Ga direct naar de content

Jrg. 36, editie 1787

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: augustus 15 1951

ECONOMISCH’
L

• STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN HET •NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

36E
JAARGANG

WOENSDAG 15 AUGUSTUS 1951

No 1787

COMMISSIE VAN REDACTIE

Ch. Glasz; H. W. Lambers; J. Tinbergen;

F. de Vries; C. van den Éerg (secretaris)
Redacteur-SecretarLi: A. de Wil.

S

Assistent-Redacteur: J. H. Zoon.

1

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË

J. E. Mertens; R. Miry; J. van Tichelen;

R. Vandeputte; F. Versichelen.

INHOUD

Blz.

Ontwikkelingsaspecten van ‘het transport-

wezen (Ii)
door Mr K. Vonk …………604

De marges in de schoenhandel
door A. IA. C.

Reedj/k ……………………………606

De vrachtenmarkt
door C. Ver,ney ……….608

Belasting plus schatkistpapier of staatszelffinan-

ciering? door Dr H. P/zili:ppi …………… 611

Aantekening:

Het jaarverslag van de Javasche Bank….
614

Geld- en kapitaalmarkt ………………..
617

De Belgische geld- en kapitaalmarkt in Juli

1951 door V. Van Ro,npuy …………….617

Statistieken:

Bankstaten ………………………..
618

Recente economische publicaties …………
619

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

Dezer dagen

kan men zich in Nederland weer dwergachtig voelen.

Van de Europese Betalingsunie is een nadere verklaring
gekomen over de extra toegestane $ 25 millioen. Het is
helemaal geen verhoging, doch een correctie. Het gaat

in de richting van het Tovervisje tegen de brave Piggelmee:
,,Ga gerust naar huis, mijn ventje, wat je vraagt dat is
er al”. Onze Benelux-verlo9fde heeft inmiddels een accoord
moeten sluiten over het verwerken van haar credietsaldi;
het is te
begrijpen,
dat de huwelijkse voorwaarden niet vlot
worden gevonden. –

Intussen gaan- wij bezorgd voort met lezen, op welke
dagen de Nederlandse tomaten al dan niet over de Duitse
grens mogen rollen en hebben de Verenigde Staten, be-paald om het voordeel van het vrije handelsverkeer nog

eens aan Europa, dat de ,,marché unique” – en de ene
tolgrens – nog niet heeft bereikt, in te sche’rpen, een
aantal beschermende maatregelen ten opzichte van agra-
risch-industriële producten getroffen. Men wil ons de
kaas niet eens van het brood eten.

Al dan niet gesterkt door Nederlands voedzame en
smakelijke producten, de Amerikanen staan momenteel in de buitenlandse politiek hun man. Hun ,,chief trouble
shooter”, Earriman, gaat, met tevredenheid over de
schouder naar Perzië ziende, naar Egypte om te trachten
moderne lasmethoden toe te passen bij het raadsel van de Sphinx. Van het vredesverdrag met Japan wordt een ver-

beterde editie voorbereid, waarbij Rusland ook komt
spreken; de onderhandelingen te Kaesong gaan door,
waarbij van de zijde der. Verenigde Naties al evenzeer een
duidelijke mate van ,,plain speaking” wordt betracht.
Om het geologisch te’ zeggen: de Amerikanen zijn bezig
de horsten en slenken met dikke lijnen in kaart te brengen.

Onder het vervaardigen van deze wereldatlas gaat in
andere ateliers het in kaart brengen van de eigen poldertjes
voort. Zo toonden de Franse politici weer het vernuft van
de ontwerpers van kruiswoordpukrles door met dezelfde namen weer een nieuw model te ontwerpen. Of, met een
der figuren uit ,,Brideshead Revisited”: ,,Who should
T see?” Rex kept asking, ,,Don’t teli me there is n’t somebne
who can fix this”.

Zelfs de meest pragmatisch& kan niet alles voor elkaar
krijgen. Het is zonneklaar, dat onder de huidige politieke
ömstandigheden het Amerikaanse interne economische
beleid niet homogeen is te maken. De President heeft zich
genoodzaakt gezien een wet op de beheersing van het
economisch leven te ondertekenen, waaruit de bevoegd-
heden ten opzichte van de prijzen zo ingewikkeld zijn ge-
worden, dat men voorlopig meer tijd voor interpretatie
dan toepassing zal behoeven.

Sommige zaken echter zijn spoedig begrepen. De ,,Wage
Stabilization Board” heeft eenstemmig een aanbeveling aanvaard om in het vervolg de arbeidslonen gçlijk op te
doen lopen met de kosten van levensonderhoud.

RAEES. & ZOONEN

-ANNO 1720

Bankiers & Assurantie-Makelaars

ROTTERDAM

‘s-Gravenhage, Delft, Schiedam, Vlaardingen,
Amsterdam (alleen Assurantie)

Ondernemingen, die het beste leidende personeel zoeken,

speciaai met economische scholing, roepen sollicitanten op
door middel van een annonce in de rubriok ,,Vacatures”.
lIet aantal reacties, dat dazo annoncee tongevolgo hebben,
is doorgaans uitermate bevredigend: begrijpelijk omdat er

bijna geen grote instlIng is. die dit blad niet regelmatig
ontvangt en waar het niet éirculeort. Opdrachten voor het

volgend nunimer dienen Zaterdag a.s. in one bezit to zijn.

Nationale Handelsbank, N.V.

Amsterdam – Rotterdam – ‘s-Gravenhago

Alle Bank- en Effectenzaken

e

HANDEL-MAATSCHAPPIJ

H. Alberi de Bary
&
Co.
N.V.

AMSTERDAM -C.

HEERENGRACHT

450

Alle Ban kzaken

K A P I T A A L

EN

RESERVES

F.

25.000.000
• •

0

Koninklijke

Nede rI an dsche

Boekdrukkerij

N. A. M. Roelants

Sch led a m

,-

v-
LAI

met papier geïsoleerde kabels

voor zwakstroom en sterksiroom

koperdraad en koperdraadkabel

abeIgarnituren, vulmassa an olie

HE- KABELFABRIEK

602

15 Augustus 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

603

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK

Ivir K. VONK, Ontwikkelingsaspecten van het transport-
– wezen (Ii).

In dit tweede artikel over de ontwikkelingsaspecten van

het transportwezen wordt allereerst de Amerikaanse
tarievenpolitiek der spoorwegen in vergelijking met die

in de meeste Europese landen besproken. Deze vergelijking

valt ten gunste van de eerste uit. In Nederland bestaat ech-
ter op het gebied der spoor ver voertarieven een uitzonderlijke
situatie. Vervolgens wordt aandacht geschonken aan de
structuur van geheel het vervoerswezen. Er Wordt op ge-
wezen, dat niets heilanier voor een voortgaande ratio-
na]isatie van het spoorwegbedrijf is dan dat het wordt
geconfronteerd met een krachtige invloed van andere

vervoerstakken. Willen deze tegenover de moderne spoor-
weg hun maatschappelijk noodzakelijke rol in het nationale

en het internationale verkeer spelen, dan zal zich op be-
trekkelijk korte termijn een structurele ontwikkeling bin-

nen hun kring moeten voltrekken. Een krachtige organi-

satie per bedrijfstak schijnt dan wel een der eerste ver-
eisten. De organisatie zal zich bezig moeten houden met de algemene tarievenontwikkeling in de bedrijfstak, met
kostenanalyse en wellicht ook met marktresearch. Van de
noodzakelijke ontwikkeling der organisatievormen wordt
verwacht, dat dc vervoersvraagstukken aan concreetheid
winnen en dat de onontbeerlijke binding wordt bereikt.

A. A. C.
Reedijk, De marges in de schoenhandel.

Op grond van de cijfers, welke in het rapport van de
door de Minister van Economische Zâken en de Minister
zonder portefeuille, Prof. Dr A. H. M. Albregts, ingestelde
commissie tot onderzoek van de sociale consequenties
van de Prijzenbeschikking Kleinhandelsmarges Schoenen
1951 worden gegeven, moet worden geconcludeerd, dat
deze Prijzenbeschikking, die, gedurende 11 weken van
kracht is geweest, althans wat de groep onderzochte be-
drijven betreft – bestudeerd werd alleen de positie van
de alleenwerkende ondernemer in de detailhandel is schoe-
nen, die een omzet behaalt van ca 2.250 paren schoeisel
per jaar -, een onjuiste maatregel is geweest. Ook uit
het onderzoek, door een accountantskantoor ingesteld
naar de situatie in de middelgrote bedrijven, en uit de ge-

gevens van de kosten in 1949 in 87 schoenwinkelbedrijven,
verzameld door het Instituut voor Bedrijfsonderzoek in
de Schoenhandel, blijkt duidelijk, dat genoemde Prijzen-
beschikking als een volkomen onjuiste maatregel moet
worden aangemerkt.

C.
Vermey, De i’rachtenmarkt

Gaat men de gang van zaken in verschillende actieve
sectoren der algemene vrachtenmarkt gedurende het eerste
halfjaar 1951 na, dan blijkt, dat aan de welhaast onaf-
gebroken stijging der vrachten sedert Januari ji. in Juni
een eind is gekomen. De onmiskenbare hausse heeft plaats
gemaakt voor een kentering, die zich in vrijwel alle sectoren doet gelden. Ook in de timecharter-sector lopen de vrachten
thans ‘enigszins terug. De tankvrachtenmarkt kenmerkte
zich gedurende de achter ons liggende zes maanden even-
eens door een zeer vaste stemming. De onoverzichtelijke
situatie in Perzië – de bevrachters geven er de voorkeur
aan de verdere ontwikkeling af te wachten oefent in-
tussen een weinig gunstige invloed uit; de vraag is aanmer-
kelijk ingekrompen, zodat met een lager vrachtenpeil
rekening moet worden gehouden. Op langer termijn blijven
de vooruitzichten voor de tankvaart, gezien het voort-
durend stijgend gebruik van ptroleumproducten, onge-
twijfeld gunstig. Met de toekomstige grotere behoefte aan
scheepsruimte wordt rekening gehouden: ondanks de
grote stijging der bouwprijzen en de sterk verhoogde
exploitatiekosten wordt aan de wereldtankvloot een aan-
zienlijke uitbreiding gegeven.

Dr H. Philip7A, Belasting plus schatkisipapier
of
staats-

zeiffinanciering?

Ons belastingstelsel kan niet voldoen aan de eis, die er

aan gesteld moet worden: onder alle omstandigheden aan

de Regering de middelen te verschaffen haar taak te ver-
vullen. Het is in de praktijk gebleken, dat hetmet ons be-

lastingstelsel niet mogelijk is het budget blijvend in even-
wicht te brengen. Wanneer het al tijdelijk gelukt, dan
wordt het evenwicht verbroken zodra de staatsuitgaven door

bijzondere omstandigheden, zoals dreigend oorlogsgevaar,

hoger of de inkomsten door teruglopende conjunctuur
lager worden. Dan faalt ons stelsel daarin te voorzien.
Het is een gevolg van het zeer grote aantal verschillende

belastingen, van, de discriminatie tussen particulieren
en zaken, van het belasten van de zaken naar de behaalde
winst en van de particülieren naar het inkomen. Ons

belâstingstelsel werkt bovendien demoraliserend, daar
het in feite in belastingzaken Regering en contribuabelen

als antagonisten tegenover elkaar plaatst. Aan de boven-
gestelde eis kan wèl worden voldaan door een systeem
van belastingheffing, dat schr. staatszelfflnanciering noemt.

In dit systeem, dat schr. kort samenvat, worden slechts
twee belastingen geheven: het eliminatierecht, een unifor-

me; proportionele belasting, geheven van elke betaling in
den lande gedaan, en daarnaast een progressieve inko-
mensbelasting.

-. SOMMAIRE –

Mr K. VOJVK, A.spects du développeinent des transporis (11).

L’auteur compare tout d’abord la politique américaine
des tarifs de chemin de fer avec celle de la plupart des
pays européens. Cette comparaison est favorable â la
première. Aux Pays-Bas toutefois, ii existe une situation
particulière dans le domaine des tarifs de transport par
fer. Mr K. Vonk attache ensuite son attention â la struc-
ture de l’ensemble des transports. Les chemins de fer
doivent subir une forte influence des autres moyens de

transport. L’auteur plaide pour une forte organisation
professionnell& dans chaque domaine des transports.

A. A. C.
REED JJK, Les marges bénéjiciaires dans le corn-
merce de la cliaussure.

Sur la base de quelques enquêtes récentes sur la situation
du commerce de détail de la chaussure, l’auteur arrive
la conclusion que les ,,fixations de marges bénéficiaires du
commerce de détail de la chaussure, pour 1951″, qui ont
été en vigueur pendant II semaines, doivent être considé-
rées comme une mesure tout â fait injuste.

C. VERJVIEY, Le marché des frets.

L’augmentation des frets sur le marché international,
qui.depuis janvier dernier n’avait subi quasi aucune inter-
ruption, s’est arrêtée en juin. Les affrètements reculent
également quelque peu dans le secteur du ,,timecharter”.
Le marché d’affrètement des pétroliers s’est fait remarquer

durant la première moitié de 1951 par sa tendance très
ferme, mais il faut s’attendre A un abaissement du niveau
des frets en raison des événenients imprévus ui se sont
produits en Iran. Toutefois, â longue échéance, les prévi-
sions dans ce domaine restent favorables.

Dr H. PRILIPPI, hnpôts et ernprunts ou autojinanceinent
de I’Eiat?

L’auteur critique le système néerlandais des impôts.qui
ne peut satisfaire aux exigences requises, c’est â dire de
fournir en toutes circonstances au gouvernement les moyens

de remplir sa tche. Cette exigence peut être satisfaite
par le système de perception d’impôts expliqué dans eet
article et tppelé par l’auteur autofinancement de l’Etat.

604

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

15 Augustu’s 1951

Ontwikkelingsaspecten van het .transportwezen

II

In het voorgaande artikel
1)
werd gewezen op het grote

kapitaalbelang, dat bij het vervoerwezen is. betrokken.

Tevens kwamen ter sprake de uiteenlopende kostprijs-
structuren en hun practische consequenties. Geëindigd

,werd met te wijzen op de belangrijke functie van tarieven

en vrachtprijzen.

De eerste functie, die we aan tarieven zouden willen

toekennen, is, dat ze een, maximale goederenruil moeten

mogelijk maken. Dit eist een grote mate van beweeglijk-

heid in de tarievensector. Honderden goederensoorten en

duizenden relaties worden door het verv6er bediend. Ter-

wille van de openbaarheid en de gelijkheid heeft men,

voornamelijk in de spoorwegsector, tarievensystemen op-

gebouwd, die op zichzelf reeds een wetenschap vormen.

Vooral in het buitenland bezitten deze systemen een grote

uitvoerigheid. Niettemin ziet men, dat ze ondanks hun

uitvoerigheid toch in aanpassingsvermogën jegens de
duizenderlei uiteenlopende situaties tekort schieten. Dien-

tengevolge worden allerlei ongelijke situaties gelijk be-

handeld. Bovenal schiet het vervoerwezen zo tekort in
het leveren van’ actieve bijdragen tot de ontwikkeling van

nieuWe toevoer- en afzetgebieden van handel en industrie.

Wie de Amerikaanse tarievenpolitiek der spoorwegen
en die in de meeste Europese landen vergelijkt, wordt

getroffen door het bewuste streven aan gindse zijde van
de Atlantische Oceaan om allerlei nuances in hândel en

industrie te volgen en te beantwoorden met speciale
tarieven, alsook om de geweldige afstanden van het land
virtueel te bekorten. Wat daarmee aan vervoer en aan

afzetmogelijkheden wordt geschapen is zeer opmerkelijk.

In vele Europese landen is men nog ver’ daar vandaan. Wat de onderlinge verkeersbetrekkingen der Europese

landen te zien geven, is eigenlijk primitief.. Geen sprake
nog, dat het streven van de vervoersector constant op
het scheppen van nauwere verbindingen tussen de Europese
markten is gericht Verschillende spoorwegtarieven be-

werken nog steeds eerder het tegendeel, ten nadele veelal
van het spoorwegwezen in het algemeen.- Voorts staan
monetaire oor±aken aan een krachtige uitbouw van inter-
europese tarieven in de weg.
Er.is een klassieke uitzondering in het vervoerwezen;
deze vindt men in de Rijnvaart. Daar is de vrachten-

markt werkelijk intereuropees. Haar werkingsgebied is
echter beperkt en anderzijds is er de vrachtvorming zo
chaotisch, dat zij andere nadelen oproept. Inzake het
wegverkeer kan ten deze nog moeilijk een oordeel worden

uitgesproken. Zijn werkingssfeer hangt nog te zeer van
toevâllige situaties af, die verband houden met het inci-
dentele karakter van het vervoerbeleid in de verschillende
landen. Een paar aanlopen tot wijziging ten goede in de Europese
structuur der spoorwegtarieven zijn te onderkennen, nl.
in de toepassing van het Schuman-pla’n, indien dit tot
uitvoering zal komen, terwijl een werkgroep in het kader
van de Economische Commissie te Genève zich onlangs
met het vraagstuk der spoorwegtarieven in internationaal
verband in het algemeen is gaan bezighouden.
Het is voorts ook in het eigen belang van de vervoer-
takken, de spoorwegen vooraan, dat hun tarievenpolitiek
gezond, commercieel en soepel is. Veelal ontbrekt aan
de buitenlandse spoorwegen de soepelheid in aanval
en verweer, die nodig is om zich jegens de aanspraken –
van eigen vrvoer en het minder gebonden particulier
vervoer te laten gelden. Een niet gering deel van de defi-

‘)
,,Zie E.-S.B.” van 8 Augustus 1951, No 1786.

citten in het buitenland is daardoor te verklaren. De

financieel gunstiger positie der Nederlandse Spoorwegen,

vergeleken met velen harer zusterondernemingen in het

buitenland, vindt voor een niet gering deel haar oorsprong

in de
vrijheid
op het stuk der tarieven, die zij sedert 1934 –

van de Nederlandse wetgevor hebben verkregen. Tot het

maximum van de vastgestelde tarieven zijn de Nederindse

spoorwegen vrij, afzonderlijke contracten met hun cliënten

te sluiten onder het verbod van discriminatie. Deze com-

mercialiteit is,voor zover wij weten, uniek ter wereld. Slechts

in Engeland, en meer nog in de Verenigde Staten in het

instituut der ,,commodïty-rates”, vindt men iets der-
gelijks, echter met dit verschil, dat alle bijzondere tarieven

daarginds openbaar zijn en hier te lande niet. Ook heeft

de Interstate Commerce Commission in de Verenigde

Staten de eindbeslissing in handen, al bepaalt zij zich in

verreweg de meeste gevallen tot goedkeuring, van hetgeen

tussen spoorwegen en verbruikers is overeengekomen. Haar
voornaamste zorg – maar hoe intensief! – is gericht op

de hoofdzaken van het tarieven beleid.

