Ga direct naar de content

Jrg. 36, editie 1773

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: mei 9 1951

TECONOMI’SCW .

STAT,ISTISCHE B

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ICONOM1SCH INSTITUUT

36E JAARGANG

. ..

:.

‘ WOENSDAG 9 MEI 1951

No. 1773
,

Dezer. dagen

INHOUD
Blz.
…….
Toezicht op het credietwezen
door Prof ..Dr

F.

de

Roos

……………………….
348

Mercurius aan banden.
door Mr 0.- Leyen-

dekkers

.

………………………….
350

De productie en het verbruik van electriciteit
in Nederland dcior Ir G. J. T Bakker
.
.’…
352

Lahore en Caïro.

Trefpunten

voor, katoen-

verbouwers en textielproducenten (1)
door

Dr

W.

T.

Kroese

…………………..
354

,In’gezn’den

stukken:

De prijsv’orming van katoen en wol
door

G.

C. Duchetnin.
met naschrift yan’
M.’

Fraenkèl

-.
.

………..
357

De moeilijkheden in het
visserijbedrijf,,door,
Mr Ç. H. Meyer, J. Visser, J. B. Reichardt


‘en P. Kuiper
met naschrift van
A G. Ligt-


hart

…………..
‘.

.

358

Aantekeningen:

De Nederlandse kapitaalmarkt ……………
360

Engelands politiek met betrekking tot het plan
Schuman

…………………………
361

Geld- en kapitaalmarkt

..’. ………
361

Statisti’ek’n

Bankstaten

……………………….
362

De kolenpositie -van Nèder1and. ………..
362

3:

“….

,,Festival of Britain”. Komt, ziet en overtuigt U, dat

Groot-Brittannië honderd jaar na 1851 — de reminiscentie

wordt zo vaak vermeld, dat een weergave van de lopende

clichés haar niet kan vermijden — nog steeds stevig in
zee ligt. Kosten noch moeitd iijn gespaard; er zijn vele
direct-productieve uitgaven, doordat op huizen, die er
jaren op hadden gewacht, thans een nieuw verfje zit. Zal men met de werkster uit ,,De wereld een dansfeest”
besluiten: ,,Ja, met de maten van de muziek gaan jullie

mooier naar je einde”? Zeker niet, als men gelooft in de
betekenis die een schijnbaar irrationele, maar gelukte,

daad kan hebben voor het zelfvertrouwen. Evenmin, als
men zich kan-laten meenemen in het sentiment van John

Masefield: ,,Laugh, and, be proud to belong to the old
proud pageant ofman’-‘.” ‘

Een flink advies voor hen, die staan tegenover de nood-

zaak de gevolgen van de nationalisatie van de olieindustrie in Perzië niet uit de hand te doen lopen. Een ieder verheugt
zich altijd over de.kloekmoedige Alexander, die de Gor-
diaanse knoop doorhakte, weinigen vermoeien zich met
de situatie der tempeldienaren, die de losse einden over-
hielden. De nieuwe Britse Minister van Buitenlandse

Zaken, Morrisoii, kan zijn vaardigheid in het knopen on-‘
middellijk gaan toepassen.

Een flink advies ook voor de nieuwe Britse Minister
van Handel, die er voor staat om de verklaringen van
generaal Mac Arthur – iemand met een zekere hang ‘oor
• oplossingen mde trant van Alexander — over de uitvoer • naar’ China te beantwoorden. Voor, Gr’oot-Brittannië be-
schikte hij over alle gegevens, voor. Hongkong nög,niet.

,,Du bist wie eine Blume so hold’und schön undtein”.
De Raad van Europa, in welke Duitsland tharis,als lid
« is opgenomen, vergadert in zorgvuldige ‘overweging van
het vele, dat Europa bezwaart ,van inflatie tot o’prlogs-
t dreiging. Het vervolg, bij Heinrich Heine, luidt:. ,,Tch
schau dich an, und Wehmut schleicht mir in§ Herz
1 hinein”.

Dat is,’ naar uit de laatste an’alyss is gebleken, nog niet
nodig ten aanzien van het beloop van de Amerikaanse
conjunctuur. Wel zijn mogelijkerwijze de voorraden van
enkele consumptiegoederen bij de handel hoog opgelopen,
doch het peil der algemene activiteit stijgt nog steeds,
verder. De bruto-winsten ‘van vele maatschappijen zijn’
gunstiger dan ooit, de netto-winsten ‘echter tonen wetaan,,
dat er tegelijk een belastingprogramma, gecombineerd met
de stijging van

lbnenen andere kostenbestanddelen werkt.
,,Should auld acquaintance be forgot”? Wat zal men
S

over
.
het -vaderland, melden dan dat ieder vastbesloten-
schijnt, dat tussen de bollenvelden naast de buitenlandse
bezöekes de Nederlanders niet zullen .ontbreken en dat
wij verder worden aangemaand de bloeiende vruchtbomen
niette vergeten. Deinternationale politieke toestand heeft intussen vrucht gedragen in een tweede defensienota, die
reikt tot einde 1954. –

COMMISSIE VAN REDACTIE

Ch. Glasz; H. W. Lainbers; J. Tinbergen;

F. de Vries; C. van den Berg (secretaris)

Redacteur-Secretaris: A. de
I
Wit.

Assistent-Redacteur: J. H. Zon.

COMMISSIE. VAN AD VIES VOOR BELGIË

J. E. Mertens; R. Miry; J. van Tichelen;

R. Vandeputte; F. Versichelen.

.

4
tir’prip.:ii:ci:i-r
VO6REIOLJDEN

‘-‘- –

– RING

you usstili today up!”

Dit bargoens toont een vage overeenkomst met
Engels, maar geen Engelsman die het begrijpt.
Hetzelfde geldt helaas voor vele Nederlandse
export-publicaties!
De enige betrouwbare manier om prijscouranten,
folders, brochures enz. technisch en idiomatisch
onberispelijk te vertalen, is: samenwerking van
Nederlanders en buitenlanders,

Ons bureau beschikt voor iedere taal over ge-
schoolde buitenlandse vertalers en bovendien
overNederlandse filologen

en technici, die er
voor ‘instaan, dat uw export-publicaties feilloos
van stijl en technisch nauwkeurig vertaald
worden. Vraagt nadere inlichtingen aan:
‘0
9
10
0

BUREAU VOOR RECLAMETEKST

D. VAN DER LINDEN’

MAUVEZAND 5, LAREN (N.H.) TEL. 2189 (K2953)

R. MEES & ZOONEN

ANNO 1720

Bankiers & Assurantie-Makelaars

ROTTERDAM

‘s-Gravenhage, Delft, Schledam, Vlaardingen.
Amsterdam (alleen Assurantie)

besehlikba
re

Econ. gevormde jongeman

speciale kennis van de binnenl. groothandel in meta.alwaren,
met huish. art, en ijzer en staal, uitgebreide commerc. en
administratieve ervaring, zoekt plaats in handel of industrie,
in binnen- of buitendienst. Br. onder no. ESB 19-2, Bur. v, d.
bi:, ‘Postbus 42, Schiedam.

Alleen bij

Oud-pap ierhandet

M. A. WESSELS

HOOFDKANTOOR

Groenburgwal 17— 19

Amsterdam – Centrum

Telef.:33066-37307-96507

49066 (Kromme Waal 20)

-I
bent U c’erzekerd

de hoogSte dagprijzen

te ontvangen

voor Uw
oude archieven

en andere soorten
ö,üd papier

1
* VERNTIGING ONDER-GARANTIE

HOLLANDSCHE BETON MIJ N.V.

gevestigd te ‘sGravenhage

UITGIFTE van

I

/2.250.000,-
AANDELEN AAN TOONDER

in stukken van
f
250,-
en
f
f000,
ten volle delende in de resultaten vân het
boekjaar 1951 en volgende boekjaren.

De INSCHRIJVING op bovengenoemde uit-
gifte zal, uitsluitend voor aandeelhouders,

tot de koers van
100
pCt.

openstaanop

VRIJDAG 18 MEI 1951

van des voorm. 9 tot
des
nam. 4 uur,

ten kantore van

de ROTTERDAMSCHE BANK N.V. te Rot-
terdam, Amsterdam en ‘s-Gravenhage;

de Heren HELDRING & PIERSON te ‘s-Gra-
venhake en

de Heren PIERSON & CO. te Amsterdam, op de ‘voorwaarden van het prospectus dd.
8 Mi 1951. Exmplaren hiervan en inschrij-
vingsbiljetten, alsnede, in beperkt aantal, af-
afdrukken van:de statuten en van het jaar-
verslag over 1950 der vennootschap zijn bij
de kantoren van inschrijving verkrijgbaar.

ROTTERDAMSCHE
BANK
N.V.

HELDRING
& PJERSON.

346

9 Mei 1951

ÈCONOM1SCH-$7ATISTISCHE
BERICHTEN

347

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK

Prof. Dr F. DE ROOS, Toezicht op het credietwezen.

De in het wetsontwerp toezicht credietwezen voorgestelde
regeling lijkt schr. voor het gestelde doel alleszins effectief,

doordat zij bijv. de lekken in het Amerikaanse systeem,
waarin alleen met minimum kaspercentages wordt gewerkt t.o.v. crediteurensaldi en termijndeposito’s, volledig onder-

vangt. De regeling
is
voldoende soepel; er worden geen

wettelijke minimum- of maximumverhoudingen. vast-
gesteld, zodat de centrale bank telkens naar bevind van
zaken kan handelen. Tevens bestaat volledig de mogelijk-

heid om met de talloze schakeringen in het Nederlandse
bankwezen rekening te houden. Met de wettelijke regeling

van het toezicht op het credietwezeii, voor zover dit de

belangen der crediteuren tracht te beveiligen, wordt on-
getwijfeld een algemeen belang van vrij wijde strekking
gediend. Het is aan te bevelen, dat niet wordt overgegaan
tot het vaststellen van solvabiliteitspercentages, welke
weinig nuttig effect maar wel overlast kunnen sorteren

De ontworpen regeling lijkt schr. – behoudens enkele
opmerkingen, die worden gemaakt – zowel t.a.v: de be-
scherming van de leden der volkshuishouding tegen on-
gemotiveerde verliezen als t.a.v. het conjunctuurpolitieke
oogmerk, de beheersing van de geidhoeveelheid, aan

redelijk te stellen eisen te voldoen.

Mr 0. LEYENDEKKERS, Mercurius aan banden.

Het nieuwe prijsbeheersingssysteem, belichaamd in de
Prjzenbeschikking Handelsmarges 1951, laboreert niet
aan pietepeuterig perfectionisme; het werkt .door een al-
gemeen beginsel, het vraagt niet om een omvangrijk uit-voerings- en contrôle-apparaat, het is er op berekend om
met geringe middelen een zo groot mogelijk effect te be-
reiken. Aan het systeem kleven echter gebreken, die de
handel reden geven om de toekomst onder dit nieuwe
prijzenregime met zorg tegemoet te zien. Want de door de
Overheid toegestane faciliteit (de handelaar mag zijn
goederen tegen vervangingswaarde in rekening brengen)
is aan strikte beperkingen gebonden, die haar waarde
grotendeels te niet doen: de verplichting, die de Overheid
oplegt (fixatie van de bruto-winst), geldt daarentegen over
de gehele linie. In feite zal de handelaar bij stijgende prijzen
nôg gedwongen zijn een deel van zijn kapitaal in te teren,

terwijl de stijgende kosten een steeds groter percentage
van zijn gefixeerde brüto-wint zullen uitmaken. Dit, gezien
in het kader van een daling van de omzet, welke bij ver-
wezenlijking van het economisch regeringsprogramma niet
kan uitblijven, vormt een uiterst somber perspectief.
Daarom dienen wegen te worden gezocht om de scherpste

kanten van de Beschikking af te vijlenzonder in gedetail-leerde regelingen te vervallen. Schr. bepleit enkele wijzi-

gingen.

Ir G. J. T. BAKKER. De productie en het verbruik van

e!ectriciteit in Nederland.

Naar verwachting zullen in 1953 alle Nederlandse cen-
tralen verbonden zijn door een hoogspanningskoppelnet;

een belangrijk deel, hiervan is thans reeds in bedrijf.
In principe wekken de centralen de stroom op nodig voor
hun eigen voorzieningsgebied; daarvoor installeren zij
voldoende productievermogen
mci.
reserve. In geval van

iiood bij een der deelnemers van het S.E.P. (NV. Samen-werkende Electriciteitsproductiebedrjven) zijn de andere deelnemers verplicht hem bij te springen ter dekking van

het daar bestaande tekort. Op het zich hier voordoende probleem van het reservevermogen gaat schr. nader in.


n 1939 was de toestand bevredigend, doch in de jaren
1947 tot 1950 was een tekort aan ‘reservevermogen aanwezig.

Een belangrijk vermogen kon uit het buitenland worden

betrokken. Daarnaast werden piekbeperkingsmaatregelen

genomen. Ook in 1951 is het van groot belang, dat de
belasting wordt gedrukt; bovendien moet worden getracht

door een belangrijke import de toestand te verbeteren.
Eerst in 1952 zal de toestand naar mag worden gehoopt
gunstiger zijn en zullen er voor het laatst piekbeperkings-,

riiaatregelen moeten worden genomen.

Dr W. T. KROESE. Lahore en C’airo.
Trefpunten
voor
katoenverbouwers en textielproducenten (1).

In Februari van dit jaar werden twee internationale
katoencongressen georganiseerd. Het eerste in Lahore,

waar het ,,International Cotton Advisory Committee” zijn lOde Plenary Meeting hield; het tweede in Caïro,

waar Egypte de deelnemers aan het,19de Congres van de
,.International Federation of Master Cotton Spinners’
and. Manufacturers’ Associations” ontving. In dit eerste
artikel wordt een korte schets van het ontstaan en de

ontwikkeling van de I.C.A.C. en de International Federa-
tion gegeven. Vervolgens worden enkele aspecten van het
in Lahore op de løde Plenary Meeting van de I.C.A.C.
behandelde nader belicht.

– SOMMAIRE –

Prof. Dr F. DE ROOS, Le contrôle da secteur da crédit.

Cet artile traite du projet de bi au sujet du contrôle exercé par De Nederlandsche Bank sur le secteur du
crédit. L’auteur est d’avis, sauf quelques réserves qu’il
formule, que la réglementation prévue par le dit projet

répond â des exigences raisonnables, aussi bien en ce qui
concerne la protection des individus contre les pertes

nonmotivées que le c’ontrôle de la circulation fiduciaire
pratiqué au nom de la poiitique conjoncturelle.

Mr 0. LEYENDEKKERS; Mercure enchatné.

Le nouveau système du contrôle des prix, matérialisé
dans la ,,Prjzenbeschikking Handelsmarges 1951″, est
ntaché de défauts qui mettent le conimerce néerlandais
devant un avenirhypothéqué par le nouveau régime des
prix. C’est pourquoi ii faudrait trouver des moyens .pour
arrondir les angles les plus aigus de ces dispositions
tout en évitant de se perdre dans les détails: L’auteur
p_réconise quelques amendements.

Ir G. J. T. BAKKER, La production et la consommation
d’électriciié aux Pays-Bas.

Avant la guerre les besoins en électricité aux Pays-Bas
étaient couverts; ii est apparu durant les années de 1947
â 1950 qde les réserves étaient trop restraints. En 1951 il restera également nécessaire de freiner la consommation
du courant électrique. On devrait, en outre, s’efforcer
d’améliorer la situation par une importation importante.
Ce n’est qu’en 1952 qu’on peut s’attendre i des conditions
plus faVôrables et qu’on prendra pour la dernière fois des
mesures de restriction durant les heures de point.

Dr W. T. KROESE, Lahore et le Caire, rcndez-vous des
planteurs de coton et des producteurs de tcxtile.

L’auteur commence cet article par un aperçu succi’nct
de la création et du déveboppement de ,,l’International
Cotton Advisory Committee” et de ,,l’International Fede-
iation of Master Cotton Spinners” and Manufacturers’
Associations”. Ensuite il expose plus particuiièrenient
quelques aspects des travaux élaborés bors de la 10e Séance.
plénière de l’I.C.A.C. qui s’est tenue è. Lahore.

348

ECONOMISCH-STA TISTISCIJE BERICfI TEN

9 Mei 1951

Toezicht- op het credietwezen,

Inleiding.

Ter uitvoering van hetgeen is bepaald in art.
9
van de
Bankwet
1948
is
bij
de Tweede Kamer een wetsontwerp

ingediend, dat het toezicht van De Nederlandsche Bank

op het credietwezen beoogt te regelen.

In het vermelde artikel van de Bankwet
1948
worden
aan de centrale bank drie taken opgedragen, ni.

1. het reguleren van de waarde van de Nederlandse

geldeenheid;

‘2. het verzorgen en het vergèmakkelijken van het

betalingsverkeer in het binnenland en met het buitenland;

3.
het houden van toezicht op het crdietween met het

oog ôp de solvabiliteït en de liquiditeit der credietinstellïn-

gen, d.w.z. ter bescherming van de belangen .van de cre-

diteuren dezer. credietinstellingen.

Het onderhavige wetsontwerp geeft nu aan De Neder-
landsche Bank bevoegdheden, welke er op gericht zijn de

ad 1 en
3
vermelde taken te kunnen uitvoeren.

