Ga direct naar de content

Jrg. 38, editie 1880

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 10 1953

Eco
no m is ch – Sta t is t is che-

S.-E. R. contra dividendbeperking

*

IrH. Vos

0.
De werkloosheid en de structuur

van het bedrijfsleven

*

Drs F. Kuers

Liberalisatie
en
convertibiliteit

*

Drs C. A. Klaasse

Verband tussen geld- en kapitaalmarkt

*

Dr R. L. Beukenkamp

De Amerikaanse landbouwpo]itiek

UITGAVE VAN HET NËDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

38e JAARGANG

No 1880

WOENSDAG 10 JUNI 1953

DYNAMOS, MOTOREN, INSTALLATIES

PONTIAC 1948. Te bezichtigen

D 1 V E R
S E N
na 7 uur. Van der hof, Hille-

_______________________________ vliet 161, Rotterdam.

i &rt
tiii

R. MEES & ZOONEN

A°1720
BANKIERS
&
ASSURANTIE-MAKELAARS

ROTTERDAM

AMSTERDAM – ‘s-GRÂVENHAGE

DELFT. SCHIEDAM – VLAARDINGEN

Bij het
BUREAU VOOR PLAATSING VAN AFGESTUDEERDEN

aan de Nederlandsche Economische Hoogeschool te
Rotterdam is vacant de functie van

DIRECTEUR

Vereist is een goede kijk op mensen en
inzicht in de aard van beschikbare plaat-
sen bij bedrijfsleven, overheid etc. Acade-
mische opleiding is gewenst. Afhankelijk
van de kwaliteiten van de functionaris is
combinatie met andere functie aan de
hogeschool denkbaar. Ook het vervullen
van een nevenfunctie buiten de hogeschool
is mogelijk.

Met de hand geschreven sollicitaties te richten
aan

de secretaris van de besturende colleges,
Westersingel 43, Rotterdam.

De Stichting Spaarpropaganda

opgericht door de Nederlandse Spaarbankbond, vraagt

directie-assistent(e)

voor secretariaatswerk en algemene assistentie.

Vereistep: goede vooropleiding en algemene ontwik-
keling, tact, sociale belangstelling, goed stilist(e),
beheersing van de bureau-routine (steno, typen,
documentatie), bereidheid tot onderw. aan event.
psych. onderzoek, belangstelling voor reclame en
public relations; ervaring op dit gebied str,kt tot
aanbeveling.

Soli, met nauwk.
ml.
omtr. leeftijd, gezondheids-
toestand, vooropleiding, event. werkzaamheden
tot dusverre, referenties enz. in eigen handschrift
aan de Directie der Stichting, Botersloot 149, Rot-
terdam.

ZEND Uw opdrachten

TIJDIG in

BOEKHOUDER

Wegens reorganisatie zoeken wij per 1 Juli as.

I

voor onze boekhouder (prima kracht)

een andere werkkring

B.

Brieven, welke vertrouwelijk worden behan-

deld, No. 168.313 aan BOLREK,, Kon.plein 1, A’daxi.

EÇONOMISCH-

STATISTISCHE BERICHTEN

Uitgave van het Nederlandsch Economisch Instituut

Adres voor Nederland:
Pieter de Hoochweg 120, Rotterdam- W.

Telefoon 38040. Giro 8408.

Bankiers:
R.
Mees en Zoonen, Rotterdam.

Redactie-adres voor België:
Dr J. Geluck, Zwjjnaardse

Steenweg 357, Gen

t.

Abonnementen:
Pieter de Hoochweg 120, Rotierdani-W.

Abennementsprijs,
franco per post, voor Nederland en de
Uniegebieden en Overzeese Rj/ksdelen (per zeepost) f26,—,
overige landen f28,— per jaar. Abonnementen kunnen
ingaan met elk nummer en slechts worden beëindigd per
ultimo van het kalenderjaar.
Losse nummers 75 cts.

Aangetekende stukken
in Nederland aan hei Bijkantoor West-zeedijk, Rotterdam- W.

Advertenties.
Alle corrèspondentie
betreffende
advertenties
le richten aan de Koninkljjke Nederlandsche Boekdrukkerjj
H. A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam. (Telefoon
69300, toestel 1
of
3).

Advertentie-tarief
f0,30 per mm. Contract-tarieven op aan-
vraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”

10,60
per
mm (dubbele kolom). De administratie behoudt
zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van
redenen te weigeren.

442

10 Juni
1953

1
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

443

S.-E.R. contra dividendbeperking

De Sociaal-Economische Raad heeft op 22 Mei ji.

een advies uitgebracht inzake de dividendbeperking. Dit

advies is heden voor publicatie vrijgegeven. Hoewel,

blijkens de discussies in het verleden, de dividendbeper-

king niet direct een vraagstuk is, waarover in ons goede

vaderland eenheid van gevoelen bestaat (of bestond?)

is het de S.-E.R. gelukt een homogeen advies uit te

brengen. Dit betekent niet noodzakelijk, dat de S.-E.R.

in elk onderdeel van zijn conclusies unaniem was. Echter,

zo er al afwijkende meningen naar voren zijn gekomen,

waren zij toch niet van die aard, dat een minderheids-

standpunt noodzakelijk werd geoordeeld.

Het advies waardeert niet alle in de loop der jaren
naar voren gebrachte argumenten pro en contra. Het

volstaat met een zelfstandige behandeling van twee\aan

de dividendbeperking verbonden aspecten, t.w. het econo-

mische en het sociaal-politieke. Het is ongetwijfeld een

verdienste, dat de S.-E.R. zich niet laat leiden door

sentimenten, maar poogt uitsluitend de cijfers te laten

spreken. Aan de hand van gegevens over de winst-

uitkering over
1951,
verstrekt door het Ministerie van

Financiën, komt de S.-E.R.,.onder verondersteffingen die

de werkelijkheid zeker niet tekort doen, tot het globale

inzicht, dat de kwantitatieve betekenis van de dividend-

beperking gering is. Maximaal f80 mln. zöu, bij afwe-

zigheid van de dividendbeperking, additioneel aan winst

zijn uitgekeerd. De S.-E.R. doet de relatieve onbelang-

rij kheid van dit bedrag uitkomen door het te stellen

tegenover de economische grootheden, die men door de

dividendbeperking wenste te beïnvloeden (inkomen van

de bevolkingsgroep welke geen loonarbeid verricht en

het totale investeringsbedrag).

De geringe kwantitatieve betekenis beïnvloedt uiter-

aard de waardering van de S.-E.R. voor het economische

en het sociaal-politieke aspect van de dividendbeperking.

Bovendien wordt in het advies aangetoond, dat hand-

having van de dividendbeperking onder de huidige om-
standigheden waarschijnlijk een nadelige werking heeft

wat betreft richting en omvang van de investeringen.

Ook vestigt de S.-E.R. er de aandacht op dat, wanneer

de ontwikkeling vtn het dividend-inkomen vergeleken

wordt, enerzijds met het inkomen van de groep zelfstan-

digen als geheel en anderzijds met het looninkomen, er

weinig aanleiding bestaat om juist het dividend-inkomen

aan bijzondere beperkende bepalingen te onderwerpen.

Wie de .moeite neemt de S.-E.R. van stap tot stap in
zijn beoordeling te volgen, zal geenszins verbaasd zijn

dat dit college unaniem tot de conclusie komt, dat deze

maatregel niet in aanmerking komt om als instrument

van economische politiek te worden gehandhaafd.

Toch adviseert de Raad niet tot onmiddellijke afschaf-

fing. Als orgaan van het
gehele
bedrijfsleven heeft de

Raad met de belangen van zowel werkgevers als werk-

nemers rekening te houden, waarbij ook overwegingen

van psychologische aard een rol kunnen spelen. In het

verleden is – zij het, zoals de S.-E.R. aantoont, goed-
deels ten onrechte – de werknemersgroep steeds weer

het verband tussen dividendbeperking en loonbeheersing

voorgehouden. Deze klok moet nu worden teruggedraaid

en dit noopt, naar de S.-E.R. meent, tot enige voorzich-

tigheid wat betreft het tijdstip, waarop de dividend-

beperking dient te worden beëindigd. De Raad stelt voor
de Wet op de Dividendbeperking na afloop van de thans
geldende termijn nog met één jaar te verlengen. Op deze

wijze wordt, zo stelt het advies, ,,een periode van over-

gang in het leven geroepen, gedurende welke het publiek

in een rustige atmosfeer zal kunnen worden voorgelicht

over de geringe betekenis, die onder de thans geldende

omstandigheden aan de dividendbeperking als instrument

van economische politiek nog kan worden toegekend,

en over de gevaren en onbillijkheden, die aan haar

voortzetting op langere termijn zouden zijn verbonden”.

Teneinde het bedrijfsleven geen noemenswaardige na-

delen van deze verlenging te doefi ondervinden, beveelt

de Raad tevens een verruiming van de huidige mogelijk-

heid van winstuitkering aan, en wel in deze zin, dat als

alternatief van het bestaande maximum (6 pCt van het

gestorte aandelenkapitaal plus 2, pCt van het zuiver

vermogen) een uitkering wordt toegestaan van 6 pCt

over het totale zuiver vermogen.
Voorburg.

Drs P. G. RIDDCR.

INHOUD

BIz.

S.-E.R. contra dividendbeperking,
door Drs

P. G. Ridder …………………………
443

De werkloosheid en de structuur van het bedrijfs-

leven, door Ir H. Vos ………………..
. 445

Liberalisatie en convertibiliteit,
door Drs F. Kupers
448

Verband tussen geld- en kapitaalmarkt,
door

Drs C. A. Klaasse ……………………450

De Amerikaanse landbouwpolitiek,
. door Dr R.

L. Beukenkamp ………………………
453

Nationale notities:

Handel …………………………….
456

Blz.

Internationale notities:

Het Congres van Weenen der Internationale

Kamer van Koophandel,
door Dr E. D. de

Meester ………………………….
457

Geld- en kapitaalmarkt,
door Drs J. Willems ..
458

Statistieken:

Gecombineerde maandstaat van de grote ban-

ken in Nederland ………………….
459

Emissies in 1953 ……………………..
459

COMMISSIE VAN REDACTIE: Ch. Glasz; H. W. Lambers; J. Tinbergen; F. de Vries;

C. van den Berg (secretaris). Redacteur-Secretaris: A. de Wit. Assistent-redacteur: J. H. Zoon.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË: F. Collin; J. E. Mertens;

J. van Tichelen; R. Vandeputte; A. Vlerick.

AUTEURSEECRT VOORBEIIOUDEN

444

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10 Juni 1953

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK

Ir H. VOS, De werkloosheid en de structuur van het

bedrijfsleven.

Het maatschappelijk mechanisme in een gesloten volks-

huishouding dient principieel toe te laten – en kan prin-

cipieel toelaten -, dat door loonsverhoging werklozen

ten gevolge van koopkrachtvermeerdering worden inge-

schakeld, terwijl daarbij – oôk bij gemiddeld gelijk-

blijvende prijzen – voor de bedrijven en de zelfstandigen,

ondanks de loonsverhoging, een door omzetvermeer-

dering vergrote winst ontstaat. Het effect van de koop-

krachtvergroting moet eerst in de omzetveranderingen

tot uitdrukking komen v6ôr de prijswijzigingen intreden.

Als de loonsverhoging direct door een prijsverhoging
wordt gevolgd voordat het koopkrachteffect zich kan

doen gelden, bereikt men niets,, omdat dan de totale reële

koopkracht niet stijgt. Een collectivisering van het loon-

systeem is in de huidige maatschappelijke structuur niet

hanteerbaar, inien niet ook een collectieve beheersing

van het prijssysteem plaatsvindt. In een gesloten volks-

huishouding betekent een welvaartsvermeerdering langs

de weg van een initiële loonsverhoging nog geen werk-

vermeerdering. Bij loonsverhogingen kan werkloosheids-

vermeerdering optreden. De hoofdoorzaak hiervan ligt

in het conflict tussen de ondernemingsgewijze structuur

van het bedrijfsleven en de collectieve structuur der

loonvorming. De ondernemingsgewijze productie, ge-

paard aan de individuele bedrjfsbeslissing op grond van

de individuele bedrjfssituatie, leidt bij loonsverhogingen

tot ondergang van een aantal grensondernemingen. De

uitkomst kan worden gevonden in een collectief reageren

van de ondernemingen.

Dis F. KUFERS, Liberalisatie en con vertibiliteit.

Schrijvçr geeft allerdrst een overzicht van de ontwik-

keling van de liberalisatie en de convertibiliteit in het

kader van de O.E.E.S. Een land, dat zowel zijn deviezen-

restricties als ook zijn quantitatieve belemmeringen van

de import opheft, geeft bij het huidige systeem van vaste

wisselkoersen de mogelijkheden uit handen om, anders

dan langs de weg van binnenlandse aanpassing, een

ongunstige ontwikkeling van de betalingsbalans en een
dreigende uitputting van zijn deviezenreserves tegen te

gaan. Het onvermogen om voldoende (dan wel voldoende

snel) een binnenlandse aanpassing tot stand te brengen,

heeft vele van de O.E.E.S. deelnemende landen dan ook

te eniger tijd genoopt in conflict te komen met het libe-

ralisatiestreven. Wil men het handeisverkeer vrijmaken,
dan zal men zich ernstig moeten afvragen of het huidige

systeem van vaste wisselkoersen hiermede wel verenig-

baar is. Volgens schrijver zou het aanbeveling verdienen

indien een van de internationale organisaties aan on-

afhankelijke experts, verzocht een studie te maken hoe

een reële ,,Code of fair exchange policies” er zou moeten

uitzien.

Drs C. A. .KLAA SSE, Verband tussen geld- en kapitaal-

markt. –

Er bestaat een verband en een zekere mate van fungi-

biliteit tussen financiering via de geidmarkt en die via

de kapitaalmarkt. Ook met betrekking tot de ge-

dragingen der geldaanbieders is er een zekere band tussen

geld- en kapitaalmarkt. In dit verband kan allereerst

gewezen worden op de mogelijkheid, om middelen ter

geldmarkt opgenomen aan de kapitaalmarkt toe te

voeren via het instrument der effectenbelening. Een

ander punt van samenhang vormen de transacties, die

aangeduid plegeri te worden met de term ,,voorfinan-

ciering”, die in wezen een tijdelijke inschakeling van de

geidmarkt in kapitaalmarkttransacties zijn. Het in elkaar

overvloeien van beide markten kan overigens ook door

meer rechtstreeks opereren van geldmarktinstituten op

de kapitaalmarkt in de hand gewerkt worden. In de

Angelsaksische landen is het usance, dat de banken een

niet onbelangrijk deel van hun liquide middelen uitzetten

in middellanglopende fondsen. Ten slotte.is er nog een

uiterst belangrijke factor, nl. de psychologische. Wijzi-

gingen in het officiële disconto zijn steeds een ietwat

spectaculaire aangelegenheid geweest..

Dr R. L. BEUKENKAMP, De Amerikaanse landbouw-

politiek.

De Amerikaanse Minister van Landbouw is verplicht

de landbouwproducten uit de markt te nemen tegen de

garantieprjs, wanneer de vrije marktprjzen voor het

product daar beneden dalen. Er zijn grote surplussen

ontstaan van Amerikaanse landbouwproducten. Schrijver

ziet de enige zakelijke en reële oplossing om de surplus-
productie van de Amerikaanse landbouw kwijt te raken,

in een bewustwording van het Amerikaanse volk, daarbij

voorgelicht door verantwoordelijke regeerders, pers en

leiders van organisaties, dat de wereld buiten de Ver-

enigde Staten slechts met dollars zal kunnen kopen indien

men deze in staat stelt dollars te verdienen. De huidige

verouderde landbouwpolitiek in de Verenigde Staten

staat een realisatie van een meer liberale handelspolitiek
in de weg. Doordat de Amerikaanse boer relatief te duur

produceert, als gevolg van zijn kuiistmatig hoge levens-

standaard en bescherming, vreest hij de concurrentie

van buitenlandse goedkopere landbouwproducten. Als

geyolg van zijn grote politieke invloed is de stem van de

Amerikaanse boer in de Amerikaanse handelspolitiek

rijkelijk machtig.

