Ga direct naar de content

Jrg. 37, editie 1827

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: mei 28 1952

ECONOMISCH

STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

37E JAARGANG

WOENSDAG 28 MEI 1952

No 1827

COMMISSIE VAN REDACTIE

Ch. Glasz; H. W. Lambers; J. Tinbergen;

F. de Vries; C. van den Berg (secretaris)

Redacteur-Secretaris: A. de Wit.

S

Assistent-redacteur: J. H. Zoon.

S

COMMISSIE VA’N ADVIES VOOR BELGIË

J. E. Mertens; J. van Tichelen;
R. Vdndeputte; F. Versichelen.

INHOUD
Blz.
Verwachtingen met betrekking tot het prijsver-
loop van wol in 1952
door J. A. M. van

Gerwen …………………………..
408

De te verwachten prijsontwikkeling voor ruwe
katoen door W. Kats ……………….
410

De betekenis van de maandelijkse uitvoer-
cijfers voor de beoordeling van het Neder-
landse exportverloop
doûr F. J. Clavaux
411

Recente gebeurtenissen en staatszelffinancie-
ring door Dr H. Philippi ……………..
414

Nogmaals enige opmerkingen over ,,De eco-
nomische studie beoordeeld naar haar resulta-
ten” door Dr J. G. Stridiron …………..
416

‘Geld- en kpitaa1markt
door Drs J. C. Brezet
417

Statistieken:

Wisselkoersen ……………………….417

Overzicht van de opbrengst der Rij ksmiddelen 418

Interim-prijsindexcijfers van het gezinsver-
bruik in Nederland ………………..419

Recente ecbnomische publicaties …………419

J

AUTEURSRECHT VOORBEROUDE1V

Dezer dagen

besluiten, die het bevattingsvermogen te boven gaaîi.
Er zal een moment komen, waarop het schrijvers van
proefschriften mogelijk zal zijn te demonstreren, wat-
tei goede was en wat ten lçwade. Zou één der leiders van Engeland, die kort na de eeuwwissëling ,,the end of Eng-land’s spiendid isolation” bewerkten, ooit hebben kunnen
bevroeden, hoe de toen mislukte alliantie met Düitsland
na een halve eeuw – zij het met een gehalveerd Duitsland
– ttt stand zou komen?

De betrekkelijkheid van het inzicht van de tijdgenoot,
ook in de leidende posities, is, wat het diepst bijbljft uit
de geschiedenis der staatsstukken. Hoe zal de tijdgenoot,
die het gebeuren slechts kan waarnemen door de kijker
van de berichtgeving dan oordelen?
Is het deze geresigneerdheid tegenover het grote pogen,
waardoor het ogenblik van de ondertekening van de
Conventie van Bonn – het staatkundig instrûnient, waar-
door West-Duitsland de souvereiniteit in grote mate her-
wint en zich voegt bij de bondgenoten van de.Westerse
alliantie – naar buiten zo weinig weerslag wekte?

,,Accord is 400 pages long, 2 in. thick, weight 3- lbs.”
is de kop, waaronder de ,,New York Herald Tribune”
de ondertekening commentarieert. Dit is wel een zuiver
psychologisch trekje; aan deze maten heeft men tenrninste
houvast.

Bij de grote besluiten is onmiddellijk een ander gevoegd.
Zes staten hebben het Pact voor de Europese Defensie-
gemëenschap getekend, waarmee de Conventie van Bonn ten nauwste is verbönden.

Terwijl. de Amerikaanse Minister van fluitenlandse
Zaken daartoe in Europa vertoeft, gaat in de volksverte-
genwoordiging de thans felle strijd om ht al dan niet
verder beperken van de hulp aan het buitenland voort:
,,Effen is kwalijk treffen”, deze verzuchting van een dich-ter, die het geestelijk evenwicht een moeizaam te bereiken
einddoel vond, zal ook onze tijd wel blijven begeleiden:

Eén punt, een hoogtepunt, is echter weer vastgélegd:
het totaal aantal werkenden in de Verenigde Staten is
in Mei op een peil gekomen, hoger dan ooit na de oorlog
was bereikt; dit ondanks de wat teruglopende bedrijvig-
heid in een aantal bedrijfstakken, die duurzamer consump-
tiegoederen voortbrengen..
Het consumptiepeil, eerste aanwijzing van het welvaarts-
peil, zal, volgens een rapport van het Secretariaat der
Verenigde Naties, in Groot-Brittannië niet worden aan-
getast dôor de budgetaire politiek. Althans in totaal;
er ziji% echter categorieën, die er minder goed afkomen
,,On balance, all families with an annual income of belo’

£ 350, who represent something close to one half of th
total number of family incomes, will be worseoff”:

Bij
GROTE INSTELLING
(institutionele belegger)
in het Zuiden des lands bestaat gelegenheid tot
plaatsing van

TWEE ENERGIEKE KRACHTEN

1. ter assistentie, c.q. vervanging, van het hoofd
der Afdeling Beleggingen;
H. ter verzorging der algemene documentatie met
inbegrip van balans-analyses.
Eigenhandig geschreven brieven met volledige in-
lichtingen over leeftijd, opleiding en praktijk en
vergezeld •van een recente pasfotö, onder No.
ESB 22-5, aan het Bureau van dit blad, Postbus
42, Schiedam.

Diversen
Door partic. aangeb. AUSTIN A 40,
Sedan, in uitst. staat. Kleur zwart,
open dak, kachel, defroster, rolhoes,
2 extra Lucas lampen, 2 nwe ban-.
den, nwe accu, nwe schokbrekers
Leeuwenberg, Oranjeplein 3, Haar.
1cm, tel. 14201.

Adverteer In

deze rubriek.

EERSTE NEDERLANDSCHE

Verzekering-Mij.
op
het Leven en tegen Invailditelt N.V.

Aanpassing
van ondernemingspensloen- en

spoarfondsen aan de (komende)

nieuwe wettelijke ‘bepalingen •

Kantoor: Bellevuestraat
2,
Dordrecht, Telefoon 01850
• 5346

R. MEES & ZOONEN

ANNO 1720

Bankiers & Assurantie-Makelaars
ROTTERDAM

‘s-Gravenhage, Delft, Schiedam, Vlaardingen,

Amsterdam (alleen Assurantie)
/
ÇP D

?

Gevraagd bij een der Departementen een

Drs ECONOMIE

met enige jaren practijk in organisatie- en efficiency-werkzaam-
heden. Aanstelling in de rang van referendaris. Uitvoerige
sollicitaties onder motto G/Oe S 1 aan de

CENTRALE PERSONEELSDIENST

3EZUIDENHOUT 15 DEN HAAG

COMMISSARIAAT VOOR SURINAAMSE ZAKEN.

Voor de in Suriname vacerende betrekking van

INDUSTRIEËL CONSULENT

wordt gevraagd een werktuigkundig of chemisch in-
genieur met bedrijfseconomische ervaring.

Uitzending: in tijdelijke dienst voor de duur van 3
jaren op de gebruikelijke voorwaarden met toekenning
van uitrustingskosten en vrije overtocht (ook voor het
gezin). Salaris zal nader worden overeengekomen.

Gezegelde sollicitatiês te richten aanhet Commissa-
riaat voor Surinaamse Zaken, Plein 1, ‘s-Gravenhage.
Persoonlijk bezoek alleen na oproeping.

De Gedeputeerde Staten van de Provincie Overijssel
roepen op sollicitanten naar de betrekking van

ADJUNCT-COMMIES

ter Provinciale Griffie

werkzaam te stellen op de 4e afdeling (Administratief
-recht). Jaarwedde f2.400 tot! 3.600 met 4 éénjaarlijkse
verhogingen van 1 180 en 4 van
f
120, exclusief de be-
kende toelagen volgens. Rijksregeling en de kinder-
toelage.
Vereiste: Diploma Gemeente-Administratie I.
Gezegelde sollicitatiestukken

binnen veertien dagen
na de verschijning van dit blad in te zenden aan de
heer Commissaris der Koningin in de provincie Over-
ijssel.
Persoonlijk bezoek alleen na oproeping.
Zwolle, 20 Mei 1952.

ncesvoorhetvoIendnumrne

dienen uiterlijk 3 Juni v m in het bezit te zijn van de

I

administratie,
Postbus 42. Schiedam,

406

Grootbédrijf

zoe’tt representatieve,

academisch gevormde

jongeman

bij
voorkeur ingenieur
of

econoom, met interesse voor

en practische ervarrng in tijd-

en bewegingsstudie en daar-

mede verband houden de

vraagstukken.

Aan bekwame persoonlijkheid

wordt
een interessante werk-

kring
geboden.

Br. met ultv.
ml.
onder
lett.
Z.Z.Z.
aan
Nijgh

& van Ditmar, Advertentiebureau, Rotterdam.

28 Mei 1952

ECONOMiSCH-STATISTISCHE BERICHTEN

407

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK

J. A. M. VAN GERWEN, Verwachtingen met betrekking
tot het prijsverloop van wol in 1952.

Van alle grondstoffen is wol ongetwijfeld degene, waar-van de prijs in de laatste twee jaren aan de grootste schom-
melingen onderhevig is geweest. Vooral de Amerikaanse
manipulaties op de wolmarkt in de periode van Juli 1950
t/m April 1951 moeten als de voornaamste oorzaak van
de enorme fluctuaties van de wolprijzen worden gezien.
Blijkens een recente raming zal de productie in het seizoen
1951152
2.293 mln lbs op gewassen basis bedragen, tegen
2.274 mln lbs in het seizoen 1950/5 1. De consumptie zal
in het seizoen 1950151 2.450 mln lbs hebben bedragen,
of ca 176 mln lbs meer dan de productie. Voor het tweede
halfjaar 1951 op jaarbasis kan de consumptie op 1.764
mln lbs of ca 29 pCt lager dan in de periode 1950/51 worden gesteld. Het is zeer waarschijnlijk, dat de normale consump-
tie op de duur terug zal komen op een niveau, dat dicht
bij de totale productie ligt. Alle elementen zijn aanwezig
voor een zekere stabilisatie van het huidige prijsniveau.

W. KATS, De te verwachten prjjsonfwikkeling voor ruwe
katoen.

Voor het prijsverloop van ruwe katoen is de te ver-
wachten gang van zaken in de Verenigde Staten, die in
1952/53 ongetwijfeld zowel wat de productie, de consump-
tie als de export aangaat een dominerende plaats zullen
innemen, van eminent belang. Het is nog te vroeg om een
definitief oordeel te vormen omtrent de te verwachten
omvang van de nieuwe oogst in de Verenigde Staten; het
is echter duidelijk, dat de Amerikaanse Regering alles in
het werk stelt om een katoenoogst van behoorlijke omvang
te verkrijgen en dat zij daarbij uit een oogpunt van prijs-
steun zo ver gaat als maar enigszins mogelijk is. Aange-
nomen moet worden, dat de termijnnoteringen voor de
nieuwe oogst, onafhankelijk van het feit, hoe de oogst uitvalt en wat de omvang zal zijn van de binnenlandse
consumptie en de export, ten minste enkele dollarcenten
hoger zullen zijn dan de officiële, steunprijs, ni. ca 33,10
dollarcent per Ib, zijnde de bodem, die als absoluut mini-
mum in de markt is gelegd. In verband met het grote aan-deel der Verenigde Staten in de wereldproductie van ruwe
katoen is de ,,floor price” voor Noordamerikaanse katoen
van grote invlôed op het prijsverloop van andere katoen-
variëteiten. Bij voldoende aanbod bestaat de kans, dat de
niet-Amerikaanse variëteiten beneden het Amerikaanse prijsniveau kunnen worden betrokken. Hier staat echter
tegenover, dat de deviezenmoeilijkheden, met name op het
gebied der dollarvaluta, tot een grotere vraag naar deze
variëteiten, die niet met dollars behoeven te worden
betaald, zullen leiden.
F. J. CLA VA UX, De betekenis van de maande! jjkse uit-
voercjfers voor de beoordeling van het Nederlandse
exportverloop.

In dit artikel gaat schrijver in op de factoren, die hèt
maandelijkse verloop van de Nederlândse uitvoer kunnen.
beïnvloeden en tracht hij hun invloed te quantificeren. Schrij-
ver onderscheidt deze invloeden in de volgende: prijs-
mütaties, verschillen mde lengte vande registratieperioden,
seizoenschommelingen en toevallige fluctuaties.

Dr H. FHILIPFI, Recente gebeurtenissen en staatszelf-

financiering.

Enkele gebeurtenissen, ni. de goedkeuring van het ont-
werp ,,Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering”, het
in werking treden van de Werkloosheidsverzekering op

1 Juli a.s., de woningbouwleningen en het aftreden van het
Franse kabinet Faure, gaven schrijver aanleiding nogmaals
staatszelffinanciering ter sprake te brengen. Van staats-
zelffinanciering heeft schrijver een samenvatting gegeven
in het tweede deel van een vroeger artikel van zijn hand,
ni. ,,Belasting plus schatkistpapier of staatszelffinanciering?”
in ,,E.-S.B.” van 15 Augustus 1951. Betoogd wordt o.a., dat staatszelffinanciering een werkloosheidsverzekering
met administratief uiterst ingewikkelde premiebetaling
door werknemers, werkgevers en het Rijk en de inschake-
ling van de! 26 verplichte bedrijfsverenigingen, overbodig
zou maken en dat staatszelffinanciering de huidige moei-
lijkheden, om door belastingheffing
volgens
de heden-
daagse methoden de staatsuitgaven te financieren, zou
opheffen.

Dr J. G. STRIDIRON, Nogmaals
enige
opmerkingen over
,,De economische studie beoordeeld naar haar resul-
taten”.

In het ,,Maandblad voor Accountancy en Bedrjfs-
huishoudkunde” van Maart 1952 heeft Prof. Haccoû
gereageerd op het artikel ,,De economische studie beoör-
deeld naar haar resultaten” van Dr Stridiron in ,,E.-S.B.”
van 31 October 1951; Schrijver gaat in dit artikeltje op
een tweetal punten van het betoog van Prof. Haccoû in.