Het is duidelijk, dat de geidwaarde slechts door de

centrale bank kan worden gereguleerd door middel van
het ‘beïnvloeden van de binnenlandse geldhoeveelheid, en

dat dit slechts op adequate wijze kan geschieden, indien

De Nederlandsche Bank de politiek van alle geldscheppende
instellingen kan beheersen. Het behoeft weinig betoog,

dat de bereiking van dit ambitieuze doel, dat de Bankwet

1948
aan De Nederlandsche Bank heeft gesteld, onder de

huidige verhoudingen alleen maar zeer ten dele door haar
kan worden bénaderd. De belangrijkste geldscheppende

instelling ten onzent, de Staat, die per einde 1950 naar een

globale schatting niet minder dan
65
pCt van de totale

geldhoeveelheid in het verkeer had gebracht, laat zich,

zuiver formeel bezien, zijn monetaire politiek niet door de

centrale bank voorschrijven. Het tegengestelde zal eerder

het geval zijn, al laat de voor buitenstaanders niet zeer
doorzichtige verhouding tussen de Minister van Financiën en de directie van de bank wellicht voldoende ruimte voor

wederzijdse beïnvloeding en overreding.
Ten aanzien van de politiek der overige geldscheppende

instellingen, d.w.z. behalve De Nederlandsche Bank zelF,
de girodiensten en die banken, waarbij over de bij haar
aangehouden tegoeden door middel van cheques en over-

schrijvingen kan worden beschikt, kan de centrale bank
wel controlerend optreden, en het onderhavige wetsont-
werp heeft dan ook mede de strekking, de noodzakelijke

wettelijke bevoegdheden te verschaffen..
Nu wordt
iri
dit wetsontwerp niet alleen het toezicht ge-
regeld, dat verband houdt met het monetaire, of wil men het conjunctuurpolitieke doel,, dat zich onder de huidige verhoudingen met name voordoet m de vorm van de be-strijding van een betalingsbalanstekort. Tevens wordt de contrôle geregeld, die bedoeld is om de belangen van de
creditëuren van credietinstellingdn te beveiligen. Het ligt
voor de hand, dat deze combinatie wordt toegepast, niet
alleen omdat de gegevens, welke de centrale bank bij de
individuele instellingën moet inwinnen, voor beide doel-
einden kunnen dienen, maar ook omdat er een nauw
verband bestaat tussen het algemene conjunctuurverloop
en de gang van zaken bij ondernèmingen die éredieten
verstrekken. Derhalve worden niet alleen de geldschep-
pende instellingen aan de contrôle onderworpen, maar

alle credietverstrekkende ondernemingen, welker passiva
voor een aanzienlijk deel uit op korte termijn opeisbare
verplichtingen bestaan. De ‘invloedssfeer van dergelijke
instellingen is over het algemeen vrij groot, en een decon-
fiture heeft voor de samenleving als regel zeer ernstige

gevolgen. –

Ten einde bovenbedoelde contrôle mogelijk te maken,

zal worden ingesteld een register der credietinstellingen,

dat wordt verdeeld in vier afdelingen, nl. handelsbanken,
landbouwcredietbanken, algemene spaarbanken en corn-

missionnairs in effecten. Van deze vier groepen van crediet-

instellingen worden de gebruikelijke begripsomschrijvingen

gegeven, en elke instelling, die daaraah vold9et, zal zich

bij De Nederlandsche’ Bank ter inschrijving moçten

aanmelden. De Nederlandsche Bank zorgt voor de publi-

catie \’an dit register, zodat het publiek zich er van kan

vergewissen of een bepaalde insteljing al dan niet aati het

toezicht van de centrale bank is onderworpen.

,In het wetsontwerp wordt de mogelijkheid voorzieui,

dat het toezicht op de land bouwcred ietbanken, de spaar-

banken en de effectencommissionnairs aan andere organen

wordt opgedragen, onder uiteindelijk toezicht van de

centrale bank. Deze organen zullen waarschijnlijk zijn
resp. de beide centrales der boerenleenbanken, de Neder-

landse Spaarbankbond en de Vereniging voor de Effecten-

handel. De beide centrale boerenleenbanken zijn bij uit-

drukkelijke wetsbepaling ingedeeld bij de groep handels.

banken, en vallen dus onder het ‘directe toezicht van de

circulatiebank.

Uitdrukkelijk zijn van het toezicht uitgesloten de ver
tegenwoordigingen hier te lande van vreemde circulatie-

banken, de Rijkspostspaarbank en de girôdïensten. Kenne-

lijk zijn laatstgenoemde geldscheppende instellingen hier-

van vrijgesteld, omdat het monetair beleid van de Overheid,
dus ook van de gemeente Amsterdam, die een niet on-

belangrijke girodienst exploiteert, geen contrôle van de

centrale bank verdraagt. Het reeds eerder vermelde con-
tact tussen de Minister van Financiën en de circulatiebank

zal hier vermoedelijk de gewenste oplossing moeten
brengen.

Thans moge een korte bespreking volgen van de be-
voegdheden, welke aan De Nederlandsche Bank bij deze
wet zullen worden toegekend. Opgemerkt zij, dat niet opvolgen van de voorschriften van De Nederlandsche

Bank de sancties voor dergelijke gevallen, voorzien in de
wet op de economische delicten, in werking zal doen
treden.
De monetaire contrôle.

Bij de huidige stand van zaken zullen hieronder ver-
moedelijk metname vallen de handelsbanken en de boeren-
leenbanken, welke de zgn. lopende rekeningen kennen naast
hun deposito- of spaarbedrijf, daar de beide ândere ge-
noemde groepen niet een uitgesproken geldscheppend
karakter dragen. De desbetreffende bepalingen zijn echter

zodanig geredigeerd, dat de centrale bank de bevoegd-
heid heeft haar monetaire toezicht tot alle vier groepen uit
te •strekken; dit zou bijv. zeer noodzakelijk worden,
indien het giroverkeer bij spaarbanken zich op grote schaal
zou gaan ontwikkelen.
De voorschriften, welké’ de centrale bank op dit gebied kan uitvaardigen, dienen vooraf bij K.B. te worden goed-
gekeurd, welk besluit slechts wordt genomen op voordracht
van de Minister van Financiën. Door deze regeling wordt
de bevoegdheid van de centrale bank, om zelfstandig op
dit terrein op te treden, uiteraard in aanzienlijke mate

beperkt. De bank zal dus zeer, bepaald niet een monetaire
politiek kunnen voeren, welke niet de instemming van de
Regering heeft. Voorts kunnen de bepalingen uitsluitend
betrekking hebben. op de in de wet genoemde onderdelen
van de bedrijfsvoering der betrokken credietinstellingen.

Zij kunnen worden ingedeeld in de volgende twee cate-
gorieën: ‘ ‘,

9 Mei ‘1951


ECONOMISCH-STATISTISCHE BER1RTEN

349

a. 4,
quanfitatieve credietcontrôle.

De hier bedoelde maatregelen hebben betrekking op de
omvang der te verlenen bankcredieten, d.w.z. op de hoe-

veelheid door deze banken te creëren ruilmiddeleri. Zij

komen in hoofdzaak op het volgende neer:

Minimumpercentages kunnen worden voorgeschreven

voor de verhouding tussen liquide middelen en creditsaldi,

eventuèel gedifferentieerd naar onderdelen van deze

gecombineerde balansposten;

de maximale omvang der credietverlening en der

beleggingen kan worden vastgesteld, hetzij zonder meer,

hetzij in verhouding tot de eigen middelen of in verhouding
tot de creditsaldi. Ook hier kan weer naar onderdelen

worden gedifferentieerd,;

een minimum debetrente kan worden voorgeschreven,

ten einde de discontopolitiek van de centrale bank, het
middel bij uitstek van de orthodoxe quantitatieve crediet-

politiek, effectief te kunnen maken. Tevens is bepaald,

dat ook een maximum creditrente kan worden vastgesteld.

Deze laatste bepaling is opgenomen omdat volgens de

M.v.T. ,,een te hoge èreditrente kan leiden tot het aan-
houden in de geldsfeer van vermogensbestanddelen, die
daarvoor naar hun aard niet in aanmerking komen,
hetgeen bij besteding van deze gelden tot infiatoire reper-

cussies aanleiding kan geven”. Hoewel deze motivering
niet onjuist geacht kan worden wekt toçh het geheel de
indruk, dat de betrokken bepaling overtollig is. Wanneer
het vermogensbestanddelen betreft, die naar hun aard niet
in de geldvorm behoren te worden aangehouden, zouden

zij zonder de te hoge creditrente op de een of andere wijze zijn belegd. Belegging wil in dit verband uiteindelijk niets
anders zeggen, dan dat bankcrediet er mede zou zijn
afgelost. Maar hierdoor wordt de ruimte tot credietver

lening, gegeven door de onder 1 en 2 genoemde voor-
schriften weer groter, en kunnen zich toch de gevreesde
infiatoire repercussies voordoen, tenzij natuurlijk de ver-

eiste minimum liquiditeitspercentages worden verhoogd
of de maximale credietverlening wordt verlaagd. Deze

laatste mogelijkheden waren echter, toch reeds gegeven
en zouden compensatie kunnen bieden wanneer de be-
doelde. creditsaldi in de inkomenssfeer zouden worden

besteed.
De betrokken voorschriften kunnen voor onderscheiden groepen van banken verschillend zijn. De monetaire auto-

riteiten kunnen dus ten volle rekening houden met ver

schillen in het individuele bedrijf der betrokken instellingen.
Het is dus mogelijk om het bânkwezen.in’groepen in te
delen, zoals, in België is geschied, maar men kan ook,
zoals de huidige maatregelen tot credietcontrôle van De

Nederlandsche Bank doen
1),
de nodige variatie aanbrengen

door de voorschriften te betrekken op een basisperiode,
welke niet te ver in het verleden ligt, waardoor eveneens
met de verschillen in het individuele bedrijf voldoende
rekening wordt gehouden. Bij dit laatste voorkomt men de
moeilijkheid van de groepsindeling, welke altijd min of

meer willekeurig van aard zal zijn.
Merkwaardig is in dit vërband de bepaling, dat een
maximale verhouding kan worden voorgeschreven tussen

de omvang van de credietverlening en de eigen middelen
van een bank. Als hulpmiddel voor de uitoefening der

quantitatieve credietcontrôle is hieraan, gezien de overige
mogelijkheden, uiteraard geen behoefte. Bij de bespreking
van de beveiliging van de belangen der crediteuren wordt

hierop nog teruggekomen. –

1′. de qualitatieve credielcontrôle.

Aan de credietinstellingen kan tevens een verbod of een

beperking worden opgelegd tot het verlenen van bepaalde

‘)
Zie ,,E.-S.B.” van 13 December 1950.

credieten of tot het verrichten van bepaalde beleggingen.

Deze contrôle houdt zich dus bezig niet met de omvang,
maar met de aard der te verlenen credieten. In èen samen-leving, waarin de Overheid zich van rechtstreeks ingrijpen
in de reële sfeer onthoudt, kan van een dergelijke contrôle

echter van coniunctuurpolitiek gezichtspunt uit geen heil
worden verwacht. Immers, onder dergelijke omstandig-
heden stroomt het geld naar die aanwendingsmogelijkheden

welke de grootste winst beloven, ongeacht de plaats en de
vorm, waarin het ruilmiddel in het verkeer wordt gebracht.
De financiering van essentieel geachte doeleinden wordt er

dus geenszins door verzekerd, terwijl bij ,afwezigheid van

een gelijktijdig uitgeoefende quantitatieve credietcontrôle
ook geen beperking op de in het verkeer te brengen geld-
hoeveelheid tot stand komt, aangezien bij overigens

gelijkblijvende omstandigheden door het enkele verlenen’

van goedgekeurde bankcredieten liet niveau van reële
omzetten en/of prijzen stijgt, waardoor weer nieuwe
credietvraag in het leven, wordt geroepen, mede voor de

toegestane bestedingen.
Alleen onder omstandigheden, waarin de Overheid wel
ingrijpt in de reële sfeer, bijv door middel van het ver-
strekken van toewijzingen en vergunningen, en waarin dus het bovenbedoelde ,,doorstromingsproces” niet zal kunnen
plaatsvinden, komt aan een qualitatieve credietcontrôle
• betekenis toe. Zij kan dan dienen om de effectiviteit van
het overheidsingrijpen in het binnenlandse productie- en

distributieproces te versterken, daar dan de geldmiddelen,
nodig voor het verrichten van niet toegestane transacties,

minder gemakkelijk zijn te verkrijgen.

De beveiliging van de belangen ‘der crediteuren.

D maatregelen,, welke’ het wetsontwerp hieromtrent
voorstelt, komen in belangrijke mate overeen niet hetgeen
reeds tussen De Nederlandsche Bank en de voornaamste handelsbanken bij wijze van gentlemen’s agreernent was
overeengekomen. Zij worden nu echter uitgebreid tot

alle vermelde credietinstellingen, waarbij voor de boeren-
leenbanken, de spaarbanken en de commissionnairs in

effecten de bovenbedoelde organen kunnen worden in-

geschakeld.
Zo zijn de credietinsteffingen bijvoorbeeld verplicht, aan
de centrale bank alle inlichtingen en gegevenste verschaffen,
weilce zij voor het houden van toezicht nodig oordeelt.

Ontwaart zij een ontwikkeling, welke de liquiditeit of de
solvabiiteit ener credietinstelling in gevaar kan brengen,
dan geeft zij advies omtrent de gedragslijn, welke tot het
brengen van verbetering in de ongewenste situatie moet
worden gevolgd. Niet opvolging van dergelijke adviezen

geeft De Nederlandsche Bank het recht tot publicatie over
te gaan. Uiteraard kan van een dergelijke bepaling een
zeer belangrijke preventieve werking uitgaan, zodat hierin
een krachtige bescherming van de belangen der crediteuren

kin worden gezien.
Behalve de reeds aargeduide sancties, de bovenvermelde
mogelijkheid tot publicatie van niet opgevoigde adviezen,

en de gelegenheid tot beroep op de Kroon, geeft het ont-
werp nog een tweetal belangrijke mogelijkheden tot be-
scherming van de belangen van het publiek, welke het

gentlemen’s agreement niet kent.
In de eerste plaats kan De Nederlandsche Bank, wanneer

zij dit in het belang der crediteuren nuttig oordeelt, surse-
ance van betaling voor een.çredietinstelling aanvragen.

In de tweede plaats wordt de reeds vermelde bevoegdheid
verleend, om een maximumverhouding vast te stellen tussen de verleende credieten en het bedrag der eigen
middelen. Nu ten’ gevolge van de ontwikkeling in .het bankwezen, welke zich in Nederland, maar ook. in het

• buitenland, tijdens en na de oorlog heeft voorgedaan, ‘de
liquiditeit der banken, naar bedrijfseconomische maatsta-
ven gemeten, zeer hoog is geworden,.’en er ook.wei’nig

350

ECONOMISCH-STATiSTISCHE BERICHTEN –

9 Mei 1951

aanleiding is om te veronderstellen, dat hierin op korte
termijn verandering zal komen, gaat de soliditeit dezer

instellingen een steeds belangrijker rol spelen. De Neder-

landsche Bank kan trachten de belangen der crediteuren te
waarborgen door het voorschrijven van solvabiliteits-

percentages, een regeling welke de. Belgische bankwet
ook kent.

Het is echter zeer de vraag, of men aan dergelijke voor-

schriften veel betekenis kan toekennen. Er is uiteraard

veel verschil in de soliditeit der verleende credieten, zodat

het zeer goed mogelijk ‘is dat een bank, welke het voor-
)

geschreven solvabiliteitspeitentage strikt in acht neemt,

toch zeer insolvabel kan zijn. Het karakter van deze

solvabiliteitspercentages is van geheel andere aard dan van
de vorenvermelde liqu iditeitspercentages bijvoorbeeld, die

bedoeld zijn om de geldschepping te regelen. Wanneer door

geldscheppende banken credieten worden verleend is er geen

verschil in het monetaire karakter; er wordt steeds geld,

gecreëerd; ongedifferentieerde koopkracht. Wordt echter

op de gegoedheid der debiteuren gelet, dan zijn er zeer

grote verschillen, zodat een solvabiliteitspercentage maar
een zeer geringe waarborg geeft voor de gegoedheid der
betrokken banken.

Het komt mij dan ook voor, dat het beter is de beveiliging

van de belangen der crediteuren te doen steunen op het
reeds vermelde – preventief werkende – toezicht van de.
centrale bank, en de solvabiliteitspercentages, die bedrijfs-

economisch van weinig betekenis zijn, en waaraan uit
monetair gezichtspunt geen behoefte bëstaat, maar die wel zeer belemmerend kunnen werken voor een goede

uitoefening van het bankbedrijf, te laten vervallen.

Conclusie.

Het in het bovenstaande summier besproken wetsont-

werp geeft een regeling van een materie, waaraan onder de
huidige verhoudingen in Nederland stellig behoefte bestaat.
De regeling van de geldvoorziening, van uitnemend ge-
wicht voor een ongestoord verloop van het economisch proces, heeft vanouds tot de prerogatieven van de Staat
behoord. Voor het metaalgeld is dit reeds sinds de grijze oudheid het geval geweest, en toen een nieuwe ruilgeld-
vorm, het bankbiljet, 7ijn intrede deed, werd vrij spoedig
de bankbiljetténuitgifte aan wettelijke normen onder-

worpen, meestal tevens gemonopoliseerd terwijl in de
laatste jaren de circulatiebanken vrijwel overal werden
genationaliseerd. De ontwikkeling schreed echter yoort en
door

de particuliere banken werd een nieuwe vorm van ruilgeld in het verkeer gebracht, in concurrentie met het
metaalgeld en het bankbiljet, nl. het girale geld, dat in
alle moderne landen de oudere Soorten ruilmiddelen in
omvang overvleugelde.

