Ga direct naar de content

Jrg. 37, editie 1845

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: oktober 1 1952

INHOUD
Blz.

Werkgelegenheidspolitiek op lange termijn
door

Mr

J.

in

‘t Veld

…………………….
744

Rubberprijzen
door G. E. Rotgans ………..
747

De achtergronden der huidige expansie van de
aluminiumindustrie in de Verenigde Staten

door Drs F.

W. Botzen

………………
750

Contributieschalen van internationale organi-
saties door Prof. Dr J. B. D. Derksen ……
753

Ingezonden

stuk:

Consequenties van een verhoging van de ac-
cijns op gedistilleerd
door Drs A. J.

W.

Prakke
met naschrift van
M. Fraenkel
….
755

Internationale

notities:

Europese Betalings Unie
door Mr E. A. Lief-
rinck…………………………..
757

Het Belgisch saldo in de E.P.U.
door Dr J.

Geluck

………………………….
758

GeldJ en kapitaalmarkt
door Drs J. C. Bezet
..
759

S t a t i s t i e k e n

Wisselkoersen ……………………..
759

Enige indexcijfers van de industriële pro-
ductie in Nederland ……………….
759

‘Werkloosheid ‘en Werkverruimg in Neder-

land…………………………….760

De kolenpositie van Nederland ………..760

ECONOMISCH-

STATISTISCHE
BERICHTEN

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

37E JAARGANG

WOENSDAG 1 OCTOBER 1952

– No 1845

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

Dezer dagen

uitingen over het voor en tegen van wetgeving op so-
ciaal-economisch gebied. De wijziging van de Noodwet
Ouderdomsvoorziening is door -de Eerste Kamer aan-
vaard, voorlopig blijft een bedrag van
f
100 aan
inkomen vrij, daar kan

nog wel wat bij. Maar een
wettelijke grondslag voor winstdeling moet volgens de
daartoe geroepen commissie niet worden gelegd: de
opportuniteit van sommige vormen van winstdeling
werd daarbij niet ontkend.
In de Tweede Kamer vragen over de uitvoering van
de Werkloosheidswet, met, geruststellend antwoord van
de Staatssecretaris. Zou het antwoord op een aantal
andere vragen, thans blijkend bij dc uitvoering in de
practijk, ook zo vlot te geven zijn? –
Belangrijker is, of het goede antwoord wordt gevon-
den op de
onderliggende
verhouding, de beweging tussen
het aanbod van en de vraag naar arbeid. De, werkloos-
heidscijfer bleven van het criterium 90.000 verwijderd
in ongunstige zin. – –
Wèl loopt de valutareserve verder op, zij het ook
dat niet deze gehele reserve de vrijheid biedt om overal
ter wereld ter markt te gaan. Alweer waren het vragen
uit de Kamer waardoor bleek, dat ongeveer een derde
van deze reserve slechts in bepaalde gebieden kon wor-
den aangewend.
Vast staat ook, dal hei totaal aantal werkenden in
de Verenigdé Staten midden Augustus 200.000 meer
bedroeg dan een jaar te voren. Wel werkten in de in-
dustrie 120.000 personen minder, doch daartegenover –
staat een zichtbare opleving in de verbruiksgoederen-
industrie in de laatste maanden. Het koor der voor-
spellers zingt reeds weer een ode aan de stijgende lijn.
Zo ook in Canada: de ,,Neue Zürcher Zeitung” van
20 Sept. meldt daar een ,,Welle des Optimismus”, niet gegrond op militaire uitgaven, daar’ de aanloop op dat
gebied nog aan de gang is. Ook hier neemt de con-
sumptie toe.
Alle goede dingen bestaan in drieën: de Amerikaanse
industriële investeringen over 1952 zullen ruim $1
milliard hoger liggen dan in 1951. Het is -te begrijpen
dat de plak importkaas iets dikker mocht worden. Goed of niet goed? De helft van de Engelse bevol-
king blijkt bij het economisch leven te zijn betrokken,
desondanks zijn er mensen te weinig in sommige
branches. Moet bij zoveel goeds, toch het woord ar-
beidsproductiviteit
.
vallen?
Hoewel dat ook in een gunstige zin kan zijn. Brazilië
heeft al een jaar lang gelegen onder de röntgenologie
van een ,,Point Four Team”, hetzelfde wordt thans toe-
gepast op Nicaragua. Het zou veel kunnen inhouden,
indien een recent artikel in de ,,Saturday Evening
Post” niet had opgemerkt, dat de Zuidamerikaanse sta-
ten langzamerhand aparte archieven voor ontwikke-
lingsplannen nodig hebben.
Wat echter ook structureel mag haperen, de conjunc-
tuur schijnt tenminste te stabiliseren; dat is goed.

COMMISSIE VAN REDACTIE

Ch. Glasz;’H. W. Lambers; J. Tinbergen;

F. de Vries; C. van den Berg (secretaris)

‘ Redacteur-Secretaris: A. de Wit.

.

Assistent-redacteur: J. H. Zoon

/

COMMISSIE VAW AD VIES VOOR BELGIË

J. .E. Mertens; J. van Tichelen;

R. Vandeputte.

44$

,e”,

KAS-ASSOCIATIE-NV
SPUISTRAAT 172, AMSTERDAM-C

Verhuur van brandkasten en

kluizen voor grote administraties

Nederlandsche

Handel-Maatschappij, N.V.

DEVIEZENBANK
N
bi
Hoofdkantoor:

Amsterdam,

Vujzeistraat

32

126 kantoren in Nederland,

1
Azië en Oost-Afrika,
1

N
New York en Londen

H


Speciaal vertegenwoordigd in Suriame,

Curaçao, Aruba, Tanger en Uruguay

Alle bank-, effecten-

en assurantiezaken

Advertentie-opdrachten

voor het eerstvolgende nunumer dienen

uiterlijk 7 October v.m. in ons bezit te zijn.

Advertentie-afdeling ,,E,-S.B.”
Postbuî 42 – Schiedam
Tel. 69300

Abonneert U op

DE ECONOMIST

Maandblad onder redactie van Prof. P. Hen-

nipman, Prof. P. B. Kreukniet, Prof. H. W;

Lambers, Th. Ligthart, Prof. J. Tinbergen,

Prof. G. M. Verrijn Stuart, Prof. F. de Vries,
Prof. J. Zijlstra.

Aborinementaprijs / 22.50; fr. p. post / 23.60;

voor studenten / 19.—; franco per post /20.10

Abonnementen worden aangenomen doèr de

boekhandel en door de uitgevers

DE ERVENF.BOHN TE HAARLEM

R. MEES & ZOONEN

A01720

BANKIERS
&
ASSURANTIE-MAKELAARS

ROTTERDAM

AMSTERDAM – ‘s-GRAVENHAGE

DELFT – SCHIEDAM – VLAARDINGEN

Ook voor Beschlkbaie Krachten is een annontie in
,,Economisch-Statistische Berichten” de aangewezen weg. Annonces, waarvan de tekst ‘s Maandags in ons.
bezit is, kunnen, plaatsruimte voorbehouden, in het
nummer van dezelfde week worden opgenonen.

742

1 October
1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

743

DE ARTIKELEN VAN DEZE- WEEK

Mr J. IN ‘T VELD, Werkgelegenheidspolitiek op lange
termijn.

Schrijver ziet de ontwikkeling in de Verenigde Staten
op iets langere, termijn met zorg tegemoet. De jaren
1955
en 1956 worden z.i. de critieke jaren, omdat het lang niet
uitgesloten is, dat dan een teruggang in de militaire pro-
ductie samenvalt met een . vermindering van de bouwbe-
drijvigheid. Alleen in de bevordering van het eigen-woning-
bezit liggen volgens, schrijver misschien nog belangrijke
mogelijkheden om deze vermindering van de bouwbe-
drijvigheid op te vangen, zonder zijn toevlucht te behoeven
nemen tot het in de Verenigde Staten weinig populaire
,,public building”. Het lijkt schrijver evenwel volkomen
uitgesloten, dat men een vermindering in bepaalde be-drijfstakken als de metaalindustrie, de vliegtuig- en de
auto-industrie e.d., als gevolg van een teruglopende militaire
productie, zal kunnen opvangen door een toeneming van
de vraag in de civiele sector. Op dit terrein vooral ducht
schrijver grote moeilijkheden. Depressies kunnen niet met
nationale maatregelen worden gekeerd.
Floogstens
kan
men de gevolgen van een depressié door openbare werken
en bepaalde fiscale en monetaire maatregelen wat ver-zachten. Alleen door internationale samenwerking valt
hier iets wezenlijks te bereiken. Schrijver denkt hierbij in
de eerste plaats aan het vraagstuk van het dollartekort,
verder aan de moeilijkheden van de grondstoffenlanden
en aan de arbeidsvoorwaarden in verband met de inter-nationale concurrentie. Samengevat, luidt de conclusie,
dat er grote behoefte is aan een centraal economisch plan
voor de vrije wereld.

G. E. ROTGANS, Rubberprjzen. –

De totale rubberproductie; en @ok die van natuur- en
synthetische rubber afzonderlijk, ligt ongeveer 20 pCt hoger
dan het tegenwoordige wereldverbruik. Hierdoor zal in
de eerste 3 â 4 jaren zonder bezwaar een zelfs belangrijk
verbru iksaccres kunnen- worden opgevangen. Daarnaast
is, zowel voor natuur- als voor synthetische rubber, een
verdere opvoering van de productie met enkele honderd-
duizenden tonnen mogelijk. Daar er niet op behoeft te
worden gerekend, dat de voorraden in de verbruikende landen nog belangrijk zullen worden opgevoerd, is dus
– bij handhaven van het huidige product iepeil – de eerste
jaren een belangrijk overschot te verwachten. Het gemid-
delde prijsniveau van rubber zal de eerste jaren waarschijn-
lijk geen belangrijke wijzigingen vertonen. Wel zal rekening
dienen te worden gehouden met de mogelijkheid, dat de
Amerikaanse prijzen voor GR-S en butylrubber enigszins
kunnen worden verhoogd. Ook bestaat de kans, dat de
noteringen voor de middensoorten natuurrubber – RSS 3
en blanket C en van browns – iets zullen optrekken.
Daartegenover zullen de huidige prijzen voor RSS 1 en
natuurlatx waarschijnlijk geleidelijkaan enigszins af-
brokkelen. Voor het bovenstaande maakt schrijver het
voorbehôud, dat de wereidpolitieke verhoudingen zich niet

belangrijk wijzigen.

Drs F. W. BOTZEN, De achiergronden der huidige expansie

van de aluminiuniindustrie in de Verenl?de Staten.

De plannen van de Amerikaanse Regering met be-
trekking tot de aluminiumproductie zijn gigantisch. Er
zijn in feite een drietal groepenproblemen, die zich aan-
dienen, nl. de vestigingsplaats der nieuwe bedrijven, de
positie van eventueel nieuwe producenten en het energie-
probleem. Het laatste is wel het meest belangrijke, daar niet alleen de expansie, maar ook de concurrentiekracht der industrie in sterke mate afhangt van de vraag, of het

mogelijk is energie tegen concurrerende prijs ter beschik-
king te stellen. Dit laatste is, in het licht van de eveneens zeer vèrgaande uitbreidingsplannen, zeer de vraag.

Prof Dr J. B. D. Derksen, Con tributieschalen van inter-
nationale organisaties.

Ais
grondslag voor de vaststelling van contributieschalen
van internationale organisaties hebben de volgende ge-
gevens of formules dienst gedaan: a) de totale bevolking
der leden-staten; b) het klassensysteem, waarbij de landen
worden ingedeeld in een klein aantal klassen naar hun
economische belangrijkheid en draagkracht; c) een com-binatie van gegevèns (rekening wordt dan gehouden met
overheidsuitgaven, bevolking, grondgebied en andeie,
w.o. ook politieke, factoren). De verdeling van de uit-
gaven der Verenigde Naties geschiedt in beginsel op basis
van de draagkracht der leden-staten. Internationaal ver

gelijkbare gegevéns over het nationale inkomen worden hiervoor als richtsnoer genomen. Ten einde anomalieën
in de aanslagregeling te voorkomen wordt in beginsel
l5ovendien rekening gehouden met: a) vergelijkbare cijfers
over het gemiddelde inkomen per hoofd der bevolking;
b) tijdelijke ontwrichting van de nationale economieën
ten gevolge van de tweede wereldoorlog; c) de mogelijk-
heid voor de leden-staten buitenlandse valuta te verkrijgen.
In beginsel worden alle overige, factoren die de draagkracht
beïnvloeden eveneens in aanmerking genomen.

SOMMA IRE –

Mr J. IN ‘T VELD, Les prévisions â long terme en ma-
tière de politique du travail. –

L’auteur considère avec une certaine inquiétude
l’évoluti’on â long terme de la situatiori aux Etats-Unis.
A son avis, les années critiques seront 1955 et 1956,
car ii n’est pas exclu qu’elles verront coincider un recul
dans la production militaire avec une diminution de
l’activité dans le domaine de la construction. Les dé-
pressions ne peuvent être -combattues simplement par des mesures prises â l’échelon national; une collabora-
tion internationale est nécessaire. Le besoin se fait net-
tement sentir, d’une planifiction générale de l’écono-
mie du monde libre.

G. E. ROTGANS, Les prix du caoutchouc.

Le niveau moyen des prix du caoutchouc ne subira
probablement pas de modifications irhportantes durant
les prochaines années. Ii est toutefois possible que les
prix américains du GR-S en du butyl monteront quelque
peu de même que les cotations des qualités moyennes
de caoutchouc naturel. D’autre part, les prix du RSS 1
et du latex subiront une baisse progressive.
Drs F. W. BOTZEN. L’arrière-plan de l’expansion ac-
tuelle de l’industrie de l’aluminium aux Etats-Unis.

Le gouvernement américain a forniée des plans gi-
gantesques en vue de la production d’aluniinium. Dans
ce domaine se présentent trois groupes de problèmes:
l’emplacement des nouvelles entreprises, la position des
nouveaux producteurs et le problème de’ l’énergie.
L’auteur étudie ces questions de plus près.

Prof. Dr J. B. D. DERKSEN, Les échelles de contribu-
tion dans les organisations internationales.

L’auteur expose dans cet article la manière dont sont
établies les échelles de contribution dans les organisa-
tions internationales, notamment dans les Nations-Unies. —

744

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1 October 1952

Werkgelegenheidspolitiek op lange termijn

Gezien de vele beschouwingen, welke in de afgelopen

weken gewijd zijn aan de economische vooruitzichten
voor de naaste toekomst, moet ik wel tot de conclusie
komen, dat ik mij in mijn artikel, opgenomen in Uw

nummer van 6 Augustus jI., te bezorgd heb gemaakt over een tekort aan belangstelling in de kringen van de econo-men voor het belangrijke probleem, hoe wij massa-werk-loosheid in de toekomst kunnen voorkomen. Na de snelle
reactie van de zijde der redactie, waarvoor ik graag mijn
grote erkentelijkheid. betuig, was het vooral het verslag
van het Internationale Monetaire Fonds, dat tot vrucht-
bare gedachtnwisseling aanleiding heeft gegeven.
Er is uit dit alles gebleken, ‘dat’ velen zich ‘met het pro-
bleem bezig houden en .de ernst er van inzien. Tat geeft
althans enig gevoel van gçrusjheid. Het wil echter niet
zeggen, dat ik de toekomst nu onbezorgd tegemoet zie;
Daarvoor zou nddig zijn, dat duidelijk een weg werd uit-
gestippeld, die men eensgezind en vastberaden wil gaan.
En daarvan zie ik nog niet veel!

‘Dat ik met alleen sta in de opvatting, dat de moei-
lijkheden pas werkelijk dreigend worden in de jaren na
1954,
als ër een vermindering mocht komen in dé uit-

gaven voor, bewapening, is wel duidelijk gebleken. Zo
wordt er in ,,Economisôhe Voorlichûng” van 6 September
jI. in een beschouwing over ‘de economische situatie in- de
Verenigde Staten op gewezen, dat de infiatievoorspellingen
thans hebben ‘plâats gemâakt voor een – zekere rec’essie-
vrees in de komende jaren, wanneer de uitgaven voor-de
opbouw van het defensie-apparaat kunnen worden ver-
minderd. ,,Nog onlangs zei de bekende econoom Dr

Nourse, dat de grote na-oorlogse aanpassing nog moet
komen”.

Uw redactie ziet het minder somber. Zij wijst er op,
dat de militaire uitgaven in de plaats zijn gekomen van een
potentiële civiele vraag en daarom in mindere mate als
redders van de, conjunctuur zijn aan te. merken dan ik
geneigd ben aante nemen
:

Ook in dit . opzicht sta ik toch, geloof ik, niet alleen.
Ik herinner mij bijv., dat d loon- en. prijspolitiek van ons
land nâ de oorlog min o1 meer een speculatie was op een
te verwachten terugsiag in, ie conjunctuur. Toen deze
uitbieef, verklaarde Minister Van den Brink dit door er op te wijzen, dat wij van

de éne oorlogseconomie in de
andere waren verzeild geraakt. En dit was nog v66r het
uitbreken van het Koreaconflict. In deze gedachtengang
werkte dus zelfs de nog vrij bescheiden militaire inspan-
ning in de jaren v&r 1950 reeds vertragend ten oichte
van de verwachte omslag in de conjunctuur.

Intussen waren er in het begin, van 1950 al duidelijke
tekenen,. welke wezen .p het begin van een lichte depressie.
De werkloosheid in de Verenigde Staten steeg al weer
boven de 3 millioen, de groothandelsprjzen vertoonden
een merkbare daling. En ik ben overtuigd, dat, als Korea
niet gekomen was, deze depressie zich verder zou hebben
doorgezet. Nu leidde het Korea-conflict tot een korte,
scherpe hausse, maar de wereld heeft zich al weer aange-
past. De groothandelsprijzen vertonen weer een daling;
wij zien de dreiging van een meer dan normale werkloosheid
opnieuw vôôr ons.. in het hiervôôr aangehaalde artikel in. ,,Economische
Voorlichting” wrdt verondersteld, dat er onder de kopers
een zeker vertrbuwen is, dat de industriële Organisatie
nu al in staat is ,,guns and butter” voort te_brengen.
Er wordt op gewezen, dat de uitbreiding van de industrie
sneller heeft plaats gehad dan’ was te verwachten. ,,Het
gevolg is, dat de defensie-uitgaven niet langer een garantie
zijn voor een voortzetting der hoogconjunctuur. Wel

zûllen de hoge defensie-uitgaven er voor zorgdragen, dat

het optreden van een .ernstige recessie aanzienlijk minder kans van slagen krijgt, doch de zekerheid, dat de industrie
op volle capaciteit zal blijven werken, kunnen zij niet
geven”.

