Ga direct naar de content

Jrg. 39, editie 1910

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 13 1954

F1

E

Sta
t is t ts che

Bert*chte’n

De dollar

*

Ir S. H. de Jong

Het nieuwe niveau van de koopprijzen

van landbouwgronden.

*

Drs A. G. ter Hennepe

De Nederlandse tapijtnijverheid

*

Dr F. Hartog

Europa en de verbonden overzeese

gebieden

Het probleem van dé. optimale protectie-eenheid

Dr H. Rijken van Olst.

Internationale technische hulp op

statistisch gebied

*

Drs P. M. van Nieuwenhuyzen

De Amerikaanse laiidbouw vergeleken

met de Nederlandse

UITGAVE VAN HET. NEDERLANDSCH.ECONOMISCH INSTITUUT

.39e JAARGANG

N.
1910

WOENSDAG
13 JANUARf 1954

S
..
.
,

IjTr) ‘4 E R
Z
E K

72O

R. NEESA ZOONEN

S
A° 1720

BANKIERS
&
ASSURANTIEMAKELAARS

V
(NS
VI
R
Z IK
(RING

9
V
L
8
7ANK’
sc_ll

ROTTERDAM

• AMSTERDAM- ‘s-GRAVENHAGE

DELFT – SCHIEDAM – VLAARDINGEN

In AMERSFOORT TE KOOP

RIANT LANDHUIS

met grote tuin in het Bergkwartier. Indeling: vestibule,
grote hall,
gr.
kamer, eetkamer, zijkamer, keuken en hij-
keuken, kelder enz. Verdieping: grote kamer, 5 kamers,
2 badkamers, Zoiderverd.: grote zolder en dienstbode-
kamer, voorzien van alle modern comtort, centr. verw.-instail. (oliestook) en parketvioeren. In Seer goede staat
van onderhoud. Direct te aanvaarden. Brieven onder no.
E.S.B. 2-1, Bur. v. d. Bi. Postbus
42,
Schiedam.

Nationale Handelsbank, N.V.

Amsterdam – Rotterdam – ‘
s-G
raverihage

Alle Bank- en Effectenzaken

ECO1OMISCH-

STATISTISCHE BERICHTEN

Regelmatige reclame

verhoogt Uw goodwill

•Abonneert U
Op

DE ECONOMIST

Maandblad onder redactie van Prf. ‘P. Hen-

niman, Prof. P. B. Kreukniet, Prof. H. W.

Lambers, Th. Ligthart, Prof. J. Tinbergen,

Prof.
G. M.
Verrijn Stuart, Prof. F. de Vries,

Prof. J. Zijlstra.
al
Abonnementsprijs f 22.50; fr. p. post f 23.60;

voor studenten
f
19.—; franco per post t 20.10.

Abonnementen worden aangenomen door de

boekhandel en door uitgevers

,

DE ERVEN
F. BOHN TE HAARLEM

• Uitgave van het Nederlandsch Economisclf Instituut

Adres voor
Nederland:
Pieter de Hoodhweg 120, Rotterdam- W.
Telefoon 38040. Giro 8408.

Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam.

Redactie-adres voor België:
Dr J. Geluck, Zwipnaardse
• Steenweg 357, Gent.

Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 120, Ro’tterdam-W.

Abonnementsprijs,
franco per post, voor Nederland en de
Uniegebieden en Overzeese Rjjksdelen (per zeepost) f26,—,
• overige landen f28,— per jaar. Abonnementen kunnen
ingaan. met elic nummer en slechts worden beëi,idigd per
ultimo van het kalenderjaar.
Losse nummers
75
cts.

Aangetkende stukken
in Nederland aan het Bjjkantoor
Westzeedijk, Rotterdam- W.

Advertenties.
Alle correspondentie,
betreffende
advertenties
te richten aan de Koninklijke Nederlandsche Boekdrukkerjj

H.-A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam (Telefoon
69300, toestel 1
of
3).

Advertentie-tarief
f0,30 per mm. Contract-tarieven op aan-
vraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”
f0,60 per
,
mm (dubbele kolom). De administratie behoudt
zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van
redenen te weigeren.

22

13 Januari. 1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23

De dollar

in een reeks van vier, voordrachten, ,,The Sir George

Watson lectures”, heeft Roy Harrod verschillende aspec-

ten van de Amerikaanse dollar belicht
1).

Na een overzicht van de geschiedenis van de

dollar behandelt hij de totstandkoming en de po-

litiek van het Federal Reserve System. Daarbij legt

hij zeer speciaal de nadruk op het grote verschil in

omstandigheden waaronder de Board of Governors

had te werken, veigeleken met de Bank of England.

Naast het verschil in structuur van de bank, speelt de

‘totaal andere verhouding tussen nationaal inkomen en
internationale handel in de beide landen een hoofdrol.
Het feit, dat de buitenlandse handel slechts een gering

percentage van het nationale inkomen in de Verenigde

Staten uitmaakt, rechtvaardigt een politiek waarbij de

stabiliteit van de binnenlandse economische bedrijvigheid

een grotere rol speelt dan een actief of negatief saldo

op de betalingsbalans. Volgens Harrod is het voor de

rest van de wereld belangrijker, dat er in de Verenigde

Staten een stabiele bedrijvigheid heerst, dan dat koste

wat het kost, naar een evenwicht in de betalingsbalans

gestreefd wordt. Ik ;vraag mij echter af, of de politiek

van de Board inderdaad tot voornoemde stabiliteit zoveel

heeft bijgedragen. De politiek van de Board, vooral die

gevoerd in de jaren twintig, wordt door Harrod warm ver-
dedigd, mi. niet geheel terecht, terwijl hij bovendien dein-

vloed van deze politiek op de conjunctuur sterk overschat.

In de laatste voordracht komt hij tot het kernpunt

van zijn betoog, het ,,structurele” dollartekort. Hij
schat dit op $ 2 mrd per jaar.

Ware de goudproductie gehandhaafd gebleven op het

peil van 1940 en ware de goudprjs met de prijs van

andere goederen mee gestegen, dan zou de huidige waarde

van de jaarlijkse goudproductie ca $ 2
1
/
4
mrd hebben

be.dragen. Een deel daarvan zou althans voor afdekking

van het tekort hebben kunnen dienen. Nu dat niet is ge-

schied zou een verhoging van de goudprjs, die onge-
twijfeld ook wel een verhoging van de productie met

zich zou brengen, een oplossing kunnen geven. Het

‘)Roy Harrod, The dollar. Macmillan & Co Ltd, London 1953, 156 blz.,
916
sh.

initiatief voor een dergelijke daad zou alleen van de

Verenigde Staten kunnen komen. Harrod voert de vol-

gende gronden aan, waarom het
y
oor de Verenigde Staten

verstandig zou zijn dat zij zo’n initiatief zouden nemen:

de belemmeringen van de invoer van dollargoederen

zouden kunnen worden opgeheven, de hulpverlening

kon worden stopgezet (trade for aid), de goudvoorraad

van de Verenigde Staten, momenteel $ 23 mrd, zou

in’ geval van oorlog te enen male onvoldoende zijn

om èn grondstoffen aan te kopen èn de kosten van

troepen buiten de Verenigde Staten te bekostigen. Harrod

meent verder, dat de vrees, dat een hernieuwde goud-

stro om naar de Verenigde Staten daar een inflatie zoü ver-

oorzaken, ongegrond moet worden geacht, omdat de Board

over voldoende middelen beschikt om dit te voorkomen.
Hoeveel aantrekkelijks er in de redenering van Harrod

moge schuilen, overtuigen kan hij toch niet helemaal.

Een zo sterke prijsstijging van het goud, als waar hij van

uitgaat, is politiek eenvoudig een onmogelijkheid. Maar

daarmede komt het cijfer van $ 21/
4
mrd voor vermin-
dering in aanmerking. Bedenken wij verder, dat de hulp

in 1952 nog $ 44 mrd bedroeg, dan-is het zeer de vraag,

of het structurele tekort ,,slechts” $ 2 Inrd zou bedragen.
Gesteld nog, dat de Board in staat zou zijn het ,,nieuwe”

goud te neutraliserén, dan vraagt Harrod toch wel een

zeer grote zelfbeheersing van de Treasury, die een koers-

winst maakt doch deze niet mag besteden. Blijft verder

nog de vraag of Europa in staat zal zijn de export naar

de goudproducerende landen zo op te voeren, dat daar-

mede het dollartekort kan worden afgedekt.

Komt er geen wijziging in de goudprjs, dan ziet Harrod

als enig – en een zeer impopulair – alternatief: sterke

discriminatie tegen de dollar, verlaging van de consumptie

in Europa, versterkte export in gezamenlijk verband

naar die gebieden, die wel over dollars beschikken en

dan, als een evenwicht verkregen wordt, convertibiliteit.

Het is jammer, dat Harrod zijn onderwerp wat breed

gekozen heeft. Daardoor kon hij niet zeer diep op zijn

argumenten ingaan, wat de overtuigingskracht er van

niet ten goede kwam.

Rotterdam.

Dr C. F. KARSTEN.

De dollar,
door Dr C. F. Kars ten …………

Het nieuwe niveau van de koopprjzen van land-

bouwgronden, door Ir S. H. de Jong ……..

De Nederlandse tapijtnijverheid,
door Drs A. G.

ter Hennepe ………………………….

De economische betrekkingen tussen Europa en

de verbonden overzeese gebieden; het probleem

van de optimale protectie-eenheid,
door Dr F.

Hartog…………………………….

Internationale technische hulp op statistisch ge-

bied, door Dr H. Rijken van Olst ………..

De Amerikaanse landbouw vergeleken met de

Nederlandse, door Drs P. M. van Nieuwen-

huyzen……………………………..

INHOUD

Blz.

Blz.

23 Boekbespreking:

Dr W. J. van de Woestijne: Een algemene vorm

25

van de vraagfunctie met toepassingsm5geljk-

heden voor practische marktanalyse en ver-

26

koopcontrôle, bespr. door Dr G. van der Wal
36

Aantekening:

De na-oorlogse loonontwikkeling in België . . . 38

28

Mededelingen voor economisten …………..38

Geld- en kapitaalmarkt,
door Drs J. C. Brezet …
.38

31

Recente economische publicaties …………… 39

Statistieken:

33

Verkeer en vervoer in Nederland ………..40

COMMISSIE VAN REDACTIE: Ch. Glasz; H. W. Lambers; J. Tinbergen; F. de Vries;

C. van den Berg (secretaris). Redacteur-Secretaris: A. de Wit. Assistent-redacteur: J. H. Zoon.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË: F. Collin; J. E. Mertens;

-.

J. van Tichelen; R. Vandeputte; A. Vlerick.

U 1E.UL%1W…Xa1 V
,J,JADLnJUIJr4’4

24

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 Januari 1954

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK

Ir S. H. DE JONG, Het nieuwe niveau van de koopprjzen

van landbouwgronden.

Het wetsontwerp ,,Vervreemding landbouwgronden”

is, na verschillende wijzigingen, op 21 December 1953

van kracht geworden. Vborts is op dezelfde datum bij

A.M.v.B. een nadere uitwerking van het koopprjsbeleid

vastgesteld. Schrijver geeft een overzicht van de gemid-
delde en maximum koopprijzen per ha van los bouw- en

grasland voor enige groepen van landboüwgebieden,

uitgaandevan de nôrmen, genoemd in de A.M.v.B.

Vervolgens gaat schrijver in op de vaststelling van de

koopprjzen van woning en gebouwen van boerderijen.

Zowel de A.M.v.B. als de nieuwe ,,Pachtiiormenbeschik-

king”, welke eveneens op gnoemde datum in werking

is getreden, bevatten pachtnormen voor woning en ge-

bouwen Van boerderijen welke, vooral wat de gebouwen

betreft, aanzienlijk hoger liggen. Schrijver komt tot de

conclusie, dat de nieuwe maatregelen op het gebied der
pacht- en koopprijsvorming Yoor de pachters, wanneer

de aanpassing der pachtprijzen aan het nieuwe peil zal

hebben plaats gevonden, een verbetering betekenen.

Drs A. G. TER HENNEPE, De Nederlandse tapijt-

nijverheid.

Voor de oorlog verkeerde de tapijtnijverheid in een

tamelijk zorgwekkende toestand, ten gevolge van steeds

drigende overcapaciteit. Ter voorziening in deze moeilij k-

heid richtten de Nederlandse producenten ‘de Holtap-

vereniging op, die als belangrijkste maatregel een pro-
ductiequotaregeling tot stand bracht. Sedert .de
oorlog

hebben de marktvoorwaarden een grondige wijziging

ondergaan. De tapijtproductie heeft laat een grote uit-

breiding gekend, vooral door het tekort aan garens.

In 1949 kon de tapijtproductie
boven
het vooroorlogse

niveau uuitkomen. Schrijver is van mening dat hand-

having van het tegenwoordige niveau van ‘de productie

en de bezetting slechts mogelijk is door’ een verdere uit-

breiding van de uitvoer, waarbij men in de eerste plaats is

aangewezen op markten, welke thans nog slechts be-

scheiden hoeveelheden van de Nederlandse tapijtnijver-

heid afnemen. –

Dr F. HARTOG, De economische betrekkingen tussen

Europa en de verbonden overzeese gebieden; het

probleem van de optimale protectie-eenheid.

Protecti& heeft in hoofdzaak alleen zinS voor een eco-

nomie met een harmonische’ structuur, waarbij immers

een geringe afhankelijkheid van de buitenwereld bestaat.

Bij grote entiteiten is de kans op het behalen van voor-

deel door protectie veel groter dan bij kleine eenheden.

De Europese landen zijn onder1ing in hoofdzaak con-

currerend. Er mag worden verwacht dat öpheffing of

vermindering van de onderlinge restricties tussen over

een breed terrein concurrerende landen tot een sterke

opvoering der arbèidsverdeling zal leiden. Door een

nauwere aaneensluiting van de Europese landen met de

verbondén overzeese gebiçden zal de positie tegenover

de dollarwereld worden versterkt, terwijl de kapitaal-

voorzieningsbasis van de verbonden overzeese gebieden
vermoedelijk verbreed zal worden.

Dr H. RIJKEN VAN OLST, Internationale technische

hulp op statistisch gebied.

Aan het verlangen naar verbetering of’uitbreiding van

de economische statistieken in de economisch achter-
gebleven gebieden wordt tegemoet, gekomen door het

beschikbaar stellen van deskundigen, met name door

de Verenigde Naties en de daarmede verbonden ,,spe-
cialized agencies”. De taak van de deskundigen is o.a.

het adviseren van de betrokken regering omtrent de voor-

waarden voor het ontstaan van een evenwichtig opge-

bouwde en efficiënt werkende statistische dienst. Er zijn

twee manieren om de lacunes in de economische statistiek

aan te vullen, nl. a. door het incidenteel opzetten van

een aantal noodzakcljke nieuwe statistieken en het ver-

beteren van de aanwezige cijfers of b. door te beginnen

uiiet het construeren van een samenvattend statistisch

overzicht over de economie van het land op basis van de

gebrekkige gegevens die aanwezig zijn, om eerst daarna

op systematische wijze de benodigde ontbrekende Çijfers

te verzamelen. Schrijver betoont zich een voorstander

van de laatste methode.

Drs P. M. VAN NIEUWENHUYZEN, De Amerikaanse

landbouw vergeleken met de Nederlandse.

In dit artikel worden gegevens veischaft over de opper-

vlakte cultuurgrond, de waarde der landbouwproductie,

het aantal landbouwbedrijven, de verdeling hiervan over

de bedrijfsgrootteklassen, de verhouding van het aantal
pachters tot het aantal grondgebruikers-eigenaar en het

gebruik van arbeid en kapitaal in de Verenigde Staten

en Nederland.

– SOMMAIRE –

Ir S. W. DE JONG, Le nouveau niveau des prix d’achat

des terrains agricoles.

Le 21 décembre 1953 est entré en vigueur aux Pays-

Bas le nouveau ièglement ds prix d’achat des terrains
agricoles. Se basant sur ces données, l’auteur fait ‘des

calculs pour certaines catégories de domaines agricoles.

Drs A. G. TER HENNEPE, l’Indusrie des tapis aux

Pays-Bas.

L’auteur donne un aperçu de la situation ,dans l’indus-

trie des tapis aux Pays-Bas avant et âprès la guerre. II

cnclut â un accroissement des ‘ exportations.

Dr F. HARTOG, Les relations économiqiies entre l’Europe

et les territoires associés d’outre-mer; le problème

de l’unité-protection optimum.

L’auteur conclut que la collaboration de l’Europe sur

le plan économique conduira â une plus grande réparti-

tion du travail. Une association plus étroite de l’Europe

avec les territoires dépendants d’outre-mer renforcera

sa position vis-â-vis de la zone dollar.

Dr H. RIJKEN VAN OLST, Assistance technique inter-

nationale en matière statistique.

L’auteur expose les méthodes que l’on peut appliquer

pour créer ou pour étendre des statistiques économiques
dans les territoires économiquement sous-développés.

Drs P. M. VAN NIEUWENHUYZEN, Comparaison

entre les agricultures américainè et hollandaise.

Cet article fournit que)ques données concernant les

agricultures américaine et hollandaise.

13 Januai 1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

25

Het nieuwe niveau van de koopprijzen van landbouwgronden

Indertijd werden in’ ,,E.-S.B.”
1)
door mij enige be-

rekeningen gemaakt over het niveau van de koopprjzen
van landbouwgronden in verband met het wetsontwerp

,,Vervreemding landbouwgronden”. De aanwijzingen,

die het wetsontwerp op dit stuk van zaken gaf, waren

summier: de Minister zou volgens art. 7 koopprijs-

normen voor landbouwgronden vaststellen, terwijl de

M.v.A. op de mogelijkheid wees deze normen te baseren

op de pachtprjzen.