Wij kennen ook geen spoorwegbedijf dan de Nederlandse

Spoorwegen, dat zo stootkrachtig is, zo constant rationali-
seert, en dat terwijl, of juist omdat, het in een minderheids- –
positie verkeert. In grote lijnen kan men zeggen, dat de

Nederlandse Spoorwegen 30 pCt van het aantal ton/km in

Nederland presteert, de binnenVaart 50 pCt en het wegver-
keer 20 pCt. Toegegeven .zij, dat ons kleine, dichtbevolkte
land aan een spoorwegbedrjf een aantal voordelen biedt.
Dit bedrijf staat echter in het goederenvervoer in al haar re-

laties bloot aan een nimmer aflatendeconcurrentie. En zie-

daar de paradox: daardoor handhaaft het zich. Het kan zich
handhaven, omdat het een aantal lijnen kon afstoten, en

het vervoer aan andere verkeersvormen kon overlaten,

waarin het spoorwegbedrijf trouwens zelf ook deelneemt.
Het kon zich tevens vooral handhaven, omdat het niet
in passiviteit bleef roepen om bescherming, maar vroeg
en verkreeg een uiterst ruime commerciële zelfstandigheid.

Met deze on-orthodoxe oplossing van 1934, die indruiste
tegen de geldende theorieën en ‘traditie, is een experiment

aangevangen, dat allerlei gevaren in zichborg en nog bergt.
Die gevaren hebben, vooral in de eerste periode, zich ook
wel gemanifesteerd: niet steeds mochten de contracten der

spoorwegen even gelukkig worden genoemd. Maar juist

hierdoor zien wij een derde reden ontstaan, waardoor de
spoorwegen zich kunnen handhaven. Een spoorwegbedrijf
namelijk, en elk ander groot vervoerbedrijf, dat niet een
zekere orde in zijn tarifering bewaart, ruïneert zichzelf en de gehele vervoerwereld en bewerkt structuurspanningen
in de economie des lands, die allerlei minder aangename
reacties ten gevolge hebben. Om dit te ontgaan en toch

het volle profijt te hebben van een tarievenvrjheid, is er
slechts één middel, en wel: bestendige .kosten- en markt-
analyse binnen het bedrijf uit te voeren en, een constante
wederzijdse contrôle op ..elkaar, van de praktijk van het
vervoêr ter eenre en de analyse van kosten en bedrijfs-
resultaten ter andere zijde. Het mag van algemene bekend-
heid’ worden geacht, dat de Nederlandse Spoorwegen deze
weg hebben ingeslagen.
Wij hebben niet zonder reden stil gestaan bij deze
uitzonderlijke situatie op het gebied der spoorvervoer-
tarieven in Nederland. Ook in een modern vervoerwezen
neemt ,de spoorweg nog steeds een belangrijke plaats in
en de aard en methoden van het spoorwegbedrijf zijn
daarom van betekenis, zo niet doorslaggevend, voor de
structuur van geheel het vervoerwezen in een land.

15 Augustus 1951

‘ ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN –

605

De nu reeds geruime tijd in Nederland gevolgde praktijk

heeft bewezen, dat het spoorwegbedrijf zich kan hand-
haven, zelfs wanneer het zich in een minderheidspositie

bevindt en zelfs wanneer het is omringd door een groot

aantal particuliere vervoerondernemingen. De uitzonder-

lijke situatie in ons land trekt in de laatste tijd gaandeweg

meer de aandacht in die landen, die ten geyolge van steeds

weerkerende en soms toenemende deficitten met een schier

onoplosbaar spoorwegvraagstuk zitten. Het is ook niet
zonder de invloed van het Nederlandse voorbeeld, dat
de omvangrijke ,,Union Intrnationale des Chemins de

Fer” als een uitweg uit de impasse der spoorwegen een
grotere commerciële vrijheid bepleit. De wèg, in haar

onlangs verschenen brochure – ,,La situation des chemins
de fer ëuropéens” – gewezen, is dé weg, die hier te lande

reeds wordt bewandeld. Of hij blijvend geheel zal kunnen

worden gevolgd, is een toekornstvraag. De ingeslagen
richting is ongetwijfeld juist te achten.

Een: ander aspect, dat de aandacht verdient, vormt
de hierboven genoemde structuur van geheel het vervoer-
wezen. Niets
is
lieilzamer voor een voortgaande rationa-
lisatie van het spoorwegbedrijf dan dat het woidt gecon-
fronteerd met een krachtige invloed van andere vervoer-

takken. Niets ook leidt intensiever tot het streven naar
voortdurende aanpassing aan de vervdèrbehoeften. De
andere vervoertakken moeten dan echter het spel goed kun-
nen spelen. We stuiten hier op een merkwaardige tegen-

stelling. De spoorwegen hebben ten dele een nog econo-
misch verouderde outillage, maar een bedrijfsvorm, die de

mogelijkheid schept tot een soepele, moderne en brede
bedrijfsvoering. De beide andere vervoertakken, be-
staande uit duizenden zeer kleine bedrijven – met enkele betrekkelijke uitzonderingen -, voeren door hun geringe
bedrijfsomvang en hun versplintering echter een doorgaans –
te eenvoudige bedrijfspolitiek. Het moderne karakter, dat
hun materieel in vele gevallen bezit, verandert daaraan niets.
Indien de andere vervoertakken tegenover de moderne

spoorweg hun maatschappelijk noodzakelijke rol willen
spelen’in het nationale en het internationale verkeer, zal
zich op betrekkelijk korte . termijn een structurele ont-
wikkeling binnen hun kring moeten voltrekken. Het is een

gelukkig verschijnsel, dat dit inzicht groeiende is en pogin-
gen in deze richting worden ondernomen.

Een krachtige organisatiè per bedrijfstak schijnt dan
wel een der eerste vereisten. De organisatie zal zich bezig
moeten houden met de algemene tarievenontwikkeling
in de bedrijfstak, met kostenanalyse en wellicht ook met marktresearch. Daarbij behoort de uitwerking van boek-
houdsystèmen voor de
bedrijven,
waartoe de praktijk
gelukkig enkele aanlopen laat zien. Hetgeen hierbij voor
ogen zweeft is een functie, zoals de ,,Association of Amen-
can Railroads” voor de bij haar aangesloten bedrijven
verricht en zoals in haar navolging de ,,Amenican Trucking
Associatinn” bezig is, zich te ontwikkelen. In het algemeen
kunnen in een aantal Europese landen gunstige tekenen
worden begroet. In Zwitserland mag men een tarieven-

beleidvan de gezamenlijke wegvervoerbedrjven gadeslaan,
dat de grootste belangstelling verdient. De vooroorlogse organisatievormen in Duitsland vermochten op ons geen
bekoring uit te oefenen. Evenwel bij de huidige ontwikkeling
aldaar zijn delen van de Nederlandse vervoerwereld uiter-
‘aard betrokken.

Dergelijke organisatievormen kunnen veel bijdragen tot

het doorzicitig maken van de werkelijke kostenstructuur in
het vervoerwezen, waaraan op het ogenblik nog heel veel
ontbreekt. De zelfwerkzaamheid op dit gebied zou gepaard
kunnen gaan met aanwijzingen van overheidszijde omtrent
de in de bedrijven te voeren administratie en de daaruit
op te bouwen statistiek, waarbij ruime lering kan worden

getrokken uit de werkwijze der ,,Interstate Comnierce
Commission” in de Verenigde Staten. Eindelijk kan men

dan nagaan van welke omvang het kapitaaivraagstuk in

het vervoerwezen is, hoe het met het kapitaalrendement is

gesteld en hoe het bij het investeringsbeleid betrokken
millioenenvraagstuk rationeel en continu moet vorden

aangevat. Herinnerd zij daarbij aan hetgeen in het vorig

artikel in verband met het Ve?keersfonds is opgemerkt. –

Men kan niet voorbijgaan aan hetgeen reeds bestaat.

Aan onderdelen van een bedrijfstak, zoals in Rijn- en
binnenvaart, de beurtvaart, de particuliere vaart, de

reders e.d. kan men hun onderlinge groepering laten.
De bovenaangeduide vraagstukken zijn echter niet een-
voudig en het aantal competente krachten om ze aan te

vatten is beperkt. Het zal ,daarom nuttig en financieel

voordelig zijn, – indien men elkaar ook onderling weet
te ‘vinden. Zulke bedrijfstakorganisaties zouden ook het noodzakelijke bredere overleg inzake de bedrijfspolitiek

tussen de bedrijfstakken kunnen voeren, zoals nu op de
onderdelen wel incidnteel geschiedt.

Van de noodzakelijke ontwikkeling der organisatie-
vormen mag worden verwacht, dat de vervoervraagstukken

aan concreetheid winnen en dat de binding, die eigenlijk
naar aller mening onontbeerlijk is, wordt béreikt. Tege-
lijkertijd kan aldus een beweeglijkheid’en mate van zelf-
standigheid van dé bndernemingen jegens elkaar worden

behouden, die als stimulans en correctie, gelet op des men-
sen traagheid en boosheid, noodzakelijk is.
Op nog een paar consequenties van het bovenstaande
dient te worden gewezen.

Het is een misvatting, dat de particuliere vervoeronder-
nemingen slechts een vorm van kleiner of groter midden-
standsbedrjf vertegenwoordigen. De onderlinge samen-

hang van de vervoermarkt over grote gebieden brengt mee
een onderlinge samenhang, in meer of minder sterke mate,
van de vervoerbedrijven zelf. Reeds daardoor hebben zij

gezamenlijk te maken mef vraagstukken, die soortgelijk
zijn aan vraagstukken van het grootbedrjf. Wij wezen
op het vraagstuk der kosten, der tarieven, der brede ver-
voerpolitiek. Bovendien treden zij in samenwerking én
concurrentie met het zeer grote bedrijf der spoorwegen.

De organisaties der vervoerondernemingen betekenèn
daarom niet zo maar een ontmoetingspunt van bedrijfs-
genoten. Integendeel, zij zijn, zoals hierboven.werd aan-

getoond, een essentieel bestanddeel van de bedrijfsvoering
zelf, zij hebben een organische functieen het voortbestaan-
van de particuliere bedrijven hangt af van de vervulling

van deze functie door hun gemeenschappelijke organisaties.
Daarom is een splitsing in confessionele bedrijfsorganisaties
een onmogelijkheid. Niet, dat, de geloofsovertuiging niet

tot dit bij uitstek zakelijke terrein zou reiken; deze over

tuiging omvat naar haar aard iedere handeling en gedrags-
lijn. Men splitst echter in een bedrijf ook niet ‘bijvoorbeeld
de boekhou’dafdeling in een humanistische, een protes-
tants-christelijke en een rooms-katholieke. Welnu, even-
zeer als het noodzakelijk is, dat een boekhoudafdeling
binnen een bedrijf optreedt als een geheel, even essentieel is het, dat de Organisatie van een bedrijfstak, of onderdeel
daarvan, in het vervoerwezen als een geheel optreedt.
Men mene niet, dat hier de kleuren te sterk worden aan-
gezet.

Wij komen hiermee tot een tweede consequentie. Wan-
neer de particuliere vervoerbedrijven willen voortbestaan,

is er haat bij, dat zij de organisatievormen tot stand
brengen, die de aard van hun bedrijf vergt. Teveel kansen
tot vormgeving, tot ontwikkeling van de invloed van de
eigen bedrijfstak, tot positieve bijdragen aan een ver-
voerpolitiek zijn sedert 1945 nationaal en internationâal gemist. Blijft men ten achter, dan zullen ten slotte grote
delen van het vervoerwezen in het moderne spoorwegbedrijf
opgaan. Tekenen wijzen in deze richting, vooral in het
buitenland. Een krachtig, commercieel vrij spoorweg-
bedrijf is voor de economie van elk der Europese landen

606

ECONOMJSC11-STATISTISCHE BERICHTEN

15 Augustus 1951

onmisbaar. Het wegvallen van de andere vervoertakken
als ‘zelfstandige eenheden zou echter al even schadelijk

zijn, niet in de laatste plaats voor de spoorwegbedrijven

zelf. Indien de particuliere bedrijven echter niet zelf

zorgen voor een gezamenlijke, sluitende bedrijfspolitiek
op hoog peil, ziet het er in Europa bedenkelijk .voor

hen uit. Geen enkele wetgeving, die de eisen van

‘s lands economie en budget in het oog houdt, kan daaraan iets veranderen, tenzij …. een wetgeving, dië op,de grond-

slag van volledige nationalisatie een geheel nieuw bestel

zou optrekken. Hoeveel wolken en duisternis omhult echter
dit verschiet.
Een derde consequentie van een commercieel vervoer-

beleid ligt aan verladerszijde. Rationalisatie in de ver-

voertechniek houdt niet slechts in rationalisatie bij de

vervoerbedrijven. De rationalisatie in deze bedrijven

werpt eerst: volle vrucht af, wanneer zij wordt beantwoord

van verladerszijde met goed afgestemde efficiency van de
goederenverplaatsing in de handels- en industriële be-

drijven, wetenschappelijke emballering e.d.. En niet slechts
dat. Ook de tarifering zelf vergt originaliteit en initiatief

van verladerszijde. Tenslotte vormt de juiste verhouding
tussen eigen vervoermiddelen en gebruikmaking van het

beroepsvervoerapparaat een vraag van zorgvuldig over-

leg. Hier te lande constateren wij de laatste tijd een ge-
1ikkige ontwikkeling in deze richting in de Algemene

Verladers- en Eigen Vervoerders Organisatie. Men moet
weer naar Amerika zien, om een dergelijke activiteit van
de
zijde
van handel en industrie te ontwaren. In andere
Europese landen bestaat hier en daar nog slecht een pril
inzicht te dezen opzichte.

Zo zien wij in het vervoerwezen, in deze-grote tak van
de bedrijfswereld, de noodzaak deze trits van kernvraag-

stukken aan te vatten: een sluitend kostenbeleid Van over-

heids- en bedrjfszijde, een veelomvattend tarievenbeleid,
en krachtige organisatievormen. In belangrijkheid overtreft
deze t66 uiteindelijk het vergunningenbeleid in engere zin,
hoe noodzakelijk dit op zichzelf als grondslag moge zijn.

Herhaald

elijk is het intereuropees verband genoemd.
Op het ogenblik moge worden volstaan met op te merken,

dat een werkelijke Europese vervoerpolitiek nog ontbreekt.

Zonder een dergelijke politiek moet evenwel de Europese

marktvorming defecten vertonen. Een bewijs daarvoor is

het voorkomen van een vervoerparagraaf in het plan-
Schuman. Vreemd is, dat bij liet ontwerpen van agrarische
plannen in Europees kader wederom het vervoer schijnt

te ontbreken, zoals aanvankelijk bij het plan-Schuman.

Men zal hoed doen te beseffen, dat het vervoer een con-
stitutief element in het scheppen van mogelijkheden vormt’

en een werkelijke Europese politiek van vervoertarieven
nog moet beginnen.

wassenaar.

Mr K. VONK.

De’ marges in de schoenhandel

Inleiding.

De gedurende 11, weken van kracht geweest zijnde en

thans ingetrokken Prijzenbëschikking Kleinhandelsmarges

Schoenen 1951
1),
waarin werd bepaald, dat de verkoop-prijs, van schoenen ten hoogste mocht bedragen de som
van de werkelijk betaalde of verschuldigde inkoopprijs,

waarbij de vervangingswaarde gedeeltelijk mocht worden
berekend, en een opslag van 18 pCt van deze inkoopprijs
voor heren-, kinder-, jongens- en meisjesschoenen en -pan-
toffels en 22 pCt voor damesschoenen en -pantoffels en voor schoenen van de maakwijze Origineel Good Year,
heeft grote beroering te weeg gebracht, niet alleen in de
krmg der schoetiwinkeliers, doch tevens in de gehele detail-
handèl en in de schoenindustrie, waar de beperking van
de productie ten gevolge van het gebrek aan orders voor •een gedeelte aan de Prijzenbeschikking voor de schoen-

handel werd toegeschreven
2).

Het is hier niet de plaats mededelingen te doen over de
onderhandélingen, die te’n aanzien van de marges in de

schoenhandel tussen het Ministerie van Economische

Zaken en de organisaties in de schoen handel werden ge-

voerd
3),
doch de publicatie van het rapport van de door
de Minister van Economische Zaken en de Minister

zonder portefèuille, Prof. Dr A. H. M. Albregts, ingestelde

commissie tot onderzoek van de sociale consequenties
van de Prijzenbeschikking Kleinhandelsmarges Schoenen

1951
4),
geeft ons aanleiding tot het maken van enkele

opmerkingen, die in ruimer verband van betekenis kun-

nen zijn. – –

Het rapport van de commissie Pruyt.

De bedoelde commissie onder voorzitterschap van Prof.
Dr B. Pruyt had als opdracht, op beslist korte termijn een

1)
Ned. Stscrt van 27 April 1951, no 82 en Ned. Stscrt van 13 Juli 1951,
no 134.
‘) Zie het artikel van Drs A. van Arendonk in ,,E.-5.B.” van 4 Juli 1951.
3)
Zie hiervoor De Pasbank”, Maandblad voor de schoenhandel en schoen-
industrie, Mei 1951.