Uit deze zinsneden spreekt zelfs al enige bezorgdheid
voor de allernaaste toekomst. Ik ben echter geneigd met de schrijver aan te nemen, dat het voorlopig wel los zal lopen.
De vraag is alleen, hoe lang dit ,,voorlopig” zal duren.
Men rekent bijv. in de Verenigde Staten als positieve
factor op een stevige vraag in de bouwnijverheid. Ik ben
er niet, zo gerust op, ‘dat deze vraag blijvend zal zijn.
Er is in de afgelopen jaren veel gebouwd, maar hoofd-
zakelijk voor de verkoop. Deze ,,kopers”-markt is waar-
schijnlijk al bijna verzadigd. En hetzelfde mag worden aan-
genomen voor de vraag naar huur van particuliere wonin

gen, aangezien het in het voornemen ligt de huren per
1 October vrij te laten. Als er nog een groot tekort was in
dit soort woningen, zou een dergelijke maatregel niet
verantwoord zijn. Waar nog wel grote behoefte aan be-
staat, zijn woningen tegen niet te hoge huren. Maar om aan
die .vraag te voldoen, zou het ,,public building” belangrijk
moeten worden opgevoerd en ik vrees, dat de geesten daar-
voor in Amerika nog niet rijp zijn.
Alles bij elkaar, zie ik daarom de ontwikkeling in de
Verenigde Staten op iets lang’ere termijn met zorg tege-
moet. De jaren 1955 en
1956
worden de critieke jaren,
omdat het lang niet uitgesloten is, dat dan een teruggang
in de militaire productie samenvalt met een vermindering van de bouwbedrijvigheïd.

Nu voert Uw redactie daartegen aan, dat men dan de
consumptie even bewust zal moeten uitbreiden als men
haar te voren heeft ingekrompen. Het klinkt plausibel,
maar zal dit zo gemakkelijk gaan?
In de eerste plaats zal men de consumptie moeten op-
voerén
boven
het peil van 1950, aangezien de arbeidspro-
ductiviteit inmiddels belangrijk is gestegen. Dit betekent
dus een verhoging van het reële loon. En nu heeft de r

varing van het verleden geleerd, dat daar juist de moei-
lijkheid schuilt.
In ,,Economisch-Statistische Berichten” van 6 Augus-

tus en 17 September 1941 gaf Serrarens een zeer instructief
overzicht van een surdie van Spurgeon Beil onder de titel
,,Productivty, Wages and National Income” over de
economische ontwikkeling in’ de Verenigde Staten. lik
neem daaruit het volgende verzamelstaatje over:

Stijging of daling in de industrie

van 192314
1
van 192819over de
tot 192819

tot 193617

gehele
periode
Arbeidsproductivitejt
…………
.+ 25

1 +
20

+50
Productie
………………….
+ 27

1

1,4

+ 25
Aantal werknemers
…………

0,
.+ 2,8

1
+

8

+ 3,5
weeklonen (nominaal)
……….
+ 4,7

– 13

– 9
Weeklonen (reëel)
……………
+ 5

+ 0,9

+ 6

Uit dit staatje blijkt duidelijk, dat de productie het tempo
van de stijging der arbeidsproductiviteit niet heeft’ kunnen
volgen, – dat de werkgelegenheid ver achtergebleven is,
dat van een, noemenswaardige stijging der reële weeklonen
niet gesproken kan worden en dat dus ook de stijging van
de totale loonsom, met in verhouding staat tot de stijging
van de productie. Aan dit achterblijven van de stijging
van de reële lonen bij die van de productie, waaruit weer
voortvloeide een wanverhouding tussen consumptieve
uitgaven en besparingen, werd toenmaals door vele eco-
nomen het hardnekkige karakter van de depressie der
jaren dertig geweten. Op de grondstelling van Uw redactie,
dat de algemene hoogte van het nationale inkomen, die in sterke mate met financiële middelen kan worden be-

1 October
1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

745

invloed, in belangrijke mate nedebepalend is zowel voor
de vraag naar duurzame goederen als voor de algemene activiteit, past dus m.i. een correctie in deze zin, dat het
niet alleen gaat om de
algemene
hoogte van het nationale
inkomen, maar in niet mindere mate om de
verdeling
van het nationale inkomen.
Ook al zou men nu echter lering trekken uit de toen op-
gedane ervaring, dan nog is er geen zekerheid, dat de
hogere lonen geheel in consumptie zullen worden omgezet.
Er is een minstens even grote kans, dat een deel zl worden
bespaard. In het meer geciteerde overzicht in ,,Economische
Voorlichting” wordt geconstateerd een verminderde koop-
lust tegenover een vermeerdering van de béschikbare
koopkracht. Is een dergelijk klimaat gunstig voor nieuwe
investeringen? Ik betwijfel het.
Misschien zou men uit deze moeilijkheid kunnen komen
door de verhoging van het loon niet uit te keren, maar
te storten in een investeringsfonds. Ook dan blijft echter
nog de vraag, of het evenwicht tussen investering en con-
sumptie aldus niet wordt verbroken. In theorie moge het
waar zijn, dat de behoeften van de mens onbegrensd zijn,
in de praktijk blijkt telkens weer, dat de behoefte aan
bepaalde artikelen wel degelijk begrensd is. Levensgewoon-
ten spelen hier een belaJgrijke rol en die veranderen niet
van vandaag op morgen. Alleen in de bevordering van het
eigen-wclning-bezit liggen misschien nog belangrijke mpge-
lijkheden. Het lijkt niet uitgesloten, datrien daarmede
de vermindering van de bouwbedrjvigheid zou kunnen
opvangen, zonder zijn toevlucht te behoeven nemen tot
het in de Verenigde Staten weinig populaire’,,public buil-
ding”.

Bij deze overwegingen sluit aan een laatste vraag, die
ik bij mij voel opkomen. Als de militaire productie terug-
loopt, zal dit vooral voelbaar worden in bepaalde bedrijfs-takken (metaalindustrie, vliegtuig- en autofa’orieken, e.d.).
Het lijkt mij volkomen uitgesloten, dat men de.verminde-
ring in
:deze
bedrijfstakken zal kunnen opvangen door een
toeneming van de vraag in de civiele sector. Op dit terrein vooral ducht ik grote moeilijkheden. De
ijzer- en staalproductie wordt overal sterk opgevoerd,
niet alleen in de.Verenigde Staten, maar ook bijv. in de
landen, aangesloten bij de kolen- en staalgemeenschap.
In ,,Economische Voorlichting” van 15 Augustus ji. vind ik een verhaal over Frankrijk. Sinds 1946 is de productie (met inbegrip van de Saar) opgevoerd tot 14. mln ton per
jaar. Voor de komende 7 jaren beoogt men een nieuwe
investering, waardoor de productiecapaciteit zal komen
op 21 mln ton. Wat moeten wij met deze sterk opgevoerde
capaciteit, als de militaire behoeften afnemen en er een sterke
inzinking mocht komen in de scheepsbouw en wellicht in de
vliegtuig- en automobielindustrie, e.d.? Nu reeds is blijkens
hetzelfde overzicht de Franse staalüitvoer aan het terug-
lopen. Of dit een tijdelijk verschijnsel is, kan ik niet be-
oordelen, maar de sinds enige tijd merkbare lichte daling
van de ijzerprjzen kan een aanwijzing zijn, dat er van een
tekort aan productiecapaciteit nauwelijks sprake meer is.
Als Mars niet nog onbescheidener wordt, schijnt het inder

daad binnen het, bereik der mogelijkheden te komen om
,,guns and butter” voort te brengen.
Ook de berichten over de scheepvaart bevestigen mijn
vrees, dat de uitbreiding van de koopvaardijvloot bezig
is de behoeftegrens te
overschrijden.
Ik pik er maar zo
wat uit: de overvloed van aangeboden scheepsruimte is
niet afgenomen, de vraag blijft in het algemeen niet onbe-
vredigend en de vrachtprjzen hebben zich min of meer
kunnen handhaven, zij het, dat de dalende tendenz toch
nog de overhand heeft gehad. De af brokkeling der vracht-
prijzen gaat evenwel nièt meer iii zo snel tempo .als een
paar maanden geleden en dat kan dan ook haast niet, want
het niveau is zo laag geworden, dat vele reders in het bui-
tenland al genoodzaakt zijn hun schepen uit de vaart te
nemen. Van de 600 Amerikaanse regeringsschepen zijn

er gedurende het laatste halfjaar ruim 400 opgelegd en
naar de reservevloot teruggebracht.
En intussen gaan wij maar door met nieuwe schepen te bouwen! is het niet wat te optimistisch er van uit te gaan,
dat, als de conjunctuur maar goed blijft, men wel op ruime
schaal tot vervanging van oude schepen zal overgaan?
Ook in de automobielindustrie begint men moeilijkheden
met de afzet te ondervinden. En ook hier blijkt nog niet
veel van een neiging om de oude auto snel op te ruimen. Engeland maakt zich bezorgd over de Japanse concur

rentie in textielgoederen, maar tegelijk lees ik, dat ‘de
Japanse export van katoenen kleding over het eerste half-
jaar 1952 met ca
25
pCt is teruggelopen en dat Japan ook
stuit op afzetmoeilijkheden voor de rijwielindustrie.
Het zijn maar enkele grepen uit series berichten, die tot bezorgdheid manen. Het wil er hij mij nog, steeds niet in,
dat ik de toekomst te somber zie.
De redactie betoogt nu, dat er toch wel degelijk een con-
sumptievermindering heeft plaats gehad (voor Nederland
heel duidelijk) en dat deze voor Engeland en Frankrijk
zelfs niet ver genoeg gegaan is. In het verslag van het Inter-
nationale Monetaire Fonds wordt dit nog eens onder

streept: ,,De moeilijkheden met de betalingsbalans ge-
durende de laatste jaren zijn voornamelijk een gevolg van
de pogingen om meer te consumeren en meer te investeren
dan de beschikbare hulpbronnen toelieten”. Er zijn echter,
wat dit betreft, in de laatste tijd belangrijke vorderingen
gemaakt. Ook Engeland verwacht eerlang tot een slui-
tende betalingsbalans te komen en dan blijft alleen Frank-•rijk als het zwarte sdhaap.Maar ik ben overtuigd, dat ook
voor dit land het probleem oplosbaar is, als men maar eens –
wat meer ernst ging maken met het invorderen van de
belastingen en het mes durfde zetten in het wel heel dure
distributie-apparaat.
in ons land begint zelfs reeds de vraag op te komen,
of men met de consumptiebeperking niet te ver is gegaan
en ter bestrijding van de werkloosheid de teugel’wat moet
gaan vieren. Het antwoord is dan, dat dit onze concur-
rentiepositie zou aantasten, hetgeen juist weer de werk-
loosheid in de hand zôu werken. Er schijnt weinig tegen,
in te brengen, maar er volgt dan toch als vanzelf een nieuwe
vraag: waarom pakt men dit vraagstuk dan niet internatio-
naal aan?

Nooit heb ik de illusie gekôesterd, dat men depressies
mèt nationale maatregelen zou ‘kunnen keren. En had ik
ooit zo iets gedroomd, dan zou ik door de lessen sinds
Korea wel voor goed bekeerd zijn. Hoogstens kan men de
gevolgen van een depressie door openbre werken en be-
paalde fiscale en monetaire ,maatregelen wat verzachten,
maar een hogere verwachting moet men daar toch niet
van hebben.
Alleen door internationale samenwerking valt hier iets
wezenlijks te bereiken. Dat blijkt duidelijk, als men zich
rekenschap geeft van de belangrijkste problemen, die om
oplossing vragen.
Daarbij denk ik in de eerste plaats aan het vraagstuk
van het dollartekort. Zo lang dit niet is opgelost, blijft
West-Euröpa uiteraard zeer gevoelig voor de ontwikkeling
van de conjunctuur in de Verenigde Staten. Een terugslag
daar, leidt waarschijnlijk tot een vermindering van de dollar-
hulp’ aan Europa en tot versçherping van de importbe-
perkingen. Ook de grondstoffenlanden zullen er de weer.-
slag van ondervinden en daardoor, naar te vrezen valt,
eveneens de invoer gaan beperken. Als nu aangedrongen
wordt op verdere opvoering van, de productie in de landen
van West-Europa, ligt het voor de hand, dat men aller-
eerst het oog richt op artikelen, die wij met dollars moeten
betalen of die in dollarlanden een vrij stabiele markt vin-
den. Vooral uit dit oogpunt lijkt mij de Europese landbouw-
integratie van doorslaggevende beteenis. Maar daarnaast
zou ook integratie van de vliegtuig- en de automobiel-
industrie en wellicht van andere bedrijfstakken zeer be-

746

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1 October 1952

langrijk kunnen blijken. Ik heb niet de indruk, dat er in
deze richting al veel bereikt is, behalve
dan,
wat de kolen-
en staalgemeenschap betreft. Dit is ëen verheugend begin. Misschien zullen, als deze gemeenschap eenmaal goed op
gang is, berichten kunnen uitblijven, als waarop wij dezer
dagen werden vergast: de Belgische kolenproductie be-weegt zich in dalende lijn als gevolg van afzetmoeilijk-
heden. En dat, terwijl wij nog-altijd dure Amerikaanse
•kolen moeten importeren. Een tweede punt betreft de moeilijkheden van de grond-
stoffenlanden. ,,Een groep van ‘s werelds voornaamste
economische deskundigen verwacht, dat de grondstoffen-landen het volgende jaar ter verkrijging van economische
stabiliteit een buitengewoon moeilijke
tijd
zullen doormaken

tenzij het kapitaal internationaal blijft stromen en bijzon-
dere maatregelen ter stabilisatie van de markten worden
getroffen”.
De moeilijkheden, worden zij niet opgelost, zullen çen te-
rugslag hebben op de buitenlandse handel en daardoor, naar
verwacht wordt, de werkloosheid in verschillende landen
van West-Europa, waaronder Nederland, doen toenemen.
Ik vrees, dat deze moeilijkheden in;l955 en 1956, als het
inderdaad komt tot een vermindering van de militaire
uitgaven, nog groter zullen worden. En het is dus wel zaak
zich ook met dit probleem ernstiger dan tot nu toe te gaan
bezig houden.
Voor mij is het de grote vraag, of het mogelijk zal blij-
ken de inzinking, welke in een aantal bedrijfstakken in de
Verenigde Staten en West-Europa dan te verwachten valt,
waarbij ik vooral denk aan de metaalidustrie en verwante
bedrijfstakken, op te’ vangen door hulp aan de achterge-
bleven gebieden. Langs die weg zou men tot een sluitend
schema kunnen komen. Aldus zou immers ook de vraag naar gronçlstoffen gestimuleerd kunnen worden, terwijl
op langere termijn deze hulp zou kunnen bijdragen tot
versterkïng van de koopkracht dezer gebieden.
En dan als derde belangrijke punt: de arbeidsvoorwaar-
den in verband met de internationale concurrentie. ik
wees er al op, dat de voornaamste les, welke wij uit de
vôôroorl’ogse ontwikkelinghebben te trekken, is, dat de
reële lonen in gelijke mate dienen te stijgen als de arbeids-
productiviteit of dat men compensatie zoekt – geheel otgedeeltelijk – .in een verkorting van de arbeidstijd.
Voor ieder land afzonderlijk is dat echter onmogelijk, om-
dat wij dan altijd stuiten op het bezwaar van de interna-
tionale concurrentie. Ook dit vraagstuk zal dus slechts
door internationaal overleg tot oplossing zijn te brengen..
Hetzelfde geldt voor een groot deel van wat Uw redactie
noemt het precïsiewerk, het adjusteren van de werkge-
legenheid zoveel mogelijk per bedrijfstak. Het treft mij,
dat daarbij over het internationale aspect van dit precisie-
werk met geen woord werd gerept.
Het bouwbedrijf kan men inderdaad nationaal bekijken,
omdat het product van dit bedrijf zich weinig leent voor
internationale ruil. En ook de sigarenindustrie is met een
verlaging van de daarop drukkende belasting wel te helpen.
Maar wat wil men
nationaal
doen om een dreigende in-
zinking bijv. in de scheepsbouw of de textielindustrie
op te vangen?
Ik zei het al, mijn verwachtingen ten aanzien van de
resultaten ener
nationale
werkgelegenheidspolitiek zijfi
l
niet
zo hoog gespannen. Natuurlijk valt er wat te bereiken met
uitvoering van openbare-werken. Maar ik heb wel eens
het gevoel, dat men er te veel van verwacht. Het zal al

moeite genoeg kosten oin daarmede de werkloosheid in
let bouwvak binnen redelijke grenzen te houden. Er zijn
thans nog altijd 17.000 â 18.000 werkloze bouwvakar-
beiders, hoewel het aantal in uitvoering zijnde woningen
al is gericht op een productie van 60.000 woningen per
jaar. ik acht het, zoals ik in mijn eerste artikel opmerkte,
onder deze omstandighéden verantwoord de productie
nog verder op te voeren tot 65.000 per jaar, al kan ik niet
genoeg herhalen, dat dit als consequentie meebrengt,
dat nu reeds begonnen moet worden met de voorbereiding
van krotopruiming op grote schaal in de jaren na 1960.
En wat bereiken wij dan nog met een opvoering van de
woningproductie van 60.000 tot 65.000 per jaar? Het geeft
slechts meer werk voor ongeveer 4.000 bouwvakarbeiders. En intussen neemt het aantal bouwvakarbeiders nog steeds
toe en moeten wij rekening houden met een vermindering
in de naaste toekomst van de werkgelegenheid in
andere
sectoren van het bouwbedrijf. De herkloosheid in deze
bedrijfstak zal dus relatief hoog blijven en ook de uitvoe-
ring van openbare werken kan slechts gedeeltelijk soelaas
brengen. Alleen om de ruim 5.000 werkloze grondwerkers,
die in bovengenoemd cijfer begrepen zijn, aan het werk
te krijgen, zal ongeveer f 100 mln per jaar
additioneel
voor
openbare werken beschikbaar moeten worden gesteld.
Ook van een belastingverlaging in dit stadium heb ik
niet zulke hoge verwachtingen. In een U.N.0-rapport
van 1949 (,,Natïonal and international measurs for full
employment”) wordt er op gewezen, dat in het begin van een teruglopende conjunctuur de besparingen de investe-
ringen veelal overtreffen, met het gevolg, dat men gaat
,,oppotten”. Het achterblijvenvan de kooplust bij de koop-
kracht, waarop hiervôôr met betrekking tot Amerika ge-
duid werd,.lijkt een symptoom daarvan. Men zou zeggen,
dat ook in Nederland zich iets van die aard begint af te
tekenen. Zal dit beter worden, als wij de belastingen gaan
verlagen? Het zal waarschijnlijk wel iets helpen, omdat een
deel van de aldus vrijkomende gelden in de consumptieve
sfeer terecht komt. Misschien zal er, als de belastingver-
laging daarop bewust gericht wordt, ook wat meer geïn-
vesteerd worden. Maar de neiging om te investeren wordt
toch grotendeels bepaald door de perspectieven voor de
afzet der producten en deze lijken in het begin van een
teruglopende conjunctuur niet zo erg guhstig. Bovendien
zal de Staat voor het prijs te geven deel van zijn inkomsten
een beroep moeten doen op de kapitaalmarkt, waardoor de
lagere publiekrechteljke lichamen weer in moeilijkheden
komen. Het lijkt niet uitgesloten, dat de woningbouw
daarvan weer de dupe zal worden.

