Ga direct naar de content

Jrg. 38, editie 1895

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 23 1953

Eco
no m
is ch – Sta t

is t is ch
*
e

Bert*chten

Rekerilat en realiteit

*•

B. Diesbergen

Nogmaals: vereenvoudiging van de

loonadniinistratie?

*

Dr F. Hartog

Het Benelux-èffect

*-

P. van Praet

Heeft België monetair evenwicht?.

UITGAVE VAN HET NEDERLAND SCH ECONOMISCH INSTITUUT

36e JAARGANG

No 1895

WOENSDAG 23 SEPTEMBER 1953

t8
b5

KAS-ASSOCIA.TIE
N.V.

SPUTRAAT
172

AMSTERDMvI

!720

I R. MEES & ZOONEN

Ao 1720

Open bewaring van effecten

en schatkistpapier.
BANKIERS
&
ASSURANTIE-MAKELAARS

ROTTERDAM

AMSTERDAM

‘s-GRAVENHAGE

DELFT- SCHIEDAM

VLAARDINGEN

EERSTE NEDERLANDSCHE

Verzekering-Mij, op het Leven en tegen Invaliditeit N.V.

Aanpassing van ondernemingspensioen-
en spaarfondsen aan de

NIEUWE WETTELIJKE BEPALINGEN

Kantoor: Bellevuestraat 2, Dordrecht, Telefoon 0 1850.5345

E C 0 N 0 MIS C H–

STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van het Nederlandsch Economisch Instituut

Adres voor Nederland:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam- W.
Telefoon 38040. Giro 8408.

Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam.

Redactie-adres voor België:
Dr J. Geluck, Zwjjnaardse
Steenweg 357, Gent.

Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam- W.

Abonnementsprijs,
franco per post, voor Nederland en de
Uniegebieden en Overzeese Rjjksdelen (per zeepost) f26,—,
overige landen f28,— per
.
jaar. Abonnementen kunnen
ingaan met elk nummer en slechts worden beëindigd per ultimo van het kalenderjaar.
Losse nummers 75 cts.

Aangetekende stukken
in Nederland aan het Bijkantoor
Westzeedijk, Rotterdam- W.

Advertenties.
Alle correspondentie
betreffende
advertenties
te richten aan de Koninklijke Nederlandsche Boekdrukkerjj
H. A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam (Telefoon
69300, toestel 1
of
3).

Advertentie-tarief
f0,30 per mm.

op aan-
vraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”
f0,60 per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt
zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van
redenen te weigeren.-

SLAGEN VOOR HET EXAMEN

Dat is toch meestal niet alleen het doel waarnaar gestreefd wordt
bij een vakstudie. De keuze van het les-instituut of de leraar moet
daarom zorgvuldig gedaan worden, aangezien het al of niet slagen in het vak daarvan kan afhangen.
Er Is veel, dat pleit voor een schriftelijke opleiding door docenten
van de L.O.l., zoals bv. voori

ADMINlSTRATIE Practijkdiploma Boekhouden,
(,00nadmioistratie. Moderne bedrijfsadministratie, S.P.D., M.O. Handetsweteoachappen A, Belasting.
consulent, Accountant. –

BEDRIJI’I Bedrijfsleider, Interne Bedrijfsorgani-.
satie. Magazijnmeester. Organisatie en efficiency.
Sociale wetgeving.

HANDELT Algemene Handelskennis, Handels.
economie, M.O. Economie, Marktonderzoek. Statis-tiek, Verkoopkunde, Reclame-assistent.

De keuze van het studie-onderwerp levert meestal niet veel
moeilijkheden. Mocht dat wel het geval zijn, dan geven de des.
kondigen van de EO.!. adviezen, gebaseerd op hun kennis van
maatschappij en bedrijfsleven.

wilsinstellingen

Erkend door de Inspectie van het Schriftelijk Onderwijs,
m.m.v. het Ministerie van Onderw., K. en Wetensch.

10H. DE WITTSTRAAT 396 – 397

LEIDEN

ADVERTEERT REGELMATIG

e

Nationale Handelsbank, N.V.

Amsterdam

Rottordam

‘s-Gravenhago

Alle Bank- en Effectenzaken

742

23 September 1953
ECONOMISCH-STATISTISCHÈ BERICHTEN

743

Rekenlat en realiteit

Men schrift ons:

Het lijkt haastige spoed, drie en een halve maand voor-

dat de verhoging der lonen van kracht zal worden, reeds

een beslissing te willen nemen, op een moment, waarop
het nog niet vaststaat of de Kamer het door de Regering

voorgestelde percentage der huurverhoging en de be-

lastingmaatregelen ongewijzigd zal aanvaarden. Naar

bekend is geworden, wenst de Regering bij de behande-

ling dezer voorstellen in het Parlement zich een vastom-

lijnd denkbeeld gevormd te hebben over de verhoging
der lonen en wat daarmede terzake van de Kinderbij-

slag, de sociale renten, de Noodwet Ouderdomsvoor-

ziening e.d. annex is. Zij zou dus gaarne op korte termijn

een eensluidend advies van de Stichting van den Arbeid

hebben ontvangen.
Ook is gebleken, dat de Raad van Vakcentra.len reeds

lange tijd op een beslissing aandringt. Dit hangt samen

met de opheffing ler consumptiebeperking. Aan deze

zijde gaat men uit van de voor de hand liggende gedachte,

dat in 1951 investeringsbeperking en consumptiebeperking

hand in hand zijn gegaan en dat daarom ook thans, nu

de Regering terugkomt op de destijds getroffen belasting-

maatregelen, de consumptiebeperking dient te verdwijnen.

Wil men echter uit deze gedachtengang een krachtig

argument putten, dan zal eensdeels moeten worden aan-

getoond, dat sedert 1951 het effect van de groep van

maatregelen, die op investeringsbeperking gericht was,
even zwaar heeft gewogen als de consumptiebeperking
en voorts, dat de voorgestelde, gerichte belastingmaat-

regelen precies opwegen tegen de toenmalige beiasting-

verzwaring.

Het is onwaarschijnlijk, dat zich zulk een strikt paral-

lelisme heeft voorgedaan. Zouden de huidige belasting-

voorstellen slechts voor 80 pCt terugkomen op 1951,
dan vloeit uit de vermelde gedachtengang – men lette

op deze restrictie – voort, dat ook de consumptiebeper- ‘

king slechts voor viervijfde deel ongedaan moët worden

gemaakt. Nog onlangs bleek uit het S.-E.R.-advies inzake

de dividendbeperking, hoe weinig van algemene gedachten-

gangen – in casu de samenhang van loonstop en divi-

dendstop – kan overblijven, als men gaat kwantificeren.
De berekeningen van de werkgevers en van de werk-

nemers inzake het percentage loon, .dat nodig is om de

verhoging der huren te compenseren en de. consumptie-
beperking ongedaan te maken, hebben tot uiteenlopende

resultaten geleid. Dat is begrijpelijk. Zulke berekeningen

zijn niet volkomen exact, doch verlangen van stap tot

stap kleine beslissingen. Het nut van zulke berekeningen

moet overigens niet worden overdreven. Welk loonpeil

in ons land het wenselijke is, wordt niet gevonden door naar

het verleden te zien, doch op grond van verwachtingen

over de komende economische. situatie. Als het hoogste

loonpeil, dat de werkgelegenheid niet in gevaar.zal brengen, (

uitgaat boven het berekende percentage, zullen de werk-

nemers terecht een grotere verhoging der lonen wensen

te bewerkstelligen dan uit hun calculaties voortvloeit.

Omgekeerd dient het geen axioma te zijn, dat de con-

sumptiebeperking volledig zal worden opgeheven. Door-

slaggevend zijn de economische mogelijkheden.

INHOUD

Blz.
Blz.

Rekenlat

en

realiteit…………………….
743
1 n g e z
0
n d e n s t u k :

Perspectieven voor de woningbouw,
door H. A.

Nogmaals: vereenvoudiging van de loonadmini-
Fruin,
met naschrift van
Mr J. in ‘t Veld ……
755

stratie?,
door B. Diesbergen

…………….

Geld- en kapitaalmarkt,
door Drs J. C. Brezet …
757

Het Benelux-effect,
door Dr F. Hartog

………
747
De Belgische geld- en kapitaalmarkt in Juli en

Augustus 1953,
door Dr L. Delmotte ………
757
Heeft België monetair evenwicht?,
door P. van

Praet

……………………………..
749
Statistieken:

Werkloosheid in Nederland ……………..
758
Aantekening:

Eén jaar Europèse Gemeenschap voor Kolen
In- en uitvoer van Nederland ……………
759

en

Staal

(II)

…………………………
752
Bankstaten

.
.

……………………..
759

COMMISSIE VAN REDACTIE: Ch.
Glasz;
H. W.
Lam bers;
J.
Tinbergen;
F.
de Vries;

C.
van den Berg (secretaris). Redacteur-Secretaris:
A.
de Wit. Assistent-reda cteur:
J. H. Zoon.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË:
F.
Collin; J.
E. Mertens;

J.
van Tichelen; R. Vandeputte; A. Vlerick.

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

744

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
23 September 1953

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK

B. DIESBERGEN, Nogmaals: -vereenvoudiging van de

loonadministratie?

Schrijver heeft in ,,E.-S.B.” van S en 15 Juli 1953 de

stelling geponeerd dat de Commissie-v. d. Tempel een

te hoge verwachtïng heeft gewekt, waarbij schrijver zich

allereerst baseerde op de volledig gemechaniseerde netto-
loonadministratie der N.V. Philips’ Gloeilampenfabrieken

te’ Eindhbven. In dit artikel heeft schrijver zijn stelling

getoetst aan enige middelgrote bedrijven. Schrijver acht

gewenst: één heffingsbasis, die ook de uitkeringen vol-

gens de sociale verzekeringswetten omvat, bestemd zowel

voor fiscale doeleinden als voor de heffing der premies,

en per bedrijfstak één tabel ‘waaruit in één bedrag of in

één percentage zowel de premies als de-loonbelasting kun-

nen worden afgelezen. Als dat bereikt kon worden zou

de loonlijst van vrijwel alle oriderneminge.n er als volgt

uit kunnen zien: loontijdvak, aantal dagen, bruto-loon,

uitkering sociale verzekeringswetten, boete, premiepen-

sioenfon’ds, basis voor alle heffingen, loonbelasting’ plus

premie; netto-loon. Het aantal kolommen zou dan dalen

van 12 â 14 tot 9, terwijl de handelingen veel, eenvoudiger

zouden worden. Loonbelasting en premies zouden dan

aan één fonds worden afgedragen, en er zijn middelente

vinden om aan defiscus en de fondsen zodanige uitkerin-

gen’ töe te’ delen, ‘dat deze een aanvaardbare graad van

nauwkeurigheid hebben.

Dr F. HAR’TO’G, ‘-Hèt Bénelux-effect.

Schrijver acht het verantwoord, 1952 te beschouwen

als het eerste jaar, waarvoor de relatieve stijging van de

wederzijdse handel der Benelux-landen – behoudens

eventuele prijswijzigingen welke niet aan het wegvallen
der onderlinge rechten zijn toe te schrijven – kan gelden

als maatstaf voor het geconsolideerde Benelux-effect.

Cijfermatig kan dit effect tot uitdrukking worden ge-

bracht door het aandeel van de partnerlanden in elkaars

totale invoer resp. uitvoer te vergelijken met de overeen-

komstige percentages van vôér de oorlog. Beschouwt

men ‘de stijging van de uitvoerqüote als maatstaf voor

de winst die de beide partners (Nederland en België-

Luxemburg) aan’:de Benelux hebben ontleend, dan heeft

Nederland het grootste voordeel behaald. De gemiddelde

rechten welke andere leveranciers zouden hebben moe-

ten betalen voor de invoer die thans door de Benelux-

partners is verzorgd, bedragen 7,4 .pCt (Nederlandse

invoer uit België-Luxemburg) resp. 10,6 pCt (Belgisch-

• Luxemburgse invoer uit Nederland). Deze percentages

geven de voorsprong weer die de Beneluxlanden elkaar
• boven andere handelspartners hebben verleend. De stij-

ging van de quoten mag niet geheel aan, de douane-unie

worden toegeschreven. Schrijver acht het verantwoord

• de relatieve stijging .van de onderlinge’ Beneluxhandel

voor het overgrote deel op rekening van het tarief-

‘voordeel te boekefi. Vervolgens berekent schrijver de

substitutie-elasUcitei’t, met als globale. uitlçomst –
5.

P. VAN PRAET, Heeft België monetair evenwicht?

België is van het land van lage lonen, dat het v66r de

oorlog was, een lând met hoge lonen geworden. De de-

valuatie—van. de -Belgische franc in .1949 tegenover de

dollar, welke tegenover vele andere landen op een aan-

zienlijke reëvaluatie neerkwam, was voor de Belgische

export een ernstige handicap. Het uitbreken van het Kore-

aans conflict heeft de vraag naar consumptiegoederen en

grondstoffen doen stijgen. De’herbewapening maakte een

verhoogde productie noodzakelijk. De gestegen prijzen van
de ingevoerde grondstoffen en de binnenlandse prijsstijging

waren het gevolg van de grotere vraag waaraan het aanbod

niet onmiddellijk kon voldoen. De Belgische export kende

een uitzonderlijke bloei en de exportsaldi hoopten zich

op. De productie-aanwas geschiedde zo snel dat de pro-

ductie groter was dan de vraag. Daarbij kwam nog de

afwachtende houding van de consumenten omdat ze

een prijsdaling verwachtten en hun gevormde voorraden

gebruikten. Ook het bedrijfsleven nam een afwachtende

houding aan. De voorraden verminderden en de grond-

stofprjzen daalden. De groothandeisprijzen daalden in

1952 belangrijk. De kleinhandelsprijzen ondergingen

slechts een geringe daling.

SOMMAIRE

B. DIESBERGEN, Une fois de plus:. simplfication de

l’administration des salaires?

L’autèur dans l’,,E.-S.B.” des 8 et 15 jufflet.derniers,

• posé l’hypothèse que la Cbmmission-van den Tempel

• éveillé de trop grandes attentes en ce qui côncerne la

simpli.fication de l’administration des salaires au cas, oit

ses idées seraient adoptées. L’auteur a, â ce moment,

dirigé son étude avant tout sur l’analyse du rapport vis-

â-vis. de l’administration des salaires d’une grande entre-

prise. Dans cet article, l’auteur donne quelques exemples

d’entreprises de grandeur moyenne par lesquelles il

remarque que l’hypothèse posée vaut aussi pour cette

catégorie d’industries.

Dr- F. HARTOG, L’effet de Benelux.

L’auteur veut découvrir certaines indications’ quant

aux conséquences de la diminution des entraves commer-

ciales au sein de. Benelux. Ii compare ici la part des états

partenaires dans leurs importations et exportations

réciproques en 1952, par rapport â celle d’avant la guerre.

De. cette comparaison il apparait que les pourcentages se

sont sensiblement accrus. L’auteur estime’ attribuer la

cause de cette hausse â la part prépondérante en compte

de l’vantage tarifaire que les états Benelux se donnent

réciproquement.

P. VAN PRAET, La Belgique a-t-elle. un’ équilibre mo-

• ‘ nétaire?

L’explosion du conifit coréen a fait monter la demande

de bièns de consommation et de .matières premières.

L’offre réagit trop violemment ‘â une demande accrue.
L’industrie et les particuliers prirent alors une position

d’attente, parce qu’ils prévoyaient une chute des prix.

‘Les prix-du. commerce de gros tombèrent en 1952 sensi-

.blement, tandis que les prix du commerce de détail tom-

baient de façon modérée.

23
September
1953
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

745

Nogmaals: vereenvoudiging van de loonadministratie?

Aan hetgeen in dit blad kortelings werd gepubliceerd

ten aanzien van de voorgestelde coördinatie betreffende

bepalingen van sociale verzekeringswetten met die van

de loonbelasting en de vereveningshefflng
1),
is zowel in

het Voorlopig Verslag als in de Memorie van Antwoord

enige aandacht besteed.

