Ga direct naar de content

Jrg. 36, editie 1767

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 28 1951

ECONOMISCH-

STATISTISCHE BERICHTEN,

1
UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

36E
JAABGANG

WOENSDAG 28 MAART 1951

No. 1767

Dezer dagri

COMMISSIE VAN REDACTIE

Ch. Glasz; H. W. Lamber.s; J. Tinbergen;

F. de Vries; C. van den Berg (secretaris)

Redacteur-Secretaris: A. de Wit.

.

Assistent-Redacteur: J. H. Zoon.

S

COMMISSIE VAN AD VIES VOOR BELGIË

J. E. Mertens; R. Miry; J. van Tichelen;

R. Vandeputte; F. Verichelen.

De aandacht van de lezers wordt gevestigd op

het bericht op blz. 234.

S

Blz.

De sociale verzekering en de waardedaling van .

het geld
door J. H. van Holt/ze tot Echten..
236

De huurverhoging krachtens de Huurwet

door C. Küppers ………………….

240

De grondslag van het huidige beleid inzake de

cobrdinati
t
e van het binnenlands goederen-

vervoer door J. de Vries…………….
241

De internationaal georganiseerde afzetbe-]

vordering van tropische landbouwproducten

door J. B. van der Kamp……………..
244

Aantekening:

Het plan Schuman ………………..247

Internationale notities:

Nieuwe mogelijkheden voor de ,,Sperr-

mark …………………………..

250

De Amerikaanse auto-industrie ……….250

Geld- en kapitaalmarkt ………………..251

Statistieken:

Bankstaten

……………………….251

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

loonsverhoging, 5 pCt met een maximum van 1 200 per
jaar. Er hangt een vaas van ,,déjâ-vu” over deze mede-

deling. En dit vage ,,eerder gehoord” werkt ook door in
het feit, dat de Minister-President, Dr

Drees, het per
radio nog eens heeft uitgelegd ,,Sluit voor begeerte Uw

graag gezicht”, schreef Vondel, ,,Zij loert, zij loert om in te
varen.” Wij knikken tevreden, wij herkennen het.

Er is echter een ander college, dat ons voldoende lang

is gedoceerd, dat over de spiraalbeweging van lonen en
prijzen. Velen, ook van hen, die door de prijsbeweging in
beklemde omstandigheden zijn gekomen, zijn bereid om

de vermindering van consumptiemogelijkheden te be-
grijpen. Maar een uitleg, die men eigenlijk graag zou horen,

is, waarom d.e_initiale prijsverhoging zo fel was, als men thans voor grote groepen indirect tempert door een loons-
verhoging. Waar komt, groepsgewijze gezien, de nood-
zakelijke consumptievermindering te liggen?

Niet eerder gehoorde woorden moest de Minister van
Economische Zaken uiten bij de. installatie van de advies-
raad voor militaire productie. Over de komende vier jaren;
zal naar verwachting 1 3 milliard aan opdrachten voor
militaire goederen in eigen land worden verwerkt. De kunst
zal zijn om het evenwicht op betere wijze te vinden dan
de Witte Ridder uit Alice in Wonderland: die was zodanig
beladen met zaken, die voor eeii ridder nodig zijn, dat hij
topzwaar verden van het paard tuimelde.

Evenwicht tussen militaire paraatheid en civiele draag-
kracht is een lange termijn probleem, vergeleken bij het
direct nijpende evenwicht tussen beschikbare arbeids-
kracht en beschikbare grondstoffen. Dat er tekort aan
zwavel is, za] niemand verbazen, die het bij de Klassieken
houdt; was zwavel niet het middel bij uitstek tot het ver-drijven van boze geesten?

De gede geesten zijn taal van leven. Groot-Brittannië
heef t het aangetoond in een antwoord aan de Secretaris-
Generaal van de Verenigde Naties. De ,,full employ-

ment standard” voor Groot-Brittannië, in verband met
de desbetreffende resolutie van de Economische en Sociale
Raad, is gesteld op een percentage van 3 ten tijde van de
seizoentop Als de goede feeën het alleen voor het zeggen
hadden gehad, zou de standaard op 2 pCt zijn gezet,

maar boze spooksels, zoals ,,a shortage of raw materials”,
maken een zekere speling noodzakelijk.

Speling, die de Denen zullen gaan vinden op hun
spaarbankboekje. Het programma ter bestrijding van de
inflatieis door de vier grote partijen in Denemarken goed-
gekeurd. 1-her wordt de consumptiebeperking nagestreefd
door besparing, gedwongen besparing, wel te verstaan voor
inkomens boven 6.000 kronen, voor zover het gehuwden
betreft.

,,The original man for the Greek”, schreef Irving
Babhitt, ,,was the one who could create in the very act
of imitating the past”. Op het verleden teruggrijpen
houdt als zodanig geen oplossingen voor het heden in.

koperdraad en koperdraadkabel

Ilabelgarnhturen, vulmassa an olie.

HE KABELFABRIEK


DELFT.

234

R.

MEES. & ZOONEN

ANNO 1720

Bankiers & Assurantie-Makelaars

ROTFERDAM

‘s-Gravenhage, Delft, Schiedam, Vlaardingen,

Amsterdam (alleen Assurantie)

BERICHT

DOUWE EGBERTS

TABAKSFABRIEK – KOFFXEBRADERIJEN
THEEHANDEL N.V. vraagt

CHEF. DER ADMINISTRATIE

om de leiding op zich te nemen van de Hoofd-
administratie en hetgeen verband houdt met
kostprijsberekening, fiscale aangelegenheden, ed. Leeftijd
30140
jaar.

Alleen zij, die over een veeljarige ervaring in
een overeenkomende functie beschikken, wor-
den verzocht éigenhandig geschreven sollici-tatiebrieven met recente pasfoto in te zenden
aan de directie te Utrecht.

Abonné’s van ,,Economisch-Statistische Berichten”
wordt beleefd verzocht – voor zover zij dit nog niet

deden – hun abonnementsgeld voor het -jaar 1951, ten bedrage van f 26 voor het binnenland of f 28 voor het

buitenland (voor boekhandelaren minus de gebruikelijkê

korting) vÔôr medio April a.s. te willen voldoën door stor-

ting op postgirorekening No 8408 of op onze rekening
bij de heren R. Mees & Zoonen, alhier.

Abonné’s in België/Luxemburg kunnen, de tegenwaarde

in francs van het verschuldigde bedrag storten op onze
rekening B 26198-bij de Banque de Commerce te Brussel
of op haar Belgische postrekening No 260.34.

* .Adverteer in dit blad *

met papIer gelsoleerde kabola

voor zwaksiroom. en.sterkstroom

28 Maart 1951
ECONOMISCH-STA
TISTISCILIE
B’ERIÔHTEN
235

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK

J. H. VAN HOLTRE TOT ECHTEN, De sociale eer-

zekering en de waardedaling c-vcn het geld.

Onderzocht wordt op welke wijze de sociale verzekerings-
uitkeringen aan de ontwikkeling van het loon- en prijs-

niveau worden, resp. kunnen worden aangepast. Voorts
wordt nagegaan op welke wijze en in welke mate ver-

hoging der bestaande, rèsp. invoering van nieuwe sociale
lasten invloed kan uitoefenen op de waarde van het geld.
Schr.’s beschouwingen voeren tot de conclusie, dat de
waardedaling van het geld op het terrein der sociale ver-

zekering tal van problemen doet ontstaan. Aanpassing

der sociale verzekeringsuitkeringen aan de ontwikkeling
van het loonniveau is, mits het tempo der waardedaling
van het geld niet te snel is, mogelijk voor de kortlopende
uitkeringen. Het is echter veel moeilijker de koopkracht

van de langlopende renten en pensioenen te beschermen.
Dit doel zou voor de uitkeringen van een het gehele volk
omvattende wettelijke ouderdomsverzekering kunnen

worden bereikt door deze verzekering te financieren

volgens het omslagstelsel. De premin der sociale ver-zekering hebben invloed op de waarde van – het geld,
dôordat deze, premiën een factor zijn in de kostprijs der

producten en als zodanig de prijzen zullen verhogen.
In dit verband wordt gewezen op de moeilijke problemen,
welke ontstaan odra met het inwerkingtreden der Werk-
loosheidswet kosten van werkloosheidsuitkeringen worden

overgeheveld van de Staat naar het bedrijfsleven.

C. KUPPERS, De huurQerhoging krachtens de Huurwet.
De per 1 Januari 1951 in werking getreden Huurwet
staat in beginsel een algemene huurverhoging toe van
15 pCt voor alle vôbr 27 December 1940 gebouwde on-
onroerende goederen. De door de Regering voor deze huur-

verhoging berekende stijging van onderhoudslasten van gebouwd onroerend goed is zeer aan de krappe kant ge-
weest. Gezien in het licht van de huidige ontwikkeling van de prijzen van de bouwmaterialen kan ivorden ge-
constateerd, dat dit ,,zeer krap” thans wel kan worden
‘veranderd in ,,onvoldoende”. Het zal van belang zijn,
dat de Regering zich hiervan rekenschap geeft en zal overgaan tot het treffen van de ter zake nodïge maat-
regelen. De instandhouding van onze woningvoorraad is
slechts verzekerd, wanneer bij dj regeling van de huur-
prijzen niet alleen wordt gelet op het beginsel, dat de
draagkracht van de huurder een bepaalde huur moet toe-
laten, waarbij de huur in een evenredige verhouding dient
te staan t.o.v. de overige noodzakelijke kosten van levens-
onderhoud, doch wanneer er tevens een zodanige ver-
houding ligt tussen de huurprijzen en de kosten van
instandhouding, dat het voor de huiseigenaren mogelijk
is met deze huurprijzen een sluitendeexploitatie te ver-

‘krijgen.

J. DE V1IES, De grondslag man het huidige beleid inake
de coördinatie Qan het binnenlands goederenQe!Qoer.

In het huidige coördinatiebeleid springe
fl
twee markante

punten naar voren, nl. 1 het afwijzen van het beginsel
van het grootste sociaal-economisch nut, omdat aan een
dergelijke algemeenheid zich geen directieven laten ont-
lenen voor een concreet vervoersbeleid, en 2. het uit-
sluitend gebruik van de juridische beschouwingswijze,
nl. het afwegen van belangen, met afwijzing dus van de

economische beschouwingswijze, het afwegen van nut tegen

offers. In dit artikel tracht schr. nu
aan te tonen, dat be-

ginselen bij het coördinatiebeleid niet behoeven te worden
afgewezen omdat ze niet hanteerbaar zo’uden’ zijn, dat
voorts beginselen niet kunnen worden gemist, en dat een
coördinatiebeleid zich niet kan beperken tot het oplosseum

van disharmonieën. Ter illustratie van het betoog wordt
het beleid op korte termijn en het beleid op lange termijn

schetsmatig beschouwd bij een onderdeel van het vraag-
stuk van de kosten van de weg, ni. het vraagstuk van de

scheepvaartrechten.

J. B. VAN DER KAMP, De internationaal georgani-

seerde afzetbeordering van tropische landbouwpro-

ducten, –

in dit artikel w’ordt allereerst een overzicht gegeven
van de pi’opaganda ter verruiming van de afzet van
tropische landbouwproducten, die werd gevoerd vbôr

het ontstaan van de in internationaal verband opgerichte

organisaties en instituten. Vervolgens worden de thans
bestaande vormen van organisatie bij rubber en thee en
de financiering daarvan aan een beschouwing onderworpen.

1-let uiteindelijke doel van de rubberorganisaties is in

algemene
zin
het winnen van de grootconsumenten en de

finale consumenten voor. de natuurrubber; de thee-

organisaties streven naar een verhoogd, desnoods ‘een

gelijkblijvend, theeverbruik. Aan het slot van zijn artikel
behandelt schr. de werkmethoden en -problemen der
organisaties, waarbij hij o.a. opmerkt, dat zowel bij de
rubber als bij de thee een duidelijke beslissing of gecen-

traliseerd dan wel gedecentraliseerd te werk moet worden
gegaan ontbreekt, en dat de fundamentele betekenis van

het economisch-wetenschappelijk werk nog te weinig tot

uitdrukking komt.

– SOMMAIRE –

J.
1
H. VAN HOLTHE TOT ECHTEN, L’assurance

sociale et la dépréciation de l’argent.

L’auteur examine de quelle maniëre les paiements
i’ésultant des assurances sociales sont ou peuvent être

adoptés au développement du niveau des prix et des
salaires. 11 étudie ensuite de quelle façon et dans quelle
mesure une augmentation des charges sociales actuelles
et la création de nouvelles charges sociales peuvent
influencer la valeur de In monnaie.

C. KUPPERS, L’augmentation des loycrs en eertu de

laloi.

La bi concernant les boyers, en vigueur depuis le ier
janvjer dernier, autorise une augmentation de 15 p.e.
sur les Ioyers des immeubles construits avant le 27 décembre 1940. L’estimation de l’accroissement de’
frais d’entretien, qui a servi de base pour déterminer.
l’augmentationdes loyers, a été un peu juste. Eu égard
ii l’évolution des prix des matériaux de construction on
peut môme dire ,,insuffisante” plutôt qu’un peu juste. Le gouvernement est obligé de prendre les mesures

n écessaires.’

J., DE VRIES, La base de la politique actuelle en matière.
de coordination du transport intérieur des marchandises.

Dans cet article l’auteur essaie de démontrer qu’on ne
petit pas se passer de principes en matière de coordination

et que la ‘politique’ de coordination ne peut pas s’arrêter
â la solution des discordances. A1’appui de sor exposé l’âuteur traite du problème des droits de navigation.

J B. VAN DER KAMP, L’organisation internatio,iale

du déceloppement dc la eente des produits agricoles

tI’op m.caux.

Cet article comrmence par donner un aperçu de la

propagande faite en vve du placement de prodiiits agri.
coles tropicaux, avant la création d’organisations et d’instituts internationaux. Un examen détaillé traite
ensuite des formes ,d’organisation, adoptées actuellement –
dans les secteurs du caoutchouc et du thé, de leur finance-

meiit
;
de leurs objectifs, de leurs moyens et de leur méthode
de travail.

286

EbONOMJSCHSTATISTISCHE ijERJCHTEN

28 Maart 1951

De sociale verzekering en d.e waardedling

van het
M

0
– a
ft

Het vraagstuk van de waardedaling van het geld is van

zulk een algemene betekenis voor de samenleving, dat de

invlted van dit verschijnsel op de sociale verzekering het

karakter krijgt van een detail. Toch is de zaak waar het

om. gaat van zoveel belang, dat het de moeite loont dit

detail nader te bezien. Het is immers duidelijk, dat de stij-

ging van dè kosten van levensonderhoud de koopkracht
der sociale verzekeringsuitkeringen aantast, zodat dient

te worden onderzocht op welke wijze de sociale verzeke-

ringsuitkeringen aan

de ontwikkeling van het loon- en

prijsniveau worden, resp. kunnen worden aangepast.
Onderzocht zal dus worden op welke wijze bij waarde-

daling van.het geld deze aanpassing mogelijk is, resp. of

er oorzaken zijn van verzekering-technische of financiële

aard, welke de aanpassing der uitkeringen belemmeren.
Voorts zal worden nagegaan op welke wijze en in welke

mate verhoging der bestaande, resp. invoering van nieuwe

sociale lasten invloed kan uitoefenen op de waarde van

het geld.

Norm noor de aanpassing der sociale nerzekeringsuitheringen.

• Wanneer men zich oppervlakkig’met het gestelde pro-
bleem bezig houdt, zou men kunnen menen, dat het streven

er op gericht behoorde te zijn de goederenwaarde van de
uitkeringen der sociale verzekering te stabiliseren, bijv.

door de hoogte der uitkeringen te verbinden aan het index-
cijfer van de kosten van levensonderhoud. Bij nadere

overweging blijkt echter, dat een dergelijk streven niet

alleen praktisch moeilijk’uitvoerbaar, maar ook onbillijk
zou zijn. Het zou immers kunnen voorkomen, dat ten ge-

volge van de prijsstijging de reële lonen zouden dalen, ter-

wijl de sociale verzekeringsuitkeringen – indien zij varieer-
den met het indexcijfer van de kosten van levénsonder-
houd – geen deel zouden hebben aan de versobering,

welke het werkend deel der bevolking zou ondergaan. Het
is m.i. dan ook beter, dat wordt gestreefd naar een koppe-
ling van de uitkeringen van de sociale verzekering aan het
loon-, resp: het inkomensniveau. Stijgen de lonen, dan die-

nen daarmede gelijktijdig de sociale verzekeringsuitkerin-
– gen te stijgen. Dalen de lonen, dan behoren ook de ontvan-
gersder sociale verzekeringsuitkeringen, indien dit gepaard
gaat met een daling van het welvaartspeil, een deel van de

lasten der welvaartsvermindering te dragen. Het gaat
hier echter om een wenselijkheid, welke – zoals nader
zal worden ulteengezet – niet voor alle sociale verze-

• keringsuitkeringen gemakkelijk is te verwezenlijken.

De loon grenzen in de sociale nerzehering.

Een facet van het vraagstuk is, dat de voordelen van
enkele sociale verzekeringswetten zijn beperkt tot de
werknemers, wier loon ligt beneden de zgn. loongrenzen.
Stijging van het loonniveau heeft dus tot gevo]g, dat een
aantal,werknemers buiten de verzekering zal komen te
vallen, ofschoon hun individuele welstand daartoe geen
aanleiding geeft. De hier bedoelde moeilijkheid is, behou-
dens de bezwaren, welke van de zijde der medici met
betrekking tot de ziekenfondsenverzekering hiertegen

somtijds worden aangevoerd, op eenvoudige wijze’ op te
lossen, door de loongrenzen te verhogen, hetgeen na de
bevrijding enige malen is geschied. Laatstelijk werd de
loongrens in enige sociale verzekeringswetten met ingang
van 2 Januari jI. gebracht op f 4.725 per jar, waarmede
deze loongrens dichter is genaderd tot de loongrens van

f 6.000 van de reëds afgekondigde, maar nog niet in wer-

king getreden Werkloosheidswet.

