Ga direct naar de content

Jrg. 38, editie 1892

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 2 1953

S

Eco no m is ch Sta t is tiss che-.

Berichten—
,

Economische modellen

Liberaal socialisme

– Prof. G. Brouwers

Benelux

*
Prof. Dr W. G. Hoffmann

Die Sicherung der wirtschaftlichen

Expansion in Deutschiand

(1)

*
Drs A. G. U. Hildebrandt

Landbouw- en visserjbeleid

*

Lic. F. van der Vorst

Het goederenverkeer in de havens van

• •

Antwerpn en Rotterdam

0

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

38e JAARGANG

No 1892

WOENSDAG 2 SEPTEMBER
1953

____________________

AMSTERDAM-C

=
UOONORAOII 338

TELIFOON 31040
S
Frans brood
1
roomboter,
2porties kaas. 1 glas wijn:
n klassieke Luçch f
2.40

lEOPEI7O
vplluURTOrlu.uRlpncHls
S

ip

U°’O

€S1OTEF1 sw
pSli000PiiiDSS i
S
—————-

Koninklijke

Nederlandsche

Boekd ru kkerij

H.AM. ROELANTS

Schiedom

1720

R. MEES & ZOONEN

Ao 1720

BAN KIERS & ASS URANTI E.MÂKELAARS

S

Na kortgeleden mijn op oudere leeftijd aangevangen
academische studie te hebben voibracht (economisch-
publiekrechtelijk doct. ex.), tevens in 1951 geslaagd voor
de akte M.O. Staathuishoudkunde en Statistiek, zoek ik
thans een

lassemle
werkkring

waarin practische, vruchtdragende en constructieve ar-
beid mogelijk is. Ik ben 40 jaar, representatief, heb
organisatievermogen en beschik over een veelzijdige er-
varing, o.m. laatstelijk in enkele leidende functies, vnl. op
organisatorisch terrein, in (semi) overheidsdienst opge-
daan; tevens genoot ik voorheen enige civiel-technische
scholing. Goede referenties. Brieven onder no. E.S.B. 36-2,
Bur. v. d. Blad, Postbus 42, Schiedam.

ROTTERDAM

AMSTERDAM – ‘s-GRAVENHAGE

DELFT – SCHIEDAM – VLAARDINGEN

Makelaars en Taxateurs Vaste Goederen

Hypotheken Verzekeringen

Makelaarskantoor
LANG EJA N

iiCRf1ili

;LEIflEfl

•IvG MAP

Uitvoering van bouw- en

betonwerken onder toepassing

von alle moderne bouw-

methoden

VRAAGT BROCHURE WERNINK’s WERKEN No. 35

N.V. WERNINK’s BETONMAATSCHAPPIJ

LEIDEN

Directie: P. A. WERNINK Ir
en
Ir
1. 1. G.
VAN HOEK

VREDEHOFWEG 36 – TEL.
23951
ROTTERDAM

ECONOMISCH-

STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van het Nederlandsch Economisch Instituut

Adres voor Nederland:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam- W.
Telefoon 38040. Giro 8408.

Bankiers:
R. Mees en Zoonen, Rotterdam. –

Redactie-adres voor België:
Dr J. Geluck, Zwijnaardse
Steenweg 357, Gent.

Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam-W.

Abonnementsprijs,
franco per Post, voor Nederland en de
Uniegebieden en Overzeese Rijksdelen (per zeepost) f26,—,
overige landen f28,— per jaar. Abonnementen kunnen
ingaan met elk nummer en slechts worden beëindigd per ultimo van het kalenderjaar.
Losse nummers 75 ets.

Aangetekende
stukken
in Nederland aan het Bijkantoor
Westzeedijk, Rotterdam- W.

Advertenties.
Alle correspondentie betreffende advertenties
te richten aan de Koninklijke Nederlandsche Boekdrukkerjj
H. A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam (Telefoon
69300, toestel 1 of 3).

Advertentie-tarief
f0,30 per mm. Contract-tarieven op aan-
vraag. Rubrieken ,, en ,,Beschikbare krachten”
f0,60 per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt
zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van
redenen te weigeren.

COMMISSIE VAN REDACTIE: CI,. Glasz; H. W. Lambers; J. Tinbergen:
F. de Vries: C. van den
Borg
(secretaris). Redacteur-Secretaris: A. de Wit.
Assistent-redacteur: T. H. Zoon.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGL: F. Collin; J. E. Menens;
J. van Tichelen; R. Vandeputle; A. Vier ick.

g.
TT
‘- II

Bij het

STAATSBEDRIJF DER PTT

bestaat op aantrekkelijke ”oorwaarden gelegenheid tot
plaatsing van – bij voorkeur – academisch gevormde

bedrijf seconomen

Ook zijn er bij enige onderdelen vacatures voor

econoom-statistici

De beloning is overeenkomstig de belangrijkheid der
functies.

Brieven met uitvoerige inlichtingen aan de Hoofdafdeling
FEZ, Ieortenaerkade 12 te ‘s-Gravenhage.

678

2 September 1953

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

679

Economische modellën

III

Liberaal socialisme

Liberaal socialisme, zoals door Halm gesteld
1),
wil

een middenweg zijn tussen laissez faire kapitalisme en

autoritair socialisme. Het aanvaardt de Vrije consumptie-

en beroepskeuze; de productiemiddelen (in ieder geval

de voornaamste) dienen in handen van de centrale Over-

heid te zijn.

Doordat de belangrijkste productiemiddelen in eigen-

dom van de Overheid zijn, zal de Overheid een plan moe-

ten opstellen ten aanzien van de hoeveelheid voort te

brengen productiemiddelen Zij zal de hoeveelheid iiet

in physieke eenheden vaststellen, daar dan de vrije con-
sumptiekeuze in het gedrang zou komen. Door het doen

gelden van actieve consumptievrijheid is het onmogelijk,

dat de Overheid een plan over langere termijn opstelt,

waarin de productie van consumptiegoederen in concreto

wordt vastgelegd. De Overheid zal het productieplan

omtrent het vervaardigen van productiemiddelen opstel-

len in geldeenheden, waarbij de concretisering volgt in

korter lopende plannen.

De Overheid doet twee markten voortbestaan, die voor

consumptiegoederen en arbeid; de investeringen zijn ge-

bonden aan overheidsbeslissing, voor zover het bedrijfs-

takken van strategische betekenis voor de ontwikkeling

van het economisch leven betreft. Consumenten en be-

drijfsleiders werken aan de hand van voor hen gegeven

prijzen. Deze prijzen zijn in sommige sectoren in de markt

ontstaan, in andere door de Overheid gezet, maar in alle

gevallen direct of indirect onder overheidsinvloed tot

stand gekomen.

Het grote probleem is, hoe de verdeling van de pro-

ductiemiddelen over -de verschillende aanwendingen zal

geschieden. De vraag naar kapitaal wordt uitgeoefend

‘door de leiders van de bedrijfstakken. De economische

productie-eenheid is niet, zoals in het laissez faire kapita-

lisme, de onderneming, maar de bedrijfstak. De leiders

van de bedrijfstakken geven aan de centrale Overheid

advies omtrent de grootte van de productie, waarna de

Overheid de verdeling van de investeringen bepaalt. Het

advies van de leiders der bedrijfstakken zal gebaseerd

zijn op de gemaakte winsten en de te verwachten winsten,

‘) G. N. Halm, Economic Systems. A comparative analysis. New York-Toronto
1951. Wij willen er attent op maken dat ten aanzien van de menvormen
liberaal socialisme en het nog te behandelen liberaal kapitalisme variaties in de
modellen van verschillende auteurs, juist omdat het mengvormen betreft, groter
zijn dan bij de twee voorafgaande. Wij houden ons hier aan de voorstellingswijze
van Halm,

gegeven het prijspeil. Het is de bedoeling dat, zo er ergens

blijvende winsten ontstaan, deze worden weggewerkt door

grotere productie.

De leiders van de bedrijfstakken nemen eën monopolis-

tische en/of monopsortistische positie in. Teneinde te

voorkomen dat ze andere bedrijfstakken en de consu-

menten benadelen, is het noodzakelijk dat de Overheid

een toeziend oog houdt op de bron van eventuele winsten,

het prijzenstelsel. De Overheid zal steeds trachten de

prijzen equatieprijzen te doen zijn, in die zin dat totale

kosten gelijk zijn aan de totale opbrengsten, bij toepassing

van de best beschikbare technieken. Dit zal alleen bereikt

kunnen worden via ,,trial and error”, daar alle prijzen

interdependent zijn.
De coördinatie van de ondernemingen binnen een be-
drijfstak geschiedt door de leider er van. De plannen van

de bedrijfstakleiders worden gecoördineerd door de Over-

heid via de toewijzing van kapitaal. Hun directief t.a.v.

de marktstrategie is, dat zij niet mogen trachten door

schommelingen in de productie de prijzen te beïnvloeden.

Halm stelt hierbij echter de vraag: ,,Can we really expect

industrial managers to act
as iƒ
prices were independent

of the decisions taken,
as iƒ
they were normal, when

nobody knows better than the managers, themselves,

when they are not, when, therefore, the managers con-

fidently expect that the prices in the next period must be

different?”
2).
Halm geeft op deze vraag geen antwoord

en daarmede ook niet op demate van de stabiliteit binnen

een bedrijfstak.

Het gehele stelsel is er een van ç,trial and error”, door-

dat de Overheid haar regulerende functie bewust niet

uitstrekt tot consumptie- en beroepskeuze. Via manipu-

lering van het prijzenstelsel en dirigeren van investeringen

wordt getracht het onzekerheidselement in het economisch

proces belangrijk te verkleinen en monopolievorming met

daaruit voortvloeiende inkomensverschillen tegen te gaan.

Halm meent dat het stelsel, in practijk gebracht, zou kunnen

werken. Hij wijst er op dat voor- en nadelen niet moeten

worden afgewogen tegen het laissez faire kapitalisme,

doch tegenover het liberaal kapitalisme, dat wij in het

laatste artikeltje hopen te bespreken.

Alphen a/d Rijn.

.

H. BOOIJ.

‘) G. N. Halm, t.a.p. blz. 234.


INHOUD

Blz.

Blz.

Economische modellen (III). Liberaal socialisme,

door Drs H. Boo(/ ……………………..679

Benelux,
door Prof G. Brouwers ………….
681

Die Sicherung der wirtschaftlichen Expansion in

Deutschland (1), door Prof Dr W. G. Hoffmann
684

Landbouw- en visserijbeleid,
door Drs A. G. U.

Hildebrandt
.
…………………………
687

De evolutie van het goederenverkeer in de havens

van Antwerpen en Rotterdam,
door Lic. F. van

der Vorst ……………………………690,

Ingezonden stuk:

De commissionnairsdwang in Nederland,
door

Dr W. H. C. Schukking,
met naschrift van

Drs H. W. J. Bosman ……………….
692

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

Aantekening:

De investeringen in de Nederlandse industrie 693

Geld- en kapitaalmarkt,
door Drs J. C. Brezet .. 694

Statistieken:

Werkloosheid in Nederland …………….
695

Bankstaten

…………………………
695

Gecombineerde maandstaat van de grote ban-

ken in Nederland …………………..
695

Interim-prjsindexcijfers van het gezinsverbruik

in Nederland

……………………..
695

__•____:___

__••

680

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
2 September 1953

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK

Prof G. BROUWERS, Benelux.

Het doel van de Benelux moet zijn: a. een verdere toe-

neming van de integratie en b. een algemeen productie-

kostenpeil, dat enigermate beneden dat van Engeland en

Duitsland ligt. In 1952 hebben iich enige feiten bij het

integratieproces voorgedaan, die tot wrijvingen aanleiding

hebben gegeven. De Régeringen der Benelux-landen heb-
ben een realistische oplossing voor de. moeilijkheden ver-

kozen. Er van uitgaande, dat een juiste verhouding tot

.het productiekostenpeil in de voornaamste concurrerende

landen gewenst is, hebben zij vastgesteld dat een proces

van aanpassing dient te worden.nagestreefd. Een inten-

sivering van de coördinatie hunner sociaal-economische

politiek zal daarop gericht zijn. Daarnaast hebben zij

rekening willen houden met de mogelijkheid dat tijdens

het aanpassingsproces het tempo der integratie een em-

stige crisistoestand in een bepaalde bedrijfstak teweeg

zou kunnen brengen. Met het oog hierop hebben zij de
constructie ener zgn. catastrophe-clausule aanvaard en

gemeenschappelijk te treffen maatregelen voorzien, die

in dergelijke omstandigheden een temporisering der inte-

gratie zouden bewerkstelligen. Deze maatregelen zijn ge-

legen in een aan een termijn gebonden beperking van de

export van het betrokken product naar het getroffen

partnerland.

Prof Dr W. G. kOFFMANN, Die Sicherung der wirt-

schaftlichen Expansion in Deutschiand (1).

Op korte termijn beschouwd, bevindt Duitsland zich

in een fase van consolidatie. De verschillende prjsindices

handhaven zich op hun niveau of vertonen een licht

dalende tendentie. Vôor het eerste halfjaar van 1953

kan met. een inkomenstoeneming van ongeveer 6 pCt
‘worden gerekend. De industriële productie (zondei de

bouwnijverheid) is in het eerste kwartaal met 5 pCt toe-

genomen t.o.v. het jaar tevoren. De bouwnijverheid is

in de eerste vijf maanden met 14 pCt gestegen en zij zal

ook gedurende de rest van het jaar belangrijk zijn. De

consumptiegoederenindustrie heeft het belangrijkste ain-

deel gehad in de productietoeneming van het laatste half-

jaar. De markten voor consumptiegoederen zijn jn 1952

veelal kopersmarkten geworden. Aan de monetaire zijde.

dreigt het gevaar, dat de expansie wordt tegengewerkt

door de onevenredig grote besparingen. Om de economi-

sche expansie in Duitsland te verzekeren is het noodzake-

lijk dat een hoog investeringsniveau wordt bereikt.

Drs A G. U. HILDEBRANDT, Landbouw- en visserij-

beleid.

De landbouwpolitiek tot 1930 werd gekenmerkt door

de grote aandacht die de Overheid besteédde aan de

technische ontwikkeling door middel van onderwijs,

voorlichting en onderzoek. .Van de zijde van het land-
bouwbedrijf werden Organisatie en coöperatie tot ont-

• plooiing en vervolmaking gebracht. De landbouwpolitiek

in de crisisjaren 1930-1940 kreeger een nieuw aspect bij,

ni. het direct ingrijpen van de Regering om de landbouw
voor economische ondergang te behoeden. Na de oorlog

is het doel van het landbouwbeleid: een zo groot mogelijke

bijdrage van de Nederlandse landbouw aan het nationale

product, kostprjsverlaging, redelijke stabiliteit in de

prijsontwikkeling en bestaanszekerheid voor de werkers

op het goed geleide en economisch verantwoorde land-

en tuinbouwbedrijf. Uit het rapport van de Staatscom-

missie Sanering Zeevisserij blijkt dat de Nederlandse

Visserij in veel opzichten achterstaat bij de landbouw.

Op het terrein van de coöperatieve aankoop van visserij-

materialen en de coöperatieve afzet en verwerking van

vis ligt een belangrijke taak voor de reders en vissers.
Op het gebied van visserij-onderwijs, -voorlichting en

-onderzoek moet ook een grote achterstand worden

ingehaald. Hierbij heeft in het bijzonder de Overheid

een taak.

Lic. F. VAN DER VORST, De evolutie van het goederen-

verkeer in de havens van Antwerpen en Rotterdam.

In de havens van Antwerpen en Rotterdam is het totale

goederenverkeer gedurende 1949-1952 voortdurend en in

aanzienlijke mate toegenomen. In de haven van Antwer-

pen werd het peil van 1938 in
.
1951 en 1952 in betrekkelijk

sterke mate overtroffen: Hoewel in Rotterdam het g9e-

derenverkeer een nog sterkere stijging vertoont, heeft het

nog niet de totale omvang van 1938 bereikt. Schrijver

acht de toekomstmogelijkheden voor Rotterdam gunstiger

dan voor Antwerpen. Voor Antwerpen zijn de uitzon-

derlijk gunstige factoren van de eerste na-oorlogsjaren

en van de Koreaanse boom-periode reeds grotendeels

weggevallen en de nadelige gevolgen werden in 1952 al

duidelijk merkbaar. De Nederlandse nationale uitvoer

over de haven van Rotterdam is na de oorlog steeds ge-

stegen. Deze stijging zal waarschijnlijk verder doorzetten

en toenemen naarmate de Nederlandse industrialisatie

vordert en haar vruchten oplevert.

SOMMAIRE

Prof G. BROUWERS, Benelux.

Le but de Benelux doit etre: a. une progression plus

profonde dans l’intégmation b. un niveau général des

couts de production qui se trouve de quelque manière in-

férieur â celui de 1’Angleterre et de l’Allemagne. L’auteur
commente, ensuite, les difficultés qui ont surgi en 1952 et

la solution que les gouvernements y ont apporté.

Prof Dr W. G. HOFFMANN, La sécurité dans l’expan-

sion économique en Allemagne (1).

L’auteur étudie les facteurs qui influent sur le déve-

loppement économique de l’Allemagne et sur ce qui est

nécessaire pour assurer l’expansion économique.

Drs A. G. U. HILDEBRANDT, Politique de l’agriculture

et des pêcheries.

– L’écrivain donne un aperçu historique de la politique

agricole du gouvernement néerlandais. La politique des

pêcheries connait un sensible retard, comparée â celle

de l’agriculture.

