Ga direct naar de content

Jrg. 40, editie 1963

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 26 1955

Econ
O

misch – Statistisch e

,_Berichten

Sociale mobiliteit in Engeland

Prof. Dr H. M. H. A. van der Valk

Groei van de Amerikaanse economie en

zijn betekenis voor ‘Nederland

Prof.
R. Vandeputte

De industrieflnanciering in België
°
.

Ir C. M. Hupkes

De rnelkprij sregeing 1955

*

Prof. Dr A. Kraai

Economische kroniek van Indonesië

UiTGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

40e JAARGANG

No1963

WOENSDAG 26 JANUARI 1955

t

11T0

KAS-ASSOCIATIE
N.V.

$RULSTRÂAT 172

AMSTERDAM

Giro’s naar alle bânken en

giro-instellingen

Nationale Handelsbank, N.V.

Amsterdam – Rotterdam – ‘s-Gravenhage

Alle Bank- en Effectenzaken

AW

R. Mees & Zoonen

___________
• Bankiers en

Assurantie-makelaars

Rotterdam

Amsterdam – ‘s-Gravenhage

Delft

Schiedam

Vlaardingen

Beheer en Administratie

van Vermogens

Executele en Bewind-

_____

voering

Verschenen:

Jacht en Taal

Prijs: f 27,50

het nieuwe standaardwerk van Dr A. G. J. Hermans.
Behoort in elke jagers-bibliotheek – Verkrijgbaar bij de
boekhandel of bij de uitgever:

H. A. M. ROELANTS – SCHIEDAM

PENSIOEN VOORZIENINGEN

Adviezen op het gebied van:

statuten en reglementen

*

belegging in

vaste-rentedragende waarden

*

zelfstandige aandelenbelegging

*

rendementsverbetering

*

risicodekking

HET BUREAU VOOR PENSIOENFONDSEN

van

DE TWENTSCHE BANK

ECONOMISCH-

STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van het Nederlandsch Economisch Instituut

Adres voor Nederland:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam- W.

Telefoon redactie: K 1800-52939. Administratie: K 1800-

38040. Giro 8408.

Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam.

Redactie-adres voor België:
Dr J. Geluck, Zwijnaardse Steen-

weg 357, Cent.

Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam- W.

Abonnementsprijs:
franco per post, voor Nederland en de

Overzeese R(jksdelen (per zeepost) f29,—, overige landen
1
31,— per jaar. Abonnementen kunnen ingaan met elk

nummer en slechts worden beëindigd per ultimo van het

kalenderjaar.

Losse nummers 75 cts.

Aangetekende stukken in
Nederland aan het Bijkantoor

Westzeedijk, Rotterdam- W.

Advertenties.
Alle correspondentie
betreffende
advertenties

te richten aan de Koninklijke Nederlandsche Boekdrukkerj
H. A. M. Roelants, Lange Hayen 141, Schiedam (Telefoon

69300, toestel 1 of 3).

Advertentie-tarief
f 0,30 per mm. Contract-tarieven op aan-

vraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”

/ 0,60 per mm (dubbeli kolom). De administratie behoudt

zich het recht voor om advertenties zonder lopgaaf van

redenen te weigeren.

62

26 Januari 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

63

Sociale mobiliteit in Engeland

Geschiedenissen van personen, die een groot aantal

sporten op de maatschappelijke ladder gestegen zijn,

spreken tot de verbeelding. Het aantal Josephs, dat het

tot onderkoning, het aantal krantenjongens dat het tot

millionnair brengt en het aantal soldaten, dat later de

maarschalkstaf – die zij naar de zegswijze wil in de

ransel hebben – in de hand zal houden, is echter gering.

Kortom, ,,. . . the rise of a few men will scarcely create a

ripple in the vast pool of immobility”. De geciteerde

woorden zijn ontleend aan een artikel van Prof. D. V.

Glass, waarin hij de belangrijkste resultaten van een door

hem ingesteld onderzoek naar de sociale mobiliteit in

Engeland aan een korte beschouwing onderwerpt
1).

Het onderzoek is geba-
seerd op een enquête, ge-

in 1929 of eerder geboren

mannen. In nevenstaande

tabel zijn enige resultaten

daarvan samengevat. De

daarin vermelde beroeps-

categorieën zijn gerang-
schikt volgens een, door

vroeger geënquêteerden

vastgestelde, volgorde van

maatschappelijk aanzien.

De eerste drie kolommen

spreken voor zichzelf: zij

doen zien, dat de mate

waarin zonen de voetstap-

pen van hun vader drukken in de diverse categorieën sterk

uiteenloopt en dat er tamelijk veel stijgingen en dalingen

op de maatschappelijke ladder voorkomen.

Zij onthullen echter niet welke relatieve kansen de

zonen hebben om in dezelfde beroepscategorie als die

van hun vader terecht te komen. Dit probleem heeft

Prof. GlaSs getracht op te lossen d.m.v. de in de laatste

kolom weergegeven ,,beroepsbindings”-index. Is deze

1, dan zou het uitoefenen van een bepaald beroep door

de vader geen invloed hebben op de kans, dat zijn zoon

eenzelfde maatschappelijke positie gaat bekleden. In-

dien deze index voor een bepaalde beroepscategorie

groter is dan voor de andere categorieën, betekent dit

dat de band, die tussen het beroep van de vader en dat

van de zoon bestaat, hechter is, m.a.w. dat de sociale

‘) ,,Fathers and Sons on the social ladder”, ,,Westminster Bank Review”
November 1954, blz.
1
e.v.

mobiliteit in deze categorie t.o.v. de andere categorieën

relatief gering is. Uit de in het staatje vermelde indices
kan worden afgeleid, dat de relatieve sociale mobiliteit

het geringst is in de meest in aanzien zijnde maatschap-

pelijke klasse, het grootst in de categorie der geschoolde

handarbeiders.

Teneinde na te gaan, of de sociale mobiliteit de laatste
50 jaren aanzienlijk is gewijzigd, heeft genoemde auteur

de geënquêteerden ingedeeld volgéns geboortejaren. De

resultaten wekten de indruk, dat de Engelse maatschap-

pij in de twintigste eeuw vrij stabiel is. Hierbij dient ech-

ter te worden bedacht dat de jongeren onder de geën-
quêteerden nog maar weinig tijd hebben gehad op de

maatschannelijke ladder te

stijgen of te cfalen. Een af-

doend antwoord kan dan

ook slechts worden verkre-

gen dopr het onderzoek in

de toekomst te herhalen.

Prof.- Glass betwijfelt ech-

ter of de verschillen in so-

ciale mobiliteit tussen de

in 1920-1929 geborenen en

de oudere generaties wel

zo frappant, zullen zijn als

men op grond van de uit-

breiding der mogelijkheden

om Voortgezet onderwijs

te nenieten die tussen de

bei
°
de wereldoorlogen heeft

plaatsgevonden, zou verwachten.

Deze twijfel is gebaseerd op het feit, dat het aantal

kinderen uit de beroepsklasse
5,
dat middelbaar onder-

wijs heeft genoten, de afgelopen 50 jaren weliswaar ab-

soluut en relatief is gestegen, maar in dezen nog ver

achterbljft bij de kinderen, voortkomend uit de beroeps-

categorieën 1 t/m 4. Ten aanzien van hoger onderwijs

waren de verschillen nog groter. Voorts is de verruiming

van de mogelijkheden voortgezet Onderwijs te volgen

gepaard gegaan met een verzwaring van de eisen, die

voor de uitoefening van bepaalde beroepen aan de op-

leiding worden gesteld. Ten slotte is opleiding alleen niet

voldoende om de barrières, die de beroepscategorieën

scheiden, te doorbreken. Zij, die een goede opleiding

hebben genoten en bovendien een vader hebben, wiens
positie hen in de hoogste regionen van maatschappelijk

aanzien heeft doen verkeren, genieten een dubbel voordeel.

houden onder een aantal

Percentage der mannen met een positie:

Beroepsklasse van de
va er
Beroeps-
bindings

gelijk

an
a
hoger dan lager dan
die van hun
die.van hun
die van hun
index vader
vader vader

Vrije beroepen en hoge
functies bij de Over-
38,8

.61,2
13,16
Topfunctionarissen

in
het bedrijfsleven

26,7
10,7
62,6 5,87
Hogere

toezichthou-

heid

…… . …..

….

dende beroepen
18,8
13,6
67,6 2,00
Lagere

toezichthou-
dende beroepen

21,2
17,2
61,6
1,62
Administratieve

routi-
ne-arbeid en geschool-
de handenarbeid

.
47,3
23,1
29,6
1,16
Halfgeschoolde

han-
31,2
53,3
15,5
1,84
denarbeid

……….
Ongeschoolde handen-
arbeid

…………
27,4 72,6

2,26

INHOUD

Blz.

Blz.

Sociale mobiliteit in Engeland …………….63 Economische kroniek van Indonesië,
door Prof.

Groei van de Amerikaanse economie en zijn be

Dr A. Kraai ………………………..
72

Surinaamse kanttekeningen,
door G. C. A. Mulder,
tekenis voor Nederland,
door Prof. Dr H. M.

B. Sc., Ps. D.

75

H. A. van der Valk……………………65

Geld- en kapitaalmarkt,
doo; Drs J. C.Brezet

77

De industriefinanciering in België,
door Prof

. De Belgische geld- en kapitaalmarkt in December

R. Vandeputte ………………………
67

1954,
door Dr L. Delmotte ……………..78

Statistieken

De melkprjsregeling 1955,
door Ir C. M. Hupkes 70

Bankstaten ………………………….79

COMMISSIE VAN REDACTIE: C. van den Berg; Ch. Glasz; L. M. Koyck; H. W. Lambers; J. Tinbergen;

F. de Vries. Redacteur-Secretaris: A. de Wit. Adjunct Redacteur-Secretaris: J. H. Zoon.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË: F. Coilin; J. E. Mertens de Wilmars;

J. van Tichelen; R. Vandeputte; A. Vierick.

“U ILUK(L VUDUUUUJ&IN.

64

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26 ‘Januari 1955
DE ARTIKELEN VAN

DEZE WEEK

Prof Dr H. M. H. A. VAN DER VALK, Groei van de

Amerikaanse economie en zijn betekenis voor Neder-

land.

Een recente publicatie van de ,,Joint Committee on

the Economie Report” schat, dat het bruto nationale

product van de Verenigde Staten, dat in 1953 $ 365 mrd

bedroeg, in 1965 zal zijn gestegen tot $ 535 mrd, d.w.z.

een toeneming van $170 mrd of van bijna 50 pCt in

een periode van 12 jaren. Het beschikbare nationale

inkomen zal in die jaren stijgen van $ 250 mrd tot $ 380

mrd, d.w.z. een stijging van meer dan 50 pCt. De uit-

breiding van de Amerikaanse markt is voor genoemde

periode volgens een door schrijver gemaakte zeer globale

berekening 4 â 5 maal groter dan de te verwachten uit-

breiding van de markt van Canada en Latijns Amerika

tezamen. Deze projectie is ook voor Nederland van be-

tekenis. In de eerste plaats voor onze export naar de

Verenigde Staten. Schrijver verwacht relatief toenemende

uitgaven door Amerika op het gebied van de duurzame

consumptiegoederen. Door de te verwachten stijging

van de Amerikaanse invoer openen zich voor Nederland

mogelijkheden het dollartekort op te heffen. Schrijver

vraagt zich af, of onze handelsvertegenwoordiging in de

Verenigde Staten niet in de breedte en diepte moet

worden uitgebreid en verder, of het geen aanbeveling

verdient meer aandacht te besteden aan de te verwachten

wijzigingen in de zich voortdurend veranderende smaak

en gewoonten van het Amerikaanse publiek.

Prof R. VANDEPUTTE, De industriefinanciering in

België.

Op het gebied van de industriefinanciering op korte

termijn bestaan in België geen problêmen. De banken

kunnen aan alle redelijke credietaanvragen voldoen

tegen vaak lage renten. Voor de financiering van inves-

teringsprogramma’s is de toestand minder gunstig. Alle

bedrijven wenden eigen winst aan voor de betaling van

investeringsgoederen. Zij kunnen daarnaast nagenoeg

geen beroep doen op de kapitaalmarkt: deze is sinds

jaren vrij ontoegankelijk, ondanks de recente stijging

van de beursnoteringen. De institutionele beleggers en

de officiëfe credietinstellingen verlenen belangrijke steun

bij de industriefinanciering op lange termijn. Hiermede

kan evenwel niet worden volstaan. Samenwerking tussen

het bedrijfsleven en het openbaar gezag is wellicht voor

de Yestiging van nieuwe ondernemingen onontbeerlijk,
hoewel daartegen in bepaalde kringen heftig verzet be-

staat.

Ir C. M. HUPKES, De melkprjsregeling 1955.

Als resultaat van veel overleg is de garantieprjs voor

melk verhoogd tot 22 cent en de verrekenprjs voor con-
sumptiemelk tot 25 cent. Uit verschillende maatregelen

resulteert voorts een stijging van de verkoopsprjs van
gestandaardiseerde melk met 3, in sommige gebieden

zelfs met 4 cent. Het voor
1955
door het Landbouw-

Economisch Instituut uitgebrachte ,,melkrapport” toont

aan, dat de productiekosten van melk sedert vorig jaar

met 2 â 3 cent zijn gestegen. Hiervoor zijn de loonstijging

en ,het niveau van de pachtprijzen verantwoordelijk,

terwijl ten slotte de ,,efficiency” van de productie

doorslaggevend is. De garantieprijs is nu bepaald op

22 cent, waaruit volgt, dat slechts een deel van de stijging

van de productiekosten in de nieuwe piijs is verdiscon-

teerd. Ten minste 80 â 85 pCt van de arbeid in de vee-

houderj wordt verricht door eigen krachten. Voor zover

dus de hogere productiekosten het gevolg zijn van loons-

verhoging gaat het om de vraag, of de Regering deze

loonsverhogingen ook aan de werkers op de gezinsbe-

drijven toedenkt en of zij bereid is deze zo nodig uit de
Staatskas te betalen. De verrekenprjs voor consumptie-

melk, welke men kan zien als een jaarcontract tussen de

Staat als vertegenwoordiger van de consument enerzijds

en de gezamenlijke melkproducenten anderzijds, is ook

thans weer vastgesteld. Hierin is wèl een groot deel van
de verhoogde productiekosten tot uitdrukking gebracht.

Op de totstandkoming van de straatprjs hebben naast

de transport-, verwerkings- en distributiemarges, ook de

verplichte standaardisatie en de subsidiëring van over

heidswege invloed.

Prof Dr A. KRAAL, Economische kroniek van Indonesië.

De reeds maandenlang durende oppositie tegen het
beleid van de Regering op economisch gebied, in het

bijzonder tegen de Minister van Economiscfie Zaken en

het tempo waarin deze de vervanging van buitenlandse

ondernemingen door het nationale bedrijfsleven trachtte
te bewerkstelligen, heeft geleid tot een herschikking van
het Kabinet. Schrijver
&eeft
een aantal voorbeelden van

de gevolgen van een geforceerd snelle overschakeling

naar vaak weinig ervaren en slecht geoutilleerde ,,natio-

nale” importeurs en handelaren. Omstreeks medio 1954
trad een merkbare verbetering in in de wereldmarktprij-
zen van rubber; het is niet overdreven te zeggen, dat het
getij juist op tijd gekeerd is om een volkomen vastlopen

van de Indonesische economie te kunnen vermijden.

Vervolgens staat schrijver stil bij de vraag, waar het geld

zich bevindt, dat in het afgelopen jaar aan de circulatie

is toegevoegd. Ten slotte gaat hij de ontwikkeling van

de ruilvoet na.

– SOMMAIRE –

Prof Dr H. M. H. A. VAN DER VALK, Le développe-

ment de l’economie americaine et sa signfication

pour les Pays-Bas.

Se basant sur une estimation du produit national et

du revenu national des Etats Unis en 1965, l’auteur

recherche la signification pour les Pays-Bas du développe-

ment envisagé de l’économie américaine.

Prof R. VANDEPUTTE, Le fitiancement de l’industrie

en Belgique.

Contrairement â ce qui se passe en matière de finance-

ment â court terme de l’industrie, les entreprises belges

ont des difficultés â actirer des capitaux dans des inves-

tissements â long terme. C’est pourquoi une collaboration

des entreprises et des pouvoirs publics s’avère peut-être

indispensable.

Ir C. M. HUPKES, La règ/ementation du prix du lait

en 1955.

L’augmentation récente du prix du lait a retenu toute

l’atten.ion du public. L’auteur recherche les facteurs qui
ont provoqué cette augmentation.

