Ga direct naar de content

Jrg. 39, editie 1922

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 7 1954

E

/

Beri
.
chten

T.N.O.

46

Prof. Dr Ë. de Vries

Grondstofoverschotten

s

*

Drs F. W. Dirker

Het lianc]elsverkeer tussen de B.L.E.U.

en Nëclerland

*

Drs N. Franken

Een nieuw tariefpian

M. van Audenhove

De hervorming in 1948 van cle gemeente-

ç
1
;-
1
•;,- Ri-;;’

_1

UITGAVE ‘VAN HET NEDER-LANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

1

39e JAARGANG

No 1922.

WOENSDAG 7 APRIL 1954

1çcV ERZEKE,,?

FèfI1•

(,LVENSYIRZEKERING..

“Ik

r
M
A
,

8
ANK SC?

S

S

S
20

R. NgES & ZOONEN

A° 1720

BANKIERS
&
ASSURANTIEMAKELAARS

ROTTERDAM

ÂMSTERDAM – ‘s-GRAVENHAGE

DELFT – SCHIEDAM – VLAARDINGEN

Ook voor
BESCHIKBARE KRACHTEN

is een annonce in ,,Economisch-Statjstjsche
Berichten”

le aangewezen wei.
Annonces, waarvan de
tekst

‘s Maandags in ons bezit is, kunnen, plaatsruimte

voorbehouden, ‘in
het
nummer van dezelfde

week worden op genomen.

H.BRONSJr

MAKELAAR IN ASStJRANTIËN/

TELEFOON
11
19 80

EENDRACHTSWEG II

(3LIJNEN)

ROTTERDAM

JIIIHhIIIIIIIIHhIIIIIIIHIHIP
— —



..

v

‘LAVENBURG’s BANK
I.

u



_
gevestigd te
Rotterdam






II
uITGIFTE van






4
I.LUv

aandelen

aan

toonder,

elk groot t
1.000.— nominaal
,-

ten volle delende in de winst over 1954


en volgende jaren.


Ondergetekende

bericht,

dat

zij

de

— —

inschrijving op bovengenoemde aandelen,


uitsluitend voor houders van claims van
uitstaande

aandelen,

openstelt

bij

haar
kantoren en agentschappen en bij Mâhlers
Bank N.V. te Amsterdam, op

DINSDAG 13 APRIL 1954

van des voormiddags 9 uur tot des


namiddags 4 uur

=
tot dé koers van 112
%

op de voorwaarden, vervat in het prospec-

tus d.d. 1 April 1954.

Prospectussen

en

inschrijvingsbiljetten
zijn bij de kantoren van inschrijving ver-

krijgbaar.

=
ROTTERDAM, 1 April 1954.


N.V. SLAVENBURG’s BANK

!iIIHlHIHHIHIHHIIflHhIiuIi

266

ECONOMISCH-

STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van het Nèderlandsch Economisch Instituut

Adres voor Nederland:
Pieter de Hooch weg 120, Rotterdam- W

Telefoon 38040. Giro 8408.

Bankiers:
R. Mees en Zoônen, Rotterdam.

Redactie-adres voor België:
Dr J. Geluck, Zwijnaardse

Steenweg 357, Gent.

Abonnementen:
Pieter de Hooch weg 120, Rotterdam- W.

Abonnementsprijs,
franco
per post, voor Nederland en de

Uniegebieden en Overzeese Rijksdejen (per zeepost) f26,—,

overige landen f28,— per jaar. Abonnementen kunnen

ingaan met elk nummer en slechts worden beëindigd per

ultimo van het kalenderjaar.
Losse nummers 75 cts.

Aangetekende stukken
in Nederland aan het Bijkantoor

Westzeedijk, Rotterdam- W.

Advertenties.
Alle correspondentie betreffende advertenties

te richten aan de Koninklijke Nederlandsche Boekdrukkerj
H. A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam (Telefoon

69300, toestel 1 of 3).

Advertentie-tarief
f0,30 per mm. Conn-act-zarieven op aan-
vraag. Rubrieken Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”

f0,60 per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt

zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van

redenen te weigeren.

7April1954

ECONOMISCH- STATISTISCHE BERICHTEN

267

«Nederlandse Organisatie voor

Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek

In de Wet van 30 October 1930 bepaalt artikel 1: ,,Er

is eene centrale organisatie voor toegepast natuurweten-
schappelijk onderzoek, die tot taak heeft, te bevorderen,

Uat dit onderzoek op de doelmatigste wijze dienstbaar

gemaakt wordt aan het algemeen belang”.

Na de aldus ingestelde rechtspersoon ën op grond van

genoemde wet ontstonden analoge rechtspersonen, de

,,Bijzondere Organisaties”, elk ten behoeve van een be-

paald gebied. Zo bestaan er nu bijzondere organisaties

T.N.O. voor de nijverheid, handel en verkeer (de Nijvçr-

heidsorganisati, N.O.), voor de landbouw (L.O.),voor
de rjksverdediging (R.V.O.), de voeding (V.O.) en de

gezondheid (G.O.).

Mij nu verder bepalend tot de N.O., die het ‘sterkst

verbonden is met het bedrijfsleven, vermeld ik, dat de

leiding daarvan de taak is van een bestuur, waarin over-

heidsvertegenwoordigers, vertegenwoordigers van werk-

gevers en van werknemers, tezamen met onafhankelijke

deskundigen op technisch of economisch terrein het al-

gemene beleid bepalen.
Een dergelijke gemengde structuur hebben de besturen

der talrijke instituten, die in de N.O. thuis behoren of

daarmede een zeer nauwe band hebben. Van die insti-

tuten zijn een aantal (de meerderheid) elk gericht op een

bepaalde industrietak of op enkele verwante takken,
andere behandelen problemen, die voor zeer uiteen-

lopende industrietakken (en dus ook voor verschillende

instituten uit de éérstgenoemde groep) van betekenis zijn.

Tot de eerste categorie behoren de instituten voor

Leder, Hout, Vezel, Kunststoffen, Grafische Techniek,

Metalen, Verf, Rubber, Keramische Industrie, Wasserij.

Tot de teede groep behoren het Analytisch Insti-

tuut, Brandveiligheid, de Commissies voor Constructies,

Proefstation voor Verpakkingen”, Corrosie, Bouw, Warm-

te-Economie, alsmede het Centraal Laboratorium (voor

meer fundamenteel onderzoek) en het Centraal Technisch

Instituut.

Intussen treden er in een levende organisatie, uiter-
aard herhaaldelijk wijzigingen op in de wenselijk ge-

achte interne organisatie, zodat enerzijds verschillende

combinaties en anderzijds verschillende taakverdelingen

de bovenstaande opsomming aan veranderiri’g onder-

‘hevig maken.

De instituten moeten, elk op hun gebied, speurwerk

uitvoeren en stellen daartoe jaarlijks een tweejaren-

programma op van onderwerpen, die een belofte schijnen

in te houden van economisch profijt bij welslagen van

het speuren naar goede oplossingen. Dit programma

komt tot stand door overleg met verschillende deskun-

digen, waarbij ook zo veel mogelijk het oordeel van per

sonen uit het bedrijfsleven wordt ingewonnen. Daartoe
zijn er commissies van bijstand of andere lichamen per

instituut of per onderwerp. De taak der, instituten is

echter niet afgelopen wanneer het aldus ter hand genomen

speurwerk geslaagd is’ en de resultaten er van zijn gepu-

bliceerd. Er moet ook krachtig bevorderd worden, dat

het bedrijfsleven gebruik maakt van de gevohden moge-

lijkheden. Dit laatste kan veelal beter worden bereikt,

wanneer het bedrijfsleven een bepaald probleem of denk-

beeld a priori als belangrijk erkent en dan het desbetref-

fnde onderzoek door het instituut tegen betaling

laat verrichten. Lang niet altijd echter is de betrok-

ken industrietak reeds tot het inzicht gekomen; dat heX

voor de toekomstige ontwikkeling onmisbaar is, speur-

werkresultaten toe te passen; dikwijls moeten de insti-‘

tuten eerst bij de betrokken industrie dit besef doen

groeien, doordat geconstateerd wordt, dat zij, dank zij

de reeds in het instituut verworven specialistische kennis

(als resultaat van vroeger vrij speurwerk) in een onder-

neming kostelijke voorlichting kunnen geven, dus ,,verder

zijn” dan de technici in het bedrijf.

Zo liep de weg der werkzaamheden ten behoeve van de

industrie in de meeste gevallen langs de nog steeds be-‘

staande soorten der activiteit: vrij speurwerk, de daarop

gebaseerde gratis voorlichting, de betaalde voorlichting,
het dpgedragen speurwerk.

De ontwikkeling in deze zin is in sommige gevallen

bevredigend, in ‘andere gevallen hoopgevend, maar hier

en daar nog een punt van ernstige zorg. Toch is de voor-

uitgang, alles bij elkaar genomen, in de laatste jaren on-

miskenbaar.

‘s’Gravenhage.

Prof. Ir
D. DRESDEN.

INHOUD

Blz.

Blz.

Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuur- ‘

Grepen uit de wetenschappelijke
wetenschappelijk Onderzoek,
door Prof Ir D.

liter a t uur:
Dresden
……………………………
267

Keynes en Eucken,
door Mr H. Hülsmann
…’
279

Grondstofoverschotten,
([oor Prof. Dr E. de Vries
269 Boek bespreking:

De ontwikkeling van het handelsverkeer tussen

T. Ohlsson” On National Accounting,
bespr.
de B.L.E.U. en Nederland,
door Drs F. W.

‘ door Prof Dr J. B. D. Derksen
…………
281
Dirker
……………………………..
271

Internationale notities:

Een nieuw tarifp1an,
door Drs N. Franken
….
275

De econbmische dntwikkeling van Canada,

De hervorming in 1948 van de gemeentefinanciën

door Di’ J. K. Fuz
…………………..
282

in België,
door M. van Audenhove
…………
276 Geld- en kapitaalmarkt,
door Drs J. C. Brezet
283

COMMISSIE VAN REDACT!E. Ch. Gl2zsz; H. W. Lambers; J. Tinbergen; F. de Vries;

C. van den Berg (secretaris). Redacteur-Secretaris: A. de Wit. Assistent-redactéur: J. H. Zoon.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË: F. Collin; J. E. Merrens;

J.
van Tichelen: R. Vandeputte: A. Vlerick,

AUI.ULtKttL VUUItISItliUU*)hIN

268.


ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

7 April 1954
DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK

Prof. Dr E. DE VRIES, Groii/stofoverscholten.

De huidige evenwichtsstoornis op vele grondstof-

markten wordt gekenmerkt door grote voorraden. De

oorzaak ligt in het algemeen belang bij stabiele prijzen

erf als gevolg daarvan overheidsinvestering in voorraden.

De werkgroep ,,surplus disposal” van de F.A.O. heeft

in November uitvoerig beraaslaagd over de gevolgen

van te grote voorraden. Zij had tot opdracht practische

middelen aan te geven om surplussen ter markt te brengen

onder vermijding van nadelige gevolgen voor de normale

productie en afzet. In haar rapport is zij ternauwernood

ingegaan, op de diepingrjpende gevolgen van nationale

en internationale voedsel- en landbouwprogramma’s en

op de structurele wijzigingen in de productie en het ver

koopmechanismé. Schrijver vijst er op dat in de periode

1920-1940 vele landbouwexportlanden, individueel of

gezamenlijk: maatregelen hebben getroffen tot prijssta-
bilisatie met als gevolg dat het exportland de voorraden

moet financieren. Vervolgens gaat schrijver in op de

gevolgen van technologische vooruitgang in de landbouw,

en op oorzaken die ten grondslag liggen aan de tegen-

woordige grondstôfoverschotten.

Drs F. W. DIRKER, De ontwikkeling van het handels ver-

keer tussen de B.L.E. U. en Nederland.

Gedurende de laatste jaren is het handelsverkeer tussen

de Benelux-partners in belangrijke mate naar elkaar toe

gegroeid. Het grote verschil dat in 1948 nog in het onder-

linge handelsverkeër bestond was in 1952 aanzienlijk

verminderd. Bedroeg in’ 1948 het percentage dat de

uitvoer van ‘Nederland naar de B.L.E.U. van de invoer

uitmaakte nog 58, in 1952 was, dit opgelopen tot 86.

In 1953 zakte het door een toegenomen invoer weer iets,

nI. tot 82. Gezien de stabilisatie die zich in 1953 bij de

in- en uitvoer heeft voorgedaan mag volgens schrijver

worden aangenomen dat het onderlinge handelsverkeer

zich in de naaste toekomst ongeveer op dit niveau zal

blijven voltrekken. Vergelijkt men de voornaamste goe-

derengroepen uit het onderlinge handelsverkeer met

elkaar,, dan’ blijkt dat in practisch alle groepen bij de

uitvoer van Nederland de eindproducten naar verhouding

een veel grotere rol spelen dan bij de invoer. De weder-

zijdse aanpassing en aanvulling van de economieën der

unie-partners aan elkaars specifieke productie- en afzet-

mogelijkheden komt zodoende op duidelijke wijze tot

uitdrukking. Vervolgens schenkt schrijver enige aandacht

aan het onderlinge handelsverkeer met betrekking tot de

zgn. sensibele producten.

Di’s N. FRANKEN, Een nieuw tariefplan.

Begin 1954 is het’ rapport gepubliceerd van de werk-

commissie, die is ingesteld door de verdragsluitende

partijen van het G.A.T.T. ter bespreking en bestudering

van enige voorstellen omtrent vernieuwing van de bij

verdere tariefverlagingen te volgen procedure. In dit

nieuwe tariefplan worden de tarieven der deelnemende

landen in een tiental sectoren verdeeld. Het, naar de

invoer, gewogen gemiddelde van het recht in ieder dezer

sectoren zal gedurende drie jaren telkenmale met 10

pCt dienen te worden verminderd. Voor iedeie sector

wordt tevens een demarcatielijn vastgesteld, welke wordt

aangegeven door het gewogen gemiddelde van de rechten
van alle deelnemende landen tezamen. Reçhten uitgaatide

boven bepaalde plafonds dienen tot minimaal deze

maxima te worden verlaagd. Voorgesteld wordt een

geldigheidsduur van vijf jaren. Schrijver vergelijkt dit

nieuwe G.A.T.T.-voorstel met de aanbevelingen van

het Randali-rapport. Vervolgens gaat schijver de mogelijk-

heden na om het G.A.T.T.-voorstel te verwezenlijken.

M. VAN A UDENHO VE, De her vorming in 1948 van de

gemeen tefinanciën in België.

De wet van 24 December 1948 bracht de volgende

diepgaande wijzigingen in het financieel statuut der ge-

meenten: de gemeentelijke aandelen in de opbrengst

der rjksmiddelen werden afgeschaft; t.a.v. opcenten op

rijksbelastingen werd bepaald dat de gemeenten nog

slechts uitsluitend het recht behielden om opcenten te

heffen op de grondbelasting; bepaalde gemeentelijke

uitgaven werden door de Staat overgenomen; het be-

staande Fonds der Gemeenten werd vervangen door twee

verdelingsfondsen; de gemeenten kregen, bij de reeds

talrijke locale belastingen, nog drie nieuwe. De wet be-

paalde ook, dat de opbrengst van de vroegere gemeente-

lijke aandelen in de rijksbelastingen en van de gemeente-

ljke opcenten betreffende de dienstjaren tot en met 1948
aan de gemeenten bleven toegewezen. Door deze laatste

bepaling werden de gemeenten door inhaal van de achter-

stand in de inning dezer biastingen tot in 1951 behoed

voor financiële moeilijkheden. Daarna steeg het aantal

gemeenten dat in moeilijkheden verkeerde van 50 in 1952

tot 150 â 200 in 1953. Indien het vroegere statuut van

toepassing was gebleven, zou de toestand der gemeente-

lijke financiën er thans waarschijnlijk beter hebben uit-

gezien.

– SOMMAIRE

Prof Dr E. DE VRIES, Éxcédents de inatières premières
.