) Bedoeld rapport is verkrijgbaar bij het Economisch Instituut voor den
Middenstand te ‘s-Gravenhage.

onderzdek
fl
te stellen naar de vr.ag, inhoeverre mocht

worden verwacht, dat door de werking van de Prijzen:

beschikking Kleinhandelsmarges Schoenen 1951 de sociale
positie van’ de alleenwerkende ondernemer in de detail-
handel in schoenen, die een omzet behaalt van ca 2.250
paren schoeisel per jaar, een voor- of achteruitgang zou
te zien geven ten opzichte van de jaren onmiddellijk voor-
afgaande aan de tweede wereldoorlog.
Afgezien nog van de merkwaardige figuur, dat een
Minister enkele weken na de afkondiging van een beschik-
king een deskundige buiten zijn departement opdracht

verleent, een onderzoek in te stellen naar de consequenties
van die beschikking, zijn tegen de inhoud van de opdracht
bezwaren aan te voeren.

De categorie schoenwinkeliers, waartoe de opdracht

zich beperkt, is – hoewel in aantal naar schatting 25 â
30 pCt van de totale schoenhandel uitmakende – in econo-misch opzicht ten aanzien van de detailhandel in schoenen niet representatief, aangezien slechts naar schatting 15 pCt

van de totale omzet door deze winkeliers wordt behaald
en in de meeste gevallen naast het winkelbedrijf een schoen-
herstellerswerkplaats of een pedicure-inrichtin’wordt ge-
voerd. Indien men het zuivere winkelbedrijf in de schoen-
handel wil bezien, dient men het oog te richten op de
ondernemingen met een omzet van meer dan f 50.000 per

jaar. Deze categorie in de schoenhandel omvat naar schat-
ting in aantal 600 bedrijven, dus ongeveer 17 pCt, doch in omzet ca 75 pCt van de totale schoenhandel.
Een ander bezwaar van de opdracht was, dat reeds van
te voren een gegrond vermoeden bestond, dat het ver-
zamelen van gegevens in deze kleine bedrijven uit de jaren,
onmiddellijk voorafgaand aan de tweede wereldoorlog,
op onoverkomelijke moeilijkheden zou stuiten, terwijl ten
slotte de vergelijkbaarheid van een schoenwinkelier, die
in 1938 ca 2.250 paren schoeisel omzette, met de winkelier
die in 1950 deze omzet behaalde, in verband met opge-
treden structuurwijzigingen o.a. door sterkere modever-

schillen en grotere assortimenten in twijfel moet worden
getrokken.

15 Augustus 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

607

Het is dan ook geenszins te verwonderen, dat de com-

missie aan het slot van het rapport mededeelt, dat het niet

mogelijk is gebleken, betrouwbare cijfers te verzamelen

over 1938.

Daarnaast echter bevat het raport in de bijlagen een

schat van gegevens over 1950, die grotendeels zijn ver-

zameld door het Economisch instituut voor den Midden-

stand en die een duidelijk inzicht geven van de economische

omstandigheden van de onderzochte groep van bedrijven.

Een zeer te huldigen eigenschap van het rapport is de
beknoptheid (het rapport – zonder bijlagen – beslaat
8 bladzijden), waarbij aan dé duidelijkheid niets te kort is

gedaan.

Bij de berekeningen blijkt de corilmissie er van te zijn
uitgegaan, dat in een .schoenwinkel met een gemiddelde
omzet in 1950 van
f30.552
in het algemedn één volledige

arbeidskracht is ingezet en komt dan tot de conclusie,

dat voor deze ondernemer onder de Prijzenbeschikking
Kleinhandeismarges Schoenen 1951 een vergoeding voor

zijn arbeid zal resulteren van f1.735. Daarnaast vestigt

de commissie er de aandacht op, dat de margeregeling

nog ruimte laat voor een rente-inkomen over het geïn-
vesteerde kapitaal van gemiddeld f600. Deze door de
commissie gestelde f600 heeft alleen betekenis, wanneer
men de
sociale
positie vat de schoenwinkelier beziet. De

commissie tekent daar nog bij aan, dat hierbij valt – te
bedenken, dat zich thans enige tekenen van prijsdaling
op de inkoopmarkt voordoen, waardoor derhalve de
mogelijkheid bestaat, dat degemiddelde prijs in de toe-
– komst lager zal zijn dan door de commissie is aangenomen,
hetge2n uiteraard mee zou brengen, dat het genoemde in-

komen niet zal worden behaald. Bovendien zal deze onder-
nemer uit dât inkomen zijn sociale voorzieningen hebben
te betalen.

Al wordt dit dan door de commissie niet met zoveel
_woorden gezegd, staat het naar onze mening vast, dat op
grond van de cijfers, welke in het rapport worden gegeven,
• althans wat de groep onderzochte bedrijven betreft, de
Prijzenbeschikking Kleinhandeismarges Schoenen 1951 éen
onjuiste maatregel is geweest.

De situatie in de middelgrote bedrijven.

in het voorafgaande is reeds gewezen op de beperking van het onderzoek van de commissie Pruyt tot de bedrij-
ven met een omzet van gemiddeld f 30.000 per jaar. Aan-
gezien deze groep van ondeinemingen niet representatief kan worden geacht voor de gehele schoenhândel, achtten
de organisaties in de schoenhandel het hun plicht de
‘Minister van Economische Zaken en de Minister zonder
portefeuille, Prof. Dr A. H. M. Albregts, eveneens op korte
termijn gegevens te verschaffeit over de kosten in de schoen-
winkelbedrijven met een jaaromzet boven f40.000. De
opdracht tot het verzamelen van deze gegevens werd ver-
strekt aan een accountantskantoor (N.i.V.A.). De groot-
bedrijven in schoenen en de bedrijven in luxe schoeisel werden niet in dit onderzoek betrokken.
Bedoeld accountantskantoor ging bij het onderzoek uit
van een indeling van de schoendetailhandel in 9 groepen,
t.w. die met een omzet van f40.000 tot fl20.000 per jaar,
die met een omzet van fl20.000 tot f190.000 en die met
•méer dan f190.000 omzet, welke wederom waren gesplitst
naar plaats van vestiging, ni. in plaatsen met meer dan
100.000 inwoners, 20.000-100.000 inwoners en minder dan
20.000 inwoners. Het onderzoek vond plaats in 42 bedrijven.
,De resultaten zijn in tabel 1 samengevat.

Al deze kostenpercentages zijn berekend zonder rekening
te houden met de kostenfactor
demodage.
Onder demodage
wordt in de schoenhandel verstaan het risico, dat de schoen-
winkelier loopt in verband m’et niet-verkoopbaarheid of
de vcrkoopbaarheid tegen lagere dan de normale prijs ten

gevolge van: le wijzigingen in de smaak van de consument

ten opzichte van maakwijze, snit, hakhoogte e.d.; 2e in-
courante maten.

TABEL t.

Kosten in de detailhandel in schoenen ‘in 1950 uitgedrukt in percentages van de inkoop.

plaatsgrootte

Omzetten
1
> 100.000

20.000-100.000

< 20.000
inwoners

t

inwoners

I

inwoners

40.000-

22
1
2

27,3

21,9

120.000 .

24,1

29,0

22,8
26,9 gem.

33,0 gem.

25,4 gem.
27,1 27,8

33,8 31,0

31,2 25,3
32,8
34,0

20.000-

20,2

18,3

15,4
f190.000

23,6

19,2

16,5
24,2 gem.

19,5 gem.

16,7 gem.
24,3 23,6

21,2 20,8

17,0 16,7
25,6

25,8

17,9

> f 190,000

19,3
21,0 gem.
22,6 22,1
•’

25,5

Het rapport van de commissie Pruyt komt, wat de

demodage betreft, tot een ,,werkhypothese” van 2 pCt als

kostenbedrag. Het bedoelde accountantsrapport komt tot
een hoger percentage en is van mening, dat 3,7 pCt voor demodage de waarheid redelijk zal benadern. De boven-

vermelde kostenpercentages dienen dus nog met een per-
centage van 2 tot 4 te worden verhoogd. Betreffende de
groep bedrijven met een omzet van f 120.000 tot fl90.000

in de kleine plaatsen, dient de opmerking te worden ge-
maakt, dat de kosten laag liggen in verband met rond-

trekkende handel langs de boeren. –
Het accountantsrapport komt tot de volgende conclusie:

de opslagen voor kostendekking (18 pCt c.q. 22 pCt)
zijn beslist onvoldoende;
de kosten van de detailhandel in schoenen zijn in
belangrijke mate afhankelijk van de omzet en van de ves
;

tigingsplaats der bedrijven. De mate van afhankelijkheid
is zo groot, dat het vaststellen van een opslagpercentage,

geldig voor, alle schoendetailbedrijven, als onjuist dient
te worden aangemerkt.

Vergelijkt men de ‘gegevens van het accountantsrapport
met die van bijlage IV van het rapport van de commissie
Pruyt, dan ziet men, dat bij de kleinere bedrijven (22 ge-
..vallen) de kostenpercentages in 1950 (exclusief demodage)
liggen tussen 21,7en 36,5 en dat ,00k daar sprake is van
sterke verschillen in verband met plaats van vestiging
en karakter van het bedrijf. –

De gegevens van het bedrijfsleven.

Het is van belang te vermelden, dat de conclusies, die

uit de bovenomschreven rapporten zijn te trekken, reeds
vôôr het afkondigen van de Beschikking op 27 April 1951
op grond van de door het bedrijfsleven overgelegde ge-
gevens hadden kunnen worden vastgesteld. Tijdens de
onderhandelingen tussen het Ministerie van Eccinomische
Zaken en de organisaties uit de schoenhandel in het begin van April jI., was het niet mogelijk reeds gegevens te ver-
strekken over de kosten in het jaar 1950. Het Dïrectoraat-
Generaal van dePrijzen ging uit van een theoretisch norm-
bdrijf
5).
De organisaties uit dé schoenhandel legden de
gegevens over van de kosten in 1949 in 87 schoenwinkel-
bedrijven, verzameld door “het Instituut voor Bedrijfs-
onderzoek in de Schoenhandel. Genoemd instituut is geen
statistisch bureau, ‘doch een instelling, die zich ten doel

1)
Zie over de bezwaren tegen de kostencalculatie van dit normbedrijf
.0e Pasbank”, Mei
1951,
bis. 25-28,’

– 608

,ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

15
Augustus
1951

stelt de onderlinge bedrijfsvergelijking in dè schoenhandel

mogelijk te maken en bedrijfseconomische adviezen aan
schoenwinkelbedrjven te verstrekken. Ook de Prijzen-

commissie van de Bedrjfsgroep Detailhandel trachtte het
Ministerie van Economische Zaken er van te overtuigen,

dat de
18
en 22 pCt margerege1ingvoor de schoenhandel
onjuist moest vorden geacht en was van mening, dat voor
de schoenhandeï als geheel.in 1951 een kostenpercentage

van ongeveer 25 tot 30 van de inkoop rechtvaardig kon

worden genoemd.

De kostenpercentages van het Instituut .voor Bedrjfs-

onderzoek in de Schoenhandel waren uitgedrukt in de om-
zet, doch ômgerekend in de inkoop geven zij het volgende

beeld te zien. De berekende percentages zijn exclusief demo-

dage en dienen derhalve nog met 2 tot 4 pCt te worden

verhoogd (zie tabel II).

• Weliswaar is bij de beoordeling van deze percentages

rekening te houden met de omzetstijgingen sedert 1949,
doch daarnaast dienen de verhogingen der kosten in aan-

merking te worden genomen.

Slot opmerkingen.

Uit bovenstaande gegevens is wel duidelijk gebleken,

dat de Prjzenbeschikking Kleinhandeismarges Schoenen

1951 als een volkomen onjuiste maatregel moet worden
aangemerkt. Behalve de economische nadelen, die de

schoenhandelaren daardoor gedurende 11 weken hebben

ondervond,en, is er nog een morele consequentie, die aan

TABEL H.

•Kosten in de detailhandel in schoenen In. 1949 uitgedrukt

in percentagei van de inkoop.

‘plaatsgrootte

omzetten
>

100000
20.000-100.000
<

20.000
inwoners
inwoners
inwoners

<. f

60.000
33,51
31,41
23,62

f 60.000—
28,37 24,53
21,88
f 120.000
f 120.000—

.
27,16 23,26
f 180.000

> f180.000

1

26,74

18,67

de afkondiging van de beschikking is verbonden geweest.

Bij de afkondiging toch werd naar voren gebracht, dat de

marges in de schoenhandel te hoog waren opgevoerd, waardoor de indruk werd gewekt, dat door de schoen-
s

• winkeliers.misbruik van de omstandigheden was gemaakt.
Sommige dagbladen en periodieken lietèn niet na, hun

lezers deze indruk itf te prenten. Ook deze onjuistheid wordt

door liet rapport van de commissie Pruyt aangetoond..

Het- ingestelde onderzoek heeft namelijk bewezen, dat de – vergoeding voor de arbeid van de schoenwinkelier in 1950

gemiddeld in de onderzochte 22 bedrijven hèeft’bedragen

f 3:027, waarvan dan nog de sociale voorzieningen moesten

worden bekostigd.

‘s-Gra’venhae.

.

.A. A. C. REEDIJK.

De vrachtenmarkt

Indien wij de gang van zaken op de algemene vrachten-

markt gedurende het eerste halfjaar nagaan, blijkt dat

aan de welhaast onafgebroken stijging sedert Januari jI.
in Juni een eind is gekomen. De onmiskenbare hausse

– héeft plaats’ gemaakt voor een kentering, die zich in vrijwel

alle sectoren doet gelden. Verwondering kan deze ontwik-
keling nauwelijks wekken. Het was duidelijk, dat de
vrachten niet konden blijven stijgen. Zelfs indien de fac-
toren, die tot de jongste markante stijging leidden, een
normaal karakter zouden hebbën gehad, d.w.z. indien de;

vergeleken met twaalf maanden geleden, opvallende stijging

van het vrachtenpeil tiët gevolg zou zijn geweest van een
terugkeer tot meer normale omstandigheden, van een
herstel van de wereldhandel en een geleidelijke ontplooiing
yan de vrije uitwisseling van goederenen dieiisten, zelfs
dan zouden aan het – algemeen vrachtenpeil bepaalde
grenzen zijn gesteld en ware een stabilisatie der vrachten op lager niveau een normaal verschijnsel.

Het is goed, een terugblik te werpen op de gang van zaken
véôr het conflict in Korea. Ik deed dit reeds uitvoeriger

in het jaaroverzicht 1950r
1
) en moge volstaan met de weer-

gave der indexcijfers vo’or de sterlingvrachten op de alge-
mene vrachtenmarkt betaald en maandelijks gepubliceerd
door de Chamber of Shipping of the United Kingdom.
Uit deze cijfers toch blijkt enerzijds duidelijk, dat de toe-
stand op de vrachtenmarkt vôôr Korea allerminst gunstig
was, anderzijds van hoe grote invloed het conflict in het
Verre Oosten met als verdere factoren het Europees kolen-
tekort en de herbewapening zijn geweest (zie tabel 1).

Ook uit het ovôrzicht der vrachten (op blz. 609) in verschil-.
lende actieve sectoren der vrachtenmarkt gedurende het
eerste halfjaar 1951 betaald–. ter vergelijking vermeld
ik tevens de medio November jI. geldende vrachten –
blijkt de markante stijging gedurende de eerste vijf maan-

den en de teruggang sedertdien. In feite toonden bevrach-

‘)
Zie ,,E.-S.0.” van 21 Februari 1951.

ters in Mei reeds enige terughoudendheid; de wijdverspreide

vraag, die sedert de jaarwisseling de vrachten in snel tempo
deed oplopen, leek in enkele belangrijke sectoren althans

enigermate te zijn bevredigd. Zoals een jaar geleden het
conflict in Korea de eerste en grootste stoot tot de zich

,allengs tot een hausse ontwikkelende verbetering van het

vrachtenpeil gaf, leidde de mogelijkheid van een wapen-
stilstand, die althans een tijdelijke onderbreking der
vijandelijkheden tot gevolg zou hebben, tot een daling
van het onmiskenbaar, te hoog opgevoerde vrachtenpeil.

‘Het op vrij aanzienlijke schaal wederom in de vaart brengen
van schepen der Amerikaanse reservevloot heeft trouwens
het acuut tekbrt aan tonnage doen verminderen en onge-

twijfeld mede bijgedragen tot de gemakkelijker stemming.

TABEL T. –
1948 =
loo


1950
1951

72,8

151,9
75,5
164,7
75,8

180,6
74.4
176,8

Januari

………………………..
Februari

………………………..

Mei

. ………………………
71,4 203.8

Maart

………………………..

74,3

April

………………………….

78,3


Juni
……………………………
Juli

………………………….
86,6
Augustus

…………………….
September

…………………….
89,0
October

…………. ….
……….95,8

November

……,

…………….
.

15,7
December

…………………..
.97,6

Jaargemiddetde

……………….
84,0

Uiteraad is slechts een momentopname mogelijk, d.w.z.
de in het overzicht vermelde meest recente vrachtcijfers

golden bij het schrijven van dit overzicht, t.w. tweede helft

Juli. Waar de Laplata-markt bij voortduring in gebreke
blijft, de tarwe-uitvoer van Australië practisch beëindigd
is en het Verre Oosten in het teken der thans gevoerde
•wapenstilstandsonderhandelingen’ staat, lijkt het niet
waarschijnlijk, dat het zeer hoge vrachtenpeil van Aprilf

15 Augustus 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERiCHTEN

609

TABEL IT.

Vergeij/kend overzicht der vachten.

(per ton van 1.016 kilos)

Eerste helft

Eerste helft

Medio

Medio

Medio

Medio

Medio
Juli

Mei

April

Maart

Februari

Januari

November’

Hampton Roads W.-ltalns


.
kolen

….
$
12,50
$
13,75

$

14,-
$
13,50
$
14,15
$
II,—
$
12,75
Gulf/Ver. Koninkrijk

zwavel

. .
120/-
145/-
– –
.

1051-
501-
Laplata Rivier/Antwerpen-
Hamburg

graan..
75/-
127/6′
132/6
140/-
110/-
.

100/-
501-
Cuba/ Ver. Koninkrijk

suiker

..
130/-
1551- 1551-
160/-
1451-
120/-
60/-

St. Lawrence/ Ver. Kon./
Antwerpen-
Hamburg

graan..
17/6 ‘)
22/6 ‘)


– –
10/-
2
)
Noord China/Eur. vasteland
soyabonen etc.
1651-
200/-
2001-
200/

1851-

9o/-

Hanspton Roads Rotterdam-
Antwerpen kolen

..
$
9,90
$
13,30
$
14,-
$
12,50
$
14,15
$

11,-
$
8,05
1)
per quarter van 480 Iba.