Prof Dr A. KRAAL, Chronique économique de l’Indonésie.

Le développement économique de l’Indonésie au cours

du 4e trimestre de 1954 a été caractérisé par une amé-

lioration de la balance des devises,
it
la suite d’une aug-

mentation des prix mondiaux du coprah et du caout-

chouc.

26 Januari 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

65

Grdei van de Amerikaanse economie en
zijn
betekenis

voor Nederland

,j would predict that the

standard
of
«Te in progressive

countries one hundred years

hence will be bel ween four

and eight times as high as it

is to-day. There would be

nothing sulprising in this even

in the light of our present

knowledge. It would not be

foolish to contemplate the

possibility
of
a far greater

progress stil!”.

John Maynard Keynes in 1930.

De toenémende belangstelling in de laatste decennia

voor macro-economische verschijnselen heeft er toe geleid,

dat vooral na de oorlog meer aandacht wordt geschonken

aan voorspellingen over de grootte van het nationale

inkomen in de verre toekomst. Vroeger beperkten econo-

mische voorspellingen op lange termijn zich voornamelijk

tot bevol kin gsvraagstukken. Hoe onvolkomen lange

termijn-voorspellingen op economisch gebied ook mogen

zijn; zij zijn – en zullen het in toenemende mate worden

– een onmisbaar hulpmiddel voor de economische

politiek van de overheid zowel als voor de bedrijfspolitiek

van ondernemingen. Deze voorspellingen hebben even-

eens invloed op de ontwikkeling van de conjunctuur,

een onderwerp dat hier verder buiten beschouwing valt.

Er is zelfs een streven merkbaar om deze lange termijn-

voorspellingen langer te maken. Ook op dit gebied is

Keynes voorgegaan, toen hij in een artikel
1)
een voor-

spèffing over de stijging van de levensstandaard voor de

eerstvolgende honderd jaren gaf (zie bovenstaand citaat).

Deze voorspelling, gedaan in het begin van de grote

depressie, dus in een periode van dalende levensstan-

daard, getuigde van het geloof van Keynes in de materiële

vooruitgang van de mensheid. Een kwart eeuw later

twijfelt men er niet meer aan, dat deze voorspelling, als

de vrede bewaard blijft, werkelijkheid kan worden. Deze

verwachting geldt vooral voor twee landen, de Verenigde

Staten
2)
en Canada, welke zich in een proces van zo sterke

expansie bevinden, dat men achteraf waarschijnlijk zal

kunnen spreken van de Gouden Eeuw van Noord-

Amerika.

Wat Canada betreft, is elders uiteengezet om welke

redenen in de eerstvolgende decennia een blijvende en
krachtige economische ontwikkeling te verwachten is.

In verband met een recente publicatie vestigen wij ditmaal

de aandacht op de toekomstige groei van de Amerikaanse

economie.

De economische groei van de Verenigde Staten is sedert

het begin van deze eeuw, ook zelfs als men de slepende

depressie in de dertiger jaren meerekent, werkelijk

phenomenaal geweest. Zal dit tempo zo voortgaan?

Regerings- en andere economisten waren enkele jaren

‘)Economic Posibilities for our Crandchildren (1930) in ,,Essays in Persuasion”.
$) Men zie het artikel van S. Fabricant: ,,Economic Progress and Economie
Change” in het jongste jaarverslag van het National Bureau of Economic Research
(New York, 1954). Het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking is in
de afgelopen 80 jaren gemiddeld met 1,9 pCt per jaar gestegen. Indien deze stijging
zich voortzet, zullen onze achterkleinkinderen over 80 jaren een gemiddeld ge-
zinsinkomen hebben van $ 25.000 (in koopkrachtdollars van 1953) tegen $ 5.000
in 1953, aldus genoemde schrijver. De mogelijkheden zijn er; of zij werkelijkheden
zullen worden, is o.i. een andere kwestie. –

geleden deze mening toegedaan
3)
.
Hun projecties gingen

niet verder dan 1960. Thans is een publicatie van een

con’imissie uit de Senaat verschenen, welke deze mening

bevestigt en uitbreidt tot het jaar 1965
4)
.
Aan deze studie

hebben 150 particuliere economisten en regerings-

deskundigen meegewerkt. Het is daardoor een onpartijdi-

ge studie geworden.

Het rapport schat, dat het bruto nationale product,

dat in
1953
$
365
mrd bedroeg, in 1965 zal zijn gestegen

tot
$535
unrd, d.w.z. een toeneming van $170 mrd of van

bijna 50 pCt in een periode van 12 jaren. Het beschikbare

nationale inkomen zal in die jaren stijgen van $250 mrd
tot $ 380 mrd, d.w.z. een stijging van meer dan 50 pCt.

Deze schattingen over de toekomstige groei van de
Amerikaanse economie zijn o.i. niet overdreven. Na-

tuurlijk is het onmogelijk van tevoren aan te geven, hoe

de werkelijkheid zal zijn. De samenstellers moeten uitgaan

van bepaalde veronderstellingen die ons reëel voorkomen.

De volgende veronderstellingen verdienen de aandacht.

Zoals te verwachten, wordt niet gerekend op een

depressie voor de eerstvolgende twaalf jaren. De projectie

van economische grootheden tot 1965 houdt wel rekening

met matige economische fluctuaties. Zo ligt
1954
iets

beneden de trend-lijn, 1953 daarentegen er iets boven.

Dergelijke flüctuaties zijn normaal. Belangrijk is zelfs,

dat deze fluctuaties voorspeld waren zulks in tegenstelling

tot vele andere na-oorlogse voorspellingen, die niet zijn

uitgekomen. Het rapport gaat dus in elk geval niet uit
van een toestand van volledige werkgelegenheid. Een

werkloosheid van 4 pCt, overigens een vrij willekeurig

getal, wordt aanvaard.

In dit verband is het ook belangrijk dat de samenstellers

van het rapport een stabiliteit van het niveau van prijzen

van in particuliere ondernemingen geproduceerde goede-

ren aannemen. Zij erkennen dat er verschil van mening

bestaat over de vraag of stabiele prijzen een maximum

productie waarborgen. Hier raken de samenstellers een

controversieel punt. Drie groepen zijn op dit gebied te

onderscheiden. In de eerste plaats degenen, welke de

stijging van de productiviteit van de arbeid in overeen-

komstige lagere prijzen tot uiting willen brengen; verder

de voorstanders van stabiele prijzen en ten slotte degenen,

die een langzame prijsstijging als de beste politiek voor

handhaving van een hoog niveau van werkgelegenheid

beschouwen. Tamelijk nauw verwant met de laatste is een

groep, welke onder alle omstandigheden volledige werk-

gelegenheid, wil handhaven
5).

De allerbelangrijkste veronderstelling is die van de

stijging van de productiviteit van de arbeid voor de eerst-

volgende 12 jaren. Deze wordt voor de landbouw aange-

nomen op 3 pCt, voor het particuliere niet-agrarische

bedrijfsleven op 24 pCt. Beide cijfers liggen lager dan die

‘) G. Colm: The American Economy in 1960 (Uitgave van National Planning
Association). Verder: Markets after Defense Expansion. Publicatie van het De-
partment of Commerce en het rapport van de ,,President’s Materials Policy
Commission”, beter bekend onder de naam van Paf ey-rapport. Dit rapport houdt
zich speciaal bezig met de behoefte aan grondstoffen in de zeventiger jaren.
‘) In een rapportje ,,Potential Economie Growth of the United States during
the next decade” door de Joint Committee on the Econonsic Report (October 1954).
‘) Zie het rapport van de Conference on Economie Progress, getiteld ,,Toward
Full Employment and Full Production” (washington D.C., 1954). Hierin wordt
voor het jaar 1960 een nationale productie van $ 500 S 600 mln berekend. Daardoor
zal het aântal werklozen tot 1,5 millioen worden beperkt, een aantal, dat dicht
bij het minimum van de ,,wrijvings”-werkloosheid ligt. Het is o.i. in hoge mate
twijfelachtig, of een dergelijk doel zonder aanzienlijke inflatie kan worden bereikt.

66

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26 Januari 1955

van de laatste jaren, maar hoger dan die in de periode

van 1910-1953, toen de gemiddelde arbeidsproductiviteit

voor beide groepen met ongeveer 2 pCt per jaar is ge-

stegen. De samenstellers zijn dus aan de voorzichtige

kant gebleven. Het is daarom niet onmogelijk dat het

bruto nationaal product in 1965 groter zal zijn.

Deze projectie van economische grootheden voor de

eerstvolgende twaalf jaren van het grootste koopkrachtige

land van de wereld is ook voor Nederland van betekenis.

In de eerste plaats voor onze export naar de Verenigde
Staten, welke in de laatste jaren reeds zo aanzienlijk is

gestegen. De aanhoudende verhoging van het reële

inkomen per hoofd van de bevolking betekent een groter

verbruik van ,,semi-luxe” en ,,luxe” goederen en diensten.

Juist op dit gebied liggen grote kansen voor Europa en

speciaal voor ons land. Men kan zijn fantasie â la Jules

Vernè de vrije’ loop laten over de aard van de toekomstige

consumptie in de Verenigde Staten. Zeker is, dat hier

ongekende mogelijkheden liggen. De samenstelling van

het huishoudbudget is met een stijgend inkomen zeer

veranderlijk. Sommige goederen krijgen een relatief

mindere, andere een relatief grotere plaats. Smaak, ge-

woonten enz. hebben verder een grote invloed ‘op de

besteding van het inkomen. Goederen, die vroeger luxe

waren, komen binnen het bereik van de massa. Nieuwe

goederen zullen hun intrede doen. Hoe dit ook zij, zeker

is dat relatief toenemende uitgaven zijn te verwachten op

het gebied van de duurzame consumptiegoederen. Wel-

licht zal ook het buitenlands toerisnie ëen relatieve uit-

breiding ondergaan.

Wat dit laatste betreft, is het opmerkelijk, dat de

Amerikanen voor dit doel thans relatief minder (in

absolute cijfers natuurlijk meer) uitgeven dan in 1929.

Het is niet onmogelijk dat het relatieve aandeel zal toe-

nemen. Verhoging van de levensstandaard zal misschien

ook leiden tot meer belangstelling voor culturele goederen.

In elk geval is het verheugend, dat er in de Verenigde

Staten een toenemende aandrang is naar meer en beter

onderwijs in de geesteswetenscbappen
6).
Ook als het

aandeel voor buitenlands toerisme gelijk blijft, dan

zullen de Amerikanen in 1965 ongeveer $ 2 mrd aan

buitenlandse reizen uitgeven. Betekent dit dat de Ameri-
kanen ook het overeenkomstige deel van deze uiLgaven,

op de huidige basis berekend, in Europa zullen besteden?

Opnieuw moet hier naast het kwantitatieve ook het

kwalitatieve aspect worden bekeken. Ook in het toe-

risme wijzigt zich de smaak. Het is niet onmogelijk, dat

in de toekomst een groter deel van de stroom van toe-

risten naar Latijfis Amerika
7)
en Azië zal gaan, vooral

in ‘,erband met de aanmerkelijke bekorting van de

vliegtijd in de toekomst.
De uitbreiding van de Amerikaanse markt is voor ge-

‘) Vooral door de onverflauwde pogingen van de Harvard .Jniversity. Ook
Canada kent hetzelfde probleem. Men zie het boek van Prof. H. Neatby: So littie
for t.he Mmd (Toronto 1953).
‘) Op de Inter-Amerikaanse Economische en 5ociale conferentie, gehouden te
Rio de Janeiro in November ji. is een resolutie aangenomen, waarin de Latijns-
amerikaanse landen worden opgewekt het Amerikaanse toerisme met allerlei
middelen te bevorderen. Inderdaad liggen hier grote mogelijkheden voor dit we-
relddeel. De tijd zal waarschijnlijk komen, dat de Europese landen niet meer af-
zonderlijk, maar collectief, reclame moeten maken voor Amerikaans toerisme in
Europa.

noemde periode volgens een door ons gemaakte zeer

globale berekening 4 â
5
maal groter dan de te verwachten

uitbreiding van de markt van Canada en Latijns Amerika

tezamen. Ook al houdt men rekening met een laag

invoerquotum voor de Verenigde Staten, dan zal toch de

te verwachten stijging van de invoer in de Verenigde

Staten in de zestiger jaren groter zijn dan die van het

overige Westelijk halfrond. Nog gunstiger zal dit worden

als de Verenigde Staten een meer liberale handelspolitiek
gaan voeren.

De te verwachten stijging van de invoer in de Verenigde
Staten zal ook kunnen bijdragen tot een vergemakkelijking

van de oplôssing van het probleem van de dollarschaarste

in de wereld. Voor Nederland ôpenen zich hier in elk

geval mogelijkheden het dollartekort op te heffen. Dit

zou de economische en financiële positie van ons land

verstérken in een wereld, waarin een volledig en perma-

nent herstel van het muhilateraal betalingsverkeer nog

altijd kwestieus is.

De vraag dringt zich daarom op, of onze handels-

vertegenwoordiging in de Verenigde Staten niet in de

breedte en diepte moet worden uitgebreid ten einde volle-

dig te profiteren van de nieuwe kansen, welke zich op

deze markt voordoen. En verder of het geen aanbeveling
verdient meer aandacht te besteden aan de te verwachten

wijzigingen in de zich voortdurend veranderende smaak en

gewoonten van het Amerikaanse publiek
8).
Voortgezet

en uitgebreid marktonderzoek zijn noodzakelijk om

nieuwe afzetmogelijkheden voor het Nederlandse bedrijfs-
leven te ontdekken. Daarvoor behoeft geen nieuw instituut
in het leven te worden geroepen, maar wel zou coördinatie

van hier en daar verspreide werkzaamheden op dit gebied

wenselijk zijn.

Voorstellingsvermogen en fantasie zijn nodig om enig

begrip te krijgen van de aard en omvang van de toekomsti-

ge consumptie in de Verenigde Staten. Natuurlijk zal men

zich in zijn voorspellingen vergissen, maar de vergissingen

kunnen kleiner worden. Het is daarom noodzakelijk

zich meer in de groeiproblemen te verdiepen, niet alleen

in ons land, maar ook in Noord-Amerika zelve
9).
Dit

geldt niet alleen voor de overheid, maar ook voor het

particuliere bedrijfsleven in de beoordeling van de uit-

gaven, welke men thins moet doen om een te kleine

opzet van allerlei openbare werken te vermijden en om

andere landen of buitenlandse ondernemingen voor te

zijn of voor te blijven en daardoor later te profiteren

van een vooruitziende blik in het heden.

washington, D.C.

H. M. H. A. van der VALK.

‘) Men zie in dit verband enkele interessante artikelen in Fortune, jaargang 1954.
) Een van de meest markante voorbeelden is de phenomenale stijging van het
gebruik van transportmiddelen en daarmede van de wegen en parkeergelegenheden,
vliegvelden, havens, hotels enz., bijna overal in de wereld, maar vooral in Noord-
Amerika. Een zeer opmerkelijk geval van een enorme vergissing in de schatting
van de toekomstige vraag is het voorbeeld van de New Jersey Turnpike, welke
begin 1952 in gebruik is genomen en thans reeds te klein is en over een grote afstand
verbreed zal worden. Het verkeer heeft in 1954 reeds de omvang bereikt, welke
3 jaren geleden voor 1980 (herhaal 19801) geschat was. (De schatting bedroeg voor
1954 10,1 millioen, voor 1980 ongeveer 25 millioen auto’s per jaar.) In Canadâ
worden bij de uitbreiding van steden, aanleg van bruggen enz. in een aantal ge-
vallen berekeningen gemaakt en uitgevoerd, welke o.i. over 10 â 20 jaar of eerder
als grote fouten zullen worden aangemerkt. Een recent voorbeeld is de in April
van dit jaar in gebruik genomen ,,aubway” in Toronto. vele uitgangen in de be-
ncdenstad zijn nu reeds te klein voor een vlotte verwerking van het verkeer op de
spitsuren. De gevolgen van deze te kleine opzet in deze zeer snel groeiende stad
zullen over enkele jaren veel duidelijker aan het licht treden.

26 Januari 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

67

De industriefinanciering in België

Wellicht meer dan elders, moet in België een scherp

onderscheid gemaakt worden tussen de industriefinan-

ciering op korte termijn enerzijds en op halflange of

lange termijn anderzijds.

