.10.

Abonnementen worden aan-

genomen door de boekhandel

en door Uitgevers

De Erven

F. Bohn te Haarlem

Auteur