Voor een ongestoord verloop van het economisch

proces is het gewent, dat de monetaire autoriteitenok

de hoeveelheid van dit geld kunnen regelen. Uiteraard

werden door de centrale banken met behulp van de ortho-
doxe. middelen van discontopolitiek en open markt-

politiek met wisselend Succes ook reeds vroeger pogingen

in die richting ondernomen. Steeds meer is men er echter

van overtuigd geraakt, dat de rentepolitiek niet effectief

is om het ontstaan van éen hausse te bestrijden, nog minder

om een depressie tegen te gaan. Nieuwe middelen ivorden

derhalve in het onderhavige wetsontwerp aangegeven, zij
het ook, dat aan de rentepolitiek een plaats bleef behouden,

van weinig betekenis wellicht door het geringe effect,

met weinig kracht misschien ook gehanteerd vanwege de

repercussies op de koersen der staatsfondsen en op het
overheidsbudget;

De ontworpen regeling lijkt voor het. gestelde doel

alleszins effectief, doordat iij bijv. volledig ondervangt de

lekken in het Amerikaanse systeem, waarin alleen met
minimum kaspercentages wordt gewerkt t.o.v. crediteuren-

saldi en termijndeposito’s, zodat door omzetting van staats-

fondsen in saldi bij de centrale ‘bank, of door termijn-
deposito’s als giraalgeld te laten gebruiken, de crediet-

beperking kan worden gefrustreerd. De regeling is verder
voldoende soepel; er worden geen’ Wettelijke minimum-

of maximumverhoudingen vastgesteld, zodat .de centrale
bank telkens naar bevind van zaken kan handelen. Tevens

bestaat volledig de mogelijkheid om met de talloze scha-

keringen in het Nederlandse bankwezen rekening te houden. Met de wettelijke regeling van het toezicht op het crediet-

wezen, voor zover dit de belangen der crediteuren tracht te

beveiligen, wordt ongetwijfeld een algemeen belang van
Vrij wijde strekking gediend, zoals dat ook met het wette-

lijk toezicht op de levensverzekeringmaatschappijen het
geval is. Ook hir is een soepele regeling getroffen, waarbij

veel aan de prudentie van De Nederlandsche Bank wordt
overgelaten. Zoals in het voorgaande werd betoogd is

het aan te bevelen, dat niet wordt overgegaan tot het vast-stellen van solvabil iteitspercentages, welke weinig nuttig
effect maar wel overlast kunnen sorteren.

Behoudens de enkele opmerkingen, die werden gemaakt,

lijkt de regeling, zowel tav. de bescherming van de leden

der volkshuishoud ing tegen ongemotiveerde verliezen,
als t.a.v. het conjunctuurpolitieke oogmerk, de beheersing

van de geldhoeveellieid, aan redelijk te stellen eisen te vol-
doen. Of het conjunctuurpolitieke doel inderdaad zal

kunnen worden bereikt hangt echter niet alleen af van de
wijsheid van de centrale bank, die deze regeling moet
hanteren, maar eveneens in belangrijke mate van de
overheidshuishouding, die op het terrein der geldcreatie en geldvernietiging zo’n belangrijke rol kan vervullen.

Amsterdam.

F. DE ROOS.

Mercurius aan banden

Hoe men ook over het nieuwe prijsbeheersingssysteem,
belichaamd in de Prijzenbeschikking Handeismarges 1951
moge denken: het laboreert niet aan dat. pietepeuterige
perfectionisme, dat tot voor kort het kenmerk was van
alle overheidsmaatregelen hier te lande. Het werkt door
een algemeen beginsel, het vaagt niet om een omvangrijk
uitvoerings- en contrôle-apparaat, het is er op berekend

om met geringe middelen een zo groot mogelijk effect te
bereiken. Het beantwoordt, in elk geval politiek aan de
eisen, waarvoor de Regering zich zag geplaatst. Het is
een paardenmiddel, maar de kwaal, waaraan wij lijden,
is er dan ook naar.

Dit willen wij voorop stellen als wij de maatregel

enigszins critisch zullen gaan bezien. Wij zijn ôns bewust,
dat enkele gebreken, welke wij in het systeem zullen aan-
wijzen, min of meer slechts
les défauts de ses qualités
zijn. Niettemin eist de billijkheid, dat ook op deze keer-
zijde der medaille gewezen wordt, en niet alleen de billijk-
heid, maar ook het algemeen belang, want een systeem,

dat Al te eenzijdig bepaalde doeleinden, hoe begerens-
‘waardig ook, nastreeft, loopt het gevaar op de duur
meer schade dan nut aan te richten.

De ,,weg van de minste weerstand”, waar men vaak
met minachting over spreekt, is strategisch lang niet altijd
te versmaden. Een goed veldheer iS maar al te gelukkig
als hij hem vindt. Ook dé Minister heeft deze weg gekozen

9 Mei 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

351

toen hij zijn Beschikking speciaal tegen de handel richtte.
Want niet alleen is de handel lang niet zo sterk politiek

en organisatorisch verschanst als de industrie, maar ook
is zijn kostenstructuur – althans ogenschijnlijk – ge-

makkelijker te doorgronden. De koopman betaalt een prijs

voor zijn waren en ontvangt daarvoor een hogere prijs;

alles wat daar tussen zit – zo redeneert men – is winst.

Uiteraard heeft hij zijn onkosten, maar die zijn lang niet
zo zichtbaar als in de industrie: men is licht geneigd ze
gering te schatten. Over de onkosten van de handel zullen
we later nog iets zeggen, maar hier willen. we er op wijzen,

dat het niet waarschijnlijk is, dat de oorzaak van het

kwaad, de excessieve winstmarges, bij de handel ligt.
Want in de handel is de concurrentie, in het algemeen
genomen, gemakkelijker en scherper dan bij de kapitaal-
intensieve industrie. Het is waar, dat bij tijd en wijle

schaarse goederen, buy. metaalprofielen, machine-onder

delen enz. met enorme winsten worden verhandeld, maar

dit blijkt toch meer uitzondering dan regel, en dergelijke

situaties hebben de neiging zichzelf te liquideren door
toevloed van kooplieden en beunhazen naar de lokkende
affaire. En ten slotte: juist zulke éénmalige winsten zullen
met de algemene normen, welke de beschikking stelt,

niet gemakkelijk te treffen zijn.
Maar aanvaarden we liet feit, dat Mercurius in de slag
om lonen en prijzen als eerste een veer- laat, dan nog is
het van belang er op toe te zien, dat de god des handels
daarbij niet zoveel bloed verliest, dat hij aan chronische
bloedarmoede gaat lijden. En dit gevaar is in het gekozen

• systeem niet denkbeeldig. Ogenschijnlijk is de koopman door de fixatie van zijn marges er zo kwaad niet aan toe;
hij mag immers nog altijd hetzelfde absolute bedrag aan
winst maken, dat hij in de basisperiode (1 Juni 1949-
31 Mei 1950) genoot. En tegenover de beperking van zijn
marge staat toch de bevoegdheid, die thans in beginsel
erkend wordt, om zijn goederen tegen vervangingswaarde
in rekening te brengen. De Overheid, zo zou men de

koopman kunnen voorhouden, neemt cr1. geeft – ook
hier.
Niettemin heeft de handel reden om de toekomst onder
dit nieuwe prijzenregime met zorg tegemoet te zien.

Want de faciliteit, welke de Overheid toestaat, is aan strikte
beperkingen gebonden, welke haar waarde grotendeels te
niet doen; de verplichting, die zij oplegt, geldt daarentegen
over de gehele linie. in feite zal de handelaar bij stijgende
prijzen nôg gedwongen zijn een deel van zijn kapitaal in

te teren, terwijl de stijgende kosten van zijn gefixeerde
bruto-winst een steeds groter percentage zullen uitmaken.
Dit, gezien in het kader ‘an een daling van de omzet, welke
bij verwezenlijking van liet economische regeringsprogram-
ma niet kan uitblijven, vormt een uiterst somber perspec-

tief. –
Voor de detailhandel zijn onlangs enkele ,,kengetallen”

gepubliceerd, helaas uit lang ‘voorbije jaren
1).
We vinden

daar voor enkele branches de volgende cijfers voor bruto-
winst en totale kosten, uitgedrukt in percentages van de

omzet:

Bruto-
winst
Totale
kosten
,,Ecènomisch resultaat”

Meubelen

…………
1946
27,2
19,3
7,9
Schoeitel …………..
1947
22,2
17,9
4,3
Kruidenierswaren

……
1948
16,4
16,8
—0,4
Huishoudelijke art.

….

1946
30,9


25,3 5,6
Dames- en meisjes-
bovenkleding

……..
1948
23,8
18
5,8
Kledingstoffen

……..
1948
22,3
16,1
6,2

Dit zijn cijfers uit een tijd, waarin het de detailhandel
redelijk goed ging. –
In de toekomst zou de inmiddels zeer verscherpte con-

‘)
,,Kengetallen voor het kleinbedrijf”, uitgave Stichting Economisch
Instituut voor den Middenstand, waar men ook de gedetailleerde kosten-
cijfers kan vinden.

currentie wel een algemene stijging van

het netto-winst-

percentage hebben verhinderd. De Beschikking fixeert

evenwel de
bruto-winst,
en wel met terugwerkende kracht
tot een basisperiode van 1 Juni 1.949-31 Mei 1950

waardoor dit
cijfer
iedere elasticiteit tegenover de stijgende

kcisten verloren heeft. Voor de kostenstijging, die zich na

31 Mei 1950 reeds heeft voorgedaan (o.a. tweemaal 5 pCt

loonsverhoging, 15 pCt huurverhoging), -wordt 3 pCt

toeslag op de basismarge toegestaan, hetgeen vermoede-

lijk wel ongeveer toereikend is. Maar tegen verdere
kostenverhogingen, die toch aan de orde van de dag zijn

(prijsstijging energie en gas, verpakkingsmateriaal, bank-
provisies en andere diensten) staat de handelaar weerloos:

deze komen nu verder te zijnen laste.

De fixatie van de winstmarge
per artikel
maakt deze

maatregel nôg bijzonder ongelukkig voor de ondernemer.

Want daardoor wordt hem grotendeels het middel ont-

nomen, waarin juist zijn kracht ligt en waarin zijn be-

kwaamheid als koopman eerst kan blijken; het manoeuvre-

ren ‘met winstmarges. Goed koopmanschap immers
blijkt niet uit het heffen van een standaardpercentage op

alle aangeboden goederen, doch veeleer uit geven en
nemen in nauw contact met de vraag van het ogenblik:
hoge marges op goederén, waarnaar een sterke vraag

bestaat van de hogere inkomensgroepen, lage marges,
of

zelfs geen winst, op bijzondere aanbiedingen, wanneer hij
het geraden-acht het grote publiek naar zijn zaak te trekken
en kopers aan zich te binden. Deze twee facetten van
de verkooppolitiek gaan natuurlijk onverbrekelijk samen;

zij moeten elkaar in de boeken’van de koopman compen-
seren. Maakt de prijsbeheersing de hoge marges onmoge-
lijk, dan is het ook met de goedkope aanbiedingen gedaan.
Nog op een ander – en o.i. het ongunstigste – aspect
van de Prijzenbeschikking willen wij de aandacht vestigen:
de beperkingen gesteld aan het doorberekenen der ver-
vangingswaarde en de consequenties daarvan voor het
kapitaal der onderneming. Eerst wanneer de handelaar
eenzelfde of nagenoeg eenzelfde goed
in huis heeft,
mag hij

de inkoopprijs van dit goed als uitgangspunt nemen voor
– liet berekenen van een vervangingswaarde voor de goede-
ren, welke hij in voorraad had; bovendien moet de laatste
partij zijn ingekocht in de gebruikelijke hoeveelheid
2)

van een leverancier, die dit goed regelmatig verhandelt.

Het is duidelijk, dat de handelaar aldus steeds achter de
vervangingswaarde aanloopt en dat hij, om zijn achter-stand niet al te groot te laten worden, versneld moet in-
kopen, d.w.z. méér kapitaal moet investeren. Zo hij tot dit laatste al in staat is, dan betekent het toch een extra
last voor hem, die wederom in mindering komt van zijn

bevroren bruto-winstmarge.
Dat deze vertraagde doorberekening van de vervangings-
– ‘waarde nog tot aanzienlijke kapitaalsintering kan leiden,
heeft de textielhandel reeds ondervonden voor die goederen,
die reeds van September 1950 af onder een soortgelijke Beschikking vielen. De ongunstige omstandigheid deed
zich daarbij voor, dat de inkoopprijzen in zeer snel tempo
stegen. Een voorbeeld gebaseerd op werkelijke prijzen,

laat dit duidelijk zien:

Een handelaar koopt in Augustus 1950 100 dekens â f28,45. De helft hiervan verkoopt hij met 177 opslag. Hij ontvangt dus
50xf35,45 = fl.772,50; na aftrek 3 pCt O.B. restôert fl.719,34.
Van dil bedrag koopt hij-op t Februari 1951 dekens bij, doch daar
de prijs inmiddels gestegen is tot f51,10, kan hij er slechts 33 bij-
kopen, voor f 1.686,30 (resteert f33,04); hierdoor krijgt hij gelegen-
heid om zijn oude voorraad hoger te waarderen. 1-Jij verkoopt ver-
volgens zijn 83 dekens volgens voorschrift tegen 1751,10 en de
oude marge + 3 pCt enz.: 83 x f59,02 = f4.898,66. Na aftrek
van 3 pCt omzetbelasting houdt hij hiervan over f4.751,69, te ver-
meerderen met f 33,04 (zie boven), in totaal
…………….
f 4.784,73
Zijn omzet is intussen geweest 133 dekens voor 176.471,03. Rekent
men over dit bedrag 12 pCt voor onkosten en 5 pCt gewaardeerd
loon voor de ondernemer, dan wordt dit 17 pCt van f6.471,03 f 1.100,-
Zodat voor aankoop van nieuwe voorraad resteert
………..
f 3.684,73

‘) De Beschikking eist niet, dat de gehele ingekochte hoeveelheid reeds
ontvangen is. Indien slechts 66n- of enkele stuks daarvan ten verkoop aan-
wezig zijn, mag de handelaar de hogere prijs reedt berekenen. –

•”,-

-“;’-‘

‘ ‘”

-””
n’•’-

-‘

352

‘ – –

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

9 Mei 1951

Waarvoor de winkelier op 15 Maart 1951, tegen de inmiddels meer gestegen
prijs van f62,50 nog slechts 58 dekens kan terugkopen, waarna hij f59,70
overhoudt. In dit voorbeeld is geen rekening gehouden met de belasting,
die de winkelier over zijn schijnwinst heeft te betalen.
Uit dit voorbeeld blijkt wel, dat de faciliteit, welke de

Beschikking de handelaars verleent op het stuk der ver-

vangingswaarde, hen nog geenszins vrjwaart tegen kapi-

taalsintering. Het is in deze situatie, dat zich het historische

feit voordeed, dat een grossier dekens goedkoper bij de

winkeliers kon inkopen dan bij de fabrikant!

De vraag schijnt gerechtigd, of de handel, aldus op twee

fronten aangevallen, niet te zwaar wordt getroffen; of de

kooplieden aldus niet veel meer dan
5pCt
aan de algemene

consumptievermindering bijdragen, of zij zelfs de gelegen-

heid om rendabel te werken niet geheel zullen verliezen.

Voor een groot deel hangt het antwoord af van de opt-

wikkeling der prijzen in de toekomst.

Intussen zou men toch’ wegen kunnen zoeken om de

scherpste kanten van .de Beschikking af te vijlen zonder in
gedetailleerde regelingen te vervallen.

Een aanzienlijke verbetering heeft de op 13 April af-

gekondigde Vrijstellingsbeschikking reeds gebracht. Hier-
door is de gelegenheid voor de handel om ,,uitwijkmoge-

lijkheden” te. zoeken ten dele hersteld. Slechts vragen wij

ons af,, of niet tévens meer vrijheid kan worden gegeven

ten aanzien van de txtie1goed6ren der hogere prijsklassen

(,,haute couture” bijv.), die niet op de w.eeldetabel voor-

komen, maar toch ook kennelijk buiten het budget der

lagere inkomensklassen vallen.

Nog belangrijker zou het o.i. zijn, de doorberekening

van de vervangingswaarde op ruimer schaal mogelijk te

maken, door bijv. de eis, dat de ingekochte nieuwe voor-

raden ten dele reeds in huis moeten zijn, te laten vervallen.

Wij vermoeden, dat deze eis gesteld is om redenen van

contrôle-technische aard. Doch ook indien men als facul-

tatieve eis stelde, dat een schriftelijke orderbevestiging,

of zelfs maar een offerte van een binnenlands leverancier

in huis moet zijn, zou de contrôle eenvoudig en doelmatig

blijven. Immers, deze leverancier zou zich wel wachten,

in een zodanig stuk een fictieve, te hoge prijs op te geven,

omdat hij daarmede het materiaal voor zijn eigen ver-

oordeling uit handen zou geven.

Wij menen, dat door amendementen in deze zin niet

alleen recht zou geschieden aan de handel tegenover

de
andere volksgroepen, doch dat ook het algemeen belang

eist deze tâk van bedrijf althans een bestaansmogelijkheid

over te laten, al was het alleen maar, om zijn kwaliteiten
als de tollenaar der Omzetbelasting!

Amsterdam.

Mr 0. LEYENDEKKERS.

De productie en het verbruik van ‘electriciteit in Nederland

V66r de laatste oorlog was het productie-apparaat voor:

de electriciteitsvoorziening in ons land in ‘goede staat.
Het geinstalleerd’vermogen was van die aard, dat er vol-

doende machine-‘ en ketelcapaciteit in reserve stond en

dat steeds een goede electriciteitsvoorziening gewaarborgd

was. ‘Wel waren de voorzieningsgebieden voor het grootste

gedeelte aangewezen op stroomlevering van één centrale

‘uit, doch dit gaf slechts een enkele keer aanleiding tot

ernstige bezwaren. –
Naarmate de electriciteit echter diepe,r in de samen-
leving doordrong, begon allengs het besef door te dringen,

dat het eigenlijk’ ontoelaatbaar was de stroomlevering

geheel van een uitsluitend op’ zichzelf staande centrale

te doen afhangen.

Dit heeft geleid tot het plan om een hoogspannings-
koppelnet ter verbinding van de ,centralen van ons land te

bouwen, waarvan thans een belangrijk gedeelte reeds in
bedrijf i en dat naar de huidige verwachting in het jaar
1953 alle Nederlandse- centralen zal verbinden. Verder
is voor de samenwerking der, op het koppelnet aangesloten-
bedrijven opgericht de NV: Samenwerkende Ejectriciteits-
productiebednjven (SEP.), welke ten doel heeft het be-
vorderen van de samenwerking der bedrijven ten aanzien
van de productié en de hiervoor benodigde voortgeleiding

van de electrische energie.