– SOMMAIRE –

J. A. M. VAN GER WEN, L’évoluiion des prix de la laine
en 1952.

L’auteur estime fort favorable que, â la longue, la con-
sommation mondiale normale en reviendra â un niveau
qui se situe fort près de celui de la production mondiale
totale. A son avis, tous les éléments permettant une
stabilisation dii niveau actuel des prix sont d’ores et
déjâ présents.
W. KA TS, Les prévisions des prix sur le marché du coton
brut.

Les prix côtés pour le coton américain de la nouvelle
récolte seront supérieurs d’au moins quelques ,,cents”
au prix officiel ($ 0,331 la livre). Etant donné la part
importante des Etats-Unis dans la production mondiale,
le ,,floor price” du coton nord-américain. exerce une
grande influence sur le cours des autres variétés.
F. J. CLA VA UX, L’évolution des exportations néerlan-
daises examinée â la !umière des staf istiques mensuelles.

Dans cet arlicle l’auteur étudie les facteurs qui peuvent
infiuencer le cours mensuel des exportations néerlandaises;
ii essaie de déterminer quantitativernent cette infiuence.

Dr H. PHILIFPI, Evénements récents et autofinancement
de l’Etat.

Quelques événements, notamrnent• l’approbation du
projet ,,Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering”, la
mise en vigueur de l’assurance-chômage le 1 juillet
prochain, les emprunts pour la construction de logements
et la démission du cabinet Faure, donnent l’occasion â
l’auteur de revenir sur son idée ,,d’autofinancement de
l’Etat” qu’il a déjá développée dans le numéro du 15 août
1951 de la présente revue.

Dr J. G. STRIDIRON, Encore que!qaes remarques â propos
de ,,Les études économiques jugées d’après leurs
résultats”.

408

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

28 Mei 1952

Verwachtingen met betrekking tot het ‘prijsverloop

van wol in 1952

In April 1951 zette de Commodity Group for Wool van
de International Materials Conference in Washington
zich aan de bestudering van de vraag, of gezien de verhou-
ding tussen vraag en aanbod van ruwe wol, een interna-tionaal allocatiesysteem voor dit artikel al of niet nood-
zakelijk was. Gedurende enige maanden hebben de meest
vermaaide deskundigen uit de kringen van de wolpro-
ducenten, de wolhandel en de wolverwerkende industrie
van de gehele wereld zich aan de hand van den uitvoerige
documentatie over deze vraag het hoofd gebroken. Uit
de zeer schaarse rapporten, welke over deze conferentie
beschikbaar gekomen zijn, kreeg men de indruk, dat de
toen genomen beslissing om geen allocatiesysteem in het
leven te roepen, zeker niet de instemming van alle betrok-
kenen had en dat het standpunt van de productielanden
en speciaal van Australië, dat men onder geen voorwaarde
een inmenging in het systeem van open veilingen zou dul-
den, de doorslag voor dat besluit heeft gegeven.

Wanneer men bedenkt, dat deze conferenties zich af-
speelden in een periode, dat reeds drastische verlagingen
van de wolprijs tot stand gekomen waren, en dat de vraag
naar wol en wollen producten reeds sterk aan het dalen
was, is het zonder meer duidelijk, dat een prognose van
de toekomstige ontwikkeling van de wolindustrie niet

zonder meer een quaestie van een optel- of aftreksommetje
is.

Wanneer men verder nagaat, dat reeds sinds maanden
geen enkele expert noch enig woltijdschrift van betekenis
zich er aan waagt ook maar de geringste indicatie te geven
ten aanzien van de mogelijke ontwikkeling van de wolprij-
zén op korte of langere termijn, zal men zeker niet verwach-
ten, dat in deze beschouwing wèl een prognose wordt
verstrekt.

Het enige, wat men thans kan doen, is nagaan hoe de
ontwikkeling in de laatste tijd is geweest, wat de situatie
thans is en welke oorzaken tot het ontstaan van deze situa-
tie hebben meegewerkt.
Van alle grondstoffen is wol ongetwijfeld degene, waar

van de prijs in de laatste twee jaren aan de grootste schom-
melingeri onderhevig is geweest. Onderstaand overzicht,
ontleend aan de ,,World Wool Digest”, moge hiervan
een illustratie geven.

U.K. Coinmodity Price Index Nuinbers.
(30 Juni 1949 = lOO)

c

0


0
‘.
0
.

1950 139 196
157
156
128
104 325
131
152 951
193
252 223
214 216
139
499
190
188
951:
Febr.
209
376
240
259
183
139
660 254
172
Maart
220
413
242
266
183
139
649 233
172
April
‘209
332
245 235
183 139
568
212
179
Mei
202
297 248 204
186 139
451
200
183
-Juni
193
218
246
196
239
139′
441
lii
199
Juli
188
213 214
188
239
139
446
155 199
Aug.
179 167
205
179
239
139
440
153
199
Sept.
177 143 198 201
239
139
473
167
196
Oct.
182
183 187
209 239
139
455
178
193
Nov.
182
163 211
205 239
139
431
175
193
Dec.
181
160
213 207 239
139
406
162
193
[952:

1

Jan.
1822)
150
212 207 239
139′)
403
170
193
Febr.
176′
143 201
211
239
150
355
173
193
‘) Niet inbegrepen in de ,,Board of Trade series”.

) herzien.

De indexcijfers voor wol krijgen nog iets meer relief,
wanneer men ze gaat uitzetten op basis van de gemiddelde
prijzen van de jaren 1934/38. Voor een fijne, middel-fijne
en een grove Dominiori combing wool volgen hieronder
deze indexcijfers:

70 ‘s
58
‘s
46 ‘s

In d.
Index-
In d.
Index-
In d.
Index-
per Ib.’
cijfer
per Ib.
cijfer
per Ib.
cijfer

Gem. 1934138
17,27
100
20,91
100
12,91
100
Juli

1950
56′
572
III
531
72
‘558
Sept.

1950

……

..
221
810
168
803
133
1.030


Dec.

1950
235 862
191
913
146
1.131
Maart1951
317
‘1.162
301
1.439
211
1.634
Juni

, 1951
177
649
150 717
101
782
Sept.

1951
122
447
94

450
60
465
Oct.

1951
166
609
124 593 82
635
Nov.

1951
45
532
110
526
73
565
144′
528
104
497
72
558
Jan.

1952
35
495
102
488
70
542
Dec.

195
………

Febr.

1952
126
462
90
430
66


511
Maart 1952
116
425
82
392
51
,

395

Uit bovenstaande overzichten blijkt, dat de hoogste
prijzen werden bereikt in Maart
1951,
waarna ze in 6
maanden tijds daalden tot ca
‘/,
om daarop in een maand
weer ca 30 pCt te stijgen. Daarop trad opnieuw een gelei-
delijk verder doorgaande daling in, welke zich voortzette
tot en met Maart 1952, waarna op het laatst van April
zich weer een geringe stijging voordeed. Bovendien blijkt, uit dit overzicht, dat de. stijging voor de
grovere soorten groter was dan voor de fijnere soorten, doch dat, het verschil door een eveneens grotere daling
voor de grovere soorten weer geheel en zelfs meer dan dat
werd weggewerkt.

De oorzaken van deze ontwikkeling kunnen als volgt
in het kort worden omschreven.
Het wereldwolverbruik ontwikkèlde zich na de oorlog
als gevolg van de zeer sterke inhaalvraag tot een niveau,
dat belangrijk uitging boven de wereldproductie. Het
verschil kon worden opgevangen door de voorraden,
i elke zich tijdens de oorlog hadden geaccumuleerd. In
t egenstelling tot de oorspronkelijke verwachting werden
deze voorraden reeds in
5
jaar opgenomen, zodat men medio
1950 zo goed als aangewezen was op de jaarlijkse productie.
Op dat moment bleek reeds een zekere verzadiging van de
markt en het mag niet als uitgesloten worden beschouwd,
dat, indien de Korea-affaire er niet tussengekomen was,
een geleidelijke,aanpassing van de markt aan een lager
consumptieniveau zich in de vorm van langzaam dalende
wolprijzen voelbaar had gemaakt. Door het uitbreken van het conflict in Korea, de daarmede gepaard gaande sterke
stijging van de civiele vraag en de in sterk tempo opkomen-
de militaire vraag, sloeg het in het vooruitzicht zijnde
overschot aan wol plotseling om in een acuut tekort.
Als klap op de vuurpeil kwam het bericht over de Ameri-
kaanse plannen tot het aanleggen van een strategische
voorraad tot een kwantum, dat ca 10 pCt van de wereld-
jaarproductie vertegenwoordigde, aan welke plannen
reeds direct en op een voor de markt ongunstig moment
een begin van uitvoering werd gegeven. Deze situatie
joeg de prijzen op tot het 12 resp. 16-voudige van voor de
oorlog.
Daar de vraag zich sterk concentreerde op wol, geschikt
voor militaire producten, zijnde de grovere types, is daar-
uit de belangrijk grotere stijging voor deze types te ver-
klaren.
Het was duidelijk, dat toen de directe oorlogsdreiging

t

28 Mei 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

409

verminderde en als gevolg daarvan bij de consument een
reactie op de Jcoopwoede intrad, de vraag naar ruv’e wol
direct sterk daalde. Bovendien bleven de militaire voor-
zieiiingen voor de wolsector ver beneden de verwachtingen,
terwijl – opnieuw als klap op de vuurpeil – Amerika
zijn plannen voor strategische voorraadvorming van wol
plotseling weer prijsgaf èn zich, volledig van de markt
terugtrok. Vooral de Amerikaanse manipulaties op de
wolmarkt in de periode van Juli 1950 t/m April 1951
moeten dan ook als de voornaamste oorzaak van de
enorme fluctaties van de wolprijzen worden gezien. Door deze gang van zaken vêrloor zowel het publiek,
de verwerkende industrie als de handel het ‘ertrouwen in de markt met het gevolg, dat over de gehelè lijn een
sterke intering van voorraden plaatsvond en de aan-
kopen zich slechtá beperkten tot het strikt noodzakelijke.
De vraag op de ruwe-wolmarkt zakte dan ook ste&fs
verder in, hetgeen tot uitdrukking kwam in een steeds

lagere prijs.
Uiteraard kan deze voorraadintering en het uitstelleh
van .aankopen niet tot in het oneindige doorgang vinden.
Er moet een moment komen, dat het publiek door de in
een geforceerd tempo aangekochte goederen heen is en
zich weer de noodzakelijke textielgoederen moet aan-
schaffen. Factoren, zoals te geringe koopkracht en con-
sumptiebeperking, zullen hun invloed blijven uitoefenen
op het niveau van aanschaffingen, maar een terugkeer
tot een zeker minimum zal toçh niet kunnen uitblijven.
De voprraden ruwe wol bij industrie en handel, welke over de gehele wereld tot een niveau zijn gedaald, dat
zelfs in verhouding tot de geringe consumptie als abnor-
maal laag moet worden beschouwd, zullen dan nood-
zakelijkerwijze tot• een redelijke omvang moeten worden

aangevuld.
Hoe verhoudt zich thans de consumptie van wol tot de

productie?
Blijkens een zeer recente raming zal de productie in
het seizoen 1951/52, dat loopt van 1 Juli tot 1 Juli, 2.293
mln lbs op gewassen basis bedragen, tegen 2.274 mln
lbs in het seizoen 1950/1951 en 2.199 mln lbs in
194911950.

In de periode 1 Juli 1950 tot 1 Juli 1951 bedroeg de
consumptie in de 7 voornaamste wolverwerkende landen,

welke
2/3
van de totale wolconsumptie voor hun rekening
nemen, 1.647 mln lbs. De totale wereldconsumptie zal

dus in die periode ca
2.450
mln lbs hebben bedragen,

of ca 176 mln lbS meer dan de productie. In het tweede halfjaar 1951 daalde de wolconsumptie
echter zodanig, dat op jaarbasis omgerekend het wereld-
consqmptieniveau zou kunnen worden gesteld op 1.764
mln lbs of ca 29 pCt lager dan in de periode 1950151.
In vergelijking met de voorafgaande jaren, alsmede met
de vooroorlogse jaren was de wereldwolconsumptie en

de wereldwolproductie als volgt:

Consumptie

Productie

Gemiddeld 1934/1938
…………..

.2.058 mln lbs

2.058 mln lbs
Seizoen

194511946
……… ….

.
….
2.247

,,

,,

2.110

194611947
………………
2.435

,;

2.127
194711948

……………..
2.543

2.101

194811949
……………..
2.436

2.151

,1949!1950
……………..
2.651

2.198
195011951

……………..
2.450

,,

2.270

2e halijaar 1951 op jaarbasis
………
1.764

,.

2.293

Uit bovenstaande cijfers blijkt wel duidelijk de in’loed,
welke de- mhaalvraag vooral in de jaren 1946 t/m 1950
op het consumptieniveau heeft gehad. Bovendien blijkt,
dat onder invloed van de grote vraag een regelmatige
toeneming van de productie tot stand gekômen is.
Wanneer men -een raming zou willen maken van de
-toekomstige consumptie, nadat de reactie op de Korea-
hausse uitgewerkt is en het vertrouwen in de prijs is terug-

gekeerd, zou niet de volgende factoren rekening moeten
worden gehouden:
de toeneming van de wëreldbevolking, welke in een
stijging van de wolconsumptie moet resulteren;
de in gang zijnde emancipatie van onontwikkelde
gebieden, welke eveneens een toeneming van de
consumptie teweeg moet brengen. Het is immers
een onomstreden feit, dat een stijging van het bescha-
– vingspeil van onontwikkelde volken zich het eerst manifesteert in een grotere behoefte aan kleding;
de verandering in de levensgewoonten van de men-
sen, welke een grotere behoefte aan kleding teweeg
brengt. Men dankt immers thans veel sneller een
costuum of mantel af dan 20 â 25 jaar geleden. Ook
het feit, dat men meer dan vroeger buitenshuis leeft,
dat het gros van de bevolking langere vacanties
geniet en deze vacanties buiten de eigen woonplaats
doorbrengt, schept een grotere kledingbehoefte.
Als tegenhangers van bovengenoemde factoren moeten
wörden genoemd:
de te geringe koopkracht en de kunstmatige consump-
tiebeperking, welke door loon- en prijspolitiek en
belastingpolitiek veroorzaakt wordt;
een niet te miskennen verandering in dë kledingge-
woonten, waardoor een verschuiving van wollen
textielgoederen naar goederen, vervaardigd uit katoen,
rayon en synthetische vezels optreedt. Gedacht
wordt hier bijv. aan regenkleding, welke vroeger
uit wol (loden of gabardine) bestond en thans over

wegend uit ander materiaal bestaat. Vooral in Amerika
is deze tendentie merkbaar;
de toenemende verwerking van half- en heel-syn-
thetische vezels tezamen met wol, waarbij eveneens
Amerika een leiding gevende rol speelt;
een vooral in Europa te constateren daling van de

behoefte
W
aan woningtextiel, doordat men als gevolg
van een grotere uithuizigheid minder waarde hecht
aan de aankleding van de eigen woning. Hierbij
dient te worden opgemerkt, dat in Amerika onder
invloed van de televisie zich de tegenover gestelde tendentie voelbaar niaakt.