L’auteur expose les raisons qui ont provoqué la créa-

tion de vastes réserves de matières premières; telles qu’eh

les découlent du rapport du groupe de travail ,,sûrplus
disposal” de la F.A.O.

Drs F. W. DJRKER, Le développement des relations corn-

merciales entre 1′ U.E.B.L. et les Pays-Bas.

Durant les dernières années les échanges commerciaux
entre l’U.E.B.L. et les Pays-Bas se sont considérablement

développés comme l’indiquent le progrès des relations

commerciales et lacomposition des importations et des

exportations.

Di’s N. FRANKEN, Un notveau plan tarij’ique.

L’auteur étudie le rapport de la commission instituée

par les parties contractantes au G.A.T.T. en ,vue de

discuter et d’étudier quelques projets relatifs au renou-

vellement de la procédure â suivre, en cas d’abaissements

tarifaires intérieurs.

M. VAN A UDENHO VE, Le réforme en 1948 des finances
communales en Belgique.

Cet article traite de la bi du 24 décembre 1948, en-

traînant de profonds changements du statut financier des

communes. L’auteur conclut que le statut précédent

était plus avantageux pour les communes.

7April1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE..BERICHTEN

269

Grondstofoverschotten

De huidige evenwichtsstoornis op vele grondstof-

markten wordt gekenmerkt door grote voorraden in

tegenstelling tot de scherpe prijsdaling die het kenmerk
was bij vroegere gelegenheden.

De oorzaak is niet ver te zoeken: het algemeen be-

lang bij stabiele prijzen en als gevolg daarvan overheids-

investering in voorraden. Op zichzelf is dit volkomen

begrijpelijk en verantwoord. Om sociale, in de meeste

landen ook om economische, redenen kan geen regering
de boerenstand blootstellen aan desastreuze wisselingen

in prijzen van landbouwproducten. Daar komt bij, dat

de boer kiezer is en daarom is er in vele landen een groen

front dwars door partijgroeperingen heen. De 30 leden
van de landbouwcommissie in het Huis van Afgevaar-

digden in Washington zijn vrijwel eenstemmig in hun

oordeel over de Benson-Eisenhower voorstellen; de

weinige afwijkende meningen komen in beide partijen

voor. Bovendien, het is moreel niet verantwoord om

landbouwprijzen door overheidmaatregelen laag te

houden
in
tijden van oorlog en schaarste, en ze te laten

schieten in tijden van overvloed. De economische recht-

vaardiging ligt in de veelal geringe prjselasticiteit van

de vraag, de permanente aard van de belegging in land-

bouwgrond en landbouwbedrijf, de geringe beweeg-

lijkheid van de arbeid in de landbouw, de vaak minieme

mogelijkheden het productieproces te wijzigen, de familie-

arbeid die het afstoten van arbeidskrachten bemoeilijkt

enz.

Tussen twee haakjes – een aantal industriele grond-

stoffen, waarvoor veel uit deze karakteristieken niet

opgaat, heeft geprofiteerd van deze philosophie, die zich

uitstrekt over grondstoffen, ,,primary commodities”,

in het algemeen. Indien regeringen deze verantwoorde-

lijkheid aanvaarden, en zij is in de depressie der jaren
dertig algemeen aanvaard – volgt als vanzelf het vast-

stellen van richtprjzen of gegarandeerde prijzen, of het

aanvaarden van formules voor het vaststellen van prijzen.

Deze belofte of garantie noodzaakt het regulerende

lichaam (regering, productie-board of marketing board)

tot het opslaan van marktoverschotten, indien de pro-

ductie niet wordt opgenomen tegen de garantieprijs. In

principe zullen deze voorraden van zeer tijdelijke aard

moeten zijn. Het vasthouden van voorraden wordt

natuurlijk gemotiveerd door de inelastische consumptie

en de variabiliteit van het aanbod als gevolg van weers-

invloeden. Voor landbouwproducten werd dit middel

reeds toegepast door Jozef in Egypte.

Geleidelijk is deze redenering uitgebreid tot het over-

bruggen van conjunctuurgolven. Dit is echter een grôte

stap,’die vaak gedaan is tijdens een depressie, maar in

wezen iets geheel anders is dan de theorie van de ,,evei’

normal granary”. Bufferstocks moeten het meer dan

een halve conjunctuurgolf kunnen uithouden, anders

worden zij een gevaar in plaats van een bescherming.

En zonder een effectieve rem op het aangroeien van de

bufferstock is er een gevaarlijke tendentie om ieder

boven het hoofd te groeien. Daarom zijn bufferstocks

in feite ondenkbaar zonder krachtige regeringssteun.

Er zijn zelfs weinig uitzonderingen op de regel dat alleen

een veel landen omvattende internationale bufferstock
het uit kan houden.
De jongste Commisie van de Verenigde Naties voor

het aangeven van middelen om grondstoffenprijzen te

stabiliseren was een groot voorstandster van buffer-

stocks als stabilisatie
1).
Doch zij kon alleen de tinstock-

regeling in de jaren dertig als geslaagd geval citeren.

Nu is tin een bijzondere grondstof. Tinerts wordt in

een klein aantal landen gevonden. Het wordt voor de

volle honderd procent op de wereldmarkt verkocht,

en er bestaanD nauwe organisatorische banden tussen

de ertswinning en de smelterj, die op haar beurt in

een gering aantal handen is. Zonder smelterijen istinerts

waardeloos.

Er is misschien maar één landbouwproduct waarvoor

deze criteria eveneens gelden, kinabast, en het zou ge-

vaarlijk en kortzichtig zijn om uit de er,varing met tin

en kina vèrgaande conclusies te trekken met betrekking

tot grondstoffen en in het bijzonder inzake landbouw-

producten.

Tussen de aanprijzing van bufferstocks in het ge-

noemde rapport van de Commissie van Deskundigen en

de gelijktijdige besprekingen in de Voedsel en,Land-

bouorganisatie (Conferentie Rome November
1953,

en de werkgroep ,,surplus disposal” Washington, Maart

1954)
bestaat een merkwaardige tegenstelling. Met name

de Werkgroep heeft uitvoerig beraadslaagd over de

gevolgen van te grote voorraden. In hlar rapport is

weinigte bespeuren van een overtuiging dat de voor

raden in handen van de Commodity Credit Corporation

het middel zijn waardoor het doel – stabilisatie van

landbouwinkomen – kan worden bereikt.

Van alle grote landen heeft alleen Canada, met name
de Canadian Wheat Board, verklaard dat er wel abnor-

maal grote vooriaden aan het eind van het seizoen zijn

te verwachten, maar dat dit merendeels een gevolg is

van goede oogsten, en geen reden tot ongerustheid

geeft. Canada heeft dan ook vrijwel niet deelgenomen

aan de besprekingen in de werkgroep
»
surplus dispo-
sal”.

De Werkgroep kon moeilijk tot de conclusie komen

dat het aanleggen en aanhouden van bufferstocks een
middel is tot het bereiken van meer stabiliteit; zij had

tot opdracht practische middelen aan te geven om sur-

plussen ter markt te brengen onder vermijding van

nadelige gevolgen voor de normale productie en afzet.

In haar rapport is zij ternauwernood ingegaan op de

diepingrjpende gevolgen van nationale en internatio-

nale voedsel- en landbouwprogramma’s en op de struë-

turele wijzigingen in de, productie en het verkoopme-

chanisme. Het ‘loont de moeite deze vragen in een meer

algemeen verband te bezien.

In de periode 1920-1940 hebben vele landbouw-

exportlanden, individueel of gezamenlijk, maatregelen

getroffen tot prjsstabilisatie. Het directe gevolg hiervan

is dat het exportland de last te dragen krijgt van het

financieren van voorraden. V66r 1930 kochten buiten-

landse – veelal Brits-Indische – handelshuizen de

suiker van Java en tot 1927 werd het normaal geacht

dat de oogst verkocht was véôr zij was afgeleverd aan

de havens. Met de instelling van de NIVAS verviel

de prikkel tot aankoop van een gehele campagne vol-

komen en moesten de cultuurbanken op Java de suiker

financieren. De instelling van een kapokcentrale in

het voormalig Ned.-Indië in 1937 had tot onmiddellijk

1)
Zie .haar rapport: ,,Cmmodity trade and economic development”; vgl.
van 23 December 1953 en van 6 en 20 Januari 1954.

270

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

7 April 1954

gevolg een ,,kopersstaking” in New York en een ver-

plaatsing van de voorraden van importiand naar export-

land. Het omgekeerde is eveneens waar: gedurende

minstens vijf jaar vôér 1940 kochten Amerikaanse spe-

culanten de peperoverschotten uit de Lampongs, ge-

baseerd op de intussen verouderde conceptie van een

5 tot 7-jarige periodiciteit in de peperproductie bij een

inelastische vraag. De Indische Regering heeft vermeden

zelf minimumprijzen te garanderen, omdat het te ge-

makkelijk zou zijn geweest voor de grote houders van

peper (het Dupont concern) om onde de ,,paraplu”

van een stabilisatieschema hun voorraad te liquideren.

Zoals bekend is, heeft de tweede wereldoorlog de Ameri-

kaanse peçespeculatie tot een groot financieel succes

gemaakt.

De Braziliaane koffievalorisatie’schema’s zijn het

meest notoire voorbeeld van de gevaarlijke consequen-
ties van grote voorraden als men van jaar tot jaar wacht

op de piisoogst die niet komt. Zowel het geval van de

koffie als van de peper tussen 1925 en 1940 is een fraaie

illustratie van het belang van technologische wijzi-

gingen in het productieproces – in beide gevallen de

verbeteringen van het wegennet in de belangrijkste

productiegebieden. Wie alleen statistieken leest en daaruit

conclusies trekt of trends construeert, loopt het grote

gevaar de verborgen
celeris paribus
van gelijkblijvende

techniek te verwaarlozen.

‘De huidige 1adbouwsituatie biedt daarvan overvloedig

bewijs. De vervanging op grote schaal van muilezels en

paarden door tractoren heeft in de Verenigde Staten

alleen 50 millioen acres vrijgemaakt voor directe voed-

selgewassen; zij heeft vele millioenen acres tarweland

in Canada bevrijd van het ,,slechte-voorjaars-risico”.

Mede door de betere wegen is Turkije hierdoor in drie

jaar tijd van een importiand van tarwe tot een van de

vijf be1angrijkste tarwe-exporteurs’ geworden (in po-

tentje althans, omdat Turkije geen kans heeft gezien

alle surplussen te verkopen). Hybride maïs heeft in de

Verenigde. Staten sprongsgewijs de opbrengsten met

30 pCt opgevoerd; zonder deze vinding zou er nog een

dringend tekort aan maïs zijn. Mechanische katoen-

oogsters verlagen de productiekosten in arbeidsarme

streken met 10-20 pCt en bewerkstelligen verschui-
vingen in het katoenareaal. Het vindën van lange en

kortedâg soyabonen heeft het econtmisch areaal van

dit gewas verveelvoudigd.

Kortom, de langzame technische vooruitgang in

de landbouw is een mythe gewordèn. Welke invloed

zullen bewerkingen van tropische grond met onkruid-

doders hebben op het productiekostenniveau? Wat is

het effect van nieuwe methoden ter bestrijding van ziekten

en plagen in vele gewassen? In welk tempo komt nieuw

land in productie als gevolg van betere wegen, gemeclia-

niseerd transport en de organisatie van technische hulp?

Het huidige probleem van de overschotten aan land-

bouwproducten berust niet alleen op technologische

vooruitgang. Het is geconcentreerd op Noord-Amerika

als gevolg van een kettingreactie: meer zekrheid voor
de landbouwers door organisatorische en wetgevende

maatregelen in de jaren dertig, de behoefte aan voedsel-

reserves gedurende de wereldoorlog, de enorme export

van voedsel onder UNRRA en ECA, voortdurende

steunmaatregelen, betwijfeld in 1948/49, doch versterkt

door de Korea-ervaring, het herstel van het productie-

vermogen in Europa en Azië, valutapreferenties voor

gelijksoortige producten van elders en door dit alles

heen voor de eerste keer buiten -West-Europa een

werkelijk doordringen – van technische verbeteringen.
De Werkgroep had de beschikking over schattingen

van de FAO die een algemene stijging van voorraden

aantonen.

Voorraden, voor zover bekend, einde van het seizoen

(in millioenen tonnen)

1952

1954

Tarwe
………………
17,6

44,8

voedergranen
……. . …
22,5

33,0
Rijdt

………………
0,7

25
Katoen

…………….
2,9

3,9

Suiker
……………….
4,8

8,3

Voor de Verenigde Staten afzonderlijk zijn de cijfers

over meer producten bekend. Van eind 1951 tot eind

1953 stegen de voorraden als volgt:

(in 1.000 tonnen)
Boter

……………………
30-130
Kaas

……………………
110-190
Gedroogde ondermelk

……..
50-230
Plantaardige, eetbare oliën
.’…

190-550

De Werkgroep bevond dat voor zuivelproducten
het vraagstuk in hoofdzaak een intern Amerikaans

probleem is: onderconsumptie en geen overproductie.

Plantenvetten winnen tegen boter, maar verliezen hard

tegen nieuwe industriële afwasmiddelen. Lijnzaadolie
verliést doordat soyaboonolie kan worden getransfor

meerd tot vervangingsmiddel.

Het suikerprobleem is op Cuba geconcentreerd; de

Internationale Suiker Overeenkomst verzoet de zuurheid

van uitbreiding met overheidssteun enigszins, maar niet

afdoende. Katoenvoorraden worden nog gereguleerd

door areaalbeperkingen in de Verenigde Staten. Dit

heeft echter zijn grenzen; andere landen werken al met

exportsubsidies (al dan niet in de vorm van differen-

tiële geldkoersen). De voorraden voedergranen worden

niet bezwarend geacht, omdat de export slechts een
marginaal deel van de Noordamerikaanse productie

opneemt en het gemakkelijk zou zijn om de veestapel

uit te breiden als de prijzen voör vlees en zuivelproducten

daalden.

In wezen is er een rijsttekort; alleen omdat Burma en

Thailand te lang hebben- geaarzeld om hun prijzen te

verlagen, blijven zij nu met een overschot zitten. Twee

millioen ton is echter veel, want in Azië is rijst slechts

beperkt houdbaar. Een veel kleinere hoeveelheid rijst

in de uitvoerhavens’ had vroeger altijd desastreuze ge-

volgen voor de prijs. Het is er mee als met aardappelen

– het Verschijnen op de markt van nieuwe rijst doet de

overjarige duf en onsmakelijk lijken en het publiek taalt

niet meer naar de oude.

Doorslaggevend in het beeld zijn de tarwevoorraden.

Een carry-over van 45 millioen ton is equivalent aan

twee jaar wereldexportert en staat gelijk met 80 pCt

van de jaarlijkse productie der 4 belangrijkste export-

landen. De vraag naar tarwe is minder prjselastisch

dan die van enig ander landbouwproduct. In de landen

met hoog nationaal inkomen daalt de consumptie per

hoofd; in Noord-Amerika daalt zij sneller dan de be-

volkingsaanwas. Tegelijkertijd beheerst ‘tarwe het ge-

bruik van de grond; areaalsbeperking leidt bijna automa-

tisch tot overmatige aanbouw van andere gewassen

(de eerste schatting van het landbouwareaal in de Ver-

enigde Staten in 1954 bevetigt deze stelling).
De Internationale Tarwe Overeenkomst bevat geen

veiligheidskleppen tegen een langdurige serie van over-

matige oogsten, behalve de verplichting van importerende

landen om tegen de minimumprijs een overeengekomen

quantum af te nemen. Doch de hoeveelheid aldus af

te zetten is weinig groter dan de helft van de normale

7 April 1954′

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

271

wereldexport. Slechts weinige landen zouden het nemen

van bijzondere maatregelen willen uitstellen tot de tarwe-

prijs beneden $ 1,55 per bushel zou zijn gedaald. De

Werkgroep heeft niet aanbevolen een bufferstock-over-

eenkomst voor tarwe te negotiëren, noch staat de Inter-

pationale Tarweraad dit middel vor.