Tevens behoôrt de levering

van energie naar en het betrekken daarvan uit het buiten-
land tot het werk der S.E.P. –
Hierbij is er van .uitgegaan, dat in principe de bedrijven
de stroom opwekken nodig voor ‘hun eigen voorzienings-
gebied; ‘daarvoor installeren zij voldoende productie-

vermogen inclusief reserve. In gevallen van nood bij een der deelnemers zijn de andere deelnemers verplicht hem
bij te springen ter dekking van het daar bestaande tekort.

Hier moet dus direct het probleëm van het reservever-
mogen nader worden bezien en het is duidelijk, dat hier-
voor aan de bedrijven eenzelfde maatstaf moet worden
aangelegd. Hiervoor moge een korte beschouwing volgen.
Moet een centrale een bepaald vermogen (gelijktijdige
belasting) kunnen leveren, stel bijv. 100 Megawatt, dan
moet in verband met de storingskansen van machines en

ketels e.d. een groter vermogen worden opgesteld. Vroeger
bepaalde men dit réservevermogen min of meer op het

gevoel, doch met behulp der waarschijnljkheidsrekening

wordt thans ondubbelzinnig vastgesteld welk vermogen

bij een gegeven constellâtie van opgestelde machines en
ketels – hierbjj aannemende een bepaalde kans van on-

vermogen – iedere S.E.P.deelnemer bedrijfsvaar,dig ter
beschikking heeft. Het is duidelijk, dat de reservefactor
(d.i. de verhouding van geïnstalleerd vermogen tot veilig
vermogen) kleiner kan worden naarinate het aantal der

opgestelde machines en ketels groter wordt, m.a.w. in
het geciteerde geval van een
gelijktijdige
belasting van
100 MW moet de reservefactor groter zijn, wanneer men
eenheden van 25 MW dan wanneer men zulke van 10
MW opstelt. Bij de hier te lande als volkomen aanvaard-
baar ondërvonden storingskansen vindt men dan, dat bij
gelijke kans op onvermogen de reservefactor van ca
1,55
bij ppstelling van 4 gelijke’ eenheden daalt tot ca 1,2 bij
26 ‘gelijke eenhedei’i.

Het ligt e/eneens voor de hand, dat, wanneer men’ door
koppeling van centralen een groter aantal eenheden –

zij het in verschillende centralen opgesteld – in de ge-
zamenlijke productie betrekt, de reservefactor van het geheel kleiner kan worden, m.a.w. bij eenzelfde totaal
géïnstalleerd vermogen kan dan aan een grotere gelijk-
tijdige belasting het hoofd worden geboden. Dit is de ver-
klaring van het feit,dat in Nèderland gedurende geruime tijd ondanks de onmogelijkheid ‘om in de eerste jaren na

de oorlog nieuw produétievermogen te installeren, aan een snel groeiende belasting het hoofd kon worden ge-
boden.
Eerst in de laatste jaren moest door invoering van piek

beperkingsmaatrègelen de hoogste belasting zodanig worden gedrukt, dat het voeren van een verantwoord
bedrijf mogelijk was.

Aan de andere kant geeft de mogelijkheid om bij ge-
koppeld bedrijf met een kleinere reservefactor te kunnen
‘volstaan, dus minder machine- en ketelverniogen te kunnén
installeren, een kapitaalbesparing, waarmede ten ‘dele

9 Mei 1951

1
ECONOMISCH-STA TISTISGHE BERICHTEN

353

aan.de uitgaven, die aan de koppellijnen besteed môeten

worden, tegemoet gekomen wordt.

In de hierbij opgenomen tabel vindt men een over-

zicht van de productiecapaciteit en de maximumbelasting

van de openbare centralen in Nederland voor de tien jaren

1947 tot 1956; tot 1950 zijn hierin werkelijk opgetreden

waarden, voor de latere jaren de te verwachten waarden

opgenomen. Ter vergelijking vindt men ook de in .het jaar

1939 werkelijk opgetreden waarden vermeld.

Overzicht van de productiecapaciteit en de belasting in
Nederland in MW.

Jaar
Opesteld
in
centralen
A

Aandeel
mijnen ‘)

B

Veilig
mci.
mijnen
5)
C

Max.
belasting
Nederland
5)
D

1939
1.340
30
830
745
1947
1.365
55
875
950
1948
……..
1.420 60
1.035
1.035 949
1.505
50
1.110.
1.135
1.605
50
1.225
.

1.280
1951
1.810
50 1.370
1.605
1952
2.210
65 1.725
1.740

1950

……….

1953
2.620
50
2.030
1.885
1954
2.690
50
2.090
2 .020 1955
2.815

.
45
2.185
2.140
1956
2.970 40 2.310 2.260

– ‘)Dit is slechts het gedeelte van hét in totaal opgestelde productievermogen,
dat de mijnen voor de openbare electriciteitsvoorziening beschikbaar hebben.
In totaal is er voor de mijnen een veel groter vermogen opgesteld.
1)
De getallen zijn verkregen door toepassing van de juiste reservefactoren
op de cijfers van kolom A.
‘) Ramingen, indien er geen piekbeperkingsmaatregelcn waren.

De vergelijking van de cijfers der kolommen C en D
geven aan, dat in 1939 de toestand bevredigend was, doch
dat in de jaren 1947 tot 1950 een tekort aan reservever-

mogen aanwezig was.
Ter tegemoetkoming aan dit tekort bleek in de eerste

plaats de mogelijkheid te bestaan, om een belangrijk
vermogen uit het buitenland te betrekken. Sedert de be-vrijding is er, namelijk in Lutterade nabij de Staatsmijn
Maurits een provisorisch koppelstation met een import- —
capaciteit van ca 50 MW in bedrijf gesteld, dat na gedu-
rende enige jaren waardevolle diensten te hebben bewezen
voor de samenwerking met België werd vervangen doot
een definitief 229/150 kV-koppelstation, waar via de

,,Rheinisçh Westfalische Elektrizitatswerke” (R.W.E.)
eén verbinding met het Duitse kôppelnét en via de ,,Société
pour la Coordination de la Production et du Transport
de l’Energie Electrique” (C.P.T.E.) een koppeling met het
Belgische electriciteitsnet is tot stand gebracht.
Over deze verbindingen is in het jaar 1949 een vermogen
van 50 MW en in 1950 zelfs van 120 MW geïmporteerd.
Deze importen hebben echter geen eenzijdige betekenis,
want er zijn momenten geweest, dat uit Nederland aan de
buitenlandse netten hulp is geboden als men aldaar in
moeilijkheden zat. Er is zelfs een periode geweest, dat toen

de Zwitserse electriciteitsvoorziening in moeilijkheden
verkeerde’ ten gevolge van gebrek aan water voor de hydro-
electrische centrales, door Nederland een aantal kWh
via het Duitse hoogspanningsnet aan Zwitserlahd werd

geleverd.
Maar ook deze import was voor een veilige electriciteits-
voorziening niet voldoende en daarom dienden er in de
tweede plaats piekbeperkingsmaatregelen te worden ge-

nomen. Dat dit moest geschieden was voor de verbruikers
zeer onaangenaam, maar de wijze, waarop de verminde-
ring van de piekbelasting werd bereikt, is toch niet al te
bezwaarlijk gebleken. Van alle zijden is er begrip voor de
situatie getoond en het is de verbruikers duidelijk geweest,

dat het beter was hier preventief te werk te gaan dan ge-noodzaakt te zijn bij het optreden van ongunstige weers-‘ omstandigheden of van storingen aan machines of ketels
grotere of kleinere gëbieden plotseling, geheel te moeten

uitschakelen.
Ondertussen zijn de zorgen van de yoor de electriciteits-

voorziening’ verantwoordelijke personen niet uitsluiteitd

tot de winterperiode beperkt. In de centralen is het nu

eenmaal noodzâkelijk om de bedrijfsmiddelen periodiek
in revisie te nemen. De bedrijven streven er naar, dat in

de piekcarnpagne de machines en ketels in goede staat

verkeren en hiervoor worden ze bij toerbeurt zoveel

mogelijk in de zomermaanden buiten bedrijf genomen.

Voor de in het S.E.P.-verband samenwerkende bedrijven

worden de revisieprogramma’s wel is waar in onderling
overleg op elkaar afgestemd, doch buiten de piekperiode
is het beschikbaar vermogen kleiner dan de in de tabel aangegeven waarden. Zodoende ‘ kan de marge tussen

beschikbaar vermogen en gevraagde belasting dan wel eens

bedenkelijk klein worden. Zo is op 22 September 1950 bij
zeer ongunstig weer de belasting zo hoog gestegen, dat
alle beschikbare machines liepen en toch de stroomvoor-

iening’ slechts ‘gehandhaafd kon worden dank zij een

imort van 60 MW.

Bij een verdere beschouwing van onze tabel ziet men,

dat de, verhouding van veilig vermogen tot maximum-‘

belasting in 1951 nog zeer ongunstig zal zijn. Welis waar
is het in kolom D opgenomen’ cijfer voor de belasting
zonder piekbeperkingsmaatregelen gerâamd, doch men
ziet, dat er een groot belang bestaat de belasting te drukken

en dat bovendien getracht moet worden door een belang-
S

rijke import de toestand te yerbeteren.
.Met grote voortvarendheid wordt aan de opsttlling van
nieuw vermogen gewerkt; wij hebben echter in Nederland

tegen gehad, dat wij het laatst van alle landen zijn bevrijd
– en daardoor het laatst nieuw productievermogen hebben
kunnen bestellen; dit ook al mede in verband met de zeer
moeilijke deviezenpositie op het moment van de bestelling.
Eerst in 1952 kunnen wij hopen, dat de toestand gun-
stiger zal zijn en dat er voor het laatst piekbeperkings-
maatregelen zullen moeten worden genomen.
Ondertussen zijn er weer nieuwe moeilijkheden gekomen

en wel op het gebied van de kolenvoorziening. Enige tijd
geleden liet zich deze wat gunstiger aanzien, zodat zelfs

KOPPELNET VAN NEDERLAND PER 1 JANUARI 1951

.

0

f
LEEs
WSRDE

GRONINGEN

GASSELTE

J
LEMMER
EMMENI
—..l

VOLLERHOVE

ZWOLLE
Ç
VELSEN

HAARLEM

AMST(R55M

suoes4
t

RENGELO

LEIDEt

DEVENTER

(Ns6IEOi
,SRAVENH5GE

S050A

ti.TNTCNT
‘0
DELrT

‘1
ROTTERSARS ,
DORDRECHT

NUMEGEN
TEERTR.6ERG

t
.
‘,.
TJ.J.OURG

.
VLSSNGEN

EINOHOVEN 8 IER 1CM

WES5RPE

“. MOE WOUD
1
‘LUTTERAOE
o
r,LEcTRIcITEITsrABRIEN

!

4JNCENTRALE5
• TRANs6RMATORsTATION

BRAUWCILER

H OOG S PA NNING SL J N
JUPILLE
— tN BEORJE. EVENTUEEL NOG NIET MET
DE UITEINDELJR VOORZIENE SPANNING
—IN AANLEG

354

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

9 Mei 1951

de brandstoffendisiributie kon worden opgeheven; thans

is er weer een zo grote schaarste, dat op grote schaal

invoer van dure Amerikaanse kolen môet plaatsvinden.

Door de koppeling met Duitsland en België is het nu
mogc lijk een belangrijke hoeveelheid stroom te impor-

teren,’ die anders door de Nederlandse centralen zou
moeten worden opgewekt en dus kolen zou kosten. Dit

geschiedt door de import niet uitsluitend tot de piekperiode

te beperken, doch over het gêhele etmaal vol te houden.

Weliswaar worden de dag-, en de nachtbelasting der

Nederlandse centralen, die zonder bezwaar door de be-

staande apparatuur zouden kunnen worden geleverd,

verminderd, doch doordat de hierdoor bereikte kolen-
besparing gewaardeerd mag worden op basis van de

hoge prijzen van Amerikaanse kolen, is deze energie-

import niet alleen een zeer welkome verbreding van onze
te smalle kolenbasis, doch ook economisch volkomen
verantwoord.
‘s-Gravenhage.

Ir G. J. T: BAKKER.

Lahore en Caïro

Trefpunten voor katoenverbouwers en textielproducenten

Zij, die de internationale contacten in de katoenwereld
plegen te onderhbuden, hebben in het eerste kwartaal van

dit jaar al weer heel wat vlieguren moeten verwerken.

In de maand Februari immers werden twee internationale

katoencongressen georganiseerd. Het eerste in Lahore,

waar het ,,International Cotton Advisory Committe”
zijn lOde Plenary Meeting hie1d het tweede in Caïro,

waar Egypte de deelnemers aan het 19de Congres van de
‘,,International Federation of Master Cotton Spinners’ and

Manufacturers’ Associations” ontving.

Daar momenteel zeer veel wat met de katoen samen-
hangt in het teken der distributie staat, zal menigeen
verondersteld hebben, dat de verdeling van deze schaarse

grondstof het belangrijkste onderwerp der congressen

zou vormen. Merkwaardigerwijs werden echter de plannen
•voor het voortzetten en eventueel uitbreiden der allocatie-

systemen voor de nieuwe oogsten te zelfder tijd juist bij

de tegenvoeters der Pakistani en Egyptenaren, nl. in de
Verenigde Staten, voorbereid.

Ondanks het feit nu, dat het meest brandende van alle
hedendaagse problemen niet werd aangeroerd en daar-
over dus ook geen verslag kan worden uitgebracht,kan het
toch zijn nut hebbén enkele aspecten van het in Lahore
en Caïro behandelde hier wat nader te belichten. Zulks
temeer, daar menigeen zich nu wel zal afvragen, waarom
dan eigenlijk binnen één maand twee katoencongressen
werden gehouden.

Bovendien is het een feit, dat zelfs menig insider: nog
moeilijk vertrouwd raakt met de doelstellingen en de
organisatie van de I.C.A.C. en de International Federation.
Wij zullen daarom trachten een korte schets van het ont-
staan en de ontwikkeling van beide internationale lichamen
aan het beknopte verslag der congressen vooraf te laten
gaan.

De ,,ïnternational Federation
of
Master Cotton Spinners
‘and Manufacturers’ Associations”.

Het ontstaan van deze Organisatie van katoenindustriëlen
is terug te voeren op de periode van katoenschaarste uit
het begin van de 20ste eeuw, toen – vooral in 1903/04 –

van Amerikaanse zijde pogingen werden’ ondernomen om
de grondstoffenmarkt te beheersen.

De continentale verbruikers van de ,,zilveren vezel”,
beducht als zij waren ten offer te vallen aan de gevaarlijke

manipula:is der speculanten, sloten zich daarop in af-
weer aaneen en wisten door een tijdige beperking der
werktijden in de fabrieken de grote katoencorner van de
Amerikaan Sully te breken.

Het voorkomen en, zo nodig bestrijden van nieuwe
pogingen tot marktbeheersing vormde het hoofdpunt

der discussies op het eerste internationale katoencongres
te Zürich (1904). Een blijvende vorm van samenwerking
kwam in het daarop volgende ‘jaar in Lancashire tot

stand, toen de oprichting van de ,,International Federation

of Master Cotton Spinners’ and Manufacturers’ Associa-
tions” met als zetel Manchester een feit werd.

Daar alleen verenigingen van industriëlen als lid tot de

‘International Federation konden toetreden, werd in Neder-
land, waar dergelijke vormen van samenwerking nog

onbekend waren, in 1907 de ,,Nederlandsche Patroons-
vereeniging van I(atoenspinners en -wevers” opgéricht.
Het was via deze vereniging, dat de katoenfabrikanten

uit Twente en Brabant de laatste 40 jaren het internationale

contact onderhielden. Met name moet hier de heer Joan
Gelderman genoemd worden wegens zijn uitstekend

representatiewerk gedurende meer dan .30 jaren.’

Véör de oorlog heeft de International Federatjon, de
enige internationale katoenorganisatie van formaat, veel

nuttig werk kunnen doen op het gebied van het publiceren
van objectieve oogstramingeri, het verzamelen van statis-
tische gegevens betreffende de spin- en weefcapaciteit der
verschillende landen, de bestrijding van misbruiken in de
katoenhandel, ed.

Haar orgaan, het ,,International Cotton Bujletin”,
verscheen met een grote regelmaat; de uitvoering er van
bleef steeds voortreffelijk verzorgd. Dit laatste mocht
ook gezegd

worden van de nog altijd lezenswaardige
rapporten van de vader van de huidige secretaris, Mr.
Arno S. Pearse, die speciaal met zijn boek•over.de Japanse
katoenindustrie (1929) naam maakte. Ten slotte Vond ook
de Organisatie van een 18-tal katoencongressen in vele
kringen grote waardering.

Zeker, daarnaast moet erkend worden, dat aanvankelijk

nog weinig kracht van deze internationale bijeenkomsten
kon , uitgaan. Bindende besluiten werden nauwelijks’
genomen; men moest zich met aanbevelingeti – tevreden stellen. De kracht werd immers bepaald door de zwakste

schakel in de keten der nationale verenigingen. Kinder-
ziekten bleven dus dit begin van internationale samen-
werking niet bespaard.

Wat de concrete resultaten betreft, die desalniettemin
konden worden behaald, valt nog een samenwerking buiten
het enge kader der spinners te vermelden. Tijdens een
der vorige
1)
in Egypte gehouden congressen vonden name-
lijk katoenproducenten en -consumenten elkaar bij de
oprichting van het ,,Joint Egyptian Cotton Committee”;
een lichaam, waarin sedertdien de door de spinners geuite
critiek op de wijze van productie en ,,marketing” der
Egyptische katoen grondig kon worden besproken. Waar
mogelijk werd deze critiek ook ter harte genomen, hetgeen

1)
De International
Federation vergaderde reeds in
19121927 en 1938
in Cairo.