Lic. F. VAN DER VORST, L’évolution du trafic des mar-

chandises, dans les ports d’Anvers et’ Rotterdam.

Dans les ports d’Anvers et Rotterdam, le total du trafic

des marchandises pendant la période 1949-1952 est

constant et progresse de façon sensible. L’auteur voit

l’avenir de Rotterdam plus plein d’espoir que celui d’An-

vers.

2 September
1953

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

681

Benelux

,,Beneluxrides another
.
stom. At the darkest moment

of Benelux’s history the s.pirit of sensible compomise,

without which ‘international agreements are useless, has

steered dear of the shoals; but he vessel is not yet set

fair to the wind”.

Aldus karakteriseert ,,The Economist” de jongste

Benelux-conferentie. De juistheid van deze interpretatie

hangt af van het antwoord op de vraag in hoeverre de

getroffen overeenkomst de mogelijkheid schept het twee-

zijdige doel van de Benelux: a. de versterking zijner

integratie, b. de versterking zijner concurrentiekracht

nar buiten, te bevorderen althans niet in gevaar te bren-

gen.

De stand an zaken.

Wat is allereerst de concrete situatie met betrekking

tot deze beide punten? Het aandeel, dat Nederland en

de B.L.E.U. in elkaars industriële invoer hebben, lag in

1952 voor beide partijen bijna 40 pCt hoger dan in 1938.

Na enige daling voor België en enige stijging voor Neder-
land in de loop van 1952, in aansluiting op de voor België

en Nederland in tegengestelde zin abnormale Korea-

periode 1950/1951, bleven de percentages evenâls de

Wederijdse exporten zelf gedurende het laatst verlopen

jaar practisch op hetzelfde niveau. Het Belgische aandeel

bleef naar 19 pCt, het Nederlandse naar 11 pCt tenderenl).

Gedurende deze periode vertoonde de onderlinge in-

dustriële handelsbeweging als geheel gezien dus een

zekere stabiliteit, terwijl ook de mate van integratie geen
wijziging van betekenis onderging.

Voor de concurrentiekracht van de Benelux is het

relatieve productiekostenpeil een maatstaf. Nu moet men
allereerst met de toepassing van algemene cijfers omtrent

dit productiekostenpeil, afgeleid uit voor de gehele

economie geldende gegevens over arbeidspro luctiviteit

en loonkosten, voorzichtigheid betrachten. Zij kunnen

nimmer uitsluitsel geven over de concrete situatie in een

bepaalde bedijfstak. Per bedrijfstak doen zich i1rimers

grote verschillen voor, die afhangen van de talrijke

factoren, welke aard en omvang der productie op een be-

paald gebied beïnvloeden. Daarnaast hangt het van de

in concreto zich voordoende verhouding tussen vraag

en aanbod af, in hoeverre de productiekosten bij de afzet
een meer of minder beslissende rol vervullen. Algemene

cijfers betreffende het nationale productiekostenpeil kun-

nen dan ook nimmer specifieke maatregelen in afzonder

•lijke bedrijfstakken indiceren. Zij kunnen slechts een

aanwijzing geven omtrent de algemene economische

positie van een land, die zich in concreto in de ontwikke-

ling van betalingsbalans en werkgelegenheid uitwerkt.

Ook dan kunnen zij nog slechts een bepaalde tendentie

in de verhouding tot andere landen tot uitdrukking bren-

gen, omdat exactheid hier een vooralsnog onbereikbaar

ideaal is.

Met deze reserve kan worden geconstateerd, dat de

concurrentiepositie der Benelux-landen, afgemeten aan

de verhouding tot de twee belangrijkste industriële con-

Ôurrenten, ongunstiger is dan in 1938 het geval was.

Nederland had bij een wat lagere arbeidsproductiviteit

dan Engeland en Duitsland doch een nog wat sterker

loonverschil, een concurrentievoordeel ten opzichte van

‘) Voor de industriële en agrarische handelsbeweging in totaal waren deze
aandeelpercentages in 1952 resp. 17 en 13.

beide landen, van ca 15 pCt. België had bij een waar-

schij nlj k niet veel lagere arbeidsproductiviteit dan Ne-

derland en een aanzienlijker loonverschil een concurrentie-

voordeel ten opziçhte van Engeland en Duitsland, dat

stellig meer was dan 15 pCt. –

Mome’nteel is de verhouding wat Nederland betreft

weer nagenoeg dezelfde. Het verschil in arbeidsproduc-

tiviteit is parallel met het verschil in bevolkingsvermeer

dering toegenomen, doch dit is gecompenseerd door een
stijging van het loonverschil
2).
België daarentegen heeft

nu een concurrentienadeel, dat tenminste wel 15 pCt

is, wanneer men een analoog verloop der arbeidsproduc-

tiviteit als in Engeland en Duitsland aanneemt.
Welke concurrentiepositie t.’o.v. Engeland en Duits-

land is nu voor de Benelux-economie acceptabel te ach-

ten? Voorop zij gesteld, dat in overeenstemming met het

hiervoor reeds opgemerkte het productiekostenpeil der

geïntegreerde Benëlux-economie zal uiteenvallen in een

aantal bedrjfstakniveaux, die zeer kunnen verschillen,
zodat ook het gemiddelde van de Belgische en Neder-

landse helften niet precies gelijk behoeft te zijn. Het alge-

mene Benelux-peil zal intussen op langere termijn bezien

wel steeds in zekere mate onder dat van de beide grote
industriële concurrenten moeten blijven. En wel om de

volgende redenen.

In de eerste plaats zal de Benelux-economie mede in

verband met de toenemende bevolking een expanderend

karakter moeten hebben. Vervolgens hebben Nederland

en België in het verleden ten opzichte van Engeland en

Duitsland structureel steeds een zwakkere economische

positie gehad, mede blij kend uit hun als regel lagere loon-
niveau, en er is reden aan te nemen, dat dit in de toekomst

ook bij een geïntegreerde economie nog enigermate het
geval zal zijn: Ten slotte nemen Engeland en Duitsland
hetzij door bepaalde politieke verbindingen, hetzij door

het pure gewicht hunner totale economische en politieke

macht op de overzecse markten een zodanige positie in,
dat de Benelux dit nadeel door een gunstige kostenbasis

zal moeten compenseren.

Het doel van de Benelux moet dus zijn a. een verdere

toeneming van de integratie, zowel ter bereiking van een

grotere onafhankelijkheid van het buitenland als ter

versterking van de innerlijke kracht der Benelux-econo-

mie, b. een algemeen productiekostenpeil, dat enigermate

beneden dat van Engeland en Duitsland ligt.

De moeilijkheden.

In 1952 hebben zich nu enige feiten bij dit integratie-

proces voorgedaan, die tot wrijvingen aanleiding hebben
gegeven en de. Benelux-samenwerking in ernstig gevaar

hebben gebracht. Op zichzelf waren deze feiten: een ver-

sterkte uitbreiding van de Nederlandse export naar Bel-

gië in een aantal betrijfstakken van het eerste op het

tweede halfjaar 1952, niet van zo grote betekenis; het
tempo van de exportstijging dezer producten was dan

ook van het tweede halfjaar 1952 op het eerste halfjaar

‘) Bij analyse blijkt, dat de wijziging in de verhouding der Nederlandse arbeids-
productiviteit t.o.v. Engeland en België ongeveer is gecorreleerd met het verschil
der bevolkingstoeneming; de sterkere investeringsactivileit in Nederland heeft dus
de grotere schade in apparatuur door de oorlog veroorzaakt, voor een goed deel gecompenseerd. Frankrijk geeft, ondanks een geringe stijging van de bevolking
toch slechts een geringe stijging van de arbeidsproductiviteit te zien; West-Duits-land daarentegen heeft het bij een sterke toeneming van zijn bevolking (rëfugié’s)
gepresteerd een Vrij aanzienlijke stijging van de arbeidsproductiviteit tot stand
te brengen.

682

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
2 September 1953
1953 reeds aanmerkelijk lager. Deze stijginghingimmers

goeddeels samen met het in 1952 optredende evenwichts-

herstel in de Nederlandse economie, dat door de Korea-

crisis der jaren 1950/1951, die op Nederland een ander

effect had dan op Belgie.tijdelijk was onderbroken. Het

tempo der stijging mocht dan ook als eenmalig worden

beschouwd.

Deze ontwikkeling van de Nederlandse export naar

België viel echter samen meteen terug’gang van de totale

Belgische export, waardoor o.a. de producten werden

getroffen, waarvan de Nederlandse export naar België

was gestegen. In de tweede plaats ging zich in samenhang

met de teruggaande conjunctuur het feit voelbaar maken,

dat het Belgische productiekostenpeil zich op een relatief

ongunstig niveau bevood, hetgeen tot dusver door de

gunstige vraag- en aanbodverhouding van de Belgische

exportprod’ucten nog slechts weinig tot uitdrukking was

gekomen.

Het was, wanneer ik een ogenblik van het speciale

geval van de landbouw afzie, voor het eerst in de geschie-

denis van de Benelux, dat bepaalde belangen zich door het

integratieproces werkelijk geschaad voelden. Het feit,

dat de voor Nederland en België niet synchroon verlo-

pende algemene conjunctuurbeweging hier de hoofd-

oorzaak van was, deed aan het psychologisch effect niet

af. Het in zijn implicaties slechts ten dele begrepen prijs-

en loonverschil ging in de politieke discussie zijn gechar-

geerde rol spelen en de Benelux had zijn eerste werkelijke

vuurproef te doorstaan. Het gevaar dreigde, dat, ondanks

het sluiten van een aantal Belgisch-Nederlandse onder-

nemersregelingen, het vrije onderlinge verkeer op onvol-

doend gefundeerde motieven aan beperkingen zou worden

onderworpen, die niet slechts het integratieproces voors-

hands zoudën stuiten, doch ook de voorwaarden zouden

aantasten, waaraan moest worden voldaan, wilde een

verdere ontplooiing van het integratieproces op de duur

kunnen worden gerealiseerd.

Tijdens dee vuurproef ontwikkelden zich twee denk-
richtingen, die der soepelen en die der starren. De soe-

pelen stelden zich op het standpunt, dat vanwege de

politieke consequenties de Benelux-gedachte ten koste

van alles moest worden gered, ook wanneer de te treffen

maatregelen een tijdelijk buiten werking stellen der

douane-unie met zich brachten. Zij waren bereid de Be-

elux te offeren op het altaar van deBenelux.

De starren waren van mening, dat elke handelsbeper-

king uit den boze was en dat het land, hetwelk de con-

currentie niet aankon, door een wijziging van zijn sociaal-

ecojiomisch beleid deze moeilijkheid te boven zou dienen

te komen. Zij verdiepten zich daarbij weinig in de poli-
tieke aspecten van hun standpunt. Beschouwingen over

de meer of mindere geoorloofdheid, resp. kunstmatigheid
van bepaalde vormen van overheidsingrijpen, vertroebel-

den verder deze gedachtenwisseling.

De overeenkomst.

De Regeringen der Benelux-landen hebben, wanneer

men tot de kern doordringt van de soms gecompliceerde

formuleringen, waartoe een compromis doorgaans aan-

leiding geeft, een realistische oplossing Verkozen boven

die der beide juist genoemde denk-, resp. gevoelsrichtin-

gen. Er van uitgaande, dat een juiste verhouding tot het

productiekostenpeil in de voornaamste concurrerende

landen gewenst is, hebben zij vastgesteld, dat gegeven de

bestaande verhoudingen een proces van aanpassing in

dit opzicht dient te worden nagestreefd. Een intensivering

vah de coördinatie hunner sociaal-economische politiek,

het centrale doel in de opzet der Economisch Unie, zal

daarop gericht zijn.

Daarnaast hebben zij met uitdrukkelijke erkenning
vaii
1
het feit, dat de integratie hunner economieën ver-

schuivingen in de productiestructuur er van met zkh zal

brengen, rekening willen houden met de mogelijkheid,

dat in het bijzonder tijdens het juist bedoelde aanpas-

singsproces het tempo der integratie een ernstige crisis-

toestand in een bepaalde bedrijfstak teweeg zou kunnen.

brengen. Met het oog hierop hebben zij de constructie

ener zgn. catastrophe-clausule aanvaard en gemeenschap-

pelijk te treffen maatregelen voorzien, die in dergelijke

omstandigheden een temporisering der integratie zouden

bewerkstelligen. Deze maatregelen zijn gelegen in een

aan een termijn gebonden beperking van de export van

het betrokken product naar een partnerland. Daarbij

wordt aan de hand van een tweetal alternatieve formules

vastgesteld in hoeverre de import van een bepaald pro-

duct uit het partnerland gedurende een semester de ge-

middelde import van de overeenkomstige semesters der

aan het beoordelingstijdstip voorafgegane twee jaren
zodanig heeft overtroffen, dat een maatregel als juist

bedoeld moet worden ingesteld of gecontinueerd.

De eerste van deze twee alternatieve formules is als

catastrophe-clausule eenvoudig en duidelijk. Zij aanvaardt

de wenselijkheid maatregelen te overwegen, wanneer de

productie in het partnerland gedurende een semester

vergeleken met de twee voorafgegane semesters als zojuist

omschreven, met ten minste 15 pCt is verminderd, welke

vermindering voor meer dan 3/4 aan een toeneming van

de import uit het partnerland kan worden toegeschreven.

De tweede formule erkent de crisistoestand eveneens,

wanneer, zonder dat een vermindering der productie kan

worden geconstateerd, de import gedurende een semester

met mer dan 60 pCt (of meer dan 15 pCt van de pro-

ductie van het importerende land) de import in de twee

voorafgegane semesters, als hiervoor omschreven, heeft

overschreden. Het ligt voor de hand, dat deze tweede

formule werd gebonden aan e.nkele voorwaarden met

betrekking tot de ontwikkeling der productie in het

importerende land, de positie van het exporterende land

op de markt van het partnerland en de import uit derde

landen
3).

Voorts werd nog de mogelijkheid ‘opengelaten, dat bij

wijze van uitzondering maatregelen zouden worden over-

wogen indien een der beide formules geen toepassing

vond; terwijl anderzijds geen maatregelen zullen worden

genbmen, indien toepassing van een der formules onbilljke

consequenties Voor het exporterende land zou hebben.

Bij gebrek aan overeenstemming tussen de Regeringen

zal arbitrage plaatsvinden, zodra het desbetreffende wets-

ontwerp door de volksvertegenwoordigingen der partner-

landen zal zijn goedgekeurd. Vooruitlopend daarop vindt

een.systeem van conciliatie plaats, dat dezelfde strekking

heeft, doch geen bindende juridische kracht.

Ten slotte heeft de Nederlandse Regering zich bereid

verklaard, ter verlichting van de Belgische concurrentie-

omstandigheden bij het aanpassingsproces een wetsont-

werp in te dienen tot tijdelijke opschorting van de resti-
tutie >bij export van bepaalde delen der omzetbelasting.

De technische uitwerking hiervan en de vaststelling der

voorwaarden vindt nog in onderling overleg plaats. Als

) Gepreciseerd luiden deze voorwaarden: a. de productie in het importerende
land is niet wezenlijk gestegen; b. de totale toeneming van de import is voor
niet meer dan 20 pCI toe te schrijven aan de import Uit derde landen; c. de
toeneming van de import uit het partnerland heeft de import uit derde
landen niet vervangen; d. de import uit het buitenland maakt ten minste
7 pCt uit van de consumptie van het importerende land.

2 September
1953

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

683

regel zal de opschorting dezer restitutie bijna 3 pCt van

de uitvoerprijs betreffen.

Deze temporisttie vn de integratie der Benelux
is
in

het kader van het noodzakelijke aanpassingsproces zinvol

en dient derhalve de uiteindelijke volledige realisatie

der Unie, wanneer zij is een ,,reculer pour mieux sauter”

en niet een begin van de weg terug. Het steeds aanwezige

gevaar van de verstarring van geprotegeerde posities en

de kern van waarheid die ligt in de uitspraak: ,,ce n’est

que le temporaire qui dure” zouden aanleiding tot een

zeker scepticisme kunnen geven.

Zowel de constructie der catastrophe-clausule als de

economische realiteit wettigen intussen de hoop, dat het

hier inderdaad een temporisering van het integratieproces

in speciale daarvoor in aanmerking komende gevallen

betreft. Allereerst geven de alternatieve formules een

redelijke expansiemogelijkheid en bevatten zij zowel een

formele als een automatische tijdelijkheid. In de tweede

plaats is een wijziging in het Nederlandse loonpeil te

verwachten, die het nog bestaande concurrentieverschil

met Engeland en Duitsland zal verkleinen, terwijl de alge-

mene prijsontwikkeling, de druk der economische om-

standigheden en het realistisch besef der zich wijzigende

conjunctuursituatie de vermindering van het Belgische

concurrentienadeel door verlaging van de productie-

kosten zal kunnen bevorderen. In de derde plaats is over

het geheel niet te verwachten, dat het tempo van de uit-

breiding van de export naar de Benelux-partner in de

bedrijfstakken, waar dit in het recente verleden relatief

hoog is geweest, zich ongewijzigd zal kunnen handhaven.

Afgezien van speciale omstandigheden, die in bepaalde

bedrijfstakken een rol hebben gespeeld, is de ontwikkeling

in
1952,
zoals gezegd, voor een goed deel te verklaren uit
het door de Korea-crisis geremde evenwichtsherstel. Wij

mogen dus hoop koesteren, dat de handelsbeperkende
maatregelen na verloop van enige tijd tot het verleden

zullen behoren en dat wij hier inderdaad te maken hebben

met een overgangsperiode in hetntegratieproces, waarvan

de overbrugging voor de Benelux van beslissende be-

tekenis zal zijn geweest.