-.

In welke mate deze factoren de wolconsumptie zullen
beïnvloeden is niet te berekenen. Dat de normale con-
sumptie op de duur tetug zal komen op een niveau, dat
dicht bij de totale productie ligt, is echter wel zeer waar

schijnlijk. Daarin schuilt het gevaar, dat, indien op een bepaald moment zich een extra behoefte voor militaire
voorzieningen of voor strategische voorraadvorming
voordoet, gepaard gaande met de noodzakelijke aanvul-
ling van te sterk ingeteerde voorraaden aan grondstoffen,
halffabrikaten en eindproducten, de balans weer snel
door kan slaan naar de vraagzijde. De voorraden, welke
zich in bepaalde productiecentra, en met name in Zuid-
Amerika, als gevolg van de. door die landen gevoerde
monetaire- en prijspolitik hebben gevormd, zouden,
wanneer zij in de markt zouden worden gebracht, deze
-grotere vraag gedeeltelijk kunnen opvangen en prijs-
stabiliserend kunnen werken. Van de andere kant zouden
deze voortaden, wanneer zij tegen meer aantrekkelijke
prijzen op de markt komen, op een moment, dat zich nog
geen grotere vraag voordoet, een verder afglijden van de
wolprijzen kunnen veroorzaken. Dit – laatste is echter
haast niet te verwachten, waar zulks geheel in strijd zou
zijn met de tot dusverre door die landen gevoerde poli-
tiek.
Zoals nien ziet zijn tlle elementen aanwezig voor een
zekere stabilisatie van het huidige prijsniveau.
Een moeilijkheid doet zich evenwel nog .voor. Wanneer
het verwachte herstel op korte termijn zou inzetten, nu
de veilingen zo goed als afgelopen zijn en er dus voorals-
nog weinig wol beschikbaar komt, zouden de consumenten
wel eens moeite kunnen hebben om hun behoefte tot het
begin van het volgende seizoen te dekken. In dat geval

410

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

28 Mei 1952
zou een
stijging
van de wolprijzen, zij het waarschijnlijk
met een
tijdelijk
karakter, niet uit kunnen blijven. De.
laatste berichten zouden reeds in deze richting kunnen
wijzen.

Het ware evenwel voor industrie en handel te hopen,

dat deze nieuwe prijsbeweging tot geringe proporties
beperkt blijft, daar te grote schommelingen, zoals die zich
in de laatste tijd hebben voorgedaan, slechts moeilijk-
heden, verliezen en onzekerheden betekenen.

Tilburg.

J. A. M. VAN GERWEN.

De te verwachten
prijsontwikkeling
voor ruwe katôen

Een antwoord op de vraag,welke verwachtingen worden
gekoesterd met betrekking tot de prijsontwikkeling voor
ruwe katoen, kan slechts gegeven worden in het licht van
de thans _bekende feiten en vigerende omstandigheden. Voor het prijsverloop van ruwe katoen is van eminent
belang de te verwachten gang van zaken in de Verenigde
Staten. In het geheel van de wereldproductie van ruwe
katoen nemen de Verenigde Staten een dominerende plaats
in. Volgens de ramingen van de I.C.A.C. wordt in het
seizoen
1951/52
een wereldproductie verwacht van 34,4
mln bn, waarvan de Verenigde Staten ca 15 mln bn, dat
is ca 43pCt voor hun rekening nemen.
Alhoewel omtrent de te verwachten wereldproductie
in 1952153 momenteel geen betrouwbare ramingen ten
dienste staan, is het buiten kijf, dat de Verenigde Staten
wederom zowel wat de productie, de consumptie als de
export aangaat vooraan zullen staan en mitsdien als
,,market-leaders” – zullen fungeren.

Het is nog te vroeg om zich een meer definitief oordeel
te vormen omtrent de te verwachten omvang van de nieuwe
oogst in de Verenigde Staten. Het eerste officiële oogst-
rapport van het Amerikaanse Departement van Landbouw
wordt omstreeks 8 Juli a.s. gepubliceerd. In dit rappoit
wordt een officiële raming gegeven van het te verwachten
areaal. Voor die tijd spelen de zgn. ,,private reports” van
insiders een grote rol. Deze rapporten beïnfluenceren mede
de katoennoteringen op de termijnmarkt in New York.
De Amerikaanse Regering acht het uit voorzienings- en
strategische overwegingen van belang, dat er in het seizoen
1952/53 ten minste 28 mln acres met ruwe katoen beplant
worden, die bij een opbrengst van 273 lbs. per acre een oogst moeten geven van ca 16 mln bn katoen. Zoalsbe-
kend, bedroeg het beplânte areaal in 1951 27.917.000
acrés, terwijl uiteindelijk de oogst van een oppervlakte,
groot 26.687.000 acres, is binnengehaald, met een gemiddel-
de opbrengst van 271,7 lbs. per acre.

Voor het oogstareaal 1952 variëren de particuliere
ramingen van 25 tot 27.500.000 acres. Volgens het gevoelen
van vele insiders zal het niet eenvoudig zijn, afhankelijk
als men is van de weersomstandigheden, het door de
regeringsautoriteiten noodzakelijk geachte doel, nf een
oogst van ca 16 mln bn, te.bereiken.
Ofschoon de berichten omtrent de voortgang van het
planten van de oogst in de Eastern en Central Belt over
het algemeen niet ongunstig luiden, bestaat er in de Rio
Grande Valley in Texas (Western Belt) behoefte aan meer
regen. Aanvankelijk werd een te late aanplant uit de in
de laatste jaren steeds in betekenis toenemende staten
California en Arizona gemeld, maar gunstige weersomstan-
digheden hebben intussen weer veel goed gemaakt.
Het overzicht is in dit stadium te onvolledig om voldoen-
de conclusies te kunnen trekken.
Ter aanmoediging van de aanplant is vroegtijdig het
beleningstarief voor de nieuwe oogst gepubliceerd. Aan

de ,,cotton farmers” wordt ,een steunprijs gegarandeerd,
welke ten minste 90 pCt bedraagt van de pariteitsprijs
per 15 Januari 1952
(34,35
$ct per lb.), hetgeen overeen-
komt met 30,91 $ct voor middling 718″ stapellengte.
Indien de aan het begin van het oogstjaar, 1 Augustus
1952, vast te stellen pariteitsprijs hoger ligt dan de hier-
vorengenoemde per 15 Januari
1952,
zal de steunprijs

gefixeerd worden op basis van dez& hogere pariteitsprjs.
Zonder eventuele verdere beïnvloeding van de pariteits-
prijs door infiationistische tendenties, zal er rekening mede
moeten worden gehouden, dat de steunprijs, in aan-
merking nemende de gebruikelijke premie voor
15116″
stapellengte boven 7/8″ katoen, voor middling 15116″
katoen ca 32 $ct per lb. bedraagt. Het ,,futures equivalent”
hiervan komt overeen met ca 33,10 $ct per ib.
Bij vergelijking van deze steunprijs met de huidige
nieuwe oogstnoteringen van de termijnmarkt in New
York, die eveneens gebaseerd
zijn
op middling 15/16″
katoen, kan geconstateerd worden, dat de Mei- en Juli
1953-termijnen slechts ca 24 $ct boven de hiervoren
berekende thans bekende steunprijs liggen.
De Landbouw-Commissie van de Senaat heëft een wets-
voorstel geconcipieerd, waarbij wordt bepaald, dat de
steunprijs voor ruwe katoen in 1952 met ongeveër 34
$ct per lb. zal worden verhoogd, indien het Amerikaanse
Departement van Landbouw oogst 1952 officieel raamt
op een hoeveelheid van 16 mln bn of meer.
Het steuntarief op bsis van 90 pCt van de pariteits-
prijs laat men in dit wetsontwerp onaangetast, maar de
klasse van de katoen, waarop het tarief gebaseerd is, wordt
yan middling verlaagd tot lowmiddling. Dit maakt een
prjsverschil uit van 34 $ct per lb.
Bedoeld wetsontwerp geldt alleen voor oogst 1952.
Getracht wordt het fiat hierop te
verkrijgen
van het Huis
van Afgevaardigden en de Senaat. In katoenkringen wordt
niet verwacht, dat voor een dergelijk wetsontwerp een-meer-
derheid kan worden gevonden. Er moet echter niet uit het
oog verloren worden, dat 1952 ,,election year” is, waarin
alles kan worden verwacht.

De steunprijsregeling vertoont voorts dit jaar het vol-
gende novum. Het Amerikaanse Departement van Land-
bouw heeft ni. onlangs bekend gemaakt, dat het onder
de vigueur van het prijssteunprogramma in 1952 ook recht-
streeks aankopen van ruwe katoen zal verrichten. De
prijzen zullen worden gesteund, hetzij door regerings-
voorschotten of door directe aankopen
bij
de planters
tegen het geldende steunprijsniveau. Aangekondigd is,
dat de planters de Commodity Credit Corporation vôér
30 April 1953 in kennis moeten stellen van hun voornemen
katoen aan deze instantie te verkopen, terwijl aflevering
door de producenten aan de Regering v66r 3 Augustus
1953 moet plaatsvinden.
Het is duidelijk, dat de Amerikaanse Regering alles in
het werk stelt om wederom een katoenoogst van behoorlijke
omvang te verkrijgen en daarbij uit een oogpunt van prijs-
steun zo ver gaat als maar enigszins mogelijk is.
Ondanks de depressie, welke haar invloed eveneens heeft
doen gelden in de katoenindustrie in de Verenigde Staten,
beweegt het katoenverbruik zich daaf op een niveau,
hetwelk voor het seizoen
195
1/52 omgerekend op jaar-
basis ca 9 á 94 mln bn beloopt. De statistische positie van
Nbordamerikaanse katoen is derhalve vrij sterk. Een en
ander wordt in het schema op blz. 411 nader aangetoond.

Volgens de jongste gegevens van de Commodity Credit
Corporation bevinden zich per 1 Mei jl. 396.000 bn katoen
in regeringshanden, welk kwantum in de genoemde
carry-over per 1 Augustus 1952 is begrepen. Van oogst

28 Mei
1952

ECONOMISCH-STATiSTISCHE BERICHTEN

411

carry-over 1 Augustus 1951

2278.000 bn
oogst 1951

15.130.000
importen

200.000

17.608.000 bn
consumptie

9 â 9500.000 bn
exportçn

5.8 Is 6.000.000 ,,

14.8
Is
15.500.000

Te verwachten carry-over per
1 Augustus 1952 2.8
Is
2.100.000 bn

1951 kan geen katoen meer beleend worden bij de C.C.C.
,,Loans” waren slechts verkrijgbaar tot 30 April 1952.
Evenals aan het begin van het seizoen 1951/52 zal er
per 1 Augustus a.s. een relatief gering kwantum Noord-
amerikaanse katoen als carry-over, ter overbrugging
van de periode, waarin de nieuwe oogst nog niet in volle
omvang ter beschikking staat, disponibel zijn.
De uitvoering van het prijssteunprogramma is thans door het Departement van Landbouw uitstekend georgafsiseerd. Er moet rekening gehouden worden met de omstandigheid,
dat de katoenplanters zeer zeker geen grote hoeveelheden
katoen uit de nieuwe oogst op de vrije markt van de hand
zullen doen, indien zij niet verscheidene dollars per baal
boven de officiële steunprijs ontvangen..
Indien de ,,cotton farmers”, in de verwachting; dat de
prijzen in een later stadium zullen aantrekken en er der-halve voor hen voordeel in gelegen is de katoen tijdelijk
te belenen
‘),
tot belening
bij
de C.C.C. overgaan, zal deze
katoen door hen niet eerder afgelost en ten verkoop aan-
geboden worden dan op het tijdstip, wanneer zij er van
overtuigd zijn de ,,carrying charges”
2)
terug te ontvangen
en bovendien nog een extra winst te maken. Op deze gron-
den moet aangenomen worden, dat de termijnnoteringen voor de. nieuwe oogst, onafhankelijk van het feit, hoe de
oogst, Wat hoeveelheid betreft, uitvalt, en wat de omvang
zal zijn van de binnenlandse consumptie en de export,
ten minste enkele S-cents hoger zullen zijn dan de officiële
steunprijs, iii. ca .33,10 $ct per lb. (het futures equivalent),
zijnde de bodem, die als absoluut minimum in de markt

‘)
De noodzaak tot het spoedig verhandelen van de geoogste en geëgreneerde
katoen is vaak aanwezig, omdat katoen nu eenmaal een ,,cash crop” is.
‘) Onder carrying charges.worden verstaan de kosten van opslag, assurantie-
premie etc., welke ca 0,20 $ct per Ib. per maand belopen.