– SOMMAIRE –

Ir H. VOS, Le chômage et Za structure de la vie prcifes-

sionnelle.

La production envisagée par entreprises allait de pair

avec les décisions industrielles de celles-ci sur la base

de la situation individuelle des entreprises, mène en cas

d’augmentation des salaires vers un plus grand chômage.

La solution de ce problême peut être trouvé dans une

réaction collective des entreprises.

Drs F. KUPERS, Libéralisation et convertabilité.
L’auteur arrive è. la conclusion qu’il serait â souhaiter

d’avoir une organisation internationale composée d’ experts

indépendants et qui pourraient élaborer tine étude pour
la création d’un ,,Code of fair exchange policies”.

Drs C. A. KLAASSE, Relations entre les niarchés de

l’argent et du capital.

L’auteur traite les différents facteurs qui unissent les

marchés de l’argent et du capital.
Dr R. L. BEUKENKAMP, La politique agraire améri

caine.

L’auteur arrive dans cet article â la conclusion que la

trop vieille politique agraire aux Etats-Unis forme un

obstacle â une politique commerciale plus libérale.

10 Juni
1953

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

445
.

De, werkloosheid en de structuur van het bedrijfsleven

Wij kennen in ons land een ,,geleide loonpolitiek”,

waarbij de verhoudingen tussen de lonen der verschil-
lende groepen loonarbeiders in onderlinge samenhang

worden bezien. Vôérdat deze, voor de nationale volks-

huishouding als geheel gehanteerde loonpolitiek haar
intrede had gedaan, bestond er reeds een groot aantal

collectieve arbeidsovereenkomsten, waardoor de lonen

in bepaalde bedrijfstakken werden geregeld.

Deze loonstructuur beteként op zichzelf een verheu-

gende sociale vooruitgang, en zij is reeds zo diep in het

sociale denken geworteld, dat -, ook bij het scheppen

van mogelijkheden tot een iets vrijere loonvorming – de

grondgedachte er van: ,,gelijke beloning voor gelijkwaar-

dige arbeid”, ongetwijfeld in het loonsysteem zal blijven

verankerd. De drang naar afschaffing van de gemeente-

classificatie is een typerend voorbeeld van de ontwikkeling

van het denken in deze zin.

Te weinig echter, voor zover ik kan beoordelen, is

nog doordacht en doorsproken, dat bij zulk een ,,collec-

tieve” loonstructuur de individualistische ondernemings-

gewijze structuur van het bedrijfsleven, een anomalie

gaat worden, en wel, juist vanuit de aan mijn vorige

artikelen
1)
ten grondslag gelegde stelling, dat werk en

welvaart een positieve correlatie behoren te vertonen.

Laat ik trachten dit yraagstuk weer in de eerste plaats

vanuit de concrete Nederlandse economische situatie

te benaderen.

Volgens gegevens uit het. Centraal Economisch Plan
1952 is de structuur van de Nederlandse volkshuishou-

ding zodanig, dat een
loonsverhoging
tot een tweeledig
effect aanleiding geeft. Volgens de berekeningen zou er

ten eerste een etra tekort (of geringer overschot) op

de betalingsbalans door ontstaan, en zou er ten tweede

een grotere werkloosheid door optreden.
Het ontstaan van een tekort op de betalingsbalans bij

een loonsverhoging.(aangenomen, dat zij een reële loons-

verhoging en düs een welvaartsstijging voor de werkenden

inhoudt) is bij een open volkshuishouding te verwachten.

Berekent men kwantitatief, welk tekort er zôu moeten

ontstaan door een bepaalde welvaartsvermeerdering voor

de werkenden door een loonsverhoging, dan blijkt dit

tekort aanmerkelijk
groter
te zijn, dan ,hetgeen te ver

wachten is volgens de cijfers van het Centraal E,9onomisch

Plan 1952 bij dezelfde loonsverhoging. De oorzaak van

dit verschil ligt juist in het optreden van een grotere werk-

loosheid, waardoor de totale welvaartsvermeerdering

wordt tegengewerkt.

Deze grotere werkloosheid volgt, indien men de si-

tuatie analyseert,
niet
uit het open karakter onzer volks-

huishouding.
Zij zou ook bij een gesloten volkshuishouding

optreden.
Het verdient daarom aanbeveling de oorzaken
er van op te sporen.

Immers, bij de situatie in ons land, als open volkshuis-

houdiiig; hebben wij moeten constateren, dat
werk-

vermeerdering geen welvaartsvermeerdering betekende;

nu ontmoeten wij de ândere consequentie, dat ook in de

gesloten volkshuishouding een
wei vaarts vermeerdering

(althans één tot stand gekomèn langs de weg van een
mi-

tiële loonsverhoging)
geen werkvermeerdering betekent.

Op basis van dein het eerste artikel ontwikkelde grond-

stelling kan dan die gesloten volkshuishouding de toets

der critiek niet doorstaan.

‘) Zie ,,Werk en welvaart” en ,,Internationale werkgelegenheidspolitiek nood-
aketijk” in ,,E.-S.B.” van 20 Mei en 3 Juni 1953.

Wanneer in een gesloten volkshuishouding een wel-

vaartsvermeerdering door loonsverhoging – een zeer

normale vorm –
geen
werkvermeerdering en daardoor
inschakeling van werklozen teweegbrengt, doch daaren-

tegen een vergroting van de werkloosheid, çlan is er in die

gesloten volkshuishouding principieel iets mis.

Inschakeling der werklozen door loonsverhoging principieel

mogelijk.

Laat ik nogmaals beginnen met een principiële schets.

Wanneer in een volksgemeenschap van elke 100 ,beroeps-

beoefenaars er 90 werken, en de 10 werklozen gemiddeld

50 pCt ontvangenvan de werkenden, dan is in zulk een

situatie de werkgelegenheidsindex 90, de index van het

totaal verbruikte inkomen
95.
De gemiddelde productie

per arbeider, gemeten naar zijn loon – alle andere ele-

.rnenten voorlopig buiten beschouwing latende – be-

draagt dus ca 105 pCt. Veronderstellen wij, dat de in te
schakelen werklozen gemiddeld dezelfde productiviteit

hebben als de werkenden, dan zal bij volledige werkgele-

genheid de t
6
tale productie 10 pCt boven de oorspronke-

lijke liggen, en daarmede ook de mogelijke consumptie,

die dus in plaats van de vroegere index 95 nu een index

van ca 105 bereikt. Daar alle arbeiders nu ingeschakeld

zijn, en er dus geen verschil meer is tussen arbeiders met

looninkomen en arbeiders met steuninkomen, wordt het

uiteindelijk gemiddeld mogelijke loon .105. Om 10 pCt

werklozen in te schakelen is bij de aangenomen verhou-

ding tussen loon en steun een loonsverhoging van
5
pCt

nodig – en voldoende.

Principieel kan men het verloop als volgt voorstellen:

loonsverhoging
5
pCt – daardoor koopkrachtverhoging

5
pCt. Hierdoor volgt een afzetvermeerdering van
5
pCt

en een inschakeling van de helft der 10 pCt werklozen.

Door
,
het ,inschakelen der werklozen krijgen deze het

verschil in loon en stéun als nieuwe koopkracht toege-

voerd. Deze koopkrachtvermeerdering bedraagt juist de

helft van de vorige – er volgt een nieuwe inschakeling

van werklozen enz tot na een serie opeenvolgende pro-
cessen juist algehele inschakeling der werklozen wordt

bereikt.
* *.
*

Het bovenstaande principiële mechanisnie zal – in

de normale praktijk – door verschillende oorzaken niet

volledig kunnen werken. Als’ eerste oorzaak noem ik

bijv., dat ilij inkomensvergroting de afzet niet, van
alle

artikelen gelijkmatig toeneemt. Als de mensen meer gaan

verdienen loopt van sommige gebruiksartikelen (aard-

appelen bijv.) het gebruik terug, voor andere groepen

van’ uitgaven (huur bijv. in eerste instantie) blijft het bud-

get op dezelfde wijze belast als voorheen, voor weer n-

dere artikelen (kleding, schoeisel) stijgt de vraag ongeveer

evenredig met de toename, van het inkomen, terwijl van

een laatste groep (uitgaven voor reizen, verzekeringen) de

uitgaven meer dan evenredig toenemen. Voor verschil-

lende bedrijfstakken zal dus uiteindelijk een verschillende

‘toestand ontstaan, waardoor ook de vraag naar arbeiders

verschillend toe- en afneemt. Bij het tempo, waarin.nor

maal de verhogingen van het arbeidersinkomen geschie-

den, brengen deze wrjvingsverschijnselen niet al te veel

onrust teweeg. En zeker zijn
ij
niet in staat het tot stand

komen van het uiteindelijk effect van het inschakelen

van voorheen niet-werkenden te verhinderen.

446

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10 Juni 1953

Aan de principiële werking van het mechanisme

behoeft
in wezen ook niet af te doen het feit, dat de

maatschappij niet enkel uit loonarbeiders en werklozen

bestaat. In het Centraal Economisch Plan 1952 wordt

onderscheid gemaakt tussen ,,loontrekkenden” (waar-

onder ook de werldoz,en vallen) en ,,zelfstandigen”.

Het inkomen van deze laatste groep omvat rente, dividend,

uitgekeerde winst, ondernemersinkomen, en ook het in
bedrijven gelaten gedéelte van de winst. Bij de Neder-

landse verhoudingen is in eerste instantie – d.w.z. zon-

der rekening te houden met de belastingen – het totaal

inkomen der loontrekkenden en dat der zelfstandigen

ongeveer even groot, en bedraagt het dus voor elk der

groepen rond 50 pCt van het nationale inkomen.

Indien wij nu bij gelijkblijvende prijzen – als steeds
verondersteld is – door inschakeling der werklozen de

productie doen stijgen, stijgt ook het
nationale inkomen

met 10 pCt. Wij veronderstelden immers voor de inge-

schakelden een even grote productiviteit als voor de

reeds werkenden. Welnu, daar de vergroting van de loon-

som voor de reeds werkende arbeiders door de loonsver-

hoging 5 pCt bedraagt, en deze stijging door hetinscha-

kelen van de werklozen in totaal op 10 pCt wordt ge-

bracht, blijft, bij een stijging van het nationale inkomen

met eveneens 10 pCt ook een stijging van 10 pCt voor de

,,zelfstandigen” mogelijk. Wanneer de productiviteit vah

de laatst ingeschakelde arbeiders iets lager ligt dan de

normale, blijft toch nog een aanmerkelijke vooruitgang,

ook voor de zelfstandigen,
bestaan. Deze stijging berust

in wezen op het relatief dalen van de vaste lasten in de

bedrijven bij stijgende omzetten.

De conclusie, waar het mij in deze phase van het betoog

om te doen is, luidt: het maatschappelijk mechanisme

dient principieel toe te laten – en kitn principieel toelaten

-, dat door
loonsverhoging werklozen ten gevolge van

koopkrachtvermeerdering worden ingeschakeld, terwijl

daarbij – ook bij gemiddeld gelijkblijvende prijzen – voor
de bedrijven en de zelfstandigen ondanks de loonsverho-

ging een door omzetvermeerdering vergrote winst ontstaat.

**
*

In de voorgaande passage voegde ik opzettelijk in
het woord ,,gemiddeld”. Reeds werd opgemerkt, dat

voor de verschillende producten een verschillende ont-
wikkeling van de vraag zal ontstaan. De ene bedrijfstak

profiteert meer van de omzetstijging dan de andere. In

die bëdrjfstakken nu waar de omzet
niet
vermeerdert

zal een
prijsverhoging
moeten plaatsvinden om de ge-

stegen loonkosten te kunnen betalen, enbovendien het

aandeel van de zelfstandigen in die bedrijfstak aan het in

totaal gestegen aandeel van hun groep te kunnen aan-

passen. In de bedrijfstakken, waar een evenredige vraag-

vermeerdering ontstaat, is geen prjswijziging nodig;

in de bedrijfstakken, waarin de afzet vermeerdert met

eeif percentage uitgaande boven de gemiddelde vergro-

ting van het nationale inkomen, kan
een prijsdaling
plaats-

vinden. Prijsverhogingen en prijsdalingen zullen ongeveer

tegen elkaar opwegen, wat hun effect op de gemiddelde

verbruikersprijzen betreft:

Zoals een verschillende afzetsituatie aanleiding tot

prijswijzigingen kan zijn, zo kunnen deze ook ontstaan

doordat in verschillende bedrijfstakken de verhouding

tussen het inkomen der loontrekkers en dat der zelfstan-

digen verschilt van de nationale verhouding. Sommige

bedrijfstakken zijn ,,loonintensief”. Het aandeel der ,,zelf-
standigen” kan daar ver beneden 50 pCt liggen. Een prijs-

verhoging is hier op zijn plaats – en evenzo een prijs-

verlaging voor bedrijfstakken waar het inkomensaandeel
der zelfstandigen boven 50 pCt ligt om daardoor voor de

inkomens der zelfstandigen eenzelfde gemiddelde stij-
ging in alle bedrijfstakken te verkrijgen.

Nadat het effect van de loonsverhoging, de afzetstijgiig,

en de inschakeling van de werklozen ,,verwerkt” is, ont-
staat dus een niéuwe toestand, bij éen gelijkblijvend ge-
middeld prijsniveau. De conclusie kan ook ditmaal zijn,

dat het mechanisme zich principieel
niet
verzet tegen in-

schakeling van de werklozen langs de weg van loonsver-

hoging, omdat de bedrjfstakgewijze noodzakelijke ver-

schuivingen tot stand kunnen komen.

Er is echter één mits – ook reeds hierbij. Deze ,,mits”

luidt:
mits
het effect van de koopkrachtvergroting
eerst”

in de omzetveranderingen tot uitdrukking komt, v66r

de prijswijzigingen intreden! Want,als de loonsverhoging

direct
door een prijsverhoging wordt gevolgd, vôérdat

het koopkrachteffect zich kan doen gelden, bereikt

men
niets,
omdat dan de totale reële koopkracht niet stijgt.

Deze toevoeging is maatschappelijk van bijzondere

betekenis. Zij geeft nög eens, op andere wijze dan ge-

woonlijk geschiedt, aan, dat, wie
loonpolitiek
wil bedrij-

ven, en langs de loonpolitieke kant effecten
wil
bereiken,

ook.deprjspolitiek
dient te hanteren. Een collectivisering

van het loonsysteem – en een verhoging van alle lonen

met
5
pCt gelijktijdig v66ronderstelt zulk een collecti-

visering! – is in de huidige maatschappelijke structuur

niet hanteerbaar, indien niet ook eën collectieve beheer-

sing van het prijssysteem plaatsvindt.

**
*

Het is aan geen twijfel onderhevig, dat bij een wijziging

van de prijsstructuur als gevolg van loonsverhogingen,

gepaard met een poging om ook de ,,zelfstandigen” in

de welvaartsvermeerdering hun eyenredig aandeel te

verstrekken, secundaire invloeden optreden. Terwijl de

eerste serie vraagverschuivingen een gevolg is van het

feit, dat de vraag naar verschillende producten versohil-

lend reageert op eenzelfde inkomensvergroting, treedt

een tweede serie van verschuivingen op, doordat de vraag

naar de producten eveneens afhangt van de onderlinge

prijsverhoudingen, het inkomen daarbij buiten beschou-

wing latende.