2)

medio October.

Méi eerlang wederom zal worden bereikt. Of ‘en in welke

mate de in Juni ingezette daling voortgang zal hebben

valt niet te beoordelen. De algehele situatie is hiervoor te
weinig overzichtelijk. Tegenover de stellig te verwachten
inkrimping der vraag naar scheepsruimte, indien de
oorlogshandelingen in Korea definitief gestaakt worden,

staat de behoefte aan scheepsruimte om oorlogsmateriaal,
legervoorraden e.d. van het oorlogstoneel weg te voeren
en het zwaar geteisterde land te rehabiliteren. Ook het
chronisch(?) tekort aan kolen in Europa, Waarin Amerika
goeddeels moet voorzien, impliceert een voortgezette be-hoefte aan tonnage. Er zijn dus stellig factoren aanwezig,
die, in theorie althans, een al te scherpe teruggang van het
vrachtenpeil kunnen voorkomen. Een betrouwbare prog-nose is echter niet mogelijk zolang de internationale toe-
stand zich niet duidelijker aftekent.
Zoals uit de inleiding blijkt,.zette de daling in de maand
Juni in. Deteruggang was vooral in de Australische sector
aanzienlijk. Werd bijv. medio Mei nog 162/6 per ton be-
taald voor het vervoer van tarwe ex silo naar West-Italië,

in Juni moesten reders voor aflading October/November
met 122/6 genoegen nemen, terwijl sedertdien voor dezelfde aflaadtermijn een ifaliaans schip 1151- accepteerde. Austra-
lië’s graanuitvoer werd gedurende het thans vrijwel ge-

eindigde seizoen door verschillende omstandigheden on-
gunstig beïnvloed. De weersomstandigheden in Nieuw
Zuid-Wales en Queensland waren oorzaak, dat de tarwe-
oogst rond 27 mln bushels beneden de raming bleef.
Bovendien liet de kwaliteit van een gedeelte der oogst te
wensen over. Tegenover een totaal van 218 mln bushels

in het vorig seizoen, leverde de oogst ditmaal slechts 183
mln bushels op. Naar schatting’ waren hiervan rond 100
mht bushels voor exprt beschikbaar, m.a.w. na levering
der hoeveelheden, waartoe Australië zich krachtens de

Internationale Tarwe-overeenkomst verplicht had, bleef
slechts een gering kwantum vrije tarwe voor uitvöer over.
Afgezien van de tegenvallende oogst, werkten de voort-
durende arbeidsconflicten, die overigens in Nieuw-Zeeland
nog een veel ernstiger karakter hadden, uitermate storend
op de normale afscheep.
In het Verre Oosten stonden de vrachten voor soyabonen,
voedergranen e.d. van Noord-China mede onder druk.
Werd bijv. begin Mei met 136/3 een hoogtèpunt bereikt, sedértdien daalde de vracht van Noord-China naar India
met rond 16/- tot 120/-, terwijl dè vracht naar Antwerpen-
Rotterdam van 200/- tot 165/- terugliep. Een analoog
verloop toonde bijv. ook de vracht voor het vervoer van
chroomerts van Masinloc naar Noord-Amerika, die van
$ 16,- in Mei tot $ 15,25 per Augustus daalde. Ook de
kolenvrachten van Calcutta konden zich niet aan de
algemene, – dalende tendentie onttrekken. Van 137/6 in
Mei liep de vracht voor kolen van Calcutta naar Alexan-
drië tot 90/- terug. De weinig bemoedigende vooruitzichten

in de Australische sector waren oorzaak, dat de vracht

naar Australië op basis van 160/- weinig verandering
onderging. Ofschoon rekening moet worden gehouden

met lagere kolenvrachten van Zuid-Afrika, is het niet wel

mogelijk de situatie in deze, enkele maanden geleden zeer
actieve, afdeling aan het huidig vrachtenpeil te toetsen. Een aantal reeds tot stand gekomen bevrachtingen toch
moest worden geannuleerd ten gevolge van de stagnatie
in de aanvoer zowel van ertsen als van kolen. Noord-

Amerika stond gedurende het eerste halfjaar vooral in het
teken der omvangrijke kolenverschepingen naar Europa,
Zuid-Amerika en, zij het in mindere mate, Japan. Zoals

uit bovenstaande tabel blijkt, zijn de vrachten, welke overi-
gens naar gelang van de meerdere of mindere vraag naar
ruimte voor het. vervoer van graan van de Noord-Atlanti-
sche en Guifhavens, suiker van Cuba/San Domingo, zwavel
van de Gulf etc., vrij aanzienlijke fluctuaties tonen, verge-
leken met April/Mei belangrijk teruggelopen. Dit geldt
trouwens eveneens voor de vrachten van de St. Lawrence.
Geopend op basis van 22/6 per quarter van 480 lbs wordt
thans niét meer dan 17/6 voor Septemberaflading geboden.

De graanvrachten van Noord-Atlantische en Gulfhavens
zijn in overeenstemming hiermede gedaald. De uitvoer
van suiker van.Cuba is thans vrijwel geëindigd. Van 160/-
medio Maart liep de vracht-in Juni tot 137/6 terug; van

San Domingo daalde de vracht tot 135/- tegen een vorige
bevrachting op basis van 1501-. Ook de vracht voor zwa-
vel van de Gulf naar het Verenigd

Koninkrijk had een
overeenkomstig verloop. Vah
145/-
medio April is de
vracht thans tot 120/- gedaald. De grote vraag naar ruimte
naar en van het Verre Oosten was gedurende de eerste
maanden van het jaar oorzaak, dat de Engelse Timber

Control er aanvankelijk slechts met moeite en ten koste
van aanzienlijk hogere vrachten int slaagde voldoende
ruimte voor het vervoer van hout van de’Pacific naar het
Verenigd Koninkrijk te secureren. Van 152/6 steeg de vracht
geleidelijk tot 182/6 per ton met vrij laden en lossen, om

vervolgens weder tot 170/- terug te lopen. Ontoereikend
aanbôd van ruimte deed de vracht wederom tot 182/6
oplopen, maar de zwakkere stemming op de vrachten-

markt heeft tenslotte ook in deze sector haar invloed doen
gelden. Per October bedraagt de vracht 160/- met vrij laden
en lossen, terwijl recentelijk voor graan van de Noord
Pacific naar het Verenigd Koninkrijk pèr Augustus/Sep-
tember 150/- werd betaald. Vrij spectaculair was ook dit-
maal het verloop der Laplata-markt, van oudsher berucht
om haar onberekenbaar karakter. De grote vraag naar
ruimte voor rekening van India deed de graanvracht ge-
durende de eerste maanden van 132/6 tot 180/- per ton

oplopen. Dit hoogtepunt bleef niet lang gehandhaafd;
geleidelijk zakte het peil tot 1501- om ten gevolge der
hernieuwde dringende vraag in verband met de dreigende
hohgersnood in India weder tot 170/- te stijgen. Een her-
nieuwde daling zette echter in, die de vracht tot
155/-
per
ton deed teruglopen. Naar het Europees vasteland en het

610

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

15
Augustus
1951

Verenigd Koninkrijk liep de vracht van 100/- in Januari

tot 140/- in Maart/April op (naar het Verenigd Koninkrijk

werd in Januari
105/-
en in April
142/6
betaald), om tot

90/-
per Juli/Augustus te dalen, terwijl sedertdien
75/-

van de Bovenriier – Santa Fé of Conception – per Juli!
Augustus naar Antwerpen-Hamburg werd geaccepteerd.

De vraag naar ruimte is in verband met het uiterst

schaarse aanbod van lading zeer beperkt en hierin is
nauwelijks enige verbetering te verwachten zolang geen.

‘begin kan worden gemaakt met de verscheping der nieuwe

maïsoogst. De jongste
berictiten
maken melding van on-

gunstige weersomstandigheden, waardoor de oogst ver-

traging ondervindt. Zeer vast waren tri zijn ook thans nog

de i. it aande kolenvrachten van Wales naar Zuid-Amerika.

Werd bijv. in April verleden jaar grif
40/-
van Engeland’s

Oost- en Westkust geaccepteerd, thans -bedraagt de vracht
van Cardiff naar Bûenos Aires
122/6,
welk cijfer ook voor

September/Octoberverschepin wordt betaald. De uit-

gaande kolenvrachten waren gedurende het eerste halfjaar

trouwens over de gehele lijn hoger, al bleef-het hoogstepeil

niet gehandhaafd. Rotterdam/West-Italië liep van
30/-

tot
52/9,
Rotterdni/Griekenland van
47/6
tot 70/- op,

terwijl voor kolen van Polen naar :West-ltalië de vracht

van
52/6
tôt
70/-
steeg om recentelijk wederom tot
56/-

te dalen. -Van Rotterdam naar West-Italië bedraagt de
vracht thans 41/- â
42/-.
Een soortgelijk verloop toonden

de ertsvrachtcn van de Middellandse Zee. Zette de stijging
hier later in dan in de meeste overige afdelingen, de terug-

gang van het vrachtenpeil dateert eerst van de laatste
weken, d.w.z. nadat de daling reeds in verschillende sec-
toren haar intrede had gedaan. De ertsvracht van Bona
naar het Verenigd Koninkrijk steeg bijv. van
45/-
tot
61/-,

die voor pyriet van Huelva naar Rotterdam resp. Ant-

werpen van
42/-
tot
58/6
(Huelva/Ver. Koninkrijk
46/6

resp.
75/-).
In overeentemming hiermede waren ook de

phosphaatvrachten van Noord-Afrika naar het Verenigd
Koninkrijk, Zuid-Afrika etc.; die naar eerstgenoenidé be-

stemming van
42/6
tot
65/-
stegen, evenals de graanvrach-

ten van de Russische Zwarte Zee7 naar het Verenigd Kcf-

ninkrijk/Europees vasteland, die van
75/-
in Januari tot

90/-
zijn opgelopen, uitgesproken vast. Aanzienlijk minder
stabiel was daarentegen de vracht voor erts van Pepel,
– die evenals de vracht voor grondnoten van West-Afrika

naar het Verenigd Koninkrijk, scherp steeg. in Februari
werd van Pepel
61/-
per ton voor verscheping tot het eind
van het jaar betaald. Enkele’ weken later werd reeds
65/-
-betaald, waarna de vracht tot
80/-
opliep. Midden Mei

werd met
90/-
het hoogste peil bereikt. Sedertdien daalde
dè vracht tot
80/-
Deze cijfers spreken nog duidelijker,
indien men bedenkt, dat een jaar geleden, d:w.z. in Juni

1950,
niet meer dan
29/-
werd betaald! Meer geprononceerd
was de daling van de vracht voor het vervoer van bauxiet

van Takoradï naar Burntisland, nI. van
97/6
in Mei tot
84/-
per September/October.
Volledigheidshalve laat ik nog een kort overzicht volgen
van de gang van zaken in de timecharter-sector. Voor
rekening der lijnrederjen, die het tekort aan eigen tonnage
regelmatig door van derden gehuurde scheepsruimte
moestèn aanvullen, was er een constante vraag, waardoor
de vrachten zich in stijgende lijn bewogen. -Zo werd in
Februari reeds
45/-
per ton draagvermogen per maand
betaald voor een motorschip van
7.500
ton voor een trans-
atlantische rondreis, een cijfer, dat ongeveer driemaal zo
hoog was als een jaar geleden tijdens het dieptepunt
gold. Geleidelijk liepen de timechartervrachten verder op,
maar ook in deze sector heeft de zwakkere tendentie
een terugslag veroorzaakt. Werd begin Juni voor motor-
schepen voor een Australische rondreis
56/-
â
57/-
per ton
draagvermogen betaald, recentelijk accepteerden reders
51/3,
terwijl de vracht voor oliestokers voor hetzelfde
traject van
52/6
tot
47/6 is
gedaald. Voor uitgaande reizen

naar Australië is het écart geringer, hetgeen zijn oorzaak

vindt in de mjnder gunstige vooruitzichten wat retour-

lading betreft. Ook voor Westafrikaanse rondreizen is de

vracht enigszins teruggelopen,nl. met
2/6
tot
501-
per ton

draagvermogen per maand, terwijl• recentelijlc een olie-

stoker voor een dergelijke rondreis tegen
47/6 werd

bevracht.
In tegenstelling tot de beperkte omvang der opdrachten

voor nieuw te bouwen vrachtschepen voor de algemene

vrachtvaart en, zij het in mindere mate, voor de geregelde

lijnvaart gedurende de afgelopen jaren, ging ook deze
categorie reders sedert de jaarwisseling, kennelijk aange-

.moedigd door de gunstige stemming opde vrachtenmarkt,

op aanzienlijk groter schaal over tot het plaatsen van
bestellingen’ Eind September ji. waren op Engelse

werven vrachtschepen met een totale inhoud van
875.000

BRT in aanbouw. Aan het eind van het eerste kwartaal

1951
was dit totaal reeds tot ruim
1,5
mln gestegen. Voor

Engelse rekening alleen bedroeg de tonnenmaat der nieuw

te bouwen vrachtschepen meer dan
500.000
BRT, terwijl

een aantal dezer schepen niet véôr
1955/56
wordt opge-

leverd. Tegenover het voordeel der in de exploitatie aan-

zienlijk economischer nieuwe schepen, staan als niet te

onderschatten nadelen de aanmerkelijk gestegen bouwprijs
en de beperkte belastingvrije afschrijvingsmogelijkheden.

Ook de voortdurende stijging der exploitatiekosten, die

nog geaccentueerd wordt door het aanzienlijk oponthoud-

in tal van havens, baatt ernstige zorg.

Vooral in Australië is verbetering dringend nodig. Hoe-

wel ‘dit een uitzonderlijk ongunstig geval is, typeert een
oponthoud van vier maanden voor lossen en laden toch wel de hoogst ongunstige situatie. Dit was de ervaring,

welke de bekende Noorse rederij Wilhelm Wilhelmsen in

de afgelopen winter met haar motorschip ,,Tamerlane”
opdeed. Zij moet, teneinde haar lijndienst op Australië

regelmatig te kunnen onderhouden, thans
22
schepen

inzetten; vroeger waren
12
schepen voldoende! Helaas

– leert de ervaring, dat de exploitatiekosten-veel langzamer

– dalen dan de brutovrachten. Worden de reisresultaten

thans reeds nadelig beïnvloed door het hoge onkosten-
budget, de gevolgen zullen zich eerst recht doen gevoelen
zodra een ingrijpende kentering zich op de vrachtenmarkt
voltrekt.
-,

Ook de tankvrachtenmarkt kenmerkte zich gedurende de achter ons liggende zes maanden door een zeer vaste

stemming. Reeds in Januari stegen de vrachten in de Ameri-

kaanse sector van U.S.M.C.-schaalvracht plus
92+
pCt tot

U.S.M.C. plus
140
pCt voor vuile en tot plus
145
pCt voor

schone lading, terwijl in de’stcrlingsector voor vuile tankers

van de Perzische Golf M.O.T. plus 200 pCt en voor schone
tonnage van de Caraïbische Zee naar Zweden M.O.T.
plus
250
pCt werd betaald. In Februari liepen de vrachten

ten gevolge van de zeer grote vraag, die zich niet slechts
tot reischarters beperkte, maar ook achtereenvolgende
reizen en timecharter-emplooi gold, verder op. De vracht
voor het vervoer van donkere olie van de Perzische Golf
naar het Verenigd Koninkrijk/Continent onder Ameri-

kaanse vlag steeg tot U.S.M.C. plus
200
pCt, d.w.z. het
equivalent van M.O.T-‘ plus 330 pCt, terwijl een aantal
tankschepen voor achtereenvolgende reizen gedurende
drie jaren gesloten werd op basis der tijdens de belading geldende vrachten met minima en maxima van re3p.
25

en
125
pCt boven de M.O.T. schaalvracht. Op tiniecharter-
basis werd voor perioden variërend van 4 maanden tot

7
jaren
22/6
tot
25/-
per ton draagvernogen per maand
betaald, waarbij het de aandacht trok, dat voor enkele
schepen de huur gedeeltelijk in guldens betaalbaar werd
gesteld. Het uitzonderlijk hoge peil, dat in Februari werd
bereikt, bleef echter niet gehandhaafd en ofschoon de
stemming gunstig bleef, deed zich geleidelijlc toch een
terugslag gelden. De jongste gebeurtenissen in Iran droegen
hiertoe in niet geringe mate bij. Na een verdere daling
in Mei, konden de vrachten zich echter in Juni wederom

..

.