Het is daarbij van het allergrootste belang, dat het

overleg van het bedrijfsleven der Benelux-landen wordt
geïntensiveerd, opdat zonder ingrijpen van de Overheid

en nauwer aangepast aan de commerciële practijk de

oplossing van door onderling overleg op te ruimen moei-

ljkheden wordt verkregen en door arbeidsverdeling en
waar mogelijk gecombineerde activiteit een verstefkte

positie tegenover het buitenland tot stand wordt gebracht

De coördinatie der politiek.

Ter bereiking van het tweezijdige doel der Benelux,
in de aanvang dezer beschouwing geschetst, nl. een zo

hoog mogelijk opgevoerde onderlinge integratie en. een

gunstige gezamenlijke concurrentiepositie t.o.v. de buiten-

wereld, moet de coördinatie der sociaal-economische

politiek in zijn diverse vormen een essentiële voorwaarde

worden geacht. Het is dan ook geen wonder, dathet

doorvoeren dezer coördinatie op concrete grondslag

voorop is gesteld in het Protocol der Juli-conferentie7. Bij

de beoordeling van de toepassing dezer coördinatie is

het zaak, gezien niet slechts de vele economische doch

ook de politieke aspecten hieraan verbonden, zich op een

nuchter en uitermate realistisch standpunt te plaatsen.

Het is niet mogelijk twee systemen van economische

politiek in de ruimste zin van het woord, ook al zijn zij

als in België en Nederland wat hun primaire doelstellingen

en hun grondlijnen aangaat gelijk, op korte termijn met

JSTIN_

spaart

140 dealers en subdealers,
iÇ}’l

kilometer geld

overal in Nederland.

zekere wijzigingen aan elkaar te plakken. Deze systemen

zijn in hun uitingsvormen in belangrijke mate historisch

bepaald door de ontwikkelingsgeschiedenis der afzon-

derlijke naties, door hun maatschappelijke en politieke
structuur, door hun volksmentaliteit en door de op zijn

minst in onderdelen verschillende actuele eisen van het

economische en financiële beleid.

Zet men zich aan de grote taak deze systemen van

economische politiek te coördineren, dan doet men aller-

eerst goed een wijze beperking te betrachten en te beseffen,

dat de vergroting der economische ruimte in eerste in-

stantie enige terughoudendheid vereist bij het ingrijpen

in de ontwikkeling van het economisch proces, ten einde

aldus de nationale economieën in staat te stellen zich op
enigszins organische wijze aan elkaar aan te passen. Het

spreekt vanzelf, dat bepaalde’ beginselen en directieven

vooral in de periode, waarin wij momenteel leven, daarbij

onmisbaar zijn en men zal met name moeten beseffen,

dat de verschillen in structuur en ook de verschillen in

feitelijke omstandigheden in de afzonderlijke landen

maatregelen zullen vereisen, die in de beide landen niet

volstrekt analoog van karakter kunnen zijn. Vindt men

in dergelijke verschillen aanleiding de ontwikkeling der

Unie te vertragen of zelfs op te schorten, dan kan men

de gedachten aan een uiteindelijk samengaan beter geheel

uit zijn hoofd zetten, want dan betekent dit, dat men de

vèrziende blik en de practische staatsmanswijsheid mist

om een zo ingrijpend en veelomvattend doel tot stand te

brengen. Richtsnoeren bij dit nog jaren in verscheidene

opzichten nationale beleid dienen te zijn: terughoudend-

heid bij het ingrijpen om zuiver nationale redenen, de

bereidheid tot voortdurend overleg om overal waar dat

mogelijk is op analoge wijze te werken en bovenal hand-

having en voortdurend verdere bevrijding in alle denkbare

sectoren van het onderling verkeer. Men zal zich steeds

moeten realiseren, dat deze bevrijding het voornaamste

middel is om de economische vervlechting tot stand te

brengen en dat de volledige coördinatie der politiek een

werk van jaren is, hetwelk ten slotte het maximale effect

aan de intussen tot stand gebrachte integratie moet geven.

Al behoeft daarbij niet te worden ontkend, dat dit moei-

lijke en veel geduld vrageride werk van de coördinatie

der politiek intussen de integratie belangrijk kan be-

vorderen.

Wanneer men de onlangs na veel strijd en misverstan-

den bereikte overeenstemming aldus wil bezien, dan dient

daaruit voort te vloeien, dat theoretische tegenstellingen

naar de achtergrond worden verschoven, zij het in de

academische discussie naar hartelust geanalyseerd, en dat

men zich in de practische politiek op basis van het met

moeite verkregen compromis met meer onderling begrip

en waardering instelt op een positieve bevordering van

de concrete doelstellingen der Unie, die nog voor ons

684

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
2 September 1953

liggen. Dit geldt in de, eerste plaats van de onderwerpen,

die op de komende Ministersconferentie zullen worden

behandeld en die het principieel en zakelijk uitermate

gewichtige punt van de samenwerking op het gebied der
handelspolitiek betreffen naast andere voor de integratie

der Benelux-economie zeer belangrijke punten. Wanneer

ook ten aanzien van deze onderwerpen overeenkomsten

zijn getroffen, kan ‘Ôp basis van het totale complex dér

afspraken de voorbereiding van het Unieverdrag ter hand

worden genomen.
Ook de formele samenwerking in volledig Unieverband

moet nl. als een doel voor de nabije toekomst worden

beschouwd. Zij zal immers de integratie op velerlei gebied

kunnen stimuleren. Reeds ontworpen gezamenlijke insti-

tuten als arbitrage en parlementair contact, zullen naast

ministeriële en ambtelijke samenwerking op een hoger

duurzamer plan worden gebracht en aldus geïntensiveerd.

Geen groter misverstand ware evenwel denkbaar dan de

gedachte, dat men er daarmee zou zijn. Wanneer de re-

ente geschiedenis iets duidelijk heeft gemaakt, dan is dat

het feit, dat de Benelux geen simpele constructie is die

men met behulp van een aantal protocollen in practijk

kan brengen. De creatie in vrijwillige sa’menwerking van

een practische eenheid door drie volken, in menig op-

zicht verdeeld, in meer opzichten verwant en verbonden,

is een boeiend avontuur met vele hindernissen, die met

geduld en inspanning in de loop der jaren moeten worden

overwonnen. Het belang er van moge te sterker blijken

tegen de achtergrond van de politieke instabiliteit der

ons bmringende landen.. De Europese integratie is een

groot doch verder verwijderd ideaal. De kracht, die wij

reëel geïntegreerd in deze chaotische, nog naar methoden

en vormen zoekende wereld zullen kunnen uitoefenen,

moet een aansporing zijn tot volharding bij het banen

van de weg naar het doel, dat de Benelux-staatslieden te

Londen, onbezwaard door de feiteljke moeilijkheden,

tijdig stelden.

‘s-Gravenhage.

G. BROUWERS.

Die Sichérung der wirtschaftlichen Expansion in Deutschiand

Die wirtschaftspolitische Diskussion Westdeutschlands

ist gekennzeichnet durch Variationen zwischen ged.mpf-

tem Optimismus und Zurückhaltung. Im Chor der Stim-

men fehlen die Extreme: hier die Erwartung eines neuen

anhaltenden Aufschwungs, dort die Voraussagen eines

intensiven Rückschlags mit dauerhafter Depression. Diese

letzte Haltung kann auch schon deswegen nicht aufkom-
men, weil sich in der Offentlichkeit teilweise das Gefühl

durchgesetzt hat, dass nicht sein kann, was nicht sein darf!

Insofern macht es sich nunrnehr bezahlt, dass der Streit
um ,,die Marktwirtschaft” im allgemeinen von den Ver-

teidigern nicht blindlings, sondern mit Hinweisen auf die

Notwendigkeit ihrer Steuerung in Richtung auf eine

,,Sozialle Marktwirtsçhaft” geführt worden ist. Weitver-

breitet ist andrerseits der Eindruck, dass die bisherige.Aus-

weitung der Inlands- und vor allem Auslandsmârkte nicht
selbstverstiindlich isL Je nach Temperament und Einsicht

wird daraufhin entweder eine ,,konjunkturpolitische

Wachsamkeit” oder eine aktive ,,elastische Zweckmâssig-

keits-Konjunkturpolitik” gefordert, um sich den Vorwurf

eines ,,too little and too late” zu ersparen.

Zur Beurteilung der Frage nach der Sicherung der

wirtschaftlichen Expansion sollen zuniichst einige kurz-

fristige und danach einige langfristige Aspekte aufgezeigt

werden. Kurzfristig betrachtet befindet sich Deutschland

in einer Phase der
Konsolidierung,
in der ein vorherrsch-
ender Kiufermarkt die Anpassung der volkswirtschaft-

lichen Wert- und Mengengrössen aneinander erzwingt.

Die verschiedenen
Preisindizes
verharren etwa auf ihrem

Niveau oder haben leicht sinkende Tendenz. Beharrend

sind die Grundstoif- und Investitionsgüterpreise, nicht

zuletzt teilweise dank ihrer Preisbindung. Dagegen haben

industrielle Verbrauchsgüter oder agrarische Grosshan-

delspreise mehr sinkende Tendenz, wobei irn letzten Falle

sich z. Zt. Siisoneinflüsse auswirken. Das Ausmass des

Preisrückganges darf aber bei Fertigwaren im Yergleich

mit Stapelprodukten wie Rohstoffen und Nahrungsmit-

teln nicht übersphâtzt werden. So ist seit Anfang 1952

der Index der industriellen Erzeugerpreise nur etwa um

4 %, der Index der Einzelhandelspreise um 6 % ge-

sunken, whrend der Moody-Index um etwa 10 % und

der Economist-Index um 20 % gefallen ist. Dieser Unter-

schied ist zu beachten, da die wirtschaftliche Praxis sich

hâufig durch die intensiveren Preisrückgânge beein-

drucken liisst und dementsprechend zurückhâltend dispo-

niert, obwohl kein begründeter Anlass dafiir besteht.

Das
Volkseinkommen
(Netto-Sozialprodukt zu Faktor-

kosten) liegtim 1. Quartal 1953 etwa um 7% höher

als im Vorjahr. An diesem Einkommenszuwachs hat –

abgesehen von der Heraufsetzung von Versorgungs-

bezügen und Unterstützungen – die Industrie einen

wesentlichen Anteil. Ihre Lohn- und Gehaltssummen

liegen im 1. Quartal um 6 % höher als im Vorjahr und
behalten auch im 2. Quartal das höhere Niveau. Dafür
ist nicht nur der stiindige Anstieg des Beschâftigungs-

volumens, sondern auch die Erhöhung der durchschnitt-
lichen Einkommenssitze
°
(Lohn und Gehalt) gegenüber

dem Vorjahr (Jan.-April) um
2+%
verantwortlich.

Wenn man berücksichtigt,. dass ab 1. April die öffent-

lichen Einkommen um etwa 20% erhöht worden sind

und dass nach den vorlufigen Angaben bis einschliesslich

Juni die Industrieeinkommen weiter zugenommen ha-

ben, so kann für das 1. Halbjahr 1953 mit einer Zunahme

des Volkseinkommens um vielleicht 6
Y.
gerechnet werden.

Da das Preisniveau sich nicht wesentlich verândert hat,
ist es nicht anders zu erwarten, als dass auch die Mengen-

reihen entsprechende Zunahmen aufweisen. In diesem

Zusammenhang interessieren allerdings nur die Global-

grössen; die Umschichtungen in der Produktionsstruktur

sind zwar âusserst wichtig, voilziehen sich aber in einer

Marktwirtschaft stiindig und ohne viel Aufsehen. Wenn

es in Deutschland z.B. eine Krise der Mühlenindustrie
wegen der zu grossen Kapazitiiten gibt, so rufen zwar

die Interessenten nach ,,Marktordnung” und Schutz; die

breite Offentlichkeit dürfte aber kaum bereit sein, die not-

wendige Anpassung mit verhindern zu heffen, soweit

nicht spezifisçhe Mângel der Marktverfassiing vorliegen.

Die deutsche
Industrieproduktion
(ohne Bau) hat volumen-

miissig im 1. Quartal um 6
Y.
und in den ersten 6 Monaten

sogar um 8 % gegenüber dem Vorjahr zugenommen.

Der investitionsmiissig wichtige Bausektor hat sich gleich-

zeitig um 13% ausgedehnt (6 Monate) und verspricht,

da die angefangenen Bauten fertig gemacht werden mUs-

sen, auch im Rest des Jahres eine wesentliche Konjunk-

turstütze zu werden. Bezeichnend ist nun, dass die

Führung in der Produktionszunahme des letzten halben

2 September 1953

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

685

Jahres bei der Konsumgüterindustrie liegt, die in den

ersten 6 Monaten ein gegenüber dem Vorjahr um 18%

höheres Niveau gehalten hat, whrend die Erzeugung

von Investitionsgütern nur um 6% und,die Produktion an

Grundstoffen um 9
%
gestiegen ist. Die Griinde liegen

einfach darin, dass der Übergang zum Kiufermarkt i.m

Jahre 1952 die Chance für eine Mengenkonjunktur.

eröffnet, wie sie theoretisch nicht besser erwartet werden

kann. Auf einigen Konsumgütermrkten wird die Schirfe

der Konkurrenz voll spürbar und zum ersten Male nach

dem Kriege wird teilweise eine sehr scharfe Überprüfung

der Kalkulationsmethoden erzwungen. Die Zunahme der

Differenzierung des Warensortimentes, die erhebliche

Steigerung der Marktbeobachtung und Reklame, die
Entwickiung von Gebrauchtwarenmirkten für Autos

usw. sind Symptôme der verinderten Marktiage.

Die relative Stirkung der Einkommensseite scheint

indessen ihre akzeleratonischeWirkung nicht zu verfehien.

Die Auftragseingânge in der
Investitionsgüterindustrie
im

Frühjahr lassen eine Produktionssteigerung im Herbst

erwarten. Schon sind die kritischen Stimmen im Investi-

tionssektor, die sich wegen des zuriickbleibens dieses

Sektors erhoben hatten, leiser geworden. Besonders

wichtig wird dabei die Entwickiung des Stahimarktes

sein. Denn seit Herbst vorigen Jahres gehen Producktion

und Absatz an Walzstahlfertigerzeugnissen zurück,

da die Verarbeiter mit dem Wirksamwerden des euro-

pischen Stahimarktes eine wesentliche Preissenkung

erwarten, da ausserdem das Tempo der Investitionszu-

nahme sich notwendig verlangsamt – worüber noch zu

sprechen ist – und da auch der Auslandsmarkt nur

rüçk1.ufige Mengen abnimmt. Es spricht indessen man-

ches dafür, dass zum mindesten der weitere Rückgang

durch Verbrauchsgüterindustrie und Baut.tigkeit aufge-

fangen wird, wie der neue Anstieg im Juni bereits zeigt.

Da der Abfall immerhin 20
%
betrigt, wird allerdings
eine Steigerung über den bisherigen Höhepunkt hinaus

wohi nur möglich sein über Preisnachlâsse, ein angesichts
der laufenden Investitionsvorhaben nicht einfach lösbares

Problem. Da es sich dabei umein internationales Problem

handelt, dürfen an den Export keine aussergewöhnlichen

Erwartungen geknüpft weren. Der Ausweg einer Men-

genkonjunktur, der sich im Verbrauchsgütersektor
50

bewhrt hat, ist nur begrenzt gegeben wegen der geringe-

ren Anpassungsfiihigkeit der Stahlindustrie und der ge-

rade in Deutschiand mangeinden Entwickiung des

Kapitalmarktes.
Vielleicht ist für das Konsolidierurigsproblem noch der

Erwiihnung wert, dass sich nunmehr im Jahre 1953 im

Vergleich mit der. Vorkriegszeit die Investitionsgüter-

industrie, die ursprünglich vorausgeeilt war, die Ver-
brauchsgütenindustrie und die Grundstoffproduktion

niveaumissig immer mehr angleichen, wobei freilich em

gewisser Abstand zugunsten der Investitionsgüterindus-

trie aus aligemeinen wachstumstheoretischen Griinden

erwünscht bleibt. Noch zurück ist gegenüber 1936 – fails

das Jahr überhaupt eine geeignete Basis ist – die
Bau-

industrie
trotz ihrer kriiftigen Belebung seit Frühjahr

1953.
Für die Sicherung der Exparision ist sie besondens

wichtig, da die Bauinvestitionen ungefhr 10
%
des

Bruttosozia1prod4ts ujd etwa 44
Y.
der gesamten

Anlageinvestitionen ausmachen. 1952 werden 45
%
der

Mittel seitens der öffentlichen Hand zur Verfügung ge-
steilt. Für das Etatjahr 1953/54 steht absolut sogar em

etwas höherer Betnag von 2,6 Mird. DM aus den öffent-

lichen Kassen bereits zur Verfügung, so dass die kon-
junkturstützende Funktion des Baugewerbes nunmehr

1
e.cAt&ert de’l3ctrj

HERENGRACHT 450

AMSTERDAM

Internationaal
handelsconfact

Financiering van de buitenlandse handel

davon abhingt, wieweit private Bauherren und sonstige

Auftraggeber wie Industrieunternehniungen die restliche

Hilfte der Bauinvestitionen finanzieren. Angesichts dieser

Lage ist es nicht zufâuig, dass die allmâhUche Aufhe-

bung der Stoppmieten im Interesse der Anregung des

pnivaten Baumarktes zum mindesten im Prinzip diskutiert

wird, nachdem die ganze deutsche Nachkriegserfahrung

zeigt, dass die beriihmten ,,Engpsse” sich teilweise als

Scheinprobleme erweisen, wenn die Preisbindungen ge-

lockert und wenn schliesslich die Preise freigegeben wer-

den. Berechnungen über die mögliche Belastung von mitt-

leren und unteren Familieneinkommen durch zunâchst

15-20% Mietenhöhungen sprechen da
t
für, dass derartige

Belastungen zumutbar erscheinen, da die Mietausgaben

bei 4- Personen-Arbeiterhaushaltungen der mittleren Ver-

briuchergruppe 9,3
%
(1952) der monatlichen Gesamt-

ausgaben betragen und da die daraus resultierende Nach-

frageverminderung nach sonstigen Verbrauchsgütern die

Bevölkerung in einem Zeitpunkt treffen würde, in dem

sie sich auf dem aligemeinen Kiufermarkt befindet.