De Werkgroep acht het een troost dat zoveel tarwe

in handen is van kapitaalkrachtige organen, die niet

van zins zijn om â tout prix te verkopen. Maar zij be-

schouwt dit slechts als een betrekkelijke en tijdelijke

garantie?tegen een desastreuze prijsval, niet als een middel

om voorraden te ruimen en nog minder om voorraden

te voorkomen.

In een volgend artikel zullen wij wat nader op deze

beide laatste vragen ingaan.

washington D.C.

E. DE VRIES.

D ontwikkeling van het handelsverkèer tussen de

B.L.E.U. en Nederland

Toen in 1947 door de parlementen van België, Luxem-

burg en Nederland het besluit om tot een economische

unie tussen deze drie landen te komen officieel werd

bekrachtigd, werd reeds de yerwachting uitgesproken –

en men rekende dit tot één van de vele voordelen – dat

dit zou leiden tot een vergroting van het onderlinge

handelsverkeer. Er is daarom alle aanleiding, nu de

Benelux gedurende enige jaren, zij het nog niet in en

afgeronde en volmaakte vorm, heeft gefunctionneerd,

eens na te gaan wat de gevolgen voor het onderlinge

handelsverkeer in feite zijn geweest. Hiervoor is des te

meer aanleiding nu er – na de, somtijds min of meer

onstuimige, veranderingen die zich in de voorgaande
jaren hebben voorgedaan – in 1953 in het handelsver-

keer tussen de drie partnerlanden een zekere stabilisatie

schijnt te zijn ingetreden. /

1-fajideisveikeer van. Nederland mei de B.L.E. U.

(maandgemiddelden in mln gid)
INVOER

Totaal
I
Landb.
I

Tcxt.
Metaal
Overige

13,5
0,7
2,7
5,5
4,6

60,9
2,1
10,6
32,2
15,9
3,1
14,2
30,2
15,8

938

……………………….

4,5
52,4 38,0 24,3

1948

……………………….
1949

……………………..3,3

147,3
5.4
42,5
65,8
33,6
1950

……………………..119,2
1951

……………………..
120,5
3,9
27,6
58,0
31,0
1952

………..

..

…………
1953

…………………….. .127,3
4,6
34,9 50,2
37,6

UITVOER

Totaal
I
Landb.
I

Text.
Metaal
Overige

4,1.
0,9

. 1,0
2,8

1948

…………………….
35,2
17,8
4,8 6,0
6,7
.

03,4

22,2
5,1
6,1
8,9

1938

……………………..8,8

26,4
8,4
9,1
16,2 1949

……………………..42,2

32,1
12,3
16,6
28,9
1950

……………………..60,1
1951

……………………..89,9
1952

…………………….
39,5
16,4 18,2
29,2
1953

……………………..
.104,6
34,5
18,4
20,8
30,9

Vooialeçr in te gaan op de ontwikkeling van het onder-
linge handèlsverkeer en de verschuivingen die daarin zijn

opgetreden is het nuttig eerst iets te zeggen over de

samenstelling en de omvang van het handeisverkeer

tussen de drie Benelux-landen. Om het beeld daarbij

niet al te veel met details te belasten is volstaan met een
uitsplitsing van dit handelsverkeer in vier grote groepen

producten, te weten de agrarische, de textiel- en de

metaalproducten, terwijl de rest in een groep ,,overige

producten” is samengevat.

De op blz. 272 en 273 afgebeelde grafieken laten duidelijk

zien dat de uitvoer van de B.L.E.U. naar Nederland van een

geheel andere aard en samenstelling is dan die van Neder-

land naar de B.L.E.U. Neemt in de laatste de uitvoer

van landbouwproducten een Vrij belangrijke plaals in

(til,
ongeveer 35 pCt van de totale uitvoer iiaar de

B.L.E.U.), in de uitvoer van de B.LE.U. naar Nederland

is zij practisch een te verwaarlozen factor. Daarentegen

vormen in de uitvoer van de B.L.E.U. de metaalproduc-

ten, evenals trouwens bij de uitvoer naar derde landén,

de grootste groep. (ca 40 pCt van de totale uitvoer naar

Nederland), terwijl daarnaast de uitvoer van textiel-

producten en de overige producten in 1953 ieder onge-

veer 25 â 30 pCt voor hun rekening namen. Bij de uitvoer

van Nederland naar de B.L.E.U. vormen de ‘textielpro-

ducten.de kleinste groep (in-1953 slechts ca 18 pCt van de

totale uitvoer naar de B.L.E.U.). Opvallend is daarbij

dat de uitvoer van textielproducten van de B.L.E.U. naar

Nederland ongeveer het dubbele bedraagt van de invoer

van deze producten uit Nederland. In de jaren 1950 en

1951 was zij zelfs het zes- en viervoudige. Deze laatste

verhoudingen waren echter het gevolg van bijzondere

omstandigheden en kunnn daarom ook moeilijk als

maatgevend worden beschouwd. Eveneens dient nog te

worden gewezen op de, in de laatste jaren steeds toe-

nemende, betekenis van de groep ,,overige producten”.

Vooral de sterke stijging van de uitvoer van deze produc-

ten van de B.L.E.U. naar Nederland in 1953 is daarbij

in het oog lopend. In deze groep behoren cement, mest-

stoffen, steenkool, chemische producten, benzine, gas-

en stookolie en de karton- en papierwaren tot de belang-

rijkste producten.
De grafieken geven, evenals trouwens de hiervoor ver

melde tabel, eveneens een goed beeld van de sterke ont-

wikkeling welke het onderlinge handeisverkeer, vooral

sedert het in werking treden van de Voor-Unie in Decem-

ber 1949, de laatste jaren te zien heeft gegeven. De uitvoer

van de B.L.E.U. naar Nederland verdubbelde van 1948

op 1953. Dit betrof begrjpeljkerwijze in hoofdzaak de

industriëlt productie. De grootste stijging gaf daarbij

de textielsector tè zien, aangezien de uitvoer van textiel-

producten naar Nederland van 1948 op 1953 ôngeveer

verdrievoudigde. Daardoor bedroeg in de eerste elf

maanden van 1953 de uitvoer van textielproducten naar

Nederland 24,6 pCt van de totale uitvoer van textiel-

producten van de B.L.E.U. In 1948 was dit percentage

nog slechts
15,5,
terwijl in het onge’one jaar 1950 het

zelfs 35,2 had bedragen.

Hiertegenover was de totale uitvoer van Nederland

naar de B.L.E.U. in 1953 het drievoudigevan die in 1948.

Deze stijging deed zich daar 1ij alle groepen voor, doch

was het grootste voor de textielproducten en de groep

,,overige producten”. De eerste gaf ongeveereen verdrie-

voudiging, de laatste een meer dan verviervoudiging te

zien.

Het wekt dan ook geen verwondering dat de groei van

het onderlinge handelsverkeer tussen de drie Benelux-

landen na de oorlog sterker was dan die van het handels-

verkeer met de rest van de wereld. De overwegende positie

die de drie Benelux-landen in 1953 in elkaars handels-

272

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

7
April 1954

75

70

65

60
55

50

45

4c

3

3c

iNVOER VAN NEDERLAND UIT DE B. L.E. U. (maandgemiddelden in mln. gid.)
Agrarische

producten


TexHeI

MeaaI

Overige

1
• •
:

4-

_._..-•_-.._._••,’
•%._._•_


.-..-
..
….
j.

38 ’48 4
.
9 ’50 ’51 ’52 ’53 J.

’52

/
0.

J.

A.

J.

V.
’53

verkeer innemen, spreekt in dit opzicht duidelijke taal.

Waren voor de laatste oorlog Frankrijk, Duitsland
1
en

het Verenigd Koninkrijk de voornaamste handels-

partners van de B.L.E.U. en kwam Nederland eerst op

de derde (bij de uitvoer) of de vierde plaats (bij de invoer),

na de oorlog heeft deze situatie zich radicaal gewijigd.

In 1953 was Nederland zowel de belangrijkste leverancier

als de voornaamste afnemer van de B.L.E.U. geworden.

In dat jaar moesten de Verenigde Staten, die sedert de

oorlog voortdurend de voornaamste leveranciers van de

B.L.E.U. waren geweest (in 1947 kwam zelfs
26,5
pCt

van de totale invoer van de B.L.E.U. uit de Verenigde

Staten), deze plaats aan Nederland afstaan. Omgekeerd

neemt thans,de B.L.E.U., die reeds v66r de oorlog een

belangrijke plaats daarin bekleedde, in het internationale

handelsverkeer van Nederland dezelfde plaats in. In 1953

kwam 17,1 pCt van de totale invoer van Nederland uit

de B.L.E.U. (in 1938: 11,5 pCt), tervijl zij
15,6
pCt van

de totale uitvoer van Nederland voor haar rekening nam

(in 1938: 9,9 pCt). Daartegenovr was het percentage

dat de invoer van de B.L.E.U. uit Nederland van haar

totale invoer in beslag nam opgelopen van 8,6 in .1938

tot 13,9 in. 1953, terwijl in. dit laatste jaar ruim 17,5 pCt

van. de uitvoer van de B.L..E.U. naar Nederland ging

(in 1938: 11,6pCt). In de laatste jaren hebbende Benelux-

partners dus dank zij de economische unie beiden in

vergelijking met 1938 ongeveer
5,5
pCt van het handels-

vérkeer met derde landen overgenomen. Dit betekent dat

het onderlinge handelsverkeer van de Benelux-landen
relatief met ongeveer 50 pCt is toegenomen. Voor het

industrieel handelsverkeer liggen deze percéntages iets

anders. Doordat de landbouw voor de uitvoer van

Nederland, in tegenstelling tot de B.L.E.U., van vrij

grote betekenis is, nam België in vergelijking met 1938,

ongeveer
5
pCt van de industriële invoer van Nederland

uit derde landen over, terwijl dit percentage voor Neder-

land 4 bedraagt. De Belgische industrie heeft dus iets

meer voordeel kunnen behalen dan de Nederlandse

industrie.

Het handeisverkeer van ‘de B,L.E.U. met Nederland

en omgekeerd dat van Nederland met de B.L.E.U. heeft

sinds 1948 geen parallel verloop te zien gegeven. In de

eerste jaren na de oorlog was, door de ongunstige positie

van de Nederlandse betalingsbalais, het handelsverkeer

tussen deze landen, evenals dat met de rest van de wereld,

nog in een keurslijf van bilaterale beperkingen gewrongen.

Onder de werking van het Voor-Unie-verdrag werd ech-
ter in December 1949 een begin gemaakt met de liberali-

satie van het önderlinge handelsverkeer. Deze voltrok
zich eerst voor de metaalproducten en daarna voor de

7April1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

273

textielproducten. Als gevolg daarvan ziet men in 1950

de uitvoer van de B.L.E.U. naar Nederland plotseling

bijna verdubbelen. Dit werd voornamelijk veroorzaakt

door de sterk gestegen textieluitvoer, die in dat jaar prac-

tisch verviervoudigde. De stijging in de metaalsector was

veel geringer. Deze begon eerst in 1951 sterk omhoog te

lopen. Dit was echter niet het gevolg van de Benelux,

doch van de Korea-hausse. De uitvoer van de B.L.E.U.

van metaalproducten naar derde landen gaf namelijk

in dat jaar een nog grotere toeneming te zien. De sterke

stijging van de uitvoer van textielproducten naar Neder

land in 1950 werd veroorzaakt door de grote inhaalvraag

welke er toen nog in Nederland bestond. In 1951 begon

echter al enige verzadiging op te treden, welke direct

resulteerde in een daling van de uitvoer van textielproductèn

van de B.L.E.U. naar Nederland, die tot ongeveer Augus-

tus 1952 heeft aangehouden. Desniettegenstaande liep

de totale uitvoer naar Nederland in 1951 nog verder op,
en bereikte, door een toegenomen uitvoer van de andere

industriële producten met name van de ijzer- en staal-

industrie en van de metaalnijverheid, in dat jaar een top-

hoogte. In 1952 begon evenwel in Nederland, mede door

een gestegen import uit West-Duitsland, ook een ver-

zadiging van de vraag.naar metaalproducten op te treden,

waardoor in het begin van datjaar een sterke daling van de

uitvoer van metaalproducten naar Nederland plaatsvond,

die tot ongeveer Augustus heeft aangehouden. Als gevolg

van een en ander viel de totale uitvoer van de B.L.E.U.

naar Nederland in 1952 terug tot het niveau van 1950.

Dit was het geval niettegenstaande in September van dat

jaar zich in de uitvoer van textielproducter(, niet alleen

naar• derde landen, doch ook naar Nederland, een vrij

belangrijk herstel voordeed, terwijl ook de uitvoer van
metaalproducten sedertdien zich enigszins verbeterde.

Dit herstel van de uitvoer hield het gehele jaar 1953 aan.

Dit jttar wordt dan ook gekenmerkt door een niet on-

aafzienljke toeneming van de textieluitvoer naar Neder-

land, zonder dat het evenwel mogelijk was om het onge-

woon hoge niveau van 1950 en 1951 weer te bereiken. De

uitvoer van metaalproducten naar Nederland was in

1953 eveneens zeer stabiel, met een iets stijgende tenden-

tie. Het meest in het oog vallend is echter de sterke

stijging van de ,,overige producten”. Deze stijging wordt

voor een zeer groot deel veroorzaakt door een toege-

nomen uitvoer van cement, steenkolen, gasolie, leder-

en rubberwaren, glas en glaswerk.

De uitvoer van Nederland naar de B.L.E.U. vertoont

in deze jaren een heel wat minder spectaculair beeld.

Grote top-uitvoeren, gevolgd door sterke dalingen, deden

zich daarbij niet voor. Kenmerkend voor de uitvoer van

Nederland naar de B.L.E.U. is daarentegen een voort-

durende en regelmatige, zij het5in 1953 afnemencie, stij-

ging, welke er toe leidde dat eerst in 1953 een topniveau

werd bereikt. Deze regelmatige stijging constateert men
in practisch alle sectôren. Zo was de uitvoer van Neder-

land naar de B.L.E.U. zowel voor de textielproducten

als voor de metaalproducten in 1952 ongeveer drie maal

zo groot als in 1949. In 1952 begint de stijging echter

een duidelijke afviakking te vertonen, welke eveneens

in 1953 aanhoudt. Dit is ook het geval voor de uitvoer

van de ,,overige producten” welke, met name in de jaren

1950 en 1951, een sterke toeneming te zien geeft.

In deze groep speelden vooral de uitvoer van benzine,
gasolie en stookolie een belangri5ke rol. Ruim 35 pCt

van de toeneming in de jaren 1950 en 1951 kan op rekening

van deze posten worden gschreven. Daarnaast was de

toeneming van de uitvoer van chemische producten,

huiden en vellen, karton en papier en hout eveneens

60

55

50

45

40

35
30

25

20

15

10

UITVOER VAN NEDERLAND NAAR DE B.L.E.U.
(maandgemiddelden in mln, guldens)


Agrarische producen


Texhel

Metaal

– – –
Overige
/
!
/

/

’38 ’48 ’49 ’50 ’51 ’52 ’53J

A
.

J

0

J

A

.

J

’52

1

’53

274

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

7April 1954

aanmerkelijk. Alleen de landbouwproducten vrmden

in 1953 een uitzondering. De uitvoer van deze producten

liep ni. in dat jaar enigszins terug, hetgçen overigens in
overeenstemming was met de daling van de invoer van

landbouwproducten van de B.L.E.U. uit derde landen.
Het gevolg van de hiervoor geschetste ontwikkeling

is geweest dat gedurende de laatste jaren het handels-

verkeer tussen de Benelux-partners in belangrijke mate

naar elkaar toe is gegroeid. Het grote verschil dat er in

1948 nog in het onderlinge handelsverkeer bestond, was

dan ook in
1952
aanzienlijk verminderd. bedroeg in 1948

het percentage dat de uitvoer van Nederland naar de

B.L.E.U. van de invoer uitmaakte nog 58, in 1952 was dit
opgelopen tot 86. In 1953 zakte het door een toegenomen

invoer weer iets, ni. tot 82. Gezien echter de stabilisatie

die zich in 1953 bij de in- en uitvoer heeft voorgedaan

mag worden aangenomen dat het onderlinge handels-

verkeer zich in de toekomst ongeveer op dit niveau zal

blijven voltrekken.