15 Augustus 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

611

enigszins herstellen, al bleef de vraag betrekkelijk beperkt.
O.a. werd voor een lading donkere olie van de Caraïbische

Zee naar Denemarken per Juli M.O.T. plus 130 pCt be-
taald, terwijl voor een soortgelijke lading naar Zweden

optie Verenigd Koninkrijk ruimte op basis van plus 125 pCt
werd bevracht. Ter vergelijking zij er op g’ewezen, dat in

Mei de vracht M.O.T. plus 70 pCt bedroeg. Ook voor

schone tonnage kon de vracht van de Caraïbische Zee

naar het Verenigd Koninkrijk met 30 pCt tot M.O.T.

plus 130 pCt stijgen. Intussen oefent de onoverzichtelijlce
situatie 4n Perzië een weinig gunstige invloed uit. Bevrach-
ters geven er de voorkeur aan de verdere ontwikkeling
af te wachten met het gevolg, dat de vraag aanmerkelijk

is ingekrompen en dat met een lager vrachtenpeil rekening

moet wordeii gehouden. Het is uiteraard niet mogelijk,
de verdere gang ilan zaken, die, op korte termijn althans,
goeddeels door het conflict tussen de Perzische Regering

en de Anglo Iranian 011 Company wordt beheerst, te
voorspellen. Op langer termijn blijven de vooruitzichten
voor de tankvaart, gezien het voortdurend stijgend ge-

bruik van petroleumproducten,
ongetwijfeld
gunstig. De

aanzienlijke uitbreiding, welke aan de wereldtankvloot
wordt gegeven, houdt met de toekomstige grotere behoefte
aan scheepsruinite rekening. Sedert het begin van dit
jaar toont de wereldtankvloot, exclusief de Ameri-

kaanse reservevloot – regeringstankschepn, die voor
rekening der Reg:ring gëxploiteerd worden en niet
voor particuliere doleind?n beschikbaar zijn -, een
toeneming van., rond 1,4 mln ton draagvermogen. Amerika’s aandeel bedroeg eind Juni 24,9 pCt, dat van Engeland 22,7 pCt van het totaal. Noorwegen,

weiks tankvloot gedurende het eerste halfjaar niet rond
600.000 ton draagvermogen vermeerderde, neemt met
15,7 pCt de derde plaats in. Opi Julijl: bedroeg het totale
draagvermogen der in de verschillende landen in aanbouw
zijnde tankschepen rond 8,6 mln ton. Engeland ging met
2.896.000 ton aan de spits, gevolgd door Noorwegen met
2 436.000 ton. Ook hier te lande hebben enkele rederijen,
welke tot dusver de tankvaart niet uitoefenden, sedert
het begin van het jaar opdrachten voor de bouw van tankers
2elaatst. Voor enkele dezer nog in aanbouw zijnde schepen

werd een langdurig timecharter afgesloten. Tegenover het

alleszins bevredigend peil, waarop de tankvrachten zich

bewegen, staan los van de aanzienlijke stijging der, bouw-
prijzen, de sterk verhoogde exploitatiekosten. Ofschoon
deze uiterâard niet in alle landen dezelfde iijn, zegt het
toçh wel iets, dat de kosten per dag van een tanker met

een draagvermogen van 16.000 ton onder Noorse vlag

tans met 4.500 kronor het vijfvoudige bedragen van die

van voor de oorlog. Sedert 1948 stegen de exploitatie-
kosten met 1.500 kronor per dag, terwijl de bouwprijsin Zweden voor een dergelijke tanker van
9,5
mln Noorse

kronor in 1948 tot 17
a
18 mln kronor is opgelopen. Des-

ondanks gaan de ervaren Noorse reders met hun vloot-

uitbreidingsprogramma door en indien de voortekenen
niet bedriegen, zal de toekomstige ontwikkeling de juist-
heid van dit beleid aantonen. Typerend voor de toekomst-

verwachtingen is de navolgende uitspraak van de heer

W. G. Weston, directeur der Angio-Saxon Petroleum
Conipany ter gelcgeiileid van- de jaarvergadering der

Baltic & International Maritime Conference, welke on-

langs te Stockholm werd gehouden: ,,In the tanker business,
as you know, we have been placing numerous orders for
new ships to be built in the next four years. We also have

heavy chartering commitments ahead. It is essential for
anybody in the tanker business to make his plans on a
long view, say up to 1970. 1f you decide- to build ships, you will want to see your way dear at least 20-25. years.
That is a generation ahead of you. It is these long term trends which have been illustrated which must give us

confidence to go ahead. The world is facing prospects
for some years, assuming potential demand could be
wholly realized, of shortage of raw materials and it is
also facing prospects of shortage of cargo shipping. 1 ani not the least afraid of being optiniistic in a gathering like
this as to the future development of tanker business, for
1f we can get sufficient ships built, we tan get freight on

a more reasonable and stable level and avoid unhealthy
boom conditions as at i5resent”. Een vertrouwenwekkend
en van werkelijkheidszin getuigend oordeel van deze bij
uitstek bevciegde deskundige op tankvaartgebied!

Rotterdam. –

.

C.
VERMEY.

Belasting – plus schatkistpapier of staatszelffinanciering?

Every refor,n was once a private opinion.
Emerson.

De behandeling der belastingontwerpen in de Tweede
Kamer geeft mij aanleiding de aandacht te vestigen op het-
geen door mij gesproken is in de Algemene Vergadering
van de Vereniging voor de Staathuishoudkunde van 25
November jj•
1)

De belastingontwerpen zijn een gevolg van de sterk
verhoogde defensie-uitgaven en van de noodzaalc het
budget en de betalingsbalans sluitend te maken. De moei-
lijkhederf hierbij ondervonden zijn groter dan anders het
geval zou zijn geweest door het slechter wdrden van de
ruilvoet, gevolg van de Korea-ramp.
Dat-de ontwerpen zoveel twistpunten opgeleverd hebben,
is daaraan te wijten, dat ons belastingstelsel niet de moge-
lijkheid biedt om door simpele aanpassingsmaatregelen
te voorzien in nieuwe middelen, wanneer de staatsuitgaven
verhoogd moeten worden ten gevolge van uitbreiding van
de staatstaak of door tegenslagen in de conjunctuur; voor
elke verhoging moet
gezocht
worden waar en hoe de nieuwe
middelen kunnen worden gevonden.

) Zie Verslag, blz. 49 vig.

Deze moeilijkheid is tot uitdrukking gekomen in de veel-

heid der ontwerpen en de tegenstand er tegen. De veelheid
is een uitvloeisel van het streven de lasten zo billijk mogelijk
te verdelen, -de tegenstand er tegen wordt veroorzaakt,
doordat naar het oordéel van de opponenten dit doel niet
bereikt is en de heffingen bovendien op tal van gronden
op zichzelf als ongewenst worden beschouwd.

Naarmate de samenleving binnen de landspalen meer samengesteld wordt en naarmate de internatioiiale con-
tacten toenemen en meer gecompliceerd worden, groeit de
staatstaak. Dat is onafwendbaar. En naarmate zij groeit,
groeien de staatsuitgaven. Dat is onontkoombaar. Maar het is onaanvaardbaar, dat het groeien van de staatstaak
en het stijgen der staatsuitgaven steeds opnieuw strijd met
zich brengt over de vraag hoe de middelen er voor te vinden,
dat er niet een systeem bestaat, waardoor de staatsuitgaven
blijvend op redelijke wijze over de burgerij worden ver-
deeld. De financiering der staatsuitgaven behoort zo te
zijn, dat de opbrengst der belastingen met het stijgen der
uitgaven op ongedwongen wijze gelijke tred kan houden.

612

ECONOMISCH-STATISTiSCHE BERICHTEN

15 Augustus 1951

Het loont de moeite na te gaan, waarom ons belasting-

“stelsel de gelegenheid daartoe niet biedt.
Wat in de eerste plaats daaraan in de weg staat is de

veelheid der belastingen, zonder organiek verband. Aan de
gestelde eis kan alleen worden voldaan, wanneer het be-

lastingstelsel werkelijk een stelsel is. Maar in tegenstelling

daarniede is het, zoals in alle Westerse landen, een lappen-

dekenvan heffingen, in de loop der tijden gegroeid. Doch

daarvan afgezien, er zijn nog verschillende andere oor-zaken aan te wijzen; waarom het stelsel faalt in wat hèt

eerste doel van elk belastingstelsel behoort te zijn: aan de Regering de middelen te verschaffen, nodig voor het ver-

vullen van de staatstaak. Een eerste grote moeilijkheid

wordt hierdoor. veroorzaakt:
Ons belastingstelsel maakt onderscheid tussen twee

groepen van contribuabelen: natuurlijke personen, -parti-

culieren, die voor hun niet-zakelijke uitgaven belast worden
naar het inkomen, en ,,zaken”, meestal rechtspersonen,

die belast worden naar de winst. Men kan het ook beschou-

wen als een splitsing tussen consumenten en producenten.
Deze discriminatie is van fiscaal standpunt uit bezien
ondoelmatig. Een verderé moeilijkheid is, dat bij beide

groepen van contribuabelen ook de basis, volgens welke
de belasting geheven wordt, ondoelmatig is en niet in over

eenstemming is met het algemeen belang. –
Wij leven in een geldmaatschappij en niemand, noch

het individu, noch een corporatie, noch de Staat, kan
iets beginnen, doorvoeren, onderhouden, voltooien, zonder

over geld te beschikken.
Het geld, waarvan het individu leeft, is zijn geldelijk

aandeel in de geldelijke opbrengst van de maatscj,appelijke
productie. Hij ontvangt het door goederen of diensten te

ruilen tegen geld, ze te verkopen, dan wel als rechtheb-
bende op arbeidsloze inkomsten. Het een zowel als het an-
der is alleen mogelijk ten gevolge van het bestaan van de

Staat en het geld; dat hij telkens in ontvangst neemt, kan
beschouwd worden als een maatstaf voor de mate, waarin

hij telkenmale van het bestaan van de geordende Staat

voordeel trekt. Het productie-apparaaf kunnen wij daarbij beschouwen
als het hart van de geldcirculatie. Het geld, dat er uit vloeit
in de vorm van lonen, salarissen, dividenden en andere

arbidsloze inkomsten, komt er weer in terug in de vorm
van de betalingen, gedaan door de trekkers dezer inkomsten
voor goederen, diensten, en investeringen. De inkomsten
van de consumenten tezamen zijn gelijk aan de inkomsten

van het productie-apparaat.
Gaan wij nu uit van de door de fiscus gemaakte splitsing
tussen personen en zaken en nemen wij, zoals wij zoëven

deden, de geldelijke inkomsten als maatstaf voor de voo-
delen, die consumenten en producenten van het bestiian
van de Staat trekken, dan zijn de voordelên, getrokken
door beide groepen even groot en zouden de groep der
particuliere ‘personen en de ,,zaken” gelijkelijk in de op-
brengst der belastingen moeten bijdragen. De verdeling
tussen de leden der groepen onderling blijft hier buiten

beschouwing. Wat is echter het geval?

Opbrengst der belastingen over 1948 en 1950.

1948
.
1950

in mln
in
inmln
in


guldens
pCt
guldens
pCt

2.032
88
2.744
86
persoonlijke belastingen

…………
zakelijke

belastingen

………….
272
12
444
14


2.304
100

‘1
3.188
100

De gewone contribuabelen betalen rond 87 pCt, de zaken
slechts rond 13 pCt van het totaal dezer belastingen. Ik
heb de conjunctuurbelastingen als éxceptioneel, en de rechtsverkeersbelastingen omdat zij moeilijk onder te

brengen zijn, buiten beschouwing gelaten.

Het aandeel dér zaken in de belastingeh te verhogen is

moeilijk, omdat de zakelijke belastingen worden geheven

over de winst of er rechtstreeks mee samen hangen, terwijl

het doel, waarmede zaken gedreven worden, het maken
van winst is. Daardoor is het verhogen van de bijdragen
der zaken aan detotale opbrengst der belastingén schade-

lijk voor het bedrijfsleijën: het gaat in tegen het winstmotief,

waarop het hedendaagse bedrijfsleven is gebaseerd. Hogere
belastingen op de winst tasten de welvaart aan. Wil men de

zaken meer laten bijdragen, ‘dan moet dat geschieden op

een andere basis, die niet in tegenspraak is met hèt winst-
motief.

Het heffen van belasting op de basis van de winst heeft

bovendien ten gevolge, dat de opbrengst der zakelijke be-

lastingen in hoge mate afhankelijk is van de conjunctuur.

Kan het aandeel van de particulieren, die in de vorm

van directe en indirecte belastingen gemiddeld 87 pCt van

de totale belastingopbrengst betalen, zonder grote rnoei-

lijkheden worden opgevoerd?

De splitsing van een volk in particulieren en zaken, dan

wel in consumenten en producenten, ontmoeten wij regel-

matig, maar in wezen is iedereen zowel consument als pro-
ducent of rêchtstreeks van een producent afhankelijk. Het

is voor een bepaald individu niet betrekking tot het betalen
van belasting maar de vraag, welke belangen bij hem over-

heersend zijn. Maar voor de meeste mensen is het toch
wel het meest belangrijk, hoe hij in zijn qualiteit van par-

ticulier belast wordt, dat wil in het algemeen genomen
zeggen, welk percentage van de staatsuitgaven door hem
rechtstreeks en welk percentage – door de zaken betaald
worden. Wat door de zaken betaald wordt, wordt wel is

waar ten slotte ook door hem betaald, op de een of andere

wijze doorberekend of doorwerkend in de prijzen, lonen,
salarissen, dividenden, enz., maar daarop heeft het leven
zich ingesteld en hebben lonen en salarissen en overige

inkomsten zich ingesteld. Wat door de particulieren recht-

streeks betaald wordt, moet echter betaald worden,
nadat

de lonen, salarissen en arbeidsloze inkomsten zijn ont-

vangen en
dat
wordt als druk gevoeld. Het steeds opvoeren
van belastingen op het inkomen verwekt daardoor zulke / spanningen, dat aan het opvoeren der tarieven pr.ktische.
grenzen zijn gesteld. Evenmin als de bedrijfswinst is het
inkomen een goed bruikbare basis voor belastingheffing.
Daarbij komt als fiscaal nadeel voor de Staat, dat de

inkomens van juist de zwaar belaste hogere inkomens-
trekkers sterk afhankelijk zijn van de winsten der onder-
nemingen, d.w.z. van de conjunctuur. Dat.is ook het geval

met sommige persoonlijk’e belastingen naâr de verteringen,
zoals de in- en uitvoerrechten. In hoe sterke mate de afhan-
kelijkheid van de conjunctuur kan doorwerken, moge
blijken uit de volgende cijfers.

Inkomsten van Nederlands-Indië in de jaren 1930 en 1933.

1930

1

1933

(in mln guldens)

1. Inkomsten en crisisbelsting
…………..
..
53,1

40,4
vennootschapsbelasting

………………
..
45,5

9,5

Invoerrecht
…………………………..
777

473
Uitvoerrecht

……………………….
..
8,8

2,3
Statistiekrecht

………………………
..
5,1

2,0

1. Totaal der belastingen in hoge mate afhanke-

lijk van de conjunctuur
………………
..190,2

101,5

11. Overige belastingontvangsten
…. ………
..
122,4

106,2

Sit. Uit landsbedrijven
……………………
..83,8

31,4

iv.
Andere middelen
……………………
..
30,6

17,2

427,0

256,3

Tn gevolge van de invloed van de conjunctui4r liepen
de staatsinkomsten van 1930 tot 1933 met 39 pCt terug.

Het is in de praktijk gebleken, dat het met ons belasting-
stelsel niet mogelijk is het budget blijvend in evenwicht te

brengen. Wanneer het al tijdelijk gelukt, dan wordt het.

15 Augustus 1951


ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

– 613

evenwicht verbrokn, zodra de staatsuitgaven door bijzon-

dere omstandigheden, zoals.dreigend oorlogsgevaar, hoger

of de inkomsten door teruglopende conjunctuur lager
worden. Dan faalt ons stelsel daarin te. voorzien. Het is

een gevolg van het zeer grote aantal verschillende belastin-

gen, ,’an de discriminatie tussen particulieren en zaken,

van het belasten van de zaken naar de behaalde winst en

van de particulieren naar het inkomen.

Dit is het financiële aspect van het systeem, nu het morele.

De belangen van de Overheid, in het bijzonder van hen,
die aan de top staan, behoeven niet samen te vallen met

de belangen van de geregeerden. Gedurende vele eeuwen is
dat ook daadwerkelijk niet het geval geweest. Maar demo-

cratie, regering van het volk door het olk, postuleert, dat
deze tegenstelling niet bestaat. Daarom echter moet in de

democratie het belastingstelsel zo ingericht zijn, dat het
geen tegenstellingen in het leven roept tussen Overheid en

burgerij. Maar dat is het wat ons belastingstelsl juist wel

doet.

Ons belastingstelsel plaatst in feite in belastingzaken
Regering en contribuabelen als antagonisten tegenover
elkaar. Deze configuratie bewerkt, dat er slechts zeer enke-
len zijn, die het nog als een morele plicht beschouwen naar

plicht en geweten belasting te betalen, 50 jaar geleden nog
een vrijwel algemeen ingenomen standpunt. Het stelsel

drijft er toe, dat de belastingplichtige tracht zo weinig
mogelijk te betalen en zo mogelijk de belasting te ontdui-
ken. De Overheid stelt zich daartegenover op het standpunt
er uit te halen, wat er uit te halen is, dikwijls op zeer weinig

fraaie
wijze.
Belasting heffen van de winst dwingt boven-
dien de Overheid er toe op alle mogelijke wijzen regelend
op te treden inzake de factoren, die de winst bepalen, op
een wijze, die beschouwd wordt als vrijheid beperkend en
die bovendien geacht wordt in strijd te zijn met gezonde
economische beginselen. Een en ander heeft met zich ge-
bracht, dat belastingontd ui king vaak niet meer als een
minderwaardige daad wordt aangemerkt.
Ons belastingstelsel werkt demoraliserend, juist op de
toonaangevende lagen van de maatschappij.

Ik heb de hoofdoorzaken aangegeven, waarom ons
belastingstelsel niet. kan voldoen aan de eis, die er aan

gesteld moet worden: onder alle omstandigheden aan de
Regering de middelen te verschaffen haar taak te vervullen.
Rest aan te geven hôe het kan. Het stelsel, dat het mogelijk
maakt, zal moeten voldoen aan de volgende eisen.

De grondslagen moeten zo gering in aantal zijn als

mogelijk.
Het stelsel moet niet discrimineren tussen particulieren

en zaken.


De grondslagen moeten zo gekozen zijn, dat de op-
brengsten onafhankelijk of zo goed als onafhankelijk

zijn van de conjunctuur.
Bedrijfswinsten mogen niet genomen worden als grond-
slag voor belastingheffing.
Het inkomen mag niet genomen worden als grondslag

voor belastingheffing.
Aanslag en invordering moeten zo geregeld zijn, dat
Overheid en contribuabelen niet als antagonisten tegen-
over elkaar geplaatst worden.

Aan deze eisen wordt voldaan door een systeem van

belastingheffing, dat ik
Staatszelffinanciering
heb genoemd.
Ik moet mij hier beperken tot een uiterst korte samenvat-

ting van het systeem
2).

In plaats van de tegenwoordige veelheid van belastingen
worden slechts twee belastingen geheven: het
eli,ninatie-

) Belangstellenden verwijs ik naar het reeds enoemdc
Verslag
en naar
mijn brochure
,,Doellreffende financiering der slaatsuilgaven” (v.
Stockurn,
Den 1-laag, 1947).

recht,
een uniforme, proportionele belasting, geheven van
elke
betaling in.den lande. gedaan, en daarnaast een pro-

gressieve
inkomensbelasling.
De volgende maatregelen
maken het mogelijk beide belastingen op eenvoudige wijze
te heffen.