Diese Marktbedingungen können freilich nur gehalten

werden, wenn auf der monetiren Seite alles getan wind,

um eine stetige und keine sprunghafte Expansion zu

sichern. Die jungste Erfahrung zeigt indessen eine evt1

Gefahr eher in umgekehrter Richtung. Denn gegenüber

dem Vorjahr haben die kontraktiven Tendenzen per

Saldo zugenommen. Dies liegt weniger daran, dass die

Kreditgewiihrung
des Bankensystems nachgelassen hat,

als an der überproportionalen Zunahme der Spareinlagen

und Termindepositen, so dass der kontraktiv wirkende
Saldo sich wesentlich erhöht hat. Daraus resultiert die

Verfluissigung des Geldmarktes mit der Folge einer Sen-

kung des Diskontsatzes auf 3
1
%.
Der Rükgang der

Geldumlaufsgeschwindigkeit (Gesamtumsiitze : Geidvo-

lumen) charaktenisiert ebenfails die Lage. Die Kredit-

institute nehmen die Zentralbank schon seit 1951 immer

weniger in Anspruch. Die Bedeutung dieser Situation

wird ersichtlich, wenn man sich vergegenwiirtigt, dass

Mitte 1952 der Diskontsatz noch 6
Y.
betrug.

Erwartungsgemâss geht mit dieser Entwicklung eine

gewisse Belebung des
Kapitalmarktes
parallel. Zwar ist

der

klassische Zusammenhang beiweitem noch nicht her-

gesteilt; andrerseits hat sich aber doch der Anteil der

Kapitalmarkt-Mittel an der Investitionsfinanzierung er-

höht. Wihrend er im 1. Halbjahr 1952 noch 18
Y.
betrug,

ist er im 2. Halbjahr 1952 auf 33
%
gestiegen und hat

damit erstmals die Quote der öffentlichen Haushalts-

mittel übertroffen. Die mittel- und langfnistigen Bank-

kredite, die in den ersten 5 Monaten 1953 um 43
%
höher

liegen als im Vorjahr, haben daran einen wesentlichen An-

teil. Der Bestand an Wertpapieren hat sich in den Bankbi-

lanzen mehr als verdoppelt. Freilich handelt es sich dabei
nicht um einen ,,freien” Kapitalmarkt. Vielmehr schlagen

686

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTÉN
2 September 1953

sich darin teilweise die Auswirkungen des Ersten Kapital-

marktförderungsgesetzes vom Dezem ber 1952 nieder.

Der Erfoig der steuerlichen und sonstigen Prifferenzen der

öffentlichen Anleihen hat dazu geführt, dass die öffent-

lichen Wertpapiere zu etwa 2/3 an den gesamten Ver-

kitufen beteiligt sind, – ein Prozess, der auf die Dauer

keineswegs. erwünscht ist. Ob die Senkung der Körper-

schaftssteuer von 60 auf 30
Y.
für den ausgeschütteten

Gewinn von 1954 ausreicht, um den privaten Kapitalgeber

an erhöhter Aktienemission genügend zu interessieren,

muss erst die Erfahrung zeigen. Bei Stahi und Kohie

dürften die Sozialisierungserörterungen unabhângig davon

bis aufweiteres ein gewisses Hindernis in dieser Hinsicht

bilden. Mit diesen Kapitalmarktproblemen werden aber

bereits die lang- und mitteifristigen Aspekte der Konjunk-

turdiagnose angedeutet. -.

Das Problem der Sicherung der wirtschaftlichen Weiter-

entwickiung Deutschiands bedarf notwendig der Einbe-

ziehung
löngerfristiger Aspekte,
da nach einer verhiltnis-

mitssig schnellen Wederaufbauperiode der angemessene
Grad der Expansion neu zu finden ist. Die Mengen- und

Wertreihen zeigen von 1948 bis 1951 im aligemeinen

derartig hohe Zuwachsraten, dass im Ausland das Zerr-

bild vom ,,Wirtschaftswunder” auftauchen und im Inland

die Vorstellung eines ewigen Verkiufermarktes mit allen

Folgen entstehen konnte. Preismiissig sind die Jahre 1948

bis 1950 durch grosse Streuung der einzelnen Indizes im

Vergleich mit der Vorkriegszeit gekennzeichnet. Das Jahr

1951 bringt nun auch fiir Textilwaren- und .Schuhpreise

im Einzelhandel die Anpassung an das Niveau der übrigen

Indizes, so dass man von etwa Mitte 1952 an erstrnalig
auch von einer Konsolidierung des Preisbildes im Ver-

gleich mit der Vorkriegszeit sprechen kann. Mit weicher

Zuwachsrate kann also auf diesem Hintergrund nunmehr

gerechnet werden?

Dag
Bruttosozialprodukt –
stets in Preisen von 1936

gerechnet – steigt von 1949-1952 jihrlich mit fallender

Tendenz, und zwar mit 17 %, 15
Y.
und 6 %; analog
nimmt das Nettosozialprodukt zu Faktorkosten (Volks-

einkommen) um 14 %, 12 % and 6
Y.
zu. Damit hat sich

nach der einmaligen Periode des Wiederaufbaues die

deutsche Zuwachsrate dem internationalen Niveau ge-

nilhert ohne dass schon die künftig wahrscheinlich

niedrigere Norm erreicht ist. Denn das amerikanische

Bruttosozialprodukt ist von 1910-1950 durchschnittlich

jihrlich nur um 3 % gewachsen. Bezogen auf den Kopf

der Bevölkerung, die durch den Flüchtlingsstrom ausser-

gewöhnlich zugenommen hat, liegt das Volkseinkommen

1952 um 30
Y.
höher als 1949 und um 10 % höher als

1936 bzw. etwa gleich hoch wie 1938. Grob gerechnet

sind also 7 Jahre nach dem Kriege die Voraussetzungen

wieder gegeben, um der Bevölkerung die alte Realeinkom-

menshöhe zu ermöglichen, wobei von Verschiebungen im

Einkommensaufbau abgesehen wird. Wachstumstheore-

tisch bleibt aber der relative Rückstand Deutschiands, da

im Falle einer ungebrochenen Entwickiung das reale Em-

kommen je Kopf etwa 18% – statt 10
0
/,
– höher sein

könnte als 1936, wenn man von einer jâhrlichen Realein-

kommenssteigerung je Kopf von nur 1 % ausgeht, wih-

rend die Vereinigten Staaten von 1929 bis 1950 eine Zu-

nahme von 1- % gehabt haben. Es scheint also insoweit be-

gründet, in den niichsten Jahren nach Möglichkeit eine

jiihrliche Zuwachsrate des Volkseiiikornmens anzusteuern,

die etwas über dem Erfahrungssatz von 3 % liegt, sich

also vielleicht zunâchst noch zwischen 4 und
5
Y.
bewegt,
um angesichts des anhaltenden Flüchtlingsstromes die

bisherigen Erfolge zu sichern und um sich darüber hinaus

der internationalen Realeinkommenssteigerung je Kopf
wenigstens zu n2ihern. Damit würde Deutschland auch

im Aussenhandel eine stiirkere Aufnahmefahigkeit ent-

falten. Flir die konjunkturpo]itische Therapie foigt daraus,

dass die Wachstumskrtfte besonders gepflegt werden

müssen.

Der Einkommenszuwachs Deutschlands wird absolut
und relativ von der
Industrieproduktion
getragen. Sie hat

– stets in Preisen von 1936 – von 1949 bis 1952 die

grösste Einkommenssteigerung mit fast 60 % ermöglicht

bei einer gesamtwirtschaftlichen Zunahme von nur 35 %.

Handel und Verkehr sowie Landwirtschaft mit einer je

28 %igen Steigerung bleiben demgegenüber relativ zu-

rück. Anders ausgedrückt: an der Zunahme des gesamten

Sozialprodukts in diesen 4 Jahren ist die Industrie mit

60 % beteiligt. Angesichts der im Vergleich mit der Vor-

kriegszeit vernderten Wirtchaftsstruktur kann dement-

sprechend eine Sicherung der weiteren Expansion nur

von einer verstiirkten Industrialisierung erwartet werden

– mit allen Konsequenzen etwa fiir die Landwirtschaft

oder den Aussenhandel. –

Innerhalb der Industrie liegt die Führung beim
Inves-
titionsgütersektor,
so dass die derzeitige Aufholung der
Verbrauchsgüterproduktion eben nur unter konjunktu-

rellen Gesichtspunkten positiv gewertet werden kano.

Das Ziel einer Sicherüng der Expansion in dem angegebe-

nen Rahmen kann daher auch nur mit Hilfe einer hohen

Investitionsquote erreicht werden. Tatstchlich hat sich

die Nettoinvestitionsquote (Neuanlagen und Vorrats-

iinderung in v.H. des Nettosozialprodukts zu Marktprei-

sen) 1951 und 1952 auf 21,3 % gehalten. Es ist aber doch

bezeichnend, dass sich spezieli die gesamten Anlageinvs-

titionen (ohne Vorrilte und ohne Investitionen fiir die
Besatzung) von 1949 bis 1952 volumenmissig immer

langsamer erhöht haben, mimlich mit einer Rate von

28 %, 12
Y.
und
5
%. Klammert man die Bauten aus,

so bleibt eine jâhrliche Zunahme der Anlageinvestitionen

volumenmissig in Höhe von 22 %, 17 % und im letzten

Jahr um 9 %, d.h. die Investitionen in Maschinen und

Apparaten haben sich stârker ausgedehnt als die Bau-

Investitionen.

Angesichts dieser sehr wesentlichen Verinderungen

fragt es sich, ob die derzeitige
Investitionsquote
ausreicht,
um ein bestimmtes Wachstum zu sichern. Wenn man em-

mal in grober theoretischer Vereinfachung unterstelit, dass

der Kapitalkoeffizient in Deutschiand etwa 4 betrâgt,

d.h. das Volkseinkommen von 98 Milid DM mit einem

Kapitalstock von etwa 400 Milid DM (ohne Boden)

gebildet wird und wenn man für die niichsten Jahre aus
den oben genannten Griinden eine Zunahme des realen

Volkseinkommens von zuniichst noch 5 % für wünschens-

wert hâlt, dann wilre eine etwa 20 %ige Investitionsquote

erfôrderlich; die tatsiichlich für 1951 und 1952 gegebene

Quote müsste demnach auch in den nâchsten Jahren
gehalten werden. Insofern müssten Mittel und Wege

gefunden werden, um den privaten Verbrauch auch bei

steigendem Volkseinkommen in gewissen Grenzen zu

halten. Dies ist nicht nur ein quantitatives, sondern auch
ein qualitatives Problem, da der Durchschnittsverbrauch

je Kopf sich gegenüber der Vorkriegszeit sehr unter

schiedlich entwickelt hat. Bezogen auf 1936 liegt der
private Verbrauch im Jahre 1952 urn 4,7 % höher bei

einer Einkommenssteigerung um 10 %; bezogen auf 1938
dagegen liegt der private Verbrauch 1952 um 10 % tiefer.
Vergleichsweise am meisten zuriickgeblieben ist der Ver-

brauch an Genussmitteln (mit – 27 % im Verhiiltnis zu

1936) und an Wohnungsnutzung (mit – 10% gegenüber

2 September 1953

ECONOMISCH-STATISTISCHEBERICHTEN

687

1936) dank teils der Stoppmieten, teils der Wohnraum-

bewirtschaftung. Uberproportional gestiegen sind die

Verbrauchsausgaben für Heizung und Beleuchtung (+

46 %), für Verkehr (+
40
%), fiir Körper- und Gesund-

heitspflege (+
38
%), für Möbel und Hausrat (+
36
%).
Da der wichtigste Posten, nâmlich der Aufwand für

Nahrungsmittel, 1952 auf dem Niveau von 1936 liegt,

scheini es vertretbar, der Bevölkerung bis auf weiteres

eine hohe Spar-, bzw. Investitionsquote zuzumuten.

Wirtschaftspolitisch rücken damit die Kapita1markpro-

bleme gerade auch unter Iangfristigen Gesichtspunkten

in den Vordergrund. Münster (Westf.).

WALTHEP. G. HOFFMANN.

Landbouw- en visserij beleid

Inleiding.

Doel van dit artikel is zich te bezinnen op visserijbe-

leid. De aangewezen weg hiertoe zou zijn in het bijzonder

de Memorie van Toelichting op de jaarlijkse begroting

van het Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedsel-

voorziening en de Memoriën van Antwoord op de Voor

lopige Verslagen te bestuderen, voor zover betrekking

hebbende op de Visserij. Doet men zulks, dan vindt men

gegevens over aanvoer en export van vis (in 1952 be-

reikte de export van vis een bedrag van bijna f 100 mln)

en wordt men in aanraking gebracht met een veelheid van

voor de Visserij minder of meer belangrijke onderwerpen.

Ten aanzien van visserijbeleid wordt echter volstaan

met de opmerking, dat men zich daarover beraadt.
Wil men zich nochtans bezinnen op visserijbeleid en

daarbij zo realistisclî mogelijk blijven, dan verdient het

aanbeveling geen wensprogramma op te zetten, doch

met name het Nederlandse landbouwbeleid te bestude-

ren en daaruit conclusies te trekken t.a.v. visserijbeleid.

Tegen deze gedachtengang kan weinig bezwaar zijn,
aangezien de problemen van landbouw en visserij en

wel met name de afzetproblemen, in vele opzichten over-

eenkomstige aspecten vertonen. Het is dan ook om deze

reden dat wij in dit artikel uitvoeriger op de Nederlandse

landbouwpolitiek ingaan.

Om inzicht te verkrijgen in het huidige landbouwbe-

leid is het noodzakelijk allereerst het landbouwbeleid in

het verleden te analyseren; vervolgens de huidige land-

bouwpolitiek te beschouwen en na een critische beoor-

deling te concluderen wat als meest waarschijnlijk vis-

serijbeleid mogelijk is.
De Nederlandse landbouwpolitiek véôr 1930.

De grondslagen voor de Nederlandse landbouwpoli-

tiek gedurende de periode tot 1930 vindt men terug in

het rapport, uitgebracht door de Staatscommissie van

1886.

Omstreeks 1880 verkeerde de Nederlandse landbouw in

deplorabele omstandigheden. De opkomst van de spoor-

wegen en de vervanging van zeilschepen door stoom-
schepen leidde tot ontsluiting van nieuwe gebieden in

Amerika en Z.O.-Europa, waardoor import van aan-

zienlijk goedkopere landbouwproducten mogelijk werd.

Naast deze structurele oorzaken waren er nog incidentele

oorzaken, welke eveneens tot moeilijkheden in de land-

bouw hebben geleid.

Op de diepgaande landbouwcrisis, welke omstreeks

1880 het gevolg was van de veranderde omstandigheden,

werd niet door de Westeuropese landen op dezelfde

wijze gereageerd. Duitsland, nog voornamelijk een agra-

risch land, ging de eigen landbouw tegen concurrenti

beschermen. Engeland, een industriële mogendheid ge-

worden, was aangewezen op een omvangrijke buiten-

landse afzet van industriële producten en invoer van

voedingsmiddelen. Het handhaafde de vrijhandel, waar-

door de Engelse landbouw van relatief geringe betekenis

werd. Nederland had een niet onbelangrijke buiten-

landse handel, was daardoor ingesteld op vrijhandel en

handhaafde deze. Voor de Nederlandse landbouw dreigde

dientengevolge hetzelfde verval als de Engelse landbouw

ondervond. De Nederlandse. Regering stelde echter een

commissie in, die een nader onderzoek instelde en

middelen ter verbetering aangaf. Deze Staatscommissie

van 1886 constateerde op het platteland op velerlei gebied

achterlijkheid: gemis aan een goede organisatie van de

boeren, het vrijwel ontbreken van landbouwcoöperaties,

een siechte regelirg van het landbouwcrediet, enz. Aan-

passing aan de veranderde omstandigheden achttè de

Co:rimissie noodzakelijk, zodanig, dat de kosten verlaagd

en de opbrengst verhoogd zou worden. Door middel van

onderwijs, voorlichting en onderzoek zou naar de mening

van de Commissie de Overheid in belangrijke mate kun-

nen bijdragen tot het aanbrengen van technische ver-

beteringen om tot een goedkopere productie te komen.

Van de zijde der boeren zou gestreefd moeten worden

naar verbetering van de Organisatie en naar de totstand-

koming van ankoop-, afzet-, crediet- en verwerkings-

coöperaties.