is gelegd. Het spreekt vanzelf, dat de katoenmarkt een ander
aanzien zal vertonen, ingeval zich een misoogst zou voor-
doen of internationale verwikkelingen van ernstige aard
zouden optreden. –
In verband met het grote aandeel van de Verenigde
Staten in de wereldproductie van ruwe katoen is de ,,floor
price” voor Noordamerikaanse katoen van grote invloed
op het prijsverloop van andere katoenvariëteiten, die men
gewoonlijk met de benaming exoten pleegt aan te duiden..
Het is op dit tijdstip niet mogelijk een verantwoorde
opinie te geven inzake de te verwachten prijsontwikkeling
voor exoten. Betrouwbare oogstramingen van de productie
landen, die naast de Verenigde Staten als exporteur een
belangrijke rol vervullen, zijn slechts gedeeltelijk beschik-

baar.
Bij
voldoende aanbod van exoten – hetgeen als de
voortekenen ons niet bedriegen zeer waarschijnlijk het
geval zal zijn – bestaat de mogelijkheid, dat niet-Ameri-
kaanse katoenvariëteiten beneden het Amerikaanse prijs-
niveau kunnen worden betrokken. –
Wegens de nagenoeg in de gehele wereld heersende
crisis in de katoenindustrie daalt de consumptie van ruwe
katoen allerwege. Het teruglopende verbruik oefent uiter-
aard een baisse-gunstige invloed uit op de katoenmarkt.
Wat de katoen van de oude oogst betreft,
zijn
de eerste
symptomen hiervan reeds merkbaar. Mexicaanse en Nica-
ragua katoen bijv. worden tot belangrijk lagere prijzen
geoffreerd dan American Upland cottons van de oude

oogst. De deviezenmoeilijkheden, die zich in onderschei-
dene consumptielanden met name op het gebied van de dollarvaluta voordoen, kunnen echter tot, grotere vraag
leiden naar exoten, die niet met dollardeviezen betaald
behoeven te worden en op deze wijze bet aspect van de
zaak geheel of gedeeltelijk wijzigen.
De in de laatste jaren in de praktijk opgedane ervaring
heeft voldoende geleerd, dat met betrekking tot ‘het prijs-
verloop op de wereldmarkt van ruwe katoen niet uitslui-tend kan worden gelet op de te verwachten werking van
de wet van vraag en aanbod. Het deviezenaspect dient

eveneens
in
rekening gebracht te worden.

Arnhem. –

W. KATS.

De betekenis van de maandelijkse uitvoercijfers voor de

beoordeling van het Nederlandse exportverloop

De maandelijkse publicatie van de totaalcijfers van dé
Nederlandse uitvoer door het C.B.S. vormt dikwijls de
voornaamste bron-van kennis t.a.v. de ontwikkeling van
de Nederlandse uitvoer. Enerzijds is dit te verklaren uit
het feit, dat de gedetailleerde gegevens, zoals deze in de
maandelijkse statistiek van in-, uit- en doorvoer van het
C.B.S. worden gepubliceerd, uiteraard eerst enige
tijd
na

genoemde totaalcijfers bekend zijn, zodat de interesse
inmiddels reeds meer is toegespitst op de t taalcijfers voor
de volgende maand; anderzijds vereist een studie van het
‘detailmateriaal tijd en een bepaalde kennis van de speciale
aard van deze gegevens.
Het gevaar nu is niet denkbeeldig, dat een simpel totaal-cijfer als het onderhavige, verkeerd wordt geïnterpreteerd. Een gelukkige omstandigheid vormt hierbij weliswaar, dat

het C.B.S. sedert enige tijd
bij
de snelle publicatie van deze
totaalcijfers ook reeds een vrij uitvoerige artikelspecificatie
verstrekt, doch het lijkt niettemin nuttig nader in te gaan
op de factoren, die het maandelijkse verloop van de Ne4er-
landse uitvoer kunnen beïnvloeden en te trachten hun
invloed te quantificeren.
Genoemde invloeden kunnen dan worden onderscheiden
in de volgende:
prjsmutaties; verschillen in de lengte van de registratieperioden;
seizoenschommelingen;
toevallige fluctu’aties.

Ad
a. Het prijsverloop bij uitvoer heeft de laatste jaren
vrij belangrijke fluctuaties te zien gegeven, waarbij met
name op de prijsstijgingen na de devaluatie en na de ge-beurtenissen in Korea kan worden gewezen. ‘Bovendien
komen in de loop van een jaarperiode belangrijke seizoen-
matige prijsschommelingen voor
‘). Deze invloeden kunnen
worden geëlimineerd door de waardetotalen per maand te
herleiden op een
constante prjjsbasis,
nI. die van 1948, door
middel van de eveneens door het C.B.S. gepubliceerde
prjsindices jvan de in- en uitvoer. Voor de waardecijfers
worden derhalve volumma gesubstitueerd. Een practisch probleem hierbij wordt gevormd door de omstandigheid,
dat de prjsindices eerst enige tijd na het bekend worden
der totale’ waardecijfers beschikbaar komen. Voor de
meestjecente maanden is hier derhalve uitgegaan van een
raming van dit prijsverloop, aan de hand van de ont-

‘)
Zie ook het artikel ,,Statistische bepaling van de ontwikkeling van de
Nederlandse ruilvoet” in ,,E.-.S.B.” van 22 Augustus 1951,

412

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

28 Mei 1952

wikkeling hiervan in de voorafgaande maanden, rekening
houdend met de ontwikkeling van het wereldmarktprijs-
peil, zoals dit o.a. is af teleiden uit de fluctuaties in de
invoer- en groothandeisprijzen, waarop het onderhavige
prijsverloop in bepaalde mate met een zekere vertraging
reageert.

Ad b.
Door technisch-administratieve oorzaken hebben
de pnderhavige totaalcijfers niet steeds op een gelijke
periode betrekking; er kunnen ni. fluctuaties voorkomen
in de ,,tirne-lag” tussen de werkelijke ,uitvoer en de regis-
tratie hiervan, terwijl voorts het aantal dagen per regis-
fatieperiode (= kalendermaand) wisselt. Deze systemati-
sche ,,fouten” kunnen slechts tot voor deze analyse bruik-

bare prpporties worden teruggebracht door van maand-
cijfers over te gaan op voortschrijdende gemiddelden
hiervan. Het is duidelijk, dat een dergelijk gemiddelde
anderzijds echter over niet te veel maanden mag worden uit-
gebreid, aangezien anders de invloed van demeest recente
gegevens hierop niet vo1doede tot uiting komt. Een voort-
schrjdend 3-maandsgemiddelde leek het juiste midden
tussen de gestelde eisen te. houden.

In tabel 1 is de reële exportwaarde per maand verge-
leken met de voortschrijdende 3-maandsgemiddelden van
de uitvoer tegen ptijzen van 1948.

TABEL T.

Waar1e van de uitvoer 1949, 1950 en 1951 per maand
en 3-maandsgensiddelden hiervan tegen prijzen van 1948.

(in mln gld.)

Maand resp. centrale
maand van -3-
maandsgemiddelden

1949

Reële

1
1

gem.
waarde

waarde
p. mnd
:
p
r.

1950

3-mnds
Reële
waarde

gem.
waarde
p.nind
l
pr.194

1951

Reële
waarde

gem.
waarde
p
.
mnd pr. 1948

318
289
396
381
524 515
245 295
313
371
568
512
Februari
………..
283
270 400
365 555 515
Maart

………….
256
281
-367
390
582
505
272
289
.
377
402
578 510
Juni

…………
312 306
429 439
618
508

Januari

………..

284
18
444
469
574
512

April

…………..

Augustua
……….
296
332
436
489
587 533

Mei

……………

318

..

360
467
521
694
590

Juli

……………

September

………
October

……….
377

.

394
562
544
779 619
November

……..
399
..

..433
424
558 552 739
594
December

………
420
537 522 618
576

Ad c.
T. De spreiding van de export van
agrarische
produ’cten
(m.n. die in onbewerkte toestand) over de maan-
den van het jaar wordt in belangrijke mate bepaald door
het tijdstip, waarop deze producten beschikbaar komen
(oogst). Deze seizoeninvioeden op het exportverloop
kunnen worden geëlimineerd door de bepaling van het

zgn. seizoenpatroon. Een moeilijkheid hierbij is echter,
dat het te berekenen patroon zeer heterogeen van op-
bouw is, aangezien elk der betrokken artikelen eigen
typische seizoenfiuctuaties vertoont. Het beschikbare

materiaal (de volume-indices van het CBS.) laat echter
slechts een onderscheiding toe in drie groepen, t.w. on-
bewerkte akkerbouwproducten (wo. aardappelen, vlas,

zaden en peulvruchten), onbewerkte tuinbouwproducten
(w.o. bloembollen, verse groenten en vers fruit) en visserij-
producten
2).
De berekeningen, die op gron.d hiervan kun-
nen worden uitgevoerd, hebben derhalve een zeer globaal
karakter. Het blijkt niettemin, dat uit de 3-maands-
gemiddelden van de volumina voör elk dezer 3 groepen
in de jaren 1948-1951 bruikbare seizoenpatronen zijn
af te leiden, indien men uitgaat van de veronderstelling, dat de seizoenfiuctuaties van constante omvang zijn (de
zgri. arithmetische methode
3)).
De gevonden seizoen-
afwijkingen uitgedrukt in volume-indexcijfers (1948 = 100)

‘)
De groei ,,onbewerkte veeteeltproducten” is buiten beschouwing ge-
laten, aangezien deze vnl. bestaat uit eieren, uit het exportverloop waarvan
geen duidelijke seizoenschommelingen zijn op te maken.
‘) Berekeningen, uitgaande van de veronderstelling, dat de seizoenfluctuaties
evenredig
zouden zijn aan de omvang van de betrokken exporlen (de zgn.
geometrische methode), bleken veel minder te voldoen.

leveren, na herleiding tot waardebedragen tegen prijzen
van 1948, de gezochte ,,seizoenveranderi ngsgetallen” op,
waarmede de onder b gevonden 3-maandsgemiddelden
tegen prijzen van 1948 voor seizoen kunnen worden ge-
corrigeerd. –

II. De spreiding van de export over de maanden van
het jaar van de overige producten ondervindt voorts de
invloed van seizoenfiuctuaties van meer algemene aard,
die hun oorsprong vinden aan de vraagzijde, zôals buy.
die i.v.m. de feestdagen in December en .de vacanties.
Ook in dit geval bleken de nodige correcties het meest reëel te benaderen ‘door de arithmetische methode, zij
het dat hier – gezien de slechts
zeer
globaal mogelijke
benadering – de geometrische methode slechts weinig
minder voldeed.

In tabel-iT zijn de seizoenveranderingsgetallen voor
,,onbewerkte agrarische producten” en voor- de overige
goederen (tègen prijien van 1948) weergegeven; deze ge-gevens zijn tevens in grafiek gebracht (grafiek 1).

Grafiek T.
Seizoen veranderingsgetallen voor 3-niaands-
gemiddelden van de uitvoer tegen prijzen van 1948.

7/

l

i

E

r,

0

in

1

1′

S

0

t

J.

TA,BEL H.

Seizoen veranderingsgetallen van ‘3-maandsgem’iddelden van
de uitvoer voor ,,onbewerkte agrarische producten” en
,,overige” producten.
(in mln gld. van 1948)

Centrale maand van het
3-maandsgemiddelde
a
poducten
Overige
producten
T
0
aa

1
+
3
+
4
Februari

………………….

l

.
.

+

2
+

1
Januari

…………………..+


7
.

9
—16
Maart

…………………….
April

………………

.

…..
-14

1
—15
Mei

………..

…………….
-22
. –
2
—24
Juni

……………………
-23
+
7
—16
Juli

………………………
-15
– l
—16
+
4

.


16

12
September

………………..
+
24

.

..


12
+
12
Augustus

…………………

+
28

.

+
V
+
29
October

…………………..
+
19

..

+
14
+
33
r4overnber

…………………
December

…………………
+
6
+ 14
-1- 20

Hierbij valt op te merken, dat deafwijkingen van het gemid-
delde het grootst zijn bij het 1-phasige seizoenpatroon van
onbewerkte agrarische producten; de kleinere seizoenuit-
slagen bij -de overige producten zijn 2-phasig. In eerst-
genoemd patroon ligt de top in September/October, dus
direct na de oogst; hierna treedt een constante daling op,
die eerst in Juli i.v.m. de nieuwe oogst omslaat- in een
stijging.

In grafiek II zijn de seizoenveranderingsgetallen voor
,,onbewerkte akkerbouwproducten” en , ,onbewerkte tuin-

bouwproducten” (die voor ,,visserijproducten” zijn veel,
minder belangrijk) afzonderlijk weergegeven. Hieruit is
op te
rnaken
dat de seizoentop voor laatstgenoemde

FM

Ie

28 Mei 1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

‘413

800

7or

ôeo

50

3m’

2uo

artikelgroep eerder . optreedt (Augustus-October), een grotere uitslag vertoont en meer geceritraliseerd is dan

voor eerstgenoemde groep (October-Maart). De beide
complementaire seizoendalen hebben een ongeveer gelijke
afwijking van het gemiddelde; voor de ,,onbewerkte tuin-
bouwproducten” is het dal uiteraard uitgebreider en valt
later (December-Juni) dan voor de ,,onbewerkte akker-
bouwproducten” (Mei-Augustus).
De top in November en December voor de overige
producten kan in verband gebracht worden met de feest-
dagen in December, terwijl het hieraan voorafgaande dal
in Augustus en September ongetwijfeld onder invloed van
de vacanties ontstaat. De top en het dal in het eerste
halfjaar zijn minder duidelijk verklaarbaar en dienen wel-
licht alleeh als reacties op de genoemde kortegolfbewèging
in het 2e halfjaar te worden beschouwd.