Intussen is het wetsontwerp na verschillende wijzigingen

op 21 December

1953 van kracht geworden. De wet geeft

met betrekking tot het koopprjspeil van landbouw

gronden een duidelijker aanwijzing, dan eertijds het ont-

werp. Art. 6 der wet bepaalt, dat ,,voor de bepaling van

de hoogst toelaatbare tegenpraestatie bij overdracht van

land wordt uitgegaan van de netto-pachtwaarde”. En

voorts bepaalt art. 6 (2e lid), dat bij A.M.v.B. algemene

maatregelen worden gesteld t.a.v. de genoemde hoogst

toelaatbare tegenpraestatie. En aangezien eveneens per

21 December 1953 deze A.M.v.B. van kracht is geworden,

welke dus een nadere uitwerking van het koopprjsbeleid

geeft, weten we nu, waar we ongeveer aan toe zijn. Onge-

veer, omdat de Grondkamers, welke met de uitvoering

van de wet zijn belast, krachtens art. 7 van de wet nog

koopprjsnormen moeten vaststellen met in achtneming

van hetgeen.in dé A.Mv.B. is bepaald. De Grondkamers

zullen dus elk voor hun gebied een nadere detaillering

moeten geven van de richtlijnen in de A.M.v.B. vervat.

Hoe zal nu in grote trekken het koopprjsniveau van land-

bouwgronden komen te liggen? Voor het losse land, dus

land zonder gebouwen, kan zulks bij benadering uit de

A.M.v.B. worden afgeleid. Art. 9 van de A.M.v.B. ver-

meldt nl. een aantal pachtnormen voor los land, welke dus

normen zijn voor de bruto-pachtwaarde. Weet men nu

de grond-‘ en polderlasten, dan kan de nett6-pachtwaarde

worden berekend door van de bruto-pachtwaarde be-

doelde lasten af té trekken. Vervolgens moet de netto-

pachtwaarde worden gekapitaliseerd tegen een rentevoet,

welke blijkens art. 2 van de A.M.v.B. voor los bouw- en

grasland gemiddeld 3 pCt bedraagt en voor tuinland ge-

middeld
5
pCt.

In tabel 1 is nu voor enige groepen van land-

bouwgebieden, uitgaande van bovengenoemde gege-

vens, het gemiddelde koopprijspeil berekend. Ter

bepaling van het ,,gemiddelde” pachtpeil is tevens gelet

op hetgeen de Pachtstatistiek 1952/53 voor los bouw-
en/of grasland aan gemiddelde pachtprijzen vermeldt,

waardoor men vermoedelijk voor de Zandgronden en het
Rivierkleigebied met een wat hoger gemiddeld pachtpeil

moet rekenen, dan uit de A.M.v.B. valt af te leiden.

Daarentegen ligt het pachtpeil volgens de stâtistiek in

de Veenkoloniën thans lager, dan de norm van de

A.M.v.B., maar als gevolg van deze norm, zal men hier

met het optrekken van het gemiddelde pachtpeil rekening

moeten houden. Vandaar, dat voor de Veenkoloniën de

gemiddelde norm van de A.M.v.B. is aangehouden.

De hier berekende gemiddeldp koopprjzen van los

land van redelijk goede kwaliteit liggen ongetwijfeld

hoger dan het voorheen geldende prijspeil van 1940,

zelfs al houdt men er rekening mede, dat dit laatste niet

meer strak werd aangehouden.

‘) ,,Het niveau van de koopprijzen van landbouwgronden” in ,,E.-S.B.” van
2 April 1952.

..

TABEL 1.

Gemiddelde koopprjzen per ha van los

bozp-v- en grasland

zee- Rivier- Weide- Zand- Veen-

kleigeb. kleigeb. – str.

gr.

kol.

1. Pachtpei!…………………..135

110

115

75

100
2 Grond- en polderlasten

33

16

30

10

16
Netto-pachtwaarde (1-2)

102

94

. 85

65

84
Gekap. netto-pachtwaarde â.
3 pCt

…………………..
3.397

31 10

2.830

2.164

2.797
Koopprijspeil (afgerond)

3.400

3.100

2.800

2.200

2.800

De tweede vraag, die men kan stellen is, wat zal nu

in de betreffende gebieden ongeveer de maximum prijs

ijn van het losse bouw- en grasland? Onder de maximum

prijs wordt dan verstaan de agrarische waârde van het

aller,beste land, dat bovendien nog gunstig moet zijn ge-

legen en voor de wettelijke duur (6 jaar als los lapd,

12 jaar als onderdeel van een hoeve) is verpacht. Nu zal –

dit maximum niet zo veel voorkomen, maar het is in

zoverre van belang, dat het verschil tussen het gemiddelde

en het maximum ons enig begrip geeft van de speling,

welke er tussen de koopprjzen van land van redelijk

goede kwaliteit en het allerbeste land bestaat. Des te

groter deze speling is, des te meer kans bestaat er om in

de taxatie kwaliteitsverschillen gelegen tusen redelijk

goed en allérbest land in de koopprijzen tot uitdrukking

.te brengen.

TABEL 2.

Maximum koöpprjzen per ha van los

bouw- en grasland

Zee-

Rivier- Weiae- Zand-

Veen-

kleigeb’. kléigeb.

str.

gr.

kol.

Pachtpeil
………………..

200

150

140′)

100

140
Grond- en poldertasten

36

18

32

11

17
Netto-pachtwaarde
…………..
164

132

108

89

123
Gekap. netto-pachtwaarde â


3 pCt

. ………………….
.5.461

4.098

3.596

2.963

4.096
Koopprijspeil ‘(afgerond)

5.500

4.100

1600 .3.000

4.100
) Excl. kleiweide, Friesland is f 170 per ha.

De speling tussen de berekende gemiddelde en maxi-

mum koopprjzen is op de Zeekleigronden aanzienlijk,

nl. rondf 2.000, hetgeen voor de waardering van de in dit

gebied voorkomende zeer goede tot uitstekende klei- en
zavelgronden, ongetwijfeld van veel betekenis is. In het

Rivierkleigebied en de Veenkoloniën is de speling f 1.000,

terwijl zij voor de Weidestreken en de Zandgronden

f 800 bedraagt. Maar in de streken, waar nogal Vrij veel

slechte gronden kunnen voorkomen, en dit geldt in het

bijzonder voor het Rivierkleigebied, de Zandgronden en

in iets mindere mate voor de Weidestreken en de Veen-

koloniën, moet men in feite nog met een grotere totale

spreiding rekening houden, omdat de slechtere gronden

lager dan de gemiddelde norm gewaardeerd zillen moeten

worden. Dit geldt dus zowel voor de spreiding van de

pachtprjzen als voor de hiermedç thans nauw verbonden

koopprjzen van het onbehuisde land.

Een probleem op zichzelf vormt de vaststelling van de

koopprjzen van woning en gebouwen van boerderijen.
In het hier geciteerde artikel in ,,E.-S.B.” werd er door

mij de aandacht op gevestigd, dat de pachtnorm, welke

als ,,toeslag” voor woning en bedrijfsgebouwen geldt,

niet hoog genoeg was, om na aftrek van de lasten, die
op de gebouwen drukken, nog een netto-pachtwaarde

van enige betekenis te kunnen opleveren. Het was dus

in de eerste plaats nodig, deze pachtnormeu te verhogen,

26

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 Januari
1954

hetgeen ook is geschied, want zowet de genoemde

A.M.v.B. als de nieuwe ,,Pachtnormenbeschikking”,

welke eveneens per 21 December 1953 in werking is ge-

treden, bevatten pachtnormen voor woning en gebouwen

van boerderijen, welke vooral wat de gebouwen betreft,

aanzienlijk hoger liggen. De gemiddelde pachtnorm voor

de gebouwen ligt thans tussen f.30 – f 40 per ha, de

maximum pachtnorm tussen f 40 –
f
55 per ha. Voorheen

bedroeg deze gemiddeld ongeveer f15 – f 20 en maximaal

f 25 per ha. De gemiddelde pachtnorm voor de woning

varieert thans al naar de grootte van het bedrijf van

f 225 – f450 per jaar, de maximum norm van f 300 – f 600.

Voorheen bedroeg deze maximaal
f
500, gemiddeld
ongeveer f 300 per jaar.

Uit de toelichting op de A.M.v.B. blijkt, dat voor de

maximum pachtwaarde der gebouwen is uitgegaan van
70 pCt van de vervangingswaarde; voor de ,,woning of

het woongedeelte werd nog een correctie toegepast,

welke in verband met de huurprijsbeheersing in de niet-

agarische sector redelijk is te achten”. Dit laatste zal

dus betekenen, dat de maximum normen voor de woning

nog niet op 70 pCt der vervangingswarde zijn ge-

baseerd.

Uit de A.M.v.B. blijkt voorts, dat ter bepaling van de

koopprjzen van woning en gebouwen, de pachtwaarde,

geschat op basis van de pachtnormen, met bepaalde

factoren wordt vermenigvuldigd. Past men deze be-

rekeningsmethode eens toe op een boerderij van 30 ha
met gebouwen van gemiddelde leeftijd, gelegen in het

Zeekleigebied en met land van redelijk goede kwaliteit,

dan verkrjgt men het volgende resultaat:

Woning f425 per jaar x factor 20 =

………………….f

8.500
Gebouwen pacht f35 per ha,in totaal 30 x f35 = fl.050. Koop-
prijs fl.050 x factor 15 = ………………………………15.750

Koopprija woning en gebouwen totaal
………………
f 24.250
Idem

per ha (f24.250 30) .. . “,,

800

Wanneer men de vervangingswaarde der gebouwen

oo
f
2.500
per ha stelt, dan zal dus bij gebouwen van ge-

niiddelde
levensduur de waarde op basis van de ver-

vangingswaarde hiervan de helft bedragen, ni. f 1.250
per ha. Maar er wordt voor de nieuwe gebouwen (niet

voor de woning) 70 pCt der vervangingswaarde gehono-
reerd, aldus de toelichting. Zeventig procent van de ver-

vangingswaarde van de woning en gebouwen van ge-

middelde leeftijd bedraagt 0,7
x
f 1.250 =
f 875,
zodat

men met de koopprjs.van f800 per ha zelfs voor woning

en gebouwen van gemiddelde leeftijd niet zo ver meer

van deze 70 pCt af ligt. Degene, die echter de boerderij

koopt, zal wel moeten bedenken, dat van enige rente

van het gebouwenkapitaal nauwelijks sprake kan zijn.

De pacht voor woningen gebouwen zal nl. f 425 + 30

x
f 35 = f 1.475 bedragen, d.i. rond f 50 per ha. Het

bedrag van onderhoud, assurantie en afschrjving kan

op ongeveer f 47 per ha worden gesteld, zodat er prak-

tisch geen rentevergoeding overblijft.

Maar aangezien men als regel geen woning en gebouwen

zonder land koopt – de wet laat bovendien splitsing

van land en gebouwen niet toe – zo moet men feitelijk

de rentevergoeding bezien voor de gehele boerderij, dus

voor land en gebouwen tezamen. Doet men zulks, dan

komt er voor het land in het hier gestelde voorbeeld nog

f 3.400 per ha (zie tabel 1) bij, zodat de totale koopprijs

per ha dan f 800 + f 3.400 = f 4.200 wordt. Hetgeen er

nu aan rente van het grond- en gebouwenkapitaal (netto-

pachtwaarde) overblijft, kan als volgt worden berekend:

Pacht van los land per ha

………………………………
f 135
van de woning per jaar, f425, per ha (f425 30)
…………
14
der gebouwen per ha
………………………………..
35

Totaal

per ha

………………………………….
f 184

(t)
Eigenaarslasten per ha:


onderhoud en assurantie woning en gebouwen
……..
f 35
afschrijving woning en gebouwen
………………….
12
grond- en polderlasten
…………………………..
33
f
80(2)

Netto-pachtwaarde per ha (1-2)
……………………
f 104

Bij een koopprijs van f 4.200 per ha verkrjgt men dus

een netto-pachtwaarde van f 104, d.i.
2,5
pCt. Hetgeen

een redelijk resultaat is, wanneer men bedenkt, dat de

langerentestandenin 1951 en 1952 resp. 3,42 en 3,41 be-

droegen
2)
en dat het in land en gebouwen geïnvesteerde

kapitaal ook voor de oorlog ongeveer 0,75 tot 1 pCt

beneden dat der vaste beleggingen lag.

Men zou naar voren kunnen brenge.n, dat de pacht-

norm voor het losse land t.o.v. die der gebouwen te hoog

ligt, omdat het eerste een rendement geeft van 3 pCt

en er geen reden is, een verschil te maken. Men dient

echter wel te bedenken, dat het uit het oogpunt van

pacht- en koopprijsbeleid thans uiterst moeilijk is, de

pachtnormen van land te drukken. Bovendien nog dit:

toen er nog geen pachtprjsbeheersing was, was er vrijwel

geen verschil in de pacht van los land en die van boerde-

rijen, hetgeen dus betekende, dat zelfs de op de gebouwen

drukkende lasten niet gehonoreerd werden. De conclusie

mag dan ook zijn, dat de nieuwe maatregelen op het ge-

bied der pacht- en koopprijsvorming voor de pachters,

wanneer de aanpassing der pachtprijzen aan het nieuwe

peil zal hebben plaats gevonden, ongetwijfeld een ver

betering betekenen. Zij zullen misschien nog met Oliver

Twist zeggen ,,I want some more”, maar zij zitten niet

meer in de ,,vergeten hoek”. Ook de verkoop van land-

bouwgronden kan nu op een aanmerkelijk reëler basis

plaatsvinden, dan tijdens het regiem van de ,,prjsstop

Mei 1940″ mogelijk was.

‘s-Gravenhage.

Ir S. H. DE JONG.

‘) Dr F. de Roosen Dr W. J. Wieringa, Een halve eeuw rente in Nederland,
gedenkboek H.A.v.-bank, 1953.

De Nederlandse tapijtnijverheid

In de Nederlandse textielindustrie neemt de tapijt-

nijverheid een vrij bescheiden plaats in. Blijkens cijfers

van het Centraal Bureau voor de Statistiek werken on-

geveer 4.500 van de ruim 100.000 bij de textiel betrokken

arbeidskrachten in deze bedrijfstak. Waarschijnlijk zijn

in deze 4.500 personen medebegrepen het aantal tewèrk-

gestelden in de cocosindustrie, dat ongeveer 1.300 bedraagt,

zodat het aantal werkkrachten in de tapijtnijverheid op

ruim 3.000 kan worden gesteld.

Tegenover, het betrekkelijk geringe aantal arbeids-

krachten staat, dat de productie per werknemer, .tegen

marktprjzen, relatief hoog is. Tapijtwerk is in de regel

een hoogwaardig product en de tapijtwever of -knoper

een zeer geschoold valman. In dit vak schuilt nog iets

van het oude ambacht en men kan in vele weversfamilies

een zekere liefde voor het vak waarnemen met een vrij
sterke binding aan het bedrijf. Deze liefde voor het vak

stamt nog uit de tijd, dat de tapijtnijverheid grotendeels
een huisindustrie was. De binding aan het bedrijf wordt

door de ondernemers welbewust bevorderd. Zij leiden

13 Januari 1954

ECONOMISCH -STATISTJSCHE’BERICHTEN

27

bij voorkeur het personeel van jongsaf zelf op en houden

ten minste een bepaalde kern onder alle omstandig-

heden in dienst, teneinde de kennis te bewaren van spe-

cifieke kleurencombinaties en dessins, waarmede zij elk
voor zich een deelmarkt trachten te scheppen.

Met betrekking tot de tapijtindustrie zijn vooral twee
punten belangwekkend, namelijk:

le. de omstandigheid, dat v66r de oorlog een vrij aan-

zienlijke overcapaciteit in deze bedrijfstak heeft bestaan

en

2e. het feit, dat de Nederlandse productie van wollen
garens tekort schiet bij het garenverbruik, zodat aan-

zienlijke hoeveelheden garens, waaronder ook tapijt-

garens, moeten worden ingevoerd.

Ad. 1.

V66r de oorlog verkeerde de tapijtnijverheid in een

tamelijk zorgwekkende toestand, ten gevolge van steeds

dreigende overproductie. Daarnaast leden de Nederlandse

bedrijven onder een vrij ernstige buitenlandse concur-

rentie, waartegen zij zich moeilijk konden verweren ten

gevolge van het relatief hoge loonpeil hier te lande.
De Nederlandse Overheid trachtte deze concurrentie

enigszins in te perken, door het instellen van een invoer-

contingentering. Deze laatste heeft echter, daar zij be-

trekking had op de waarde, weinig bevredigend gewerkt,

doordat de buitenlandse bedrijven, teneinde zo groot

mogelijke hoeveelheden in Nederland te kunnen im-

porteren, veelal de prijzen verlaagden, waardoor de

concurrentie voor de Nederlandse bedrijven nog ernstiger

vormen ging aannemen.’

Ter voorziening in de moeilijkheden van de overcapa-

citeit richtten de Nederlandse producenten de Holtap-

vereniging op. De belangrijkste maatregel, die deze or-

ganisatie tot stand bracht, was een productiequota-
regeling op basis van de omzet in een bepaald jaar.