Het advies van deze Commissie werd in praktijk ge-

bracht. Van. die tijd dateert het landbouwonderwijs, de

landbouwvoorlichting en het landbouwonderzoek van

overheidswege en de landbouwcoöperaties van de zijde

van het bedrijf. Zonder protectie kwamen de Nederlandse

boeren de diepgaand
j
e landbouwcrisis der tachtiger

jaren te boven en dat niet âlleen de landbouw is in de

volgende decennia een belangrijk exportbedrijf geworden

van veredelde producten als boter, kaas, condens,

eieren, bacon, groente en bloembollen.

Tot deze gunstige ontwikkeling van de Nederlandse
landbouw hebben veel bijgedragen de opkomst van de

landbouwcoöperatie en het van overheidswege ingestelde

landbouwonderwijs, de -voorlichting en het -onderzoek.

Thans wordt in de toelichting op de begroting van het

Ministerie van L.V. en V., terecht, elk jaar opnieuw ge-

wezen op de grote betekenis van de uitgaven, enige tien-

tallen millioenen, voor landbouwonderwijs, -voorlich-

ting en -onderzoek.

De landbouwpolitiek van de periode tot 1930 werd

dus gekenmerkt door de grote aandaht van de Overheid

besteed aan de technische ontwikkeling door middel van

onderwijs, voorlichting en onderzoek. Van de zijde van

het landbouwbedrijf werden Organisatie en coöperatie

tot ontplooiing en vervolmaking gebracht. V66r 1930

werd aldus een hoog technisch peil bereikt: de boeren

waren ingesteld op verhoging van hun prodictie en

verbetering van de kwaliteit.

De landbouwj,oljtje/c in de crisisjaren 1930-1940.

Omstreeks 1930 werd de Nederlandse landbouw op-

nieuw bedreigd. Reeds vôdr 1930 waren er moeilijkheden

688

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
2 September
1953

ten gevolge van de uitbreiding van de Amerikaanse
landbouw tijdens de eerste wereldoorlog en door de

mechanisatie van de Amerikaanse landbouw. De Neder-

landse landbouw, v66r 1930 in toenemende mate een

exportbédrijf geworden, werd nu zwaar getroffen door

een afzetcrisis. Technisch was een zeer hoog peil bereikt;

doch thans dreigde de cconomische ondergang. Dit

noodzaakte reeds spoedig tot ingrijpen van de Neder-

landse Regering, omdat om economische, sociale en

militaire redenen behoud van de Nederlandse landbouw

gewenst was. Er van uitgaande dat men met een tijdelijke,

doch diepgaande conjunctuurdepressie had te maken,

werd er volstaan met overheidshulp gebaseerd op de ver

zorgingsgedachte op éen minimumniveau (het water

mocht net niet over de rand van de onderlip komen!).

De Landbouwcrisiswet van 1933 gaf de basis voor een

meer systematisch geordend ingrijpen. Op grond van

deze wet werden van overheidswege de productie en de

prijzen geregeld, gepaard gaande met een vèrgaand

ambtelijk ingrijpen in de bedrijfsvoering van de boer.

De ondergang van de Nederlandse landbouw werd er

door voorkomen. In deze jaren moest de boer zich wel

meer gaan interesseren voor de economische zijde van

..zijn bedrijf. De Nederlandse boer werd ,,price- and cost-

minded”. Dit komt duidelijk tot uitdrukking in het aan-

vatten van een nieuw gebied van onderzoek. Naast de

technische research werd in de jaren v66r 1940 het econo-

misch onderzoek grondig aangevat, waarvan de oprich-

ting van het Landbouw-Economisch Instituut een wel-

sprekend getuigenis is. Voorts ging de gedachte van een

tijdelijke conj unctuurdepressie langzamerhand plaats
maken voor het inzicht dat men met een economische

structuurwijziging had te maken.

De huidige landbouwpolitiek.

Gedurende de oorlog werd ondergronds de na-oorlogs-

tijd voorbereid. De verzorgingsgedachte op minimum.

niveau maakte plaats voor het verlangen naar een doel-

bewust economisch landbouwbeleid. Een eerste uiting

daarvan was het instellen van een eigen Ministerie van
Landbouw (Visserij en Voedselvoorziening). Als doel-

stelling van de landbouwpolitiek wordt reeds spoedig

in de toelichting op de begroting en in de Memoriën van

Antwoord gesteld: een zo groot mogelijke bijdrage van

de Nederlandse landbouw aan het nationale product,

kostprijsverlaging en stabilisatie van de prijzen. Daarbij

werd’ tevens door de Minister gesteld, dat zijn beleid zou

zijn gericht op een streven naar bestaanszekerheid voor

de werkers op het goed geleide en economisch verant-
woorde land- en tuinbouwbedrjf. Een zekere mate van

productie- en marktordening is daarbij noodzakelijk,

doch de bedoeling is te streven naar eenvoud in de maat-

regelen, zodanig, dat de grootst mogelijke vrijheid in de

bedrijfsvoering zal worden verkregen. Dus zo weinig

mogelijk dwingende voorschriften.

In
1952
vinden we in de Toelichting op de Begroting

en in de Memorie van Antwoord het landbouwbeleid

nader uitgewerkt.

Doel van het landbouwbeleid blijft: productieverho-

ging en rationalisatie van het landbouwbedrijf, gesteund

en gestimuleerd door landbouwonderwijs, -voorlichting

en -onderzoek.

Doel van het prijsbeleid in de landbouw blijft: de

werkers in de landbouw een redelijke bestaansmogelijk-

heid te verschaffen, terwijl ook prijsmaatregelen nodig

zijn voor de producten, die voor de voedselvoorziening
van Nederland van bijzondere betekenis zijn.

Drie categorieën worden onderscheiden:

producten, waarvan de vôortbrenging uit een oog-

punt van algemeen Nederlands belang moet zijn gewaar

borgd en waarvan de prijsvorming nagenoeg geheel door

de Overheid moet worden beheerst. Tot deze producten

behoren tarwe, koolzaad, suikerbieten en consumptie-

melk. Hiervoor geldt een vaste gegarandeerde prijs ten

minste gelijk aan de kostprijs en een redelijke onder-

nemerswinst;

producten, die hetzij voor de boer, hetzij voor de

consument van fundamentele betekenis zijn. Voor de

boer
,
zijn deze producten van groot belang voor de uit-

komsten van zijn bedrijf. Tot deze producten behoren

industriemelk (ter verwerking tot boter, kaas en condens),

vlees, voedergraan en aardappelen. De prjsregeling van

deze producten houdt geen volledige garantie in. Daaren-

tegen kan een Vrije uitloop van de prijzen van deze pro-

ducten naar boven worden toegestaan;

3, producten, waarvoor van overheidswege geen

prijsregeling wordt ontworpen of prijsgarantie gegeven,

doch waarvan de marktrisico’s geheel voor rekening ko-

men van de producenten. Tot deze producten behoren

bijv. alle tuinbouwproducten.

Het streyen blijft gericht op een redelijke stabiliteit in
de prijsontwikkeling, echter zonder dat productie en af-

zet meer worden gebonden dan strikt noodzakelijk is.

Het te voeren beleid wordt gerechtvaardigd geacht in

verband met de grote conjunctuurgevoeligheid van de

landbouw, de geringe elasticiteit van de vraag en de be-
langrijke plaats die de landbouw economisch en sociaal
in Nederland inneemt.

Vermeld dient nog te worden dat t.a.v. de tuinbouw

met nadruk wordt verzekerd, dat, indien door instorting

van de markt de tuinbouw in een noodtoestand mocht

komen, het nemen van geëigende maatregelen zal worden

overwogen.

Het standpunt van de boeren t.o.v. het huidige landbouw-

beleid.

Gedurende de eerste jaren na de bevrijding was een

stringente prijsregeling voor landbouwproducten onver-

mijdelijk. In 1949 kon echter reeds tot een globaler stel-

sel van markt- en prijsregeling worden overgegaan. Dit

heeft er toe geleid, dat het schrikbeeld der herinnering

aan de dertiger jaren de boeren weer voor ogen kwam.

Bovendien meent men morele rechten te hebben, aange-

zien de prijzen op de binnenlandse markt na de bevrijding

jarenlang aanzienlijk beneden de prijzen lagen welke bij

uitvoer zouden zijn verkregen. Het lagere prijsniveau

heeft men echter aanvaard omdat men de toezeggingen

zag als een waarborging van een redelijke rentabiliteit in

de landbouw op langere termijn. In verband daarmede

vraagt de Stichting voor de Landbouw, sprekende na-

mens de gehele Nederlandse landbouw, als één der doel-

stellingen van landbouwbeleid: het handhaven van een
redelijke bestaansmogeljkheid in de land- en tuinbouw

bij een zich ontwikkelende ongunstige conjunctuur en

wel door middel van
1):

versterking van de ,,eigen concurrentiekracht” van

boeren en tuinders door het bevorderen van een

rationele productie (lândbouwond
.
erwij s, -voorlich-

ting en -onderzoek!);

bevordering van de afzet, inzonderheid van de export;

een stelsel van garantieregelingen voor de voornaamste

producten.

1) ,,Mededelingen” van de Stichting voor de Landbouw, 22 Mi 1953.

2 September 1953

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

689

Critische beschouwing.

Beschouwt men de wensen van de georganiseerde

landbouw nader dan is het duidelijk, dat bevordering van

de eigen concurrentiekracht en van de export voor de

landbouv van primaire betekenis zijn. Hiervan is ook de
Overheid overtuigd, daaraan valt niet te twijfelen.

Het gevraagde stelsel van garantieregelingen dient ech-

ter nader te worden bezien. Daarbij kan worden opge-
merkt, dat het in de jaren direct na de bevrijding geen

problemen met zich bracht om lonende prijzen te garan-

deren. Thans is 4e Nederlandse landbouw echter als

exportbedrijf weet in belangrijke mate afhankelijk van

het buitenland en is snel reageren op een wisselend prijs-
veribop en wisselende afzetmogelijkheden noodzakelijk.
Onder dergelijke omstandigheden zijn aan prijsgaranties

ernstige bezwaren verbonden.

Bovendien betekent een prijsgarantie onvermijdelijk

ook het aanvaarden van voorwaarden van de Overheid.

Een typisch voorbeeld te dien aanzien zijn de eieren. Op

zeker ogenblik .wenste ook de pluimveehouder voor zijn

eieren een garantieprijs. De Minister verklaarde zich

daartoe bereid, doch, uiteraard, onder voorwaarde van

de strikte regeling van productie en afzet. Dit is volkomen

begrijpelijk: men kan het ondernemersrisico niet zonder

meer afwentelen op de belastingjetalers. De pluimvee-

houders waren verstandig en zagen af van prijsgaranties

van de Overheid!

Ten slotte kan men zich afvragen welke waarde aan

garantieregelingen moet worden gehecht. Geven deze in-

derdaad zekerheid? Het betrekkelijke daarvan ziet men

thans ook in de kringen van de landbouw. wel in
2).
Wat

men o.i. kan verlangen is, dat de ene groep van de bevol-

king niet wordt achtergesteld bij de andere groep. In

deze geest wordt het in de Memorie van Antwoord op

het Voorlopig Verslag van de Tweede Kamer op de be-

groting van Landbouw in 1952 door de Minister van

Landbouw eveneens bezien. Men kan bestaanszekerheid,

zo wordt daar uiteengezet, niet los zien van de andere

sectoren van het economisch leven. Het gaat om de ver

deling van het nationale inkomen. Elk moet zijn recht-

vaardig deel krijgen. Uitgangspunt van het prijsbeleid, zal

dus moeten zijn, volgens eerder genoemde M.v.A., het

zoeken van de juiste verhouding tussen het welvaartspeil

van de boeren, tuinders en landarbeiders en de overige

groepen der bevolking. Met andere woorden, aan garan-

ties moet niet meer betekenis worden- gehecht dan prac-

tisch bereikbaar is! Terecht zei de Minister bij de behan-

deling van de landbouwbegroting voor 1952 in-de Tweede

Kamer, dat ,,de beste zekerheid is gelegen in eigen

kracht”. –

Conclusie met betrekking tot de visserij.

Na critische bestudering van het Nederlandse land-

bouwbeleid wordt het môgelijk de plaats van de visserij

in het huidige overheidsbeleid nader te bepalen, zonder

daarbij te vervallen in een programma van vrome wensen.

Het is duidelijk, dat vis bezwaarlijk gerekend kan wor-

den tot de producten waarvan de productie uit een oog-

punt van algemeen belang moet worden gewaarborgd of

welke voor de consument van fundamentele betekenis

zijn. Vis moet dus worden gerekend tot de groep produc-

te,n, waartoe ook alle tuinbouwprôducten behoren,

d.w.z. producten, waarvöor van overheidswege geen ga-

rantieregeling met betrekking tot de prijs wordt ontwor-

pen en waarvoor alle marktrisico’s geheel voor rekening

‘) ,,De Fruitteelt” van 2 Mei 1953: ,,Garantieprijzen ook voor ons fruit?” door
Ir G. J. Kiompe, sdcretaris van de Gelderse Maatschappij van Landbouw.

komen vande ondernemer. Wel zou voor de visserij een

overeenkomstige verzekering als voor de tuinbouw moge-

lijk moeten zijn, nl. wanneer door externe oorzaken het

bedrijf in ernstige moeilijkheden komt, de Overheid ge-

eigende maatregelen in overweging zal nemen, terwijl

ook in andere opzichten achterstelling van de vissers bij

andere- bevplkingsgroepen, bijv. bij land- en tuinbouw,

dient te worden voork9men.

De toekomst, van de visserij hangt dus in de eerste

plaats af van de eigen kracht, d.w.z. van de eigen onder-

nemerslust! De taak van de Overheid zal dan evenals met

betrekking tot de tuinbouw die kunnen zijn van een

krachtig, de visserij stimulerend en bevorderend, op-

treden – –

Het Rapport van de Commissie Sanering Zeevisserij.

Tegen de aëhtergrond van de vobrafgaande beschou-

wingen wordt het mogelijk het Rapport van de in 1950,

op initiatief van het ‘overkoepelend -orgaan van de Vrije

visserij-organisaties: de ,,Stichting van de Nederlandse

Visserij”, ingestelde Staatscommissie Sanering Zee-

visserij
3)
nader te beschouwen. –

Laten wij van dit rapport voor de visserij een even

zegenrjk effect mogen verwachten als het rapport van

de Staatscommissie van 1886 had t.o.v. de -landbouw!

De lezer er win bemerkt reeds spbedig dat de Nederlandse

visserij in vele opzichten achterstaat bij de landbouw en
daardoor ongeveer een halve eeuw achterstand op korte

termijn-zal moeten inhalen.

Met betrekking tot de coöperatieve aankoop van visse-

rijmaterialen en de coöperatieve – afzet en verwerking

van vis wijst het rapport er op, dat op dit terrein voor de

reders en, vissers een belangrijke taak ligt te wachten ten-

einde de kosten-te verlagen en de opbrengst te verhogen.

Veel aandacht wordt in het rappôrt besteed aan vis-

serij-onderwijs, -‘voorlichting en -onderzoek. Ook hier

moet een grote achterstand worden ingehaald. Dit is

uiteraard een terrein waar in het bijzonder de Overheid

een taak heeft om door opvoering van vakkennis en

energie’ de eigen coiiurrentiekracht van de reders en

vissers te vergroten.Ofschöon de laatste jaren naar verbe-

tering op, dit gebied wordt gestreefd is er nog steeds

sprake van een grote achterstand t.o.v. de

land- en tuin-

bouw. Het ware zeer zeker in het belang van de visserij

wanneer het visserij-onderwijs evenâls het landbouw-

onderwijs onder het Ministerie van Landbouw, Visserij

en Voedselvoorziening kwam te ressorteren en,wanneer

dit visserij-onderwijs en de visserijvoorlichting op het-

zelfde niveau werd gèbracht als het landbouwonderwijs
en de landbouwvoorlichting.,

Onderwijs en voorlichting dienen gevoed te worden

uit het toegepast wetenschappelijk onderzoek. Ook hier

is t.o.V. de landbouw een achterstand in te halen.
Het is zeer te betreuren dat het rapport van de Staats-

commissie van 1886 destijds niet mede aanleiding is ge-

weest voor de Overheid om ook voor de visserij vakon-
derwijs, voorlichting en onderzoek tot volle ontplooiing

te brengen. Thans is het gewenst de achterstand op korte

termijn in te lopen. Het is immers duidelijk, dat het be-

heer van moderne vissersvaartuigen met hun kostbare

instrumenten en investeringen per opvarende van

f 30.000 tot f 100.000 totaal andere eisen stelt dan de

eenvoudige .zeilvaartuigen van enige decennia geleden!
In het rapport van de Commissie Sanering Zeevisserij
wordt eveneens aandacht besteed aan de credietvoorzie-

ning in de visserij. Voor dit onderwerp werd reeds’eerder

5)
Verslagen en Mededelingen van de Directie van de Visserjen, no 42

690

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
2September 1953

in dit weekblad aandacht gevraagd
4)
.
Er is toen op gewe-

zen, dat in verbtnd met het grote verschil met de land-

bouw wat betreft de aard van de credietbehoefte in de
visserij een speciale visserjbank gewenst geacht moet

worden; uitsluitend voor de verlening van lang crediet.

In verschillende Westeuropese landen treft men een der-

gelijke voorziening reeds aan. In Nederland zijn het

Bedrijfsuitrustingscrediet en de bijzondere credieten van

de Nederlandse Middenstandsbank oplossingen van

overeenkomstige moeilijkheden met de credietvoor-
ziening op het gebied van het klein- en middelgroot-

bedrijf in de industrie.