Vat ik het voorgaande samen, dan kan de conclusie
m.i. geen andere zijn dan dat er grote behoefte is aan een
centraal economisch plan voor de vrije wereld. Er zijn
belangrijke studies gewijd aan bepaalde aspecten, maar een
samenvattend plan, dat een sluitend geheel vormt, ontbreekt.
En dan zal het niet bij een
plan
moeten blijven, er zal ook
ernst moeten worden gemaakt met de uitvoering.
Ter voorkoming van misverstand merk ik ten slotte nog
op, dat het geenszins mijn bedoeling is een goort wanhoops-
stemming te wekken. Als wij maar aanpakken en wat
vooruit durven kijken, acht ik de problemen zeker niet
onoplosbaar.

‘s-Gravenhage.

Mr J. IN ‘T VELD.

1 October 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

747

Rubberprijzen

Inleiding.

Terwijl de laatste jared’ védr de oorlog het wereld-
rubberverbruik rond 1 mln ton per jaar bedroeg kan de
normale wereldconsumptie thans op ongeveer 2,3 mln ton
worden gesteld
1).
Door de verder voortgaande toeneming
van de vraag, zowel in de banden- als in de niet-banden-
sector, mag verder de eerstkomende jaren gerekend worden
op een – verbruiksvermeerdenng van gemiddeld 100 â
150.000 ton per jaar (zie ook tabel 1).
Aan de vraag werd v5ôr de oorlog vrijwel uitsluitend
voldaan door productie van natuurrubber. Alleen in
Duitsland en in de Sovjet Unie bestond een enigszins
belangrijk productie-apparaat voor synthetische rubbçr.
De capaciteit hiervan was echter slechts een fractie van
die van het natuurproduct
2).
Door de opbouw – in de
oorlogsjaren – van het machtige productie-apparaat
voor synthetische rubber in Noord-Amerika, met een
maximum capaciteit van ruim 1 mln ton per jaar, ont-
stond een fundamentele wijziging van deze verhoudingen.
Toen dan ook na de oorlog de, eerst geleidelijk weer op
gang komende, natuurrubberproductie niet in staat bleek
aan de wereldvraag naar rubber te voldoen, bleef een deel
van het synthetische, productie-apparaat in bedrijf, waar-
door het ontstaan van tekorten werd voorkomen.

TABEL 2.
Wereidrubberposilie
in 1.000 ton)

Natuurrubber

Synthetische

Totaal ‘)
rubber
‘)
1

lve
Prod. Cons.1
shil
Prod. j Cons.1 schil
1
Prod. Cons.1 schil

1940

1.410 1.120 +290

45

45

0 1.455 1.165 +290
1946

840 555 +285 805 910 -105 1.645 1.465 +180
1947

1.260 1.110 +150 560 625 – 65 1.820 1.735 + 85
1948

1.525 1.415 +110 535

485 + 50 2.060 1.900 +160
1949
……..
1.485 1.435 + 50 440

450 -10 1.925 1.885 + 40
1950
1.855 1.705 +150
535
585 – 50 2.390 2.290 +100
1951

1.865 1.490 +375 910

820
1+
90 2.775 2.310 +465
verw. 52 ca

1.725 1.475 +250 950 850
+100
2.675 2.325 +350
‘) zonder productie en consumptie van synthetische rubber in de U.S.S.R.
en Oost-Duitsland.

‘) Deze verbruikscijfers, evenals de verder in dit artikel gegeven productie-
en consumptiegegevens, zijn alle exclusief die voor synthetische rubber achter
het ijzeren gordijn; -te stellen op 100 â 200.000 ton per jaar. ‘) Productiecapaciteit synthetische rubber 1938: Duitsland ca 80.000 ton, –
U.S.S.R. ca 60.000 ton, rest van de wereld ca 10.000 ton.

De gedurende de tweede wereldoorlog ontstane nood-
toestand – waarbij dpor de Japanse bezetting van het
Z.O.-Aziatische rubbergebied, waar rond 90 pCt van de
natuurrubberproductiecapaciteit geconcentreerd was, .een
dreigend tekort aan rubber bij de geallieerden ontstond –
had wel zeer sterk de aandacht gevestigd op deze zwakke
plaats in de Westerse economie. En na het einde van de
oorlog zijn de Verenigde Staten dan ook meteen aan-
gevangen een reservevoorraad natuurrubber op te bouwen.
Hiervoor werd enerzijds voor de rubberverwerkende in-
dustrie het gedeeltelijk verwerken van synthetische rubbers
verplicht gesteld en daarnaast een deel van de hierdoor
op de wereldmarkt vrijkomende hoeveelheden ntuurrub-
ber voor de regeringsstockvorming aangekocht.
Na het üitbreken van het Korea-conflict werd het- tempo
van deze maatregelen verder versneld. De synthetische
rubberproductie werd sterk vergroot, de toepassing van
natuurrubber strenger gerantsoeneerd en de aankopen
voor. de stock-piling opgevoerd.

TABEL 3.
Wereidrubberproductie
(in 1.000 ton)

.
1940
1

1948
1

1949
1950
1

1951

Natuurrubber
Indonesië

……………
545
435
430
695
800
Malakka

……………
545
705
670
695
600
Ceylon

……………….
90 95 90
115 100
65 45
40
50

50
40 40
55
40
Indo-China

……………

Overig Azië
90
140 140
165 175
Serawah

……………..35

40
45-
55
75
Afrika

……………….15
Latijns Amerika
25 25 30

25 25
1.410
1.525
1.485
1.855
1.865

Synthetische
rubber
‘)

Totaal

…………………

5
490
395
475
845
ver.

Staten

…………….

40
45
60
60
Canada

……………..
Duitsland

……………
40
5
– –
5

Totaal

…………………
45
535

1

440

1

535
1

910

4/gemeen

totaal
…………..
1.455

1

2.060

1

1.925

1

2.395

1
2.775
1)
Zonder productie synthetiscne rubber inde U.S.S.R. en Oost-Duitsland.

Naar taxatie bedraagt deze strategische voorraad in
de Verenigde Staten thans omgeveer 1 mln ton natuur-
rubber, waarmede een peil bereikt is vôldoende om vrij-
wel alle eventualiteiten het hoofd te kunnen bieden.

TABEL 1.

Weredrubber verbruik
1)
(in 1.000 ton)
Natuurrubber
Synthetische rubber’)
I

Totaal

1940
1948

1949

j

1950

1951
1940

1

1948

1949

1

1950

1

1951
1940
1948
1

1949

1

1950

1951

1. Noord-Amerika:
ver. Slaten

. .
648
625
575
720 455
5
443
413
537
759
653
1.068
988
1.257 1.214
Canada
37
40
40
45 45

22
17

23
26
37
57
68
71

sub,

totaal

1

– –
685
665
615
765 500
5
465
430
560 785
690
1.130
1.045
1.325
1.285

1. Europa:

Engeland

……
147 195
185
220
235

3
2
3
4
147 198 187
223 239
Frankrijk
35
85
90
100
120

7
8
7 9
35
92 98
107 129
Duitsland
26
45
65
80 80
40
4 2
3
4
66
49
67
83
84
Nederland
3
13
12
14
15
– – – – –
3
13
12 14 15
Overigen
40
97
108
121
120
-r
3 3
5
9
40
100
III
126
‘129
sub, totaal 2
250
435′
460
535
5701
40
17
IS
18
26
290
452
475
553
596

3. Rest van de wereld: –
20 26
28
34
35

1
1 1
2
20
27 29 35
37
11
20 20
18

22

– –
– –
II
20 20
18
22
Australië

……….

Japan
60
26
39
57 58
– –
1
2
3
60
26 40
59
61
India

…………

Brazilië
5
16
19
22 28
– – –
– –
5
16
19
22 28
Overigen
44
77
74
84
97

2
3
4
4 44
79
77
88
101
sub, totaal 3

..
ö
165 180

‘1Ti
“10
T
T
7
140
168
185
222 249
t. Exp. n. Sovjetblok:
U.S.S.R.

……
20
100
105
82
57
– – –


20
100 105
82
57
4
12 6
11


– – –
5
4
.12
6
11
Tsjechoslowakije

.

10
23 27
22
II



– –
10
23 27
22
II
Polen

………..5

China

…………
Overigen
6
4
21
2 27
9
70
10
76
25
– –
– –
– –

– – –
6
4
21
2
27 9
.70
10
76 25
sub, totaal 4
45
150 180 190 180
– – – –

45
150 180 190
180

rotaal
1

2 4- 3
1.075 1.265 1.255 1.515
1.310
45
485
450
585
820 1.120
1.750
1.705
2.100
2.130
41gemeen
totaal
(1,

2,

3,

4)

…….
1.120
1.415
1.435
1.705 1.490
45
485 450
585 820
1.165
1.900
1.885
2.290
2.310
‘) Zonder verbruik synthetische rubber binnen het Sovjqtblok.

748 ..

ECONOMISCH-STA TISTISCHÉ BERICHTEN

1 October
1952

TABEL 4.
Wereidrubber voorraden
1)

(in 1.000 ton)

Eind
Augustus
1496
1952

Natuurrubber.
Ver.

Stalen.

……………………….
ca
tax.

175
1.000
Regering

………………………….
Vrij
-50
75
Totaal

…………. …………….
.225
1.075
Rest van de wereld.
1. Verbruikende landen:
175
150
.a.

Regeringen

…………………….
b.

Vrij
………….

.

……………..
.50
250
225
400

Totaal

…………………………

Zeilende

……. . ………………..
L

250
200

Producernde landen
.250
300
950
1.975
Algemeen

totaal

…………………….

Synthetische rubber.
125
200
Ver.’ Staten

……………………….
.
Rest van

de wereld

………………….
.
25 25
Algemeen

totaal

. ………………….
..
150
225

‘3 Zonder SOvjetblOk.

Productiecapaciteit.

Hoewel de wereldvraag naar rubber in de ioop der
jaren een naar verhouding zeer regelmatige stijging heeft
vertoond, ni. ongeveer een verdubbeling per 10 jaar:

TA.EEL 5.
Jaar

Wereldverbruik
1900
…………….
50.000 ton
1910
……………
100.000
1920
………….
300.000
1930
………….
700.000
1940
…………
1.100.000
1950
………..
2.300.000

zijn telkens weer sterke spanningen op de rubbermarkt
ontstaan als gevolg van wanverhoudingen tussen productie
en vraag. In de vroegere perioden speelden hierbij, door
de producentencombinaties doorgevoerde, productiere-
stricties een grote rol. In de na-oorlogse jaren’ lag deze
strijd daarentegen op een ander terrein. nl
. tussen de
Amerikaanse synthetische rubberproductié en de natuur-
rubber. Hierbij wa$ de- door de Amerikanen gevolgde
prijspolitiek van overwegende invloed. In de door het
Korea-conflict ontstane oorlogsangstpsychose liep elke
prijsbeïnvloeding geheel uit de hand en ontstonden prijs-
stijgingen als in de tijd van de wildste speculaties
3).

De maximum productiecapaciteit valk de thans aan-wezige rubberaanplant is op het ogenblik te stellen op
rond
2114
mln ton. Deze productie is echter nimmer be-
reikt. Enerzijds omdat de intern politieke verhoudingen
in de twee hoofdrubberproducerende gebieden, Indonesië
en Malakka, volledige exploitatie van het tapbare areaal
niet mogelijk maken en anderzijds doordat als gevolg van
deze en ook van de economisch ongeregelde omstandig-
heden in meerdere gevallen de winningskosten, speciaal
ook voor bevolkingstap, soms zodanig hoog worden, dat exploitatie alleen nog bij abnormaal hoge rubber

prijzen lonend kan zijn. Zeer duidelijk komt dit tot uiting

‘)
De hieronder opgenomen incidentele noteringen in Singapore geven een
inzicht in de marktftuctuaties gedurende de ISatste jaren. Bij de prijzen van
Januari 1950 dient voor ogen te worden gehouden, dat de gevolgen van de
devaluatie in 1949 binnen enkele maanden weer geheel waren opgevangen
door een prijsstijging.

1Noleringen Singapore in Str. cts. per lb.

RSS l
Blânket
c
RSS 1
Blanket
c

30
Febr.

1951

….
225
165
11

1949
38
31
Apr.

1951

….
198 147
Jan.

1950
50 47
Juli

1951

..
. .
142
99
Mrt

1950 54
1

5
1
Jan.

1952

. . . .
140
105

Gem.

1948

……..42

April

1950
66
i

55
Febr.

1952

….
130
95
Juni

1950
82
70
Mrt

1952

….
III
79
Nov.

1950
196
165
Juni

l952

..
. .
84 66
Dec.

1950
171
162
Aug.

1952

….
81
62

ij vergelijking van de rubberprjzen en de door de be-
volkingswi nning geproduceerde hoeveelheden in Indonesië.

TABEL 6.

1948
1
1949
1
1950
1
1951

Verw.

1952

Gemiddelde prijs:
RSS
1 in $ cIa. per 1h. .

2217,5 1 41

65

ca 29
Blanketa C, Singapore, in
Str. cts. per Ib ………

.30,5

31

91

125

ca 60

Saarprodiictie
bevolk ingsrub-
her in 1.000 ton ………330

265

1
520

590

ca 425

Een overzidht van de voor dit jaar verwachte verhou&ng
tussen de maximum productiecapaciteit en de werkelijke
productie is gegeven in de hierna opgenomen tabel
7.

TABEL 7.
Wereldproductiecapaciteir rubber
1)

(in 1.000 ton)

Maximum
Verwachte
protluctae
capaciteit
1952
ca
ca
iVal,wrrubber.
900
675
Malakka

…………………………
700
575
indonesië

…………………………

400
375
Overig

Azië

………………………..
100
75
Afrika

……………………………
Latijns Amerika
50
25
2.150
1.725
Synthelische rubber.
Totaal

………………………….

1.050
900 Ver.

Staten

………………………..
Rest

……………………………..
100
50

Totaal

………………………….
1.150
950

Algemeen

totaal

………………………
3.300
2.675
USSR. en Oost-J.)uitsland.

Hoe vèelheden.

Als gevolg van de, hiervoor in het kort aangegeven,
omstandigheden mag dan – onder Voorbehoud van de
veronderstelling, dat niet, als gevolg van eventuele inter-
nationaal-politieke verwikkelingen, een algehele ont-
wrichting van de verhoudingen ontstaat – voor het
lopende jaar gerekend worden op een productie-overschot
van
naiuurrubber
van circa ‘/ mln ton, dat dit jaar nog
voor een deel in de strategische stocks zal worden op-
gnomen.

Door het buiten dienst stellen van enkele van de minst
efficiënt werkende plants zal de productie van
synthèlische
rubbers
in de Verenigde Staten enigszins teruglopen t.o.v.
het huidige niveau van bjjna 1 mln ton. Maar toch zal de
totale jaarproductie de eerste tijd nog wel circa 150.000
ton boven het verbruik blijven.
Aangenomen mag voorts worden, dat de, door de ver-
schillende regeringen aangelegde,
strategische voorraden,
tezamen rond 1,2 mln ton natuurrubber – waarvan on-
geveer 1 mln ton in de Verenigde Staten – thans on-
gevëer het peil hebben bereikt, dat noodzakelijk wordt
geacht. En er mag dus niet meer op gerekend worden,’
dat eventuele productie-overschotten in noemenswaarde
mate voor verdere stockvorming uit de markt zullen wor

den genomen. –
Ook de totald
vrije -voorraden,
speciaal in de consu- –
merende landen op het ogenblik vrij laag, zullen in het
algemeen toch geen aanwijzing vertonen nog belangrijk op

te lopen. Gezien de in de hoofdverbruikslanden aanwezige
regeringsstocks bestaat er geen voldoende aaileiding voor industrie en handel, veel meer geld vast te leggen in eigen
voorraden. Hiertegenover staat, dat de stocks in enkele
producerende landen, en met name in Indonesië, voor-
lopig waarschijnlijk wel enige neiging zullen hebben op
te lopen, als gevolg van speculatie en van vrees voor een verdere devaluatie van de rupiah. Op iets langere termijn
zal dit echter de statistische positie van het natuurproduct
niet noemenswaard kunnen beïnvloeden.

1 October 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

749

Resumerende mag er dus van worden uitgegaan, dat, wanneer de wereidpolitieke verhoudingen zich niet be-
langrijk wijzigen:
le. de totale rubberproductie, en ook die van natuur- en
synthetische rubbers afzonderlijk, ongeveer 20 pCt
hoger ligt dan het tegenwoordige wereldverbruik;
2e, waardoor in de eerste 3 â 4 jaren, zonder bezwaar,
een zelfs belangrijk verbruiksaccres zal kunnen wor-den opgevângen;
3e. terwijl daarnaast, zowel voor natuur- als voor synthe-
tische rubber, een verdere opvoering van de productie
met enkele honderdduizenden tonnen mogelijk is;
4e. en daar er niet op gerekend behoeft te worden, dat
de voorraden in de verbruikende landen nog belangrijk
zullen worden opgevoerd, is dus – bij handhaven
van het huidige productiepeil – de eerste jaren een
belangrijk overschot te verwachten.

