Ga direct naar de content

Jrg. 37, editie 1832

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juli 2 1952

-‘

DE NAASTE TOEKOMST

ECONOM’ISCH-

STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

37E JAARGANG

WOENSDAG 2 JULI 1952

No 1832

S

COMMISSIE VAN REDACTIE

Ch. Glasz; H. W. Lambers; J. Tinbergen;

F. de Vries; C. van den Berg (secretaris)

Redacteur-Secretaris: A. de Wit.

Assistent-redacteur: J. H. Zoon.

.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË

J. E. Mertens; J. van Tichelen;

R. Vandeputte; F. Versichelen.

S

Voor de niet gesigneerde artikelen is de Commissie

van Redactie verantwoordelijk

-‘

INHOUD

Econonische problemen
van de
komende Regering

Blz.

Uit de gezichtshoek van
de redactie ……..500

Uit de gezichtshoek van de Partij van de

Arbeid
door Drs G. M. Nederhorst ……501

Uit de gezichtshoek van deKatholieke Volks-

partij door Mr P. A. Blaisse …………503

Uit de gezichtshoek van de Anti-Revolu-

tionnaire Partij
door Prof Dr T. P. van

der Kooy ………………………..507

Uit de gezichtshoek van de Christelijk-

Historische Unie
door Drs J. W. de Pous .. 509
Uit de gezichtshoek van de Volkspartij voor
Vrijheid en Democratie
door Prof Dr H.

J. Witteveen …………………….511

Uit de gezichtshoek van de Communistische

Partij Nederland door J. Hoogcarspel … 514

AUTEURSRECHT VOORBEROUDEN

Dezer dagen

statistiek der verkiezingen. Vertrouwen en wantrouwen
vonden hun weerslag in cijfeEs, zetels en restzetels. Statis-tiek: ,,toestandkunde” vertalen de IJslandse taalzuiveraars.
Van de formateur wordt thans wel in de eerste plaats
gevraagd: toestandkunde met een blik vooruit.
S

Welke taken dienen door een nieuw gevormde Regering in de naaste toekomst te worden vooropgesteld? Het kwam
de redactie aantrekkelijk voor een aantal economisch
deskundigen, van verschillende politieke zienswijze, te
vragen zich over deze vraag, elk van eigen gezichtspunt,
uit te spreken. De auteurs schrijven namens zichzelf, op
twee wijzen. Zij schrijven niet letterlijk als dragers van
programma’s en – waarschijnlijk ten overvloede gezegd – de redactionele hand heeft hun bijdragen ongemoeid ge-
laten. De redactie heeft gemeend haar bijdrage niet te
moeten brengen in de vorm van strepen en vraagtekens,
doch in een groslijst der problemen. De auteurs, die zich
zelfs door ernstige tijdnood niet lieten afschrikken, zijn
wij dankbaar voor hun blik vooruit.
Vöér men de hand aan de ploeg slaat, kan toch ook de
terugblik zich opdringen. Terugblik, het geldt in de eerste
plaats in deze week voor de Minister van Financiën. Hij
gaat heen. De Turkse wijze van het heffen van schattingen is in de historie vermaard; volgens sommigen zal hij daar-
van niets kunnen leren, volgens anderen zal hij er gezond
beheer helpen bevorderen, volgens allen vertrekt een excel-
lent Nederlander.
Zijne Excellentie diende voor de toekomst nog het Wets-
ontwerp inzake belastingfaciliteiten en exportbevordering
in. Voor wat hoort wat. De instelling van een oribelaste
exportreserve maakt het mogelijk bepaalde lasten naar
de toekomst te verschuiven. ,,Morgen, Morgen, nut
nicht heute” geldt voor een ruimere categorie dan de tragen. In de Verenigde Staten, waar men nog vôér de verkiezingen
staat, wordt ook menige beslissing naar ,,morgen” ver-
schoven. De loon- en prijscontrôle is met 10 maanden
verlengd. President en Congres bleken het niet eens over
de toekomstige regeling van de immigratie. In Nederland
kan men zich thans reeds melden voor emigratie naar
Canada in
1953.
Nederland overzee. Ook naar Afrika? Het Franse blad
,,Marchés Coloniaux” wijdt een artikel aan mogelijke
Frans-Nederlandse samenwerking
bij
verdere ontsluiting van dit werelddeel. Het ziet goede kansen o.a. voor-re-
search, moderne industriële plantages, irrigatie en andere waterbouwkundige werken. Doch allereerst dient men de
monetaire en financiële aspecten, eventueel binnen het
kader van de O.E.E.C., onder ogen te zien. ,,Capital is
the essence of development” schrijft ,,The Economist”
in een beschouwing over de toekomstige ontwikkeling van
het Britse Gemenebest. Nog essentiëler is echter de ont-wikkeling, en zeker voor een land, waar de verkiezings-
statistiek meer dan
54
millioen kiezers aanwees. Toestand-
kunde is hier met recht ,,vooruitzien”.

Nationale Handelsbank, N.V.

Amsterdam

Rotterdam

‘s-Gravenhaae
R. MEES & ZOONEN

ANNO 1720

Alle Bank- en Effectenzaken

Bankiers
&
Assurantie-Makelaars

N.V. Kouillklijke Nederlandsche Petroleum

aatsuhappij

gevestigd te ‘s.Gravenhage.

In de op 27 Juni 1952 te Amsterdam gehouden Jaar-
lijkse Algemene Vergadering van Aandeelhouders werd
her dividend over het boekjaar 1951 vastgesteld op 13
0
/0
in contanten en 2
0
/0
in aandelen van de Vennootschap.
Hiervan werd op 7 Februari 1952 reeds 4
0
/0
in contanten
als interim-dividend betaalbaar gesteld, zodat het slot-
dividend bedraagt 9
0
/0
in contanten en 2
0
/0
in aandelen.

Voor her slot-dividend in aandelen ad 2
0
/0
is dividend-
bewijs No 99 van de aandeelbewijzen en onderaandeel-
bewijzen aangewezen. Deze dividendbewijzen zullen van
9Juli 1952 af bij de hieronder genoemde bankinstellingen
kunnen worden aangeboden ter omwisseling in aan-
deelbewijzen of onderaandeelbewijzen van de Ven noot-
schap, welke volledig zullen delen in de winst over
1952 en volgende jaren. Bij de omwisseling geeft elk divi-
dendbewijs van één aandeelbewijs recht op
/50
aandeel
of
1/5
onderaandeel en elk dividendbewijs van een onder-
aandeelbewijs recht op
1
/500
aandeel of
l/o
onderaandeel.

Ten behoeve van aandeelhouders, wier aandelen zijn ge.
boekt in het Register van Aandeelhouders, zullen scrips
ter beschikking worden gesteld. Deze scrips geven de.
zelfde rechten als dividendhewjjzen No 99 van de
aandeelbewijzen.

Voor het dividend in aandelen (dividendbewijzen No 99
en scrips) alsmede voor de aandeelbewijzen en onder-
aandeelbewijzen, waartegen het dividend in aandelen
kan worden omgewisseld, zal toelating tot de notering
op alle beurzen, op welke de aandelen van de Vennoot-
schap genoteerd zijn, worden aangevraagd.

Betaling van her slot-dividend in contanten ad
f.
90,-
minus 150/
0
divideiidbelasting over het totale slot-divi-
dend = f1 73,50 voor de aandeelbewijzen en f. 9,- minus
15
0
/0
dividendbelasting over het totale slot-dividend
f. 7,35 voor dr onderaandeelbewijzen, zal geschieden
van Woensdag 9 Juli 1952 af tegen intrekking van
dividendbewijzen No 100 van de aandeelbewijzen en
onderaandeelbewijzen:
te
bij
Amsterdam
INederlandsche Handel-Maatschappij
N.V

of
Kas.Vereeniging N.V.
Itotterdam
Nederlandsche Handel-Maatschappij
N.V.
oi
Heren Van
der
Hoop, Offers
&
Zoon
‘s.Gravenhage Nederlandsche Handel-Maatschappij N.V. of
Heren
Scl,iIl
&
Capado8e
New York
The Chase National Bank of the City
of New York
Londen
Messrs. N. M. Rothschild
&
Sons
Parijs
MM. Lazard Frères
&
Cie
Züricb
Crédit Suisae


Brussel
Banque de la Société Cénérale de Belgique of
Crédit Lyonnaia S.A.

‘s.Gravenhage,
27
Juni
1952

ZEND T Uw opdrachten

TIJDIG in

498

ROTTERDAM

‘s-Gravenhage, Delft, Schiedam, Vlaardingen,

Amsterdam (alleen Assurantie)

Ten behoeve van de Regerings- en Belastingaccoun-
tantsdienst van de Itepublik Indonesia kunnen won-den
uitgezonden:
ACCOUNTANTS

(academisch gevormd, dan wel lid NIVA).

ADJUNCT-ACCOUNTANTS

(algemene middelbare opleiding, alsmede het diploma
M.O. Boekhouden of Handelswetenschappen, S.P.D. of
volledig voorbereidend vakexamen NIVA).
Dienstverband drie jaar. Extra uitkering 45% van
totaal genoten basissalaris á pari in Ned.Crt. Bij eventuele achterlating gezin gunstige delegatie-
regeling.
Sollicitaties te richten tot de Commissie voor Aan-
name van buitenlandse. Experts, Prins Mauritslaan 1,
Den Haag.

1IliifliT
r•
r
it ‘IL,

ei[i” 111
t

1r”l

r

El

Nederlandsche

Handel-Maatschappij, N.V.

DEVIEZENBANK

Li

Hoofdkantoor: Amsterdam, Vijzelstraot 32

86 kantoren in Nederland

.

R

REIS DE VIEZEN
IJ

4
BAGAGE- EN ONGEVALLENVERZEKERING
t

!

! Vraagt onze folder ,,Met vacantie naar het buitenland”,

welke kosteloos bij elk onzer kantoren verkrijgbaar is.
N

:at2tt=111111
t:


:
itc1m

2 Juli 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

499

Geregistreerde werklozen per provincie
(mannen en vrouwen)

Het aan/al werklozen word/aangegeven door de hoogte der staven (in
duizend/al/en)

cle concenlralie door de breedte (i breecl/e gern. conc. Neo’erlanc/)

F

1
1948

1949

EE”1950

• 1951

0

(
/
7kIi

l61<“5

nfl1

..,
:

14

ç

,.’6

12

,
10

1•
J

/
1

t

/

2I1′
flr2k1

/

0

t..

4

•j

\•

8

‘•

E1iI

L

1.4*

fln

•__
b

10

6

,

4

_______

‘.

0

1

2

1• (•

1
*01

500

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

2
Juli
1952

Economische problémen van de komende Regering

Onze nieuwe Regering zal, zoals elke regering in deze
tijd, voor grote en moeilijke problemen komen te staan.
Vraagstukken van buitenlandse politiek en defensie in
de eerste plaats; vele en uiteenlopende vraagstukken van
binnenlandse aard: onderwijs- enopvoedings-,economische,
financiële en sociale problemen. Haar standpunt t.a.v.
deze problemen wordt ten dele door de stembusuitslag be-
paald. Ten dele wordt de Regering echter ook met wat men
zou kunnen noemen een objectieve taak geconfronteerd: bepaalde vraagstukken zijn er nu eenmaal en men zal de
portuur van de nieuwe Regering achteraf kunnen beoor-
delen naar de houding die zij ten opzichte van deze objec-
tief-gegeven ,,uitdagingen” aanneemt. De economische

kant van deze taak van de nieuwe Regering moge hier
nader worden beschouwd.

Er is op dit terrein geen sprake van dat er zich zulke
dringende vraagstukken voordoen als bijv. in
1945.
Het
meest dringende is het werkloosheidsvraagstuk, doch de
situatie is niet onrustbarend. De verbetering sinds eind
Januari is pradisch gelijk aan de normale seizoensverbe-
tering. Wij verliezen dus geen terrein meer, zoals aan het
einde van
1951
het geval was en de vooruitzichten voor de
naaste toekomst geven hoop dat wij .terrein gaan winnen.
Is de situatie niet onrustbarend, zij eist niettemin voort-
durende aandacht, want er bestaan risico’s voor de ont-
wikkeling op iets langere termijn. Er was in de laatste jaren
een hardnekkige, zij het ook langzame, toeneming van de
werkloosheid, slechts onderbroken door de repercussies van
de hausse van Korea, en als deze hardnekkige tendentie
zich voortzet komen er onaanvaardbare cijfers in het
verschiet. Een buitenlandse conjunctuurdaling is er nauwe-lijks en in deze omstandigheden kan een binnenlandse con-
junctuurpolitiek betrekkelijk gemakkelijk gevoerd worden.
Als er dan toch een toeneming blijft, is er blijkbaarstructuur-
werkloosheid. In het groot gezien vereist dit aanpassing aan
nieuwe omstandigheden en wat er nu in de laatste tijd ge-
schied is en wellicht staat te gebeuren op het terrein van de
kostenontwikkeling geeft te denken. Op dit vraagstuk
van onze toekomstige structuur komen wij hieronder
nog terug. Wat de naaste toekomst betreft lijkt het niet al
te moeilijk aan te geven wat er t.a.v. de werkloosheid moet
gebeuren.

Er is verder een vraagstuk dat men dringend kan noemen
naar de maatstaf van zijn omv.ang: het woningvraagstuk.
Hiervoor geldt echter dat.de oplossing in beginsel duidelijk
isen een zekere tijd zal kosten, omdat het nu eenmaal moei-
lijker is op te bouwen dan af te breken, en ook al kan men
over het tempo nog enigermate van mening verschillen,
voor de allernaaste toekomst kan daar niet veel aan ge-
wijzigd worden en maakt het voor het probleem ook niet
al te veel uit. Ook hier dus beslissingen op iets langere
termijn, die het hoofdgewicht hebben.
Er is voorts een zekere sociale spanning. Men zal zorg-vuldig moeten zijn in het betrachten van de sociale reçht-
vaardigheid bij alle maatregelen, dië men verder zal ont-
werpen. Er bestaat onmiskenbaar het gevoel dat door de
geleide loonpolitiek de bal iets te ver ten nadele van de
werknemers is gerold, zonder dat dit gevoel geheel juist
behoeft te zijn. Er is echter gevoeligheid over deze zaak.
Mogelijk zal in de richting van het verschaffen van een
.zeker medebezit van nieuwe investeringen aan werknemers
een compensatie voor deze gevoeligheid kunnen worden
verkregen. Ook is het met de ouderdomsvoorziening nog
niet naar wens gesteld en ligt daar eveneens een mogelijk-
heid van compensatie. Beide onderwerpen zijn op het ogen-
blik bij de Sociaal-Economische Raad in studie en geen regering zal iets willen ondernemen zonder deze graad-
meter van de publieke opinie eerst te hebben afgelezen.

Hetzelfde geldt in zekere zin voor een derde onder-werp, dat bij de S-ER. eveneens in behandeling is, nl.
dat van de huren. Hier komen wij echter reeds typisch op een vraagstuk dat ook in sterke mate een vraagstuk
van de lange baan is. Niet, omdat de huurverhoging thans
weer op de lange baan zou mogen of kunnen worden ge-
schoven. Wel, omdat kennelijk het uiteindelijk evenwicht

op deze markt nog zo ver verwijderd is van de huidige
situatie, dat er eenvoudig niet aan te denken valt het met
één slag op te lossen. Naast het vraagstuk van de huren ligt dat van de pachten, eveneens onlangs op de helling
genomen. Een fundamentele vraag die men bij de behan-deling dezer beide vraagstukken niet uit de weg kan gaan

is de reeds oude vraag: hoe staan wij tegenover inkomsten
genoten uit bezit in het algemeen en uit bijzondere vormen
van bezit? Zal men aan de bestaande uitholling van het bezit een meer harmonische en economisch doelmatige
vorm en omvang weten te geven?

Zijn er dus inderdaad wellicht geen dringende vraag-
stukken in de zin van vraagstukken van grote omvang,
die om directe afdoening vragen, er zijn wel degelijk grote
economische vraagstukken op te lossen, doch het zijn voor
het merendeel vraagstukken van langere adem. Dit, geeft
ze echter juist het bijzondere aspect, waardoor zij tot toets-
steen van een nieuwe regering kunnen worden. Een pro-

bleem, ook zelfs wanneer het van grote omvang is, dat zich
eerst op lange termijn doet voelen, kan omzeild worden
gedurende enige tijd, zonder dat zich dat onmiddellijk
wreekt. Slechts wie niet bevreesd is zulke grote vraagstuk-
ken onder de ogen te zien, zal er toe komen ze aan te pak-
ken, ook wanneer dat nog niet onmiddellijk nodig is.
Deze verwachting mag men van de nieuwe Regering koes-
teren.