Aanpassing nan de hortiopende sociale nerzelceringsuithe-

ringen.

Zonder in details te treden zal worden getracht te ver-

klaren hoe het komt, dat in geval van een algemene loons-

verhoging enkele sociale verzekeringsuitkeringen automa –
tisch hoger worden, resp. kunnen worden verhoogd, terwijl

andere uitkeringen achter blijven. Verhoging’der uitkerin-

gen vindt uiteraard niet’ automatisch plaats, indien deze

uitkeringen zijn uitgedrukt in een vast bedrag. Het hangt

dan af van het verzekering-technisch karakter der regeling

of verhoging der uitkeringen evenredig aan de stijging

van het loonni-veau op eenvoudige wijze mogelijk is Dit

laatste is bijv. het geval met de uitkeringen der Kinder-
bijslagwet. De kinderbijslagen konden bij de loonronden

worden verhoogd, zonder dat de premie, uitgedrukt in een
percentage van het loon, behoefde te stijgen.

Wanneer echter, zoals in de Ziektewet is voorgeschreven,

de uitkeringen zijn uitgedrukt in percentages van het loon,
zou kunnen worden aangenomen, dat bedoelde aanpassing
automatisch tot stand zou komen. Deze automatische
aanpassing vindt echter alleen geleidelijk plaats voor de

nieuwe gevallen, welke aanvingen na de datum der loons-

verhoging, aangezien de uitkeringen zijn vastgesteld op
een percentage van het loon, dat de verzekerde heeft ver-
diend in een periode, welke aan het ziek worden van de

betrokkene is vooraf gegaan. De uitkeringen deroude nog

niet afgedane gevallen, we]ke zich voordeden vôÔr het
moment der loonsverhoging, zullen dus niet automatisch

worden aangepast. Het ondervindt echter geen bezwaar

docir middel van afzonderlijke maatregelen ook de uit-
keringen der oude nog niet afgedane gevallen te verhogen. In. het a]gemeen kan worden gezegd, dat de uitkeringen

van de zgn. kortlopende verzekeringen op betrekkelijk
eenvoudige wijze kunnen worden aangepast aan de waarde-

daling van het geld, mits deze waardedaling niet te snel
plaatsvindt. Deze aanpassing kan geschieden zonder aan-
merkelijke preiieverhoging.
Onder enig voorbehoud
.
.rnag ook wordén verwacht, dat
dit mogelijkzal zijn voor de betrekkelijk kortlopende uit-

keringen van de in voorbereiding zijnde wachtgeld- en
werkloosheidsverzekering (ten hoogste 48, resp. 78 dagen).

4anpassing der langlopende sociale nerzeheringsuitkeringen.

Het vraagstuk van de aanpassing van de zgn. langlopen-
de renten, zoals de blijvende ongevallenrenten en de oud er-
doms- en invaliditeitspensioenen, is echter veel moeilijker
op te lossen. Daar de hierbedoelde uitkeringen veelal
worden gefinancierd volgens het kapitaaldekkingsstelsel

zal voor aanpassing dezer uitkeringen aan het gesteg’en
loonniveau storting ineens van zeer grote bedragen, als-
mede verhoging van de premiën nodig zijn.

Ter toelichting zullen wij eerst de zgn. blijvende onge-
vallenrenten bezien. Ingevolge de Ongevallenwet 1921
wordt aan de verzekerde, die is getroffen door een ongeval,
naast geneeskundige behandeling een geldelijke uitkering
van 80 pCt van zijn loon tot ten hoogste 42 dagen toege-

kend. Is daarna de arbeidsgeschiktheid van de getroffene
nog niet teruggekeerd dan wordt, rekening houdend met
de mate van arbeidsongeschiktheid, een voorlopige of
blijvende rente op basis van 70 pCt van het loön verstrekt. De kosten van de-in dergelijke gevallen in de toekomst uit

28 Maart 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

87

te keren renten, vermeerderd met de administratiekosten

worden geschat en vervolgens gekapitaliseerd tot zgn;
contante waarden. Op deze wijze worden de kosten van

alle ongevallen, die in een jaar hebben plaatsgevonden,
ten laste van dat jaar gebracht.

Zou men nu in een volgend jaar van îiening zijn, dat

de ongevallenrenten moeten worden verhoogd, omdat de

waarde van het geld is gedaald, dan is het niet meer moge-lijk de kosten dezer verhoging te brengen ten laste van het

jaar, waarin het ongeval heeft plaatsgevonden. Het zou
ook niet billijk zijn de extra kosten dezer oude ongevallen te verrekenen in het jaar, dat de verhoging der i’enten zou

ingaan. Op deze wijze zouden immers de hoge extra kosten

der oude nog niet afgedane ongeval]en, veroorzaakt door

de waardedaling van het geld, op het bedrijfsleven worden verhaald.

1-Toe moeilijk het is voor deze kwestie een billijke oplos-

sing te vinden, kan worden tQegelicht aan de hand van
de wet van 26 Mei 1950 tot aanvulling van renten krachtens
de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallen-

wet 1922 en de Zeeongevallenwet 1919. De krachtens deze
wet toegekende bijsiagen en de aan. de uitvoering dèzer wet verbonden administratiekosten komen ten laste van
het Rijk. Deze regeling, welke er op neer komt, dat de
verhoging der renten wordt gefinancierd met belasting-

penningen, lijkt sociaal verantwoord, omdat het een econo-
misch zeer wakke groep van de bevolking betreft. Is het
echter niet in strijd met de billijkheid, dat aan de houders
van kleine lijfrenten bij verzekeringsmaatschappijen geen gelijksoortige bijslagen zijn toegekend en al evenmin een
tegemoetkoming aan de renteniers, die toch ook in de

belasting medebetalen, kon worden gegeven?
Men zou zich kunnen afvragen, of de hierboven geschetste

problemen niet dichter tot een oplossing zouden kunnen
worden gebracht door aan de financiring der wettelijke
ongevallenverzekering het omslagstelsel ten grondslag te
leggen. Ofschoon de bezwaren voorshands nog overwegend
lijken, zbu mi. de hier aangeduide mogelijkheid nader
kunnen worden onderzocht.

Financie’ing der pensioeme’zekering.

Vervolgens komt de vraag aan.de orde, of de pensioen-

verzekering zodanig kan worden ingericht, dat zo moge-
lijk enige dekking wordt verkregen tegen de waardedaling

van het geld.
De oplossing van dit probleem wordt in twee richtingen
gezocht. In de eerste plaats vragen velen zich af, of uitbrei-
ding van de beleggingen in aandelen van .,pen’sioenfondsen
geen voordelen zou kunnen opleveren, welke zouden kun-
nen worden gebruikt om de pensioenen bij stijging_van de
kosten van levensonderhoud te verhogen. In ,,E.-S.B.”
van 17 Januari jl. zette ik uiteen, dat de mogelijkheden
om op deze’ wijze een oplossing van het vraagstuk te ver-
krijgen in de huidige omstandigheden gering moeten wor-
den geacht. Deze kwestie is overigens in dit tijdschrift

en elders zo uitvoerig besproken, dat op dit denkbeeld
thans niet zal worden ingegaan. /
De oplossing van het vraagstuk wordt voorts gezocht
in een verandering van het financieringssysteem der pen-
sioen verzekering. Men overweegt het zgn. kapitaaldekkings-
stelsel te vervangen door een omslagstelsel. Het omslag.’
stelsel maakt het immers mogelijk zgn. waardevaste
pensioenen, d.w.z. pensioenen, die fluctueren met het loon-
niveau, te financieren. FIpe dit-mogelijk is, kan op een-
voudige wijze worden toegelicht. Veronderstel: er zijn 1.000
verzekerden met een loon, dat in een bepaald jaar gemid-
deld f 2.000 bedraagt. Het pensioen is vastgesteld op 30 pCt
van het loon, dus gemiddeld f 600 per jaar. De verhouding
tussen het aantal verzekerden en het aantal gepensïon-
neerden is 8 : L. Er zijn dus 125 gepensionneerden, wier pensioenen tezamen f 75.000 kosten, dat is 3,75 pCt van

ht verzekerd loon ad 2 mln. Zou in een.volgeid jaar het
‘gemiddeld Joon f 3.000 bedragen, dan kan met dezelfde-

premie een gemiddeld loon van f 900 worden uitgekeerd.
Het zwakke punt van het systeem is gelegen in Ueoinstan-

digheid, dat de hoogte van de premie afhangt vn de ver-

houding tussen het aantal verzekerden en hetantal gepen-
sionneerden. Zou deze verhouding ongunstigér, bijv.. 7 : 1

worden, dan zou bij gelijkblijvende uitkering de premie stij-

gen. Om deze reden is het stelsel niet geschikt voor de finan-

ciering van ondernemingspensioenfondsen. Voor de finan-
ciering van bedrijfspensioerifondsen is het omslagstelsel ook al niet geschikt, aangezien de verhouding tussen h’et

aantal verzekerden en het aantal gepensionneerden op

verschillende momenten in een bedrijfstak stërk kan

variëren. In een zich uitbreidende bedrijfstak zal ‘deze

verhouding in het algemeen gunstiger worden, maar in ge-
val van inki’imping van een bedrijfstak kan de verhouding

weldra zo ongunstig worden, dat premiestijging of verlaging
van de uitkeringen niet is tevermijden.

Onderstaande cijfers, ontleend aan een-studie van werk-

gelegenheid in de nijverheid van 1903 tot 1948, opgenomen
in het Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Sta
tistiek van Februari 1950, laten zien hoe zeer

de persöneels-
bezetting in een bedrijfstak in de loop der jaren kan ver-
anderen.

Aantal typen werklieden in’de nijoerhèid per

bedrijf sklasse.

Bedrijfsklas-
se

(indeling
volgens

on-
1903 1913 1920
1930 1938
1946
1948
gevallensta-
tistiCk)

Aardewerk,
glas,

kalk,


steen
24.495
32.752
35.322
38.140 28.693
28.505
41.800
Diamant
e.a. edelste-
nen enz.
3.993
6.480
4.248
1.978
1.138 1.307
1.40(
Sigaren, si-

garetten,
tabak
2.575
6.454
8.317
28.078
24.606
15.051
17.400

Indien de verzekering echter het gehele volk omvat en
de leeftijdsopbouw der bevolking geen afwijkingén ver-

toont, zoals dit bijv. in Duitsland het geval is, zodat mag
worden aangenomen,’ dat veranderingen in de verhmiding

tussen werkenden en rustenden geleidelijk ôptreden, is
er mi. aanleiding het omslagstelsel als financ.ieringssysteem
der wettelijke ouderdomsverzekerin.g ernstig te overwegen.
Het omslagstelsel, zoals dit hierboven werd uiteengezt,
kan worden gecombineerd met een pensioenpiinténsysteem,
dat zodanig is ingericht, dat de individuele pensiôenen
variëren met het loon, dat de gepension’rerden in hun
actieve jaren hebben verdiend. Op een dergelijk systeem
berust de in 1949 in Frankrijk ingevoerde wettelijk vr-
plichte pénsioênverzekering voor handel en industrie. Het
hierboven geschetste systeem ligt voorts ten grondslag
aan het in Zweden ont\’orpen plan voor een het gehele
Zweedse volk omvattende ouderdomsverzekering, wélke
een aanvulling beoogt te geven op het in dit land verstrekte
staatspensioen. Ofschoon tussen het Fraiise en Zweedse
systeem van pensio’ehvrzekering vele, en ook belangrijke
vejschillen zijn, zijn deze,’at het stelsel van finaniierin
betref t, van ondergeschikte aard. Uit dien hoofde behoeft
mi. geen voorkeur voor het ene of het and’ere telse1 te
gelden.

Kap itaaldehkng of omsiagstelsel.

Voor ons onderwerp is van belang na te
gaan
hoe het
komt, dat het eenvoudige en doeltreffend lijkende omslag-
stelsel niet eerder in Nederland is aanvaard, doch -over
de vraag kapitaaldekkings- of omsiagstelsel bijna een halve
eeuw strijd is gevoerd, die nog niet is-beslecht. De oorzaken

/

/
288

ECONOMISCH-STATISTiSCHE BERICHTEN

28
Maart 1951

hiervoor zijn deels van historische, deels van economische

aard. Bij de totstandkôming van de Invaliditeitswet is,

zonder dat dit tot diepgaande beschouwingen aanleiding

heeft gegeven, het in de particuliere levensverzekering

reeds lang gebruikelijke stelsel van kapitaaldekking van

aanspraken gekozen. Weliswaar is
dit stelsel als financie-

ringssysteem van de wettelijke ouderdoms- en invaliditeits-
verzekering in de daarop volgende jaren aan critiek onder-

worpen, maar nog in 1939 sprak de voor dit doel in het leven

geroepen staatscommissie onder, leiding van Prof. Dr

Verrijn Stuart zich wederom ten gunste van de toepassing

van het kapitaaldekkingsstelsel uit. Dit gunstig oordeel

over het kapitaaldekkingsstelsel hield mede verband met
het feit, dat in die jaren het streven naar waardevast geld
nog een bereikbaar ideaal werd geacht. Gedurende de twee-

de werelçloorlog en daarna zijn .echter zulke ongunstige

ervaringen op dit terrein opgedaan, dat de voortschrijdende
waardedaling van het geld een nieuw element in de dis-

cussies over dit onderwerp heeft gebracht. Voorts zijn in

die jaren zodanige veranderingen gekomen in de economi-

sche positie van ons land, dat de economische bezwaren

verbonden aan een stelsel, dat op zulk een omvangrijke

wijze fondsvorming bevordert, zwaarder zijn gaan wegen,
zo zelfs, dat het thans wenselijk schijnt dit stelsel definitief

te vervangen door een omslagstelsel.
Ter toelichting van deze stelling mogen enkele argu-

menten, welke verband houden met de huidige economische
situatie, worden genoemd. Voorstanders van het kapitaal-

dekkingsstelsel wijzen er op, dat fondsvorming het tot-
standkomen van besparingen zou.bevorderen. De juistheid

van deze veronderstelliiïg is echter twijfelachtig, aangezien

tenminste een ceel der besparingen zijn te beschouwen als

verplaatste besparingen van het bedrijfsleven naar het

fonds.
Voorts is de overweging actueel, dat de in het fonds
verzamelde gelden worden gestuwd in de richtirg van

leenkapitaal, terwijl velen het er over eens zijn, dat thans
een nijpend tekort aan risicodragend kapitaal bestaat,

zodat reeds uit dien hoofde er weinig aanleiding zou zijn

tot handhaving van een stelsel, dat fondsvorming op grote
schaal bevordert.
In het rapport van de Raad van Bestuur in Arbeids-

zaken inzake een wettelijke -ouderdomsverzekering, werd
globaal berekend, dat voor de verzekering van een pen-
sioen van f10 per week in 1975 een vermogen van f 7,25
milliard zou moeten zijn gevormd. Van een dergelijke

fondsvorming mag mi. een druk op de rentestand worden

verwacht.
.Indien men erkent, dat toepassing van het kapitaal-
dekkingsstelsel voor de komende wettelijke ouderdomsver-

zekering bezwaarlijk in aanmerking kan komen, ten eerste
omdat deze wijze van financiering te geringe mogelijkheden

biedt om de pensioenen aan te passen aan de waardedaling van het geld en voorts omdat dit stelsel ook in economisch

opzicht thans onoverkomelijke bezwaren met zich brengt,
dan zal bijzondere aandacht moeten worden besteed aan
de problemen, welke de’ toepassing van een omslagstelsel

zonder twijfel mede brengt.
Allereerst dient te worden opgemerkt, dat de toepassing
van hét omslagstelsel de pensioenverzekering in een andere
sfer brengt dan het.geval was toen zij op het stelsel van
fondsvorming berustte. Iedere verzekerde spaart niet meer

vôor zijn eigen pensioen, maar de werkende generatie

draagt de kosten yan degenen; die de pensioengerechtigde
leeftijd hebben overschreden. Hiermede wordt in sterker mate een beroep op het elenent van solidariteit tussen de
bevolkingsgroepen gedaan. Het reeds genoemde bezwaar

verbonden aan het omslagstelsel, dat ten gevolge van de
veroudering der bevolking de premie zal stijgen of de
uitkering zal dalen, kan mi. worden weggenomen door te

zijiier tijd de pensioengerechtigde leeftijd te verhogen.
Met het stijgen der gemiddelde leeftijdsduur zal immers

ook het aantal ouderen, dat in staat is na riet bereiken

van het 65ste jaar nog enige tijd door te werken, toenemen.

In Frankrijk is voor degenen die dit wensen, een regeling

getroffen, opdat zij na het bereiken van het 65ste jaar door

kunnen gaan met premie betalen zodat hun pensioen hoger
wordt, terwijl in Zwedep het staatspensioen ingaat bij het

bereiken van het 67ste jaar en ook voor de aanvullende

pensioenveizekering 67 jaar als pensioengerechtigde leeftijd
wordt voorgesteld.

Aan de voordelen verbonden aan de toepassing van het
omslagstelsel kan worden toegevoegd, dat ook de kortlo-

pende verzekeringen in’principe volgens dit stelsel worden
gefinancierd, zodat toepassing van dit stelsel op de wette-

lijke ouderdonisverzekering meer eenheid op het terrein

van de financiering der sociale verzekering zou brengen.

Hiermede zou een stap zijn gedaan, welke op de duur

verdere vereenvoudiging op het terrein der sociale-verzeke-

ring mogelijk zou maken. O.a. zou de taak der bedrijfs-

pensioenfondsen en ondernemingspensioenfondsen kunnen

worden teruggebracht tot het verzekeren van een aanvul-
ling
oii
het aan het loonniveau gekoppelde wettelijke
ouderdomspensioen.

Toepassing van het omsiagstelsel betekent niet dat

fondsvorming geheel achterwege zal moeten blijven. Het
zou mi. aanbeveling verdienen, indien een relatief klein

fonds werd gevormd, bijv. om
, zdals dit in Zweden ge-

schiedt, eventuele stijging van de omslagpremie in verband

met veroudering der bevolking over een lange periode uit
te strijken.