Hoewel deze maatregel een nuttige bijdrage heeft geleverd

tot het voorkomen van felle concurrentie en andere ge-

volgen van overcapaciteit, kleefde er toch het bezwaar

aan van het’ statische karakter, dat eigen is aan de

koppeling van de productie aan die in een basisjaar in

het verleden.

Sedert de oorlog hebben de marktvoorwaarden voor

de tapijtnijverheid een grondige wijziging ondergaan.

Uiteraard bestond een grote inhaaivraag, terwijl de in-

voer aanzienlijk beperkt was. Toch heeft de tapijtpro-

ductie eerst laat uitbreiding ondergaan, vooral door

het tekort aan garens, waarvan de invoer slechts op

bescheiden schaal kon plaats hebben, ten gevolge van

het strenge deviezenregime van de eerste na-oorlogse

jaren. In tabel 1 vergelijken wij de productie, gemeten

aan de hand van het garenverbruik van de tapijtindustrie

in enkele na-oorlogse jaren met die van andere sectoren
van de wolnijverheid:

TABEL 1.

Productie wolindustrie (naar verwerkte garens)
(in duizend kg garens)

1938/
39
1947
1948
1949
1950
1951
1952
1953
le
kwart.

3.286
14.039
17.181 18.641
15.285
15.911
3.952
idem indexcijfers
100 106 130
141
140′)
116
120
wollen en halfwollen
2.782
4.941
6.031
4.789
3.067 3.216
706

wollen stolten

……….

idem indexcijfers
100
178
218
172 130
1
)
110
116
dekens

………….

Meubelbekleding
442 646
957
868
665
625
166
idem indexcijfers

.
. .
100 146
217
196
185 ‘)
151
142
Tapijtgoederen

………
5.226 3.126
4.528
6.233
6.612
5.952
1.835
idem indexcijfers

….
100
60
86
119
155 ‘)
126
113
1)
Geschat.
Bronne,,:
,,De betekenis van de wolnijverheid voor de welvaart van Nederland
en in het bijzonder van Tilburg”, uitg. Bureau v. d. Statistiek van de gemeen-
te Tilburg (voor de jaren 1938139 tfm 1950). Maandstalistiek van de Nijverheid,
C.B.S. (voor de jaren 1951 en volgende).

Duidelijk blijkt, dat, terwijl de gehele Nederlandse

wolindustrie in 1947 reeds een productiepeil had bereikt

dat lag boven dat van 1938/39, de productie van de

tapijtnijverheid eerst in 1949 boven het vooroorlogse
niveau kon uitkomen. De laatstgenoemde bedrijfstak

bereikte dan ook eerst betrekkelijk laat de hoogste prö-

ductie sedert de oorlog, namelijk in
1950,
toen de andere

bedrijfstakken reeds een teruggang te zien gaven. Daarbij

is de capaciteit van de tapijtnijverheid niet noemens-

waard vergroot. Aanvankelijk is de bescheiden toewij-
zing van de.viezen voor investeringen in machines een

rem geweest voor de uitbreidingen; nadat hiervoor

soepeler bepalingen werden gesteld, deed echter spoedig
de stijging van de grondstoffenprijzen een zwaar beroep

op de liquiditeit van vele bedrijven. Wellicht heeft ook

de omstandigheid, dat in andere sectoren reeds een zekere

mate van verkoopweerstand werd ondervonden, toen de
productie van tapijtgoederen nog uitbreiding onderging,

de tapijtfabrikanten er van weerhouden hun capaciteit

aanmerkelijk te vergroten. De tapijtindustrie heeft dan

ook in de laatste jaren een bevredigende bezettingsgraad

gekend, waarbij van overcapacitèit nauwelijks sprake

kan zijn geweest.

De invoer nam inmiddels tot
1950,
vooral na de libera-

lisatie bij een grote binnenlandse behoefte, niet onbe-

langrijk toe, om daarna sterk te dalen. De uitvoer ver-

toonde ten opzichte van de vooroorlogse jaren een aan-

zienlijke stijging. In tabel 2 geven wij een indruk van het

beloop van de in- en uitvoer sedert de oorlog in verge-

lijking met 1939.

TABEL 2.

In- en uitvoer van wollen tap ijt werk
(in duizenden guldens)

1953
1939
1947
I

1948
I

1949
I

1950
1951
1952
1

Jan/
I
Juni

2.847
2.462
4.621
6.462
30.250
23.114
9.444
5.406
Invoer

…………….
415
1.400
2.520
2.472
13.609
20.527
11.431
5.154
Uitvoer

.
………….
Invoeroverschot
T2
TÏöi
ï9
T7
252
Uttvoeroverschot
1.987
Bron:
Maandstatistiek van de In-, Uit- en Doorvoer, C.B.S

Door veranderingen in de enheid van telling bij de

hoeveelheden is het slechts mogelijk de cijfers in geld te
verstrekken, waarbij men een sterke prijsstijging in aan-

merking moet nemen. Waarschijnlijk bestaat thans

tussen de binnenlandse afzet en de invoer ongeveer de-

zelfde verhouding als voor de oorlog.
Bij de ontwikkeling van de uitvoer valt op, dat deze

een hoogtepunt bereikte, nadat, blijkens tabel 1, de pro-

ductie reeds een teruggang te zien had gegeven. In het

algemeen kan men zeggen, dat de bedrijven, die zich

op de uitvoer toeleggen, van de terugsiag, die op de

Korea-Musse is gevolgd, minder te lijden hebben gehad

dan de bedrijven, die voor hun afzet geheel of voor het

grootste gedeelte op de binnenlandse markt waren aan-
gewezen.

Uit de verandering in de verhouding tussen de invoer

en de uitvoer blijkt overigens duidelijk, dat de Neder

landse tapijtnijverheid sedert het einde van de oorlog

sterker in de concurrentiestrijd staat, dan voor 1940 het
geval was. Onder andere is dit zeker het gevolg van het

feit, dat het Nederlandse loonpeil, in tegensteffing tot

vé6r de oorlog, thans relatief laag is. Niettemin is deze

factor niet meer van een dergelijke grote betekenis als

voorheen, daar de lonen, ten gevolge van de sterke

stijging van de andere kosten, en vooral van de grond-

stofkosten, een geringer gedeelte van de kostprijs uit-

maken dan in de dertiger jaren. –

28

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 Januari 1954

Ad. 2.
Hierboven werd reeds uiteengezet, dat de tapijtnijver-

heid in de eerste na-oorlogse jaren een tekort aan garens

ondervond. Dit heeft aanvankelijk geleid tot een zekere

neiging tot integratie van de tapijtfabricage met een

spinnerij van tapijtgarens. In het algemeen is in Nederland

teen dergelijke integratie economisch niet rationeel, daar

de optimale bedrjfsgrootte van een spinnerij te hoog

ligt om deze te koppelen aan een tapijtfabriek in de om-

vang, zoals wij die in Nederland kennen. Bovendien zijn
bij het grote garenassortirnent, waaraan een tapijtfabriek

behoefte heeft, de spinseries spoedig te klein voor renda-

bele productie.

Aanvankelijk wogen deze bezwaren niet op tegen het

voordeel van een ruimee en zekerder garenvoorziening,
doch met het herstel van de normale gareninvoer is men

op deze neiging tot integratie teruggekomen.

Inmiddels is het ontbreken van een voldoende Neder-

landse spincapaciteit toch
,
een bezwaar, in dier voege, dat

de Nederlandse tapijtnijverheid door de invoer van garens,

in de prijs waarvan reeds een Vrij aanzienlijk bedrag aan

lonen is verwerkt, niet ten volle voordeel kan trekken

van het lage Nederlandse loonpeil, temeer, daar ruim

de helft van de kostprijs van tapijten door de grondstof-

kosten wordt gevormd. Het is echter de vraag of, in

Europees verband gezien, uitbreiding van de nationale

spincapaciteit gerechtvaardigd is.

Niettemin zal men op alle punten moeten trachten de

concurrentiekracht van de Nederlandse tapijtnijverheid

te bevorderen, wil men niet het gevaar lopen weer in de

toestand van de dertiger jaren te vervallen. Zonder

twijfel liggen de productie- en de bezettingsgraad nog op

een bevredigend peil, doch het wil ons voorkomen, dat,

op lange termijn gezien, de binnenlandse markt zeker

een achteruitgang te zien zal geven. Naar onze mening

zal de afzet, die tot nog toe sterk onder de invloed heeft

gestâan van de inhaalvraag, de gevolgen gaan onder-

vinden van bijvoorbeeld de inkomensnivellering en het

feit, dat de moderne woningen, kleiner zijn dan vôôr

de oorlog. Het effect van deze verschijnselen zal waar-

schijnlijk – mede in aapmerking genomen de grote in-

komenselasticiteit van textielgoederen en zeker van wo-

ningtextiel – sterker blijken te zijn dan dat van de be-
volkingsaanwas. Handhaving van het tegenwoordige

niveau van de productie en de beetting is, naar onze

mening, dan ook slechts mogelijk door een verdere uit-
breiding van de uitvoer.

Het is daarom verheugend, dat deze in vergelijking

mèt 1939 een sterke stijging te zien heeft gegeven; sedert

1951 vertoont de uitvoer evenwel weer een teruggang.

In tabel 3 geven wij een inzicht in de samensteffing van

de export naar afzetgebieden, teneinde na te gaan in hoe-

verre deze samenstelling van invloed is geweest op de

schommelingen. /

TABEL 3.

Uitvoer van wollen tap ijigoederen, gesplitst naar landen

van bestemming

(in duizenden guldens)

Land van bestemming

1939

1
1950

1951
1
1952 Jani

Verenigd Kninkrijk

44

5.449

9.714

151

45
Skandinavische landen

………..
306

2.098

3.773

3.211

1.885
West-Duitsland
………………
5

4.641

3.980

5.061

1.616
België en Luxemburg
……….
..2!

538

1.655

1.530

912
Andere landen

…………….
39

883

1.405

1.478

696

Totaal

…………………..
415

13.609

20.527

11.431

5.154
Bron: Maandstatiatiek van de In-, Uit. en Doorvoer, C.B.S.

Uit deze cijfers blijkt duidelijk een zekere eenzijdige

gerichtheid van de uitvoer. Sedert de oorlog heeft zich

wel een. grotere mate van spreiding voorgedaan, doch

dat deze nog onvoldoende is moge blijken uit het feit,

dat de daling van de totale uitvoer van tapijtwerk in 1952

vrijwel geheel is toe te schrijven aan het uitvallen van

één afzetgebied, namelijk England, dat op het- einde

van 1951 de invoer van onder andere tapijten drastisch

beperkte.

Bovendien heeft de afzet in bijvoörbeeld West-Duits-

land tot nog toe sterk onder de invloed gestaan van een

niet onbelangrijke inhaaivraag, zodat het waarschijnlijk

mag worden geacht, dat de afzet in dit gebied een da-

ling zal vertonen, hetgeen ook zijn uitwerking zal

moeten hebben op de Nederlandse export naar dat land.

Dit geldt, zij het in mindere mate, tevens voor de andere

gebieden.

Het komt ons dan ook voor, dat op den duur eerder

een verndering-dan een toeneming is te verwachten

van de afzet naar de gebieden, waarop de Nederlandse

uitvoer van tapijten voornamelijk is gericht. Zowel voor

de handhaving van het tegenwoordige peil van de uit-

voer, als voor de uitbreiding daarvan is men daarom,
naar onze mening, in de eerste plaats aangewezen op

markten, welke thans nog slechts bescheiden hoeveel-

heden van de Nederlandse tapijtnijverheid afnemei.

Dit zal eisen stellen aan het.acquisitie- en productie-

apparaat, want men zal rekening moeten houden met de

somsbijzondere smaak van de afnemers in deze gebieden,

die sterk kan afwijken van die in de landen, waarop thans

de afzet voornamelijk is gericht. De Nederlandse tapijt-

nijverheid heeft in het algemeen echter voldoende begrip

voor dergelijke specifieke eisen en is daarbij wel door-

drongen •van de betekenis, die een grotere uitvoer heeft,

voor de bezetting van haar bedrijven.

‘s-Gravenhage.

A. G. TER HENNEPE, econ. drs.

De economische betrekkingen tussen Europa en de

yerbonden overzeese gebieden

Het probleem van de optimale protectie-eenheid

Zowel door het zgn. Straatsburg-plan van de Raad-

gevende Vergadering van de Raad van Europa ‘) als,

naar mag worden aangenomen, door de komende eco-

nomische conferentie van de Europese Beweging, te

houden te Westminster eind Januari 1954, worden de

economische betrekkingen tussen de groep der West

1)
,,Economic Relations with Overseas Countries”, Councit of Europe, 1952.

europese landen en die der daarmee verbonden overzeese

gebieden
2)
in het . middelpunt van de belangstelling ge-

plaatst. Hoewel in geen van beide gevallen gesproken

kan worden van ondoordachte voorstellen, heeft het

toch alle zin om het probleem van de verhouding tussen

beide landengroepen, losgemaakt uit de politieke sfeer,

‘) Onder de verbonden overzeese gebieden wordn hier begrepen de zelfstandige
leden van het.Britse Gemenebest.

13 Januari 1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

op grond van economische merites nader te bezien.

Daarbij i het niet mogelijk, tot meer dan zeer tentatieve

conclusies te komen, omdat het vraagstuk ook ‘in eco-

nomicis verschillende moeilijk quantificeerbare facetten

heeft. Het is daarom, teneindé niet te verdrinken in de

gecompliceerdheid van de prsoblematiek, gewenst om eeiï

zekere beperking in acht te nemen. Deze zal daaruit

moeten bestaan, dat we ons concentreren op de belang-

rijkste algemene overwegingen, die hierbij een rol spelen.

Er, zijn in dit verband vooral twee motieven van groot

belang. Gesteld wordt namelijk doorgaans, dat nauwere

economische samenwerking tussen beide groepen lan-

den voordelen brengt uit protectie-oogpunt en uit valu-

tair oogpunt. Met het eerste punt wordt bedoeld dat

handelspolitieke aaneensluiting en dus gehele of gedeelte-

lijke verplaatsing van de handelsbelemmeringen naar de

grens tegenover de buitenwereld tot een be1anrjke wel-

vaartsstijging van het betrokken gebied zal leiden. Het

tweede punt heeft speciaal betrekking op de structurele

aspecten van de dollarschaarste, in
verband
waarmee het

bereiken van een triangulair dollarevenwicht als doel

wordt gesteld.

In hetvolgende zal ten aanzien van deze verwachtingen

in grote trekken worden nagegaan of zij, voor zover.thans

kan worden bezien, voldoende stevig gefundeerd zijn.

Het eerste punt zal worden toegespitst op de vraag naar

de öptimale protectie-eenheid, terwijl het tweede punt

(dat in een volgend artikel zal worden bezien) uitmondt

in een beschouwing over de handelsstromen tussen de
btrokken gebieden, waarbij, teneinde een min of meer

volledig beeld te krijgen, ook Latijns Amerika moet

worden betrokken.

* *
*

De strijd tussen vrjhandels- en protectie-argurnenten

heeft tot een vrij algemeen aanvaarde uitkomst geleid,

waarbij van beide kanten bepaalde concessies zijn gedaan.

Tegenover de vrijhandelsthese zijn drie protectie-

overwegingen in theoreticis houdbaar bevonden:

het ruilvoetargument, volgens welk door tarief-

politiek prijsvoordelen kunnen worden behaald;

het werkgelegenheidsargument, dat kan gelden bij

onderbezetting van het productie-apparaat;

het opvoedingsargument, op grond waarvan tijdelijke

protectie gewenst kan zijn.

Het verweer van de zijde der vrijhandel is op deze

punten verschoven naar de practische sfeer. Men stelt

hier namelijk het volgende tegenover: »

de voordelen worden voornamelijk’ op kosten van

anderen behaald. Dit spreekt met name duidelijk

bij het ruilvoetrgument. Van mondiaal standpunt

bezien is vrijhandel dust vrijwel altijd te prefereren;

protectie leidt veelal tot toepassing van verweer-
middelen, waardoor tenslotte ieder slechter af is;

er zijn andere en minder restrictieve middelen ter

bevordering van de werkgelegenhèid en tot hulp

aan jonge bedrijfstakken beschikbaar;

de grens tussen nationaal voordelige en nadelige

protectie is moeilijk te trekken.

Het lijkt nuttig om na te gaan of de hier’ vermelde

gezichtspunten bepaalde aanwijzingen bevatten voor de

richting waarin de verruiming van het handelsverkeer

moet worden gezocht. Aangezien mondiale afschaffing

van protectie voorlopig buiten het gezichtsveld valt,

moet in eerste instantie op kleiner schaal naar liberalisatie

(in de ruimste zin) worden gestreefd., De vraag luidt dan,

of de optimale protectie-eenheid gezocht moet worden

bij de afzonderlijke Europese staten of bij West-Europa,

al of ‘niet met inbegrip van de verbonden over’zeese ge-

bieden. –

Reeds aanstonds kan worden gezegd, dat de kans op

verweermiddelen van de zijde van niet-dèelnemende

landen in dit geval vermoedelijk niet groot is, aangezien

de discriminatie tegen deze landen niet plaats’indt door

vercherping van de restricties naar buiten, doch door

verzachting naar binnen (,,passieve discriminatie”).
Met’

dit element behoeft dus naar alle waarschijnlijkheid geen

rekening te worden gehouden.