Het vraagstuk waarop wij doelen kan aangeduid worden
als dat van de toekomstige structuur onzer volkshuishou-
ding. Structuur in de meest uiteenlopende zin. Om te be-
ginnen: hoe moeten wij onze export en onze industria-
lisatie aanpassen, om voor een snel groeiende bevolking een groeiend welvaartspeil te bereiken in een wereld die
langzamerhand een minder geprivilegieerde positie aan
de Westeuropese landen schenkt? Zijn wij reeds ver genoeg
gegaan in het verbeterén der kwaliteit onzer producten en
kan de Regering hierbij nog een zekere rol vervullen?
Zijn wij reeds ver genoeg gegaan in typenbeperking, samen-
werking bij de productie en de export en heeft de Regering
hier nog een stimulerende taak? Is er ten aanzien van de scholing onzer arbeiders, de beroepskeuze en de daarbij bestaande vooroordelen nog meer te doen? Moet in ver-
band daarmede de loondifferentiatie vergroot worden?
Van bijzondere betekenis in dit verband is de vraag van
de financiering der hoge investeringen, die in het ontwikke-
lingsplan van ons land een plaats moeten vinden. Sedert enige jaren reeds is het vraagstuk, m.n. door de Herstel-
bank, aan de orde gesteld: zal bij de tegenwoordige in-
komensveideling en belastingdruk voldoende aanbod
van risicodragend kapitaal optreden? Zal bovendien de
belastingstructuur niet een hindernis zijn voor de ontwik-
keling van de efficiency? De ook reeds bekende kwestie
van de neiging om op bepaalde uitgaven minder zorgvuldig
toe te zien, ,,omdat de fiscus toch de helft betaalt”, ligt
hier vlak naast. Dit gehele ccimplex van vraagstukken zal moeten worden bezien. Het is daarbij niet bij voorbaat zo gesteld dat de enige oplossing een teruggaan tot vroegere
tijdperken zou inhouden. Wat wel nQdig is, is echter dat
de behoefte aan kapitaal zorgvuldig onderzocht wordt,
gesplitst naar de aard dier behoefte en dat omtrent de in-
vloed van het belastingsstelsel op de efficiency nader onder-
zoek wordt verricht. Zouden de nadelige invloeden zo groot

t

2Juli 1952

ECONOMISCII-STATISTISCHE BERICHTEN

501

zijn als door ettelijke competente beoordelaren wordt
gemeend, dan ligt in het onder de ogen zien van dit vraag-
stuk zeker een der belangrijkste taken van de nieuwe Rege-

ring.
Naast deze, laten wij zeggen, materiële en quantitatieve
vraagstukken van onze toekomstige structuur liggen de
organisatorische, de sociale en de qualitatieve. Wij raken
hier grensgebieden van het economische; het zou evenwel
van kortzichtigheid getuigen, indien ze niet werden onder-
kend ook door hen die slechts economische verantwoor-
ding menen te dragen. Kort na de bevrijding is er behalve
van herstel, veel gesproken van vernieuwing. Deze ver-
nieuwing heeft ten dele zeker reeds vorm aangenomen.
Er is bijv. in de sociale sector een grondige wijziging op-
getreden. Wij behoeven daarop thans niet terug te komen.
De vernieuwing is echter zeker nog niet een afgernd
geheel. Nog belangrijke ,,gebouwen” staan slechts in de
steigers. Natuurlijk denken wij hier in de eerste plaats aan
het gebouw van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
(P.B.O.). Het zal de niet eenvoudige taak zijn van de toe-
komstige Regering er op toe te zien, dat het gebouw een
harmonisch geheel wordt, dat de omgeving niet te veel
overheerst. Of in althans iets duidelijker woorden, het goede
midden zal-moeten worden gevonden tussen een nood-
zakelijke coördinatie en een ongewenste monopolisatie.
Ook op het stuk van onderwijs is slechts een eerste begin
gemaakt. Hier kan men zelfs zeggen dat ons land een
achterstand heeft in te halen.
Misschien de meest belangrijke vernieuwing, waarop wij
moeten hopen, is een vernieuwing in internationaal op-
zicht. De tijd is voorbij dat de taak van een Nederlandse
Regering zich kon beperken tot de lotgevallen van het Rijk.
Iedere regering is thans medeverantwoordelijk voor het
lot van de internationale gemeenschap en om nu maar
dicht bij huis te blijven, de Nederlandse Regering is mede-
verantwoordelijk voor het lot van West-Europa. Men
behoeft geen pessimist te zijn om niettemin onvoldaan te
zijn over de wijze waarop, elders en hier, de Europesesa-
menwerking wordt gespeeld.
Zij
wordt veel meer gekenmerkt

ROTTERDAMSCHE BANK

DOCUMENTAIRE

ACCREDITI EVEN
INCASSERI NGEN

OP BINNEN- EN

BUITENLAND

250 VESTIGINGEN IN NEDERLAND

door een wat bekrompen wederzijdse vliegenafvangerij’
dan door de grote blik van Europees ingesfelde staatslie-den. Deze laatste zijn helaas verre in de minderheid. Het
zou niet voor het eerst zijn wanneer de geschiedenis een der-
gelijke vorm van ,,samenwerking” verloochende. Meer
visie, meer loyale uitvoering vande in ternationale samen-
werking zal dringend nodig zijn.
Wij hebben slechts problemen gesteld, geen oplossingen gegeven. Wij hebben dus een te gemakkelijke weg bewan-
deld. Toch weet ieder dat het goed stellen van het vraag-
stuk voor het oplossen daarvan een essentiële stap is.
Er zal gelegenheid genoeg zijn op bepaalde oplossingen

terug te komen. –

Een nieuwe Regering…, een nieuwe taakstelling

Uit de gezichtshoek van de
Partij van de Arbeid

Een weergave in kort bestek, van wat de inhoud zal
moetèn vormen van het toekomstige regeringsprogramma
loopt gevaar een kaleidoscopisch beeld te geven van een
aantal thans levende wensen en verlangens. Wij zullen
ons in het onderstaande tot het strikt economische be-
perken en willen daarbij volstaan met enkele hoofdpunten
aan te stippen, welke soms wel, soms niet met elkaar in verband staan. Toen na de bevrijding een nieuwe Rege-
ring optrad, was het vraagstuk van het economisch herstel
tezamen met de politiek van sociale zekerheid het kernpunt
waarop.zich het economische en financiële beleid richtte.

Volledige werkgelegenheid.

De nieuwe Regering, die straks zal optreden, zal het
accent van het regeringsbeleid anders dienen te leggen.
Zonder te willen beweren, dat het economisch herstel
reeds volledig is bereikt of dat ten aanzien van de sociale
zekerheid geen taak meer voor een komende Regering zal
zijn weggelegd, vragen toch andere punten in meerdere
mate de aandacht.
Kernpunt van een nieuw regeringsprogramma zal o.i.
ditmaal dienen te zijn de handhaving en uitbreiding van de

werkgelegenheid.

De samenhang, die er tussen de noodzaak tot het in
evenwicht brengen van de betalingsbalans en de eisen,
die het op peil houden van de werkgelegenheid stelt, is,
zal daarbij in onderling verband

moeten worden be-

zien.
Voor het eerst na de oorlog is de vraag actueel of, gege-
vèn het gunstige verloop van de belastingopbrengsten,
het vormen van conjunctuurreserves niet mogelijk is.
Tegen deze conjuncturele achtergrond moet o.i. hét vraag-

stuk van belastingverlaging worden gesteld. De mogelijk-
heden daartoe zijn uit conjunctureel oogpunt beperkt.
Daarnaast is een reorganisatie van het openbare werken beleid dringend gewenst. De spreiding van de openbare werken politiek over zes departementen (Ministerie van
Sociale Zalen en Volksgezondheid, Ministerie van Verkeer
en Waterstaat, Ministerie van Wederopbouw en Volks-
huisvesting, Ministerie van Binnenlandse Zaken, Minis-
terie van Landbouw en Voedselvoorziening en Ministerie
van Economische Zaken) komt het resultaat van het be-
leid niet ten goede. Het onderbrengen van het openbare
werken beleid bij één Minister, welke tevens het goedkeu-
ringsbeleid in handen dient te hebben, verdient ernstige
overweging. Bezien vanuit een oogpunt van organisatie

502

ECONOMISCH-STATiSTISCHE BERICHTEN

2 Juli 1952
en efficiency is de huidige toestand ondoelmatig. Zuiver
economisch gezien zou een departementale reorganisatie

gewenst zijn.
Voor het in werking treden van bepaalde maatregelen
ter bestrijding van de werkloosheid moet een bepaald
werkloosheidscijfer als thermometer gehanteerd worden,
teneinde het critische punt voor ingrijpen te bepalen. Met klem zouden wij er op aan willen dringen, het geheel van
bevoegdheden van de Regering ten aanzien van het ingrij-
pen in de werkgelegenheid de vorm te geven van een mach-
tigingswet. Dit heeft het voordeel, dat de Regering snel en
afdoende kan reageren, wanneer het peil der werkgelegeri- –
heid dat vereist en alvast uitgaven kan doen zonder eerst
de parlementaire goedkeuring af te wachten. De parle-
mentaire contrôle komt tot zijn recht door een scherpe
omschrijving van de machtiging met maxima voor de uit
te geven bedragen en de verplichting tot het vragen van
goedkeuring achteraf aan het parlement.
Een onderdeel van de werkgelegenheidspolitiek is het ex-
port- en industrialïsatiebeleid.

Expo rtbevordering.

Wat de exportbevordering betreft is het niet uitge-
sloten, dat er in de ,,short run” een zekere tegenstelling
met een consequente politiek van volledige werkgelegen-
heid kan ontstaan. Het moge waar
zijn,
dat van uitbreiding

van de export een gunstig effect op de werkgelegenheid
uitgaat, maar dit effect is pas merkbaar op lange termijn,
terwijl het volkomen willekeurig is of arbeidsextensieve
dan wel arbeidsintensieve industrieën de gunstige gevolgen
van de exportvergroting zullen ondervinden. In die tussen-
tijd kunnen zich echter ernstige afzetmoeilijkheden op de binnenlandse markt voordoen.
Een tijdelijke ondersteuning van deze afzet door middel
van koopkrachtinjecties moet mogelijk blijven. Ook de
mogelijkheid van het tijdelijk handhaven van de werkge-
legenheid door werkspreiding en korter werken met finan-
ciële bijstand van de Overheid moet open blijven.
Men make van de exportpolitiek geen dogma ten koste van de werkgelegenheid. In dit verband dient in het rege-
ringsprogramma met de mogelijkheid van belastingver

laging (verlaging van de omzetbelasting en als uiterste
middel verlaging van de loonbelasting), pensioenverhoging,
versnelde uitkering van oorlogsschade e.d. rekening te
worden gehouden. Deze maatregelen dienen slechts dan
te worden overwogen, indien de werkloosheid in de ko-
mende winter zich zeer öngunstig zou ontwikkelen.
Gezonder dan de tijdelijke opvoering van het verbruik
is het effect, dat van een verdere opvoering van de pro-
ductie op de werkgelegenheid zou uitgaan. Vergroting
van de productie als element van werkgelegenheidspohtiek
heeft twee aspecten. Het heeft een exportkant en het heeft
een industrialisatiekant. Ten aanzien van de export moeten
de voorgestelde maatregelen van de exportnota zo spoedig
mogelijk in de vorm van wetten het Staatsbiad bereiken.
Op onderdelen van de hier voorgestelde oplossing zal hier
niet naçler critisch worden ingegaan. De algemene tenden-
tie van de exportnota achten wij nl. juist.

Industrialisatie.

Moeilijker ligt het vraagstuk van het voortschrijden van
de industrialisatie. Er is op dit gebied een duidelijke ken-tering te bespeuren en wij geloven niet, dat straks bij ,het
verschijnen van de nieuwe industrialisatienota zal blijken,
dat ook dit jaar de industrialisatie bevredigend verlopen is en de gestelde taken zijn gehaald.
De mpeiljkheden op dit gebied zijn – gedeeltelijk van
psychologische, gedeeltelijk van financiële aard. De dui-
delijk opgetreden kapitaalverliezen van enkele hoopge-
vende nieuwe industrialisatieprojecten hebben menig onder-
nemer de schrik om het hart doen slaan. De onzekere

economische toestand is geen gunstig klimaat voor indus-
trialisatie.
Daarnaast is nog steeds geen bevredigende oplossing
gevonden voor het verkrijgen van een voldoende aanbod
van risicodragend vermogen voor nieuw te stichten onder

nemingen. Terwijl bestaande ondernemingen door interne
reservering nog wel tot uitbreiding via zelffinanciering
weten te komen is het voor de man, die een ,,nieuwe”
industrie wil gaan opbouwen practisch onmogelijk o1-
doende risicodragend vermogen aan te trekken. Tegen het
op de voorgrond plaatsen van een vrije emissiemarkt als
remedie tegen deze kwaal met de daarmede gepaard gaan-
de opheffing van de dividendstop hebben
wij
ernstige be-
zwaren. Juist in deze tijd kan de dividendstop conjunctuur-
initigerend werken.
Zij
bevordert het intern sterk worden
van de onderneming, hetgeen bij een conjunctuuromslag
een niet te verwaarlozen factor is. Daarnaast zijn wij niet
overtuigd, dat de voorlichting op de emissiemarkt van
dien aard is, dat de particuliere spaarder een helder inzicht
kan krijgen in het investeringsbeleid, waardoor objecten,
die het allereerst voor industrialisatie en het scheppen van
werkgelegenheid van belang zijn, hun kansen dikwijls
niet zullen krijgen. Ook de particuliere belegger heeft de neiging het zekere voor het onzekere te nemen en beleg-
ging in nieuwe industrieën is nu eenmaal altijd onzeker.
Vandaar, dat onze voorkeur uitgaat naar een ander
systeem. Gegeven de grote reserveringen in bestaande
ondernemingen enerzijds, en het gebrek aan risicodragend
vermogen voôr nieuwe industrieën anderzijds geven wij
de voorkeur aan een beleid, dat het mogelijk maakt de
ondernemingsreserves, risicodragend in nieuwe onder-
nemingen te beleggen, waarbij organen als de Herstelbank
of de Participatiemaatschappij zo nodig als transformator
voor de omschakeling van vast rentedragend vermogen
naar risicodragend vermogen kunnen worden ingeschakeld.
Het zelfde, nl de overdracht van reserves aan andere
ondernemingen, is op. eenvoudiger wijze te bereiken door
het verstrekken van belastingfaciliteiten, aan hen, die hun
reserves aan de financiering van bepaalde nieuwe onder-
nemingen dienstbaar maken.
Wij achten het de taak van de nieuwe Regering aan
het probleem van het verstrekken van risicodragend ver-
mogen aan nieuwe industrieën in het regeringsprogramma
alle aandacht te besteden.

Bezitsspreiding.

In de zelfde lijn als het bovenstaande ligt het, vraagstuk
van het verstrekken van arbeidersaandelen in de vorm
van winstdeling. Het komt ons voor, dat de nieuwe Re-
gering aan de ‘mogelijkheden welke er in de winstdeling
liggen in het kader van de industriefinanciering alle aan-
‘dacht dient te geven. Onze voorkeur gaat daarbij uit naar
een nationale vorm van winstdeling en investering van

werknemerszijde boven de ondernemingsgewijze winst-
deling. Want slechts een nationale winstdeling maakt
het mogelijk gelden beschikbaar te krijgen voor de ,,nieu-
we beginner” van een industrieel project, waar de onder

nemi’ngsgewijze winstdeling alleen de bestaande onderne-
mingen ten goede komt. Wil de investering in Nederland
tot haar recht komen, dan is het dus noodzakelijk, dat de
mogelijkheden welke er in de onderneming zijn om het
inkomen van de werknemer te verhogen in de eerste plaats
de vorm krijgen van uitkering van aanspraken op geïn-
vesteerd vermogen.

In dit kader past de handhaving van de gebonden loon-
politiek met dien verstande, dat verder voortgeschreden
wordt op de weg naar grotere loondifferentiatie en weg-vallen van detailbemoeienis met de lonen. Een vrij laten van de lonen zou echter in strijd komen met het streven,
meer geld voor investering beschikbaar te krijgen. Dit be-
tekent niet, dat een loonsverhoging zal zijn te ontgaan,
wanneer de huurverhoging in werking zal treden. Het

2 Juli 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

503

nieuwe regeringsprogramma zal zich duidelijk over dit
verband hebben uit te spreken, waarbij aan een huurbe-
lasting niet zal zijn te ontkomen.

.Publiekrechteljke bedrijfsorganisatie.

Van geheel andere orde, maar toch ook in het regerings-
programma op zijn plaats, is een duidelijke uitspraak met
betrekking tot de gang van zaken de publiekrechtelijke
bedrjfsorganisatie betreffende. Het wegvallen van de
organisatie Woltersom doet een vacuum ontstaan. Het ge-
vaar hiervan wordt duidelijk, wanneer men beseft, dat de
komende Regering in haar vierjarige (of kortere) regerings-periode

naar alle waarschijnlijkheid het vraagstuk van
de conjunctuuromslag op haar weg zal ontmoeten. Wan-
neer er dan geen organen zijn, die de noodzakelijke maat-
regelen zullen kunnen nemen, dreigt het gevaar ,,van
bovenaf” geregeerd te worden. Het regeringsprogramma
dient in dit verband de instelling van enkele product-
schappen met name aan te kondigen, terwijl uit het pro-
gramma de bereidheid moet blijken om ook enkele be-
drijfschappen, waarvan de instelling urgent is, bij voorstel
van wet bij de kamer aanhangig te maken.
Terugslag in.de conjunctuur dreigt ook wanneer over
enkele jaren de fase van opbouw van de defensie zal over-
gaan in stabilisatie van de defensie. Reeds thans is het
nodig zich hierop voor te bereiden en de nieuwe Regering
heeft tot taak dit vraagstuk onverwijid in studie te nemen
en ook internationaal aanhangig te maken.

Europese integratie.