Prjsverhoudingen.
Deze productie-consumptie-voorraadverhoudingen zul-
len niet nalaten een zodanige druk op de markt uit te oefe-
nen, dat voorshands een tendentie tot verdere prijsdalmg
blijft bestaan. Door de plaats van de fabricage van de
synthetische rubbers enerzijds en de uiteenlopende waar-
dering van de verschillende typen natuurrubber anderzijds
zal echter een eventuele prijswijziging nimmer mtegraal
kunnen zijn.

Bij
synthetische rubbers staan in de eerste plaats de prij-
zen voor de ,,specials”, neopreen en N-rubber, geheel op
zich zelf. Zij zijn onafhankelijk van de marktverhoudingen
voor ,,general purpose” rubber en worden alleenbepaald
door fabricagekosten en concurrentie.
De meer algemeen toegepaste typen – GR-S en cold
rubber benevens butylrubber
4)
– worden in de Verenigde
Staten in feite alleen in staatsexploitatie gefabriceerd en
de verkoopprijzen worden doorr.le Overheid eenzijdig vastge-
gesteld, waarbij ook politie,ke overwegingen van soms
doorslaggevende invloed zijn. De GR-S prijs is sedert
Maart 1952 gefixeerd op 23 $ cts (f1,95 per kg.) en die voor
butylrubber vanaf begin 1951 op 20/
4
cts. per lb. (f1,75
per kg.).
Gezien de wijze van calculatie van deze prijzen, en in
aanmerking genomen het huidige prijs- en loonniveau
in de Verenigde Staten, mag echter wel aangenomen
worden, dat, bij een geheel vrije en particuliere exploitatie
van de synthetische rubberproductie, de commercieel nood-
zakelijke prijzen voor beide typen naar schatting zeker
3 â 4 $ cts. per lb. (f0,25 tot f0,35 per kg.) hoger zouden
dienen te worden gesteld. Niet alleen van de zijde van
de natuurrubberproducenten bestaan tegen de – thans
te lage .- prjsvaststelling gemotiveerdé bezwaren, ook
in de Verenigde Staten zelf gaan. meer en meer stemmen
op tegen de gevolgde prjspolitiek.
Het is daarom niet onwaarschijnlijk’,. dat – ook bij
voortgezette overheidsexploitatie – binnen niet al te lange
tijd tot een verhoging van deze prijzen, met enkele dollar-
cents zal worden over gegaan. Hierdoor zou dan de markt-
positie van de. natuurrubber, gelijk voor de hand ligt,
enigszins worden versterkt; al is uiteraard door de dollar-
schaarste in Europa ook thans de mogelïjkheidtot gebruik
van Amerikaanse rubbers zeer beperkt.

Voor
natuurrubber
is het niet mogelijk één algemene,
maatgevende prijs aan te geven. Op het ogenblik is de
notering voor RSS 1 in de U.S.A. 28 $ cts. en in Londen
24 d. per lb. (Amster4am f2,40 per kg.). Dit rubbértype
dat in vele marktberichten -. ter onrechte – als repre-
-sentatief voor de rubb’brmarkt wordt gekozen, vormt echter
niet meer dan
1/4
van de totale natuurrubberproductie.
Voor een juiste beoordeling van de markt is het daarom

‘)
Productiecapaciteit Amerikaanse rubberindustrie: GR-S 160.000 ton;
butylrubber 90.000 ton; Neopreen 70.000 ton; N-rubber 20.000 ton.

zeker noodzakelijk de prijzen voor enkele andere belang-
rijke typen mede in beschouwing te nemen; temeer nog
daar de, voor de oorlog geringe, prijsverschillen tussen
de typen onderling, na 1946, belangrijk groter zijn ge-
worden .

Was bijv. in 19391.40 de prijs voor RSS 1 gemiddeld
niet meer dan 3 ii. 4 pCt. b
boven die van RSS 3, thans –
dragen deze .verschillen 8 â lOpCt; Iaatste notering voor
RSS 3 te Amsterdam f2,15 tegenover f2,40 voor RSS 1.
Vôôr de oorlog lag de notering voor sheet 1 in doorsnee
verder niet veel meer dan 10 pCt boven de prijs van het
meest gangbare blanket type, de C grade. Op het ogenblik
is dit verschil, bij een prijs voor de C bianket van ca
f1,80 per kg., opgelopen tot ongeveer 35 pCt.
Neemt men verder in aanmerking, dat steeds grote
hoeveelheden lagere grades sheet, blankts en ook browns
in belangrijke verbruikssectoren, buy. autobuitenbanden
zijn en worden verwerkt, terwijl in verschillende gevallen
mengsels met deze typen natuurrubber, op technologische
gronden, te verkiezen zijn boven die met GR-S, Øan ligt
het voor de hand; dat de concurrentiepositie van natuur-
rubber tegenover het synthetische product mede en voor
een groot deel afhankelijk is van juist de noteringen voor
de lagere grades. Meer dan de helft van de totale hoeveel-
heid verwerkte rubber wordt nog steeds gebruikt voor de
fabricage van

buitenbanden.
Een van -de hoofdredenen voor het thans zo grote prijs-
verschil voor de duurdere typen natuurrubber ligt bij de
omstandigheid, dat juist deze soorten beter houdbaar
zijn en dus meer geschiktvoor strategische stock-piling.
Noodgedwongen werd de laatste jaren in deze voorraden
oôk een- deel lagere typen opgenomen,

zodat voor de nood-
zakelijke vervangmg enige tijd een relatief grote vraag
naar RSS 1 zal blijven bestaan.
Bij de- bestaande overproductie -schijnt de toekomst voor de laagste grades – RSS
5,
blankets D en E en flat
bark – zeer somber. Zij zullen naar het voorkomt ge-
leidelijk aan meer en meer van de markt (moeten) ver-
dwijneri, De huidige noteringen, van respectievelijk on-
geveer f1,80, f1,60 en f1,40 per kg., geven hiervoor
een niet te miskennen aanwijzing.
De productie van natuurlatex is na de oorlog opgelopen
tot ongeveer 100.000 ton per jaar. Door de grote vraag
bewoog de prijs zich hierbij op een niveau, dat ongeveer
40 pCt hoger lag dan dat voor RSS 1. Dit verschil, op zich
zelf reeds niet geheel reëel, is in de laatste jaren, waarin
de prijs voor 60 pCt.latex zelfs tot boven de f6 per kg..
is gestegen, nog groter geworden. Op het ogenblik komen
nog noteringen voor van ca f2,50- per kg., voor 60 pCt,
hetgeen dus bij drooggewicht neerkomt op circa f4 per
kg., tegenover een prijs . voor sheet 1 van rond f2,40.
Het behoeft geen betoog dat deze, in wezen abnormale,
verhouding op den duur zeker niet gehandhaafd zal
blijven. Ook de belangrijke verbetering van verschillende
typen synthetische latex, met name die van coidrubber,
geeft hiervoor een verdere aanwijzing. –

– Resumerende schijnt het verantwoord, onder het hiér-
voor aangegeven voorbehoud betreffende de inter-nationaal-
politieke ontwikkeling, als algemene

verwachting uit te
preken, dat:

le. het gemiddelde prijsniveau van rubber de eerste
jaren waarschijnlijk geen belangrijke wijzigingen zal
vertonen; doch dat . – –
2e. wel rekening zal dienen te worden gehouden met de
mogelijkheid, dat de Amerikaanse-prijzen voor GR-S
en butylrubber enigszins kunnen worden verhoogd;
3e. terwijl ook de kans bestaat, dat de noteringen voor
de middensoorten natuurrubber – RSS 3 en blanket
C en van browns – iets zullen optrekken; waar-
tegenover –

750

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1 October 1952

4e. de huidige prijzen voor
,
RSS 1 en natuurlatex waar-
schijnlijk geleidelijk aan enigszins zullen afbrokkelen.

Gezien de vrijwel continue stijging van het wereldrubber-
verbruik zal echter over enkele jaren reeds een evenwicht
tussen vraag en practische productiecapaciteit ontstaan.
Tijdig zullen derhalve maatregelen dienen te worden ge-
troffen om deze capaciteit te vergroten, wil men een

nieuwe rubbercrisis voorkomen. Dit vormt een vraagstuk
van niet alleen wereldeconomische, maar ook van wereld-politieke betekenis; en het zal vor een groot deel afhangen
van de maatregelen Welke de natuurrubberproducenten
kunnen en durven te nemen, hoe zich de uiteindelijke
concurrentiepositie van het natuurproduct tegenover de
synthetische rubbers en ook de plastics zal ontwikkelen.

‘s-Gravenhage, Augustus 1952.

G. E. ROTGANS.

De achtergrônden der huidige expansie van de

aluminiumindustrie in de Verenigde Stâten

Inleiding.

Aluminium is een metaal, dat sinds de eerste wereld-
oorlog een voortdurend stijgende gebruikscurve

ver-
toont.

Vooral in tijden van internationale spanning pleegt
het gebruik met sprongen te stijgen. De oorzaak hier-
van is niet moeilijk te vinden. In de wapènindustrie en
in de vliegtuigproductie speelt aluminium een steeds
belangrijker rol.

De ontwikkeling van de aluminiumindustrie in de
Verenigde •Staten is zeer spectaculair geweest. Onder

staande capaciteitscijfers geven hiervan een duidelijk
beeld. Zoals bekend ging de Amerikaanse Regering er
toe over in de tweede wereldoorlog een aantal alumi-
niumreductiebedrijvén voo,r eigen rekening te bouwen,
die voornamelijk onder beheer van de Aluminium Corn-
pany of America werden gesteld. Toen de oorlog ten
einde was werden sommige regeringsbedrijven gesloten,
daar zij voor normale tijden te hoge kostprijzen bleken
te hebben; de overige bedrijven werden verkocht, echter
niet aan de Alcoa, doch aan andere gegadigden, om de concurrentie in de branche te bevorderen.

Capaciteit van de alurniniumindustrie der
Verenigde Staten.
(x 1.000 short tons)

1939
1

1945

1

1950

236
.

41

415

650


Alcoa

…………………….
Atcoa-Reg
………………..

81

226
Reynolds

………………….
Otin-Reg.

………………..

22


Kaiser

……… …………..
.-
.

129
236
t

1.168
770

Men verwachtte in de politiek
rustige

jren

v66r
1950
een geleidelijke öntwikkeling
van het verbruik., zo-
dat de indruk was, dat men voorlopig
met de bestaande
capaciteit wel uit zou komen.

Schaarste aan aluminium

Door de politieke spanningen, die na het uitbreken
van de Koreaanse oorlog in alle hevigheid aan de dag
traden en waaruit een nieuwe bewapeningswedloop
resulteerde, ontstond er al spoedig weer een dreigende
schaarste aan het metaal. In eerste instantie wërd het
verbruik in voor de bewapening niet essentiële bedrijfs-
takken gelimiteerd en een overeenkomst werd aange-
gaan met West-Duitslançl voor levering van een, zij het ook bescheiden, hoeveelheid aluminium
1).

Om een fundamentele verbetering in de toestand te
brçngen waren echter drastischer maatregelen nood-
zakelijk.

Men stond hierbij voor de keuze tussen twee mo-
gelijkheden, het bouwen van nieuwe productiecapaci-
teit of de invoer van additionele hoveelheden uit
Canada. Verschillende belangengroeperingen hadden

‘)
VgI. Deutsche Zeitung”, 4 November 1950.

t.a.v. dit alternatief hun eigen visie
2).
De tegenstanders
van de monopolievorming wilden wel eventueel hun
zegen geven aan plannen tot capaciteitsuitbreiding,
doch dan zou deze nieuwe capaciteit in handen moeten
komen van nieuwe producenten om zodoende een ver-
sterking van de monopoliepositie van de ,,big three”
(Alcoa, Reynolds. en Kaiser) tegen te gaan. De ver-
bruikersbelanen wilden van nieuwe producenten niets
weten, daar zij vreesden, dat dit tot prijsverhoging van
het mtaal aanleiding zou geven (het was immers de
politiek van de bestaande producenten de prijs van het
aluminium blokmetaal laag te houden en hun winst te zoeken in de verder verwerkende stadia). Aanhangers
van het gebruik van eigen fabrikaat hadden bezwaren
tegen aankoop van het metaal in Canada, ondanks de
schaarste aan grondstoffen en energie in de Verenigde
Staten. De meer vrijhandelsgezinde elementen daaren-
tegen verlangden zo veel mogelijk van Canada te
kopen. Zij toch vreesden handelsmoeilijkheden ingeval
de Amerikaanse industrie tot uitbreiding mocht be-
sluiten met voorbijgaan van de mogelijkheden, die
Canada als producent bood.

Het is de vraag, of de aluminiumpolitiek van de
Amerikaanse autoriteiten in de jaren omstreeks 1950
wel zodanig is geweest, dat hieruit het grootste voor-deel, voor het land resulteerde. In de jaren v66r
1950
was de Munitionsboard geleidelijk overgegaan tot
liquidatie van de regeringsreserves; verbruik en pro-
ductie waren bovendien niet in evenwicht, er was een
jaarlijks tekort van ongeveer 150.000 ton.

Het Canadese aanbod.

Toen dan ook de internationale spanning steeg, kwam
de zwakke positie van de alurniniumvoorziening dui-
delijk aan het licht. De Canadese producent zag on-
middellijk, welke voofdelen hieruit voor de eigen

industrie zouden kunnen voortvloeien en bood in
Augustus 1950 aan de Amerikaanse Regering de le-
verantie aan van 220.000 ton, te leveren in een, tijd-
verloop van 3 jaar tegen een prijs van 16/ ct per Ib.
Op dit aanbod ging de Amerikaanse Regering echter
niet in, het was slechts haar bedoeling metaal te kopen
voor de ,,stockpile” 1950-1951 en geen contract op
langere termijn te sluiten. Immers, men koesterde toen reeds plannen de eigen industrie uit te breiden. Canada
daarentegen stond op een contract op langere termijn
om’ mede met behulp van Amerikaans kapitaal bepaal-
de productie-uitbreidingen te financieren. In diepste
wezen ging het derhalve om een Canadees expansie-
programma versus een uitbreidingsprogramma van de
Verenigde Staten.

De weigering om in het Canadees aanbod te treden, heeft de Verenigde Staten uiteindelijk 63/ mln dollar
gekost, daar de prijs waartegen de Regering thans
koopt 18 ct per lb bedraagt. Het niet tot stand komen

‘ Vg1. ,,Metalt”, Maart 1952.

1-1

1 October 1952

,

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

‘ 751

van de voorgestelde transactie dreef Canada en de
Verenigde Staten op aluminiumgebied enigermate uit
elkaar. Canada wendde zich tot Engeland, welk land
wel bereid was een leveringscontract op langere termijn af te sluiten
3)
.

De toekomst zal moéten leren, of de Amerikaanse
politiek de juiste is geweest. Enerzijds werd wel de
weg vrijgemaakt om tot een expansie van de eigen
industrie te komen, anderzijds werd de oplossing van
de moeilijkheden naar een veel later tijdstip verschoven.
Een financieel nadeel werd hierboven reeds gememo-
reerd. Deze politiek maakte het noodzakelijk, dat een
aantal stilgelegde bedrijven uit de tweede, wereldoorlog
weer zouden moeten worden heropend, hetgeen hetzij
prijsverhoging, hetzij extra regeringssubsidie zou
impliceren.

Uitbreiding der capaciteit.

Einde September
1950
werd een eerste officiële con-
ferentie gehouden tussen Regering en de aluminium-
producenten (waaronder ook twee potentiële nieuwe
ondernemingen, Harvey Machine Co en Apex Smelting
Co) om een expansieprogramma op te stellen. Gespro-.
ken werd over een capaciteitsuitbreiding van 1 mln ton,
hetgeen een investering van 650 mln dollar zoti betekenen
in fabrieksoutillage en eenzelfde bedrag in uitbreiding
en nieu.vbouw van electrische centrales.
Hiertegen protesteerden de producenten, die deze
getallen volledig uit de lucht gegrepen achtten, temeer
daar de Regering categorisch weigerde cijfers over de
defensiebehoeften bekend te maken. Op grond van deze
protesten werd het programma in twee delen gesplitst,
elk van 500.000 ton, het eerste op korte termijn uit te
voeren, het tweede werd naar een later tijdstip ver-
schoven.
De verdeling van de eerste tranche was voorlopig
aldus:

Alcoa
…………………………………………..
120.000 ton
Reynolds

• ………………………………………100.000
Kaiser
…………………………………………..
100.000
Harvey Machine Co

………………………………
72.000
Apex Smelting Co

………………………………..
54.000
Reserve

……………………………………….
54.000

Totaal
……
500.000 ton

Strijd om de vestigingsplaats.

Toen dit plan bekend werd barstte een strijd los over
de vraag waar de nieuwe capaciteit zou worden geyes-
‘tigd. Logisch zou geweest zijn de fabrieken daar te
bouwen, waar nog potentiële mogelijkheden voor op-
wekking van electrische energie tegen een redelijke
kostprijs aanwezig waren. Dit was in het Zuiden het
geval, meer dan in het Noord-Westen, waar de bestaan-
de capaciteit der centrales van het ,,Bonneville power
system” en het ,,Grand Coulee system” reeds te klein
bleek te zijn om aan alle vraag naar energie te voldoen.
Echter zag de ,,Pacific North West” de mogelijkheid om
via aantrekking van nieuwe aluminiumfabrieken be-
paalde plannen tot uitbreiding van de capaciteit der
energie-opwekking bij het Amerikaanse Congres er door
te krijgen.
Zo werd het aluminium-expansieprogr.amma in feite
eèn energie-expansieprogramma. Deze ronde werd in
dier voege door de electriciteitsproducenten gewonnen,
dat ongeveer een derde van de nieuwe capaciteit in het Noord-Westen zal worden gevestigd, hetgeen gepaard
zal gaan met een uitbreiding van de energiectpaciteit van 1,4 mln kwU in 1950 fot 6 mln kwU in
1958’59.
Daar verwacht wordt, dat de nieuwe aluminium-
capaciteit in 1953-1954 reeds geheel in werking zal
,zijn is het zeker niet uitgesloteii te achten, dat in de
eerste jaren nog wel eens moeilijkheden met de stroom-

3) ,,Metall”, Maart 1952.

voorziening zullen ontstaan. Dit bleek bijv. reeds in de zomer van het vorige jaar, toen als gevolg van de
droogte de bestaande bedrijven slechts voor een gedeelte hun capaciteit konden benutten
4).

De strijd om het monopolie.