Daarnaast kan nog op een ander verschijnsel wor-

den gewezen. Vergelijkt- men de voornaamste goede-

rengroepen uit het onderlinge handelsverkeer met elkaar,

dan valt het op dat in practisch alle groepen bij de uitvoer

van Nederland de eindproducten naar verhouding een

veel grotere rol spelen dan bij de invoer. Van de totale

industriële uitvoer naar de B.L.E.U. had bijv. in 1952
40 pCt betrekking op eindproducten, terwijl dit bij de

invoer maaf 20 pCt was.

Bij de toenemende vraag in

België naar Nederlandse producten, lag het accent dus

op de eindprodücten, terwijl het daarentegen hij de groei-

ende afzet van Belgische producten in Nederland juist op

de grondstoffen en halffabrikaten lag. Da, door de inter-

nationale arbeidsverdeling binnen het raam van een

economische unie te verwâchten, wederzijdse aanpassing

‘eP aanvulling van de economieën der unie-partners aan

elkaars specifieke productie- en afzetmogeijkheden komt

hier zodoende op duidelijke wijze tot uiting.
Gezien de betek

enis die momenteel gehecht wordt aan
het onderlinge handelsverkeer met betrekking tot de zgn.

sensibele producten, is het interessant ook hier enige

aandacht aan te schenken. Daarbij zal niet in details

wordengetreden aangezien dit binnen het kader van dit

artikel veel te ver zou voeren. Teneinde de betekenis van

het totaal der sensibele producten binnen het raam van

het gehele onderlinge handeisverkeer te kunnen vast-

stellen, kan met de grote lijn worden volstaan.

Zoals uit de cijfers blijkt, zijn de sensibele producten

bij de uitvoer-naar de B.L.E.U. van meer belang dan bij

de invoer. Had van de totale industriële uitvoer in 1953

17,9 pCt betrekking op sensibele producten, bij de invoer

bedroeg, dit maar
5
pCt. De textielproducten vormen

daarbij de belangrijkste post, aangezien deze meer dan

de helft uitmaken van de totale uitvoer aan sensibele

producten naar de B.L.E.U.

Van de totale uitvoer aan textielproducten naâr de

B.L.E.U. maken zij eveneens een belangrijk deel uit. Van

de f 18,4 mln, welke er in 1953 gemiddeld per maand

aan textielproducten uit Nederland naar de B.L.E.U.

werd geëxporteerd, had ni. f 7,2 mln (d.w.z. circa 40 pCt)

betrekking op sensibele textielproducten. Daarentegen

werd er slechts voor f 4,9 mln gemiddeld per maand aan

sensibele textielptoducten (d.w.z. circa 14 pCt van het

totaal) ingevoerd.

Industrieel haidelsverkeer van Nederland met de

B.L.E. U.

INVOER

(maandgemiddelden in mln gld)

textiel
overige

totaal
waa
~
v
an
totaal

1938

………… . ……………….

0,1

4,6

0.3
1948

…………………………..

1
0,6

0,6

15,9

1,2
1949

…………………..

……..

.

1,0

15,8

1,3

.2,7

1950

…………………………..

52,4

10,0

24,3

2,2
.14,2
.
1951

……………………………42,5

7,9

33,6

3,8
1952

……………………………27,6

3,6

31,0

1,6
1953 a)

………………………….34,9

4,9

37,6

1,9

UITVOER


textiel
overige

totaal
waar
v
an
totaal
waar•ai
bel


2,8
0,2
2,2 6,7
1,2
. 2,3

1,8
8,9
1,3
1938

……………………………0,9

2,8
16,2
2.9

1948

……………………………4,8
1949

……………………………
5,1
1950

…………………………….8,4
1951

…………………………..
4,2
1

28,9
5,2
1952

…………………………..

16,4
.

.18,4
6,5
29,2
6,3
1953

a)

………………………….
7,2

1

30,9
6,6
a) Gemiddelde van de maanden Januari t/m November

De ontwikkeling van de in- en uitvoer van sensibele

textielproducten vertoont sinds 1949 hetzelfde beeld als

de totale in- en uitvoer van textiel van Nederland uit en

naar de B.L.E.U. De invoer geeft een ongewoon hoog

niveau te zien in 1950, gevolgd, door een sterke daling in

1951 en
1952;
vervolgens een herstel in
1953.
De uitvoer-

gaat daarentegen na 1949 in een steeds stijgende, zij het

in de loop van 1952 en 1953 afnemende, lijn omhoog.

Daardoor was de uitvoer van, sensibele textielproducten

/
naar de B.L.E.U. in tegenstelling tot het totale handels-

verkeer van textielproducten in 1952 en 1953 groter dan

de invoer van deze producten. Ook hier ziet men dat bij

het onderlinge handelsverkeer de eindproducten voor

Nederland van grotere betekenis zijn dan voor België.

Bij de invoer vormen nIl de garens en de weefsels de groot-

ste posten, terwijl omgekeerd bij dci uitvoer juist de garens

heel weinig, doch de weefsels en de eindproducten veel

betekenen. Het hiervoor reeds gememoreerde verschijnsel

van de wederzijdse aanvulling van de economieën der

Benelux-landen is hier dus klaarblijkelijk ook aanwezig.
Bij de sensibele producten valt het eveneens op dat de

uitvoer van Nederland naar de B.L.E.U. een zekere stabili-

satie heeft ondergaan. Sterke stijgingen hebben zich ook

daar in de laatste 12 maanden niet voorgedaan. Daar-

tegenover nam de invoer van sensibele producten uit de

B.L.E.U., na de daling van 1951 en 1952, in 1953 over

het algemeen toe. Voor
sommige
producten, bijv. woliën
en halfwollen dekens, wollen weefsels, papier en papier-
waren was de stijging zelfs vrij belangrijk. Deze ontwik-

keling

deed zich, behoudens een enkele uitzondering,

zowel bij de in- en uitvoer van sensibele textielproducten

als bij de sensibele ,,overige producten” voor. De bete-

kenis van deze laatste is echter, zoals uit bovenstaande

tabel blijkt, voor het totaal van de groep ,,overige”

veel geringer dan bij de textielproducten het geval is.

‘s.Gravenhage.

F. W. DIRKER.

7April1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

275

Een nieuw tariefpian

In een voorgaande beschouwing werden de aanbe-

velingen van de Commissie-Randall aan President Eisen-

hower, op het stuk van de tariefwetgeving, ge’steld tegen

de achtergrond van de plannen welke in het GATT

werden gesmeed voor de voortzetting van de verlaging

van invoerrechten. Geconstateerd werd, dat de Ameri-

kaanse plânnen in deze omgeving gezien verre onder de

maat blijven
1).

In het volgende moge een nadere uitwerking worden

gegeven van deze vergelijking.

De verlaging van invoerrechten’ in het GATT.

In ht lader van het General Agreement
011
Tariffs

and Trade werden opmerkelijke resultaten bereikt ,bij

het streven naar verlaging van invoerrechten. Gedurende

een 3-tal grote tariefconferenties werden 58.000 tarief-
posities geconsolideerd of verlaagd door landen, welke

tezamen ongeveer 80 pCt van de wereldhandel beheersen.

De resultaten waren echter duidelijk afnemend en de

voornaamste oorzaak daarvan wordt .gevonden in de

grote dispariteit in
tarieven.
Naast landen met een relatief

hoog tariefniveau, staan de landen met betrekkelijk lage

rechten. Deze laatste ontmoetten bij gebrek aan concessie-

mogelijkheden, toenemende moeilijkheden bij de verdere

verlaging van rechten, terwijl de hoge tarieflanden zich

verzetten tegen een verdere afbraak van hun tariefmuren

met als enige concessie daartegenover de toezegging van-

de landen met lage tarieven, hun rechten niet te verhogen.

De spelregel, dat de binding van een laag tarief gelijk

staat aan de verlaging van een hoog recht, vond weinig

erkenning meer.

Deze ontwikkeling leidde tot overleg omtrent vernieu-

wing van’de bij verdere tariefverlagingente volgen proce-

dure. Verschillende voorstellen werden gelanceerd. Begin
1951 verscheen een voorstel van Benelux tot multilatérale

besprekingen over verlaging per artikelgroep. In de loop

van dat zelfde jaar volgde een plan van de Franse dele-

gatie bij de vergadering van het GATT, tot een algemene

reductie met telkenmale 10 pCt gedurende drie opeen-

volgende jaren, terwijl in de Raad van Europa een voor-

stel van de Zweedse econoom Ohlin werd geaccepteerd,
dat voornamelijk is gebaseerd op de bepaling van tarief-

maxima voor verschillende goederencategorieën
2).

De verdragsluitende partijen van het GAIT stelden

een werkcommissie in, ter bespreking en bestudering van

deze voorstellen. Eind October 1953 werd het werk van

deze commissie afgesloten met een rapport, dat begin

van dit jaar werd gepubliceerd onder de titel ,,A new

proposal for the reduction of customs tariffs” ).

Het nieuwe voorstel.

In korte trekken komt dit nieuwe plan, dat de hoofd-

zaken van het vermelde Franse plan en van het voorstel

Ohlin overneemt, op het volgende neer.
1. De tarieven der deelnemende landen worden in een

tiental sectoren verdeeld. Het, naar de invoer, gewogen

gemiddelde van het recht in ieder dezer sectoren zal gë-

durende drieopeenvolgende jaren telkenmale met 10 pCt

dienen te worden verminderd. De keuze van de te ver-

lagen posities in ieder der jaren is geheel Vrij.

Voor ieder der sectoren wordt tevens een demarcatie-

‘) ,,Kanttekeningen bij het Randail-Report”, in ,,E.-S.B.” van 17 Maart 1954.
2)
Voor een uitvoerig commentaar op deze voorstellen, vgl. Verlaging van
invoerrechten in de jaren na 1945″, in ,,lDe Econonist” san Maart 1953.
‘) GATT/I954-1, Genêve 1954.

lijn vastgesteld. Het gewogen gemiddelde van de rechten

van alle deelnemende landen tezamen, .bepaalt deze

demarcatielijn; Ligt het gewogen gemiddelde van het

tarief van enig land in de betreffende sector beneden deze

demarcatieljn, dan wordt het verplichte verlagings-

percentage evenredig verminderd, met dien verstnde,

dat, indien het’ gewogen gemiddelde ligt op 50 pCt be-

neden de demarcatielijn (de ,,fioor”), de verplichte ver-

laging nihil zalzijn.

Rechten uitgaande boven bepaaldè plafonds dienen

tot minimaal deze maxima te worden verlaagd. Deze

plafonds zijn vastgesteld op een niveau van ca tweemaal

het rekenkundig gemiddelde van de geheven rechten en

bedragen: voor grondstoffen
5
pCt, halffabrikaten 15 pCt,

eindproducten 30 pCt en agrarische producten 27 pCt.

Slechts in bijzondere gevallen worden uitzonderingen

toegestaân.

Voorgesteld wordt een geldigheidsduur van 5 jaren.

Dit wil ‘zeggen, dat de deelnemende landen zich verplich-

ten gedurende deze
5
jaren, ingaande bij het begin der

actie, de verlaagde posities niet te veriogen, geen invoer-

rechten te heffen welke boven de gestelde plafonds uit-

gaan en ten slotte om het gewogen gemiddelde per sector

te consolideren. Zulks houdt in, dat voor iedere verhoging

van rechten een compensatie noodzakelijk wordt.

In een aantal nevenpunten vindt men een vèrgaande

detaillering t.a.v. de wijze waarop de gemiddelden zullen

worden berekend, de vaststelling van de plafonds, de

ectorindeling, excepties voor fiscale rechten etc. Een

uitzondering wordt voorts gemaakt voor minder ont-

wikkelde gebieden welke onder gematigde voorwaarden
kunnen meedoen.

Het vobrstel in verband met het Raizdall-rapport.
Vergelijkt men dit nieuwe GATT-voorstel met de aan-

bevelingen van het Randali-rapport, dan blijkt duidelijk

hoe dit Amerikaanse voorstel. ,,onder de maat blijft”.

De maximale verlaging waartoe de Verenigde Staten

gedurende de eerstkomende drie jaren zouden kunnen

overgaan-.– gesteld dat de aanbevelingen van de Commis-

sie-Randali door het Congres worden overgenomen –

bedraagt
5
pCt per jaar. Daarenboven vermeldt Randall

een algemeen maximumtarief van 50 pCt.
De vraag rijst thans of onder deze omstandigheden het

GATT-voorstel nog enige kans op verwezenlijking heeft.

Inderdaad bestaat een, zij het kleine, kans
:

De Europese landen zoulen kunnen besluiten het

GATT-voorstel ofiderling tot’uitvoer te brengen, zonder

de medewerking van de Verenigde Staten. Handhaaft

men daarbij de meestbegunstigingsclausule – en dat

wordt nadrukkelijk in het plan gestipuleerd – dan zou

dit betekenen, dat men de Verenigde Staten aanmerke-

lijke concessies zou moeten doen, die niet worden gecom-

penseerd door een adequate tegenprestatie. Een dergelijk

voorstel is practisch niet te verwezenlijken. Economisch

gewenst is juist de omgekeerde situatie, waarbij de Ver-

enigde Staten op grond van hi.in crediteurpositie een meer
dan evenredige tegenprestatie leveren.

Een tweede mogelijkheid ligt in het over boord werpen

van de meestbeganstigingsclausule tegenover Amerika.

Daarmede zou een nieuw preferentieel gebied worden

geschapen. Zoals reeds in de voorgaande beschouwing

over het Randali-rapport werd opgemerkt, zou een derge-

lijk besluit vermoedelijk een belangrijke versterking geven

276

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

7April1954

aan het protectionistische streven in de Verenigde Staten.

Het GATI’ stelt ook niet ten onrechte vèrgaande voor-

waarden voor de cieatie van nieuwe preferenties en staat

deze o.a. toe, indien sprake is van de vorming van een

nieuwe douane-unie of vrjhandelsgebied. Voor Europa
is nog zeker niet de tijd aangebroken om met succes op
deze bepalingen een beroep te kunnen, doen. Stelt men

daarom prijs op de ontwikkeling van een vrij internatio-

naal handeisverkeer, dan is verder overleg over het nieuwe

voorstel in deze richting ongewenst.

Resteert als derde mogelijkheid een aanpassing van

het GA1’T-voorstel aan de mogelijkheden van de Ver-

enigde Staten, als één der belangrijkste handelspartners

in de moderne wereld.
In .de eerste plaats zou daartoe

de algemene verlaging

met 10 pCt per jaar, of 30 pCt in totaal, moeten worden

teruggebracht tot
5
pCt per jaar. Uiteraard betekent dit

een aanmerkelijke vermindering van het nuttig. effect

van het plan. Daat staat echter tegenover dat een meer

bescheiden aanloop gewenst zou kuinen zijn om de

uiteindelijke resultaten van de voorgestelde actie te

kunnen waarnemen. De vèrgaande gecompliceerdheid

namelijk van het voorstel en de vrijheid in de keuze der

te verlagen posities maken, dat een enigszins nauwkeurige

schatting van het te bereiken éffect onmogelijk is.
Naast deze vermindering van het percentage zou men

dan tegelijkertijd in principe kunnen besluiten tot een

verlenging van de termijn van
5
tot 6 jaren, waarmede de

mogelijkheid wordt geschapen gedurende de laatste

3 jaren wederom 15 pCt te verlagen: Daarmede zou het

uiteindelijk resultaat gelijk blijven, zij het dan dat dit

effect eerst na 6, in plaats van na 3 jaren wordt bereikt.