Het bankpapier wordt afgeschaft, alleen pasmunt blijft

in omloQp. Iedereen is verplicht een rekening te hebben

bij de bank
zijner
keuze en alle betalingen, behalve die in

pasmunt, moeten geschieden door overboeking van .dé
ene rekening op de andére. De banksaldi zijn tot wettig
betaalmiddel verklaard en elke betaling moet, om in rechte
geldig te zijn, door overboeking zijn geschied.

‘Het eliminatierecht.

De inning van het eliminatierecht geschiedt door van
elke overboeking van de ontvanger een vast percentage

van het overgeboekte bedrag in te houden. He.t.pasmunt–

verkeer is zo geregeld, dat men in het dagelijks leven van

het overboekingssysteem vrijwel niets bemerkt. Van de
betalingen in pasmunt wordt het recht en bloc ingehouden
van de winkeliers, de verkeersmaatschappijen, enz.

Staatszelffinanciering.

Elke landsdienst of -instelling doet zijn betalingen door
de rekeningen van hen, aan wie zij betalingen te doen heb-

ben, voor het verschuldigde bedrag te crediteren. Deze
goedschrijvingen worden niet verricht ten laste van een
bepaalde rekening. Zij vertegenwoordigen zuivere géld-
creatie en worden uiteindelijk geboekt op een staatsrekening

Geldcreatie. Het op deze wijze door de staatsuitgaven in
omloop gebrachte geld wordt nu, voor zoveel nodig, door
het elimjnatierecht weer aan de omloop onttrokken. De
ingehouden bedragèn worden uiteindelijk overgeboekt naar

een taatsrekening Geldeliminatie. Wie betalingen te doen heeft aan een landsdienst of -instelling, doet dat door van
zijn rekening het bedrag te doen overschrijven op de be-

trokken landsrekening. Ook deze bedragen worden uit-
eindelijk geboekt op de staatsrekening Geldeliminatie.
Deze wijze van betalen en bestrijden der staatsuitgaven is –
een geheel andere dan de gangbare. ik noem haar
Staats-
zeiffinanciering:
de Staat financiert zijn uitgaven door het

er voor benodigde geld zelf, als het ware dag voor dag, te scheppen: En hij brengt de balans weer in evenwicht door
het geld door middel vn het eliminatierecht als het ware
dag ‘?oor dag weer uit de omloop terug te nemen. –
Het percentage der heffing wordt zo geregeld, dat aan
deze voorwaarde voldaan wordt, wat getoetst wôrdt aan
het prijsindexcijfer der kleinhandelsprijzen. Vertoont dit
een tendentie tot rijzen of dalen, dan wordt, indien ge-
wenst, het indexcijfer door het percentage te wijzigen weer
tot het oude niveau teruggebracht, d.w.z. de binnenlandse
koopkracht van het geld wordt er door gestabiliseerd; het
budget is permanent in evenwicht en het is niet meer nodig –
een gedeelte der uitgaven uit leningen (schatkistpapier)
te bestrijden.
De orde van grootte van het percentage zou onder de
tegenwoordige omstandigheden ca 2,7 zijn, waardoor zowel
de gewone als de kapitaalsuitgaven van Rijk, provincies
en gemeenten zouden zijn gedekt. Een verhoging van het budget met, zeggen wij f450 mln, zou een verhoging van
het perceitage van het recht met circa 0,2 pCt ten gevolge
hebben. Een en ander hier aan te tonen laat de plaats-
ruimte niet toe.

De inkomensbelasting.

Voor een volledige dekking der staatsuitgaven is geen
andere-belasting dan het eliminatierecht nodig en uit fiscaal
oogpunt zou het het eenvoudigste zijn zich tot het elimi-
natierécht te beperken. Het eliminatierecht sluit progressie
evenwel uit en daarmede de mogelijkheid om corrigerend
op te treden tegenover de uiterst ongelijke verdeling van

614

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

IS Augustus 1951

liet maatschappelijk inkomen. Het
is
daarom gewenst

naast het proportionele eliminatierecht een progressieve

inkomensbelasting te heffen. Dit kan; daar alle rekeningen

over de banken lopen, op dezelfde eenvoudige wijze ge-

schieden als bij het eliminatierecht: In beide gevallen wordt

belasting betaald zonder dat iemand ook maar één aangifte
heeft te doen, zonder dat er één aanslagbiljet wordt uitge-

reikt en zonder dat er één belastingambtenaar nodig is

om de aanslagen vast te stellen. Slechts zijn er voor de

inkomensbelasting ambtenaren nodig, die de uitvoering

controleren.
De inkomensbelasting heeft in het systeem haar eigen,

afgebakende taak. Het voordeel hiervan is, dat men bij

het vaststellen der tarieven nauwkeurig weet waarom het

gaat: het aanbrengen van correcties op de verdeling van
het nationale inkomen. Er bestaan geen
budgetaire
over-

wegingen meer, die er toe leiden de progressie tot in het

biiitensporige op te voerén

Voorhout.

H. PHILIPPI.

AANTEKENING

Het jaarverslag van de Javasche Bank

Het onlangs verschenen jaarverslag van De Javasche

Bank over het boekjaar 1950/51 bevat, naast de – ditmaal

wel zeer uitvoerige – gegevens omtrent het bedrijf der Bank zelve, een beschouwing over de in het kader der
Nederlands-Indonesische Unie gehouden ministerconfe-.

renties, een schets van de internationale economische ont-

wikkeling en een gedetailleerd overzicht van de econo-
mische ontwikkeling van Indonesië. In het onderstaande

zullen enkele ,,highlights” uit laatstgenoemd overzicht

worden weergegeven.
Monetaire ontwikkeling.

Als centraal probleem in het verslagjaar en tot op de

huidige dag moet worden beschouwd de onevenwichtig-heid van de binnenlandse monetaire situatie. De omvang
van dit probleem onderkennende, is reeds in begin 1950
een geldzuivering doorgevoerd om een uitgangspunt te
bereiken, dat voorshands de ergste uitwassen van de over-

matige geldcirculatie zou breidelen. Zonder deze geld-
zuivering zou een aan waarschijnlijkheid grenzende kans hebben bestaan, dat de prijsontwikkeling uit de hand zou
zijn gelopen, voordat-de nieuwe deviezenmaatregelen effect
konden sorteren. Wanneer derhalve geconstateerd moet

worden, dat het effect van de geldzuiverïng weer volledig werdingelopen, mag niet uit het oog’worden verloren, dat

zij een onmisbare grondslag vormde voor de te volgen
monetaire politiek. Het centrale monetaire probleem zal
tot een oplossing moeten komen, mede omdat daaraan
de betalingsbalanspositie in principe onafscheidelijk ver-

bonden is: een voortgezette inflatie moet de handhaving
van de in 1950 verbeterde positie van de betalingsbalans

bedreigen. Indonesië kan de calamiteit van een voort-
schrijdende inflatie tegenwerken door een hoofdzakelijk
in de begrotingssfeer vallende politiek, gericht op bewuste
afzwakking van de geldcreatie, gepaard gaandt met een
politiek van opvoering der productie, waarvoor ruime

mogelijkheden aanwezig zijn.
De positie van de-Indonesische gulden werd in Maart
1950 gesaneerd door middel van een gedwongen omzetting

van ca f1,6 mrd aan chartaal en giraal geld in een 3 pCt-
overheidsiening, waardoor de hoeveelheid geld, die te dien

tijde iets boven het peil per ultïmo Februari van bijna
f 4 mrd was gestegen, tot verantwoord te achten proporties
werd teruggebracht. Deze maatregel werd getroffen, enkele

dagen nadat de wisselkoers met de invoering van het

deviezencërtificatensysteem aan de werkelijke valutaver-

houdingen was aangepast. Deze beide maatregelen vormden

een basis, waarop een gezonde monetaire ontwikkeling
in Insonesië zou kunnen worden opgebouwd. De mone-

taire gevolgen van de prijsontwikkeling op de internationale
goederenmarkten zijn, naast het kastekort van de Overheid,

mede oorzaak geweest, dat de geidhoeveelheid gedurende

1950 in zodanig tempo toenam, dat reeds per ultimo

September het ten tijde der geldsanering bereikte niveau

wederom werd overschreden. Over geheel 1950 gemeten

vermeerderde de geldhoeveelheïd met omstreeks f 1.360

mln; zonder de geldzuivering zou de toeneming zelfs ca

f3 mrd hebben bedragen. De voornaamste oorzaak van
deze ongunstige ontwikkeling was het kastekort van de

Overheid, dat meer dan f2 mrd bedroeg; in vooTgaande
jaren was het tekort ongeveer f1,5 mrd lager. Daarnaast

speelden echter gedurende 1950 nog twee andere factoren

een rol. Enerzijds had de credietverlening van de banken

aan het bedrijfsleven in 1950 in tegenstelling tot andere
jaren een niet te verwaarlozen• geidvermeerderende in-

vloed; deze bedroeg bijna f400 mln. Anderzijds, nam de

circulatie toe met ca f650 mln onder invloed van het
goud- en valutabezit bij Deviezenfonds en banken.

Er bestaat een essentieel versc1il tussen de gevolgen,

welke de drie genoemde oorzaken der geldvermeerdering

voor de economie van Indonesië inhielden. De infiatoire ge-

volgen van devoor de opbouw van het nationale productie-
apparaat noodzakelijke credietverlening door banken aan

het bedrijfsleven waren niet te vermijden. De .aanwas in
de goud- en deviezenreserves betekende, dat voor Indonesië

essentiële goederen op ruimer schaal in het buitenland

konden worden besteld. Tegenover de infiatoire invloed

van het kastekort van de Overheid kunnen slechts weinig

bijdragen tot ‘s lands welvaart worden gesteld; de over

heidsuitgaven vonden in 1950 practisch geheel hun be-

steding in de niet-productieve sfeer.

De monetaire ontwikkeling gedurende 1950 doet de
vraag rijzen, welke gevolgen hieruit zullen voortvlotien.
Ter beoordeling van de doorbreking van het door middel

der geldzuivering nagestreefde evenwicht in de binnen-
landse sfeer dient in aanmerking te worden genomen, dat
het internationale niveau der groothandelsprijzen gedu-

rende 1950 met 15 â 20pCt toenam. Een verhoging van

het binnenlands prijsniveau van omstreeks 20 pCt boven
het peil van begin 1950 zou verantwoord kunnen worden
geacht. Indien hieruit wordt afgeleid, dat ook de geld-
hoeveelheid-niet een gelijk percentage mag toenemen, dan
zou het geldkwantum ongeveer f3 mrd mogen bedragen.
Per eind 1950 beliep dit kwantum vrijwel f5 mrd, zodat
er sprake lijkt te zijn van een infiatoir geldexcedent van

f2mrd.

Daarbij dient in aanmerking te worden genomen, dat
de vermeerdering van het deviezenbezit met ca f650 mln
tot de geldvèrmeerdering heeft bijgedragen. Hierin schuilt
een latente deflatoire invloed. Indien dit valutabezit wordt

gebruikt om in de particuliere sector betalingen naar het
buitenland te bewerkstelligen, zal hiervan een drievoudige
geldverkrappende werking uitgaan. Voor dat gedeelte der

deviezen, dat de Overheid gebruikt – en er moet op
gerekend worden, dat dit een aanmerkelijk deel zal zijn –

valt deze invloed weg.

Onder de invloed van het geldexcedent heeft zich een
binnenlandse inkomens- en prjsspiraal kunnen ontwikkelen,
in beweging gezet door krachtige looneisen der arbeiders-
organisaties. De opwaartse druk op het binnenlands prijs-
niveau, die daarvan uitging, werd in 1950 nog niet geremd
door een toeneming van de invoer. Voor het tot stilstand
brengen der spiraalbeweging zal de in Maart 1951 ingezette
vergroting van de invoer bevorderlijk kunnen zijn. Voorts
zal een matiging in de looneisen, die in 1950 de tendentie
hadden het nominale arbeidsinkomen snl1er op te voeren

15 Augustus 1951

,

ECONOMJSGH-STATISTISCHE BERICHTEN
615

dan het reële arbeidsinkomen, de bij deze
verhoudingen
bestaande discrepantie kunnen doen
verdwijnen.

In de toestand van latente inflatie
schuilt het
gevaar,
dat de overtollige geidhoeveelheid in beweging wordt gezet

door voortschrijdende geldscheppïng of zelfs door factoren
van
psychologische aard,
zoalswantrouwen of de monetaire
autoriteitener wel in zullen slagen een
verdergaande geld
schepping te verhinderen. Geeft het gevolgde beleid echter
aanleiding te
verwachten, dat naar een monetair evenwicht
ernstig wordt
gestreefd en dat derhalve enerzijds de geld-
schepping wordt teruggedrongen “en anderzijds de pro-
ductie wordt opgevoerd, dan kan de toestand van
latente
inflatie geleidelijk overgaan naar een
beter evenwicht.

,,De conclusie lijkt daarom gerechtvaardigd”, aldus het
verslag, ,,dat de
ontwikkeling in 1950 leidde tot labiele
verhoudingen. Het centrale monetaire probleem in 1951

is hoe deze verhoudingen te stabiliseren en tot consolidatie

te
brengen”.

Handelsbalans.

oor het eerst
sedert de oorlog vertoonde
de Indonesi-
sche handelsbalans in.1950 een voordelig saldo, nI, van
fl.215 mln, hetgeen, practisch uitsluitend een gevolg was
van
de internationale prijsontwikkeling. Vcgeleken met
1949, in welk jaar de
handelsbalans een
passief saldo op-
leverde
van f96
mln,
bedroeg de
waarde van de totale uitvoer ongeveer het dubbele bij een stijging der üitge-
voerde hoeveelheid met slechts 7 pCt. Ondanks het zeer

grote overschot, waarmce de handelsbalans in .1950 sloot,
was de rositie van deze balans zeer labiel. Nog geenszins
is
de toestand bereikt, waarbij er op mag worden gerekend,

dat bij de mate,
waarin de invoer thans is
vrijgegeven,
ook in de naaste toekomst een
voordelig saldo op de- han-
delsbalans zal optreden. Hiertoe is v66r alles vereist, dat
via opvoering der productie de geëxporteerde hoeveel-
heden
aanzienlijk toenemen. Slechts
op deze wijzé kan een
S

TABEL 1.

duurzame basis voor een actieve handelsbalans worden
gevormd.
Wat
de
in-
en
uitvoer afzonderlijk betreft zij vermeld,
dat de waarde van de eerste in het afgelopen jaar iets
geringer was dan in 1949; exclusief de invoer voor rekening

der aardoliemaatschappijen is de waarde iets hoger dan
in 1949. Hieruit volgt reeds oi grond van het gedurende
1950 gestegen wereldprijsniveau, dat de invoer naar hoe-

veelheidin ruime mate bij die van 1949 ten achter is ge-•

bleven. Deze daling is te constateren bij alle in tabel 1
vermelde invoeriategorieën, doch is verhoudingsgewijs het
sterkst bij de, kapitaalgoederen.

Uit èen verdeling
aii
de invoerwaarde naar landen blijkt,
dât het aandeel van Azië in de Indonesische invoer sterk
is toegenomen ten koste van Europa en Amerika, met name

ten koste van de Verenigde Staten, Nederland en h&t Ver-
enigd Koninkrijk. In hoeverre deze ontwikkeling een tijde-
lijk karakter draagt, dient te worden afgewacht.

De samenstelling van de uitvoer valt af te lezen uit
tabel 11, waarin onderscheid is gemaakt tussen de pro-

ducten, die zijn voortgebracht door Westers ondernemen
en die van de bvolkingslandbouw. Uit de cijfers, die het
gewicht van de uitvoer aangeven, komt duidelijk naar voren,
hoeveel er nog aan het herstel van de export ontbreekt.

De uitonderljkc rub6eropbrengsten veroorzaakte in
1950 een aanzienlijke verschuiving in de verdeling van de

uitvoer naar gebieden. Hoofdzakeljlc ten gevolge van de
‘1
omstandigheid, dat de export van bevolkingsrubber gro-
tendeels naar Singapore plaatsvond, was deze haven in
1950 niet 33 pCt van de totale waarde de grootste afn&mer
.

van Indonesië’s exportproducten. De stijging van Singa-pore’s aandeel geschiedde ten koste van dat van Europa,’

m.n. van Nederland; het Nederlandse aandeel daalde van
33.pCt in 1949 tot 24 pCt in 1950. Het aandeel der Ver-
enigde Staten handhaafde zich op ca 15 pCt.

In voer van indonesië.

Bruto-gewicht in,1.000 tonnen

1948

1949

366,6

546,2

1.414,2

2.284,8

143,1

201,1

1.923,9

,

3.032,1

1938

Totale invoer
Consumptiegoederen …………………..779,2
Grond- en hulpstoffen ………………..

.
..1.056,9
Kapitaalgoederen

…………………….
..160,7

1.996,8

invoer, cxci. die van aardoiiemaatschappjjen
Consumptiegoederen ………………….

..751,7

340,1
..
Grond- en hulpstoffen …………………914,6

319,2
Kapitaalgoederen

………….
.
……….