Daarbij was met name de vraag aan de orde of de

coördinatie werkelijk een vereenvoudiging zal brengen,

die voor het bedrijfsleven van enige betekenis is. Wij
hebben in eerste instantie deze vraag met nadruk ont-

kennend beantwoord, en zouden thans gaarne nog even

terugkomen op wat in dit verband tussen Regering en

de Commissie van Voorbereiding schriftelijk is verhandeld.

In onze vorige publicaties hebben wij getracht aan te
tonen, dat de Commissie-v. d. Tempel een te hoge ver-

wachting heeft gewekt, met name door mede te delen,

dat na aanvaarding van haar denkbeelden de loonstaat

zou kunnen worden teruggebracht van
32 op 14
kolom-

men. Wij gaven als onze mening dat slechts gesproken

kan worden van een vermindering van
22 op 17
kolom-

men; hetgeen dusaanmerkelijk minder rooskleurig zou

zijn.

De beide Staatssecretarissen zeggen in dit verband in

de Memorie van Antwoord het volgende: ,,Het is dan

ook
:
wel mögelijk, dat bij enig grootbedrjf, waarbij de
administratie door specialisten wordt beheerd, de ver

eenvoudiging, voor zover die bestaat in een wijziging in

het aantal in de loonadministratie gebruikte kolommen,

beperkt kan blijven tot een gering aantal kolommen.

De juiste omvang van de vereenvoudiging is daarmede,

zoals uit het bovenstaande blijkt, niet voldoende aan-

gegeven”.

Wij mogen er aan herinneren, dat wij er in onze eerste

publicaijes nadrukkelijk op hebben gewezen, dat de

door ons aangevoerde bezwaren en de gètrokken con-

clusies evenzeer gelden voor een ,,eenyoudige” admini-

stratie, die bijv. door middel van een doorschrjfsysteem

wordt gevoerd. Wij blijven bij deze mening. Zodra de

administratie een dusdanige omvang aanneeint, daf ze

niet meer door de patroon zelf. gevoerd wordt, maar door

een administratieve kracht – die vooral in kleine be-

drijven uiteraard ook nog andere werkzaamheden zal

verrichten dan uitsluitend loonadministratie – zullen

de voorgestelde vereenvoudigingen, resulterend in be-

sparing op de kosten der administratie, van uitermate

weinig betekenis zijn. Dit zal nog te minder het geval zijn

als deze.kleine bedrijven in overleg met de betreffende

bedrijfsvereniging de uitkeringen krachtens de sociale
verzekeringswetten zelf uitbetalen. Wij menen dat het

aantal zodanige kleine bedrijven aanzienlijk is.
Om ons aanvankelijk oordeel, namelijk dat de vereen-

voudiging in het algemeen van Weinig betekenis is, nader

te toetsen, hebben wij een onderzoek ingesteld bij een

aantal bedrijven, dat men tot de middelgrote kan rekenen.

Zij variëren van
125
tot
1.200
werknemers. De loon-

administratie bij deze bedrijven wordt ,,uit de hand”

gevoerd, in de meeste gevallen bovendien met behulp
.
van

een doorsclirijfsysteem. Al deze bedrijven zijn ,,zelf-

doeners” voor de sociale verzekeringswetten, waarmede

wij hier bedelen, dat zij tegelijk met het loon ook de

uitkeringen ingevolge de Ziektewet betalen en in sommige

1)
Zie: B. Diesbergen: ,,Vereenvoudiging van de loonadministratie?” 1 en II,
resp. in ,,E.-S.B.” van 8 en 15 Juli 1953, blz. 529 en 549.

gevallen ook de uitkeringen krachtens de On geval-

lenwet, de Kinderbijslagwet en de Werkloosheidswet.

Bij het opstellen van het vergelijkingsmateriaal heb-

ben wij – in de hieronder gegeven voorbeelden – alle

kolommen weggelaten, die slechts van belang waren voor

deze bedrijven zelf, en we hebben ons dus beperkt tot

het meest essentiële. De voorbeeldén vermelden het aan-

tal en de soort der kolommen bij de huidige situatie, en

vervolgens op grond van de mogelijkheden, die de coör-
dinatiewetten openen.

Voorbeeld 1.

a. huidige vorm
kolom 1 loontijdvak


2 aantal dagen 3 bruto-loon
4 premie Ziektewet en Werkloosheidswet
5 boete
6 pensioenfondspremie
.7 uitkeringen sociale verzekeringswetten
8 fiscaal loon (= kolom 3 min 4 min 5 min 6 plus 7) 9 pro memorie: de aanspraak op kinderbijslag
10 loonbelasting (Over kolom 8 plus 9 min ontheffing-inspectie)
II werknemersaandeel Ziekenfondspremie
12 netto-loon (= kolom 8 min 10 min II)

b. nieuwe vorm

Hierbij moeten wij er rekening mede houden, dat de
bijzondere tabel bedoeld in het rapport-v.d. Tempel in
dit voorbeeld niet bruikbaar is, omdat de onderneming

zelf de uitkeringen krachtens de sociale verzekeringswet-

ten betaalt. De loonstaat ziet er dan aldus uit:

kolom 1 loontijdvak 2 aantal dagen
3 bruto-loon
4 boete
5
pensioenfondspremie
6 heffingsbasis sociale verzekeringswetten (kolom 3 min 4 min 5)
7 premie Ziektewet en Werkloosheidswet (van het bedrag Uit 6)
8 uitkeringen sociale verzekeringswetten
9 werkgeversaandeel in de premie Ziekenfonds (over kolom 6)
10 fiscaal loon (= kolom 6 plus 8 plus 9 min 7 min ontheffing-
inspectie)
11 pro memorie: aanspraak op kinderbijslag
12

loonbelasting (over kolom 10 plus II) 13 werkne,nersaandeel in de Ziekenfondspremie
14 netto-loon (= kolom 6 min kolom 7 plus 8 min 12 min 13)

Onder de nieuwe omstandigheden zouden er dus
2

koloMmen meer nodig zijn dan onder de huidige, dus

instede van een vereenvoudiging is er sprake van een ver-

zwaring.

Nu zal men kunnen aanvoeren, dat slechts een zeer

klein deel der werknemers in een bepaalde week uitbe-

taling krachtens de sociale verzekeringswetten ontvangt,

en dat dus het overgrote deel wèl met behulp van de

speciale tabel kan worden verbond. Deze opmerking is

juist, en wij hebben daarom nagegaan of het mogelijk is

op rationele wijze een loönlijst te construeren, waarin
beide mogelijkheden kunnen worden verwerkt: werk-

nemers, die in een bepaalde week wèl, en andere werk-
nemers, die in diezelfde weëk géén uitkering krachtens

de sociale verzekeringswetten uitbetaald krijgen via hun

werkgever.

Het zou ons te ver voeren deze mogelijkheid in dit

artikel in details uit te werken, maar wij kunnen wel

zeggen, dat deze mogelijkheid inderdaad aanwezig is;

mits men maar rekening houdt met de eis; dat uit de

totaaltelling van de diverse kolommen van de wekelijkse

loonlijst zonder meer de journaalpost moet kunnen wor-

den gemaakt, door middel waarvan de toerekening van

de verschillende looncomponenten aan de fabricage-

afdelirigen, de fondsen etc. kan plaatsvinden. Men komt

dan weer, evenals in ons voorbeeld, tot 14 kolommen,

746

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
23 September
1953

waarvan dan in het éne geval (wèl uitkering sociale ver-

zekeringswetten) alle 14 kolommen gebruikt moeten

worden, en in het andere geval (geen zodanige uitkering)

slechts 11. Dit betekent dan ten opzichte van de huidige

situatie een vermindering van 1 kolom, waartegenover

het nadeel staat dat men met 2 belastingtabellen moet

werken: de normale en de speciale. Het is zeer de vraag

of het voor volledig gemechaniseerde administraties

mogelijk is dit bezwaar zonder al te veel kosten op te

vangen.
Al met al blijkt uit dit voorbeeld, dat, hoe men de

zaak ook wendt of keert, de bezuiniging hetzij proble-

matisch dan wel uiterst miniem is.

Voorbeeld H.

De hier bedoelde onderneming heeft toestemming van

de Inspectie-Belastingen wekelijks een ,,voorhefflng” op
de loonbelasting te doen, en deze halfjaarlijks af te reke-

nen. Zij heeft tot dit doel een bepaalde tabel vervaardigd

(waarop we hier niet dieper ingaan), waarin naast de

loonbelasting ook afleesbaar zijn: de premies voor de

Ziektewet, Werkloosheidswet en het Ziekenfondsen-

besluit, benevens de aanspraak op kinderbijslag. Haar

loonstaat ziet er, teruggebracht tot de factoren, die wij

in onze beschouwing moeten vergelijken, als volgt uit:

kolom 1 loontijdvak 2 aantal dagen 3 bruto-loon
4 uitkeringen sociale verzekeringswetten
5
pensioenfondspremie
6 boete
7 basis van de voorheffing (= kolom 3 plus 4 min 5 min 6)
8 de voorheffing; deze Omvat de loonbelasting, de premie ziekte-
wet, Ziekenfondsenbesluit en Werkloosheidswet
9 de kinderbijslag (wordt door de onderneming betaald)
10 netto-loon (= kolom 7 min kolom 8 plus 9)

De halfjaarlijkse afrekening omvat zowel de loon-

belasiing als de door de werknemers te betalen premies.

De totalen van de diverse kolommen geven voor deze

afrekening de bouwstenen. Wij laten dit verder onbespro-

ken.
Als de coördinatiewetten -van kracht worden, verandert

het aantal kolommen niet, noch het aantal handelingen.

Er dient dan alleen een nieuwe voorheffingstabel gemaakt

te worden, waarin het werkgeversaandeel in de Zieken-

fondspremie is verwerkt.
Zoals uit het bovenstaande nog eens blijkt, is in de ge-

geven voorbeelden rekening gehouden met het feit, dat

het werkgeversaandeel in de Ziekenfondspremie als loon

moet worden beschouwd. De Commissie-v. d. Tempel

zegt in haar rapport dat ze hiervan slechts dn voor-
standster zou zijn, als dit tot vereenvoudigingen zu

leiden. De Memorie van Antwoord zegt duidelijk dat

men deze suggestie heeft overgenomen. Heeft men zich

voldoende gerealiseerd, dat zulks in de gevallen waarin
de uitkeringen krachtens de sociale verzekeringswetten

door de werkgever worden betaald, in plaats van een

vereenvoudiging een verzwaring van de administratie

teweegbrengt? Men raadplege voorbeeld I.

Wij – willen het bij deze twee voorbeelden laten. Ons

onderzoek bij nog enkele andere ondernemingen wees uit,

dat daar precies dezelfde conclusies te trekken waren

als in voorbeeld T.
Wij hebben ook nog enige aandacht besteed aan de

beide voorbeelden, die in de Memorie van Antwoord

gegeven zijn, voorbeelden waarom enige leden in het

Voorlopig Verslag hadden gevraagd. De loonlijst voor

de bouwbedrijven blijkt teruggebracht te kunnen worden

van 13 op 7 kolommen. Ogenschijnlijk een aanzienlijke

vereenvoudiging. Men dient daarbij echter wel in het

oog te houden, dat deze voor een belangrijk deel veroor-

zaakt wordt door het wegvallen van de moeilijkheden

met de vacantiebonnen, iets dat uitsluitend voor de bouw

bedrijven van belang is. Bovendien ‘verd geen rekening

gehouden met de mogelijkheid, dat de werkgever de uit-
keringen voor de sociale verzekeringswetten betaalt; zie

voorbeeld 1 b. Dit laatste geldt eveneens voor het voor-

beeld uit de landbouwbedrijven, waarin het aantal ko-

lommen van 9 tot 6 werd gereduceerd. Hoewel beide

voorbeelden op zichzelf juist zijn, geven zij niet een zuiver

algemeen beeld van de te bereiken resulaten, iets dat

overigens ook niet werd gepretendeerd.

**
*

Wij komen nu nog even terug op de vraag wat nu wel

de voordelen zullen zijn voor de kleine bedrijven, en hoe

groot de bezuiniging zal zijn voor de grote en middel-

grote bedrijven. Reeds in onze eerste artikelen wezen wij

er op, dat de voorgestelde wijzigingen met name voor de

kleine bedrijven – en dan bedoelen wij de zéér kleine

bedrijven – tot op zekere hoogte van nut zullen zijn.

Niet zozeer omdat in die zeer kleine bedrijven op de

administratiekosten zal worden bespaard, maar, om

met de beide Staatssecretarissen te spreken, er tijden ener-

gie bespaard zal worden van de honderdduizenden (kleine)

werkgevers. Maar ook op dit punt zal men zich naar onze

stellige mening geen al te rooskleurige voorstelling moe-

ten maken. Deze talrijke kleine patroons zullen bij hun

wekelijks terugkerende administratieve handçlingen van

de bijzondere tabel gebruik kunnen mâken, en de vraag

is o.i. gewettigd of dit ,,bijzondere” voor hun administra-

tieve denken en handelen wel zo eenvoudig is als het

schijnt.

Laten we echter aannemen dat met name ce kleine


werkgevers met de voorgestelde verbeteringen aanzien-

lijk gediend zijn. Dan mag toch ook wel de vraag ge-

steld worden: en de grote en zeer grote bedrijven dan?

Die hebben zeker niet in de itste plaats te kampen met

de kosten, die de loonadministratie bij de huidige situatie
veroorzaakt. Slechts een veel radicalere vereenvoudiging

brengt hier uitkomst, onafhankelijk van de omstandig-
heid of de administratie al dan niet gemechaniseerd is.

In de administraties, die volgens het ponskaartensys-
teem werken, speelt het aantal machine-uren van kost-

bare machines een zeer belangrijke rol. Hoe eenvoudiger

de berekeningen, hoe minder machine-uren men nodig

heeft, en hoe minder kostbaar de machines behoeven te

zijn.

Wijmoeten dus in het belang van de kleine zowel als

van de grote werkgevers blijven pleiten voor zo radicaal

mogelijke oplossingen. Als eindresultaat blijft ons daarbij

voor ogen staan: één heffingsbasis, die ook de uitkeringen

volgens de sociale verzekeringswetten omvat, bestemd

zowel voor fiscale doeleinden als voor de heffing der pre-

mies, en per bedrijfstak één tabel waaruit in één bedrag

of in één percentage zowel de premies als de loonbelas-

ting kunnen worden afgelezen Als dat bereikt kon wor-

den zou de loonlijst van vrijwel alle ondernemingen er

als volgt kunnen uitzien:

kolom 1 loontijdvak 2 aantal dagen
3 bruto-loon
4 uitkeringen sociale verzekeringswetten-
5 boete
6 premie pensioenfonds
7 basis voor alle heffingen (3 plus 4 min 5 min 6)
8 loonbelasting plus premie (over 7)
9 netto-loon

Het aantal kolommen zou dan dalen van 12 â 14 tot 9,
terwijl de handelingen veel eenvoudiger zouden worden.

23 September 1953

ECONiMiSCH-STATISTISCHE BERICHTEN

747

Loonbelasting en premiës zouden dan aan één fonds

worden afgedragen, en ongetwijfeld zijn er middelen te
vinden – bijv. langs statistische weg— om aan de fiscus

en de fondsen zodanige uitkeringen toe te delen, dat deze

een aanvaardbare graad van nauwkeurigheid hebben.

Wij hebben reeds eerder geschreven, dat wij heel goed

1,egrjpen dat deze radicak doelstelling niet in een enkele

pennestreek te bereiken is. Daarvoor is tijd en studie

nodig. Dat de Regering zich bewust is dat de huidige

voorstellen slechts een eerste stap betekenen, en dat vele

leden uit de Commissie van Voorbereidingop radicaler

middelen hebben aangedrongen, stemt tot grote voldoe-

ning.
**
*

Ten slotte mogen wij, onze eerste artikelen gedeeltelijk

resumerend, nog wijzen op een aantal punten die in de

wetsvoorstellen geregeld, vastgehouden of verbeterd

dienen te worden.