Van te voren is niet te voorspellen, welke gevolgen voor

de werkgelegenheid die tweede serie van vraagverschui-

vingen zal
hebFkn;
mijn indruk is echter, dat zij in het

algemene beeld niet het hoofdmoment vormen. De ver-

wachting, in cijfers .neergelegd, van het Centraal Plan-

bureau, over werkloosheidsvermeerdering bij loonsver-

hoging heeft een andere, meer primaire, oorzaak.
Ik leid dit ook af uit de omstandigheid, dat in het be-

drijfsleven in de loop der jaren herhaaldelijk verschillen

in prjsverhoudingen optreden. Zij vloeien niet enkel voort

uit prj saanpassingen bij loonsverhoging, doch evenzeer

uit een verschillend tempo van mechanisering en ratio-

nalisering, en op korte termijn zeer dikwijls uit prjsreac-

ties op binnen- en buitenlandse markten (Korea-effecten),

die met de structuur der beschouwde volkshuishouding

weinig van doen hebben, en daardoor ook kwantitatief

véôraf moeilijk berekenbaar zijn.

Ondernemingsgewijze productie en collectieve loonstruc-

tuur.

De hoofdoorzaak, waardoor bij loonsverhogingen een
werkloosheidsvermeerdering kan optreden in een geslo-

ten volkshuishouding, ligt in het conifict tussen de
onder-

nemingsge wijze
structuur van het bedrijfsleven, en de

collectieve
structuur der loonvorming.

10 Juni
1953

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

447

In elke bedrijfstak komen ondernemingen voor, waar

in de productie geschiedt op de rand der winstgevend-

heid of met verlies. Deze bedrijven zullen bij een loons-

verhoging bij gelijkblijvende prijzen (of bij elke reële

loonsverhoging, welke resulteert uit loon- en prjsbe-

wegingen tezamen) dieper in de moeilijkheden geraken,

en in een aantal gevallen zal het tenietgaan er van niet

te vermijden zijn. Werkloosheid is dan het gevolg. En

meestal treedt dit verschijnsel op door twee nevenoor-

zaken.

Zoals gesteld, is van een loonsverhoging een vraagver-

groting het gevolg. Deze vraagvergroting bereikt echter

een groot aantal randbedrjven niet, of kan daar geen

effect resulteren, omdat dikwijls juist deze bedrijven

technisch niet in staat zijn vraagvergrotingen rationeel

op te vangen, in tegenstelling tot beter geoutilleerde be-

drijven, waar de elasticiteit der productie aanmerkelijk

groter is. Bovendien bereikt de vraagvergroting deze

groep van producenten dikwi3ls te laat. De reactie ver-

loopt immers via afnemende voorraden in de verschil-

lende handelsstadia, en pas daarna via vergrote bestel-

lingen, waarbij dan nog ongetwijfeld de beter geoutilleer-

de bedrijven de snelste reactie zullen vertonen. Slechts

ii’i gevallen van excessief sterke klantenbinding, zal het

sterker achterblijven der grensondernemingen minder

voelbaar zijn.

Het antwoord op de vraag, hoe bij vraagvergroting

het bedrijfsleven zal reageren, wanneer deze vraagver-

groting het gevolg is van een algemene loonsverhoging,

hangt mede af van de vërdeling van de ,,leegloop” en

de elasticiteit t.o.v. het opvangen van wisselingen in de

bedrijvigheid over de verschillende ondernèmingen in een

bedrijfstak. Gegevens daarover zijn vrijwel, niet bekend.

Men mag echter aannemen, dat de capaciteitsreserve

niet direct samenhangt met de gemiddelde kostprijs.

Het duidelijkste is dat aan de bovenkant van het producti-

vitditsgebied. Indien een onderneming door een goede

politiek en lage kostprijs een groter deel van de vraag

tot zich trekt, komt het tijdstip van volbezetting en be-

slissing omtrent uitbreiding naderbij. Heeft men eenmaal

tot uitbreiding besloten, en is deze tot stand gekomen,
dan volgt vrijwel nimmer – ondanks de dan nog lagere

kostprijs bij volle bezetting – een direct aantrekken van

nieuwe orders in een voldoende omvang om het nieuwe

apparaat op volle toeren te doen draaien. De nieuwste

bedrijven hebben dus zeer dikwijls een gemiddeld lagere

bezettingsgraad dan de in productiviteit juist daarvoor

liggende.

Aan de onderkant van het productiviteitsgebied doet

zich eenzelfde irregulariteit voor. De slechtste bedrijven

zullen een grote leegloop kennen en ook bij vraagver-

groting door de reeds genoemde oorzaken weinig profi-

teren. De iets minder slechte kunnen zich nog juist (soms

op differentiële kostprjsbasis) handhaven bij volle be-

zetting, en vallen vrij snel geheel terug indien zij de volle

bezetting niet halen. Door hun kostenstructuur zullen zij

echter bij loonsverhoging verder achter komen.

In het middengebied der productiviteit zal een gedif-

ferentieerde leegloop bestaan – waarbij echter de beter

uitgeruste bedrijven het meest profiteren van een vraag-

vergroting bij gelijktijdige loonsverhoging, totdat de

volle bezettingsmogelijkheid is bereikt. Men mag daarbij

verwachten, dat de bedrijven, welke een vraagvergroting,

ondanks gunstige productiviteit, niet kunnen opvangen,

ook over de middelen zullen beschikken om tot uit-

breiding over te gaan. Een vraagvergroting op grond van

een loonsverhoging leidt dus, althans bij een relatief

spaart

kilometer na

kilometer geld

geringe onderbezetting over de gehele linie – afgezien

is dus van een diepe depressietoestand – tot een uit-

schakeling der slechtere ondernemingen, tot een capaci-

teitsvergroting, en tot een wijziging in de verdeling der
onderbezetting, waarbij de curve die de onderbezetting

in afhankelijkheid van de productiviteit weergeeft, echter

principieel dezelfde vorm behoudt.

De ondernemingsgewijze productie, gepaard aan de

individuele bedrjfsbeslissing op grond van de indivi-

duele bedrjfssituatie, leidt dus bij loonsverhogingen tot

ondergang van een aantal grensondernemingen.

Nu zou dit – ik kom hierop nog terug – op zichzelf

geen werkloosheid behoeven te betekenen in algemene

zin, indien de vraagvergroting dan in de overblijvende

ondernemingen van een bedrijfstak zou optreden met

een zodanig effect, dat daar de werklozen naar toe worden

gezogen
2).
Doch helaas – geconstateerd moet worden,

dat de reactietijd voor het eerste effect: uitschakeling,

veel korter is dan de reactietijd voor het tweede effect:

inschakeling. En mede daardoor treedt dit tweede effect

slechts gedeeltelijk op. Immers: de werkloosheid betekent

een directe vraagvermindering, en werkt dus de aanvan-

kelijke vraagvermeerdering tegen. Het nieuwe evenwicht

ligt dan bij groter werkloosheid, gestegen welvaart der

nog werkenden, en een in totaal minder gestegen welvaart,

dan uit de grootte der initiële loonsverhoging zou voort-

vloeien. Maatschappelijk beschouwd is er nog een wel-

vaartsvrmeerdering mogelijk, ook bij een
groter
werk-

loosheid, als verschil van toenemingen en afnemingen,
ontstaan ten gevolge van verschuiving van een deel der

arbeiders van de grensbedrjven naar de beter geoutilleer-

de. Doch de contradictie blijft aanwezig, dat de initiële

welvaartsvermeerdering door loonstijging geen werk-

vermeerdering brengt.

**
*

Hètgeen hierboven is gesteld t.a.v. het behandelde

probleem van de verhouding tussen werk en welvaart,

blijft in alle onderdelen opgaan, indien men de welvaarts-

vermeerdering in eerste instantie niet tracht te bereiken

langs de weg van de loonsverhoging, maar langs die van een

gedwongen prijsverlaging. De grensondernemingen rea-

geren hierop niet anders, al treden er enige verschillen

op, doordat de verhouding tussen lonen en overige kosten

van bedrijf tot bedrijf wisselen, en dus een prijsverlaging

een andere serie primaire verschuivingen tevoorschijn

roept dan een loonsverhoging. Maar het uiteindelijke

effect is hetzelfde, en kan volgens dezelfde bewijsvoering

worden aangetoond.

In de economische discussie der laatste jaren is nog

een derde methode tot verhoging van de welvaart als

) Hierbij zie ik nog af van de moeilijkheden, welke hel gevolg zijn van de relatieve onbeweeglijkheid van het arbeidsaanbod door de geringe verplaats-
baarheid der arbeiders.

448

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10 Juni 1953

uitgangspunt aangeprezen. Het is de methode der
lasten-

verlaging, hetzij voor het bedrijfsleven alléén, hetzij voor

consument en producent beide. Zulk een lastenverlaging
is mogelijk door de positie welke de Overheid in het ge-

heel inneemt. In het licht van het voorgaande, zal daar-

van slechts een effect zijn te verwachten, wanneer de

compenserende belastingverzwaring nodig voor het

in evenwicht houden van het overheidsbudget
– de

grensbedrjven ongemoeid laat.
Het is mogelijk deze me-

thode toe te passen, door bijv. de sociale lasten voor een
deel door de Overheid te laten betalen, en te doen finan-
cieren uit een verhoging van de belasting op de winsten.

Bij dit laatste blijven nl. de grensondernemingen per defi-

nitie buiten schot.

Tegen deze methode, die op zichzelf hanteerbaar is

in het huidige tijdsbestek, zie ik echter een tweetal zeer

ernstige bezwaren. Het eerste bezwaar is, dat deze methode

vrij snel haar eigen ,,natuurlijke” einde vindt: het is niet

mogelijk, in verband met andere maatschappelijke re-
percussies, de belastingen op de bedrjfswinsten onge-

limiteerd op te voeren. Men kan zulk een lastenver-

schuiving van de slechtere naar de betere bedrijven –

want dat betekent ‘deze politiek – slechts een of enkele

malen toepassen, en dan is het uit.

Een tweede, even ernstig bezwaar is, dat op deze wijze

de grensbedrjven, economisch gezien, veel te lang in

stand worden gehouden. Daardoor wordt het algemene

productiviteitsniveau aanmerkelijk gedrukt, en vooral op

den duur daardoor ook het levenspeil. Deze politiek be-
tekent namelijk, dat voor de grensbedrjven de noodzaak

om tot rationele productie te komen vervalt, de druk

daartoe ten minste aanmerkelijk wordt verzwakt, maar

tevens, dat voor de betere bedrijven de middelen, welke

daar voor verdere onderzoekingen, uitbreidingen en ver-

beteringen kunnen worden aangewend, worden wegge-

zogen, en wel, zoals gezegd, zonder rationaliserend effect

op de grensbedrjven.
De methode der lastenverschuiving door overheids-

ingrijpen is daarom maatschappelijk onjuist en praktisch

vrij snel versleten. Dat wil niet zeggen, dat zij als ,,nood-

hulp” in een bepaalde structurele of conji.incturele situ-
atie niet zou kunnen worden toegepast. ‘Maar de grond-

oorzaak der tegenstelling tussen welvaartspolitiek en

werkgelegenheidspolitiek wordt er niet door gefaakt.
**
*

Deze grondoorzaak. kan wel worden weggenomen,

wannèer men de consequentie aandurft van het ter dis-
cussie stellen der individualistische productiewijze. In-

dien de grondoorzaak gelegen is in het individueel ver-

schillend reageren der ondernemingen op eenzelfde kosten-

wij ziging, dan kan slechts in een
collectief
reageren een uit-

komst worden gevonden. Of dit collectief reageren wordt ‘

bereikt door een privaat-economische kartellering, een

publiekrechtelijke bedrjfsorganisatie of een socialisatie,
is voor het onderhavige probleem theoretisch volkomen

onbelangrijk. In al deze gevallen van collectivisering

wordt het nl. mogelijk het randbedrjf niet ten gronde te

laten gaan, doch – doordat de bedrijfstak
als geheel
een

groter inkomen verkrijgt door de vraagvergroting –

uit de winsten der beter geoutilleerde bedrijven de verlie-

zen der grensbedrjven op te vangen of, waar deze poli-

tiek snel toe leidt, de winsten der beter geoutilleerde

bedrijven te gebruiken voor een sanering van de rand-

bedrijven. Het is deze politiek, die ten grondslag ligt

aan de socialisatie van het steenkolenbedrjf in Groot-

Brittannië, en aan hetgeen thans geschiedt binnen de

Kolen- en Staalgemeenschap voor de rationalisatie van

het Belgische steenkolenmijnbekken.

Slot conclusie.

Wij vonden, bij het onderzoek naar de vraag over de

samenhang van werk en welvaart, twee grenzen, die een

positieve, economisch en zielkundig geboden samenhang

beletten.

De eerste grens was de nationale, belangrijker geworden

door de groeiende afhan
\
keljkheid van het buitenland.

De tweede grens was die, ontstaan door de individuele

bedrjfsstructuur, die in tegenstelling is geraakt tot de

collectieve loonstructuur, welke laatste overigens slechts

één der uitdrukkingen is van de groeiende sociale samen-

hang der gemeenschap.

In beide gevallen is een verdere ontwikkeling de enig
mogelijke oplossing: het scheppen van nieuwe suprana-

tionale organen in het internationale leven, en van nieuwe

sociaal-economisch leidinggevende organen in het be-

drijfsleven. Er zijn vele aanduidingen, dat de maat-

schappelijke ontwikkeling in de geschetste richting zal

gaan. Zo men wil, mag men dan ook de in ons drietal

artikelen gegeven bijdrage over de noodzakelijke samen-

hang tussen werk en welvaart zien als een historisch

materialistische” poging tot een verklaring van de sterke

drang, welke in de maatschappij naar -internationalisatie

en bedrjfsgewijze aaneensluiting aanwezig blijkt te zijn.

wassenaar.

Ir H.
vos.

Liberalisatie’ en convertibiliteit

Het jongste besluit van de Nederlandse Regering, om

het liberalisatiepercentage op te voeren tot 92, vormde

de aanleiding om zich eens de vraag te stellen wat de

vooruitzichten zijn van het, economisch gesproken, be-
langrijkste aspect van de inter-Europese samenwerking:
het liberalisatiestreven in het kader van de O.E.E.S.

Zoals bekend is de O.E.E.S. destijds opgericht als

rechtstreeks uitvloeisel van de Amerikaanse hulp aan

Europa in de vorm van het Marshall-plan. Aan deze

hulpverlening was uitdrukkelijk als een der voorwaarden

verbonden, dat er een toenemende mate van economische

samenwerking tussen de landen van Europa tot stand

diende te komen.

Als een van de eerste opgaven voor een groeiende

Europese samenwerking heeft de O.E.E.S. er naar ge-

streefd eeii vrjmaking van het toenmaals zo gelluisterde

handelsverkeer te bewerkstelligen..

Nu was deze liberalisatie uiteraard geen doel op zich,

maar in het economische vlak een middel om via een

betere internationale arbeidsverdeling de welvaart voor

allen te verhogen. Bij deze laatste constatering moge

voor het doel van dit artikel aan de theoretische beschou-

wingen van de welfare economics op dit stuk worden

voorbijgegaan.

Praealabele voorwaarde voor de vrijmaking van het

handelsverkeer van de vrijwel universeel toegepaste quan-

titatieve restricties, was evenwel een vrjmaking van’ het
betalingsverkeer. Een multilaterale verrekening, dus een

geheel of althans gedeeltelijk herstel van de convertibi-

liteit was noodzakelijk, omdat anders de tendentie be-

10Juni1953

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

449

staat om te kopen in die landen, ten opzichte van welke

men een betalingsbalansoverschot heeft, en te verkopen

aan het land, ten opzichte waarvan men zich in een

deficitpositie bevindt. Zodoende koopt men dus niet meer

in .de goedkoopste markt, noch verkoopt men in de

duurste.

De liberalisatie kon derhalve in feite pas beginnen

nadat er een zekere voortgang gemaakt was op de weg

naar convertibiliteit.

