Ga direct naar de content

Jrg. 36, editie 1758

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 24 1951

ECONOMISCH-

. . STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

36E JAARGANG

WOENSDAG 24 JANUARI 1951 /

No. 1758

COMMISSIE VAN REDACTIE:

Ch. Glasz; H. W. Lambers; J. Tinbergen;

F. de Vries; C. van den Berg (secretaris)

Redacteur-Secretaris: A. de Wit.
.

Assistent-Redacteur: J. H. Zoon.

COMMISSIE VAN AD VIES VOOR BELGIË:

J. E. Menens; R. Miry; J. Pan Tichelen;

R. Vandeputte; F. Versichelen.
S

INHOUD

Blz.

De financiering van de Belgische nijverheid
in 1950 door Prof. R. Vandeputte ……..
64

Overheid en bedrijfsleven
door Dr J. Buter . .
65

De internationale suikermarkt
door G. Greidanus
66

De gebondenheid der regeringen aan besluiten
van, de Rijnvaartcommissie door Mr J. G.

SauQeplanne ……………………..
70

De Europese econonische toenadering en de
fiscus door Mr 11
7
. R. E,nmen Riedel ……
72

A a n t e k e n i n g :

De Indonesische omzetbelastin
g
door Prof.

Mr

M.

Slarnet

………………….
74

Internationale

notities:

De Verenigde Staten: de grootste importeur

in

1950

…………………………
75

Schroottekort in WestDuitsland ……….
75

Geld- en kapitaalmarkt

…………………
76

Grafieken:

Prijsindexcijfers van het gezinsverbruik in

Nederland

……………………..
76

Statistiek e d

Bankstaten

……………………….
77

Stand van ‘s Rijks Kas

………………
77

Overzicht van de opbrengst der Rijksmidde-
len……………………………..
78

In-

en uitvoer van

België

…………..
79

In- en uitvoer van Indonesië

……….
79

Maandcijfers van de grote banken in Neder-

land…………………………..
79

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

Dezer dagen
gaan de wateren hoog, de lawines vallen langs de hellingen

der bergen. Een vulkaan is uitgebarsten met en ëxplosie
als een atoombom (wie zou nog een ander beeld kunnen
voorstellen?) De Romeinen uit de nadagen van de Repu-

bliek zouden hebben gehuiverd bij zovele tekenen.

Wij, verlicht omtrent de werking der natuurwetten,
voelen hierin geen begeleidende aankondigingen: het is

slechts secondair nieuws met de aandachtbinding geduren-

de een seconde. De obsederende binding van de aandacht
blijft bij de erupties tussen Staten en de lawines .van neer-
komende standpunten en meningen omtrent de interpre-
tatie van maatschappelijke verschij nselen.

Het Chinese antwoord op het voorstel van de Yerenigde
Naties is afwijzend geweest: de Verenigde Staten hebben

aan dVerenigde Naties voorstellen gedaan om de commu-
nistische Chinese Regering tot agressor te verklaren,
van Chinese zijde zijn nieuwe voorstellen tot bespreking
gedaan; het Amerikaanse antwoord blijft hij onaanvaard-
baar; India met inschakeling van alle diplomatieke krach-
ten zoekt en sust. En wie op kantoren, in trams en in
treinen zit, voelt de grote schommel van de publieke
opinie op en neer gaan.

Wat er ook gebeurt, de gave zekerheid van standpunt
omtrent Korea is door een half jaar gebeuren voor velen
niet bewaard. Naarmate er meer wordt oifigehaald neemt
de mogelijkheid om er grote lijnen in te iien af en wellicht
ook de vrees om dat te doen toe.

Van grote betekenis lijkt deze politieke onzekerheid
tussen doorkappen- en verder pogen ook voor de door-
werking op economisch gebied. Talrijk zijn de krachtige
uitingen, die men uit allerlei beschouwingen zou kunnen
aanhalen, over de noodzaak tot het verzetten van de
economische prioriteiten nu internationaal de wet dreigt
te worden Verzet.
Doch tussen doen en zeggen vele wegen leggen. De wet

van de continuïteit beheerst het econômisch leven, de
wens om breuken te voorkomen in het sociale en e’cono-
mische vlak weegt zwaar.
rgoch
zal men moeten, als men
voortgang wenst te maken op de weg die men heeft ge-
kozen.