Als algemene formule kan verder worden gesteld, dat

protectie in hoofdzaak alleen zin heeft voor een economie

met een harmonische structuur, waarbij immers een ge-

ringe afhankelijkheid van de buitenwereld bestaat, zodat

de vraagelasticiteit van de invoer en de aanbodelasticiteit

van de uitvoer in het algemeen hoog zullen zijn
3).
De

effectiviteit van protectie met het oog op ruilvoetverbe-

tering is met name ook afhankelijk van de
grootte
der

protectie-eenheid. In feite komt dit op hetzelfde neer,

omdat een economie alleen structureel harmonisch kan

zijn wanneer zij in voldoende mate beschikt over alle

belangrijke natuurlijke hulpbronnen, hetgeen slechts het

geval is bij grote entiteiten als de Verenigde Staten en

Rusland. Wil het opvoedingsargument ôver een breed

terrein toepasselijk zijn, dan geldt vooral dat de betrokken

protectie-eenheid een
potentieel
harmonische structuur

moet bezitten. Ook dit is in hoofdzaak een kwestie van

grootte.

Tegenover de tegenwerping, dat de grens tusen natio-

naal voordelige en nadelige protectie in de practijk moei-

lijk valt te trekken, kan dus worden gesteld dat bij grote

entiteiten de kans op het behalen van voordeel door

protectie veel groter is. Dit leert ook de

geschiedenis van

d’e handelspolitiek van de Verenigde Staten
4).
Bij kleine

eenheden daarentegen is vermoedelijk veel spoediger de

grens tussen voor- en nadelige protectie overschreden

Bezien we in dit verband de gemiddelde grootte der

Europese staten, daarbij voor ogen houdend dat deze

grootte vooral bepalend is voor de vraag of zij elk afzon-

derlijk al of niet harmonisch van structuur zijn, dan is

het wel zeer onwaarschijnlijk dat we hier met optimale

protectie-eenheden te döen hebben. Alleen reeds het feit

dat de grootte der Europese landen zo stork uiteenloopt
wekt twijfel aan de effectiviteit van nationale protectie.
Bij een belangrijk grotere protectie-eenheid (alle West-

europese landen gezamenlijk, al of niet met inbegrip van

hun overzeese gebieden) ligt deze zaak vermoedelijk

anders.

Hierbij doet zich het verschijnsel voor dat de Europese

landen onderling in hoofdzaak
concurrerend
zijn in

plaats van complementair. *

De populaire visie op dit punt is, dat complementari-
teit een voor:waarde is voor een succesvolle opheffing

of vermindering der onderlinge handelsbelemmeringen.
Hierop valt wei iets af te dingen. In dit verband is het

nuttig, onderscheid te maken tussen de voordelen naar
binnen (betere arbeidsverdeling) en de voordelen naar
buiten (zie de argumenten vôor protectie).

Wat het
interne voordeel
betreft, mag wcrden verwacht

dat opheffitg of vermindering van de onderlinge restrië-

‘) Zie hierover
S. S.
Alexander: ,,Devaluation versus Import Restrictions as
an Instrument for Improving Foreign Trade Balance”, J.M.F. Staff Papers”,
April 1951. – –
) Zie in dit verband 1. A. Schumpeter: ,,The Influence of Protective Tariffs on
the Iridustrial Development of the United States”, ,,Essays of J. A. Schumpeter”,
1951.

30

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 Januari 1954
ties tussen over een breed terrein concurrerende landen.

tot. een sterke opvoering der arbeidsverdeling zal leiden.

Daarentegen zal er tussen complementaire landen op
dit punt in het algemeen weinig veranderen ). Bezien

van het eerstgenoemde gezichtspunt uit biedt ,de aan-

eensluiting van concurrerende landen dus meer perspec-

tief dan het samengaan van complementaire landen.

De verschuivingen waartoe de verruiming van het handels-

verkeer tussen concurrerende landen doorgaans zal lei-

den moeten niet als een nadeel worden beschouwd. Zij

zijn juist een uiting van de verbetering der arbeids-

verdeling. Bovendien kan de omschakeling dikwijls be-

reikt wôrden binnen hetzelfde bedrijf
(,,specialisatie-

effect”),
zodat in zoverre geen geografische verplaatsing

van de productie behoeft plaats te vinden (vgl. de over-

gang van civiele naar oorlogsproductie binnen één be-

drijf). Zouden niettemin als gevolg van de omschakeling

in productie bepaalde gespecialiseerde productiemiddelen

zonder emplooi komen, dan is het onjuist dit als een

netto-verlies voor de volkshuishouding te beschouwen.

Dit verlies was namelijk tevoren al aanwezig in de vorm

van hogere prijzen, zodat het gespreid was over de hele

volkshuishouding. Door het zonder emplooi komen van

gespecialiseerde productiemiddelen wordt dus alleen een
reeds bestaand verlies aan de dag gebracht (afgezien van

eventuele secundaire effecten).

Tot zover over het interne voordeel, dat kennelijk in

de richting van ,,competitiveness” in plaats van comple-

mentariteit wijst als vodrwaarde voor succesvolle handels-

politieke aaneensluiting.

Anders ligt het met het
externe voordeel.
Naar buiten

werkt prôtectie immers gunstig voor de samenwerkende

landen, indien deze ten naasten bij een harmonische

structuur bezitten. Dit laatste wordt met name bereikt

door aaneensluiting van complementaire landen. Uit

dezen hoofde kan dus ook handelspolitieke samenwerking

tussen complementaire landen zin hebben, ondanks het

feit, dat hiervan weinig intern effect moet worden ver

wacht.

Toegepast op de Europese landen levert de onderlinge

,,competitiveness” een argument voor verruiming van

de onderlinge handel. Langs deze weg wordt echter maar

zeer ten dele een harmonische structuur bereikt, hetgeen
als voorwaarde voor succes naar buiten geldt. In dit ver

band ligt het voor de hand, te denken aan een nauwere

aaneensluiting van de Europese landen met de verbonden

overzeese gebieden. Op deze wijze wordt dan niet in de

eerste plaats een opvoering van de arbeidsverdeling be-

reikt, doch wel een versterking van de positie naar buiten,

i.c. tegenover de dollarwereld. Om nauwkeuriger te zijn,

is het van groot belang voor de Westeuropese landen,

een zekere afronding te bereiken van de harmonische

structuur van de betrokken protectie-eenheid door ver-

sterking van de concurrentiepositie tegenover de dollar-
goederen in de overzeese gebieden.

Op het eerste gezicht hebben deze gebieden &chter

veel minder belang bij een nauwere aansluiting bij West-

Europa. Zij moeten het naielljk in eerste aanleg hebben

van het interne voordeel (opvoering van hun export).

Gezien de complemnentariteit van beide landengroepen

zal deze uitbreiding slechts betrekkelijk gering kunnen

zijn. Statistische gegevens wijzen dan ook uit, dat de

&) Aldus met name 1. Viner
in The Customs Union Issue”, 1951.

voornaamste uitvoerproducten van de verbonden over-
zeese gebieden, zijnde in hoofdzaak grondstoffen, door

West-Europa reeds thans door lage invoerrechten worden

bevoordeeld. Deze gedaêhtengang is echter te statisch.

Er is immers nog een factor, welke vooral op lange

termijn werkt. Deze betreft de kapitaalvoorziening van

de verbbnden overzeese gebieden. Momenteel zijn deze

landen voor hun kapitaalbehoeften vrijwel uitsluitend

aangewezen op de moederlanden. Door de banden met

de andere Westeuropese landen nauwer aan te halen

wordt hun kapitaalvoorzieningsbasis vermoedelijk ver-

breed. Een voldoende mate van kapitaalimport is voor

de meeste van deze landen van groot belang met het oog

op hun eenzijdige economische structuur en hun sterke
afhankelijkheid van het dollargebied. Omgekeerd biedt

deze mogelijkheid om de last der kapitaalverstrekking

over een breder gebied te spreiden voor de moederlanden
een zekere compensatie vooi het feit dat zij de afzetmark-

ten in de verbonden overzeese gebieden geheel of ten dele

openstellen voor andere Westeuropese landen. Op deze

conceptie is het Straatsburg-plan gebaseerd, dat de wen-

selijke economische samenwerking tussen West-Europa

en de verbonden overzeese gebieden heeft uitgewerkt tot

een schema voor een ,,interlocking preferential area”,

met gezamenlijke kapitaalvoorziening van deze gebieden,

waartoe evenwel ook dollarbijdragen noodzakelijk worden

geacht. Het ,,interlocking preferential system” wordt

gezien als een stelsel van primaire tariefconcessies binnen

de ,,Comrnonwealth”-landen en de Westeuropese landen,

waarbij deze gebieden
elkaar
secundaire preferenties

verlenen. Dit resultaat zou moeten worden bereikt door

onderhandelingen.

Hoewel dit voorstel, doordat het rekening houdt met

verschillende weerstanden tegen een al te radicale tarief-

verlaging (bijv. tegen het opgeven van de voorsprong der

moederlanden in de overzeese gebieden) een zekere realis-

tische inslag heeft, moet toch worden betwijfeld of het

in deze vorm veel perspectief biedt. Niet alleen is de

methode van onderhandelingen zeer moeizaam, doch

bovendien is deze opzet strijdig met de ,,no new prefe-

rence rule” van het G.A.T.T. ‘In het kader van het

G.A.T.T. is een nieuw preferentiesysteem alleen mogelijk

als etappe naar een douane-unie. Een automatische

procedure voor tariéfverlaging met als uiteindelijk doel

een douane-unie lijkt dus meer aangewezen.

Zoals in het tweëde artikel, bij de bespreking van het
valutaire aspect van de handelspolitieke samenwerking

tussen West-Europa en de verbonden overzeese gebieden

zal blijken., is de afhankelijkheid der Westeuropese lan-

den van dollarinvoeren zeer groot. Deze inbreuk op de

harmonische structuur levert echter een versterking van

het hier gegeven betoog, vlgens welk een verdringing

van dollarproducten van de markten .der overzeese ge-

bieden in het belang der Westeuropese landen is. Tevens

kan op grond van dit feit door protectie tegen Ameri-

kaanse goederen wellicht nog een ander tactisch voor-

deel worden behaald. De aaneensluiting van de niet-

dollarlanden zou namelijk gebruikt kunnen worden als

hefboom voor het omlaagbrengen van de Amerikaanse

tarieven en andere handelsbeperkingen. Men zou hier-

bij, voor zover de prijseffecten betreft, kunnen spreken

van een specifieke toepassing van het ruilvoetargument.

Scheveningen.

F. HARTOG.

13 Januari
1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

31

Internationale technische hulp op statistisch gebied
l)

De behoefte en belangstelling in de zgn. economisch

achtergebleven gebieden voor het in het leven roepen,
de reorganisatie of de uitbreiding van de economische

statistiek nemen gedurende de laatste jaren steeds toe.

Dit vloeit in de regel voort uit het streven, door verdere
economische ontwikkeling van het land de levensstan-

daard en welvaart van de bevolking te verhogen. Terecht

ziet men als eerste voorwaarde daartoe de aanwezigheid

van goede kwantitatieve gegevens over de economie van

het betrokken gebied.
Aan dit verlangen naar verbetering of uitbreiding van

de economische statistieken wordt tegemoet gekomen

döor het beschikbaar stellen van deskundigen, met name

door de Verenigde Naties en de daarmede verbonden

,,specialized’ agencies” (de Voedsel- en Landbouworga-

nisatie, F.A.O.; het Internationale Monetaire Fonds,

I.M.F.; e.a.), alsook o.a. onder het Point-Four programma

van de Verenigde Staten: De taak van de deskundigen is

o.a. het adviseren van de betrokken regering omtrent de

voorwaarden voor het ontstaan van een evenwichtig

opgebouwde en efficiënt werkende statistische dienst

(resp. diensten). In veel gevallen bestaat hun werk uit het

geheel of gedeeltelijk van de grond af opbouwen van de

economische statistiek, omdat hetgeen op dit gebied

eventueel reeds aanwezig was, vaak niet voldoet aan de

wetenschappelijke eisen, die de moderne economisch-

statistische analyse aan het cijfermateriaal stelt.

Welke is nu de beste methode van opbouw van de

economische statistiek, wanneer er weinig bruikbare ge-

gevens in een land aanwezig zijn? Een dergelijke situatie

doet zich voor, wanneer – zoals’ vaak het geval is in

zgn. onderontwikkelde gebieden – het land bijv. slechts

beschikt over enkele gegevens omtrent in- en uitvoer,

omtrent de overheidsfinanciën, alsmede omtrent een

aantal prijzen. Er zijn in principe twee manieren om de

lacunes aan te vullen: a. door het incidenteel opzetten

van een aantal noodzakelijke nieuwe statistieken (bijv.
productiestatistieken, verbruiksstatistieken) en het ver-

beteren van de aanwezige cijfers, of b. door te.beginnen

met het construeren van een samenvattend statistisch

overzicht over de economie van het land op basis van de
gebrekkige gegevens die aanwezig zijn, om eerst daartia

op systematische wijze d’e benodigde ontbrekende cijfers

te verzamelen. Een ‘dergelijke statistische samenvatting

wordt o.a. gegeven door de nationale rekeningen en de

daaraan verbonden berekeningen omtrent het nationale

inkomen
2).

Sommige landen nu vragen deskundigen op bepaalde

gebieden, zoals de landbouwstatistiek, de verbruiks-

statistiek enz., en volgen derhalve de eerste bovenge-

noemde methode. In vele gevallen echter wenst men

eerst over het algemene beeld van het economisch leven

te beschikken en geeft men er de voorkeur aan de’ ont-

wikkeling van de economische statistiek te baseren op

‘) De in dit artikel voorkomende beschouwingen vormen de neerslag van
enkele ervaringen door de auteur opgedaan in zijn functie van adviseur van de
Landsregering van Suriname in 1951 en van de Regering van Panama in 1952-
1953, alsmede van de ervaringen van mededeskundigen die m andere landen
werkzaam waren. Er is naar gestreefd vooral die aspecten van de internationale
technische hulp te belichten, die een algemeen karakter hebben.
‘) Wij menen dat deze termen in Nederland ‘thans voldoende bekend zijn en
achten het dus niet nodig ze hier toe te lichten. Men zie voor een gedetailleerde
bespreking ervan bijv. de Monografie6n 7 en 8 van de Nederlandse Conjunctuur,
resp. getiteld: ,,}Iet nationale inkomen van Nederland, 1921-1939″ door Dr J.
B. D. Derksen, Dr H.
Rijken
van Olst, e.a. en ,,De nationale jaarrekeningen:
doeleinden, problemen, resultaten”, door Dr 11. Rijken van Olst en
C.
A. Oomens.
Uitgaven van het CBS., Utrecht 1948 en
1950.

de bevindingen, opgedaan bij de constructie van natio-

nale rekeniilgen, welke, zoals bekend, vooral de zgn.

macro-economische gegevens bevatten.

Men brengt tegen deze laatste werkwijze wel in, dat

besekeningen omtrent het nationale’ inkomen en de sa-

menstelling van nationale rekeningen voor de econo-

misch achtergebleven gebieden geen zin’ hebben, omdat
de grondegevens nog zo gebrekkig zijn. Inderdaad moet

w’orden toegegeven dat de resultaten van dergelijke ‘bere-

keningen geen hoge graad van exactheid bezitten. Dit is

echter geen belangrijk bezwaar. Immers, enerzijds is een

grote nauwkeurigheid voor deze eerste berekeningen

niet vereist
3),
anderzijds kent de statistiek een groot aan-

tal schattings- en contrôlemethoden, welke te grote af-

wijkingen tussen de werkelijkheid en de geschatte cijfers

vrijwel uitsluiten.

Vooral het gesloten systeem der nationale rekeningen,

waarbij de statistische grootheden alle op twee of meer

verschillende wijzen geschat kunnen worden, is een

waarborg tegen te grote onjuistheden. Zo schatte Oomens

in 1948 het nationale inkomen van Suriname en stelde

voor dit gebied globale nationale rekeningen op, met

behulp van vrij gebrekkige gegevens. De veel uitgebrei-

der onderzoekingen ter plaatse, in 1951 o.a. door schrij-
ver dezes verricht, bevestigden voor een belangrijk deel

Oomens’ conclusies
4).
Dezelfde ervarirlg is reeds her-

haaldelijk door onderzoekers in dergelijke gebieden op-

gedaan. Dit is een sterk argument ten gunste van een

eerste benadering d.m.v. de methode der nationale reke-

ningen. Natuurlijk dienen de berekeningen door ervaren

statistici te geschieden en moeten ze gevolgd worden

door detailonderzoekingen op diverse terreinen, welke op

hun beurt weer kunnen leiden tot verbetering van de

nationale rekeningen.

De vraag,’ welke statistische onderzoekingen op eco-

nomisch gebied nodig zijn, brengt ons tot ons tweede

argument ten gunste van het beginnen met ,,globale”

cijfers. Er is immers geen betere wijze om tot’ een even-

wichtig en gecoördineerd stelsel van statistieken te komen,

dan juist op basis van de nationale rekeningen. De eerste

opzet hiervan leert ons nI., aan welke grondgegevens de

meeste behoefte bestaât en welke in dit opzicht de be-

langrijkste desiderata zijn t.a.v. uitbreiding der statis-

tische documentatie. Met andere woorden: de nationale

rekeningen leveren ons tegelijk het werkschema en de
centrale leidende gedachte welke nodig zijn bij de op-

bouw van de economische statistiek dezer landen. Het is

‘allerminst zeker dat de methode van het m.o.m. los van

elkaar opzetten van statistieken over bepaalde onder-

werpen leidt tot het naar volgorde van urgentie verzame-

len van cijfermateriaal. Het is waarschijnlijker dat be-

paalde statistieken die nodig blijken te zijn, ,,toevallig”

het eerst ter hand worden genomen, terwijl men andere,

soms dringender, statistische behoeften nog onbevredigd

laat. Vooral als men ,,zo spoedig mogelijk” een bruik-

baar stelsel van economische statistieken wenst als basis

voor politieke beslissingen – en dit is vaak het geval –

) Het gaat over gebieden, waarvan op economisch-statistisch gebied nog vrij-
wel niets bestaat. Een aanduiding van de orde van grootte van alle belangrijke
verschijnselen is dan al een enorme stap vooruit.
‘) zie ,,Jaarrekeningen vast Suriname, 1938 en 1947″, door C. A. Oomens,
Statistische en econometrische onderzoekiiigen, December 1948. (Uitgave vast hee
CBS.) en ,,De’ grondslagen van een tienjarenplan voor Suriname”, bijlage B: ,,Nationale rekeningen van Suriname”, door Dr H.
Rijken
vast Olst. (Uitgave
Stichting Planbureau Suriname, 1952).