Voor de aanvulling van hun eigen bedrijfskapitaal,

beschikken de Belgische ondernemingen, tot dekking

van de uitgaven voortspruitende uit hun bedrijvigheid,

over credietmogelijkheden op korte termijn die, volgens

een eensluidende beoordeling, volkomen toereikend

zijn. In verband met de aankoop van grondstoffen, de
betaling van lonen, de mobilisatie van facturen’ op de

cliëntele, is voor de Belgische nijveraar, indien hij wer-

kelijk credietwaardig is, geen hetminste probleem op

financieel gebied gesteld. In de banken kan hij, zonder

moeilijkheden, alle faciliteiten bekomen die hij even-

tueel behoeft. De door hem te betalen interest zal, althans

voor België dat, alles samengenomen, sinds lange jaren,

een land met hoge rentevoeten is, in menig geval vrij

laag zijn. Voor de industriefinanciering op korte termijn

zijn de rentevoeten van de banken inderdaad afgestemd

op het barema dat door het Uitgifte-instituut wordt

toegepast. De Nationale Bank disconteert op dit ogen-

blik de geaccepteerde wissels aan 2/
4
pCt. Zulks is

het laagste niveau dat sedert vele jaren bereikt werd.

Anderzijds werd sinds het einde van de tweede wereld-

oorlog, voor de in- en uitvoerfinanciering op korte ter

mijn, een systeem van bankaccepten volgens een bij-

zondere techniek in voege gebracht. Ook hierdoor ge-

raken onze nijveraars in zeer gunstige voorwaarden

bediend. Alleen wanneer ze beroep maken op een zgn.

,,kascrediet” voor de financiering van hun dagelijkse

activiteit, zullen onze ondernemingen een enigszins

zwaardere last inzake interesten moeten dragen. De kas-

credieten worden verleend onder de vorm van een lopende

rekening, ze zijn steeds op zicht of op korte termijn en

worden door de nijeraar gebruikt volgens zijn behoeften,

zonder verantwoording van de opgenomen bedragen en

zelfs, in menig geval, zonder de ondertekening van een

promesse of orderbriefje.
**
*

Wanneer een onderneming op nogal blijvende wijze

lijdt aan een tekort aan bedrijfskapitaal zal ze ofwel een

kascred jet gebruiken ofwel de financieringsmethoden

op langere termijn aanwenden die verder worden aan-

geduid. Een kascrediet biedt natuurlijk dit groot gebrek

dat het uiteraard op zicht is en derhalve steeds door de

bank kan opgevorderd worden. Practisch treedt deze

opvordering evenwel slechts uitzonderlijk in. Voor de

kascredieten kunnen de banken trouwens in bepaalde

voorwaarden mobilisatiemogelj kheden bekomen bij het

Herdiscontering- en Waarborginstituut, een openbare

instelling waarvan de kenmerken en .werkingswijze een
afzonderlijke uiteenzetting zouden behoeven.
**
*

De industriefinanciering op langere termijn, meer

bepaaldeljk voor de bekostiging van invësteringen, doet

in België – trouwens niet alleen in België – een aller-

belangrjkst probleem oprijzen. De Nederlanders be-

togen dat er bij hen een gemis aan risicodragend kapitaal

is en, samenvattend, kunnen wij al dadeljk verklaren

dat dezelfde toestand, op een weliswaar nog nijpender

wijze dan in Nederland, in België bestaat.

Menigeen is van oordeel – al wordt zulks toch wel

af en toe betwist – dat de nijverheidsinvesteringen in

België ontoereikend zijn, dat ze geen gelijke tred houden

met de industriële expansie in verschillende landen van

Europa, dat de structuur van het Belgisch bedrijfsleven

als een kristallisatie ondergaat waarbij men al te zeer

het bestaande behoudt en geen voldoende aandacht

schenkt aan grootscheepse initiatieven. Indien deze vrees

gegrond is – en ze is het vermoedelijk wel ‘) -, dan

moeten de onvoldoende investeringen van de industrie

in nogal gevoelige mate (maar zeker niet uitsluitend)

uitgelegd worden door het onopgeloste financierings-

probleem.

Van dit probleem willen wij enkele aspecten toelichten.

Vooreerst weze nog aangestipt dat tot bevordering van

de nijverheidsinvesteringen, een wet van 10 Juli 1954

toelaat 30 pCt (in drie jaar tijds) van de prijs van uit-

rustingsgoederen af te trekken van de belastbare winsten.

**
*

Het staat vast dat de autofinanciering, d.w.z. de

direkte aanwending van hun winsten tot het bekostigen

van nieuwe immobilisaties, verreweg de voornaamste

bron uitmaakt waaruit in België wordt geput door de

bedrijven voor de betaling van industiiële investeringen.

Deze financieringsmethode heeft steeds bestaan maar

proportioneel heeft ze dusdanige afmetingen genomen

dat ze alle andere financieringsmiddelen in een diepe

schaduw dompelt.

Kan men bij benadering uitmaken hoeveel de Bel-

gische nijverheid, jaar in jaar uit, van haar winsten af-

neemt voor de autofinanciering van haar investeringen?

Waarschijnlijk niet. Verschillende officiële studiedien-
sten hebben in de loop van de laatste jaren verdien ste-

lijke pogingen gedaan om cijfers voor te brengen. Wij

bedoelen hoofdzakelijk de studiediensten van het Mi-
nisterie van Economische Zaken en van de Algemene

Spaar- en Lijfrentekas. Is het echter geen onbegonnen

werk? Met een voorbeeldige wetenschappelijke sereni-
teit heeft namelijk de Algemene Spaar- en Lijfrentekas

talloze balansen ontleed in betrekking tot de geboekte

reserveringen. Ze heeft deze laatste samengesteld. Van

het aldus bekende ging ze door extrapolaties over tot

de schatting van de reserveringen van het algeheel Bel-

gisch bedrijfsleven. Ze kwam tot de bevinding dat in

1953 de bedrijven netto 84 milliard Belg. fr. zouden

hebben uitgespaard, terwijl de bruto besparingen, der-

halve afschrijvingen inbegrepen, 314 milliard Belg. fr.

zouden vertegenwoordigen. Men merke op dat de Spaar-

kas uitsluitend handelt over gedane reserveringen en

niet over met eigen middelen gefinancierde investeringen.

De reserveringen kunnen natuurlijk tot andere doel-
einden gebruikt zijn dan het bekostigen van investe-

ringen. Maar, zelfs afgezien van deze opmerking, hebben

de cijfers van de Spaarkas – zoals ze trouwens zelf

betoogt – slechts een relatieve waarde voor de beoor-

deling van de financiële inspanning der ondernemingen

ten bate vaii hun immobilisaties. Het is voldoende be-

kend dat alle bedrijven een uitgesproken strekking

aan de dag leggen om hun aankopen van uitrustings-

‘) Cfr
buy.
de studie van Duquesne de la Vinelle in het tijdschrift van het
Instituut voor Economisch en Sociaal Onderzoek van de Universiteit te Leuven,
jaargang 1954,
blz.
513.

68

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26 Januari 1955

goederen in ruime mate onder hun algemene onkosten

op te nemen, zodat ze dan hun investeringen financieren

niet met de geboekte reserveringen maar vôôr de boeking

van reserves, ten laste van hun exploitatierekening.

De autofinanciering biedt aan de bedrijven enorme
voordelen. Aan de aldus gebezigde bedragen zijn na-
tuurlijk geen financiële lasten verbonden. Bovendien

laat de autofinanciering toe wanneer ze precies over

,,algemene onkosten” wordt geboekt, de gepubliceerde
winsten te beperken. De tijd is niet meer zoals vroeger,

waar de ondernemingen er prat op waren aanzienlijke

winsten te laten uitschijnen. Deze ijdelheid kost duur

want ze trekt de aandacht van het belastingwezen en

van de werknemersorganisaties die op hun deel in de

winst aanspraken laten gelden.

De autofinanciering wordt des te meer beoefend daar
ze vaak het persoonlijk belang der bedrijfsleiders dient.

Ze verstevigt de onderneming door toevoer van finan-

ciële middelen welke nieuwe immobilisaties mogelijk

maken en een uitbreiding van het zakencijfer in het

vooruitzicht stellen. Zulks zijn in de ogen van menig

tigd beheerder niet te versmaden voordelen
gemach

waartegen de verzuchtingen der aandeelhouders die

naar winstuitkering uitkijken, niet voldoende opwegen.

De autofinanciering heeft aldus een kloof verwekt tussen
de bedrijven en de aandeelhouders of, zo men wil, tussen

de bedrijven en de spaarders. Deze laatsten vertrouwen

hun spaargelden aan de ondernemingen niet meer toe,

door inschrijving op uitgifte van aandelen, omdat ze

aanvoelen dat de ondernemingshoofden meer het be-

lang van het bedrijf en van hun eigen persoon dan dat

van de bezitters van het kapitaal nastreven.

Men moet trouwens erkennen dat in verschillende

bedrijfstakken de winsten vaak ontoereikend zijn ge-

weest om naast een zekere autofinanciering die toch

steeds prjzenswaardig is, ook nog belangrijke dividenden
uit te keren. Zo deze laatste niet aanzienlijk zijn, brengen

ze geen bevrediging aan de geldbeleggers wegens de hoge

en niet belaste interesten door de Staat onophoudelijk

toegestaan bij gelegenheid van zijn talrijke openbare
uitgiften van obligaties. Voor de keus gesteld tussen

een behoorlijke dividenduitkering of een technische

verbetering van het bedrijf door autofinanciering, hebben

de ondernemingshoofden dikwijls aan deze laatste op-

lossing de voorkeur gegëven. Kapitaal aantrekken uit

de markt was geen oplossing: deze verrichting bleek
inderdaad niet te kunnen slagen zoals het nog verder

wordt uiteengezet.

Men geraakt aldus in een kringloop. Omdat de kapi-

taalmarkt het nijverheidspapier niet wil opnemen, wordt

door de ondernemingen de autofinanciering beoefend.
Doch anderzijds omdat naar aanleiding van een verre-

gaande autofinanciering de bedrijven geen voldoende

dividenden uitkeren, worden de uitgiften van de ven-

nootschappen van de hand gewezen.

**
*

In financiële kringen is men ten zeerste bewust van

het gevaar dat de naamloze vennootschap aldus loopt. In

een zoëven uitgegeven brochure van de Federatie der

Christelijke Werkgevers wordt het hele probleem nog-

maals onderzocht. De uitgifte van aandelen is de mach-

tige hefboom geweest die, in de 19de eeuw, ons land heeft

opgetild tot het niveau van een ten zeerste geïndustriali-

seerd gebied. De naamloze vennootschap, die beroep

maakt op het spaargeld van het publiek, laat tevens toe

het lanceren van nieuwe fabricages oer te laten aan het

privé-initiatief, zonder staatsinmenging.

De structuur zelve van het productie-apparaat wordt

in het gedrang gebracht, indien financiers en nijveraars

buiten de autofinanciering de kapitalen niet meer vinden

die zé nodig hebben om in ‘s lands economie onophou-

delijk vers bloed in te spuiten. Het is dan ook begrijpelijk

dat ze, 2 jaar geleden, een ,,Comité Nationl pour le

Développement de l’Epargne Mobilière” hebben ge-
sticht met het doel het vertrouwen van de bevolking

ten bate van nijverheidsfondsen opnieuw, te bekomen.

Alle belangrijke beroepsverenigingen van bankiers, ver-

zekeraars, wisselagenten, nijveraars en handelaars heb-

ben aan het Comité National hun volledige steun toé-

gezegd. Het Comité heeft een ruim opgevatte campagne

ingezet. Heeft het resultaten bereikt? De beursnoteringen

van de nijverheidswaarden zijn in het jaar
1954
beslist

gestegen. Waar men, volgens de statistiek van de ,,Agence

Economiqoe et Financière”, in het begin van het jaar op

het peil 288 stond ten overstaan van 100 voor 1938,

bereikte men per einde December 408. Al zijn deze

cijfers misschien wat overdreven, toch staat het vast

dat de noteringen voor nijverheidsaardelen in
1954

gemiddeld met minstens 20 pCt zijn gestegen.

Doch de eigenlijke uitgiften van aandelen door nieuwe

ondernemingen of voor kapitaalsverhogingen hebben tot

hiertoe zeer beperkte afmetingen behouden. Het reeds

vernoemde jaarverslag van de Algemene Spaar- en

Lijfrentekas bezorgt indrukwekkende cijfers betreffende

het onbeduidend volume van het vers kapitaal dat door

de ondernemingen in 1953 werd aangetrokken. Op

aandelen van vennootschappen werd slechts ingeschreven

met vers geld ten belope van wat meer dan één miljard

fr. terwijl de openbare en private uitgiften van nijver-

heidsobligaties geen 250 millioen fr. opleverden (blz. 41

en 42 van het verslag). Deze uitslagen zijn des te tref-

fender daar de kapitaalmarkt in haar geheel betrekkelijk

ruim is geweest, hetgeen onder andere bewezen is door

de bestendige bijval der uitgiften van het Rijk en van

ondergeschikte lichamen alsook door de groté bedrijvig-

heid van de hypotheekmarkt ten bate van de woning-

bouw.

De cijfers betreffende 1954 zijn natuurlijk nog niet

voorhanden. Zonder aarzeling kan nochtans worden

betoogd dat de ontoegankelijkheid van de kapitaal-
markt voor de industrie tot hiertoe blijft bestaan, al

zijn de uitgiften van de ondernemingen in 1954 toch wel

enigszins belangrijker dan in
1953.

Voor koloniale waarden is evenwel het uitzicht hele-

maal anders. Dat papier wordt steeds door het publiek

gretig opgenomen.
**
*

De practische verdwijning – althans momenteel –

van de openbare uitgiften van aandelen en nijverlieids-
obligaties heeft natuurlijk als gevolg een ruimer beroep

van de ondernemingen op de financiële hulp van de

institutionele beleggers. In de publieke sector, namelijk

bij officiële fondsen voor ouderdomspensioenen, werd

slechts een kleine hoeveelheid nijverheidspapier in de

loop van de laatste maanden ondergebracht. De be-

schikbare middélen van deze fondsen worden inderdaad

ten zeerste aangesproken zowel voor de dekking van

de buitengewone begroting van het Rijk als voor de
financiering der bouwpolitiek van de opvolgentlijke

Regeringen.

Doch anderzijds hebben de private verzekerings-

organismen (vooral de maatschappijen die de verzeke-

26 Januari
1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

69

ringstakken ,,levensverzekering”, ,,arbeidsongevallen” en

,,bediendenpensioenen” uitbaten) geleidelijk meer aan-

dacht geschonken aan de behoeften van de industrie.

In de jaarbalansn van de grote verzekeringsmaat-

schappijen is deze evolutie zeer merkbaar. Juiste cijfers

betreffende inschrijvingen op aandelen en nijverheids-

obligaties door de gezamentlij ke verzekeringmaatschap-

pijen zijn niet beschikbaar. Het is nochtans bekend

dat de portefeuille van geidswaardige papieren van deze

ondernemingen in 1953 met 3 tot 4 milliard Belgisctie fr.

is gestegen en al is een belangrijk deel hiervan overheids-

papier, toch is ook een lang niet te veronachtzamen

belegging in nijvet heidspapier geschied.

Buiten de institutionele beleggers, verschaffen som-

mige officiële credietinstellingen van jaar tot jaar een

ruimere steun voor de financiering van de indûstriële

investeringen. De wet van 7 Augustus 1953 heeft hun

nieuwe mogelijkheden tot hulpverlening aan de onder-
nemingen bezorgd. Wanneer het blijkt dat de nijveraar

niet in staat is voldoende waarborgen aan te bieden

voor het door hem gevraagde investeringscrediet, zo

geeft het Rijk eventueel zijn eigen borgtocht aan de

officiële credietinstelling. Bovendien wordt de rentelast

ten bate van de opnemer van een crediet voor investerings-

doeleinden vaak verminderd door een rijkssubsidie. De
interest wordt aldus teruggebracht op 4 pCt, althans ge-
durende de eerste jaren van het bestaan van het crediet.

Een recent regeringsontwerp dat ter goedkeuring aan

de Kamers is voorgelegd, reduceert de rentevoet tot

1 pCt voor credieten bestemd tot het optrekken van

nijverheidsgebouwen en aangevraagd door onderne-

mingen met kleine of gemiddelde omvang.

De officiële credietinstellingen hebben in het crediet-

apparaat van het land een voorname plaats ingenomen,

al blijft nochtans de omvang van de door hen aange-

brachte financieringsmiddelen eerder gering in ver-

houding tot de autofinanciering door de bedrijven zelf.

Wanneer men in België de industriefinanciering op lange

of halflange termijn globaal overschouwt dan moet men

zoals wij het hierboven hebben vermeld – eerst en

vooral (en in zeer gevoelige mate), de belegging van

eigen winst door de bedrijven als alom geldende finan-

cieringsmethode erkennen.