In het rapport van de Commissie Sanering Zeevisserij

wordt voorts aandacht gevraagd voor verbetering van

de vissersvloot en de afzet van vis. Met betrekking tot

de bouw van nieuwe vissersvaartuigen heeft de Com-

missie zich niet alleen afgevraagd of een betere crediet-

voorziening gewenst is, dôch eveneens of de huidige hoge

bouwkosten in verband met een eventuele prijsdaling

op de duur niet hoger zullen blijken dan de exploitatie

kan opbrengen. Een overeenkomstige vraag dus als

thans actueel is met betrekking tot de bouw van een

tweede passagiersschip van het type ,,Nieuw-Amster-

dam” ). Zouden geen geëigende maatregelen worden

getroffen, dan is mede.in verband met het verval van de

grote trawlvisserj van IJmuiden een verdere eenzijdige

en daardoor bezwaarljke vlucht in nieuwbouw van

) Zia: ,,’De finan:iring van het visserijbedrijf” in ,,E.-S.B.” van 6 5eptcmber
1930.
‘) ,,Nieuwe Rotterdamse Courant” van 20 Mei 1953,

kleine,niinder kostbare schepen onvermijdelijk. Voorts
is de bouw van nieuwe loggers tot nog toe te gering om

de vloot op de duur in stand te kunnen houden. Wel

hebben de reders in de afgelopen jaren bij gebrek aan

voldoende middelen voor nieuwbouw een deel van hun

zeer oude loggers gemoderniseerd, doch het moet niet

onwaarschijnlijk worden geacht, dat ten gevolge van

hoge onderhoudskosten goedkoop na verloop van enkele

jaren duurkoop zal blijken te zijn.

Slot beschouwing.

Teneinde ons te bezinnen op visserjbeleid, was het

gewenst dit te doen tegen de achtergrond van het hier te
lande gevoerde landbouwbeleid. Het zal de lezer duide-

lijk zijn, dat inderdaad van een
sisternatisch
landbouw-
beleid kan worden gesproken. Het zal evenzeer begrij-

pelijk zijn, dat de huidige landbouwpolitiek in het alge-
meen de instemming heeft van de Nederlandse land- en

tuinbouw. Dat de Nederlandse Regering bij dit land-

bouwbeleid een belangrijke stimulerende taak vervult

spreekt vanzelf. Ofschoon onder hetzelfde Ministerie

ressorterend moet, er t.a.v. de visserij van een achter-

stand worden gesproken. Binnen het raam van het meest

waarschijnlijk te achten visserijbeleid ligt er een be-

langrijke taak zowel voor het bedrijf als voor de Over-

heid om deze achterstnd zo spoedig mogelijk in te ha-

len, ter versterking van de eigen concurrentiekracht van

de visserij, de beste basis voor de toekomst, ook van

het Nederlandse visserijbedrijf.

Scheveningen.

A. G. U. IIILDEBRANDT.

De evolutie van het goederenverkeer in de havens van

Antwerpen en Rotterdam

Tn dt’e. hiidrtçyp 7lIllen wij trstehten le evoltitie vn

TABEL T

het goederenverkeer in beide ‘havens

afzonderlijk te

Antwerpen

schetsen, globaal gezien en naar samenstellende delen,

Lossingen

Ladingen

daarbij de nadruk leggend op enkele bijzondere aspec-

Jaar

Tonnage

Index-

Tonnage

Index

Lossingen
Ladingen

ten. Tevens zullen wij de evolutie in beide havens onder-

(in mln)

cijfer

(in mln)

cijfer

ling vergelijken om daaruit zekere conclusies, die o.i.

niet van belang ontbloot zijn, te trekken 1).

Evolutie der lossingen en der ladingen.

Zoals blijkt uit de tabellen 1 en II evolueerden in de

jaren 1949 tot en met 1951 de lossingen en ladingen in

beide havens in dezelfde richting. Men stelt over de ge-

gehele lijn een voortdurende en gevoelige vermeerdering

vast. Maar zo voor de haven van Antwerpen in 1951

het peil van 1938 overschreden werd, dan is ‘zulks nog

niet het geval voor de haven van Rotterdam, waar in

datzelfde jaar de lossingen nauwelijks 80 pCt van het

vôôroorlogse peil bereiken en de ladingen zelfs beneden

de 70 pCt blijven. –

In 1952 is het totale volume van het goederenverkeer
in Rotterdam verder gestegen, terwijl het in Antwerpen

daarentegen een betrekkelijk, sterke daling vertoont,

die vooral de ladingen treft, zodat deze zelfs weer lichte-
lijk beneden het peil van 1938 gedaald zijn.

) Wij zijn uitgegaan van de jaarcijfers van het goederenverkeer, zoals zij gepu-
bliceerd worden, wat de haven van Rotterdam aangaat, door het Centraal Bureau
voor de Statistiek in de ,,Maandstatistiek van de zeevaart en van het havenverkeer”
en voor de haven van Antwerpen door het Nationaal Instituut voor de Statistiek
in zijn Statistisch Bulletin”.
Teneinde sommige aspecten duidelijker naar voren te brengen, hebben wij de
absolute cijfers in nieuwe tabellen, volgens bepaalde criteria, gerangschikt en een
aantal verhoudingen berekend.

1938

18,3

100

16,5

100

90,4
1949

14,9

82

11,3

68,7

75,8
1950

16,4

90

13,3

80,7

81.1
1951

21,8

119,5

18,0

109,2

.

82,6
1952

20.7

113.6

16.2

97.9

77.9

TABEL 11
Rotterdam

Lossingen

Ladingen
Ladingen
Jaar

Tonnage

Tndex-

Tonnage

Index-

Lossingen
(in mln)

cijfer

(in mln)

cijfer

1938

39,4

100

35,9

100

91,1
1949

18,6

47,2 ‘

13,3

36,9

71,3
1950

25,9

65,9

20,4

56,8

67,5
1951
32,2

81,7

25,1

69,9

78 1952

33,9

86,1

27,8

77,3

81,8

De conclusie ligt o.i. voor de hand. De haven van

Antwerpen werd in de eerste na-oorlogsejaren begun-
stigd door de stijgende economische bedrijvigheid, in

België en in het achterland en door de voordelen die zij

aan het einde van de wereldoorlog wist te trekken uit

een – alhoewel verouderde – gaaf gebleven uitrusting.
De boom-periode die volgde op het uitbreken van het

Koreaans conflict heeft eveneens het goederenverkeer

via Antwerpen gunstig beïnvloéd en in sterkere mate

dan zulks het geval was voor de haven van Rotterdam.

De gunstige invloed die door deze factoren uitgeoefend

TABEL T11•

Globale doorvoer (inkomend en uitgaand)
(in mln ton)

Antwerpen

Rotterdam

1
Verhouding
Jaar

1

1
Antwerpen

Inko-
1
Uit-
1
Totaal

Inko- 1 Uit-

Totaal
mend

gaand

mend gaand

Rotterdam__

1938

….

8,7

8,9

17,6

31,5

31,7

63,2

359
1949

….

5,1

4,7

9,8

9,4

9,4

18,8

191
1950

….

6.2

5,7

11,8

14,1

14,1

28,2

238
1951

….

8,4

8,1

16,4

17,3

17,3

34,6

210
1952

….

7,0

6,6.

13,6

19,0
1

19,1

1
38,1

279

Doorvoer in en ûit zeeschepen
(in mln ton)

1938

….
39,9
5,5
9,4
17,5 14,8
32,3 343
1949

.. . .
2,9 2,3 5,2 4,3 5,5 9,8
187
1950

….
2,6
3,7 6,3
6,8
7,6
14,5
231
1951

. . . .
4,1
4,8
8,8
12,1
5,9
18,1
205
1952

….
4,1
3,4
7,5
14,3
5,7 19.9
267

2September 1953

ECONOMISCH-STATISTISCHE’BERICHTEN

691

deren” met behulp van mechanische werktuigen brengt

aan de haven van 3 tot
5
maal minder op dan die van.

,,general cargo” en vergt zeer weinig arbeidskrachten.

Het aandeel van deze goederen in de totale trafiek van

Rotterdam bedroeg 3/4 in 1938 (waaronder bijna 12

millioen ton kolen van de Ruhr) en was in 1951 slechts

een weinig kleiner. Te Antwerpen daarentegen vertegen-

woordigden ze in 1938 minder dan 50 pCt en in 1951

zelfs minder dan 45 pCt.

TABEL IV

Lossingen
Ladingen

Antwerpen
Rotterdam
Antwerpen
Rotterdam
pCt van het
pCt van het
pCt van het pCt van het
totaal der
totaal der
totaal der totaal der
lossingen lossingen
lossingen
lossingen

Granen

1938
19,4
8,2
7,8 5,5
1951
14,4
6,3
6,8
2,8
Steenkolen

. . . .

1938
15,1
30,4
21,2
35,2
1951
11,3
27,0
11,2
28,5
Ertsen

……..
1938
13,9
28,0
10,2
30,5
1951
15,6
12.9
4,2
16,3
Aardolie

1938
6,8 6.8
4,0
4,5
1951
14,6
27,8
5,9
22,2
Totaal der 4

1938
55,2 73,2
43,2
75,7
rubrieken

1951
56,0
74,0
28,1
69,8

Evolutie van de aan- en afvoer over zee, over de binnen-

wateren en per spoor.

In de haven van Antwerpen zijn er geen spectaculaire

verschuivingen voorgekomen.. De laatste twee jaren zijn
gunstig geweest voor het zeeverkeer. De binnenscheep-

vaart heeft grotelijks haar oorspronkelijke achterstand
goedgemaakt; het verkeer over de binnenwateren ver

tegenwoordigde in
1952
opnieuw ruim 9/10 van dat in

1938. De jaren 1949-1951 waren voor de spoorwegen

niet ongunstig. Dat is niet meer het geval in 1952, toen

1 millioen ton minder vervoerd werd dan tijdens het
Het aanUeel van het transitoverkeer in de lossingen vorige jaar. Het is vooral de aanvoer per spoor die de

en ladingen is in vergelijking met 1938 aanzienlijk ver- grootste daling aanwijst.

minderd. Aangezien de twee havens practisch hetzelfde

In Rotterdam komen de spoorwegen als grote over-
achterland hebben en het grootste deel van hun transito- winnaars uit de strijd ten koste vooral van de binnen-

verkeer aan het Duitse verkeer moet toegeschreven wor- scheepvaart en zelfs van het zeeverkeer. Dit laatste hoofd-

den, kunnen wij besluiten dat Rotterdam (en Bremen) zakelijk wat de afvoer betreft.

in 1952 de grote begunstigden van de opleving van het

Is het aandeel van de spoorwegen in het Rotterdams

Duitse bedrijfsleven zijn geweest. Antwerpen is door havenverkeer dus sterk gestegen, dan wil dit echter nog

deze economische expansie het minst begunstigd geworden niet zeggen dat Rotterdam reeds een ,,spoorhaven”
en werd daarentegen het ergst getroffen door de daling zou geworden zijn op dezelfde voet als Antwerpen. Het

van de algemene conjunctuur. aandeel van de spoorwegen in het totale Rotterdamse

Zuiver statistisch gezien is de doorvoer via Rotterdam havenverkeer blijft nog steeds zeer gering.
heel wat belangrijker dan deze over de
haven
van Ant-

Het is misschien niet van belang ontbloot voor de ver-
werpen, zoals uit de onderstaande tabel III blijkt.

schillende transportmiddelen de verhouding tussen de
Het overwicht van Rotterdam schijnt evenwel minder aanvoer en de afvoer uit te drukken. Enerzijds richten
uitgesproken zo men .rekening houdt met de natuur van de koopwaren zich inderdaad naar de havens die door

de behandelde goederen. Het overslaan van ,,stortgoe-.4jtalrjke lijnen bezocht worden, zodat de afvaarten veel-
werd, is geleidelijk verminderd zodat een stagnatie en

zelfs een vermindering van de goederenbeweging te

Antwerpen is ingetreden.

Evolutie van de invoer, de uitvoer en de doorvoer.

De invoer ligt in de beschouwde na-oorlogse jaren,

zowel te Antwerpen als te Rotterdam, boven het peil

van 1938. In beide havens ste’eg de invoer voortdurend,

maar met grotere sprongen te Rotterdam, waar hij zijn

hoogtepunt bereikt in 1951 om het volgende jaar hetzelf-
de peil te behouden.

De uitvoer over beide havens ligt in 1949 ongeveer

10 pCt beneden het peil van 1938. Het volgende jaar

wordt dit te Antwerpen in lichte mate en in Rotterdam

met bijna 50 pCt overtroffen. In 1951 voert Antwerpen

30 pCt en Rotterdam 85 pCt meer uit dan in 1938. In

1952 loopt de uitvoer via Antwerpen evenwel lichtelijk

terug, terwijl deze over de haven van Rotterdam nu

meer dan het dubbele van 1938 bedraagt.

Het is onbetwistbaar dat Rotterdam de vruchten der

industrialisatie van Nederland begint te plukken. Bij deze

factor moet men ook de gevoelige stijging voegen van

de uitvoer van petroleumproducten, dank zij de verho-

ging van de raffineringscapaciteit. Anderzijds mag men te

Antwerpen weldra een evolutie in dezelfde zin verwach-

ten, wanneer de nieuwe raffinaderijen volledig in werking

zullen zijn.

De doorvoer langs beide havens heeft in de na-oorlogse

jaren veel van zijn belangrijkheid ingeboet ten gevolge

van de. inkrimping van de Duitse handel alsmede van
die van Centraal-Europa. Ook mag men verklaren dat

thans, ongeacht enkele weinig belangrijke uitzonderin-

gen, de gehele Belgische overzeese handel over de Bel-

gische havens gaat en voor 90 pCt over Antwerpen. Zo

ook gaat practisch de gehele Nederlandse overzeese

handel over de havens van dat land. Zulks was niet het

geval v66r de oorlog, toen de Zuidelijke. provinciën

van Nederland tot het achterland van Antwerpen be-

hoorden. Het verdwijnen van dit transito vertegenwoor-

digt voor Antwerpen een verlies van 1 millioen ton.

Dit alles verklaart waarom in 1949 de doorvoer over

Antwerpen nauwelijks de helft en te Rotterdam niet

eens 30 pCt van het peil van 1938 bedraagt. Gedurende

de volgende twee jaren neemt hij nochtans snel toe, en
te Antwerpen stijgt hij in 1951 tot ruim 90 pCt van het

vôôroorlogse peil, terwijl hij te Rotterdam no.g niet ten

volle 55 pCt bedraagt. Het volgende jaar brengt een

relatief sterke daling van de doorvoer over Antwerpen,

tegenover een betrekkelijk belangrijke stijging voor

Rotterdam.

692

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
2 September
1953

vuldig zijn en het tarief der vrachten gunstig is. Ander-

zijds richten de schepen zich echter naar de havens waar
de koopwaren in grote hoeveelheden aanwezig zijn.

Behalve voor de spoorwegen, schijnt op dat gebied

de toestand in Antwerpen heel wat gunstiger te zijn dan
te Rotterdam. Dit is vooral waar wat het zeeverkeer be-

treft, waarvoor in 1950, louter statistisch gezien, de ideale

toestand benaderd werd. Daarentegen is voor de spoor-

wegen de verhouding er uiterst ongunstig, in tegenstelling

met Rotterdam. Maar aan de andere kant is zij in deze

laatste haven bijna ‘even ongunstig voor het zeeverkeer

en tijdens de laatste twee jaren oôk voor de binnen-

scheepvaart, in die.zin echter dat de afvoer over de bin-

nenwateren er 2 tot 3 maal groter is dan de aanvoer.

TABEL V

Verhouding van de ladingen tot de lossingen

(in mln ton)

-aar
J
Antwerpen,
Rotterdam

Zee
Binnen- Spoorweg
Zee
Binnen- Spoorweg wateren wateren

1938

98,6
1

96,1
2J2
72,9
122,4
36
1949

75,4
1

92,5
48,1
64,5 83,3
.

96,3
1950

101,7
1

52
18,4
70,5
95
88,9
1951

92,7
73,3
24,7
39,1
230,8 84,7

Conclusie.

In beide havens is het totale goederenverkeer gedu-

rende de beschouwde periode ‘- van 1949 tot 1952 –

voortdurend en in aanzienlijke mate toegenomen, zodat

in de haven van Antwerpen het peil van 1938 in de jaren

1951 en 1952 in betrekkelijk sterke mate werd overtroffen.

Alhoewel in Rotterdam het goederenverkeer een nog

sterkere stijging vertoont, heeft het nog niet zijn totale

omvang van 1938 herwonnen.

Het wil ons voorkomen dat Rotterdam de toekomst

hoopvoller mag tegemoet zien dan Antwerpen.’

Inderdaad zijn voor Antwerpen de uitzonderlijk gun-

stige factoren van de eerste na-oorlogse jaren en van de

Koreaanse bodm-periode reeds grotendeels weggevallen.

De nadelige gevolgen hebben niet op zich laten wachten

en in 1952 zijn ze reeds duidelijk merkbaar.

Anderzijds hebben wij gezien dat de Nederlandse

nationale uitvoer over de haven van Rotterdam in de

na-oorlogse jaren bestendig stijgt endat hij in 1952 reeds

meer dan het dubbele van de uitvoer van 1938 bedraagt.

Alles laat voorzien dat in de komende jaren dit verschijn-

sel zich verder zal doorzetten en nog meer zal toenemen,

in de mate dat de Nederlandse industrialisatie vordert

en dat deze industrialisatie haar vruchten zal opleveren.