9 Mei 1951

,:
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

355

enkele belangrijke verbeteringen, zoals het voorkomen van

het mengen van uiteenlopende katoensoorten en het con-

troleren van het vochtgehalte der katoen véér de versche-
ping, ten gevolge had.

Na de tweede wereldoorlog bleef de Internatiönal Fedé-
ration geruime tijd een sluimerend bestaan leiden. Ener-

zijds was dit een gevolg van de wens van enkele bestuurs-

leden, die er de voorkéur aan gaven te wachten ,,till times

werè normal again”. Anderzijds werd in de behoefte
aan statistieken op het gebied van de katoeiiproductie en
-consumptie reeds op een andere, dikwijls zelfs betere
wijze voorzien, o.a. door het werk yan het hierna te be-

spreken I.C.A.C. en, wat Engeland betrof, door de zeer
goed geleide statistische afdeling van de Cotton ;Board.

Toch werden geleidelijk aan velen het wachten op de
tenigkeer van de zogenaamde normale verhoudingen

moe. Na een voorbespreking in Zwitserland werd daarom
in October 1950 te Parijs tot een doen herleven van de

International Federation besloten, waarbij tegelijkertijd
het royale aanbod van Egypte om het congres in Cairo en
Alexandrië te houden, werd geaccepteerd. Voor velen,
die zich een der drie vorige Egyptische congressen herin-
nerden, was dit geen moeilijk besluit. De gastvrijheid der
Egyptenaren was in. de, International Federation tot een
begrip geworden.

Voordat wij op dit congres ingaan, willen wij eerst een
beschouwing wijden aan de nieuwe ,,rivaal”, het I.C.A.C.
en de door dezè Organisatie gehouden bijeenkomst te
Lahore. /

Het , ,International Cotton Advisory Committee”

De omstandigheden, . welke aanleiding gaven tot het •ontstaan van het ,,International Cotton Advisory Corn-
mittee”, waren wel zeer verschillend
van
die, waaronder de
International Federation werd geboren. Niet schaarste,
maar juist overvloed aan katoen bracht namelijk in 1939
de katoenproducenten in Washington bijeen, ten einde
gezamenlijk het door de verbouwers van exoten en andere
kato nsoorten zo gewraakte systeem der Amerikaanse
exportsubsidies te bespreken.

Het was niet te verwachten, dat een dergelijk, op inter-
•nationaal niveau steeds moeilijk te hanteren, probleem
direct opgelost kon worden. Aan de gedachte van een
internationaal ,,commodity agreement”, zoals wij deze
afzet- en afname-kartels de laatste jaren plegen te noemèn,

was men nog niet toe. Men bepaalde zich dan ook tot het
stichten van het T.C.A.C., een Organisatie, die tot taak had:
,,to promote cooperation in the solution of those problems
of cotton which are primarily international in their scope
and significance”.
Voorlopig bleef men hieronder verstaan het observeren
van de internationale katoensituatie; veel meer kon men
in de onmiddellijk op de oprichting volgende wereldoorlog
ook niet doen, overschaduwd als toen elk probleem van
internationale aard werd door de steeds verder om zich
heen grjpende werelclkrijg.

Eerst enkele jaren na deze periode van gedwongen werke-
loosheid achtte men het zaak het internationale contact te verstevigen. De 7de Plenary Meeting, welke in 1948
te. Caïro werd gehouden en waarvoor zowel de regerings-
delegaties van katoenproducerende als van katoenconsu-
merende lapden werden uitgenodigd, was de eerste belang-
rijke naoorlogse
bijeenkomst
van dit reizende katoen-
parlement.
Hoewel men tijdens deze ,,zitting” overeenkwam het
statistische werk weer met kracht ter hand te nemen, een beslissing, die op de 8ste Meeting (Brussel, 1949). tot in
details werd uitgewerkt, raakte men de kern van de ôpzet,
hoe in tijden van dreigende overvloed te handelen, 1iauwe-
lijks aan.

Ook in 1950 te Washington bleef het hoofdprobleem,

de al of niet wenselijkheid van het aangaan van een ,,cotton

agreement”; sluimeren.

Nu was de tijd er ook niet naar om te trachten onder de
leiding van de Verenigde Staten ernstig op zulk een

,,commodity agreemért” in te gaan. De vooroorlogse

periode van overvloed was, zij het enigszins kunstmatig

afgeremd, nog niet teruggekeerd. Even zag het er in het
voorjaar 1950 naar uit, dat de hier en daar reëds aange-

vochten ,,sellers’ market” definitief in een ,,buyers’
market” voor de katoen en haar eindproducten zou om-
slaan. Het ingrijpen van de Regering van de Verenigde
Staten (teeltrestrictie), de invloed van de natuur (mis-

oogst 1950) en de gevolgen van het Koreaanse conflict

brachten medio 1950 echter zulk een ommekeer in de
statistische positie van de katoen teweeg, dat de plannen

om tot een ,,cotton-agreement” te komen andermaal

ter zijde konden worden gelegd. En, laten wij realistisch
zijn, in 1951 was de situatie eerder nog slechter geworden.

Alvorens nu de draad van de congressen der oudste

internationale véreniging, de International Federation,
weer op te vatten, wijden wij eerst enkele woorden aan het
,gebeuren in Lahore, waar dit jaar chronologisch bezien
het eerste internationale congres werd gehouden.

De lOde Plenary Meeting van het ,,International Cotton

Advisory Comniittee” (Lahore, 1-9 Februari 1951).

Wij noemden reeds het noodlot van dergelijke inter-
nationale bijeenkomsten: de onmogelijkheid namelijk
om te voorspellen onder welke omstandigheden zij telken
jare bijeenkomen. Was het in het voorjaar 1950 te ver-

wachten, dat de lOde Meeting wel eens met de problemen van een periode van ,,plenty” kon worden geconfronteerd,
in Pakistan behoefde een jaar later op dit punt bepaald
geen enkele activiteit te worden ontplooid. ,
Het was eigenlijk Washington, waarop in Februari aller ogen waren gericht. Daar toch bereidde men de
katoensector van de ,,Raw Materials Conference” voor.
Het was dus alleen van belang td beslissen, in hoeverre het
I.C.A.C. in zulk een distribuerend lichaam moest worden
ingeschakeld.

Het bleek niet moeilijk te zijn op dit punt klaarheid te
verschaffen. Al spoedig waren allen het er over eens, dat
het I.C.A.C. als de meest capabeleen neutrale inlichtingen-
bron wel ter beschikking van de nieuwe organisatie moest
worden gesteld, doch dat zij er zeker niet in mocht opgaan.

Men was kennelijk ,,zuinig” op het I.C.A.C. Nimmer
heeft de katoenwereld namelijk over zulk een goede,
objectieve bron voor statistieken beschikt. Voortbouwende
op het vroeger reeds zo belangwekkende statistische
researchwerk van de ,,New York Cotton Exchange”

en van de ,,International Cotton Council of America”
heeft het secretariaat van het I.C.A.C., mede dank zi
.
j de
samenwerking van de 21 deelnemende landen, een apparaat
opgebouwd, dat geen enkele insider gaarne ten prooi zou
laten vallen aan de politieke strubbelingen, die nu eenmaal
aan elke grondstoffenverdeling vastzitten. De eerste be-
richten over de nog niet al te vlot yerlopende besprekingen
betreffende de katoenverdelingen, die ons momenteel uit
Washington bereiken, duiden er op, dat het besluit van
begin Februari voorzichtig en juist was.
Het streven om de basis van het I.C.A.C. te verstevigen
vond weerklank in de besprekingen te Lahore, waar aller-
eerst . de officiële ,,statements” over de katoenproductie
en -consumptie in de deelnemende landen de revue passeer

den. Verder beslodt men de techniek van het samenstellen
van het statistische materiaal te verbeteren door de prijs-
statistieken van de ruwe katoen te . differentiëren naar

gelang van de kwaliteiten, de stapellengte, de ,,grades”,
etc. Ook kwam men overeen de gegevens over productie

356

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

9′ Mei 1951

en consumptie van – ,,man-made-fibres”
2)
als rayon en
rayon-vezel periodiek te publiceren.
In de plaats van enkele onderwerpen, die weliswaar op

‘de agenda stonden doch inmiddels door de feiten achter-

haald waren, werd verder vooral aan een tweetal actuele’
problemen aandacht besteed. Allereerst de te duchten

concurrentie van de ,,man-made-fibres”. Het waren speciaal

de Westeuropese landen, die de aandacht van de katoen-
producenten op dit punt vestigden.

Dat vooral de Verenigde Staten, de machtigste katoen-

producenten, meer dan de Arabische katoenexporteurs

als Egypte;. India en Pakistan, voor deze potentiële mede-

dinging bevreesd waren, zal kenners van de juiste ver-
houdingen niet vreemd a,andoen. Wat toch is de achter-

grond van dit verschijnsel?

In de Verenigde Staten heeft de politiek van de door de
Overheid gesteunde katoenprijs – het systeem van de

zgn. ,,parity-price”
3)
langzamerhand zo vast wortel

geschoten, dat het ook om politieke redenen niet gemakke-

lijk zal zijn hier van af te stappen. Het is dus te voorzien,

dat men, eenmaal verstrikt in het gekunstelde van deze

steun, schommelt tussen de noodzaak van teeltrestricties
enerzijds en exportsubsidies of ,,commodity-agreements”

anderzijds.

Maar als dan hierdoor het zo zeer begeerde prijseven-
wicht eenmaal bereikt is, rijst het veel moeilijker probleem

van de blijvende’ afzetmogelijkheden. Eenmaal tot eind-

product verwerkt is de katoen immers voorbestemd hoofd-
zakelijk afgezet te worden op de grote Aziatische markten.
In tijden van grondstoffenschaarste, wanneer ook de

Verenigde Staten geen moeilijkheden met de katoena,fzet
zullen hebben, zal de koopkracht in Azië vermoedelijk

in voldoende mate aanwezig zijn om het bezwaar der

kunstmatig hoog gehouden katoenprijzen te overwinnen.
Wat echter wordt de toestand straks?

Vergeten wij niet, dat de millioenen-massa’s nog steeds
,,on the margin of consumption” leven en dat men niet

ongestraft een uiterst belangrijk artikel als katoenen kleding

kunstmatig op een hoge prijs kan houden.
Zij, die in Amerika de katoenpolitïek dicteren,, zullen
daarom met aandacht de uitwerking van het ,,parity-

price”-systeem in tijden, van depressie volgen, vooral als

dit resulteert in een versterkt, opdringen van de concur-

rerende ,,man-made-fibres”. . Van nog groter belang is de uitwerking van Amerika’s landbouwpolitiek voor de grondstofarme landen met een
relatief hoge levensstandaard; met name vooi de West-
europese katoenindustrieën.
Tijdens een periode zoals de huidige, waarin de katoen
door allocaties wordt gedistribueerd,’ is het al mogelijk
• enig inzicht te verkrijgen in de gedachtengang van enkele
leidende kringen in Washington. Ziet men bijv. nu’reeds
een .tendentie om, zo niet met een ver doorgevoerde

discriminatie, dan toch met een bepaalde voorkeur voor
Azië boven Europa, de katôen toe te wijzen, dan kan dit
reeds een aanduiding zijn van de richting, die de Verenigde
Staten later wellicht nog doelbewuster zullen inslaan.
Handhaaft men de prijssteun enerzijds, dôch wil men
zich aan ,de andere kant verzekeren van de ‘afzetmogelijk-
heden van de uit een relatief dure grôndstof
4)
vervaardigde
eindproducten op de ,,goedkope” Aziatische markten,

‘)’Onder deze Amerikaanse (in Engelse ogen granimatcaal wellicht niet ge-
heel Zuivere) term worden begrepen alle synthetische en halfsynthetische vezels.
‘) Medio Februari
1-951: 34,27
dollarcents per pound middling
15/16;
Niet te verwarren met de ,,ceiling price” van
50,4576, 3
Maart
1951.
4)
De kwalificatie ,,relatiet’ duur” ontstaat door een vergelijking van kost-
prijs (schommelend tussen
$0,16
en
$0,23)
en ,,parity-price”. De fixatie van
dit laatste niveau kan uiteraard beînvlo&l worden door het steeds meer toevoe-
gen van ,,onontbeerlijke goederen” aan het ,,standard-of-Iiving”-pakket
enerzijds (als television sets, electric toasters, home permanent-wave lotions
– om van de reeds gebruikeiijke radio’s, electric sewing machines, refrigerators,
vacuum cleaners, automobilqs, etc. maar niet te spreken; ,,Life”,
12
Maart
1951)
en door het gelijktijdig verwaarlozen van meer efficiënte oogstmethodes
(niechanical picking) anderzijds.

dan zal men noodgedwongen wel moeten wedden op de

katoenverwerkers met een lage levensstandaard en met een

relatief gunstige arbeidsefficiency. Het zijn alleen India en
meer nog Japan, die in staat zullen zijn de dure katoen een

lage toegevoegde waarde te geven’ om zodoende weefsels

van een ,,Aziatisch” prijspeil te leveren.

Men begrijpe ons goed. Deze gedachten werden ons niet

ingegeven uit angst, dat Europa bij de katoenverdelingen

nu reeds slecht uit de bus zou komen. De ervaring van ‘iet

laatste halfjaar heeft – althans ons in Nederland – over-
duidelijk bewezen, hoe volmaakt zuiver en objectief de

aan het E.C.A.-terri’torium toegewezen katoenvoorraden

gedistribueerd werden. Werkelijk, wij hebben, vooral,00k

dank zij de wijze w’aarop de Nederlandse autoriteiten en
de E.C.A.-Missie in Den Haag samenwerkten, geen enkele

reden tot klagen; eerder tot juichen.

Laten wij echter tegelijkertijd de ,,long-term policy”

niet vergeten. Zij, die in Washington de belangen van West-

Europa zo goed verdedigen, werken niet alleen. Zij

hebben onder hun landgenoten tegenspelers, zeer machtige
‘tegenspelers, zetelend in het State Department en

Pentagon. Het is daarom zeer wel denkbaar, dat die op hun

beurt zullen trachten hun eigen troetelkinderen in het,
Verre Oosten flink ,,in de katoen te zetten”. En dat vooral

als strategische en politieke factoren een dergelijke grond-stoffendistributie nog. stimuleren
5),

Wij zullen ons over deze gang van zaken heus niet be-
klagen. Wij zijn immers te zeer erkentelijk voor de krachtige
E.C.A.-steun dan dat wij ons.nee.r laten drukken door
sombere toekomstbeelden. ‘Men zal het echter ons; en met

ons de overige spinners op het continent, toch niet euvel
kunnen duiden, dat wij meer. dan, ooit uitzien naar non,.
dollar katoen en bovendien naar andere spinvezels als

rayonvezel, waarbij’ onze afhankelijkheid minder spreekt.
Uit dit feit blijkt reeds, dat wij ons ook,niet door een
overdreven vrees zullen laten leiden: Hoewel de strijd tegen

India en Japan geen gemakkelijke zal worden, zijn er nog

zoveel andere concurrenten, waarmede wij ons onder

gelijke omstandigheden kunnen meten, dat wij nog tal van
mogelijkheden voor ons zien. Wel zal dan het opvoeren

der ,arbeidsproductiviteit, gepaard gaande met het stimu-
leren van een verder doordringende integratie, geboden
zijn, willen wij enig resultaat kunnen boeken.
• Daar dergelijke opvattingen ook bij’onze Westeuropese
collega’s gemeengoed zijn, is het te begrijpen, dat men het èr,
zelfs bij het vooruitzicht op een relatief
6)
mogelijk ge-
ringere katoenaanvoer uit de Verenigde Staten, niet bij
zal Jaten zitten. En daar het opvoeren van het gebruik van

andere katoen toch aan zekere grenzen gebonden is, was
er dus alle aanleiding om het pûnt van de potentiële con-
currentie van de ,,man-made-fibres”. grondig in Lahore

te bespreken en het ook in de toekomst geregeld te blijven
volgen.

Zoals men besefte, dat de mededinging van rayon-vezel
een uitvloeisel kon ‘worden van hoge katoennoteringen,
hield ook het tweede hoofdpunt der discussies rechtstreeks
verband met de abnorniaal hoge prijzen van bepaalde
katoensoorten, ni. de invloed van de export-taxes. Hierbij

konden de Verenigde Stâtert nu eens als aandachtig toe-

hoorder fungeren. Het waren juist de andere producenten,
Egypte, India. Mexico en Pakistan, die hier de tegenspelers waren van het Westeuropese blok, waarvan vele leden zich

5)
Wilt
u
een vodrbeeld? Tégelijkertijct, ‘dat de Nederlandse Regering offi-
cieus een hint gaf aan de industrie, dat aan een uitbreiding van de spincapaciteit
niet te denken viel, lanceerden de Japanners regelmatig hun berichten over
het fantastische tempo, waarin zij hun spitlental van
4 op 6
millioen hoopten
te brengen! De laatste berichten over een vredesverdrag met Japan zonder
economische restricties sluiten hier logisch.
op
aan.

‘) Alles dus bezien uit het oogpunt van een mogelijk overwicht van hen,-di-
uit verschillende overwegingen
op
India, Japan en andere goedkope producene
ten wedden. Zolang de adviezen van het I,C.A,C.-domineren, zal zich dit feit
niet voordoen.


t

t

9 Mei 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

357

niet ten onrechte ongerust maakten over de extreme no-

teringen van de non-USA. cottons
7).

Tijdens de gedachtenwisseling over de invloed, die een
verhoging van een export-tax op de katoenprïjs had, werd

door de Europese spinners onmiddellijk toegegeven,
dat niemand een vreemde Regering ooit het recht zal

betwisten een export-tax te creëren
of
te wijzigen. Zeker

niet waar het landen betreft, waarvan de economie zo
sterk van’ de .katoenexport afhankelijk is als Pakistan en

Egypte
8),
die vooral uit financiële overwegingen
9)
wel

eens tot het nemen van bepaalde minder populaire maat-

regelen gedwongen konden worden.
Wat men algemeen wèl betreurde was het excessieve

karakter van sommige verhogingen der export-taxes.