Voortgang maken wil vooral de President van de

Verenigde Staten. De man, die zich had beschikbaar
gesteld voor het spijkerbed van economisch stbilisator,
is reeds als een te schuchter magiër heengezonden. Spoedige
vastlegging van prijzen en lonen schijnt op komst.

Datgene, wat men economisch wil is nog niet mede-
gedeeld door de Regeringen van Groot-Brittannië en
Nederland. Wel zijn daar in en buiten het parlement
dringende vragen gesteld. Datgene, wat men zal onder-
vinden wordt wel reeds stuksgewijze duidelijk. Zo zal in
Nederland de toewijzing van kolen aan de industrie per
1 Februari met 20 pCt worden verminderd. Zover is de
meningvorming wel gevorderd, dat velen zouden verkiezen te weten, waar men economisch aan toe is, hoe dat uitvalle.

Koninklijke

Nederlandsche

Boekdrukkerij

H. A. M. Roelunts’

Schiedam

AD V ER TEER

IN DE

E.-S.B.

Fa. A. 0. Beuth van

Wickevoort Crommelin
Corns. v. d. Lindenstraat 22
Amsterdam-Z.

Tel.
25410

Onafb. Verzekeringsudv.

L0D. S. BEUTH

deskitiidigc terzake van:
Gezinszorg voor het vrije
beroep, b.v. irtsen

Voorzieningen bij verkodp
van praktijk of zaak

Pensioenvoorzieningen
voor staf en personeel

Organisatie Ondernemings.
en Bed rij fs-Pensioenfondsen

Aanpassing aan nieuwe wet
Pensioen-en Spaarfondsen

GEO.-WEHRY & Co. N.V.

AMSTERDAM

*

Vestigingen:
Djakarta (en 26 andere vestigingen
in Indonesië), New York, Manches-

ter, Londen, Brussel, Melbourne,

Singapore, Penang, Kuala Lumpur,

Tokio, Osaka, Bombay, Bangkok,

Hongkong.

Agenten:

In alle Zuid-Amerikaanse Staten

R.MEES&ZOÖNEN

– ANNO 1720

Bankiers & Assurantie-Makelaars

ROTTERDAM

‘s-Gravenhage, Delft, Schièdarn, Vlaardingen,
Amsterdam (alleen Assurantie)

‘EERSTE NEDERLANDSCHE

Verzekering•Mij. op het Leven en tegen Invaliditeit N.V.

Aanpassing
van ondernemingspensioen- en

spaarfondsen aan de (komende)

nieuwe wettelijke bepalingen •

Kantoor: Bellevuestraat 2, ‘Dordrecht, Telefoon 01850 – 5346

Nationale Handelsbank, N.V.

Amsterdam

Rotterdam

‘s.Gravonhage

Alle Bank- en Effectenzaken

Abonneert U op

DE ECONOMIST

Maandblad onder redactie van Prof. P. Hen-

nipmanProf. P. B. Kreukniet, Prof. H. W.

Lambers, Th. Ligthart, Prof. J. Tinbergen,

Prof. G. M. Verrijn Stuart, Prof. F. de Vries,

Prof. J. Zijlstra.

Abonnementsprijs
f
22.50; fr. p. post
f
23.60;

voor studenten
f
19.—; franco per post
f
20.10

Abonnementen worden aangenomen

door ‘de

boekhandel en door de uitgevers

DE ERVEN F.BOHN TE HAARLEM

IN
DIT NUMMER:

Handel a-politiek
Internationale \iverkeljkheid
Aardappelprijsperikelen
In- en uitvoerprocedure
Gemeenschappelijke regeling van de koop
in Beneluxverband


Turkse marktberichten
Nieuwe artikelen


Handelscontacten

Met Exportbijlage Het
,,Netherlands Trade
Bulletin”

Abonnementsprijs f15.— per jaar

KON. NED. BOEKDRUKKERIJ H.A.M. ROELANTS,SCHIEDAM

62

24 Januari 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

63

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK

Prof. R. VAIVDEPUTTE, De financiering Qan de Bel-

gische nijverheid in 1950.