Moet over de uitkeringen, die door de werkgever

krachtens de Werkloosheidswet uitbetaald worden (het

wachtgeld), door de werknemer naast de premie Ziekte-

wet en Ziekenfondsenbesluit ook de premie Werkloos-

heidswet worden betaald? Naar onze mening geldt hier:
alles of niets.

Moeten volontairs alle premies wèl of alle premies

niet betalen?

Wij hopen, dat de Regering voet bij stuk houdt ten

aanzien van de grens, die zij voorstelt met betrekking tot

het Ziekenfondsenbesluit. Uit administratieve overwe-

gingen is het volstrekt noodzakelijk dat er één grens

komt, die voor alle wetten geldt.

Er dient een duidelijker regeling te komen ten aan-

zien van bepaalde inkomstencomponenten die vrijgesteld

zijn van alle heffingen, bijv. kleine cadeaux, uitkeringen

tot dekking van bepaalde kosten, zoals reis- en verblijf-

kosten, bedrijfskleding e.d.

Pe fiscale autoriteiten aanvaarden de kinderbij- –

slagadministratie voor het waar maken van het aantal

kinderen voor belastingdoeleinden.

Van welke peildatum moet het kindertal genomen

worden, dat als basis dient voor de herrekening van de

loonbelasting?

De rangorde der kinderen voor de kinderbijslag,

in het geval dat er pleegkinderen zijn.

let eens op

hoeveel U er

R. S. STOKVIS & ZONEN N.V.

140 dealers en subdealers.

overal In Nederland.

(ingezonden mededeling)

Het extra-kind (amendement-Lucas).

De loongrens der verbljfskosten.

De kwestie van het extra-kind heeft in de tussen Rege-

ring en Kamercommissie gewisselde stukken veel aan-

dacht gehad. Het voorstel – sparende de kool en de

geit – om voor het extra-kind een speciale aftrek voor

fiscale doeleinden te geven ontmoet dezelfde bezwaren,

die wij reeds eerder ten aanzien van de ontheffing-inspec-

tie signaleerden. Men komt dan met de premieheffing

voor de verzekeringswetten in de knoop; voor deze

premieheffing immers geldt de ontheffing niet.

Wij hopen, dat deze punten nog de aandacht van de

volksvertegenwoordiging zullen hebben, en tevens dat de

Regering op haar standpunt zal blijven staan om het

thans voorgestelde integraal in de wet op te nemen, indien

eventuele amendementen tot het gladstrjken van bepaal-

de fiscale of sociaal-economische plooien roet in het eten

zouden dreigen te werpen. Moge de berg meer dan een

muis baren!
Eindhoven.

B. DIESBERGEN.

Naschrift

Het bovenstaande werd geschreven vô6rdat de be-

handeling van de coördinatiewetten Donderdag, 17 Sep-

tember ji., in de vergadering van de Tweede Kamer

plaatsvond. Het is niet onze taak thans in te gaan op de

strijdpunten die tijdens het debat naar voren kwamen.

Wat wij in de laatste alinea schreven is er des te actueler

door geworden.
D.

op de weg

ziet

Het Benelux-effect

De cijfers betreffende de handel tussen Nederland en

-België-Luxemburg laten weinig twijfel bestaan aan een

sterke uitloop van de onderlinge goederenruil. Tot voor
kort was het evenwel moeilijk, de gevolgen van de ver-

mindering der handelsbelemmeringen uit hoofde van de

Benelux te onderscheiden van andere effecten. Met name

werd – wat de Nederlandse invoer uit België-Luxem-

burg betreft – in de eerste jaren na het aangaan van de

douane-unie de invloed van deze laatste overschaduwd

door het achterblijven van het Duitse aanbod van indus-

triële •halffabrikaten en eindproducten.. Daarna heeft

vooral de na-Koreaanse ontwikkeling(aankoopwoede, ge-
volgd door een zekere stagnatie) storend gewerkt. Boven-

dien was in de afgelopen jaren de Nederlandse invoer

uit de partnerlanden ten dele sterk opgeschroefd als

gevolg van de tot uiting komende inhaalvraag. Dat deze

inhaalvraag zich vooral op Belgisch-Luxemburgse pro-

ducten wierp is uiteraard een gevolg van de Benelux.

Echter zou het onjuist zijn, deze tijdelijk werkende factor

mee te rekenen bij de raming van het normale Benelux-

effect. Verder maken statistische berekeningen aanneme-

lijk, dat de gevolgen van een relatieve prjswijziging –

waartoe een douane-unie immers leidt – zich door-

gaans eerst na verloop van enkele jaren volledig mani-

festeren.

Om al deze redenen lijkt het verantwoord, 1952 te

beschouwen als het eerste jaar, waarvoor de relatieve

stijging van de wederzijdse handel der Benelux-landen –

behoudens eventuele prijswijzigingen welke niet aan het

wegvallen der onderlinge rechten zijn toe te schrijven –

kan gelden als maatstaf voor het geconsolideerde Benelux-

effect.

Cijfermatig kan dit effect tot uitdrukking worden ge-

bracht door het aandeel van de partnerlanden in elkaars

748

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
23 September 1953

totale invoer resp. uitvoer te> vergelijken met de over-

eenkomstige percentages van v66r de oorlog. Deze ver-

gelijking is hieronder weergegeven in de vorm van index-

cijfers. Omdat er voor elk land twee handelsstromen zijn,
worden op dezç wijze vier indices verkregen. Men zie het

volgende- staatje.

Waarde onderlinge handel als percentage van totale handel

1952
(1936-1938 = 100) ‘)
Nederland:

Belgi&Luxemburg:
Invoer

……………..
147

Uitvoer
………………..
130
Uitvoer
…………….
142

Invoer

………………..
152
‘) Nederlandse cijfers Uit de Nederlandse, Belgisch-Luxemburgse uit de Belgische
statistiek.

De cijfers op één regel betreffen dezelfde grootheid

(wat voor Nederland invoer uit België-Luxemburg is,

is voor België-Luxemburg uitvoer naar Nedèrland en

omgekeerd). Alleen zijn zij met verschillende grootheden

vergeleken (totale Nederlandse invoer resp. uitvoer en

totale Belgisch-Luxemburgse uitvoer resp. invoer).

Beschouwt men de stijging van de uitvoerquote als

maatstaf voor de winst die de beide partners aan de

Benelux hebben ontleend, dan heeft Nederland blijkbaar

het grootste voordeel behaald. Waarschijnlijk speelt hier-

bij een rol het verschil in prijspeil in beide landen.

De gemiddelde rechten welke andere leveranciers zou-

den hebben moeten betalen voor de invoer die thans

door de Beneluxpartners is verzorgd, bedragen 7,4 pCt

(Nedeilandse invoer uit België-Luxemburg) resp. 10,6 pCt

(Belgisch-Luxemburgse invoer uit Nederland) ‘). Deze

percentages geven de voorsprong weer die de Benelux-

landen elkaar boven andere handelspartners hebben ver-

leend. Het verschil tussen de eindcijfers is alleen ver-

oorzaakt door de uiteenlopende samenstelling van beide

handelsstromen, daar beide landen per post dezelfde

rechten heffen.

Mag men de stijging van de quoten welke hierv6ôr

werd gesignaleerd nu geheel aan de douane-unie – dus

aan het tariefverschil – toeschrijven? Dit is niet zonder

meer vanzelfsprekend. In de eerste plaats is er het prijs-

verschil, waarvan hiervô6r sprake was. Dit valt overigens

mee. Het Nederlandse• uitvoerprjspeil bedroeg in 1952

372 en het Belgische invoerprjspeil 396 (beide in Bel-

gische francs), terwijl het Belgische uitvoerprijspeil en

het Nederlandse invoerprijspeil (beide in guldens) resp.

585 en 550 bedroegen (berekend uit de posten van de han-

delsstatistiek, 1938 = 100). Dit betekent dat de prijzen

der Nederlandse producten op de Belgische invoermarkt

gemiddeld 6
+
pCt lager liggen dan de gemiddelde prijzen,
terwijl de Belgische producten op de Nederlandse invoer-

markt 6+ pCt duurder zijn dan de gemiddelde prijzen.

Hoewel deze verschillen in de lijn der verwachting liggen,

moet aan deze cijfers toch geen al te grote waarde worden

gehecht. De wijze van berekening maakt dat er grote on-

zekerheden in het spel zijn. Men kan allten zeggen dat de

Belgische prijzen op de Nederlandse invoermarkt in het

algemeen aan de hoge kant zijn en de Nederlandse

prijzen op de Belgisch-Luxemburgse invoermarkt in het

algemeen aan de lage kant.

Verder concurreren de verhandelde producten uiter-

aard slechts voor een deel met de importen uit andere

landen. Wanneer in het volgende toch van ,,substitutie-

elasticiteit” wordt gesproken, moet dus in het oog worden

1)
Ontleend aan het rapport ,,Moyenne des Tarifs”, ,,Groupe d’Etudes pour
lUnion Douanièreuropéenne”, ID., Brussel, Juli 1950. De vermelde totaal-
cijfers zijn verkregeii door per zgn. B-post uit de handelsstatistiek ongewogen
gemiddelde tarieven te berekeneb en deze vervolgens door weging met de waarden
in 1952 te herleiden tot één gemiddelde voor de Nederlandse resp. de Belgisch-
Luxemburgse invoer uit het partnerland.

gehouden dat deze term ten dele in oneigenlijke zin wordt

gebruikt.

De ervaring leert ook, dat de conjunctuurphase invloed

uitoefent op elkaars invoerquote. Dit hangt samen met

het onderscheid in conjunctuurgevoeligheid van de ver-

schillende ,,pakketten”. Aangezien het Vrij onzeker is,

hoe dit conjunctuureffect werkt – berekeningen wijzen in

een richting welke tegenovergesteld is aan wat men bij

voorbaat zou verwachten – wordt volstaan met deze

factor pro memorie te vermelden.
Wat de contingenteringen betreft, was de liberalisatie-

graad voor de inter-Benelux-handel in 1952 niet veel

hoger meer dan t.a.v. de overige O.E.E.C.-landen, waar-

mee het overgrote deel van de handel van beide landen

zich afspeelt. Anderzijds impliceert dit toch, althans

voor Nederland, een zeker positief effect, omdat de Bel-

gische invoerbeperkingen in de dertiger jaren in ver-

sterkte mate ten nadele van de hoofdzakelijk uit eind-

producten bestaande invoer uit Nederland werkten.

Berekeningen wijzen evenwel uit, dat dit effect vrij on-

zeker is.

Een ander storend element is de werking van het

landbouwprotocol. Dit laatste geldt echter slechts voor

een deel der Nederlandse agrarische uitvoerproducten.

Bovendien worden de belemmerende maatregelen die het

landbouwprotocol toestaat niet altijd gebruikt, terwijl

door middel van preferenties voor Nederlandse producten

op ‘de Belgische markt een zeker tegenwicht wordt ge-

schapen. Bij nader inzien lijkt het dan ook niet te ge-

gewaagd om, aan te nemen; dat het met de storende

werking van het landbouwprotocol wel meevalt.

• Al deze overwegingen overziende, lijkt het wel verant-

woord, de gevonden relatieve stijging van de onderlinge

handel voor het overgrote deel op rekening van het tarief-

voordeel te boeken. Doen we dit in zijn geheel, dan re-

sulteren de volgende substitutie-elasticiteiten, die dus in
het algemeen maxima zijn, hoewel de Belgisch-Luxem-

burgse coëfficiënt ook – gezien de invloed vai het rela-

tief hoge prijspeil – hoger kan zijn.

Substitutie-elasticiteiten inter-Benelux-handel
Nederlandse invoermarkt-6,8

Belgisch-Luxemburgse’ invoermarkt-5,4

Globai komt men aldus op een substitutie-elasticiteit

van zeg
—5.
Dit cijfer is, gezien de meeste statistische

metingen van substitutie-elasticiteiten in de internationale

handel, vrij hoog. Hierbij moet echter rekening worden

gehouden met de betrekkelijk geringe quote van de

inter-Benelux-handel – v66r de oorlog ca 11 pCt— en

de hiermee gepaard gaande ruime mogelijkheid tot uit-

schakeling van derde landen; Bij de integratie van grotere

complexen, die naar alle waarschijnlijkheid reeds een

belangrijk deel van elkaars handel verzorgen, is de sub-

stitutie-elasticiteit dus kleiner. In geval van een douane-

unie tussen de Schuman-landen (excl. overzeese gebieds-

delen), wier onderlinge handel ca 25 pCt vari hun totale

handel bedraagt, zou de elasticiteit ca —4 bedragen,

terwijl bij een douane-unie tussen de O.E.E.C.-landen

(eveneens excl. overzeese gebiedsdelen) met een percen-

tage onderlinge handel van ca 45, een cijfer van ca —3

wordt verkregen. Beide coëfficiënten zijn berekend door

– uitgaande van een substitutie-elasticiteit van
—5
voor

de Benelux-landen – correcties aan te brengen voor het

verschil in elkaars marktaandeel. Houdt men daarbij

voor ogen dat het uitgangscijfer misschien toch nog iets

aan de hoge kant is, dan is de afstand tussen de gevonden

– zeer voorlopige – uitkomsten en de doorgaans ge-

-hanteerde substitutie-elasticiteiten .niet zo groot meer.

T’

23 Sëptember 1953

ECONOMISCH-STATISTISCH.E BERIÇHTEN

749

Wel lijkt het in het licht van de voorgaande beschouwingen

niet al te speculatief om te concluderen, dat de Benelux-

ervaringen wijzen op vrij belangrijke repercussies van de

douane-unie, hetgeen aannemelijk maakt dat ook bij het

aangaan van een klein- of groot-Europese douane-unie
niet onbelangrijke verschuivingen moeten worden ver-

wacht, met name op de lange duur.

Bij de berekening van het Benelux-effect en de her-

leiding daarvan op een potentieel klein- en groot-Euro-

pees effect is er van uitgegaan, dat de douane-unie uit-
sluitend ,,trade-diverting” werkt in de zin van Viner
2),

zodat de opvoering van de inter-Benelux-handel geheel

ten koste van de andere handelspartners gaat. Dit is

natuurlijk niet geheel juist. Er is ook een ,,trade-

creating”-effect, d.i. een opvoering van de arbeidsver-

deling tussen de Benelux-landen. De substitutie-elasticiteit

met betrekking tot binnenlandse goederen. wordt echter

doorgaans op -. gesteld, zodat deze veel lager ligt

dan de substitutie-elasticiteit met betrekking tot con-

currerende buitenlandse goederen. Het zou mogelijk zijn,

de gevonden ,,totale” substitutie-elasticiteit te corrigeren

met behulp van deze aprioristische coëfficiënt. Daar de

voorgaande beschouwing juist bedoeld was om bestaande

aprioristische zienswijzen zo goed mogelijk statistisch .te

toetsen, zou deze correctie een vreemd element in het

betoog brengen. Empirisch laat de substitutie-elasticiteit

t.o.y. binnenlandse goederen zich in ons geval – partiële

wijziging van de invoerprijzen – niet isoleren: dit effect

wordt volledig overschaduwd door de substitutie t.o.v.

de niet in prijs veranderde buitenlandse goederen. Alleen

bij een algemene wijziging van de invoerprjzen (bijv. in

geval van een uniforme wisselkoersveraidering) kan de

eerstgenoemde coëfficiënt worden berekend. Het ver

melde cijfer van
-4
is ook aan dit soort gevallen ontleend.

Bovendien
zou
strikt gesproken rekening gehouden

moeten worden met een zekere stijging van de totale

vraag als gevolg van de prijsdaling der uit de partner-

landen ingevoerde artikelen. Gezien het feit dat deze

prijsdaling, omgeslagen over het totale verbruik der be-

trokken goederen; slechts gering is, begaat men geen

grote fout door haar in ons geval te verwaarlozen.

Zonder twijfel is de voorgaande uiteenzetting met vele

onzekerheden behept. Dit neemt niet weg dat het nuttig

kan zijn om een zekére indicatie te hebben van de orde

van grootte van het effect van een douane:.unie. Verder
gaat de strekking van deze beschouwing niet.