Het besluit van de Raad van de O.E’.E.S. van 2
NQ-
vember 1949, dat de deelnemende landen er naar zouden

streven om de quantitatieve restricties ten aanzien van

zoveel goederencategorieën op te heffen als in 1948

50 pCt van de niet via staatshandel geleide importen

uitmaakte, kwam dan ook na de – voorlopig nog be-

scheiden – eerste stappen in de richting van conver-

tibiliteit van een aantal O.E.E.S.-landen. In het najaar

van 1947 hadden de Benelux-landen, Frankrijk en Italië

ni. de mogelijkheid van zekere compensaties van hun

betalingen geschapen. In het najaar van 1948 kwam

voor het gehele O.E.E.S•.-gebied het Intra European

Payments Schéine tot stand, dat behalve bepaalde com-

pensaties ook het gebruik van ,,trekkingsrechten” kende

Dit laatste betekende, dat een debiteur om niet van

een bepaalde crediteur kon betrekken, waarvoor deze

laatste door de Verenigde Staten in dollars schadeloos

werd gesteld. In de herfst van 1949 volgde een nieuwe

stap vooruit doordat een debiteur zijn trekkingsrecht

voor een deel multilateraal mocht aanwenden.

Tijdens dezelfde Raadszitting, waarin men tot 50 pCt

liberalisatie besloot, werd aan de landen aanbevolen

voort te gaan in hun streven naar een vrijer betalings-

verkeer: steeds’ ziet men een verruiming van het beta-

lingsverkeer voorafgaan aan verdere pogingen op het

gebied van de’ liberalisatie.

Het ingaan van de volgende liberalisatieronde – die

van 60 pCt -, waartoe op 31 Januari 1950 werd besloten,

werd afhankelijk gesteld van het Vot stand komen van een

bevredigend systeem van internationale verrekening. Het

wachten was op de Europese Betalingsunie, die op 7 Juli

daaraanvolgend officieel haar levensloop begon. Zolang

het met de convertibiliteit hokte, moest ten aanzien van
de liberalisatie de pas worden gemarkeerd.

Met de komst van de E.B.U. werd de onderlinge con-

vertibiliteit der Westeuropese valuta’s ingevoerd, voor de

in het systeem toegelaten betalingen, grosso modo die

op lopende rekeiuing.’

Het aldus gecreëerde vrij omvattend convertibiliteits-

systeem schiep het raam, waarbinnen verdere liberalisatie-

pogingen zich konden afspelen; het bracht tevens de

inhaerente problematiek, die tot dusverre verborgen was

gebleven, ddidelijk aan het licht.

Na de 60 pCt liberalisatie, die uiterlijk op 4 October

1950 moest ingaan, werd onmiddellijk daarop besloten,

dat met ingang van 1 Februari 1951 75 pCt van het

inter-Europese goederenverkeer van quantitatieve restric-

ties moest worden ontdaan.

Daarmede was dan ook echter het maximum van het

gezamenlijke Europese pogen bereikt en begonnen de

grote moeilijkheden.

Een land, dat zowel zijn deviezenrestricties als ook zijn

quantitatieve belemmeringen van de import opheft, geeft

bij het huidige systeem van vaste wisselkoersen dé moge-

Jij kheden uit handen om, anders dan langs de weg van

binnenlandse aanpassing, een ongunstige betalingsbalans-

ontwikkeling en een dreigende uitputting van zijn devie-
zenreserves tegen te gaan.

Bepalen wij ons tot de laatste jaren, dan zien wij dat een

dergelijke ongunstige ontwikkeling van de betalingsba-

lans maar al te gemakkelijk kon optreden doordat:

een aantal landen er niet voldoende in slaagde mone’-

tair orde op eigen zaken te stellen;

dit continent na de noodlottige depressie en de aan-

sluitende noodlottiger oorlog zich gesteld zag tegen-

over ernstige structurele dispariteiten.

Denkt men daarnaast aan de ongehoord hevige reper-

cussies van de bekende politieke gebeurtenissen na de

tweede wereldoorlog, dan is het maar al te verklaarbaar,

dat vele landen, gegeven de betrekkelijk grote vrijheid

in het betalingsverkeer, door het wederom invoeren van

âanvankelijk prijsgegeven quantitatieve restricties hun

snel slinkende reserves trachtten te beschermen.

Het onvermogen om voldoende (dan wel voldoende

snel) een binnenlandse aanpassing tot stand te brengen,

heeft vele aan de O.E.E.S. deelnemende landen dan ook
te eniger tijd genoÖpt in conflict te komen met het libe-

ralisatiestreven.

Mqmenteel is de liberalisatiepolitiek van de Organisatie

doodgelopen in, een toestand, waarbij geliberaliseerd

wordt – en soms tot zeer hoge percentages – als het
een land goed gaat en waarbij men deliberaliseert –

soms.tot 0 toe – als de wind tegen zit.

Dit gebruik van quantitatieve restricties als sluitstuk
van de economische politiek, moet als een uiterst du-

bieus middel worden beschouwd. Voor de internationale

handel brengt dit het grote risico met zich dat een land,

dat door deliberalisaties van een of meer handelspartners

in moeilijkheden geraakt, op zijn beurt tot dergelijke

middelen zijn toevlucht gaat nemen, waardoor een ge-

vaarlijke neergaande spiraal voor de internationale

handel dreigt. Daarenboven valt van het afsluiten van

de invoer op zichzelf niet een corrigerende werking te ver-

wachten, omdat daarmede het euvel van een relatief

teveel aan koopkracht niet wordt weggenomen. Er zal

integendeel de ongewenste nevenwerking ontstaan, dat

de export nog wordt afgeremd, waardoor het tielibe-

raliserende land verder in de put komt.

Nu zou het stellig onjuist zijn om te suggéreren dat

op het gebied van de liberalisatie niets is bereikt. Voor

het feit dat er zekere resultaten zijn geboekt kunnen

twee redenen worden genoemd:

De full employment-gedachte werd na een dozijn

jaren practisch zonder werkloosheid iets minder

geprononceerd, waartegenover men anderzijds de

sociale onrechtvaardigheden van een lang aanhou-

dende inflatie heeft leren kennen. Hierdoor behoort

een disinfiatoir beleid niet langer meer tot de po-

litieke onmogelijkheden.

De samenwerking tussen de landen heeft bewezen;

ook zonder supra-nationaal gezag, tot meer in staat

te zijn dan men aanvankelijk voor mogelijk hield.

Niettemin zijn de bereikte resultaten niet van ,die

aard geweest dat men geen twijfel in zich zou voelen

opkomen nu er nieuwe, en ambitieuzer stappen naar

verdere convertibiliteit worden beraamd. Een libera-

lisatiewijze, die bewezen heeft de altijd nog beperkte

convertibiliteit als belichaamd in de E.B.U., niet te kun-

nen volgen, zal tekort schieten als het raam verder wordt

verwijd.

Dit zal temeer het geval zijn, omdat naast de hierboven

onder a genoemde oorzaak voor betalingsbalansmoei-

]ijkheden zich ook di
i
e onder
b
genoemd krachtiger zal,

450

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10. Juni 1953

doen gevoelen als de convertibiliteit mede het dollar-

gebied zal gaan omvatten. Zouden wij inderdaad weer

min of meer regelmatig deliberalisaties krijgen, dan heeft

een grotere convertibiiteit geen zin en spant men het

paard achter de wagen. De convertibiiteit toch heeft

ten doel een groter handeisverkeer en een betere inter-

nationale arbeidsverdeling mogelijk te maken.

Men noet dus vrezen dat wij bij het heersende regime

van vaste wisselkoersen geconfronteerd zullen blijven

met het verschijnsel der periodieke deliberalisaties. Nu

zal men tegenwerpen dat het stelsel van Bretton Woods

toch voorziet in een systeem van korte en lange credieten

om tegemoet te komen aan tijdelijke, dan wel aan meer

fundamentele onevenwichtigheden. De ervaringen met
betrekking tot de twee hierboven aangeduide oorzaken

van economische moeilijkheden geven echter helaas

weinig hoop dat deze middelen in de toekomst effectief
zullen blijken. Notoire faux monnayeurs helpt men niet

met credieten. En het feit dat Europa acht jaar na het

einde van de oorlog, ondanks de verstrekte enorme bij-

dragen, door zeer veel waarborgen voor een economisch

zo juist mogelijke besteding omgeven, nog steeds geen

evenwicht heeft met het dollargebied, doet niet ver-

wachten dat lange credieten alleen in staat zullen zijn

aan hardnekkige onevenwichtigheden een einde te maken.

Wil men het handelsverkeer Vrij maken, dan zal men

dus genoodzaakt zijn zich ernstig af te vragen of het

huidige systeeI1 van vaste wisselkoersen-hiermede wel ver-

enigbaar is.
Een overgang naar fiuctuerende .koersen schept zonder

twijfel complicaties en vele zijn de bezwaren, die er tegen

te berde zijn gebracht. Hier zij slechts de veel gehoorde

vrees voor een herhaling van de onzalige depreciatie-

wedloop van de dertiger jaren gereleveerd. Misschien

kan men te dien aanzien, gegçven het feit dat vergeleken

bij de dertiger jaren de internationale samenwerking

toch zeer grote vorderingen heeft gemaakt, thans iets

optimistischer zijn. In dit verband zou het aanbeveling

verdienen indien een van de internationale organiaties

aan onafhankelijke experts verzocht een studie te maken

hoe een reële ,,Code of fair exchange policies” er uit

zou moeten zien. Aanvaarding van een dergelijke Code

gepaard aan een stringenter maken van de thans voor

de O.E.E.S.-landen geldende ,,Code of Liberalisation”

zou wellicht een werkzame combinatie kunnen geven

van internationale discipline en nationale manipulatie-

mogelijkheid.

Het zou echter buiten het bestek van dit artikel vallen

om uitvoerig op het voor en tegen van variabele koersen

in te gaan. Wij hebben er hier slechts op willen wijzen

dat in de wereld van vandaag vaste wisselkoersen, con-
vertibiliteit en de afschaffing van quantitatieve restric-

ties niet verenigbaar zijn. Een liberalisatiepolitiek, die

daarmede geen rekening houdt, moet tot teleurstellingen

leiden.

‘s-Gravenhage.

F. KOPERS.

Verband tussen geld- en kapitaalmarkt

Wanneer men het verloop van de rente op de geldmarkt

en van die op de kapitaalmarkt in Nederland sedert 1945

vergelijkenderwijze beziet dan zou men tot de conclusie

neigen, dat van een correlatie tussen beide markten niet

of nauwelijks sprake is. Dit is althans het geval wanneer

men ht begrip geldmarkt in engere zin opvat, te weten

als de markt voor verhandelbaar ,,kort” geldmarkt-

materiaal. Het marktdisconto voor schatkistpapier is

sedert
1945
ononderbroken gedaald – voor jaarspapier

van 2
1
/
2
pCt tot
3/4
pCt – en dit geldt zelfs voor het drie-

jaarspapier, alsmede – met een enkele korte onderbre-

king – voor vijfjaarspapier. Neemt men het begrip

geldmarkt in ruimere zin en vat men daaronder ook de

markt votr het commerciële bankcrediet dan ligt de situ-

atie anders, omdat immers de rente daarvoor in het tijd-
vak September .1950 tot Januari 1952 als gevolg van de
discontoverhogingen door De Nederlandsche Bank met

in totaal 14- pCt, en het effectief maken van het bank-

disconto via de .credietrestrictiemaatregelen, aanzienlijk

is opgelopen. Hetzelfde geldt voor de prolongatierente

– waarvan overigens de betekenis als zelfstandig geld-

marktverschijnsel is gereduceerd tot een fractie van wat

zij in vroeger jaren betekende -, die in dat tijdvak op-

liep van
21/4
pCt tot 3
1
/
2
pCt. In dit verband is het goed

zich nog eens të realiseren höezeer de situatie te onzent

verwrongen is geweest, in dier voege, dat de geldmarkt

kunstmatig in twee deelmarkten werd verdeeld, één

markt voor crediet aan de Overheid (schatkistpapier)

en één voor andere credieten, waarbij aângetekend moet

worden, dat deze scheiding slechts effectief heeft bestaan

gedurende de periode der credietrestrictie van 1 Januari

1951 tot April 1952. Afgezien van dat tijdvak
kan
niet

gezegd worden, dat althans wat de -geldmarkt betreft

een geforeerde ,,goedkoop-geldpolitiek” werd bedreven.

Vergelijkt men nu, rekening houdend met het voren-

staande, dus bedenkende, dat voor het bedoelde tijdvak

Januari 1951 tot April 1952 veeleer het officiële bank-

disconto als maatstaf voor de geidmarktontwikkeling

moet worden genomen dan de toenmaals geldende rente

voor schatkistpapier, de ontwikkeling van de geldmarkt

en de kapitaalmarkt, dan valt te constateren, dat er een

zekere mate van paralleliteit bestaat tussen het verloop

op de beide markten. Het duidelijkst is dat het geval

geweest in het meer aangehaalde tijdvak, zoals uit gra-

fiek 1 blijkt.

Van 1945 tot September 1950 was de samenhang veel

minder dtiideljk. De geldmarkt immers was toen uiter-

mate ruim. De liquide middelen der banken waren zeer

omvangrijk en volledig emplooi daarvoor kon slechts

worden gevonden dank zij het feit, dat de Schatkist

ongelimiteerd papier afgaf, ook al had zij een veel groter

saldo beschikbaar bij De Nederlandsche Bank dan als

,,werkkapitaal” nodig was. De. kapitaalmarkt daarente-

gen, ook al bleef het resultaat op de rentevoet door de

,,goedkoop-geldpolitiek” en door. allerlei andere factoren

(o.a. het aanwenden van de opbrengst der beide heffin-

gen ineens voor uitgaven waarvoor normaliter op lange

termijn had moeten worden geleend) zeer beperkt, ver-

toonde een voortdurende krapte. Met o.a. als gevolg,

dat gemeenten en andere publiekrechtelijke organen de
kapitaalmarkt practisch gesloten vonden en op de geld-
markt terecht moesten, een druk, die deze laatste overi-

gens gemakkelijk kon weerstaan.

Nemer wij het verloop in enkele andere landen ter-

zake van dit vraagstuk onder de loupe dan zien wij het

volgende. In Engeland treffen wij.tot November 1951 een

10Juni1953

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

451

4 Grafiek 1

geforôeerde goedkoop-geidpolitiek aan op de geldmarkt
en tot November 1947 eenzelfde politiek op de kapitaal-

5
markt. In 1947 moest men deze politiek voor de kapitaal-

markt opgeven, met als gevolg een drastische stijging

van de kapitaalrente. Wat de geidmarkt betreft werd de

fictie van ,,easy-money” volgehouden tot het aan het

bewind komen van de conservatieve Regering. In N&iem-

ber 1951 werd ook voor deze markt het roer omgegooid.

Uit grafiek II krijgt men een indruk van de samenhang

van het verloop op beide markten.

Ook in de Verenigde Staten werd

in de jaren na de

oorlog door de Sçhatkist een politiek van gecontroleerde
3
rente bedreven. In 1948 echter werd voor
de
geidmarkt,

nadat een zeer langdurige strijd ter zake tussen Treasury

en Federal Reserve Bard in het voordeel van de laatste

was beslecht, de teugel langzaam gevierd. Terwijl wat

de langer lopende government bonds betreft pas later

2
de koers in deze richting werd bijgestuurd. Het resultaat

valt uit onderstaande grafiek duidelijk te zien.

Grafiek III

5

P RO ME
DE NEDERLANDSCHE
S S E D ISCO N TO
BANK

RENDEMENT

3

~T
PERPETUELE
STAATSLEN

_

NGEN

L

2

]A$ FTETARIEF121vAANDSSCHATKISTPROMESSEN

01

RENDEMENT
2,4
PCT

DISCONTO BANK OF ENGLAND

14

ii

1946 1947 1948 1949 1950
1951 1952 1953

/

ENGELAND

0

1946 1947
1948

1949

1950 1951

1952 1953

NEDERLAND

Grafiek II

—–.5

5

5

4-

4

3.