1n1950 was het, evenals in vorige jaren, voor de Bel-

gische nijverheid moeilijk om door middel van een Open-

bare emissie aan geld te komen. Naast de interne finan-

ciering, de belangrijkste bron waaruit de nijverheid voor

haar investeingen in 1950 putte, werd een toenemend
beroèp gedaan op de institutionele beleggers, wier middelen
van jaar tot jaar aanzienlijk aangroeien. Verder kwamen

de parastatale banken de leemte aanvullen, die is ,ont-

staaii uit de loomheid van de traditionele kapitaalmarkt.
Gedurende de laatste maanden van 1950 slaagden de
prastatale instellingen er echter niet meer in om hun

papier te plaatsen, waardoor zij zich gedwongen zagen
hun credietverleningen te vertragen of zelfs te schorsen.

Door het niet uitkeren van winsten en, de voortdurende
hoogconjunctuur houden alle ondernemingen in België, –

in tegenstelling tot de to9stand in de 19e eeuw, merkwaar-
dig stand; gedwongen liquidaties don zich practisch
niet meer voor. 1-let Belgische bedrijfsleven heeft een
buitengewone stabiliteit gekregen.

Dr J. BUTER, Ooerheid en bedrijf sleoen.

Hoewel het overleg tussen Overheid en bedrijfsleven,
dat met het toepassen van de wet op de P.B.O. een nieuwe
phase binnenteeedt, over het algmeen moet worden
toegejuicht, omdat daardoor de doelmatigheid der over-
heidsmaatregelen kan worden bevorderd, brengt het
steeds nauwer contact ook enige bezwaren met zich. Het gevaar doet zich voor, dat de Overheid de maat-
regelen, die zij met het oog op liet landsbelang juist acht, niet kan doorvöerenonidat een deel-van het bedrijfsleven
zich daartegen verzet. Metname dreigt dus het g&vaar,

dat het bedrijfsleven ‘een bepaalde machtspositie gaat

innemen, waartegen de Overheid niet meer kan oproeien
en dit zou’voor het Nederlandse volk als geheel ernstige
gevolgen kunnen hebben. De verantwoordelijkheid voor
het beleid berust tenslotte bij de Regering, die in staat
moet zijn om zelfstandig haar standpunt te bepalen.

1-let bedrijfsleven moet niet door middel van zijn organi-
saties op de stoel van de Overheid gaan zitten en dit is,
mits de Overheid aan het bedrijfsleven zijn eigen ver-
antwoordelijkheid laat, ook niet nodig.

G. GREIDANUS, De irite,nationale suikermarkt.

De weeldsuikerproductie is de laatste jaren regelmatig gestegen. De technische vooruitzichten oor de prqductie in de komende jaren blijven gunstig. De totale productie
zal naar schatting het komende jaar het peil van 34 mln ton bereiken. Tot op heden is de vraag niêt bij het sterk
toegenomen aanbod achtergebleven. Volgens F.A.O.-
bronnen is er nog een tekort van 1 i 2 mln ton. De ver-

deling van het suikerverbruik over de wereld vertoont
een geheel ander beeld dan voor de oorlog. In een aantal
landen, die voorheen zeer veel suiker verbruikten (o.a.
Denemarken, Nieuw-Zeeland, Groot-Brittannië, de Ver-
enigde Staten), is de consumptie thansenigszins gedaald.
Daarentegen is zij, hoofdzakelijk in de jongere landen,
naar rato veel sterker gestegen. Na een uiteenzetting van
de redenen dezer veranderingen schenkt schr. aandacht
‘aan .de internationale handel in en prijzen van suiker,

waarbij twee kenmerken van de huidige wereldsuiker-
markt: de gestegen vraag naar dollarsuiker en de aan:
wezigheid van bilaterale handelsverdragen, nader worden

vermeld.