32

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 Januari 1954
heeft deze incidentele opzet van statistieken het nadeel, weifelend aanvaard. Het is o.i. een belangrijke taak van

dat hij leidt tot vertraging.

.
de organisaties via welke technische hulp wordt ver-

Een laatste voordeel van de door ons voorgestane
leend (met name de Verenigde Naties), de regeringen
methode, dat hierboven al even werd genoemd, is dat
der ,,onderontwikkelde” gebieden ook op de noodzaak

men kan komen tot een
gecoördineerd
stelsel van cij-
van deze soort hulp te wijzen en voor dat doel meer des-

fers over de nationale huishouding. Dit wil zeggen dat
kundigen uit te zenden. Zodoende krijgt de thans in

men reeds van het eerste vérzamelen der cijfers af, reke-
voldoende mate verleende statistische hulp een betere

ning kan houden met de eis, dat men later de gegevens
theoretische fundering,

en kunnen de samengestelde

uit verschillende statistieken in verband met elkar m
9
et
statistieken op hun. beurt de grondslag vormen voor een
kunnen gebruiken. Daartoe is o.a. nodig, dat de classifi-
juiste economische politiek. Thans hangt de statistische

cates, indelingen en definities der getelde en gemeten
/
hulp, door de onvoldoende hulp op deze twee verwante

grootheden op elkaar zijn afgestemd en dat de bericht-
gebieden, vaak enigszins in de lucht.

gevers over verwante verschijnselen dezelfde zijn. In vete
Niet alleen de theoretische economie, maar ook de

hoog ontwikkelde landen, waar de statistiek is ontstaan
theoretische statistiek is in de besproken gebieden ,,ach-

uit los naast elkaar staande, incidentele onderzoekingen
tergebleven”. Men beschouwt in vele dezer landen de

(de methode der nationale rékeningen kent men immers
statistiek nog als een soort boekhouding, ontstaan uit

eerst ca 10 jaar), heeft men no.g moeilijkheden van de
het verzamelen van gegevens en het vrijwel onbewerkt

beschreven aard bij het gebruik van verschillende statis-
publiceren van de resultaten daarvan. Over statistische

tieken in onderling verband. Waar de economische
analyse,

interpretatie en prognose weet iien weinig.

statistiek echter nog vrijwel geheel opgebouwd moet
Reeds zijn en worden er, o.a. onder auspiciën van de

worden, dient men van deze ervaring te prôfiteren ,en Verenigde Naties en de betrokken regeringen, op ver-

direct met de noodzaak der onderlinge vergelijkbaarheid
scheidene plaatsen in de wereld statistische opleidings-

van verwante cijfers iekening te houden. Dit kan ge-
centra gevestigd. ‘Deze voOrzien zonder twijfel in een
schieden door bijv. ,aan
dezelfde

bedrijven
en op
één
dringende behoefte. Het gebrek aan geschoolde en er-

formulier,
alle nodige gegeven

te vragen over produc-
varen statistici is in, bijna alle landen groot.

tie, arbeidsbezetting, uitbetaalde lonen, verwerkte grond-
Een laatste opmerking over de internationale tech-

stoffen, omzetten e.d.’
5) 6):
nische hulp, die wij willen maken, betreft de samenwer-

Wij concluderen dat voor de constructie van een even-
king tussen de verschillende ôrganisaties, welke deskun-

wichtig en onderling gecoördineerd systeem van eco-
digen voor dit doel uitzenden.

Voor zover ons bekend,
nomische statistieken in economisch achtergebleven ge-
vindt tussen deze organisaties geen overleg plaats over
bieden, het opstellen van (eventueel voorlopige) natio-
de uit te zenden deskundigen en over hun werkverdeling.

nale rekeningen en van de daaraan verwante brekenin-
Het wordt aan de deskundigen zelf overgelaten, vormen

gen omtrent het nationale inkomen van groot ‘nut, ja
van samenwerking te vinden. In de regel gelukt dit ook

onmisbaar zijn.
wel. Maar het kan voorkomen dat door onvoldoende

Een moeilijkheid, waarmede men thans in de praktijk
overleg v66r de uitzending, twee deskundigen geheel• of

te kampen heeft, is dat de begrippen nationaal inkomen gedeeltelijk op hetzelfde terrein werken, zonder van el-

en nationale. rekeningen dikwijls onbekend zijn, ook bij
kaars wensen en behoeften op de hoogte te zijn. Dit doet

de economen en statistici van deze landen. Dit is ook wel
zich vooral voor als ze niet tegelijkertijd, maar kort ‘na

begrijpelijk, gezien de snelle ontwikkeling’ van de aan
elkaar een regering adviseren.. Zo ervoer schrijver dezes,

deze begrippen verbonden methoden en technieken.
toen hij adviseerde in Panama een nationaal onderzoek

Bovendien zijn deze landen meestal ook op theoretisch- te houden naar de samenstelling van het gezinsverbruik,

economisch gebied ,,achtergeblëven”. In de Centraal-
dat .reeds op grond van het advies van een andere des-

amerikaanse landen bijvoorbeeld is Keynes nog vrijwel
kundige waS besloten, een dergelijk onderzoek tot één

onbekend. Aan de universiteiten aldaar wordt over zijn
stad te beperken. Weer een andere deskundigethad reeds

werk vrijwel niet gedoceerd.
een betalingsbalans voor Panama samengesteld; deze

De nauwe samenhang tussen- economische theorie,
bevatte echter niet alle indelingen, welke o.a. voor de

economische statistiek en economische politiek begint.
nationale rekeningen waren vereist.

men in een aantal landen eerst thans te zien. Hoè de op-
Hoe.vel dergelijke bezwaren wel overkomelijk zijn,

gezette statistieken gebruikt moeten worden om er een
leiden ze toch tot extra werk en extra kosten, welke men

economische politiek op te baseren (men denke bijv. aan
had kunnen voorkomen, indien dé organisaties die des-

de techniek van de planning, het gebruik van econo-
kundigen uitzenden, over’ hun programma’s uitgebreide

mische modellen, enz.), is echter voor vele regeringen
gegevens uitwisselden en meer overleg pleegden.

der betrokken gebieden nog een onopgelost vraagstuk.
De grote betekenis en het grote nut van de internatio-

De consequentie van dit alles, nl. dat ook op zuiver theo-
nale technische hulpverlening worden er hierdoor natuur-

retisch-economisch en

op economisch-politiek gebied
lijk niet minder om. Dit werk verdient veel meer publiekebe-

internationale technische hulp nodig’ is, wOrdt nog maar
langsteffing dan het tot dusver genoot, want het vertegen-

‘)
Dit vooronderstelt èf centralisatie der statistische diensten ôf een virgaind
overleg tussen de bureaus die zich met dit werk bez
i
g
h
o
uden.
woordigt een eerste stap tot grotere welvaart voor alle

volkeren.en de erkenning dat hier een taak, ja een plicht
6)
In een recent rapport van het Statistisch Bureau van de Verenigde Naties
wordt een in alle landen

ook de zgn. onderontwikkelde

toepasbaar systeem
hgt voor de thans n materieel opzicht meer gezegende
i

van nationale rekeningen uiteengezet. Algemene aanvaarding van de daar gegeven
richtlijnen zou de internationale vergelijkbaarheid der economische statistieken
zeer ten goede komen. Zie ,,A System of National Accounts and Supporting
Tables”, Studies in Methods no 2. United Nations, New York 1953.
Groningen.

Dr H. RIJKCN VAN OLST.

Het aantal bedrijven en de verdeling over de grootte-

klassen.

Het aantal normale bedrijven
3)
bedroeg in 1950 3,7

mln, d.i. 19 maal zo veel als het aantal bedrijven in ons

land waar de boer zijn hoofdberoep heeft. Daarnaast

bestaan 1,7 mln bedrijfjes waar het hoofdberoep buiten

de landbouw ligt.

Tabel 1 geeft een verdeling van het aantal bedrijven

over. de grootteklassen.

In Nederland ligt ruim
2/3
van het aantal bedrijven in

de grootteklasse 1-10 ha en bijna
1/3
in de grootteklasse

10-50 ha; slechts 1 pCt der bedrijven is groter dan 50 ha.

Naar oppervlakte gemeten zijn de bedrijven in Amerika

dan ook veel groter, hetgeen grote mogelijkheden voor

mechanisatie biedt.

Toc,h geeft vergelijking van de grootte, gemeten in

oppervlakte, een te eenzijdig beeld omtrent de verschil-
S

len in structuur, daar de intensiteit van het gebruik van

de grond hier veel groter iS. Derhalve wordt een tweede
indeling in groötteklassen gegeven (tabel II) en wel naar
,

de maatstaf van de waarde der verkochte producten.
Wat de waarde van de voortgebrachte producten per

bedrijf betreft worden de Nederlandse omstandigheden

dicht benaderd. Hieruit volgt, dat men zich gemakkelijk

blind staart op de grote Amerikaanse landbo.uwbedrj-

ven. Dit neemt niet weg, dat de grote oppervlakte

cultuurgrond per bedrijf zeker zijn betekenis heeft, zo-

wel uit technisch alsmede daardodr uit economisch

gezichtspunt.

Uit deze tabel blijkt, dat 87 pCt behoort tot de be-

drijven, die wat grootte” betreft, zeer wel met de Neder

landse bedrijven overeenkomen;
2/3
van het totaal aantal

komt overeen met onze kleine en middelgrote bedrijven

) Dit zijn bedrijven, waarin de onderhemer hoofdzakelijk zijn bestaan vindt.

‘deeld naar erootteklassen
4)

10-19

20-99
1

100-259
1
260-499
,
500-999

4-8

8–40
1

40-104
104-200
J
200-400
400

526

2.286
1.693
473
174
113
9

39
29
8
3
2

13 Januari 1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

33

De Amerikaanse landbouw vergeleken met de Nederlandse

De Aiuerikaanse landbouw vertoont een grote ver-

scheidenheid van productie-omstandigheden (w.o. kli-

maat, kwaliteit en ligging van de grond) en van pro-

ducten.

In dit artikel worden enkele algemene gegevens ver-

schaft, nl. over de oppervlakte cu1tuurgiond, de waarde
der productie, het aantal bedrijven, de verdeling hiervan

over de bedrjfsgrootteklassen en de verhouding van het

aantal pachters tot het aantal grondgebruikers-eigenaar.

Daarna, volgen enkele gegevens over het gebruik van

arbeid en kapitaal. In een volgend artikel zal, met deze

gegevens als achtergrond, enig licht worden geworpen op

de economischè positie van de Amerikaanse landbouw

en op de concurrentiepositie van onze landbouw t.o.v.

laatstgenoemde.

Enige algemene gegevels.
De Verenigde Staten tellen ca 150 mln inwoners, waar-
van volgens een schatting per 1 Januari 1949 ca 28 mln
1)

tot de landbouwbevolking zijn te rekenen; dit is 18 pCt

en derhalve vrijwel hetzelfde percentage als in ons land

(19,5
pCt). Het aantal ha bouwland en grasland per per-

soon van de landbouwbevolking
2)
bedraagt ginds ruim

13, in ons land ruim 1.

De totale
oppervlakte cultuurgrond
bedroeg volgens

de telling van 1945
1)
457 mln ha, als v lgt verdeeld:
bouwland
………..
160 mln ha
grasland
…………
210
grasland met bos

40
bos
……………..
30
overige grond
…….
20

De onderlinge verhouding van de oppervlakte bouw-

land en grasland is ongeveer dezelfde en de totale op-

pervlakte van: beide is ruwweg 160 maal zo groot als in

Nederland.
De bruto-ivaarde van de productie
van de Amerikaanse

landbouw is globaal 45 maal zo groot als die van de

Nederlandse, ni. fl52 mrd tegen f3,4 mrd in 1948. Per

ha cultuurgrond bedroeg deze ca f400, resp. ca
f 1.500.

1)
Agricultural Information Bulletin no 30, uitgegeven door het ,,Office of
foreigu agricultural relations” en het ,,Bureau of Agricultural Economics” van
het Ministerie van Landbouw.
‘) Het aantal
beroepspersonen
in de Amerikaanse landbouw is ons niet bekend,
derhalve heeft ook voor ons land dit
cijfer
betrekking op de totale landbouw-
bevolking in tegenstelling tot het percentage van 19,5 dat betrekking heeft op de
beroepsbevolking.

TABEL 1.

‘Aantal bedrijven in 1945 in

De waarde van de uitvoer van landbouwproducten

(inclusief be- en verwerkte producten van het landbouw-

bedrijf) was
ifi
1948 ongeveer 20 maal zo groot, ni.

f14.550 mln tegen f701 mln; dit betekent ca 10, resp.

ca
20 pCt van de productie.

Hieruit blijkt dat een aanzienlijk groter deel (on-

geveer het dubbele) van onze landbôuwproducten wordt

uitgevoerd.

Lantal acres

Bened
Totaal

10

Aantal ha

1

1

.

Aantal bedrijven
(X
1.000)
.
……………………..5.860

594
In pCt van het totaal
………………………..

100

10

TABEL
II.

Bedrijven, ingedeeld in grootteklassen (waarde der verkochte producten) in 1950
tFnk,’I,,

idd1dn,,r

Gemidd.
Vergelijk-

Groottéklasse


Waarde van de
Oppervlakte in ha
Aantal bedrijven
,
anr1′
bare,,be-

(waarde der verkochte producten)
verkochte produclen
________________________
te produc-
te” in Ne-
in

o ars
ten in
derland
totaa 1
waarvan
totaal
.

c
1fl
P

t
bouwl.
(x 1.000).
guldens
in ha ‘)

1. Grote bedrijven
…………………………..
meer dan 25.000
970
225
103
2,8
213.000
215
2. Gezinsbedrijvers
10.000-25.000
225
105
381
10,3
55.000
55
5.000-10.000
120
65
721
19,4
26.700
27

2.500— 5.000
75
40
882
23,8
13.800
14

a.

grote

………………………………..
..

1.200— 2.500
50 25


901
24,3
6.900
6

middelgrote

……………………………
..
middeikleine

……………..
……………
..
kleine

…………………………………
..
3.

Kleine

bedrijven

………………………….
..
250— 2.000
35
15
717
19,4
2.700
21
1

3.706
100

‘) Door, het Ministerie van Landbouw, Miscellaneoua publicatiors no 707

) Hierbij is uitgegaan van een waarde van de verkochte producten van f 1.000
uitgegeven,

per ita voor bedrijven boven 10 ha en f 1.200 voor bedrijven beneden 7 ha.

34

ECONOMISCH-STÂTISTISCHE BERICHTEN

13 Januari 1954

en zelfs 20 pCt met onze keuterbedrjven. Derhalve kent

Amerika evenzeèr het vraagstuk van de kleinE boeren,

zij het niet in zo grote omvang, terwijl de beschikbare

hoeveelheid cultuurgrond hier veel meer mogelijkheden

biedt om dit vraagstuk op te lossen. Dit
laatste
blijkt uit

het percentage grote bedrijven, dat immers aanzienlijk

groter is dan in ons land, terwijl voorts nog grote opper-

vlakten grond in cultuur kunnen worden gebracht.

Er is een ontwikkeling naar
toeneming
van de
eigendom

van grond en gebouwen in handen van de grondgebruikers.

Van 1930-1945 is het aantal pachters afgenomen met

30 pCt. De grootste vermindering vond plaats in de

kleine bedrijven in het Zuiden, voornamelijk onder de

zgn. ,,share-croppers”
6).
Deze ontwikkeling is een gevolg

van de gunstige economische omstandigheden sinds de

tweede wereldoorlog.

Het percentage pachters bedroeg in 1948
7)
27 van het

totaal aantal.bedrjven; in ons land
53.
Van de overige

be4rjven in Amerika is het grootste deel volledig eigen-
dom van de grondgebruiker; van een gering deel is deze

ten dele eigenaar. Vermeld zij dat het streven om eigenaar

van het bedrijf te worden Vrij algemeen is. Er zijn echter

ook pachters die er de voorkeur aan geven dit te blijven

teneinde in ruimer mate te beschikken over het benodigde
bedrijfskapitaal.

Het gebruik van arbeid en kapitaal.

De verhouding tussen de hoeveelheid arbeid en kapitaal

ligt heel anders dan in Nederland. De arbeid is er schaars

en duur. De grond is betrekkelijk overvloedig en. dus

goedkoop. De landbouwmachines zijn er goedkoper dan

hier. Dientengevolge is de bewerkte oppervlakte per man
ginds veel groter.

Het Amerikaanse bedrijf is grotendeels
gezinsbedrijf.