3

RENDEMENT: OVERNMENT BONDS

2

DISCONTO FEDERAL RESERVE BA
NK

1

0

..L…..L

…J….i.. ..L

1946

1947 1948 1949

1950 1951

1952 1953

2
USA.

In al dè genoemde gevallen zien wij derhalve een ze-
kere mate van paralleliteit in het renteverloop van geld-
en kapitaalmarkt. Zij het dan ook vaak met een verschil

van tempo en intensiteit. Betekent dit, dat er ook een

causaal verband is en kan men wellicht zelfs zover gaan

te stellen, dat geld- en kapitaalmarkt twee deelmarkten

zijn van één groot geheel, dat men ,,financieringsmarkt”

zou kunnen noemen?

D

Het valt natuurlijk niet te ontkennen, dat er een ver-

band en een zekere mate van fungibiliteit bestaat tussen

financiering via de geldmarkt en die via de kapitaalmarkt.

Anderzijds valt het evenmin te ontkennen, dat de ver-

452

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10Juni1953

vngbarheid van de ene soort financiering door de andere

slechts binnen Vrij enge grenzen mogelijk is. Zo zal men

typische seizoentoppen in de financieringsbehoefte nim-

mer economisch kunnen dekken op de kapitaalmarkt

en omgekeerd voor permanente vermogensbehoefte in

de eerste plaats op de kapitaalmarkt terecht moeten.

Tussen deze beide uitersten ligt intussen een heel gamma

van mogelijkheden. Vooral wanneer men het probleem

beziet van de gezichtshoek der tijdelijke utiliteitsover-

wegingen is het duidelijk, dat de renteverhoudingen tussen

beide markten van grote invloed kunnen zijn voor de

decisie, die op een gegeven moment moet worden ge-

nomen. Een duurzame financieringopzet kan tijdelijk

opgeschort worden al naar de marktverhoudingen. Dit

kan zowel gebeuren ten gunste van kapitaal.markt- als

ten gunste van geldmarktfinanciering. Als voorbeeld

kan genoemd worden de drang naar de kapitaalmarkt,

die bij het bedrijfsleven duidelijk ontstond in de periode

der credietrestrictie hier te lande, toen hier en daar de

vrees post vatte, dat deze politiek een blijvende zou zijn

en wellicht nog zou worden verscherpt, aldus het beroep

op de geidmarkt steeds moeilijker makend. Omgekeerd

is het logisch, dat in een periode van ruime geldmarkt

de geidbehoevenden, ook wanneer zij het voornemen

hebben op den duur een beroep op de kapitaalmarkt te
doen, geneigd zijn daarmede weinig haast te maken en

zich provisorisch op. de geld markt van middelen te voor-

zien.

Tot zover de samenhang tussen beide markten uit de

gezichtshoek der reacties van de geldzoekenden. Echter

ook met betrekking tot de gedragingen der geldaanbie-

ders is er een zekere band.
In de eerste plaats kan in dit verband gewezen worden

op de mogelijkheid om middelen ter geidmarkt opgeno-

men aan de kapitaalmarkt toe te voeren via het instru-

ment der effectenbelening. Hier te lande is, als het laat-

ste overblijfsel van de met de gelduiveringsvoorschrif-

ten samenhangende maatregelen, nog steeds het verbod

van aankoop van effecten met geleend geld van kracht.

V66r de oorlog was vaak via zeer omvangrijke effecten-

belening de geldmarkt een grote steun voor de kapitaal-

markt, waarbij op de voorgrond gesteld zij, dat die steun

uit de aard der ratio van de effectenbelemng in de eerste

plaats de sector der aandelenmarkt betrof. Elders is ook

thans nog de credietgeving op effectenonderpand een

element van betekenis, al is de omvang van deze finan-

ciering overal sterk verminderd in vergelijking tot voor-

oorlogse verhoudingen, deels als gevolg van desbetref-
fende overheidsvoorschriften, deels omdat sterk specu-

latieve bewegingen van de markt minder frequent en

minder hevig zijn.

Een ander punt van samenhang van geld- en kapitaal-

markt is in het laatste halfjaar hier te lande naar voren
gekomen, zij het dan ook dat het slechts een variant is

op een verschijnsel, dat elders reeds lang is waar te

nemen. De transacties, die aangeduid plegen te worden

met de term ,,voorfinanciéring” zijn in wezen een tijdelijke

inschakeling van de geldmarkt in kapitaalmarkttrans-

acties. De techniek dezer affaires moge bekend veronder-

steld worden. Zij heeft trouwens verschillende varianten,

waarvan de meest voorkomende is, dat een bankinstel-

ling een lange lening overneemt, in onderhandse vorm dan

wel in die van een obligatielening, en deze op een termijn

van 1 tot bijvoorbeeld 3 jaar overdraagt aan een institu-

tionele belegger tegen een lagere koers dan die waarvoor
de lening werd verworven. Het ,,disagio” wordt mogelijk

gemaakt, omdat de ,,voorfinancierende” bank voor een

,,geldmarkt”-belegging – en het gefinancierde object,

hoewel een lange lening zijnde, is door de termijnver-

koop immers tot een geldmarktobject getransformeerd –

met een lagere rente genoegen neemt dan de nominale

renté der lange lening. Het behoeft geen betoog, dat door

deze en soortgelijke transacties (want er bestaan zoals

reeds opgemerkt verschillende varianten, die vaak een

heel andere technische verschijningsvorm hebben) zeer

omvangrijke bedragen van de geldmarkt naar de kapitaal-
markt kunnen worden overgeheveld.
Het in elkaar overvloeien van beide markten kan overi-
gens ook door meer rechtstreeks opereren van geldmarkt-

instituten op de kapitaalmarkt in de hand gewerkt wor-

den. In de Angelsaksische landen is het sedert jaar en dag

usance, dat de banken een niet onbelangrijk deel van hun

liquide middelen uitzetten in middellanglopende fondsen.

Beziet men de balansen der Engelse banken dan consta-

teert men, dat in de post ,,investments”, dat zijn de lan-

gere beleggingen, niet minder dan rond
35
pCt der toe-

vertrouwde vreemde middelen is uitgezet. Ook de Ame-

rikaanse banken kennen ,,investments” als een actief-

post van majeure betekenis. Ook in omgekeerde richting

komt het voor, dat het osmoseproces tussen beide mark-

ten in de hand wordt gewerkt door de geldnemers. In-

zonderheid overheidsorganen kunnen, als de geldmarkt

bijzonder ruim is, het zwaartepunt van de financiering

meer verleggen naar korter lopende leningen, die voor het
geldmarktpersoneel acceptabel zijn. In’ vele landen is een

heel gamma van looptijden bekend, waarvan een niet

onbelangrijk deel op de geldmarkt afzet vindt. Aldus

worden objecten gefinancierd, die in feite de aantrek-

king van lang vermogen eisen. Overdrijft men naar een

van beide zijden – dit geldt zowel, voor geldgever als

geldnemer – dan ontstaat het gevaar van ongezonde

financiële verhoudingen, terwijl ook monetaire beden-

kingen soms op de voorgrond komen. Maar in dergelijke

gevallen is er nu eenmaal steeds een Vrij uitgebreid terrein

voor nog juist aanvaardbare tussenoplossingen.

En dan is daar ten slotte nog een uiterst belangrijké

factor, te weten de psychologische. Wijzigingen in het

officiële disconto zijn door de jaren Heen steeds een iet-

wat spectaculaire aangelegenheid geweest, waarop ver-
schillende markten plachten te reageren. Zo
ifi
normale

tijden bijvoorbeeld de deviezenmarkt. Zo eveneens de

kapitaalmarkt, waarbij men geenszins rechtstreeks dacht

aan de doorwerking van een discontowijziging op de

kapitaalrente. In dit verband zij in herinnering gebracht,

dat vroeger veelal, wanneer een staat een grote lenings-

operatie voorbereidde, het ,,pad werd geëffend” door een

discontoverlaging. In verschillende landen was dit bijna

tot een Vaste usance geworden; De recente verlaging van

het disconto door De Nederlandsche Bank (hoewel geens-

zins met dit doel gehanteerd) heeft prompt de toch reeds

vrij vaste stemming op de obligatiemarkt versterkt. Een

soortgelijk verschijnsel deed zich voor toen eind ,April

in de Verenigde Staten de banken de rente voor commer-

ciële credieten met
1
/
4
.pCt verhoogden in aansluiting aan

de stijgende geldmarktrente, waardoor de juist uitge-

geven
31/4
pCt staatslening, die een succes was geworden,
beneden pari zakte.

Genoeg om duidelijk te maken, dat er vele factoren

zijn, waardoor de trend van het renteverloop op geld- en

kapitaalmarkt een zekere mate van onderlinge afhanke-

]ijkheid vertoont. Hetgeen anderzijds nit wegneemt,

dat beide markten een eigen karakter hebben, waardoor

soms ook een noemenswaardige divergentie in dë rente-

ontwikkeling optreedt, zeker wat betreft tempo en inten-

siteit maar soms ook wat de richting betreft.

Amsterdam.

C. A. KLAASSE,

10Juni
1953

‘ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

453
De Amerikaanse landbouwpolitiek

Een hinderpaal bij het realiseren van de door de Eisenhower

Administratie gedachte handelspolitiek?

De gevoerde landbouwpolitiek sedert 1933.

De huidige Amerikaanse landbouwpolitiek wordt be-

paald door die, welke in het begin van de jaren dertig On-

der drang van de toen vigerende omstandigheden moest

worden gevolgd door de destijds aan het bewind iijnde De-

mocratische Administratie onder Franklin D. Roosevelt.

Zij vormde een onderdeel van zijn New Deal-politiek, die er

op gericht was om van de economie van de Verenigde Sta-

ten, die tot op het gevaârljke af wèrd ondermijnd door de

wereldcrisis, zo veel mogelijk te redden en deze later

tevens te herstellen. Oudere lezers zullen zich herinneren,

dat in de jaren 1930/34 duizenden Amerikaanse platte-
landers in ongekende nood verkeerden op een moment,

dat in de steden millioenen werklozen een speciaal gevaar

vormden in de Amerikaanse volksgemeenschap. De

Amerikaanse. landbouwpolitiek van de toenmalige Ad-

ministratie was er in de eerste plaats op gericht om de

Amerikaanse boer en diens productie te behoeden voor

de ondergang. In grote lijnen bestaat er overeenkomst tus-

sen de door de Amerikaanse Regering toentertijd geno-

men maatregelen en die, welke wij in ons land kenden

onder onze eigen landbouwcrisiswetgeving. In de Ver-

enigde Staten werden deze maatregelen mogelijk gemaakt

onder de zgn. Agricultural Adjustment Act (A.A.A.).

van 1933. De’A.A.A. maakte het mogelijk om de Ameri-

kaanse boer althans een minimum inkomen voor een rede-

lijke productie te garanderen.

Toen aan het einde van de jaren dertig een algemeen her

stel in de wereldeconomie intrad, en daarmede ook in

die van de Verenigde Staten, was het moment gekomen
om de A.A.A. rechtskracht te doen verliezen dan wel te

doen vervangen door een nieuwe landbouwwetgeving,

die echter aangepast diende te zijn aan de nieuwe om-

standigheden. Toen evenwel in 1939 de wereldoorlog

uitbrak, heeft dezelfde nog aan het bewind zijnde Admini-

stratie de A.A.A. — voorzien van de daartoenodige

amendementen – verder gebruikt voor landbouwpolitieke

doeleinden, die waren aangepast aan de oorlogseconomie.

Thans werd dèze wet o.a. gebruikt om de productie

van bulk-producten zoals tarwe, waarvoor geen natuur-

lijke afzet meer te vinden was in de inmiddels door de

vijand bezette importlançlen, aan banden te leggen, o.a.;

door areaalbeperkingen, als ook om de productie van

bepaalde voor de oorlogsvoering belangrijke gewassen

uit te breiden: Ter aanmoediging ontving de Amerikaanse

boer nu goede prijzen voor zijn producten. Aldus diende

de A.A.A. een vrijwel tegengesteld doel. Na 1945 werd

de-A.A.A., andermaal voorzien van de daartoe noodza-
kelijke wijzigingen, gebruikt onder weer eens volkomen

veranderde omstandigheden. Thans was de Amerikaanse

landbouwpolitiek algemeen gericht op een zo hoog moge-

lijk opvoeren van de productie teneinde de zo juist bevrjde

landen zo spoedig mogelijk weer op de been te helpen.

Daarbij werd gebruik gemaakt van een systeem van garan-

tieprjzen, die gebaseerd waren op een ,,pariteits”-systeem.

Onder pariteitsprjzen voor Amerikaanse landbouwpro-

ducten worden verstaan die prijzen, die de boer voor zijn

producten moet ontvangen om een’ redelijk netto inko-

men vdor hem te garanderen. Daarbij wordt rekening
gehouden met de totale productiekosten van de boer,

berekend op basis ‘van indexcijfers, o.a. die voor kunst-

meststoffen, zaaizaad, brandstoffen, landbouwmachines

e.d. Daarnaast werden en worden door de Amerikaanse

Minister ,van Landbouw wensprogramma’s (zgn. ,,pro-

duction goals”) aan het begin van het seizoen bekend

gemaakt voor verschillende landbouwproducten. De

Amerikaanse Minister van Landbouw is
veiplicht
om

de producten uit de markt te nemen tegen de garantie-

prijs, wanneer de Vrije marktprjzen voor het product

daar beneden dalen.
Het bovenstaande, hoe vluchtig en weinig ingaand op

de materie ook, kan als historische inleiding voldoende

worden geacht om de lezer in staat te §tellen de kern-

moeilijkheden, waarvoor de huidige Administratie onder

leiding van President Eisenhower zich ten aanzien van de

landbouwpolitiek gesteld ziet, te vatten. Zien wij terug
op de 20 jaren 1933/53 dan valt te concludëren, dat de

Amerikaanse boer zich steeds heeft mogen verheugen

(zoals trouwens de meeste boeren in de wereld) in een

bijzondere zorg van de zijde van de Overheid. Gezien het
hoge levenspeil evenwel in de Verenigde Staten mag men

stellen, dat de Amerikaanse boer bijzondere zorg heeft

genoten, omdat hem sedert 1935 steeds een zeer redelijk

en sinds 1945 zelfs een relatief buitengewoon hoog levens-

peil werd gegarandeerd. Bovendien volgde een reeks ab-

normaal gunstige oogstjaren elkander op. Enerzijds moet

dit worden verklaard ui(het feit, dat elke Administratie

sedert de crisisjaren boven alles voor een berhaling daar-

van heeft willen waken, terwijl anderzijds hieraan een

politieke oorzaak ten grondslag ligt. In het twee-partijen-

stelsel in de’ Amerikaanse democratie heeft het zgn. ,,farm-

bloc” steeds op een twee-partijen-basis een enorme in-

vloed kunnen uitoefenen op de totale Amerikaanse poli-

tiek. Als zodanig is het ,,farmbloc” verreweg de sterkste

,,pressure group” in het politieke bestel in de Verenigde

Staten. Een gevolg hiervan is, dat het gemiddelde inkomen

van de Amerikaanse boer als ook de aandacht, die aan

zijn belangen wordt geschonken, verre uitgaat boven die

in enig ander land ter wereld.

Een principiële wijziging in de Amerikaanse laiidbouwpoli

tiek noodzakelijk.

In het voorjaar van 1950 zag het er naar uit, dat de dôor

de Amerikaanse Regering sedert het jaar 1933 gevoerde

landbouwpolitiek geleid had tot een landbouwcrisis als

gevolg van grote surplussen en sterk dalende prijzen voor

landbouwproducten, die diep ingrijpende consequenties

moest hebben voor de Amerikaanse begroting als ook

op de gehele Amerikaanse binnenlandse politiek. Als
gevolg van het uitbreken ‘van het Koreaanse conflict,

met de daarmede gepaard gaande stijging van de prijzen

van grondstoffen op de wereldmarkt, is daarvan toen geen

sprake geweést. Sedertdien is de Amerikaanse Regering

echter voortgegaan met haar pariteitsprjzenpolitiek en

in feite met een yertroeteling van de Amerikaanse boer.