Grafiek H. Seizoen veranderingsgetallen voor 3-niaands-
gemiddelden van de uitvoer tegen prijzen van 1948 voor
onbe werkte agrarische producten.

mI1.cId

,nI9Ii5

– – Ono&w Ty,nSo
u
., Pnouunr,

-20

I
II

Ad d.
De toevallige fluctuaties in het maandelijks ver-
loop van de uitvoer der verschillende producten zullen
elkaar in het algemeen ongeveer compenseren; bovendien
werkt het invoeren van een voortschrijdend 3-maands-
gemiddelde hierop verder nivellerend. Het . blijkt echter,
dat er ook dan nog enkele, producten resteren, waarvan
de fluctuaties in het exportverloop het totaalbeeld ge-
voelig kunnen verstorén Deze productei zijn: schepen,
tin, suiker, boter . en enkele plantaardige oliën. Op de
maandelijkse uitvoer van deze producten werd daarom een
voortschrijdend gemiddelde over een langere periode en wel
een geheel jaar
4)
toegepast, waarbij dit gemiddelde voor dë laatste maanden door extrapolatie werd verkregen.
Tabel IIE geeft de 3-niaandsgemiddelden van de export
tegen prijzen van 1948 (zie tabel 1) alsmede dit verloop,

TABEL- III.

3-maandsgemiddelden van de uitvo,er 1949, 1950, 1951
tegen prijzen van 1948, gecorrigeerd voor seizoen- en
toéval/ige fluctualies,

(in mln gld. van 1948)

Centrale maand
van het 3-maands-
1949
950
1951

Reëel
Gecorr.
fteëel
Gecorr.
Reëel
Gecorr.
gemiddelde
volume volume volume volume volume volume

289
286
381
382 515
514
Januari
…………
Februari
…………
295
302
371 381
512
525
Maart

………….
270
301
365 388 515
540
April

..

……….
281
312 390
406
505 528
289
317
402
433 510
533
Juni

… ………
306
323
439 458
508
524
Juli

…..

……….
318
321
469
486
512 ,
529
Augustus.
………
332

.

335
489
493
533 548

Mei

……………

360

..

332
521
500
590
575
394

.. ..

358
544
501
619
‘572
5eptember

……….
Dctober

………..
424
386 552
505
594
548
November

……….
December

……….
420
399
522
503
576
555

)
Aangezien alleen bij een oneven aantal maanden de centrale n,aand
van het voortschrijdend gemiddelde sanienvalt met een kalençrmaand, werd
een voortachrijdend l-rnaandsgemiddelde 9cnomen,

gecorrigeerd voor de in tabel II genoemde seizoenafwij- kingen en voor de ad
d
omschreven toevallige fluctuaties.
Grafiek 111 geeft weer de reële export per maand en de
3-maandsgemiddelden hiervan tegen prijzen van- 1948,
tevens gecorrigeerd voor seizoen- en toevallige fiuctuaties.

Grafiek Iii. Maandcjjfers van de uitvoer en 3-maands-
ge,niddelden hiervan tegen prijzen van 1948, tevens ge-
corrigeerd voor seizoen- en andere flucruaties.

,lI.jld

0005PRonrçELuiçc Mnt,
c-JrCRS


14
ER,.Ejot

3-nnn, sûr
ooLsçfl



t_,’__

‘2-

JulI

Juli

.1511
juli
jts

Juli
51*
I919

1950

1951

Het aldus gecorrigeerde exportverloop kan als volgt
worden gekarakteriseerd:

een lichte stijging in de eerste drie kwartalen van 1949;
van het vierde kwartaal 1949 af tot en met het eerste
kwartaal 1951 een yeel scherper toeneming, die o.a.
is te verklaren uit de devaluatie en de liberalisatie;
de top in het vierde kwartaal 1949 houdt verband met
de plotselinge toeneming van de uitvoer naar West-

Duitsland ten gevolge van, de afsluiting van het eerste
handelsverdrag;

een duidelijke reactie in het tweede kwartaal 1951,
die o.a. is toe te schrijven aan de Duitse importbelem-
meri-ngen en waarop tot eind 1951 nog slechts een
gedeeltelijk herstel is gevolgd.

Wat betreft de quantitatieve betekenis van de onder-
scheiden onderzochte factoren op het maandelijks export-
verloop is het nuttig onderscheid te maken tussen.een
vergelijking op korte en langere termijn, aangezien in het
laatste geval de aan te brengen correcties een grotere
discrepantie zullen vertonen. – – –
Bij een vergelijking op
korte termijn,
dus van maand tot
maand, zijn de correcties, die ontstaan door invoering
van een 3-maandsgemiddelde, veelal het belangrijkst (tot
fl00 mln)
5);
hierbij.dient er op te worden gewezen, dat
het verschil in lengte der maanden weliswaar een zeer
voorname, doch niet de enige verklarende factor voor
deze correctie vormt: behalve de eveneens genoemde
fluctuaties in de periode van verwerking, spelen’toevallige
fluctuaties bij de relatief korte periode van een maand een

belangrijke rol. Van minder betekenis in dit geval, doch
nog vrij belangrijk, zijn de seizoenfiuctuaties: voor de 3-
maandsgemiddelden tot f20 mln, voor de oorspronkelijke
maandcijfers wellicht dubbel zo hoog. De invloed van

prijsschommelingen en van resterende incidentele fiuctu-
aties is op korte .termijn bezien niet zo omvangrijk (elk
tot f15 mln).

Bij een vergelijking op
langere term jjn
loopt het maximale
verschil tussen de aan ,te brengen correcties i .v.m.- invoering
van een 3-maandsgemiddelde slechts weinig op; het tegen-
deel- is het geval met de andere correctiefactoren. Het
grootste verschil in de seizoencorrecties (afwijking tussen

‘)
In millioenen guldens vaq 1948, evenals de verder te noemen bedragen

‘5

414

ECONOMISCH-STATISTiSCHE BERICHTEN

28
Mei 1952

seizoendal en seizoentop) bedraagt op basis van 3-maands-

ca f20, f25 en f40 mln uiteen; de totale maximale af-

gemiddeldenbijna f60 mln, voor de oorspronkelijke maand-

wijking over deze jaren bereikte een omvang van ca f75

cijfers mag met een f 20 mln hoger bedrag worden gerekend.

mln. De correcties voor ,,extra”-toevallige fiuctuaties ver-
De correcties voor de prijsfiuctuaties liepen in de kalender-

toonden in deze periode maximale verschillen tot f 30 mln.
jaren 1949, 1950 en 1951 mede door seizoeninvioeden resp.

Rotterdam.

F. J. CLAVAUX.

Recente gebeurtenissen en staatszelffjnanciering

Enkele recente gebeurtenissen geyen mij aanleiding
nogmaals Staatszelffinanciering ter sprake te brengen.
Het ‘zijn de goedkeuring van het Ontwerp ,,Uitvoerings-
organisatie Sociale Verzekering” en het in werking treden
van de Werloosheidsverzekering op 1 Juli a.s., de Wo-
ningbouwleningen en het aftreden van het kabinet Faure.
Van Staatszelffinanciering heb ik een samenvatting
gegeven in het tweede gedeelte van een, vroeger artikel
van mijn hand in ,,E.-S.B.”
‘). Voor bijzonderheden môet
ik daarnaar verwijzen. Hier alleen ter oriën(ering de
hoofdlijnen.

De gemeenschap, waarin Staatszelfflnancieting is in-
gevoerd, heb ik de Staatscredietmaatschappjj
genoemd.

In de Staatscredietmaatschappij moet iedereen een bank-
rekening hebben, is het bankpapier afgeschaft en geschiedt
het betalingsverkeer – met uitzondering van de betalingen
in pasmunt – door overschrijving van de ene rekening op de andere. De creditsaldi zijn wettig betaalmiddel.

Staatszelffinanciering
betekent, dat de Staat zijn credi-
teuren betaalt door hen voor de hun verschuldigde bedra-
gen op hun rekening te crediteren en daardoor geld schept.
Het geld, dat door de Staat op die wijze boven de behoeften
van het verkeer in omloop wordt gebracht, wordt er weder
uit teruggenomen, er uit geëlimineerd, door van elke
overboeking een klein percentage af te boeken. Deze
afboekingen noemde ik het
eliminatierecht.

Ik wil hieraan nog toevoegen, dat voor de practische
doorvoering door mij maatregelen ontw.rpen zijn, waar-
door het dagelijkse betalingsverkeer vrijwel geheel ge-
handhaafd blijft zoals het nu is en waardoor in alle moei-
lijkheden, die het schrijven van girobijetten voor minder
ontwikkelden zou kunnen opleveren, voorzien is.

In de
Staatscrediett!naatschappij
wordt de ‘begroting in

verband met het gewijzigde karakter van dit staatsstuk
door mij
Machtiging
genoemd. Zij is verdeeld in vier af-delingen: Afd. 1, Dienst der werkelijke uitgaven, Afd. II, Dienst der schulden, Afd. III, Dienst der sociale voorzie-
ningen, Afd. IV, Dienst der leningen.
In afd. III, de Dienst der sociale voorzieningen,
worden niet de totaalbedragen vastgesteld, welke moeten
worden uitgekeerd, maar de normen voor de uit-
keringen, waarop volgens de wetten, vastgesteld door
de Volksvertegenwoordiging, een ieder in voorko-
mende gevallen aanspraak heeft. Ieder rechthebbende
wordt voor hetgeen hem toekomt op zijn rekening gecre-
diteerd. De op die wijze uitgekeerde bedragen worden
voor zover nodig gezamenlijk met de overige staatsuit-
gaven door het eliminatierecht weer aan de omloop ont-trokken. Zodoende wordt door de sociale voorzieningen
verandering gebracht in de verdeling van het nationale
inkomen, doch dat geschiedt
in statu nascendi,
voordat

de verdeling tot stand is gekomen.

Staatszelffinanciering maakt een werkloosheidsverzekering
met administratief uiterst ingewikkelde premiebetaling
door werknemers, werkgevers en het Rijk en de inschakeling
van de 26 verplichte bedrijfsverenigingen, overbodig.
Wanneer eenmaal in de Volksvertegenwoordiging vast-gesteld is op welke uitkeringen een iegelijk in geval van

‘).,Belasting plus schatkistpapier of staatszelffinanciering?” door Dr H. Philippi in ,,E.-S.B.” van 15 Augustus 1951.

werkloosheid recht heeft, isjn de Staatscredietmaatschappij
aan alle voor de invoering noodzakeUjke voorwaarden
voldaan. De premies, door werknemer, werkgever en Rijk

te betalen, vervallen.
Zij
worden thans door loons- en
prijsverhogingen en door belastingheffing ten slotte toch
door de gemeenschap in haar geheel gedragen. De telkens
voor de uitkeringen nodige bedragen worden dan door het
eliminatierecht over de gehele gemeenschap verdeeld,
zonder dat het nodig is daartoe nieuwe administratieve

instanties in het leven te roepen.

Afdeling IV, de
Dienst der leningen,
behelst alle uitgaven’

betrekking hebbende op door de Overheid in de vorm van leningen of voorschotten aan private of publiekrechtelijke
ondernemingen te verstrekken gelden. Dobr deze wordt
beslag gelegd ‘op goederen en diensten in de gemeenschap
aanwezig. De hiervoor nodige bedragen moeten dus be-

groot en in de Machtiging begrensd worden.
Wanneer nu de Volksvertegenwoordiging eenmaal tot
de slotsom gekomen is, dat onder de gegeven omstandig-
hedén de woningopbouw opgevoerd moet worden, dat de
materialen ën de arbeidskrachten voor de uitvoering er
van beschikbaar zijn en een bedrag van f 50 mln er voor
beschikbaar stelt, dan is daarmede de zaak afgelopen.
Er bestaan geen financiële moeilijkheden, die de uitvoering
zouden kunnen verhinderen. Dit is iets, dat velen zich

moeilijk kunnen realiseren.

Financieren is het (zich) verschaffen van geld, -nodig
voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden en men
verkeert in financiële moeilijkheden, wanneer men dat geld,
of ‘het geld om te voldoen aan aangegane verplichtingen,
niet kan vinden. Wanneer de Staat echter de enige instantie

is, die geld schept, kan
hij
ipso facto nooit in financiële

moeilijkheden verkeren. Men kan hoogstens vrezen, dat
hij door te veel geld te scheppen nadelige financiële gevol-
gen van inflatoire aard in het leven roept. Om dat te voor-
komen beschikt hij echter over het eliminatierecht.

De vraag moet nu gesteld worden 1. heeft de uitvoering
een verhoging van het recht ten gevolge en 2. ingeval dat
zo is, met hoe veel zal het recht ongeveer verhoogd moeten

worden?
Ik begin met aan te nemen, dat het gehele bedrag van
f 50 mln door het eliminatierecht weer uit de omloop
moet worden terug genomen. Om de verhoging te bere-
kenen, die deze uitgaaf dan ten gevolge zal hebben, moeten
wij ons eerst een denkbeeld vormen omtrent de hoogte
van het recht zelf. Wij beschikken over cijfers, die ons in

staat stellen dat te doen.
In het fiscale jaar 1929130 zou in Groot-Brittannië en
Noord-Ierland een uniforme heffing van 2,3 pCt voldoende

zijn geweest om de budgetaire uitgaven van de Staat plus
die der lagere publiekrechtelijke organen te dekken.
De berekening volgt hieronder.
In 1930 bedroeg het totaal van de cheques, afgegeven door de depositohouders van de 10 banken, aangesloten
bij de Londense Clearing, rond £ 64.641.000.000 (clearing
en interne verrekening)
2).
Het totaal der verrekeningen in

) Verslag van het
Co,nmillee on Finance and Industry
onder voorzitterschap
van
the Rt. Hon. H.P. Macmil!an, K.C.,
London 1931, par. 515 en App. 1 table
7. Hierin zijn gegevens opgenomen, niet alleen omtrent de clearing, maar ook
omtrent de overschrijvingen van depositohouders bij dezelfde banken onderling.

28 Mei
1952

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

415

de grote Enge1sesteden, in Schotland en Noord-Ierland
en de betalingen in metalen en papieren geld mag men
op een gelijk bedrag stellen. Wij komen dan tot een totaal
van alle betalingen’ van rond £ 130 mrd.