**
*

Uit de voorafgaande beschouwingen blijkt dat voor

de toevoer van kapitalen naar de ondernemingen tot

dekking van hun investeringsprojekten de raderwerken

van ons financieel apparaat niet meer naar behoren

fungeren. De afzijdigheid van de kapitaalmarkt voor

nijverheidspapier is een feit met verregaande betekenis.

Het is niet definitief bewezen dat deze toestand zal

blijven bestaan. Objectief moet nochtans worden erkend

dat sinds menige jaren nieuwe aandelen van vennoot-

schappen slechts met grote inspanning en in al te geringe

mate aan de man kunnen worden gebracht. Tussen de

twee wereldoorlogen was de evolutie reeds volop in

die zin. Men kan niet blijven wachten op de hernieuwde

bijval van een financieringsformule die niet meer aan de

smaak van het publiek lijkt te beantwoorden.

In verschillende – of beter in de meeste – landen

van Europa heeft men na de tweede wereldoorlog op

een of andere manier beroep gemaakt op de geldmid-

delen van het Rijk om belangrijke projekten uit te voeren

in verband met de oprichting van nieuwe nijverheden.

In België is dat niet gebeurd. Om doctrinale redenen

vooreerst. Men heeft laten gelden dat de Staat een slecht

beheerder is, dat hij wel ten aanvullende titel hulp mag

verlenen aan het bedrijfsleven, maar dat zijn taak niet

verder gaat: waar hij zelf het kapitaal van nieuwe onder-

nemingen al of ten dele zou aanbrengen, overschrijdt

hij – zo luidt de beginselverklaring – de grens van zijn

bevoegdheid. Ook om practische redenen is het verzet

tegen de staatstussenkomst opgedaagd. De Belgische

nijverheid heeft gevreesd dat het beheer van het bedrijfs-

leven aan de privésector zou ontsnappen wanneer de

Staat de financieringsmiddelen tot vestiging van nieuwe

ondernemingen voor een goed deel zou aanbrengen.

Men mag zich afvragen of deze afkeer tegenover iedere

staatsinmenging voor de gemeenschap nuttig is geweest.

Het feit is toch dat België nieuwe bedrijven behoeft en

ze niet voldoende heeft. Waar het privé-initiatief niet bij

machte is geweest de daartoe nodige kapitalen aan te
trekken, heeft de Staat dan niet het recht en de plicht

de leemte aan te vullen? Zou er, voor enkele grootse

verwezenlijkingen, geen vertrouwelijke samenwerking

kunnen tot stand komen tussen hetgeen men de ,,pu-

blieke sector” en de ,,privé-sector” pleegt te noemen?
Beide zouden op kostbare wijze kunnen bijdragen tot

een zekere expansie en vernieuwing van het industrieel

apparaat en ‘s lands algemeen belang zou door een

dergelijke collectieve inspanning vermoedelijk best ge-

diend zijn.

Niet alleen voor de stichting en de uitbreiding van

aanzienlijke bedrijven stuit men overigens op een tekort

aan risicodragend kapitaal. Ook de middelmatige en

kleinere ondernemingen ontdekken meestal niet in de

kring van hun relaties die begoede lui welke aanvullende

kapitalen zouden kunnen bezorgen.

De vorige Regering had een wetsontwerp neergelegd,

strekkende tot de stichting van een Nationale Maat-

schappij voor Investçring. Deze officiële instelling zou

tot taak hebben participaties te nemen in bedrijven die
voor de economische ontwikkeling van het land nuttig
blijken te zijn. Ze zou hoofdzakelijk financieringsmid-
delen bijeenhalen door de uitgifte van obligaties onder

staatswaarborg. De verworven participaties zouden

nooit de helft van het kapitaal ener onderneming over-

schrijden. Bovendien zou de Nationale Maatschappij
voor Investering de plicht hebben de aandelen die ze
bezit te vervreemden, telkens zulks aan een redelijke

prijs kan geschieden.

Tegen dit wetsontwerp waren de beroepsverenigingen

van bankiers en nijveraars meestal totaal gekant. Zij

beschouwden het voorstel als een onaanvaardbare in-

menging van de Staat in het bedrijfsleven. Door de

huidige Regering werd het ontwerp niet hernomen.
Brussel.

R. VANDEPUTTE.

70

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26 Januari 1955

De melkprijsregeling
1955

Toen omstreeks de jaarwisseling de beslissing van de

Regering inzake de nieuwe melkprijsregeling werd be-

kend gemaakt, hebben weinigen vermoed dat deze

kwestie zo sterk de publieke mening zou beroeren. Dat

de Minister voor een moeilijk probleem stond, blijkt

reeds uit het feit dat er twee maanden moesten verstrijken

sedert de oude regeling eindigde. Het was echter alge-

meen reeds bekend dat er zekere prijsverhogingen •op

komst waren.

Als resultaat van veel overleg is nu de garantieprjs

voor melk verhoogd tot 22 cent en de verrekenprjs

voor consumptiemelk tot 25 cent. Uit verschillende

maatregelen resulteert voorts een stijging van de ver-

koopsprijs van gestandaardiseerde melk met 3, in som-
mige gebieden zelfs met 4 cent.

Hoewel vooral deze verhoging van de ,,straatprijs”

heftige reacties in niet-agrarische kringen heeft gewekt,

moet het meikbeleid van de Regering foch in de eerste

plaats als een zuivel-, of liever nog als een algemene
landbouwaangelegenheid worden beschouwd. Bij de

vele aan de beslissingen voorafgaande discussies is het

melkprijsprobleem, meer dan vroeger, geplaatst in het

kader van het gehele complex van overheidsbemoeiing

met de landbouw. Hoewel zeker niet alle zich hierbij

voordoende vraagstukken tot een oplossing zijn geko-

men, moet dit toch als een winstpunt worden besçhouwd.

Het lijkt daarom juist om eerst de landbouwzijde van

het melkprobleem nader te belichten.

De productiekosten.

Het voor 1955 door het Landbouw-Economisch In-

stituut uitgebrachte ,,melkrapport” toont onder andere

aan dat de productiekosten van melk sedert vorig jaar
met 2 â 3 cent, d.i. 10 â 15 pCt, zijn gestegen. De uit-
gangspunten en de methodiek van dit door het L.-E.I.
verrichte kostprjsonderzoek zijn in het afgelopen jaar

onderwerp van een diepgaande discussie geweest, waarbij

wel is komen vast te staan dat van geen enkele zijde

ernstige critiek mogelijk is.

Bij beschouwingen over de resultaten voor dit jaar

hebben, behalve het hogere niveau van de kostprjzen,

vooral ook de grote verschillen tussen de kostprjzen in

diverse productiegebieden sterk de aandacht getrokken.

De uitersten bedragen:
18,5
cent voor het N.-Hollandse

kleiweidegebied en 26 cent voor gemengde bedrijven

op de Brabantse zandgronden. Deze verschillen vormen

dârom een probleem, omdat een uniforme prijsregeling
hierdoor èf weinig betekenis heeft voor de ,,duur” wer-

kende gebieden ?f onnodig grote voordelen oplevert

voor andere gebieden.

Overigens zijn regionaal uiteenlopende productie-

kosen, zeker in de landbouw, een zeer normaal ver-

schijnsél. De verschillen zijn bij de melk dit jaar echter
belangrijk groter geworden, hetgeen zijn oorzaak vindt

in de diverse loonronden. Melk is een zeer arbeidsinten-

sief product en in de gebieden met kleine bedrijven, waar

de productiekosten reeds het hoogst zijn, wordt relatief

in de veehouderj de meeste arbeid besteed. Het effect

van de loonstijging – die voor de landbouw in een jaar

tijd ruim 20 pCt bedraagt – is voor deze gebieden dan

ook het grootst.

Een andere factor die mede verantwoordelijk is voor

de kostenstijging is het niveau van de – door de Over-

heid beheerste – pachtprjzen. Ten opzichte van het

algemeen prijsniveau is dit tot nu toe kunstmatig zeer

laag gehouden en eerst onlangs zijn aarzelend bepaalde

verhogingen toegestaan. Officieel is het uitgangspunt
voor de pachtprjzen: een redelijke bestaansmogelijk-

heid voor de pachter. Een dalende rentabiliteit van de

landbouw zou dus op den duur in de eerste plaats tot

verlaging van de pachten aanleiding moeten geven. Er

dient in ieder geval een nauwe samenhang tussen een

pachtbeleid en een garantieprijsbeleid te bestaan. In

feite echter zijn de productiekosten van de landbouwin

het verleden sterk geflatteerd door de laag gehouden

pachten. Ook na de recente verhogingen zijn de pachten

in vele gevallen nog te laag om de kosten van instand-

houding en noodzakelijke vervanging van bedrijfs-

gebouwen te dekken. Dat het door het Rijk te dragen

,,onrendabele deel” van bepaalde grondverbeteririgs-

werken (ruilverkavelingen) vaak 80 tot 90 pCt bedraagt

spreekt in dit verband ook duidelijke taal.

De gesignaleerde spreiding in de productiekosten is

voor een deel ook toe te schrijven aan verschillen in de
kwaliteit van de grond. Bij een juiste pachtprjsvorming

moet de hoogte van de pachtwaarde de invloed van deze
verschillen compenseren. Algemeen bestaat de opvatting

dat zulks thans in onvoldoende mate het geval is. Om-

buiging van het pachtbeleid in de richting van een grotere

differentiatie in de pachten is, gezien het bovenstaande,

echter alleen denkbaar in de vorm van hogere pachten

voor de betere bedrijven, waardoor uiteraard het ge-

middelde kostenniveau in de landbouw alleen maar

wordt verhoogd.

Doorslaggevend voor de hoogte van de productie-
kosten is ten slotte de ,,efficiency” van de productie.

Het is bekend dat de Nederlandse boer op dit terrein

de vergelijking met collega’s in vele andere landen kan

doorstaan. Niettemin blijven hier steeds belangrijke

mogelijkheden tot verbetering bestaan. De Overheid

heeft zich op het terrein van onderwijs en voorlichting

een omvangrijke taak toegemeten, waarbij behalve de

technische aspecten meer en meer ook de economische

Organisatie van de bedrijven aandacht krijgt.

De garanhieprjs.

Zoals bekend wordt er jaarlijks op basis van de pro

ductiekosten een minimumgarantieprijs voor melk vast-

gesteld. Indien deze prijs, gemiddeld over een vol jaar,

niet uit de opbrengst van de zuivelproducten gerealiseerd

wordt – hetgeen tot dusver steeds wèl het geval is ge-

weest – dan is de Regering gehouden het tekort aan

te vullen. Deze garantie kân voor de Staatskas grote
consequenties hebben daar een tekort van 1 cent, bij

een totale Nederlandse melkproductie van
5,5
mrd kg,
reeds een post van f 55 mln betekent.

Deze garantie vormt een belangrijk onderdeel van

het gehele landbouwbeleid. Een beschouwing van het

voor en tegen van een dergelijke prijsgarantie is hier

wellicht niet op haar plaats. Slechts zij opgemerkt dat

in vrijwel alle Westerse landen, de Verenigde Staten

inbegrepen, een nog verder gaande garantiepolitiek

ten opzichte van de landbouw wordt gevoerd en dat

de regeling hier niet los kan worden gezien van de sterke

prijsbeperkingen in het recente verleden. Daarbij is de

van nature zeer geringe elasticiteit van het aanbod van

26Januari1955.

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

71

landbouwproducten een veel gebruikt economisch argu-

ment.

Voor 1954 werd de garantieprjs vastgesteld op 20,60,

in de loop van het jaar verhoogd tot 21,40. Thans is

zij dus bepaald op 22,00, waaruit volgt dat slechts een

deel van de stijging van de productiekosten in de nieuwe

prijs is verdisconteerd. Dit betekent dat deze garantie

slechts voor een klein deel van de veehouderijbedrijven
de normale productiekosten zal dekken.

Hoewel de gedachte aan regionaal verschillende ga-

rantieprjzen op practische en theoretische gronden

algemeen wordt verworpen, heeft de Regering echter

toch aan deze zeer voorzichtig verhoogde garantieprjs

de toezegging gekoppeld dat in bepaalde productie-

gebieden – gëdacht wordt hier vooral aan de zand-

gronden— zonodig een zekere extra toeslag zal worden

betaald. Het is duidelijk dat dit voor de Staatskas be-

langrijk voordeliger is in geval van roöd, dan een verdere

verhoging van de algemene garantie.

Bij een oordeel over deze garantieprjs spelen de loons-

verhogingen een aparte rol. In de gehele Nederlandse

landbouw wordt nI. slechts ongeveer 1/4 van de arbeid

door loonarbeiders verricht. Deze arbeiders vindt men

bovendien het meest in de akkerbouwgebieden, zodat

kan worden aangenömen dat tenminste 80 â
85
pCt

van de arbeid in de veehouderj door eigen krachten

wordt verricht. Voor zover dus de hogere productie-

kosten het gevolg zijn van loonsverhoging, gaat het

er niet zo zeer om dat tegemoet moet worden gekomen

aan hogere ,,kosten” voor de boeren, maar veel meer
om de vraag, of de Regering deze loonsverhogingen,

welke zij algemeen – o.a. op grond van gestegen wel-

vaart – gewenst acht, ook aan de werkers op de gezins-
bedrijVen toedenkt, en of zij bereid is deze zonodig uit

de Staatskas te betalen!

De verrekenprjs.

Tegelijk met de garantieprijs is er ook thans weer een

zgn. ,,verrekenprijs” voor consumptiemelk vastgesteld.

Deze lag de-laatste jaren ca 10 pCt boven de algemene

garantieprijs.

Het verrekensysteem geeft de gezamenlijke veehou-

ders een vaste opbrengst voor alle consumptiemelk,

die ongeveer 30 pCt van de totale productie uitmaakt.

Met deze regeling wordt voorkomen dat de consumptie-

melkprijs de schommelingen in de zuivelmarkt moet

volgen.

De verrekening loopt via het bekende zuivelfonds en

leverde in de achterliggende jaren voor dit fonds meestal

grote tekorten op, daar de melk tegen de vrije markj-

waarde (zuivelwaarde) moet worden gekocht. Deze te

korten werden door de veehouders opgebracht via een
heffing op alle melk.

Als gevolg van de lagere zuivelprijzen veroorzaakte

de verrekening in de laatste tijd echter een zeker saldo.

De verrekenprjs kan men eigenlijk zien als een jaar-

contract tussen de Staat als vertegenwoordiger van de

consument enerzijds en de gezamenlijke melkprodu-

centen anderzijds. Hoe hoger de contractprjs, hoe

meer de consument moet betalen en hoe geringer de

kans is dat de veehouderij haar garantieprjs niet haalt.

Vor beide zijden bestaat de kans echter dat vrije markt-
prijzen voordeliger zouden zijn geweest.

In de nieuwe verhoging van de verrekenprijs is wèl

een groot deel van de verhoogde productiekosten tot

uitdrukking gebracht. Indien de sombere voorspellingen

ten aanzien van de ontwikkeling van de zuivelexport-

prijzen juist blijken, dan is. de kans daardoor groot dat

de consumptiemelk wederom een voordelig saldo voor

het zuivelfonds oplevert, m.a.w. dat de consument

meer moet opbrengen dan bij een geheel vrije prijsont-

wikkeling het geval zou zijn geweest.
Afgezien van het feit, dat dit jarenlang juist andersom

heeft gelegen, is het verdedigbaar dat voor de veehouder

de opbrengst van consumptiemelk niet afhankelijk

wordt gelaten van de wisselende kansen van de zuivel-

export en dat hij bij een stabiliserende prijsregeling

ongeveer zijn productiekosten vergoed krijgt. -Con-
sumptiemelk is bovendien een bijzonder product, in

die zin dat voorziening door import technisch zowel als

economisch vrijwel is uitgesloten.

Hieronder volgt een summier overzicht van de ga-

rantie- en verrekenprjzen, alsmede van de gemiddelde,

opbrengst van alle melk (die dus vergeleken moet worden
met de garantieprjs) sedert 1949 (per kg met
3,5
pCt vet):

gem.prod.

garantie-

verreken-

gem.
kosten

I

prijs

I

prijs

I
opbrengst

1949/50

………………
.

17,75 a)

17,75 a)

18,71
1950/51

……………..
.

17.50

17,50

19,03
1951/52

………………
.

20,00

20,00

22,03
1
95 2/53

……………..
.

20,00

22,00

20,80
1953/54

……………
20,10

20,60 b)

22,60 b)

.

c)
954/55

……………

22,80

22,00 b)

25,00 b)

Later verhoogdtot 18,00 cent.
Bij 3,7 pCt vet later verhoogd tot 21,40 resp. 23,40.
Nog niet nauwkeurig bekend, doch ongeveer gelijk aan de garantieprijs.