Meer dan deze principiële toezegging evenwel zal men
niet kunnen bereiken, daar het Randall -i apport.slechts
een verlengingstermijn van 3 jaar voor de Amerikaanse

tariefwetgeving voorstaat.

Opgemerkt zij, dat indien men langs deze weg tot over-

eenstemming zou komen, de Verenigde Staten nog in

het nadeel zijn. Waar het GATT-voorstel spreèkt van

een verlaging van het bewogen gemiddelde met, in dit

geval,
5
pCt en het de deelnemende landen vrjstaat de
verlaging te manipuleren, laat het Randall-rapport die

vrijheid niet. De Verenigde Staten kunnen volgens Ran-
dali’s aanbevelingen slechts maximaal
5
pCt op iedere

tariefpositie verlagen. Aanvaarding van het GATT-

voorstel betekent voor de Verenigde Staten dan ook een

verlaging van het gehele tarief met
5
pCt per jaar,

gedurende 3 jaren. Het is nog zeer de vraag of het Con-

gres deze consequentie wil aanvaarden.
De plafond-regeling zou, bij aanpassing aan de Amen-

ktanse plannen, voor de onderlinge,.verlaging in Europa

practjsch geen betekenis hebben. De rechten boven de

50
pCt spelen in de Europese tarieven een te verwaar-

lozen rol.

Vodr de lage tarieflanden – en Benelux behoort daar
grotendeels toe – betekent dit, dat de opheffing van de

dispariteit in tariefniveaux wordt verwaarloosd. Dit be-

zwaar klemt temeer indien men overweegt dat bij’ de be-

rekening van de . gewogen gemiddelden per sector, de

exhorbitant hoge rechten, door de beperkte invoer welke

onder deze posten wordt gerealiseerd, een geringe wegings-

coëfficiënt hebben en daardoor het gemiddelde nauwelijks

beïnvloeden. Voor deze landen moet dan ook de binding

tussen de verlaging met een vist percentage en de ver-

plichting tot verlaging tot een bepaald reëel plafond, als

essentieel worden gezien voor de betekenis welke zij aan

het voorstel kunnen hechten. –

Voor de lage tarieflanden betekent een verhoging van
de plafonds een vermindering van de te ontvangen con-

cessies, waartegenover echter geen compensatie staat in

de vorm van een verkleining der te vei lenen concessies.

Wil voor deze landen het voorstel acceptabel blijven,

dan is het in de eerste plaats noodzakelijk, dat overeen-
stemming wordt bereikt over een niveau, dat inderdaad

de exhorbitant hoge rechten uitsluit. Dezé overeenstem-

ming lijkt niet geheel uitgesloten, gezien de bepaling in

het Randall-rapport, dat tariefposities waarop geen of

weinig invoer plaatsvindt, met
50
pCt kunnen worden

verlaagd. Een nader onderzoek van wat de Verenigde

Staten t.z.t. onder dezen hoofde zullen doen, kan wellicht

de bepleite aanpassing van het GATI’-vorstel mogelijk

maken. Wel zullen de Verenigde Staten in dit geval dienen

af te zien van de toepassing der ,,escape clause” en zich

moeten onderwerpen aan de bepalingen van dit voorstel,

welke inhouden, dat slechts indien een stemmenmeerder-

heid van
2
/
3
‘der deelfiemende landen aanmerkelijke schade

veroorzaakt acht door een verleende concessie, het terug-

trekken (tegen, compensatie) van deze concessie wordt

toegestaan.

Deze korte beschouwing reeds geeft een indruk van

de moeilijkheden, welke de coördinatie van de handels-

politiek van West-Europa met die van de Verenigde

Staten oplevert. Vele andere hindernissen zullen eveneens

nog moeten wordenoverwonnen. Tegenover het belang

van een verdergaande bevr
ij
ding van het internationale

verkeer van bestaande belemmeringen dient echter al

deze moeite gering te worden geacht. Inmiddels hoede

men zich er voor door een te snelle besluitvorming de.

bestaande tegenstellingen te verscherpen.

Aajst.

N. FRANKEN, ec. drs.

be hervorming in 1948 ‘van de gemeentefinanciën in Belgid

Het financieel statuut der gemeenten werd in België,

zoals in Nederland, onder gelijkaardige omstandigheden

en op ongeveer hetzelfde tijdstip – nl. einde 1948 –

op grondige wijze hervormd.

Om de redenen en de omvang dezer hervorming als ook

haar gevolgen en haar zwakheden duidelijk te maken,
lijkt het ons noodzakelijk vooraf een kort overzicht te

geven van de vroegere financiële structuur der gemeenten.

De belangrijkste bronnen van inkomsten der Belgische

gemeenten bestonden, v66r 1948, buiten de opbrengst

van hun patrimoniale goederen en van hun openbare

nutsbedrijven, uit:

een fonds der gemeenten, op’gericht in 1860, en ver-

deeld onder al de gemeenten volgens bepaalde criteria;

een aandeel in de opbrengst van zekere rjksbelastii-

gen, nl. de mobilaire belasting op het inkomen van be-

paalde roerende goederen, bepaalde bedrijfsbelastin-

gen, de grondbelasting, de belasting op de autovoer-

tuigen, e.d.;

opcentimes op een aantal rijksbe1stingen, o.a. de –

grondbelasting, bepaalde mobiliënbelastingen en be-

drijfsbelastingen;

een aantal zuiver lokale taksen op de meest verschei-

dene belastingobjecten.

7April1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

277

Dit stelsel, dat sinds 1925 in voege was en nadien

slechts kleine wijzigingen had ondergaan, gaf over het

algemeen voldoening tot in 1940, maar werd ingevolge

de oorlogsgebeurtenissen diep ontredderd. De uit dit

stelsel voortspruitende inkomsten bleken zeer spoedig

onvoldoende om de aangroei der uitgaven, veroorzaakt
door de stijging der prijzen en lonen, te dekken. Zo ge-

raakten, tijdens en na de oorlog, tal van Belgische ge-

meenten in grote financiële moeilijkheden. In 1946 en

1947 was de Staat verplicht aanzienlijke sommen onder

hen te verdelen om hen toe te laten hun meest onafwend-

bare verplichtingen na te komen. Een hervorming werd

dringend geëist door de gemeentebestuurders en door tal

van parlementsleden.

De wet van 24 December 1948 bracht, op haast revolu-

tionnaire wijze, de volgende diepgaande wijzigingen in

het financieel statuut der gemeenten:

de gemeentelijke aandelen in de opbrengst der rij ks-
belastingen werden afgeschaft;

de mogelijkheid, voor de gemeenten, opcentimes te

heffen op de door de Staat geïnde belastingen op de

bedrijfsinkomsten en op het inkomen van roerende

goederen, werd eveneens afgeschaft. De gemeenten

behielden enkel het recht opcentimes te heffen op

de grondbelastin’g;

bepaalde gemeentelijke uitgaven werden door de

Staat overgenomen;

het bestaande Fonds der Gemeenten werd vervangen
door twee nieuwe verdelingsfondsen:

– het nieuwe Fonds der Gemeenten, door de Staat

gestijfd met een dotatie van 4 milliard frank

‘S
jaars

– het Gemeentefonds voor openbare onderstand,

gestijfd met een jaarlijkse dotatie van 1 miliard

frank,;

5. de gemeenten kregen, bij de,reeds talrijke lokale

taksen, er nog drie nieuwe, ciie voordien door de

Staat werden geheven, bij, t.w. een taks op de

rijwielen, op de hondeh en op de vermakelijkheden.

Het bedrag van de twee verdelingsfondsen (globaal

5
milliard frank) werd derwijze berekend, dat in het kader

der hervorming, de globale gemeentebegroting, op

grondslag van de cijfers eigen aan het dienstjaar 1947,

er door in evenwicht zou worden gebracht.

Verhoging van het Fonds der Gemeenten en van het Ge-

ineentefonds voor openbare onderstand.

De wet van 24 December 1948 voorziet een zekere

aanpassing van het bedrag van het Fonds der Gemeenten

aan de verhoging van de gemeentelijke uitgaven. Jaar-

lijks wordt de oorspronkelijke dotatie van 4 milliard

frank verhoogd met een som van 20 millioen frank.

Bovendien wordt de dotatie nog gebeurlijk verhoogd of

verminderd door de Koning met een percentage gelijk

aan het percentage der gebeurlijke verhoging of vermin-

dering der wedden van het rij kspersoneel, verhoging of
vermindering die over het algemeen eveneens op de be-

zoldiging van het gemeentelijk personeel wordt toegepast.

Aanvankelijk voorzag de wet van 24 December 1948

geen verhoging van het Gemeentefonds voor openbare
onderstand, maar bij de wet van 17 Juli 1953 werd eeq

jaarlijkse aangroei van
5
millioen frank voorzien evenals
een verhoging, percentsgewijze vastgesteld, naar verhou-

ding der gebeurljke verhoging der wedden.

Speciaal Fonds voor de gemeenten inet ontredderde

financiën.

De gemeenten moeten minstehs 100 opcentimes op

de grondbelasting heffen vooraleer zij recht hebben op

hun aandeel in het Fonds. Met het aandeel van. de ge-

meenten die niet ten minste 100 opcentimes op de grond-

belasting heffen, werd in de schoot van het Fonds der

Gemeenten een
s
Speciaal Fonds opgericht ten behoeve

van de gemeenten, welke na de hervorming nog in finan-

ciële nood zouden verkeren.

Beheer van het Fonds der Gemeenten en van het Gemeente-

fonds voor openbare onderstand.

Een speciale Raad van beheer werd aan het hoofd ge-

steld van de twee verdelingsfondsen. -Ij bestaat uit 37

leden, aangesteld voor een duur van zes jaar: tien dezer

leden worden benoemd door de Regering, negen door de

Gemeenteraad van elk der negen provinciehoofdplaatsen

en achttien door de Minister van Binnenlandse Zaken op
voorstel van de provinciale deputaties.

**
*

Het zwaartepunt van het nieuwe statuut ligt dus in het

bestaan, enerzijds, van de twee verdelingsfondsen en,

anderzijds, van een fiscaliteit steunende hoofdzakelijk op

de opcentimes op de grondbelasting naast allerlei kleine

lokale taksen waarvan de opbrengst tamelijk gering is.

De twee fondsen zijn in principe bestemd om bepaalde

gemeentelijke uitgaven te dekken en worden verdeeld

tussen de gemeenten op grondslag van uitkeringscriteria

die derwijze werden bepaald dat de beoogde uitgaven zo
nauwkeurig mogelijk zouden worden gedekt.

Het criterium van de belangrijkheid

der gemeenten, gemeten aan het be-

volkingscijfer en de admini-

stratieve taak.

Van het Fonds der Gemeenten – dit was oorspronke-

lijk 1.800 millioen frank – is 45 pCt principieel bestemd

voor de dekking der onkosten van de algemene admini-

stratie, de politie, de burgerlijke stand en de pensioenen.

De verdeling van dit bedrag tussen de gemeenten ge-

beurt volgens een formule die rekening houdt met het
absolute bevolkingscijfer, de relatieve grootte van dit

cijfer en de verscheidene institutionele opdrachten door

de gemeente uitgeoefend in de administratieve hiërar-

chie
1).

Het criterium ian de uitgestrekt-

heid van het wegennet.

Van het Fonds ‘der Gemeenten moet 16,25 pCt prin-

cipieel dienen voor het onderhoud van het wegennet;

het overeenstemmende bedrag. (oorspronkelijk 650 mii-

lioen frank) wordt verdeeld naar verhouding van de

Aan iedere gemeente worden 100 punten per inwoner toegekend; deze met
minder dan 1.000 inwoners worden nochtans aangezien als bereikende
dit getal.
Het aldus voor iedere gemeente bekomen aantal punten wordt vermeerderd
met 10 pCt voor de gemeenten van 1.000 tot 2.499 inwoners, met 20 pCt voor de gemeenten van 2.500 tot 4.999 inwoners,

met 180 pCt voor de gemeenten van 40.000 tot 49.999 inwoners,
met 220 pCt voor de gemeenten van 50.000 inwoners en meer,
met 500 pCt voor de vier grote steden: Antwerpen, Brussel, Cent en Luik.
Om met de institutionele rol in de administratieve hiërarchie rekening le
houden wordt het bekomen aantal punten vermeerderd met
30 pCt voor de gemeenten die hoofdplaats zijn van een gerechtelijk kanton,
50 pCt voor de gemeenten die hoofdplaats zijn van een administratief ar-
rondissement,
100 pCt voor de gemeenten die hoofdplsats zijn van een provincie, 150 pCt voor de hoofdstad van het Rijk. Het bedrag van 1.800 millioen frank wordt verdeeld onder al de gemeenten naar verhouding van hun aantal punten ten overstaan van het globaal aantal punten van het Rijk.

278

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

7April1954

opperv1kte van de gemeentewegen, uitgedrukt in in
2
.

Daar rekening dient te worden gehouden met de ver-

scheidene categorieën van wegen, wordt het aantal m
2

vermenigvuldigd met 3 – 2 of 1 naar gelang de wegen

voorzien zijn van een verhard wegdek, van gewone

steenslag of niet ,,verbeterd” zijn.

3. Het criterium der.gemeentelijkeuit-

gave,n v o o r volksg’ezondheid en

landbouw.

Van het Fonds is 6,25 pCt – oorspronkelijk 250 mii-
lioen frank – principieel bestemd voor bovenvermelde

»itgâven. Daar de uitgaven voor de volksgezondheid in

principe afhangen van het bevolkingscijfer en het aantâl

gebouwen op het grondgebied der gemeenten, wordt

bovenvermeld bedrag verdeeld ten belope van:

50 pCt naar verhouding van het ‘bevolkingscijfer en

45 pCt naar verhouding’van het kadastraal inkomen der

gebouwde onroerende goederen.

Daar de uitgaven voor de landbouw verband Aouden
met de ongebouwde gronden, wordt
5
pCt van boven-

vermeld bedrag uitgekeerd .naar verhouding van het

kadastraal inkomen der ongebouwde onroerende goe-

deren.

‘4. Het criterium van de uitgaven voor

openbaar onderwijs. /

Van het Fonds – oorspronkelijk 800 millioen frank

– is 20 pCt principieel bestemd voor de dekking van de

door de gemeenten gedragen onderwijskosten.

Deze som wordt verdeeld naar verhouding van de

dooi iedere gemeente op dit gebied gedragen lasten.

Het criterium v a n de last d e r

schuld.

Van het Fonds – oprspronkelijk 500 millioen frank

– wordt 12,5 pCt verdeeld naar rato van de schuldenlast

van iedere gemeente, welke last interest en aflossing

omvat.

Het volledig bedragvan het Fnds

voor openbare onderstand wordt ver-

deeld naar verhouding van de gemeentelijke uitgaven

wegens openbare ondertand.

Welke waren nu de financiële gevolgen van de wet van

24 December 1948?

Kenschetsend is het feit dat, na de hervorming, talrijke

gemeentebegrotingen, soms voor aanzienlijke bedragen,

deficitair bleven. Maar uit de dagelijkse thesaurie,’ die

dan toch de beste maatstaf van de financiële toestand der
gemeenten is, bleek dat de begrotingsramingen niet over-

eenstemden met de werkelijkheid, want, in de jaren 1949,

1950 en 1951, kenden de gemeenten practisch geen kas-

moeilijkheden; integendeel, tal van gemeenten boekten

aanzienlijke overschotten die ofwel gereserveerd werden,

ofwel werden aangewend tot de financiering van hun

buitengewone begroting. Maar uit de verdere evolutie

van de gemeentefinanciën is thans gebleken dat die voor-

delige thesaurietoestand niet ht gevolg was van de algé-
mene bepalingen van het nieuw gemeentelijk financieel

statuut, maar wel van één der bijkomstige beschikkingen

van de wet van 24 December 1948, welke beschikking
trouwens als een overgangsmaatregel kan worden aan-

gezien.