Een groot gedeelte van dit bedrag vertegenwoordigde

echter noch betalingen voor goederen noch voor diensten;
het waren zuiver financiële transacties tussen de banken
en andere financiële instellingen, voortvloeiende uit de
inrichting van het betalingsverkeer, zoals daggelden, ver-
rekeningen wegens wisselarbitrage e.d. In de Staatscre-
dietmaatschappij komen deze transacties niet voor; zij
moeten daarom bij onze berekening niet worden meegeteld.
Ik’ meen deze betalingen wel op 60 pCt van het totaal te
mogen stellen. Het totale bedrag van de transacties,
die voor onze berekening in aanmerking komt, zou dan
van de orde vafi grootte van £ 50 .mrd zijn geweest.
In het belastingjaar 1929130 bedroeg het totaal der
begrotingsuitgaven, inclusief de provinciale en gemeente-
lijke uitgaven, rond £ 1.168 mln
8
). Hieruit volgt, dat een
heffing van rond 2,3 pCt van alle in den lande gedane
uitgaven voldoende zou zijn geweest om alle publieke
uitgaven te dekken.

Uit de hierboven gegeven cijfers kan een belangrijk
verhoudingsgetal
worden afgeleid.

Het nationale inkomen van Engeland in 1929/30 wordt geschat op £ 5.340 mln
4).
Het totaal der betalingen voor
reële transacties stelden wij op £ 50 mrd. Hiëruit volgt,
dat het totale bedrag der reële betalingen 14 maal het
nationale inkomen bedroeg.

Dit verhoudingsgetal geldt voor Engeland in 1930.

Het is in de eerste plaats waarschijnlijk, dat het getal aan
seculaire veranderingen onderhevig is in verband met
wijzigingen in de betalingsgewoonten en de betalings-
techniek. Ook zal het van land tot land verschillen vertonen.
Maar voor landen, waar de economische toestanden en
de betalingsgewoonten niet al te zeer afwijken van de

S)
Bernhard Wegmann,
,,Internationaler Vergleich der gesammten öffent-
lichen Ausgaben der Grossmâchte seit 1913″ in
,,Der Wirlschaf:sring”,
Nr
46147, November 1936, blz. 1302.
‘) Bernhard Wegmann
t.z.p.

Britse, is het n.m.m. ook thans nog een zeer bruikbare
coëfficiënt om uit het nationale inkomen de waarschijn-

lijke som van alle betalingen te benaderen, wanneer wij
slechts in het oog houden, dat het niet meer dan een be-
nadering is.

Deze mening vindt oi,k hierin steun: op 1 Januari 1950
bedroeg in Nederland de hoeveelheid vrij geld in omloop
f 7.552 mln. Uitgaande van het verhoudingsgetal 14 was
de som van alle betalingen in dat jaar rond f 246 mrd,
(vgl. tabel 1), waaruit een gemiddelde omloopsnelheid van
het geld van 32 volgt; een zeer aanvaardbare waarde. Aan de hand van de beschikbare statistische gegevens
en gebruik makende van het verhoudingsgetal 14 kunnen
wij nu berekenen hoe hoog het eliminatierecht geweest
had moeten zijn om in het tijdvak 1905 tot 1950 alle staats-
uitgaven te dekken (zie tabel 1).

De
cijfers
van voor en na de tweede wereldoorlog

zijn
niet geheel vergelijkbaar, daar die van 1948, 1949 en 1950
aan andere bronnen zijn ontleend en op andere
wijze
zijn
samengesteld dan de andere, maar voor een vergelijking,
die zich tot de grote lijnen beperkt, zijn zij voldoende
bruikbaar.

Bij het bestuderen van deze cijfers valt de enorme toe-
neming op van de belastingen tusseri 1905 en
1950,
waar-
tegenover de geringe toeneming staat van het percentage van het eliminatierecht in hetzelfde tijdvak.

Ten einde het verschil in de groei van belastingen en-
eliminatierecht duidelijk te doen uitkomen heb ik de be-
lastingdruk per hoofd der bevolldng berekend en daar-
naast voor dezelfde perioden nog eens het percentage
van het recht geplaatst. (zie tabel 2).

Wanneer wij de tijden van oorlog en de na-oorlogsjaren
buiten beschouwing laten – ik bespreek hier slechts de werkingvan het recht
in normale tijden
– dan valt op,
dat aan het einde van de periode 1925/29 het percentage
van het recht van orde van grootte verandert. Van 1905 tot 1929 beweegt het zich om 1 pCt, van 1930 tot 1950
om – 2 pCt. De stabiliteit in elk der perioden is wel zeer
opmerkelijk.

TABEL 1.

Berekening van het percentage van het eliminatierecht, dat nodig zou zijn geweest om alle staatsuitgaven te dekken, voor het tijdvak 1905 t/m 1950.

1905 t/m11910 t/m
1
191
5
t/m
11920
t/m
11925
t/m
11930
t/mi 1935 t/m

1948
J

1949

1950
1909

1

1914

1919

1924

1929

1

1934

t

1939

(in millioenen
guldens)
Gemiddelde opbrengst van de Rijks-, pro-
177
212
516
870 817
787
869
5.919 d)

1

4.158 d)
vinciale en gemeentelijke belastingen a)
De cijfers in de 3 kolommen
Gemiddelde toeneming van de Rijks-, pro-
+
111
+
141
+1.449
+1.164

43
+
660
+

611
vinciale en gemeentelijke schulden b) hieronder zijn berekend Uit de tabellen 18 en 28 van het Jaar-
verslag van De Ned. Bank
over 1950.

.

288
353
2.065 2.034 774
1447
1.480
5.300 5.000 5.000
Gemiddeld totaal der staatsuitgaven
Gemiddeld nationaal inkomen c)
2.197 2.629
4.030
5.658
6.09
5.237 5.187
14.200 15.900
17.600
Totaal bedrag der betalingen (14 x natio-
naal inkomen)
30.758
36.806 56.420 79.212 85.106 73.318 72.618
198.800
222.600 246.400
Berekend percentage van het elirninatie-

___

recht

………………………….
0,9

1,0

3,7

2,6

0.9 2,0 2,0
1

2,7

2,2

2,0
Ontleend aan tabel 3, blz. 148, Statistisch Zakboek 1944-1946.
Berekend Uit tabel 4, blz. 148, a. b.

e
Berekend uit tabel 40, blz. 46 van ,,Ret nationale inkomen van Nederland van 1921-1939″.
Ontleend aan tabel 3, blz. 124, Statistisch Zakboek 1950.

TABEL 2.

Gemiddelde belastingopbrengst per hoofd der bevolking, vergeleken met het voor dezelfde perioden berekende percentage
van het eliminatierecht.

periode
belasting per hoofd
percentage

van

het
eliminatierecht
periode


belasting per hoofd
percentage

van

het
eliminatierecht
1905109

f

30
1910114

34
0,9
1930134
f 100
2,0
1,0
1935139
,,

99
2,0
1915119
78
3,7


1940144 1920124
126

2,6
1945147
1948
604
2,7
1925129

110
0,9

1949
426
2,2

1950
.

2,0

416

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERiCHTEN

28 Mei 1952

Wij kunnen. ons thans een denkbeeld vormen van de
invloed, die en extra bouwprogramma van f 50 mln zou hebben gehad op het eliminatierecht,- uitgaande van dé
veronderstelling, dat het gehele bedrag weer door het
recht uit de omloop geëlimineerd zou moetën ,worden.
-Gaan wij daarbij uit vande veronderstelling, dat er thans
een percentage van 2 wordt gekort. De kasuitgaven van
Nederland werden voor 1950 geraamd op
f5
mrd (tabel 1);

houden wij datzelfde bedrag aan voor heden. Een uitgave
van f 50 mln betekent dan ‘1 pCt van de totale uitgaven.
Dat zou dus met zich brengen een vérhoging van het recht

met 0,02 pCt. .

Het is echter zeer de vraag, pf
de!ze
verhoging nodig zou

zijn. Het antwoord op deze vraag wordt niet gegeven door
de aanwas van het totaal der uïfaven, maar door het in-
dexcijfer der kleinhandeisprijzen. Het is nû zeer de vraag,
of dat stijgen zou, door deze extra uitgaaf van f 50 mln.
in de eerste plaats treedt een gedeelte van het bedrag in
de plaats van hetgeen uitgegeven werd aan werklozen-steun en wachtgeld; hier heeft geen vermeerdering van
koopkracht, doch slschts verplaatsing van koopkracht
plaats. Doch bovendien is het eliminatierecht weliswaar
recht evenredig met de staats.uitgaven, doch tevens is het
omgekeerd evenredig met het nationale inkomen. Daaruit
is het feit te verklaren van de grote stabiliteit, die het recht
vertoond zou hebben, indien het bestaan had, in het tijd-

vak 1905-1950..

Ten slotte nog een enkel woord over het aftreden

van het kabinet Faure.

t

De Franse Regering stond voor zware financiële ver-
plichtingen, voortvloeiende uit de politiek haar voorge-
schreven door de Assemblée. Dit bracht een grote vermeer-
dering van uitgaven met zich, die door de belastingen
niet.konden worden gedekt. Faure vroeg een belasting-
verhoging van 15 pCt, die geweigerd werd, d.w.z. de geld-

middelen om te voldoen aan de opgedragen taak werden
geweigerd. .
in de Staatscredietmaatschappij zou.dezè gang van zaken
onmogelijk zijn geweest. Wanneer eenmaal een taak door
de Volksvertegenwoordiging aanvaard is, staan de geld-
middelen er voor automatisch ter beschikking, Wij hebben

dat in het voorafgaande voldoende uiteengezet.
indien de±e crisis sledhtS een incidenteel – zij het ook
zeer belangrijk – politiek feit was geweest, zou er geen
aanleiding zijn -.gëweest het hier ter sptake te brengen.

Het is echter symptomatisch voor de-feilen van de heden
in de-gehele Wësterse wereld gebruikelijke wijze van belas-

tingheffing.
• De cijfers’van tabel 2 tonen een vrijwel steeds stijgende
belasting per hoofd aan, voor de hand liggend, daar de
belastingen stijgen met de uitbreiding van de staatstaak.
En aangezien de staatstaak onvermijdelijk steeds groter
zal worden, zullen ook de belastingen per hoofd der be-
volking steeds hoger moeten worden. Het zal steeds
bezwaaflijker worden en hieer tegenstand ontmoeten ‘om
door belastingheffing volgens de hedendaagse methoden • de- staatsuitgaven te financieren. Staatszelffinanciering

heft de moeilijkheden op. .-

Voorhout.

H.- P1-IILIPPI.

Nogmaals ei’üge opmerkingen over. .’

,,De economische studie beoordeeld ‘naar haar resültaten” –

In het Maandblad voor Accountancy en Bedrijfshuis-
houdkunde van Maart 1952 reageert Prof. Haccoû op mijn
artikel in ,,E.-S.B.” van 31 October 1951. Hij heeft het
vervolg, dat in ,,E.-S.B.” van 20 Februari verscheen niet – afgewacht. Dit zou hem echter, naar ik aanneem, niet tot

andere inzichten hebben gebracht.

De voornaamste conclusie tast Prof. Haccoft niet aan.
Het was er in de eerste plaats om te doen aan te tonen, dat de economen nog te weinig werkzaam zijn in het bedrijfs-

leven.

Op twee aspecten van het betoog van – Prof. Haccoû
wil ik hier nader ingaan.
In de eerste plaats concludeert hij uit de gegeven cijfers,
dat de Amsterdamse economen in belangrijker mate in
het bedrijfsleven een werkkring vonden dan de Rotterdam-
se. Daarin heeft hij slechts schijnbaar gelijk. Immers kent

Rotterdam de staatkundig-economische richting, welke
van het bedrijfsleven heeft afgevoerd. Wanneer de aantal-
len Rotterdamse afgestudeerden worden gesplitst naar
staatkundig-economische en overige, kan men de hiernaast
staande overzichten maken (per 1 Januari 1952).
Het verschil tussen de vergelijkbare – Amsterdamse en Rotterdamse afgestudeerden bedraagt slechts
4
pCt, dat –

wil zeggen
14
Amsterdamse of-50 Rotterdamse afgestu-
deerden. Van 51 Amsterdamse en van 125 Rotterdamse
afgestudeerden is echter niet bekend waar zij werken!
Men mag uit het kleine versc)iil tussen Amsterdam en Rot-
terdam dus zeker geen conclusies trekken.
Prof. Haccoû zoekt de oorzaak van dit – niet signi-
ficante – verschil tussen Amsterdam en Rotterdam in
de Anisterdamse afkeer van specialisatie. De gevolgen


Rotterdam
Alge-
Amster-
Til-

in aantallen:
meen
Staatk.
1

Ove-
dani
burg
econ.
rige

Particulier

bedrijf

en

Ôver-

938
43
541
162
192
405
71
223
46
65
Semi-overheidsdienst en ver-
heidsbedrijf

………….
Overheidsdienst………..

303
31
132
41
99
enigingen

……………
Vrije beroepen, onderwijs en

overige
537
37
316
81
103

2.1.83
182
1.212
330
459
rotaal bekend

………..
Onbekend ……………..
234

24
125
51

.

,

41

Totaal generaal

j
2.417

206
1.337
381
500

In procenten:

Particulier

bedrijf -en

over-

42,9
23
45

49
42
39
18
14 14
Semi-overheidsdienst en ver-

heidsbedrijf

…………..
Overheidsdienst

………..18,5

17
II
12
22
enigingen

……………13,9
Vrije beroepen, onderwijs en
overige

……………
24,7
21
26
25 22

Totaal

……………….
100

100 100
100
1

100

van de door mij aangeprezen specialisatie, waarmede in Rotterdam in de laatste jaren een aarzelend begin is ge-maakt, zijn echter nog in geen jaren uit de cijfers betref-
fende het totaal aantal afgestudeerden af te lezen.

In de tweede plaats stelt Prof. Haccoû, dat de econo-
mische opleiding inzicht möet geven in vraagstukken van
organisatie, kostprijs en financiering. Contact hlet het
economisch leven is daarbij ook volgens hem noodzakelijk.
Dit programma is naar mijn mening te beperkt. Ik noem
de volgende voorbeeldén. De stap van kostprijs naar ver-
koopprijs is een grote en wordt hierbij verwaarloosd.