Op basis van de sterk veranderde Agricultural Adjust-

454

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10Juni1953

ment Act, die bo’iendien slechts rekening hield met in-

dexcijfers uit een ver verleden, kan het niet anders of er

moest op den duur sprake zijn van een overproductie

van Amerikaanse landbouwproducten tegen prijzen, die

veelal niet meer in normale relatie, staan tot die van over-

eenkomstige producten, welke Vrij worden verhandeld

op de wereldmarkt. Sedert de jaren 1900/14, welke periode

ten dele wordt aangenomen als basis voor indexcijfers,

heeft de landbouwtechniek zich immers sterk ontwikkeld
en beschikt de boer over betere machines, beter zaaizaad,

meer kunstmeststoffen, betere bestrijdingsmiddelen enz.

Desondanks wordt zijn ,,pariteit” nog steeds berekend

uit een tijd, toen daarvan nog geen sprake was. In dit ver-

band zou men de waarachtigheid van de huidige pan-

teit kunnen aanvallen, doch ook dit valt enigszins buiten

ons betoog.

Het staat wel vast, dat sedert de zomer van 1952 het

spook van grote surplussen van Amerikaanse landbouw-

producten zich manifesteert. De Eisenhower Admini-

stratie heeft deze onaangename erfenis ontvangen met alle

gevolgen van dien. Wat is de huidige situatie? In begin

April 1953 had de Amerikaanse Regering, of beter gezegd

de Amerikaanse belastingbetaler, voor niet minder dan
3 milliard döllar aan Amerikaanse landbouwproducten

uit de markt genomen, onder de thans vigerende land-

bouwwetgeving. Hieronder volgt een overzicht van de

belangrijkste producten thans in overheidsbezit:

(waarde in mln dollars)

E,,

ecu
)a
u

bsC

i
viais

…………………………………………
‘*1V
un
284
817
Tarwe

…………………………………………
Katoen

………………………………………..
32

.

250
Boter
…………………………………………
72

1
266
Tabak

……………………………………………
Andere producten

……………………………….
324
171

Daar de nieuwç oogst juist ti velde staat, het meikvee

juist met zijn maximum productie begint enz., moet men

wel overwegen, dat dus spoedig andermaal grote nieuwe
surplussen uit.de markt zullen moeten wordEn genomen,

indien althans hiervoor geen andere uitweg op de wereld-

markt is te vinden. Aangezien de Amerikaanse prijzen

echter kunstmatig hoog liggen, is de mogelijkheid om de

Amerikaanse landbouwproducten cp de wereldmarkt

concurrerend te verkopen gering, zolang althans geen

directe of indirecte exportpremies worden gegeven. Dit
geldt zelfs voor het belangrijkste agrarische product op

de wereldmarkt, tarwe. Het kostte de Amerikaanse be-

lastingbetaler ruim 600 millioen dollar in de afgelopen

4 jaar om zijn boeren onder de Internationale Tarwe

Overeenkomst tarwe te laten exporteren, tegen prijzen,

waafvoor o.a. Canadese en Australische boeren zonder

overheidssteun terdege konden produceren en exporteren,

inclusief winst. Tezelfdertijd echter is de Amerikaanse

markt voor geïmporteerde agrarische producten uitermate

gevoelig en wordt het uit het bovenstaande duidelijk, dat

het iachtige ,,farmbloc”, onderverdeeld in ,,pressure

groups” per product, gemakkelijk stelling neemt tegen de

import van zulke producten. Met name heeft Nederland
zulks sedert 1951 ondervonden bij zijn export van kaas

en volle melkpoeder naar de Verenigde Staten.

De nieuwe Republikeinse Minister van Lanbouw in

de Eisenhower Administratie, Ezra Taft Benson – die

als Apostel van de Mormonenkerk. een man is van straffe

principes en bewezen heeft niet uit de weg te gaan voor

kritiek – heeft kort na zijn ambtsaanvaarding medege-

deeld, dat het zijn overtuiging was, dat men aldus niet

voort kon gaan met de Amerikaanse landbouwpolitiek.
Politiek was het voor hem daarbij welkom, om als oor-

zaak voor het euvel te kunnen wijzen op voorgaande

Democratische Administraties, .die sedert de laatste 20

jaren aan het bewind waren geweest. Met name heeft

Secretary Benson gesteld, dat z.i. het prjssteunprogram-
ma op basis van de pariteit opnieuw zou moeten worden

bestudeerd, waarbij dit nar zijn oordeel geen aanleiding

mocht geven tot economisch niet verantwoorde produc-

tie en aldus tot het steunen van marginale bedrijven,

zoals thans inderdaad ruimschoots het geval is. Tot het

jaar 1954 is Secretary Benson echter nog gebonden aan

de door het Amerikaanse Congres nog juist onder de

Truman Administratie verlengde steunprijswetgeving

voor de belangrijkste stapelproducten. Het is voor hem een

gevaarlijk politiek experiment om deze thans nog te

proberen te wijzigen. Ondergetekende heeft echter de

indruk, dat de nieuwe Administratie zich terdege bewust

is van het feit, dat er een principiële wijziging moet komen

in de Amerikaanse landbouwpolitiek. Daarbij zou men

ongetwijfeld het uiterst kostbare syteem van verplicht

steunprijsniveau vaarwel moeten zeggen en ook het stel-

len van ,,production goals” achterwege dienen te laten.

Wel zou men ook dan in de landbouwwetgeving de

mogelijkheid open willen laten om onmiddellijk te kun-
,

nen ingrijpen, indien er sprake zou zijn van gevaren voor

de Amerikaanse landbouw als zodanig, in geval van een

algemene economische recessie, dan wel in geval van uit-
breiding van de werkeJijke oorlogstoestand. Wellicht zou
een systeem van flexibele steunprjzen, afhankelijk van de

natuurlijke prijsvorming van landbouwproducten op

basis van vraag en aanbod, de oplossing kunnen geven.

Het Amerikaanse Ministerie van Landbouw bestudeert

thans deze alternatieven.

De vraag zou kunnen worden gesteld: indien de Eisen-

hower Administratie dit alles dan inziet, waarom begint

men morgen dan niet daarmede?

Beantwoording van deze vraag zou gemakkelijk aan-

leiding kunnen geven tot het schrijven van een bijzpnder

interessante politiek-economische studie. – In het kort

samengevât luidt het antwoord:

De Eisenhower Administratie is tot het jaar .1954

wettelijk gebonden aan de steunprijswetgeving ten

aanzien van de belangrijkste stapelproducten.

Een te plotseling ingrijpen zou direct aanleiding geven

tot grote spanningen tussen de Administratie aan de

ene kant en het Congres en de georganiseerde landbouw

aan de andere, op een moment dat zulks politiek en

tactisch hoogst ongewenst wordt geacht.

In 1954 zijn er verkiezingen voor het Congres en de
vele Senatoren en Afgevaardigden uit de landbouw-

staten willen de boeren te vriend houden om zich van

hun stemmen te verzekeren. Zij zijn thaiis dus minder

bereid om de landbouwpolitiek op zuiver zakelijke.

grondslag te bespreken.

Tijdens de laatste jaren vn de Truman Administratie

werd de verhouding tussen het Congres en de Admini-

stratie hoe langer hoe slechter. Er zijn aanwijzingen,

dat President Eisenhower eerst deze verhouding wil

verbeteren om nadien, gebruik makend van zijn gezag

en populariteit bij de Amerikaanse burger, het Con-

gres desnoods indirect mede te krijgen bij het reali-

seren van zijn programma, ook van zijn landbouw- en

handelspolitiek.

Het is mijn overtuiging dat, indien ooit, het de Eisen-

hower Administratie is, die te zijner tijd in staat moet

10 Juni
1953

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

455

worden geacht de landbouwpolitiek, die sedert het jaar

1933 wordt gevolgd, fundamenteel te wijzigen. Gelukt

het haar niet, dan zal zulks uiteindelijk – althans bij

het voorlopig uitblijven van een wereldoorlog – toch

geschieden, 6f omdat de Amerikaanse begrôting niet meer

steeds groter wordende steunbedragen ten behoeve van

het landbouwsteunprjsprogramma kan verdragen, 6f

omdat de Amerikaanse consumenten en belastingbetalers

un stem zullen verheffen tegen deze gang van zaken.
Zulks zou dan echter gepaard gaan met een scherpe en

onverkwikkelijke strijd tussen de Amerikaanse land-

bouw en andere georganiseerde belangengroepen, met

alle onaangename spanningen van dien.

De toekomst van de Amerikaanse landbouw.

Ten slotte dient mijns inziens nog te worden stilge-

staan bij de vraag, of de toekomst van de Amerikaanse

landbouw er dus somber uitziet, daar deze blijkbaar meer

voortbrengt dan de vraag naar zijn producten groot is.

Deze vraag moet m.i. negatief worden beantwoord.

De Amerikaanse bevolking – thans
158
millioen zie-

len— neemt met 2 millioen per jaar toe. Het gemiddelde

Amerikaanse personele inkomen bedroeg in het jaai 1952

$ 1.710, gerekend over alle Amerikaanse burgers, vrou-

wen en kinderen incluis.

Buiten de Verenigde Staten leven volgens ruwe schat-

tingen ongeveer 2,3 milliard consumenten en dit aantal
neemt jaarlijks met 25-30 millioen toe. Vogens bereke-

ningen van de F.A.O. heeft, niet minder dan 60 pCt van

de bevolking van deze wereld ‘tiog slechts een dagelijks

dieet van minder dan 2.200 calorieën en 75 pCt een van

minder dan 2.700 calorieën. Een studie van de voedings-

gewoonten van de mens toont aan, dat naarmate het

dagelijks dieet een lagere calorische waarde heeft, meer

granen worden gegeten, in de vorm van pap, koek of

brood. Wanneer het de mens beter gaat in materiële zin,

gaat hij over tot de consumptie van eiwitten (vlees), fruit

e.d. en ten slotte tot die van ice-cream en coca cola.

In ongeveer de helft van de wereld vormt rijst nog de

hoofdschotel in het dagelijks rantsoen en in die gebieden
is de voeding van de mens niet beter dan in het jaar 1900

het geval was, in sommige zelfs nog slechter.
Aan de productiezijde valt op te merken, dat in de jaren
1900-53 de productie van granen e.d. sterker is uitgebreid

dan die van dierlijke eiwitten. In die periode breidde de
wereldtarweproductie zich uit met 125 pCt, die van rijst

met 66 pCt, die van vlees echter slechts met 40 pCt.

Sedert het einde van de 18e eeuw nu – en vooral sedert

het midden van de 19e eeuw – zijn de Verenigde Staten

steeds een belangrijke leverancier van agrarische produc-

ten op de wereldmarkt geweest: granen, katoen, tabak,

rijst, oliën en vetten, fruit. In het jaar195l vertegenwoor-

digde de export van Amerikaanse agrarische producten

een waarde van ruim 4 milliard dollar, of gemiddeld

$ 1.000 per Amerikaanse boerderij. De Amerikaanse

boeren waren, wat betreft de afzet yan hun froducten,

sterk afhankelijk van de exportmogelijkheden. Zij expor-

teerden: ca 40 pCt van hun rijstoogst; ca 30 pCt van hun

sorghum; ca 26 pCt van de voortgebrachte tabak; ca

20 pCt van de soyabonenproductie; ca 28 pCt van de

tarweproductie.

Indien overzeese consumenten dus bereid en in staat

zijn om in de toekomst meer Amerikaanse landbouwpro-

ducten te kopen, dan is er geen sprake van een agrarische

overproductie jn de Verenigde Staten en daarmede zou

tevens zonder moeite de Amerikaanse landbouwpolitiek

op een degelijke en nuchtere basis kunnen wordep gesteld,

gericht zelfs op een verdere productieverruiming. Theo-
retisch althans is er nog een grote afzetmarkt voor Ame-

rikaanse landbouwproducten in de wereld. De vraag is,

hoe deze ,,aansluiting” te vinden.

Uit de studies van de F.A.O. is alom bekend, dat de

vraag naar landbouwproducten aanmerkelijk sterker toe-
neemt dan de productie daarvan (bijv. ,voor granen moet

de productie tot het jaar 1960 tenminste met 19 pCt toe-

nemen, die voor melk met 33 pCt om de huidige consump-

tie te kunnen waarborgen). Tussen latente ,,vraag” en

de mogelijkheid om te kopen bestaat echter een weréld

vol problemen. Het Amerikaanse jaarlijkse inkomen per

capita, op basis van bruto nationaal product, is ruim

$ 2.200. Dat in West-Europa gemiddeld $ 600 en dat
bijv. in Turkije en Griekenland nog geen $ 300; voor

honderden millioenen in Azië is dit nog geen $ 75.

Hoe kan Amerika zijn surplus van Iandbouwproducten

kwijt?

Laat ons thans terugkeren naar de Amerikaanse land-

bouw- en ook handelspolitiek. De Verenigde Staten zijn

na de laatste wereldoorlog verreweg de machtigste credi-

teur in de wereld. Gedurende de laatste 7 jaar hebben de

Verenigde Staten bovendien voor een waarde van $ 34

milliard meer geëxporteerd dan geïmporteerd, o.a. met

behulp van de functie van kunstmatige ademhaling,

welke uitging van het zgn. ,,Marshall Plan”.

Indien de Amerikaanse landbouw meer producten

voortbrengt dan door de Amerikanen zelf mogeljkerwijze

kunnen worden geconsumeerd, staan enkele mogelijk-

heden open om deze surplusproductie kwijt te raken.

Laat ons deze kort samenvatten:

Productiebeperking.
Politiek onaanvaardbaar en gevaarlijk, tevens in ver-

band met de veiligheid in geval van een wereldcon-
flict.

Het uit de markt nemen van de surplusproductie

zoals geschied is onder de huidige landbouwwetgeving.

Op den duur niet te betalen door belastingbetaler.

Tevens ongewenst, daar dit systeem een stimulans

blijft vormen voor een economisch niet verantwoorde

productie en verslapping van de oplettendheid van

de Amerikaanse boer, wat betreft het toepassen van

een moderne landboüwtechniek, in de hand werkt.

Exportpreniies of het verstrekken van leningen aan

importianden van Amerikaanse landbouwproducten

voor zover deze landen als gevolg van een tekort aan

dollars niet in staat zijn deze producten te kopen.
Psychologisch zowel als politiek is deze oplossing

verder onaanvaardbaar, zowel voor de Amerikanen

als voor de belangrijkste importlanden.

Point 4 en ,,technical assistance”-programma aan

minder ontwikkelde landen, waardoor deze op den

duur in staat zullen zijn om meer Amerikaanse pro-
ducten te kopen.

Dit is een invloed, die slechts op lange termijn zal.

werken, terwijl de huidige situatie een spoedige oplos-

sing gebiedt.

Het gebruiken van een internationaal fonds – waarin

door alle goedwillende landen, die bereid zijn tot ont-

wapening over te gaan, een gedeelte van de tot dusver

voor bewapening gebruikte gelden wordt gestort –

voor de hulp aan minder ontwikkelde gebieden. Plan

Eisenhower dus, zoals ‘naar voren gebracht in diens
speech op 16 April 1953.

Zoals de oplossing sub c geeft dit wel de mogelijk-
heid tot afzet van Amerikaanse surpluslandbouwpro-

456

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10 Juni1953

• ducten, doch dit zal tevens een heroriëntering tot een

• gezonde Amerikaanse landbouwpolitiek in de weg

staan.

f
Een bewustwording van het Amerikaanse volk, daarbij

voorgelicht door verantwoordelijke regeerdeis, pers

en leiders van organisaties, dat de wereld buiten de

Verenigde Staten slechts met dollars zal kunnen kopen,

indien men deze in staat stelt dollars te verdienen.

Wij komen hiermede dus op het principe ,,Trade, not

Aid”.

Een moeilijke weg, doch de enige zakelijke en reële

oplossing.