Dit werkte immers de onrust op de toch reeds ititerst

nerveuse katoenmarkten in de hand. Bovendien houdt
elke accentuering van prijsstijgingen automatisch het.
gevaar van een verscherping van de prijsval in, zodra het

uitvoerrecht verminderd of afgeschaft wordt.

Een tweede, ernstige klacht was gericht tegen het retro-
actieve karakter van de recente wijziging in de export-
taxés. Bij een verhoging werkte deze immers vrijwel steeds
in op bestaande nog niet geëffectueerde contracten. Het

vooral in Nederland; doch ook elders zo gaarne gepropa-
geerde beginsel: ,,koop is koop” werd daarmee geweld
aangedaan. In de verticale keten van transacties, die de
katoenverbouwers niet de uiteindelijke kopers der weefsels

verbindt, werkt een dergelijke maatregel met terugwerkende
kracht altijd storend. In de organisatie van agrarische
productie, collectie en consumptie zijn risico’s nimmer

automatisch over te dragen. In de practijk ishet daarom
meestal één bepaalde categorie – in dit geval de spin-
ners – die de nadelen van een plotselinge verhoging

moet dragen.
Hoewel het vraagstuk van alle theoretische
10)
en prac-

tische zijden belicht werd, kon men geen overeenstemming
verkrijgen omtrent een door een speciaal ,,drafting corn-

mittee” opgestelde resolutie, hoe tam deze ook uitviel.
Een der jonge, dikwijls wat overgevoelige landen verzette
zich tegen elke schijn van regeringsinmenging. De samen-

stelling van het I.C.A.C., uit delegaties, die Regeringen

vertegenwoordigen, wreekte zich hier.

Met opzet bleven wij wât langer stilstaanbij het’punt

der export-taxes. In Lahore werd namelijk door dit uit-
voerige debat tussen producenten en consumenten de
grondslag gelegd voor een o.i. niet onbevredigende rege-
ling, die in tweede instantie in Caïro tot stand kwam.
Daarover meer als wij het 19de Congres van de Internatio-
nal Federation nader beschouwen:
Naast de discussies over de katoensituatie in de ver-
schillende landen, de richtlijnen, die de plaats van het J.C.A.C. in het internationale bestel moesten bepalen,
de mededinging van de ,,man-made-fibres” ‘en de export-
taxes, werden uiteraard nog meer vraagstukken behandeld.
Wij releveerden reeds het ,,cotton-agreement”, dat ook

ditmaal nog even in discussie kwam, en noemen verder de
invloed van de betalingsbalansen op de internationale
katoenverplaatsingen, de capaciteit der textielmachine-industrieën, de ontwikkeling van de katoenproductie in
,,under-developed areas”, de tewerkstelling van research-
associates bij het secrëtariaat van het I.C.A.C., e.d.
In dit algemeen overzicht, waarbij wij ons tot de hoofd-

‘)
Het prijspeil vor ruwe katoen buiten de verenigde Staten lag begin
1951 dikwijls tientallen procenten hoger. verschillen van 50 pCt tot 80 pCt
met de vergelijkbare Amerikaanse Soorten waren geen uitzondering; ,,Cot-
ton”, Maart 1951, blz. 9.
‘) Egypte dreef de laatste drie jaar voor 80 pCt op haar katoenexporten;
in Pakistan was de katoen, ,,the silver fibre”, als ,,cash erop” een goede tweede
achter de jute, ,,the golden fibre”.
0)
Bestrijding van de inflatie; vergroting der staatsinkomsten.
00)
Bepaald theoretisch deed in de huidige ,,sellers’ market” de bewering der
producerende landen aan, dat het de ,,cottOn growera” waren, die de export-
tax betaalden.

zaken beperkteh
11),
kunnen wij met het noemen van

deze detail-onderwerpen volstaan. Op de betekenis an het

afvaardigen van Nederlanders naar deze meetings komen

wij in een volgend artikel, waarin het 19de Congres in

Egypte ter sprake zal komen, nader terug.

Almelo.

.

Dr W. T. KROESE.

II)
Belangstellenden worden voor meer bijzonderheden verwezen naar het
officiële rapport over deze lOde Plenary Meeting, uitgebracht door het Econo-
misch Instituut voor de Textielindustrie te Rotterdam. –

INGEZONDEN STUKKEN

De prijsvorming van’ katoen en wol

De heer G. C. Duchemin te ‘s-Gravenhage schrijft ons:

Het artikel van de heer Fraenkel in ,,E.-S.B.” van 4

April jl., getiteld ,,De
prijsvorming
van katoen en wol”,

geeft mij aanleiding tot de volgende opmerkingen.
Bij het lezen van de inleiding wordt de verwachting

gewekt, dat
ons een verklaring zal vvorden gegeven van de abnor-
niaaUhogekatoen- en woiprijzen in de laatste tijd;
deze verklaring een andere zal zijn dan die van de
,,velen”, welke hierbij denken aan speculaties,. Russische

aankopen, ,,stockpiling” en beperkte oogsten.
Ten aanzien van punt 1 blijft de schrijver geheel in
gebreke, waardoor hij uiteraard ook niet aan punt 2 kan voldoen. Over 1950, het eerste jâar, waarin blijkens het

in de inleiding gepubliceerde staatje spectaculaire prijs-
stijgingen plaatsvonden (voor katoen had in de vooraf-

gaande drie jaren juist een
prijsdaling
plaats), wordt ni.

met geen woord gerept. Dat de heer Fraenkel desondanks
aan het slot kan opmerken, ,,dat er geen reden is om aan
te nemen, dat geheimzinnige krachten de prijzen van de

belangrijkste twee text ielgron d stoffen abnormaal hoog
hebben opgedreven” is mij een raadsel. In zekere – niet door hem bedoelde -,– zin heeft hij nog gelijk, het zijn
inderdaad geen ,,geheimzinnige”, doch integendeel zeer duidelijk aanwijsbare krachten, welke de hausse hebben
veroorzaakt. Ze.zijn te algemeen om er lang bij stil te staan,
zodat met het volgende zal worden volstaan.
In de eerste plaats. heeft het conflict in Korea en de

daaropvolgende herbewapening een enorme additionele
vraag naar beide prodticten in het leven geroepen. Daar-
naast moeten als specifieke oorzaken worden genoemd:
voor katoen, de zeer lage Amerikaanse katoenoogst

1950/51
(de overheersende positie der Verenigde Staten
op de internationale katoenmarkt wordt als bekend ver-
ondersteld);


voor wol, het mislukken van de pogingen der Amen-
kaanse Regering in November van het vorige jaar, om op
de Australische veilingen het recht van voorkoop te ver-
..- werven, waardoor zij, gedwongen werd, terwille van haar
strategische voorraadvorming iii, de open markt te kopen.
Daarbij komt nog, dat de officiële bekendmaking van het
Amerikaanse plan, een voorraad van
350
millioen pounds
kledingwol (d.i.-20 pCt van de lopende wereldproductie)

aan-te leggen de \oncurrentiestrijd niet de andere wol-
aankopende landeA in hevigheid heeft Øoen toenemen,
met het bekende gevolg voor de prijsontwikkeling. Geens-
zins verwonderlijk was liet dan ook, dat de nagenoeg
volledige stopzetting der Amerikaanse aankopen omstreeks
Pasen jI. een plotselinge daling der wolprijzen tengevolge
had, welke medio April 30 pCt bedroeg.
Tenslotte de storing in de relatie met het algemeen
prijsniveau. In het Jan/Febr. nummer van ,,Cotton”, het
maandelijks overzicht van de wereldkatoensituatie, ujt-gegeven door de ,,International Cotton ‘Advisory Corn-
rnittee” te Washington, vangt het hoofdstuk ,,Prices” op
blz. 13 aan. met de volgende woorden: ,,The great stratn

358

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

9 Mei 1951

011
cotton supply indicated in the preceding sections has

brought about an ascent in prices to peaks unprecedented
in 20th Century”. In tabel 12 op blz. 16 wordt dit geïllu-

streerd aan de hand van indexcijfers van verschillende

goederencategorieën. Op basis van Augustus 1949 = 100
blijkt het algemeen indexcijfer voor kleinhandeisprijzen

gestegen te zijn van 102 in Augustus 1950 tot 104 in October;

dat van fabrikaten in dezelfde periode van 100 tot 108,

terwijl de algemene index der grondstoffenprijzen toenam

van 111 tot 112. Doch de indices van ,,Cotton” (middling

15/16) en ,,cotton textiles”. bedroegen in Augustus 1950

reeds resp. 123 en 131 en stegen tot resp. 135 (Dec.) eni

147 (Nov.), terwijl een andere textielgrondstof, ,,rayon
staple”, zich in de periode Aug./Nov. op 106 handhaafde.

Voor wolp’rijzen, welke omstreeks Pasen jl. tot 16 maal

het vooroorlogs ,niveau waren gestegen, zou de afwijking

van het algemeen prijsniveau, do;h ook van het niveau

der gemiddelde grondstofprijzen nog overtuigender kunnen
worden aangetoond.

Met het bovenstaande meen ik de conclusie van de

heer Fraenkel, ,,dat in een tijd ‘van algemene prijs-

stijgingen deze gevoelige producten slechts vertoond
hebben, wat zij sinds de jaren twintig altijd te zien gaven”,

afdoende te hebben weerlegd.

Naschrift.

T.a.v. de opmerkingen van de heer Duchemin gaarne

het volgende:

Over de ontwikkeling van de prijzen in het jaar 1950

is in mijn artikel inderdaad ,,met geen woord gerept”.

De grafieken spreken echter een duidelijke taal. Het

stijgen van de katoenprijs, welke eerst een dalende beweging

had vertoond, wordt op aannemelijke wijze verklaard en

de ,,berekende” en werkelijke prijs van wol vertonen voor

1950 zelfs een zeer fraaie overeenstemming. Ik vestig er

nogmaals de aandacht op, dat de wiskundige aanpassing
van beide curven alleen over de vôôroorlogse periode is
geschied; het na-oorlogse deel van de ,,berekende” curve

is door zuivere extrapolatie verkregen.

Vrijwel alle factoren, welke op de hoogte van de
katoen- en wolprijzen een zekere invloed uitoefenen, kan
men terugvinden in de zgn. ,,vetklarende” grootheden. Zo komt de invloed van de strijd in Korea duidelijk tot
uitdrukking in de loop van het algemeen prijsniveau

(invloed van de conjunctuur). Vérder komt de zeer lage
katoenoogst in de Verenigde Staten’ tot uiting in de invloed

van het aanbod (zie grafieken).

Tenslote zij nog vermeld, dat ‘er van een störing in
de relatie tussen katoen- en wolprijzen en algemeen prijs-
niveau geen sprake is. Zowel katoen- als wölprijzen hebben
een elasticiteit groter dan één t.o.v. het algemeen prijs-
niveau (nl. 1,74 resp. 1,78). Het is dan ook met verwonder-
lijk, dat het prjsindexcijfer ‘van deze grondstoffen hoger
is dan het indexcijfer van het algemeen
prijsniveau,
zoals

door de heer Duchemin wordt aangegeven.
Dit ziet men trouwens ook in de grafieken. Voor wol
bijv. is af ‘te lezen, dat de gebruikte wolnoteririg van 25 d.

in 1938 steeg tot meer dan 200 d. in1950, terwijl het
algemeen prijsniveau steeg van ca ’85 tot ca 325.
Ik meen dus te mogen blijven bij de conclusie, dat er
niets nieuws onder de zon is met betrekking tot de prijs-
stijgingen van zowel katoen als wol in 1950.
Scheveningen.

M. FRAENKEL.

De moeilijkheden in het visserjbedrjf

Mr C. H. Meyer, Drs J. Visser, Drs J. B. Reichardt
en Drs P. Kuiper te ‘s-Gravenhage schrijven ons:
Onder bovenstaande titel heeft de heer A. G. Ligthart

een artikel geschreven in ,,E.-S.B” van 21 Februari, nr
1762, blz. 150 e.v.

Daar dit artikel volgens ons een groot aantal tenden-
tieuze voorstellen en bovendien, wat erger is, ernstige

onjuistheden bevat, achten wij ons tegenover het gehele

visserijbedrijf verplicht hierop te wijzen.

Onze critiek betreft de volgende punten:

het visserijbedrijf wordt als gezond gekenschetst. Hoe

kan de schrijver dan nog moeilijkhéden zien?;’
de uiteenzettingen over de situatie tijdens de7 prijs-
beheersingsjaren;

de optimale omvang der vloot;

de financieringsmoeilijkheden;

de beperking van zijn betoog tot het artikel gezouten

haring zonder in te zien, dat voorgestelde remedies
vooral voor de verse vis zijn gegeven;
het cijfermateriaal;

de behandeling van, het afzetprobleem;
de centrale export;
zijn beschouwing over de marges van de handel;

zijn opvattingen over de .Nederlandse visconserven-

industrie en de import van visconserven.

Terwille van de beschikbare ruimte zullen op deze plaats

evenwel niet alle bezwaren naar voren kunnen worden

gebracht; wij zullen ons beperken tot een nadere beschou-wing van punt 6.
De heer Ligthart tracht zijn betoog, waar wij het – zoals

reeds uit het bovenstaande moge blijken – in geen enkél

opzic’ht mee eens zijn, aanvaardbaar’ te maken door het

weergeven van cijfers, ontleend aan de Verslagen van de

Directie der Visserjen. Indien de heer Ligthart evenwel

meent bepaalde conclusies uit de door hem opgestelde
tabel te mogen trekken, dan waré het voor objectieve

voorlichting beter geweest, wanneer de cijfers in zijn tabel
vermeld,
juist
berekend waren.
Wij moeten de volgende verschillen tussen de door de

heer Ligthart vermelde en de juiste cijfers vaststellen:

cijfers
1947

De totale aanvoer bedraagt volgens voornoemde Ver-

slagen 82.698 kg niinder.
De aanvoer van maatjesharing bedraagt volgens de-
zelfde bron 2.632 kg meer.

De totale uitvoer bedraagt 46.491.637 kg
bruto
=
52 pCt van de aanvoer. Dit bruto-gewicht dient echter
omgerekend te worden tot netto-gewicht, aangezien de
aanvoer slechts kg haring omvat zonder vaten. Het
netto-gewicht is 10/14 x 46.491.637 kg = 33.083.312
kg, zodat de netto-uitvoer 37 pCt van de netto-aanvoer
bedraagt.
De gemiddelde bruto-exportprijs per kg is f0,42, nl.
de bruto-waarde (fl9.382.269) gedeeld door bruto-•
kilogrammen.
De gemiddelde netto-exportprijs per kg is f0,52, ni.

de netto-waarde (ca fl7 mln) gedeeld door netto-
kilogrammen.
De export van bokking bedraagt bruto (mcl. kisten)
2.306.681 kg, de export van bokking netto (excl. kisten)”
2.018.356 kg en de export van bokking naar ,,nat
gewicht” 4/3 x 2.018.356 kg = 2.691.141 kg = 3 pCt

van de aanvoer.
De afzet in het binnenland bedraagt,: totale aanvoer
(visgewicht) minus aanvoer maatjesharing (visgewicht)
minus export (netto visgewicht) minus export bokking

(nat gewicht) = 31.164.733 kg =
35pCt
van de

aanvoer. De afzet van deze haring (behalve de maatjes-
haring) geschiedt tegen maximumprijzen en wel:
tot 15 Augustus ongekaakte haring f0,40, gekaakte
haring f0,48; na 15 Augustus ongekaakte haring

.t.
l

).

9 Mei 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

359

f0,38, gekaakte haring f0,45. De gemiddelde prijs

netto is zonder meer niet op f0,42 te stellen.

cûfers 1948

De totale aanvoer bedraagt 1.801.661 kg meer (trawi-

haring).
De aanvoer van maatjesharing 160.693 kg meer (trawl-

maatjes). Alhoewel in het artikel van de heer Ligthart
gesproken wordt over de totale haringvisserij (drijfnet-
en trawivisserij) zijn slechts cijfers vermeld over de
.drijfnetvisserj.

Uitgevoerd is 44.017.763 kg netto, hetwelk 48 pCt van

de aanvoer is. De exportprijs per kg berekend op de-
zelfde wijze als in 1947 bedraagt resp. bruto f0,38 en

netto f0,44. De netto-waarde is ca f 1.210.000, de

bruto waarde. f23.358.569.

De export van bokking beloopt 4.788.337 kg netto-
visgewicht; het ,,nat gewicht” is gelijk aan 4/3 x

4.788.337 kg = 6.384.449 kg of 7 pCt van de aanvoer.

De afzet in het binnenland bedraagt 21.462.856 kg of
23 pCt van de aanvoer volgens berekening op dezelfde
wijze als in 1947.
De maximumprijs per kg voor’ongekaakte haring is
f0,38 en voor gekaakte haring f0,45. Hetzelfde be-
zwaar t.a.v. de gemiddelde prijs geldt hier.

In de tabel onderaan de blz. volgt nu een overzicht
van de gegevens, zoals die behoren te luiden.