De wet voorzag inderdaad in één van haar bijko’mende

bepalingen, dat de opbrengst ‘van de vroegere gemeente-

lijke aandelen in de rijksbelastingen en van de gemeente-

lijke opcentimes betreffende de dienstjaren 1948 en voor-

gaande, aan de gemeenten bleven toegewezen.
‘De toepassing van deze overgangsmaatregel bezorgde

aan de gemeenten inkomsten waarvan men op het ogen-

blik van de hervorming zelf-niet het minste idee had.

Enerzijds steeg de opbrengst van de verschillende in-

komstenbelastingen op ontzaglijke wijze ten gevolge van
de expansie der economische conjunctuur. Daarbij kwam

nog dat, in gevolge de uitzonderlijke omstandigheden van

de na-oorlogse jaren, deze belastingen, en dus ook de ge-

meentelijke aandelen en opcentimes, met grote vertraging

ingekohierd werden, zodat op het einde van het jaar 1948

omvangrijke achterstallen dienden te worden’ geïnd.

Door deze samenloop van omstandigheden beschikten

de gemeenten in de jaren 1949 tot 1951 over een zeer

ruime thesaurie:

Langzamerhand geraaktçn deze uitzonderlijke inkom-

sten echter uitgeput. In 1951 reeds doken hier en daar

moeilijkheden op. In 1952 had een vijftigtal gemeenten
opnieuw niet sluitende begrotingen eii hun aantal steeg

tot 150 â 200 in
1953.

in de loop van dit laatste jaar was de Staat verplicht

zijn hulp te verlenen aan een zeker aantal gemeenten die

niet meer bij machte waren hun meest dringende, uitgaven

te dekken. Deze hulp nam de vorm aan van uitzonderlijke

krëdieten die door het Gemeentekrediet van België,

onder de waarborg van de Staat, aan de belanghebbende

gemeenten werden verstrekt.

Een geljkaardig initiatief werd in het begin van het

jaar 1954 genomen om de gemeenten in de mogelijkheid

te stellen hun meest dringende kasbehoeften te dekken,

in afwachting dat maatregelé’n van algemene’aard zouden

kunnen worden genomen.

Vijf jaar na de hervorming is het duidelijk gewordep

dat, indien de gemeénten niet hadden kunnen beschikken

over de omvangrijke opbrengst van hun âchterstallige

belastingen en van hun aandelen in de rij ksbelastingen,

zij reeds vanaf het eerste jaar dat de wet van 24 December

1948 van toepassing was, financiële moeilijkheden zoude’n

hebben gekend.

Het staat thans vast dat de nieuwe inkomsten, welke
door bewuste wet aan de gemeenten werden verstrekt,
ontoereikend zijn om hun gewone uitgaven te dekken.

Wat meer is: uit de onverwachte omvang van de door de

gemeenten geïnde achterstallige belastingen en aandelen

in de rjksbelastingen, kan men besluiten dat de inkomsten

die de gemeenten zouden hebben bekomen uit hun vroeger

stelsel, aanzienlijker zouden zijn geweest dan deze waarop

zij thans zijn iangewezen. Indien het vroeger statuut van

tbepassing ware gebleven, zou de toestand der gemeente-

lijke financiën er thans waarschijnlijk beter hebben uit-

gezien. Zeer zeker zouden zich in de jaren 1949 en 1950

moeilijkheden hebben voorgedaan. Doch deze had men

ongetwijfeld stilaan te boven kunnen komen dank zij de

uitzonderlijke aangroei van de opbrengst van het vroeger

gemeentelijk belastingstelsel.

De hervormingvan -1948 werd doorgevoerd op een

ogenblik dat al de gegevens van het op te lossen probleem

der gemeentelijke financiën nog niet yoldoende omlijnd

waren. De Belgische economie had haar evenwichtspunt

niet teruggevonden en zekere gegevens, zoalsde mogelijke

opbrengstvan het belastingstelsel, waren nog onbekend.

Het is nu duidelijk geworden dat de werkelijke reden

van de onevenwichtigheid der gemeentelijke begrotingen

niet zo zeer lag in de zwakheden van het vroeger financieel

statuut, maar wel in een factor van voorbijgaande aard:

de grote veriraging bij de inning der belastingen. Brussel.

M. VAN
AUDENFJOvE.

7 April 1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

279

GREPEN UIT DE WËTEN-

SCI-] APPELIJKE LITËRATUUR

Keynes en Eucken

Meer dan wie ook hebben de beide economen Keynes

en Eucken met hun sterke overtuiging invloed uitgeoefend

op het hedendaags economisch denken in theorie en prac-

tijk. Beiden stelden, dat ideeën veel sterker zijn dan men
veelal aanneemt en beiden hebben hierin gelijk gehad.

Zowel Keynes’ als Eucken zijn overleden op een tijd-
stip, dat in eigen land een politiek economische situatie

aanwezig was, waarop een belangrijk deel van hun theorie

door hun leerlingen kon worden toegepast.

Beide economen geven hun critiek op de klassieke

liberale school, maar zij hebben een geheel verschillend

oordeel over de nieuw te volgen weg.

De economische toestand na de oorlog bood inderdaad

een situatie, waarin beider theorie geleidelijk toegepast

kon worden, doch welk een geheel andere achtergrond

in deze landen, Engeland en West-Duitsland.

Engeland was weliswaar overwinnaar, doch had alles

te verliezen en verloorveel. In een pessimistische beschou-

wingswijze, welke hieruit voortvloeide, herleefde de grote

angst voor het vroeg of laat weerkeren van de werkloos-

heid uit de dertiger jaren. De gedachte: ,,Nooit meer

werkloosheid”, overheerste enhierin paste de ,,fuil employ-

ment”-theorie van Keynes.

West-Duitsland had alles verloren en bovendien onder-

vonden, wat de uiterste consequenties zijn van een ,,Zen-

tral-Verwaltungswirtschaft”. Wanneer men niets te ver-

liezen, doch alles te winnen heeft, kan een optimistische
zienswijze weer bezieling geven. Bovendien overheerste
in West-Duitsland•de gedachte: ,,Nooit meer dwangeco-

ndp’iie”. De ideeën vn de Freiburger Schule waren hier-

mede geheel in overeenstemming.

Gezien de na-oorlogse ontwikkeling van Engeland en

West-Duitsland en de indirecte invloed, welke Keynes en

Eucken hierop uitoefenden, is het interessant twee boeken

naast elkaar te leggen, t.w.: ,,The General Theory of Em-

ployment, Interest and Money” van J. M. Keynes
1)
en

,,Grundsiitze der Wirtschaftspolitik”, het postuum uit-

gegeven werk van W. Eucken
2),

Het eerste’ dateert van 1935 en is geschreven na’ de

crisis van de dertiger jaren, het.laatste van
1952,
geschre-

ven tijdens en na de treurige ervaringen uit de Hitler-

tijd. Hierin is reeds een belangrijk phase’erschil te zien.

Bij Eucken is een ontwikkelingsperiode verwerkt, nl. een

door anderen uitgedachte extreme ,,full employment”-

politiek, welke tot een oorlog leidde; door
.
Keynes werd
zijn
,,employment”-politiek gezien als een mogelijkheid
om een oorlog te voorkomen.

Merkwaardig is nu bij dit ‘phaseverschil’de botsing te

constateren, welke ontstaat door gelijktijdige toepassing

van twee econoniische theorieën in twee verschillende

landen van West-Europa na de tweede wereldoorlog. En

deze botsing wordt sterker naarmate de binnenlandse

moeilijkheden worden opgelost en het internationale

verband binnen en buiten Europa sterker groeit. De twee

economische theorieën werden overigens niet alleen in

Engeland en West-Duitsland, maar in de meeste landen

van Europa verlengd door een politieke hefboom en

daarmede uit het theoretische Mlak in dat van de practi-

‘) De figuur van Keynes kan men Uit dit werk niet geheel beoordelen, daar
Keynea zich aanpaste indien de omstandigheden zich wijzigden. De beoordeling
betreft het geciteerde boek en het effect, dat dit boek heeft gehad.
‘) Het werk van Eucken, ,,Grundlagen der National Oekonomte” werd voltooid
vô6r de tweede wereldoorlog. Tijdens en na de oorlog werden zijn ideeën uit’
gewerkt en verbreid door Prof. Röpke in Zwitserland en na de oorlog in Duits.
land in toepassing’gebracht door Prof. Erhard. –

sche politiek gebracht. Hiermede zijn het onderdelen ge-

worden zowel van politieke strijd binnen de landen van

Europa, als van internationale d4plomatieke en handels-

diplomatieke strijd tussen de landen, wanneer de ene of

de andere richting de politieke meerderheid in een land

verkreeg. En zoals het steeds met zulke dingen gaat, van
de theorie wordt meegenomen wat in de practisçhe poli-
tiek past, dus maar een deel.

**
*

In het boek van Keynes wordt in de conclusies waartoe

zijn theorie zou kunnen leiden gesteld, dat door een goede

analyse de ziekte van de werkloosheid genezen kan wor-

den, terwijl
efficiency
en
vrijheid
behouden blijven. Hij

noemt de grote fout van de economie van zijn tijd, dat

deze
niet
kan zorgen voor
,,full employment”
en voor een

billijke verdeling van rijkdom en inkomen. Hij stelt, dat

tot op het punt, waar ,,full employment” de overhand heeft,

groei van kapitaal in het geheel niet afhangt van een
t

geringe geneigdheid tot consumeren, maar integendeel

daardoor wordt tegengehouden en ‘alleen in de omstan-

digheden van
,,ftll
employment”
een geringe geneigdheid
tot consumeren bevorderlijk is voor de groei van kapitaal.

Hij bestrijdt daarom het ge1of, dat de groei van kapitaal

afhankelijk is van krachtige prikkels tot individueel spa-

ren en is van mening dat een groot deel van de groei

van het kapitaal niet afhankelijk is van de besparingen

van de rijken uit hun overvloed. Met dit laatste is de recht-

vaardiging voor een hqge rentevoet, ni. als prikkel tot

sparen, weggenomen. Dit zou echter niet het geval zijn

voorbij het punt, dat met ,,full employment” overeen-
komt.

Volgns Keynes zou het niet moeilijk zijn het kapitaal-

volume zodanig te laten aangroeien, dat het ophoudt

schaars te zijn en het marginale rendement i$ gevallen tot

een zeer laâg cijfer. De gemiddelde opbrengst ‘van duur-

zame goederen zou dan tijdens hun levensduur, net als

in het geval van niet duurzame goederen, slechts de ar-

beidskosten van productie plus een vergoeding voor

reserve en de kosten voor bekwaamheid en toezicht be-
hoeven te dekken.
Dit alles zou de zachte dood betekenen van de rente-

nier, met als gevolg de zachte dood van de cumulerende

onderdrukkende macht van de kapitalist.

Het lijkt volgens Keynes onwaarschijnlijk, dat de in-

vloed van bankpolitiek op de rentevoet op zichzelf vol-

doende zal zijn om een optimum graad van investering

te bepalen. Keynes stelt zich daarom voor, dat èen enigs-

zins veelomvattende socialisatie van investering het

enige middel zal blijken te zijn om een benadering van

,,full employment” te verzekeren. Echter, naast de nood-

zaak van centrale contrôles om een rectificatie aan te

brengen tussen de geneigdheid tot sparen en de aan sporing

tot inyesteren,js er geen reden om het economisch leven

meer te socialiseren dan voorheen. Immers, indien de

centrale contrôles er in slagen een gemiddelde graad van

,,output” in te stellen, welke zo dicht als uitvoerbaar is

overeenstemt met
,,full employment”,
dan komt de
klas- –
sieke theorie weer op haar eigen grondslag
en kan het

particuliere eigenbelang bepalen wat zal worden gepro-

duceerd.

Men behoeft slechts een aantal der bovenvermelde ci-

taten uit de ,,concluding notes on the social philosophy

towards which the general theory
might
lead” aan te halen

om te begrijpen, dat ,,The General Theory” van Keynes

dcor de Labour Party alleen reeds werd toegepast om een’

aantal gevolgen in de hand te werken, waartoe deze theorie

280

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

,

7April1954

zou kunnen leiden. De
eventuele gevolgen
van de toepassing

van deze theorie worden
een doel op zichzelf
en
1
wel zo-

danig, dat vergeten wordt na te gaan, of volgens de theorie

zelf de economische omstandigheden wel aanwezig zijn

om zich op die theorie te baseren.

Het merkwaardige is nu dat men in Engeland, in een

tijd van grote na-oorlogse activiteit, theorieën is gaan

toepassen en rnaâtregelen is gaan nemen, welke met het

oog op een depressieperiode waren uitgedacht.
Inkomenegalisatie werd een politiek doel op zichzelf

en niet, zoals door Keynes werd gesteld, een economisch

doel om de consumptie te verhogen. Dit laatste effect

werd verkregen en moest toen weer door ,,austerity”

worden beperkt.

In plaats van ,,full employment” kreeg men ,,over

employment” en hierdoor een verminderde activiteit

i.p.v. een verhoogde activiteit, welke in de na-oorlogse

jaren gewenst was’.

Een lage rentevoet werd gehandhaafd, waardoor sparen

werd tegengegaan. Hiertegenover diende weer een infia-

tionaire politiek gevoerd te worden, welke laatste weer

door allerlei maatregelen moest worden onderdrukt.

Keynes stond in het geval van ,,full employment” juist

geen lage rentevoet voor om de investeringen te bevof-

deren. Een lage retevoet werd gehandhaafd teneinde het

overh,eidsbudget te ontlasten. Ook volgens Keynes.gelden

alle iegéls van de
klassieke theorie
bij een gemiddelde

graad van ,,output”, welke overeenstemt met ,,full m-

ployment”.

Keynes gaat er van uit, dat de maatschappij, aan zich-

zelf overgelaten, niet voldoende mogelijkheid tot ont-

plooiing zal vinden en dat het daardoor moeilijk zal ijn

de activiteit dp een hoog peil te handhaven. Deze ziens-

wijze heeft velen, die haar geheel of ten dele navoigden,

tot de gedachte gebracht, dat zonder ingrijpen onvermij:

delijk stagnatie en werkloosheid zou ontstaan. De gedach-

te, dat het zonder ingrijpen niet gaat, werd bij de mensen

sterk in de hand gewerkt, door het toepassen van theorieën

welke zeker niet voor de periode gedacht waren en waar-

door het enthousiasme voor ontplooiing van nieuwe

mogelijkheden verloren ging.

De theorie zelf heeft het grote nut, dat duidelijk is ge-

worden, hoe bij een neergaande conjunctuurbeweging

een politiek, gebaseerd op de klassieke theorie, de spiraal-

beweging naar beneden veel verder kan laten doorgaan

dan in werkelijkheid nodig is. Naarmate men zich beter

bewust is van de invloed op het economisch leven van

factoren als geneigdheid tot consumeren en geneigdheid
tot investeren, bereikt men veel eerder een evenwicht en

zal de balans niet zover doorslaan.

Een nadeel van de theorie, zoals deze werd toegepast, is

de te grote eenzijdigheid door het.zware accent op ,,full

employment”. Na elke heftige ontwikkeling of economi-

sche depressie ontstaan theorieën, welke een onderdeel

van het economischleven onder zware schijnwerpers

zetten. De neiging ontstaat dan om het geheel van het

economisch leven en zelfs het gehele maatschappelijke

leven daaromheen te groeperen. Door nevenschikldng en

onderschikking aan een probleem, zal men in grote mate

het probleem zelf beheersen, doch de verdere maatschap-

pelijke en economische ontwikkeling neerdrukken en

zelfs dooddrukken. Wanneer men een onderdeel van het

economisch leven tot in de perfectie wil regelen en op dit

punt gen enkel risico wil lopen, dan ontkomt men er

immers niet aan om alle sectoren van het economisch

leven, liefst in al zijn onderdelen, onder toezicht te

plaatsen. –

Doordat hierdoor de gehele economie nationaal be-

grensd wordt, ontstaan welvaartsverschillen tussen de

nationaliteiten, welke een van de belangrijkste factoren

vormen, waardoor spanningen in de wereld ontstaan.
Dit is het omgekeerde van wat Keynes hd gewild. De

internationale ontwikkeling, mede door de technische

ontwikkeling, is van dien aard, dat juist nu nauwer aan-

sluiten tussen de landen noodzakelijk is. Verschillen in

economische ontwikkeling, kunstmatig volhouden biI1-

nen de grenzen vali een land, zullen de aansluiting moei-

lijk, zo niet onmogelijk maken.