De stl’aatpl’ijs.

Ten aanzien van de straatprjs dient voorop te wc rden ge-

steld dat deze niet door de Regering wordt vastgesteld, doch

in principe Vrij door de meikliandel kan worden bepaald.

De Overheid beperkt zich tot een zeker toezicht teneinde

niet verantwoorde prijsverhogingen tegen te gaan. De

melkhandel is immers een sterk georganiseerde bedrijfs-

tak, waarbinnen meermalen zekere monopolistische

tendenties werden gesignaleerd. Na de recente gebeurte-

nissen heeft de Minister zelfs gemeend een bindende

maximumprijs te moeten vaststellen.

De verrekenprjs vormt uiteraard een vast uitgangs-

punt voor de prjsbepaling door de meikhandel. Deze

verrekenprjs is in principe voor de melkhandel een

vaste inkoopsprjs, waarbij echter de gedurende een

deel van het jaar in bepaalde gebieden zich voordoende

melktekorten een complicatie vormen. De transport-

kosten van ,,aanvullingsmelk” van elders en de daardoor

veroorzaakte meerwaarde van de in de tekortgebieden

geproduceerde melk komt nl. ook voor rekening van

de melkhandel en moet op de consument worden ver

haald
1).

Behalve de transport-, verwerkings- en distributie-

marges, hebben bovendien nog enkele andere factoren

invloed op

de totstandkoming van de – straatprjs: In

de eerste plaats de verplichte
standaardisatie,
die reeds

meermalen onderwerp van discussie is geweest. Hier zij

slechts gewezen op de prijsverlagende invloed, omdat de

vetonttrekking (of de toevoeging van ontroomde melk)

een extra boteropbrengst levert. Bij de verrekening werd

tot dusver deze vrijkomende boter gewaardeerd tegen

een prijs die meestal boven de marktwaarde lag, hetgeen

extra verliezen voor het zuivelfonds opleverde.. Dit is

bij de nieuwe regeling gecorrigeerd waardoor de in-
koopsprjs van standaardmelk met ongeveer 0,5 cent

wordt verhoogd.

In de tweede plaats wordt de consumptiemelk nog

‘) Zie ook ,,E.-S.B.” van 22 April 1953.

72

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26 Januari 1955

steeds van overheidswege
gesubsidieerd. Bij
een Vrije

concurrentie wordt de straatprijs uiteraard daardoor

met een gelijk bedrag lager. Deze subsidiëring Vormt

vanzelfsprekend alleen reeds een argument voor een

zekere bewaking van de straatprjs door de Overheid.
Het bedrag der subsidie, dat in de loop van het jaar

was verhoogd tot bijna 4 cent per kg, werd bij de nieuwe

regeling teruggebracht tot ruim 3 cent, d.i. even boven

het niveau aan het begin van vorig jaar.

De verhoging met 3 cent van de straatprijs bestaat dus

uiteindelijk uit drie elertienten, t.w.
verhoging van de

verrekenprjs
en
verandering
in de
prijs van de standaar-

disatieboter,
welke beide ten goede komen aan de vee-

houderj, en een
subsidieverlaging,
welke een besparing

voor de Schatkist betekent. De vierde cent verhoging

in sommige gebieden wordt gevormd door een blijkbaar

noodzakelijk geachte verhoging van de distributie-

marges. Het feit dt voor de reeds enige tijd ,,gesa-

neerde” gebieden deze laatste verhoging niet geldt,

pleit voor deze saneringen. Deze moeten ten slotte

hun rechtvaardiging vinden in lagere prijzen voor de

consument!

Indien de Regering verhoging van de consumenten-

prijs had willen vôorkomen zou dit technisch zeer een-

voudig zijn geweest, nl. door verhoging van het sub-

sidiebedrag. Voor één jaar zou daarmede een bedrag

gemoeid zijn geweest van f 30 h 40 mln. Een geleidelijk

doorgevoerde prijsverhoging, welke waarschijnlijk grote

psychologische voordelen zou hebben gehad, had uiter-

aard belangrijk geringere financiële gevolgen voor de

Schatkist gehad. Een subsidie op een zo algemeen pro-

duct als melk betekent daarbij alleen een zekere wel-

vaartsverschuiving als gevolg van de belastingprogressi-

viteit. Voor de landbouw zou een beleidin deze ric.hting

ook aantrekkelijker zijn geweest met het oog op de nu

aanwezige kansen op een verminderd meikverbruik. Hoe

deze reactie op het melkverbruik zal zijn wordt intussen
door vele zuiveldeskundigen met zekere spanning afge-

wacht. –

‘s-Q ravenhage.

C. M. HUPKES.

Economische kroniek van Indonesië.

(4e kwartaal 1954).
Nieuwe schipper voor Economische Zaken

De reeds maandenlang durende oppositie tegen het

beleid van de Regering, speciaal op economisch gebied,

en tegen de Minister van Economische Zaken in het

bijzonder, heeft dit kwartaal tot een herschikking van

het Kabinet geleid.

Mr Iskaq Tjokrohadisurjo moest de portefeuille

voor Economische Zaken afstaan aan Prof. Ir Roosseno,
die voordien Minister van Verbindingen was.
Zo is aan de veelbewogen ambtsperiode van Mr Iskaq
een einde gekomen. De invloed die hij heeft uitgeoefend
op het economisch leven van Indonesië is waarschijnlijk

groter geweest dan die van welke zijner voorgangers

dan ook.

Met alle kracht heeft hij getracht het nationale be-

drijfsleven zo spoedig mogelijk de plaats van de buiten-

landse ondernemingen te doen innemen.

Niet het
doel
wekte de critiek der oppositie, maar:

de methoden waarmede hij dit doel nastreefde; het tempo

waarin hij deze overschakeling trachtte te bewerkstel-

ligen en zijn enge interpretatie van ,,nationale bedrij-

ven”. Een critiek die inbrede lagen weerklank vond en

verscherpt werd door de onlangs nog door enkele Par

lementsleden gesignaleerde geruchten van ,,de zeer in

het oog lopende corruptie” welke in het Ministerie

zou voorkomen
1)

Bestemming onveranderd; koers gewijzigd.

De nieuwe Minister verklaarde inmiddels
2)
,,dat de

Regering niet van plan is van haar oude beleid af te

wijken” en ,,dat men zich zal houden aan een algehele
verandering van de koloniale in een nationale econo-

mie”.

Hoewel in zijn rede nog geen scherpe definitie te

vinden is van hetgeen
hij
onder ,,nationale economie”

verstaat, is de totale indruk toch wel, dat hij een ruimere

opvatting heeft dan zijn voorganger.

Voorts is van groot belang, dat de nieuwe Minister

‘) Zie ,,E.-5.B.” van 20 October 1954, blz. 838. ‘) Rede 15 December te Scrnarang.

bij voorbaat de betrekkelijke waarde van eigen kompas
en kaart erkent: ,,Ik ben er van overtuigd, dat het nodig

is om alle plannen en regelingen gezamenlijk te bespre-

ken, ook met belanghebbenden en zonodig met derden,
ter vermijding van een chaos”.

Deze verheugende bereidheid tot overleg heeft overi-
gens nog niet alle geïnteresseerde groepen tevreden ge-

stemd; en met name niet die groepen die van mening

zijn ,,belanghebbenden” te vertegenwoordigen en vrezen

als ,,derden” beschouwd te zullen worden.

Tussen modderbanken en rij’fen.

Het is inmiddels wel duidelijk geworden, dat de voor-

heen gevolgde koers Indonesië in een vaarwater heeft

gebracht, dat bij aflopend getij alle kans op stremmingen,

vastlopen en lekstoten biedt. De sinds 1951 dalende

ruilvoet heeft men door het inzetten van deviezen-

reserves vertraagd en verzacht op de invoer laten door-

werken.

Medio 1954 lieten die reserves geen verdere intering

meer toe. Van dat moment af zou de binnenlandse

voorraad als enige golfbreker moeten fungeren.
Een functie die hoge eisen stelt aan het sociale verant-

woordelijkheidsbesef .van de distributeurs en aan de

doelmatigheid van hun apparaat. En hiermede was bij

de geforceerd snelle uitschakeling van het buitenlandse

handelsapparaat en inschakeling van vaak weinig ervaren

en slecht geoutilleerde ,,nationale” importeurs en hande-

laren niet voldoende rekening gehouden.

Een recent voorbeeld van de moeilijkheden, die hier-

uit konden voortvloeien, biedt de textielvoorziening.

De omvang die het hamsteren en de prjsopdrjving

in textiel hadden aangenomen maakte drastische maat-

regelen nodig.

Begin October trad de volgende regeling in werking.

Alle importeurs moeten voortaan hun textiel na inklaring

enz. verkopen aan een overheidsstichting en leveren aan

bepaalde door de stichting erkende nationale grossiers

en detaillisten. De stichting betaalt de importeurs pas
als zij heeft doorverkoçht aan die grossiers en detail-

26Januari1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

73

listen. De op 31 October nog niet verkochte voorraden

zouden eveneens slechts via de stichting mogen worden

verkocht. Het gevolg was:

dat de zichtbare textielvoorraden snel verminderden

en de prijzen ondanks de prjsvoorschriften in 2

maanden tijd opnieuw 30 â 50 pCt stegen;

onrust bij van ouds gevestigde niet-Indonesische

handelaren (veel Chinezen en Indiërs) en bij oude

Indonesische handelaren, die vreesden niet tot

erkende groep te zullen behoren;

scheef trekken van de verhouding tussen vraag en

aanbod bij de toelaatbare prijzen;

desorganisatie van het bestaande distributie-appa-

raat;

vastzitten van goed en geld bij importeurs, omdat

de stichting niet snel genoeg kon doorverkopen;

opbloeien van illegale handel.

Uit een interview met ,Keng Po” bleek dat Minister

Roosseno inmiddels reeds aandacht hieraan had besteed.
Zo zei de Minister: ,,wegens het ontbreken van een dis-

tributie-apparaat opdracht gegeven te hebben om de

textielen ook in handen van vreemde middenstanders te

geven, voor zover zij deel uitmaakten van het bestaande

distributie-apparaat”.

Meel levert een ander recent voorbeeld van de wijze

waarop door een te snelle en te rigoureuze inschakeling

van het nationale handelsapparaat de voorziening vol-

komen spaak kan lopen. De laatste maanden van 1954

was er practisch geen brood meer te krijgen. Inmiddels

is ook hier snel het nodige gedaan. De bakkers hebben

weer brood en maatregelen zijn genomen om in de toe-

komst een vlotte voorziening te verzekeren.

Meer en oudere voorbeelden zijn’ te noemen van de

moeilijkheden die bij een zeer snelle overdracht van de

functies der ,,niet-nationale” op ,,nationale” handelaren

nauwelijks te vefmijden zijn.

Tijdens een op 22 November te Medan gehouden

economische conferentie zijn zowel Vice-President Hatta

als Minister Roosseno fel van leer getrokken tegen dege-

nen, die nu de kansen kregen om ervaring op te doen en

kapitaal te vormen, doch deze kansen onvoldoende be-

nutten.

Voor de derde maal zal men proberen de ingeschreven

importeurs (4.300) te zuiveren van de zgn. ,,acle-tas-

importeurs”. In verband hiermede is aan alle als im-

porteur ingeschreven firma’s gevraagd v66r 1 Februari

a.s. over te leggen afschriften van hun rekening courant,

loonlijsten, jaarstukken enz. Het hieraan voor de be-

trokken importeurs (mcl. zelf-importerende verwerkende

bedrijven) verbonden w’ërk is enorm. Het aantal krach-

ten van het Ministerie, dat de kennis en de tijd zou hebben

om dit materiaal te bewerken, is gering. Succes van deze

selectiemethode is alleen dan, op korte termijn te ver-

wachten, indien men zijn aandacht concentrèert op

,,de, verdachte gevallen”. Voor grotere zaken is het

onmogelijk binnen de gestelde termijn aan de verplich-

tingen te voldoen
3).

Ruimer water, maar een lekkend schip.

Hiervoor is reeds opgemerkt, dat de moeilijkheden

op het gebied van de import en de distributie geaccen-

tueerd zijn door een daling van de ruilvoet. Voornamelijk

een gevolg van een langdurig dalende beweging in de

wereldmarktprijzen van het voornaamste exportpro-

duct: rubber.

Tot groot geluk voor Indonesië trad omstreeks medio

1954 een merkbare verbetering in in ‘de wereldmarkt-

prijzen •..van rubber; een verbetering, waarvan aanvanke-

lijk het effect gedeeltelijk gecompenseerd werd door een

daling van de copraprijzen, die tot eind September

doorliep. In het laatste kwartaal trad er echter een zo-

danig krachtig herstel van zowel de rubber- als de copra-

prijzen op, dat het niet overdreven is te zeggen, dat het

getij juist op tijd gekeerd is om een volkomen vastlopen

van de Indonesische economie te kunnen vermijden.

Zo zijn de omstaiidigheden, waaronder Minister

Roosseno het roer overnam, althans in dit opzicht,

bepaald gunstiger dan die waar zijn voorganger geleidelijk

in gekomen was. De deviezenreserves zijn nu ruimer

dan men een half jaar geleden voor waarschijnlijk ge-

houden zou hebben. Per 1 Juli ji. waren zij geslonken

tot ca 1 mrd Rp. UIt. September bedroegen zij weer

Rp. 1.450 mln
4).
In het laatste kwartaal zijn zij ver-

beterd met Rp. 438 mln
5).

Een vrij zware depressie is doorstaan. Zij het ook niet

zonder averij. Op verschillende plaatsen zijn lekken ont-

staan, die nog niet zijn gestopt.

Er is veel water binnen gestroomd. De geldcirculatie

nam in de eerste 9 maanden van 1954 toe met 2.179 mln

Rp. tot Rp. 9.666 mln en vervolgens nog eens met Rp.

624 mln’in het laatste kwartaal. –

Het begrotingstekort is

het moeilijkst te stoppen

lek, dat van deze vloed de voornaamste oorzaak is. Dit

wordt goed geïllustreerd door de toename van de door

de Bank Indonesia gegeven voorschotten aan de Rege-

ring in de loop van dit jaar.

le kwartaal
……
Rp.

866 mln
2e kwartaal
…….
Rp. 1.074 mln

3e kwartaal
……
Jp.

849 mln

4e kwartaal
……
Rp.

302 mln

Rp. 3.091 mln
‘).

Overigens is die geldtoename geen verschijnsel dat

zich tot 1954 beperkt.

‘) Naar verluid is een belangrijke verzachting dezer verplichtingen te verwachten.
‘) Bulletin nr 4 van de Bank Indonesia, November 1954, blz. IS.
‘) Althans voor zover zulks uit de weekstaten van de Bank Indonesia is op te
maken. Waarschijnlijk zijn de door particuliere banken in het buitenland aange-houden saldi teruggelopen.
‘) De toename van het bedrag der voorschotten is in het verslagkwartaal opmer-
kelijk klein gebleven in vergelijking met de vorige kwartalen. Dit is waarschijnlijk
goeddeels een gevolg van het feit, dat in het laatste kwartaal weer in ruimere mate
deviezenvergunningen voor de import zijn afgegeven, waarop de importeurs 75 tot
100 pCt van de Rp.-waarde moetei vooruitstorten.

Overziht van de prijsontwikkeling van de buitenlandse prijzen gedurende 1954

van de voornaamste exportproducten van Indonesië

1954

,
4 Jan.

I

1

April

I

1

Juli

I

1

Sept.

I

1

Oct.
1 Nov.
30 Nov.
1

31

Dec.
I

Afscheep

R.S.S. III,
fob Singapore in

Str
54
7
/,
56
1
1,
67
1
/,
67′,
71
76′!,
791
/2
95
3
1,
Singapore
$

cnt

per

Ib
…………..


Copra,
per 1.1. cif

Lnd- in US$
215,—
180,—
186,—
174,50
183,— 196,50
194,—
207,50
Philippijnen
Palnzolie,
per It.

cif

Lnd in

£
78.101—
82.10/—
80.—!— 77.—!—
77.101—
82—/—

84.101—
88-1—
Malaya
Palmpislen,
per

1.5. cif Lnd in

£
66.10/— 50.10/—
48.10/—
45. 51—
48.15/—
50.-1—
49—/—
54.10/—
Malaya
Koffie W(.B.,
per lOO kg c.f. Na-
derland (Ned. crt)
320,—
430,—
415,—
380,— 380.—
.370,—
370,— 350,—
Fndo,,esië
Thee B.O.P.,
per

kg c.f. Neder-
2,05
2,50
2,55
2,65
2,89
3.15
3,43
3,50
Jndo,,esië
land (Ned. crt)

…………..