Wanneer wij de tabel van de heer Ligthart ,,A” noemen
en de hierboven vernielde tabel ,,B”, dan trekke men de.
volgende conclusies:

in tabel ,,A” is in 1947 de bruto-export uitgedrukt in
procenten van de netto-aanvoer, hetgeen een foutief
gunstig cijfer geeft van 52 pCt; volgens tabel ,,B” be-
draagt in 1947 de netto-export 37 pCt van de netto-
aanvoer;
vofgens tabel ,,A” geeft de export in 1948 een teruggang
aan van 3.pCt, terwijl deze volgens tabel ,,B” juist
Ii pCt tegenover die van 1947 is toegenomen;
volgens tabel ,,A” is de binnenlandse consumptie,
exclusief maatjesharing, 20 pCt van de aanvoer;
volgens tâbel ,,B” is dit 35 pCt;
de binnenlandse consumptie in 1948 bedraagt in tabel
,,A” en ,,B” 23 pCt, doch volgens tabel ,,A” betekent

dit een
vooruitgang
van 3 pCt en volgens tabel ,,B”

een
teruggang
van 12pCt;
volgens de heer Ligthart wordt de indruk gewekt, dat
het exporteren vn haring niet aan te bevelen zou zijn
in verband niet de gemaakte prijzen. Immers, volgens de heer Ligthart’s tabel ,,A” ligt in 1947 de exportprjs
belangrijk lager dan de prijs voor de binnenlandse

consumptie.
Blijkbaar heeft hij dit paradoxale niet kunnen verklaren, want wat ligt meer voor de hand dan om bij lagere export-
prijzen deze export af te remmen ten voordele van de
binnenlandse voorziening tot het niveau, waarop export-
prijs en binnenlandse prijs nagenoeg aan elkaar gelijk zijn?
Thans neemt hij genoegen met zijn eigen foutieve conclusie,
die hij tracht te rechtvaardigen door (binnenlandse) afzet

tegen redelijke, niet buitensporige, prijzen te eisen.

Naschrift.

Betr.
punt
6.
T.a.v. het uitvoerpercentage over 1947 moet ik, onder

aanbieding van mijn ectises aan redactie en lezers van
,,E.-S.B.”, toegeven, dat de in het aangehaalde verslag

genoemde hoeveelheid voor 1947 inderdaad betrekking
heeft op het bruto-gewicht. Enigszins verklaarbaar is

deze vergissing, aangezien na 1947 steeds het netto-gewicht

wordt vermeld.
Alleen zij aangestipt, dat de wijze, waarop H.H. oppo-
renten voor 1947 en 1948 de netto-waarde ,,taxeren”,

niet juist is. Zij rekenen nl. als volgt:

1947

1948

exp.waarde, mcl. emb. etc. v./

verslag

…………….f19.382.269 f23.358.569

e’xp.waarde, excl. emb. etc. v./

,,taxatie”. ……………. fl7.000.000 f19.210.000

waarde van emb. etc. …… f 2.382.269 f 4,14.569

waarde van emb. etc. pCt .kg

haring

……………..

f 7,22

f9,42

Dat deze wijze
van
berekening niet juist kan zijn, blijkt

uit het volgende:

1947:

netto ……….

33.083.312 kg
waarde

……..
fl9.382.269
opbrengst pCt kg
f 58,60
mcl. kôsten emb.
enz.
1948:

netto

……….
44.017.769 kg waarde

.
……..
f23.358.569
opbrengst pCt kg
f53,10
mcl. kosten emb.
enz.

De exporteur ontving dus voor netto 100 kg f58,60 in
1947, f53,10 in 1948. Indien de berekening van H.H. oppo-
nenten juist ware, zouden de kosten van-fust, sorteerloon,
ged. kaakloon, (verlies door) inwerking, heffingen, rechten
enz. in 1947 niet meer dan f7,22, in 1948 niet meer dan
f9,42 hebben bedragen. Uit hoofde.van hun functie kunnen
de heren weten, dat deze bedragen veel hoger liggen;
dat zelfs het door mij aangenomen bedrag van f12 pCt kg
aan de zeer lage kant ligt. Niet alle haring werd tenslotte
verpakt in 1/1 vaten, die ca f 8 kostten, maar ook in kleinere
fusten: o.a. kegs en blikken,, waarvan de verpakkings-
kosten pCt kg haring zeker f25 â f 30 bedroegen. Bij een
aftrek van f 12 pCt kg komt men dus voor 1947 aan een
bedrag van ten hoigste f46,60; voor 1948 van f41,10.
Ten gevolge van de onjuiste ,,taxaties” zijn de bruto-
en nettobed’ragen in de tabel der H.H. opponenten dan
ook onbruikbaar. Hoe onbetrouwbaar zelfs het om-
rekeningscijfer 10/14 ter bepaling van het netto-gewicht is,
blijkt, wanneer men met gebruikmaking .van de gegevens
van tabel XXI der verslagen de proef op de som neemt.
De hbofdzaak echter, waarom het in het eerste gedeelte,
van mijn artikel gaat, nl. de beschuldiging aan het adres
van ‘de Overheid, laten de heren onaangeroerd. Uit hun
tabel blijkt, dat in 1947 en 1948 resp.
35
pCt en 20 pCt
van de aanvoer onder invloed van de overheidsbemoeiing
verkocht werd tegen prijzen, welke nagenôeg niets ver-

Pekelharing
1947
1948

89.855.916
kg 100 pCt
92.141.197
kg
100 pCt
22.9t6.730
kg
26 pCt
20.276.129
kg
=
22 pCt t.

Totale

aanvoer

……………………………………………………..

46.491.637
kg
52 pCt
ca 61.624.868
kg
=
67 pCt
waarvan:

maatjesharing

………………………………………………

netto

…………………………………………..
. …
ca 33.083.312
kg
37 pCt
44.017.763
kg
48 pCt
gemiddelde

prijs’ per kg

0,42
f
0,38

Uitgevoerd

bruto

…………………………………………………

f
0,52
,
f
0,44
2.306.681

.

kg

bruto

…………………………………………………….
netto

……………………………………………………….

2.018.356
kg
4.788.337
kg Uitgevoerde

bokking

bruto

…………………………………………..
(zonder

kisten)

netto

…………………………………………..
,,nat

gewicht”

………………………………………………
ca

2.691.141
kg
3 pCt
6.384.449 kg
=
7 pCt
Afzet in het binnenland (behalve bovengenoemde maatjes)

……………….
..
31.164.733
kg
=
35 pCt.
21.462.856
kg
23 pCt

UO

ÉCONOMISCH-STA TISTISCHE BERICHTEN

9 Mei 1951

schilden van die, welke in het buitenland te maken waren.

Daarom, en dat was de kern van mijn betoog in dat ge-

deelte, is het onbillujk, de Overheid om haar prijsbeleid

in
die
jaren aansprakelijk te stellen voor de
huidige
moei-

lijkheden.,Dat reeds in 1946, uit vrees dat de gehele”aan-

voer niet tijdig geplaatst zou kunnen worden, 100.000

vaten naar Rusland verkocht werden tegen prijzen, die

fl2 lager lagen dan die, welke elders te maken waren,

zegt ten deze toch ook wel iets.

Betr. punt 1.

Wanneer het productie-apparaat in staat is, aan d

vraag ruimschoots te voldoen, kan men dit
apparaat

niet ziek noemen. Dat, afgezien van de financierings-
moeilijkheden en -mogelijkheden een vernieuwde vloot,

waarvan reeds in 1947 de kosten op f60
it
f 70 mln werden

geraamd, in staat zou zijn, de afzetmoeilijkheden op te

lossen, acht ik uitgesloten; eveneens de rentabiliteit van

een nieuwe trawler (kostprijs fl.300.000), die de vis vers,

graatloos, gefileerd, en,
goedkoop
(,,E.-S.B.” 1950, blz.
539)
zou moefen produceren. Tekenend is de opvatting van

reders, zoals de ,,Visserij Wereld” deze d.d. 12 Januari
’51
weergeeft: ,,zolang het afzetprobleem niet is opgelost,

zal de sanering van de vloot niet het gewenste effect

hebben, en de financiël steun van de Overheid zal beteke-

nen, dat.goed geld naar kwaad geld wordt gegooid”.

Betr. punt 2.

O.a. om de belangrijkheid van de haring, die ook voor
de grote trawlvisserij van doorslaggevende betekenis is,
beperkte ik mij tot dit artikel. Aangezien de plaatsruimte

niet toelaat, op de ovrige punten nader in te gaan, moge
ik volstaan met te verwijzen naar mijn wederwoord in

de ,,Visselij Wereld”, dd. 23 Maart en 6 April 1951.
‘s-Gravenhage.

A. G. LIGTHART.

AANTEKENINGEN

De Nederlandse kapitaalmarkt

In de onlangs gepubliceerde jaarverslagen van De
Nederlandsche Bank en de Herstelbank over 1950 komen

cijfers en beschouwingen voor, welke het kwantitatieve
inzicht in de Nederlandse kapitaalrnarktverhoudingen in
het algemeen en de financiering van Overheid en bedrijfs-
leven in het bijzonder aanmerkelijk kunnen verhelderen

De verhouding sparen: investeren.

Op de achtergrond hiervan staat de ontwikkeling van
sparen en investeren in ons land. Het jaarverslag van De
Nederlandsche Bank geeft hiervan het volgende overzicht
:

‘TABEL L
Besparingen en investeringen.
(in millioenen guldens)

Jaar
Nationale
besparingen
Totale netto
investeringen
waarvan

in kap.g

oederen
waarrvan
in vooraden
en onderh.werk

1938
290 90
40
50
‘1946

320 830
410 420
1947

200
1.450
760 690
1948
790
1.940
1.290
650
1949
2.200 2.500
1.700
800
1950
2.700
3.500
2.000
1.500

Het tekort der besparingen ten opzichte vat’ de investe-
ringen werd gedekt uit leningen of schenkingen van het’
buitenland en uit liquidatie van buitenlandse activa.
Het ogenblik is, aldus het verslag,, dicht genaderd, waarop
buitenlandse activa niet meer ter beschikking staan, doch
integendeel, voor zover uit lening verkregen, geleidelijk

zullen moeten wqrden terugbetaald. Een niveau van investe-

ringen, dat de nationale besparingen teboven gaat, kunnen
wij ons niet langer veroorloven.

Q verheidsfinanciering.

• In 1950 daalde de netto vlottende staatsschuld met f 1.767

mln. Hiervan werd een bedrag van per saldo f686 mln

geconsolideerd, ‘gespecificeerd als volgt:

TABEL II.
Consolidalie van staatsschuld in. 1950.
(in millioenen guldens)
311 pCt Staatslening 1950 1

…………………………
f
200 mln
3
1
/
pCt Staatslening 1950 II (consolidatie van tegoeden op voor-
inschrijfrekening door institutionele beleggers)

…………
f
430
3
1
/
pCt onderh.lening 1950 , ………………………….’.
f
25
Investerings- en Beleggingscertificaten (in kader afwikkeling geld-
zuivering)

……………………………………….
f
160

f
815 mln
Aflossing geconsolideerde staatsschuld (waarvan f83 mln door be-
taling van’ buitengewone heffingen en belastingen met staats-
schuld
…………………………………………..
f 129

f 686 mln

Een bedrag van f777 mln kortiopende staatsschuld

verdween ten gevolge van overboeking van de tegen-
waarderekening naar’ de gewone rekening van ‘s Rijks

Schatkist, terwijl het restant ad f300 mln een kasoverschot

van het Rijk voorstelde.
Daar de netto schuld van het Rijk aan geldscheppende
instellingen, indien men de invloed daarop van bijzondere
bdekingen en verrekeningen buiten beschouwing laat,
is toegenomen met f110 mln, kan worden geconcludeerd,
datde vermindering van vlottende schuld aan andere dan

geldscheppende instellingen – afgezien van consolidatie –

in 1950 per saldo circa f410 mln beliep.
Dit bedrag kan

geacht worden vrjtvel geheel aan de kapitaalmarkt te zjin

toegevloeid.
Een deel er van zal hebben gediend voor terug-

betaling van spaargelden door de spaarbarken; voor

het overige zijn deze gelden aan de’ financiering van het
private bedrijfsleven en aan de financiering van de woning-

bouw ten goeçle gekomen.

Gemeenten en provinciën namen in 1950 f642 mln
aan nieuw geld op, lange termijn, op tegen onderhandse
schuldbekenten issen, grotendeels voor financiering van

de woningbouw.

Financiering van het bedrijfsleven.

T.a.v. de financiering van het bedrijfsleven is aan he
jaarverslag van De Nederlandsche Bank het volgende

ontleend.
Zonder beroep op eigen of’ anderet private besparingen

verkregen bedrijfsleven en woningbouw een bedrag van
f1.200 mln aan financieringsmiddelen, nI.

uit 15ankcrediet

……………………..f 455 mln

een deel uit deblokkering …………….f 90
door vermindering va
5
n kasreserves ca ……f 300

door aflossing van overheidsschuld ……..f 400

De wijze, waarop de behôefte aan financieringsmiddelen
van het bedrijfsleven op de kapitaalmarkt dekking vond,
getuigt van de overwegende invloed, die de institutionele

beleggers, als welhaast monopolistische aanbieders op
deze markt, onder de huidige omstandigheden uitoefenen.
De openbare emissies waren kwantitatief van zeer onder-

geschikt belang; het overgrote deel der transacties geschied-
de in de vorm van lening op onderhandse schuldbekentenis
en hypothecaire leningen. Het totaal van alle obligatie-
en aandelenemissies bedroeg in 1950 f276 mln; trekt men

hiervan de f200 mln 3
1
/
4
pCt Staatslening 1950 1 af, dan

werd slechts
f76
mln aan nieuwe firiancieringsbehoefte
via publieke emissies gedekt. De onderhandse plaatsing
van effecten (met uitzondering van de 3
1
/4
pCt Staats-

lening 1950 II), voor zover ter kennis van De Nederlandsche

Bank gekomen, bedroeg f61 mln.

S

9 Mei 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE ÈERIcII TEN

161

Het bovenstaande beeld, wordt aangevuld door de
volgende gegevens, voorkomende in het iaarverslag van

de Herstelbank. Tabel 3 geeft min of meer rüwe schattingen

weer, welke enige indruk geven, in welke hoge mate het

bedrijfsleven zich tegenwoordig door middel van z’elf-

financiering de benodigde middelen, verschaft.

TABEL JIL

De financiering van de industriële investeringen in 1950
(in millioenen guldens)
Emissie van aandelen

…………………………………..
49
Emissie van obligaties

…………………………………..
5
Bankcredieten en deblokkeringen
……………………………
160
Credieten van institutionele beleggers
……………………….
100
Overheidscredieten en -deelnemingen
…………………………
210
Credieten }1ersteibank

……………………………………
51
Oorlogsschadevetgoedjng

………………………………..
40,
Interne financiering

……………………………………
500
inkrimping liquide middelen
…………………………… . ….
.

285
1.400
Afschrijvingen

…………………………………………
700
2.100
Besteed aan: Bruto investeringen in kapilaalgoederen
…………….
1.500
Voorraadvorming

………………………………
600

2.100

Aanbod van middelen op de kapitaalmarkt.

Aan nieuwe besparingen, aldus wederom het verslag van De -Nederlandsche ‘Bank, vloeide aan de kapitaal-

markt in 1950 ca f600 mln toe, waarvan ongeveer f250 â f 300 mln afkomstig was van bij levensverzekeringmaat-.

schappijeif geaccumuleerde spaargelden, een iets lager

doch hiervan niet ver afwijkend bedrag van door pensioen-
fondsen vergaarde besparingen en de rest uit vermogens-
toene,m ing van sociale verzekeringsfondsen, spaarkassen
en dergelijke instellingen. Hiertegenover stond een ont-
sparing bij spaarbanken ad f60 mln.

Het wordt twijfelachtig geacht, of uit anderen hoofde
naar de kapitaalmarkt stromende besparingen van be-
tekenis zijn geweest, hetgeen inpliceert, dat de (overige)
particuliere besparingen op nihil worden gesteld.
‘Behalve uit nieuwe besparingen werd de kapitaalmarkt

gevoed met een belangrijk gedeelte van de middelen,
vrijgekomen uit verkoop en lossingen van buitenlandse
effecten (ca f 100 mln) alsmede met aflossingen van binnen-
landse obligaties (f50 mln excl. staatsschuld) en van
onderhandse leningen, hypotheken enz. (bedrag onbekend).

Engelands politiek met betrekking tot het plan Schuman

,,W.hen the- Schuman Plan was signed just over a weék
ago Whitehall’s attitude of sceptical and benevolent
indifference evaporated overnight”, zegt

,,The Economist”
van 28 April jl. De eerste Engelse reactie was een verzoek
aan de Franse Regering om haar belofte, om Duitsland
te steunen bij het afwentelen van de door de drie bezettende
machten opgelegde economische, contrôle, in te trekken.

Londen is van mening, dat deze kwestie door alle be-
zettende machten moet worden besproken, terwijl eefi
officiële Franse verklaring Dr Adenauer reeds een derge-
lijke steun heeft gegarandeerd, zodra het plan Schuman in werking treedt.

De laatste dagen, zo vervolgt genoemd blad, hebben
Britse autoriteiten te elfder ure getracht een realistische
politiek ten opzichte van het plan Schuman te ontvouwen.

Hoewel het plan nog niet door de parlementen van de deel-
nemende landen is geratificeerd, duidt het in de richting
van een integratie der Westeuropese industrie, die Engeland
niet langer kan negeren. Nog steeds bezint men zich over
de economische betekenis van het plari voor de Engelse
industrie, maar enkelè overwegingen, die de aandacht
eisen, liggen duidelijk voor de hand.

Onder normale omstandigheden vormen de zes çon-
tinentale naties een markt voor ongeveer gedeelte van
Engelands staaluitvoer. Het verdrag van het plan Schuman
bevat uitvoerige bepalingen

voor beperking van de

Engelse

verkopen naar deze gebieden, tenzij Engeland ,,bevredi-

gende” verlagingen der tarieven op continentale steenkolen

en staal doorvoert. Zolang het tekort aan steenkolen en

staal voortduurt, vormen deze bepalingen geen bedreiging

voor de Britse steenkolen- en staalnijverheid. Meer directe

zorgen baart de grondstoffenkwestie, speciaal wat betreft
Frans-Noordafrikaans ijzererts. De bij, het plan Schuman

– aangesloten landen zouden prioriteit en . preferentiële
prijzen bij de aankoop van dit, voor de Engelse industrie
zo belangrijke, erts genieten.