Nadat de
dollarhulp
aan het belangrijkste importg&bied

ter wereld, West-Europa, was opgehouden in
1952,
daalde

de Amerikaanse agrarische export met
15
pCt. Die van

katoen van
54
millioen tot
4
millioen balen; die van tarwe

van
472
millioen bushel tot 300 millioen bushel, om maar

een enkel voorbeeld te noemen, bij een totale productie

van respectievelijk
15
millioen balen katoen en
1.291

millioen bushel tarwe.

Een en ander is de Amerikaanse Regering natuurlijk

niet ontgaan. In Maart van dit jaar werd binnen het

Amerikaanse Ministerie van Landbouw een nieuwe Dienst

ingesteld: „Foreign Agricultural Service” genaamd, die

tot opdracht heeft om de export van Amerikaanse land-

bouwproducten zoveel mogelijk te stimuleren, doch

tevens ten behoeve van dit doel de
import
van buiten-

landse agrarische producten zoveel mogelijk te bevorderen.

Dit strookt met de liberale handelspolitieke ideeën van

de huidige Amerikaanse Minister van Landbouw.

Ondanks alle politieke bijgeluiden en die van meer

enge belangengroepen (o.a. die der zuivel), staat wel vast,

dat de huidige Amerikaanse Regering bewust wil streven

naar een verruiming van de export van Amerikaanse

producten, vooral ook door importlanden ruimere moge-

lijkheden tot
dollarverdiensten
te geven. Voor een typisch

exportiand van landbouwproducten als Nederland is

deze principiële bereidheid van groot belang. Afgewacht

zal echter moeten worden of de huidige Administratie

in staat zal zijn om, ondanks de druk van de zijde van

belangengroepen, ook in handelspolitiek opzicht datgene
te doen wat uiteindelijk voor het gehele land het beste is.

Conclusie.

De huidige verouderde landbouwpolitiek in de Verenigde

Staten staat een realisatie van een meer liberale handels-

politiek in de weg.

Doordat de Amerikaanse boer relatief te duur produ-

ceert, als gevolg van zijn kunstmatig hoge levensstandaard

en bescherming, vreest hij de concurrentie van buiten-

landse goedkopere landbouwproducten. Als gevolg van

zijn grote politieke invloed is de stem van de Amerikaanse

boer in de Amerikaanse handelspolitiek rijkelijk machtig.

Deze is onvoldoende afgestemd op de verantwoordelijke

positie, die de Verenigde Staten als dominante crediteur

en in politiek opzicht innemen.
Daar het veelal moeilijk is om in dit verband ,,door de

bomen het bos nog te zien”, hoopt schrijver met dit

schetsmatige artikel tot een beter inzicht te hebben kunnen
bijdragen.

Hij heeft vertrouwen in de uiteindelijke ,,common

sense” van het Amerikaanse volk en meent, dat President

Eisenhower inderdaad tot het uiterste zal trachten waar

te maken, wat hij in zijn inauguratierede als volgt sa-

menvatte: ,,Recognizing economic health as an indis-

pensable basis of military strength and the free world’s

place, we shall try to foster everywhere, and to practice

ourselves, policies that encourage productivity and pro-

fitable trade. For the impoverishment of any single people

in the world means danger to the well being of all other

people”.

Alvorens deze internationale doelstelling zal kunnen

worden verwezenlijkt, zal het echter nodig zijn om binnen

de grenzen van de machtige Verenigde Staten allerlei
engere belangengroepen te overtuigen van het:

,,Communis salus singulis constat” (Het heil van de en-

keling wordt bepaald door dat van de gemeenschap).

washington, D. C.

Dr R. L. BELJKENKAMP.

NATIONALE NOTITIES

Handel

Er is een tijd geweest, waarin de handel bij een groep

economisten, de Physiocraten, die vooral hun aanhangers
telden in het Frankrijk van de tweede helft der 18e eeuw,

zo weinig aanzien genoot, dat hij zich, tezamen met de

industrie, zag ingedeeld bij de ,,classe stérile”, de onpro-

ductieve klasse dus. Tegenwoordig mag de handel zich

in meer waardering van de zijde der economisten ver-

heugen. Dat de handel productief is vindt geen bestrijding

meer, en de beschouwingen over deze sector concentreren

zich dan ook op de vraag, waar en onder welke omstan-

digheden de handel in het aan structuurwijzigingen onder

hevig economisch leven een taak heeft te vervullen. Het

Verbond van de Nederlandse Groothandel heeft, vermoe-

delijk mede in het besef hiervan, op Vrijdag
5
Juni jl. te

Rotterdam in het zojuist onder grote belangstelling

officieel geopende Groothandeisgebouw een Groothan-
delsdag georganiseerd. Als sprekers waren uitgenodigd
Prof. Dr F. L. van Muiswinkel, Dr P. Rijkens en Z.Exc.

Prof. Dr J. Zijlstra.

Prof. van Muiswinkel behandelde, onder de titel ,,De

koopman durft en dient”, de samenwerking tussen groot-

handel en industrie. Hij wees er o.a. op, dat het feit, dat

sommige producenten overgaan tot het opbouwen van

een eigen verkoopapparaat naar zijn mening veelal

voortvloeit uit een gebrek aan vertrouwen tussen pro-
ducent en zelfstandige handelaar. Wil de zelfstandige

groothandelaar bij de afzet van industriële producten

aan bod komen, dan dient hij de producent dezer pro-

ducten een redelijke zekerheid te bieden, dat hij het

artikel van die producent met bijzo’ndere zorg zal pous-

seren. Immers, in alle gevallen, waarin de producent zich

voor de keuze ziet geplaatst tussen het opbouwen van

een eigen volledig verkoopapparaat en het toevertrouwen

van zijn afzet aan de zelfstandige groothandel, gaat het

steeds om het zouken van waarborgen voor de hand-

having van de positie der individuele productie-onder

neming op de verkoopmarkt. Het verschaffen van de

redelijke zekerheid met betrekking tot de omvang van

de afzet der individuele producenten vraagt van de koop-

man, wiens taak wisselt met de omstandigheden, het

aanvaarden van andersoortige risico’s dan die, welke het
handelsleven in het verleden kenmerkten.

Dr Rijkens heeft een beschouwing gegeven over de

actuele vraag, op welke wijze het welvaartspeil van de

minder ontwikkelde gebieden het best kan worden ver-

hoogd en daarbij de aandacht gevestigd op de taak,

welke de handel hierbij heeft te vervullen. Hij gaf als zijn

mening te kennen, dat verhoging van het welvaartspeil

der achter gebleven gebieden sneller kan worden bereikt

door beyordering van de bodemproductie en van het

handelsverkeer dan door industrialisatie. In de eerste

plaats vereist een handelsbedrijf minder vaste productie-

10 Juni 1953

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

457

middelen dan een industrie, terwijl het bedrijfskapitaal

sneller rouleert, zodat de blijvende behoefte aan kapitaal

geringer is en de spitsen gemakkelijker zijn te financieren.

Verder is voor de industrie een groot aantal geschikte

inheemse werkkrachten vereist. Weliswaar dient de werk

gelegenheid, die de handel voor de inheemse bevolking
schept, niet te worden onderschat, maar in tegenstelling

tot de industrie vereist de handel over het algemeen geen
technisch geschoold personeel.
De Nederlandse handel nu kan in het economisch ver-

keer tussen de Westerse wereld en de minder ontwikkelde

gebieden een grote rol spelen, omdat financiering van

handelsnederzettingen veel meer binnen dé krachten van

ons volk ligt dan die van industrieën, terwijl wij boven-

dien, aldus Dr Rij kensniet worden verdacht van politieke

aspiraties en beschikken over jonge mensen, die kwali-

teiten voor de handel hebben.

Minister Zijlstra, die evenals de inleiders uiting gaf

aan zijn waardering voor de grote bekwaamheid van de

Nederlandse koopman, gevoelde – als economist – de

behoefte, aan het eind van deze geslaagde Groothandels-

dag, te trachten het begrip handel in een definitie te van-

gen. In analogie met de uitspraak ,,Money is what money

does” definieerde de Minister: ,,Handel is wat de hande-

laar doet”, met welke uitspraak hij de voorliefde van de

man van wetenschap voor een niet aan tijd gebonden

definitie niet verloochende.

INTERNATIONALE NOTITIES

Het Congrès van Weenen der

Internationale Kamer van Koophandel

Congressen van de Internationale Kamer van Koop-

handel zijn steeds gebeurtenissen waaraan zij, die het

voorrecht hebben er aan deel te nemen, jarenlange her-

inneringen bewaren.

Om het andere jaar pleegt het ,,wereldparlement van het

bedrijfsleven”, zoals de I.K.K. wel eens genoemd wordt,

bijeen te komen, meestal in een der hoofdsteden, om daar
in de vorm van een massaal Congres, een officiële afslui-

ting te geven aan een tweejaarlijkse werkperiode waarin,

door de Conseil en vooral ook door de talrijke interna-

tionale commissies welke de Kamer telt, belangrijk werk

is verricht. In overeenstemming met hun karakter van

afsluiting van een werkperiode hebben deze Congressen,

waar zeer vele vooraanstaande persöonlijkheden uit het

internationale bedrijfsleven elkaar ontmoeten, een twee-

ledig karakter. Enerzijds wordt er hard gewerkt en ander-

zijds wordt ook niet vergeten het nuttige met het aange-
name te verenigen. Zo worden deze Congressen herhaal-

delijk mede tot culturele manifestaties, waarbij een land

laat zien wat het voor schoons aan kunstuitingen, tra-

ditie en anderszins te bieden heeft. Voor de vervulling

van deze dubbele functie had men voor het XIVe Congres
van de Internationale Kamer van Koophandel geeh betere

plaats kunnen vinden dan Weenen, de – ondanks vier-

voudige bezetting – zichzelf gebleven wereldstad aan

de Donau; een moedige stad vol fraaie bouwwerken en
bewoond door een bevolking die, ondanks stellige ver-

arming, een sterke eigen levenskunst heeft weten te be-

waren. Een bevolking, die in de hoge nood waarin zij zich

door de kunstmatige verdeling van het land in bezettings-

zônes nu reeds acht lange jaren bevindt, de moed niet

heeft opgegeven; ‘maar die begrjpelijkerwijs uiterst ge-

voelig bleek voor de geste van het wereldbedrjfsleyen

om juist bij hr gastvrijheid te zoeken. Bij tal van gelegen-

heden is hiervan getuigd, zowel in officiële redevoeringen

als ook in persoonlijke gesprekken, terwijl de vorm waar-

in de door de Oostenrijkers betoonde gastvrijheid werd

verleend, ook zonder dat, op zichzelf reeds welsprekend

genoeg zou zijn geweest.

Op Maandag 18 Mei werden de ruim duizend gedele-

geerden uit 35 landen tijdens de openingszitting in het

Konzerthaus achtereenvolgens welkom geheten door de

Voorzitter van het Oostenrijkse Nationale Comité van

de I.K.K., de Bondspresident en de Bondskanselier,

terwijl toespraken werden gehouden door de President

van de I.K.I(., de heer Rolf von Heidenstamm, en

– namens de Secretaris-Generaal van de United Na-

tions – door diens assistent, de heer Guillaume Georges-

Picot. De heer Georges-Picot kenschetste de I.K.K. als

,,a sounding board for the vie lvs of the business community

on questions of international relations”;
de heer Rolf von

Heidenstamm liet dit klankbord klinken door het volle

licht te werpen op de veelzijdige betekenis van het motto

,,World Trade is Everybody’s Business”,
waaronder dit

Congres werd gehouden.

Onmiddellijk na de openingszitting werd in een aantal
groepszittingen een aanvang gemaakt met het technische

werk, werk dat de volgende vier dagen werd voortgezet,

nu en dan afgewisseld door algemene zittingen die hoofd-

zakelijk gewijd waren aan enkele grote onderwerpen,

zoals ,,An Expanding Economy through Freer Trade”,

,,Steps to Convertibility and Monetary Reconstructions”,

,,European Unification: Factor in World Peace and

Prosperity”; ,,Economic Stability and Primary Produc-

tion” alsmede ,,Freer Trade and the Development of

Asia, Africa and Latin-America”. Ook werd nog een
drietal speciale bijeenkomsten gehouden, één van de

Commissie voor Aangelegenheden van Azië en het Verre

Oosten, één voor Organisaties van de Handel en één van

het Internationale Informatiebureau van Kamers van

Koophandel.
In de
Algemene zittingen
werd steeds het woord gevoerd

door een viertal van tevoren aangewezen sprekers,

waarna dan gelegenheid voor discussie werd geboden.

Het is in dit bestek onmogelijk al deze redevoeringen hier

zelfs maar te vermelden; een uitzondering willen wij echter

maken voor de zeer gewaardeerde rede van Ir W. H. van

Leeuwen (Productivity and Freer Trade) en voor die

van de heren Warren Lee Pierson (Verenigde Staten)

(The Benefits of International Trade: Importance of

Imports), Prof. Sir Dennis Robertson (Ver. Koninkrijk)

(Internal and External Conditions of Convertibility),

Philip Cortney (Ver. Staten) (The Price of Gold), Albert

Coppé (E.G.K.S.) (Economic Perspectives of European

Political Union) en Dr Hans Boden (Duitsland) (Eco-

nomic Unification versus Sectional Integration).

Met betrekking tot het Nederlandse aandeel in het

Congres, moge, afgezien van de vele interventies door

Nederlandse gedelegeerden in de diverse zittingen, wor-

den vermeld het aandeel dat Dr F. H. Fentener van Vlis-

singen heeft gehad in de benoeming van de nieuwe

President van de I.K.K., de Belgische bankier en vroe-

gere president van het Internationale Monetaire Fonds,

de heer Camille Gütt; en voorts het feit dat twee groeps-

zittingen, te weten die welke handelden over de zeescheep-

vaart en die over de luchtvaart, door Nederlanders, res-

pectievelijk door de heren Mr D. A. Delprat en Mr L.
H. Slotemaker werden gepresideerd. Ook moge in dit

verband’ met enige voldoening vermeld worden dat be-
sloten werd dat de Commissie voor Europese Aangele-

458

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10Juni1953

genheden van de I.K.K. een diepgaande studie zal

maken van het uit Nederlandse bron stammende plan

voor een Europese Douane-Unie, het zogenaamd,e Plan-

Beyen.

Een aantal technische resoluties, geheel of grotendeels

van Nederlandse oorsprong, werd aangenomen. Zo o.a.

de resolutie waarin wordt uitgesproken dat het heffen van

afzonderlijke rechten van passagiers op vliegvelden en in
havens een ongewenste praktijk vormt.

Ook een tweetal resoluties
4
het gebied van de indus-

triële eigendom (,,Effective, Protection of Patents” en

,,Horticultural and Agricultural Inventions”), draagt

een Nederlands stempel en werd dan ook in de verga-

dering ingeleid door een lid der Nederlandse delegatie,

de heer Mr Ir G. Oudemans.

Ten slotte verdient nog vermelçling dat dit ook het

geval was met het tweede gedeelte van de resolutie waarin
de regeringea wordt gevraagd in hun contracten met parti-

culieren arbitrageclausules op te nemen en waarin meer

in het bijzonder het Permanente Hof van Arbitrage te

‘s-Gravenhage wordt verzocht de mogelijkheid te willen

bestuderen zijn Organisatie geschikt te maken voor het

beslechten van geschillen tussen staten en particulieren.

Overigens kan gezegd worden dat geen enkele resolutie

werd aangenomen waaraan niet met overtuiging door de

Nederlandse deskundigen is medegewerkt. Het is trou-

wens meermalen merkwaardig te zien hoeveel gemakke-

lijker dan regeringen, in tal van gevallen zakenlieden

het internationaal met elkaar eens worden en hoe – op

een enkele uitzondering na (zoals het tegenstemmen van

India met betrekking tot de vlagdiscriminatie) – goed

voorbereide resoluties practisch unaniem de opvatting

van alle aanwezigen blijken weer te geven
1).