**
*

Het laatste boek van
Eucken
vormt in vele opzichten

een tegenstelling met de laatste theorieën van Keynes.,

Waar Keynes in moeilijk leesbare, sterk gecomprimeerde

vorm, zijn gedachten uiteenzet, geeft Eucken zijn ideeën

in gemakkelijk leesbare vorm weer, doch doet het zo uit-

voerig en belicht deze op zoveel manieren, dat het toch

weer ,,gründlich” wordt. Waar Keynes de fouten van de

klassieke economie tracht aan te tonen, zet Eucken uiteen,
waar de klassieke economie wel juist is en waar zij verbe-

tering behoeft. De tegenstelling en het karakter van beide

boeken kunnen echter nog het beste worden verklaard

uit de achtergrond van waaruit werd geschreven.

Keynes, denkend van uit de maatschappelijke, toestan-

den, welke het gevolg waren van de werkloosheid, Eucken

zich baserend op de maatschappelijke verwording van
de Hitler-tijd. Toch zijn beiden hierin verenigd, dat zij

al hun kunnen hebben ingezet om verlichting te brengen
in maatschappelijke misstanden.

Eucken vecht er voor, dat de vrije markteconomie niet

alleen uit economisch,, doch ook uit maatschappelijk

oogpunt het meest doelmatig en het meest in overeenstem-

ming is met menselijk& vrijkeid en menselijke waardig-

heid. Noch de gevarieerdheid van de menselijke persoon-

lijkheid, noch de vele facetten van het ‘economisch leven

kunnen gelijkgeschakeld of onder één noemer worden

gebracht. Alleen het prijsmechanisme van de vrije markt

kan de waarde van elk product en de gevarieerdheid van

de vraag tot juiste uitdrukking brengen. Dit prijsmecha-

nisme moet dan echter ook juist functionneren en om een,

schadelijke belemmering te voorkomen, kan overheids-

ingrijpen noodzakelijk zijn. Het vormen van belangen-

groepen, het maken van prijsafspraken, het beheersen

van markten, moet met alle middelen worden tegenge-.

gaan. In dit opzicht is Eucken zeer radicaal. Men schept
orde door algemeen erkende economische leefregels en•

niet door ordening. Dit laatste schept juist machtsgroepen,

waarover de regering geen werkelijke macht meer heeft en

waardoor de democratische instellingen worden onder-

niijnd.

De grote waarde van het boek is de analyse van een

aantal bestaande ideologieën, waarvan er zovele in de

vorige eeuw hun oorsprong vonden in economiscbe fac-
toren. De grote ,,naijling”, welke ligt tussen het ontstaan
van een philosophie en het gemeengoed worden hiervan

bij de massa, heeft enerzijds ten gevolge, dat van de phi-

losophie zelf alleen nog een tot leus verheven onderdeel

over is, anderzijds, dat deze – dikwijls met sentiment
overladen – leuze iti het geheel niet meer in overeen-

stemming is met de gewijzigde economische en maat-

schappelijke toestand.

Wanneer men zich bedenkt, dat de ideologische tegen-

stelling tussen de twee grootste wereidmachten, Amerika

en Rusland, beide gebaseerd zijn op philosophieën van

de vorige eeuw, welke in West-Europa, waar zij ontston-

7 April 1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE RERICHTEN

281

dèn, reeds lang verouderd zijn, dan zijn analyse van de

consequenties van dergelijke ,,naijlingen” van het aller-

grootste gewicht. Bovendien maakt het feit, dat een reeks

van economische begrippen geladen is met een politiek

sentiment, het zeer moeilijk de economie als -zuivere

wetenschap te hanteren en wat veel ernstiger is, maakt het

– soms onmogelijk de
juiste
theorie in de practijk toe te

passen.

De bevrijding van politieke ideologische gebondenheid

en een analyse van de maatschappelijke economisch meest

essentiële factoren brengt Eucken tot een aantal beginse-

len van de klassieke economie, die geen terugkeer zijn,

maar in de spiraalontwikkeling der maatschappij een

aantal omwentelingen hoger aangeven. Het stellen van

eenvoüdige beginselen acht Eucken ook essentieel voor
het beëindigen van de periode van economische experi-

menten. Het grootste euvel van deze economische experi-

menten is, dat zij betrekking hebben op een onderdeel

van het economisch bestel en ‘dat degenen, die deze uit-

denken en toepassen, slechts hun gespecialiseerd onde-

deel kunnen overzien, doch nooit het geheel.
De ontwikkeling tot massamens, niet in het minst van

de specialist, beschreef ons reeds Ortega y Gasset. Gevaar-

lijk wordt hetin de maatschappij, wanneer deze massa-

mens een zodanig stempel drukt op een collectieve groep

en deze groep een zodanige macht uitoefent, dat het

staatsgezag wordt ondermijnd.

Het tegengaan van deze ontwikkeling is een voor-

waarde voor het functionneren van Euckens ideeën in de

practijk. Voor de huidige 9ntwikkeling in West-Duitsland,

waar vele- van Euckens ideeën woden toegepast, is dit

een van de belangrijkste criteria voor het slagen van deze

ideen. –

Het succes van het toepassen van Euckens theorieën

in West-Duitsland, waarbij gezond geld en een vrije

markteconomie op de voorgrond stonden, is niet zo ver-

wonderlijk, wanneer men de volgende frictoren overweegt.

Men had genoeg van het Nationaal Socialisme, men kreeg

spoedig genoeg van het Communisme en van de hierbij

toegepaste economische systemen. Na twee verloren oor-

logen waren klasse- en vermogensverschillen grondig ge-
egali?eerd. Het streven naar maatschappelijke hervorming

door nivellering en het verkrijgen van sociale zekerheid

door ,,full employment”, waren geen zware remmen voor

de algemene economische doelstelling: zo spoedig mo-

gelijk weer op gang te komen en de wederopbouw aan te

pakken. Het getuigt ontegenzeggelijk van noed en in-

zicht, dat de leidende economische figuren in West-Duits-

land na de geldhervorming de vrije markteconomie in-

ioerden. Zij troffen immers een situatie, aan, waarbij de

klassieke theoriën ten volle van toepassing waren. Bij de

üitvoering over een periode van voldoende duur zijn zij

ongetwijfeld gesteund door Amerikaanse hulp enerzijds en

stabiliteit van de Regering door de aanwezigheid der

bezettingsautoriteiten anderzijds.

Westduitslands economie kan voorts alleen bestaan,

indien het in hoge mate aan de internationale handel

deelneemt. In de aanloopperiode is dit ook gelukt, doch

langzamerhand komt West-Duitsland voor het probleem,

dat het de geesten, die hetzelf in de rest van de wereld

heeft opgeroeèn, nu weer moet bezweren en vrijhandel

moet prediken. Het gelukken hiervan is een tweede be-

langrijk criteriuni voor het slagen van Euckens theorieën.

Wel kan men zeggen, dat Duitsland door het juiste toe-

passen van de economische theorie Engelands voorsprong

heeft ingehaald en dit land reeds voorbij streeft.

Bij het beoordelen van de concrete resultaten van het

toepassen van een economische theorie, is het echter

altijd moeilijk een juiste maatstaf aan te leggen. Wanneer

men alleen de economische resultaten als criterium neemt,

kan men zelfs bij de meest bureaucratische centraal ge-

leide dwangeconomie een betrekkelijk gunstige beoorde-

ling aanleggen en dit te eerder, naarmate men zich tot

macro-economische gegevens beperkt. Ten koste waarvan

men dit bereikt, is echter niet in cijfers vast te leggen. Het
hele patroon van industriële en maatschappelijke waarden

is hierbij immers betrokken en zowel alle factoren waarom

men aan het leven hecht, als het leven zelf, liggen hier

in de weegschaal.

Ook bij een minder scherp gestelde tegenstelling en

bij een vergelijking van enige Westerse economieën, is

het zeer moeilijk na te gaan, of met een ander systeem

of andere economische middelen, de resultaten in een be-

paald land niet veel gunstiger geweest zouden. zijn. Wel

kan men soms constateren, dat enkele of een aantal

individuele en maatschappelijke waarden verdwijnen en

daarmede de kracht van een volk wordt verzwakt.

Het zijn ook deze factoren, die op den duur de doorslag

geven en in wezen is dit ook zowel bij Keynes als bij

Eucken het geval. Voor Keynes wegen de maatschappe-

lijke gevolgen van de werkloosheid het zwaarste, voor

Euckenjs het ten ondergaan van het individu in de collec-
tiviteit doorslaggevend.

Dit zijn eigenlijk de twee belangrijkste problemen, waar-

mede de economische wetenschap in de laatste decennia

worstelt, daar in de practijk beide problemen niet tegelijk

werden opgelost. Dit is echter wel mogelijk, mits men niet

de denkfout, maakt, dat de angst voor werkloosheid,
welke zou kunnen ontstaan, even iwaar weegt als de

realiteit van het economisch levén, dat ontwikkeling en

ontplooiing eist, teneinde niet achter te geraken.
Hoe belangrijk in het maatschappelijk leven individu

en persoonlijkheid zijn, blijkt wel uit de twee figuren

Keynes en Eucken, wier ideeën zozeer tot het zoeken naar

oplossingen voor de problematiek van deze tijd,hebben

bijgedragen.

‘s-Gravenhage.

Mr ]-E HULSMANN..

BOEKBESPREKING

ingvar Ohisson, On National Accounting.
Konjunktur-
institutet, Stockholm
1953,
VII + 354 blz.

Zweden behoort tot de landen die op het gebied van

de berekening van liet nationale inkomen steeds een

vooraanstaande plaats hebben ingenomen: Aan de op-

steffing van deze berekeningen, waaraan blijkens het

voorwoord nog in steeds toenemende mate behoefte be-

staat, heeft de schrijver een zeer belangrijk aandeel gehad.

Zijn boek is’ voortgekomen uit het verlangen naar ver-

dieping van inzicht in de methodologische grondslagen

van dit werk. Men moet hieruit echter niet afleiden dat

het boek een nieuwe theoretische benadering geeft van

de problemen; het is veeleer een encyclopaedisch over-

zicht van de literatuur met zeer veel aanhalingen. Als

zodanig kan het beschouwd worden als een welkome

inleiding voor ieder die zich met dit nieuwe grensgebied

tussen economische statistiek en quantitatieve econo-

mische analyse vertrouwd wil maken.

Het eerste hoofdstuk behandelt de verschillende vor-
men yan ,,nationale rekeningen” in afhankelijkheid van

economische structuur en organistievormen, en ver

.schillende doeleinden van economische politiek.

00
282

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

7 April 1954

Het tweede hoofdstuk beschrijft de recente ontwikke-

lingen, waarbij niet alleen het werk van Irving Fisher, het

,,ökosirk-systeem” van Frisch en het door Richard Stone

voor de Volkenbond geschreven rapport (gepubliceerd door

de Verenigde Naties) worden uiteengezet, maar ook de on-

der invloed van Leontiêf tot ontwikkeling gebrachte ;,in-

put-output”-analyse. Het bekende probleem, de begrippen

van het nationale inkomen (tegen marktprjzen of tegen

factorkosten) in overeenstemming te brengen met de

waarde- en prjsieer, waartoe de klassieke discussie tussen

Hicks en Kuznets heeft bijgedragen, wordt besproken

in hoofdstuk III.

In het algemeen heeft de schrijver veeleer de gewoonte

problemen te stellen dan een oplossing aan te geven.

Bij wijze van voorbeeld noemen we hier een passage op

blz. 330 inzake het gebruik varf gegevens van het nationale

inkomen als grondslag vobr contributieschalen van

internationale organisaties. Daarbij wordt gesteld dat,

•in plaats van voor dit doel de bestaande statistieken van
het nationale inkomen te gebruiken, een poging gedaan

zou moeten worden een ,,sensible concept” op te bouwen
rekening houdende met verschillen in economische struc-

tuur waarbij, zoals uit blz. 204 blijkt, gedacht wordt aan

klimaatsverschillen, waardoor verschillen in het niveau

der productie niet altijd behoeven te betekenen verschil-

len in reëel welvaartspeil en dus in draagkracht. Een

poging deze gedachte in een concrete suggestie om te

zetten wordt evenwel niet gedaan.

De uiteenzetting van een systeem van nationale reke

ningen (hoofdstuk IV) gaat vooraf aan de behandeling

van het rationale inkomen en de nationale bestedingen,

zodat de schrijver in de bekende discussie tussen het

U.S. Department of Commerce en Kuznets dichter blijkt
te staan bij de in de officiële Amerikaanse berekeningen

gevolgde meer empirische gedachtengang. Het is jammer

dat de schrijver geen gelegenheid heeft gehad zich uit

te spreken over de onlangs door de Verenigde Naties

uitgegeven studies A System of National Accounts and

Supporting Tables
en
Concepts and Definitions of Capital

Formation
1),
waarin veel problemen op een enigszins

gewijzigde manier worden behandeld.

Het hoofdstuk over de methoden van berekening van

het nationale inkomen is zeer formeel gehouden, zodat

men hieruit maar weinig te weten komt over de practische

statistische problemen die zich bij de berekening van

afzonderlijke posteh voordoen, en waar men zou ver-

langen meer te weten over de in Zweden opgedane eiv-

ringen.

De Zweedse schattingen van het nationale inkomen

gaan terug tot 1860. Wie dit materiaal heeft bestudeerd,

stuit op veel vragen van practisch statistische. aard,

waarop in dit boek echter niet wordt ingegaan. Ook zou

men graag een doorlopende reçks bezitten die aansluit

zowel bij de vroegere reeks van 1860-1930, als de nieuwe

vanaf 1938. De schattingen voor de tussenliggende jaren,

die niet vergelijkbaar zijn met de vroegere en latere,

worden evenwel niet besproken.

In verband met de groeiende belangstelling voor de

problemen van ,,economic growth”, biedt Zweden met

zijn zeer lange reeks gegevens over het nationale inkomen

(in lopende en in constante prijzen) waarschijnlijk inte-
ressant studiemateriaal. Op de bruikbaarheid van de ge-

gevens voor dit doel is de schrijver echter niet ingegaan.

Anderzijds vindt men ook veel wetenswaardigs, o.a.

het Zweedse standpunt inzake., de onmogelijkheid de

afschrijvingen in de nationale rekeningen nauwkeurig

‘)Studies in Methods, Series F, no 2 en 3, Statistical Office of the United
Nations, New
YorlS
1953.

te berekenen, opmerkingen die ook elders ter overden-

king kunnen.worden aanbevolen.

Aan de uitgave is grote zorg besteed. Het is daarom
jammer dat aan de nauwkeurige bronvermelding in de

bibliografische aantekeningen wel eens iets ontbreekt.

Zo wordt op blz. 245 gesproken van een ‘United Nations

Committee, wat moet zijn het bekende League of Nations

Committee of Statistical Experts, Sub-cmmittee
011

National Income Statistics (van 1945). De uitstekende

Engelse vertaling werd verzorgd door Mr T. L. Johnston,

Edinburgh, en moet ongetwijfeld intensief overleg met de

schrijver hebben vereist. De term ,,periodising of trans-

actions” (hoofdstuk V) is nieuw; o.i. is ,,timing” hier meer

gebruikelijk. Naast het Engelse woord ,,stocks” heeft

de vdtaler merkvaardigerwijze ook het Amerikaanse

equivalent ,,inventories” veel gebruikt. ‘s-Gravenhage.

Dr J.
B. D. DERKSEN.

INTERNATIONALE NOTITIES

De economische ontwikkeling van Canada

De schijnbaar onafgebroken reeks van economische

records sedert 1945 en vooral na 1950 hebben vele opper-

vlakkige waarnemers doen geloven dat Canada zich in

een periode van eeuwige ,,prosperity” bevindt.