En zo komen wij ten slotte te spreken over de zeer be-
langrijke internationale paragraaf in een nieuw regerings-
programma. Ook op dit gebied eerst een opmerking van
organisatorische aard. De nieuwe Regering zal zich ern-
stig hebben te bezinnen op de noodzaak om eenheid te
brengen in het buitenlands economisch beleid. Op dit
gebied liggen er op departementaal vlak tal van compe-
tentiekwesties, die slechts door een frisse reorganisatie

en juist vaststellen van de verantwoordelijkheden tot een
oplossing gebracht kunnen worden. Op dit gebied doet
zich een soortgelijke spreiding van verantwoordelijkheid voor als bij de behandeling van de werkgelegenheidspro-
blemen; alleen zijn het hier de Ministeries van Buiten-
landse Zaken, Economische Zaken, Verkeer en Water-
staat, en Landbouw en Voedselvoorziening, die onderling
aan het touwtrekken zijn.
Zien wij echter van deze organisatorische kwestie af,
dan zal het regeringsprogramma zich moedig en duidelijk
over de noodzaak van verdere integratie moeten uitspreken.
De Europese Defensie Gemeenschap en de Europese
Gemeenschap voor Kolen en Staal eenmaal aanvaard
zijnde, is stilstand of een traag voortgaan op deze weg voor
Nederland eenvoudig dodelijk. Een Europese Investeringsbank kan nauwelijks uitstel
lijden omdat naast de Europese Betalingsunie de noodzaak
van internationale financiering op lange termijn met de
dag duidelijker wordt. Speciaal voor de conjunctuur-
politiek en de werkloosheidsbestrijding is dit van belang.
De weg, gewezen in het bekende rapport over de ,,full em-
ployment” van de Commissie van de Verenigde Naties, is
wat dat betreft duidelijk en uit het regeringsprogramma
moet de bereidheid blijken om de spits hier af te bijten.
Daarnaast vraagt de Europese landbouwintegratie en de
integratie van het Europese transport de volledige steun van de nieuwe Regering, terwijl een spoedig advies van
een deskundige Staatscommissie over de hele ,,integratie-
problematie” (volgorde van integratie, het in elkaar grijpen
van diverse integratieplannen enz.) de nieuwe Regering
kan vrjwaren tegen een onbezonnen voortgaan, zowel
als tegen hetgeen veel erger is, een niet doordacht streven
naar behoud van het bestaande.
Ziedaar enige gedachten over inhoud en achtergronden
van het economische programma van een nieuw te vormen
Regering. Of hiermede alles gezegd is betwijfelen we.
Sterker nog, we weten dat dit onvolledig is. Maar de
hoofdzaken zijn het o.i. wel.

Gouda.

G.
M. NEDERHORST.

Enkele economische desiderata voor de nieuwe Regering

Uit de gezic

van de

Katholiekkspartij

Bij een bespreking van de economische desiderata van de nieuwe Regering moet ik mij, gezien de plaatsruimte,
die beschikbaar is, beperken tot de hoofdzaken. De be-
schouwingen, die ik hier geef, zijn door mij gezien uit de
gezichtshoek van de Katholieke Volkspartij, zodat, of-
schoon ik mij op verschillend gebied een eigen interpre-
tatie en een verdere detaillering en accentuening heb
veroorloofd, aansluiting bestaat bij het gepubliceerde werkprogramma – verkiezingsprogramma (1952) van
de K.V.P., alsmede
bij
het algemeen staatkundig program-
ma van deze partij. Tegen deze achtergrond moet onder-
staande beschouwing worden gezien.
Voorop zij gesteld, dat een in het verleden veel gemaakte
scheiding tussen binnenlands en buitenlands economisch
beleid niet juist lijkt. Een groot aantal factoren, die be-palend zijn voor het ten opzichte van het binnenland te
voeren economisch beleid, zoals lonen en prijzen, indus-
trialisatie en werkgelegenheid, hangt direct samen met
de buitenlandse handel en met de betalingsbalans, ja ster-
ker, de door Nederland te voeren handelspolitiek en het deviezenbeleid ten aanzien waarvan door internationale
factoren veelal weinig bewegingsyrjheid bestaat, bepalen
voor een groot deel het binnenlands economisch-politieke
beleid.

Deze samenhang tussen het binnenlandse en buitenlandse
economische beleid is in het recente verleden bijzonder
duidelijk gebleken en daarom is het noodzakelijk voor
een verdere beschouwing van de economische desiderata
der nieuwe Regering iets nader hierop in te gaan. Het
doel van de economische politiek moet zijn gericht op
het scheppen van werkgelegenheid voor de beroepsbe-
volking (industrialisatie- en investeringspolitiek), op de
gebruikniaking van de werkgelegenheid door een uitge-
balanceerd intern economisch en monetair beleid en
op het bereiken van een zo hoog mogelijk levenspeil voor
het Nederlandse volk in zijn geheel.
De basis hiervoor vormt het nationale product, dat door
het economische en monetaire beleid voornamelijk door
indirecte middelen wordt verdeeld over investering, con-
sumptie en export van goederen en diensten. Is het na-
tionale product ontoereikend, dan moet 5f de consumptie
dalen, ôf de investèringsactiviteit achterblijven bij de
behoefte voor de werkgelegenheid ?f de export aan goe-
deren en diensten onvoldoende
zijn
om hiermede de on-
misbare importen en de kapitaaldiensten op in het buiten-
land geleend kapitaal te kunnen betalen dan wel een
combinatie vaii deze mogelijkheden.
Verhoging van de werkgelegenheid en verhoging )van

504

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

2 Juli 1952

de levensstandaard eist, mede in het licht van de toenemen-
de beroepsbevolking voor een klein en grondstoffenarm
land als Nederland een stijgende invoer, die alleen gedeel-
telijk en geleidelijk door importvervangende productie
kan worden gecompenseerd. Zonder de mogelijkheid
van betaling van deze importbehoeften zouden dus de werk-
gelegenheid en de welvaart dalen.
De critieke toestand van onze betalingsbalans in de
eerste he’ft van het jaar. 1951 geeft een duidelijk voorbeeld
van deze wisselwerking tussen binnenlands en buitenlands
economisch beleid. Ons land verkeerde in een uiterst zorg-
wekkende positie in de E.P.U. (rond
75
pCt van het quo-tum verbruikt) en de goud- en deviezenvoorraad was tot
minder dan f1 mrd geslonken. De Regering moest ingrij-
pen door de maatregelen, welke in haar programma van
17 Maart 1951 waren opgenomen. Het gestelde doel de
export in verhouding tot de import te verhogen en de
deviezenreserves weder aan te vullen, werd inderdaad
bereikt. De invoer steeg in 1951 tot ruim f8 mrd, een toe-
neming van 24 pCt tegenover 1950, terwijl de uitvoer
in 1951 tot f6,4 mrd opliep, een toeneming van 40 pCt
tegenover
1950.
Het dekkingspercentage, dat is het per-
centage van de invoer, dat door de uitvoer wordt gedekt, verbeterde hierdoor van 68 pCt tot 77 pCt. De verhoging
van de deviezenvoorraad was weliswaar aanzienlijk, maar
de reserves zijn nog steeds te zwak om aan een eventuele
economische crisis het hoofd te kunnen bieden.
Ik wil niet beweren, dat deze op zichzelf gunstige ont-
wikkeling alleen werd bereikt door het regeringsprogram-
ma. De gunstige ontwikkeling van een aantal internationale
factoren leverde haar bijdrage. Door het ingrijpen, dat
practisch alleen langs indirecte weg geschiedde, werd een
zware economische inzinking vermeden, hoewel men in
de korte tijd niet er in slaagde de nodige sanering .van
de betalingsbalans te bereiken met vol behoud van in-
vesterings- en consurnptiepeil en het lage percentage van
werkloosheid van het voorjaar 1951. Het grote doel voor 1952 en de volgende jaren is daar-
om de betalingsbalans sluitend te maken op een zo hoog
mogelijk niveau om deze verliezen op korte termijn te
kunnen compenseren. De Nederlandse Regering zal bij
de tegenwoordige internationale toestand met ontwikke-
lingen rekening moeten houden, die zij niet kan beïnvloe-
den. De afzetmogelijkheden in bepaalde landen, die voor
de Nederlandse producten van zo grote betekenis zijn,
zoals Engeland en Frankrijk, zijn onstabiel door het een-
zijdig instellen van restricties en verboden door deze
landen, wanneer dit naar het oordeel. van de betrokken
Regering hoodzakelijk wordt geoordeeld. Hiermede raken
wij de afhankelijkheid van de interne Nederlandse econo-
niie ten opzichte van de ‘economische toestand in andere
landen en wordt duidelijk, dat het buitenlandse econo-
mische beleid ten nauwste is verbonden met, en zelfs in vele
opzichten de grenzen bepaalt voor datgene, wat intern
bereikbaar kan zijn.
Hoe staan wij nu ten opzichte van dit alles na 25 Juni
j.l.? In verschillende publicaties en officiële sfukken is
reeds gewezen op de factoren, die de Nederlandse volks-
huishouding in 1952 en later zullen beïnvloeden. Vast
staat, dat de Regering zich opnieuw gesteld zal zien voor het vraagstuk van d&betalingsbalans, het sluitend maken
van het budget, de omvang der werkgelegenheid en het
niveau van consumptie en investering. Naast op factoren
van Nederlands beleid, die onze volkshuishouding beïn-
vloeden, zoals het voeren van een juiste monetaire en bud-getaire politiek (interne financiële stabiliteit, slu4tende be-
groting ondanks hoge of zelfs verhoogde militaire uitgaven,
een evenwichtige politiek ten opzichte van lonen en prij-
zen, de subsidiepolitiek, verhoging van de productie en
een actieve werkgelegenheidspolitiek), dient op een aantal
internationale factoren, te worden gewezen, welke niet of
slechts in geringe mate kunnen worden beïnvloed. In de

eerste plaats kan hier worden genoemd het verloop van
het prijspeil op de wereldmarkt en de invloed van de in-
ternationale politieke ontwikkeling op de economische
structuur (Korea). In de tweede plaats de afzetrogelijk-heden van de Nederlandse producten in het licht van de
koopkrachtontwikkeling in het buitenland en de ontwikke-
ling van de internationale conjuncttur. Ten slotte ware
in de derde plaats hier te noemen het èconomisch en mo-
netair beleid, dat in de verschillende landen in verband met
het vraagstuk van de betalingsbalans en de opvoering
van de landbouw- en de industriële voortbrenging wordt gevoerd. In de Memorie van Toelichting voor de begro-
ting van 1952 leest men, dat de bewegelijkheid van de
economische factoren vergroot is en dat mitsdien een
slagvaardige politiek, een politiek van economische pa-
raatheid, dient te worden gevolgd. Hoe juist dit ook moge
zijn, men vergete niet, dat ook andere landen – terecht –
deze paraatheid voor zich opeisen en daarmede zèèr ver-storend kunnen werken. Het buitenlands economisch be-
leid van Duitsland, Engeland en Frankrijk geeft daarvan
de laatste tijd maar al te duidelijke bewijzen. Het is dan ook
noodzakelijk naar middelen te zoeken om naast het na
;

tionale belang ook het gemeenschappelijk belang tot zijn
recht te doen komen. Dit kan m.i. langs tvveeërlei wegen
worden bereikt en wel door enerzijds een verdere coör-
dinatie van de economische politiek met een aantal landen
te bevorderen en de handelspolitiek te richten op het af-
sluiten van handelsverdragen op lange terpiijn, ander

zijds door het bevorderen van grotere, geïntegreerde, eenheden ten aanzien van voortbrenging en afzet. Op
beide punten zal hieronder nader worden ingegaan. Een land zal op den duur nimmer méér kunnen consu-
meren dan het produceert! Tijdelijk kan het wel reserves,
die in enigszins liquide vorm bestaan, aanspreken, maar
uiteindelijk is de hoogte van het nationaal product de
bepalende factor voor levenspeil en investeringsvermogen.
Productieverhoging is dus primaire eis. Voor Nederland dringt dit des te meer, gezien de steeds groeiende bevol-
king. De normale groei van de beroepsbevolking kan worden
gesteld op rond 45.000 personen per jaar. Rekent men met een emigratie van ca 20.000 beroepsbeoefenaren, dan res-
teert een aanwas van 25.000 personen, die additioneel in
Nederland tewerk dienen te worden gesteld. In gevolge het feit,
dat de bevolkingsdichtheid in ons land zo is toegenomen, is
de afhankelijkheid van zijn welvaart van het internationale
ruilverkeer groter geworden. Zeer duidelijk wordt door de
Minister van Economische Zaken in zijn nota inzake de ex-
portpolitiek dd. 31 Maart 1952 het verband gelegd tussen

productieverhoging en actieve industrialisatiepolitiek ener-
zijds en werkgelegenheid en exportverhoging anderzijds.
Inderdaad bestaat er voor Nederland een toenemende
noodzaak tot exportvergroting. Naar mijn mening zullen echter, naast de in. de hierbedoelde nota genoemde mid-
delen, verdergaande en deels nog andere maatregelen
moeten worden genonen teneinde de export bij het be-
drijfsleven meer aantrekkelijk te maken. Bij het streven
naar een vergroting van de afzet van het Nederlandse
product in het buitenland dient een duidelijkere politieke
conceptie als Kabinetspolitiek te worden aanvaard ten
opzichte van de economische en politieke integratie dan
in het verleden het geval was. Ik denk hierbij speciaal aan
de Europese eenheid. De voordelen van de economische
eenheid zijn evident en vinden impliciet hun erkenning
in het werkprogramma van de K.V.P,, waarin een versnelde
economische integratie \voor alle daarvoor in aanmerking
komende gebieden als noodzakelijk wordt gesteld. Door
middel van specialisatie der productie en verbetering der
arbeidsdeling stijgen de productie en het levenspeil. Hier-
mede wordt het mogelijk gemaakt de betalingsbalans ten
aanzien van de rest van de wereld in evenwicht te brengen onder het nastreven en handhaven van een hoog en stabiel
peil der werkgelegenheid. Door de kostprijsverlaging

2 Juli 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

505

verbetert de concurrentiekracht ten opzichte van derde
landen en wordt de positie als verbruiker van grond-
stoffen versterkt. Tevens is een meer efficiënte bestrijding mogelijk van de gevolgen van crisis- en schaarsteperioden
(gemeenschappelijke conjunctuurpolitiek) en ontstaat ten

slotte de zozeer gewenste grotere stabiliteit.
Ik moet hier op enkele punten met betrekking tot de
gemeenschappelijke markt dieper ingaan. Het kenmerk
van de gemeenschappelijke markt is niet alleen een vrij
goederen- en dienstenverkeer (geen contingentering, geen
invoerrechten en geen beperking van het betalingsverkeer).
Er is meer. Wil men werkelijk een maximale productie-
prestatie in de ruimste zin van het woord bereiken en
stabiele economische en sociale verhoudingen garanderen,
dan zal een aantal spelregels dienen te worden opgesteld,
die door een ieder op de gemeenschappelijke markt moeten
worden aanvaard. ik moge hier enkele noemen, die ook
in het Verdrag voor de Europese Gemeenschap voor
Kolen en Staal zijn gevolgd. Het zijn als het ware de
nieuwe rechtsnormen, die de grondslag vormen van de
nieuwe internationale rechtsorde:
verbod van discriminatie ten aanzien van verbruikers

of gebruikersgroepen;
in beginsel verbod van subsidiëring;
verbod van afspraken, welke zijn gericht op vast-
stelling van prijzen, op contrôle of beperking van
de productie of de verdeling van de markt;
verbod van machtsmisbruik dient daarnaast eveneens
te worden tegengegaan (concentratie van bedrijven).
Wil een dergelijke gemeenschap echter goed function-
neren, dan zal aan een aantal voorwaarden moeten worden voldaan. Allereerst is noodzakelijk een gemeenschappelijk
handelspolitiek beleid ten opzichte van derde landen te
voeren, in het bijzonder tegenover die gebieden, wier
valuta als schaars moet worden aangemerkt. Een ver-schillend handelspolitiek regiem van de deelnemende
landen ten opzichte van het buitenland zou onbereken-bare en ongewenste verschuivingen ten gevolge hebben
door de vrije doorlevering binnen de gemeenschappelijke markt. In de tweede plaats zal een monetair verrekenings-
stelsel dienen te worden ontwikkeld, waarbij de valuta’s
der deelnemende landen blijvend convertibel zijn. In de
derde plaats zal een coördinatie van het internemone-
taire en fiscale beleid zo goed mogelijk dienen te worden

doorgevoerd.
Het is bekend, dat in brede kringen wordt gedacht en
gewerkt aan een uitbreiding van de gemeenschappelijke
markt in Europa en dat men de overtuiging is toegedaan,
dat deze niet beperkt mag blijven tot de Gemeenschap
voor Kolen en Staal, in afwachting, of hiermede inderdaad
de beoogde resultaten wordçn bereikt. De voorbereiding

van de gemeenschappelijke markt voor agrarische pro-
ducten en de integratie van het verkeer zijn inmiddels
reeds aangevangen. Deze politiek, zoals boven gesteld,
is voor Nederland noodzakelijk. Het werkprogramma
van de K.V.P. zegt dan ook, dat naast een snel totstand-
komen van de Economische Unie der Benelux-landen,
een samenwerking noodzakelijk is in supra-nationaal
en internationaal verband, op de voet van gelijkwaar-
digheid van alle betrokken landen.
De vraag, welke zich hierbij voordoet, is, of functiona-
listisch dan welconstitutionalistisch moet worden verder ge-
werkt. Is het juist de integratie per bedrijfstak voort te
zetten en geleidelijk aan de souvereiniteit uit handen te
geven met een gelijktijdig ontstaan van organen, waaraan het beleid en het toezicht in de betrokken branche worden

toevertrouwd?
Of
moet zo spoedig mogelijk een juridisch-

staatsrechtelijke conceptie worden voorbereid teneinde het
gebouw van een verenigd Europa op federatieve grond-
slag op te trekken om eerst later tot een verdere econo-
mische integratie over te gaan? De constitutionalisten
zeggen, dat de practijk laat zien, dat de eenzijdige sector-

gewijze integratie vast loopt. De functionalistische inte-
gratie alléén – en dit lijkt mij juist – is inderdaad ge-
doemd dood te lopen. Moet men dan zeggen, dat thans
de aanpak constitutioneel moet geschieden? Een feit is,
dat dit thans een punt van reële politiek is geworden.
Immers, in Straatsburg is onlangs besloten het overleg
om tot een politieke integratie te komen, spoedig te openen. Ik moge echter op een ernstig gevaar wijzen. Met erkenning
van de noodzakelijkheid, dat thans aan de Europese
samenwerking ook een politieke basis wordt gegeven,
mag dit niet betekenen, dat de economische integratie
wordt losgelaten. Een dergelijke procedure zou ernstige
gevolgen kunnen hebben voor de Nederlandse economie.
Nederland heeft dringend expansie nodig en kan deze
voor het overgrote deel slechts verzekerd zien door het
bevorderen van de gemeenschappelijke markt. Deze poli-
tiek behoort één van de grondslagen te zijn van bpt nieuwe
regeringsprogramma. Naar mijn mening verdient het
daarom aanbeveling, dat het nieuwe Kabinet zich uit-
spreekt zijn medewerking niet aan de politieke integratie,
die op zichzelf noodzakelijk is, te onthouden, mits één
en ander conditioneel wordt gesteld in die zin, dat slechts
tot een politieke éénwording van Europa kan worden
overgegaan, indien tegelijkertijd de verdere economische
en monetaire integratie als verplichting der deelnemende landen wordt aanvaard.
Bij het door mij genoemde tweede middel, t.w. een ver-
dere economische coördinatie, staat de verruiming van
het handels- en betalingsverkeer op de voorgrond, welk
punt dan ook als desideratum duidelijk door de K.V.P.
is gesteld. Het betreft zowel het opheffen van kwantitatieve
restricties als een gecoördineerde actie tot verlaging van