..160,7

6
3, 5

1.827,0

722,8

Waarde in millioenen guldens

1950

193,8

1948

1

1949

1
,

1950

481,3

1

206,7

535,6

696,8

660,9

1.980,2

154,4

367,4

499,0

619,5

89,0

88,5

228,4

371,8

246,4

2.550,5

449,6

1.131,4

1.567,6

1.526,8

505,1

454,4

205,6

502,5

652,1

621,8

513,8

478,5

147,7

252,3

361,0

480,8

127,3

65,6

88,5

123,6

271,6

1

199,9

1.146,

1

998,5

fi

441,8

1

878,4

J

1.284,7

1

1.302,5

TABEL Ii.
Uitvoer uit Indonesië


Gewicht in duizenden tonnen netto
11

Waarde in millioenen guldens, inclusief opbrengst
der geheven
uitvoerrechten

1950

mi’
1950
in
1938 1947 1948 1949
1950
pCtvan’
1938 1947

1948
1949
1950
pCtvan
1938
1938

Producten, hoofdzakelijk afkomstig uit Westers


8.725,4-
934,5
4.625,1
6.900,5 6.886,9
78,9
473,0
168,9
640,9
1.011,4
,3
282,7
Idem, cxci. aardolie en -producten

……….2.658,0
162,7
775,6
1.2083
992,4
37,3
309,6
1067
380,9
99,l
798,6
~.337
257,9
ondernemen

………………………

Producten,

hoofdzakelijk gewonnen door dc
Indonesische

bevolking

…………….
1.8,
494,5
658,2
1.104,4
611
1826
159,1
368,6
4215
.3369
7321
Overige

producten

……………………
461,0
25,9 65,7
90,2
209,5
45,5
31,4
11,2
30,9
44,8
67,5
214,8

Totale Indonesische export ‘)’3

………….
10.994,4
1.213,9
5.185,3
7.648,9

8.200,8
74,6
687,1
.339,2

1.040,4 1.477,6
2.741,7

399,1

Idem cxci. aardolie en -producten

……..
4.927,0

.

442,2
1.335,8
1.956,6

2.306,3
46,8
523,7
277,0

780,4
1.065,4
2.263,1

4207

)
Bruto-gewicht.

.
‘) Cxci. postpakketten, passagiersgoederen, goederen voor scheepsgebruik, goud en Zilver.
‘) Op giond van tijzondere arrangementen met de aardoliemaalschappijen heeft Indonesië bij de uitvoer
van aardolie

en

aardolieproducten
thans

deviezen-
rechtelijk geen belang.

616 –

ECONOMISCH-STA TISTISCHE BERICHTEN

15 Augustus 1951

Betalingsbalans.

De lopende rekening van de betalingsbalans, die in 1949
een tekort te zien gaf van iets meet dan f 800 mln, wijst

voor 1950 eèn overschot aan van f528 mln. Deze zeer

opvallende vérschuiving is voornamelijk het gevolg van.de

actief geworden handelsbalans; bij het dienstenverkeer en
de kapitaalopbrengsten bleef de uit de economische struc-

tuur van Indonesië volgende deficitaire positie gehand-

haafd. Desondanks is ook hier een vooruitgang te con-

stateren. In 1949 belastte het dienstenverkeer de betalings-

balans netto met f448 mln; in 1950 met f302 mln. Deze

daling wordt voor een groot deel verklaard doordat In-

donesië in 1950 van Nederland deviezen ontving voor de
afwikkeling van- het na de souvereiniteitsoverdracht nog

aanwezige Nederlandse en Nederlands-Indische leger.
Overigens moet deze teruggang ongetwijfeld worden ge-

zien als een gevolg van de in 1950 tot stand gekomen

meer reële wisselkoersen, welke het minder attractief deden

zijn zo veel en zo snel mogelijk deviezen naar het buiten-

land over te maken. Laatstvermelde oorzaak verklaart

ook de daling bij de kapitaalopbrengsten; de passiviteit
bedroeg f91 mln, tegen fl37 mln in 1949.
In verhouding tot de lopende rekening waren de

rekeningen betreffende het particulier kapitaal en het

overheidskapitaal van slechts geringe betekënis. De par-

ticuliere investeringen waren in het verslagjaar bijzonder

gering en ook de afvloeiing van kapitaal .uit Indo-
nesië was kleiner dan in ‘1949. Daarentegen vloeiden

de ontvangsten uit hoofde van in het buitenland
afgestoten Indonesische activa ruimer als gevolg van

de verkoop door institutionele beleggers van activa in

Nederland; deze afstoting ving de gevolgen voor deze

beleggers op van de geldsanering, welke tot een geringere
liquidïteit leidde. Onder invloed van de mutaties op de drie
genoemde rekeningen vertoonde het Indonesische betalings-

verkeer reeds een overschot van f492 mln. Voorts ontving

het land in 1950 nog dollars uit hoofde van de afwikkeling
van de uit vorige jaren stammende Marshall-hulp, waar-

door het totale valuta-overschot in 1950 steeg tot f655

mln. Voor het eerst na de oorlog was Indonesië in staat
zijn buitenlandse betalingsverplichtingen uit eigen inkom-

sten te dekken, hetgeen in het
bijzonder
in het verkeer
met Nederland een belangrijke wijziging betekende.

Productie.

De ontwikkeling van de productie in Indonesië, die in

het verslag zeer gedetailleerd wordt beschreven, kan

wellicht het best worden gekarakteriseerd door de gegevens

in tabel IV. In deze tabel wordt nI. een overzicht’ gegeven

van be totale omvang der door productiederving in de

ondernemingslandbouw geleden verliezen. Hiertoe werd

de werkelijke producti in 1950 vergeleken met de hoeveel-
heden, die in dat jaar geproduceerd hadden kunnen worden

op de in exploitatie zijnde ondernemingen. Bij de vast-

stelling van de potentiële productie is van de veronder-

stelling uitgegaan, dat de veiligheidstoestand dusdanig zou

zijn geweest, dat het gehele productieve areaal in productie

had kunnen worden genomen en dat er voldoende arbeid

beschikbaar zou zijn geweest om het productieve areaal het volle rendement te doen opleveren.

Het totale verlies is in de tabel onderverdeeld in drie

categorieën:

de verschillen tussen de potëntiële productie en de

oogstramingn bij de aanvang van 1950. In deze verschillen
zijn dus, niet nader te ontleden, verliezen begrepen, die

o.a. zijn ontstaan door op grond van vorige ervaringen

reeds voorziene lagere arbeidsprestaties, onmogelijkheid
van grondinhuur, tekorten aan arbeiders, onveiligheid

van bepaalde gedeelten der aanplanten, lagere rendementen,
gebrek aan transportmiddelen enz.;


rechtstreekse verliezen ten gevolge van stakingen en

andere arbeidsmoeilijkheden;

verliezen door diefstal, vernieling, eriz.
Bij de beschouwing dezer verliezen dient te worden be-

dacht, dat slechts tot uitdrukking is gebracht het in geld

waardeerbare verlies ten gevolge van productiedervingen
in 1950. Daarnaast dient er evenwel rekening mee te worden

gehouden, dat de invloed van de in 1950 opgetreden fac-toren zich nog vele jaren in de vorm van vertraging in de

uitvoering der rehabilïtatieplannen, lagere arbeidspro-
ductiviteit en lagere rendementen van de aanplanten als

TABEL III.

Betalingsbalans; lopende rekening
1)

(in mij/benen guldens)

1949
1950
1949

1950

.
i
06
.

k
°
°Z°
1-‘
to
4

Z to
iS
50
Z
5
s
1-‘

Goederenexport f.o.b. excl. leve-
.
487
325
503 1.315
536
449
364
1.349
ring van ,,atrategic materials”
284 214
564
1.062
634
646
919
2.199
Dienstenverkeer
…………..
47
429
485
21
45
353
419
13
8
16
37

117
117
Kapitaalopbrengsten
7
5
125 137
8 5
80
93
KapitaalQpbrengsten



1

1
2

Goederenimport c.i.f
……….

Dien
s
tenverkeer

…………..

Mutaties in valutagroepen
. . .
13
117
-130

173
-37
-136

.9

48 30

44
34 79
62

70
71

Onverklaard

……………..
Tekort lopende rekening
…….
.
45
8
651
804

– –

Overschot lopende rekening


– –
322
172
34
528

5031
377
1
1
.
057
1
1
.
93
71
8871 6711

83112.389
1

5031
3
7
71
1
.
057
1
1
.9
37
1
8871 6711
83112.369
1)
De in- en uitvoer der oliemaatschappijen is iii deze opstelling niet verwerkt.

TABEL IV
Verliezen door productieder ving in de
ondernemingsiandbouw gedurende
1950.

}1oeveelheid in duizenden
tonnen

.
Totaal verlies in
millioenen guldens

Producten
Potentiële Werkelijke
Verliezen
Deviezen-
Binnenlandse

«
productie
productie waarde
waarde
ad 1
ad2I

ad 3

1
Totaal

707
277
347
5
78
430
194
53

325
177 100 23
25
148
333
999
Thee
5)
23
13
4

.17
51
1
13

Suiker

…………………….

ffi
11
2
2 3
7
28
84

Rubber

…………………..
.40

210
126
60
24

84
84
252
Koe

……………………..
18
Palmolie

……………………
52
31 15
6

21 12
36
Palmpilten

…………………
Tabak

‘)

…………………..
26
7
15
2
2
19
169
507

Totaal

…………………
1.378

652

552
66

108
1

726
871
1

2.613

‘) EscI. opkoopblad.

15 Augustus 1951

ECONOMiScH-STA TISTISCHE BERICHTEN

617

gevolg vn verwaarlozing en onvoldoende onderhoud

zal doen gevoelen.

,,Helaas moet worden geconstateerd”, zegt het verslag,
,,dat de vooruitzichtën voor het lopende jaar voorshands
weinig rooskleurig zijn, aangezien op het moment van

schrijven van dit verslag in de veiligheidstoestand nog geen

doorslaggevende verbetering valt waar te nemen, het

werkkrachtenprobleem op Sumatra’s Oostkust nog onver-

minderd bestaat, de grondproblemen geen of een econo-

misch nauwelijks verantwoorde oplossing hebben gevon-
den en tenslotte de stakingen in Januari erL Februari ji.
reeds substantiële productiedervingen hebben veroorzaakt”.

GELD- EN KAPITAALMARKT

De geldmarkt.

De geidmarkt. was gedurende de verslagweek zeer ruim.
De marktdisconto’s daalden t.o,v. de vorige week met over

het algemeen
1
/16 pCt. Eén t/m viermaandspapier noteede

1
5
/
16
â 1/ pCt, Januari t/m Meipapier pCt en
Juni/Juli 1/
16
-4
pCt. CaIl bleef op 1 pCt gehandhaafd.
De hoeveelheid schatkistpapier, die in Augustus ver-
valt (ca f400 mln), is aanmerkelijk groter dan die in Juli
(ca 1250 mln). Dit tezamen met de’omvang van de hoeveel-

heid uitstaand callgeld maakt, dat slechts plotselinge grote
verschuivingen de ruime grondtendentie van de geld-
markt zouden kunnen verstoren.

De kapitaalmarkt.-

De
stabiliteit, welke de aandelenmarit de laatste tijd

kenmerkt, werd gedurende de verslagweek niet verbroken.
Het koersniveau voor Indonesische fondsen echter zette
de langzame daling, die het nu reeds enige weken onder-
gaat, voort. Het geringe vertrouwen in de politieke en
economische situatie daar te lande weerspiegelt zich in een
hoge risicofactor, die in de koersen dezer fondsen wordt

verdisconteerd. /
Het.agio van de koersen te Amsterdam van certificaten
van Amerikaanse aandelen boven de noteringen te New
York bedroeg ca 15 â 16 pCt. De laatste maanden is dit
agio relatief hoog doordat Philips, met toestemming van
de Overheid deze fondsen opkoopt, laat royeren en te New-York verkoopt, teneinde met de aldus verkregen
dollars investeringen in het buitenland te kunnen finan-
cieren.
De obligatiekoersen vertonen de laatste weken een ver-
dere geringe afbrokkeling. Publieke emissies van gemeen-
ten e.d. bieden voorlopig weinig kans op succes, sinds
enige proefprojecten zijn mislukt. Wel blijken thans enkele
gemeenten er in te zijn geslaagd op de voorwaarden van
het rentegamma geld te verkrijgen in de vorm van een
onderhandse lening, wellicht bij bevriende relaties. Met
dit geld kan dan de subsidiëring van de woningbouw
worden voortgezet.

3 Aug. 10 Aug.

1951

, 1951
Aand. indexcijfers
Algemëen

………………
143,8

143,5

Indust.rie

………. . …….

207,5

207,5
Scheepvaart
……………..
161,7

161,5
Banken
………………….
117,1

117,2
Indon. aandelen
………….
46,6

46,1

Aandelen.
A.K.0 . ………………….

173

167 ex d.
Philips
…………………..
Ï65

167

Unilever

………………..
227’/

228
3
/
4

H.A.L . ………………….

167

169/
4

Amsterdam Rubber
………..
l02/

97
H.V.A:

…………………
115

lll’/
Kon. Petroleum
………….
288/
4

‘ 286/

3 Aug. 10 Aug.

1951

1951

Staatsobligaties.

24pct N.W.S.

…………….
7l/
1015/
16

3-34pCt 1947

………….
87’/
8

87
3
/
16

3 pCt Jnvest.

certif.

………..
89/
897/16

34 pCt

1951

…………….
93
13/16

3 pCt Dollarlening
………….
97
1
/4
97
9
/
16

J.C.B.

DE BELGISCHE GELD- EN

KAPITAALMARKT IN JULI 1951

Geldmarkt.

De tendentie naar verruiming van de geidmarkt werd in
Juli verstoord door de overdracht van fondsen in verband
met de vervaldag van 15 Juli voor de vooruitbetaling van
belastingen. De invloed van die vooruitbetaling op de geld-

markt was nochtans aanzienlijk geringer dan in Maart jI.

(zie ,,E.-S.B.” van 25 April 1951, blz. 325), eensdeels in-
gevolge het feit, dat de vervaldag niet meer samenviel
met de trimestriële vervaldag en anderdeels ingevolge het feit, dat een groot deel van de betalingen blijken geschied

te zijn door overschrijving van tegoeden op de post-
chequerekening, hetgeen begrijpelijkerwijze minder de
geldmarkt verstoort dan overschrijvingen van tegoeden op
bankrekening. Op de daggeldmarkt werd dan ook enkel
een eerder geringe daling van het aanbod waargenomen.

De vraag naar herdisconto vanwege de banken blijkt nog
altijd de vraag naar papier vanwege de herdisconto-in-
stellingen te overtreffen. De portefeuille handelspapier van

de Nationale Bank blijft dientengevolge op een hôog peil,
alhoewel .sedert April een lichte daling kan worden waar-
genomen.

1.
C’redietverlening van de banken aan deprivate economie.

(in millioenen franken)

1 Herdisconto van
Portefeuille
Totale credietver-
1
de banken bij de
handelspapier
lening der private
1

Nationale Bank
van de
banken (accepten
en de parastale
Nationale Bank
inbegrepen)
instellingen

Dec.
1948
4.168
5.171
23.117
Dec.
1949
3.339
4.006
24.506
Juni
1950
3.696 –

4.082
26.582
Dec.
1950
8.543
10.110
27.739
Maart 1951
8.781
10.567
29.592
Juni
1951
8.143 ‘)
9.511
29.302
1)

0-Einde Mei 1951.

Ingevolge de verlaging van de officiële discontovoet van
de Nationale Bank besliste liet H.W.I. om met ingang van
10 Juli de door de Nationale Bank geviseerde bankaccepten
met hoogstens 120 dagen looptijd te disconteren tegen

2/ (voorheen 2/
4
pCt) en de geviseerde handelsaccepten

tegen 2/
4
pCt (voorheen 2/ pCt).
De bankdeposito’s blijven verder tamelijk stabiel. De
credietvraag blijft hoog, alhoeel in enkele sectoren de
verlaging van de voorraden een hogere liquiditeit tot gevolg

heeft.
De Bankcommissie publiceerde haar jaarverslag over
1950. Dit dcument is belangrijk voor de interpretatie
van de bankwetgeving, de evolutie van de credietpolitiek en de statistieken over het bankwezen en de uitgiften van
aandelen en obligaties.
Op de vrije goud- en deviezenmarkt te Brussel stegen de

gouden stukken terug ietwat in koers, nadat gedurende
het eerste semester ingevolge een gunstiger interpretatie
van de internationale toestand een tamelijk scherpe daling
werd genoteerd. De toeristendeviezen (D.M., Fr. fr., gulden
en in zekere mate het pond sterling) werden verder zeer
gevraagd, terwijl ook de koersen van de dollar en de Zw.

• ”””

.

‘:

r
””

618

ECONOMISCH-STA TJSTISdHE BERIcIITËÏV

15
Augustus 1951

II

Toestqnd van de ‘Belgischd banken

(in’millioenen franken)

Einde
Maart
ÎÏF’
1950
1951

,

1951

Actief
Kas, Nationale Bank, P.0

2.853
2.907
2.455
Daggeld, banken, holdings

6.524
6.340
6.084
Credieten aan private economie

27.739
29.592.
29.302
7.584
7.123
prolongatiea en voorschotten op
735
725
diverse debiteuren

13.996
13.905
14.500
7.368

6.954
Credieten aan de Overheid

34.856 36.272
35.68!
29.801
29.216
genoteerde staatsfondsen

. . .

6.516
6.471
,
6.465
1.211
1.220

handeiswissels

…………………
6.845

.

81.572
80.017

effecten

……………………..
764

Portef. van de N.B. en de paraat.

accepten

……………………..
6.134

instelt, aan papier door banken

speciaal

papier

……………….
28.340

8.781
8.143

Vastgelegde middelen

……………..
1.215
Totaal

actief

…………………..
78.085

Passief
Deposito’s en crediteuren
……
53.57!
•.
54.979
53.977

geherdisconteerd

………………
8.543

49.510 48.624
5.469
5.353
zicht

…………………….
47.693
op meer dan 30 dagen

………
5.878
Obligaties en kasbons

……..
27-2

307
331
Eigen

middelen

……………….
5.064
5.100
5.41 t

fr. stegen als gevolg vai de verscherping van de
Belgische

wisselreglementering(zie ,,E.-S.B.”van
20 Juni
1951, blz.

469).

Noteringen op de goud- en deviezendiarkt
te
B?ussel.
(middenkoers in frankon).

,
Maart
195
1

Juni
1951
Juli”
1951

Niet officiële markt.’
Goud (per gram)
73,50
70
1
/,
71
3
/
8

,

680,41
635/
8

6451,
Gouden

pond

……………
Officiële biljettenmarkt
Papieren

pond

………….
131,50
138
137
13.625
14.425
14.275
Zwitserse frank
… ………..
12,35 12,30 12,30

Franse

frank

…………….

53,375
53,-
53,25
Papieren

dollar

…………
..
12,30

.

13,18’/
4

13,20
Gulden

………………..