Tin,
per it. cii Lnd
in
£
660.—!—
737.10/—
755.—!—
733.—/—
731—/—
739.-1—
.718.-1—
9.

1

Malayn

74

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26 Januari 1955

Geidhoeveelheid

Toename

Uit. ’51
…….
Rp. 5.132 mln
Uit. ’52
…….
Rp. 6.719 min

Rp. 1.587
Uit. ’53
…….
Rp. 7.641 min

Rp. 922
Uit. ’54
…….
Rp. 10.446 min ‘)

Rp. 2.805 )

Waar zit al dit geld? De officiële statistieken over de

prijzen geven een opgaande beweging te zien, die veel

geringer is, dan bij een dergelijke geldtoename, cet. par.

verwacht had mogen worden. De Bank Indonesia meende

hiervoor de volgende verklaring te kunnen geven:

toename in de goederen.hoeveelheid heeft het effect

der geldtoename op de prijzen verminderd;

toename van de in de ,,financial sphere” gebonden

geidhoeveelheden
8).

Scheffer heeft de analyse der B.I. aan een critische

beschouwing onderworpen
9).
Hij achtte factor
a
van

ondergcschikte betekenis, terwijl hij het
geldbindend

effect van factor
b
eveneens niet groot achtte. Naar zijn

mening had men zich meer met een schijnprobleem bezig

gehouden omdat men door het werken met de officiële

statistieken over de prjsbeweging, voorbijgezien heeft

de enorme stijgingen die zich hebben voorgedaan in

de prijzen van de min of meer als ,,Iuxe” beschouwde

importgoederen.

Maar wie zich realiseert ho.e gering de relatieve be-

tekenis dezer luxe goederen is, zal ook na deze verkla-

ring zijn vraagtekens nog niet willen wegwissen.

Zo acht Uw kroniekschrjver het mogelijk dat een

belangrijk deel van de geldtoename geen effect op de

prijzen heeft gehad, omdat het
aantal
kassen in de loop

van de tijd sterk is toegenomen. Hierbij kan men denken

aan een groter aantal gezinshuishoudingen dat aan’ het

geldverkeer deelneemt, maar ook aan een groter aantal

bedrijfshuishoudingen, aan
verenigingen
en aan hun

talloze kashoudende afdelingen. Men denke aan de

snelle en brede ontwikkeling van de politieke partijen

en vakverenigingen, aan die van de coöperaties, aan de

enorme uitbreiding van het aantal kleinere bedrijven

op het gebied van nijverheid en handel, aan de tcename

van het aantal importeurs, verzekeringsbedrjven en

tussenpersonen.

Hoewel deze ontwikkeling in het bedrijfsleven niet

altijd gepaard gaat met een toename in de reële pro-

ductie, mag niettemin worden aangenomen, dat zelfs
al zou hier alleen maar sprake zijn van een decentra-

lisatie, toch de som der kassen aanzienlijk groter zal

zijn dan wanneer een dergelijke decentralisatie zich niet
zou hebben voorgedaan.

Maar ook al heeft geldtoename gedurende lange tijd

in mindere mate de prijzen beïnvloed dan men op het

eerste gezicht geneigd zou zijn te veronderstellen, toch

zijn er, juist in het laatste kwartaal, enkele scherp op-

gaande lijnen in de prijzen te constateren. Het algemene

indexcijfer voor de kosten van het gezinsverbruik te
Djakarta steeg in de eerste 8 maanden van
1954
met

ca
31/4
pCt en in de daarop volgende 3 maanden met

bijna 10 pCt.

Kompas en weergias.

6e betrekkelijke waarde van dergelijke indexcijfers

als middel voor de koersbepalirg is bekend. Toch is het
nodig zich te realiseren dat in Indische wateren de om-

‘) Bulletin nr 4, B.I. biz. 7. Van Januari 1954 af heeft men een bedrag van
Rp. 155 mln aan Rurni-saldi buiten de berekening der geidcircuiatie gelaten.
zie ook ,,E.-S.B.” van 20 October 1954, biz. 839.
‘) First annuai Report of the B.I.
‘) C. F. Scheffer: Indonesische Kroniek” – De Economist van October 1954,
biz. 704 cv. ,,A note on the monetary anaiysis bij the Governor of the Bi.” –
Ec. and Fin. of Indoneaia, biz. 652 cv.

standigheden zo zijn dat de richting die deze instrumen-

ten aanwijzen wel abnormaal grote afwijkingen kunnen

vertonen van de feitelijke richting en dat men de grootte

der mogelijke afwijking zo moeilijk kan benaderen. De

verhouding tussen de prijzen in de ene streek wijken

sterk af van die in de andere. Zij vertonen grote ver

schuivingen in de tijd. De goederen- en dienstënpak-

ketten die door de verschillende bevolkingsgroepen

worden verbruikt vertonen grote onderlinge verschillen;

zelfs tussen de leden van één groep onderling. De sa-

menstelling van het pakket van een bepaalde huishou-

ding kan – en moet soms – snel veranderen onder de

invloed van de verschuivingen in de prjsverhoudingen.

Een ander punt, wat ditmaal bijzondere aandacht

verdient, is de beweging in de ruilvoet, die veranderingen

in de ,,terms of trade” geacht wordt weer te geven.

Uit de publicaties van de Centrale Bank is te lezen,

wat dit weerglas aangaf
10)

Terms of trade

Price Index Figures
.1′
_________
Terms of
Trade Exports
lrnports

68
76
90
68
83 89
1949

……………………………
lOO
100
138 104
.

102 133
78
269 356
75

1950

………………………….lOO
1951

………………………….144

1954

Jan
……………………..
247
355
69

1948

…………………………..

1952

…………………………
Febr
…………………….
238
382
63
27!
325
83

1953

…………………………

Apr.

……………………
245
311
79

. .

257
305
84

Mrt

……………………..
.

251
328
77
Mei

……………………..
Juni

……………………..
268 320
80
Juli
………………………
Aug.

…………………….
.261
384
74

Afgezien van de normale voorzichtigheid die bij het

interpreteren van bewegingen in ,,index”-cijfers gebo-

den is, zal men bij de cijfers voor de ,,terms of trade”
van Indonesië nog met het volgende rekening moeten

houden;

Van medio Mei 1953 tot het 4e kwartaal 1954 heeft
men, o.a. voor bevolkingsrubber, exportvergunningen

afgegeven, waarbij de :rekprjs lager lag dan de wereld-

marktprijs. Bij de afgifte van importvergunningen liet

men toe dat bepaalde importeurs tegen buitenlandse

prijzen contracteerden hoger dan de laagst bereikbare.

Dit was de periode van de zgn. ,,istiméwah’s” op het

gebied van im- en export. Daarna is men met een aantal
landen (Volksrepublieken, Frankrijk, Mexico) overeen-

gekomen het handeisverkeer met Indonesië in de vorm

van zgn. ,,parallel”-transacties te doen verlopen
11).

Bij deze vorm streeft men naar een trekprjs voor de

export hoger dan het wereldmarktniveau. Aangenomen

mag worden, dat de tegenpartij een dergelijke hoge prijs

alleen maar kan en wil accepteren, indien hij voor de

aan Indonesië te verkopen goederen ook een relatief

hoge prijs maakt.

De in de im- en exportvergunningen genoemde prij-

zen zijn het grondmatetiaal met behulp waaivan .z.t.

het indexcijfer voor de ,,terms of trade” wordt berekend;

en dan alleen ae ,,terms” van die ,,trade” die langs ge-

controleerde routes gaat.

Nu vaart er heel wat ongeregistreerd de territoriale

IS)
De gegevens t/m 1952 zijn ontleend aan het Jaarverslag van De Javasche
Bank 1952153, blz. lOS; die daarna aan Bulletin nr 4 van de BI., biz. 20. Een noot
bij de Staat van De Javasche Bank geeft de berekeningswijze aan. ,,Caiculated..
by comparing the values of imports and esports with the vaiues they would repte-
sent, had the prices of ’50 been paid respectively received for them. For this cai-
culation imports and exports were both divided into 31 individual and t respectively
3 coliective terms”. De sprong in de indices voor cx- en import van 1952 op 1953
hangt samen met het feit dat in 1953 de officiële koers van de Rp. ‘/ werd van wat
ZIJ
was.
“) Zie ,,E.-S.B.” van 21 Juli 1954, bIe. 580 en ,,E-S.B.” van 20 October 1954,
biz. 838.

26 Januari 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

75

wateren van Indonesië in en uit. Juist dezer dagen komen

berichten binnen over de enorme omvang die de smokkel-

handel tussen Singapore en het omliggende gebied van

Indonesië heeft aangenomen. Vorig kwartaal trokken

onregelmatigheden bij de export van copra uit de Noord-
oosthoek sterk de aandacht. Smokkel gericht op kapitaal-

vlucht of winst; winsten in rupiah’s in vreemde valuta,

of beide. Smokkel die geheel buiten de cijfers blijft waar-

mede men werkt voor de berekening van de ruilvoet en

smokkel die de verwerkte cijfers direct beïnvloedt.

Zo registreert het indexcijfer van de ,,terms of trade”

niet alleen de veranderingen in de data voor de econo-

mie van Indonesië, maar ook de gevolgen van de eigen

politiek; twee invloeden, waarbij de relatieve betekenis

van elk moeilijk te benaderen is. Het registreert niet de

veranderingen in de ruilvoet van het gehele internationale•

goederenverkeer, doch slechts van een deel. En moeilijk

is te zeggen hoe groot de waarde van export en import

zou zijn indien er geen onregelmatigheden waren.

Het is niet gemakkelijk varen met gebrekkige instru-

menten. Alle waardering voor een schipper, die deson-

danks niet te ver uit de koers raakt!

Passagiers en bemanning.

Ruimer water en een gunstige wind. Nu lekken dichten

en pompen. Een kans op behoud, mits…. bemanning

en passagiers meewerken. Hieraan heeft in de afgelopen

jaren nogal wat ontbroken. ,,Protecting so-called natio-

nal businessmen in the import and export business has

too often resulted in further suffering for the Indone-

sian people rather then a benefit to national interests”

zei Vice-President HatÈa in zijn eerder genoemde bood-

schap tot de deelnemers aan de Medan conferentie
12).

En verder: ,,As a result of the corrupt dealings of this

group, which, except for a notable few, is seeking to

make money as quickly and easily as possible, the people

have suffered price increases, a scarcity of commodi-

ties, a deteriorating distribution of goods, and a general

infiation”.

En hierin ligt niet alleen een aanklacht tegen die

passagiers maar ook tegen de bemanning; de goede

niet te na gesproken. In elk land komt corruptie voor;

‘en in zoverre bestaan er slechts graduele verschillen.

Maar indien in een bepaald land de corruptie in haar

verschillende vormen een bepaalde omvâng overschrijdt,

wordt de waarde van een onderzoek naar de te voeren

economische politiek – gezien de doelstellingen van het

betrokken land – dubieus, indien met de gegeven vor-

men en omvang van de corruptie geen rekening is ge-

houden. Zolang in een bepaald land de strijd tegen de

corruptie het euvel nog niet zôver heeft bezworen, dat

zijn betekenis in het concrete geval te verwaarlozen

klein geacht mag worden, is het verschijnsel een datum
voor de economische politiek, dat bij negatie tot geheel

andere resultaten kan leiden dan men had verwacht.

Naar uw kroniekschrjver meent te weten zijn er

talloze landen in de wereld waarin de corruptie geen te

verwaarlozen betekenis heeft, en nochtans ziet men

zelden beschouwingen van economisch politieke aard

waarin aan het verschijnsel voldoende aandacht wordt

geschonken. Zo er al aandacht aan geschonken wordt

beperkt men zich meestal tot de aanbeveling ,,corruptie

bestrijden” of stelt men een integer apparaat als een

conditio sine qua non voor het bereiken van het voor-

spelde effect der aanbevolen politiek.

De strijd tegen de corruptie is in Indonesië een hoofd-

‘) Berita Mapie, December 1954, bli. 13.

taak geworden van het Ministerie van Welvaart, dat

juist dit kwartaal deed weten reeds resultaten te hebben

geboekt. Voor de economen – niet alleen in Indonesië

en zelfs niet in de eerste plaats – wordt het hoog tijd

meer aandacht te schenken aan de in talloze landen

niet te verwaarlozen betekenis van het corruptiever-

schijnsel.

Ook Minister Roosseno zei aan dit punt, dat juist

zijn Ministerie in zo’n kwade reuk had gebracht, speciale

aandacht te schenken. Zowel voor de economie van

Indonesië als terwille van de vele goede artibtenaren

van zijn departement is te hopen, dat hij snel succes

mag hebben.

Goede vaart, schipper!

Djakarta.

Prof. Dr A. KRAAL.

SURINAAMSE KANTTEKENINGEN

(4e kwartaal 1954)

Gevoeglijk kan deze periode het interludium tussen

Tienjarenplan en Satuut worden genoemd. Evenals

gedurende het derde kwartaal waren dit de kernpunten

van het economisch leven. Analoog met de Antillen

ging dit gepaard met een groeiende binnenlands-poli-

tieke onzekerheid, waarbij de verkiezingen van 1955

hun schaduwen vooruit wierpen. Tijdens de jaarwisseling

waren nog slechts vier ministerszetels bezet, hetgeen

vooral voor de verdere onderhandelingen inzake het
Tienjarenplan belemmerend werkte. Het zal van het

allergrootste belang blijken, dat na de verkiezingen een

periode van meerdere stabiliteit zal aanbreken.

De bank verslagen.

Het duidt nog steeds niet op een overmatige snel-

heid bij het uitbrengen der jaarcijfers, dat wederom eerst

in het vierde kwartaal de bankverslagen werden gepu-

bliceerd. Voor de Nederlandse interessent betekent dit,

dat een bespreking hiervan ongeveer gelijktijdig komt

met de eerste verslagen van het volgende jaar der grote

Nederlandse banken.

De Surinaamse Bank N.V. munt wederom uit door

haar diepgaande beschouwing inzake de financiële en
economische ontwikkeling van het land.

Verkorte balans per 31 December 1953

(in Sf)
Munt en muntmateriaal
8.963.218
Bankbiljetten in omloop ..

12.349.555
Vr. papier; zilverbons

. .
.

383.129
Crediteuren

…………
15.937.496
Kas kassiers A’dam
19.431
Sur. Deviezenfonds

……
17.251.071
Effecten

…………….
286.118
De Ned. Bank NV
…….
4.065.111
Sur. Deviezenfonds

……
8.826.367
Bankiers en corr .

……..
76.748
De Ned. Bank N.V
…….
1.417.132
Bestemmingsreservea

….
671.648
Bankiers en corr .

……..
18.025.770
Reserve div. voorz .

……
1.486.153
Disc, en debiteuren

……
15.770.882
Bijzondere reserve
116.625
Hypotheken

…………
15.381
Kapitaal

…………….
1.321.092
Gebouwen

…………
107.967
Reservefonds
…………
164.476
Onverdeeld dividend
……
119.018
Nog niet opgenomen div.
314
Winstsaldo

………… 256.088
53.815.395

53.815.395

Gezien de afsplitsing van het circulatiebankbedrjf
ten gunste van een overheidsbank vraagt de directie

zich terecht af, welke consequenties dit voor de N.V.

zal hebben. Echter acht zij zich nog niet in staat, daarop
een antwoord te geven. 0p verzoek van de Bank besloot

de Bankcommissie, dat een verdere credietbeperking

niet noodzakelijk was alhoewel de liquiditeitspositie
in het oog gehouden dient te worden. Gedurende het

verslagjaar nam het totale geldvolume in Suriname toe
met bijna Sf 4 mln en het deviezenbezit met ruim
Sf.5

76

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26 Januari 1955
mln. Mede in verband hiermede werden de meeste be-

lemmerende importbepalingen opgeheven, alhoewel de

waarde van de uitvoer, behoudens bauxiet, met 3 ton

terugliep.

Aangaande industrialisatieplannen
iS
de Bank pessi-

mistisch gestemd, daarbij o.a. wijzende op de arbeids-

productiviteit en het loonpeil. Een hydro-electrische

installatie zal geen merkbare stimulans in dezen zijn.

De Bank zelve trok zich uit de hypotheekmarkt terug.

De particuliere kapitaalverstrekkers bleven zich tot

heden in hoofdzaak tot dit deel van de kapitaalmarkt

beperken. Daar een bredere kapitaalbasis noodzakelijk
werd geacht in verband mec de komende afstoting van

het circulatiebankbedrjf werd het kapitaal verdubbeld.