‘)Zie J. Viner: ,,The Customs Union Jssue”, 1950, btz. 41 v.

Scheveningen.

HARTOG.

Heeft België monetair evenwicht?

Het losbreken der vijandeijkheden in Korea heeft ook

in België de stoot gegeven tot twee grote vloedgolven,

de eerste een opwaartse, welke reeds enkele maanden

vroeger was aangevangen doch door het Koreaans con-

flict tot een ,,boom” is ontwikkeld, en de tweede een

neerwaarts gerichte golf.

Het zou verkeerd zijn te menen dat de tweede golf

de eerste vernietigde. Zoals dit voor alle landen het ge-

val geweest is, heeft het Belgisch economisch bestel sedert

en ter oorzake van de Korea-boom een evolutie gekend

waarvan wij het belang voor de huidige toestand niet

mogen verwaarlozen. Qnze huidige economische situatie is

van dit incident ruimschoots tributair en Qfschoon de stand

van de economische conjunctuur thans enigszins aan het

klimaat herinnert van einde 1949 heeft de Koreaanse

periode in onze economische evolutie vormen geboetseerd

welke wij niet kunnen loochenen.

De geldvoorraad is met 20 milliard toegenomen. Nu

is het waar dat schommelingen van de geidstock geen

zekere aanwijzing zijn voor een infiatoire of deflatoire

tendentie.

Intussen echter zijn thans de productie, de tewerkstel-

ling en de wereldprijzen weer substantieel gedaald. Dit
belet niet dat de detailprjzen op einde 1952 een verho-

ging van ongeveer 10 pCt vertonen, dat de lonen ruim

15 pCt zijn gestegen en dat onze geidvoorraad zich op

zijn maximum niveau handhaaft.

Was nu aanvankelijk de toeneming van de geidstock

te verklaren door de stijging van de grondstofprjzen, de

toegenomen activiteit, kortom de behoeften van het be-

drijfsleven in het algemeen, en het uitzonderlijk hoog

niveau van ons exportexcedent op de E.B.U., de sedert-

dien ingetreden kentering van de conjunctuur en het om-

slaan van onze betalingsbalans sedert medio 1952 hebben

op het .geldvolume behalve de daling van de omloop-

snelheid – geen vernauwende invloed gehad. Betekent

dit voor de Belgische ,,Konkurrenzfihigkeit” geen em-

stige belemmering tesamen dan nôg met de reeds be-

staande bezwarende omstandigheden, nl. hët hôog prij-

zen- •en kostenniveau sedert de oorlog 1940-’45 en het

betrekkelijk laag devaluatiepeil – respectievelijk Teëya-
luatie t.o.v. vele munten – van September 1949?

Loopt België in deze ömstandigheden geen gevaar zijn

evenwicht te verliezen?

Het al of niet bestaan van het monetair evenwicht kan

in de praktijk niet ,,zo maar” worden opgemerkt. Het

antwoord en het situeren van de oorzaken kunnen slechts

het resultaat zijn van een ernstige diagnose van alle 1e-

langrijke economische data welke symptomatische aan-

duidingen kunnen verstrekken over de stand van, het

economisch proces, over de evolutie van vraag en aan-

bod, over de prjsevolutie, over de verhouding tussen

koopkracht en beschikbare, productie, enz. Een zo ruim

mogelijk overzicht van alle beschikbare gegevens zowel

in de materiële als in de monetaire sfeer is noodzakelijk.

Jammer genoeg vertoont het beschikbaar statistisch

materiaal in België talloze leemten. Gëgevens omtrent
het nationaal produkt, naar hoeveelheden gemeten, nt-

breken totaal. Het verloop van de consumptie kan niet

nauwkeurig worden gevolgd; het voortgaan op algemene

indrukken en het volgen van bepaalde symptomen blijkt

vaak het enige redmiddel. De industriële investeringen

werden nooit reëel gemeten. Beschikbare ramingen voor

voorbije jaren zijn aan een dergelijke foutenmarge onder-

hevig dat men er zich met de grootste omzichtigheid

van moet bedienen. Gegevens over, de voorraadvorming

zijn slechts karig en ‘dan nog met grote vertraging be-

schikbaar. In dergelijke omstandigheden lijkt het uitge-

sloten een streng ,,wetenschappeljk” onderzoek in te

stellen. Met al het complexe, het probleem eigen, wordt

het onderzoek nog zoveel delicater.

**
*

De daling van de wereldprijzen, na deze spectaculaire

750

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
23 September 1953

vlucht van 1950-’51, is de laatste rtiaanden kalmer ge-

worden, ofschoon deze baisse, vooral voor de industriële
produkten, nog zou kunnen worden doorgezet. De groot-

handelsprijzen zijn in de loop van 1952 gestadig gedaald.

Evolutie van de prjzenindex
(1936-1938 = 100)
Kleinhandeisprijzen Groothandeisprijzen
Juli 1950

……….
…………..

369

379
December 1951

………………
422

477
December 1952

… ……………

417

429
April 1953
……………………
411

413

Voor de kleinhandeisprjzenindex was de daling in

1952 slechts gering. De beginmaanden 1953 wezen op

een verdere daling van de index zowel der kleinhandels-

prijzen als der groothandelsprijzen.

De index van het gemiddelde uurloon steeg in 1952 niet

verder; er was eerder een lichte teruggang:

Loonindex

(1936.1938

100)
Juni 1950
………

415
December 1951

……………………
486
September 1952

……………………
485
December 1952

……………………
484

Van Juni 1950 tot op de datum van de laatste gekende

gegevens bedroeg de verhoging ca 15 pCt. De wedden

van de ambtenaars kenden in deze periode een verho-

ging van 5 pCt in verband met de verhoging van de klein-

handelsprijzen. Een tussentijdse baremaherziening die

een gemiddelde weddeverhoging van ca 8 pCt met zich

bracht, brengt aldus de weddeverhoging van deze cate-

gorie van loontrekkenden op 13 pCt.

Nadat de werkloosheid in 1949 was opgelopen tot

ruim het dubbel van het peil van 1948 is ze na een lichte

.daling in 1950-’51 in 1952 gestegen tot boven het peil

van 1949. De Belgische werkloosheid mag niet als een

.op zichzelf staand probleem ‘worden gezien. Ze is gro-

tendeels structureel. Het hoog werklozenpeil in 1952 kan

slechts gedeeltelijk worden verklaard door afnemende

bedrijvigheid.

Dagelijks gemiddelde der werklozen
1948

……………………………………
129.000
1949

……………………………………
235.000
1950

…………………………………….
222.000
1951

……………………………………
206.000
1952

……………………………………
247000

Ook gedurende de boom-periode van 1951 was het

werklozenpeil nog gemiddeld meer dan 200.000 per dag.

De stijging van de werkloosheid bedraagt in 1952 20 pCt

ten overstaan van 1951. De toenemende productiviteit

ingevolge de rationalisatie en betere outillage spelen

hier ook hun rol. –

Voor het nationaal inkomen beschikken we over de

raming van Prof. Baudhuin. Deze geeft ons voor 1952

305 milliard tegenover 296 milliard in 1951, 265 milliard

in 1950 en 249 milliard in 1949. De daling van de index

van de industriële activiteit welke in de loop van het le

semester 1952 inzette alsmede de stijging van de werk-

loosheid en andere indicaties, wijzen op een verminderde

bedrijvigheid. Voor het grootste deel van het jaar 1952

trof deze teruggang vooral de industrieën die werken voor

de. consumptie. De herneming van de consumptie-

uitgaven in October, November en December 1952 ging

in Januari 1953 niet verder. Het ging hier slechts om een

tijdelijke heropflakkering. Bij het einde van het jaar 1952

en thans in.het begin van 1953 kende ook de zware nij-

verheid een zekere verzwakking.

In 1951 had de verontrustende ontwikkeling van de

grote exportoverschotten op de E.B.U.-zône de Regering

genoopt tot tal van beperkende maatregelen op de export.

Van groter invloed dan de binnenlandse maatregelen

waren de invoerbeperkingen van Engeland en Frankrijk.
Voor 1952 constateren we een grote tegénstelling tussen

het eerste en het tweede semester. Was het eerste semester

zeer gunstig, in het tweede zaten we volop in de terug-

gang.

Buitenlandse handel

(in mrd Belg. fr.)

invoer

uitvoer

in waarde

in ton

in waarde in ton

1950

………………..
97,5

29,7

82,6

16,4
1951

…………………
127,2

38,2

132,6

20,3
1952

………………..
123,0

38,8

122,5

20,3

De lichte verbetering welke we op een bepaald ogenblik

gedurende het tweede semester 1952 hadden bemerkt,

was veroorzaakt door de verhoogde uitvoer van staal

naar de Verenigde Staten, ingevolge de staking aldaar.

Deze verbetering heeft zich in de volgende maanden

niet gehandhaafd.

Naar hoeveelheid gemeten bleef de export voor 1952

op hetzelfde peil als in 1951; doch we kenden in 1952 een

verslechtering van. de ruilvoeten. Hier vinden we grote-

ljks de verklaring van het handelsdeficit in het tweede

semester van 1952.

Spelen de Belgische hoge prijzen en lonen een rol?

Over het algemeen moet worden geantwoord dat we

sedert de bevrijding onophoudend van de heersende

,,sellers’ markets” hebben genoten. Toen ëinde 1949 wer

kelijk langs deze kant gevaar begon te dreigen kwamen
we weldra in de Koreaanse ,,boom” terecht. Een erstige

recessie hebben we tot dusver niet gekend.

Feit is dat België van het land van lage lonen dat het

vôôr de oorlog was, thans een land met hoge lonen is

geworden. De devaluatie van de Belgische frank in 1949

tegenover de dollar welke tegenover vele’andere landen

op een substantiële reëvaluatie neerkwam was voor onze

export een ernstige handicap. Al is nu het Belgische prij-

zenpeil sedert Juni 1950 minder gestegen dan in de meeste

andere landen het geval is geweest, geabsorbeerd is deze

marge nog lang niet. Het hoge Belgische loon- en prijs-

peil is een ernstig economisch vraagstuk. Vôér de oorlog

had België dank zij zijn lage lonen een voorsprong op

zijn concurrenten; de kwestie vai rationalisatie en per-

fectionnering van de industriële outillage stelde zich

toen niet zoals thans gezien, we konden teren op onze

voorsprong langs de kant der lonen. Thans echter is het

tegenovergestelde het geval en alle aandacht moet thans

gaan naar rationalisatie, perfectionnering, efficiency en

technisch ,,up-to-date” investeringen. Vele bedrijven
moesten reeds in de laatste maanden van 1952 lagere.

prijzen stellen ten koste van de winstmarges.

Hoofdzakelijk in verband met onze buitenlandse

handel kende de betalingsbalans een analoge evolutie.

Voor het eerste semester 1952 noteren we voor de lo-

pende verrichtingen een boni van 7,9 milliard, en voor

de gezamenlijke betalingsbalans een overschot van

8,4 milliard. Voor het tweede semester mogen we een

deficit verwachten. Over het gehele jaar zal er toch

nog een boni zijn. De netto goud- en deviezenreserves

der Nationale Bank van België, welke gedurende het

eerste semester nog sterk toenamen, liepen in het tweede
semester belangrijk terug.

De investeringen in de Belgische nijverheid zijn in

1952 niet omvangrijker geweest dan in 1951. Integendeel

ze zijn zelfs in lichte mate gedaald.

De overheidsbegrotingen, althans de gewone begro-

tingen, sloten de laatste jaren met een evenwicht of een

een licht boni. De buitengewone begroting is de laatste

23 September 1953

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

751

jaren onder invloed van de herbewapening sterk opge-

lopen. De financiering van de buitengewone begroting –

waarvoor mag worden geleend – geschiedde gedeelte-

lijk door kortiopend krediet. Het tekort aan financierings-

middelen had de Regering er in October 1952 reeds toe

aangezet, zij het dan ook ten voorlopigen titel, de uit-

voering van het programma der buitengewone uitgaven

te beperken. In beginsel had de Regering besloten de pro-
gramma’s van de nog in 1952 uit te voeren verbintenissen

te verminderen met 50 pCt en de programma’s van ver-

bintenissen van het eerstetrimester 1953 in dezelfde mate

te verminderen, zodanig dt de verbintenissen die zou-

den kunnen aangegaan worden in de ioop van elk der

eerste drie maanden van 1953 1124 van de bedragen

voorzien voor het hele jaar niet zouden kunnen over-

treffen. De moeilijke kastoestand van de Schatkist is

ontegenzeggelijk te wijten aan de uitgaven voor lands-

verdediging die in de begroting van 1953 geschat worden

op 26,2 milliard. Ten gevolge van het cumulatief effect

der verbintenissen .op de kredieten van vorige jaren,

kan men dus in het jaar 1953 effectieve uitgaven

verwachten die het cijfer der kredieten van de buiten-

gewone begroting overtreffen.

Tot daar wat betreft de reële sfeer. Nu de monetaire

ôntwikkeling.
**
*

De deflatoire werking van het decit van de buiten-

landse handel (hoge import) gedurende de periode welke

onmiddellijk volgde op het uitbreken van het Koreaans

conflict werd gecompenseerd door in de andere richting

werkende factoren zoals verhoogde kredietverstrekking

aan het bedrijfsleven. Zodoende bleef de geldstock tot

midden 1951 stabiel. De omloopsnelheid harerzijds nam

belangrijk toe.

Van medio 1951 af echter wordt de fundamenteel op-

waarts gerichte tendentie duidelijk zichtbaar. Deze stij-

ging duurde tot in het midden van
1952.
Van dan af

bleef het geldvolume quasi op zijn recordhoogte gesta-
biliseerd, t.t.z. ruim 20 milliard boven het peil van Juni

1950

De totale geldvoorraad
(in mrd Belg. fr.)
chartaal geld

giraal geld

totale geld-
voorraad

begin Juni 1950

89

63

152
begin Juni 1951

91

64

155
einde December 1951

. . .

99

69

168
einde December 1952

102

71

173
einde Februari 1953

102

70

172

De hoofdoorzaak van de stijging van de geldstok

vinden we in de batige betalingsbalans.

De goud- en deviezenvooaad van de Nationale Bank

van België nam dan ook sedert medio 1951 belangrijk

toe. Het omslaan der handelsbalans sedert medio 1952

en de hiermede gepaard gaande teruggang van de goud-

en deviezenvoorraad kwam reeds vroeger ter sprake.

De overall goud- en deviezentoeneming betrof echter

slechts in beperkte mate de goudvoorraad; vooral de

vorderingen op de E.B.U. namen toe.

De omloopsnelheid van het girale geld steeg in 1951

doch daalde in 1952. Over de omloopsnelheid van het

chartale geld zijn geen cijfers beschikbaar. Eyeneens

iormden zich. ongebruikte kasliquiditeiten zowel bij par-

ticulieren als bedrijfsleven. De spaartegoeden der parti-

culieren welke onder invloed van de oorlogspsychose

aaji grote opvragingen onderhevig waren geweest, her-

stelden zich snel in 1952.

Spaartegoeden bij de Algemene Spaar- en Ljfrentekas
einde 1949
…………………………..
30,6 milliard
einde 1950
………….
………………..
32,7

einde 1951

…………………………..
34,8
einde 1952
…………………………..
39,4

De deposito’s op zicht bij de banken lagen op einde

1952 ca 4,5 milliard hoger dan een jaar tevoren en be-

reikten aldus een peil dat ruim 10 miffiard boven dat van

Juni 1950 lag. Ook de termijndeposito’s kwamen in het

tweede semester 1952 op een hoger peil. Deze namen

verder zeer sterk toe in de eerste maanden van 1953.

De bankkredieten aan het bedrijfsleven stegen sedert

Juni 1950 en bewogen zich doorheen 1951 op eèn hoog

peil. In 1952 waren de kredietbehoeften geringer.