Er wordt betrekkelijk weinig met betaalde krachten ge-

werkt. Deze laatste komen in het algemeen alleen voor

op de grote bedrijven en dan vooral bij de oogstwerkzaam-

heden der arbeidsintensieve teelten zoals fruit, katoen,

tabak e.d. De teelt van deze laatste twee, die zoals be-

kend vooral in de Zuidelijke staten plaatsvindt, ge-

schiedt echter zowel op grote plantages als op kleine

gezinsbedrijven. Juist in deze streken i, het vraagstuk

van de kleine boeren (veelal ,,share-croppers”) het meest

nijpend. De waarde van de productie per man is hier

zeer gering.

a. Het aantal manuren per ha en per eenheid product.
Tabel III.

Product


Amerika
8)
1

Nederland

bedrijven bedrijven
op klei van
op zand van
ca4øha
ca lOha

Tarwe
8

12
230
1.100
4.050
1,1
5,7
Haver
18
240
225
1.300
4.150 2.900
Manuren per 100 kg
1,4 5,8
7,7

Manuren per ha

……………..
Opbr. in kg per ha

……………

Mais
ManuMn

………………………..

Manuren per ha
43 525
2.400 4.000
Manuren per 100 kg
1,8
13
1.
Aardappelen

Manuren per ha

………………..
Opbr.

in kg per ha

……………

225
425 575
15.000
30.000
28.000

Opbr.

in kg per ha

…………..

1,4

1,4
2,1
S. Suikerbieten

Manuren per ha

……………….
Opbr. in kg per ha

…………..

170
550

Manuren per 100 kg

………..

……

37.000
42.500
Manuren per ha

……………….
Opbr. in kg per ha

………….
Manuren per 1.000 kg
4,5
12,9

) Dit is de vorm van pacht, waarbij oe grondeigenaar grond, gebouwen, zaad
en kunstmest en soms nog andere bedrijfsbenodigdheden beschikbaar stelt en de ,,pachter” de arbeid en de overige productieniiddelen. De bruto-opbrengst wordt
tussen beiden verdeeld volgens een bepaalde maatstaf.
Miscellaneous publication no 707, uitgegeven door het Ministerie van Land-
bouw.


Gegevens van het Ministerie van Landbouw: gemiddelden over 1949-1951.

Dit overzicht geeft een duidelijke indruk van de hoge

graad van mechanisatie in de Amerikaanse landbouw.

Het verschil met ons land is vooral gelegen in de granen,

waar de mechanisatie in de Verenigde Staten meer al-

gemeen kan worden doorgevoerd. Het valt op, dat de

verschillen in het aantal uren per. eenheid product ge-

ringer zijn dan het aantal uren per ha als gevolg van de

hogere opbrengsten in ons land. Overigens zijn de hier

geconstateerde verschillen in opbrengst niet representa-

tief, daar deze, wat Nederland betreft, boven het lands-

gemiddelde liggen.

Naast de gemiddeld geringere kwaliteit van de grond

is het minder intensief gebruik hiervan mede oorzaak

van de grote verschillen in kwantitatieve en geldelijke

opbrengsten per .ha. De schaarse en dure arbeid leidt er

toe, dat de productie op zo eenvoudig mogelijke wijze

plaatsvindt. Wat betreft de granen komt men in vele

gevallen slechts driemaal op het veld: eenmaal om de

grond te bewerken, voorts om te zaaien en ten slotte

om met de maai/dorsmachine te maaien en tegelijkertijd

te dorsen. In ons land vindt’ veelal zowel de grondbewer-
king als het kunstmest strooien, het wieden en het bestrij-
den van plantenziekten meermalen plaats. Een dergelijke

werkwijze is ginds niet economisch, hoewel vermeld dient

te worden, dat het gebruik van kunstmest de laatste jaren

in sterke mate is toegenomen (275 pCt in 1948 t.o.v.

1935/39 = 100). Dit vergt echter .weinig extra arbeid,

daar het ginds veelal tegelijk met het zaaien plaats-

vindt.

Het landarbeidersloon
bedroeg in
1950e)
ca f3 per

uur in die staten waar betaalde arbeid van betekenis is; dit is

ongeveer het drievoudige van het loon (inclusief spciale

lasten) in ons land in hetzelfde jaar. Hierbij zij echter

opgemerkt dat het loon in verschillende . staten hoger

ligt, met name in de oogsttijd.

In dergelijke gebieden is de economische noodzaak

om sterk te mechaniseren uiteraard groter dan uit ge-

noemde verhouding van de gemiddelden valt op te maken.

b. Het gebruik van werktuigen en machines.

Het gebruik van de grote machines nam sinds het

uitbreken van de tweede wereldoorlog snel toe, zowel in

Amerika als in ons land.

Tabel IV.

Aantal machines
(x
1.000) op alle landbouwbedrjven

Maai/ Mais- Melk-

Trek- Vracht- dors-

pluk- machi-

kers

auto’s machi- machi-

nes

nes

nes

1 Januari 1940 ……………..1.545

1.047

190

110

175
1 Januari 1949
…………….

3
..500

2.000

590

365

685
1949 in pCt van 1940

227

191

310

301

391
Nederland
Juni 1940

…………………3,7


December 1950 ……………..21,0

1,2
1950 in pCt van 1940

570

Door het een en ander was de brutoproductie per

werker in de Amerikaanse landbouw in 1948 gestegen

tot 140 pCt t.o.v. de. jaren 1935/39; de productie per acre

is in diezelfde periode gestegen tot 127 pCt. Het aantal

trekkers en maai/dorsmachines nam de laatste jaren

in ons land zeer sterk toe. Het aantal ha cultuurgrond

per trekker (tabel VII) is voor beide landen zelfs vrijwel

gelijk; voor de maai/dorsmachines bedraagt dit aantal in

Amerika ongeveer 60 pCt. Deze cijfers zijn opvallend.

Hierbij mag echter niet uit het oog worden verloren dat

in de Verenigde Staten het grasland veelal van inferieure

kwaliteit is en nauwelijks voor bewerking met werk-

) Landbouwbedrijfstudie in Amerika, uitgave’ Contactgroep Opvoering Pro-
ductiviteit.

13 Janûari
1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

35

tuigen in aanmerking komt. Het beeld per bedrijf ligt

dan ook anders. Zoals uit tabel III immers is gebleken is

de mechanisatie per bedrijf ginds veel verder doorge-

voerd.

De inrichting van de bedrijven geeft in vergelijking

met ons land dan ook belangrijke verschillen te zien.

Bezien wij in verband hiermede de bedrijfsleiding, dan

lijkt deze onder de Amerikaanse verhoudingen op het
eerste gezicht meer deskundigheid te vereisen. Onge-

twijfeld vereist het gebruik van deze machines (vooral

ook dat van meer tegelijkertijd) een grote technische vaar-

digheid en deskundigheid, welke bij de Amerikaanse boer

aanwezig is. Niettemin blijft het grote verschil in vergelij-

king met de bedrijfsleiding op onze bedrijven, dat deze in

Amerika in verschillende opzichten veel eenvoudiger is. Zo-

als reeds is vermeld, is het aantal bewerkingen voor een be-

paald gewas ginds geringer. Bovendien is het productie-

plan veel eenvoudiger. 0p onze overwegend akkerbouw-

bedrijven worden wel tien of meer verschillende gewassen

geteeld. Op de grotere gemengde bedrijven mag dit aantal

wat geringer zijn, daarnaast komt dan de veehouderj.

Op de kleine gemengde bedrijven op de zandgrond be-

staat het productieplan uit een vijftal hoofdgewassen

met enkele nagewassen en uit een veestapel van koeien,

varkens en pluimvee. Het eenvoudigst ligt het op het

weidebedrjf, al mag hier niet worden vergeten, dat de

intensieve graslandproductie de ladtste jaren veel zorg

vereist.

Eén voorbeeld moge het grote verschil duidelijk maken.
Vooropgesteld zij, dat een dergelijk geval ook in Amerika

tot de uitzonderingen behoort.

Op een bedrijf van ca 150 ha in Illinois (een van de

vruchtbaarste landbouwstaten) werd het bedrijf gevoerd

door de boer en één betaalde arbeider. Deze laatste was

in Augustus echter met vacantie. Immers, de ,,small
grains” (tarwe, haver, gerst) waren gemaaid (met de

maai/dorsmachine) en er was toen niet veel meer te doen

tot de oogst van mais en soyabonen (in September). Op

een gemechaniseerd bedrijf in Nederland van dezelfde

opperlakte – maar met een veel grotere verscheiden-

heid van producten – zou een man of 10 werkzaam zijn.

De ingewikkeldheid van de bedrijfsleiding is bij ons

niet alleen gelegen in het toezicht op de arbeiders als

zodanig, maar in de verschillende werkzaamheden, die

in een bepaalde week en zelfs op een zelfde dag moeten

plaatsvinden, waarbij omschakeling vaak nodig is als ge-

volg van de veranderingen in het weer. Het klimaat is

ginds – over een korte periode – veel standvastiger.

C.
Het geïnvesteerd kapitaal.

Een overzicht kan worden gegeven voor onderstaande

,,grootteklassen”
10
).

Uit deze cijfers blijkt, dat de investering per ha in

Nederland veel hoger is. De grond is – èn door de

schaarste 6n door beterè kwaliteit – veel duurder en het

‘°) Berekend uit gegevens van het Ministerie van Landbouw in de Verenigde
Staten.

TABEL V

gebruik er van veel intensiever. Bovendien wordt in de
Verenigde Staten veel minder kapitaal in de gebouwen

geïnvesteerd. De gebouwen zijn er in het algemeen van

hout en daardoor minder duurzaani, hetgeen bevorderlijk
is voor een flexibele aanpassing aan veranderingen in het

productieplan. De gebouwen worden bovendien veelal

door de boer zelf gebouwd en hebben dan ook vaak een
provisorisch karakter.

Uit de onderlinge verhouding van bovenvermelde

kapitaalbestanddelen blijkt ginds de investering in ma-

chines en werktuigen relatief veel hoger te zijn, hetgeen
een logisch ge’volg is van de grotere mate van mechani-

satie. De volgende tabel is in dit verband interessant.

Hierbij wordt voorts de verhouding aangegôven van, het

geïnvesteerd kapitaal tot de waarde der produôtie.

Tabel VI.

100
81
6
13
2,4
2. Gezinsbedrijven
a. grote en middelgrole-
100
77
11
12
4,2

1.

Grote bedrijven

………..

100
75
12,5
12,5

b.

kleine

……………..
100
76
12
12

Kleine bedrijven
…………

Nederland

……………
100 69
7
24
3.8

Voor de laatste drie groepen blijkt de’onderlinge ver-

houding van de waarde der kapitaalbestanddelen in Ame-

rika vrijwel gelijk te liggen. De grote bedrijven wijken

hiervan enigszins af. De veestapel is daar relatief veel

belangrijker. Deze laatste bestaan immers voor het groot-
ste deel uit veel weinig vruchtbaar grasland (zie tabel II),

zodat ‘de veehouderj hier een relatief grote investering

vergt.

In Nederland is de waarde van werktuigen en machines

relatief veel geringer (ongeveer de helft), die van de vee-

stapel relatief veel groter (ongeveer het dubbele) in ver-

gelijking met de laatste drie groepen in Amerika.

De verhouding van het geïnvesteerd kapitaal tot de

waarde der voortgebrachte verkochte produçten ligt in

Nederland iets lager dan in de groep grote en middelgrote
gezinsbedrjven.

Uit tabel VII valt het volgende te concluderen.

De landbouwbevolking maakt in beide landen vrijwel

een ‘zelfde deel uit van de totale bevolking.

De verhouding van het aantal bedrijven in beide landen

is veel kleiner dan die van het totale areaal cultuurgrond

daar de
oppervlakte per bedrijf
in ons land slechts
1
/
10

bedraagt.

De waarde van de totale productie ligt eveneens veel

lager ‘dan de totale oppervlakten daar dé
waard der

productie per ha
in ons land gemiddeld ongeveer
3,5
maal

zo hoog is.

Onderlinge verhouding van
de waarde der kapitaal-
bestanddelen

t,
Ez

cc

ou
.o
eeV


0

In 1.000 guldens per bedrijf

Grond
Werktui-
Vee-
Totaal
en ge-
gen en
stapel bouwen
machines

512
418
29
65

110
84
12 14
40
30
5
5
24
.

18
3 3

In guldens per ha

Grond
I
Werktui-Vee-

Totaal

en ge-

gen

en

, stapel
1
bouwen

machines
I

910

700
100

1
1
0

800

600

100

100

670

510

80

80′

3.750

2.580

280

890

Aantal
ha

1. Grote bedrijven
2. Gezinsbedriiven
grote en middelgrote
…………..
120
kleine

……………………….
50
3. Kleine bedrijven

………………..
35
4 Nederland “)

1)
Berekend uit nota 89 van het L.-Ei. Het Centraal Bureau voor de Statistiek komt in ,,National Accounts of the Netherlands” 1949 tot
vrijwel
dezelfde cijfers.

36

.
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 Januari 1954

TABEL VII.

Samenvatting van enkele kenmerkende gegevens

BOEKBESPREKING

Amerika
Nederland
Verhouding

1. Bevolking in de landbouw in pCt
van de totale bevolking
18
19,5
2. Oppervlakte

bouwland,

grasland
en tuingrond in mln ha
370
2,3
160
3. Aantal bedrijven “) (x

1.000)
3.706
194
19
4. Gemiddelde

oppervlakte per be-
ca 100
ca 10
10
5. Bruto-waarde van de landbouw-
productie in 1948 (in mrd guldens)
152
3,4
45

drjf”)

in

ha
…………………

6. Idem per ha cultuurgrond (in gld)
410
1.480
1

3,5
7, Waarde van de Uitvoer van land-
bouwprodUcten in 1948 (in mln
guldens)

………………….
14.550
701
20
Aandeel Uitvoer t.o.v. de produc
tie

(in

pCs)

……………….
ca 10 ca 20
1

2
Verhouding waarde vn de pro-
.

10

1
ductie tot waarde van de uitvoer
5

1
2
Aantal pachters in PCI van het
totaal aanlal grondgebruikers
. . .
27
53
1

2
II. Geinvesteerd kapitaal per ha (in
ca 700
3750
1

54
Verhouding van de waarde van het
geinvesteerd kapitaal tot de waarde

..

3,8
grote

bedrijven

. ………
. …
2,4

1

grote en middelgrote gezinsbe-

gld)

………………………

4,2
:
1

Aantal trekkers (x 1.000) op 1 Jan.

.


3.500
21
ca 170

drijven

…………………..

Aantal ha cultuurgrond per trekker
105 110
ca 1

der productiè
……………………..

1949resp. in Dec.

1950

……..

bouwland

,,

,,
45
45
1
Aantal

maai/dorsmachines

(x
1.000) op 1 Jan. 1949 resp. in Dec.
310
1,2
260
Aantal ha cultuurgrond per maai/
1.200
2.000
6
:
10

1950

………………………
..

500 750
1

:
14
dorsmachine

………………..
idem aantal ha bouwland

…….
.
Landarbeidersloon (inclusief _soci-
ale lasten) per uur in 1950
………
ca 3
ca 1,—
3

In Nederland wo rdt een
groter aandeel
(ongevçer het

dubbele) van de voortgebrachte landbot.fwproducten

uitgevoerd.

Het
geïnvesteerd kapitaal.per
ha ligt in ons land ge-

middeld ongeveer
5
maal zo hoog.

De’
mechanisatie
is op vele Amerikaanse bedrijven verdet

doorgevoerd dan in ons land, daar de bedrijven in door-

snee 10 maal zo groot zijn én het landarbeidersloon’ on-

geveer het drievoudige bedraagt.
Het aantal
pachters,
in procenten van het totaal aantal

grondgebruikers, ligt in ons land ongeveer tweemaal

zo hoog als in de Verenigde Staten.

De Nederlandse landbouw is
veel intensiever
en minder

gemechaniseerd als gevolg van de schaarste aan grond,

de relatief lage lonen en het hoge peil van de vaktech-

nische ontwikkeling vari de boeren.

Bij al het bovenstaande mag niet uit het oog worden

verloren, dat de gegevens betrekking hebben op gemid-

delden voor het gehele land. Vanzelfsprekend zijn er –

vooral in Amerika – grote regionale spreidingen. De

geconstateerde verhoudingen en verschillen tussen beide

landen kunnen dan ook niet anders dan een globaal

beeld geven.

In een volgend artikel zal getracht worden enig licht

te werpen op de economische positie van de Amerikaanse

landbouw en de concurrentiepositie van onze landbouw.

1)
Bedrijven waarop de ondernemer zijn hoofdberoep heeft.

‘s-Gravenhage.

P. M. VAN NIEUWENHUYZEN, cc. drs.

RECTIFICATIE

In de bedrijfseconomische notitie van de heer J. A. P.

van Wijck over ,,De optimumgrootte en snelheid van

tankschepen” in het nummer van…vorige week zijn de

grafieken op blz. 16 abusievelijk verwisseld.

In tabel XI, tweede kolom onderaan, staat 10.000-13;

dit moet zijn 40.000-15. De zin onder deze tabel moet
nu als volgt worden gelezen: ,,Hieruit kan worden ge-
concludeerd, dat zelfs bij een zeer sterke. daling op de

vrachteninarkt de 40.000 ton tanker de voordeligste is”.
Dr W. J. van de Woest ijne: Een algemene vorm van de

vraagfunctie met toepassingsmogeljkheden voor prac-

tische marktanalyse en verkoopcontrôle.
H. E.