De inoloed oan de sociale oerzekering op de waarde oan
het geld.

Thans zal moeten worden onderzocht, op welke wijze
en in welke mate verhoging, resp. invoering van nieuwe

sociale lasten invloed kan uitoefenen op de waarde van
het geld. 1-liervoor is het in dit verband voldoende aan te

tonen, dat de sociale verzekering invloed heeft op de hoogte
van de prijzen. De aartdacht valt dan direct op het ver-

schijnsel, dat de wettelijke sociale lasten thans ca zeven-
maal zo groot zijn als v66r de oorlog. De betekenis hiervan
ligt niet alleen in het kostprijsverhogend element der sociale
lasten, maai ook in de omstandigheid, dat de werknemer
een steeds Ideiner deel van zijn inkomen direct in handen
krijgt, terwijl het feit, dat zijn loon in werkelijkheid hoger
is, heri veelal pas bewust wordt wanneer een gebeurtenis
plaatsvindt, waardoor hij ,00r uitkering in aanmerking
komt. De vèrreikende gevolgen van deze situatie vallen
echter buiten het kader van ons onderwerp. In ons bestek
is van belaeg, dat de sociale lasten, d.w.z. het werkgevers-
aandeel in de premiën, dienen te worden gezien als een
verlengstuk van het loon. Daaruit volgt, dat het heffen

van een premie voor een nieuwe sociale verzekeriirege-
ling of de verhoging van de premie voor een bestaande
regeling een invloed heeft op de waarde van het geld,
welke is te vergelijken met een loonsverhoging tot eenzelfde

percentage.

Voorts kan de invoering van een nieuwe sociale verzeke-
ringsregeling leiden tot het verplaatsen van de daaraan
verbonden lasten van de Overheid naar- hetbedrijfs-
‘leven. Een voorbeeld levert de nog niet in werking
getreden Werkloosheidswet. Volgens deze wet worden

de kosten van de wachtgeidverzekering, dat zijn dus
de kosten van de, werkloosheidsuitkeringen, gedu-
rende de eerste acht weken geheel gedragen door de
desbetreffende bedrijfstak. De consequentie van deze
regeling is, dat de kosten van de werkloosheidsuitkeringen,
we]ke vroeger door de Staat werden gedragen, zodra de

wet in werking treedt, voor rekening van het bedrijfs-leven zullen komen en wel voor hogere verzekerings-
uitkeringen dan vroeger door de Staat werden verstrekt.
De kosten dezer uitkeringen, vermeerderd met de admini-

28 Maart 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

239

stratiekosten, zullen in het algemeen in de prijzen tot uit-

drukking komen.

De premiën van de wachtgeidverzekering in de bedrijfs-

takken, welke gevoelig zijn voor werkloosheid, zullen hoger
zijn dan in de bedrijfstakken met een meer stabiele werk-

gelegenheid. Bedoelde premiën zullen vermoedelijk variëren

van 2 tot 8 pCt van het loon. De gevolgen hiervan voor
de prijzen zullen verschillend liggen naar mate het export-

artikelen, artikelen bestemd voor de eerste levensbehoeften,

of luxe artikelen betreft. Voorts moet er op worden gelet,
dat de helft van de wachtgeldpremie voor rekening komt
van de werknemers. Dit zou kunnen betekenen, dat werk-

nemers in conjunctuurgevoelige bedrijven zwaarder zouden

worden belast dan werkneniers in bedrijven met een sta-

biele werkgelegenheid, hetgeen niet in overeenstemming
lijkt met de huidige normen der loonpolitiek. Het verdient
daarom aanbeveling, dat vôôr dât de Werkloosheidswet

in werking treedt, met dit feit rekening zal worden gehou-

den. De oplossing van deze kwestie is echter uiterst moeilijk.
Verhoging van de lonen met het werknemersaandeel in de

premie der Werkloosheidswet betekent, dat een nieuwe

factor optreedt, welke de kosten van levensonderhoud zal
verhogen. Het betekent voorts, dat de loonniveaux in de verschillende bedrijfstakken verder uiteen zullen lopen,

omdat het werknemersaandeel in de premiën der diverse

bedrijfstakken verschilt. Indien de lonen ongewijzigd
blijven, is het gevolg, dat het deel van het loon, dat de
werknemer in handen krijgt, naarmate hij werkzaam is
in een bedrijfstak, welke gevoelig is vôor werkloosh’eid,
lager wordt. Aangenomen mag worden, dat dit op weer-
stand zal stuiten, ook al kan daar tegenover worden ge-‘
steld, dat de werknemer ingeval van werkloosheid de voor-
delen zal genieten van de Werkloosheidswet. Deze voor-
delen zijn bij uitkeringen, die voor gehuwden en kostwin-
ners 80 pCt van het loon, voor ongehuwden 70 pQt van het
loon en voor inwonenden 60 pCt van het loon bedragen,
niet gering te achten.

Teneinde tot een oplossing te komen voor de moeilijk-
heden, welke ontstaan door de verschillen in de wachtgeld-
premiën, zou kunnen worden overwogen of het wenselijk
zou zijn, dat de Staat een deel van de wachtgeldpremiën
in bedrijfstakken, welke werken voor de eerste levensbe-
hoeften of misschien ôok voor de export, voor zijn rekening
zou nemen, opdat een factor weggenomen wordt, die ver-
hoging van de kosten van levensonderhoud zou veroorza-
ken, resp. belemmerend zou, werken op de export. Het
limiteren van de premiën der wachtgeldverzekering is

echter in strijd met dé principes,waarop de
‘S
i
V
er
kl
oos
h
e
id
s

wet is gebouwd. Een dergelijke maatregel zou m.i. slechts
tijdelijk verantwoord zijn teneinde in de huidige moeilijke
omstandigheden de overheveling van kosten van werkloos-
heidsuitkeringen van dê Staat, welker budget hiermede
wordt verlicht, naar het bedrijfsleven geleidelijk te doen

plaatsvinden. –

Sociale Qerzekering en gelde irculatie.

Tussen de invloed van een loonsverhoging en ver-
hoging van de premiën der sociale verzekering op d&waarde
van het geld is een verschil van monetaire aard. Een loons-
verhogingwordt vrijwel direct weer in de consumptieve
sfeer gebracht, terwijl een premieverhoging voor de sociale
verzekering, afhankelijk van de aard dezer verzekering,
op een later tijdstip, wanneer de uitkeringen plaatsvinden, vergi’oting van de consumptie ten gevolge heeft. Een deel
van de premiën wordt besteed voor het dekken van de
kosten der administratie. Dit deel, dat gezien de omvang
van het uitvoeringsapparaat der sociale verzekering niet

ROTTERDAMSCHE BANK

DOCUMENTAIRE


ACCRE DITI EVEN
INCASSE RINGEN

OP BINNEN. EN

B
U
IT E N LAN D

250 VESTIGINGEN
AN
NEDERLAND.

gering moet worden geacht, komt via de loonbetaling we-
derom in circulatie.

Een bijzonder geval doet zich voor, indien uit de pre-

miën verkregen gelden, alvorens tot uitkering te komen,
worden verzameld in fondsen. Bedoelde gelden zullen dan

enige tijd aan de consumptie worden onttrokken en een
deflatoire invloed uitôefenen. Het is echter ook mogelijk, dat de fondsen bedoelde gelden tegen vaste rente uitlenen aan instanties, welke deze voor consumptieve doeleinden
uitgeven. In dit geval zal bedoelde deflatoire werking geheel
of gedeeltelijk uitblijven.
1

Slot.

Onze beschouwingen voeren tot de conclusie, dat dé

waardedaling van het geld op-het terrein der sociale ver-
zekering tal van problemen doet ontstaan. Gestreefd dient
te worden naar aanpassing der sociale verzekeringsuitke-
ringen aan de ontwikkeling van het loonniveau. Deze aan-
passing is, mits het tempo der waardedaling van het gèld niet te snel is, mogelijk voor de kortlopende uitkeringen.
1-let is echter veel moeilijker de koopkracht van de lang-
lopende renten en pensioenen te bescfiermen. Dit doel

zou voor de uitkeringen’van een het gehele volk omvattende
wettelijke ouderdomsverzekering kunnen worden bereikt
door deze verzekering te financieren volgens het omslag-
stelsel’) . . –

Voorts werd uiteengezet, dat de premien der sociale
verzekering invloed hebben op de waarde van het geld
doordat deze premiën een factor zijn in de kostrijs der
producten en als zodanig de prijzen zullen verhogen. In
dit verband werd gewezen op de moeilijke problemen,
welke ontstaan zodra met het inwerkingtreden der Werk-
loosheidswet kosten van werkloosheidsuitkeringen worden
overgeheveld van de Staat naar het bedrijfsleven.

Amsterdam.

L H. VAN HOLTI-JE TOT ECHTEN.

‘) In mijn, artikel Institutionele beleggers en risicodragend kapi-taal” in ,,E.-S.13.” van 17 Januari 1951, is inde laatste alinea, derde
regel van onderen, abusievelijk het woordje ,,niet” ingevoegd, waar-
door ten onrechte de Indruk wordt gewekt, dat ik het omsiagstelsel
voor de wettelijke ouderdomsverzekering onbruikbaar zou- achten.

240

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

28
Maart 1951

De :huurverI-ioging krachtens de Huurwet

De per 1 Januari 1951 in werking getreden Fluurwet
staat in beginsel een algemene huurverhoging toe van

15 pCt voor alle v66r 27 December 1940 gebouwde onroe-

rende goederen. Voor alle overige onroerende goederen
(gebouwd, zowel als ongebouwd) wordt in beginsel geen

huurverhoging toegéstaan. Aan de Kroon is echter de

bevoegdheid gegeven om afwijkende regelen vast te stellen,

wanneer bijzondere redenen daartoe aanleiding geven .

Tegen de mate van de verhoging is van verschillende

zijden, zowel in als buiten de volksvertegenwoordiging,
nogal bezwaar gemaakt. Men acht een verhoging van 15

pCt niet in overeenstemming met de gestegen onderhouds-

en overige lasten.

De Regering heeft, bij de schriftelijke behandeling van

de wet in de Staten-Generaal, een uitvoerige motivering

gegeven van het gevonden verhogingspercentage. Daarbij

is uitgegaan van, het v56r de oorlog gangbaar geachte
percentage van de onderhoudskosten. Bij de particuliere

woningèxploitatie bedroeg dit ve6lal tussen de 10 en 12 pCt

van d,e bruto huurprijs. Bij haar berekeningen gaat de

Regering dan ook uit van het gemiddelde van 11 pCt.

Voorts wordt uitgegaan van de vooroorlogse verhouding
tussen loon- en materiaalkosten bij onderhoudswerken,

welke is gesteld op 4 : 1. Ten aanzien van het loonbestand-

deel constateerde de Regering in de Memorie van Ant-
woord een stijging ten opzichte van 1938/1939 tot circa
190 pCt volgens hetcollectief contract voor de gemeenten

van d le en 2e klasse, tot circa 214 pCt in de gemeenten

der 3e klasse en tot circa 248 pCt in de gemeenten der
4e, 5e en 6e klasse. De prijzen van de voor het onderhoud

benodigde materialen bedroegën volgens de Regering het

viervoudige van die van v56r de oorlog. Hieruit resulteerde
een gemiddelde kostenstijging voor het gehele land, welke,

berekend over het onderhoudsbestanddeel van de voor-

oorlogse huren (11 pCt), leidde tot een huurstijgirig met

16’/
2
pCt.
Ten aanzien van de stijging der overige exploitatielasten
vas het moeilijker een aannemelijk gemiddelde voor het

ghele land te vinden, omdat de plaatselijke omstandig-

heden – men denke aan het grote vrschil tussen stad
en platteland – nu eenmaal.dikwijls ver uiteenlopen. ‘De,

Regering was van oordeel aan de véilige kant te zijn met een gemiddelde verhoging van 5 pCt van de bruto-huur.
In totaal alzo 21
1
/
2
pCt. – –

Tegenover deze vermeerdering van kosten moest echter
eveneens rekening worden gehouden met een verlaging
van lasten als gevolg van het minder, of liever gezegd’ in
het geheel niet meer, leegstaan van woningen en bedrijfs-
panden en eveneens meteen besparing op het onderhoud
in vergelijking met vÔôr de oorlog.
.Voor het leegstaan werd voorheen rekening gehouden
met een:gemiddeldevan 2 pCt van de bruto-huur, waar-mede, de gevonden 21
1
/
2
pCt moest worden verminderd. Van meer betekenis werd geacht de vermindering van de
teh laste van de eigenaren komende onderhoudskosten.
De ruime woningmarkt van vÔÔr 1940 noopte nl. volgens
de Regering de eigenaren tot het in zodanige staat houden
van de woningen, dat deze voor de bewoners aantrekkelijk
bleven.. Bovendien bracht vôôr de oorlog practisch elke

nieuwe verhuring voor de eigenaren extra kosten mede
.yan inwendige opknappirigen, hetgeen na het intreden
van de schaarste, op de woningmarkt achterwege kan wor-
.den gelaten. Deze versobering in het ten laste van de eige-
naren komende onderhoud, zo luidt de Memorie van Ant-
woord op het Voorlopig Verslag van de Tweede Kamer,
levert voor hen een aanzienlijke besparing op. 1-loewel de – –
Regering geen kans zag deze lastenbesparirig voor de

eigenaren enigszins nauwkeurig te berekenen, durfde zij

toch als haar indruk weer te geven, dat deze besparing

tenminste °een zesde gedeelte van de onderhoudskosten

uitmaakt, in welk geval de uiteindelijke lastenstijging niet

hoger zal zijn dan ongeveer 15 pCt van de zgn. oüde
huurprijs. –

Erg gerust over de juistheid van dit percentage bleek

de Regering intussen niet te zijn, want elders mde Memorie

van Antwoord wordt medegedeeld, dat het percentage

van 15 nietzonder meer een uitkomst is van, een berekening

van de gestegen exploitatiekosten van gebouwd onroerend
goed, maar dat dit mede beïnvloed is geworden door alge-
mene overwegingen van loon- en prijspolitiek. De Memorie

van Toelichting laat een zelfde geluid horen, waar wordt

opgemerkt, dat de gevonden 15’pCt krap is berekend en

dat, wanneer het gevaar voor verstoring van de loon- en

prijspolitiek niet aanwezig was geweest, wellicht een hoger percentage zou zijn voorgesteld.

Dat overigelYs ook de geringere arbeidsproductiviteit een

nadelige invloed heeft op de kosten van onderhoud van

gebouwd onroerend goed wordt door de Regering niet
ontkend, maar zij beschouwt dit verschijnsel als van voor-

bijgaande aard. Fliervan uitgaande verwacht de Regering

dan ook – en zij acht deze verwachting niet ongerecht-
vaardigd -, dat de onderhoudskosten in de toekomst
zullen dalen. Deze verwachting is mede gebaseerd op de
ervaringen der Regering ten aanzien van het verloop der

bouwkosten. De Regering schreef dit op 12 Juni 1950,
dus vôér degebeurtenissen in Korea.

• Het zal duidelijk zijn, dat de sedert Korea ingetrèden

prijsstijgingen op het gebied van de bouwmaterialen aan

de verwachtingen der Regering veel grond hebben ont–

nomen. De prijsstijgingen in deze sector zijn zeer belangrijk

en het is practish onmogelijk om ten aanzien van ht vr-
dere beloop van deze..prijzen zich aan voorspellingen te

wagen. In een reeds eerder gepubliceerde verhandeling over
het huurprijzenbeleid van de Regering
1)
mocht ik con-

stateren, dat de door de Regering berekende stijging van
onderhoudsiasten van gebouwd onroerend goed wel zeèr
aan de krappe kant is. Gezien in het licht van de huidige
ontwikkeling van de prijzen van de bouwmaterialen kan
zonder twijfel worden geconstateerd, dat dit ,,zeer krap”
thans wel kanworden veranderd in ,,onvoldoende”.

Het zal van belang zijn, dat de Regering zich hiervan
rekenschap geeft en zal overgaan tot het treffen van de terzake nodige maatregelen. Ik vrees echter gelet op de
langdurige procedure in eerste instantie, dat dit nogal
wat voeten in de aarde zal hebben. In die vrees word ik
gesterkt door de verschijning op 2 Februari 1951 van het
Besluit van de Minister van Wederopbouw en Volkshuis-

vesting ter uitvoering van de artikelen 11, eerste lid, 14
en 16 van het Besluit bijzondere huurprijzen.
Artikel 11 van laatstgenoemd besluit bepaalt, dat, indien
op of na 1 Januari 1951 een vernieuwing van de centrale
voorzieningen van gebouwd onroerend goed tot stand is
gekomen, de huurprijs kan worden verhoogd met een door

de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting vast
te stellen percentage van een door dezelfde Ministervast
te stellen gedeelte der kosten van deze vernieuwingen,
voor zover deze kostèn het redelijke en gebruikelijke niet

overschrijden en voor zover zij voor rekening van de ver-
huurder. komen Onder centrale voorzieningen worden o.a.
verstaan centrale verwarmingsinstallaties, liftinstallaties,

warmwaterinstallaties en koelinstallaties.
In het besluit van 2 Februari 1951 nu wordt o.a. bepaald,

‘)-,,Tijdschrift voor Overheidsadministratie” van 9 Februari 1950
no. 253.

28 Maart 1951

ECONOMISdH-STA TISTISCHE BERICHTEN

241

dat voor het vernieuwen van een centrale verwarmings-
installatie de huurprijs mag worden verhoogd met 7,358
pCt’s jaars van de gemaakte kosten, met dien verstande,
dat dit percentage mag worden berekend over een zesde
gedeelte van deze kosten. Om een voorbeeld te noemen:

een verhuurder, die in een verhuurde woning een nieuwe
centrale verwarmingsketel laat plaatsen en daarvoor f 800

betaalt, zou de huur mogen verhogen met 7,358 pCt van

f100 is f 7,36 per jaar. Ik neem gaarne aan, dat men voor

deze berekening ten departemente wel een, verklaring zal
weten te geven.
Het percentage 7,358 iomt overeen met een 4 pGt
twintigjarige annuïteit en het zesde gedeelte zal wel het

verschil ziji tussen de algemene prijsstijging van de onder-

houdskosten en die van de kosten van de centrale verwar-

mi.ngsinstallaties. In de praktijk komt het er echter op

neer, dat de verhuurder in één keer f 600 moet neertellen
en dat de huurder het luttele bedrag van f 7,36 per jaar

boven zijn geldende huur zal moeten betalen.