de invoerrechten.
De aan de inwisselbaarheid van de Europese valuta
verbonden voordelen zijn voldoende bekend. Zéér uit-
voerig is dit punt in de Deviezennota van 2 Mei11. door de
Minister van Financiën toegelicht. Weliswaar wordt de
E.B.U. per 1 Juli verlengd, maar duidelijker dan ooit
bleek de betekenis van het Europese dollartekort voor
de convertibiliteit der Europese valuta. Zolang dit dollar-
tekort niet is opgelost, kan nimmer een bevredigende
regeling in het Europese handels- en betalingsverkeer wor-
den verkregen. Het is echter geen Europees probleem
alleen! Ook de Verenigde Staten zullen door een direct
hierop gerichte actieve handels- en betalingspolitiek het dollartekort belangrijk moeten terugbrengen. Zolang de Amerikaanse handelspolitiek een sterk protectionistisch karakter draagt en dus niet principieel wordt gewijzigd, kan de oplossing niet worden gevonden, met alle erken-ning voor de militaire en economische hulp, die door de
Verenigde Staten aan Europa is en hopelijk nog wordt
verstrekt. ,,Trade rather than aid”, formuleerde onlangs
op kernachtige wijze de Britse Kanselier van de Schatkist
de huidige dollarinipasse!
Voor Nederland is een integratie juist voor het dollar-probleem van grote betekenis. De Nederlandse industrie
is aangewezen op een relatief hoog percentage aan dollar-
grondstoffen, zowel op het gebied van de voedselindustrie
als elders. Daarentegen is de Nederlandse exportstructuur
niet passend voor afzet op grote schaal in de Verenigde Staten. In een gemeenschappelijke Europese markt kan
daarentegen mede worden geprofiteerd van de grotere

mogelijkheden, die voor de partners op dit gebied bestaan. Punten van practische politiek zijn in dit verband verder
nog de volgende:
bevordering van dollarsbesparende landbouw- en in-
dustriële voortbrenging resp. – van dollarsbesparende
aankopen (steenkolen, ijzer- en staalvoortbrengende
industrie, electro-technische industrie, brood- en
voedergranen en andere landbouwproducten);
opvoering van de dollarsopbrengende productie en
het creëren van maximale faciliteiten hiervoor;

506

ECONOMISCH-STA TISTISCHE BERICHTEN

2 Juli 1952

maximaal in dienst stellen van de Amerikaanse hulp-
verlening voor de betalingsbalans (,,off-shore” en de zgn: ,,defence support”);
bevorderen van multilaterale betalingsregelingen,
waardoor het mogelijk wordt bepaalde dollarover-
schotten van overzeese landen in te ruilen tegen over-
schotten in niet E.B.U.-valuta.

Overziet men de economische, financiële en sociale
paragrafen van het programma van de K.V.P., dan is het
geen vraagpunt, welk economisch stelsel voor de toekonist
als het meest wenselijke wordt beschouwd. Duidelijk
blijkt, dat een het beleid bepalende centrale planning en een door de Overheid gedirigeerde economie niet in het
K.V.P.-programma tot uitdrukking komen. Daarvoor
wordt te veel waarde toegekend aan de grondbeginse-
len, die in de inleiding van het programma zijn opgeno-
men, een hecht fundament verschaffende voor duurzame
vrijheid en welvaart, die met vereende krachten van Over-
heid en burgerij moeten worden beschut en tot ontwikke-
ling gebracht. Dit betekent echter niet, dat een absolute vrijheid, een terugkeer tot de liberale beginselen van de
vorige eeuw, als mogelijk of gewenst wordt gezien. Zeer
zeker niet. Op velerlei gebied en onder veelvuldig voor-
komende omstandigheden is de vrijheid terwille van hoger-
liggende belangen,aan banden gelegd, hetzij dat door eenbe-
paalde groep de belangen van die groep zelf worden be-
hartigd, hetzij, dat de Overheid op gronden van het alge-
meen belang de leiding neemt of toezicht uitoefent. Ik
zou daarom, met handhaving van het grondbeginsel
van de persoonlijke vrijheid en de persoonlijke verantwoor-
delijkheid het meest gewenste economische stelsel, zoals
dit in het K.V.P.-programma tot uitdrukking is gebracht,
willen aanduiden met de benaming van ,,gecontroleerde
vrijheid”. De mate van contrôle is daarbij afhankelijk
van de omstandigheden van
tijd
en plaats, maar het in-
grijpen van gemeenschap of Overheid, zowel nationaal
als internationaal, kenmerkt zich steeds door de bescher-
ming van hogere belangen, waarvoor het strikt indivi-
duele zal moeten wijken. Ook het Verdrag van de Euro-
pese Gemeenschap voor Kolen en Staal kent vele bepa-
lingen, welke een rechtstreeks ingrijpen in het beleid van
de ondernemingen mogelijk maken. Zij hebben betrekking
op investeringen, prijzen, samenwerking .tussen onder-
nemingen, lonen en vervoerscondities. Maar ook be-
schikt de Gemeenschap tegenover ondernemingen over
speciale bevoegdheden teneinde evenwichtsverstoring in
het marktmechanisme te voorkomen of te bestrijden. Dit
ingrijpen betreft de productie, afzet en de prijzen.
Het K.V.P.-programma houdt het midden tussen een
liberale en een planmatige economische politiek. Karak-
teristiek voor zijn programma is de gecontroleerde vrij-

heid, welke volstrekt in overeenstemming is met de eisen
van deze tijd.

In het bovenstaande is slechts een greep gedaan uit enkele
problemen, waarvoor de nieuwe Regering zich zal zien
gestéld. Gebrek aan plaatsruimte liet nu eenmaal niet toe andere aspecten van het economisch beleid in de periode na
25 Juni ii.
aan een meer grondig onderzoek te onder-
werpen.

Samenvattend
kom ik tot de volgende formulering van
enkele belangrijke desiderata voor de nieuwe Regering op
economisch gebied, ten aanzien waarvan echter niet op
volledigheid aanspraak wordt gemaakt.
Voorop sta de verhoging van de werkgelegenheid
en de welvaart. Dit zal het centrale punt moeten zijn van
het nieuwe regeringsprogramma.

Een maximale opvoering van het nationale product
is noodzakelijk. In dit verband is een krachtige voortzetting
van de industrialisatiepolitiek geboden, v66r alles in

dienst van een verhoogde afzet van het Nederlandse pro-

duct in het buitenland teneinde een sluitende betalings-
balans bij een zo hoog mogelijk welvaartspeil mogelijk te
maken.

3. Efficiënte bestrijding van eventueel optredende of
dreigende werkloosheid vereist de volle aandacht. Speciaal
de woningbouw en de uitvoering van openbare werken
komen hiervoor in aanmerking.

4. Een sluitend budget is noodzakelijk teneinde niet het
evenwicht tussen koopkracht en goederenaanbod te ver-
storen. De dekking van eventueel verhoogde militaire uit-
gaven zal door bezuinigingen op overige uitgaven en niet
door verdere belastingverhoging moeten worden gevonden.
5. De loon- en prijspolitiek hebben ten doel een maxi-
maal reëel loon te verzekeren. In hoeverre hier ingrijpen
is geboden, is afhankelijk van de politieke en economische
situatie in de wereld en de uitwerking daarvan op de Ne-
derlandse economie. Speciaal op dit terrein zal de publiek-
rechtelijke bedrjfsorganisatie een grote taak hebben te
vervullen.
6.
Offers ten opzichte van het reële loon zijn niet nodig,
indien de politiek van industrialisatie, exportvergroting en
emigratie slaagt.

7. De noodzaak tot exportvergroting dient het buiten-
lands economisch beleid te blijven beheersen. Het is ge-
wenst op verschillend gebied verdergaande faciliteiten aan
exporteurs te bieden dan thans bestaan of in het voor

uitzicht zijn gesteld. De belastingheffing ware in dit ver

band dienstbaar te maken aan het exportbeleid. Fiscaal-
technische en handelspolitieke bezwaren behoeven nièt
zonder meer een beletsel te vormen om het gewenste doel
te bereiken. Aanpassing op dit gebied lijkt allëszins moge-
lijk. Een vermindering van de belastingen naar de winst
dient te worden bevorderd. Vervroegde afschrijving bij
de scheepvaart en de industrie is voor de Nederlandse
deviezenpositie gewenst.

8. Een versnelde economische integratie tussen alle
daarvoor in aanmerking komende gebieden is noodzakelijk.
De bevordering van een Europese markt en van een hechte
economische samenwerking in het kader van de Atlan-
tische gemeenschapsgedachte zijn levensbelangen voor ons
volk (zie K.V.P.-programma). Zonder het slagen van deze
politiek met haar stabiliserende werking kan geen succes worden verwacht van een verdere industrialisatie enk de
zo noodzakelijke verhoging van de export.
De gemeenschappelijke markt:

versterkt de positie van Nederland als exporteur van
consumptieve eindproducten;
betekent een sterk stabiiserend element tegenover
schommelingen van de conjunctuur;
zal niet beperkt mogen blijven tot enkele sectoren
van het economisch leven. Politieke integratie is
gewenst maar alleen aanvaardbaar, indien gelijk-
tijdig de verdere uitbouw van de economische inte-

gratie als verplichting van de deelnemende landen
wordt aanvaard.
9. Een snelle totstandkoming van de Economische
Unie der Benelux-landen met inschakeling van het geor-
ganiseerde bedrijfsleven is noodzakelijk (zie K.V.P.-
programma).

10. Op handelspolitiek terrein dient, naast hetgeen
hierboven is gesteld, het beleid in het bijzonder op de
volgende punten te blijven gericht:
verdere vrjmaking van het handels- en betalings-
verkeer;

het afsluiten van handels- en betalingsovereenkomsten
op lange termijn;
krachtige ondersteuning van de gemeenschappelijke
politiek met andere landen ter verlaging van de pro-
tectionistische tarieven.

11. Teneinde aan de te verwachten moeilijkheden
ten aanzien van werkgelegenheid en betalingsbalans tijdig

t

2 Juli 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

507

en efficiënt het hoofd te kunnen bieden, dient in concreto
meer dan zulks wellicht in het verleden het geval was, dui-
delijkheid te bestaan over de weg, die moet worden ge-
volgd en de middelen, die moeten worden aangewend.
Duidelijkheid is hierbij een eerste vereiste, waarbij niet
alleen een oplossing op korte termijn moet worden gevon-
den, maar ook verder in de toekomst dient te worden ge-
zien.
Het kader, waarbinnen zich het hier voorgestane be-
leid zal moeten afspelen, geeft in grote lijnen het
K.V.P.-

programma aan, waarin een economisch stelsel wordt
voorgestaan, dat zowel wordt gekenmerkt door vrijheid
als door gebondenheid.
Vrijheid is nodig voor dé ontplooiing van de indi-
viduele krachten en het dragen van eigen verantwoor-
delijkheid. Gebondenheid is nodig, omdat in vele gevallen
het algemeen belang of het groepsbelang leiding en toe-
zicht van de Overheid resp. van de groep noodzakelijk
maakt. Hiervoor zal steeds het individuele belang moeten
wijken.

‘s-Gravenhage.

Mr P. A. BLAISSE.

Principiële economische politiek

Uit de gezichtshoek van de

Anti-Revolutionnaire Partij

De Redactie van dit weekblad vezoekt mij, op zeer
korte termijn een beknopte beschouwing te geven over de
eisen, waaraan naar mijn persoonlijke mening het econo-
misch beleid der Nederlandse Regering in de komende
jaren zou moeten voldoen. Ik meen althans, het verzoek
der Redactie op deze wijze te mogen samenvatten. Ik ga
er dus van uit, dat van mij niet wordt verwacht een gemoti-
veerde opsomming van concrete maatregelen, welke mijns
inziens door de Regering in de naaste toekomst zouden moe-
ten worden getroffën. Een dergelijke opdracht zou ik op
zo korte termijn en in zo beknopt bestek onmogelijk kun-nen uitvoeren. Ik wil slechts wijzen op enkele principiële aspecten der economische politiek, waarvan ik overigens
niet wil beweren, dat zij in het verleden geheel uit het oog
zijn verloren. Wel meen ik, dat de enkele punten die ik
zal noemen, ook in de toekomst de speciale aandacht waard
zijn. Naar volledigheid streef ik uiteraard niet: ik bepaal
mij tot enkele grote lijnen.

Het opstellen van serieuze, concrete plannen voor het
politieke beleid lijkt mij in verschillende opzichten een
hachelijk ondernemen. Immers, daarbij vergist men zich
gemakkelijk in het karakter der politiek als zodanig,
waaraan een element van zoeken en tasten, van behoed-
zaam voorwaarts schrjden, van opportuniteit en intuïtie
eigen is. Politiek is allereerst een zich confronteren van een
volk met de veranderingen die voortdurend in het levens-
milieu van dat volk optreden, en met de veranderlijke op-
vattingen en inzichten die in dat volk leven; vervolgens
ook het nemen van beslissingen teneinde de vooruitgang
van het volk te dienen, rekening houdend met de lotgeval-
len van het volk en met de resultaten van het politiek ge-
sprek. Hieruit volgt mijns inziens, dat politiek niet zonder
meer een kwestie is van rationeel overleg, maar ook een
zaak van levenskunst en levenswijsheid.

Natuurlijk wil ik hiermee niet ontkennen, dat insiders
uit het politiek bedrijf soms met zeker mate van nauwkeu-
righeid kunnen voorspellen, welke maatregelen van poli-
tiek beleid in de naaste toekomst noodzakelijk zullen blij-ken, terwijl
zij
voorts kunnen analyseren, welke maatre-
gelen tot de mogelijkheden behoren. Wetenschappelijk
inzicht kan tot de nauwkeurigheid van zulke voorspellin-
gen en analyses een belangrijke bijdrage leveren. Dat in
principe de mogelijkheid van politieke prognose bestaat,
is een zeer gelukkige omstandigheid, aangezien anders de
opstelling van een politiek programma onmogelijk zou zijn:
de politiek zou in machteloze improvisatie vastlopen en
de nationale vooruitgang niet kunnen dienen. Maar dit
neemt niet weg, dat wij bij de opstelling van een politiek
programma het gevaar lopen, in een eenzijdig rationele
conceptie te vervallen. Zulks niet het minst vanwege de bij iedereen bestaande
neiging, deze conceptie te baseren op één of enkele aspec-

ten van het te voeren beleid, met verwaarlozing van andere.
Zowel bij de vaststelling van wat als noodzakelijk onder-
deel van het beleid moet worden aangemerkt, als bij de
keuze uit de openstaande mogelijkheden, laten wij ons
gemakkelijk leiden door een bepaalde vooringenomenheid.
Dit gevaar is vooral groot, wanneer het uitgangspunt
der redenering wordt gezocht in een bepaalde sector van
het te voeren beleid, of wanneer de probleemstelling daar-
toe wordt beperkt, gelijk thans, nu het economisch beleid
speciaal aan de orde is. Ik zou als eerste eis, die mijns in-
ziens aan het economisch regeerbeleid moet worden ge-
steld, willen beschouwen, dat het zich onttrekt aan speci-
alistische vooringenomenheid en zich kenmerkt door
werkelijkheidszin en gezond opportunisme:
Het zal misschien verwondering wekken, dat een be-
schouwing over ,,principiële” economische politiek aan-
vangt met een pleidooi voor opportunisme en een waar-
schuwing tegen dogmatisme. Toch kan hier slechts bij op-
pervlakkige waarneming van tegenstrjdigheid worden
gesproken. De wenselijkheid van aansluiting bij het his-
torisch gegevene zou jk als een funderend beginsel van elke
politieke gedragslijn willen aanmerken. Vooruitgang is
niet te bewerkstelligen door inopportuun handelen. Hoe-
wel elk weldenkend mens dit voetstoots zal toegeven,
lijkt het mij van voldoende belang, hierop
bij
deze gelegen-
heid te wijzen. Immers, juist op economisch gebied wôrdt
tegenwoordig het ene plan na het andere aan de orde ge-
steld. Op zichzelf is dit geen ongezond verschijnsel: zonder
planmatigheid ontbreekt ook de vastheid in het beleid. Maar het is dringend nodig, dat elk plan zorgvuldig op zijn realiseerbaarheid wordt getoetst, en de soepelheid
van het beleid onder alle omstandigheden wordt gehand-
haafd. Het is verkeerd, al te spoedig te zwichten voor vol-
dongen feiten, doch het is gevaarlijk, al te spoedig nieuwe voldongen feiten te scheppen, die de wijsheid van het ver

der handelen aan banden leggen.
Een principiële economische politiek heeft dus traditio-
nalisme en radicalisme beide te ontlopen,
bij
haar streven
naar nationale vooruitgang. Zij kent evenwel ook maat-
staven ter beoordeling van de inhoud van het vooruitgangs-
ideaal. Allereerst moet ik hier denken aan de wenselijk-
heid die mijns inziens vandaag aan de dag bestaat, tot
accentuering van de solidariteit binnen de onderneming en
binnen de bedrijfstak. Hoewel er de laatste tijd in dit. op-
zicht een zekere verbetering is te bespeuren, leven wij, naar
mij wil voorkomen, nog al te zeer onder de invloed van de
oude opvatting van solidariteit, namelijk die van klasse-
solidariteit. Ik geloof, dat aan de verwaarlozing van de
idee der bedrjfs- of arbeidssolidariteit zo spoedig mogelijk
een eind moet komen. Het besef, dat degenen die in een
bepaald bedrijf, respectievelijk in een bepaalde bedrijfstak
werkzaam zijn, niet elkaars natuurlijke vijanden zijn,
doch een gemeenschappelijke cultuurtaak hebben, en daar-

508

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

2 Juli 1952

voor een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid d ra-gen, moet sterker tot het bewustzijn doordringen. Hoewel
al weer velen zullen denken aan het intrappen van een open
deur, meen ik toch goed te doen, wanneer ik in dit verband

op wat ik wil noemen het beginsel der gemeenschap, der
solidariteit, de bijzondere aandacht vestig. Wij bevinden

ons hier, paar mijn overtuiging, in de nabijheid van een
van de zwakste plekken in de huidige samenleving, waaruit
de zgn. cultuurcrisis, of zoals men ook zegt, het massa-
veschijnsel voor een groot deel moet worden verklaard.
Het wil mij van uitermate groot belang voorkomen,

dat
bij
de opstelling van een programma van economische
politiek en bij de uitvoering daarvan, met de noodzaak
van bestrijding van het massaverschijnsel ernstig rekening
wordt gehouden. Het vraagstuk van de opvoering der ar-
beidsproductiviteit bijvoorbeeld, houdt daarmee mijns
inziens rechtstreeks verband. Immers, van de ondernemer,
de beambte, de arbeider, die de zin van zijn arbeid niet lan-
ger onderkent, kan niet worden verwacht, dat hij in zijn
arbeid zijn beste krachten ontplooit. Erkenning en waar-
dering van de werknemer als medewerker aan een gemeen-schappelijke taak binnen het bedrijf acht ik even noodzake-
lijk, als samenwerking tussen bedrijfsgenoten in de bedrijfs-
takgemeenschap waar gezamenlijke taken zijn te vervullen.