Mr J. G. SAUVEPLANNE, De gebondenheid der rege-
ringen a&n besluiten 9an de Rijn Qaartcommissie.

De Centrale Commissie voor de Rijnvaart is een college
van afgévaardigden van een aantal staten, waaraan
uiteenlopende bevoegdheden van administratieve, rechter-
lijke en wetgevende aard zijn opgedragen. De besluiten

dezer Commissie vbrden genomen met volstrekte meerder-

heid van stemmen. Verschil van mening bestaat over de
vraag, of en in hoeverre de regeringen der betrokken

staten aan deze besluiten zijn gebonden. De juiste rechts-
bevoegdheid der Commissie is nimmer geheel duidélijk

geworden; zowel de opvattin, dat de Rijnvaartcommissie

nooit iets anders is geweest dan een diplomatieke conferen-
tie van de Rijnoeverstaten als de opvatting, dat de Centrale
Commissie in wezen een orgaan is met zelfstandige be-‘

vôegdheïd, vinden steun in haar geschiedenis. De toe-

komstige status der Rijnvaartcommissie zal moeten
vorden bepaald ïn het kader van de Westeuropese samen-
werking; deze status zal derhalve mede afhankelijk zijn.

van het karakter, dt San de Westeuropese organisatie-

vorm wordt verleend.

Mr W. R. .EMMEIV RIEDEL, DeEuropese economische

toenadering en de fiscus.

In dit artikel wordt een .serie inleidingen besproken
over bovenstaand onderwerp, gehouden op het I.F.A.-
congres te Monte Carlo in 1950. Naar de mening van de
schrijver heeft de I.F.A. hiermede nog geen afgerond

werd geleverd, hetgeen ook moeilijk kon, gezien de vraag-

stelling en het ontbreken van stemmen uit Engeland,
Duitsland en Italië. Practisch en wetenschappelijk is

echter voorarbeid verricht, die eerbied afdwingt.

– SOMMAIRE

Prof. R. VANDEPUTTE, Le fihancement de l’industrie

beige pendant 1950.

Pendant l’année 1950 il était, tout comme les années
précédentes, difficile d’obtenir des capitaux par des émis-
sioiis publiques en faveur de l’industrie belge. L’auto-
financement constituait la principale source financière.

Les organismes parastataux et dépositaires en formaient
une autre. Contrairement, la situation connue durant

le dix-neuvième siècle le secteur privé s’est considérable-
ment stabilisé.

Dr J. BUTER, L’administration et.le secteurpriQé.

Bien qu’on puisse approuver une collaboration de plus
en plus étroite entie l’administration et le secteur privé, le danger persiste que le gouvernement ne parvient pas
i exécuter des mesures, qu’il jugé cependant nécessaires
pour l’intérêt général du pays, h cause d’une influence
exercée par une partie du secteur privé.

G. GREIDANUS, Le marehé international du sucre.

La production mndiale du sucre qui accroît régulière-
ment, est èstimée pour l’exercice en cours 34 million
de tonnes. Jusqu’ présent la demande n’a pas cédé â
l’offre accrue. Suivant les sources de la F.A.O. il y a encore
un déficit de 1 â 2 millions de tonnes â combler. La répar-
tition de la consommation dusucre monire tout une autre
image qu’avant la guerre. L’auteur expose les raisons
de ces changements et traite ensuite du commerce inter-

national du sucre et des prix.

Mr J. G. SA U VEPLANNE, L’obligation des gouoerne-
menti résultant des résolutions de la Commission
Cen’t,ale du Rhin.

La compétence judiciaire exacte de la Commission
Centrale du Rhin n’a jamais été tirée au clair. Le statut futur
de la Commission Centrale du Rhin devra être déterminé
dans le cadre de la collaboration de l’Europe Oècidentale.

Mr W. R. EMMEN RIEDEL, L’intégration éconornique

de l’Europe et le fisc.