Mede dank zij de dividenduitkering in aandelen steeg

dit van Sf600.490 tot Sf1.321.092. Over dit verhoogde

kapitaal werd evenals vorig jaar

12 pCt uitgekeerd.

De grootste, wijziging vond plaats in de debetpost Ban-

kiers en Correspondenten,’ welke met ruim Sf 4 mln

steeg, bijna de gehele stijging van het Surinaamse de-

viezenbezit. Dat omgekeerd het beschikbare metaal-

saldo iets terugliep is de moeite van het vermelden nau-

welijks waard. De kleine daling der incassi hield’ gelijke

tred met de daling van de totale import.

De ontwikkeling van de Bank gedurende 1954 schijnt

blijkens de verkorte weekbalansen vrij van schokken te

zijn geweest. Teneinde zo recent mogelijke cijfers te

kunnen geven volgt hier cen resumé van genoemde
balansen volgens de laatste publicaties van 1953 en

1954:

(in Sf1.000)

26/12/53
-I
31/12/54

Debet
20.784
22.164
Disconto

…..
809
Debiteuren

…………………………….
13.975 12.738

Goud, deviezenrekeningen
…………………..
‘s

………………………..1.065

283
363
Effecten en bypotheken

…………………..
79
Gebouwen

……………………………..86
Sluitrekeningen
…………………………..
.912
150

37.105

36.303

Credit
13.212
.

.
10.442
Deviezenrekeningen

……………………..
6.308

Circulatie: chartaal ………………………..12.397
giraal

………………………….13.216

661
1.321
Kapitaal

…………………………………
.3.916

278
294
Reserverekeningen

………………………….
Sluitrekeningen
……….. …………………
.6.637
4.726

37.105

1

36.303

Het enige in het oog springende feit is hier de gedu-

rende het eerste k-wartaal teruggelopen girale circulatie.

Verwacht kan evenwel worden, dat de totale circulatie

gedurende de komende jaren aanmerkelijk zal stijgen

ten gevolge van de kapitaaltransfers in verband met het

Tienjarenplan. Aangezien een groot deel van de huidigë

chartale uitgifte niet werkelijk in circulatie is, doch

werd opgepot, kan men zich momenteel moeilijk een

oordeel vormen over de toename in grootte en snelheid
van de circulatie gedurende de planperiode.

Uit het verslag van Vervuurt’s Bankier Mij N.V.

blijkt, dat zij de schok van het vorig jaar reeds gedeeltelijk

is te boven gekomen. Zij wist haar schuld aan De Suri-

naamse Bank N.V. van Sf 1.095.000 tot
Sf
603.223

te verminderen en het geleden verlies geheel uit de winst

over 1953 af te schrijven. Het belang van De Surinaamse

Bank N.V. in deze instelling, than’s nog driemaal het

aandelenkapitaal, geeft evenwel een ruime zekerheid.

De snelle uitbreiding van de Volkscredietbank nood-

zaakte het Land mede te werken bij een ingrijpende

kapitaalsuitbreiding. Het eigen vermogen werd versterkt

door het omzetten van een verstrekte lening â Sf 1 mln

in een schenking, waarboven het Land opnieuw een

crediet van Sf 1 mln inruimde en een garantie van Sf 3

mln stelde voor bij derden aangetrokken leningen.

Verkorte balans per 31 December 1953

(in Sf1.000)
vaste activa

…………….
45
Eigen vermogen
…………..
1.530
Kas

……………………
82
Reserves
………………..
191
Leningen u/g

…………….
4.405
De Sur. Bank N.V..
……….
531
Ingekochte panden

……….
31
Herstelbank

…………….
475
Te ont. interest

…………
47
Gouvernement Sur.

…..

400

Deposito’s

…………….
952
Nog niet verd. int .

……….
303
Diversen

……………….
228

4.610 4.610

In October 1954 werd door het Land, vooruitlopende

op het Tienjarenplan, opnieuw een kasvoorschot van

S’f
500.000 to’egestaan. De directie constateert een ver-
betering in de betalingsgewoonten van het aanvankelijk

ongedisciplineerde lenerscorps.

Dank zij de gewijzigde kapitalisatie is de rentelast
van de leningen o/g aanmerkelijk gedaald, waardoor

een exploitatiewinst van Sf 16.000 gekweekt kon worden,

e1ke geheel gereserveerd werd. Juist na het einde van

het verslagjaar traden afzetmoeilijkheden op de’ rijst-

markt op, wat bij de Volkscredietbank te Nickerie de

achterstand bij de verplichtingen der leners in een maand
van 0,86 pCt tot ,9,72 pCt deed stijgen. Het volkscrediet-

wezen bevindt zich in Suriname nog in een beginstadium,

doch gezien de krachtige overheidssteun kan een zegen-

rijke ontwikkeling worden verwacht.

Binnenlands verkee,’.

Nadat in 1953 een particuliere poging was mislukt

besl6ot de Overheid tot oprichting van de Surinaamse

Luchtvaartmaatschappij N.V., waarvan de meerder

heid der aandele’hin bezit van het . Land zal blijven.

In December arriveerden twee eenmotorige Cessna’s,

waarmede begin 1955 een lijndienst Paramaribo-Moengo

zal worden geopend. Ook worden in 1955 twee hef-

schroefvliegtuigen verwacht, die in het bijzonder voor
overheids- en chartervluchten in het binnenland zullen

worden gebruikt. De additionele 10 millioen, welke

Nderland naast het Tienjarenplan als schenking aan-

bood, zal . voor de dringend noodzakelijke Oost-West

landverbinding worden besteed. Enkele weken geleden

wist een expeditie voor het eerst vanuit Coronie over

land Wageningen te bereiken. Deze laatste schakel in de

verbinding van Paramaribo met het meest Westelijke

district Nickerie dient spoedig door een autoweg ge-

vormd te worden teneinde een lonende export van land-

bouwproducten uit West-Suriname mogelijk te maken.

Ook de eerste 100 km Westelijk van de hoofdstad zal

door een nieuwe kortere weg worden vervangen.

Het Algemeen Bureau voor de Statistiek publiceerde
in een aparte uitgave gegevens over het motorrijtuigen-

park. Hieruit blijkt, dat het aantal motorrijtuigen, be-

houdens de militaire voertuigen, sedert 1948 van 800

tot 2.100 toenam. Vanzelfsprekend was de gemiddelde

ouderdom van het wagenpark laag; personenauto’s

36 jaar, vrachtauto’s 3,9 en motorfietsen 3,7. De ge
Qdeld bereikbare leeftijd voor alle motorvoertuigen

wordt op 8 jaar geschat.

Bedrijfsleven.

De reeds eerder gesignaleerde terugslag van de tot

medio 1954 steeds stijgende bauxietexport zette gedu-

rende dit kwartaal door. Ten gevolge hiervan is de totale

26 Januari 1955

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

77

export van 1954 nauwelijks hoger dan van 1953 met rond

31/3 mln ton. De Billiton Mij, die haar aandeel daarin

zag stijgen, splitste haar bauxietbedrjf af in de Billiton

Suriname, Mijnbouw Maatschappij N.V. De Billiton

en de Alcoa beheersen thans wederom het gehele bauxiet-

bedrijf, daar de (ennecott en de African Manganese

verdere exploratie staakten. De daling van de bauxiet-

export beïnvloedde vanzelfsprekend de handelsbalans,

die gedurende het laatste kwartaal aanmerkelijk minder

actief was dan in de daaraan voorafgaande kwartalen,

hoewel ook de irhport van kapitaalgoederen terugliçp.

Op de suikeronderneming Mariënburg stelde de

N.H.M. een nieuwe stijlerij in gebruik. De capaciteit

hiervan is 1 mln liter per jaar, zodat een groot gedeelte

van de producLie voor export beschikbaar komt. De

terugslag op de internationale markten van rijst, koffie

en cacao hadden vanzelfsprekend hun invloed op de

landbouwexport. Enkele kleine rijstverbouwerscoöpera-
ties hadden hierdoor met moeilijkheden te kampen.

0 verheidsmaatregelen.

Hoewel de neiging tot terugkeer naar Indonesië

bij de Javaanse immigranten reeds tot vrijwel nihil was

gedaald, bleek het aantal aanmeldingen voor herver-

werving van het Nederlands staatsburgerschap boven

verwachting groot. De reeds aangekondigde wijziging

van de erfpachtsverordening verliest hierdoor een groot

deel van haar betekenis. Verwacht kan worden, dat

binnenkort de Tariefverordening 1922 geheel zal worden

herzien. Deze herziening zal in hoofdzaak betrekking

hebben op de wijze van heffing.

Het goud- en deviezenbezit van het Surinaams De-

viezenfonds bewoog zich gedurende het gehele jaar

tussen de 16 en 20 mln, per 18 December bedroeg dit

18,9 mln. Zoals wij reeds eerder zagen bleef ook de

circulatie gedurende de laatste drie kwartalen vrijwel

stationnair. Beide feiten kunnen wij zien als verschijn-

selen van een zekere stilstand. De grote expansie van

de bauxietproductie is voorbij, terwijl additionele in-

komstenbronnen nog geen resultaten afwierpen. Op

dit terrein ligt de zwaarste taak van het Tienjarenplan.

Paramaribo, Januari 1955.

G. C. A. MULDER,
S.
Sc., Ps. D.

GELD- EN KAPITAALMARKT
De geidmarkt.

Voor de eerste maal sinds het instellen van een kas-

percentage voor de banken ging De Nederlandsche Bank
de afgelopen week over tot een verlaging van dit percen-

tage en wel tot 8 pCt voor de maandelijkse periode, aan-

vangend 22 Januari 1955. Bij het ingaan van de kasre-

serveregeling, 22 Maart 1954, werd het percentage op

5 gesteld; vervolgens werd het per de 22e (resp. 23e) van

de maanden April t/m Augustus 1954 telkens met 1 pCt

tot ten slotte 10 pCt verhoogd. Laatstgenoemd percentage

bleef tot 22 Januari jE. gehandhaafd.

Van 23 Augustus
1954
tot 22 Januari 1955 werd in de

vorm van kasreserves een bedrag van – volgens schatting

in marktkringen – ca f 500 mln tegoed der banken bij de
Centrale Bank geblokkeerd. Hierdoor, en mede doordat

slechts weinig schatkistpapier afliep; traden er in deze

periode op de geldmarkt vaak verkrappingen op.

Dat thans 2 pCt, dus ca f 100 mln wordt ,,vrjgegeven”

hangt waarschijnlijk samen met het inzicht der Centrale

Bank, dat wellicht een bijzonder sterke marktverkrapping

voor de deur zou kunnen staan. Hierbij valt te denken

aan de storting op de nieuwe staatslening per 1 Februari


a.s. (hoewel de banken daarbij desgewenst schatkistpa-

pier tot een jaar looptijd in betaling kunnen geven) als-

mede aan de storting op de Philips emissie (ofschoon deze

in eerste instantie vnl. slechts een verschuiving tussen de

banken onderling teweeg zal brengen).

Inmiddels heeft de Bankleiding tegelijkertijd een andere

vorm van verlichting van krappe geldmarkisituaties

– althans voorlopig beëindigd, nI. door intrekking

van haar bereidheid tot het in disconto nemen van schat-

kistpapier â 1 pCt. Deze faciliteit gold sinds 23 Augustus

1954 voor papier met maximaal 105 dagen, echter van

15 September – 10 November met maximaal een jaar loop-

tijd. Uit het feit, dat volgens de weekstaten in de periode

23 Augustus 1954-17 Januari 1955 in de loop van 8

weken dgl. papier aan De Nederlandsche Bank werd

overgedragen, blijkt de effectiviteit van deze faciliteit

duidelijk. Deze blijkt ook uit de stijging van de markt-

disconto’s voor het betreffende kortlopende papier tot

een niveau van ca
3/4
â 1 pCt p. j. (tegen in het begin van

1954 ca
1/4
â
1
/
2
pCt p. j:).

De betekenis van deze faciliteit lag niet in de laatste

plaats bij het in rekening gebrachte disconto ad 1 pCt

p. j., dus aanmerkelijk beneden de debetrente in rekening

courant van De Nederlandsche Bank ad 3 pCt.

De kasreserveregeling bracht de afgelopen 5 maanden

mee, dat het zorgen voor hun liquiditeit voor de banken

wederom een echte
zorg
werd en dat de Centrale Bank

weer een ,,laatste instantie” werd, waarop soms werd
teruggev’allen. De disconteringsmogelijkheid â 1 pCt

bracht hierbij een soepelheid, die vermoedelijk veel gemor

heeft voorkomen.

De kapitaalmarkt.

De Amsterdamse aandelenmarkt demonstreerde ge-

durende de verslagweek weer eens haar sterke oriëntering

op Wallstreet, waarvan zij eerst de koersdaling en daarna

het herstel getrouwelijk volgde. Speciaal de grote inter-

nationale fondsen vertoonden hierbij een grote koers-

gevoeligheid, samenhangend met het feit, dat momenteel

velen met deze fondsen op hoge winsten zitten.

Op de obligatiemarkt trok een extra aflossing van

bijna f 200 mln door het Rijk op de Wereldbanklening

de aandacht; ook in Augustus had reeds een dgl. aflossing

plaats gevonden. In het binnenland uitgegeven langlo-

pende leningen stellen de Staat hiertoe in de gelegenheid.

Op deze wijze worden meerdere vliegen in één klap ge-

slagen. De Staat bezuinigt op haar rente-uitgaven (3
1
/
4

pCt i.p.v. 4
1
/
4
pCt p. j.). De Nederlandse deviezenbalans

wordt van een jaarlijks terugkerende $ betaling ontlast.

De Nederlandse institutionele beleggers ten slotte vinden
langs deze weg emplooi voor middelen, waarvoor zij ge-

zien de grote omvang, anders moeilijk een passende be-

legging hadden kunnen vinden.

Aand. indexeijlers
14Jan.
21Jan.

Algemeen

………………………
. …..
230,6
228,0
Industrie

…………………………….
330,8
325,8
Petroleum

……………………………
298,7 293,1
Scheepvaart

…………………………
232,5
229,0
Banken

…………………………………
192,0 190,6
Indon,

aand
………………………….
69,3
69,8
Aandelen
Kon.

Petroleum

……………………
543 532
Unilever

…………………………….
375
1
4
37544

Philips

…………………………………
327½
3241%
A.K.0.

…………………………………
3051%
293
Kon.

N.

Hoogovens

………………
286
270
1
%
Van

Gelder

Zn

………………………
268½
266
H.A.L .

…………………………………
189 188
Amsterd.

Rubber
……………………
110½
11334
H
.V.A

………………………………..
.
141% 140%
Staatsfondsen

pCt N.W.S.

………………………
8i/ie
3-3%

pCt

1947

………………………
100’/l(l
3

pCt

Grootboek

1946

……… ……
99
15
/in
3

pCt

Dollarlening

…………………
9834 98
1
/16
Diverse
obligaties
3% pCt Gem. R’dam 1937 VI
101%
3½ pCt Bkv. Ned. Gem. 1954 11/111
9934

pCt Philips

1948 .
………………
102
1
/in
3½ pCt Westl. HYP. Bank
……
99
1
%

ex inter. div.

81
100f1(3
99
15
/16

101/8
9934
102
99½
J. C. BREZET.

78

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26Januari
1955

De Belgische geld- en kapitaalniarkt

in December 1954

De geidmarkt.

Na een betrekkelijk grote ruimte tijdens de eerste helft

van de maand, kwam de geidmarkt nadien geleidelijk

onder druk vanwege het nakend jaareinde. Met de nog

overwegend chartale geldomloop in België, valt het

dan ook niet te verwonderen dat de jaareind
.
e vervaldag

zware eisen stelt aan de thesaurie van de banken. In

tegenstelling met vorige jaren kwam het zwaartepunt

van de betalingen evenwel niet uitsluitend op de 31 ste,

doch ook reeds op de vorige dag. De verdere afwikkeling

van Ze vervaldag werd grotendeels vergemakkelijkt

door de reconstitutie van de kasmiddelen van de banken

op 3 en 4 Januari, blijkbaar ingevolge belangrijke stor

tingen die verband houden met de eindejaars-verkopen
in de detailhandel.

• Ondertussen hebben de banken de laatste dagen van

December en begin Januari meer beroep moeten doen

op herdisconto van de Nationale Bank. In de week-

staten van de Centrale Bank vinden we hiervan wel enig

spoor, doch dé volledige incidentie zal pas gekend

zijn wanneer de Nationale Bank haar balans op 31

December 11. publiceert.