Van Juni 1950 tot einde December 1952 steeg de totale

openbare schuld met 15,9 milliard. Afgezien van de munt-

saneringslening was de stijging 23,8 milliard; waarvan

20 milliard voor de geconsolideerde en 3,8 milliard voor

de vlottende schuld. De toeneming van de vlottende

schuld werd getemperd door de intussentijd uitgegeven

geconsolideerde leningèn. Van 1 Januari 1952 tot 31

Maart 1953 steeg de schuld met
15,6
milliard. Afgezien

van de muntsaneringslening was deze stijging 19,6 mii-

liard, waarvan 17,7 inilliard voor de geconsolideerde en

1,9 milliard voor de vlôttende schuld. Op de kapitaal-
markt, welke in 1952 zeer ruim was, gaf de Staat twçe

geconsolideerde lèningen. uit, één op 10 jaar en één op 12

jaar, welke respectievelijk 7,5 milliard en 8,9 milliard

opbrachten.

Reeds in November 1951 had de Staat een geconsoli-

deerde lening uitgegeven op 15 jaar welke 6,3 milliard

opbracht. In Maart 1953 kwam daarbij nog een loten-

lening van
3,5
miffiard.

Inzake buitenlandse geconsolideerde leningen nam de
Staat in 1952 ruim 1 milliard op. Daarbij kwam nog een
lening van $ 50 millioen, toegestaan door dé Eximbank,

op middelmatige termijn en een lening van 50 millioen

Zwitserse frank, eveneens op middelmatige termijn.

De vlottende buitenlandse schuld nam in 1952 toe met

ca 500 millioen Belg. fr.

Bovendien moeten we nog vermelden een voorschot

door de Nationale Bank van België aan de Schatkist van

2,5 milliard Belg. fr.,als mobilisatie van de $ 50 millioen

welke België, ingevolge het accoord met de .E.O.E.S.

omtrent de regeling van zijn schuldeiserspositie in de

E.B.U., bij het I.M.F. eventueel kan aankopen.

t

**
*

In het licht van het voorgaande overzicht en met macht-
neming van het geformuleerde voorbehoud in verband met

het gebrekkige of niet voorhanden zijnde cijfermateriaal,

kunnen we het beeld dat de huidige conjuncturele stand
te zien geeft, definiëren als de resultante van twee grote

aan elkaar tegengestelde golven, welke zich sedert 1949
.

achtereenvolgens hebben ontwikkeld.
Het uitbreken van het Koreaans conifict heeft de vraag

doen stijgen. De particulieren wierpen zich op de con-

sumptiegoederen, het bedrijfsleven op de grondstoffen.

De herbewapening behoefde een verhoogde productie.

De gestegen prijzen van de ingevoerde grondstoffen en
de binnenlandse prjzenstijging waren het gevolg van de

verhoogde vraag waaraan het aanbod niet onmiddellijk

kon voldoen. .

Het Belgisch bedrijfsleven dat over een ruime pro-

ductiereserve beschikte beantwoordde prompt aan de toe-

genomen vraag. Onze export. kende een uitzonderlijke

bloei en ‘de exportboni hoopten zich op. De gestegen

prijzen en de toenemende kredietverstrekking alsmede

752

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
23 September 1953

de voordelige handelsbalans• veroorzaakten een toe-

neming van de geldstock, nog geaccentueerd door- de

stijging van de omloopsnelheid.

Onze productie-aanwas was zo prompt dat ze het doel

voorbijstreefde, wat tot uiting kwam toen bleek dat het

productie-accres groter was dan de verhoogde vraag.

Van dan af was het aanbod groter dan de vraag. Daarbij

kwam nog de afwachtende houding van de consumenten

omdat ze een prijsdaling verwachtten en hun gevormde

voorraden verbruikten. Voor het bedrijfsleven was de

toestand analoog; ook daar was de houding er een van

afwachting. De stocks verminderden, de grondstofprij-

zen daalden. Deze baisseperiode was te verwachten;

afgezien van de daling van de omloopsnelheid, ging ze

echter niet gepaard met de daling van de beschikbare

geldstock. –

Meerdere aanduidingen wijzen er nochtans op dat de
behoeften verminderden. Zo lag het maandelijks netto-
spaartegoed in 1952 boven het peil van 1951. De depo-

sito’s bij de bank stegen; vooral opmerkelijk was het aan-

zwellen der termijndeposito’s. In verband met de ver-

minderde activiteit was er het laatste jaar minder beroep

gedaan op bankkredieten. De ontwikkeling van de be-

talingsbalans sedert het tweede sèmester 1952 werkte

deflatoir.

De voorschotten op schatkistcertificaten door de Natio-

nale Bank aan de Schatkist lagen weliswaar op einde

1952 nauwelijks hoger dan in het begin van het jaar,

doch zo we rekening houden met het gemiddeld beloop

er van volgens de weekstaten van de Nationale Bank

dan blijken ze in 1952 bulangrijk hoger te zijn geweest

dan in het vorig jaar. Onder
invloed
van de uitgegeven

geconsolideerde lening was er in December echter een

zekere verlichting. Wat de Overheid betreft, moet daarbij

herinnerd worden aan de buitenlandse leningen waarvan

boven sprake was.

Het totale geidvolume steeg in de loop van 1952 van

165
milliard tot 173,1 milliard. Deze stijging greep groten-

deels plaats in het eerste semester. Sedert Juli 1952 kun-
nen we eerder van een zekere stabilisatie spreken.
Stellen we nu deze toeneming van de geldstock tegen-

over de op de markt beschikbare goederen en diensten.

De industriële productie bleef in 1952 ten achter bij

het peil van 1951. Niet alleen lag de gemiddelde jaar-

index in 1952 ca 7 pCt onder die van 1951, maar het

maandgemiddelde van 1952 lag omzeggens doorlopend

onder dat van 1951. Wijst dit op een vermindering van
het beschikbaar gekomen goederen- en dienstenpakket
dan moeten we nog nagaan of uit andere bronnen geen

goederen werden aangevoerd respectievelijk of door

andere factoren de inkrimping van het goederen- en dien-

stenvolume niet nog verder werd geaccentueerd.

• Kwantitatief gezien lag de in- en uitvoer in 1952 op

hetzelfde peil als het vorige jaar, zodat we grosso modo

kunnen besluiten dat langs deze zijde geen nieuw element

tot verdere verscherping of verruiming van de markt is

naar voren getreden.

Aan de andere kant zijn er echter aanduidingen o.a.

de prijsdaling die ons laten vermoeden dat in 1952 werd

ingeteerd op de industriële voorraden, zodat langs hier

een deel van de goederen en diensten werd aangevoerd

waarvan de afgenomen productie ons had beroofd. Als

een in dezelfderichting agerende factor kunnen we verder

vooropzetten een versneffing van de goederencirculatie;

dit kunnen we o.a. afleiden uit de toegenomen interesse

der consumenten in de grootwarenhuizen.

Per saldo zal evenwel de derving van goederen en dien-

sten door verminderde activiteit niet volledig zijn goed-

gemaakt door de twee in de andere richting werkende.

factoren: de intering op de voorraden en de snellere goe-

derencirculatie

Hoe reageerden nu de prijzen tegenover deze situatie?

Afgezien van secundaire schommelingen stellen we

vast dat de evolutie van de groothandeisprijzen in 1952

door een dalende tendentie werd beheerst. Op einde

December 1952 lag de algemene index van de groothan-
deisprijzen op 429 tegenover 477 twaalf maand vroeger.

Bij de kleinhandelsprijzen was de daling veel geringer.
Van 422 op einde 1951 daalde de index tot 417 op ultimo

1952.

Het voorgaanderesumerend stellen we dus vast dât

tegenover de vastgestelde stijging van de geldstock er in

1952 een zekere inkrimping stond van de beschikbare

goederen en diensten.

Anderzijds stond er tegenover de substantiële daling

van de groothandelsprijzen een evolutie van de klein-

handelsprjzen welke zo niet als een stabilisatie, toch als

een slechts geringe daling en in iedèr geval veël geringere

daling dan voor de groothandelsprijzen moet bestempeld

worden.

Wat België thans nodig heeft is een economische ex-

pansie waarbij de geldstock niet in sterkere mate aangroeit

dan voor de toenemende activiteit noodzakelijk en wen-

selijk is. Vooral na de evolutie sedert medio 1952 waarbij

een dalende bedrijvigheid niet met de nodige inkrimping

van het geldvolume gepaard ging is dit noodzakelijk.

Voor het opdrijven van de buitenlandse vraag zal van
Belgische zijde een speciale inspanning moeten gedaan

worden. Niet alleen zal België meer moeten doen om
markten te veroveren, doch tevens zal grote aandacht

moeten besteed worden aan de rationalisatie en de tech-

nische outillage in de industrieën. Langs deze zijde blijft

er een mogelijkheid om het nadeel van het hoge kosten-

peil op te vangen; de handicap voor de Belgische afzet

door de muntmanipulaties van September 1949 in het

leven geroepen is nog niet opgeslorpt.

Tervuren.

P. VAN PRAET.

AANTEKENING

Eén jaar Europese Gemeenschap. voor Kolen en Staal

II
.

De buitenlandse betrekkingen van de Gemeenschap.

In het E.G.K.S.-Verdrag, ligt besloten, dat de Gemeen-

schap geen van de buitenwereld geïsoleerd min of meer

autarkisch geheel zal vormen, maar dat zij met derde

landen en met internationale organisaties goede betrek-

kingen zal onderhouden. Zij treedt daarbij als een nieuwe

eenheid op, welke blijft openstaan voor andere landep.
Haar grenzen worden dus, zoals het Algemeen Verslpg

zegt, bepaald door de landen die zich nog niet hebben

aangesloten; deze hebben het dus zelf in handen om de

scheidsmuren, welke de landen van Europa verdeeld

houden, geleidelijk en in ruimere mate neer te halen.

23 September
1953
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

753

De buitenlandse betrekkingen der Gemeenschap waren

tot nu toe van tweeërlei aard.

In de eerste plaats moest een aantal internationale

verplichtingen der zes landen in overeenstemming worden
gebracht met het Verdrag. Het betrof hier enerzijds vooral

tariefverplichtingen – zowel die jegens het G.A.T.T. als

die, welke waren neergelegd in bilaterale meestbegunsti-

gingsverdragen – en anderzijds deverplichtingen der leden-

staten op grond van de liberalisatiecode van de O.E.E.C.

De bij het G.A.T.T. aangesloten landen hebben een

resolutie aanvaard, waarbij aan de E.G.K.S.-landen een

uitzondering werd toegestaan op de meestbegunstigings-

verplichting t.o.v. de 34 verdragsluitende partijen. De

Raad van de O.E.E.C. heeft tevens ontheffing verleend
van het non-discriminatie-beginsel van de liberalisatie-
code op het gebied van de kolen en staal. De E.G.K.S.-

landen konden zodoende onderling hun tarieven en quan-

titatieve restricties opheffen, zonder dit op grond van

het meestbegunstigings- of non-discriminatie-beginsel ook

tegenover derde landen te moeten doen.

Tegenover beide organisaties hebben de zes landen

verklaard een constructieve handelspolitiek te zullen voe-

ren. De bedoeling van deze verklaring was de ongerust-

hei4 weg te nemen omtrent een mogelijke protectionisti-

sche politiek van de E.G.K.S. jegens derde landen. In

dit verband verdient vermelding het besluit van de Hoge

Autoriteit (in het volgende aangeduid met de letters H.A.)

er naar te streven de invoerrechten op staal te harmoniseren

op het peil van hetlaagste recht boven dat van de Benelux.

In de tweede plaats zijn betrekkingen aangeknoopt met

een aantal derde landen en is voor de wijze van samen-

werking met een aantal internationale organisaties een

egeling getroffen, te weten met de O.E.E.C., de Raad
van Europa, de. E.C.E. en het Internatibnale .Arbeids-

bureau.
Tot op heden zijn door Groot-Brittannië, de Verenigde

Staten, Zweden, Noorwegen en Denemarken, Zwitserland

en Oostenrijk speciale missies bij de H.A. in Luxemburg

gevestigd. Vooral de verhouding met Engeland is be-

langrijk. Hoewel de Engelse Regering wel een zware

permanente delegatie heeft gezonden teneinde ,,aan een

nauwe en duurzame associatie meer diepte te geven”

en ook in een ,,Joint Committee” regelmatig een uitwis-

seling van gedachten plaatsvindt, hebben de Engelsen

hun verhouding jegens de E.G.K.S. nog steeds niet defi-

nitief bepaald. Voorlopig wachten zij de ontwikkeling

kennelijk nog af.

Met de O.E.E.C. is overeengekomen dat waarnemers

van de H.A. zullen mogen deelnemen aan discussies over

onderwerpen die tot haar competentie behoren.

Met de Raadgevende Vergadering van Straatsburg is

een regeling getroffen, dat vertegenwoordigers van de

H.A. in dé commissies van de Raadgevende Vergadering

aan besprekingen over kwesties van gemeenschappelijk

belang kunnen deelnemen. Bovendien is overeengekomen,

dat elk jaar de leden van de E.G.K.S.-Assemblée en de

niet daarbij aangesloten leden van de Raadgevende Ver-

gadering een gemeenschappelijke zitting zullen houden

welke de H.A. zal bijwonen. Deze zitting heeft eind Juni
voor het eerst plaatsgevonden.

De interne verhoudingen binnen de Gemeenschap.
Het bestuur van de Gemeenschap berust bij het negen

man sterke college van de H.A. Dit college beschikt thans

over een staf van ca
525
man. Een formeel geregelde

taakverdeling tussen de. leden van de H.A. bestaat, eigen-

lijk niet. De indeling van de staf is in principe op functio-

nele grondslag geschied. Zo is er een directie voor de

productie, voor investeringen, voor kartels, prijzen,

financiën, sociale aangélegenheden e.a. Er is geen alge

mene secretaris-generaal. Hoewel de betaling der staf-

functionarissen zo goed is, dat deze nogal aanleiding

heeft gegeven tot commentaar, dient te worden erkend,

dat de prestaties tot nog toe van zeer hoog gehalte zijn

geweest en dat ook het tempo waarin is gewerkt, uitermate

hoog mag worden genoemd.

Teneinde over de nodige deskundige voorlichting te

beschikken, heeft de H.A. in plaats van zelf hiervoor hon-

derden functionarissen aan te trekken, talrijke
commissies
van deskundigen
in het leven geroepen, welke haar

gegevens en adviezen verstrekken. In totaal zijn meer

dan 500 personen, producenten, werknemers, ver-

bruikers, handelaren en regeringsdeskundigen door de

H.A. geraad.pleegd sinds haar ambtsaanvaarding, hetzij

in vefgaderingen van commissies en gespecialiseerde werk-

groepen, hetzij in vergaderingen van het Raadgevend

Comité. Het behoeft geen betoog, dat deze deelneming

van de vertegenwoordigers uit de geïnteresseerde bedrij-
ven psychologisch van eniinent belang is. Er ontstaat een

zeker gevoel van medeverantwoordelijkheid, dat boven-

dien nog wordt bevorderd doordat de H.A. regelmatig

in het openbaar de beweegredenen van haar beleid, haar

vooruitzichten en doelstellingen uiteenzet.

Met de
Raad van Ministers,
die tot taak heeft de

werkzaamheden van de H.A. en van de regeringén, welke

verantwoordelijk blijvën voor de algemene economische

politiek der staten, te harmoniseren, wordt regelmatig

door de H. A. van gedachten gewisseld. Dit ‘is met

name het geval geweest voor die maatregelen, welke de

nationale regeringen namen voor de instelling van de

gemeenschappelijke markt. Interessant is het te vermelden,

dat in de beraadslagingen van de Raad van Ministers

slechts zelden volledige unanimiteit tussen de verschillende

regeringen bleek te bestaan t.a.v. de meest wenseljke be-

slissingen. Deze meningsverschillen bewijzen duidelijk

het nut van het supranationale orgaan, dat bevoegd is

een allen bindende beslissing te nemen. Ondanks deze

meningsverschillen heeft de verhouding tussen de H.A.

en de Raad echter niet tot grote spanningen geleid.

De enige aangelegenheid, welke tot op heden aanleiding

heeft gegeven tot scherpe discussies in de Raad, betrof

het punt van de doorberekening van de omzetbelasting.