Nieuwe moeilijkheden ontstonden er voor de Rege-
ring, toen de nieuwe onafhankelijke producenten (Har-
vey en Apex) hun beklag bij het Congres indienden,
dat de voorwaarden van het expansieprogramma met
hun belangen niet voldoende rekening hielden. De
indruk bestond, dat de Regering met de grote drie
saménwetkte teneinde het opkomen van nieuwe bedrijven
zoveel mogelijk tegen te gaan. Hierbij werd vooral dc
prijspolitiek van de grote drie onder de loupe genomen.
Het monopolistische laaghouden van de prijs van alu-
minium blokmetaal maakte het opkomen van nieuwe
producenten practisch onmogelijk. Voor, nieuwe onder-
nemingen zou pas een prijs van 23 $cts pér lb lonend
zijn:
Bovendien moest rekening worden gehouden met het
feit, dat nieuwe producenten, die over weinig eigen ka-
pitaal beschikken, leningen zouden moeten opnemen.
Hiertoe was een overheidsgarantie echter absoluut nood-
zakelijk, hetgeen echter weer extra kosten voor de
onderneming met zich zou brengen.
De onderzoekingscommissie (commissie Celler) be-
pleitte hogere prijzen voor de nieuwe producenten in
de vorm van een egalisatie-uitkering, daarbij als argu-ment gebruikende, dat de Alcoa tenslotte ook subsidie
kreeg ten behoeve van de met hoge kosten werkende fabrieken te Badin en Massena. De commissie achtte
overigens een capaciteitsuitbreiding met 1 mln ton ab-
soluut noodzakelijk. Zij bepleitte daarbij een verdeling
van de tweede tranche van het expansieprogramma
onder nieuwe producenten om op deze wijze de mono-
poliepositie van de grote concerns te breken. Om de
nieuwe producenten te helpen zou de Regering ener-
zijds aan hen faciliteiten moeten, verlenen t.o.v. de af-
schrijving der installaties, anderzijds zou zij zich moe-
ten verplichten de productie tegen hogere prijs dan
aan de grote drie betaald af te nemen. De ‘industrie en
ook wel de Regering verzetten zich echter tegen dit
standpunt. Men achtte een capaciteitsvergroting ad
500.000 ton voorlopig voldoende.
Wij achten dit standpunt van de commissie Celler
zeer gevaarlijk. Of de grote drie beginnen in de toekomst
een prijsconcurrentie, hetgeen voor ‘de nieuwe produ-centen de doodsteek zou kunnen betekenen, 6f de Re-
gering .diejat op de een of andere wijze de nieuwe pro-
ducenten tegemoet te komen, hetzij door subsidies, het-
zij door de bestaande producenten op de een of andere
manier te dwingen de prijzen op te 2etten, hetgeen
echter weer een ongunstige terugslag zou hebben op het
gebruik van aluminium. Of de capaciteit inderdaad met
1 mln ton behoort te worden uitgebreia is zeer de vraag,
aangenomen dat de bewapeningswedloop op het hui-
dige niveau gehandhaafd blijft.

Het verloop van de expansie in de praktijk.

De eerste phase van de uitbreiding bleek al niet zon-
der strubbelingen te verlopen. De Apex Smelting Co
heeft haar plannen opgegeven, daar het niet mogelijk
was de benodigde kapitalen aan te trekken. Ook de
Harvey Machine Co zag geen kans haar ideeën te ver-
wezenlijken. Zij heeft haar aandeel in het programma
overgedaan aan de Anaconda Copper Mining Company.
In de nieuw op te richten onderneming zou Harvey
slechts een minderheidsbelang behouden ). Tegen dit
plan hebben de autoriteiten bezwaar gemaakt, daar men

‘)Vgl. ,, American Metal MarkeL’ van 25 September 1951.
‘) Vgl. ,,Metal Bulletin” van 16 November en 11 December 1951.

752

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1
October
1952

vreest, dat een en ander de concurréntie in de branche
niet zal bevorderen. }et is op dit moment nog niet g-heel duidelijk of de Anaconda inderdaad in de alumi-
niumbranche een rol zal gaan spelen.
Ondanks deze môeilijkheden werd in Mei 1951 ter
uitvoering van de tweede tranche door de Regering een
nieuw uitbreidingsvoorstel gelanceerd – tot een omvang.
van 18

8.000 ton. Dit kwantum zou dan moeten worden
verdeeld onder een aantal kleinere onafhankelijke onder

nemngen. Het zal echter zeer de .vraag zijn, of er
nieuwe producehten bereid zullen worden gevonden
kapitaal aan te trekken om reductiecapaciteit te
bouwen.

Teneinde. de bouw van nieuwe aluminiumbedrijven
te stimuleren heeft de Regering besloten de volgende
faciliteiten te verlenen:

). fiscale tegemoetkoming door afschrijving van nieuwe
installaties in vijf jaar toe te staan;

garanties door de Federal Reserve banks te geven
op door de producenten op te nemen leningen;
uitbreiding van de energievoorziening. Eventueel
zal de Regering een deel van de hogere kosten, die
t
uit het gebruik van duurdere energie zouden ont-
staan, voor haar rekening nemen.

Het energieprobleem.

Zoals we reeds hiervoor zagen staat het vraagstuk van
de stroomvoorziening in het middelpunt van de belang-
stelling. –

Slechts in het Noord-Westen is nog enige mogelijk-

heid tot uitbreiding van de hydro-electrische capaciteit.
Enkele nieuwe bedrijven bevinden zich in het Zuiden
yan de Verenigde Staten (Texas), die gebruik maken van
natuurgas, nI. dat van de Alcoa te Point Comfort
-(Texas) en het bedrijf van Reynolds te Corpus Christi
(Texas), terwijl de fabriek te Jones Mills (Arkansas) van
laatstgenoemd copcern eveneens gedeeltelijk van aard-gas gebruik maakt. OQk het nieuwe reductiebedrijf van
Kaiser te -Chalmette bij New-Orleans zal van aardgas
als energiebron gebruik maken. –
Een andere energiebron, die thans blijkbaar econo-
misch geëxploiteerd kan worden, is bruinkool. Na twee
jaar experimenteren heeft de Alcoa een methode ge-vonden om tegen niet al te hoge kosten op deze basis
energie op te wekken. Het nieuwe Alcoabedrijf
.
te
Milam County
,
(Texas) heeft bruinkool als energiebron.
Het komt ons voor, dat het vraagstuk van de energie-
voorziening de zwakke plek in het gehele expansie-
programma zal blijven. Immers, hydro-electrische energie
is zonder enige twijfel goedkoper dan welke andere
vorû1 van opwekking ook. Het is bekend, dat Canada
nog zeer vele reserves op dit gebied bezit, welke ge-
leidelijk aan in exploitatie gebracht zullen worden (het
Kitimat-plan in Brits Columbia). Daarom vragen wij
ods
af, of het niet beter ware geweest indien cle Ame-
rikaanse Regering zich met de Canadese had verstaan
omtrent levering van de benodigde additionele hoeveel-
heden alupiinium. Het oude economische adagium, dat
elk land zich specialisere op die producties, waarvoor
het van nature het meest geschikt is, is bij de plannen
tot uitbreiding van de Amerikaanse aluminiumindustrie
met voeten getreden. Vooral in tijden, waarin de econo-
mische spanningen minder zullen zijn – en dus de pro-
ductie van oorlogstuig zal verminderen, zullen de kwade gevolgen naar het ons voorkomt aan het daglicht treden.

De te verwachten capaciteit.

Indien we de verschillende gegevens, die bekend
zijn over nieuwbouw en uitbreiding (die elkaar soms hinderlijk tegenspreken) combineren, krijgen we het
volgende beeld (in 1.000 ton):

Capaciteit begin 1950

— ………………….
——————
770
Sluiting fabriék te Niagara FalIs en opening van het bedrijf te Point
Comfort door Alcoa

——————————————36
Weer in gebruikneming van stilgelegde capaciteit ——————79

Totaal

——885
Nieuwbouw en uitbreiding:
Alcoa:
Wenatchee

……..
-……………………
-85
Point

Comfort

——————————
35
Milam

County

——————————
85
205
Reynolda:
Corpus

Chriati

…………………………
75
Jones

MuIs

…………………………….
21
Uitbreiding overige bedrijven

………………
24′)

– –
120

Kaiser:


Chalmette

…………………………….
200
Spokane
………………………………
20
220
Anaconda-Harvey:
Kalispell

……………………………


72

Nieuwbouw en uitbreiding totaal

…….
-………………

617
Nog te verdelen capaciteit

——————————–
71

Totaal generaal
‘.

1.573

1)
Recente berichten maken. melding van de bouw van een nieuwe smelter
Gum Springs- (Ark.) met een capaciteit van ca 60.000 ton.

Aangenomen, dat er gegadigden zullen zijn voor de
tweede tranche van het expansieprogramma zal de
totale capaciteit na uitbreiding dus 1,6 mln ton bedra-
gen, d.i. ongeveer het dubbele van de capaciteit om-
streeks begin 1950. De Amerikaanse Regering heeft
medegedeeld, dat zij deze capaciteit voorlopig (d.w.z.
tot 1960) voldoende acht en dat zij geen derde uit-
breidingsronde in de zin heeft.

De grondstof voorziening.

Voor de fabricage van aluminium is bauxiet nodig en
wel voor elke ton aluminium ongeveer 4 ton bauxiet.
Indien ialle uitbreidingsplannen gerealiseerd zullen wor-
den en de bedrijfstak op volle capaciteit zal werken,
zal dus jaarlijks ongeveer.
6,5
mln ton bauxiet ter be-
schikkiig moeten staan. Het grootste deel van de extra
benodigde hoeveelheid zal men buiten de Verenigde
Staten moeten vinden, daar de binnenlandse .bauxiet-
reserves tot een gevaarlijk laag peil zijn gedaald. Als
potentiële bronnen van levering komen voornamelijk
de Midden- en Zuidamerikaanse landen en eventueel
Indonesië in aanmerking. Wij achten de mogelijkheid
zeker niet denkbeeldig, dat er in de eerste tijd wel eens
moeilijkheden, zouden kunnen zijn met betrekking tot
de grondstofvoorziening. Koortsachtig is men momen-teel bezig om de grondstofwinning gelijke tred te doen
houden met de. vergrote productie. In het middelpunt
van de belangstelling staan hierbij Jamaica en Haiti, de
Dominicaanse Republiek en Venezuela. Reynolds heeft
zeer belangrijke concessies op Jamaicâ verkregen. De
ontsluiting hiervan geschiedt met behulp van E.C.A.-
leningen, die in de loop der jaren zullen worden terug-
betaald in de vorm van aluminiumleveranties aan de
Amerikaanse Regering. Ook het Kaiser-concern en
de Canadese maatschappij Aluminium Ltd hebben
bauxietvelden op dit eiland in exploitatie.
Onnodig te vermelden, daf ook de capaciteit van de
tot de verschillende concerns behorende aluinaarde-
fabrieken (aluinaarde (Als 03) is het tussenproduct
in de aluminiunfabricage) uitbreiding zal ondergaan.
Daar deze fabrieken veel minder afhankelijk zijn van
hydro-electrische energie zal deze capaciteitsvergroting
veel minder problemen met zich brengen dan die van
de reductiebedrijven.

Conlusie.

De plannen van de Amerikaanse Regering t.o.v. de
aluminiumproductie zijn gigantisch. Er zijn in feite een
drietal groepen problemen, die zich aandienen, ni. de
vestigingsplaats der nieuwe bedrijven, de positie van
eventueel nieuwe producenten en het energieprobleem.

1 October
1952

ECONOMISCII-STATJST!SCHE BERICHTEN

753

Het laatste is wel het meest belangrijke, daar niet alleen

. gçhikki!ig te stellen. Zoals wij reeds in het voorgande
de expansie, maar ook de cpncurrentiekracht der in-

betoogden is dit laatste, in het licht van de eveneens
dustrie in sterke mate afhangt van de vraag, of het

zeer vèrgaande Canadese uitbreidingsplannen, zeer de
– mogelijk is energie tegen concurrerende prijs ter be-

vraag.

‘s-Gravenhage.

Drs F. W. BOTZEN.

Contributieschalen van internationale organisaties

Aan de financieringsproblemen van infrnationaie
organisaties is in de leer der overheidsfinanciën nog weinig
aandacht besteed. Dit is begrijpelijk, daar het welslagen
van internationale organisaties in de eerste plaats bepaald
wordt door politieke factoren en hun volkenrechtelijke
aspecten. Het is vrijwel ondenkbaar dat financiële factoren
daarop een belangrijke invloed kunnen hebben, daar de
totale administratiekosten slechts betrekkelijk gering zijn
1
).
Dit neemt niet weg dat het vraagstuk van de contributies,
die meestal in ,,harde” valuta moeten worden voldaan,
voor de betalingsbalanspositie van de betrokken landen niet
zonder belang is en er toe geleid heeft dat hun vertegen-
woordigers bij herhaling op de grootst mogelijke zuinig-
heid in het beheer der internationale organisaties hebben

aangedrongen.
De financiering der internationale organisaties wordt
bepaald door het politieke en juridische karakter er van.
Het zijn geen super-regeringen met gezag over de daarbij
aangesloten landen, maar vrijwillige verenigingen van sta-ten, waaruit elk lid zich kan terugtrekken. Wel is opzegging
van het lidmaatschap aan zekere voorwaarden onder-
worpen, bijv., in de Landbouw- en Voedselorganisatie
der Verenigde Naties verbonden de ledenstaten zich voor
een periode van ten minste vier jaar, met een .opzeggings-
termijn van een jaar. –
‘De financiering van de door de internationale organi-. saties aangenomen begrotingen geschiedt in de regel uit
contribtities der daarbij aangesloten landen. Deze contri-

buties hebben
niet
het karakter van belastingaanslagen,
maar van verzoeken aan de ledenstaten geldmiddelen
ter beschikking te stellen. De contributies kunnen daarom
niet
ingevorderd worden. Wanbetaling betekent zelfs niet
dat het lidmaatschap verloren gaat. Dit zou te onaangename
gevolgen kunnen hebben voor de internationale goodwill
die voor het welslagen der organisaties tzo belangrijk is.
Ook boeten zijn niet mogelijk, evenmin beslaglégging op
buitenlandse tegoeden of andere bezittingen. In de Ver-
enigde Naties is de enige sanctie tegen wanbetaling het
verlies van stemrecht in de Algemene Vergadering en in de
Veiligheidsraad, wanneer aan het begin van
lIet
kalender-
jaar de achterstand in de betaling meer bedraagt dan twee-
maal de jaarlijkse contributie. In de Landbouw- en Voed-
selorganisatie is een bepaalde termijn niet vastgelegd.
Een sterkere positie wordt ingenomen door het Interna-
tionale Monetaire Fonds en de Wereldbank die aan leden-
staten, welke hun verplichtingen niet nakomen, het ge-bruik van hun diensten kunnen onthouden
2)

De ledenstaten oefenen directe invloed uit op de vast-
stelling van het budget en de contributieregeling door de
wijze waarop de stemming over de, begroting is geregeld.
Bij de Volkenbond kon het budget slechts met algemene
stemmen worden aangenomen. In de practijk ontwikkelde
zich een soort van ,,gentleman’s agreement”. Een lid .dat
het niet eens was niet de begroting onthield zich van stem-

‘)
voor het jaar 1952 bedragen de begrotingen van de Verenigde Iaties
en van acht gespecialiseerde organisaties (lLO, FAO, UNESCO, ICAO,
who,
UPU, 1TU en WMO) tezamen $ 80 mln. Hierbij komen de volgende
bedragen voor enkele niet bij de verenigde Naties aangesloten internationale
organisaties: O.E.E.S. $ 4,5 mln, Caraibische Commissie $ 340.000, Pan.
Amerikaanse Unie $ 4,8 mln, Zuid-Paciflc Commissie $ 425.000; plus een be-
trekkelijk klein bedrag, naar schatting $ 1 á 2 mln, voor overheidsbijdragen
aan een groot aantal internationale instellingen, meestal..met een wetenschap-
pelijk doel (zoals bijv. het Internationaal Statistisch Instituut in ‘s-Gravenhage).
‘)Deze organisaties worden evenwel niet gefinancierd uit jaarlijkse contri-buties maar uit de winsten uit hun bedrijf voortvloeiende.

men in plaats van tegen te stemmen. Maar er waren geval-
len van weerspannige leden, die hun macht gebruikten om
een bepaald punt door te drijven.
In de meeste internationale organisaties (maar niet in de Verenigde Naties) wordt de begroting tegenwoordig
aangenomen bij eenvoudige meerderheid van stemmen.
Dit heeft uiteraard het bezwaar dat een groot aantal kleine
landen met tezamen slêchts een gering proçentueel
aandeel
in het totale budget hun wil zouden kunnen opleggen aan
een kleine groep van staten die tezamen het leeuwendeel
van de contributie dragen. Hieraan wordt in de Verenigde
Naties tegemoet gekomen door de bepaling dat voor alle
belangrijke zaken, waaronder ook de vaststelling van de

begroting, een tweederde meerderheid van stemmen ver-eist is.

Wanneer een land als lid tot een internationale organi-
satie toetreedt is het niet de gewoonte om vooraf mede
te delen hoeveel het lidmaatschap zal bedragen. Er is alt.
leen een algemene verklaring dat de leden op zich nemen in dê kosten van de Organisatie bij te dragen. Bij de Ver-
enigde Naties bestaan ook geen bepalingen inzakè be-
talingstermijnen. Er wordt slechts verlangd
prompte
be-
taling.

Bij de Volkenbond ontstonden herhaaldelijk kasmoei-
lijkheden ten gevolge van het veel te laat binnenkomen
van de contributies. Zij werden overbrugd door het aan-
gaan van kasgeldleningen en voorschotten gewoonlijlc door
Frankrijk of Engeland. Bij de Verenigde Naties heeft men
het ontstaan van dergelijke firiancieringsmoeilijkheden
voorkomen.door het aangaan van leningen in beginsel ge-
heel te verbieden en in plaats daarvan een Werkkapitaal-
fonds in te stellen ter grootte normaal van $ 20 mln,
dat is ongeveer de helft van het jaarlijkse budget
van de Verenigde Naties. Dit werkkapitâal wordt gebruikt voor de financiering van lopende uitgaven tot de jaarlijkse
contributies zijn ontvangen, extra-uitgaven voortvloeiende
uit beslissingen in de loop van het jaar genomen, die later
bij 4uppletoire begroting worden goedgekeurd, kasgeld-
leningen aan de gespecialiseerde organisaties, enz.
3).