Cet article traite de quelques préambules suF le sujet mentionné ci-dessus etprononcés au congrès de l’Intef national Fiscal Association qui a eu lieu â Monte Carlo
en 1950.

64

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

24
Januari 1951

De
financieing van de Be1gsche nijverheid in io.

De geschiedenis van de kapitaalmarkt gedurende het
verlopen jaar wordt, voor België, in twee zeer verschillende

vakken verdeeld. Ze hebben ongeveer dezelfde duur.

V66r de gebeurtenissen in Korea was de kapitaalmarkt
eerder ruim, daarna werd ze in een korte spanne tijds zo

eng, dat ze practisch ontoegankelijk mocht genoemd

worden. Dit onderscheid geldt echter niet voor de financie-
ring van

de industrie. Onze nijverheidsondernemingen

kunnen sinds jaren maar moeilijk aan geld geraken vanwege

het publiek, door de uitgifte van aandelen en obligatiën.

Dit kenmerk, dat de structuur van het bedrijfsleven zo

grondig aantast, handhaafde zich al door 1950. Het ver-
kreeg een nog enigszins verscherpte vorm ten overstaan

van de vorige jaren, hij zoverre dat sinds verschillende
maanden geen enkele industriële ondernming het heeft

aangedurfd een openbare emissie te doe0. In het begin

van het jaar hebben zich nog enige, weliswaar zeer zeld-
zame, gevallen voorgedaan waar op
,
vers geld beroep werd
gemaakt door de uitgifte van een kapitaaisverhoging;
sedert Juli echter geen enkel meer. Dit geldt natuurlijk

niet voor de koloniale vennootschappen die hij het publiek

heel wat gunstiger aangeschreven blijven.

Eens te meer is de autofinanciering in 1950 verreweg de

bijzonderste bron voor de betaling van de industriële /
investeringen geweest. Sedert het einde van de tweede
wereldoorlog is dit verschijnsel in België – en ook in

menig ander land – gewoon. Zo substantieel was de aan-

breng van kapitalen in de ondernemingen sedert 1945,

door de belegging van eigen winsten, dat op het gebied
der investeringen de achterstand uit de oorlogstijd werd

ingelopen en dat zelfs positieve vorderingen door het

productie-apparaat werden gemaakt.
Vermoedelijk zijn nochtans gedurende de jongste maan-

den de aankopen van materiaal door onze industriëlen

minder belangrijk geworden. In het begin van 1950 waren

inderdaad de winsten van verschillende voorname bedrijfs-
takken, .zoals de staalnijverheid en de constructiewerk-
huizen, nogal beperkt. De autofinanciering werd aldus

minder gemakkelijk. Sedert de Herfst zijn de resultaten veel
batiger geworden doch al het beschikbaar geld moest

yoortaan dienen voor de verbetering van de bedrijfs-
kapitalen: de industrie heeft massale aankopen van grond-
stoffen gedaan en daar de prijzen op de wereidmarkten
merkelijk gestegen zijn, kon deze grootscheepse aanvulling van de voorraden niet geschieden zonder een zeer bijondere
inspannin’g ten laste van de financiële middelen van iedere
onderneming. De hulp van de banken werd door vele

bedrijven ingeroepen. Het bleek echter weldra, dat ook
deze financiële instellingen geen voldoening konden geven
aan alle credietaanvragen uitgaande van de industrie.
De uitvoering van de investeringsprogramma’s moest in

die omst.ndigheden noodgedwongen vertraagd worden.
Bij gemis aan kapitaalmarkt voor de betaling van de
nijverheidsimmobilisaties, werd er, naast de autofinan-
ciering, meer en meer beroep gemaakt op de bijstand van
de institutionele beleggers; voor 1950 zijn er te dien op-zichte nog geen cijfers beschikbaar. Uit het merkwaardig jaarverslag van de Algemene Spaar- en Lijfrentekas over
het dienstjaar 1949 – dat zoëven, wel met enige ver-
traging – verscheen, blijkt het, dat de kapitalen waar-
over de institutionele beleggers beschikken, ‘van jaar tot
jaar op gevoelige wijze aangroeien. In de privé-sector
zijn het de grote verzekeringsmaatchappijen die hun
wiskundige reserven steeds zien aanzwellen. Het aantal
levensverzekeringspolissen stijgt onophoudelijk. Ook de
wettelijke ouderdomsverzekering voor bedienden ver-
schaft aan de verzekeringsmaatschappijen aanzienlijke