1

Jet argument, dat een andere wijze van verrekening in strijd zou komen met de loon- en prijspolitiek van de Re-

gering kan hier toch bezwaarlijk gelden, omdat huizen met
een centrale verwarmingsinstallatie in Nederland in grote
meerderheid slechts aan de middenstand en de beter
gesitueerden worden verhuurd. Bovendien, doch dit is een
technische bijkomstigheid, zullen de ketels van de centrale

verwarming in de normale middenstandswoningen, blijkens
ruime ervaring, zeker geen 20 jaren meegaan, doch ligt
de levensduur van deze ketels tussen de 10 en .15 jaren.
De praktijk bij het vernieuwen van centrale verwarmings-
ketels en boilers in huurhuizen is in de na-oorlogsjaren dan

ook anders.
Ongetwijfeld zullen er heel wat huiseigenaren zijn, die

geen kans zien om de daarmede gemoeide belangrijke be-
dragen uit te geven. Deze treffen een regeling met de huur-
ders, welke veelal hierop neerkomt, dat, wanneer de ver-
huurder er financieel minder goed voorzit, de huurder alle

kosten voor zijn rekening neemt en in gevallen, dat de
verhuurder zich financieel beter kan roeren, de kosten
voor gemeenschappelijke rekening worden genomen.
Slechts in weinige gevallen zullen verhuurdrs alle kosten

voor hun rekening hebben genomen.

In het algemeen hebben de huurders zich bij deze gang

van zaken neergelegd, omdat men in die kringen wel het
onbillijke inziet van het eenzijdig belasten van de ver-

huurder. Overigens zullen er zéker wel gevallen zijn aan

te wijzen, waarin, ondanks de stijging van de onderhouds-

kosten, de woningexploitatie – ook van die met centrale

verwarming – met de geldende huurprijzen nog gunstige

resultaten biedt, doch dit zijn uitzonderingen.

Over het geheel genomen – en dan denk ik meer spe-

ciaal aan de grote voorraden woningen, welke vôér de
scherpe daling van de bouwkosten in de jaren dertig zijn
tot stand gekomen – waren de huren in de jaren, direct

voorafgaande aan 1940, in meerdere of mindere mate ge-

deprecieerd. Deze giedeprecieerde huurprijzen waren over

het algemeen niet voldoende om – rekening houdend met

de’vereiste afschrijvingen op huis en installatie – tot een
sluitende exploitatie te komen. Dit had tot gevolg, dat de

betreffende huiseigenaren gedwongen werden dat deel
van de huuropbrengst, dat bestemd moest worden als re-

serve voor de vernieuwing van de technische installaties,

te bestemmen voor het normale onderhoud van hun bezit,

dat onevenredig in prijs was gestegen. Het wil mij voor-
komen, dat men ten departemente ‘met deze desiderata
te weinig rekening houdt. Wat in een enkel geval wellicht nog juist kan zijn, wordt thans over de gehele linie toege-

past tot schade van de huiseigenaren en uiteindelijk.tot

schade van het onroerend goed zelf. Hierin schuilt een
gevaar, omdat daardoor langzaam maar zeker ons totale
bezit aan onroerend goed zal worden aangetast.
De instandhouding van onze nationale woningvoorraad
is een ,zaak van grote sociale en economische, betekenis.
Deze instandhouding is slechts verzekerd, wanneer bij de
regeling van de huurprijzen niet alleen wordt gelet op het

beginsel, dat de draagkracht van de huurder een bepaalde
huur moet toelaten, waarbij de huur in een evenredige
verhouding dient te staan ten opzichte van de overige
noodzakelijke kosten van levensonderhoud, doch wanneer
er tevens een zodanige verhouding ligt tussen de huurprij-
zen en de kosten van instandhouding, dat het voor de huis-
eigenaren’ mogelijk is met deze huurprijzen een sluitende
exploitatie te verkrijgen.

Rotterdam.

C. IPPERS.

De grondslag van het huidige beleid inzake
de coördinatie van het binnenlands goederenvervoer

Uit de verschillende stukken, die de laatst& tijd door het
Ministerie van Verkeer en Waterstaat tot de Tweede
Kamer der Staten-Generaal zijn gericht ter toelichting van
de Rijksbegroting 1951 van dat Ministerie en ter voorbe-

reiding van de behandeling van het ontwerp van wet ter
regeling van het vervoer van goederen met vrachtauto’s’
tekent zich de grondslag van het huidige beleid inzake
de coördinatie van het binnenlands goederenvervoer dui-

delijk af. 1-let is derhalve’mogelijk deze grondslag op haar
economische mérites aan een beschouwing te onderwerpen.
In dit opstel wordt daartoe een poging gedaan.
In de nota van wijzigingen op het gewijzigd ontwerp van
wet ter regeling van het vervoer van goederen met vracht-
auto’s, no 10 dd. 8 Mei 1950, wordt o.a. gesteld op blz. 20,
dat men moet beginnen met de verhoudingen binnen elke

vervoerstak in haar ontwikkeling te leren kennen. Wanneer
men aldus in de verschillende vervoerstakken te werk
gaat, dan zal met het inzicht in elke vervoerstak zelf
tevens het inzicht in hun juiste onderlinge verhouding
groeien en zo zal men gaandeweg die juiste verhouding

leren bealen.

In verslag no 9 dd. 7 December 1950, opgemaakt over
het overleg, dat ter voorbereiding van de behandeling
van de Rijksbegroting 1951 van het Ministerie van Ver-
keer en Waterstaat is gepleegd met de begrotingscommissie
van de .Tweede Kamer der Staten-Generaal, wordt – het
coördinatiebeleid op blz. 1 als volgt omschreven.
,,Ter zake van coördinatie is de grondgedachte van het
te voeren beleid, dat maatregelen van coördinatie tussen
de verschillende vervoerstakken zich niet laten afleiden
uit algemene theoretische beginselen van hetgeen coördi-
natie behoort te zijn, maar dat integendeel coördinatie
een voortdurënde praètische werkzaamheid is, die op de
punten, waar zich tussen de verschillende vervoerstakken
belangentegenstellingen blijken voor te doen, voor die
belangentegenstellingen zo juist mogelijke oplossingen
op ‘de grondslag van het algemene vervoersbelang moet
trachten te vinden”. Onder ,,algemeen vervoersbelang”
wordt blijkens deze nota verstaan ,,het belang ener recht-
vaardige en – ook uit een algemeen maatschappelijk
oogpunt – evenwichtige behartiging der onderscheiden

(bij hét vervoer van goederen betrokken) belangen”.

242

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

28
Maart 1951

Uiteraard, zo vervolgt de nota, geeft deze omschrijving

niet anders dan een algemeen richtsnoer voor het te voeren

beleid. Inhoud krijgt dit beleid, wanneer aan de hand van

dit richtsnoer de zich voordoende belangentegenstellingen
tussen de vervoerstakken worden opgelost.

In verslag no 12 dd. 4 Januari 1951, opgemaakt over

het overleg, dat ter voorbereiding van de behandeling
van het ontwerp van wet ter regeling van liet vervoer van

goederen met vrachtauto’s door de vaste commissie voor

Verkeer en Waterstaat van de Tweede Kamer der Staten-
Generaal met het departement van Verkeer’en Waterstaat

is gepleegd, wordt op blz. 1 over het coördinatiebeleid het
volgende gesteld. Afgewezen wordt elk langs theoretische

weg geformuleerd einddoel der coördinatie. Dergelijke
formuleringen zouden toch zonder verband met de voor-

handen werkelijkheid zijn en daardoor zonder concrete

inhoud. Deze afwijzing treft, blijkens de nota, ook het be-

ginsel, dat een taakverdeling tussen de verschillende ver-

voerstakken gericht moet zijn op het verkrijgen van . het

grootste sociaal-economisch nut. Aan cergelijke algemeen-

heden, zo vervolgt de notâ, laten zich geén directieven

voor een concreet vervoersbeleid ontlenen. Daartoe is

het nodig, dat men begint de werkelijkheid te onderzoeken
om vast te stellen op welke punten zich in de verhouding

tussen de verschillende vervoerstakken disharmonieën

voordoen en dat men zich bewust maakt, dat het doel
ener coördinatie, althans voorlopig, iiiet anders moet zijn

dan het oplossen dezer disharmonieën, waar zij zich voor-
doen.

Het valt op, dat voor de oplossing van het vraagstuk

van de coördinatie van -het goederenvervoer, dat toch

een zeer belangrijk ecônomisch aspect heeft – immers
de vervoersverrichting is een phase van het productie-

proces – alle theoretische beginselen, waaronder ook het

beginsel, dat een taakverdeling tussen de vervoerstakken
gericht moet zijn op het verkrijgen van het grootste so-

ciaal-economisch nut, worden afgewezen. Deze afwijzing

geschiedt niet omdat gemeend wordt, dat het beginsel

van het grootste sociaal-economisch nut niet bij het
coördinatiebeleid betrokken behoort te worden, doch om-
dat het niet hanteerbaar wordt geacht. Aan dergelijke

algemeènheden, zegt de laatste nota, laten zich geen
directieven voor een concreet vervoersbeleid ontlenen.

Noodgedwongen dus worden bij .het huidige coördinatie-beleid beginselen afgewezen en wordt de toevlucht geno-
men tot de casuïstiek, het oplossen van disharmonieën,
waar zij zich voordoen. Dit oplossen van belangentegen-
stellingen geschiedt in overeenstemming met het inge-
nomen standpunt niet op grond van enig beginsel doch
door het afwegen van de onderscheiden belangen naar’de
maatstaven van rechtvaardigheid en maatschappelijke

evenwichtigheid. Hoe men op basis van rechtvaardigheid
en maatschappelijke evenwichtigheïd tot economisch ver-
antwoorde beslissingen denkt te komen, is niet aange-
geven.

In het huidige coördinatiebeleid springen derhalve twee
markante punten naar voren, nl.:

het afwijzen van het beginsel van het grootste so-
ciaal-economisch nut, omdat aan een dergelijke algemeen-heid zich geen directieven laten ontlenen voor een concreet vervoersbeleid en

het uitsluitend gebruik van, wat ik zou willen noe-

men, de juridische beschouwingswijze, nl. het afwegen
van belangen, met afwijzing dus van de economische

beschouwingswijze, het afwegen van nut tegen offers.

A.

Erkend moet worden, dat aan het beginsel van het
grootste sociaal-economisch nut geen directieven voor een
concreet vervoersbeleid kunnen worden ontleend. Uit een

algemeenheid kan niet worden gehaald, wat er niet in

zit, U. bijzonderheid. Het is juist de aard van een alge-

meenheid om geen bijzonderheid jn zich te hebben doch

slechts het algemene aan alle bijzonderheid. Daarentegen

dient elke bijzonderheid wel het algemene in te houden,
anders zou het algemene niet algemeen zijn. Zo houdt
dan ook het vervoerswezen als deel van het economisch

leven het algemene van de economische structuur in

en behoort derhalve ook door economische beginselen te

worden gericht, doch daartegenover kunnen uit algemene
economische beginselen niet de bijzoiiderheden van het

vervoerswezen worden afgeleid. Indien men derhalve aan

een algemeen economisch beginsel directieven wil ont-

lenen voor een concreet vervoersbeleid, dan zal men eerst
aan dat algemene moeten toevoegen, wat er voor dat doel

aan ontbreekt, dat wil zeggen het bijzondere van het

vervoerswezen. Men zal dus het algemene beginsel eerst

moeten verbijzonderen tot een of meer beginselen, die het
algemene nog in zich hebben doch daarneveris afgestemd

zijn op het bijzondere van het vervoer. Dit betekent,
dat het algemene beginsel kerst dient te worden ,,aange-

kleed” tot de bijzondere vormen, die aan de vervoers-

sfeer zijn aangepast. Daarna kunnen daaruit directieven
voor een concrèet vervoersbeleid worden afgele’d.

De ,,aankleding” van het beginsel van het grootste
sociaal-economisch nut tot in de vervoerswereld bruikbare

vormen kan als volgt schetsmatig worden gedacht.

Toepassing van het beginsel van het grootste sociaal-

economisch nut bij de coördinatie betekent, dat de uit-

vloeiing van vervoer, dat door verschillende vervoers
takken kan worden verricht, over die vervoerstakken
zodanig geschiedt, dat, uiteraard met inachtneming van

de eisen, die aan het vervoer gesteld worden, het vervoer
zich richt naar de vervoerstak, die het vervoer kan ver-

richten niet voor de gemeenschap de geringste offers.
Aangezien de vervoerseisen niet eens voor al kunnen

worden bepaald, doch zich moeten kunnen ontwikkelen

naar het inzicht van de vervoersconsumenten, dienen deze
de vrije keus van het vervoersmiddel te hebben.

Aangezien voorts deze keus voor een.belangrïjk deel

bepaald wordt door de veiiouding der vrachtprijzen tus-
sen de vervoerstakken wordt de onder
a
bedoelde uit-
vloeiing verkregen door een vrachtprijsstelling, die nauw
verband houdt met de sociaal-economische kostprijs.
Onder sociaal-economische kostprijs wordt in dit

verband verstaan de kostprijs van de individuele ver-
voersprestatie voor de betrokken onderneming vermeer-
derd met alle kosten van die vervoersprestatie, die niet
ten laste komen van de onderneming en verminderd met
de lasten die uit hoofde van de vervoersrestatie ten laste
van de onderneming worden gebracht zonder tot de
kostprijs te behoren.

De onder
d
bedoelde kosten, die geen lasten zijn
voor de onderneming, zijn bijv. de kosten voor het ge-
bruik van de Rijkskanalen, die, zoals bekend is, ten laste
van het Rijk komen. Een voorbeeld van onder
d
bedoelde
lasten, die geen kosten zijn, kan gevonden worden in de

benzinebelasting bij wegvervoer, voor zover deze belasting
uitgaat boven hetgeen ter vergoeding -van de kosten van
de weg wordt gevorderd.,

Teneinde de capaciteit van de vervoerstakken aan te
passen aan de vervoerseisen dient:
verlening van vergunning voor het gebruik der ver-
voersmiddelen de ontwikkeling van het vervoer op de
voet te volgen en

aanleg en uitbreiding van vervoerswegen slechts te geschieden na zorgvuldige raming van de vereiste capa-
•citeit.

Alvorens iets te zeggen over de directieven, die .iit deze
beginselen voortvloeien, is het géwenst eerst punt B in beschouwing te nemen, omdat de directieven voor een
concreet vervoersbeleid niet alleen uit de hierboven aan-

28 Maart 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

243

geduide beginselèn voortkomen, doch tevens in belang-

rijke rhate mede bepaald worden door de onder B ge-

stelde overwegingen.

B.

Het is opmerkelijk, dat hét vraagstuk van de coördinatie

van het goederenvervoer in de nota’s alleen beoordeeld

wordt van dc- juridische beschouwingswijze uit, d.w.z.

het afwegen van belangen, en dat de economische be-

schouwingswijze, het afwegen van nut tegen offers, niet
alleen er niet bij wordt betrokken doch zelfs, blijkens
de aangeha1de nota’s, wordt afgewezen. Ik moet inder-
daad toegeven, dat met de economische beschouwings-

wijze, het afwegen van nut tegen offers, alléén het vraag-

stuk van de coördinatie niet zal kunnen worden opgelost,
doch anderzijds merk ik op, dat een oplossing evenmin

kan worden verkregen met het gebruik van de juridische
bescliouwingswijze, het afwegen van belangen, alleen.

Het vraagstuk van de coördinatie heeft toch zo’wel econo-
mische aspecten, die alleen beoordeeld kunnen ivordert

van de economische bechouvingswijze uit als andere

aspecten, die de andere beschouwingswijze nodig maken.
-1-Jet is dus zaak in de eerste plaats het vraagstuk onder
to verdelen in terreinen, die-beheerst worden door elk der

genoemde beschouwingswij zen, zodat deze – volledig toe-
passing kunnen vinden, waarna de onderdelen van dit

vraagstuk weer kunnen worden samengevoegd tot zijn
eenheid.

In de volgende beschouwing wordt deze procedure
gevolgd.

In herinnering mag worden gebracht, dat liet ,rervoers

apparaat, waaronder in dit verband wordt verstaan het
geheel van middelen dat dient om de vervoersfunctie te
vervullen, een tweeledige functie heeft. In de eerste plaats
dient het vervoersapparaat te voorzien in de vervoers-
behoeften. Deze functie is niet anders dan een schakel in

de keten van het productieproces; haar vervulling dient
uit dien hoofde dan ook te worden beoordeeld op econo-
mische doelmatigheid,. d.w.z. door liet afwegen van nut

tegen offers. Het is onmogelijk om deze verrichting
anders te bêoordèlen dan van de economische beschouwings-
wijze uit. Daarnaast geeft het vervoersapparaat door zijn
inrichting en werkzaamheid bestaansmogelijkheid aan
degenen, die er in werkzaam zijn. Als zodanig heeft het de
functie van bestaansbron voor ondernemingen en voor
mensen. Bij het beoordelen van de vervulling van deze

functie tredt in het bijzonder het sociale aspect naar
voren. Hier is vooral de plaats.van het tegen elkaar af-
wegen van de onderscheidene belangen. In dit verband
zal beoordeeld moeten Worden, of deze functie als bestaans-
bron op redelijke wijze wordt vervula, d.w.z. dat aan liet
bestaan van, ondernemingen en aan de werkkring der

daarbij betrokken mensen een voldoende stabiliteit wordt
gegeven en dat voor alle daarbij betrokkenen een redelijke
bestaanszekerheid aanwezig is en voorts een uitzicht
bestaat op zo mogelijk enige welvaart. Het is wel heel duidelijk, dat hier de beoordeling van nut tegen offers
niet op haar plaats is doordat hier afgewogen moet worden
naar andere maatstaven zoals sociale.
1-let ismogelijk de hier genoemde terreinen, die onder-
scheiden worden naar haar beschouwingswijzen, zodanig
naast elkaar te schikken, dat zij afzonderlijk kunnen

worden behandeld. Dit is mogelijk door te onderscheiden
tussen beleid op lange termijn en beleid op korte termijn.
1-let beleid op lange termijn dient gericht te zijn op de
vervulling van de economische funtie, dus de functie
van een doelmatige voorziening in de vervoersbehoeften.
Het is duidelijk, dat, welke maatregelen men ook beoogt
te nemen op sociaal gebied en welke zekerheden men ook
wil stellen voor het bestaan van de in het productie-
proces betrokkenen, dit alles noodzakelijkerwijze begrensd
moet worden door het economisch resultaat van de activi-

teit van de betrokkenen. Men kan wel een verkregén op-

brengst op verschillende wijzen gaan verdelen maar men

kan nu eenmaal niet meer verdelen dan er opgebracht is,
tenzij de opbrengst wordt vergroot door giften van buiten.