Stenfert Kroese N.V., Leiden 1953, 152 blz. Ge-

bonden
f9,75.
.

De titel van het proefschrift van Dr Van de Woestijne,

dat nu ook in de bekende reeks Capita Selecta der Eco-

nomie onder redactie van Prof. S. Posthuma bij Stenfert
Kroese is uitgegeven, houdt zowel voor de theoretische

als de practische econoom beloften in. De meer practisch

ingestelde econoom hoopt er enkele handige ,,tools” in

te vinden, die hij bij marktanalyses en verkoopcontrôles
zonder veel moeite zal kunnen hanteren. De theoreticus,
die zo dikwijls het verwijt moet horen van de practische

onbruikbaarheid van zijn theorieën, zal nieuwsgierig zijn

naar de wijze, waarop Dr Van de Woestijne heéft gemeend

de brug tussen theorie en practijk te moeten slaan.

Dat er een belangrijke verbinding tussen theorie en

praktijk op het gebied van de partiële vraagfunctie tot

stand is gekomen is zeker. Dat alle ,,tools”, die over deze

brug de practijkman worden toegevoerd, zonder meer

door hem gehanteerd kunnen worden, moet worden be-

twijfeld. Er zijn nog wel enkele gebruiksaanwijzingen

nodig om hem voor onjuiste toepassingen te behoeden.

Anderzijds zullen door het hanteren van de ,,tools” in

de praktijk ongetwijfeld nog tekortkomingen van de theo-

rie naar voren komen. Slechts door een intensief verkeer

in beide richtingen zal het draagvermogen van de brug,

die Dr Van de Woestijne gebouwd heeft, kunnen ,worden

getoetst.

Deze bespreking zij een bijdrage van iemand, die deze

brug in beide richtingen heeft overgelopen zonder het

gevoel gekregen te hebben hierbij aan teveel risico’s te

hebben blootgestaan. Hierbij heeft hij wel enkele erva-

ringen opgedaan, die van nut kunnen zijn voor volgende

passanten. Deze ervaringen zullen hieronder worden

verteld. Allereerst zal echter getracht worden de con-

structie van deze mathematisch goed, gefundeerde brug in

het kort te beschrijven.

De schrijver komt via een critische beschouwing van
de theorieën van Marshall, Cournot en Walras, waaibij

hij duidelijk de mogelijkheden en de grenzen van de par-

tiële vraagfunctie aangeeft, tot zijn doelstelling: het vinden

van een algemene vorm van de partiële statische vraag-

functie, die niet in strijd is met de ervaringsfeiten, welk

bezwaar aan de tot dusver gebruikelijke vormen kleefde,

en die dus voor’ handel en industrie praktisch bruikbaar

is voor het zo belangrijke vraagstuk .van de grootte der

onder verschillende omstandigheden te verwachten vraag.

De gebruikelijke lineaire vraagfunctie heeft het be-

zwaar, dat de heffing van de lijn (de grensvraag) over het

gehele gebied constant is, zodat de vraag in de buurt

van de marktverzadiging niet geleidelijk genoeg afnëemt

en .de prijzen in de buurt van het nul worden van de

vraag niet sterk genoeg oplopen; de elasticiteit van de

vraag varieert te sterk en wordt veel te hoog in de buurt
van de hoge prijzen.

Bij een andere gebruikelijke benaderingsformule neemt
men de elasticiteit als constant aan, doch deze vraagcurve
kent in het- geheel geen marktverzadiging.

Dr Van de Woestijne zag in, dat aan al deze bezwaren

tegemoet gekomen zou worden, wanneer wij de vraag-

functie benaderen door een kromme in de gedaante van

de integraal van de Gausskromme. Hierbij nam hij boven-

dien in plaats van de prijzen de logarithmen van de

13 Januari
1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

.

37,

prijzen. Door van logarithmisch waarschijnlijkheidspapier

gebruik te maken (waarbij de ene as een logarithmische

verdeling heeft, terwijl de andere as varf de normdle waar-

schijnlijkheidsverdeling gecalibreerd is) bçhoeft men zich

om de mathematische formule in de prâktijk niet te be-

kommeren: de a1genene vraagfunctie verschijnt op dit

papier ni. als een rechte lijn. Een sterk argument voor dé

fundering van deze vraagfunctie vormt de waarde van de

elasticiteiten, welke bij deze .functie behoren. Deze komen

nl. zeer goed overeen met de empirische gegevens.

Het is echter niet alleen de overeenstemming met de

empirie, die aan deze vraagfunctie warde geeft. Ware het

hierbij gebleven, dan zou men het gevoel, hier met een

handige wiskundige kunstgreep te doen te hebben, moei-

lijk van zich af kunnen zetten. Aan de wiskundige vorm

heeft Dr Van de Woestijne eèhter een fraaie economisch

theoretische inhoud gegeven en aldus voldaan aan de

eis, die de econoom stelt bij het gebruik van.wiskundige

methoden. Wij kunnen in dit bestek niet volledig nagaan
hoe schrijver via een afleiding van de individuele vraag-

functie uit de subjectieve waarderingen komt tot zijn col-

lectieve algemene vorm. De grondgedachte is echter een-

voudig en in enkele zinnen weer te geven.

De geldwaardering, die men aan een zeker goed geeft,

wordt bepaald door een’ groot aantal bewuste en onbe-

wuste motieven, die weer door een groot aantal factoren

worden beïnvloed. Van al deze -motieven en factoren
weten wij haast niets. Dr Van de Woestijne maakt nu,

zoals hij dit uitdrukt, met dit ,,niet weten” ‘ernst, d.w.z.

hij concludeert, dat uit dit grote aantal ongecorrèleerd

•werkende factoren defrequentieverdeling van Gauss moet

resulteren vöor de aantallen gelijk te waarderen e*em-
plaren van een zeker goed.

Schrijverwijst er verder op, dat de consument

Dr

Van de Woestijne be’perkt zich tot de vraag naar consump-

tiegoederen – proportioneel waardeert, d.w.z. geen ge-

lijke prijsverschillen, maar gelijke prijsverhoudingen als

gelijk ondervindt. De afstand tussen f 1 en f2 is voor hem

veel groter dan tussen f9 en f 10. In plaats van een reeks

absolute geldbedragen op de y-as af te zetten, neemt

schrijver daarom hun logarithmen, waar’door als algeme-

ne vorm van de vraagfunctie de integraal van de loga-

rithmische normale frequentievérdeling als rechte lijn op

het reeds beschreven , waarschijnlijkheidspapier ver-

schijnt. –

Het is niet te verwachten, dat de empirische vraagfunc-

ties ook precies als rechte lijnen op het waarschijnlijk-

heidspapier zullen verschijnen, omdat men met de partiële

vraagfunctie te maken heeft en bovendien relevante fac-

toren zijn uitgeschakeld. De afwijkingen met de rechte

lijn worden echter voor theorie en praktijk, bijzonder

interessant. Een afwijking wijst immers op de werking van

bijzondere krachten, of bijzondere omstandigheden. Zij

kunnen zelfs eenvingerwijzing zijn voor gemaakte fouten

in inkoop- en verkooppolitiek en op deze wijze toegepast

kan de theorie van Dr Van de Woestijne tot een belangrijk..

commercieel contrôlemiddel worden ontwikkeld. In zijn.

boek geeft hij hiervan reëds verschillende frappante

voorbeelden, zoals het relatief grote aantal onrendabele
en dus te vermijden kleine orders van een grossierdérij,

waardoor de rechte lijn onderaan af buigt, een analyse

van de vraag naar bioscoopplaatsen op basis waarvan

men tot een rationele tariefpolitiek en zelfs tot een ratio-

nele bouw van een bioscoop zou kunnen komen en een

analyse van de.vraag naar damesmantels, waarop wij,

gezien onze praktische ervaring op dit gebied,. wat nader

zullen ingaan.
‘In een detailhandelsbedrijf is de juiste opbouw van het

assortiment, dus een juiste indeling naar prijzen en kwa-

liteiten van essentieel belang, zo niet ,,het geheim van ‘de

smid”. Verschillende administratieve contrôlemiddelen

zijn reeds geschapeh om inkoop- en verkoopçhef te steu-

nen bij hun taak ditassortiment zo goèd mogelijk op te

bouwen. De meest volmaaktè hiervan is ,de zgn. ,,unit-

-control”, dus die administratie, die de verkochte en in

voorraad zijnde
aantallen
per prjsidasse, genre en model

aangeeft. Het vereist echter veel geoefendheid om de uit-

gebreide cijfertabellen, die deze ,,unit-control’ levert,

te lezen. –

Dr Van de Woestijne doet ons, nu een middel aan de

hand, waarbij men met één oogopslag op bijzondere om-

standigheden (afwijkingen yan de rechte lijn) wordt ge-
attendeerd, terwijl men bovendien meer gefundeerde, op

een wetenschappelijke theorie berustende, conclusies kan

trekken, i.p.v. af te gaan op wat praktijkervaring en fëeling

ons tot dusver ingaven. –

De schrijver analyseert in zijn boek eerst de gehelé

groep damesmantels, waai van-de vrkochte aantallen

tegen de verschillende prijzen omgerekend en in beeld

gebracht op het waarschijnlijkheidspapiér, goed op de

rechte lijn blijken te liggen. Bij de ôndergroepen swaggers,

fantasiewintermantels, zomermantels en fantasiemantel-

costuums komen echter enkele afwijkingen naar voren,

die op mogelijke fouten in de assortimentsopbouw wijzen,

die de schrijver op interessante wijze verder analyseert:

Een rationele opbouw van het assortiment van de detail-
handel moet van het hoogste belang worden geacht voor

de productiviteit van deze tak van bedrijvigheid. De door

Dr Van de Woestijne ontwikkelde methode opent ongë-

twijfeld perspectieven om langs deze weg tot een hogere

efficiency van de handel te komen.

Naast de hierboven genoemde gebiedën zijn er nog

vele andere, waarop de theorie van Dr Van de Woestijne
toepasbaar zou zijn. Wij kunnen hierdp in dit bestek niet

ingaan. Wij hebben slechts een enkel facet, dat persoonlijk

onze bijzondere belangstelling had, naar voren kunnen’
brengen. Het boek verdient ons inziens ‘in brede kring

belangstelling. Het geeft weliswaar op velè vragen nog

geen definitief antwoord, dé conclusies zijn hier en daar

nog wat onzeker geformuleerd, de veel voorkomende

formuleringen met ,,kunnen”,’ ,,kan”, ,,zou kunnen”,

,,waarschijnlijk”, e.d. zijn hiérvan een uitdrukking. Er

worden echter gedachten in ontvouwd, die zeer stimule-

rend werken en wij willen deze bespreking daarom eindi-

gen met dezelfde zinsnede waarmede Dr Van de Woestijne

met een, de wetenschapsman sierende, bescheidenheid,

zijn boek besluit: –

,,Zowel op theoretisch als op practisch gebied ligt nog

een zeer breed terrein van onderzoek open. Eerst,als dat

terrein voor een groot gedeelte geëxploreerd is, . zal een

definitief oordeel over de door ons gebruikte methode
kunnen worden gegeven. Inventief vermogen gepaard

aan volharding en critische zin zal daarvoor nodig zijn.

En aangezien dee eigenschappen slechts zelden in vol-

doende mate in één persoon verenigd zijn., zal hier op het

gezamenlijk werken van velen een beroep moeten worden

gedaan”.

Inderdaad kan slechts op deze ‘wijze de brug tussen

theorie en praktijk, waarover wij in het begin van deze

bespreking spraken, geslagen. worden. Deze bespreking

zij, een opwekking tot bestudering van dit boek en tot

verder onderzoek op een terrein, dat op zo fraaie wijze

door Dr Yan dé Woestijne ontsloten is.

Amsterdam.

Dr G. VAN DCR WAL.

38

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 Januari 1954

AANTEKENING

De na-oorlogse loonontwikkeling in België

V66r de oorlog steunde de Belgische economie op zeer

goedkope arbeid. Thans is de arbeid in België bijna de

duurste van Europa.

Indien 1948 als uitgangspunt wordt aangenomen, be-

droeg de jaarlijkse stijging van het reële bruto-uurloon

der ‘mannelijke arbeiders tot
1952
4 pCt. Voor de manne-

lijke bedienden bedroeg de toeneming van de gemiddelde

lonen 6 pCt per jaar. In de loop van
1952
is de stijging

van de nominale lonen tot stilstand gekomen.

Hieronder volgt een vergelijking van de arbeid als

kostenfactor in enige landen.

Ontwikkeling van de verhouding van het peil van de kosten-

factor arbeid in België tot dat in enkele andere landen

(in Belgische franken; België is 100)

Land’
1938
Begin Begin
I

Begin Begin
Einde
1949
1950
1951
1952 1952
100 100
100 100 100
100
142
76 64 65
58′) 59′)
België

………………

Verenigd Koninkrijk
168
110
89
86 86 87
Nederland

…………..

West-Duitsland
210
85
81
84 83
84
Frankrijk’)

………..
119
68
62
84
81
80
1
)
‘) Voorlopig cijfer.
) Mannelijke industrie-arbeidera:

De prijsstijgingen werden na de oorlog geremd, doch

niet geheel belet, daar de Regering het wenselijk oordeelde

prijzen en lonen zo vrij mogelijk aan de productievoor-

waarden te doen aanpassen.’
Duurdere arbeid en duurder kapitaal verplichtten de

ondernemers van 1948 af op deze beide kostprjsfactoren

te bezuinigen, door o.a. het opvoeren van de productivi-
teit. In België is geen statistisch materiaal aanwezig, dat

toelaat om direct de ontwikkeling te meten. Daarom

wordt in het maandschrift, uitgegeven door het Ministerie

van Economische Zaken en Middenstand
1),
getracht

enige indicaties te dien aanzien te vinden. Volgens studies,

verricht door het I.E.S.O. te Leuven, zou de productiviteit

in demeeste bedrijfstakken aanmerkelijk zijn toegenomen,

vooral na de aanvankelijke teruggang tijdens en onmiddel-

lijk na de oorlog. Het indexcijfer dat op basis 1936/1938

= 100 tijdens het jaar 1948 het peil 98 zou hebben bereikt,

zou in 1952 tot 120 zijn gestegen
2).

In het maandschrift wordt het prijsverloop vergeleken

met de productiekosten, waarbij opvalt, dat de prijzen der

afgewerkte producten minder gestegen zijn dan de pro-

ductiekosten, wat toegeschreveh moet worden aan een

hogere productiviteit.

Ten opzichte van de Verenigde Staten zijn de Belgische
lonen sedert 1938 relatief minder gestegen dan de prijzen,

echter veel meer t.o.v. Nederland, Frankrijk en West-

Duitsland. Deze ontwikkelingis gepaard gegaan met een

heroriëntering der productie. Immers, terwijl voor de

oorlog de Belgische economie tamelijk sterk ip de pro-

ductie van weinig afgewerkte goederen was afgestemd,

schijnt ze ‘zich thans geleidelijk meer te richten naar hel

voortbrengen van meer afgewerkte producten.

Het maandschrift komt tot de conclusie, dat een voort-

durende loondruk de economische structuur ten goede

komt, indien de druk lang genoeg aanhoudt, niet te sterk

is en een goede aanpassingsperiode aan de economie

wordt gelaten. De arbeidsproductiviteit neemt toe, de

grondstoffen worden zuiniger gebruikt en de economie
wordt op de productie van meer afgewerkte kwaliteirs-

‘) Maandschrift van de Dienst voor Algemene Studiësi en Documentatie, 5e
jrg., nr 11, waaraan de gegevens van deze aantekening zijn ontleend.
‘)
In
deze cijfers ja geen rekening gehouden met de bedienden.
producten gericht. De oorzaken van de huidige moei-

lijkheden worden door het maandschrift over het alge-

meen eerder toegeschreven aan bepaalde practij ken van

het buitenland, zoals invoerbeperkingen en uitvoer-

premies, dan uit het hoge loonpeil in België. De moeilijk-

heden, die de concurrentie met Nederland kenschetsen,

worden eerder geacht voort te spruiten uit het lage Neder-

landse dan uit het hoge Belgische loonpeil.

MEDEDELINGEN VOOR ECONOMISTEN

Cursussen in ,,industrial engineering”

De European Productivity Agency,. ‘die vorig jaar is

opgericht als onderdeel van de Organisatie i’oor Euro-

pese Economische Samenwerking (zie het artikel van

Jhr Mr G. L. G. de Milly in ,,E.-S.B.” van 9 December

1953), heeft een nieuw project aan de leden-landen voor-

gesteld, ditmaal een Engels aanbod om een tweetal

veertiendaagse cursussen te Birmingham voor 20 buiten-

landers open te stellen.

De onderwerpen van deze cursussen, welke zullen

worden gegeven door het ,,Institute for Engineering

Production of the University of Birmingham”, zijn:

,,The use of operational research in increasing

productivity (van 19 t/m 30 April
1953);

,,The application of work study – theory and

practice” (van 10 t/m 21 Mei 1953).

Het doel van de cursussen is behandeling en bespre-

king door industriëlen, ingenieurs en specialisten van
practische problemen en toegepaste methoden op het

gebied van de ,,industrial engineering”.

Geïnteresseerden in deze cursussen kunnen zich

wenden tot de Contactgroep Opvoering Productiviteit

(C.O.P.), Raamweg 43, ‘s-Gravenhage (tel. K 1700 –

183015).

GELD- EN KAPITAALMARKT
De geldmarkt.