Vai belang is de vraag hoe regelmatig de contributies
binnenkomen. Bij de Volkenbond bedroegen in de periode
tussen 1930 en 1939 de ontvangsten gemiddeld slechts
83,9
pçt
van het totaal der vastgestelde contributies. On-verschilligheid der regeringen, gebrek aan vertrouwen in
de Volkenbond en beweerde onrechtvaardigheden in de
vastgestelde contributieschaal worden als oorzaken ge-
noemd.
Bij
de Verenigde Naties zijn de ervaringen tot nu
toe veel gunstiger geweest. Tot en met het jaar 1949 is het volle bedrag der contributies ontvangen, over 1950
is thans 94,6 pCt ontvangen en over 1951 is thans (1 Maart
1952) reeds 90,0 pCt binnengekomen.
-s
Voor de vaststelling van elks lasten, dus van de contri-
butieschaal, bestaan diverse methoden.
Als grondslag hebben de volgende gegevens of formules
dienst gedaan: –

a. de totale
bevolking
der ledenstaten. Deze methode,
toegepast
bij
de Pan-Amerikaanse Unie, heeft het
bezwaar dat met verschillen in welvaartspeil tussen de
landen, dus verschil in economische draagkracht, geen
rekening wordt gehouden;

‘) In dit werkkapitaal wordt door de ledenstaten op basis van de voor de
normale begroting geldende contributier bijgedragen.

754

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN.

1 October
1952

het klassensysteem (Wereidpostunie, Internationaal
Telecommunications Union), waarbij de landen worden
ingedeeld in een kleÇn aantal, bijv. zes of zeven, klassen
naar hun economische belangrijkheid en draagkracht.
Dit systeem is bruikbaar wanneer het totale budget
een slechts gering bedrag uitmaakt. Voor grotere orga-
nisaties, zoals de Verenigde Naties, is de indeling te
ruw om aanvaardbaar te zijn. In zeer eenvoudige ge-
vallen kan het aandeel voor alle betrokken landen
gelijk zijn (bijv. in de Centrale 1ijncomniissie);
een combinatie van gegevens, zoals in hët geval van de
Volkenbond waar rekening werd gehouden met over-
heidsuitgaven, bevolking, grondgebied en and’ere, w.o.
ook politieke factoren. Bij de Caraibische Commissie
is de bijdrage van Frankrijk, Groot-Brittannië, Neder-
land en de Verenigde Staten gebaseerd op de formule:
(1) een derde van de begroting gelijkelijk verdeeld
tussen de vier landen,
een derde verdeeld naar verhouding van de totale
• bevolking van de betreffende niet-zeifbesturende
gebieden,
een derde verdeeld naar verhouding van het natio-
nale inkomen van de vier landen zelf.
Het systeem van de Verenigde Naties, dat in gewijzigde
vorm thans ook door enkele andere internationale organi-
saties wordt toegepast, wordt hierna afzonderlijk behan-
deld.

Percentage
of
eenhedensysteem.

In beginsel kan een contributieschaal op twee wijzen
worden voorgesteld. Het eenvoudigste is uiteraard voor
elk land aan te geven wat zijn
procentuele
bijdrage is in
het budget. De som van alle’ percentages is dan gelijk
aan 100 pCt. In de practijk is aan het zgn.
puntensysteem
dikwijls de voorkeur gegeven. Volgens dit systeem, dat
o.a.
bij
de Volkenbond werd toegepast, krijgt elk land een
bepaald aantal punten toegewezen. De ,,geldswaarde”
van een punt wordt gemakkelijk berekend daar de som van
de aantallen punten aan de ledenstaten toegekend te-
zamen gelijk moet zijn aan het totale budget. Het betreft
hier uiteraard een zuiver technische aangelegenheid,
die het geldsbedrag dat elk land uiteindelijk bijdraagt
niet
beïnvloedt. Het puntensysteem en het percentage-
systeem hebben elk bepaalde voor- en nadelen in de prac-
tijk:

hét percentagesysteem heeft het nadeel dat de ge-
hele schaal herzien moet worden als een nieuw lid toe-
treedt, een lid de Organisatie verlaat, of van een lid de
– contributie wordt gewijzigd. Na zulk een verandering
moeten immers enkele of alle percentages herzien wor-
den, opdat het totaal weer gelijk wordt aan, 100 pCt.
Deze berekeningen zijn arithmetisch niet ingewikkeld, maar vereisen elke keer opnieuw formele goedkeuring
in de vertegenwoordigende lichamen;
bij het puntensysteem zijn dergelijke rekenkundige
herzieningen, en de daaraan verbohden formele goed-
keuringen niet nodig. Elk land behoudt het aantal
punten dat het heeft. Uittreding van een lid of opne-
ming van een nieuwlid brengt daarin geen verandering.
Wel verandert het totale aantal punten van alle landen,
gezamenlijk en moet de ,,geldswaarde” van een punt
elk jaar opnieuw worden vastgesteld door het secre-
tariaat der organisatie gn aan’ de ledenstaten worden
medegedeeld. Dit kan uiteraard eveneens leiden tot
vragen in de Parlementen, zodat met het puntensy-
steem de moeilijkheden, niet geheel zijn opgelost;
het puntensysteem heeft het bezwaar dat het moeilijk
kan worden toegepast wanneer, zoals in de Verenigde
Naties het gëval is, regels bestaan die de contributie
van bepaalde leden vastleggen als percentage van het totaal. -In de schaal der Verenigde Naties bestaat een

minimum contributie van 0,04 pCt, terwijl krachtens
Resolutie van de Algemene Vergadering geen land onder
normale omstandigheden meer dan
331/3
pCt van het
totale budget bijdraagt. Het is bezwaarlijk deze voor-
schriften in overeenstemming te brengen met een vast-
gelegd aantal punten per lid.

De contributieschaal, der Verenigde Naties.

Door de Algemene Vergadering van de Verenigde Na-ties is een Commissie voor de Contributies, bestaande uit
tien experts, benoemd, die elk voor drie jaar zitting heb-
ben en herbenoembaar zijn. De Commissie heeft o.a.
tot taak aanbevelingen op te stellen voor een contributie-
schaal, die daarop in de Vijfde Commissie van de Alge-
mene Vergadering wordt behandeld en definitief vastgesteld
in de Algemene Vergadering.
De verdeling van de uitgaven der Verenigde Naties

geschiedt in beginsel op basis van de
draagkracht
der
ledenstaten
4).
Internationaal vergelj kbare,gegevens over
het nationale inkomen worden hiervoor als richtsnoer
genomen. Ten einde anomalieën’ in de aanslagregeling
te voorkomen, wordt in beginsel bovendien rekening ge-
houden met:

vergelijkbare cijfers over het gemiddelde inkomen per
hoofd der bevolking;
tijdelijke ontwrichting van de nationale economieën
ten gevolge van de tweede wereldoorlog;
de mogelijkheid voor de ledenstaten buitenlandse
valuta te verkrijgen.

In beginsel worden alle overige factoren die de draag-
kracht beïnvloeden eveneens in aanmerking genomen.
De meeste landen van West-Europa, Noord-Amerika en
het Britse Gemenebest beschikken thans over voldoende
betrouwbare statistieken van het nationale inkomen,
gebaseerd op internationaal aanvaarde definities. Voor een
aantal andere landen zijn de berekefiingen nog meer of
minder ruw of moet met onofficiële schattingen worden volstaan, opgesteld door het Statistisch Bureau der Ver

enigde Naties.
Wanneer twee landen A en B hetzelfde nationale in-
komen hebben maar het gemiddelde inkomen per hoofd der bevolking in land B is lager dan in land A, dan heeft
B een geringere draagkracht dan A. Het gemiddelde in-
komen per hoofd wordt daarom in de berekeningen ge-
introduceerd ten einde het beginsel van
progressie
tot uit-
drukking te brengen. De gebruikte statistische gegevens
en de formule welke de progressie tot uitdrukking brengt,
zijn door de Commissie niet gepubliceerd. In- de verga-deringen van de Vijfde Commissie tijdens de Zesde Zit-
ting van de Algemene Vergadering der Verenigde Naties,
in December
1951,
zijn over het laatste punt door de
Voorzitter van de Commissie voor de Contributies enkele
korte mededelingen gedaan
5).
Voor de landei3 met een zeer
laag inkomen per hoofd der bevolking (vnl. Zuid-Oost
Azië) bedraagt de reductie die op het nationale inkomen wordt toegepast bijna 40 pCt, om geleidelijk ‘te vermin-
deren voor landen met een hoger inkomen per hoofd.
Bij een gemiddeld inkomen per hoofd van $ 1.000 en hoger
wordt geen reductie toegepastop de cijfers van het iatio-
‘nale inkomen
6)

Over het gebruik van andere economische criteria is
weinig in details medegedeeld. De invloed van de ontwrich-
ting ten gevolge van de oorlog kan thans buiten beschou-

‘)
Resolutie 14A, 3 (1) van de Algemene Vergadering van 13 Februari
1946. Zie ook:
,,Reporl
of
the _Coinmittee on Coniributions”,
A/l 330, 1950; idem A/1859, 1951.
‘) Voorzitster in 1949, 1950 en 1951 was Mr Mr M. Z. N. witteveen lid
van de permanente Nederlandse Delegatie bij de Verenigde Naties.
‘) Eij de landen met een laag gemiddeld.inkomen per hoofd der bes’olking
bedraagt de financiële bijdrage dus een
lager
percentage van het nationale
inkomen dan bij landen met een hoger gemiddeld inkomen per hoofd. Voor
zover schrijver’dezes bekend is dit beginsel van een
progressieve
schaal nog niet
bij andere internationale organisaties toegepast.

1
dctobei:
1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

755

wing blijven als niet langer relevant. Het dollartekort is
zo universeel, en is zo moeilijk kwantitatief meetbaar dat
deze factor, behalve in enkele bijzondere gevallen, geen
grote rol kan spelen. Het is ook moeilijk in het algemeen
te zeggen hoe toekomstverwachtingen over de econo-
mische toestand van een land anders dan qualitatief tot
uitdrukking kunnen worden gebracht.
Naast de economische factor worden ten slotte ook po-
litieke factoren in aanmerking genomen. Het beginsel
van de souvereine gelijkheid der staten vindt zijn weer-
klank in de bepalingen voor een maximum en een minimum
contributie. Resolutie 238 A (TIJ) aangenomen door d
Al’gemene Vergadering op 18 November 1948 zegt:

dat in normale tijden geen lid meer dan een derde
van de gewone uitgaven der Verenigde Naties zal bij-
dragen;
dat in normale tijden de contributie per hoofd der be-
volking van enig lid niet mag te boven gaan de contri-
butie per hoofd door de hoogst aangeslagene betaald.

Bepaling (a) betreft de Verenigde Staten. Het is natuur-
lijk moeilijk uit te maken wanneer ,,de tijden normaal
zijn”. In de aanvang bedroeg de contributie van de Ver-
enigde Staten 39,89 pCt, terwijl zij na enige verlagingen
in
195!
38,92 pCt bedroeg om over 1952 verlaagd te worden
tot 36,90 pCt. Erkend wordt dat toelating van nieuwe leden
tot de Verenigde Naties een eenvoudig middel zou zijn om
te komen tot verdere verlaging van het percentage voor de
Verenigde Staten en daarmee tot toepassing van Reso-
lutie 238 A (III).
De minimale contributie door enig lid te voldoen be-
draagt 0,04 pCt. Enige motivering hiervoor ligt in het feit,
dat dit hoger is dan de gemiddelde reis- en verblijfkosten
van een Delegatie naar de Algemene Vergadèring, voor
zover deze krachtens de bestaande bepalingen door de
Verenigde Naties worden vergoed.
In beginsel wordt een contributieschaal door de Alge-
mene Vergadering vastgesteld voor een periode van drie jaar, tenzij veranderingen in de omstandigheden een her-
ziening op kortere termijn noodzakelijk maken. Tot nu
toe is elk jaar een herziening van de schaal nodig gebleken.
Voor het jaar 1952 is dg contributïeschaal als volgt:

Procent Procent
Afghanistan
0,08
Israël

………
0,17
Argentinië
1,62
Libanon …….
0,06
Australië
1,77
Liberië

……..
0,04 België

……..
1,35
Luxemburg
0,05
Bolivia

………
0,06
Mexico ……..
0,65
Brazilië

…….
1,62
Nederland
1,27
Birma

………..
0,15
Nieuw-Zeeland
0,50
Canada ……..
3,35
Nicaragua
0,04
Chili

……..
.
0,35
Noorwegen
0,50
China

………
5,75
Pakistan
0,79
Colombia ……
0,37
Paraguay

……
0,04
Costa Rica
0,04
Peru

………’
0,20
Cuba

………
0,33
Philippijnen
0,29
Tsjechoslowakije
1,05
Polen

……….
1,36
Denemarken
.
0,79
Saudi-Arabïë
0,08
Dominikaanse
Zweden

…….
1,73
Republiek
0,05
Syria

………
0,09
Ecuador

……
0,05
Thailand
0,21
Egypte

……..
0,60
Turkije

…….
0,75
El Salvador
0,05
Unie

van

Zuid-
Ethiopië
0,10
Afrika
0,90
Frankrijk
5,75
U.S.S.R.

1)

. . .
11,49
Griekenland

0,18
Verenigd
Guatemala

..
0,06
Koninkrijk
10,50
Haïti

……. ..
0,04
Verenigde

Sta-
Honduras
0,04
ten

………
36,90

‘) Inchisief Byelorussia
en Oekraine.

Procent

Procent

Ijsland

……..
0,04
Uruguay
0,18
India

………
3,53
Venezuela
0,32
Indonesië
0,60
Yemen

……..
0,04
Iran

……….
0,40
Yoegoslavië

.’
0,43
Iraq

……….
0,14

Totaal

……..
100,00
New York, Juni 1951
J. B. D.
DERKSEN.

INGEZONDEN STUK

Drs A. J. W. Prakke te Delft schrijft ons:

In ,,Economisch-Statistische Berichten” van 18 Juni
1952 schrijft de heer M. Fraenkel over de gevolgen, die
een verhoging van de accijns op gedistilleerd van f475
tot f596,50 per hi. 50pCt met zich zou brengen. In zijn
artikel zegt hij, dat het verbruik per hoofd der bevolking
na deze verhoging van de accijns nog aanzienlijk hoger
zal liggen dan in de jaren 1934-1938, ,nl. 36 pCt. Zijn
conclusie is: ,,Een terugkeër naar een meer normale om-
vang van het verbruik lijkt dan ook niet slechts onver-
mijdelijk, doch ook aanvaardbaar”.

Naar mijn mening zijn de jaren 1934-1938 voor een
vergelijking niet gelukkig, daar de Overheid er in die jaren
van overtuigd was, dat de accijns op gedistilleerd te hoog
voor de koopkracht van de bevolking was. Het ge olg
van deze te hoge accijns was een sterke prikkel voor de
frauduleuze invoer en de clandestiene fabricage van ge-
distilleerd. De legale gedistilleerdindustrie en -handel
verkeerden in die dagen om bovenstaande redenen in zeer
moeilijke economische omstandigheden. De Regerirg
diende om de misstanden, door de te hoge accijns op gedis-
t’illeerd ontstaan, tegen te gaan een wetsontwerp in
1),

waarin zij een verlaging van de accijns voorstelde. Door
het aftreden van het Kabinet is dit ontwerp niet afge-
handeld.
Daar de conclusie van de heer Fraenkel naar mijn
mening tot gevolg kan hebben, dat de gevaren aan een
accijnsverhoging verbonden voo,r de gedistilleerdindustrie
en -handel worden onderschat, wil ik zijn artikel van
enkele kanttekeningen voorzien. Voordat ik hiertoe over-
ga, wil ik de lezer in het kort het betoog van de heer
Fraenlcel in herinnering brengen.

De heer Fraenkel past op ‘de periode 1948-1951 de
door de heren Derksen en Van Lottum, opgestelde be-
rekeningen toe, die ‘onder de titel ,,Statistische analysen
van de afzet van bier en gedistilleerd” werden gepubliceerd
in de ,,Nederlandsche Conjunctuur” van Mei 1938. De
heer Fraenkel komt dan tot de conclusie, dat het verbruik
van gedistilleerd niet zal dalen beneden de 2,02 liter 50 p0
per hoofd van de bevolking. Hij legt hierbij evenals boven-
aangehaalde schrijvers , verband tussen enerzijds het verbruik per hoofd van le bevolking en anderzijds de
prijs van het gedistilleerd, het inkomen per hoofd van de
bevolking en een trendfactor, veronderstellende, dat de
grootte van de elasticiteit van het vérbruik thans ongeveer
gelijk zal
zijn
aan de grootte van de elasticiteit van voor
de oorlog. Tenslotte moet nog worden vermeld, dat de heer Fraenkel zijn berekeningen heeft gebaseerd op de
gemiddelde verbruikcijfers per jaar per hoofd van de be-
volking en dat hij ht onnodig achtte de korte waar-
nemingsreeks te vergroten door bijv. kwartaal- of maand-
cijfers in beschouwing te nemen.
Deze verhandeling geeft mij aanleiding tot de volgende
kanttekeningen:

‘) Zitting van de Tweede Kamer der Staten.Generaal, No 403, 1938-1939

756

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1
Octber 1952

le. De heer Fraenkel beschouwt de vierjarige periode
1948-1951, dit zonder cijfers’ over het jaar
1950
te
vermelden. De heren Derksen en Van Lottum, van
wier onderzoek hij gebruik maakt
2
merken onderaan
blz. 44 van hun publicatie op, dat de lO-jarige periode
betrekkelijk kort is, reden waarom zij voor bier de
waarnemingsreeks vergroten door het opstellen van
kwartaalcijfers. Daarnaast waarschuwen de aange-haalde schrijvers tegen extrapolatie, daar de trend-
factor het karakter van een benadering heeft (blz. 49
bovenaan). Hoewel beide opmerkingen worden ge-
maakt met betrekking tot het onderzoek van de afzet
van bier, gelden deze uiteraard evenzeer voor het

onderzoek van de afzet van gedistilleer4. De door de
heer Fraenkel in beschouwing genomen periode is
m.i. te kort om er enige conclusie ten aanzien van het
verloop van het gedistilleerdverbruik bij een verdereac-
cijnsverhoging tot f596,50 per hi. 50 pCt uit tetrekken.