Het valt niet te ontkennen dat deze mening werd ver-

sterkt door het uitblijven van grotere infiatoire storingen,

begrotingsoverschotten, vrij grote arbeidsvrede en de

enorme vraag naar grondstoffen, de toevloed van buiten-

lands kapitaal en de duizenden immigranten welke te-

zamen het opvoeren van de productie en later de consump-

tie gemakkelijk zonder al te grote schokken hebben doen

verlopen. Dit alles en dank zij de gunstige economische
situatie van de Zuidelijke nabuur heeft Canada gemaakt

tot een ,,land van belofte”, bruisend van energie en vol
van ongekende economische mogelijkheden. Deze be-

wering is gedeeltelijk waar en zeer zeker op ietwat langere

termijn.

Op het ogenblik kan men een vertraging van tempo’

vaststellen. De vervangingen en uitbreidingen zullen in

1954 geen grotere rol spelen in de Canadese economie

en de nieuwe vestigingen zullen heel wat voorzichtiger

en met veel meer nadruk op rentabiliteit op korte ter-

mijn ter hand worden genomen. Vele belangrijke indus-

trietakken hebben hun na-oorlogse expansieprogramma

beëindigd of sterk verminderd en men begint de binnen-

landse of internationale concurrentie duidelijk te voelen.

Tot de gelukkige uitzonderingen behoren de bouw-

industrie, wêlke een enorme achterstand in de woning-

bouw heeft in te halen en, dank zij de laatste wetgeving

welke het de banken mogelijk maakt hypotheekleningen

te geven, nieuwe mogelijkheden ziet; de chemische indus-

trie en de grondstofwinnende en -verwerkende indus-

trie voor de bewapeningsdoeleinden. De situatie is slecht

te noemen in de textiel-, landbouwwerktuig- en duur-

zame consumptiegoederenindustrie.

Het afbetalingssysteem heeft de credietverlening zo

hoog doen oplopen dat uitbreiding niet gewenst zou zijn.

De agrarische sectôr heeft afzetmoeilijkheden, vooral in

Engeland en de Verenigde Statin – de traditionele afzet-

markten. Hier is de Canadese producent geheel afhanke-

lijk van de economisch-pditieke ontwikkeling in beide

landen en de concurrentie. De exportmogelijkheden naar

het Verre Oosten en Europa stuiten op dollarmoeilijk-
heden of te hoge prijzen. Het landbouwinkomen is ge-

daald, maar aangezien sedert 1939 vrijwel voortdurend

van een goede conjunctuur kon worden gesproken is deze

7 April
1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE BE1CHTEN

283

tijdelijke tegenslag voor de landbo

jw voorlopig niet te

gevaarlijk, maar wel van grote invloed op de binnen-

landse consumptie van niet-agrarische goederen’

Voor het eerst sedert 1949 is het aantal werklozen in

Çanada tot ca 5,3 pCt van het totale arbeidsreservoir ge-

stegen (voorlopige cijfers Januari
1954),
in 1949, de

periode Van de grootste na-oorlogse werkloosheid, be-

droeg het percentage ca 6,3 n in 1952, een ,,boom”-jaar,

slechts ca 2 pCt. Deze cijfers zijnop zichzelf niet al te

angstwekkend maar de verdubbeling van het aantal

werklozen sedert 1952 (in absolute cijfers) is wel ken-

merkend. De grootste twee vakverenigingen hebben bij

de Regering aangedrongen op maatregelen ter bestrijding

van deze toestand; deze heeft echter afwijzend beschikt.

Behoudens nog vrij verwaterde en nogal ver afgelegen

plannen voor St Lawrence Seaway (kosten ca $ 350 mln,

duur 6 jaar), Trans Canada-Highway (moet klaar zijn

in 1960) en de nieuwé Trans Canada Pipeline voor aard-

gas Uit Alberta naar Toronto en Montreal (kosten ca

$ 360 mln, duur 3 jaar), bezit de Regering geen voor-

raad van gerede blueprints van publieke werken in geval

van depressie. Wat als het maximum toelaatbaar werk-
loosheidspercentage wordt beschouwd is eveneens niet

bekend gemaakt. Overigens was het jaar 1953 vrij gunstig

t.a.v. de arbeidsvrede; onderstaande tabel laat dit duide-

lijk zien:

Jaar .

Aantal stakingen
j

Aantal stakers

yerlordag
en

1946

228

139.474
4.516.393
1952

222

120.218

2.879.955
1953

I

1

54.391

1

1.322.929

Van het totale aantal stakingen in 1953 was 56,6 pCt

het gevolg van looneisen, 15,6 pCt van slechte arbeids-

omstandigheden. Bij besjreking van de economische

situatie .is het interessant te vermelden dat het index-

cijfer van de kosten van het levensonderhoud, in Decem-

ber 1953 gelijk was aan het cijfer in December 1952, nl.

115,8
(1949 = 100).

De Canadese Regering zal het in 1954 niet al te ge-

makkelijk hebben. Behalve de zorgen over de werkloos-

heid, de buitenlandse handel en de ‘vertraagde econo-

mische expansie, staat zij voor het eerst sedert 1945 voor

de keuze van een belastingverhoging of,een begrotings-

tekort. Dit is toe te schrijven aan belastingverlaging kort

voor do verkiezingen in 1953 ter grôotte van $ 243 mln,

waarvan het volledige effect pas in 1954 voelbaar wordt,

grotere uitgaven in verband met salarisverhogingen voor

regerings- en parlementslecjn, ambtenaren en het leger
van $ 70-80 min. Eenjaar1jkse verhoging van het bruto

nationaal product met ca 4-5 pCt zou deze moeilijkheid

uit de weg ruimen, maar in verband met de economische

situatie is deze niet waarschijnlijk te achten. Belasting-
verhogiig zou heel wat kwaad bloed veroorzaken en de

Regering in discrediet brengen, de gunstige naam van
Canada vooi buitenlandse beleggers ,af breuk doen en

bovendien zou ze consumptiebeperkend werken.

De positie van de Canadese dollar, welke nog steeds

een klein agio (tegenwoordig tussen -2 pCt) ten opzichte

van de Amerikaanse vertoont, hangt grtendeels af van
de Canadese handelsbalans, de Amerikaanse kapitaal-

invoer ($ 350 mln in 1953) en het gunstige economische

klimaat in Canada. In geval van verschuivingen in één

van dezé factoren zou de positie van de dollar onmiddel-

lijk worden beïnvloed. Het is de vraag, of, afgezien van

Canada’s gestreelde nationale trots, het niet beter zou

zijn indien de dollar een klein disagio zou vertonen,
vooral bij verscherpte corcurrentie van de Canadese

export. Het zou echter ook aanleiding kunnen geven tot

spoedigerepatriëring van.,,hot rnoney”. De aflossing van

schulden door het buitenland aan Canada heeft onge-

twijfeld ook bijgedragen tot een relatieve schaarste van
de Canadese dollar en,tot importbeperkingen.

Canadese buitenlandse credieten en Iv/ze van aflossing

(stand per Januari 1954)

Debteurland

Be
.
dra
gwijze of termijn van aflossing

Engeland

ca 1.150

terug te betalen tot 1984
Engeland

150

terug te betalen tot 1958

Frankrijk

210

110

jaarlijks wordt,van deze .groèp

Norwegen ::
::::::

ca $ 60 mln afgelost•

Indonesië
……….
.

7

China (Formosa)

50

Roemenië

..-

25

kansen op terugbetaling gering
Tsjechoslowakije

ca 10

behalve Tsjechoslowakije en
(Griekenland

6

nsimch,en Griekenland

De ris van de Canadese premier naar Europa en Azië

zal waarschijnlijk ook economische problemen naar
voren brengen, vooral in Azië, het natuurlijke afzet-

gebied voor Canadese agrarische producten, zoals

Japan, India en Pakistan.

Er beginnen kleine wolken aan de zonnige Canadese

hemel te verschijnen en het zal van het beleid der Regering

en van de internationale situatie afhangen of een storm

op komst is.
Montreal.

Dr J. K. FUZ.

GELD- EN KAPITAALMARKT

De geldmarkt.

Op de geidmarkt bleef ook gedurende de verslagweek

de situatie gehandhaafd, dat de vraag vrjwe1 geheel

tegenover een aanbodsvacuum staat, hetgeen bij voort-

during resulteert in lage marktdisconto’s van nominaal

karakter. Van, de beperkte mogelijkheid om middelen

op korte termijn uit te zetten in het buitenland, waar de

geldmarkttarieven veel gunstiger zijn, maken de banken

de laatste tijd uiteraard gaarne gebruik; het uitblijven

van belangrijke wijzigingen in de geldmarktsituatie wijst

er echter op, dat dit relatief toch slechts weinig zoden aan

de dijk vermag te zetten.

De ultimo bracht ook ditmaal geen merkbare ver-

krapping teweeg. Dit is overigens niet verwonderlijk

wanneer men constateert, dat de saldo’s der banken bij

de circulatiebank na een aanzienlijke uitzetting van de

chartale circulatie in de week 22-29 Maart; op laatstge-

noemde datum nog altijd f. 342 mln bedroegen, of ca

fl00 mln meer dan het geschatte bedrag an de verplichte

kasreserves. .

De kapitaalmarkt.

.

Gedurende de verslagweek koidigde de Koninklijke

aan, dat zij op haar aandelen een (fiscaal vrije) bonus

van 20 pCt uit haar agioreserve zal uitkeren. De koers-

stijging, die dit fonds per saldo onderging, bleef van

bescheiden omvang ten-gevolge van hef feit, dat reeds

lang in vrij ruime kring op een bonus was geanticipeerd.
Relatief veel aanzienlijker was de koersstijging van aan-

delen Unilever, die thans blijkbaar het centrum gaan

worden van geruchten over een bonusuitkering, nu der-

gelijke geruchten bij Philips en Koninklijke bewaarheid

zijn: Evenals bij laatstgenoemde fondsen speelt thans bij

de koersvorming van ‘Unilever buitenlandse vraag een

belangrijke rol
;
. t

De zeer gunstige stemming op de aandelenmarkt blijkt

in toenemende mate emissie-activiteit in het leven te

roepen: De afgelopen week werden aandelenemissies

aangekondigd door Albert Heyi
(f
0,96 mln â 115 pCt),

W. J. Stokvis (f 0,5 mln â 108 pCt), Slavenburg’s Bank

(f 1,2 mln â 112 pCt) en de Kon. Ned. Papierfabriek

(f 1,82 mln â 115 pCt). Wanneer men dehiervoor beno-

digde bedragen stelt, tegenover de vële millioenen guldens

die uit het buitenland naar, de risicodragende sfeer in

ons land zijn toegestroomd en blijven toestromen, dan

krijgt men niet de indruk, dat door emissies van derge-

lijke omvang de huidige beurshausse ten
1
einde zou

kunnen komen. Inderdaad plegen aandelenemissies vaak
het ‘graf van koersstijgingen te graven, maar dan moeten

zij een omvang hebben als bijvoorbeeld ‘bij de na-oor-

logse aandelenemissies van de grote internationale con-

cerns als Koninklijke, Philips, Unilever en A.K.U. voor-

kwam.

Aand.
indexcijters.
26
Maart
1954 2 April 1954

Algemeen

……………………………
182,0
182,1

Industrie

………………………………
2555
257,7

Scheepvaart

………………………’
182,6
178,6

Banken

………………………………
149,5 149,3

Indon.

aand.

……………….
……..
61,7
62,0

Aandelen.
A.K.U.

………………………………
205 206

Philips

.

………………………………
266½
268

Unilever

……………………………
271.
283

H.A.L.

………………………………

.
151
147

Arnsterd,

Rubber ……………………
128½
90 ex bonus

H
.V.A.

………………………………
121½
!’
1
.

Kon.

Petroleum

……………………
447½
454

Staatsfondsen.

pCt N.W.S.

………………. .. ……
77k/it;
76
6
/
1
6

3-3’h

pCt

1947

………………………
97l/i
97
3
/-.

3

pCt

Invest.

cert.

…………………
98
15
1ie
97½

3
1
/!

pCt

1951

………………………….
101’/ie
101.1
s
,

3

pCt

Dollarlening

…………………
93
1
/
93

Diverse obligaties.

3
1
/, pCt Cern. Rdam 1937 VI ….
100
100

31/. pCt Bataafche Petr
102
10214

pCt Philips

1948

………………
101½
102½

3
1
/4
pCt Westl. Hyf. Bank
97 97

J. C. BREZET.

REPUBLIK INDONESIA

Voor enige Regeringsdiensten
in Indonesië worden gevraagd:

Accountants en Adjunct-Accountants

Dienstverband 3 jaar, extra uitkering 45% van genoten
basissalaris fj, pari in Ned. Crt.; bij eventueel achter-
laten gezin’ gunstige delegatieregeling.
Sollicitaties of verzoeken om inlichtingen te richten tot
Kantoor Aanname Buitenlandse Deskundigen, Jan
Evertstraat 1, Den Haag.

DE VEREENIGING
tot
CIIIIISTELIJKE VERZORGING
v.
GEESTES-
EN
ZENUWZIEKEN te ‘s-GRAVENRAGE,

vraagt voor spoedige indiensttreding een

ADJUNCT-HOOFD-ADMINISTRATEUR

met vooruitzicht om, bij gebleken geschiktheid, t.z.t.
de Iloofd-Administrateur op te volgen. Aanvangssalaris

f
10.000,—; premie vrij pensioen.

Gogadigdnn moeten van positief protestants-christelijke beginselen zijn, hij voorkcur een academische opleiding
hebben genoten en lid zijn van de Vereeniging van Aca-
demisch Gevormde Accountants of van het Nederlands
Instituut van Accountants. Bekendheid met accountants-
practijk strekt tot aanbeveling. Leeftijd hogstens 35
jaar. Psychotechnisch onderzoek kan verlangd worden.
Eigenhandig geschreven sollicitaties, vergezeld van pas-
foto en uitvoerige inlichtingen, te i’ichten tot het Cen-
tiaal Bestuur, Sweclinckplein 1, ‘s-Gravenhage.

Zonder uitnodiging geen bezoek.

cv-eJi tu
j
dmcvU
q

1

LEVENSVERZEKERING.MAATSCHAPPII

,

N.V. ROTTERDAMSCHE VERZEKERING-SOCIETEITEN
(R.V.S.)

gevestigd te
ROTTERDAM
Westerstraat
3
(Centrum)

BALANS
op’
S
31 December 1953
*
I.u6iI155U

Vaste Eigendommen

……..

f
25.720.000
Geplaatst Maatschappelijk Kapitaal
.

.
1

2.500.000

Hypotheken

36.294.000
Extra Reserve

………..
10.917.000

Effecten

55.603.000
Premiereserve

Eigen Risico

……
304,008.000

hischr. Grootboeken

en Schuldregisters

,.
84.169.000
Deposito en Leningeti a/g

.

….
,,

841.00

Leningen op Schuldbckentenis

.

.

,. 94.610.000
Gereserveerde Uitkeringen

…….
961.000

Polisbeleningen

………..11.714.000
Saldi van Agenten en Herverz. Mijen .,
674.000

Andere Beleggingen

………2.053.000
Dividend, Winstaandelen en Tantièmes
,,

454.000

Aandeelhouders nog te storten

,.

125.000
-.
Spaarbank voor het Personeel

…..
‘743.000

Saldi bij Bankiers. Giro en in Kas

.

,.

6.894.000
Ontvangen Borgstelhngen

.

.

.

.

.
..

557.000

Lopende Intrest

……….3.668.000
Nog
te betalen onkosten

.

t
507.000

Saldi bij Agenten in Herverz. Mijen

.,,

1.811.000
Gereserveerd voor Belahingen

.
,,

755.000

Diverse Debiteu’ren en andere Activa

.,

1.886.000
Diverse Crediteuren en andere

Pass’iva’
,,

1.630.000

324.547.000
.
1 324.547.000

/

Auteur