Het betreft hier een gecompliceerd vraagstuk, waarbij

de Duitse opvatting tegenover die van de andere leden

van de Raad en ook van de H.A. stond. De Duitsers wens-

ten nl. de omzetbelasting, welke zij bij export doorbe-

rekenden aan de koper, aan de producent te restitueren.

Dit achtte de H.A. een discriminatie, welke zij
op
grond
van het Verdrag meende te moeten verbieden. Mede

omdat achter dit Duitse standpunt een diepgaande be-

langentegenstelling stond, waaraan het grote verschil in

belastingstelsels tussen Frankrijk en Duitsland ten grond-

slag ligt, heeft de H.A. advies gevraagd aan een speciale

commissie onder leiding van Prof. Tinbergen over dit

vraagstuk. Conform dit advies is de H.A. bij haar ver-

bod gebleven. Wel heeft de H.A., bij het geven van haar

beschikking terzake, een verklaring afgelegd dat zij voor-

nemens is onmiddellijk met de betrokken regeringen te

onderzoeken hoe het thans bestaande stelsel van onthef-

fing en compensatie met betrekking tot de omzetbelasting

kan worden verbeterd. Dit onderzoek zal eind 1953 gereed

moeten zijn. Dit kan dus, zoals de H.A. in het Bijzonder

‘Verslag schrijft, leiden tot voorstellen van de H.A. aan

de regeringen op fiscaal gebied – een gebied waarop

754

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
23 September 1953

de regeringen hun bevoegdheden hebben behouden.

Wat de werkwijze van de Raad betreft zij vermeld dat

deze een coördinatie-commissie heèft ingesteld, waarin

namens de Ministers ambtenaren zitting hebben en welke

de agenda van de Raad voorbereidt en de werkzaam-

heden van de verschillende vaste sub-commissies van de
Raad coördineert. Dit vergemakkelijkt en bespoedigt het

werk van de Raad zeer.

Met de
Assemblée
h’öudt de H.A. regelmatig en nauw
contact. In het afgelopen jaar kwam de Assemblée reeds

viermaal voltallig bijeen onder de energieke leiding van

Spaak, en eenmaal samen met de Raadgevende Assemblée

in Straatsburg. Op deze vergaderingen werden achter

eenvolgens enkele huishoudelijke aangelegenheden, de

,,Uiteenzetting over de Toestand der Gemeenschap”, en

het ,,Algemeen Verslag” behandeld.
Uit haar midden stelde de Assemblée een aantal vaste

commissies in, – o.a. voor de gemeenschappelijke markt,

voor het vervoer, voor sociale zâken, voor investeringen

e.a. – welke commissies regelmatig overleg plegen met

de H.A. De indruk bestaat daarom dat de Assemblée,

ondanks het feit dat zij officieel eigenlijk alleen het

recht heeft zich voor of tegen het Verslag uit te spreken

en de H.A. eventueel af te zetten, voornemens is in de

praktijk nauwe voeling te houden met de H.A. i.v.m. de

ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt. De

critiek in de Assemblée geleverd op het beleid van de
H.A. was in het algemeen rustig en mild. Wel werden

veel vragen gesteld.
Vermelding verdient nog dat de Assemblée, aangevuld

met een aantal buitengewone leden, de Assemblée adhoc

vormend, een ontwerp-Verdrag tot de instelling van een

Europese Politieke Gemeenschap heeft opgesteld, dat op

9 Maart aan de Ministers van Buitenlandse Zaken der

zes landen is overhandigd.

Het
Hof van Justitie
is ingesteld, doch heeft eerst on-

langs een eerste klacht ter behandeling voorgelegd ge-

kregen. Voor het overige hebben de leden zich voorname-

lijk met het Reglement van Orde en dergelijke geoccu-

peerd.

Ten slotte zij vermeld dat ook het
Raadgevend Comité,

na uitvoerige debatten over de samenstelling, op 15

Januari jl. definitief is ingesteld. Het wordt regelmatig

geraadpleegd. In haar Verslag is de H.A. vol lof over de

kennis van zaken en de geest van samenwerking van dit

Comité.

Enkele algemene slotbeschouwingen.

De terugblik op hetgeen werd tot stand gebracht is
inspirerend. Hier past bewondering. Grenzen, beper-

kingen en discriminaties vielen weg of werden opgeheven.

Na vele jaren is thans de frisse wind der concurrentie

weer toegelaten op een deel der Westeuropese markt.

Op de erts- en staalmarkt zelfs volledig. Vooral dit laatste

is een evenement. Al moet men zich deze concurrentie-

bries nu niet voorstellen als een wilde stôrm van een

bellum omnium contra omnes. Anders zou men niet in

de krant lezen dat de Duitse staalfabrikanten na uitvoe-

rige besprekingen(!) met de Duitse Minister van Eco-
nomische Zaken besloten hadden de prijzen met
5
pCt

te verlagen.

Zijn. er reeds enkele duidelijke gevolgen aan de. dag

getreden van deze veranderingen? Ditis natuurlijk vooral

op het gebied van de prodictie en de prijzen moeilijk in

het algemeen, dus op de gemeenschappelijke markt in

zijn geheel, aan te tonen. Grote voorzichtigheid is gebo-

den bij het leggen van causaal verband, betoogt de Mi-

nister terecht in zijn nota, aan de Kamer. De kleine pro-

ductiedaling in de E.G.K.S.. voor staal kan moeilijk aan

de gemeenschappelijke markt worden toegeschreven.
Ditzelfde geldt voor de staalprijzen, waarvan er meer

daalden dan stegen. Alhoewel hier het causaal verband

wellicht groter is. Wel kan men stellen dat voor Nederland

de importkolenprijs daalde, o.a. door het wegyallen van

de doorberekening van de Duitse omzetbelasting en door

de opheffing van het dubbele prjzenstelsel voor de Bel-
gische kolen. Blijkens het verslag van de Minister staan

hier echter weer andere prjsstijgende factoren tegenover
1).

Het ontbreken van spectaculaire gevolgen (gelukkig
maar!) wil echter niet zeggen dat de Gemeenschap .en
met name het beleid van de H.A. niet aan de verwach-

tingen heeft voldaan. Het tegendeel mag men eerder zeg-

gen. Met voortvarendheid en durf, doch tegelijkertijd met

vol besef van verantwoordelijkheid en een zeer te waar-

deren zeifbeperking, heeft de H.A. enkele vèrstrekkende

en gewichtige beslissingen genomen. Uiteraard was er

wel critiek. Maar die zal er ook wel altijd onvermijdelijk

blijven op een industrieel gebied met zoveel belangheb-

benden, met vaak tegenstrjdige belangen.

Terecht prijst ook de Nederlandse Minister van Ec9no-

sche Zaken het realisme, de integriteit en het geloof in

haar missie, waarvan de H.A. heeft blijk gegeven. In stede

van cynische opmerkingen te maken over de nationali-

teitstegenstellingen die overal een rol zouden spelen,

doet men beter zich te verheugen over de grote mate

van objectiviteit, welke de H.A. onmiskenbaar heeft be-

tracht. Herhaaldelijk heeft de H.A. betoogd en ook be-

wezen dat bij haar het Europese belang voorop staat en

het criterium voor haar beleid is, en dat dit in normale

omstandigheden het best gediend is met een vrije gemeen-

schappeiijke markt.

Het in dit verband zo uiterst gewichtige en gecompli-

ceerde kartelbeleid, waaraan de H.A. nog vorm moet

geven, kan dan ook met ‘vertrouwen tegemoet worden

gezien.
Afgezien echter van lof of critiek, is één d.irïg onbe-

twistbaar. Dit supranationale gezagsorgaan in West-

Europa is een levende realiteit. Dit blijkt uit het feit, dat

de H.A. beslissingen heeft genomen op punten waarover

de Ministers het niet alleen vroeger, maar ook thans nog

niet eens hebben kunnen worden. Het blijkt ook uit de

medewerking, zowel van de kant van de Overheid als

van die van de belanghebbenden ‘aan de voorbereiding
van de beslissingen van de H.A. en de aanvaarding van

deze beslissingen. Ten slotte blijkt het, zoals de heer

Monnet eens zei, uit de bejegening en de houding van

buitenstaanders, zoals bijv. uit de discussies, de vragen

en critiek, geleverd door parlementsleden van niet bij de

E.G.K.S. aangesloten landen tijdens de Gemeenschappelij-

ke Vergadering te Straatsburg. Ook de brief vaii President

Eisenhower aan het Congres, waarin hij de wens te ken-
nen geeft de H.A. leningen te verstrekken voor haar in-

vesteringen, is, wat dit betreft, veelzeggend. Reeds wordt

hiervoor zelfs een cijfer van $ – mrd genoemd! Het lijdt
geen twijfel dat hierdoor het crediet en de goodwill van

de Gemeenschap veel heeft gewonnen.

Zal dit echter in wijderverband invloed hebben? Zijn

er perspectieven voor een verdere uitbreiding van de

gemeenschappelijke markt buiten kolen en staal of

buiten de zes thans aangesloten landen? Het stellen van

deze vraag kan wat erg ver vooruit gedacht. ijken, ja,
zelfs irree1 bij een Gemeenschap en een H.A., welke

‘)
Zie ook het artikel hierover van de heer H. H.
Wemmers in ,,E.-S.B.”
van
9 September ii.

23 September 1953
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

755

nog maar 20 pCt van haar aanlooppeiiode achter de rug

heeft en die bijv. nog geen uitvoering heeft kunnen geven

aan haar kartel- en haar investeringsbeleid. Niettemin is

de vraag gesteld in de Assemblée. Ook heeft de heer Mon-
net herhaaldelijk reeds over deze perspectieven gesproken,

daarbij telkens duidelijk vooropstellend dat de E.G.K.S.

,,un commencement, un expérience” was.. Maar, voegde

hij er onlangs aan toe: ,,un expérience en train de réussir”

en ,,un commencement d’un marché plus large, plus

complet. . . . “.

Concrete stappen tot gebiedsuitbreiding zijn echter

nog niet gedaan. In geen enkel opzicht. Binnen de Ge-

meenschap is echter wel gebleken dat de verwezenlijking

van de beginselen van vrijheid en non-discriminatie,
welke in het Verdrag verankerd liggen, de H.A. toch

brengt op vooralsnog bewust nationaal gehouden beleids-

gebieden, bijv. het vraagstuk der indirecte belastingen

en de vervoerspolitiek. Op deze gebieden blijkt reeds een

zekere noodzaak de politiek van de deelnemende landen

te harmoniseren, d.w.z. meer met elkaar in overeenstem-
ming te brengen.

Het heeft geen zin op deze plaats hierover verder te
speculeren. Volgen wij echter nauwkeurig wat hieruit

kan groeien voor het Europese éénwordingsproces. Een

soort katalysator zal de E.G.K.S. hiervoor toch wel zijn.

Uit politieke overwegingen moeten wij ons er daarom

over verheugen dat wij deze instelling hebben.

Tot slot zij over dit feit dat wij deze instelling hebben

een aardige overpeinzing van een Zwitsers filosoof

aangehaald, door Monnet in Straatsburg geciteerd.

,,L’expérience de chaque homme se recommence.

Seules les institutions deviennent plus sages; elles

accumulent l’expérience collective et, de cette ex-

périence et de cette sagesse les hommes, soumis aux

mêmes règles verront non pas leur nature changer, mais

.leur comportement graduellement se transformer”.

INGEZONDEN STUK

Perspectieven voor de woningbouw

De heer H. A. Fruin te ‘s-Gravenhage schrijft ons.

In het artikel ,,Perspectieven voor de woningbouw”,

opgenomen in ,,E.-S.B.” van 19 Augustus jE., geeft Mr

J. in ‘t Veld een prognose ten aanzien van de opheffing

van de woningnood, waarbij hij zich baseert op de gemid-

delde woningbezetting in een aantal jaren. Nu heeft de

heer In ‘t Veld zich klaarblijkelijk vergist bij het bereke-

nen van de gemiddelde woningbezetting per 1 Januari

1938. Hij geeft daar nl. voor het getal 4,07. Ik meen, dat

zijn vergissing daardoor is ontstaan, dat hij het aantal
inwoneis per 1 Januari 1938, ni. 8.640.000 deelt door

het aantal woningen per 31 December 1938 ad 2.125.000

(zie Maandschrift C.B.S. van Juli 1953). De netto-ver-

meerdering van de woningvoorraad in 1938 wordt in ge-

noemd maandschrift opgegeven als 34.131. Deelt men

nu de ca 2.091.000 woningen op bovengenoemd aantal

inwoners, dan komt men tot een gemiddelde woning-

bezetting van 4,13. Er stonden toen echter vele woningen

leeg; ik meen 3 â 4 pCt. Met deze correctie komt men dan

tot een gemiddelde woningbezetting van ca 4,30, tegen-

over 4,45 op 1 Januari 1953.

Een eenvoudige berekening leert nu dat de woning-

nood veel eerder zal zijn opgeheven dan officieel wordt

aangenomen.

Inwoners op 1 Januari 1953 10.436.000 gedeeld door 4,3

is…………………….ca 2.427.000 woningen

Woningen op 1 Januari 1953

2.345.000

Tekort………………..ca

82.000 woningen

Bij een bouw van 65.000 woningen per jaar en rekening

houdende met het jaarlijks afvallen van ca 2.000 oude

woningen en een behoefte wegens de aanwas der bevol-

king ad 110.000 personen, bedraagt het overschot per

jaar ca 37.400 woningen. Ergo: uiterlijk medio 1955 is

de woningnood geëindigd!

Bij deze berekening is nog geen rekening gehouden

met o.a.:

dat er thans naar verhouding meer kinderen, dus

minder gezinnen in vergelijking met 1938 zijn;

dat de woningen economischer worden gebruikt –

hopelijk spoedig op ,,natuurlijke” wijze te stimuleren

door reële huren i.p.v. door ingrijpen van huisves-

tingsbureaux. Velen die nu – al dan niet quasi – ge-

dwongen samenwonen, zullen dit blijven doen; c.q.

zal men bij juiste huren kleinere woningen zoeken,

terwijl men nu in goedkope grote woningen blijft

zitten.
1?e
vrijkomende grote woningen zal men kun-

nen splitsen.

Men kan niet ongestraft de wetten der economie over-

treden, zoals men nu reeds vele jaren heeft gedaan t.a.v.

het huizenbezit en, gezien de aanhangige voorstellen,

nog wil blijven doen; binnenkort zal dit zich wreken en

dan zullen de zwaar gesubsidieerde dure nieuwe woningen

leeg blijven staan en de Overheid (lees de belastingbeta-
lers) de stroppen daarvan mogen dragen.

De moraal van mijn betoog is dan ook dat het hoog

tijd is dat men op dit punt een andere koers gaat varen.

Naschrjft.

Het bovenstaande geeft mij aanleiding tot de volgende

kanttekening.

Om te beginnen, wil ik graag erkennen, dat ik mij bij

de berekening van de gemiddelde woningbezetting per

1 Januari 1938 inderdaad heb vergist. De’ berekening van

de heer Fruin is juist. Voor deze datum moeten wij dus
uitgaan van een gemiddelde woningbezetting van 4,13.

Met de overige beschouwingen van de heer Fruin kan

ik evenwel niet accoord gaan, al doet het mij goed te be-

merken, dat er mensen zijn, die mij in optimisme nog

overtreffen. Mij is z6 dikwijls verweten, dat mijn bereke-

ningen te optimistisch waren, dat ik beschouwingen als

die van de heet Fruin begroet als een welkom tegenwicht.

Twee bezwaren heb ik intussen tegen deze wel zeer

optimistische beschouwing.

In de eerste plaats dient rekening te worden gehouden

met de behoefte aan een zekere woningreserve. In 1938

was deze wat aan de ruime kant, vooral in de categorie
der middenstandswoningen, maar het gaat niet aan een

toestand als gezond te beschouwen, wanneer elke reserve

ontbreekt. Daarbij komt nog, dat in de huidige woning-
voorraad ook de noodwoningen begrepen zijn, die voor

een belangrijk deel v66r 1960 moeten zijn opgeruimd.