Wanneer Rotterdam nu ook nog verder baat zal weten
te halen uit de herleving van de Duitse industrie en bui-

tenlandse handel, en de doorvoer van en naar dat zo be-

langrijke economisch achterland tot zich zal weten te

trekken, zal weldra ook voor dit soort trafiek het voor

oorlogse peil bereikt en wellicht overschreden worden.

Wanneer wij constateren dat slechts twee havens, nl.

Bremen en Rotterdam, in 1952 de grote begunstigden

van die Duitse opleving zijn geweest, dan komen derge-

lijke vooruitzichten ons als volkomen gewettigd voor.

In Antwerpen daarentegen is de doorvoer in datzelfde

jaar 1952 in niet onaanzienlijke mate gedaald.

De hoge kosten van de goederenbehandelingen in de

Belgische nationale haven zullen daaraan wel hiet vreemd

zijn. In dit oordeel worden wij gesterkt wanneër wij na-

gaan dat heel wat factoren in het voordeel van Antwer-
pen pleiten, als daar zijn de grotere snelheid bij de goe-

derenbehandeling en de gunstige verhouding tussen de

ladingen en de lossingen, wat voor de zee- en binnen-

schepen een grotere kans op retourvracht tot gevolg

heeft.

Dit probleem, dat van groot belang is voor de haven

van Antwerpen en voor al wie er een zekere activiteit

uitoefent, en dat ook een neerslag heeft op de Belgische

economie en niet in het minst op zijn betalingsbalans,

verdient ten volle de aandacht van de bevoegde overheden

en in het bijzonder van de belanghebbende Antwerpse

beroepsverenigingen.

Mechelen.

Lie. F. van der VORST.

INGEZONDEN STUK

De commissionnairsdwang in Nederland

Dr W. H. C. Schukking te Amsterdam schrijft ons:

In een artikel onder bovenvermeld opschrift van Drs

H. W.. J. Bosman in ,,E.-S.B.” van 26 Augustus 1953,

haalt deze een passage aan van hetgeen ik in mijn proef-

schrift in 1947 over dit onderwerp schreef.

Ik ben Drs Bosman erkentelijk dat hij mij hierdoor de

gelegenheid geeft het drukfoutenduiveltje, dat behalve

mij ook hem heeft beetgenomen, terecht te wijzen. In

bedoelde passage had ik niet enigerlei ,,machts”positie

van de commissionnair in effecten op het oog, doch heb

ik willen betogen dat commissionnairsdwang en het later

behandelde verbod tot het in elkaar sluiten van orders

mij van fundamenteel belang leek. en ook thans nog lijkt

voor het behouden van een ,,brede markt” als tegen-

stelling van een ,,dunne markt”.

• Het euvel van ,,dunne markten”, op de oorzaken waar-

van ik in mijn proefschrift dieperben ingegaan, is immers

een welbekend verschijnsel, dat m.i. door Drs Bosman

wordt onderschat als hij zegt dat de overgrote meerder-
heid an koperg en verkopers van effecten zich uiteraard

tot het beursapparaat wendt en dat slechts een minderheid

op een bepaald moment daaraan geen behoefte heeft. De

ervaringen in de depressie van de dertiger jaren, zowel in

als buiten Nederland, hebben anders geleerd. Sedertdien

zijn de institutionele beleggers, welke bij uitstek de belang-

hebbenden zijn die gaarne voor koop of verkoop van

fondsenpakketten een partij buiten de beurs om zoeken,

zich in verhöogde mate gaan interesseren voor aandelen

en welk :een verdere verschuiving heeft’ zich sindsdien
niet van de particuliere naar de collectieve besparingen

voorgedaan!

De gevolgen van het aanvaarden .van het voorstel van
Drs Bosman om dé commissionnairsdwang geheel op te

heffen, zouden daarom groter kunnen zijn dan hij ver-

onderstelt.

Het gaat er hierbij niet om een bepaalde beursgroep

te bevoordelen, maar om het algemeen belang van de

aanwezigheid van een gezond en integer beursapparaat,

dat uiteraard slechts kan bestaan wanneer niet de geld-

stroom, welke functioneel door dit apparaat moet worden

getransformeerd, op verschillende plaatsen wordt afg-

tapt uit gebrek aan begrip voor het belang der beurs-

functie. Het is een misvatting dat men de effectenbeurs
zou kunnen vervangen door, een Hollerith.

Men kan zich afvragen waaruit dan deze beursfunctie

bestaat. Zeker speelt hierbij ook ‘de koersvorming een

belangrijke rol, doch het belang ligt speciaal in het feit,

dat een onevenredigheid tussen vraag en aanbod door

het beursapparaat uit eigen kracht kan worden verwerkt

en dat dit apparaat daarbij koersnivellerend kan optre-

2 September 1953

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

693

den. Deze eigen en inn&rlijke kracht kan de beurs echter

âIleen bezitten, wanneer de orderstroom voldoende

,,diepgang” heeft.

Het is daarom dat ik op deze plaats nogmaals een lans

wil breken voor het definitief invoeren van de commis-

sionnairsdwang voor ter beurze genoteerde fondsen

(waarbij men zich door de lelijke terminologie niet moet

laten beïnvloeden) en voor het combineren daarvan met

het soepele systeem, zoals dat ook bij de ,,London Stock

Exchange” voortreffelijk werkt, dat in principe het in
elkander sluiten van orders is toegestaan, doch dat de

bank of commissionnair in dat geval slechts éénmaal

provisie mag rekenen. Op deze wijze kan men waarborgen

scheppen dat ook bij de huidige economische structuir

de Amsterdamse effectenbeurs werkelijk leven en func-

tionneren kan, hetgeen van fundamentele betekenis moet

worden geacht zowel voor ,,de beurs” als voor ,,de be-

legger”.

Naschr?ft.

Met genoegen wil ik ingaan op de bezwaren, die Dr

Schukking heeft geuit ten aanzien van mijn artikel. Van

zijn verbetering in het door mij gegeven citaat uit zijn

proefschrift, heb ik goede nota genomen.

Terwijl ik in mijn artikel heb aangenomen, dat de

overgrote meerderheid van kopers en verkopers zich in
ieder geval tot het beursapparaat zal wenden, is de heer

Schukking van mening, dat dit niet in die mate het geval

is en dat bij opheffing van de commissionairsdwang de

gevolgen wel eens groter zouden kunnen zijn dan ik had

gedacht; dat wil dus zeggen dat er wel eens heel wat meer

transacties buiten de beurs om gesloten zouden kunnen

worden, dan ik heb verondersteld.

Ik wil dit een ogenblik aannemen en vraag mij af of

dit wijziging zou moeten brengen in mijn standpunt.

Met mijn opponent zie ik het belang in van een gezond

en integer beursapparaat en ik aanvaard ook zijn omschrij-

ving van de. beursfunctie. Doch de kern van de kwestie ligt

in wat hij zegt over de voorwaarde, dat ,,niet de geld-

stroom, welke functioneel door dit apparaat moet worden

getransformeerd, op verschillende plaatsen wordt afgetapt

uit gebrek aan begrip voor het belang def beursfunctie”.

Ik zie niet in, waarom alle onderdelen van de geldstroom

functioneel door het beursapparaat moeten worden ge-

transformeerd en ik geloof zeker niet, dat dit aftappen

geschiedt uit gebrek aan begrip voor het belang der beurs-

functie. Dr Schukking zegt immers zelf, dat de toegeno-

men betekenis van de collectieve besparingen leidt tot

een tendentie om het beursapparaat ten delé uit te scha-

kelen. Ik zie dit als een structuurwijziging, waarover men

kan oordelen, zoals men wil, maar waarbij men aan de

betrokkenen niet mag verwijten het belang van de beurs-
functie uit het oog te verliezen. Dit belang kan voor som-

migen, bijv. de particulieren, die effecten willen kopen
en verkopen, zeer groot zijn, doch als het voor anderen

nu eenmaal van minder betekenis is geworden, dient men

deze ontwikkeling mi. niet geforceerd tegen te houden

en de laatste groep te dwingen gebruik te maken van een

apparaat, waaraan zij minder behoefte heeft.

Dr Schukking zegt dok nog, dat de betekenis van de

beurs als verwerker van vraag en aanbod alleen voldoende

tot zijn recht komt, als de orderstroom voldoende ,,diep-

gang” heeft. Dit ben ik met hem eens: hoe groter vraag

en aanbod, hoe beter de beurs functionneert en naar mijn

idee is er nog steeds een grote groep, die geheel op het

beursapparaat is aangewezen. Doch gesteld, dat die groep

nu eens kleiner wordt, dan zal uiteraard de beurs minder
goed functionneren. Dit zou ook naar mijn mening sterk

te betreuren zijn, doch het gaat m.i. niet aan dit tegen te

gaan door een kunstmatige commissionnairsdwang ten

aanzien van hen, die nu eenmaal âan de beurs subjectief

geen behoefte menen te hebben. (Of dit objectief ook

steeds een juiste houding is, is niet zeker, doch dit is een

kwestie die de betrokkenen zelf moeten beslissen).

Veel beter dan de commissionnairsdwarig vind ik de

gedachte, die vooral de laatste tijd in de Vereeniging voor

den Effectenhandel leeft dat men door voorlichting de

beurs meer bekend moet maken bij hen, die qua positie
voor effectentransacties in aanmerking komen.

Ten slotte teken ik nog aan, dat in het door Dr Schuk-

king voorgestane Londense systeem de neiging tot het

in elkaar sluiten weliswaar minder wordt, doch niet ge-

heel wordt tegengegaan, waardoor de markt toch niet

zo breed wordt als hij zou kunnen zijn.

‘s-Gravenhage.

Drs H. W. J. BOSMAN.

AANTEKENING

De investeringen in de Nederlandse industrie

Ter inleiding van de 61ste Jaarbeurs heeft Mr J. Milius

tijdens een bijeenkomst van de binnen- en buitenlandse

pers een rede uitgesproken, waarin hij o.a. een aantal

interessante gegevens verstrekte over de gerealiseerde

en de te verwachten investeringen in diverse sectoren

van de Nederlandse industrie. Mr Milius stelde vast, dat

bij de ondernemers in een aantal branches met ingang

van 1952 een zekere verfiauwing der investeringsactiviteit

viel te constateren. Dit wijst er op, dat de rendementsver-

wachtirigen voor deze investeringen zijn gedaald. Gaat

men na, welke motieven daaraan ten grondslag liggen,

dan verneemt men al spoedig, dat de afzetmogelijkheden

minder gunstig zijn ten gevolge van belemmeringen van
onze export en toenemende concurrentie.

Vergelijkt men dein onderstaande tabel vermelde index-

cijfers der gerealiseerde investeringen in 1952 met die

van het basisjaar 1951, dan kan inderdaad in tal van

branches van een aanzienlijke teruggang der investeringen

worden gesproken. Zeer sterk was de daling bij de groepen

aardewerk, glas, kalk en stenen; in de confectie- en reini-

gingsbedrjven en ini de textielindustrie waar zij resp.

ruim 36, 45 en 41 pCt bedroeg.

Indexc(,fers van investeringen
1) 2)
.

(1951 = 100)

Bedrijfstakken

. 1
149
1
1950
1
1951
1 TY 1
1953 ‘)
Vervaardiging van aardewerk, glas,
kalk,

enz.

………………
70
100
64
47
.

20
93 100 83
96
Chemische nijverheid
(mcl.
aard-
Olie)

………………….
127
100
96
132
Bewerking van hout, kurk, Stro
.
89
94
100
78
78
115
150
100 55 75
113

..

106
100
118
75
Kleding en reiniging

…………

Metaalnijverheid,

scheeps-,

vlieg-

.64
Grafische nijverheid

………..72

tuigbouw

enz.

……………
98
95
100
166 167
.

52 69
100 102
96

Leder- en rubbernijverheid
……..

73
97
100
59
67
Bereiding van voedings- en genot

..
Papiernijverheid

…………….
rextielnijverheid

…………….

71
89
100
83 63
middelen

………………….
lolaal, excl. mijnbouw, openbare
1
nutsbedrijven, bouwnijverheid
88
99
100 104
107

)De indexcijfers werden opgesteld aan de hand van de reële cijfers, verkregen
na omrekening van de uitslag van een enquële, gehouden onder een aantal
Nederlandse ondernemingen, die gezamenlijk aan 385.000 ‘personen werk
verschaffen.
‘) In de cijfers der totale investeringen zijn de investeringen in de mijnsector, de
openbare nutsbedrijven en de bouwnijverheid niet begrepen.
‘) Geschatte investeringen.

Zou men op grond van genoemde percentages kunnen

verwachten, dat de totale investeringsactiviteit in 1952

lager zou zijn geweest dan in het topjaar
1951,
het tegen-

694

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
2 September 1953

deel bleek waar te zijn; de totale investeringen in 1952

hebben zich nI. volgens de thans beschikbare gegevens

bewogen op een niveau van ca 104 pCt van het basisjaar

1951.
Deze gunstige ontwikkeling moet worden toege-

schreven aan een toeneming van de investeringen in een

drietal bedrijfstakken, ni. de metaalnijverheid, de papier-

industrie en de Ieder- en rubberindustrie.

Afgezien van het feit, dat de investeringsactiviteit zich

in totaal gezien in het jaar 1952 redelijk gunstig heeft

ontwikkeld moet echter, aldus Mr Milius, de vraag wor-

den gesteld of een dergelijke ontwikkeling, waarbij vrijwel

alle sectoren een teruggaande en «slechts enkele een toe-

nemende activiteit tonen, wijst op een bevredigende ont-

wikkeling der md ustriële investeringsactiviteit.

**
*

Over het algemeen mag worden aangenomen, dat de

moeilijkheden, die zich in de loop van 195,2 hebben voor-
gedaan in 1953 in onverminderde mate van kracht blijven.

Het ligt dan ook voor de hand, dat ten aanzien van tal

van industrietakken voor dit jaar op een verdere daling

der investeringen moet worden gerekend. Zeker in het

begin van dit jaar waren de verwachtingen in mineur

gesteld. Bij nader onderzoek is echter gebleken, dat het

tweede halfjaar 1953 aanmerkelijk betere mogelijkheden

voor ontwikkeling der investeringen biedt. Voorlopige

berekeningen wijzen, zoals uit de laatste kolom der hier-

véc5r gegeven tabel blijkt, uit, dat, de omstandigheden

gelijkblijvende, de plannen voor ‘het doen van investerin-

gen een bedrag omvatten, dat ca 7pCt hoger is dan in
1951 en ongeveer 3 pCt hoger dan in het voorgaande

jaar, hetgeen op een redelijk gunstige ontwikkeling kan

wijzen.

Beziet men de diverse bedrijfstakken afzonderlijk, dan

blijkt, dat de investeringen in de metaalsector zich.op

het niveau van 1952 zullen handhaven. Bovendien kan

een aanzienlijke stijging der investeringen in de chemische

en de aardoliesector worden tegemoet gezien. In alle

overige sectoren moet aan de hand van de beschikbare

gegevens echter een daling der investeringsactiviteit wor-

den verwacht. Het feit, dat de investeringen blijkens de

plannen in sterke mate beperkt zullen blijven tot enkele

bedrijfstakken, wijst er op, aldus betoogde Mr Milius,

dat de structuur der investéringen zeer kwetsbaar is.
Het hangt uiteraard van tal van factoren af, of de voor

1953 geschatte bedragen ook inderdaad zullen worden geïn-

vesteerd. Over het algemeen zal een belangrijke stimulans

uitgaan van een verlichting van de belastingpolitiek. Wil men

dan ook de investeringen, voor zover deze zijn achferge-

bleven, weer ôp peil brengen of verhogen, dan is verlaging

der fiscale lasten onvermijdelijk en het is noodzakelijk

hierop opnieuw met kracht aan te dringen. De mogelijk-

heid om over te gaan tot belastingvrije reservering lijkt

Mr Milius hiertoe één der meest geschikte middelen.

GELD- EN KAPITAALMARKT

De geldmarkt.

Op de geidmarkt was gedurende de verslagweek van

enigerlei invloed van de aanstaande storting op de

nieuwe staatslening, noch van de nadering van de ultimo

iets te bemerken. De geldmarktpositie bleef nl. uiterst

ruim, met een callgeldnotering en marktdisconto’s voor

termijnen tot een jaar van pCt, welk percentage echter,

doordat practisch niemand papier wenst af te stoten,

grotendeels nominaal van karakter blijft.

‘Hoezeer door de huidige afgiftepolitiek van schatkist-

papier van het Ministerie van Financiën de gemiddelde

looptijd van dit papier is verlengd, blijkt wel uit het feit,

dat per 15 Augustus jI. ten laste van het Rijk uitstond een

bedrag van f3.504 mln aan drie- en vijfjaarsbiljetten en

f1.876 mln,jaarspromessen, tegen op 31 December 1952

f2.391, resp. f3.117 mln van deze beide categorieën.

In dezelfde richting werken de aankopen door de banken

van kortlopende obligaties, bijv. van de nog ca 10 jaar

lopende Nederlandse staatslening 1962/64. Voorts schij-

nen de plannen tot uitgifte van langer dan
5
jaar lopend

schatkistpapier, in het kader van een reglementering

van de verschillende groepen bankliquiditeiten, waarvan

reeds lang sprake is, nog geenszins van de baan te zijn.

De kapitaalmarkt.

Op de aandelenmarkt was de afgelopen week gedurende

een aantal beursdagen enige weerslag te constateren vân

de flauwe stemming in New York, waar Dow Jones

Industr.ials van 21 op 28 Augustus daalde van 272,0 tot

265,7. Verwachtingen, die later bewaarheid werden, om-

trent een gunstige tussentijdse publicatie van Philips over

de gang van zaken gedurende het eerste halfjaar van

1953 bij dit concern, vormden hiertegenover een gunstige

factor.