Voorts wordt in herinnering gebracht, dat de functie van

het voorzien in de vervoersbehoeften zowel de aanleiding

als de economische doelstelling is van de activiteit van het
vervoersapparaat, en dat derhalve dit apparaat gericht

moet zijn op een zo doelmatig mogelijke voorziening in
deze vervoersbehoeften; zo behoort dan ook het vervoers-
beleid op lange termijn bepaald te worden uit de econo-
mische beschouwingswijze, d.w.z. door het afwegen van

nut tegen offers.

1-let beleid op korte termijn wordt enerzijds gericht door

het beleid op laflge termijn doch wordt anderzijds bepaald
door andere overwegingen, zoals sociale belangen en ook

de economische afweging van liet nut van moderner

methoden tegen het kapitaalverlies veroorzaakt door het
uitbedrijf nemen van verouderde doch nog in goede staat

zijnde productiemiddelen. Men zou hetmet een beeld

aan de zeevaart ontleend zo kunnen uitdrukken, dat voor
het beleid op lange termijn de te sturen koers in de kaart
wordt gezet, waarbij dan in gedachten wordt gehouden,
dat er allerlei overwegingen zullen optreden, die afwijkingen

van deze koers noodzakelijk maken en waarbij echter in
het
ook
dient te worden gehouden, dat de generale richting
steeds maar weer door het gestelde eindpunt wordt be-
paald. Men zou kunnen stellen, .dat het beleid op korté

termijn zich verwerkelijkt doordat op korte termijn in
de richting van liet gestelde eindpunt geen grotere af-tand
wordt afgelegd dan mogelijk is zonder ongewenste of
onaanvaardbare repercussies op te roepen. Wat onge-
wenst is of onaanvaardbaar moet beoordeeld worden naar
de inzichten van het ogenblik erf- is een kwestie van het af-
wegen van de verschillende er bij betrokken belangen
tegen elkaar. En zo gezien zal dus voor het beleid op lange
terniijn de economische doelmatigheid de bepalende
factor zijn, terwijl bij het beleid op korte termijn voor
een belangrijk deel sociale overwegingen aan zullen
geven, welke afstand in de richting van het gestelde eind’
punt op korte termijn kan worden afgelegd.

Uit de afweging van de onder A en B aangeduide over-

wegingen heeft zich liet vervoersbeleid te ontwikkelen.
Voor zover er strijd is tussen de verschillende overwegingen,
die ook door de ontwikkeling in de tijd niet kan worden
beslecht, heeft het beleid het karakter van een compro-
mis.• De plaats van dit compromis zal gekozen dienen te
worden tussen de beide uitersten, het economiséhe stand-
piint, dat onder A is geschetst en liet complex van be-
langen, dat met het historisch gewordene nauw verband
houdt, dat onder B is aangeduid. Daarbij kan de onder-
scheiding tussen beleid op lange termijn en beleid op korte
termijn een belangrijke rol spelen. Eerst nadat de plaats
van het compromis in beginsel is bepaald, kunnen de
directieven voor een concreet vervoersbeleid worden ont-
wikkeld. Een aantal vraagstukken van economische
aard, waarvan de oplossing theoretisch-economische
verdieping vergt, zal daarbij de aandacht vragen. In de
eerste plaats ig te nöemen het vraagstuk van de sociaal-
economische kostprijs voor – de individuele vervoers-
prestatie. Een vraagstuk, dat uiteen valt in verscheidene
onderdelen, als het kostenbegrip in liet vervoer, de cliffe-
rentiële kostprijscalculatie, de kosten van de w’eg en het
verband tussen kosten, capaciteit en bezetting: Bij de
vrachtprijsstelling rijzen de vraagstukken van compen- –
satie, classificatie en differentiële tariefstelling. De capaci-
teitsvraagstukken zijn van meer practisch-economische
aard. Het belangrijkste is liet ontwikkelen van vérgelij-
kingen tussen de potentiële capaciteit der vervoerstakken
met het gebruik, dat daarvan wordt gemaakt. Van be-
tekenis is ook de prognose der vervoersbehoeften. Op de

S


‘S

244

.

ECONOMISCH-STA
TJSTISCHE
BERICHTEN

28 Maart 1951

uitkomsten van deze twee onderzoekingen zal de hanterg

van het vergunningsstelsel dienen te worden gebaseerd.

Het is in dit opstel; dat slechts de strekking heeft om

aan te tonen, dat beginselen bij het coördinatiebeleid

niet behoeven te wordenafgewezen omdat ze niet hanteer-
baar zouden zijn, dat voorts, beginselen niet kunnén worden

gemist, en dat een coördinatiebeleid zich niet kan be-

perken tot het oplossen van disharmonieën, niet de p1ats

om nader in te gaan op de talrijke problemen, die zich

voordoen bij het ontwikkelen der directieven. Een uiteen-

zetting daarvan zou het coördinatiebeleid in zijn volle

omvang geven. Slechts zal nog ter illustratie van dit betoog

het beleid op korte termijn en het beleid op lange termijn

schetsmatig worden beschouwd bij een onderdeel van het

vraagstuk van de kosten van de weg, na’melijk het vraag

stuk van de scheepvaartrechten.

Allereerst is dus bij het vraagstuk der scheepvaart-

rechten de onderscheiding te maken tussen beleid op lange

t’rmijn en beleid op korte termijn.

A. Beleid op lange termijn.

Verscheidene aspecten trekken de aandacht, t.w.:

de grootte van het financiële belang, waarom het

gaat, dus het bedrag der lasten, dat ter zake van het
gebruik der vaarwegen op de gemeenschap drukt, waarbij

te onderscheiden de lasten met een kostenkarakter en de

lasten, die het karakter hebben van verlies als gevolg
van economische of technische veroudering. Deze laatste
lasten zouden zonder meer voor rekening van de gemeen-
schap behoren té blijven.
Alleen
voor de lasten met

kostenkarakter kan de vraag van de doorberekening via

de scheepvaartrechten in kostprijs en vervolgens in

vrachtprijs aan de orde komen. Het bedrag dezerkosten
en het aandeel, dat de scheepvaart daarvan reeds draagt,

dient te worden bepaald, zodat bekend wordt, welk bedrag

ter zake op de gemeenschap drukt.

De overweging, dat het vervoer een phase is van het
productieproces, voert tot volledige doorberekening van

de kosten van de vaarweg in de vrachtprijs. Immers, ‘de

vervoerskosten zijn een deel van de productiekosten en

behoren dus evenals andere productiekosten volledig in

de kostprijs van een product te worden opgenomen.

Het is economisch gezien niet gemotiveerd een deel dezer

productiekosten buiten de kostprijsberekening te houden

door ze ten laste van de Overheid te brengen.

3. Internationaal juridische verplichtingeb kunnen de

vrijheid om in eigen land het vraagstuk der scheepvaart-
rechten tot een oplossing te brengen, beperken. In dit

verband kan in Nederland worden onderscheiden:

het gebied waar internationaal recht (acte van

Mannheim), van dwii’igende aard is;

het gebied, waar tractaten met België gelden, die in

onderling overleg gewijzigd kunnen worden;
het overige gebied van Nederland.

4. Handelspolitieke overwegingen kunnen leiden tot

een geneigdheid om de kosten der vaarwegen geheel of

gedeeltelijk ten laste van de gemeenschap te brengen en
wel: /

ter bevordering van de internationale handel;

indien een concurrerende handelsplaats het voordeel
van natuurlijke verbindingen heeft:

5. Op grond van de hiervoor aangeduide overwegingen
zal het beleid’op lange termijn dienen te worden bepaald.

Voor zover daarbij vordt afgeweken van het gestelde

onder 2 wordt ook afgeweken van een volledige toepassing

van het beginsel van het grootste sociaal-economisch nut
bij de’ coöadinatie der vervoerstakken.

B. Beleid op korte termijn.

Voor zover de beslssing ten aanzien van het beleid op

lange termijn afwijkt van het huidige beleid ontstaat’het
probleem van het beleid op korte termijn; de overbrugging
van het verschil. Dit beleid wordt voorbereid door een

schets van de repercussies op: a. de sociale structuur der
binnenscheepvaart en b. handel, landbouw en industrie.

Uit deze schets kan worden afgeleid wat op korte termijn
kan worden verricht.

‘s-Gravenhage.

J. DE VRIES.

Dè internationaal georganiseerde afzetb evord e ring’

van tropische landbouwproducten

De ontikheling.

,,De oudste van de organisaties in Nederland voor het

stimuleren van het verbruik van ,,koloniale” export-
producten”, aldus Prof. Dr J. F. Haccoû ‘), ,,is de pro-

paganda voor het rubberverbruik; later kwam de organi-
satie der theepropaganda en van een zeer geringe betekenis,
die der koffiepropaganda’?. Als men teruggaat tot de werkelijke oorsprongen van de

in producentenverband georganiseerd uitgevoerde pro-
paganda-activiteiten, ontdekt men, dat de chronologische
volgorde eigenlijk de omgekeerde van de hierboven
genoemde is. Want reeds in 1899 bestond er in Neder-
land een. ,,Commissie voor Koffiepropaganda’?, onder-
deel van de producentenorganisatie op Java; reeds van
1918 af is door de ,,Vereeniging voor de Theecultuur in
Nederlandsch-Indië” theepropaganda gevoerd, terwijl
voor de ,,Internationale Vereeniging voor de Rubber-
cultuur in ‘Nederlandsch-Indië” in 1922 een propaganda-
afdeling in het leven werd geroepen, met het doel het
verbruik van rubber en van die artikelen, waarin rubber verwerkt is, te vermeerderen. Voorts kan nog genoemd

1)
,,De Indische Exportproducten”,
1947, blz. 129.
worden de propaganda voor het gebruik van kinine,
stammend uit het begin der jaren twintig.

De organisaties en instituten ter verruiming van het
verbruik, het gebruik en de toepassingsmogelijkheden,
zoals deze thans bestaan, dateren van na de crisis 1929/31,

toen de productielanden van thee en rubber de internatio-
nale regulerings- (restrictie-)overeenkomsten sloten en
daaraan een gezamenlijk pogen om de afzetmogelijkheden
en de afzet zelf te verruimen, verbonden. Men zag in, dat

productiebeperking een tijdelijk soulaas kon ‘brengen,
maar dat op den duur slechts gezonde marktverhoudingen
(met name een grotere vraag tegenover het grote productie-
potentieel) gezonde toestanden in de bedrijfstakken
konden verwezenlijken. Daarom legden bij de rubber de
drie verdragsluitende landen de rubberproducenten de
plicht op hunnerzijds maatregelen te nemen om het rubber-
verbruik te stimuleren en’ daarom deed het in 1933 ter
uitvoering yan de internationale theereguleringsovereen-
komst opgerichte ,,International Tea Committee” aan-
bevelingen voor het voeren van theepropaganda, waaruit
in 1935 de ,,Intenational TeaMarket Expansion Board”
is voortgekomen.

,

29 Maart 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

245

Al hetgeen véÔr het ontstaan• van de in internationaal
verband opgerichte organisaties en instituten -op het

gebied van propaganda werd gedaan, mag terecht ,,ge-

schiedenis” heten, maar weerspiegelt toch zeer duidelijk
de reeds vrQegtijdig geboren behoefte bij producenten

om de wereldvraag naar hun land.bouwproducten t

beïnvloeden door middel van verenigde activiteit tegenover
de consumenten.

De bescheidenheid van de middelen, waarmede in de

begintijd de propaganda werd gevoerd, wordt getypeerd
door het offreren van enige vaatjes koffie aan de IConingin’
van Spanje en aan invloedrijke personen in Spanje door

het ,,Braziliaanse Centrum voor Koffiecultuur” in 1900.

Theepropaganda in overzeese consumptielanden is

door Japan gevoerd sinds 1870 (in 1925 werd het ,,Japan
Tea Promotion Committee” opgericht), door Ceylon

sinds 1879 (in 1887 werd het ,,Ceylon Tea Fund” gesticht
en in 1932 – bij ordonnantie – de ,,Ceylon Tea Propa-

ganda Board”), door India sinds 1888 (omstreeks 1893

werd het ,,Voluntary Foreign Market Fund” opgericht,

later vervangen door de ,,Indian Tea Market Expansion Board”, waarvoor
,
in Augustus 1949 een ,,Central Tea
Board” in de plaats is gekomen) en door Indonesië sinds
1917 (,,Thee Expert Bureau”). –

Daanaast is ook in de productielanden zelf steeds
actie gevoerd voor afzetverruiming. Omstreeks de eeuw-

wisseling zijn enkele landen gezamenlijk campagies gaan
voeren; het begin hiervan is waarschijnlijk geweest de
sinds 1896, in de aanvang vooral in de Verenigde Staten,
ontplooide gezamenlijke activiteit van Ceylon en India.
Op rubbergebied heeft sinds 1923 de ,,Rubber Growers’

Association” (Londen) een voor die tijd uitgebreide pro-
paganda optwikkeld met het doel nieuwe toepassings-mogelijkheden aan te moedigen en het rubberverbruik
in het algemeen te stimuleren. In Nederland was het de
reeds genoemde propaganda-afdeling van de ,,Internatio-

nale Vereeniging voor de Rubbercultuur in Nederlandsch-
mdie”, die hetzelfde doel – ook buiten de landsgrenzen –
nastreefde. –

Al verschillen dus de tijdstippen, waarop tot actie werd –
overgegaan, al werden de acties pas na verloop van tijd
in internationaal verband gebracht, al hebben lange tijd
duidelijke werkplannen ontbroken mede als gevolg van het overwegend vrijwillig karakter van de producenten-

bijdragen, aan het bestaan van een reeds vroegtijdig bij
producenten gerezen behoefte om de vraag naar hun

producten te beïnvloeden, mag niet worden getwijfeld.
Die behoefte en de gedane pogingen om er in te voorzien,

zijn niet veel jonger dan de désbetreffende cultures,
beoefend voor de wereldmarkt, zelf.

De pormen pan organisatie bij rubber en thee.

De thans bestaande organisatievorm ten dienste van de afzetverruiming van
rubber
verschilt slechts weinig van
de vorm welke in 1936 definitief werd gecreëerd.
Het Verenigd Koninkrijk beschikt over de ,,British
Rubber Producers’ Research Association” (B.R.P.R.A.)
en de ,,British Rubber Development Board” (B.R.D.B.);
Frankrijk over het ,,Institut

Français du Caoutchöuc”
(I.F.C., met o.a. een ,,research”- en een ,,development”-
afdeling); Indonesië/Nederland over de ,,Rubber-Stichting”

(Delft) en het in 1941 tot stand gekomen ,,Indonesisch
Instituut voor Rubberonderzoek” (I.N.I.R.O.), Bogor,

evenals het I.F.C. en de ,,Rubber-Stichting” verdeeld in
een ,,research”- en een ,,development”-afdelin). Coördi-
natie tussen de werkzaamheden van deze instituten wordt

bereikt door middel van de ,,International Rubber
Research Board” en het eng daarmedeverbonden ,,Inter-
national Rubber Development Committee”. De B.R.D.B.
bestrijkt alle Engels sprekende landen, het I.F.C. alle
Latijnse landen, de – Rubber-Stichting West-Europa, met

uitzondering van de Latijnse landen en Engeland en het

I.N.I.R.O. Indonesië en China/Japan.

De bestuursleden en ,,delegaties” van de genoemde
instituten worden benoemd dor de gezamenlijke rubber-

producenten in de betrokken ‘landen, die in laatste in-

stantie als de feitelijke belanghebbenden beslissen over
werkmethoden, begrotingen,

etc. Aangezien ook de
bevolkingsrubber in de kosten bijdraagt, zijn de bevolkings-

rubberbelangen eveneens in de besturen en ,,delegaties”
vertegenwoordigd en wel – bij gebreke van bevolkings-
prod u centen-organisa ties – door ambtenaren-deskundien.
Bij de
thee
is research voor verbruiksontwikkeling vrijwel
geheel overbodig
2);
bij dit product is derhalve de con-
sumptietoeneming het rechtstreekse hoofddoel. De werk-

zaamheden worden ten behoeve van de thee meer centraal

geleid dan ten behoeve van de rubber. Alle belangen zijn
verenigd in de ,,International Tea Market Expansion

Board” (I.T.M.E.B.), zetelend in Londen, met 15 neven-

bureaux in de verschillende consumptielanden. De

I.T.M.E.B., die de benodigde fondsen ontvangt van

India, Ceylon, Indonesië, Pakistan en Oost-Afrika, heeft
naast door de betrokken regeringen benoemde ambtenaren,
als leden zij, die door de ,,governing bodies” (in Indonesië
het ,,Centraal Thee Fonds”) worden benoemd op voor-

dracht van de producenten. In het geheel zijn er mQmen-
teel 6 ambtelijke en 14 particuliere leden.