kapitalen. Natuurlijk is 6en ruim deel van al deze reserven

in staatspapier belegd. Men stelt echter vast dat het

procent der andere beleggingen bestendig verhoogt.
Onder deze nemerj de inschrijvingen op obligatiën van
nijverheidsondernemingen een ruime plaats in. De ver-

zekeringsmaatschappijen kopen geen of weinig aandelen.
1-lun belegging is derhalve niet, volgens de gewone uit-
drukking, ,,risicodragend”. Een ander kenmerk van deze

verrichting is, dat ze niet op de kapitaalmarkt geschiedt
– wij vermeldden reeds dat de industrie niet meer in het

openbaar emitteert – maar dat ze in beperkte kring

wordt afgesloten tussen een belangrijk industrieel bedrijf

enerzijds en enkele institutionele beleggers anderzijds.

In de publieke sector doen zich eveneens voorname be-

leggers voor. Ze zijn niet talrijk. Het gaat om Openbare

– instellingen, betrokken bij de toepassing van. de maat-

schappelijke verzekeringen zoals deze door de wet geregeld

zijn. Nôgmaals is het onder de versëhillende soçiale wetten
vooral die betreffende de ouderdomspensioenen, welke
kapitalen aanbrengt. De statistieken wijzen uit dat de
reserven, ontstaan uit de vigerende bepalingen betreffende

arbeidsongevallen en andere onderdelen van het complex
der maatschappelijke zekerheid, veel minder belangrijk

zijn. Institutionele beleggers uit de publieke sector schrijven
in op obligatiën van de industrie, zoals het ook gedaan
wordt door die uit de privé-sector. Samen nemen ze even-

tueel een totale uitgifte op, zonder enige tussenkomst van

de openbare kapitaalmarkt. Vooral de Algemene Spaar-
en Lijfrentekas heeft aan dergelijke verrichtingen voor
niet onaanzienlijke bedragen gedurende de laatste jaren

deelgenomen, overigens niet alleen met haar wiskundige

reserven maar ook met haar deposito’s. In 1950 werd haar
hulp aan de nijverheid evenwel minder belangrijk, omdat

ze in zeer ruime mate werd aangesproken voor de finan-
ciering van de woningbouw.

In België, zoals elders, bestaan zogenaamde parastatale
instellingen -. staatsbanken, als men het zo wil uitdruk-
ken – waarvan de bedrijvigheid steeds toeneemt. Zij ver-

lenen aan de industrie, aan het ambachtswezen, aan de
neringdoeners, aan de landbouwers, credieten waarvan het

volume ieer belangrijk is geworden. Bij sommige onder
hen vinden namelijk talrijke grote en kleine nijverheids-
ondernemingen geldmiddelen op lange termijn voor de
dekking van hun investeringen. De actie van deze in-

stelIinen, zbals die van de institutionele beleggers, kwam
de leemte aanvullen die ontstond uit de loomheid van.de

traditionele kapitaalmarkt: De parastatale banken hebben
in de loop van de laatste jaren zonder al te grote moeite
de kapitalen gevondén die ze behoefden voor hun werking.
Daar ze emitteren met staatswaarborg ten bate van de
inschrijvers, brachten ze hun obligatiën regelmatig aan
de man; zowel door het publiek als door de institutionele

beleggers werden deze obligâtiën opgenomen. Gedurende
de laatste maanden van 1950 slaagden de parastatale
instellingen er echter niet meer in hun papier te plaatsen. Naar gelang hun kapitalenvoorraad verbruikt was, zagen
ze zich opvolgentlijk verplicht hun credietverleningen
te vertragen
1
of zèlfs te schorsen.