Op de staatsfondsenmarkt was de stemming iets minder

vast dan de laatste tijd gebruikelijk is, hetgeen voor een

deel verband hield met een voortijdige perspublicatie over

de komende staatsbegroting, welke een aanzienlijk tekort

zou vertonen. Besprekingen over de voorfinanciering door

banken van inschrijvingen op staatsleningen van institu-

tionele beleggers hebben thans geleid tot het instellen

van een enquête hiernaar; of deze eventueel tot het

nemen van maatregelen tegen deze – voor de Staat voor

delige – financieringswijze aanleiding zal geven is uiter-
aard een tweede.

Aand. indexcijfers
21 Aug. 1953 28 Aug. 1953
Algemeen

……………………………
1570
156,8
Industrie

………………………………
218,0
218,2
Scheepvaart

…………………………
165,5
164,7
Banken

…………………………………
.
134,3
134,8
Indon.

aand.

…………………………
.57,3
56,7

Aandelen.

A.K.0 .

…………………………………
170
169
Philips

…………………………………
173hz
175
3
/4
Unilever

………………………………
193
1
/a
193
H.A.L.

…………………………………
135½
134
7
/a
Amsterd.

Rubber
94’/.
93
7
/,3
H.V.A .

…………………………………
108
106
3
/1
Kon.

Petroleum

……………………
328½ 324½

Staatsfondsen.

pCt

N.W.S.

……………………
79/
79%
3-3%

pCt

1947

………………………
9813/zo
9871,6

3

pCt Invest.

cert
98
13
116
99

pCt

1951

…………………………
102%
102
3
1i
3 pCt Dollarlening

…………………
95’h/ic
95
15
110

Diverse obligaties.

3’/z pCt Gem. R’dam 1937 VI
100
3
/4
101
5
/8
3% pCt Bataaische Petr
1011511
101%
3% pCt Philips 1948
100½


10011L116
Ni
pCt Westl. Hyp. Bank
98%
98
1
/4
J.
C. BREZET

Abonneert U op de E..S.B.

2 September 1953

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
695

GECOMBINEERDE MAANDSTAAT VAN DE DRIE NEDERLANDSE
STATISTIEKEN
GROTE BANKEN EN VAN HET NEDERLANDSE BEDRIJF VAN DE
NEDERLANDSCHE HANDEL-MAATSCHAPPIJ’)

WERKLOOSHEID IN NEDERLAND’)

.
Nederl. Bars-
ken en
(in millioenen guldens)
Nederlandse
Nederl. Han-
Totaal
waarvan Banken
del-Maat-
aiintal
1
schappij
Maand
werklo- nijverheid

landbouw
arlosse
beiders

zen ‘)
1
30
1

31
30
31
Juni
Juli
Juni
Juli
31 Jan. 1953
4)
146.700
61.900
16.400
20.100
1953
1953
1953
1953
130.300
53.100
13.700
17.800
Activa:
31 Maart 1953
95.200
35.500
7.200
11.700
Kas, kassiers en daggeldleningen
126
216
196
247
28 Febr.

1953

……….

30

April

1953 ……….
83.700
27.800 8.100
11.300
.
2.089
2.868
2.857
30 Mei 1953

……….
68.700
22.700

4.100
9.600
jj•
.
61.800
19.700
3.600 8.900
29

Juni

1953

………..
31

Juli

1953

………..
61.100
20.800
2.900
8.600

Nederlands schatkistpapier

………….2.088

126
141
145
159
i) Ontleend aan het
Stalistisch Bulletin van het Centraal Bureau voor de

Ander overheidspapier ……………….
Wissels …………………………..
Bankiers in binnen- en buitenland
39
106
45
97
45
134
52
127
Statistiek.
,,

.
Prolongatiën ep voorschotten tegen effecten
94 90
113
109
-,
Alle
cijiers zijn exciusses uw
L,
u.vv.-aroeiuers, w

i
e van januari ,j., al mes
meer als werklozen worden beschouwd.
‘) Inclusief personen, die tewerkgesteld waren op Gemeentelijke Sociale Werk-
voorzieningsobjecten voor liandarbeiders en op Werkverruimingsobjecten voor
hoofdarbeiders.
4)
Exclusief de gegevens van de provincie Zeeland (watersnood).

BANK INDONESIA

(Voornaamste posten in duizenden rupiah’s)

0

1
00
2e

0uI
bl
2
jd
Data
000sa

°

15 Juli

1953
2.198.355
668.353
133.813
614.007
189.828
22 Juli

1953
2.162.463
705.337
150.325
620.291
222.198
29 Juli

1953
2.017.327 662.272
155.188
599.054
317.459
5 Aug.

1953
2.017.334
651.609
193.168
616.703
243.581
12 Aug.

1953
1.951.799
624.330
144.815
629.734
396.231
19 Aug.

1953
1.910.658
598.737
167.839
635.531 349.119

,
Rekening courant
saldi
v/dReg. v/d Rep. Indon.
20,
O
0
8 .b
0
2
Bijzondere
Datâ
‘5 9
rekening
41
0
inzake de
E.C.A.
.

‘5
hulp

15 Juli

1953
4.919.747
738.320 494.868
1.050.253
22 Juli

1953
4.871.201
825.594
t

494.868
1.034.515
29 Juli

1953
4.814.458
729.493 494.868
1.041.755
5 Aug.

1953
4.819.591
794.127
494.868
1.042.174
12 Aug.

1953
4.846.527
705.667
1

494.868
1.177.749
19 Aug.

1953
4.859.424
713.909
1

494.868
1.073.995

Muntbiljettencirculatie per 15 Juli

Rp. 366.842.928,50
Muntbiljettencirculatie per 22 Juli

Rp. 369.446.972,-
Muntbiljettencirculatie per 29 Juli

Rp. 366.081.729,50
Muntbiljettencirculatie per
5
Aug. Rp. 368.171.626,50 Muntbiljettencirculatie per 12 Aug. Rp. 369.945.884,- Muntbiljettencirculatie per 19 Aug. Rp. 372.320.738,-

NATIONALE BANK VAN BELGIË

(Voornaamste posten in millioenen franes)

‘0
‘5
5
,0.
0.
0.5

°’04
1

O…

5
0o
41
‘5
0
>
•32°

‘0
0
ii..
00
ii
0.n
0.5-
uO
a’
o
ee,n
o
i
>..
0

16
Juli

1953
34.954
1.858
14.944 15.436
571
23 Juli

1953
35.041
1.973
14.755
16.751
899
30 Juli

1953
35.050
2.087
14.581
17.051
750
6 Aug.

1953
35.050 2.087
14.581 17.051
750
12
Aug.

1953
35.711
1.899 14.701
15.798
690
20 Aug.

1953
35.767
1.643
14.407
15.050
672

1

Rekening-courant
sa
iTVerbintenissen
___________________
___…__It.o.
0
het buiten-
Schatkist
1

0 q
landi.v.m.beta-

1
1
1

– 0
..eI
lingsauroorden
1
gl
0
2
1

.o
‘0
.L
c
2
0jfl’g1
:.0.
‘5,,,
DI

16
Juli

1953
307
199.0371
6
1

147
351
1.299
1

641
1.003
23 Juli

1953
295
1
99.8161
7
172
403
2.008
J

1.008
t

1.020
30 Juli

1953
280
1100.7061

2

1
172
420
1.477
1

692

1
1.035
6 Aug.

1953
280
1100.7061
2

1
172
419
1.477
1

692

1
1.034
12 Aug.

1953
292
1
99.9301
6

t
186
432
1.289
816.
1.038
20 Aug.

1953
285
1
99.2361 6

1
186
428

1
1.175
1

279

1
1.085

Debiteuren ………………………..814

825

986 1.005
Effecten en syndicaten ……………….99

102

107

III
Deelnemingen (mcl. voorschotten)

14

14

22

22

927

941 1.115 17138

G
ebouwen ………………………….
5

5

8

7
3.510 3.624 4.624 4.696
Passiva:
Crediteuren

……………………….2.627 2.746 3.338 3.464
Wissels

…………………………..10

9

11

10
Deposito’s op termijn ………………..493

510

786

766
Kassiers en genomen daggeldleningen

19

19


Diverse rekeningen ………………….105

102

125

108
3.254 3.367 4.279 4.348

Aandelenkapitaal

………………….169

1691

2291

229
Reserve

…………………………..88

88

116

118

3.510 3.624 4.624 4.696

1) In verband met afrondingen behoeft de som der afzonderlijke posten niet
met het eindtotaal overeen te stemmen.

INTERIM-PRIJSINDEXCIJFERS VAN 1-lET GEZINS VERBRUIK IN
NEDERLAND 1) ).
1949 = 100

Aard (ier gezins-

uitgaven

en
0
,,

Ei

Voeding,
w.o.:
37,7
124
123
124
125 127 127
brood, gebak,
meel
8,0
124
124 124
124 124 124
aardappelen,
groenten,

fruit
6,8
121
121
126 135
143
139
suiker en kolonia-
le waren, dran-
ken
6,5
124
124
125
125
125
125
vlees, vleeswaren,
vis
4,6
151
150
150 149 150
151
olien en vetten
3.8
114
114
113
112
112
112
zuivelproducten,
cxci. roomboter
8.0
113
112.
112
112 114
114
II

Roken
2,3
115 115
115
115
115
115
111

Woning, wo.:
21,0
122 122
123
122
122 122
huur, water, on-
derhoudwoning
9,2
115
115
115
115 115
115
huursfzonderlijk
8,4
115
115 115 115 115
115
verwarming

en
verlichting
5,1
142 142
143
140
140
141
woninginrichting
en huisraad
6,7
117 117 117
117
117 117
IV

Kleding en
schoeisel,

wo.:
13,3
114
114 113 113
113
113
kleding

10,6
112 112 112 112
112
III
schoeisel
2,7
120 120 120
120
120
120
V

Hygiënische

en
medische

zorg,
wo
3,4
108
108
108 108
108
108
reiniging
1,6
104 104
104 104 104 104
persoonlijke

en
gezondheidszorg
1,8
112
112
111
112 112
112. VI

Ontsvikkêling

en
ontspanning
10,1
118
118
118 119 117 118
ontwikkeling,
wo

.
………

ontspanning,
verenigingen
7,6
117 117
117 117
116
116
verkeer
2,5
122
122
122 122 122
124
VII
Verzekeringen en belastingen .
. .
12,2
118
118
118
118 118
118

Totaal
.

..,
100
120
120 120
121
121
121
Totaal (excl.
belastingen)
94,9
122 122 122
l23
123
123

‘) Ontleend aan het Statistisch Bulletin van het Centraal Bureau voor de
Statistiek. ‘) Volgens huishoudrekeningen over 1949 van geschoolde arbeiders, voorijeders,
lagere kantoorbedienden en ambtenaren, met in 1949 een bruto-weekloon van f 50 tot f60, een gemiddelde gezinsgrootte van vier en wonende in de
middelgrote en kleine gemeenten van ons land.

DYNAMOS, MOTOREN, INSTALLATIES

Herenmodes
Hoeden

Overhemden

naar maat

Postkantoorgalerj all, Rotterdam
Telefooit 23764

.1ndien U prijs stelt op een volledige samen-

vatting van hetgeen zich, geëfisceneerd door de

E.V.O., op de thans lopende Jaarbeurs afspeelt

op het gebied van het

INTERN TRANSPORT

verzekert U zich dan door omgaande Jstelling

van een exemplaar van het album, dat onmid-

dellijk na afloop van deze Jaarbeurs ter perse

gaat en dat, behalve de inhoud van de 8 inleidin-

gen, welke daar zijn resp. worden gehouden,

tevens in woord en beeld een overzicht zal bevat-

ten van de daar gehouden demonstraties, die

uniek voor Europa mogen worden genoemd.

PRIJS 11.50 PER EXEMPLAAR

Bestellingen worden gaarne ingewacht middels
de bij dit nummer ingesloten bestelkaart.

Maakt gebruik

van
– onze
speciale rubriek .,,Vacafures” voor hef

oproepen
van sollicifanf en
voor,
leidende functies.

Een pionier wordt .ieertig jciar

Het was voornamelijk uit idealistische
overwegingen, dat de heer S. F. van Oss
de Haagse Post in 1914 het licht deed zien.
Dat wil niet zeggen, dat
hij
niet , business-
minded” was, doch zakelijkheid en ideslis-
me zijn heel goed verenigbaar. De heer van
Oss verstond de kunst deze factoi’en te
verenigen.
Hij
bracht een goed weekblad,
voortreffelijk van inhoud, met voortreffelijke
medewerkers. Maar dit was niet alles. Hij
wilde dit weekblad ingang doen vinden
in brede kring. Hij stelde zich op het stand-
punt, dat het uitgeven van een weekblad
niet louter een kwestie van winstbejag
was. De culturele taak, die de uitgave van
een weekblad inhield, stelde hij op de voor-
grond. Dus maakte hij van de Haagse Post
een goedkoop weekblad. Dat dit standpunt
in brede kringen waardering vond, bleek
al heel spoedig uit de enorme groei van
de Haagse Post.

ONAFHANKELIJK.
Het is nu bijna veertig jaar geleden, dat
de Haagse Post werd opgericht en wij
mogen wel zeggen, dat de Haagse Post
in die veertig jaar veel heeft gedaan
voor Nederland en voor de Nederlandse
Pers. Zij heeft getoond, dat het mogelijk
is om op waarlijk onafhankelijke “wijze
voorlichting te geven. Zij heeft die voor-
lichting binnen het bereik van velen
gebracht. En door haar onbevooroor-
deelde berichtgeving is het vaak voor-
gekomen, dat zij invloed heeft uitgeoefend
op de debatten in de Tweede Kamer en
daardoor indirect op het regeringsbeleid.

In de afgelopen veertig jaar is de Haagse
Post ruim 2.000 maal uitgegeven en zijn
ruim 70.000.000 exemplaren aan de lezers
toegezonden. Elk van die nummers had
een taak. De taak om het publiek zo goed
mogelijk voor te lichten en zoveel moge-
lijk genoegen te bereiden. De Haagse Post
heeft in deze veertig jaar bewezen, dat de
principes die haar oprichter immer heeft
hooggehouden, door het Nederlandse pu-
bliek werden gewaardeerd. Ondanks ups
en downs heeft de Haagse Post altijd de
naam mogen behouden van Nederlands
beste weekblad.

PRIJZEN OMLAAG!
Het is nu 1953. De Haagse Post bestaat dus bijna veertig jaar. En in dit jaar heeft de directie van de Haagse Post nogmaals
het Nederlandse publiek getoond, dat de
geest, die de oprichter aan dit weekblad
gaf, nog steeds leeft en
ôÔk
in deze tijd
levensvatbaar is. Zodra de exploitatie-
mogelijkheden dit maar enigszins veroor-
loofden, hebben wij de abonnementsprijs
van de Haagse Post teruggebracht tot nor-
male proporties. Wéér sloeg dit gebaar in
en wéér kan de Haagse Post zich het in-
vloedi’ijkste en meest vooraanstaande week-
blad noemen. Wé6r wordt de naam van de
Haagse Post bij belangrijke kamerdebatten
genoemd.

EN NU………
In Maart 1953 was de Haagse Post zover,
dat zij haar abonné’s kon mededelen, dat de ahonnementsprijs werd teruggebracht
van
f
12.— tot
f
10.— per jaar. Zij kon zelfs

Porto in open enveloppe 2 cts.

zover gaan, dat zij haar abonné’s het teveel
betaalde kon restitueren. Hieruit bleek,
dat de Haagse Post op de goede weg was
en het is ons streven op deze weg voort te
gaan. Wij zijn zakenmensen, zeker. Maar
het uitgeven van een weekblad als de
Haagse Post legt ook verplichtingen op
jegens het courantenlezend publiek. En
daarom streven wij er naar om niet alleen
zakenman te zijn.
Wij
houden ook de be-
langen van onze lezers in het oog.
Eij dit streven weten wij ons gesteund
door het Nederlandse publiek. Dagelijks
ondervinden
wij
dat, als wij sympathie-
betuigingen en abonnementsopgaven ont-
vangen. Daarvoor zeggen
wij
13 hierbij nog-
maals dank. Het geeft ons de kracht om
de ingeslagen weg vol vertrouwen te blijven
volgen. Wij rekenen ook in de toekomst
op U.
Hoogachtend,
Directie HAAGSE POST.
P.S,
Iedereen, die nu een abonnement afsluit,
ontvangt als welkom.st geschenk een fraaie,
gebonden roman gratis thuisbezorgd.

OflU!WIO
ab C1t flUUYJ
rust
VUIl

21 October 1933.
COUPON.

Administratie HAAGSE POST
Postbus 653 – Amsterdam.

lL,
Gelieve
mij
te noteren voor een’abonnement op de HAAGSE POST van 1 October 1953 tot:
*
1 Januari 1934
ad
f
2.50

* 1 April 1954 ad
f
5.-

* 1 October 1954 ad
f
10.-

Het abonnementsgeld heb ik heden op Uw giro Nr. 70 overgemaakt. Na ontvangst hier-
van zendt 13 mij een gebonden roman toe. De nummers over September ontvang ik gratis.

Naam………………………………………………………
Adres………………………………………………………

Woonplaats…………………………………………………..

Ondertekening:
*Doorhalell, wat niet gewenst wordt.

Auteur