Financiering.

In het overgrote deel van de natuurrubber- en thee-
producerende landen worden de -benodigde gelden ver-
kregen uit retributies bij afvoer of uitvoer van zowel

ondernemings- als bevolkingsproduct. Deze verplichte
bijdragen (heffingen) worden in Indonesië geïnd door Øe
op wettelijke basis rustende ,,Centrale Cultuur Fondsen”.
De eenheidsbijdragen worden vastgesteld aan de hand
van de begrotingen der verschillende instituten, waar-
onder ook die van de ,,Centrale Proefstations Vereniging”

(C.P.V.), de vereniging die tezamen met het proefstation
in Medan productieresearch verricht ten behoeve van de
overjarige cultures en die voorts inlichtingen en adviezen
geeft ten dienste van de productie. De ,,Rubber-Stichting”

en het I.N.I.R.O. ontvangen hun gelden van het ,,Centraal
Rubber Fonds”; de I.T.M.E.B. het door Indonesië te
‘betalen aandeel van het Centraal Theefonds”. De desbe-
treffende eenheidsbedragen in de na-oorlogse jaren in cen-
ten per 100 kg product zijn vermeld in de tabel op blz. 246

Het ,,Centraal Koffie- (& Cacao-) Fonds” heeft van 1
Januari 1949 af de koffie weer belast met een bijdrage
voor research en propaganda, sindsdien ongewijzigd 25 ct
per 100 kg bedragend. De hieruit verkregen bedragen
worden nog niet besteed, daar na de oorlog door Indo-
neslë, zelfstandig noch in samenwerking met andere landen,
afzetresearch of propaganda voor kdffie is aangevat.

De in de verschillende landen geheven eenheid,sbedragen
zijn uiteenlopend, hetgeen met betrekking tot de rubber
als in strijd met de aanvankelijke bedoeling wordt be-
schouwd. In de (sinds .1944 geëxpireerde en niet meer

verlengde) internationale rubberreguleringsovereenkomst
was namelijk bepaald, dat door de betrokken regeringen
tenminste 1 d per 100 lbs zou worden geheven voor
research en ontwikkeling. Een zodanige eenheidsheffing
bleek echter practisch niet te kunnen worden gehandhaafd

ten gevolge van de zich oiigelijk wisselende omstandig-
heden waaronder werd geproduceerd. Voör 1950 werd van

de ,,Engelse” producenten geheven 3,8 d per 100 lbs,
van de ,,Franse” producenten 26 d per 100 lbs (inclusief

) Men zou hoogstens het -voortdurend streven om de installaties
voor het bereiden van de drank in grotere hoeveelheden (restaurants,
cantines, sportvelden) te verbeteren als zodanig kunnen beschouwen.
Daarvoor zijn echter niet als hij de rubberresearch eigen laboratoria
en werkplaatsen nodig!

246

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

28 Maart 1951

heffing t.b.v. de proefstationsdienst) en van de producenten

in Indonesië na de monetaire saneringsmaatregelen

12,2 d, per 100 lbs (130 cts per 100 kg). Een optelling van

de begrotingen voor 1951 van de verschillende rubber-

research- en development-in stitu ten laat een totaalbedrag

zien van £ 879.421/—!— of f 9.357.040.
De begroting voor het boekjaar 1950151 van de

I.T.M.E.B. omvat £ 748.960/—/—, bijeen te brengen door
India
(E
372.830/—./—), Ceylon
(E
269.370/—/—), Indo-

nesië
(
48.810/—!—), Pakistan
(
37.430/—/—) en

Oost-Afrika
(f
20.520/—/—).

Rubber

1
van ondernemingen
I

van bevolking

Periode

1 research! 1 proef- 1 research! 1 proef-
propaganda! stations Ipropagandaj stations

1 Febr. t/m
31 Dec.

1948
60
63
60

1 Jan.
31 Dec.

1949
60
70
60

1 Jan.
11

31 Mrt

1950
70
85
70

April
30Apr.

’50
1
)
.70
200
70

1Mei

,.
.
31 Dec.

1950
130 200 130

1 Jan.
31 Dec.

1951
155
.

240 155


Thee
van ondernemingen
van bevolking

1

research/
proef-
research/
1

proef

periode
1

propa-
stations
propa-
stations
1

ganda

1
ganda

1 Febr. t/m
31 Dec.

1948
120
46
120
23
1

Jan.
31 Dec.

1949
150
200 150 100
1

Jan.
31 Dec..

1950
150
250
150
125
1 April
31 Dec.

’50
1
)
350
500
350
250
1

Jan.,,
31 Dec.

1951
410
350
410
175

‘) De verhogingen na 31 Maart 1950 vinden hun verklaring
hoofdzakelijk in• de Indonesische geldsaneringsmaatregelen.

De doeleinden en middelen.

Ondanks het feit, dat rubber en thee na de jongste
wereldoorlog goede vere1dmarposities hebben ingenomen,
hebben dus de gezamenlijke producenten hun organisaties

ten dienste van de afzetbevordering in stand gehouden.
Hoewel natuurlijke traagheid een rol gespeeld kan hebben,

moet o.i. de verklaring daarvan in de•eerste plaats gezocht
worden in de goede organisatievormen, waarbinnen de

werkzaamheden plaatsvinden en voorts in het bij pro-
ducenten en de betrokken regeringen aanwezige besef,

dat een overboord werpen van zulk een na tientallen van

jaren verkregen internationale samenwerking, zich vroeger
of later als een groot verlies’ zal doen gevoelen, gezien de
potentiële producties en de daartegenover staande te

verwachten wereldvraag. Rubber is immert ,,speelbal in
de wereldhuishouding” en thee een artikel, dat tegenover toenemende producties een inelastische vraag ziet staan.

Het is niet doenlijk enigermate in concreto de werk-
zaamheden van de reeds genoemde organisaties eninsti-

tuten te beschrijven. In algemene zin kan m.b.t. de
rubber worden gezegd, dat het uiteindelijk doel is het

winnen van de grootconsumenten en de finale consumenten
voor de natuurrubber. Ter bereiking van dat doel worden

uitgebreide researchwerkzaamheden verricht, eensdeels
om de eigenschappen van de natuurrubber zô te doen zijn,
dat de concurrentie met de synthetische producten voor

het fabriceren van bepaalde goederen kan worden weer-
staan, anderzijds om ,natuurrubber te doen gebruiken
voor nieuwe, toepassingen of voor nieuwe fabricatie-
procédé’s. Als voorbeeld van hetgeen bereikt is op het

gebied van de hier bedoelde resèarch, kn de ontdekking

van rubberpoeder (,,mealorub”), waarmede op grote

schaal proeven zijn en worden genomen voor het gebruik

in asfalt- en betonwegen, in startbanen op vliegvelden,

etc., worden genoemd. Daarnaast wordt zakelijke en

constructieve propaganda gevoerd en systematische

voorlichting gegeven, terwijl o.a. door het organiseren van

cursussen een zo groot mogelijke vertrouwdheid met en

kennis vn de natuurrubber en zijn eigenschappen worden

nagestreefd.

De reeds aanwe’ige en, nog te verwachten concurrentie

van de synthetische rubberindustrie deed de Engelse

belanghebbenden bij natuurr’ubber in 1949 het initiâtief

nemen tot oprichting in de Verenigde Staten van een

,Natu rai Rubber Bureau”. De bestaansrechtvaardiging

en de werkzaamheden van dit bureau (oorspronkelijk bud-

get $ 600.000) zijn kortgeleden wederom critisch bezien,

ook door de producenten en de Regering van Indonesië,

die geen hoge verwachtingen hadden van de door dit bureau te verrichten publiciteitswerkzaamheden. Het

ziet er echter naar uit, dat Indonesië zich voor 1951

bereid zal verklaren dit bureau te steunen, mits het doel

in de eerste plaats zal zijn: ontwikkeling van de toepassings-

mogelijkheden en niet: propaganda voor rubber als zo-.

danig.

Het hoofdkantoor van de I.T.M.E.B. en de in de ver-

schillende landen gevestigde theebureaux streven een
verhoogd, desnoods een gelijkblijvend, theeverbruik na

door het in vele vormen bekendheid geven aan de aan-

trekkélijkheden van thee, door het propageren van goede
bereidingswijzen, door het winnen van de detailhandel

voor reclamecampagnes, etc. De in de verschillende

consumptielanden ontwikkelde activiteit is gedeeltelijk
van defensieve aard (Verenigd Koninkrijk, Australië,

Nieuw-Zeeland), gedeeltelijk van offensieve aard (Afrika)
en ten dele tegelijk defensief en offensief (Verenigde Staten).

Theebureaux zijn gevestigd in Engeland, Ierland, Verenigde
Staten, Canada, Nederland (het ,,Thee Advies Bureau”

te Amsterdam geeft leiding aan het ,,Thee Centrum”
te ‘Amsterdam en aan de theeburéaux in Zwitserland,
België en Denemarken), Australië, Nieuw-Zeeland, Egypte;
Irak, Centraal-Afri1a en West-Afrika. Het zwaartepunt
van de marktbeweging ligt momenteel in de Verenigde

Staten, dat roet zijn thee-import ad 9,2 pCt van de wereld-

export van 1949, na Engeland (48,7 pCt) het belangrijkste
consumptieland is. Voor campagnes in de Verenigde

Staten is voor 1950/51
S
1.000.000 uitgetrokken, waarvan
een gedeelte wordt gestort in een ,,joint fund”, ten dienste

van gezamenlijke actie van het ,,Thee Bureau” in New
York en de Amerikaanse theehandel, waartoe in 1950
besloten werd. Dit laatste is een belangrijke proefneming,
waaraan echter naast nieuwe mogelijkheden verschille’nde

specifieke moeilijkheden verbonden zijn.

J’Verkmethoden en -problemen.

Wie zich op de hoogte wil stellen van de fundamentele

vraagstukken, welke aan acties tot behoud en vergroting
van het afzetgebied, en vah de ,,plaatsing” van producten
als hier bedoeld verbonden zijn, kan bij Prof. Haccoû
3)

terecht. Prof. 1-laccoCi onderstreept de moeilijke positie

van bijv. producenten van rubber en thee, vergeleken

met de positie waarin producenten, van industriële pro-
ducten zich met betrekking tot de afzetbevordering be-

vinden.
Enkele punten vereisen o.i. echter nog nadere aandacht,
zowel in practisch als in theoretisch opzicht.
ie. De afstafid tussen de producent van tropische
landbouwproducten en de consument van zijn producten
is in het algemeen groot. Niet hij zelf, doch anderen
voor

‘) ,,De Indische Exportproducten”, blz. 167 t/m 184.

28 Maart 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

247

hem verkopen het product aan de coiisument. Alle tusen-

schakels (makelaren, exporteurs, groothandel, verwerkende

bedrijven en detailhandel) komen theoretisch in aan-
merking om bij de georganiseerde afzetbevordering be-

trokken te worden, in financiële en in commerciële zin.

Financieel, omdat de tussenschakels in vele gevalln zullen
medeprofiteren van consumptiestimulering; commercieel,

omdat feitelijk resultaten van de acties van produenten

door hen verwerkelijkt moeten worden, terwijl zij daar-
naast de i5roducenten omtrent de wensen van verbruikers-
zijde het beste kunnen inlichten
4).
Dat de productie- —
research (proefstationswerkzaamheden) hierop onmiddellijk

en systematisch moet kunnen aansluiten behoeft wel geen

nadere argumentering. Althans theoretisch zou bij een
zodanige bundeling de gehele bedrijfskolom in technisch
en commercieel opzicht internationaal georganiseerd zijn.

Deze toestand is, zeker in de naaste toekomst, niet reali-

seerbaar. Toch zijn met de verenigde producentenhande-

larencampagne op het gebied van thee in de Verenigde

Staten reeds enkele opmerkelijke resultaten (i.c. door de
,,chain stores”) bereikt. Samenwerking met bepaalde

tussenschakels biedt zeker mogelijkheden.
2e. Via de propaganda voor thee van een bepaald
productieland, van een bepaald mérk, van een groep van

productielanden en tenslotte voor het product als zodanig
(,,drinkt meer thee”), is thans een belangrijk oogmerk
,

het scheppen van voorkeur in de geest van de consument
voor zeer bepaalde, sprekende eigenschappen van het

product (in cle Verenigde Staten: ,,whenever you are
under pressure,
drink tea”). Anderzijds wordt bij de theepropaganda geprofiteerd
van het tweetal toepassingsmogelijkheden: ,,iced tea”
en ,,hot tea”, waardoor men de markt eigenlijk splitst in
– markten van twee totaal verschillende producten. Deze in

theorie reeds eerder aangegeven mogelijkheden zijn
daarmede tot practische methoden geworden. Uiteraard
zijn de mogelijkheden in dit verband voor een grondstof
als rubber veel groter. Zouden, in technisch en bedrijfs-
huishoudkundig opzicht, de verwachtingen, welke ge-
koesterd worden van bijv. toepassing op grote schaal van
rubber in wegen in vervulling gaan, dan zou daarmede

een geheel nieuwe markt gecreëerd zijn, met wijde pers-
pectieven; dan zou tevens de afhankelijkheid van de
rubber van de autobandenindustrie tot kleinere proporties
zijn teruggebracht.

3e. Naar het voorkomt, ontbreekt tot nu toe, zowel bij
•de rubber als bij de thee, een duidelijke beslissing, of ge-
centraliseerd dan wel gedecentraliseerd te werk moet
worden gegaan. M.a.w.: moeten enkele markten intensief

bewerkt en enkele researchacties intensief uitgevoerd
worden, of moet de spreiding in beide opzichten wijd,
mogelijk zo wijd mogelijk zijn? Statistische gegevens en
marktonderzoek zullen hierbij het laatste woord moeten

hebben.
4e. Als een persoonlijke visie moge de verkregen indruk
geuit worden, dat de fundamentele betekenis van het
economisch-wetenschappelijk werk – naast het technisch-
wetenschappelijk en direct-commerciële werk – nog te

weinig tot uitdrukking komt. Dit zal tot mindere dan de
best mogelijke practijkresultaten leiden en maakt het
bovendien de producenten moeilijker om met gerust
hart de gelden te fourneren. Dat het o.i. momenteel de
producenten in Indonesië in hoi algemeen ontbreekt aan
een levende belangstelling en aan critische zin m.b.t. het op dit gebied verrichte en nog te verrichten werk,
dat velen van hen er zelfs tamelijk sceptisch tegenover
staan, kan o.a. een gevolg zijn van een hun nog tevel onthouden mogelijkheid om de bereikte resultaten te

‘)
Vermeldenswaard is, dat de Indiase ,,Central Tea Board” (1949)
o.a. is samengesteld uit vertegenwoordigers van de producenten-
organisaties èn van de groep van thee-exporteurs en binnenlandse
theehandelaren.

toetsen aan eerder verschafte taakstellende gegevens,

opgesteld na diepgaand marktonderzoek. Daarenboven
kan algemeen economisch-wetenschappelijk onderzoek,

hetwelk bijv. aan het licht zou kunnen brengen, dat be-

paalde dure toepassingen van rubbei prijs- en conjunctuur-

nivellerend kunnen werken, omdat de markt voor zulke

toepassingen zich automatisch opent en sluit, resp. bij lage

en hoge rubberprijzen, het vertrouwen van producenten

in het voor hen verrichte werk kunnen vergroten. De aan

de economische onderzoekingen verbonden kosten zullen
o.i. ruimschoots worden vergoed, al was het slechts door
een vergrote bereidheid van de producenten om de gelden

voor het eigenlijke doel ter beschikking te stellen. Boven-

dien kan dan de propaganda voor de propaganda tot een

minimum gereduceerd worden, hetgeen tijd-, geld- en
prestigewïnst betekent.

5e. Indien men tenslotte zou willen stellen, dat de

leden van de producentenorganisaties in Indonesië över
het algemeen hun organisaties nog te weinig zien als

bedrijfshuishoudingen voor dienstverlening op bepaalde

gebieden, dan zou het vrijwel volledig ontbreken van enige
reservering in de goede jaren ton bate van financieel
minder gunstige jaren, daarvoor een sterk argument
kunnen zijn. Ook de organisaties en instituten ten dienste

van de afzetbevordering komen vrijwel niet aan reserve-

ringen toe. Dientengevolge zal in een periode van neer-
gaande conjunctuur, die als regel met lagere retributies
gepaard moet gaan, minder in plaats van meer activiteit
ontplooid kunnen worden, met het mogelijk gevolg, dat

het mes van twee kanten zal snijden
5).
Bovendien kan de

personeelsbezetting

onder zulke omstandigheden nimmer
kwalitatief optimaal zijn.
De waarde, welke producenten werkelijk hechten aan
hun hier bedoelde organisaties, moet blijken uit hun

bereidheid tot reserveren voor ongunstige jaren, gemeten
in procenten van de budgetten in jaren welke gunstig of normaal kunnen heten.

Djakarta. 22 Januari 1951. J. B. VAN DER KAMP, ec.drs.

) De financiering van de Britse rubberresearch en development-
instituten is voor de jaren 1949 t/m 1953 veilig gesteld door een op
een vijfjarenplan gebaseerde garantstellingvan de Regeringen van
Malakka. Aan het ,,Malayan Rubber Fund” worden inkomsten
gegarandeerd, gelijk aan de vastgestelde uitgaven van de betrokken
instituten voor genoemde jaren.

AANTEKENING

Het plan Schuman

Op een bijeenkomsUop 19 Maart 1951 van de voor-
zitters van dedelegaties van Frankrijk, Duitsland, Italië,
België, Nederland en Luxemburg, die de onderhandelingen
over het plan-Schuman voerden, werd het verdrag inzake
de oprichting van een ,,Communauté européenne du char-bon et de l’acier” geparafeerd. Bij het definitief van kracht
worden van deze overeenkomst, dus na ondertekening
door de Ministers van de betrokken landen enna ratificatie
door de parlementen, is de kolen- en staalproductie van
de deelnemende landen aan een gemeenschappelijk beleid
onderworpen. Na ongeveer 9 maanden onderhandelen is
thans een zeer belangrijke stap gedaan in de richting van
de economische integratie van West-Europa.