Kredietverlening door de banken aan de private

economie

(in millioenen franken)
Herditconto van
Po
-rtefeuille
Totale krediet-
de banken bij
handelspapier

verlening der
de Nat. Bank
vande Nat.
private banken
en parastatale
Bank (accepten in-
instellingen
begrepen)

1945 December
4.168
5.171
23.117
1949 December
3.339
4.006 24.506
1950 December
8.543
10.110
27.739
1951 December
7.526
6.703
33.364
1952 Juni
6.875
5.220
32.913
1953 December
8.025 5.379
37.320
1954 Juni
7.699
8.967 a)
38.109
9.163
10.735
36.670
Juli

……………
November
7.693
7.523 a)
39.094
December

,.

7.495 a)

a) Cijfer van
beÇin
volgende maand. meer karakteristiek voor de vervaldag.

De toestand van de banken.

In tegenstelling met de verwachtingen, lag het totaal

van de bankdeposito’s einde November iets lager dan

een maand tevoren. Uit de hierna volgende cijfers blijkt

dat de terugloop van de tegoeden op zichtrekening

grotendeels gecompenseerd werd door een toename van

de termijndeposito’s. De vertraging in de uitgifte van

kasbons en obligaties loopt verder door.

Enkele posten uit de globale bankbalansen

(in milllioenen fr.)

31.12.531
30.6.54
30.10.541
30.11.54

Aktief
38.109
39.366 39.094
11.886 13.120
12.204
Prolong. voorschotten op effecten
1.512
1.125
985
1.465 16.673
16.753 16.969
8.425 8.508 8.456
Kredieten aan de Overheid:

…………
4
3.753
47.690
48.676
47.087

Kredieten ad. private economie:

………
37.320
Handeiswissels

…………………..11.880

Passief

Diverse debiteuren

……………….15.792

67.431
69.963 71.605
71.221

Acceptaties

………………………8.136

58.967 61.677
61.572
60.600
Totale deposito’s

…………………..

8.464 8.286
10.033
10.621
Opzicht

…………………………
Op termijn

…………………….
2.489
2.770
2.798
Obligaties en kasbons

……………..1.921
Ligen middelen
……………………
6
..095
6.430
6.632
6.640

Langs de zijde van de kredietverlening valt naast een

vermindering van de beleggingen in staatspapier, een

proportioneel sterke toename van de prolongaties en
voorschotten op effecten te noteren. Blijkbaar houdt

dit verband met de toegenomen activiteit op de aan-

delenmarkt.

De obligatiemarkt.

De obligatiemarkt heeft het jaar 1954 besloten in een

weinig geanimeerde stemming. Bëpaald zwak tijdens
de eerste helft van December verbeterde de obligatie-

markt nadien enigszins. Deze lichte hausse was niet

algemeen, doch was meer een reactie van bepaalde

waarden op de voorafgaande baisse.

De daling van de rentevoet lijkt evenwel geremd

en de markt. kan moeilijk het koerspeil van vôér de

aankondiging der 4/
4
pCt Staatslening
1954/74,
2e

emissie, terughalen. Ook de trage plaatsing van de jong-

ste 800 mln fr. 4 pCt R.T.T.-lening wijst op de zwak-

kere stemming op de markt en op de terughoudendheid

van de beleggers tegenover een lagere nominale opbrengst.

Daarenboven trok de heropleving van de aandelenmarkt
heel wat belangstelling van het publiek, en de obligatie-

markt onderging hiervan de onvermijdelijke weerslag.

Met de 4 pCt lening R.T.T. 1954/74 werd de activi-

teit op de emissiemarkt in 1954 besloten. Het globaal

bedrag van de publieke emissies van overheidsieningen

bereikte tijdens het voorbije jaar fr.. 39.259 mln t.o.

fr. 20.896 mln in
1953..
Het aandeel van de Schatkist

zelf in deze emissietotalen beliep respectievelijk fr. 14.821

mln en fr. 29.501 mln in 1953 en
1954.
Deze toename

stond vooral in verband met de belangrijke aflossingen

waartoe de Staat vorig jaar gebonden was.

Om de Belgische obligatiemarkt opnieuw wat op

adem te laten komen heeft de Overheid trouwens ver-
schillende dollarleningen voor een globaal bedrag van
$ 50 mln opgenomen op de Amerikaanse markt. Deze

rustkuur is waarschijnlijk broodnodig, wanneer we

bedenken dat de budgetten voor 1955 een globaal door

leningen te dekken tekort van circa fr. 16 mrd in het

vooruitzicht stellen. Daarentegen dient evenwel te worden

genoteerd dat 1955 minder vroegere leningen op verval-

dag zal brengen dan het voorbije jaar.

Rentestand op de obligatiemarkt a)
(in pCt per einde maand)

Gemiddelde
looptijd
Aug.
1948
Juni
1950
Juni
1951
Sept.
1954
Oct.
1954
Nov.
1954
Dec.
1954

Staatsrenten
.
langlopende
4,77
4,38 4,68
4,26 4,26
4,26
4,24
Staatsfondsen
7 â 8 jaar
4,83
4,63
5,24
4,37
4,45
4,51
4,49
Kasbons Steden
5
â 6 jaar
5,07 4,49
5,37
4,70
4,74 4,80
4,81
Kasbons parasta-
tale instellingen
ca 9 jaar
– –
5,41
4,50 4,55
4,63
4,66
Private

instellin-
gen

……….
.10h 12 jaar
6,06
5,43
6,08
4,98 5,02
4,86
4,95
a) Reële rendementen – rekening gehouden met agio en disagio tegenover terug-
betalingsprijs.

De aandelenmarkt.

De . aandelenmarkt bleef zeer vast in December en

de omzetten liepen verder . op. Het gemiddelde koers-
niveau steeg met
4,5
pCt t.o. 3,5 pCt in November.

Maar terwijl in deze laatste maand nog enkele koers-

verzwakkingen dpvielen, was in December de hausse

over alle beursrubrieken gespreid (zie tabel op blz. 79).

Beursrendement

1954

Januari

.

……
5,44
4,74
Februari
.3,62
4,05

5,55
4,89
Maart

………
4,58 5,50 4,53
4,86
5,34
4,08
5,29
5,24
3,88
5,26
5,22 3,80
5,11
5,06
3,61

April

………..
Mei

………..

5,02 5,04
3,57

Juni

………..
Juli

………..

September

. . .
5,45
5,31 3,31
Augustus

…….

October
5,44
4,94
3,43
November

. . .
5,36
4,86
3,33
December
…….
5,39
4,84
.
3,17
Bro,,:
Kredietbank.

De koersstijging bracht ondertussen het rendement op

een relatief laag peil terug, zoals blijkt uit de tabel op

Indices (1936138
=
100)

31.12.53
30.11.54 29.12.54
Beweging in
pCt 2 laatste
maanden 1954

Banken

………………….
238,5
260,9 265,5
+
1,8

+

11,3
Portefeuille
………………..
183,4
233,9
252,2
+ 7,8
+
37,5
145,7
175,5
178,4
+ 1,7
+ 22,4
Trusts

………………….
242,4
243,4 262,5
+ 7,8
+

8,3
206,7 241,9
247,1
+ 2,1
+ 19,5
189,0
195,1
+ 3,2
+ 16,9
Steenkolenmijners

…………..
192,9
202,9
213,8
+
5,4

+ 10,9
114,6
121,2
+ 5,8
+ 69,5
Glasblazerijen
………………
. 92,3
148,7
165,4
+11,2
+105,2
Bouwnijverheid

…………..

..
..

..

239,4 245,6
+
2,6

+ 27,2

Gas

en

electriciteit

………….

Textiel

……………………
174,3
155,0
162,4
+ 4,8

6,8

Metaalnijverheid

……………
Scheikundige producten

………166,9

452,8

.80,6

580,6
614,9
‘+
5,9
+
35,8

Spiegelglas

……………….71,5

Voeding

………………….
107,5

..

127,9 129,3
+

1,1
+ 20,3
231,6

..

273,7
277,5
+ 1,4
+ 19,8

Koloniale

…………………

65,8

..

68,5
68,4

0,2
+

3,9
Verscheidene

……………….

Papiernijverheid

…………..
326,7

..

472,4
477,9
+ 1,2
+ 46,3
Brouwerijen

………………..

Warenhuizen

……………..
366,7
..
435,1
448,6
+
3,1

+ 22,3
Algemeen

…………………
..222,9
257,7
268,7
+ 45
+ 20,5

Bron:
Kredietbank.

Kortrijk.

Dr
L. DELMOTFE.

STATISTIEKEN

DE
NEDERLANDSCHE BANK

(Voornaamste posten in duizenden guldens)


c
..tm n
.8

u,

g

eE
Data
e
nE
‘E.-•ci

.2•
o
05

20 Dec.

1954
3.033.082
1.533.149 1.144
244.288
i3
27 Dec.

1954
3032.406
1.561.355
1.038
247.174
56.98(
3 Jan.

1955 ‘)
3.032.612
1.569.118 1.868
250.817
63.887
10 Jan.

1955
3.032.430
1.618.473
1.757
236.312
38.687
17 Jan.

1955
3.032.148
1.654.469
4.712
231.390
27.241
24 Jan.

1955
3.030.580
1.685.922
1.607
223.109 27.217

Saldi in rekening courant

.H
Data

AS

•O
1-‘

20 Dec.

1954
3.463.697
1.956.284 635.115
7
7
31.565
16.467
27 Dec.

1954
3.579.315
1.895.678
626.458
649.704
41.936
16.812
3 Jan.

1955 ‘)
3.606.846
1.825.424
482.383 649.704
32.125
1.6015
10 Jan.

1955
3.513.610
1.944.837
547.466 649.704
30867
20.88P
17 Jan.

1955
3.454.273
~
2.015.406
2.014.723
620.403
649.704 37.646
20.988
24 Jan.

1955
3.448.939
619.847 649.704 33.878 21.088
‘) Per
deze
datum is de boekvordering op de Staat
der
Nederlanden gedaald
van 17400
mln
tot f300 mln.

BANK INDONESIA

(Voornaamste posten in duizenden rupiah’s)

5e

.

°
o
0

Data
9°’•
.0
2nu3

.oJ
.

to
0

.
> Q
.

8 Dec.

1954
1.055.149 385.766
1.379.965
508.160
4.336.835
15 Dec.

1954 1.055.228
378.248
1.379.572
528.999
4.485.880
22
Dec.

1954
1.055.228 241.774
1.427.266
494.915
4.559.642
29 Dec. 1954
1.055.228
383.106
1.414.714
500.182 4.477.484
5 Jan.

1955
1.055.222
388.672
1.461.289
465.698
4.585.315
12 Jan.

1955
1055.228
399.431
1.457.508
465.285
4.652.117

o
Rekening courant
saldi
0..
vfd Reg. v/d Rep. Indon.
1

Data
0
0 0
Bijzondere rekening
1
.540
.8
0
inzake
de


1
E.C.A.
1
hulp
__
8 Dec. 1954
6.860.520
1.679.996
494,868 2.181.149
15 Dec.

1954
6.954.907
1.691.910
494.868 2.248.172
22 Dec. 1954
7.050.265
11.693.759
494.868 2.166.313
29 Dec.

1954
7.053.903
11.719.039
.
494.868 2.107.932
5 Jan.

1955
7.161.329
11.747.109
494.868
2.099.651
12 Jan.

1955
7.243.853
11,721,583
494.868
2,116.941

jqêoutee,’
U
oi
cte
&

PJ3.

Commissarissen van de

N.V.
PROVINCIALE GELDERSCHE

ELECTRICITEITS-MAATSCHAPPIJ

te Arnhem, roepen op sollicitanten voor

de vrijkomende plaats van

Directeur der Vennootschap

In aanmerking komen energieke perso-
nen, die door hun ontwikkeling en door

hun ervaring blijk gegeven hebben een

grote onderneming te kunnen leiden.

Salaris nader overeen te komen.

Sollicitaties v66r 1 Maart
1955
te richten tot de

President-Commissaris van de vennootschap, adres:

Huis der Provincie aan de Markt te Arnhem.

Het Centraal Instituut voor Industrie-ontwikkeling
(C.I.V.I.) te ‘s-Gravenhage vraagt een

ECONOMISCH MEDEWERKER

(academisch gevormd) ter behandeling van economische en technisch-economische vraagstukken. Ervaring in het
bedrijfsleven gewenst.

Sollicitaties te richten aan de Directie van het C.I.V.I.,
Bezuidenhoutseweg 28 te ‘s-Gravenhage.

Dr J. W. G. OFFERGELD:
DE AMERIKAANSE CONJUNCTUUR EN lIET
NEDERLANDSE BEDRIJFSLEVEN
Prijs
f
2.25.
Het behoeft geen betoog, dat Nederland, met zijn vele
internationale relaties, gevoelig moet zijn voor wijzigingen
in het Amerikaanse conjunctuurbeeld In deze monografie
wordt op duidelijke wijze uiteengezet op welke wijze de
Amerikaanse economie de Nederlandse volkshuishouding
kan
beïnvloeden.

Dit boekje is uit voorraad leverbaar door:

DE WESTER BOEKHANTDEL,
Nieuwe Binnenweg 331, Rotterdam.
Tel. 32076-53941. Giro 18961

I0l

=
.

r

liliii

N
Wij
N
adviseren

omtrent de

H

WAARDERING VAN FONDSEN
H

H
Uit

een

oogpunt

van


M
soliditeit

en

rendement

Nederlandsche

N=

Handel-Maatschappij, NS.
N

H

Hoofdkantoor: Amsterdam, Vijzeistraat 32
H

II
87

kantoren

in

Nederland
II

44 vestigingen

in

Azië,

het

Midden-Oosten,Afrika
II
en
Amerika
H

H
N
M=== 1111 === 111111

11111 ===milli

79

1

Bij een der grote Maatschappijen van Levensverzekering in het Westen

des lands kan op de Afdeling Geidbelegging worden geplaatst:

Jurist

met ‘gedegen bankervaring

Bij gebleken geschiktheid goede vooruitzichten.

Candidaten met ervaring op het gebied van effectenhandel

en credietbeoordeling genieten voorkeur.

Leeftijd omstreeks 35 jaar.

Eigenhandig geschreven brievenmet korte levensbeschrijving, onder bijvoe-

ging van foto, te richten aan de Administratie van dit blad onder no. E-S..4-1

$ ‘PHs. VAN OMMEREN N.V.

gevestigd ie Rotterdam

‘Uitgifte van

f. 10.000.000.- niet-royeerba re. certifkatèn

4

aan toonder van gewone aandelen –

in stukken -van f. 1000.-

ten volle delende in de resultaten van 1 Januari 1955 af.

Ondergetekenden berichten, dat de
inschrijving
op boven.

genoemde uitgifte, uitsluitend voor houders van aandelen en

certificaten Pils, van Om m eren N.V. en van certificaten

N.V. Stoomvaart-Maatschappij ,,De Maas”, zal zijn opengesteld

bij hare kantoren te ROTTERDAM, AMSTERDAM en

‘s-GRAVENITAGE op

WOENSDAG 2 FEBRUARI 1955

van des voormiddags 9 tot des namiddags 4 uur,

tot de koers van 1 500/
o

op de voorwaarden van het prospectus dd. 19 Jauari 1955.
V

Prospectussen en inschrijvingsbiljetten, alsmede afdrukken van

de voorwaarden van administratie en – in beperkt aantal – van

het jaarerslag over 1953 en van de statuten zijn bij voor- .

melde kantoren verkrijgbaar.

I

Rotterdamsche Bank N.V.

Nederlandsche Handel-Maatschappij, N.V.

KWANTITEIT

of

KWALITEIT

?’

Wanneer het U vooral om de
kwantiteit van de reacties op

door Uw’ onderneming ge-

plaatste personeelannonces

gaat, dan menen wij er goed

aan te doen U tevoren te moe-

ten afraden dee annonces

in ,,E.-S.B.” te plaatsen. Hon-

derden reacties voorspellen wij

U beslist niet.

Wilt U echter een indruk heb-

ben van de kwaliteit van de

binnenkomende reacties, dan

zal het U interesseren dat tal-

rijke grote. ondernemingen re-

gelmatig ,,E.-S.B.” inschakelen

als medium voor het oproepen

van functionarissen op hoog

niveau. De ervaring leert deze

bedrijven namelijk dat een

oproep, in ,,E.-S.B.” geplaatst,

een prima selectie van het

aantal reacties betekent, het-

geen een niet onbelangrijke

aanwijzing is voor wat betreft
het ,,aanbod”.

Zoekt U het in de kwaliteit

van – de reacties op Uw per-

soneelannonces, dan geven

wij U ernstig in overweging

om ,,E.-S.B.” als medium in

te schakelen.

Advertentie-afdeling

Postbus 42 – Schiedam

Auteur