Voor de praktijk van het bedrijfsleven kan het van groot

belang worden geacht dat thans eindelijk – na een in

1945 reeds aangevangen noodzakelijke revisie – het be-

kende standaardwerk
,,Trade Terms”
(Handelstermen)

gereed is gekomen. De regelmatige vraag naar dit werlç,

dat reeds lang was uitverkocht, is bijna even groot als

die naar de eveneens bekende
,,Incoterms-1936″,
waarvan

thans eveneens een revisie is verschenen
(,,ïncoterms-
1953″).

Voor hen die veel te maken hebben met publiciteit,

advertentiewezen of distributievraagstukken is het voorts

van belang dat tijdens het Congres een eerste exemplaar

1)
Hier volgen de titels van de aangenomen resoluties, waarvan de volledige
teks5 verkrijgbaar is bij het secretariaat van de Nederlandse Organisatie voor de
Internationale Kamer van Koophandel, Tournooiveld 2 te ‘s-Gravenhage.
Program of Action for a Speedy Return to Convertibility.
The Role of Private Investments in Economic Development.
Simplification of Trade Formalities.
Freedom in Distribution.
Regulations Affecting Distribution.
Compilation of Retail Trade Stalistica.
Code of Standards on Advertising Practice.
Passenger Service Charges.
Definition of Transport for Own Account.
10.Co-ordination of Intra-European Air Transport.
Xmprovement of Road Networks.
Ratification of the nerne Conventions.
Turn-round of Shipping.
Flag Discrimination.
Revision of the Warsaw Convention.
Organization of International and European Transport.
Trade Marks.
Amendments to the Union Convention.
International Deposit of Trade Marka.
Formalities Required for Patent Applications.
Effective Protection of Patents.
Horticultural and Agricultural creations.
Industrial Designs and Models.
Convening of Revision Conference.
-25. Incoterms 1953.
Trade Terms.
Uniform Law on International Sales.
Standardization of Contract Clauses relating to Engineering Equipment.
Signature for Collection of Commercial Papers. Enforcement of International Arbitral Awards.
Disputes between Governments and Individuals.
Applicability of the Geneva Convention on Enforcement of Foreign Awards.

gereed is gekomen van een achttalig technisch wodrden-

boek (w.o. Nederlands), waarin 2.500 in deze bedrijfs-

takken gebruikelijke woorden te vinden zijn. Van Neder-

landse zijde is aan dit werk medegewerkt door de heer

W. H. van Baarle. Binnen enkele maanden zal het thans.

ter beschikking komen van het bedrijfsleven.

Uit het vorenstaande is weer eens gebleken, hoe veel-

omvattend de werkzaamheden van de I.K.K. zijn. Het

terrein van actie loopt van grote vraagstukken als con-
vertibiliteit of Europese integratie tot het uitgeven van

een woordenboek; het loopt van de coördinatie van het
vervoer tot het beslechten van geschillen door handels-

arbitrage. Eén ding hebl?en zij echter alle gemeen, namelijk

dat zij gericht zijn op vergemakkelijking van de interna-

tionale handel, die handel die ,,ieders zaak is”, of men

nu is consi.iment, producent, handelaar, vervoerder, ver-

zekeraar dan wel regering; Europeaan dan wel bewoner
van enig ander deel van de aarde.

De strijd van de technische vooruitgang tegen de poli-
tieke grenzen is een strijd die nog verre van uitgestreden
is; daarom is het goed dat het telkens weer gezegd wordt

– zoals dit ook op dit Congres van de I.K.K. weer is

gebëurd – dat economische grenzen technisch gesproken

uit de tijd zijn. Men moge er aan twijfelen of het helemaal

juist is dat ,,the obstacle to the world’s economic unity

lay mostly in men’s minds” zoals de President van de

Kamer dit in zijn openingsrede zeide, men kan echter

niet ontkennen dat ,,both standards of living and effi-

ciency of production depend on a flourishing world

trade”, terwijl ,,the trouble is that many men and leaders

instinctively ding to a continued division of the world,

also with regard to technical knowledge, which no longer

corresponds to the desire and possibility of taking full

advantage of technical progress and ingenuity”.

In dit licht moet men dan ook de krachtige actie zien,

die de I.K.K. – ook op het Weense Congres – ontplooid

heeft om duidelijk te maken dat de wereld behoefte heeft

aan een nieuwe Amerikaanse handelspolitiek en aan een

beter klimaat voor buitenlandse investeringen. Moge

het uitvoerige telegram dat President Eisenhower bij de

opening van het Congres zond, althans ten aanzien van

het eerste desideratum een goed omen zijn.

‘s-Gravenhage.

Dr E. D. DE MEESTER.

GELD- EN KAPITAALMARKT

De geldmarkt.

Dat de geldmarkt ruim bleef zij hier meer geconsta-

teerd in het kader van de continuïteit van deze over-

zichten dan als een belangwekkende mededeling. Ook de

gebruikelijke activiteit biedt weinig vermeldenswaard.

Callgeld bleef i pCt. De tarieven voor schatkistpapier

waren: Juni/Juli:
i9/H
pCt, Augustus/Januari:

/8
pCt, 1ebruari/Apri1:
5/
pCt, Januari
1955:
/8-1
pCt.

In het algemeen is er weinig aanbod.
Een na-obriogs novum was de plaatsing van f 50 mln

Belgisch schatkistpapier eenjarig â 2/ pCt. Voor de

banken is dit niet-discontabel en niet-beleenbaar papier

qua rendement zeer aantrekkelijk, als men bedenkt dat

Nederlandse eenjaarspromessen hier
314
pCt geven. Het is

echter op het geheel van de geidmarkt maar een zeer

bescleiden bedrag en of deze mogelijkheid zich in de

naaste toekomst nog vaker zal voordoen, moet, ondanks

alle ,,wishfull thinking” in de richting van een herstel

van de vooroorlogse internationale rente-arbitrage, zelfs

in Benelux-verband, nog worden afgewacht. De ,,vrij-

-“n-“-

10 Juni 1953

ECONOMISCH-STAJ’ISTISCHE BERICHTEN

459

making” in de monetaire sfeer stond tot dusver wel
sterk onder het motto:- zachtjes aan, dan breekt het

lijntje niet.

Een ander opmerkelijk feit was de vermelding in de

weekstaat van De Nederlandsche Bank met betrekking

tot de vervanging van een deel van de boekschuld van

de Staat door schatkistpapier ten bedrage van f 300 mln.

D. post ,,Schatkistpapier, door de Bank
.
overgenomen

van den Staat der Nederlanden ingevolge o.vereerïkomst

van 26 Februari 1947″ die-sinds eind April van dit jaar

blanco stond, toont nu weer een actief van f 300 mln.

Opnieuw is dus. openmarktpolitiek mogelijk, die echter

bij het vigerende systeem niet eerder actief zal worden

dan wanneer de door de Agent gestelde afgiftegrens tot

het bedrag van het in de lopende maand vervallende

papier wordt overschreden en na inhaal van eventuele

saldi uit voorafgaande perioden. In deze maand vervalt
een bedrag van ongeveer f250 mln.

Inzake gen nieuwe inschrijving op jaarspromessen, die
men ,aanvankelijk verwacht had, werd in de verslagweek

niets meer vernomen.

De zo juist gepubliceerde cijfers voor de geldhoeveel-

heid in April tonen een kleine daling met f 30 mln ten

opzichte van de vorige maand; vergeleken met ëen jaar

geleden ligt het bedrag thans
ech!er
f450 mln hoger.

De werdeling in chartaal en giraal geld laat een geringe
daling van, het giraal geld zien. Men heeft thans ook de

cijfers gepubliceerd over de .verdeling van het giraal

geld tussen banken en giro-instellingen. Deze blijkt

weinig te veranderen, waarbij de banken ca 83 pCt van

de giraal gelden voor hun rekening nemen.

De kapitaalmarkt.

Uit de indexcijfers aan het eind van deze rubriek blijkt

overduidelijk, dat de veranderingen in het koersniveau

op de aandelenmarkt
ztch
ook in de verslagweek in het
algemeen weer tot decimaal-cijfertjes beperkt hebben.

Zelfs de vredesbaisse in Wallstreet vermocht de rust

hier niet te storen. Overigens is dit gelijkmatig koerspeil

nog niet synoniem met weinig belangstelling. De emissie

H.A.L., die Vrijdagjl. tot een bevredigend resultaat kwam,

daar nagenoeg alle claimhouders’ van hun inschrijvings-

recht gebruik maakten, zorgde deze week nog voor ge-

noegzame activiteit. Hetzelfde geldt voor de
3+
pCt

converteerbare obligaties Koninklijke ,Qlie, waarvan ca

f 30 mln werd uitgeloot. Het zo juist uitgekomen verslag

van deze onderneming onderstreept nog eens de huidige

betekenis van de zeiffinanciering. Niet minder dan 82 pCt

van de netto-winst werd met dit doel ,in het bedrijf ge-

houden. In de moeilijke voorziening met risicodragend

kapitaal kiest men zodoende de oplossing met de minste

risico’s. .

Van de obligatiemarkt valt, behoudens het boven-

genoemde inzake de 31 pCt obligaties Koninklijke, geen

nieuws van betekenis te vermelden. Het waôhten blijft op

een staatslening, al geeft de huidige positie van het Rijk

geen aanleiding om hier ,,haast” te ,verwachten.

Aand. indexeijfers.

29
Mei
153

‘ 5
Juni
1953

Algemeen

.

……………………….. …..
.146,3
146,7
Industrie

………………………………,
205,2
205,6
Sche9pvaart

…………………………
‘l6f,5
159,4
Banken

………………………………….
.
134,0
134,5
Indon.

aand.

…………………………
,

49,.5
49,8

Aandelen.
A.K.0
.

…………………………………
162
160
Philips

………………………………….
159½

156%
U
nilever

…….. . ……………………..
..’.
189
.

189V2
H.A.L.

………………………………….
.
129’/s
ex cl.
130
ex cl.
Amsterd.

Rubber

………………….
94
94%
H
.V.A .

……………. . …………. . ……..

.

…992,

..

..,.
97
Kon.

Petroleum

……………………
05½
305

Staatsfondsen.
2%

pCt

N.W.S.

……………………

79
7
/ir

79½
3-½

jCt

1947

………………………

96%
3

pCt

Invest.

cert.

………. …. ….

97%

pCt

1951

…………………………
101”/iG

101’»/J,
3

pCt

Dollarlening

…………………

Diverse
obligaties.
3
1
/
2
pCt Gem. R’dam
1937 VI

100%

100
7
/13 3
1
k
pCt Bataatsche Petr

101%

101
3
/8
3
1
h

pCt Philips
1948

………………
100%
.

100
7
/8

pCt Westl. Hyp.
Bank

97%

96
7
/8

Rijswijk (Z.-IL).

J. WILLEMS.

STATISTIEKEN

GECOMBINEERDE MAANDSTAAT
VAN
DE DRIE NEDERLANDSÉ
GROTE BANKEN EN
VAN
HET NEDERLANDSE BEDRIJF
VAN
DE
NEDERLANDSCI{E HANDEL-MAATSCHAPPIJ
‘).

Nederl. Bgn-

(in millioenen guldens)
L1

5e
B n en
ken en
Nederl.Han-
del-Maat-
schappij

3 1
30
31
30
Mrt
April
Mrt
April
1953
1953
1953
1953
Acliva:

72
82
88
i l
1
Kas, kassiers en daggeldleningen
Nederlands schatkistpapier

…………..
2.059
2.016
2.794
2.734
2.131
2.098
2.882
1845

83 80
Ander overheid9papier ……………….67
24

32

32
Wissels

………………………….25
Bankiers in binnen- en buitenland
17
114
152
147
Prolongatiën en voorschotten tegen effecten

.

96
96
116
116
3
Ti
d
820
825
997
1.00
86
89
94
105
Deelnemingen (mcl. voorschotten)
15
14
20 20

Debiteuren

…………………………
Effecten en syndicaten
………………..

921
928
1.111
1.136

Gebouwen
…………………………
5
5
8
8
Diverse rekeningen

…………… . ….

.


-_
3.362
3.348
47382
4.378

Passiva:
2.476

..

2.460
3.139
3.096
13
16

14
Cre4iteuren

………………………

519
521
770
807
Wissels

………………………….15
Deposito’s op termijn

……………….
Kassiers en genomen daggeldleningen
27
24
29
24
Diverse

rekeningen

…………………
68 74
821
92

Aandelenkapitaal

………………….1691

169

229

229
Reserve

…………………………..88

88

116

116

3.362 3.348 4.382 4.378

1 In verband met afrondingen behoeft de som der afzonderlijke potten niet
met het eindtotaal overeen te stemmen.

SPECL1ICATIE DER EMISSIES IN APRIL 3933
(Bedragen in duizerden guldens; koersen en rentevoeten in pCt).

Naam

Bedrag
(nomi-
1
Koers
i
Bedrag
Rente-
1
1.00p-
naal)
1

(reëel)
voet

1
tijd

April.
Obligaties
1
Overheid:
,

15
100
15
3
1

16
‘)
Investeringscerlificaten
………..
Beleggingscertificaten
2
100’J,
2
3
‘f
1

46
‘)

Particulieren:
Stichting ,,St. Jozef Ziekenhuis,
R.K. Ziekenhuis voor Deventer en Omstreken”, Deventer

2.250 ‘)

100

2.250

33 ‘)
Gereformeerde Vereniging tot ver-

44
zorging van zieken en verpleging-
behoevenden, Sneek ………..200

100

200

4
1

50
2
)
‘) Versterkte en/of vervroegde gehele of gedeeltelijke aflossing te allen tijde
toegestaan.
‘) Versterkte en/of vervroegde gehele of gedeeltelijke aflossing van zekere datum
af toegestaan.
‘) Waarvan op inschrijvingsvoorwaarden geplaatst f750.000.

EMISSIES IN 1953
(Reële bedragen in duizenden guldens)

1
Uit omzet-
Waar
1

ting van
Maand
Obli-
Aande-
Totaal


van
1
andere be
i

leggingen
Nieuw
gaties len
1
conver-
1
en geblok-
geld
sies
keerd te-
goed

Januari
………TT
12.005
1.275
13.280

21
1

13.259
931
l

2.735 3.666

1

37
1

3.629
Februari
……………
203.117
1


203.1171

1

.

17
1203.100
Maart

…………..
April

…………
.2.467
1


2.467

1

17
2.450

Voor tienduizenden werkers

,

yx

uit honderden .4edrjven

werden. de pensioenen

9 X

bij Amstieven ondero
Ö
ebracht.
/

••

door

0

N.V. AMSTERDAMSE MAATSCHAPPIJ VAN LEVENSVERZEKERING . N. Spiegeistraat 17
te Amsterdam Tel. 63272

DE TWENTSCHE BANK
N.V.

Gecombineerde Maandstaat op 31 Mei 1953

Kas, Kassiers en Dag-

Kapitaal ………f 49.000.000.-

geldieningen . . f. 31.488.589.64

Reserve ………..19.000.000.-
Nederlands

Bo.iwreserve

…….1.000.000.-
Schatkistpapier –

528.600.000.-

Deposito’s op Termijn ,, 202.832.651.44
Ander Overheidspapier

48.348.490.97

Crediteuren
.
………668.238.393.30

Wissels …………4 216.830.47

Geaccepteerde Wissels ,,

248.980.62

Bankiers in Binnen, en

Door Derden

Buitenland . . . . .. 27.943.490.50

Geaccepteerd . . ,,

1.768.345 16
Overlopende Saldi en
Effecten, Syndicaten en

Andere Rekeningen ,, 8.413.276.62
Waarden ……13.098.651.14

Prolongauën en Voor-
schotten tegen Effecten ,, 29.197.885.02
Debiteuren ………249.481.699.41
Deelnemingen
(mci.
Voorschotten). .

7.126.009.99
Gebouwen . . . . . . . . ..

5.000.000.-

f.
950.501.647.14

.

f.
950.501.647.14

Auteur