Bij dit laatste moet enerzijds uiteraard rekening worden
gehouden met de speciale verantwoordelijkheid van de

ondernemer voor de instandhouding en bloei van zijn eigen
bedrijf; anderzijds moet in het bedrijf, maar zeker in de
bedrijfstak, ook begrip zijn voor de problemen der volks-
gemeenschap, waaraan ondernemers en arbeiders zich
niet zonder meer mogen onttrekken.
Voor het economisch beleid der Regering heeft het voor-
gaande met name deze consequentie, dat de Regering bij voorkomende gelegenheden stelselmatig en nadrukkelijk
een beroep dient te doen op de medewerking van de orga-
nisaties van werkgevers en werknemers. De zelfwerkzaam-
heid van bedrijven en bedrijfstakken moet zoveel mogelijk
worden gestimuleerd, ook waar het aangelegenheden be-
treft, die het algemeen belang regarderen. Wel heeft de
Overheid in bijzondere mate tot taak, voor het algemeen
belang te waken. Zij moet uit dit oogpunt ook de gestie
van het bedrijfsleven controleren. Maar zij wachte zich
voor een streven, door middel van gedetailleerde rechts-
voorschriften tot een sluitend stelsel van publieke leiding
van het economisch leven të geraken. Hoe groter het besef van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid in de maat-

schappelijke kringen is, des.te meer kan de publieke rechts-
orde, als wier hoedster de Overheidoptreedt, overlaten aan
de private rechtsvorming. ik meen, dat hierin een belang-
rijke waarschuwing tegen een overhaaste uitbouw der
publieke rechtsorde gelegen is. Immers, een bepaalde zone
van het gebied der gerechtigheid (als ik mij zo uitdrukken
mag) leent zich in het moderne maatschappelijke leven
beter voor positivering door private dan door publieke

kringen.
Dit neemt niet weg, dat de taak der Overheid ter hand-
having der gerechtigheid ook in de maatschappij (het
economisch leven) van grote betekenis blijft. Ook al
zouden de resultaten van het economisch proces, zoals zij
bij overheersing van een onbeperkt winststreven zouden
uitvallen door particuliere economische leiding aanzienlijk
worden verzacht, het is niet te verwachten, dat het parti-
culier initiatief in voldoende mate de sociale rechtvaardig-heid zou waarborgen. Overheidsingrijpen in het belang der.
sociale gerechtigheid acht ik beslist noodzakelijk, al zou
ik het gewenst achten dat de Overheid bij haar bemoeiingen
op dit gebied zodanige middelen kiest, dat zelfwerkzaam-
heid der groepen mogelijk blijft, en de zeifverantwoorde-
lijkheid dier groepen niet wordt weggenomen.
Ik kom thans tot het laatste principiële aspect van het

economisch beleid, dat ik mij voorstelde te noemen. Want de Regering, die naar vooruitgang wil streven’
heeft niet alleen open te staan voor de realiteit der gegven
historische situatie; zij heeft niet alleen solidariteit en recht-
vaardigheid aan te kweken en te betrachten; zij moet
uiteraard ook de typisch-economische functie der econo-
mische politiek steeds in het oog houden. Uit het feit
dat ik het economisch beginsel in dit artikel het laatst ter
sprake breng, mag niet worden afgeleid dat ik het het laagst
zou aanslaan. Het tegendeel is het geval: voor de econo-
mische politiek is het economisch beginsel het
leidend
beginsel. ik heb echter gemeend, er speciale nadruk op te
moeten leggen, dat het niet het alleen-heersenç.l beginsel is,
zelfs niet in een stelsel van economische politiek.
Het leidend beginsel der economische politiek houdt in, dat de arbeid van het volk gericht moet zijn op verminde-ring van het welvaartstekort, op bestrijding van de schaar

ste. In een reeks van verschijnselen werkt de schaarste
zich op gecompliceerde wijze uit: prijsniveau, levensstan-
daard, productie, werkgelegenheid, geldsomloop, deviezen-
voorraad enz. vertonen een karakteristiek beeld en verloop,
in onderlinge samenhang, onder invloed van de schaarste-
factoren. De economische politiek moet op deze samenhang
en op dit wefloop gericht zijn, teneinde de volkswelvaart
te bevorderen.
Dit vooropgesteld zijnde, wil ik een speciaal punt accen-
tueren, waarop mijns inzièns wel eens te weinig licht valt.
Het welvaartsbegrip is een merkwaardig begrip, waaraan
men moeilijk houvast krijgt. Van welvaart zou men kun-
nen spreken, wanneer de gewenste levensstandaard kan
worden bekostigd uit het inkomen. Naar hoe hoger levens-
standaard men dan daarboven uit gaat streven, des te
groter wordt het welvaartstekort. In dit begrip zit dus een
bijzondër willekeurig element. Ik meen echter, dat een on-
begrensde verhoging van de levensstandaard evenmin
vermeerdering van levensvreugde behoeft te waarborgen,
als een inkrimping van het verbruik aantasting van levens-
geluk zou moeten betekenen. ik bedoel hiermede nu niet
.dat de Overheid zich naar mijn mening niet zou behoeven
te bekommeren om een bedreiging van de levensstandaard
van het volk. Alleen reeds de stijging van het bevolkings-
cijfer eist stimulering van productie en export, bevorde-
ring van industrialisatie en emigratie. Maar wel zou ik
het van belang achten, indien ook in de toekomst bij de
econoniische politiek dç mogelijkheid van inkrimping
van het binnenlands verbruik, indien de nood ons is
opgelegd, als een reële mogelijkheid wordt opengelaten.
Daar komt nog iets anders
bij.
Vermindering van schrille
tegenstellingen in de verdeling van het maatschappelijk inkomen kan een eis van sociale rechtvaardigheid, hoge
verbruiksbelasting op nutteloze of schadelijke luxe-con-
sumptie een maatregel van gezonde verbruikspolitiek zijn.
Maar al te straffe nivellering van reële inkomens, en be-
lastingheffing van gebruiksartikeleri en diensten, die in het
culturele leven van het volk een belangrijke rol spelen,
kunnen tot averechtse consequenties leiden, die tot mati-
ging moeten nopen. Ik denk in dit verband, gelijk duidelijk
is, niet alleen aan de wenselijkheid, dat spaargelden van
een zo breed mogelijk publiek ter beschikking komen ter
investering in het productieproces. Ik wil de bijzondere
aandacht vestigen op het feit, dat
bij
het fiscale beleid de

vrijwillige uitgaven van het publiek voor kerkelijke,
culturele en charitatieve arbeid in de ruimste zin, niet
in de knoei mogen komen. Bij een al te forse druk op de
hogere inkomens zou een volksbelarig van allereerste orde
in de waagschaal worden gesteld, indien en irizoverre
althans de groepen met lagere inkomens niet in staat of
bereid zouden zijn, tot een zinvolle besteding van koop-
kracht en vrije tijd over te gaan.

Naarden.

. T. P. VAN DER KOOY.

2 Juli 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

509

De in de naaste toekomst te voeren economische politiek

Uit de gezichtshoek van de

Christelijk – Historische Unie

Doeleinden.

Over de concrete doeleinden van de te voeren alge-mene economische en sociale politiek valt in ons land
een Vrij grote eenstemmigheid te constateren. Zo bestond
in de Sociaal-Economische Raad geen verschil van
mening over de in het ,,Advies inzake de in de naaste
toekomst te voeren loon- en prijspolitiek” genoemde
doeleinden, zoals eeli zo hoog mogelijk peil van con-
sumptie en investeringen, volledige werkgelegenheid en
een sluitende betalingsbalans, bij de verwezenlijking
waarvan zoveel mogelijk moet worden voldaan aan de
eisen van sociale rechtvaardigheid. Deze overeenstem-
ming is evenwel in veel geringere mate aanwezig, wan-
neer het gaat om een nadere uitwerking van de ge-
noemde doeleinden en de keuze van de hiervoor te be-
zigen middelen.
De genoemde doeleinden zijn uiteraard geen onaf-
hankelijke grootheden. De omvang van consumptie en
investeringen enerzijds en de werkgelegenheid ander-
zijds zijn in sterke mate afhankelijk van de wijze,
waarop onze volkshuishouding er in slaagt deel te ne-
men aan het internationale goederen- en dienstenvr-keer. In de ,,Nota inzake de exportpolitiek” wordt er
nog eens nadrukkelijk op gewezen, hoe de uitvoer moet
worden beschouwd als de motor in het opbouwproces
van welvaart en werkgelegenheid binnen onze grenzen.
,,Vergroting van de werkgelegenheid bij handhaving
van het tegenwoordige levenspeil of yerhoging van hét levenspeil bij handhaving van de tegenwoordige werk-
gelegenheid en in nog sterkere mate gelijktijdige ver-
hoging van werkgelegenheid en levenspeil kunnen alleen
worden verwezenlijkt door voortgaande vergroting van
de uitvoer. Toeneming van werkgelegenheid en pro-
ductie, zonder dat deie ontwikkeling door additionele
export wordt gedragen, leidt in de Nederlandse ver-
houdingen tot een voortdurend in omvang toenemend
betalingsbalanstekort”
1).

Betalingsbalans.

De ontwikkeling van betalingsbalans en deviezen-
reserve sinds September
1951
geeft alle reden tot vol-
doening. Niettemin dient men bij een beoordeling van
dit verloop de nodige voorzichtigheid in acht te nemen,
omdat naast de werking van buitenlandse factoren ener-
zijds en de door de Regering in
1951
getroffen maat-
regelen gericht op een beperking van de binnenlandse bestedingen anderzijds een aantal incidentele factoren
hebben medegewerkt aan de toeneming van de goud-
en deviezenvoorraad. Men denke bijv. aan het achter-
blijven van de werkelijke uitgaven op het voorgenomen
bewapeningsprogramma en de intering op voorraden. Houdt men voorts rekening met het feit, dat de devie-
zenreserve in
1951
nog in belangrijke mate gunstig is
beïnvloed door de verleende Marshall-hulp, dat een
deel van de deviezenreserve bestaat uit niet-converteer-
bare vorderingen, en dat het afkondigen van invoer-
restricties (Verenigd Koninkrijk en Frankrijk!) niet tot
de onmogelijkheden behoort, dan moge onze eerste
conclusie zijn, dat vooralsnog geen fundamentele wijzi-
ging in het tot dusver gevolgde beleid met betrekking
tot de betalingsbalans mag worden ondernomen.
Daarnaast vraagt de betalingsbalans met bepaalde
gebieden, met name met de dollar-area, bijzondere aan-
dacht. In het belangrijke Nederlandse dollartekort zullen
door de Overheid in nauwe samenwerking met het be-
drijfsleven de nodige voorzieningen moeten worden ge-

1
,,De Nederlandse exportpolitiek”, blz. 10.

troffen. Men zou hierbij o.a. kunnen denken aan een
verhoging vap het percentage van de dollaropbrengst,
dat ter vrije beschikking van exporteurs wordt gesteld,
hetgeen uit een oogpunt van internationale concur-
rentie aanbeveling verdient, al kunnen op grond van
andere overwegingen hiertegen bepaalde bezwaren
worden aangevoerd.

Werkgelegenheid.
Hoewel niemand – waarbij we uiteraard gaarne
een uitzondering maken voor het Centraal Planbureau
– in staat is het verloop der gebeurtenissen op econo-
misch en sociaal terrein nauwkeurig te voorspellen,
mag worden aangenomen, dat het vraagstuk van de
werkgelegenheid in de komende jaren een van de be-
langrijkste problemen — zo niet het centrale probleem
– voor ons land zal zijn. Ook al is d’ huidige situatie
niet onrustbarend te noemen, inzoverre bepaalde con-
crete oorzaken voor de huidige, overwegend structurele
werkloosheid zijn aan te wijzen, zekere verschijnselen
– zoals het teruglopen van de investeringen in vaste
activa – dwingen tot waakzaamheid.
Bij de maatregelen, welke in de laatste tijd in ver-
schillende nota’s en adviezen worden aanbevolen ter
bestrijding van de werkloosheid, is het gebruikelijk de
uitvoering van openbare werken voorop te stellen. Bij
een behoorlijke reserve van goed voorbereide Open-
bare werken, waaraan overigens nog wel een en ander
ontbreekt, kan dit middel over een kortere periode ge-
zien inderdaad van grote betekenis zijn. Door openbare werken kan de vraag zich direct richten op die sectoren
en gebieden, waar werkloosheid bestaat. Hiertegen-
over kan echter worden gesteld, dat door een dergelij-
ke politiek slechts het symptoom en niet de oorzaak
van de werkloosheid wordt bestreden.
In verband met de structuurwijzigingen, welke zich
in de Nederlandse economie gedurende en na de oorlog
hebben voorgedaan, werd de noodzaak geboren, ten
einde de ten gevolge van deze wijzigingen in de toe-
komst te verwachten werkloosheid te voorkomen, een
in onze economische geschiedenis ongekende uitbreiding
van het industriële apparaat door te voeren. In de
,,Derde nota inzake de industrialisatie van Nederland”
werd berekend, welk aantal personen gedurende de
periode
1953-1968
in Nederland nieuwe werkgelegen-
heid zal zoeken en welk deel hiervan plaatsing zal
moeten vinden in de industrie, wil het gelukken struc-turele werkloosheid te voorkomen. De hiervoor nood-
zakelijke nieuwe investeringen, uitgedrukt in prijzen
van
1948,
zullen geleidelijk moeten toenemen tot ge-
middeld
f
1.350
mln per jaar (inclusief voorraadvor-
ming). In
1951,
waarin van een conjuncturele omslag
niet kon worden gesproken, doch waarin anderzijds
bepaalde regeringsmaatregelen op monetair en fiscaal
terrein werden getroffen tot beperking van de investe-
ringen, bedroegen de nieuwe investeringen in de indus-
trie niet meer dan rond
f
750
mln.
De. voorkoming en bestrijding van een zeer omvang-
rijke structurele werkloosheid zal dus in de eerste
plaats dienen te geschieden door een expansie van het
industriële apparaat, terwijl een openbare werken-
politiek hierbij slechts een secundaire, aanvullende taak kan verrichten. Deze industriële expansie is slechts mo-
gelijk wanneer enerzijds de noodzakelijke besparingen
hiervoor worden opgebracht – hetgeen betekent, dat
de totale consumptie binnen zekere grenzen moet
blijven – en wanneer anderzijds onze volkshuishouding
er in slaagt ,,een tot nu toe ongekende exporttaak” –

510

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

2 Juli 1952

gelegen in een vergroting van de uitvoer in prijzen van 1951 met gemiddeld ca
f
4 mln per jaar – te vol-
brengen
2)
.
Eeu politiek van volledige werkgelegenheid
zal in de eerste plaats het klimaat dienen te scheppen,
waarin deze industriële expansie wordt mogelijk ge-
maakt. Hierbij verdient in principe aan een verminde-
ring van de overheidsinkomsten voortvloeiende uit een
verlaging van de op het bedrijfsleven drukkende lasten,
waardoor de industriële investeringen worden bevor-derd, de voorkeur te worden gegeven boven een ver-
groting van de overheidsuitgaven voor het uitvoeren
van openbare werken.
Het vraagstuk van de werkgelegenheid in ons land
zou nog aanmerkelijk verscherpt wtrden, indien naast
structurele, ook conjuncturele factoren een nadelige in-
vloed op de economische activiteit zouden uitoefenen.
Wanneer zich een conjuncturele omslag in het buitenland
zou voordoen, hetgeen bij de huidige omvang van de
bewapeningsprogramma’s niet direct waarschijnlijk is,
zouden de perspectieven voor de werkgelegenheid aan-
merkelijk ongunstiger en de mogelijkheden tot bestrij-
ding van de werkloosheid belangrijk beperkter worden.
Samenwerking op internationaal niveau zal onder deze
omstandigheden een eerste voorwaarde zijn om de werk-
gelegenheid in de verschillende landen op een bevredi-
gend niveau te handhaven. Moge de nieuwe Regering
hier een constructieve bijdrage leveren door zo spoedig
mogelijk de daartoe strekkende voorstellen, o.a. met
betrekking tot een coördinatie van de monetaire politiek
in de verschillende landen, ter bestemde plaatse in te
dienen.