..
Duitse

mark

…. . ………..
.9,75
11.825 11,50

Kapitaalmarkt.

.

De verlaging van de discontovoet met
1/4
pCt, die door

de Nationale Bank met ingang van
5
Juli .werd ingevoerd,

stelde op de obligatiemarkt een einde aan de sedert Juni

1950 ingetreden dalende tendentie. Eens te meer kon
aldus de sterke invloed van een wijziging in de disconto-
politiek op de obligatiemarkt worden waargenomen. Die
invloed blijkt vooral te worden gedetermineerd door het

feit, dat het .beurspubliek ingevolge de
wijziging
in de dis-

contopolitiek er meer en meer van overtuigd geraakt, dat
een definitieve ommekeer in de evolutie van de algemene
rentestand is ingetreden of in de naaste toekomst zal in-.

treden.
De geruchten doen nu ook meer en meer de ronde, dat,

de verlaging van de discontovoet niet alleen dient te worden
in verband gebracht met het algemeen conjunctuurverloop,

maar dat in het najaar een nieuwe staatslening ter finan-

ciering van de buitengewone begroting zal worden uitge-geven en dat de verlaging van de discontovoet eveneens,

zoniet hoofdzakelijk, bedoeld is als een bijdrage tot een

voorbereiding van de markt.
De inschrijvingen op de nieuwe uitgiften van obligaties
van een stad en een intercommunale instelling voor water-
distributie vorderden eerder traag ter wille van de vacantie-
periode. Voor de maand Septeniber wordt een nieuwe

4,5 pCt stadsiening aangekondigd. De uitgiftevoorwaarden
zijn dezelfde als van de jongst uitgegeven stadslening en
parastatale leningen, nI. uitgifteprijs: 97 pCt en terug-

betalingsprijs: 102 pCt na
5
jaar en 105 pCt na 10 jaar.

De markt voor uitstaande leningen kende sedert 5 Juli
een uitgesproken stijgende tendentie. Vooral de noteringen
van de schatkistcertificaten, die overigens sedert Juni 1950
veruit het sterkst waren teruggelopen, stegen in aan-

zienlijke mate.
Op de aandelenmarkt kwam in de ‘loop van Juli een

ietwat onverwachte stijging’ van de bedrijvigheid voor.

Rentestand op de obligatieniarkt.
(in pCt per einde maand) ‘)

Jum

Juni

Juli

,Looptijd

1950

1951

1951

Staatsobligaties , .. . langlopende

4,38

‘ 4,68

4,66
Schatkistcertilicaten

8 è 9 i

4,63

5,24

5,03
Kasbons stden
….

5 â 6 J:

4,49

5,37

5,4!’
Kasbons parast.inst.

es 9 j.

5,41

.
‘5,36
ndustr. obtig

….

10 â 12 j.

5,43

6,08

5,09

‘) ReSle rendemenlen. Er werd rekening gehouden met het verschil tussen
de huidige notering en de terugbatalingsprijs.

‘De dage1ijkse omzet steeg in de tweede helft van de maand

tot 75 A 80 mln fr. als wanneer in Juni enkel een gemid-
delde omzet van 51
,
mln fr. per dag wèrd genoteerd. Ook
het gemiddeld koerspeil ging de, hoogte in en wel met

3,5 pCt in vergelijking met einde Juni. Vooral de aandelen

van de eletriciteitsbedrijven en de scheikundige bedrijven

(gunstige winstverwachtingen), van de steenkolenmijnen

(gunstige winstverwachtingen en betere appreciatie van de

eventuele gevolgen van het Schuman-plan) stegen in koers.

Ook het uitblijven van een wet op de uitzonderlijke winst-

belasting en de verdere publicatie van zeer goede dividenden
over het afgelopen boekjaar blijken tot de verbetering van

het beursklimaat te hebben bijgedragen.

De koersen van de textielaandelen liepen daarentegen’
nog verder terug. Ook de hausse van de koloniale aandelen
blijkt gestopt.

Koerspeil op ‘de aandelenbeurs te Brussel.
Indices per einde ‘i,iaand (1936-38 = 100)

Dec.

Maart

Juni

Juli

,

1950

1951

1951

1951

Industriële aandelen
172

194

190

198

Openbare nutsbedrijven ………….146

168

til

183
Koloniale sandelsn

325

350

349

351
Gemiddelde van all:’ genot, aandelen’

188

209

206

‘ 21

Het gemiddeld rendement van de aandelen, berekend op
basisvan de koersen per inde Juni 1951′ en de laatst ge-
publiceerde dividenduitkeringen, bedroeg op einde Juni

4,03 pCt. Voor de belangrijkste rubrieken van de note-

ringslijst zag dit rendemnt er uit als volgt: banken 5,6 pCt,

electriciteit 4,9 pCt,. metaalnijverheid 4,2 pCt, chemische
nijverheid 3 pCt, steenkolenmijnen 4,8 pCt, bouwnijver-
heid 3,4 pCt, textielnijverheid 4,2 pCt, koloniale aandelen
3 pCt.

Brussel.

V. VAN ROMPUY.

STATISTIEKEN,

DE NEDERLANDSCHE BANK.

(Voornaamste posten in duizenden guldens)

C=.0UO
‘0

e e

OeC
V__’0
oz
o’_C
.-ii0
=>,
0

OOo
o
‘E’d’a

E
0
0

u
g
oono

as
>050.0
o

o-
>

>0
> .0

9 Juli’51
1.193.824
776.861
2.935
264.671
197.270
16
Juli

’51
1,193.948
657.710 2.488

,
280.822
199.565
23

Juli

’51
1.194.091
675.920
3.205
273.432
204.884
30
Juli

’51
1.194.201
737.561
3.582 278.501.. 207.405
6 Aug.

51
1.194.358
764.430
3.829
295.531
206.389
13 Aug. ’51
1.194.464
814,197
3.178

288.219 211.266


Saldi in rekening courant
20.


e
g0

aZ.o
-u
rI-

ao.o
,

16
Juli
2.741.804
2,247.559

1.547.690′
290.408.
I
110.859
23

Juli
..
……
… ….
.2.744.375
2.256.351
2.619 1.547.690
326.444
110.372
30
Juli

….
2.806.139
2.302.864

1.626,086
361.326
113.376
6 Aug.
’51….
2.771.884
.
2.378.4101
12.403.329117.120
27.580
1.626.086
404,250
113.593
13 Aug.
’51….
2.743,048
11.6260861
430.632
184.783

15 Augustus 1951

.

ECONOMIScH-STA TISTISc’HE BERICHTEN

619

RECENTE ECQNOMISCHE

PUBLICATIES

Vereniging voor• de staat huishoudkunde.
Verslag van de

Algemene Vergadering, gehouden te Utrecht op

Zaterdag 25 November 1950. Bespreking van de

prae-adviezen van Prof. Dr J. F. ten Doesschate,
Mr Dr E. Tekenbroek, Prof. Dr H. J. Witteveen over:

,,Het vraagstuk der kapitaalschaarste in Nederland,
meer in het bijzonder de schaarste aan risicodragend
kapitaal”. N.V. Martinus Nijhoff, Lange Voorhout 9,
‘s-Gravenhage 1951, 144 blz., f6,30.

Belastingdruk in Nederland 1950.
C.B.S. W. de Haan N.V.,
Utrecht 1951, 80 blz., f4,50.

Efficiency in de praktijk,
door J. van de Kieft. Schuyt N.V.,

Baarn 1951, 260 blz.,
f18,75.

Het bankwezen in Indonesië
sedert het uitbreken van de

tweede wereldoorlog, door Dr C. F. Scheffer. Noord-

hoif-Kolif N.V. 1951, Djakarta, 204 blz., f7,10.
De sbciale verzekerings wetgeving in Nederland,
door A.

Remijn. Wolters, Groningen
1951,
140 blz., f4,25.
Opvattingen omtrent personeelsbeheer.
Een onderzoek bij
de leiding van een aantal bedrijven en instellingen,

door M. C. J. Scheffer. J. B. Wolters, Groningen
1951, 64 blz., f2,10.
Correlatieberekening als hulpmiddel
‘bij
bedrjjfs-economi-
sche analyses,
door H. A. A. de Melverda. J. Muusses,
Purnierend. Overdruk uit het Maandblad voor

Accountancy en Bedrijfshuishoudkunde, jaargang
1950, 56 blz., f2.
Het ontwerp onteigeningswet.
Uit het rapport der Staats-
commissie tot herziening van de Woningwet, ingesteld
bij K.B., van 14 Februari 1947. Inleiding door Mr A.
F. Visser van IJzendoorn met debatten, op 26 Mei
1951 gehouden in een vergadering van belangheb-
benden, bijeengeroepen door de Vakgroep Onroe-
rende Zaken. ‘s-Gravenhage 1951, 43 blz.

Budgetary structure and classification
of
government ac-
counts.
United Nations PubI. sales no 1951. XVI. 3.,
100 blz., U.S.$ 0,75;
51-
stg; 3,00 Swiss frs. N.V.

Martinus Nijhoif, Lange Voorhout 9, ‘s-Gravenhage.
Measures for the economie development of under-developed
countries.
United Nations Publ. sales no
1951.
ll.B.2,
108 blz., U.S.$
0,75; 51-
stg; 3.00 Swiss frs. N.V.

Martinus Nijhoif, Lange Voorhout 9, ‘s-Gravenhage.

Ter gelegenheid van het )UIIe congres van de Inter-

nationale Kamer van Koophandel, dat medio Juni
j.l. in Lissabon werd gehouden, zijn een veertiental
brochures verschenen:
Governmental guaranties to investors.
No 145, Maart 1951′.
Unilateral relief from double taxation.
No 146, Maart 1951.
International postal service: 1. C. C. recommendations con-

cerning the revision
of
the Universal Postal Con vention.
No 147, Maart 1951.
Proflts taxes and
de],reciation
of
money.
No 148, April 1951.
International transport
of
perishable foodstuffs.
No 149,
April 1951.


International raihvay transport.
No 150, April 1951.
Uniform customs and practice for commercial documentary
credits.
No 151, Mei 1951.
Government accounting and budgets.
No 152, April 1951.
International trade and governmental regulations. No
153,
Mei
1951.
Distribution censuses: An international study.
No 154,

Mei 1951.

Coordination of transport.
No 156, April
1951.
Better pro tection of industrial property rights.
No 158,
Mei 1951.
Standard fornis for the opening
of
documentary credits.

No
159,
Mei 1951.

Interna!icnal commercial arbitration a,zl freeckm
bf
on-
tract.
No 160,. Mei 1951.

De ‘brochures (ook in de .Franse taal) zijn verkrjgbaai-
bij de Nederlandse Organisatie voor de Internâtionale

Kamer van Koophandel, Tournooiveld 2, ‘s-Gravenhage,

tegen de prijs vanf 1 per stuk. De complete serie kost f10.

The com:nerce
of
nations,
door J. B. Condliffe. Allen and
Unwin, 1951, 884 blz., f23,05:
Principles
of
industrial nianage/nent,
door L. P. Alford, revised and rewritten by.
H. Russel Beatty. New
chapters on industrial management and on marketing
afe inciuded, the sections on personnel administration

and on quality control and time and motion study
expanded. Ronald Press, New York
1951,
801 blz.,
f27,30.

Profits: theoretical and practical ‘aspects,
door J. P. fleddy.:
Tiggies 1951, 420 blz., f8,35.
Ten ‘great economists,
from Marx to
Keynes,
door .J. A.
Schumpeter. Essays evaluating the life and work of

Marx, Walras, Menger, Marshall, Pareto, Böhm-

Bawerk, Taussig, Fisher, Mitchell and Keynes.
Oxford University Press
1951,
319 blz., f21,60.
Economie dynamics,
door. J. Baumol. Macmillan 1951,
254 blz., f22,75.

Economie systems, a comparative analysis,
door G. N.

Halm. A textbook treating the development of eco-
nomic ‘theciry under various systems of thought
inciuding capitalism, socialism and communism.
Rinehart, New-York 1951, 448 blz., f20,45.
Money, trade and economie growth,
a volume in honor of
John H. Williams, prepared by a group of eminent

economists of the United States, Britain and Belgium.
Mac Millan 1951, 360 blz., f20,45.

DE VESTEB BOEKHANDEL

Algemene Binnen- en Buiteutlandse Boekhandel

Nieuwe Binnenweg 331

ROTTERDAM
Telefoon 32076

Postgiro 18961

GESPECIALISEERD OP ECONOMISCH
GEBIED

Zo juist verschenen:

Producten der Zuid-Hollandse

Nijverheid

samengesteld door het

Economisch-Technologisch Instituut voor
Zuid-Holland

Inhoud:

Deel 3: Zuid-Holland, werkplaats van Nederland.
Enige gegevens betreffende de demografi-
sche en sociaal-economische structuur van
de provincie Zuid-Holland (tabellen en car-
togrammen).

Deel II: Alphabetische lijst van bedrijven, onderschei-
den naar gemeente van vestiging en bedrijfs’
klasse, onder vermelding van de in deze b-
drijven vervaardigde producten. • –

Deel III: Alphabetische lijst van de industriële pro-,
ducten, vervaardigd in Zuid-Holland, onder
vermelding van de fabrikanten.

Een boekwerk van 400 pagina’s als adresboek voor
ieder bedrijf onontbeerlijk. Prijs gebonden
f
9,50.

Gebruik voor
Uw
bestelling de IJ reeds toegezonden
bestelkaart.

0

besehikbare krachten

t

HEER, 34 jaar, acad. gevormd, representatief voorkomen, bereisd, ervaring in bibliotheekwèrk, gediplomeerd archief-
ambtenaar, kunnende stenograferen en typen, moderne talen
beheersend in woord en geschrift,
WIL VAN BETREKKING VERANDEREN

eventueel buitenland. Br. onder no. ESE 33-1, bur. v. d. blad,
Postbus 42, SChiedam.

Te koop:
Ford
1
47,
85000
km. Bevr. na 18’/2 uur, of na

Adverteer in

tel. afspraak: 26792, Velper-

deze rubriek.
weg 18, te Arnhem.

DE MAATSCHAPPIJ TOT FINANCIERING VAN

HET NATIONAAL HERSTEL N. V.’

roept aandeelhouders op tot het bijwonen van

een

BUITENGEWONE ALGEMENE VERGADERING VAN

AANDEELHOUDERS

te houden op 30 AUGUSTUS 1951 te 11 uur ten

kantore van de maatschappij, Kneuterdijk 6 te

‘s-Gravenhage.

AGENDA:

Opening.

Goedkeuring notulen vorige ver

gadering.

Herbenoeming van een directeur in

verband met art. 11 (3) van de

statuten.

Benoeming van een vierde directeur

ingevolge art. 11 (1) en (2) van de

statuten.

Rondvraag.

Sluitifig.

Houders van aandelen aan toonder, die deze

vergadering wensen bij te wonen, dienen hun

aandelen uiterlijk 27 Augustus 1951 tegen reçu,

dat tevens als bewijs van toegang tot de ver-

gadering zal dieneh, te deponeren bij eren van

de volgende banken:

Amsterdamsche Bank N.V.
De Twentsehe Bank
N.V.

Heidring & Pierson.
incasso-Bank N.V.
‘Lippmann, Rosenthal & Co.

R. Mees & Zoonen.

Nationale Handelsbank N.V.

Nederlandsche Handel-Maatschajpij N.V.

Pierson & Co.

Rotterdamsche Bank N.V.
De Nederlandsche Bank N.V., Af d. Bewaar-

neming, Oude Turf
markt 127, Amsterdam.

De President-Directeur:

J. F. POSTHUMA.

Groot
Handelsconcern vraagt voor hare

Economische Statistische Afdeling

een

employé

met minstens H.B.S. opleiding
en ervaring
op
statistisch gebied.

Brieven met volledige inlichtingen betreffende leeftijd,
opleiding en praktijk onder no. 6430aan Adv. Bur. Jan
C.Verheul & Co., N.Z.Voorburgwai 286, Amsterdam-C.

IN HET
NUMMER
VAN. DEZE WEEK:

Marktonderzoek


Exporteren door exporteurs
De gemendeerde Defense Production Act
Finland strijdt tegen de inflatie
Wereldmarkt-perspectieven
Chili, latifundia en rotos
Handelscontacten

Met Exportbijlage ,,Netherlands Trade

Bulletin”.

Abonnementsprljs
f15.—
per Jaar

KON. NED. BOEKDRUKKERIJ H. A. M. ROELANTS SCHIEDAM

ECONOMISCH
STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

Adres ‘voor Nederland: Pieter de Hoochstraat
s,
Rotterdam (W.)
Telefoon Redactie en Administratie
38040.
Giro
8408.

Bankiers: R Mees en Zoonen, Rotterdam
Redactie-adres voor België: Seminarie voor Gespecialiseerde Ekonomie
z4,
Universiteitstraat, Cent.

Abonnementen: Pieter de Hoochstraaf
5,
Rotterdam (W.).
Bankiers: Ban que de Commerce, Brussel.
Abonnernents prijs, franco per post, voor Nederland
1
26,—
per jaar.
voor België/Luxemburg
f
28,—
per jaar, te voldoen door storting van
de iegenwaarde in Belgische francs bij de Banque de Commerce te
Brussel of op haar Belgische postgirorekening no
260.34.

Uniegebieden en Overzeese Rijksdelen (per zeepst)
/26,—,
overige
landen f
28,—
per jaar.

Abonnementen kunnen ingaan met elk nummer en slechts worden
beëindigd per ullimo van het kalenderjaar.

Aangetekende stukken in Nederland aan het
Bijkantoor
Westzeedijk,
Rotterdam (W.)..
t’

ADVERTENTIES.
Alle corrispondentie betreffende advertenties te richten aan de Firma
H. A. M. Roelants, Lange Haven
z4z,
Schiedam
(Telefoon
69300,
tod’stel
6).
Advertentie-tarief
/
0,43
per mm. Contract-tarieven op
aanvraag. Rubrieken ,,Vacaturcs” en .,,Be.8chikbare krachten”
f
o,6o
per ‘mm (dubbele kolom). De administratie behoudt zich het recht
voor om advertenties zonder opgaaf van redenen te weigeren.

Losse nummers 75 cents, resp. 10 B. francs.

‘0

Auteur