2e. Afgezien van het beperkte aantal jaren is de ,door de
heer Fraenkel in beschouwing genomen periode ook
om de volgende redènen niet geschikt voor het be-

oogde, onderzoek:

Het basisjaar 1948 laat een abnormaal hoge
opbrengst zien van de gedistilleerdaccijns. Deze
hogi opbrengst is een gevolg van het feit, dat

van 1 September tot 31 December 1948 in feite
de distributiebepalingen voor de grondstoffen
tijdelijk buiten werking waren gesteld (formeel
bedroeg het distributiepercentage in deze periode nI. 230 van 1939). In deze periode hebben groot-
en kleinhandel hun voorraden zoveel mogelijk
aangevuld, ten gevolge wavan het verband
tussen de opbrengst van de gedistilleerdaccijns
en het werkelijk verbruik geheel werd verbroken.
Aangezien de accijnsopbrengst in deze periode
van vier maanden niet minder dan 46,8 pCt be-
droeg van de totale jaaropbrengst, is het duide-lijk, dat ook de jaaropbrengst een onzuiver uit-
gangspunt vormt voor de beoordeling van het
werkelijke gedistilleerdverbruik.

Ook de jaren 1949 en 1951 zijn beïnvloed door
abnormale factoren, waardoor deze jaren minder
bruikbaar moeten worden geacht voor het be-
oogde doel. Immers, het jaar 1949 zowel als het
eerste halfjaar 1951 worden gekenmerkt door de

toendertijd geldende

rantsoeneringsbepalingen,
ten gevolge waarvap het verbruik van gedistil-
leerd niet alleen door de prijs, doch evenzeer door de beperkingen in de grondstoffenvoor

ziening werd bepaald. Het tweede halfjaar 1951
is in feite de eerste periode

na de oorlog waarin

het gedistilleerd kon worden geproduceerd zonder
door de Overheid gestelde beperkingen ten aan-
zien van het grondstoffenverbruik.

3e. Ter verkrijging van een goed beeld van het verbruik
– van gedistilleerd is het van belang de hoeveelheden
gedistilleerd, die volgens de accijnsopbrengsten maan–
deljks voor de consumptie ter beschikking komen
– nader te beschouwen. Daarom geef ik op het betoog
van de heer Fraenkel een aanvulling door deze maan-
delijkse cijfers betreffende het jaar 1951 en het eerste
halfjaar 1952 te laten volgen.

Uit deze statistiek blijkt, dat het huidige ver-
bruik (aangenomen lat het ter beschikking gekomen
gedistilleerd gelijk is aan het werkelijke verbruik, hetgeen
zeker niet altijd het geval is) reeds thans niet of nauwelijks
meer bedraagt dan het verbruik, dat de heer Fraenkel
heeft berekend voor de periode na een verdere verhoging

Het in de
betreffende
maand volgens de accijnscjjfers be-
schikbaar

gekomen

gedistilleerd
omgerekend op

liters
50 pCt per

hoofd der

bevolking per jaar
1).

Maanden
1951

Januari

…………………………..
3,07

Februari

…………………………..
2,97
Maart’)
…………………………….
3,24
April
…………………………….
3,23


Mei

‘)

…………………………….
3,12
Juni
………………………………
3,27
Accijnsverhoging
Juli
……………………..

…………
2,55
Augustus ‘)

…………………………
2,l0
September

………
……. …………..
1,80
October

…………………….
…….

2,05
November’)

. ……… ……… ………
2,34
December

…………………………
2,91

1952

Januari

‘)

……… …………………
2,29
Februari

…………………………..
2,09
Maart

…………………………….
2,00
April
.
……………………………
2,08

Mei’)

…………………….

………
2,20
Juni

………………………………
2,11
‘) In deze cijfers is begrepen het voor het gebruik beschikbaar gekomen ge-
distilleerd voor reukwaters, essences e.d.

‘)
De accijns wordt iedere Donderdag geind over de gehele volle week aan
cle Donderdag voorafgaande. De met

)
gemerkte maanden hadden 5 in
plaats van 4 Doncrerdagen.

van de accijns. op gedistilleerd tot f
596,50
per hi. 50 pCt.
De conclusie kan, gezien de ook door de heer Fraenkel
aangenomen elasticiteit van de vraagt alleen zijn, dat het
legale verbruik van gedistilleerd na de accijnsverhoging
tot f596,50 per hi. 50 pCt belangrijk lager zal zijn dan
2,02 liter 50 pCt per hoofd van de bevolking, hetgeen voor de gedistilleerdindustrie en -handel ernstige consequenties
met zich zal brengen. –

Tenslotte kan naar aanleiding van de in het artikel
van de heer Fraenkel vermelde buitenlandse accijns-
heffingen op gedistilleerde dranken er nog op worden
gewezen, dat, waar terecht het gedistilleerdverbruik af-
hankelijk wordt gesteld enerzijds van de prjs van gedis-
tilleerd anderzijds van de koopkracht vgn de consument,
de in geld uitgedrukte gedistilleerdaccijnzen niet zonder
meer vergelijkbaar zijn. Overigens zij opgemerkt, dat zeker
nog andere landen vermeld hadden kunnen worden, al-
waar de accijns zelfs beneden de huidige Nederlandse
heffing van f475 per hi. 50 pCt ligt.

Naschrift.

Naar aanleiding van de ,,kanttekeningen” van de heer
Prakke gaarne het volgende: –
1. Allereerst wijst de heer Prakke op het feit dat een
vergelijking vati het verbruik in de jaren 1934-1938 met die van thans minler gelukkig zou zijn. Dit
motiveert
hij mede op grond van de clandestiene aanmaak van gedis-
tilleerd, welkein de periode 1934-1938 de legale industrie
en handel in moeilijke economische omstandigheden -zou
hebben. gebracht. Met betrekking tot dit probleem heeft
de voormalige Minister van Financiën, de heer-Lieftinck,
o.a. het volgende, verklaard.
):

,,Zelfs in de tijd van de grote gelistilleerdfraude, in de jaren omstreeks
1927, was de illegale productie naar verhouding tot de totale (legale) productie zeer gering. De branderijtjes waren zeer gebrekkig en de productie daarvan be-
perkte zich tot kleine hoeveelheden. Over het tijdvak van 1 Januari 1935 tot 1 Juni 1936, dus omstreeks 10 jaar later, toen er in ons land een grote werk-
loosheid heerste, is er door een commissie, ingesteld door de ministers van
Sociale Zaken, Economische Zaken en van Fiilanciïn een onderzoek ingesteld
naar de clandestiene productie van gedistilleerd. In dat tijdvak van 1,5 jaar
werden door de recherchedienst ontdekt 111 geheime branderijen, waarvan
de totale jaarproductie 500 hI bedroeg op een totale (legale) jaarlijkse pro-
ductie van 130.000 hI, dus minder dan 0,5 pCt”.

De sterke daling van het verbruik in die jaren voltrok
zich dan ook vrijwel geheel onder invloed van de door mij
aangehaalde factoren, dus niet onder invloed van een ver-
schuiving van de vraag naar clandestien geproduceerle
drank. Een en ander komt

duidelijk tot uitdrukking in het
resultaat mijner berekeningen: theoretisch en wërkelijk

‘)
Zie: ,,Hsndelingen -der Staten-Generaal, Zitting 1950151-11; 55ste verga-
dering, 20April1951; blz. 1515— le kolom.

1 October 1952

ECONOMiSCH-STATISTISCHE BERICHTEN

757

verbruik vertonen in de periode 1934-1938 een beviedi-
gende overeenstemming.
2. Vervolgens verkeert de heer Prakke blijkbaar in de
veronderstelling dat ik e door de heren Derksen en Van
Lottum opgestelde bere1eningen voor de jaren 1926-1935
heb toegepast op de jaren 1948-1951; m.a.w. dat ik een
correlatieberekening zou hebben gemaakt over een periode
van 4 jaar. Door het gecomprimeerde karakter van het
artikeltje is wellicht niet in voldoende mate tot uitdrukking
gebracht dat ik ,,gebruik” heb gemaakt van het bewuste
onderzoek (zie blz. 469, kolom 1 – alinea 1) teneinde
– zij het met een geringe afwijking – op grond hiervan
een berekening te maken over de jaren 1923-1938 (blz. 469,
kolom 2
– regel 3);
dit is een periode van 16 jaar.
Vervolgens werden dein deze periode van 16 jaar gevonden
elasticiteiteri toegepast op de statistische gegeyens voor
1949 en 1951. Hiermede heb ik getracht aan te tonen dat
de grootte van de elasticiteit van het verbruik thans vrijwel
niet afwijkt van die, welke voor de periode 1923-1938-.
berekend is. Een vergelijking van het op deze wijze be-
rekende verbruik van gedistilleerd met het gerealiseerde
verbruik in 1949 en 1951 vertoont inderdaad een opval-.
lende overeenstemming (zie blz. 469, kolom 2 – 2e ta-
belletje).
Eerst op grond van deze opvallend goede overeen-
stemming werd tenslotte het verbruik bij een verhoging vaii
gedistiileerdaccijns tot f
596
per hl van 50 pCt berekend,
waarbij de ,,overige omstandigheden” uitdrukkelijk ge-
.lijk aan die in 1951 werden gesteld. –
3,. In verband met het feit dat het verbruik reeds in de
eerste helft van 1952 slechts weinig meer bedroeg dan het
berekende verbruik na een eventuele stijging van de accijns
tot f
596
per hl in 1953, wil ik tenslotte gaarne een aanvul-
ling
geyen
op het bewuste artikeltje.
Uiteraard ligt de nauwkeurigheid van de voorspelling
tussen bepaalde grenzen. Een en ander hangt samen met
dé grootte van de zgn. ,,standaardfout” van de regressie-
coëfficient van de prijs; deze blijkt hier 0,38 te zijn. Indien
met grenzen van tweemaal de standaardfout wordt ge-
werkt (hetgeen overeenkomt met een kans van 90 pCt
op een correcte uitspraak), valt te concluderen dat de ,,ware”
prijselasticiteit ligt tussen 4,705 en -0,185.
Op grond hiervan zou het theoretische verbruik in de
eerste helft van 1951 moeten liggen op eenpunt.tussen de
2,12 en 2,47 liter. Volgens opgave van het C.B.S. is het
werkeliike verbruik van gedistilleerd in deze periode 2,10
liter per hoofd (op jaar3asis omgerekend). Het feit dat
het werkelijke verbruik de onderste grens van het theo-
retische verbruik raakt, sluit aan bij het verschijnsel van
de ,,kooersstaking” waardoor de consumptie per hoofd
(naar hoeveelheid) in de le helft van 1952 t.o.v. 1949 met
8 pCt daalde (in 1950 en 1951, resp. 1,5 en 6,5 pCt).

Hieruit blijkt dus dat het verbruik op korte termijn on-
der invloed van bijzondere omstandigheden vrij sterk
kan afwijken van wat op grond van de berekeningen als
meest waarschijnlijk wordt geacht. De ontwikkeling van
hetverbruik over een langere periode (in het bijzonder na
stijging van de accijns tot f 596 per hi) zal derhalve dienen
te worden afgewacht.

In aansluiting op het vorenvermelde kan worden aan-
genomen dat het verbruik na stijging van de accijns tot
f 596 per hl tussen 1,74 en 2,34 liter zal liggen met als
meest waarschijnlijk verbruik 2,02 liter.

Scheveningen.

M.
FRAENKEL.

INTERNATIONALE NOTITIES

Europese Betalings Unie

De vernieuwde E.B.U. heeft thans twee van haar maan-
delijkse operaties achter de rug. In aansluiting op de
notitie omtrent de openingsstand per 1 Juli jI. ‘) volgen hieronder een overzicht en enkele opmerkingen betref-
fende de stand per ultimo Augustus 1952 in vergelijking
met de positie van twee maanden tevoren.
Bij de beoordeling van de positie van een land in de
E.B.U. kan worden aangenomen, dat zeer extreme posi-ties in het algemeen ongewenst zijn. Quotumoverschrij-
dingen dieiien derhalv in beginse1te worden vermeden,
alhoewel de ervaring heeft geleerd, dat de Unie bij tij de-
lijke overschrijdingen aan de debetzijde spms te hulp komt
met een lening (Duitsland en Frankrijk) en bij overschrij-
dingen aan de creditzijde soms de faciliteit van een rallonge
verleent. Binnen de gestelde grenzen verkiezen de deel-
nemers gewoonlijk een creditpositie boven een debetstand.
Weliswaar dient hierbij te, worden bedacht, dat het over-
schot yan één land onvermijdelijk het tekort van één
of meer andere landen in de kring impliceert en dat een
redelijk gebruik ook van de debetquota tot de normale
feiten in de Betalingsunie behoort: Niettemin biedt ge-
woonlijk een surpluspositie aan een land een veiliger marge.
Tegen deze achtergrond zijn de deelnemers in de E.B.U.
op het ogenblik op tweeërlei wijze in groepen in te delen.
MenS kan onderscheiden de landen die binnen, dan wel buiten hun oorspronkeljtce quotum afrekenen. Men kan
oök onderscheiden de landen in achteruitgang, in nagenoeg
evenwicht, dan we1in vooruitgafig in de E.B.U.
Belangrijke tekorten zijn in de verstreken maanden,
evenals tevoren, te constateren bij Turkije, het Verenigd
Koninkrijk en Frankrijk. De eerste twee rekenen buiten

‘)
,,E.-S.B.”,
no
1836
van
30 Juli 1952.

– EUROPESE BETALINGS UNIE
Stand per 31
Augustus
1952.
(in millioenen EBU-eenheden ter waarde van
één U.S.
dollar)

Afrekeningsmogelijkheid

verrekeningsoverschdtten
(+)
of
tekorten
(-)

c
edt
1
T

1
crediet verleend
goud betaald
(-)
of
quotum ‘)
railonge
esc°-,aar
1.7.52
3l2
aan
(-)
of
door
(+)
ontvangen (+) door

70

deelnemend land deelnemend land


17,5

3,0

3,0
360

.
335
666
+

415,8
+

418,0
+
245.0
+
173,0
195

195
28,9

22,7

22,7

52Q

520

395,7
‘- 421,3

282.4

138,9
500

500
+

311.1
+
405,8
+
252.9
+
152,9

Oostenrijk

……………………….
België.Luxemburg

…………………

45



+

0,4
+

0,4
15

15

1,8

2,0

1,9

0,1
205
100
305
+
208,8
+

212,7
+
126,
+

85,9

Denemarken

………………………
Frankrijk

…………………………

355

355
+

235,2
+
293.4
+
182,2
+
111,2

Duitsland

………………………..
Griekenland ……………………….

200

200
+

0,6

3,0

3,0

Ijsland

…………………………..
Italië

…………………………..

70
55
125
+

85,0
+

81,3
+
48,8
+

32,5

Nederland

……………………….
Noorwegen

……………………..

260

260
+

231,4
+

223,5
+
137,8
+

85,8
Portugal

………………………..
Zweden

…………………………
250
125

375
+

170,6
±

188,3
+
119,1
+

69,1
Zwitserland

……………………..
rurkije

…………………………..
50

50

90,4

144,1

30,0
-114,1
Verenigd Koninkrijk

…………….
1.060

1.060
-1.119,1
-1.222,3
-636,0 -586.3
De debetquota van Oostenrijk in Griekenland zijn bevroren; het creditquotum van België bedraagt
331.

758

ECONOMiSCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1 October 1952
het quotum ten volle in goul af; Turkije tot dusverre dank
zij tot dit doel verstrekte Amerikaanse hulp, welke thans
echter niet in die mate beschikbaar staat. Het Britse tekort,
houdt stellig mede verband, met de even aan E.B.U.-partners geopende mogelijkheid dollargoederen tegen
sterling te betrekken. Het Franse tekort is matig en thans blijkbaar beter hanteerbaar geworden. Nagenoeg in evenwicht is de meerderheid van de deel-
nemende landen Griekenland en Ijsland, de Scandina-
vische landen en de vier landen, die beschikken over raI-
longes boven hun creditquotum. Overschotten van be-
tekenis zijn tenslotte gevormd door Oostenrijk, dat ziçh
thans nabij het middelpunt bevindt, en door- Duitsland
en Nederland. Deze laatste beide landen hebben thans
reeds sedert ruim een jaar bij voortduring maandelijkse
overschotten, zij het van afnemende omvang. Indien deze
tendentie zich mocht blijven voortzetten, zou er aanleiding
kunnen bestaan aan beide landen een rallonge boven het
quotum toe te kennen. De E.B.U. kan dit zonder gevaar
doen. Naarmate immers meer credit rallonges worden ver-

leend en gebruikt, zullen de daartegenoverstaande dehi-
teuren in de hogere tranches komen, waar zij naar verhou-
ding meet goud of dollars betalen dan de crediteuren
ontvangen. Voorshands zijn de Duitse en Nederlandse
posities echter nauwelijks als zeer extreem te beschouwen.

parijs, September 1952.

Mr E. A. LIEFRINCK.

Het Belgisch saldo in de E.P.U.