Loon- en prjspolitiek.

De regeringsbeslissing inzake de compensatie van
de premie voor de Wachtgeld- en Werkloosheidsverze-
kering was noch in overeenstemming met het advies –
van de Stichting van den Arbeid, noch met de waar-
schuwing in de door vijf Ministers ondertekende ,,Nota
inzake de exportpolitiek”, inhoudende dat men zich bij
de invoering van deze verzekering (evenals bij de
doorvoering van een huurverhoging) en de keuze van
eventuele compensatiemiddelen er van bewust dient te
zijn, dat de handhaving van een relatief laag niveau
der exportprijzen onmisbaar is, wil Nederland er in sla-
gen een groter aandeel in het wereidhandelsverkeer te
veroveren ?). Een herziening van deze beslissing met
betrekking tot de verlaging van de Vereveningsheffing
is mede uit een oogpunt van werkgelegenheidspolitiek
zeer gewenst.
Aangezien het huidige loonniveau is opgebouwd op
een sociaal minimum, bij de vaststelling waarvan is
uitgegaan van de door een huurstop gefixeerde huren,
kan compensatie voor de werknemers (evenals voor
gepensionneerden, rentetrekkers, kleine zelfstandigeçi
enz.) in verband met de te verwachten huurverhoging
slechts redelijk worden geacht. In zoverre deze com-
pensatie niet kan worden gevonden in een verlaging van
de kosten van levensonderhoud en een loonsverhoging
noodzakelijk is, zal deze loonsverhoging niet mogen
leiden tot een verzwaring van de op het bedrijfsleven
drukkende lasten. Afschaffing van de Vereveningshef-fing, welke ook op grond van andere overwegingen ge-wenst moet worden geacht, kan hiertoe een belangrijke
bijdrage leveren. –
Nu in verband met de positie van de betalingsbalans
– tenzij een onverwachte verbetering in de ruilvoet zou

optreden – en de noodzaak tot investeren van een re-latief hoog percentage van het nationale inkomen uit
een oogpunt van toekomstige werkgelegenheid, geen
maatregelen tot verhoging van de consumptie kunnen
worden overwogen, rijst de vraag, of door een wijzi-
ging in de huidige loonpolitiek geen mogelijkheden
kunnen worden geopend ook de werknemers te doen
delen in de vruchten van de belangrijke uitbreiding van

‘)
Tap., blz. 15
) T.a.p., blz. 61.

het productie-apparaat. Een wijd verspreide bezitsvor-
ming onder de werknemers zou ook uit andere over-
wegingen – verband houdende met waardigheid van
de menselijke persoon en verbetering van de structuur
der samenleving – ten zeerste moeten worden toe-
gejuicht. Een mogelijkheid hiertoe zou kunnen worden

gevonden in een minder gebonden loonpolitiek, waar-
bij aan het bedrijfstaksgewijze overleg grotere vrijheid

wordt gelaten, nadere voorzieningen te treffen tot het
invoeren van per onderneming toe te passen winst-
delingsregelingen, waardoor de werknemer – veel
meer dan tot nu toe het geval was – in de gelegenheid
wordt gesteld mede te delen in de eventuele gunstige

resultaten, welke in de onderneming worden behaald.
De aldus aan de werknemer toevallende vruchten
zouden om eerdergenoemde redenen geheel of ten dele
in de investeringssfeer dienen. te worden aangewend.

De jongste loonpolitieke maatregelen in verband met
de invoering van de Werkloosheidswet hebben opnieuw
aangetoond, dat ook uit andere Joofde een vrijere loon-
politiek gewenst is. De huidige loonpolitiek mist de
nodige flexibiliteit, belemmert de vereiste structurele
aanpassingen, en remt de opvoering van de produc-
tiviteit door een onvoldoende differentiatie tussen ge-
schoolde en ongeschoolde arbeid.

Een vrijere loonpolitiek mag evenwel geenszins lei-
den tot een terugkeer naar de bepaling van lonen en
arbeidsvoorwaarden door middel van de werking van
vraag en aanbod, c.q. een botte machtsstrijd tussen twee
monopolies. Een en ander zou kunnen worden voor-
komen door het opnemen van een clausule voor arbi-
trage in de collectieve arbeidsovereenkomsten. Bij het
verlenen van verordenende bevoegdheden aan bedrijfs-
schappen t.a.v. lonen en arbeidsvoorwaarden zou deze
– eventueel verplichte – arbitrage aan de Sociaal-
Economische Raad kunnen worden opgedragen.

Het huurvraaRstuk.

Door de gebonden huren (en pachten) was het mo-
gelijk de lonen in ons land op een lager niveau te
fixeren dan anders het geval ware geweest, hetgeen
een gunstige invloed op de exportmogelijkheden en de
positie van de betalingsbalans heeft uitgeoefend. Ander-
zijds deden de nadelen van de gevolgde huurpolitiek
zich steeds sterker gevoelen. Deze zijn momenteel van
zodanige aard, dat een wijziging van het huurniveau niet
langer mag worden uitgesteld.
In de eerste plaats dient uit een oogpunt van sociale
rechtvaardigheid een herziening van het inkomen van
de huiseigenaren zo spoedig mogelijk te worden door

gevoerd. Voor deze groep heeft sedert het einde van
de oorlog nog geen enkele aanpassing van het inkomen
aan het •gestegen prijsniveau plaats gevonden; de vast-
gestelde huurprijs was zelfs onvoldoende om de kosten te dekken. Daarnaast was het huurbeleid enerzijds oor-
zaak van verwaarlozing van het nationale woningbezit
in verband met het achterwege blijven van het noodza-
kelijke onderhoud en de onderwaardering van het woon-
genot – men behoeft tegenwoordig minder dan 10 pCt
van zijn inkomen voor huur te besteden tegenover 15
â 20 pCt v66r de oorlog – terwijl het lage huurpeil

anderzijds de particuliere woningbouw in ernstige mate
belemmerde en werkloosheid in de bouwsector met zich
bracht. Voorts heeft de gevolgde huurpolitiek geleid
tot een ongewenste spanning tussen het huurpeil van
oude en dat van nieuwe woningen, terwijl de subsidi-
ering van de nieuwbouw is uitgegroeid tot een welhaast ondragelijke last op het overheidsbudget.
De uiteindelijke op vervangingswaarde te baseren
huurprijs, welke een rendabele exploitatie mogelijk
maakt, zal zeker niet beneden een peil van
225
pCt
t4′.v. 1940 komen te liggen. In verband met de con-
sequenties voor het loon- en prijspeil zal een dergelijke
huurprijs niet in één étappe kunnen worden gereali-

.’

2 Juli 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

seerd. Een eerste stap in deze richting zou kunnen
worden gedaan door een verhoging van de huren per
1 Januari
1953
tot een niveau van 150 pCt. Hierdoor zou de spanning tussen de huren van oude en nieuwe
woningen in belangrijke mate worden verzwakt en de
mogelijkheid tot voldoende onderhoud met de daar-
mede gepaard gaande vergroting van de werkgelegen-
heid in de bouwsector worden geopend. Uit deze huur-
prijs zouden de verhoging van de onderhoudskosten,
belastingen en andere lasten en de verhoging van de
exploitatiekosten door de in de afgelopen maanden
plaats gehad hebbende rentestijging – in totaal on-
geveer 45 pCt t.o.v. Mei 1940 – kunnen worden ge-
dekt. Een verhoging tot 150 pCt is derhalve nog onvol-
doende om een afschrijving op basis van vervangngs-
waarde mogelijk te maken.

Vervolgens rijst de vraag, of met de verhoging van
de huren tevens een huurbelasting moet worden afge-
kondigd. De enige rechtsgrond, welke hiervoor zou kunnen worden aangevoerd, zou zijn gelegen in het
feit, dat door een huurverhoging en de daarmede ge-
paard gaande waardestijging van het bezit een herzie-
ning van de door de huiseigenaren betaalde vermogens-
aanwasbelasting zou moeten plaatsvinden. De huurstop
zou voor de bezitters van huizen tot slechts een beperkte
waardestijging van hun bezit hebben geleid, waardoor
zij als het ware onder de vermogensaanwasbelasting
zouden zijn doorgerold. Ten einde hier een correctie toe
te passen, zou een huurbelasting moeten worden inge-

voerd, waarvan de gekapitaliseerde waarde zou overeen-
komen met de alsnog verschuldigde vermogensaanwas-
belasting, uiteraard met aftrek van het in de afgelopen zeven jaren gederfde inkomen ter grootte van het ver-
schil tussen de per 1 Januari
1953
vastgestelde huur
en de in de afgelopen jaren ontvangen huur.
Dit ,,milimeteren” zou echter grote rechtsonzeker-heid met zich brengen, omdat dan evenzeer een aan-
vullende vermogensaanwasbelasting zou moeten worden
geheven van die vermogensbestanddelen, waarvoor op
31 December 1945 een gebonden prijs bestond, welke
eveneens blijkens de latere marktverhoudingen onder
de evenwichtsprijs was gelegen. Voorts zou de tech-
nische uitvoering o.a. in verband met de mutaties – in
de eigendom op onoverkomelijke moeilijkheden stuiten.
Zelfs indien men de juistheid van de genoemde
rechtsgrond zou erkennen, zouden de hierop gebaseerde
berekeningen bij een huurverhoging tot slechts 150 pCt
weinig ruimte bieden tot het invoeren van een huur-
belasting van enige omvang.

De beschikbare ruimte liet slechts toe enkele van de
economische problemen, waarvoor ons land zich in
de komende periode ziet gesteld, op summiere wijze
aan te snijden. Deze opsomming moest uiteraard zeer
onvolledig zijn; zo kon geen aandacht worden geschon-
ken aan niet minder belangrijke vraagstukken op finan-
cieel en fiscaal terrein en op internationaal gebied.

‘s-Gravenhage.

Drs J. W. DE POUS.

Een economisch programma voor het nieuwe kabinet

Uit de gezichtshoek van de

Volkspartij voor Vrijheid en Democratiej

Inleiding.

In de zeven jaren, die sinds de bevrijding zijn verlopen,
is veel bereikt. Het economisch leven in ons land is weer
op gang gekomen, de productiviteit heeft het vooroor-
logse peil overschreden en ten slotte schijnt thans ook het
betalingsbalanstekort te zijn overwonnen. De samenstel-
ling van een nieuw kabinet geeft op dit ogenblik een zin-volle gelegenheid om de vraag te stellen, wat voor de ko-
mende periode te doen is overgebleven.
Bij de beantwoording van deze vraag zal ik uitgaan van
de volgende doelstellingen der economische politiek:

een zo hoog mogelijk nationaal product;

een zo groot mogelijke vrijheid in het economisch
leven;

een zo gering mogelijke werkloosheid;

een zo rechtvaardig mogelijke inkomensverdeling.

Hoever zijn wij er in geslaagd ieder van deze doeleinden
te benaderen, en welke afstand blijft ons nog te overbrug-
gen?

Eerste doel: een zc hoog mogelijk nationaal product.

De productiviteit is sinds de oorlog krachtig gestegen
en heeft voor het bedrijfsleven als geheel het vooroorlogse peil overschreden.. De arbeidsproductiviteit in de industrie
heeft echter het peil van 1938 nog steeds niet bereikt. Daarbij is het bovendien opvallend, dat de industriële
arbeidsproductiviteit in 1951 aanzienlijk minder sterk is
toegenomen dan in de voorgaande jaren en in het eerste
kwartaal van dit jaar zelfs in het geheel geen stijging
meer te zien heeft gegeven. (Het gemiddelde cijfer over
1951 bedroeg 95, wanneer men 1938=100 stelt, tegenover
93 in 1950 en 87 in 1949; het cijfer voor het eerste kwar-
taal 1952 was op een niveau van 96 gelijk aan dat van
het eerste kwartaal 1951). De oorzaak van dit enigszins
verontrustende verschijnsel ligt waarschijnlijk in de eerste
plaats in de lichte kentering in de conjunctuur, die zich in

de tweede helft van 1951 in ons land heeft doen voelen. Daarop zal hieronder nader worden ingegaan.

De minder sterke stijging der productiviteit vormt in-tussen toch een reden te meer om de vraag te stellen, of
al het mogelijke is gedaan om de verbetering der produc.
tiviteit te stimuleren. Deze vraag lijkt wellicht overbodig
na alle aandacht, die in het afgelopen jaar op het vraag-stuk der productiviteitsverbetering is gericht. Inderdaad
is veel gedaan om de stijging der productiviteit te bevor-
deren. Maar bij dit alles is één zeer belemmerende factor
blijven bestaan: de zeer hoge belastingdruk der laatste
jaren moet op de duur een ongunstige invloed op de stij-
ging der productiviteit uitoefenen., Een verlaging van de
belastingdruk lijkt daarom wel een der eerste economische
desiderata, waarnaar het nieuwe kabinet zal moeten stre-
ven. Op de mogelijkheden, die hiertoe openstaan, kom
ik in het volgende nog terug.

Tweede doel: een zo groot mogelijke vrijheid in het econo-
misch leven.

Ook dit doel is in de afgelopen jaren aanzienlijk dichter
benaderd; anderzijds is ook hier voor het nieuwe kabinet
nog een bijzonder moeilijk probleem overgebleven. In
grote lijnen kan men de thans bereikte situatie zo karak-
teriseren, dat de productie en de prijzen van
eindproducten
zijn vrijgelaten, terwijl de prijzen van het merendeel der
productiefactoren
nog direct of indirect door de Overheid
worden beheerst.
In deze merkwaardige
tussenfase
tussen een vrije en een
gebonden prijsvorming zijn wij tot nu toe blijven steken.
De oorzaak hiervan ligt in het verlangen om de inkomens-
verdeling te beïnvloeden, dat bij bepaalde groepen van
onze bevolking leeft. Dit verlangen tot beïnvloeding van
de inkomensverdeling heeft ook de concrete inhoud van
de gevoerde prijspolitiek bepaald en geleid tot het ons allen
bekende resultaat, dat – terwijl het loon- en prijsniveau
21 tot 3 maal hoger is geworden dan voor de oorlog –

/

512

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

2 Juli 1952

de huishuren gefixeerd bleven op 115 pCt en de pachten
op ca 110 pCt van het vooroorlogse peil. Bovendien werd

de rentestand tot begin vorig jaar op ongeveer 3 pCt ge-
handhaafd. En ten slotte werden ook de loonverhoudingen
gewijzigd, zodat het verschil tussen de lonen van geschool-
den en ongeschoolden veel geringer werd dan vroeger,
terwijl een nog sterkere nivellering plaatsvond bij de ho-

gere salarissen.
Wanneer men zich dit resultaat van de in de afgelopen
jaren gevoerde loon- en prijspolitiek voor ogen roept,
dan wordt het wel duidelijk, dat het eindpunt der ontwik-
keling nog niet is bereikt. De prjsverhoudingen der pro-
ductiefactoren zijn volkomen scheefgetrokken: zij stemmen
in genen dele meer overeen met de werkelijke schaarste-
verhoudingen dezer productiefactoren. Daardoor is de
grondslag van het gehele prijsmechanisme uit zijn even-

wicht gebracht, hetgeen op de duur tot ernstige versto-
ringen van het economisch evenwicht zou moeten leiden.
Het zou te ver voeren om in dit artikel de aard van deze

evenwichtsverstoringen uitvoerig en in detail te beschrijven.
Ik moet met een zeer summiere greep volstaan:

De fundamentele kapitaalschaarste, waardoor de eco-
nomische situatie van ons land sinds de oorlog wordt
gekenmerkt, dreigt – onder andere door de lange tijd
gehandhaafde lage rente – tot een gevaarlijke vorm van
structurele werkloosheid te gaan leiden’). Door de rente-
stijging, die het laatste jaar heeft plaats gevonden, is op
dit punt nu althans een iets evenwichtiger prijsverhou-
ding hersteld.

De gewijzigde verhouding tussen de lonen van geschool-
de en ongeschoolde arbeiders kan op de duur tot
moeilijkheden leiden door een onvoldoend aanbod
van geschoolde krachten. Daarnaast kunnen op de
lange duur ook onevenwichtigheden ontstaan door de
volkomen verstarring van de loonverhoudingen tussen
verschillende bedrijfstakken, waartoe de huidige ge-
leide loonpolitiek voert.

De lage huren moeten leiden tot moeilijkheden
bij
de
woningbouw, waar de particuliere bouw niet meer tot
ontplooiing kan komen en de bouw overigens afhan-
kelijk wirdt van financiële bijdragen van de Overheid,
die toch reeds de last van een zeer hoog uitgavenniveau
te dragen heeft. Daarbij komt nog, dat de lage huur-
prijs op de duur zou moeten leiden tot een grotere vraag
naar woonruimte, waardoor de woningnood tot een
min of meer blijvend verschijnsel zou dreigen te worden.

Het lage niveau der pachten kan in bepaalde gevallen
het gevaar inhouden, dat de grond minder intensief
zal worden gebruikt met behulp van meer kapitaal en
minder arbeid. De grond wordt hierdoor in verhouding
tot de arbeid immers zeer goedkoop, terwijl door de
hoge inkomens, die aan de boeren toevloeien enerzijds

veel geldmiddelen voor de aanschaffing van kapitaal-
goederen beschikbaar zijn en anderzijds de. gemakke-
lijkste bebouwingswijze spoedig zal worden verkozen..
Hierdoor kan de reeds aanwezige tendentie tot werk-
loosheid door structurele kapitaalschaarste worden
versterkt. Daarnaast leidt het huidige systeem der pacht-
beheersing bovendien tot een zekere verstarring in ht
grondgebruik, waardoor op de lange duur de econo-
mische ontwikkeling kan worden geremd (de grond
kan minder gemakkelijk aan een bestaande aanwending
worden onttrokken), terwijl ook de sociale structuur op het platteland dreigt te verstarren.