Vah politiek gezichtspunt uit is het probleem nog ge-

‘gecompliceerder. Het politieke doel, dat de bezettende

machten nastreven, is – te garanderen, dat de producten
van het Ruhrgebied nooit meer zouden worden gebruikt

voor de uitrusting van een agressief Duits leger, terwijl te

gelijkertijd de ,,Ruhr Antthority” tot taak had er voor te

zorgen, dat een deel van Duitslands steenkolen ter beschik-
rking van de vroegere Duitse slachtoffers zou komen.

Londen vraagt zich nu af, of deze politiek niet in gevaar

komt te verkeren. Volgens het verdrag is de kern van het
plan Schuman, dat de ontwikkeling van de steenkolen- en
.staalbronnen van de deelnemende landen ,,should .be

limited only by economic considerations operatinig in’a
competitive single market”. Dit betekent opheffing van de huidige beperking van de Duitse staalproductie. Engeland

en de Verenigde Staten staan dus nu voor de noodzaak
direct te beslissen, welke mate van vrjhéid zij aan Bonn

willen verlenen. Kan men er op ver’trouwen, vraagt ,,The
Economist”, dat , Duitsland als lid van de Schuman-
gemeenschap op lange termijn de verleiding zal kunnen

weestaan om voor nationale doeleinden te bewapenen?
En zo niet, is dan de Hoge Autoriteit van het plan Schuman

sterk genoeg om als .rein op te treden?
Indien de Britse -Regering mocht besluiten volledig
lid van de Schuman-gemeenschap te worden, dan zou- zij
dit vermoedelijk doen ter wille van de internationale
veiligheid; de econtmische problemen zouden ongetwijfeld
zonder volledig’ lidmaatschap kunnen worden opgelost. Haar voornaamste bezwaar blijft: een meerderheid in de
Raad van Ministers van het plan Schuman kan -haar
beslissingen aan alle deelneménde landen opleggen, door-

dat geen enkel land een veto heeft, aldus besluit genoemd
blad. –

GELD-

EN KAPITAALMARKT

De geldmarkt.

– De geldnlarkt bleef de afgelopen week krap, met markt-
disconto’s van 1
5
/
laten voor Mei en Juni papier en l°/
laten, 1
,1
/
8
bieden voor langere termijnen, terwijl de cail-
geidrente op het-maximum van
11/4
pCt bleef gehandhaafd. –
Een gedeelte van het aanbod op de markt schijnt’ af-
komstig te zijn van discontohandelaren, die hun porte-
feuille schatkistpapier – welke steeds zoveel mogelijk.
wordt gefinancierd met cailgeld en voor de rest, speciaal

bij de ultimo’s, met bij De Nederlandsche Bank opgenomen
voorschot in rekening-courant – de laatste tijd enigermate
inkrimpen. De sinds 17April ji. met 1 pCt verhoogde rente-
voet van De Nederlandsche Bank voor rekening courant-
crediet, gepaard met de onveranderde rente van schatkist-
papier, maakt thans het aanhouden van schatkistpaper-
portefeuilles door discontohandelaren onvoordel iger dan
vôôr de discontoverhoging. Deze ontwikkeling zal de
soepelheid van degeldmarkt doen verminderen. Boven-

genoemde portefeuilles toch stelden de discontohandelaren
in staat, ten allen
tijde
de door hun cliënten verlangde
termijnen papier ter beschikking te stellen. De Staat deed gedurende de verslagweek wederom een beroep op de circulatiebank, en wel door disconteren van
f50 mln schatkistpapier en een voorschot in rekening
courant van f48 mln. Volgens

gegevens, waarover, naar

362

ECONOMISCH
;
S1’ATISTISCHE ERÎCHTËN

9
Mei 1951

men moet aannemen, De Nederlandsche Bank beschikt,

staat tegenover de f50 mln door haar gedisconteerd

japier een (ongeveer) even groot bedrag aan door banken
en andere instellingen niet verlengd schatkistpapier;.

medegedeeld wordt immers, dat dit beroep het monetaire

evenwicht niet verstoort. Daar de Staat de vorige maand

.heeft trachten te consolideren, en wel tegen een rentevoet

die niet te laag genöemd kon worden, kan tegen dit beroep
ook overigens weinig bezwaar worden gemaakt.

Dat van een verdere credietexpansie der banken sprake is,

zou wellicht kunnen worden afgeleid uit de combinatie

,’an twee gegevens van de weekstaat van De Nederlandsche

Bank per 1 Mei, ni. een stijging van de voosch.otten in

rekening courant (excl. dat van de Staat) met f30 mln

en een stijging van het tegoed van banken met f 14 mln

t.o.v. de week tevoren. Dit maakt het il. waarschijnlijk,

dat hier sprake is van een verplicht beroep van banken op.

de circulatiebank op grond van de bepalingen der crediet-‘
contrôle, hetgeen zou betekenen, dat de verhouding

debiteuren: creiiitgelden in Maart zou zijn gestegen.

De kapitaalmarkt.
Het koersniveau op de aandelenmarkt vertoonde per

saldo gedurende de verslagweek slechts weinig verandering.
Wat de hoofdfondsen betreft valt het op, dat aandelen

Koninklijke de laatste tijd hier te lande vrijwel geen koers-

stijging ondergingen, terwijl dat op de buitenlandse beurzen

wel het geval was. Gevolg hiervan was, dat het agio
van de Amterdamse noteringboven de Londense notering
verdween. Het onderbrengen bij het Nederlandse publiek
van grote aantallen stukken uit het buitenland afkomstig

wordt als oorzaak van het uitblijven van een
stijging
te

Amsterdam genoemd. Aandelen Philips ondergingen

in het laatst van de week een stijging, waarvoor tal van
motieven wei’den aangevoerd, zoals: kapitaalbijstempeling,

extra j ubileum-div.idend televisie-orders enz.
H et agio van Amerikaanse certificaten te Amsterdam
boven de noteringen in Walistreet daalde verder en bedroeg

tenslotte ruim 7 pCt (medio April 11 pCt).

Nadat de koersen van de staatsfondsen de vorige week
Vrij stabiel waren gebleven, ving in de verslagweek een
verdere daling aan, die tot nieuwe laagterecords lêidde.

Zoals uit onderstaande koersen blijkt, kwamen koers-
verliezen van meer dan 2 punten voor. Uit het voort-

durende aanbod van obligaties moet wel geconcludeerd
worden, dat anders dan vaak wordt verondersteld, nog

zienlijke bedragen hiervan in particuliere handen waren.
Het is nl. moeilijk aan te nemen, dat institutionele beleggers /
thans op grote schaal met verlies zouden verkopen.

27. April 4 Mei
1951

1951

Aand. indexcijfers

Algemeen

………………..
154,6
154,1

Industrie

………………..
219,2 218,4

Scheepvaart

…………….
172,2
172,3

Banken

………………. ….
125,7
1265

Indon.

aandelen

…………
54,0
53,5

Aandelen
A.K.0.

………………….
171
169
1
/

Philips

………………….
246’/4 256

Unilever

………………..
231
231
1
!
2

H.A.L.

…………………..
174 176

Ansterdam Rubber

……….
121
120

H.V.A.

……………… …
l27’/
4

1271/
2

Kon.

Petroleum

…………
300
2981],,

Staatsobligaties
24 pCt N.W.S.

…………..
751/,,
.

721]8

.

3-34 pCt

1947

…………..
92/, 90/
2

3

pCt Invest.

certif.

………..
93’/,,
90
1
!,

34

pCt

1951

. ……………
98’/
96
1
/
2

3 pCt Dollarlening

……….
100’/
993/4

GRAFIEKEN

DE NEDERLANDSCI{E BANK.

Verkorte balans op 1 Mei 1951.

Activa.
Wissels, pro.

(Hoordbank

f10.611.000,—’)
messen en

)
Bijbank
schuldbrieven

Agent-
in disconto

I schsppen

1.786.157,73

f

12.397.157.73
1
)
Wissels, schatkistpapier en schuldbrieven, door de Bank

gekocht (art. 15, onder 4′, van de Bankwet 1948)..,,

50.000.000,-
Schatkistpapier, door de Bank overgenomen van de
Staat der Nederlanden ingevolge overeenkomst van
.26 Februari 1947

………………………… ..
1.500.000.000,—
Voorschotten
(
Hoordbank

f120.170.352,I1
8
)
in rek. .crt

j
op onderpand

Bijbank

12.226.551,95
(mcl. belenin.

1
gen)

t Agentschappen

39.676.239,77

f172.013.143,83

Op effecten enz
……. . ………..
fl69.457.679,19′)
Op goederen en celen
………… ..
2.615.464,64
172.073,143,83
2
)
Voorschotten aan het Rijk (art. 20 van de Bsnkwet 1948)
Boekvordering op de Staat der Nederlanden ingevolge.
overeenkomst van 26 Februari 1947

………… ..
1.500.000.000,—
Munt en muntmateriaal:
Gouden munt
en gouden muntmateriaal
….
f 1.176.850.247,38
Zilveren munt enz..
………
..17.018.774,-
1.193.869.021,38
Vorderingen en geldswaardige papieren luidende in

buitenlandse geldsoorten
…………………… ..

793.306.859,64
Buitenlandse betaalmiddelen

………………….. ..

2.859.818,72
Vorderingen in guldens voortvloeiende uit betalings-
accoorden
………………………………..
..25.850.635,67
Belegging van kapitaal, reserves, pensioenfonds en voor-
zieningsronds

…………………………….

142.061.709,33
Gebouwen en inventaris
……… . ……………. ..
1.000.000,-
Diverse rekeningen

………………………… ..

217.323.654,89

f 5.842.742.001,19

)

Passiva.
Kapitaal

………………………………….
f

20.000.000,-
Reservefonda

………………………………. ..

20.000.000,—
Bijzondere reserves
…………………………..
..79.506.000,74
Pensioenfonds
………………………………
..26.464.606,17
Voorzieningsfonds personeel in tijdelijke dienst
……
..

1.482.519,42
Bankbiljetten in omloop (oude uitgiften)

………. ..
5l.0l6.570,-
Bankbiljetten in omloop (nieuwe uitgiften)
……….
..2.800.112.165,-
Bsnkassignsties in omloop
…………………… ..

74.067,76
Rekening courant saldo’s:
‘sRijks Schatkist
…………
f

10.570.097,09
‘s Rijks Schatkist, bijzondere re-
kening
………………..
..1.427.544.065,23
Saldo’s van banken in Nederland ,,

47.121.892,60
Saldo’s voortvloeiendé uit beta-
lingsaccoorden

………… ..

381.203.634,25
Andere saldo’s van niet-ingeze-
tenen

………………..
..lO8.547.45238
Andere saldo’s
………….. ..
. 134.254.112,43
2.109.241.253,98
Saldo’s luidende in buitenlandse geldsoorten
…… ..
494.759.923,83
Diverse rekeningen
………………………….. …
240.084.894,29

f 5.842.742.001,19

Totaal aan Nederlands schatkiatpapier, waarin guldens-
saldo’s voortvloeiende uit betalingsaccoorden zijn be-
legd . …………………………………. ..98.000.000,-

‘) Waarvan schatkistpapier, rechtstreeks door de Bank
in disconto genomen

………….
………….f
‘) Waarvan aan Indonesië (Wet van 15 Maart 1933,

Staatsblad no 99) …………………………. ..

31.623.900,—.
Circulstie der door de Bank namens de Staat in het
verkeer gebrachtemuntbiljetten …………………137.l77.528,50

DE KOLENPÔSITIE VAN NEDERLAND ‘).
(in 1.000 kg)

Productie Productie
Verzonden
Limburgse
per onder-
voor bin-
Maand
mijnen grondse
nenlandse
Invoer
arbeider
behoefte
per dienst

Maandgem. 1947
842.029
1,638
648.215 299.653
Maandgem. 1948
919.360
1,683
671.607 286.272
Maandgem. 1949
975.414
1,735
718.454
338.998
Maandgem. 1950
1.020.614
1.754
721.849
1

349.946
Januari

1951
2)
1.077.623
1,767
753.329
1

260.740
Februari

1951 t)
984.159
.
721.837
Maart

1951
1
)
1.116.454
.
820.508

‘) Bron: ,,Ststistisch Bulletin van het CBS.”.
2) Voorlopige gegevens.
befekent: gegevens niet beschikbaar.

IN – IDIU
STPIt

k

E 51T
,

.uw

mm

e

WEES P
T

363

Abonneert TJ op de E.-S.B.

Voor Nederlandse deelnemers organiseert het

Cli-IAN de inzending naar de internationale

JAARBEURS
1
20A6G.- 20SEPT.1951

1

4
1 D

De grootste Jaarbeurs

te
1 1 II R (Turkije)
voor ‘t Midden-Oosten

• Aanmélding deelnemers uiterlijk 25 Mei a.s.
• Cli-IAN regelt huur, ontwerp, opbou’tr en inrichting’

van de stands, in-, uit- en doorvoertormaliteiten.
transport van alle expositiegoederen.

.
• Kosten betaalbaar in Nederlandse gul’lens.
• Extra jaarbeurscontingent ‘uitsluitend voor deel-
nemers aan deze gemeenschappelijke inzending.

Alle inlichtingen telefoon 77.19.58 (K 1700)
Afd. Buiteni. Jaarbeurzen en Exposities. Kantoor 9-17 uur.

CENTRAAL INSTITUUT TER BEVORDERING V.D. BUITENLANDSE
,,HANDEL (CIHAN)
.
DEN HAAG – BEZUIDENHOUTSEWEG

64

mmat

1

.1
KETTiNG

1
FORMULIEREN

LflCO
F A
S
R 1 E l( E N

Kas, Kassiers en Dag.
geldleningen

. .
f.
22.290.298.39
Nederlands
Schatkistpzpier

.
473.3E0.000.

Ander Overheidspapier
8.023 000.-
Wissels

…………
378.566.35
Bankiers in Binnen- en
Buitenlani
.
……
21.841.224.72-
Effecten en Syhdicaten
. ,,
1.758.053.23′,
Prolorigatiën

en

Voor-
schotten tegen Effecten
15.254.56.47 Debiteuren

………
186.121.999.35
Deelnemingen
(mcl.
Voorschotten)
11.455.734.24
Gebouwen ………,
3.500.000.-
Belegde

Reserve

voor
Verleende Pensioenen
731.998.91

f.
744.711.411.66

Kapitaal ………
f. 45.000.000 –
Reserve

……….

16.000.000
Boûwreserve
.
…….
1.000 000 –
Depositos op Termijn ,,
126.864 633 –
Crediteuren ……..
532.814 383 2
Gececepteerde Wissels
12.656.864.6e
Door Derden
– Geaccepteerd ..

1.824.416.1e
Overlopende Saldi en
Andere Rekeningen

7.759.115.72
Reserve voor Verleejide

Pensioenen …..
,

731.998.91

f. 744.111.411.66

DE TWENTSCHE BANK
N.V.

Mandstazt op 30 April 1951

Van particulier: Chevrolet
1950, kleur maroon, 18.000
km gelopen, met kachel, rui-
tensproeiers, radio, plastic-
hoezen, bermlamp, achteruit-
rijlamp, klokje, asbak, siga-
rênaansteker, sigarettenauto-
maat enz. Prijs .
f
11.250.—.
Montaubanstraat 29, Zeist,
Tel. 2306.

SCHAKEL

in voorkomende gevallen

.DEZE RUBRIEK IN!

TE KOOP
van particulier wegens over-
compleet

CHEVROLET

FLEETMASTER
MODEL 1947
in gebruik gekomen medio
1948, 60.000 km gelopen, in-
en uitwendig in perfecte –
staat. Recent KNAC-rapport
ter inzage. Vele accessoires –
o.a. open dak Coenen en
extra bekleding. Uiterste pr.
f
5250.—. Br. onder no. ESB
19-1, bur. v. d. bl., Postbus
42, Schiedam.

Het College van Regenten van het St. Jozef Zieken-

huis te Deventer (toekomstige capaciteit ± 200 bedden)

roept sollicitanten op voor de functie van:

ADMINISTRATEUR-ECONOOM

bij voorkeur met ervaring op ziekenhuisgebied.

Brieven met opgave van verlangd salaris worden ingewacht vôôr 15 Juni as. bij de secretaris van het

College van Regenten, Nieuwstraat 60, Deventer.

ECONOMISCH

STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

Adrei
voor . Nederland: Pieter de .Hoochstraat
5,
Rotterdam (1V.).
Telefoon Redactie en Administratie 38040. Giro 8408. Bankiers: R. Mees en Zoonen, Rotterdam.
Redactie-adres voor België: Seminarie voor Gespecialiseerde Ekonemie
14, Univet-siteitstraal, Cent.

.

Abonnementen: Pieter de Hoochstraat 5, Rotterdam (W.). Bankiers: Ban que de Commerce, Brussel. –
0
Abonnements prijs, franco per post, voor Nederland t 26,— per jaar,
voor België/Luxemburg f 28,— per jaar, te voldoen door storting van.. –
de tegenwaarde in Belgische frarics bi de Banque de Commerce te
Brussel of op haar Belgische postgirorekening
fl0
260.34.

Uniegebieden en Overzeese Rijksdelen (per zeepost) f 26,—, overige
landen
/
28,— per jaar.

Abonnementen
kunnen
ingaan met etk nummer en slechts worden.
beëindigd per ultimo van het kalenderjaar.
0
Aangetehende stukken in Nederland aan het Bijkantoor Westzeedijk,
Rotterdam (W.).
.0
ADVERTENTIES.
Alle correspondentie betreffende advertenties te richten aan de Firrtia
H. A. M. Roelants, Lange Haven 141, Schiedam (Telefoon 69300,
toestel 6). Advertentie-tarief f,0.43 per mm. Contract-tarieven op
aanvraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,.Beschikbare kraahten” f o,6o
per mm(dubbele kolom).
De
administratie behoudt zich het recht
voor om advertenties zonder opgaaf van redenen te weigeren.

Losse nummers 75 cents, resp. 10 B. francs

Auteur