De beslissingen die door de Raad van Ministers van de
O.E.E.S. op 7 Juni 11. te Parijs werden genomen in verband
met het onrustwekkend hoog Belgisch creditsaldo bij de
E.P.U. werden over het algemeen als een elegante oplossing
voor dit netelig probleem bqgroet, waarbij het verleden
werd geconsolideerd en de toekomst zoveel mogelijk zeker

gesteld.
Het krediet buiten quote van 220 mln rekeningeeriheden
dat de B.L.E.U. had verleend zou omzeggens volledig
geliquideerd worden: 80 mln moesten in de loop van de
maand Juli door de E.P.U. zelf worden gestort; 50 mln
werden ,,gebilateraliseerd” op Frankrijk en Engeland:
deze landën verbonden, er zich toe tot dit bedrag militaire
leveringen aan België te doen, waarvoor hun schuld bij
het clearingorganisme met dezelfde som werd vermjnderd,
zodat liet te leveren materieel in feite anticipatief werd

betaald; 50 mln zouden in
5
annuïteiten door de E.P.U.

worden afgelost, met dien verstande dat het Internationaal
Muntfonds zich akkoord verklaarde om die vordering van
België onmiddellijk af te kopen (tot nu toe werd de uit-
voering van deze verbintenis nog niet aangevraagd, waar-
schijnlijk om een reserve te hebben voor moeilijker tijden);
ten slotte werd de Belgische quote ,,a posteriori” met 86
mln eenheden verhoogd, wat dus de kredietcapaciteit met

43 mln dollar opvoerde.
In het vooruitzicht van een aanhoudende crediteur-
positie van de B.L.E.U. werd overeengekomen dat tijdens
het volgende boekjaar de overschotten tot een bedrag ‘van
$ 250 mln voor de helft in goudbetalingen en voor de helft
in door de B.L.E.U. te verlenen extra kredieten zouden
worden vereffend. Men rekende hier dus met een eventueel overschot van 21 mln eenheden per maand, wat aanzienlijk
minder is dan het gemiddelde van 29 mln eenheden van
de voorafgaande periode. Veel zorgen moest men zich
echter, reeds op het ogenblik dat de regelmg tot stand
kwam, over dit verschil niet maken want de toestand was
toen reeds erg geëvolueerd en alles liet, ten minste voor
de nabije toekomst, een mindere crediteurpositie voorzien.
Het Belgisch maandelijks rekeningoverschot, dat in 1951
en ook in de eerste drie maanden van 1952 nooit minder dan fr. 1 mrd bedroeg, en veelal tot fr. 3 mrd en zelfs tot
fr. 4 mrd klom, was voOr de tweede trimester van dit jaar

kleiner dan het goudforfait van 80 mln eenheden dat er
voor was toegekend, zodat voor die periode geen suppie-
mentair krediet behoefde te worden verleend. Ook voor
de eerste maand van het nieuwe boekjaar was het B.L.E.U.-
overschot zeer gering en in Augusfs sloeg het in een deficit

om.

Rekirlingoverschot

Door B.L.E.U.

Betalingen in goud
1952

der B.L.E.U.

aai C.P.U.

toe-

door C.P.U.
gestaan ‘krediet

aan B.L.E.U.
(in duizenden eenheden)
Jan. ..

48.932 ‘

28.932

20.000
Febr.

48.244

28.244

20.000
Maart.

45.429

25.429

20.000
April .

16.881

16.881
Mei . .

17.516

17.516
Juni .

21.035

21.035
Juli . .

8.665

4.333

4.333
Aug. •.

-6.460

1

-3.230

-3.230

Dit totaal nieuwe vrschijnsel, een Belgisch deficit, dat
sinds maanden niet meer was voorgekomen, lokte onver-
mijdelijk drukke commentaren uit en de vraag rees, of
men hier stond voor een blijvende, fundamentelé wijziging.
van de gegevens, ofwel voor een kortstondige en voorbij-
gaande afwijking, bijv; teweeggebrâcht door een massa
aanvragen naar vreemde munt, vooral naar Zwitserse
francs, in een vacantieperiode.
Deze laatste interpretatie kan niet volledig weerhouden
worden, want zo ze wel het deficit van Augustus kan uit-
leggen, volstaat ze toch niet om de zeer gevoelige vermin-
dering van het rekeningoverschot sedert April aannemelijk
te doen voorkomen. Trouwens, voor de eerste 19 dagen van
September had de B.L.E.U. opnieuw een surplus van wat
minder dan fr. 350 mln en indien niets de huidige beweging
komt verstoren zou ze op het einde dezer maand een
excedent hebben van fr. 500 mln.
Als verklarende factor van de evolutie naar een groter
evenwicht in België’s E.P.U.-verrichtingen komt eerst en
vooral in aanmerking het feit dat de omvang van het
vroeger excedent beïnvloed werd door ,,dekkingsbetalin-gen” die nu ‘zijn weggevallen. Maar de hoofdoorzaak zal
wel zijn de vermindering van de verkopen in Europa, die
trouwens ook in de cijfers over de buitenlandse handel goed
tot uiting komt. Daarbij zou de handel met Nederland,
die zeer ongunstig evolueert, wel een beslissende rol kunnen
spelen. In verband hiermee is het niet.van belang ontbloot
vast te stellen dat de schuld, die België in Augustus tegen-
over Nederland aanging, fr. 340 mln bedroeg en dus groter
was dan de globale schuld die per saldo tegenover alle
andere landen samen werd gecontracteerd. Ook- voor

September is Nederland tot nog toe de eerste crediteur
met een vçrdering die reeds fr. 160 mln bedraagt.
In het licht van deze evolutie lijkt de blokkering geduren-
de zes maandén yan een percentage van de opbrengst van
de verkopen in de E.P.U.-landen, die werd ingevoerd om
de ,,irternationale verkoop op krediet” te remmen en die,
mits enkele kleine verzachtmgen, nog altijd van toepassing
is, niet meer volkomen gerechtvaardigd. De exporteurs,
die natuurlijk nooit sympathie koesterden voor deze poli-
tiek (en voor de om sociale redenen ingevoerde belasting
1′
op de export), en wier positie reeds in Juni door de gunstige
regeling van het Belgisch tegoed was versterkt, kunnen nu
met veel recht de afschaffing of sterke verzachting er van
vragen omdat het werkelijk paradoxaal is de export te
remmen naar landen waarmee België slechts een gering
surplus of soms zelfs een deficit heeft. Hiervoor rijst echter een grote moeilijkheid: zal de Staat bij machte zijn om ge-
lijktijdig het hoofd te bieden aan de progressieve terug-”
betaling van de voor zes maanden geblokkeerde sommen
en tevens af te zien van nieuwe blokkeringen en van het
heffen van taxes op de export zonder daarvoor bij de Na-
tionale Bank aanzienlijke leningen te moeten aangaan, die
zijn disponibiliteiten voor andere doeleinden aanzienlijk

zouden beperken?

Gent.

Dr J. GELUCK.

1 October
1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

759

GELD- EN KAPITAALMARKT

De geldmarkt.

/
De geldmarktsituatie wordt evenals vorige weken
nog steeds gekenmerkt door een aanzienlijke toestro-
ming van middelen naar de banken, vnl. veroorzaakt door de voortgaande deviezenaanwas en door snelle
belegging dezer middelen in nieuw schatkistpapier. De
markt, zelve vertoont hierdoor een zekere mate van la-
biiteit, tot üiting komend in het af en toe optreden van
lichte verkrappingen.

Het kijk geeft, zoals de Millioenennota vermeldde,
in beginsel geen schatkistpapier meer af boven hetgeen
nodig is om vervallend schatkistpapier te vervangen. In
dit kader staakte de Agent van het Ministerie zijn ver-
koop van schatkistpapier voorlopig wederom per 22
September. Van deze datum af was dit papier weder
verkrijgbaar bij De Nederlandsche Bank, wier porte-
feuille daarvan per 22 September jl. nog
f
309 min
bedroeg, tegen
f
800 mln op 8 Juli, toen de circulatie-
bank met de verkoop van schatkistpapier uit haar porte-
feuille begon. In de hoogte her marktdisconto’s kwam
de afgelopen week practisch geen verandering, even-min als in de cailrente, welke de gehele week
3/
pCt
bedroeg; Van aanbod van papier.. wegens liquiditeits-
moeilijkheden is, zoals uit het bovenstaande volgt, mo-
menteel in het geheel geen sprake, terwijl anderzijds, in
verband met de gevoerde beleggingspolitiek, •’ook de
vraag naar de korte termijnen niet zeer groot is.
,

De kapitaalmarkt.

Op de aandelenmarkt werd voor h& eerst sinds twee
maanden gedurende de verslagweek een tweetal aandelen-
ernissies aangekondigd, nl. van de Assurantie M.ij De
Nederlanden van 1845 (te storten bedrag
f
2,5
mln) en
van Kemo Corsetfabriek (te storten bedrag
f
0,48
mln). Het is niet onwaarschijnlijk, dat er verband be-
staat tussen de grote mate van stabiliteit, die het aan- –
delenkoersniveau gedurende de laatste maanden te zien
heeft gegeven en de afwezigheid van grote emissies. De
koersdruk die van dergelijke aandelenemissies uitging
was in demeeste gevallen groot en langdurig.
De emissie van gemeentelijke en verwante ..obligaties
van het
434
pCt rentetype gaat nog steeds ongestoord
door. Enige dezer emissies, waaronder vooral die van de Bank voor Nederlandsche Gemeenten
(f
.
10 mln),
werden overtekend. Weer andere gemeenten kondigden
deze wêek dergelijke emissies aan, nl. Venray
(f
2 mln),
Borne
‘(f
1,7 mln) en Brielle
(f
3 mln). Klachten over
een te hoge of te lage rentestand worden de laatste tijd
niet meer,vernomen. Het
434
pCt type blijkt onder de
huidige omstandigheden zowel de wensen der geld-
nemers als die der geldgevers volkomen te bevredigen.


19 Sept. 1952
26 Sept. 1952
Aand. indexcijfers.
Algemeen

……………………………..
136,1
135,7
Industrie

………………………. . …….
192,4 192,3
Scheepvaart

………………………..
156,2
156,5
Banken

………………………… . …….
121,8
122,5
Indon.

aand .

……. . ……. . …………..
42,9

42,1

Aandelen.
A
.K.U. ‘

………………………………..
15314
153%
Phili’ps
.
………………………………..
157 153
1
/4
Unilever

……… . ……………………..
174%
173%
H.A:L
…….
……. . …………….. . …….
i45%
145½
Amsterd.

Rubber

………………..
73
73%
H.V.A.

…………….
.
………………….
89½
87%
Kon.

Petroleum

…………………..
316½

3184

19 Sept. 1952
26 Sept. 1952
Staatsfondsen.

pCt

N.W.S.

……
……………..
.75%
75
3-3%

pCt

1947

……………………..
91.
90%
3

pCt

Invest,

cert.

………………
92½
92
7
116

pCt

1951

……………………..
96
96%
3

pCt

Dollarlening

………………
94% 93%

Diverse
obligaties.
3½ pCt Gem. R’dam 1937 VI’
94½
9411

pCt Bataafsche Petr
………
9
715
/it
98

pCt

Philips

1948

………………
94
1
/4
94151
j6

3
1
/1

pCt Westl,

Hyp.

Bank
…….
88% 88%
J. C.
BREZET.

STATISTIEKEN

OFFICIËLE WISSELKOERSEN VAN DE NEDERLANDSCHE BANK
van 27 September 1952 af.

Schriftelijk en t.t.
Plaats
Per
Aankoop
verkoop

100 B.fr.
7,59
7,61
100DM.
90,39
90,57
100 D.Kr.
54,86
55,16
100 Escud.
13,15
13,28
1 £
10,56
10,72
Montreal

(t!t.)

……………
1 Can. $
3,944
3,964

Kopenhagen

……………….
Lissabon

…………………

1 Can. $
3,94
3,964

Londen

…………………..

Can. $
3,935
3,964

Brussel

…………………..
Frankfort a/Main

………….

1 U.S. $
3,794 3,804
New York (luchtpost)
1 U.S. $

..

3,79 3,805

Montreal (luchtpost)

………….

1 U.S. $
3,784 3,804

-Montreal (zeepost) ‘ ………….1

Oslo

……………………
100 N.Kr.
53,05


53,33

New York

(t.t.)

……………..

100 Fr.fr.
1,077
1,095

New York (zeepost)

………….

100 Kcs

.

7,58
7,62
Parijs

…………………….
Praag

…………………….
100
z.Kr.
73,25 73,66
Stockholm

……………….
Zürich

……………………
100 z.fr. •
86,71
87.09

ENIGE INDEXCIJFERS VAN DE INDUSTRIËLE PRODUCTIE IN.
NEDERLAND ‘).

1938 = 100
1949
1950.1951
Mrt
Apr.[Ie

tie-index van de
industrie


126
139 145
144′)
140
1
)
143 9
135′)
142
Steenkolen
87
91
92
97
93
92
86′)
98
Electriciteit,

af-
– geleverd

aan
196
229 242
264
234 227
211
224
124
138
147′
161
149
147
139 140
Stikstofmeststof-
88 154
208 220
231
235 217 223
162
170 196 170
216
214
207 237
Waisproducten
van

ijzer

en

270
302
375
356
355 ,
320

374 312
153
185′
159
191′)
200′)
227′)
196
224

Algem.

produc-

124 130 154 180
181
209
199
219
Metselstenen
104 114
119
124 112 118
121
129
109 139

150
‘105
94
120
112
132
Rubber (gehele

het net

……….
Gas

……………

industrietak)
261

330
338
314 .
296
295 300
303

fen

……………
Ruw

ijzer………..

Courantenpapier
. 84
90,
104
107
103,
.128′ .
103
120
Katoen- en

tin-

staal’)

………

Rijwielen

……….

nenweverijen
79

87
99
– 104
96
94 90
.-

Cement …………

Tricotage-indua-

Deuren

…………

134
167
139
84
1
)
55
‘)
76′)
69 9
Schoeisel (excl
,

pantoffels)
137 148 148
166
168
182
164
115

trie

…………

114
101
95 96
91 9
91 ‘)
96′)
101
Sigaretten’)
115
143
159
151
159
175
171
168
Sigaren
9

……..

Boter
83
92
– 83
2
7.8
101
96
93
Margarine
203
244
251
251
260
255
260
263
Kaas

………..
102
101
112
77
121
178
174
4
)
168

)- Bron: CBS.; .- betekent: de gegevens ontbreken.
9 1940 = 100.

‘) 1948 = 100.
‘) Voorlopige gegevens.

Abonneert U op ‘de E.-S.B.

WERKLOOSH]lL1) EN WERKVERRUIMING IN NEDERLAND ‘).

• .

Maand
1

Geheel werklozen
Geheel
wachtgelders
3eregistreerde
D.U.W.-arbei-

31 Aug.

1951
61.400
400
16.500
30 Sept.

1951
64.400


500

..
17.300
31 Oct.

1951
73.700
500
14.100
30 Nov. 1951
92.000
700
19.600
31 Dec.

1951
119.100 1.200
29.100
31 Jan.

1952
137.100
2.100 35.700
29 Febr. 1952
134.700
1.600
38.100
31 Mrt

1952
113.500
500
39.000
30 ApriL1952
101.100
500
35.100
31 Mei

1952
86.600
1.100
31.300
30 Juni

1952
79.900
1.000
31.200
31 Juli

1952
88.400′)
.
28.700
31 Aug.

1952
90.400
‘)
.
.
28.100

1)
Bron: ,,Statistisch Bulletin C.B.S.”.
•) mcl. vorstwerklozen, zieken, arbeiders, die ongevallenuitkering ontvingen
benevens een aantal personen, dat in het ,,vrije bedrijf” werk vond, zonder
dat de arbeidsbureaux hiervan tijdig bericht ontvingen.
‘) mcl.
wachtgelders.

DE XOLENPOSLTIE VAN NEDERLAND’). (in 1.000 kg)
Maand

1

Productie

1
Limburgse

mijnen

1

Productie

per onder-
grondse arbeider
per dienst

Verzonden
voor bin-
nenlandse
oe
behfte

Invoer

Maandgem. 1947
842.029
1,638
648.215
.
299.653
Maandgem. 1948
919.360
1,683
671.607
286.272
Maandgem. 1949
975.414
1,735
718.454
338.998
Maandgern. 1950
1.020.614
1.754
721.849.,
362.293
Maandgem. 1951
1.035.346
1,729
731.381
421.546

Apr. 1952
1.040.958
1.618
699.574
544.644
Mei 1952
1.030.530
1.587
705.294
468.293
Juni 1952
965.057
1.587
659.112
405.468
Juli 1952
1
)
1.101.745 771.257

‘) Bron: ,,Statistisch Bulletin van het CBS.”.

‘) Voorlopige gegevens.

•………….,…….,……………….,…,,,Q.,..

.

.

:

HANDEL-MAATSCHAPPIJ

H. Albert de Bary &
CO.
N.V.

AMSTERDAM- C. • HEERENGRACHT 450

.

.

Alle Barikzaken

INTERNATIO’NAAL HANDELSCONTACT

FINANCIERING VAN DE BUITENLANDSE HANDEL
..

.

.
..

.
•• ••••••••••••••••••••••••.••.••••••••••••…•••••••

ECONOMISCI{.STATISTISCIJE

BERICtITEN

Uitgave van het Nederlandsch
Economisch Instituut

Adres voor Nederland: Pieter

de Hoochstraat 6, Rotterdam
(West)

Telefoon Redactie en Admini-

strotie 38040. Giro 8408.
Bankiers:

R. Mees en Zooflen, Rotterdam

Redactie-adres voor België:

Seminarie voor Gespecialiseer-

de Ekonomie, 14, Unii.’ersitcite-

straat. Gent.

– N.V. KEMO CORSETFABRIEK

(HUN KEMÖLLER LEXIS)

gevestigd te Amsterdam

UITGIFTE
van

720 gewone aandelen elk groot f600.-

nominaal aan toonder

ten volle delende in de resultaten over het boekjaar 1952 en

volgende jaren,

tot de koers van
110
0
/
0

Ondergetekende bericht, dat de inschrijving op bovengenoemde uitgifte
– uitsluitend voor aandeelhouders – zal opnstaan ten kantore van de

NEDERLANDSCHE CREDIETBANK N.V.

te Amsterdam, alsmede bij haar overige kantoren op

WOENSDAG, 8 OCTOBER
1952

van des voormiddags 9 uur tot des namiddags 4 uur

op de voorwaarden van het prospectus dd.
25
September
1952.
Exem-
plaren van het prospectus en inschrijvingsbiljetten zijn bij de kantoren
van inschrijving verkrijgbaar.

NEDERLANDSCHE CREDIETJ3ANK N.V.

AMSTERDAM, 25 September
1952.

Abonnementen: Pieter de

Hoochstraat 5, Rotterdam (W.)

Abonnementsprijs, franco per

,post, voor Nederland en de

Unie gebieden en Overzeese

Rijksdelen (per zeepost) f 26.-,

overige landen f 28,- per jaar.

Abonnementen kunnen ingaan

met elk nummer en slechts

worden beëindigd per ultimo

van het kalenderjaar.

.

Aan getekende stukken in Ne-

derland aan het Bijkantoor

Westzeedijk, Rotterdam (W.)

ADVERTENTIES.

Alle correspondentie betreffen-

de advertenties te richten aan

de Firma H. A. M. Roelants,

Lange Haven 141. Schiedam

(Telefoon 69300 toestel 1 of 3)

Advertentietarief f 0,40 per

mm. Contract-tarieven op aan-

vraag. Rubrieken ,,Vacatures”

en ,,Beschikbare krachten”

f 0,60 per min (dubbele ko-

lom). De administratie behoudt

eich het recht voor om adver-

tenties zonder opgaaf van

redenen te weigeren.

Losse
nummers 75 ets.

Auteur