Deze zeer in het kort aangeduide onevenwichtigheden
moeten op de duur de goede werking van een vrij econo-
misch leven ernstig in gevaar brengen.
Wanneer het nieuwe
kabinet de vrijheid in het economisch leven wil handhaven zal het derhalve moeten streven naar een geleidelijk herstel
van een meer evenwichtige prijsvorming der productiefac

toren.
In die richting kunnen belangrijke resultaten worden
bereikt, zonder dat dadeljk een volkomen Vrije prijsvor

‘)
Hiervoor moge ik verwijzen naar mijn prae-advies van de vereniging
voor Staathuishoudkunde 1950 over: ,,Het vraagstuk der kapitaalschaarste
in Nederland’.

ming behoeft te worden hersteld. Daartoe zou men thans
bijvoorbeeld de volgende concrete doeleinden kunnen

stellen:

bij de loonvorming moet een grotere vrijheid worden
hersteld binnen zekere door de Overheid aan te geven grenzen. Denkbaar zou zijn, dat de Overheid na over-

leg met de
centrale organisaties van werkgevers en werk-

nemers het
gemiddelde
loonniveau zou bepalen, terwijl

de
bedrijfstakge wijze
organisaties van werkgevers en

werknemers binnen een
,,loonzone”
van
5
pCt boven tot

5
pCt beneden dit gemiddelde niveau de lonen voor
afzonderlijke
beroepen en bedrijven in
vrije
onderhan-

delingen zouden vaststellen. Nu op de arbeidsmarkt
eindelijk een meer evenwichtige verhouding is ontstaan,
lijkt het mogelijk om met een dergelijk stelsel een proef
te nemen.-Daardoor zou weer een zekere ruimte wor-
den geschapen voor een geleidelijke aanpassing van de
loonverhoudingen, die aan een evenwichtige econo-
mische ontwikkeling ten goede zou komen;

de pogingen om de rentestand kunstmatig laag te
houden moeten definitief worden opgegeven;

een aanmerkelijke huurverhoging moet worden door-
gevoerd, terwijl het systeem der huurbeheersing voor-lopig wordt gehandhaafd;

ook het niveau der pachtprijzen moet aanmerkelijk
worden verhoogd. Een beheersing van het pachtpeil
is in verband met de toenemende schaarste aan cultuur-
grond wellicht blijvend noodzakelijk. Daarbij moet het
echter wel mogelijk zijn om te komen tot een vrijer
systeem dan dat van de huidige pachtwet. Ter voor-
koming van een te vergaande economische en sociale verstarring zou het wenselijk zijn om het continuatie-
recht voor de gevestigde pachters aan enige beperkingen

te onderwerpen, zodat de mogelijkheid ontstaat om bij
vernieuwing van pachtcontracten de voorkeur te geven
aan jonge pachters of aan pachters, die kunnen aantonen,
dat zij een hogere opbrengst van een bepaald stuk
grond kunnen verkrijgen.

Bij dit alles rijst natuurlijk de vraag, of de inkomens-
verschuivingen, die op deze wijze zouden ontstaan, als
rechtvaardig kunnen worden beschouwd. Op deze vraag
zal hieronder bij de bespreking van de vierde doelstelling

nader worden ingegaan.

Derde doel: een zo gering mogelijke werkloosheid.

In het bovenstaande is reeds gewezen op de tendentie
tot structurele werkloosheid, die het gevolg kan zijn van
de fundamentele kapitaalschaarste, die zich in ons land heeft
ontwikkeld. Een tweede structurele bedreiging van de werk-
gelegenheid kan voor een land als het onze liggen in,een
onvoldoende oriëntering op de export,, waardoor de be-
talingsbalans niet zonder werkloosheid in evenwicht te
brengen zou zijn. Door de devalutatie van 1949 en de in
verhouding tot andere landen niet al te sterke stijging van
het loonniveau heeft ons land zich in de afgelopen jaren
gelukkig een niet onbevredigende exportpositie kunnen
opbouwen. Dit is zeker een der grootste
5
prestaties van de

achter ons liggende periode geweest. Daardoor behoeft
op dit moment voor werkloosheid door een onvoldoende
export waarschijnlijk nog niet in belangrijke mate te wor-den gevreesd, al zal dit vraagstuk in de toekomst alle aan-
dacht moeten behouden.
Naast deze
structurele
gevaren moet thans echter ook

ernstig rekening worden gehouden met het
conjuncturele

gevaar. In dit opzicht vertoont het beleid der afgelopen
periode zowel grote verdiensten als grote tekortkomingen.
Het kan uit conjunctureel oogpunt worden beschreven als
een beleid van
matige, maar geleidelijk voortgaande,

beheerste inflatie.
De verdienste van dit beleid is, dat de
inflatie matig bleef en kon worden beheerst. Daardoor
kon – in overeenstemming met de ontwikkeling elders –
een scherpe na-oorlogshausse met een daaropvolgende crisis, zoals die in 1920 voorkwam, worden vermeden.
Maar desondanks bleef de ontwikkeling geleidelijk in-

fiatoir gericht; en op dit ogenblik heeft het er alle
schijn
van,

2 Juli 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

513
S,

alsof het regeringsprogramma van begin
1951
met zijn ge-
bruikmaking van ,,klassieke” middelen tot herstel van het
betalingsbalansevenwicht een kentering in de conjunctuur
heeft teweeggebracht, die in zijn mildheid toch een merk-waardige overeenkomst vertoont met het klassieke crisis-
verloop in een situatie van kapitaalschaarste
2
). Het is op
dit ogenblik natuurlijk zeer moeilijk te overzien, hoever
deze kentering zich zal voortzetten. Wel kan echter wor-
den gezegd, dat de verdere ontwikkeling van onze conjunc-
tuur met de grootste waakzaamheid zal moeten worden
gevolgd. Want men realisere zich goed, dat een voortgaan-
de daling van de binnenlandse conjunctuur voor ons land
zeer ongunstige gevolgen kan hebben, ook wanneer deze
daling, doordat de export op peil blijft, binnen zeer be-
perkte grenzen zou blijven. De daling van de investeringen,
waaruit een conjunctuurdaling voor een groot deel bestaat,

zou immers het welslagen van onze industrialisatie in ge-
vaar brengen en daarmee voor de toekomst de dreiging
van structurele werkloosheid door kapitaalschaarste ver-
groten. En bovendien zou in ons land met zijn sterk groei-
ende arbeidersbevolking reeds een gelijkblijvend of zeer weinig dalend productievolume op korte termijn een vrij
omvangrijke werkloosheid kunnen veroorzaken.
Daarom zal een der belangrijkste taken van het nieu-
we kabinet moeten bestaan uit het voeren van een
voorzichtige maar effectieve conjunctuurpolitiek. De
nieuwe_Regering zal gereed moeten zijn om doeltreffend
maatregelen te nemen, zodra blijkt, dat de kentering
der conjunctuur voortgaat. Zolang en voor zover
de stand der betalingsbalans gunstig blijft zal dan
het nemen van expansionistische maatregelen nood-
zakelijk en verantwoord zijn. Daarbij zal de aard van
deze maatregelen moeten overeenkomen met de eisen,
die worden gesteld door de structurele situatie van
kapitaalschaarste. Wat de prijzen der productiefactoren
betreft, zullen deze maatregelen dus niet gericht
moeten zijn op renteverlaging, maar wel op huur-
verhoging. Door dit laatste zou een stimulans voor de bouwbedrijvigheid kunnen worden gegeven, die voor
de conjuncturele ontwikkeling zeker heilzaam zou zijn.
Naast een beperkt en tijdelijk programma van open-
bare werken zou de stimulering der conjunctuur verder
in hoofdzaak moeten worden gezocht in de richting van
belastingverlaging,
waardoor immers de moeilijkheden
van het bedrijfsleven het beste kunnen worden verlicht.
Daarmede komen wij hier tot hetzelfde desideratum,
dat reeds hierboven in verband met de stijging der pro-
ductiviteit werd geponeerd. Een belastingverlaging zou

derhalve direct èn indirect tot een stijging van de pro-
ductiviteit kunnen leiden. Direct door de grotere stimu-
lans tot extra-inspanning, die bij een lagere belastingdruk
voor ondernemer en arbeider zou blijven bestaan; en
indirect door de gunstige invloed van een belastingver-
laging op de conjunctuur, waarmee de arbeidsproducti-
viteit op de korte termijn ten nauwste blijkt samen te,
hangen. –

Vierde doel: een zo rechtvaardig mogelijke inkomens-
verdeling.

Bij de beoordeling van de rechtvaardigheid -van de inkomensverschuivingen, die uit de hierboven aange-
geven maatregelen zouden voortvloeien, moet naar mijn
gevoelen worden vooropgesteld, dat verschillende ver-
anderingen in de inkomensverdeling, die sinds de oorlog
zijn ontstaan, een zeer onrechtvaardig karakter heb-
ben gehad. Met name de fixering van de huren en
pachten op een zeer laag peil is tegenover de hierdoor
getroffenen onrechtvaardig geweest. Het onrecht, dat
door de inflatie voor alle vaste inkomens en – in
mindere mate – ook voor de salaristrekkers is ont-
staan, is voor deze groepen nog verzwaard door de
stijging der onderhoudskosten, waardoor hun reële in-
komens in vele gevallen tot minder dan een derde van het vooroorlogse peil zijn gedaald. En daarbij verlieze

‘) vergelijk mijn diesrede ,,Crisis der conjunctuurpolitiek”, Haarlem 1951
en ,,Conjunctuurtheorie en conjunctuurpolitiek” (ter perse).

men bovendien niet uit het oog, dat de extra-bijdrage,
die men op grond van rechtvaardigheidsoverwegingen
van de kapitaalbezitters meende te mogen vragen, da-
dclijk na de oorlog reeds door de vermogensheffingen
was opgelegd. Op gronden van rechtvaardigheid kan het
na-oorlogse beleid ten aanzien van de prijsvorming der
productiefactoren dan ook alleen worden gemotiveerd,
wanneer men het ziet als een poging om de
tijdelijke
welvaartsdaling van de na-oorlogse jaren niet te laten drukken op de arbeiders, maar op de meer vermogen-
den, die een beperkt aantal ongunstige jaren gemakke-
lijker doör kunnen komen. Maar daaruit vloeit dan
ook voort, dat, zodra de moeilijkheden zijn overwonnen
en de welvaart het vooroorlogse peil weer bereikt, in
de eerste plaats de inkomens van deze zwaar getroffen
groepen tot een redelijk peil moeten worden opgevoerd.

Zo kunnen de hierboven van andere doelstellingen
afgeleide desiderata van huur- en pachtverhoging ook
op grond van overwegingen van rechtvaardigheid wor-
den verdedigd. Uit deze verdediging vloeien dan tevens
enkele nadere kwalificaties voort ten aanzien van de
wijze, waarop deze wensen moeten worden gerealiseerd.
Enerzijds houden de eisen der rechtvaardigheid in, dat de noodzakelijke huurverhoging niet door speciale be-
lastingen moet worden afgeroomd. Anderzijds houdt de hierboven ontwikkelde gedachtengang echter ook in, dat de verhoging van huren en pachten – en even-
eens van de achtergebleven salarissen. – slechts kan
worden doorgevoerd voor zover de stijgende welvaart
dit bij ,,handhaving van het reële loon der arbeiders mo-
gelijk maakt.

Conclusie.

Hiermee kan het hierboven ontwikkelde economische
programma zijn sluitstuk vinden. Wij kunnen vaststel-
len, dat alle vier de genoemde doelstellingen der econo-
mische politiek met elkaar in harmonie kunnen worden
gebracht.

Door de stijging der productiviteit en door een be-
heerste, maar effectieve conjunctuurpolitiek, waardoor
verzekerd wordt, dat de potentiële resultaten der produc-
tiviteitsstijging tot werkelijkheid worden gemaakt, kun-
nen de middelen worden gevonden voor een herstel
van een .evenwichtige èn rechtvaardige beloning der ver-
schillende productiefactoren.
Aan deze zeer korte samenvatting van de hierboven
verdedigde doelstellingen zou ik tenslotte nog een punt
willen toevoegen. De hierboven gemaakte opmerkingen
over de rechtvaardigheid van bepaalde veranderingen
in de inkomensverdeling hebben in zekere zin een re-
trospectief karakter. De rechtvaardigheid van bepaalde
veranderingen werd gezien in verhouding tot de in het verleden gegroeide inkomensverdeling. Dit aspect der
rechtvaardigheid mag nooit uit het oog worden verloren.
Maar mijn beschouwing zou onvolledig zijn, wanneer
niet tegelijkertijd het oog op de toekomst werd gericht.
Hoe kan de toekomstige ontwikkeling der inkomens-
verdeling rechtvaardiger worden gemaakt? Het komt
‘mij voor, dat hiertoe in een vrije maatschappij aller-
eerst zal moeten worden gestreefd naar het geven van
zoveel mogelijk
gelijke kansen
aan een ieder. Op dit
punt zijn in ons land nog zeer belangrijke hervormingen
mogelijk. V66r alles zou daartoe voor ieder, die over
goede capaciteiten daarvoor beschikt, de mogelijkheid
moeten worden geopend om
volledig aan het middel-
baar en hoger onderwijs deel te nemen.
En wat het
hoger onderwijs betreft, lijkt het mij daarbij van essen-
tieel belang, dat bij het geven van beurzen het deelnemen
aan het studentenleven financieel wordt mogelijk gemaakt
en zelfs wordt gestimuleerd. Pas dan zal immers de
studie der beursstudenten zijn volle waarde krijgen; en
pas dan ook zal de ernstige verarming en vervlakking, waaronder onze studentenwereld de laatste jaren lijdt,
op werkelijk effectieve wijze kunnen worden bestreden.
En dit is een zo groot belang voor de toekomstige ont-

514

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

2 Juli 1952

wikkeling van ons land, dat het tijd is geworden daar-
aan op het hoogste niveau aandacht te schenken 3).

Dit moge mijn eindconclusie zijn. Wânt wie vertrou-
wen heeft in de vermogens van mens en maatschappij

3)
Voor een nadere beschouwing van de huidige moeilijkheden in de stu-
dentenwereld moge ik verwijzen naar de onlangs verschenen brochure van
Prof. Dr
G. C. Heringa: ,,De sociale Status van de student en de efficiëntie
van het hoger onderwijs”, Amsterdam 1952.

om zich in vrijheid te ontplooien, moet de.vooruitgang der maatschappij niet zoeken in een geperfectionneerd
maar verstarrend stelsel van overheidsregelingen, maar
in het geven van volledige ontwikkelingsmogelijkheden

aan ieder mens.

Rotterdam.

Prof. Dr H. J. WITTEVEEN.

Het nieuwe Kabinet. Welke koers?

Uit de gezichtshoek van de

Communistische Partij Nederland
_j

Ongeacht de uitslag van de verkiezingen zal een, als
resultaat daarvan gevormd Kabinet, wat het economische
gedeelte van zijn beleid betreft, een geheel andere koers
dienen te volgen dan zijn voorganger. De samenhang, die
noodzakelijkerwijs bestaat tussen de verschillende delen
van de regeringstaak veroorzaakt dat ook de andere

gebieden van regeringsbeleid daardoor niet onberoerd
blijven. Met name geldt dit vooral voor het beleid op het gebied van de militaire toerustingen en op dat van finan-

ciën en sociale zaken.

De militaire toerustingen hebben een omvang aange-
nomen, die economisch niet verantwoord is. Uitgaven voor militaire doeleinden zijn in wezen improductieve uitgaven.
Dit geldt eveneens voor de productie van oorlogsmateri-
aal. Monetair werken beide infiatoir. Deze infiatoire
werking is slechts te neutraliseren door beperking van de
consumptie van dat gedeelte der bevolking, wier consump-
tie door ingrijpen der Regering beperkt kan worden, nl.

de arbeiders. De loonstop maakt dit mogelijk.

Op de inkomens der andere bevolkingsgroepen heeft
het Kabinet in het geheel geen of slechts indirecte invloed.
Gaat het toekomstige Kabinet voort te dezen aanzien het-
zelfde beleid te voeren als zijn voorganger dan zal dit,
door de verdere doorwerking in het economisch bestel
van de improductieve besteding van een zo belangrijk
gedeelte van het nationale inkomen, nl. f 2.000 millioen
per jaar, ten gevolge hebben dat verdere consumptiebe-
perking onvermijdelijk wordt. Deze zal weer sterk toe-
nemende werkloosheid na zich slepen. Door beide zal
bovendien de middenstand in haar bestaan worden ge-troffen. Een toestand van nog sterker dalende welstand
voor het grootste gedeelte der bevolking zal daardoor ont-
staan. Slechts een klein gedeelte der bevolking zal van deze

ontwikkeling profijt trekicen.
Door de hierboven geschetste gang van zakén zullen
bovendien de overheidsuitgaven ter bestrijding van de
gevolgen van haar politiek toenemen. Dit zal leiden tot
pogingen desondanks een sluitende begroting te bewerken
door nog verdere verzwaring van de belastingdruk (reeds
doot Minister Staf voorspeld). Mocht dit laatste niet ge-
lukken door het verzet dat daartegen ontstaat dan blijft
nog slechts de bankbiljettenpers over om het geld voor de
gestegen overheidsuitgaven te fourneren.
Zei niet reeds op 27 Maart 1947 de heer Drees, toenmaals
Minister van Sociale Zaken,
bij
de behandeling van de

wet op de Noodvoorziening Ouden van dagen, in de
Tweede Kamer: ,,Niemand zal menen, dat Nederland deze
militaire uitgaven blijvend zal kunnen dragen”), of later
bij de repliek: ,,er is niemand, die er aan twijfelt, dat de
militaire uitgaven zeer belangrijk zullen moeten teruglopen,
wil Nederland de lasten, die het te dragen heeft, inderdaad
kunnen torsen”). Doch toen waren de militaire uitgaven

nog slechts ongeveer f 800 millipen.
Ook de tegenwoordige Minister van Economische Zaken
gaf
bij
het debat daarover in de Tweede Kamer toe dat

deze improductieve uitgaven door ons land economisch

Blz. 1381 van de Handelingen der Staten Generaal.
Blz. 1389.

niet zijn te dragen, zo goed als de Minister van Financiën
er niet aan kon ontkomen de infiatoire werking er van toe te geven. Zo is het dus wel duidelijk dat aan het toekom-
stige Kabinet de eis gesteld dient te worden, alleen al uit
economische en monetaire overwegingen, de militaire toe-
rustingen te verminderen tot het peil van voor de laatste
kabinetsformatie, dus van voor 1951.