1.
Grondbeginselen van het Plan.

De ,,Communauté européenne du charbon et de l’acier”,
-. zoals de nieuw opgerichte organisatie officieel wordt ge-
noemd, is op de volgende beginselen gebaseerd:

er is een gemeenschappelijk marktgebied;
er zijn gemeenschappelijke doelstellingen; er zijn gemeenschappelijke organen.

248

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

28
Maart 1951

Algemene doelstellingen van de Conimunauté.

De Communauté heeft o.a. de taak bijdragen te leveren

tot de economische ontwikkeling in de deelnemende landen,

tot de bevordering van de werkgelegenheid en de verhoging
van het levenspeil.

De Communauté moet de voorwaarden scheppen, waar-
door de productie op een zo rationeel mogelijke wijze wordt

verdeeld onder een zo hoog mogelijk niveau van producti-

viteit. Zij zal daarbij steeds moeten vermijden, dat voor

de economieën van de deelnemende landen fundamentele
en blijvende moeilijkheden zullen ontstaan.

Algemene taakomschrjing pan de organen pan de Corn-
munauté.

Aan de organen is opgedragen:

te zorgen voor een regelmatige voorziening van de ge-

meenschappelijke markt, daarbij rekening houdend met
de behoefte van derde landen;

aan de verbruikers in het gemeenschappelijk marktge-

bied gelijke toegang tot de productiebronnen te ver-
zekeren (het beginsel van de non-discriminatie);
c: te zorgen voor de totstandkoming van zo laag mogelijke
prijzen (het beginsel van de lage prijs);

te zorgen voor de handhaving van de voorwaarden en

prikkels, welke noodzakelijk zijn voorde ontwikkeling

en de verbetering door de ondernemingen van hun pro-
ductiecapaciteit en voor de rationele exploitatie van
de natuurlijke hulpbronnen;

het levenspeil en de arbeidsvoorwaarden van de arbei-
ders in de desbetreffende industrieën te bevorderen en te verbeteren;

de internationale handel te bevorderen;

de regelmatige uitbreiding en modernisering van de
productie te bevorderen.
Als strijdig met het beginsel van de gemeenschappelijke

markt worden volgens de overeenkomst beschouwd:

in- en uitvoerrechten of andere heffingen met gelijk
karakter en kwantitatieve restricties;

discriminerende maatregelen en practijken tussen pro-

ducenten, tussen kopers en verbruikers;
het verlenen ian, subsidies of hulp aan of het leggen
van speciale lastep op de ondernemingen;

restrictieve handelingen, welke de strekking hebben
de markten te beheersen.

II.
De organen pan de Communauté.

De Hoge Autoriteit vormt het centrale uitvoerende
orgaan in de overeenkomst. Het is een zgn. bovennationaal

gezagsorgaan. De betrokken bedrijfstakken zijn voor de
economische ontwikkeling van de deelnemende landen
van zo grote betekenis, dat een volledige uitschakeling
van de invloed van de nationale regeringen tot niet te
aanvaarden consequenties zou kunnen leiden. In verband
hiermede voorziet de overeenkomst in een Raad van Mi-
nisters. Deze Raad staat evenwel’niet boven, doch naast
de Hoge Autoriteit. Voor bepaalde beslissingen (o.a. in-
voering productiequotering, het instellen van uitvoer-
restricties), welke hierna nog ter sprake.zullen komen, is
de medewerking van deze Raad vereist.

Omtrent de in te stellen organen kan het volgende
worden opgemerkt.

– 1.
Hoge Autoriteit.

Dit orgaan zal bestaan uit een nog nader vast te stellen
aantal leden, die door de deelnemende landen gemeen-
schappelijk voor de tijd van 6 jaar zullen worden aange-
wezen. De bevoegdheden van de H. A. zijn in de over-
eenkomst nauwkeurig omschreven. De besluiten worden
in het algemeen genomen bij eenvoudige meerderheid van
stemmen. De stem van de president is bij staking der stem-

men doorslaggevend. De maatregelen, welke zij ter uit-
voering van de haar toevertrouwde taak zal nemen, zijn

al naar gelang de hieraan verbonden consequenties de
volgende:

,,décisions”.
Dit zijn bindende beslissingen, zowel wat
de doelstellingen als de ter bereiking daarvan te ge-
bruiken middelen betreft;

,,recommandations”. Dit zijn aanbevelingen, welke bin-

dende kracht hebben wat de doelstelling betreft, doch
niet t.a.v. de aan te wenden middelen;
,,ais”.
Dit zijn aanbevelingen, die geen enkele bindende
kracht hebben.

Assemblée Commune (gemeenschappelijk parlement)

Dit parlement zal bestaan uit een eveneens nog niet
vaststaand aantal leden, die zullen worden gekozen door
en uit de nationale parlementen. Aan deze vertegenwoor-

diging zal de H. A. eenmaal per jaar een verslag over het
gevoerde beleid voorleggen. De ,,Assernblée” komt voor

dit doel op de tweede Dinsdag in Mei in openbare vergade-

ring bijeen. Wanneer de meerderheid van de ,,Assemblée”,

vertegenwoordigend 2/3 van het aantal stemmen, het
jaarlijks verslag afkeurt, dienen de leden van de H. A.
gezamenlijk ontslag te nemen uit hun functie.
De zetelverdeling zal worden vastgesteld in de bijeen-

komst van Ministers van de betrokken landen, die binnen-
kort zal plaatsvinden.

De Raad van Ministers.

In deze Raad heeft een Minister van elk dér deelnemende
landen zitting. Hun taak is, zoals reeds opgemerkt, de
harmonisering van het beleid van de H. A. met de econo-

mische politiek van de deelnemende landen.

Het Comité Consultatif (raadgeende commissie)

De raadgevende commissie bestaat uit vertegenwoordi-
gers van werkgevers, werknemers en verbruikers. De H. A.

is verplicht het advies van het college in te roepen in

bepaalde in de overeenkomst nader omschreven. gevallen.
Daarnaast kan de H. A. advies inwinnen in al de gevallen
waarin ze dit nodig oordeelt. De benoeming van de leden

geschiedt door de Raad, die ook beslist welke door haar aan te wijzen representatieve organisaties voordrachten

voor de benoeming der leden zullen kunnen voorleggen.
De zittingsduur van de leden is twee jaar.

Het Hof oan Beroep.

Dit Hof heeft tot taak de overeenkoms.t voor zover nodig
formeel juridisch te interpreteren en een juiste uitvoering
vn de overeenkomst te waarborgen. 1-let zal beslissingen

of aanbevelingen van de H. A. kunnen vernietigen, von-
nissen kunnen uitspreken, in geval van inbreuk op het
verdrag enz. 1-let 1-lof bestaat uit zeven leden, die voor de
tijd van 6 jaar door de regeringen der deelnemende landen

worden benoemd. Er is een scherpe scheiding gemaakt
tussen de besturende taak van de H. A. en van de recht-
sprekende functie van het Hof. Hiermede heeft men willen

voorkomen, dat het Hof de functies van de H. A. zal gaan
overnemen.

Tenslotte laat het verdrag de ondernemingen vrij zich
in zgn. ,,associations” te verenigen. Iedere ,,association”
heeft het rechtS advies uit te brengen aan de H. A. in

elk geval, waarin het Verdrag het advies van de raad-
gevende commissie eist. De H. A. zal met name informa-ties bij deze organisaties inwinnen of hun administratieve

taken opdragen, wanneer deze een bevredigende regeling

hebben getroffen voor het tot uitdrukking brengen van
de belangen der werknemers en der verbruikers.

III.
De Porming Qan een marktgebied.

Een van de grondbeginselen van het Plan is de vorming
van één marktgebied. De vorming van één marktgebied

28 Maart 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

249

betekent, dat de productie en de verhandeling van de

desbetreffende productie niet zal worden belemmerd door

tarieven en restrictieve practijken. In feite wil dit zeggen,

dat invoerrechten èn verdere handelsbelemmeringen tussen
de deelnemende landen zullen worden opgeheven. Voorts

zal het systeem van prijsrïotering aab bepaalde voorschrif-

ten worden gebonden, waarmede o.a. een einde zal worden

gemaakt aan het systeem der dubbele prijzen dat door

verschillendé landen wordt toegepast.
Het is duidelijk, dat de overgang van een aantal deel-

markten naar één marktgebied niet zonder ingrijpende ._.
gevolgen voor de economische structuur van de deel-
nemende landen tot stand zal kunnen komen.

Plotselinge verschuivingen zouden optreden, welke tot

gevolg zouden hebben, dat een aantal mijnen en bedrijven
de concurrentie met de goedkoper werkende ondernemin-
gen elders niet zullen kunnen volhouden. Teneinde de

hieruit voor.tvloeiende nadelige gevolgen, zoals onnodige

kapitaalverliezen en – tijdelijke – stijging van de werk-
loosheid, zoveel mogelijk te vermijden, voorziet het Plan

in een overgangsperiode, welke aan de definitieve periode

zal voorafgaan.
Een van de grondbeginselen, waarvan in het thans ge-
parafeerde verdrag wordt uitgegaan, is, dat aan de onder-
nemers een zo groot mogelijke vrijheid moet worden ge-
laten om hun productie en afzet naar eigen inzicht te rege-

len. Men gaat uit van prijsvorming onder zoveel mogelijk

vrije concurrentie.
De Hoge Autoriteit zal slechts bevoegd zijn in te grijpen,
wanneer het conjunctureel verloop of andere oorzaken

hiertoe aanleiding geven. De H. A. krijgt •in dit geval
bevoegdheden, welke noodzakelijk zijn omvei’storing van
de vraag- en aanbodverhoudingen, velke nadelig is voor de economische ontwikkeling van de betrokken landen,

te voorkomen.
Uitgaande van deze grondbeginselen zal de werkzaam-
heid van de H. A. onder normale omstandigheden beperkt
blijven tot het nauwlettend volgen van de marktsituatie.
De uitvoering van deze opdracht bestaat in het verrichten,
hetzij permanent, hetzij periodiek, van

studies, welke

betrekking hebben op a) de ontwikkeling van het gemeen-
schappelijke marktgebied en de exportmarkten, b)de

prôductieprogramma’s in verband met de consumptie, de
import en de export, c) de moderniseringsplannen, d) het
op verzoek van de betrokken regeringen

deelnemen aan
de bestudering van de werkgelegenheid in de desbetreffende
industrietakken, e) het inwinnen van informaties met het

oog op een mogelijke verbetering van het levenspeil van
de arbeiders en de arbeidsvoorwaarden.

De investeringen.
Voor het behoud van een gezonde marktsituatie is het
verloop van de investeringen van zeer grote betekenis.
Niet-verantwoorde investeringen, bijv. investeringen, die
zullen leiden tot overproductie (zgn. overinvesteringen),
zullen zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. In ver-
band hiermede is aan de H.’ A. lopgedragen toe te zien op
een zoveel mogelijk gecoördineerde ontwikkeling van de investeringen-Ter uitvoering van deze taak is zij bevoegd
inzage te vragen van belangrijke investeringsprogramma’s.

De H. A. kan een niet bindend advies over de ter inzage
gevraagde programma’s uitbrengen. Een lijst van afgege-
ven adviezen wordt gepubliceerd, terwijl de adviezen ter
kennis van de betrokken onderneming en van de geïnte-
resseerde regeringen worden gebracht. Wanneer de H. A. van oordeel is, dat een bepaald project slechts zal kunnen
worden geëxploiteerd inet behulp van protectiè, of andere
steunmaatregelen, strijdig met het Verdrag, wordt de
financiering van het project verboden, tenzij uit eigen
middelen. –
De H. A. heeft voorts de mogelijkheid om door middel van het verstrekken van leningen of het garanderen hier-


van de financiering van bepaalde investerin,gsprojecten te

vergemakkelijken. Voor het verkrijgen -van de hiervoor

benodigde gelden zal zij leningen kunnen aangaan.

De prijspolitiek.

• Zoals reeds opgemerkt, wordt de wijze van prijsnotering

aan bepaalde voorschriften onderworpen, voornamelijk

er toe dienende om oneerlijke concurrentie te voorkomen.

Onder normale omstandigheden zal de hoogte van de

prijs in vrije concurrertie tot stand komen. In buitenge-
vone omstandigheden kan echter de H. A. met toestem-
ming van de Raad van Ministers minimum- of maximum-

prijzen voorschrijven. Deze minimufti- en maximumprij zen

gelden uitsluitend voor de markt der 6 landen. In zeer

uitzonderlijke gevallen zal de’ H. A. na overleg met de

ondernemingen ook dergelijke prijsgrenzen voor dè ‘export
naar derde landen kunnen vaststellen.

De productie.

De bevoegdheden van de H. A. met betrekking tot’ de
productie treden in werking wanneer de marktsituatie
daartoe aanleiding geeft. Zijzal eerst moeten trachten door
indirect
ingrijpen een gezonde situatie te ‘herstellen, d.w.z.
door beïnvloeding van vraag en/of aanbod. Dit kan op
verschillende manieren gebeuren. In overleg met de

regeringen van de deelnemende landen kan worden’ ge-
tracht het algemene verbruik, in het bijzonder van open-
bare diensten, t6 reguleren. Daarnaast kan door prijsvast-

stelling of via’ manipulering van importen en exporten
naar derde landen, gepoogd worden het verbroken even-
wicht tussen vraag enaanbod te herstellen.
Leiden deze indirecte maatregelen niet tot het beoogde
resultaat dan zal tot direct ingrijpen kunnen worden
overgegaan. Bij optreden van ernstige schaarste zal een
systeem van toewijzingen en prioriteiten kunnen worden

ingevoerd. De bevoegdheid tot invoering van een zodanig
systeem berust niet in eerste instantie bij de H. A. Deze
bevoegdheid is voorbehouden aan de Raad van Ministers,
die op voorstel van de H. A. hiervoor een eenparig besluit
dient te nemen. De H. A. stelt aan de hand van de genomen
beslissingen na overleg met de betrokken ondernemingen

een verplicht productieprogramma op. Wanneer de Raad
niet tot een eenparig besluit, kan komen, moet de H. A.
zelf maatregelen nemen en de productie over de deel-
nemende landen verdelen. ,De verdeling van deze lands-
gewijze toewijzingen geschiedt door de Regering van het desbetreffende land, zij het’ dat zij verplicht is overleg te
plegen metde H.A. voor zover het betreft de toewijzing
van de export van de kolen- en staalindustrie naar derde
landen.
In het tegenovergestelde geval, wanneer het aanbod de
vraag dreigt’ te overtreffen – wanneer er sprake is van

een zgn. ,,crise manifeste” (acute crisis) – zal een pro-
ductiequotering kunnen worden ingevoerd. Daarnaast is

ook de mogelijkheid geopend, dat de H. A. een ietwat
verzachte vorm van productiequotering invoert in die zin,
dat zij heffingen kan leggen op de productie van’ een onder-
neming, die een door de H. A. vastgesteld productieniveau
overtreft. Deze heffingen worden aangewend, voor de
ondersteuning van die ondernemingen, vier productie be-
neden het door de H. A. vastgestelde niveau komt te lig-

gen, met het doel de werkgelegenheid van deze bedrijven
op peil te houden.

De handelspolitiek

De bevoegdheden van de deelnemende landen op het
gèbied van de handelspolitiek blijven in beginsel geheel onaangetast De invoerrechten tov. derde landen kunnen
aan maximum- en minimumgrenzen worden gebonden.
Deze grenzen moeten dan echter met eenstemmigheid door
de Raad van Ministers worden vastgesteld.

250

ECONOMiSCH-STATISTISCHE BERICHTEN

28 Maart 1951

In bijzondere omstandigheden kan de lI.A. wel de
import uit derde landen aan beperkende maatregelen

onderwerpen, bijv. wanneer er kennelijk sprake is van

dumping of wanneer de gehele markt door exorbitant lage

aanbiedingen vaP elders gedesorganiseerd dreigt te worden.

• Vorming yan kartels en andere niachisconeentraties.
Onderlinge afspraken tussen de ondernemingen, die tot

een zekere beheersing van de markt kunnen leiden, zijn

in beginsel verboden. De II. A. is niettemin verplicht
dergelijke alspraken goed te keuren, indien zij aan bepaalde

in het Verdrag opgenomen criteria voldoen.
1-let aangaan van fusies e.d. is aan de goedkeuring van

de H. A. gebonden, behoudens enkele uitzonderingsgeval-

len voor kleine concentraties.

Overgangsperiode.

Zoals reds eerder opgemerkt, zal het niet mogelijk zijn
de éénheidsmarkt met al zijn consequenties direct tot

stand te brengen. Een zekere overgangperïode zal nodig

zijn, teneinde de eventueel optredende verschuivingen zich
geleidelijk te doen voltrekken en tevens de ondernemingen

in de gelegenheid te stellen zich aan de nieuwe situatie
aan te passen. In een speciale Conventie w’orden de afzon-
derlijke regelingen, die in deze overgangsperiode van 5
jaar zullen gelden, vermeld. Zonder nader in te gaan op

de vele technische details, die deze Conventie bevat, kunnen

de volgende belangrijke punten worden genoemd.
Er zal een tijdelijke internationale egalisatieregeling voor
kolen in het leven worden geroepen middels welke de duurst

producerende landen een tijdelijke en aflopende .subsidie
ontvangen, welke voor de helft. ten laste komt van de

goedkoper werkende landen. Deze laatste zullen dienten-

gevolge een heffing moeten betalen, die ten hoogste ij pCt
van hun omzet bedraagt en die verder regelmatig wordt

verminderd. –
Voorts zal er een zekere steunregeling tot stand komen
om de sociale gevolgen van het eventuele sluiten van

bepaalde bedrijven als gevolg van de tot standkoming

van de éénheidsmarkt te verlichten. De H. A. zal gelde-
lijke hulp kunnen verstrekken voor het uitbetalen van
salarissen of wachtgelden aan eventueel ontslagen arbei-
ders èn ter vergoeding van de herscholingskosten, alsmede
voor het tot stand brengen van nieuwe werkgelegenheid.
De hulp verleend voor de financiering van de kosten

verbonden aan het onderhouden en omscholen van tijdelijk
werkloos geworden arbeiders zal slechts worden verstrekt.

indien de betrokken Staat minstens een gelijke bijdrage

levert.
Voor Nederland met name is van belang dat vooralsnog

het egalisatiesysteem van de prijzen van kolen, zoals dat
hier thans wordt toegepast, kan blijven bestaan, zij het

dan ook, dat het geleidelijk zal moeten verdwijnen, opdat
na 5 jaar het prijsnoteringssysteem geheel is aangepast

aan de desbetreffende verdragsbepalingen.