Op de laatste dag van het oude jaar werd ingevolge

overleg tussen het Rijk en De Nederlandsche Bank een

bedrag van f 300 mln van de boekvordering van de Cen-

trale Bank op de Staat omgezet in schatkistpapier. In
totaal bedraagt laatstgenoemde post thans f 517 mln.

In 1953 is bij enige gelegenheden uit dit ,,fonds de ma-
noeuvie” papier aan de geidmarktinstellingen verkocht.

De veronderstelling ligt dan ook voor de hand, dat in

de toekomst het Ministerie van Financiën (dat sinds 16

November 1953 nieuw papier verkoopt tegen inlevering

van evenveel oud vervallend papier) en de circulatiebank

elkaar bij de afgifte van schatkistpapier nog wel eens

zullen aflossen.

Bovengenoemde omzetting heeft sommigen aanleiding

gegeven te spreken van een sanering van de balans van

De Nederlandsche Bank.’ De oude gedachte, dat een

voçdering op de Overheid iets ongezonds is, blijkt wel

een hardnekkig leven te hebben. Als straks het nu ge-

creëerde overheidspapier verhuist van de Centrale Bank

naar de commerciële banken, zal ongetwijfeld van een
verdere sanering worden gesproken. Onjuist als derge-

lijke gedachten zijn, zullen de monetaire autoriteiten

met het bestaan er van zeker ter dege rekening houden.

13 Januari 1954

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

39

Juist hierom voerer z.ij hoogstwaarschijnlijk – en gezien

hun monopoliepositie op de geidmarkt uiteraard met

succes – een politiek gericht op beperking van de totale

hoeveelheid schatkistpapier en overheveling van kort
nar lang lopend schatkistpapier.

De kapitaalmarkt.

Op de aandelenmarkt blijft de stemming uiterst vast.

De stijging van het algemeen koersgemiddelde met bijna

vier punten, welke zich de afgelopen week voordeed,

kan hiervan een illustratie vormen. Het enigszins tegen-

vallende onveranderde interim-dividend van 4 pCt op

t
aandelen Koninklijke leidde in verband met deze gunstige

marktstemniing niet tot een koersdaling voor dit fonds.

Daarentegen weerspiegelde de koers van aandelen A.K.U.

de aangename verrassing, gewekt door de aankondiging

van 4 pCt interim-dividend (voor deze onderneming

een novum). De kroon werd evenwel gespannen door

aandelen Philips, die het gedurende de verslagweek be-
taalbaar gestelde interim-dividend van 6 pCt niet alleen

inhaalden, doch bovendien nog 9 pCt stegen.

De stijging van de meeste aandelenkoersen tijdens

1953 was zo groot, ‘dat ondanks dividendverhogingen
het gemiddelde aandelenrendement niet onaanzienlijk

terugliep. Volgens berekeningen van de Rotterdamsche

Bank beliep dit rendement per uit. December
1952,
uit.

Maart, Juni, ‘September en December 1953 achtereen-

volgens 6,57, 6,31, 6,26, 6,00 en
5,64
pCt. In één jaar

beliep de daling derhalve bijna 1 pCt.

Op.de obligatiemarkt doen zich de laatste tijd hier en

daar wei eens koersafbrokkeingen voor, doch deze

blijven van geringe omvang. Op de premielening Enschedé,

groot f 12 mln, waafvan bij emissie f 9 mln werd aan-

geboden; werd naar werd medegedeeld voor een buiten-

sporig bedrag ingeschreven (naar sommigen meenden

zelfs voor meer dan f 1 mrd). Over het euvel van majo-

reren bij zeer gezoçhte emissies wordt hier te lande reeds

verscheidene decennia geklaagd. Deze klachten blijken

echter tôt dovemansoren te zijn .gericht, of liever: de

positie van degenen, die bij het huidige emissiesysteem
belang hebben is blijkbaar zo steik, dat van hervormin-
gen op dit punt niets komt.

Aand.. indexcijfers.

30 Dec. 1953 8 J’an. 1954

Aigemeen

………………….. … … ….
.
167,9
1718
Industrie

………………………………
234,2
240,8
Scheepva’art

………………………
1759
178,3
Banken

………………………………
145,7 146,5
Indon.

aand .

………………………
59,8 61,3

Aandelen.
A.K.0..

………………………………
.177.

.
186½
Philips

………………………………
202

.
2113jj
ex div
Unilever

……………………………
225%
232
1
A_
H
.Â.L.

………………………………
146½
149
Ainsterd.

Rubber

……………………

96
103
1
,1
H.V.A.

………………………………
1191,,
124½
Kon.

Petrolurn

………….
.
………..
350½
352
1
/
4

Staatsfondsen,

.

pCt N.W.S .

……………………….
793/
79/1
3-3Vz

pCt

1947.

………………………
99½
99
1
/1e
3

pCt

Invest.

cert.

…………………
100
7
/s
10011/
1
6
3
1
/z

pCt ,1951

………………………..
,

102

.
102%
3
1
pCt

Dollariening

………………….
951J/16

.
955118

Diverse
obligaties.
3
1
A pCt Gem.’ R’dam 1937 VI
101
3
9
101%
3
1
A

pCt

Bataafsche

Petr.

………


102½
102%
3½ pCt Philips 1948
101%
101
7
/s
3’/ pCt Westl. Hyp. Bank
99
98′,6
J. C.
BREZnT.

RECENTE ECONOMISCHE

PUBLICATIES

Adresljst hoogleraren, lectoren, privaat-docenten en onder-

wijsopdrachten aan de Nederlandse universiteiten en

hogescholen.
‘-Gravenhage
1953,
125 blz., f
1,75.

Arbeidsrecht als didactisch begrip,
door Mr N. E. H. van

Esveld. Alphen a.d. Rijn 1953, 41 blz., f 2,50.

Industrialisalie en werkgelegenheid,
door Prof. Dr G. W.

Groeneveld. Serie ,,Vraagstukken van heden en

morgen”, no 50. 64 blz., f 1,-.

De werking van een volkshuishouding.
Eeti eerste inleiding

tot het economisch denken, door Dr F. J. de Jong.

Deel II, bijiagen. Leiden 1953, 323 blz., ingen. f8,-,

geb. f
9,25.

Nieuw Guinea.
De ontwikkeling op economisch, sociaal

en cultureel gebied, in Nederlands en Australisch

Nieuw Guinea, onder hoofdredactie van Dr Ir

W. C. Klein. Met tijdelijke redactionele medewer-

king van Ir A. J. Beversluis en A. F. Kuysten en

bijdragen van 34 medewerkers van talrijke deskun-

digen en overheidsdiebsten. Deel T; 77 foto’s, 41

kaarten en vele grafieken en tabellen. ‘s-Gravenhage

1953, 491 blz., f 25,-.

De organisatie van de verkoop,
door L. Meertens. Leiden

1954, 290 blz., f
9,75.

Wat is het Schumanplan?,
door Mr C. B. Posthumus.

Meyjes. Europese gemeenschap voor kolen en staal.

Den Haag 1953, bijgewerkte druk, 62 blz., ,f2,9O.

Statistisch zakboek 1953.
Centraal Bureau voor de Statis-

tiek. Utrecht
1953,
148 blz., f
4,50.

Wiskundige economie en econornetrie; hun taak en werk-

wijze,
door P. de Wolf. Alphen a.d. Rijn 1953,

29 blz., f 1,90.

Het binnenlands’Çervoer na de bevrijding 1944145 -1952.

Nederlands Verkeersinstituut. ‘s-Gravenhage
1953,
103 blz., f 6,-.
r
Producten der Limburgse industrie.
Economih Tech-

nologisch Instituut. Vierde uitgave. Maastricht 1953,
106 blz., f 6,56.

Rationelle Büroarbeit,
‘door Hèrmann Böhrs. Mit 78 Bil-

dern. München
1953,
80b1z., f6,55.

Die Einkommens Steuerreform in.der Türkei,
door Nasuhi
Bursal. Winterthur 1953,216 blz., f 19,35.

GeldumlaufundKredit in der U.S.S.R.,
door D. Bussakow.:

1953,
392 blz., f 7,90. ‘.

Konzernorganisalion.
Aufgaben und Abteiiungsgeaeiung

im industriellen Unternehmungsverband, dô’of W:

von Krihe. Köln 1952, 108 blz., f 10,15;
Internationale Lizenzverlröge,
door Eugen Langen,

Weinheim 1954, 278 blz., f 18,65.

Das Bedaux ‘System,
door Dr Ing. Envin. Rochau. Prak-,

tische Anwendung und kritischer Vergleich mitdein

Ref-System. Wiirzburg 1952, dritte Aullage, 101

blz., f 6,80.
Wirtschaftswissenschaft von heute,
door W. Weber.’
Wien 1953, 204 blz., f 12,90.

Freiheit und Planung in der Wirtschaft,
door Josef Win-
schuh.. Frankfurt a/M.
1952,
24 blz., f 2,10.
.Papers in English monetary history,
door T. S. Ashton and
R. S. Sayers. 1953, 167 blz., f 11,70.

Sovjet economic growth,
door A. Bergson. 1953, 376 blz.,
f26,40.

Four essays in accounting theory,
dodr F. S. Briiy.
1953.
94 blz., f 10,05.

Economic growth and human welfare,
door Prof. E. H
.Phelps Brown. 1953,.
55
blz:, f2,45.

Transportation for management,
door F. M. Cushman.

1953, 480 blz., f 29,70.

Essays in positive economics,
door M. Friedman. 333 blz.,
1953, f 25,85.

Glossary of German financial and economic terms,
door

A. Gunston and C. M. Corner. 1953, 122 blz.,

f
8,35.

Readings in business cycles and national, income,
door

A. H. Hansen & R. van Clemence. 1953, f 18,90.

Europe and the United States in the world economy,
door
R. Marjolin. 1953, 106 blz., f 10,05.

The organization of agricultural research in Europe,
door

R. Philips.
1953,
70 blz., f 2,35.
Conference on sales management.
Contributed papers.

Samengestéld door S. H. Rewoidt.
1953,
117 blz.,

f 9,50.

A
textbook of economic theory,
door A; Stonier and

C. Hague. 1953, 513 blz., f
15,75.

Les grandes ‘puissances.
Etude économique; , tome T:

i’Europe. 1953, 581 blz.

Contrôle (le) budgétaire.
Six expériences françaises. 1953,

232 blz., f
36,25.

Premiers éléments d’une comptabilité nationale de la

Belgique, 1948-1951..

Le groupe d’études de la

comptabilité nationale. Préface de ‘Camille Gutt.

1953, 209 blz., f 22,50.

Salaires et équilibre économique,
door J. Vibert, Préf.

d’André Marshal.
1953,
268 blz., f 13,-.

La transmission des fluctuations économiques par le corn-

merce éxtérieur,
door F. Visine. 1953, 225 blz.
1

DE WESTER BOEKHANDEL

Algemene Binnen- en Buitenlandse Boekhandel

Nieuwo Binneuweg 331

ROTTE RD A M

Telefoon 32076

Postgiro 18961

GESPECIALISEERD OP ECONOMISCH GEBIED

Dezer dgen verschijnt:

V. S. Olinistede:

Fis eale
1ienwigbeden

‘f 5,90
De nieuwe bepalingen zijn op bevattelijke wijze toege-licht en door voorbeelden verduidelijkt. Gemakhalve is
het nieuwe tarief voor de Inkomstenbelasting met voor-
beelden mede opgenomen.
Voor uw gewaardeerde bestelling houden wij ons gaarne
aanbevolen. .

,

STATISTIEKEN

VERKEER EN VERVOER IN NEDERLAND

Omschrijving.

.

*

Maand.
gem.
1951

Maand-
gem.
1952

April
1953
Mei
1953
.

Juni
1953

Juli
1953
.
Aug.
1953

Indexcijfer vervoer wilde binnenvaart
168
156 154

.
166
175 179


174
1.000 t
1.536
1.428
1.415 1.522
.1.606

.
1.639
1.600

mln 5km
208
195
208 216 238 245
239

1
)
182
171
195
.

183
204
199
Eigen

vervoer te

water ………………… . ……

1.000 t.
1.274


1.200 1.367
1.284
1.425 1.393
Idem,

prestatie

……………………………..
mln.

t.km,
87
85 98
92
101
99

Indexcljfer eigen vervoer- te water

…………………

lndexcijfer internat. binnenvaart (laadverm.)

………
,
80 85
88
90
93
96 99
Binnengekomèn’schepen (best. Ned.)

……………-
Aantal
4.975 5.302 5.924
6.117
6.422 6.476
6.706
1.000 t
2.678
2.881
2.958
3.120
3.255
3.274 3.462
Laadvermogen’..
•……………….
……………
,,
1.209 1.119
1.366
1.403 1.633 1.728 1.983
waarvan on4er Nederlandse vlag
821
795 913 973
1.131


1.192
1.296

151
110 184
193
192
198
261
Aantal
4.972
5.288
6.110
6.114
6.366 6.489
6.540
1.000 t
2.697
2.873 3.105 3.139 3.185
3.328
3.329
,,
1.836
2.036
2.113 2.095
2.066
2.095
1.921
A.
,,
1.037 1.198 1.318
1.124

.

1.250 1.244 1.250 11
,,
225
220
300
277
290
269
229
Aantal
1.846
2.078
2.143
2.117 2.128
2.280 2.270
1.000 t
1.268 1.352
1.357 1:362 1.373 1.489
1.494
843
861
885 883
913
969
1.010

Vervoer wilde binnenvaart

………………………

waarvan onder Nederlandse vlag
.

………………
242
261

297
288
268
300
314

Wilde binnenvaart, prestatie

………………..
…..

Belgische

vlag

…………………

..

325 327

318 319
331
329 369

1
)

.
97
107
109
119

117 117
.

123
Aatstal
1.654
1.798
1.877
1.942
1.969
2.066
2.124

..admg

…………’:
…………………………..

1.000 R.T.
4.278 4.693
4.821 5.142
5.180
5.187
5.521

Belgiscle

vlag

…………………..

Idem, alleen geladen schepen

…………………..
3.895
4.271
4.389
4.735
4.684
4.704
4.961

Vertrokken schepen (lerk

Ned.)

…………………
Laadvermogen

…….’; ………………………….
Lading

…………. …………………………..

,,
2.012
2.219
2.524
.558
2.630
2.683
2.786

waarvan onder Nederlandse vlag

………………..
Belgische vlag

…..
……………….

Aantal
1.659
1.801
1.807 1.959
1.949
1.970
2.081

Schepen irs rechtstreekse doorvaart

…………………

Bruto-inhoUd

……………………………….

Bruto-inhoud

………………………………

1.000 R.T.
4.298
4.721
4.831
5.351
5.168
5.129 5.355

Laadvermogen

……………………………….
Lading

………………………………………..

,,
2.675
2.991
3.296
3.563
3.537
3.534
3.789
,,

1.954
2.185 2.478
2.792 2.590

2.628 2.672

Indexcijfer zeevaart (inhoud)

…………………….
Binnengekomen zeeschepen

………………………

Goederesvervoer ter zee:
1.000 t.
1.617 .1.616
1.281
1.380
1.947
1.953
1.268

waarvan in-lijnvaart

……………………………
Vertrokken zeeschepen

………………………….

,,

1.237
1.469
1.223
1.132
1.469 1.478
1.327
Geladen’)

bij

uitvoer

……………………..
,,
576 652 763
511
676
673
718

waarvan inlijnvaart

……………………………

,,
573 528
608
430
555
683


717

Idgm, alleen geladen schepen

……………………..

Gelost

hij

invoer

…………………………
bij

doorvoer …………………………

Lndexcijfer goederenvervoer Ned. Spoorwegen
‘)
155
152 154 150
159 159


.152

‘-bij -doorvoer …….. …….
…………..

Goederenverver Ned. Spoorwegen, totaal

………..
1.000 t..

1.881
1.844

.
1.875
1.817
1.930
1.931


1.851
537
525 596
575
616
579 559
Rezigerskilometers Ned. Spoorwegen

…………….
1 millioen

..

524
533 529
562 524
609
674
Tonkilometers Ned. .Spoorwegen

………… . …..

.

271
256 260 247
261
262
255

Tramwegen, vervoerde reizigers

………………..
1 millioen
31.6
30,7
29,3
29,4 27,2
29,3 30,4
Interloc. autobusdiensten; vervoerde reizigers
,,
19,3
19,1
17,8 18,9

16,6 18,7
Locale autobusdiensten; vervoerde reizigers
15,5
15,4
16,3
15,9 14,2
16,1

waarvan grensoverschrijdend

………………………

Indexcijfer verkeer op de rökswegen

…………..
‘)

205
217
235
247
245 252 247
Slachtoffers verkeersongevallen

….,,

*
Aantal-.
95
91
93
138
100
111
123
Overleden

…………………………….
….
Ernstig

gewond

…………………………
1.042 1.070
1.143
1.348 1.238
1.386
1.446
,,
805 941 1.093
1.334
1.221
1.300 1.378
Idem, indexcijfers

….

1
)
146
140
143
212
154
171
189

Licht

gewond

………………………………….

‘)
144
156
174
209
191
209
220
Doden

………………………………………
Gewonden

……………………………………

Luchtvaart (K.L.MJ’)
Toakm (vracht, post en extra bagage) …………
.1:000 3.239 3.685
3.679
3.803 3.555
3.521
3.752
Paseagierslçm

…………………………………
1 millioen

83,4 86,7
89,9
110,8
109,9
128,1
132,0

‘)Maandgemiddelde 1938 = 10. “) Excl. bunkermateriaal’ e.d. ‘) Excl. West-Isidit bedrijf.

.
Bron:
Centraal Bureau voor de Statistiek.

Auteur