De gevolgen daarvan zouden èn economisch èn sociaal
van ontzaglijke betekenis zijn. De meest drukkende be-
lastingen zouden kunnen worden verlaagd. Dit zou de
prijzen van vele goederen doen dalen waardoor het reële
inkomen zou
stijgen.
De vraag naar goederen zou toenemen,
de werkgelegenheid zou groter worden. De middenstand
zou ruimer ademhalen. Het Kabinet zou nu uiteindelijk,
na zeven jaar, de oorlogsschade geheel en al kunnen betalen.
Het zou bovendien grote bedragen beschikbaar kunnen
stellen voor woning- en scholenbouw. Dit zou de bedrijvig-
heid in de bouwnijverheid doen toenemen en de werkloos-
heid in deze tak van bedrijf zeer doen afnemen, zo niet geheel
doen verdwijnen.Het vergroten van de woongelegenheid zou
de productie van duurzame verbruiksgoederen en de omzet
daarvan enorm doen stijgen, hetgeen weer vele bedrijven,
voornamelijk de middenstand, ten goede zou komen. De toe-
genomen bedrijvigheid en de verminderde werkloosheid
zouden de consumptie omhoog voeren hetgeen de consump-
tiemiddelenindustrie een grotere afzet en de in deze ar-
tikelen handelende middenstand grotere omzet zou ver-

zekeren.

Er zou geld beschikbaar komen voor verbetering der
sociale voorzieningen. De noodvoorziening voor ouden
van dagen zou doör een definitieve voorziening op betere
basis kunnen worden vervangen. Daarbij zou het een gun-
stige werking hebben op de betalingsbalans, want er
zouden minder militaire goederen of de grondstoffen
voor de vervaardiging er van behoeven te worden ingevoerd.
Het dollarprobleem zou een groot deel van zijn betekenis
verliezen en het zou er op beginnen te gelijken dat het zou
kunnen worden opgelost. De stijging van de koopkracht
zou niet gepaard gaan met een ontwiichtende invloed op de
betalingsbalans, omdat wel de import van grond- en hulp-stoffen door de gestegen consumptie zou toenemen, doch
de import van grond- en hulpstoffen voor oorlogsmate-
riaal of dat materiaal zelf zou afnemen.
Zou het toekomstigë Kabinet deze naar onze mening
absoluut noodzakelijke vermindering van de militaire
uitgaven niet in zijn programma opnemen, dan zal het
toch andere maatregelen moeten nemen. We blijven dan
met de gevolgen van deze politiek van een economisch
niet verantwoorde besteding van een zo groot gedeelte van
het nationale inkomen voor improducteve doeleinden
voorttobben. We houden dan een grote en steeds toene-
mende werkloosheid. De belastingdruk zal toenemen.
Het dollarprobleem blijft onoplosbaar. Dan zal toch aan het nieuwe Kabinet de eis gesteld die-nen te worden krachtige maatregelen te nemen ter bestrij-ding van de werkloosheid. Het is economisch niet verant-
woord dat een zo groot gedeelte van het menselijke pro-
ductievermogen niet gebruikt wordt. Sociaal is het niet

2 ‘Juli 1952

ECONOMISCH-STA TISTJSCHE BERICHTEN

515

verantwoord deze mensen zonder werk en zonder oldoen-
de inkomsten te laten. Daarom dient het toekomstige
Kabinet ter bestrijding van de werkloosheid grote werken,
die economisch voor ons land van belang zijn, te laten
uitvoeren. Het verschil tussen het loon dat daarvoor zal wor

den ontvangen en de steun uitkering werkt lichtelijk infiatoir.
Deze infiatoire werking verdwijnt echter zodra deze wer-ken, als inpolderingen e.d., rijp zijn om voor de productie
te worden gebruikt.

Er zijn bovendien, daarvan was ook het vorige Kabinet
reeds overtuigd, nog andere belangrijke middelen ter be-
strijding van de werkloosheid, ni. industrialisatie en export.
Het is zonder meer duidelijk, dat industrialisatie zonder
export onmogelijk is. Blijkens de Exportnota was ook het
vorige Kabinet die mening toegedan. Het keek echter voor
de vergroting van de export toch bijna uitsluitend overzee.
Het was daarbij sterk beïnvloed door het dollarprobleem.
Ondanks het feit dat de betalingsbalans vrijwel in even-
wicht is, is het dollartekort nog steeds zeer groot. Het te-
kort was in 1951 $ 226 mfflioen groter dan in 1950, ni.
$ 656
miljoen.

De President van De Nederlandsche Bank zegt daarover
in het jongste verslag (blz. 39):

,,Het jaar 1951 heeft echter helaas weer een belangrijke ver-
grôting van het dollartekort van de rest van de wereld ge-
bracht, zonder dat men met zekerheid kan zeggen, dat deze
uitsluitend een gevolg zou
zijn
van ‘de overigens niet te mis-
kennen relatieve versterking van infiatoire tendenties in de
niet-dollarwereld. De oplossing van dit vraagstuk
lijkt
daar-
door weer verder verwijderd dan de ervaring van 1950 scheen
te beloven”
Bovendien heeft 1951 opnieuw doen ondervinden hoe moei-
lijk het is op de Amerikaanse markt een afzetgebied te ver-
overen, wanneer daardoor concurrentie wordt aangedaan aan
Amerikaanse producenten, die in staat
zijn
hun economische
of politieke macht tegen ‘de buitenlandse import in het ge-
weer te roepen. De beperking van de kaasinvoer in de Ver-
enigde Staten is daarvan een sprekend voorbeeld’.

Hieruit spreekt duidelijk de beheersing van de Ameri-
kaanse Regering door machtige belangengroepen, die zoveel mogelijk alle import, zowel door tariefpolitiek
als door incidentele maatregelen, tegenhouden. Export
is echter voor de technisch sterk ontwikkelde Amerikaanse
industrie en de zeer gemechaniseerde landbouw een levens-
voorwaarde. Daarom wordt de export, ook van kapitaal,
dat in de Amerikaanse industrie niet kan worden geïn-
vesteerd, zoveel mogelijk bevorderd. Daartoe dient dan ook
,,point 4″. Zolang nu ons land zich desondanks voor het
betrekken van de benodigde grondstoffen’ op Amerika blijft oriënteren, zal het dollartekort blijven bestaan.
De President van De Nederlandsche Bank zegt daarover:

Het dollarprobleem kan echter geen aanvaardbare oplos-
sing vinden, wanneer Amerika niet bereid is om, naast grond-
stoffen ook eindproducten en diensten op ruime schaal in be-
taling te nemen voor zijn, voor de niet-dollarwereld zo essen-
tiële leveringen”.

Bereid is het daartoe zeker niet, dat blijkt uit de Buy-
American-act en de Buy-American beweging. Uit de be-
paling, dat de goederen van de zgn. Marshall-hulp slechts
voor 50 pCt met eigen schepen van het land, dat de goe-
deren ontvangt, mogen worden vervoerd, zien we dat men
ook de betaling in diensten zoveel mogelijk beperkt. Zo
blijven we dus steeds met het dollarprobleem zitten.
Een gedeeltelijke oplossing zou, zoals we hierboven
hebben uiteengezet, kunnen worden gevonden in vermin-
dering van de militaire toerustingen en daardoor vermin-
derde import uit de Verenigde Staten. Doet men dit niet
dan zal het probleem toch zo spoedig mogelijk dienen te
worden opgelost. Daartoe zal het nodig zijn de grond-
en hulpstoffen uit andere gebieden te betrekken. Dit
moeten dan gebieden zijn waar onze export wèl afzet kan
vinden.
Blijkens de Economische Conferentie, die op particu-
lier initiatief te Moskou is gehouden, kan onze export naar
de landen van Oost-Europa en Volksdemocratisch China
gerede afzet vinden. Van him kant kunnen deze landen

ons de grond- en huipstoffen leveren, die ons land nodig
heeft.

De heer Nesterov, voorzitter van de Kamer van Koop-
handel in de Sovjet-Unie, deelde de confefentie, die ook
door vele Nederlandse zakenlieden was bezocht, mede,
dat de S.U. in de eerste drie jaar voor een bedrag van
15.000 millioen roebel per jaar uit West-Europa wilde
betrekken. De S.U. wil deze goéderen kopen hetzij in
ruilhandel, hetzij in de valuta van het land, dat de goede-
fen levert. Hieruit blijkt dus, dat er zeer verstrekkende
mogelijkheden zijn tot het uitbreiden van de handel met
,de Oosteuropese landen, ook voor ons land. Ook ver-
tegenwoordigers van Volksdemocratisch China waren op
de conferentie. Ook dit land wil goederen uit West-Europa
betrekken, o.a. textiel. /

De handel met deze gebieden ligt op het ogenblik vrij-wel geheel’stil. Blijkens de Exportnota van Minister v. d.
Brink was onze export naar de Sovjet-Unie in 1937/38
f 97 millioen en in 1949/50 en 1950151 f5 millioen. Het is
duidelijk dat dit verschil niet te wijten kan zijn aan grote
leveranties oorlo.gsmateriaal, die ons land in 1937/38
aan de Sovjet-Unie zou hebben gedaan. Het uitbreiden
van de lijst van goederen, die op verlangen van Amerika
tot oorlogsmateriaal worden gerekend, is daarvan de oor-
zaak. Onder de 250 goederensoorten, die niet geleverd
mogen worden, zijn er tientallen, die geen enkele militaire
betekenis hebben. Dit is.èn voor de export èn voor de in-
dustrialisatie en daarmede voor de werkgelegenheid in
ons land van de allergrootste betekenis. Deze worden daar

door ten zeerste in hun ontwikkeling geremd.

‘ Deze enorme gebieden, die èn industrieel èn agrarisch
in volle ontwikkeling zijn, kunnen enorme hoeveelheden
afgewerkte goederen opnemen. Daarbij hebben zij een be-
volking van ongeveer 800 millioen mensen. Bovendien
kennen deze landen door hun georganiseerde, vôlgens een
plan uitgevoerde productie, geen crises. Men heeft dus voor
de export geen vrees te koesteren voor de ups en downs
zoals men die in de kapitalistische landen kent. Door uit-
breiding van de handel met deze landen zou men een vaste
basis verkrijgen voor de industrialisatie. Dit zou de be-
staande werkloosheid zeer belângrijk doen afnemen, doch
daarnaast voor de toekomst de mogelijkheid scheppen de
industrie zodanig uit te breiden, dat de opgroeiende gene-
raties direct in het productieproces kunnen worden opge-
nomen. –
Daartegenover zijn deze van minerale rijkdommen zo
rijk voorziene landen de natuurlijke leveranciers van grond-
stoffen. Daarmede zou het dollarprobleem zijn opgelost.
Een oplossing van dit probleem door uitbreiding van de
export naar andere Westeuropese landen behoort tot de
onmogelijkheden. Deze landen hebben zelf met een dollar-
tekort te kampen. Bovendien beperken zij hetzij ter be-
scherming van de eigen industrie, hetzij ter beschermIng
van de betalingsbalans, hetzij ter beperking van de con-
sumptie de import zoveel mogelijk, waardoor het inter-
Europese handelsverkeer meer en meer stagneert. Ook
dit zou door uitbreiding van de handelsrelaties met Oost-
Europa en Volksdemocratisch China weer op gang kun-
nen komen. Daarom dient aan het nieuwe Kabinet de
– eis te worden gesteld, in het belang van de economische
ontwikkeling van ons land en in dat van de welvaart van
de bevolking, alle krachten in te spannen om de handels-
betrekkingen met Oost-Europa en Volksdemocratisch
China zo snel mogelijk uit te breiden of waar ze geheel
verbroken mochten zijn deze weer aan te knopen.
Het is zoals de ,,Nederlandse Vereniging voor Vrijhan-
del” in haar geschriftje: ,,Moskou en de internationale
handel” schrijft: ,,Misschien heeft dit Westen nog de tijd
door het
verbreken van bindingen
3
)
de flexibiliteit zijner
samenleving te vergroten” of, zoals Mr X. P. van der
Mandele zei, het gaat om ,,to be or not to be”.

Rotterdam.

J. HOOGCARSPEL.

3)
Cursivei’ing van mij. J. H.

Te koop

MORRIS MINOR
1950

Cabriolet, benzineverbruik 1
op 15, in staat van nieuw.
C. Dorst, Voorweg 57, Oost-
voorne, Tel. 67.

JEEP TE KOOP

en een mooie aanhangkar v.
luxe auto. Stationsw. 8, Gel-
dermalsen, Tel. K 3455-314.

WASSENAAR
Te koop zeer fraai gelegen
LANDIJIJIS,
14 k., gar.,
oliest., Ga. 5500 mZ grond,
waarv. Ga. 1600 m2 geschikt
voor bouwterrein. Aantr. pr.
Bevr. W. F. van Waning,
Beukenhorsti. 4, Wassenaar.

ADVERTEER

REGELMATIG t

GEMEENTE SCHIEDAM
GEMEENTE AMERSFOORT

Uitgifte van

f. 2.000.000.- 4
1/4 O/
30-jarige obligatiën

in stukken van nom.
f. 1.000.— aan toonder.

De ondergetekenden berichten, dat de inschrijving op
bovengenoemde obligatiën zal zijn opengesteld op

DINSDAG, 8 JULI 1952,

van des voormiddags 9 uur tot des namiddags 4 uur,

tot de koers van 100 pCt.,

bij hare kantoren te Amsterdam, Rotterdam, ‘s-Graven-
hage en Amersfoort,

op de voorwaarden van het prospectus van uitgifte
d.d. 1 Juli 1952. Exemplaren van het prospectus en
inscb,gijvingsbiljetten zijn bij genoemde kantoren ver-
krijgbaar.

Amsterdam, 1 Juli 1952.

AMSTEROAMSCHE BANK N.V.

INCASSO-BANK N.V.

Uitgifte van

1. 3.000.000.-
41/4 O/
30-karige obligatiën

in
stukken van nom.
f.
1.000.— aan toonder.

De ondergetekenden berichten, dat de inschrijving op
bovengenoemde obligatiën zal zijn opengesteld op

DINSDAG, 8 JULI 1952,

van des voormiddags
9
uur tot des namiddags 4 uur,

tot de koers van 100 pOt.,

bij hare kantoren te
Amsterdam,
Rotterdam, ‘s-Graven-
hage en Schiedam,
voor zover aldaar gevestigd,

op de voorwaarden van het prospectus van uitgifte
d.d. 1 Juli 1952. Exemplaren van het prospectus en
inschrjvingsbiljetten zijn bij genoemde kantoren ver-
krijgbaar.

Amsterdam, 1 Juli 1952.

AMSTERDAMSCHE BANK N.V.

INCASSO-BANK N.V.

LABOUCHERE
&
CO. N.V.

GEMEENTE DELFT

Uitgifte van

t. 2.000.000.-
41/4 O/
30-jârige obligatiën

in
stukken van nom. f. 1.000.— aan toonder.

De ondergetekenden berichten, dat de inschrijving
op bovengenoemde obligatiën zal zijn opengesteld op

DINSDAG, 8 JULI 1952,

van des voormiddags 9 uur tot des namiddags 4 ûur,

tot de koers van 100 pCt.,

bij hare kantoren te Amsterdam, Rotterdam, ‘s-Graven-
hage en Delft,

op de voorwaarden van het prospectus van uitgifte
d.d. 1 Juli 1952. Exemplaren van het prospectus en
inschrijvingsbiljetten zijn bij genoemde kantoren ver-
krijgbaar.
Amsterdam, 1 Juli 1952.

AMSTERDAMSCHE BANK N.V.
INCASSO-BANK N.V.

MAAK GEBRUIK
van de rubriek ,.Vacafures” voor hel

oproepen van sollicifanfen voor leidende funcfies.

ECONOMISCH-
STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN
HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

Adres voor Nederland: Pieter de Hoochstraai 5, Rotterdam (W.)
Telefoon Redactie en Administratie 38040. Giro 8408.
Bankiers: R. Mees en Zoonen, Rotterdam Redactie-adres voor België: Seminarie voor Gespecialiseerde Ekonomle
14, Untversi:eitsrroat, Gent.
Abonnementen: Pieter de Hoochstraat 5, Rotterdam (W.).
Abonnemenisprjs, franco per Post, voor Nederland en de Uniegebieden en
Overzeese Rjjksdelen (per zeepost) f 26,—, overige landen f28,— per jaar.
Abonnementen kunnen ingaan me( elk nummer en slechts worden beëindigd per
ultimo van het kalenderjaar.
Aangetekende stukken in Nederland aan het Bijkantoor Westzeedijk.
Rotterdam (W.).

ADVERTENTIES.
Alle correspondentie betreffende advertenties te richten aan de Firma H. A. M.
Roelants. Lange Haven 141, Schiedam
(Telefoon
69300, toestel 6). Advertentie.
tarief f 0.43 per mm. Contract-tarieven op aanvraag. Rubrieken ,,Vacatures” en„Beschikbare krachten” f 0.60 per mm (dubbele kolom). De administratie
behoudt zich het recht voor om advertenties zonder opgaaf van redenen te
weigeren.

Losse nummers 75 cents.

Auteur