• Mijn tweede bezwaar is nog ernstiger. De heer Fruin

gaat er van uit, dat er van verdere gezinsverdunning

sinds 1938 geen sprake is. Hij spreekt zelfs de mening

•uit, dat eer het omgekeerde het geval is, aangezien de ge-

zinnen naar verhouding thans meer kinderen zouden heb-

ben. De heer Fruin hoûdt hierbij evenwel geen rekening

net de absolute en relatieve stijging van het aantal be-

jaarden, welk verschijnsel op de gezinsverdunning en

KI-

756

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
23 September 1953

daardoor ook op de woningbezetting een zeer belang-

rijke invloed heeft. Voorts mag wel aangenomen worden,

dat de gezinnen van de gerepatrieerden over het alge-

meen beneden de gemiddelde grootte bleven.
Uit de door het C.B.S. gepubliceerde cijfers blijkt dan

ook, dat het aantal gezinnen sterker is toegenomen dan

met de bevolkingstoeneming overeenkomt. Op basis van

deze cijfers berekende het C.B.S. het bestaande woning-

tekort enige tijd geleden nog op ongeveer 275.000. Dit

cijfer lijkt mij bepaald te hoog, omdat daarbij aange-

nomen werd, dat elk gezin behoefte heeft aan een eigen

woning, terwijl wel vaststaat, dat vele gevallen van samen-

woning een
blijvend
karakter hebben. De heer Fruin

wijst daar terecht op.

Op grond van een en ander bevind ik mij nog het vei-

ligst bij mijn eigen cijfers, zij het met de boven aangegeven

correctie. Een recapitulatie geeft dan het volgende over-

zicht:

Gemiddelde woningbezetting per 1 Jan. 1938. .. .4,13

1

1949… .4,63

1

,,

1953…
.4,45

Bij bouw van 65.000 woningen per jaar kan dit cijfer

per 1 Januari 1961 gedaald zijn tot 3,96.

Rekening houdende enerzijds met de voortgaande ge-

zinsverdunning en anderzijds met het feit, dat de woning-
reserve in 1938 wat aan de hoge kant was, mag naar mijn

mening dus aangenomen worden, dat omstreeks 1960

het woningtekort zal zijn ingehaald, misschien zelfs iets

eerder, maar zeker niet veel eerder.

Van een verder optrekken van de huren verwacht ik

uit dit oogpunt minder heil dan de heer Fruin. Wel voor-

zie ik met hem een wat meer economisch gebruik van

onze woningen, in die zin, dat kleine gezinnen er eerder

toe zullen komen naar een wat kleinere woning te ver-

huizen, verondersteld althans, dat deze in voldoende mate

nieuw worden gebouwd. Dat dit zal leiden tot splitsing

van grotere woningen in enigszins betekenende omvang,

verwacht ik echter niet. Dank zij de premieregeling voor

woningsplitsing is er in die richting al heel wat gedaan.

En lang niet elke grote woning leent zich voor een be-

hoorlijke splitsing.
**
*

Nu ik toch aan het schrijven ben, zou ik nog een enkele

opmerking willen maken naar aanleiding van het hoofd-

artikel, dat in de Nieuwe Rotterdamse Courant
van 2 Sep-

tember ji. aan mijn artikel in ,,E.-S.B.” is gewijd.

De schrijver daarvan aanvaardt mijn berekening, vol-

gens welke wij mogen aannemen, dat wij omstreeks 1960

door het woningtekort heen zullen zijn, al onderstreept

hij nog eens mijn opmerking, dat dit tijdstip voor de ver-

schillende delen van het land niet gelijk zal vallen.

Deze schrijver meent echter, dat ik met mijn eis om

ons te gaan instellen op een vervanging in de toekomst

van ten minste 20.000 woningen per jaar de realiteit een

beetje uit het oog verlies. Zijn vrees is, dat de daartoe

nodige bedragen niet gevoteerd zullen worden, en hij

acht het daarom verstandiger daarop maar niet te reke-

nen. Hij verwacht een geleidelijk verlopend proces. Naar-

mate het tijdstip nadert, waarop het woningtekort zal

zijn ingehaald, voorziet hij een geleidelijke daling van

de bouw van nieuwe woningen. Wij kunnen dan geleide-

lijk de krotopruiming op groter schaal ter hand gaan

nemen. Handhaving van het huidige niveau van bouw-

bedrijvigheid .acht hij echter onwaarschijnlijk..

Voor een weerlegging van deze beschouwingen zou

ik kunnen verwijzen naar mijn boek ,,Krotopruiming

en vernieuwing van bebouwde kernen”. Omdat ik echter

niet verlangen kan, dat ieder daarvan kennis neemt, wil

ik hier enkele korte opmerkingen maken.
Ook bij een geleidelijke vermindering van de werkge-

legenheid in het bouwbedrijf krijgen wij te maken met

het werkloosheidsprobleem. Ik geloof nl. niet in de

mogelijkheid om de werkloos wordende bouwvakar-

beiders in groten getale naar andere bedrijfstakken over

te hevelen. Wij zullen moeite genoeg hebben om de

nieuwe arbeidskrachten, die zich jaarlijks komen mel-

den, behoorlijk onder, dak te brengen.

Daarbij komt, dat een geleidelijk verloop van het pro-

ces, zonder enige leiding van boven af, hoogst on-

waarschijnlijk is. De les van de dertiger jaren is,

wat dit betreft, duidelijk. Toen in 1930 het woning-

tekort, zeker in de sector middenstandswoningen,

was ingehaald, is men niettemin met woningbouw in

hetzelfde hoge tempo doorgegaan. Toen in 1934 de

woningmarkt het punt van oververzadiging bereikte,

kon men nog niet onmiddellijk stoppen. Het resultaat

was, dat in 1936 en 1937 de woningproductie terugliep

tot 30.000 per jaar, tegenover 52.000 in 1934, met het

gevolg, dat de werkloosheid in het bouwvak tot boven

de 40 pCt steeg. Men kan hier moeilijk spreken van een

geleidelijk verlopend proces.

Tegen een geleidelijke overgang, in die zin, dat in de

verschillende delen van het land de krotopruiming en

kernverbetering krachtiger wordt aangepakt, naarmate

het woningtekort kleiner wordt, heb ik natuurlijk geen

enkel bezwaar. Waartegen ik wel bezwaar heb, is, dat

zonder behoorlijk kernverbeteringsplan in het wilde weg

begonnen wordt met krotopruiming en nieuwbouw in

de kern. Dit zou de ernstigste fout zijn, die men zich den-

ken kan.

Aan het kostenvraagstuk heb ik in mijn boek alle aa,n-

dacht besteed. Ruw geschat, komen de kosten van ver-

vanging van 20.000 woningen per jaar met de daarmede

gepaard gaande kernverbetering volgens mijn berekenin-

gen op rond f 200 mln, ongerekend de kosten van de

bouw van nieuwe woningen en bedrijfspanden. Dit is

zelfs het dubbele van wat de schr. in de ,,N.R.C.” be-

rekent.

Is dit nu inderdaad een bedrag, dat het Nederlandse

volk niet zou kunnen opbrengen? Ik heb er op gewezen,

dat wij al sinds enkele jaren een bedrag op onze begroting

hebben van f 400 mln voor oorlogsschadevergoedingen.

Dit loo;pt geleidelijk af en zal tegen 1960 nihil bedragen.

Ik acht het voorts met de schrijver in de ,,N.R.C.” van

het grootste belang, dat wij tegen 1960 weer evenwicht

hebben tussen bouwkosten en huren. Dit zal betekenen,

dat het bedrag, dat nu nog .op de begroting voorkomt

wegens premies voor particuliere woningbouw, liggende

in de buurt van f100 mln per jaar, dan niet meèr nodig

zal zijn. Ten slotte hebben wij te bedenken, dat werkloos-

heid in het bouwvak en verwante bedrijfstakken de gemeen-

schap ook het nodige kost aan werkloosheidsuitkeringen.

En het belangrijkste: de verbetering van onze bebouwde

kernen wordt langzamerhand een dringende noodzaak,

aangezien zij in geen enkel opzicht meer aan de eisen

van de huidige tijd voldoen.

Ik kan mij daarom onmogelijk voorstellen, dat het
kostenvraagstuk hier een onoverkomelijke hindernis

zou vormen. Waarvoor ik wel bang ben, is, dat vele ge-

meentebesturen niet tijdig hun plannen gereed zullen

hebben. Laat ik hun dan als voorbeeld stellen het ge-

meentebestuur van Vlaardingen, dat zijn plannen voor

23 September 1953
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

757

sanering van de gehele binnenstad practisch klaar heeft.

In de oude kern zullen 1.500 woningen verdwijnen, waar-
van de gemeente er inmiddels al ongéveer 650 heeft aan-
gekocht, terwijl in de iridustriewijken ter weerszijden van

de oude haven nog ca 700 woningen ten dode zijn op-

geschreven. Verdeeld over 20 jaren, komt dit dus op onge-

veer 100 woningen per jaar, dat is meer dan 1 pCt van de

woningvoorraad in
1945.
Tn het licht van deze cijfers

blijkt dus een vervanging van 20.000 woningen per jaar

voor het gehele land, overeenkomende met 1 pCt van de

woningvoorraad in 1945, niet zd fantastisch. Maar helaas

zijn niet alle gemeentebesturen zo actief als dat van

Vlaardin gen.

‘s-Oravenhage.

Mr J. in ‘t
VELD.

GELD- EN KAPITAALMARKT

De geidmarkt.

De geldmarkt bleef gedurende de verslagweek zeer

ruim, met onveranderde marktdisconto’s en caligeld-

notering. De geringe credietbehoefte van de grootste,

practisch zelfs enige, credietnemer op de. geidmarkt, de

Staat, is in belangrijke mate verantwoordelijk voor de

huidige geldmarktruimte, alsmede voor de door het Mi-
nisterie gevoerde geldmarktpolitiek. In dit verband zijn

de cijfers en beschouwingen over de kasontwikkeling

van het Rijk, opgenomen in de Millioenennota 1954,

van betekenis. Duidelijk valt daarin te constateren, hoe

bij de aanzienlijke stijging van het kassaldo van het Rijk

met f839 mln in 1952, het jaar, waarin de grote geldmarkt

ruimte begon, een kasoverschot van het Rijk ad f 541

mln uit hoofde van begrotingstransacties, een belangrijke

rol speelde. Bedroeg in het eerste halfjaar van 1953 het
kasoverschot nog ca f 89 mln, voor het lopende halfjaar

wordt thans echter op een budgetair kastekort van ca

f 500 mln, voor het jaar 1954 op een tekort van f 800 â

f 1.100 mln gerekend. Weliswaar zal een, waarschijnlijk

zelfs groot, deel van deze middelen door het uitgeven van

langlopende leningen worden verkregen, maar toch zal

bij verwezenlij king van bovengenoemde verwachtingen

daarmede één van de grondpeilers der huidige geld-

marktruimte worden weggenomen. Dit zou vooral aan

de dag kunnen treden, wanneer aan het betalingsbalans-

overschot, uit hoofde waarvan tot dusverre nog steeds

middelen naar de geidmarkt stromen, een einde zou ko-

men.

De kapitaalmarkt.

Onder invloed van de koersontwikkeling in Walistreet,

waar Dow Jones Industrials van 11 op 18 September ji.

van 259,7 tot 258,8 daalde, vertoonde ook het aandelen-

koersniveau in Amsterdam gedurende de verslagweek per

saldo enige daling. Aan het bericht, dat de Regering –

anders dan de S.-E.R. geopperd had
– niet
zal voorstel-

len de dividendbeperking nog met één jaar, dus voor divi-

denduitkeringen over 1953, te verlengen, alsmede aan de

voorgestelde verbeteringen van het fiscaal klimaat, werd

betrekkelijk weinig aandacht besteed.

Hetgeen in de Millioenennota werd gepubliceerd over

de kas- en schuldpositie van het Rijk, lokte op de obliga-

tiemarkt evenmin repercussies uit als op de geidmarkt.

In deze nota klinkt enige bezorgdheid door over de vraag

of het voor 1954 verwachte kastkort van de Staat ad

f800’â f1.100 mln, tezamen met de kapitaalbehoefte der

lagere publiekrechtelijke lichamen ad ca f800 mln, wel

zal kunnen worden gedekt uit voor belegging op lange

termijn beschikbaar koriiende nieuwe besparingen (waar-.

onder van institutionele beleggers ca f 800 mln per jaar).

Aand. indexcijfers
11 Sept. 1953
18 Sept. 1953
Algemeen

……………………………
155,2
153,9
Industrie

………………………………
216,1 214,5
Scheepvaart

………………………
162,2 161,3
Banken

………………………………
135,1 134,6
Indon.

aand.

………………………
55,9
55,1

Aandelen.
A.K.0.

………………………………
171’/
169%
Philips

………………………………
173%
170
Unilever

……………………………
191%
190%
H.A.L..

……………………………..
133
131
Amsterd.

Rubber

……………………
91 %
91
H.V.A.

………………………………
105
.
103
3
/4
Kon.

Petroleum

……………………
319%
315%

Staatsfondsen.
2
1
/2

pCt

N.W.S .

……………………….
79%
79
9
1.16
3-312

pCt

1947

………………………
97/8
98
3

pCt

Invest.

cert.

…………………
995/
99%
312

pCt

1951

…………………………
102
102
1
/
8

3

pCt

Dollarlening

…………………
96%
9612

Diverse
obligaties.
31

pCt Gem. R’dam 1937 VI
101%
101
511e
31

pCt Bataafsche Petr
101
3
/4
101%
3’/2 pCt Philips 1948
101%
101
3
1
/
L
pCt Westl. Hyp. Bank
98%
.
98%

J. C.
BREZET

De Belgische geld- en kapitaalmarkt

in Juli en Augustus
1953

De algemene toestand van de geidmarkt.

De grote geldruimte werd sedert enige tijd af en toe

onderbroken door een tijdelijke verkrapping en bij de

einde-Juni-vervaldag herstelde de markt slechts zeer

moeilijk haar liquiditeit. De vervaldag op einde Juni

daarenboven was buitengewoon zwaar.
De bijzonderste oorzaken hiervan lijken te zijn:

de nieuwe regeling van de storting van de bedragen

aan de R.M.Z. Tevoren werden deze bijdragen trirnes-

trieel betaald. Een gedeelte van deze bijdragen is ge-

vormd door afhoudingen op de wekelijks of mâandeiijks

uitbetaalde lonen, zodat de trimestriële stortingen bij de

R.M.Z. toelieten ondertussen de liquiditeit van het be-

drijfsleven enigszins te stofferen. Dit was trouwens be-

doeld als een vergoeding, toegekend aan het patronaat
voor het werk dat de maatschappelijke zekerheid voor

hun medebracht. Het Koninklijk Besluit van 15 Juni 1953

heeft een maandelijkse betaling van de bijdragen aan de

R.M.Z. ingesteld, naast een reeks ingewikkelde over-

gangsmaatregelen. Voor de geldmarkt vallen de spits-

behoeften van 15 Februari, Mei, Augustus en November

dus weg, doch wordt de maandelijkse vervaldag des te

zwaarder;

de vacantieperiode heeft in vele bedrijven het ver-

zenden van de goederen geremd, evenals het opmaken

en het innen der facturen enz. Niet zelden vroegen de
bedrjfshoofden aan hun bankier, voor de duur van het

betaald verlof een kortstondige kredietoverschrjding toe

te staan, om hiermede de ondertussen vervallende wissels

te kunnen honoreren. Het verlof lijkt dan ook in grote

mate bijgedragen te hebben tot een tijdelijke uitzetting

van de post ,,Diverse Debiteuren” in de bankstaten.

Anderdeels had het verlof ongetwijfeld een zekere invloed

op het niveau der deposito’s, daar de verlofgangers vooral

voor hun binnenlandse verplaatsingen nog steeds de voor

keur geven aan bankbiljetten.