28 Mei 1952

ECONOMISCIbSTATISTJSCHE BERICHTEN

417

Voor de stap van Organisatie naar personeelsbeleid geldt

hetzelfde. Bovendien is het van een student- wel veel ge-
vergd, wanneer men eist, dat hij de handgrepen – planning,
routing enz. – als technieken in de practijk leert kennen

en hem niet leert hoe het verband {ussen deze technieken
en de concepten der theorie is. Mijn bezwaar tegen de economische studie is juist, dat
een deel der alumni deze verbanden niet zelfstandig vindt,
respectievelijk deze pas na veel moeite langs de weg van
,,trial and error” ontdekt. Als ik het wel begrijp, is dit
volgens prof. Haccoû een zaak van te weinig aanleg;
volgens mij speelt hierbij het toeval van de werkkring,
de chefs en het milieu, waarin de afgestudeerde tê land
komt een grote rol, en kan men door een meer op de prac-
tijk gerichte studie de betekenis van deze toevalsfactor
verminderen.

Men diënt zich bij de opleiding van economen te rea-
liseren, dat de afgestudeerden eerst na vele jaren, veelal

.15 of 20, leid ingevende posities zullen bereiken. De weg
daartoe is dus lang en,zeker niet gemakkelijk, en het heeft
alle zin de student ook op deze weg voor te bereiden. De student, die op de weg van de practijk struikelt, zal nooit
in de gelegenheid komen de topfuncties, waarvoor hij is
opgeleid, te bereiken.

Het is mijn stellige overtuiging, dat het bedrijfsleven
behoefte heeft ‘aan de wetensçhap. Dagelijks zien vie, dat
onvoldoend theoretisch inzicht leidt tot desastreuze ge-
vplgen voor overigens veelbelovende bedrijven. De syn-
these van theorie en practijk is dus noodzakelijk. Deze
kan slechts wordeh bereikt, wanneer de wetenschap bij
tijd en wijle van haar ivoren toren afdaalt en zich met de
practijk bezighoudt. Aan de studenten moet worden ge-
leerd, hoe zij de theoretische kennis in de dagelijkse prac-
tijk behoren te gebruiken. Ik meen, dat zowel de studenten
als het bedrijfsleven meer gebaat zijn met een iets minder
algemeen opgezette, maar practisch terstond bruikbare
wetenschappelijke opleiding, dan met een opleiding, welke
uitsluitend is gericht op het streven naar theoretische
kern

ijs en een practijk, welke niet of nauwelijks met deze
theoretische kennis in verband wordt gebracht.
Bilthoven.

Dr J. G. STRIDIRON.

GELD— EN ‘KAPITAALMARKT

De geidmarkt.

Dat het tarief, waartegen door de Agent van het Minis-
terie van Financiën nieuwe jaarspromessen worden af-
gegeven, bepalend is voor de hoogte van het niveau
van de geldmarktdisconto’s van de verschillende termijnèn
schatkistpapier met looptijden beneden het jaar, werd ge-

durende de verslagweek op duidelijke wijze gedemonstreerd.
Van de eerste dag af, dat de nieuwe afgifteprijzeh golden,
lagen de,marktdisconto’s beneden die van de vorige week,
hoewel er toch in’ de ruimte van de markt op zichzelf

geen enkele wijziging was gekomen. De noteringen waren:
Juli pCt; Augustus pCt; September!
December
P/16_t/4
pCt; Januari/April 1
1
/
pCt.
Evenals vôôr de herziening van de officiële afgifte-
prijzen is de situatie thans deze, dat korter dan een jaar
lopend papier voordeliger in de markt is te krijgen dan bij
de Agent. In het laatste geval bedragen de disèonto’s
nl; voor Augustus-, November- en Februari-promessen
achtereenvolgens
1
/
2
pCt,
3/4
pCt en 1 pct. Verwonderlijk
is dit niet. Het is een’ winstgevende transactie bij de Agent
jaarspromessen tegen een disconto van’ thans P/
4
pCt
te kopen en deze promessen na enige maanden :met een
lager
disconto dan
11/4
pCt(op jaarbasis gerekend) te
verkopen. Om echter voor dit laatste papier kopers te
vinden, zal het tegeneen iets gunstiger prijs voor de koper,
d.w.z. tegen een hoger
disconto moeten worden aangebo-
den, dan de tarieven, waarvoor, dergelijk papier bij de

Agent ad’libitiim verkrijgbaar is. Ten gevolge van deze

samenhang bewegen de marktdisconto’s zich normaliter
tussen de afgifteprijs van jaarspapier (tot voor kort 1
1
/
2

pCt, thans
1114
pCt) en de Agentsprijzen voor de betref-
fende termijnen (thans
1/2, 3/4
en 1 pCt).
De daling van

de marktdisconto’s was aanleiding ‘de cailrente eveneens te verlagen. Met ingang van 20. Mei
werd deze notering, welke sinds
14
Juli 1951 onveranderd
op 1 pCt gehandhaafd was, op
3/4
pCt gesteld. Deze, ver-
laging brengt rnede,’dat het bedrijf der discontohandelaars,
die gewoonlijk hun portefeuilles schatkistpapier vnl.
met opgenomen cailgeld financieren, door de daling van
de rente-opbrengst dezer portefeuilles, niet tot verlies-
gevendheid is gedoemd; uit een oogpunt van goede func-
tionnering van de geidmarkt is dit uiteraard toe te juichen.

De kapitaalmarkt.

De beslissing van het bestuur van de Vereeniging voor
den Effectenhandel om het noteren van koersen te staken,
hetgeen practisch neerkomt op het sluiten van de effec-
tenbeurs, was gedurende de verslagweek het feit, dat al
het overige nieuws in betekenis verre overschaduwde.
Een uitspraak in hoogste instantie (de afdeling Rechtspraak)
van de Raad voor het Rechtsherstel, waarbij bepaald werd
dat bij verhandeling tijdens de oorlog van uit roof af-
komstige effecten, de toenniaals meest gebruikelijke wijze
van levering (ni. levering door Lippman Rosenthal Sar-
phatistraat ingevolge adresgeving) de goede trouw bij
de verkrijging uitsluit, was hiertoe aanleiding. Ten gevolge van deze uitspraak ontstaat de kans, dat verliezen, die door
bovengenoemde roof van effecten zijn veroorzaakt, niet
ten laste, zullen komen van de gedepossedeerden (zoals tot dusverre waarschijnlijk leek), maar ten laste van de-
genen, die deze effecten tijdens de oorlog kochten of even-
tueél, door regres, van de banken en commissionnairs,
die daarbij hun bemiddeling verleenden. Dit laatste zou in
sommige gevallen, naar de Vereeniging blijkbaar verwacht,
de solvabiliteit harer leden kunnen aantasten, en dit maakt

reeds thans een beurshandel, waarbij dé solvabiliteit van
elke tegenpartij axioma moet zijn, bezwaarlijk. Minister.
Lieftinck, jarenlang zondebok bij uitstek van d’e beurs,
is nu te hulp geroepen om – naar men waarschijnlijk hoopt,
‘met overheidseld’ – in deze impasse redding te brengen.
De beurssluiting bracht mede, dat de aangekondigde
emissie der f 10 mln premielening ‘s Gravenhage, werd
opgeschort. De inschrijvingen op de aangeboden
41/4
pCt
gemeenteleningen, waarop de intekening gedurende de afgelopen week openstond, hadden evenmin succes als die van vorige weken.

De Koninklijke en Unile er declar”eerden, nadat de beurs
reeds gesloten was, een dividend over 1951 van resp. 15
pCt (waarvan 2 pCt in stock) en 12 pCt, wélke percentages
niet tegenvielen.
J. C. uREZET.

STATISTIEKEN
OFFICIËLE WISSELKOERSEN VAN DE NEDERLANDSCHE BANK
van 21 Mei 1952 af.

Plaats

.
‘ ,

Per
Schriftelijk en t.t.
________________________
Aankoop
verkoop

100 B.fr.
7,59
7,61
Frankfori a/Main

…………-
100 D.M.
90,39
90.57 Brussel

……………………

100 D.Kr.
54,86
.55,16
100 Escud.
13,15 13,28
1
£
10,63 10,65
1 Can.
$
.

3,85
3,87

Kopenhagen

………………..
Lissabon

…………………

1 Can.
$
3,8ft
3,87

Londen

…………………..

Montreal (zeepost)

………….
1 Can.
$
3,84
3,87

Montreal (t.t.)

……………….
Montreal (Iocbtpost)

………….

1 U.S.
$
3,794
3,801
New York (It.)

……………..
New York (luchtpost)
1 U.S.
$
3,79 3.804
-. New York (zeepost)

.,

…,
,

IU.S.
3,784
3,804
100 N.ir.
53,05

53,)3


100 Fr.fr.
1,084

,
1,088
Oslo

………………………..

100 Kcs
7,58
7,62
Parijs

……………………..
Praag

………………………
100 Z.Kr.
73,25

.
,

73,66
Stockholm

………………..
Zürich

……………………..
100 Z.fr.
86,71

,
87,09

418.

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

28
Mei
1952

OVERZICHT VAN
DE OPBRENGST DER RIJKSMH)DELEN
*).

STAAT T

Ontvangsten op niet-kohierbelastingen. Kalenderjaar 1952.

X f1,mIn

Benaming der middelen

Jan.

1952

Febr.

1952

Maart

1952

l2

Raming
jaar
1952

Loonbelasting
69,7
60,6
38,8
169,1

665,0
Dividendbelasting

1,7
9,4
.
3,7
11,4
55,0
Commissarissenbelasting
1,4
0,7
0,4
2,5
8.0
Vereveningsheffing
30,3 24,8
.

15,6
70,6
275,0
Rechten op invoer
29,9
31,8
36,0
97,6
450,0
Accijns op gedistilleerd
9,4
8,6
8,2
26,1
100,0
Accijns op

bier ……………’
0,9
1,3
1,4
3,5
16,0
Accijns op suiker
7,7
8,1
7,4
23,2
50,0
Accijns op tabak
31,4 23,0
26,6
81,0
285,0
Omzetbelasting
113,8

,
104,8
69.3
287,9
1.300,0
Rechten van zegel
)
4,0
2,8
3,3
10,0
30,0
Rechten van registratie
3,9
5,1
3,6
12,6
45,0
Rechten van successie
8,3
6,7
7,4 22,4
.

85,0
Motorrijtuigenbelasting
6,1
5,6
5,5
17,2
,

70,0

314,9
293,3
227,0
835,2
3.434,0
1)
Hieronder

begrepen

wegens
Totalen

………………

zegelrecht van nota’s van ma-
kelaars en commissionnairs in
effecten, enz
0,5
0,4 0,4

.
1,3

TÂAT T!

Ontvangsten op kohierbelaatingen.

x f1 min

as

Benaming der middelen
Jan.
Febr.
Maart
Raming

jaar
1952
1952
1952

1952

Inkomstenbelasting
122,1
118.3
115,1
355.6
940,0
Verniogensbelasting
9,7
9,9
10,1
29,8
80.0
Vennootschapsbelasting
84,1
105,2
171,9
361,2
515,0
Grondbelasting
0
8,7
3,4
2,1
14,1
28,0
Personele belasting
t)
4,4
5,4 6.8
16,6
27,0
Ondernemingsbelasting ‘)
14,8
14,3
18,1
47,3

Totalen

…………………
243,8

256,6
324,1
824,5
1.590,0

‘)
mcl.
gemeentelijke en provinciale opcenten, resp. vermenigvuldigingsfactor.

CTA AT ITT

Ontvangsten op buitengewone middelen. Kalenderjaar 1952.

x
f1 mln

Benaming der flsiddelen
Januari
Februari
Maart
.

1952 1952
1952

..
E

Vermôgensaanwasbelasting
15,0
8,4 4,3 27,8
35,0
Vermogensheffing ineens
1,8 1,8 1,3
4,9
15,0

Totalen
16,8
10,2
1

5,7
32,7
.50,0

CTAAT IV

Aanslagregeling der kohierbelastingen ‘).

xflmln

Nog te ontvangen op
In Jan. t/m Mrt ‘Si
In Jan. t/m Mrt
’52
Totaal

ontvangen

in
Nog te ontvangen op
alle t/m uit.

1951

op-
opgelegde

aanslagen
opgelegde

aanslagen
Jan.

tfm
Mrt

1952
alle
.

opgelegde

aan-
Benaming
.
gelegde

aanslagen per
boekingstijdvak
boekingstjdvak
op alle opgelegde
,slagen

per uit. Mrt
der middelen
31 Dec. 1951
195111952 195211953
aanslagen
1952

1
2
3
4
5

Inkomstenbelasting
972,0
166,4
0,1
355,6
783,0
Vermogensbelaating
75,1
20,8
0,0
29,8
.

66,2
Vennootschapsbelasting
219,7

15,4
392,5
361,2
235,7
Grondbelasting
t)

Personele belastingt)

. .
14,9
19,5
0,7
32,9
8,6

14,1
16,6
10,1
35,7
Ondernemingsbelasting
t)
94,8
15,7

47,3 63,2

Totalen

……….

..
1.396,1
221,1
401,3
824,5
1.194,1

‘) Bij deze staat geldt: kolom 1 +
2
+ 3 – 4 = S.
‘)
mcl.
gemeentelijke ets provinciale opcenten, resp. vermenigvuldigingsfactor.
5)
In verband met afroadingen behoeven de totalen niet met de som der afzonderlijke poaten overeen te stemmen.

28 Mei 1952

ECONOMISCH-STATISTiSCHE BERICHTEN

419

STAAT V

Vergelijking tussen de ramingen en de aanslagen der kohierbelastingen.

)< f 1 mln

Opgelegd’ t/in

uit.
Opgelegd

tim

uit.
Benaming dèr middelen
Raniing jaar 1951
Mrt 1952 boekings-
Raming jaar 1952
Mrt 1952 boekings-
tijdvak 195111952
tijdvak 195211953
937,5
686,2
940,0
0,1
53,8
80,0
0,0
Inkomstenbelasting

………………………..