INTERNATIONALE NOTITIES

Nieuwe mogelijkheden voor de

Sperrmark”

Met de toestemmifig tot de verkoop van ,,D.M.-Sperr-

guthaben” in het buitenland hebben de bezettingsautori-
teiten, aldus ,,Der Volkswirt” van 9 dezer, de mogelijkheid
voorinvestering van zich in Duitsland bevindend buiten-

lands kapitaal in Duitse bedrijven vergemakkelijkt. Nadat
was gebleken, dat van de sedert medio 1950 bestaande
mogelijkheid om nieuw kapitaal in de vorm \an deviezen
of productiemiddelen in West-Duitsland in te voeren door

het buitenland practisch geen gebruik werd gemaakt,

was er geen reden meer aanwezig het verbod op de handel

in ,,Sperrmark” te handhaven.

Weliswaar hebberf de buitenlanders hun ,,Sperrgut-

haben” reeds véôr de opheffing van het verbod verkocht,
doch op deze verkopen moest men koersverliezen tot 58 pCt

voor lief nemen. Een van de belangrijkste oorzaken van

de lage ,,Sperrmark”-koers was het feit, dat een op derge-

lijke wijze overgedragen vordering door de Duitse banken

volgens Duits recht niet kon wörden erkend, zodat de

nieüwe houder slechts via de oorspronkelijke houder en

op diens naam over het ,,Sperrguthaben” kon beschikken.

Na de legalisering van de handel in ,,Sperrmark” worden

deze bezwaren opgeheven, zodat daaruit wellicht een toe-

neming van de vraag naar ,,Sperrmark” en een verbetering

van de koers zou kunnen resulteren. Voorts zou zich, daar
de voor een deel in kleine bedragen versoipperde ,,Sperr-

guthaben” nu door makelaars gemakkelijker verzameld

en in grotere bedragen aangeboden kunnen worden, op de
buitenlandse beurzen een geregelde markt met officiële

noteringen kunnen vormen. Geïnteresseerden en bedrijven,
die tot nu toe van investering via derden in West-Duitsland

geen gebruik wilden maken, zullen nu als kopers ter markt
komen en tot verbetering van de koers bijdragen.
Niettemin moet, aldus genoemd blad, ondanks d6 ver-
grote mogelijkheid om met goedkoop verkregen ,,Sperr-

mark” in Duitse bedrijven deel te nemen, niet op een al te

grote kapïtaalstroom worden gerekend. De investeringen
zullen zich vooreerst wel tot speciale gevallen – zoals bijv.
oprichting of uitbreiding van zich in Duitsland bevindende
filiaalbedrijven -. beperken. Overigens moet niet op een grotere investeringsbereidheid in het buitenland worden

gerekend, want afgezién van het grote politieke risico staat

het gebrek aan transfermogelijkheden voor kapitaalop-
brengsten nog in de weg. Voorts is voor het beleggen van

de verkregen ,,Sperrmark” – uitgezonderdoor de aan-
koop van ter beurze genoteerde fondsen – speciale toe-
stemming van de ,,Landeszentralbank” vereist, terwijl de

gekochte waardepapieren e.d. bij een Duitse bank in

,,Sperrdepot” moeten blijven

Deze beperkingen, die blijven

gehandhaafd om kapitaalvlucht en transfer te belemmeren,
zullen de belangstelling van het buitenland zeer zeker

matigen. Desondanks zullen, zo besluit genoemd blad, de
nie.uwe maatregelen er veel toe bijdragen om de Duitse
,,Sperrguthaben” een meer productieve aanwending dan

tot nu toe mogelijk was te bezorgen.

De Amerikaanse Auto-Industrie

De statistieken betreffende de Amerikaanse auto-indus-
trie, samengesteld door de ,,U.S.. Automobile Manufac-
turers Association”, geven een indruk van de opmerkelijke productieve prestaties dezer industrie en van de toeneming

van het Amerikaanse autoverkeer en benzineverbruik.
In de tabel op blz. 251 valt allereerst de aanzienlijke
productieioeneming, die gedurende het afgelopen jaar
heeft plaatsgevonden, op. Vergeleken met 1949 bedroeg
deze toeneming 28 pCt, vergeleken met 1929, het voor-

oorlogse recordjaar, niet minder dan 49 pCt.
Ondanks de technische verbeteringen, die in de loop der
jaren in de Amerikaanse auto-industrie werden toegepait,

is het aantal employé’s sedert .1929 naar verhouding
sterker gestegen dan het aantal geproduceerde eenheden,
hetgeen volgens ,,Petroleum Press Service” van deze
maand ongetwijfeld moet worden toegeschreven aan het
feit, dat de huidige auto’s sterker en ingewikkelder zijn,

en aan het toegenomen comfort, dat de hedendaagse auto
biedt. De onevenredig grote toeneming van de lonen en
salarissen refletteert zowel de waardedaling van het
geld, als de verhoging der loonvoet en de verkorting van
de werkweek in de Verenigde Staten.

28 Maart 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN –

251

b5

50
.
1929

1949

1950

6
•;
a
00
,
(in duizendtallen)

FOO
RO
Productie:
Personen-
auto’s
Vrachtauto’s
en bussen

4.587

771

5119

1.134
6.666

1.337

30

.

18

45
73

Totaal•
5.358
6.253
8.003
28
49

Totaal aantal
employé’s
518
769
840
9
62
Lonen en sala-
rissen
$

789.000
$
2.206.000
$
2.700.000
22
242
Auto’s op de
weg:
Personen-

auto’s
23.060 36.293
39.710
9
72
Vracht-
auto’s en
bussen
3.442
7.827 8.770
12
155

Totaal
26.502

44.120 48.480
10 83
Benzinever-
1
bruik
(gallons)
14.139.000 32.300.000 35.600.000
40

.
152

Het aantal auto’s, dat aan het wegverkeer deelneemt,
is tussen 1929 en 1950 met 83 pCt gestegen, het benzine-verbruik evenwel nam toe van 14.139 mln tot 35.600 mln
gallons, d.i. met 152 pct. De voornaamste redenen voor
deze uiteenlopende ontwikkeling zijn gelegen in het, uit

de grotere motoren en hogere percentage vrachtauto’s
voortvloeiende, toegenomen verbruik per auto en ver-
moedelijk in het groter aantal kilometers per jaar, dat

gemiddeld per auto wordt afgelegd. Deze factoren hebben,
aldus ,,Petroleum Press Service”, de grote verbetering
in de benzinekwaliteit gedurende de laatste twintig jaren
meer dan gecompenseerd.

GELD- ENKAPITAALMARKT

Do geldmarkt.

In verband met het naderen van de ultimo werd de

geldmarkt in het verloop van de verslagweek krapper.
Reeds op de weekstaat van De Nederlandsche Bank per Maandag 19 Maart bleken de voorschotten in rekening-
courant met f 7 mln te zijn gestegen en de saldi van

Nederlandse banken met f 5 mln te zijn gedaald t.o.v.
de week tevoren, en de indruk bestond, dat daarnâ het
beroep op de circulatiebank nog werd vergroot. Aan het

einde van de week ontstond hierdoor een marktsituatie,
waarin het aanbod van Schatkistpapier overwoog, met
disconto’s van ongeveer 1/
8
pCt voor looptijden van
enkele maanden en 11 pCt voor de langere termijnen.
Callgeld werd dooi’ de discontohandelaars gretig gezocht
tegen de maximumrente van 11 pCt.

De kapitaalmarkt.

Wederom is door de Nderlandse Regering een loon-
ronde van 5 pCt voorgeschreven (die door de vakvereni-
gingen nog onvoldoende wordt geacht) en wederom is
er geen sprake van een kapitaalronde. Het reële inkomen
uit kapitaalbezit – dat het laatste halfjaar evenzeer
als het arbeidsinkomen is gedaald door de internationale
prijsstijging – wordt hierdoor nog eens extra verlaagd,
zodra de loonsverhoging in het prijsniveau zal zijn door-
berekend. Een tweede nadelig gevolg voor de kapitaal-
bezitters is, dat de hoofdsom van hun-vermogen reëel
een nieuwe aderlating ondergaat, overeenkomstig met
vele jaren rente of dividend. Het meest spreekt dit uiter-
aard hij obligaties en andere in geld luidende beleggingen,
doch het geldt eveneens voor aandelen. 1-let is immers
sihds 1945 telkens gebleken, dat de verlagingen van de

koopkracht van het geld door loonronden niet door

stijging van de aandelenkoersen werden gecompenseerd.
Bij de huidige loonronde wordt wederom met veeL,

nadruk gewezen op de eisen der ,,sociale rechtvaardigheid”

en wordt wel gesuggereerd, dat alle andere inkomen

dan dat uit arbeid aan autobezitters e.d. toevalt. In feite

bevinden er zich onder de zgn. ,,kapitalisten” grote aan-
tallen inleggers bij spaarbanken, lijfrenteniers, huiseige-

naars ën effectenhezitters met kleine en matige inkomens,
die zowel dit inkomen als de hoofdsom voortdurend verder
weg -zien smelten. –

Oorzaak van deze ontwikkeling is, dat het deze groep,

in tegenstelling tot de georganiseerde werkgevers- en
-nemers, aan macht ontbreekt.

Een verschijnsel, dat met deze situatie nauw samen-

hangt, is, dat de expansiefinanciering van het bedrijfsleven
tegenwoordig vrijwel geheel buiten de publieke kapitaal-

markt omgaat. Volgens een cijferopstelling in het jaar-

verslag van de Herstelbank werd de van bruto inëste-

ringen van ce Nederlandse industrie in 1950 ad f 2.100
mln slechts een bedrag van f 54 mln verschaft door
emissie van aandelen en obligaties. Vooral door fiscale
en andere overheidsmaatregelen enerzijds en door de
reserveringspolitiek der ondernemers anderzijds is na de

oorlog zowel de mogelijkheid van particuliere kapitaal-
vorming als de vraag naar dit kapitaal gering. Juist dit

is de reden; dat Overheid en georganiseerd bedrijfsleven
thans vrijwel straffeloos de boven geschetste politiek
tegenover de beleggers kunnen voeren.

16 Maart 22 Maart
1951
1951
Aand. indexeijfers.
Algemeen

………………
160,3
157,9
Industrie

………………..
227,1
.

224,5
Scheepvaart ………………
180,2
177,9
Banken

………………….
127,6 127,5
Indon.

aand.

…..
………..
56,5
54,7

Aandelen.
A.K.0.

………………….
182e 182e
Philips

………………….
253k
250
Unilever

………………..
232
226k
H.A.L.

………………….
190k
1911
Amsterdam Rubber

……….
127k 123k

H.V.A….. ……………….
127e
123k

Kon. Petroleum

…………
3O8
2991

Staatsobligaties.
2j pCt N.W.S . …………..

77j77
– 3-34 pCt 1947 …………..96/

96/
3 pCt Invest. certif

9515/16

3 pCt Dollarlening

……….101

100/

LC.B.
/

STATISTIEKEN

FEDER.ÂL RESERVE BANKS.
(Voornaamste posten In millioenen dollars)

Metaalvoorraad

Data
Other
U.S.
Govt
1
Totaal
Goudeer-
1

cash
securitles
tiricaten

31
Dec.

1946 18.381
47.587
268
48
Jan.

1954
21.251
20.664
353
98
25
Jan.

1951
21.210
20.622

373

L23.350

45
31

Jan.

1951
21.160 20.565
385
84

F.R.

bll

Deposito’s

1

1
Member-
Data
jetten in
circulatie
Totaal
Govt
banks

31
.Dec.

1946
1

24.945 47.353
393
16.439.
48
Jan.

1951
23.161
19.806
405
18.587
25
Jan.

1951
23.009

19.611
256
18.260
31
Jan.

1951
23.026

.
20.998
807
18.984

11111111111111111111111111111111111111111111111111111111111111111U5111113111′

Zendt Uw

advertentieopdrachten
vooral
tijdig
in!

.

HANDEL-MAATSCHAPPIJ

H. Albert de’ Bary & Co.
‘r.iv.

AMSTERDAM-C.

HEERENGRAC’HT 450

.-

.

Alle Bankzaken

.

.

KAPITAAL EN RESERVES F. 24.500.000

.

.

.
•..•.•••••.•••.•••••••.• •••••••••••.•••••••.•… ••.•.•

NATIONALE BANK VAN
BELGIË.

(Voornaamste posten- in mililoenen francs).


0,
0
0
°
.5)
0

ld
0″
o
g
Oon
5)

5)

0
bon
5)
5)p
‘*)
n
0

E-4
0
4>4

t
Febr.

1951
8 Febr.

1951
45 Febr.

1951
22 Febr. 1951
1 Mrt

1951
8 Mrt

1951

29.701
29.712
30.488 30.188
30.308
30.308.

1.172
1.317
960
881
757 618

1.790 1.595
1.495 1.375
1.330
1.265

6.592
7.249 6.096 6.525
7.011
7.599

17.967
17.124
15.877
14.694
15.864
15.564

305 314 383
315
382
305

Rekening
courant saldi

It

ce

..!.
‘C
c
o
..

c’,E
‘8
Cd

0.
,
gj
0
02
….-.

4 Febr.

1951
260
96.879
88.178
17
1

2.068
5.349
8 Febr.

1951
283
96.657
87.770
16
1

2.097
5.331
15 Febr.

1951
299
94.278
86.612
14
1.073
4.405
22 Febr.

1951
312
93.348
85.854
11
t

1.004
4.196
1 Mrt

1951
279
95.018 87.085
11
1

1.201
4.492
8 Mrt

1951
279
95.221
86.483
8
1.276
5.057

DE
JAVASCHE BANK.

(Voornaamste posten in duizenden guldens).


‘5)
•0
csbs

0’°0′

5)

I’
il
ao-n

Data
5)5)
O’e
o
.0

bc.
D

.2


5)

(‘
oia

Cd
o

.5) 5)
0)55)

00
o

000
5)
t>

5)5)

31
Mrt

’47
477.080 35.363

85.402
255.201
21 Febr.

’51
866.461
254.592
377.494
174.357
2.694,447
28 Febr.

’51
866.461
264.710
390.351
168.211
2.682.976
.7
Mrt

’51
1.055.113
281.903
410.129
158.542
2.484.099

4
.
0

Rekening courant
5)
saldi

’00
00
Data

0)
40

t>’
cd

31
Mrt

’47
453.816



503.718
21 Febr.

’51
2.561.906
325.507


1.134.649
28 Febr.

’51
2.553.507
325.334


1.150.928
7 Mrt

’51
2.551.966 315.529


1.180.839

Muntbiljettencirculatie per 31 Mrt 1947 t 646.830.979.
Muntbiljettencirculatie per 21 ‘Febr. 1951 t 425.729.724,50. Muntbiljettencirculatle per 28 Febr. 1951 T 426.884.771,50.
Muntbiljettencirculatie per 7 Mrt 1951f 427.290.951.

1

11)1’1’1
1L’rrrr,rsJ
Uf

Vraag en Aanbod inzake Kantoorbehoeften, Brandkasten, Machines,
Gebouwen, Industrieterreinen, enz.

TE KOOP

kapitaal fabrieksgebouw.

voor meerdere doeleinden geschikt. Gunstig
gelegen in N.O.-Brabant.

Vrij te aanvaarden

Totale bedrijfsruimte circa 1850 m2, annex groot
fabrieksterrein. Voorzien van céntrale verwar-
ming, Uicht-, en krachtinstallaties. Koopprijs
nader overeen te komen.

Er. onder no. ESB 13-1 bur. v. d. bi., Postbus 42,
Schiedam.

ECONOMISCH-

STATISTISCHE BËRICHTEN

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT
Adres voor Nederland: Pieter- de Hoochstraat
5,
Rotterdam
Telefoon Redactie en Administratie 38040. Giro 8408.
Bankiers: R. Mees en Zoonen, Rotterdam.

Redactie-adres voor Belqië: Seminarie voor Gespecialiseerde Ekonomie
x4, Universiteitstraat, Cent.
Abonnementen: Pieter de Hoochstraat
5,
Rotterdam (W.).
Bankiers: Ban que de Commerce, Brussel.

Abonnementsprijs, franco per post, voor Nederland f 26,- per jaar,
voor België/Luxemburg f 28,- per jaar, te voldoen door storting van
de
tegenwaarcie in Belgische francs bij de Banque de Commerce te
Brussel of op haar Belgische posigirorekening no 260.34.

Uniegebieden en Overzeese Rijksdeten (per zeepost) t 26,-, overige
landenf 28,- per jaar.

Abonnementen kunnen ingaan met elk nummer en slechts worden
beëindigd per ultimo van het halenderiaar.

Aangetekende stukken in Nederland aan het Bijkantoor Westzeedijk,
Rotterd&m (W.).

A1)VERTENTIES.
Alle correspondentie betreffende advertenties te richten aan de Firma
H. A. M. Roelants, Lange Haven
x4z,
Schiedam (Telefoon 69300,
toestel 6). Advertentie-tarief / 0,40 per mm. Contract-tarieven op
aanvraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten” f o,6o
per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt zich het recht
voor om advertenties zonder opgaaf van redenen ie weigeren.

Losse nummers
75
cents, resp. 10 B. francs

Auteur