De einde-Augustus-vervaldag daarentegen liep vrij ge-

758

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
23 September 1953

makkelijk van stapel. Wel bleef de kredietopname bij

de banken op een zeer hoog peîl, doch het herdisconto

bij de Nationale Bank bleef aanmerkelijk lager dan einde

Juli. Voor de Schatkist bracht einde Augustus evenwel

een zware rekening, zodat zij verder haar kredietlijn bij

de Nationale Bank moest aanspreken.

Kredietverlening door de banken aan de private economie
(in millioenen franken)

Herdisconto van
1
de banken bij de
1

Portefeuille

Totale kredietver-
Nationale Bank en

handelspapier

lening der private
de parastatale

van de Nationale

banken (accepten
instellingen

Bank

inbegrepen)
1945 Dec.
4.168
5.171
23.117
1949 Dec.
3.339
4.006
24.506
1950 Juni
3.696
4.082
26.582
Dec.
8.543
10.110
27.739
1951 Juni
7.707
9.511
29.921
Dec.
7.526
6.703
33.364
1952 Juni
6.875
5.220 32.913
Dec.
7.902
6.710
36.546
1953 Maart
7.355
6.052′)
36.708
Mei
7.209
5.744 35.779
Juni
.6.915
7.667 ‘)
35.513
Juli
7.588 8.689
35.799
Aug.

7.623 ‘)

)
Cijfer van
1 April.
‘)

Cijfer van 2 Juli.
‘)

Cijfer van
3 September.

De toestand vin de banken.
In onze vorige kroniek werd gewag gemaakt van de

onderhandelingen met het oog op de verbetering van de

rentabiliteit van de banken. Ondertussen werden de

nieuwe schikkingen op de verplichte beleggingen van de

banken gepûbliceerd. Technisch bezien bestaan deze

hieruit dat het beruchte reglement van 1949, dat wijzi-

gingen bracht aan het reglement op de bankcoëfficiënten

van begin 1946, eindelijk in toepassing wordt gesteld.

Voor de grote banken komt de verandering hier op

iieer: voorheen moest hun dekking in speciaal korte

overheidsfondsen en kasmiddelen 65 pCt belopen van

hun deposito’s. Deze globale coëfficiënt wordt gehand-

haafd doch gesplitst in twee delen:

50
pCt van de deposito’s zal nog evenals vroeger

moeten worden gedekt door schatkistpapier op 4 of 12

maanden, dat 1
15
/
16
pCt rente oplevert;

het verschil tussen deze 50 pCt en de globale dek-
kingscoëfficiënt zal mogen bestaan uit: 1. thesauriemid-

delen, die 4 pCt van de deposito’s ffioeten uitmaken en

2. schatkistpapier tot op 3 jaar. De rentevoet hiervan

zal
31/4
pCt belopen op 3 jaar en 2/
8
pCtop 2 jaar. Dit

hoger renderend schatkistpapier zal dus 11 pCt mogen

uitmaken .yan de deposito’s op zicht, doch door een

afspraak tussen de banken en de overheden, zullen de

beleggingen hierin beperkt blijven tôt 3,6 milliard frank,

hetzij ca 6 pCt van de deposito’s. Deze gedeeltelijke ver-
lenging van de looptijd der beleggingen zal daarenboven

geleidelijk plaats grijpen.

Enkele posten uit de globale bankbalansen
(in millioenen franken)

31 Mei
1952
30Juni
1953
31

Juli
1953

Actief
Kredieten aan de private economie:
36.546
35.513
35.799
11.483
10.063
9.485
Prolongatie

voorschotten op

ef-
fecten

……………………
1.180 1.334
1.391
14.749
.

16.125
16.824
Divérse debiteuren

…………..
9.134
7.991
8.099
Kredieten aan de Overheid
42.408
41287
43.152

Handelswissels

…………….

Passief

Accepten

………………….

64.251
65.369
64.455
57.510
57.832 56.610
Totale

deposito’s

……………..

6.741
7.537
7.845
Op

zicht

……………………
Op

termijn

……………….
955
1.206

.
1.237
Obligaties en kasbons
………….
..
Eigen

middelen
………………..
5.770
6.039
6.005
Uit de statistiek blijkt een lichte terugloop van de

deposito’s einde Jli; vermoedelijk waren zij. einde

Augustus nög lichtjes verder gedaald.

De obligatiemarkt.
In de loop van de maand Juli stegen de obligatiekoersen

verder, in het algemeen kader van de daling van de rente-

stand. In Augustus daarentegen bleven de koersen in

doorsnee eerder stationnair. Waarschijnlijk is zulks toe

te schrijven aan het inzetten van het nieuwe emissieseizoen

voor obligatieleningen, dat in de maanden September en

October tot volle bedrijvigheid zal komen.

Het type dat thans meer wordt uitgegeven is een 4
1
/
2

pCt rente, op 15 jaar, uitgegeven aan 97 tot 98 pCt. Een
lichte premie bij de terugbetaling is eveneens voorzien.

Het reëel rendement bij intekening ligt rond
5
pCt.

Rentestand op de obligatiemarkt
1)

(in pCt per einde maand)

Gemiddelde
1
Aug.
1
Juni

Juni
1
Juli
1
Aug.
looptijd
1
1948
1
1950
1
1951

1953

1953

langlopende
4,77
4,38
4,68
4,45
4.45
7 S 8 jaar
4,83 4,63 5,24
4,70
4,66
Staatsrentén
………

Kasbons steden
5 S 6jaar

1
5,07
4,49
5,37
5,11
5,10
Staatsfondsen

…….

Kasbons

parastatale
instellingen

. . . .
ca 9 jaar
– –
5,41

1 1

4,73
4.71
Private instellingen
. .
10 S 12 j.
6,06
5,43
6,08
5,21
5,15

‘)

Reële rendementen

rekening gehouden
met agio en disagio
tegenover terug-
belalingsprijs.

De aandelenmarkt.

In de maand Augustus stegen de aandelenkoersen op

de Brusselse Beurs gemiddeld met 1,6 pCt tegen een haus-

se van 2,6 pCt in Juli. In feite liep de hausse slechts tot

ongeveer midden Augustus, waarna een betrekkelijk

scherpe reactie intrad. Zeer karakteristiek is evenwel dat

deze bewegingen zich om zo te zeggen bijna in dat lucht-

ledige ontwikkelden: het aantal transacties blijft buiten-

gewoon laag, en daarenboven
ng
grotendeels van

professionele aard. De algemene beursindex op basis van
1936/38 lag einde Augustus op 228 tegen 224 einde Juli,

en 218 einde Juni. Het gemiddeld beursrendement be-
reikte einde Augustus 5,04 pCt netto.

Kortrijk.

Dr L. DELMOTFE.,

STATISTIEKEN

WERKLOOSHEID IN NEDERLAND
1)2)

Maand
Totaal
aantal
werklo.

waarvan

nijverheid landbouw
e
erS

31 Jan. 1953

)
1400
61.900
16.400
20.100
130.300
53.100
13.700 17.800
31 Maart 1953
95.200
35.500
7.200
11.700
30 April

1953
……….
83.700
27.800
8.100
11.300

28 Febr.

1953

……….

68.700 22.700
4.100
9.600
29 Juni

1953

……….
61.800
19.700
3.600
8.900
30 Mes

1953

………..
.
.
61.100
20.800
2.900
8.600
31

Juli

1953

………..
31 Augustus 1953
60.300
19.800
3.000
8.200

Ontleend aan het Statistisch Bulletin van het Centraal Bureau voor de
Statistiek.
Alle cijfers zijn exclusief de D.U.W.-arbeiders, die van Januari 1953 af niet
meer als werklozen worden beschouwd.
5)
Inclusief personen, die tewerkgesteld waren op Gemeentelijke Sociale Werk-
voorzieningsobjecten voor handarbeiders en op Werkverruimingsobjecten voor
hoofdarbeiders.
‘) Exclusief de gegevens van de provincie Zeeland (watersnood).

23 September 1953

ECONOMISCfl-STATISTISCHE BERICHTEN

759

IN- EN UITVOER VAN NEDERLAND’)

(waarde in millioenen guldens)

Jaar
Invoer Uitvoer

Jan-Aug.
2
j

Dekkingsper-
centage
Aug.
1
g.

1
Jan-Aug.
2
)
Aug.
1

Jan.Aug.
2
)
Aug.
Jan-Aug.’)

19118
1l5
117
90
83 78
71

1949 ……….
407
1
1
10
396
111
211
296
200
283
52
76
51
66

1938 …………..

626
.

620
436
395

70
64

………….

1950………….

19 2
793
854
587
573
74
67
1951 ………….
………….
1953…………..
623
746
721
717
581
622
668

634
93
83
93 88

Bron:
C
.
B
.
S.
‘) Maandgemiddelden.

BANK INDONESIA

(Voornaamste poaten in duizenden rupiab’s)

•.0
.E
.

Data
.0
0.24
2.00n3
0un.n


o
“32
.92

0

5Aug.

1953
2.017.334
651.609
193.168
616.703
243.581
12Aug.

1953
1.951.799
624.330
144.815
629.734
396.231
19lAug.

1953
1.910.658
598.737
167.839
635.531
349.119
26Aug.

1953
1.910.658 598.738
137.418
643.806 413.849
2Sept.

1953
1.910.663
551.604
152.147
617.680
601.197
9Sept.

1953
1.910.663
539.330
157.421
558.832
725.850

Rekening courant saldi
v7üt.v/dRep.Ïndon.
0 02
0
Bijzondere
Data
rekening
1
inzake de
.
E.C.A.
hulp

5 Aug.

.

1953
4.819.591 794.127
494.868
1.042.174
12 Aug.

1953
4.846.527 705.667 494.868
1.177.749
19 Aug.

1953

1
4.859.424
713.909
494.868
1.073.995
26 Aug.

195314.840.265
731.799 494.868
1.115.215
2 Sept.

1953
4:831
.994
810.899
494.868
1.177.275
9 Sept.

1953
4.889.864
847.457 494.868
1.128.326

Muntbijettencirculatie per

5
Aug.
Rp. 368.171.626,50
Muntbiljettencirculatie per 12 Aug.
Rp. 369.945.884,-
Muntbiljettencirculatie per 19 Aug.
Rp. 372.320.738,-
Muntbiljettencirculatie per 26 Aug.
Rp. 373.857.705,-
Muntbiljettencirculatje per

2 Sept.
Rp. 375.988.118.-
Muntbiljettencirculatie per

9 Sept.
Rp. 380.969.021,50

NATIONALE BANK VAN
BELGIË

(Voornaamste posten in millioenen francs)

22
.0.0
‘0O
O,.0
0

2
2
n
o.
22
..
0
.1
2
-0
9v 0
0

.
0
O.

ft’
2
0
oo
>…
0

6 Aug.
1953
35.050
2.087
14.581 17.051
750
12 Aug.
1953
35.711
1.899

1
14.701 15.798
690
20 Aug.
1953
35.767
1.643

1
14.407 15.050
672
27 Aug.
1953
35.767
1.971

1
14.406
15.553
583
3 Sept.
1953
35.879
1.966
14.246
16.828 770
10 Sept.
1953
35.993
1.851

J
14.408
16.217 665

Rekeiing-courant
________________________
saldi
Verointemssen
2
0,
0
to,
het buiten-
Schatkist
c

,

1
0

1
0
2
°
0
land
i.v.m.beta-
o
lingsaccoorden

0
o.
0
2I.h
.
3Jj
Iu
1

0

6 Aug.
1953
280
100.706
2
172
419
1.477
692

1
1.034
12Aug.
1953
292
199.930
6
186
432

1
1.289
816 1.038
20 Aug.
1953
285
99.236 6
186
428

1
1.175 279

1
1.085
27 Aug.
1953
273
99.207
3
190
473

1
1.400
.

467

1
1.071
3 Sept.
1953
259
100.558
2
189
482

1
1.202
434

t
1.094
10
Sept.
1953
254
99.958
6
189
514

t
1.300
522
1
1.106

Abonneert U op de
E.-S,B.

Aangeboden a. particulier Citroën – 11 sp. – 1949

100.000 km ge!.; in g. st.; na. verwarm. en andere accessoires. Brie-
ven no. ESB 39-4, Bureau van dit Blad, Postbus 42, Schiedam.

Aangeboden door particulier
wegens vertrek IPONTIAC 1948,
Sedan, 4-d., in goede staat. Hy-
dramatic, radio, ingebouwde
*

verwarming, schijnwerper, – 2

*
res. wielen. Kleur Bordeau,
grijze bekleding. Inlichtingen
Schieweg 2, Delft. Telefoon 520.

Bedrijfsorganisatiebureau te Amsterdam

vraagt voor spoedige indiensttreding:

ervaren – bij voorkeur academisch geschoold –

– . BEDRIJFSORGANISATOR…

die op grond van theoretische scholing
en practijk kan worden aangemerkt als

topfiguur.

Eigenhandig geschreven brieven, met volledige

gegevens omtrent genoten opleiding en opgedane

practijkervaring, onder No. ESB 39-1, aan het

bureau van dit blad, Postbus 42, Schiedam.

N.V. TEXTIELFABRIEK HOLLAND
TE ENSCHEDE

zoekt

EEN MEDEWERKER

voor de leiding van haar

BEDRIJFSBUREAU –

Gevraagd wordt: tenminste middelbare opleiding
en interesse in bedrijf8-economische problemen.

Geboden wordt: Na speciale individuele training
en een inwerkperiode. zelfstandige positie op
hoog niveau.

Sollicitanten dienen opgave te doen van:
per8onalia
ervaring opleiding
cl) verlangd salaris
en de sollicitaties te richten, onder letter T 120
aan het

RAADGEVEND EFFICIENCY BUREAU
-Ir. P. H. Bosboom en F. C. M. Hegener
Joh. Vermeerstraat 20. Amsterdam.

(Vervolg vacatures op achterpagina)

–4

Advieze

gaarne.

Voor tienduizenden werke rij

uit hon’-“‘
1,ad*.1441Dn

weden

bij Am.

1

N.V:AMSTERDAMSCHE MAATSCHAPPIJ VAN LEVENSVERZEKERING N.Spiegelstraat17teAmsterdam – Tel. 63272

Bij

NICO TER KUILE & ZONEN N.V.

Weverijen en Ververijen te Enschede

vaceert per 1 Januari 1954 de betrekking van

ADJUNCT

SECRETARIS.’

van de Directie der Vennootschap
Zij, die ervaring bezitten in het behandelen
van aangelegenheden op fiscaal gebied, ge-
nieten de voorkeur. Sollicitanten dienen
minimum in het bezit te zijn van een diploma
H.B.S. B. en van een S.P. Diploma Boekh.
Met de hand geschreven sollicitaties worden,
onder opgaaf van genoten opleiding en ge-
vraagd salaris, alsmede onder inzending van
een pasfoto, gaarne ingewacht vôÔr 1 Octo-
ber 1953 en dienen te worden gericht aan
de Directie.

Ook voor Beschikbare Krachten is een annonce in

Economisch-Statistische Berichten” de aangewezen

weg. Annonces, waarvan de tekst ‘s Maandags in

ons bezit is, kunnen, plaatsruimte voorbehouden, in

het nummer van de’zelfde week worden opgenomen.

BELANGRIJKE SCHEEPS-

REPARATIE-ONDERNEMING EN

MACHINEFABRIEK

,

te Amsterdam

zoekt

FUNCTIONARIS MET

ECONOMISCHE OPLEIDING

voor haar afdeling Marktonderzoek en
Bedrijfsrapporten.
Gemakkelijke omgangsvormen.
Behoorlijke kennis van de moderne

talen. Leeftijd: 30-35 jaar.


Sollicitaties met salariswensen worden
vertrouwelijk behandeld.
Candidaten zullen eventueel worden
uitgenodigd voor een psychologisch.
onderzoek.

Eigenhandig
(niet met bailpoint)
geschreven
brie.
ven
met’volledige
inlichtingen over leeftijd, op-
leiding en practijk en vergezeld van twee recente
pasfoto’s (van voren en opzij) v66r 28 Sept. as.
aan de Nederlandsche Stichting voor Psycho-
techniek, Wittevrouwenkade 6, Utrecht. Qnder
nummet E.-S.B. 40402.

Auteur