Vennootschapsbelasting ……………………
445,0
709,5 515,0
392,5
Vermogensbelasting

………………………
79,5

28,0
27,9
28,0
2,5
Grondbelasting’)

………………………..
25,7
18,0
27,0

Personele

belasting ‘)

………………………
Ondernemingsbelasting
1)
.-
3,3
– –

Totalen

…………………………..
1

1.515,7

1
‘)
ExcI. gemeentelijke en provinciale opcenten, resp. vermenigvuldigingsfactor.

TOEUCRTING BIJ PET OVERZICHT VAN DE OPBRENGST DER
RIJKSMIDDELEN.

Staat 1 en 11.
Deze Staten vermelden de werkelijk in elke maand ontvangen bedragen
(kasadministratie).
Bij de omzet. ets loonbelaating en vereveningsheffing moet de afdracht
in principe ténmaal per kwartaal geschieden, nI. in Januari, April, Juli en
October.

Staat JIJ.
Ook hier zijn de werkelijk ontvangen bedragen vermeld (kasadministratie).

Staat IV.
Uit deze staat kan wordçn afgelezen hoe ver de belastingdienst is gevoiderd

1.498,7

1.590,0

1

395,2

met het opleggen van aanslagen en tevens, welk bedrag nog moet worden
ontvangen op reeds opgelegde aanslagen.
De kolommen 2 en 3 betreffen de door de belastingdienst in 1952 opgelegde
voorlopige en definitieve aanslagen (debiteurenadministratie).
Een voorlopige of deflnitieve aanslag inkomstenbelasting 1951 behoort
normaliter in het boekingstijdvak 1951/’52 te worden opgenomen; een
– uiteraard voorlopige – aanslag inkomstenbelasting 1952 in het boekings-
tijdvak 1952/53.

Staat V. Deze staat maakt een vergelijking mogelijk tussen de in totaal t/m einde
van de maand opgelegde aanslagen en de raming. In deze stagt zijn —in tegen-
stelling met staat IV – de aanslagen in de grondbelasting, personele belasting
en ondernemingsbelasting vermeld exclusief de gemeentelijke en provinciale
opeenten, reap. vermenigvuldigingsfactor, daar deze laatste ook niet in de
raming zijn opgenomen.

INTERIM-PRIJSINDEXCIJFERS VAN HET GEZINSVERBRUIK IN
NEDERLAND’)’)
1949=100

OS
v
VS

————
m
VS

VS

Is,

0

-,

Z
ò
,
In
VS
Ø
VS VS
50
v
VS


0
IS,
,

i

115117
122
122
121
122
121
121 121
120
119
119
12
Voedingsmiddelen

….
112113
122
124
123 127
124 124
125 123
122 123
12
Kleding

…………137143
146 142
138
134
131
129
127
126
123
117
ll
Schoeisel

…………137
141
147 143
141
139 137
133
131
130
126
123
12

Totaal

……………

Reiniging

…………106107
15
115
117
118 118
117 117 117
117
116
ll
Woninginr. eis huisraad
127
133
138
136 135
132
131
128
126
125
123
120
12(
Over. groepen, incl.huur
108109
113
112
113 113
114
115
115 115
115
116
11
Huur

…………….115115
115
115 115 115
115 115
115
115
115
115
ll

1)
Volgens huishoudrekeningen over 1949 van geschoolde arbeiders, voor-
lieden, lagere kantoorbedienden en ambtenaren, met in 1949 een bruto-weelç-
loon van f50 tot f60 per week; met een gemiddelde gezinsgrootte van 4
en voorts wonende in de middelgrote en kleine steden van ons land.
‘) Prijzen waargenomen in de gemeenten Groningen, Enschede, Arnhem
Utrecht, Zaandam, Tilburg, Dongen, Eindhoven en Heerlen.
‘) Voorlopige gegevens.

RECENTE ECONOMISCHE

PUBLICATIES

De sociale status van de student en de efficiëntie van het
hoger onderwijs,
door Prof. Dr G. C. Heringa. Keesing
1952, 46
blz. f 1,90.
Het woord als wapen,
keuze uit de Nederlandse onder-
grondse pers 1940-1945. M. Nijhoff
1952
434 blz. f 13.
Verslag van De Nederlandsche Bank N. V. over het boekjaar

1951.
Blikman en Sartorius 1952. 167 bit. f 2,75.
Moeilijkheden op weg naar economische eenheid van Europa,
door F. Hartog, ec. drs., met een Voorwoord
Vfl
Dr J. Zijstra, hoogleraar aan de Vrije Universiteit
te Amsterdam. F. Bohn 1952. 76 blz. f
3,50.
De cônjunctuur in het economisch/even,
door Prof. Dr G. M.
Verrijn Stuart. 2e druk, F. Bohn.
1952.
Deel 1 (181
blz.) en deel 11(248 blz.) tezamen f 7,80.
Het gezinscrediet in Nederland,
door Dr
B. P.
M. Vredegoor
(Dissertatie). Stenfert Kroese 1952. f 7,50. Het nationale plan tegenover het socialistische plan, door

Prof. Mr Dr M. A. G. Harthoorn. H. Becht 1952.
58
blz. f 1,25.

De practijk der werkloosheidswet voor werkgevers en werk-
nemers,
door G. A. M. Giessenhoven, commies bij
het Ministerie Van Sociale Zaken en Volksgezondheid.
IDiigentia 1952. 87 blz. f 1,90.
International monetary co-operation 1945-1952,
door Brian
Tew. Hutchihson 1952, 180 blz. f
5,95.
Welfare economics in English Utopia’s,
door J. K.. Fuz.
From Francis Bacon to Adam Smith. M. Nijhoff 1952.
111 blz. f7.

The struggle for Europe,
door Ch. Wilmot. (The second
world war) Collins 1952. 766 blz. f
15,75.
In place
of
fear, door A. Bevan. Heineman 1952, 200 blz.
f 4,20.

Ten great economists,
door J. A. Schumpeter. Marx,
Walras, Menger, Marshali, Pareto, Böhm-Bawerk,
Taussig, Fisher, Mitcheli, Keynes. Allen and Unwin
1952. 305 blz. f 13,25.
Wages policy under
full
employment,
door
k.
Turvey, ed.
Hodge & Co
1952.
87 blz. f 4,20.
A theory
of
price control,
door J. K. Gailbraith. Cambridge
1952, 88 blz. f 9,50.

Joint consultation in British industry,
An inquiry under-
taken by the National Institute of Industrial Psycho-
logy and sponsored by the Human Factors Panel
of the Committee on Industrial Productivity. Staples
1952, f 13,25.
Field theory in social science,
door K. Lewin. Routledge
1952, f 13,25.

Out/mes
of
an economic history
of
Lancaster,
door M. M.
Schofield. History Association 1952, 140 blz. f
5,25.
The revolutionary movement in France 1815-1871,
door J.
Plamenatz. Longmans 1951, 184 blz. f 10,70.
Documents on American foreign relations,
door R. Dennett
and R. K. Turner. Toronto Univ. Press 1952. 702
blz. f 25,20.

Inflation,
door P. Einzig. Chatto 1952. 224 blz. f 8,35.
Examination note book for accountancy and secretarial
students,
door A. Palmer. Gee & Co 1952. 204 blz.
f 10,05.

Introduction to statistical methods,
door B. C. Brookes
en W. F. L. Dick. Heineman 1951, 288 blz., f13,25.
Business organisation and combination,
door R. N. Owens.
Prentice Hall, 4th. cd. 1951, f29,35.
Workshop calculations, tables and formulae,
door F. J.
Camm. Newnes and Pearson, IOth. ed. 1952, f5,25.

DE WEISTER BOEKHANDEL

Algemene binnen- en buitenlandse boekhandel

N. Binnenweg 331

Telefoon 32076

Rotterdam

Post-Giro 18961

OPSTELLEN: ter gelegenheid van een kwart eeuw VAGA.

Drs. F. Th. BEDEAUX: Het ontstaan en de ontwikkeling van
de Vereniging van Academisch Gevormde Accountants.
Dr. L. H. BELLE: Hoofdtrekken der ontwikkeling van de Ac-
countantscontrôle.
Dr. J. F. C. VAN BODEGRAVEN: De winstverdeling bij Neder

landse naamloze vennootschappen. Dr. R. BURGERT: Publicaties van naamloze vennootschappen.
Drs. A. L. DEMENINT: De intrinsieke waarde van incourante
aandelen.
Dr. H. L. DROST: Bedrijfsanalyse en resultatenrekeningen op
korte termijn in het levensverzekeringbedrijf.
Drs. P. H. GROENEVELD: Enige opmerkingen aangaande het
element vertrouwen in het maatschappelijk verkeer.
Drs. E. E. HARMSEN: Fiscale en commerciële balans, fiscaal en
bedrijfseconomisch winstbegrip.
Drs. P. C.
J.
KIEN: Het liquiditeitsprobleem bij de Verenigde
Naties en enkele gespecialiseerde organisaties.
Drs. E. L. Th. LATERVEER: Beschouwing’ van de omrekenkoer-
sen, te gebruiken bijde waardering van buitenlandse deel-
nemingen en bij het samenstellen van geconsolideerde
overzichten.

Drs. J. A. M. F. LINDNER: Enige aantekeningen betreffende
administratie en contrôle bij internationale organisaties.

Drs. A. MEIJER: Kostprijsonderzoeken in verband met de indus-
trialisatie van Zuid-Afrika.

Drs. J. P. VAN POPPEL: Het begrip goed koopmansgebruik.

Dr. J. G. STRIDIRON: Over het aanschaffen van nieuwe ma-
chines.

Drs. J. VAN DER VELDEN: Ontwikkeling in de betekenis van de
interne contrôle.

Drs. Th. J. VERDENIUS: Over de begrippen ,,contrôle”, ,,for-
mele” en ,,materiële” contrôle.

Drs. J. VOGEL: Enige beschouwingen over goodwill en over
het optreden von de accountant bij de waardebepaling
daarvan.

Drs. J. G. de WEGER Jr: Performance budgeting.

Mevr. Dra. F. J. DE WINTER-Otto: Enige opmerkingen omtrent
de contrôle op de jaarrekening van ondernemingen, waar

van het bedrijf in het buitenland gevestigd is.

Prijs gebonden f12,50.

Tegen overlegging van een inschrijvingsbewijs wordt deze bundel aan Studenten van Rotterdam, Tilburg en Amsterdam

geleverd tegen de prijs van
f 8,—.

Commercial Geography,
door S. Hall. Pitman 1952, 478

blz., f10,05.

The diplomacy of imperialism
1890-1902, door, W. L.

Langer Knopf, 2nd ed. 1951, 841 blz., f37,40.
History of the Second World War.
Vol. 1: The economic

blockade, door W. N. Medlicott. Lingmaus 1952,

f22,05.

Grundfragen der Neuzeitlichen Finanzcontrolle,
door Dr

H. Peucker. 0. Schwartz 1952, 217 blz., f13,65.
Bevölkerungsdynamik und Bevölkerungsbilanz.
Entwick-

lung dër Erdebevölkerung in Vergangenheit und
Zukunft, door F. Burgdörfer. Lehmanns 1951, 116
blz., f9,05.

Industrielles Rechnungswesen,
door A. Marhi. 1: Lehr

buch für Praxis und Unterricht. Schweiz. Kaufm.

Verein 1952, 145 blz.,
f16,50.
Neue Wirlschaftslehre,
door Paulsen. 2. neubearbeitete

Aufi. F. Vahien 1952. 284 blz. f 17,10.

Wirtschaftliche Betriebsführung,
door H. Schuidt. Janecke

1952. 220 blz. f 5,65.


Homo Oeconomicus Islamicus,
door J. Hans. Wirtschafts-
wandel und sozialer Aufbruch im Islam. J. Leon Sen,

1952. f 9,90.

Wirtschaftsgeschichte Deutschlands,
door H. Bechtel.

Von der Vorzeit bis zum Ende des Mittelalters.
G. Callwey 1952. 424 blz. f
20,35.

Neuzeitliches industrielles Rechnungswesen,
door K. Beisel.
4. erganzte Aufi. Poeschel Ven. 1952. 232 blz.
f24,35.

Praxis der modernen Durchschreibebuchhaltung,
door E.

• Pochner. Mit 1.000 Buchungsbeispielen und 5 Kon-

tenplanen. A. Orac 1952. f 6,20.

Grundsütze der Wirtschaftspolitik,
door W. Eucken.

• A. Franckè 1952. 396 blz. f 25,70.

ECONOMISCH-
STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

Adres voor Nederlanl: Pieter de Hoochstraai 5, Rotterdam (W.)

nu

Telefoon Redactie en Administratie 38040. Giro 8408.
Bankiers: R. Mees en Zoonen, Rotterdam

Redactie-adres voor België: Seminarie vOQr Ç3especialiseerde Ekonomh
14, Universiteit straat, Gent.

Abonnementen: Pieter de Ifooclisiraat 5, Rotterdam(W.).

Abonnementsprijs. franco per post, voor Nederland en de Uniegebieden en
Overzeese Rjjksdelen (per zeepost) f 26,—, overige landen f28,— per jaar.
Abonnementen kunnen ingaan met elk nummer en slechts worden beëindigd pe ultimo van het kalenderjaar.

jij

Aangetekende stukken in Nederland aan het Bjjkantoor West zeedijk,
Rotterdam (W.).

VER1IS.
Alle correspondentie betreffende advertenties ie richten aan de Firma H. A. M.
Roelants, Lange Haven 141. Schiedam (Telefoon 69300, toestel 6). Advertentie-
tarief f 0,43 per mm. Contract-tarieven op aanvraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ;,Beschikbare krachten” f 0,60 per mm (dubbele kolom). De administratli
behoudt zich hei recht voor om advertenties zonder opgaaf van redenen te
weigeren.

Losse nummers
75 cents.

Auteur