1-let is opvallend dat over de evolutie van de rentevoeten
in 1950 voor de financiering van nijverheidsinvesteringen
nagenoeg niets kan opgemerkt worden. In het begin van
het jaar vertoonde de intrest, gevraagd door institutionele
beleggers en officiële banken, een nogal. giote stabiliteit met een lichte tendentie in de dalende richting. Sinds de
Koreaanse veldslag hebben de institutionele beleggers
uit de privé-sector hun eisen hoger gesteld. De parastatale
instellingen gaven nog verder hun leningen aan de vroegere

fl4; Januari: 191

. ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

rentevoeten, tol ze geen geld meer hadden. Daar echter

noch zij, noch private vennootschappen, noch zelfs de

Staat sedert verschillende maanden enige uitgifte van

obligatiën konden doen, is het onmogelijk te spreken over

de huidige evolutie van de rentevoeten. Er zijn eenvoudig
geen rentevoeten gew’eest (behalve die voor bestaande en

reeds genoteerde effecten), omdat iedereen tevergeefs,
zelfs met de gunstigste voorwaarden -voor de inschrijvers,

de kapitaalmarkt niet vers papier zou hebben aangesproken.

De ruime autofinanciering, het bestendig gemis aan
belangstelling,vanwege het publiek voor industriële beurs-
waarden en de gevoelige inkrimping van de nieuwe uit-

giften hebben geleidelijk in de loop van de laatste jaren,

een heel ander uitzicht aan onze nijverheid gegeven,

minstens aan de voornaamste ondernemingen vsaarvan de,
meerderheid der aandelen niet aan een bepaalde familie
of aan één enkel persoon toebehoort. In deze grote kapita-

listische bedrijven telt de massa van de aandeelhouders
niet meer. De winst wordt hun niet uitgekeerd, alleen
maar zeer -gedeeltelijk. Op zijn beurt weigert liet publiek

in te schrijven bij gelegenheid van kapitaaisverhogingen.

Daardoor •zijn echter deze bedrijven ng niet gestoord
voor hun verdere expansie. De resultaten zijn, alles samen
genomen, sinds de bevrijding in 1944 zeer batig geweest

en ze hebben – zoals het hierboven werd betoogd – de
industriële wed eruitrusting rnogelij k gemaakt.
Wegens het behoud van de winsten in de ondernemingen
en de doorlopende hoogconjunctuur (de depressieperioden
waren kort en niet bijzonder streng) houden alle onder-
nediingeii niérkwardig stand. Gedwongen vereffeningen
doen zich practisch niet meer’ voor: Het bedrijfsleven

heeft een buitengewone’ stabiliteit verkregen. Hoe ver-

schillénd is deze toestand van hetgeen zich in de 19e eeuw

voordeed. Wanneer men de economische geschiedenis uit
die tijd herleest, is men getroffen door de onophoudelijke

verschijning van nieuwe bedrijven. Enkele
,
onder hen
bleven bestaan en behoren tot de machtigste van het

tegenwoordig tijdvak. Doch hoeveel andere zijn sinds

ikng verdwenen. Thans worden geen nieuwe vennoot-

schappen van enig formaat meer gesticht, op enkele zeer

zeldzame uitzonderingen na. Anderzijds, wat eenmaal tot
Stand is gekomen, behoudt het leven en schijht geen onder-
gang te moeten vrezen.

Ook de ententes tussen ondernemingen van een zelfde
bedrijfstak, hebbén bijgedragen tot de cristallisatie van

de industriële structuur van het land. 1-let weze toege-geven dat de verhoudingen te dien opzichte zeer – ver-

schillend zijn van de ene nijverheidssector tot de andere.

Voor de voortbrengst van bepaalde prôducten bestaat
nog een wezenlijke mededinging. Monopolistische posities
zijn echter geen uitzondering meer. Ze laten gemakkelijke

winsten toe die de autofinanciering in de hand werken.
Natuurlijk laat deze cartellisering uitsluitend haar invloed
gelden voor de afzet van de productie inhetbinnenland.
Om haar verkoopmogelijkheden in het buitenland te

handhaven, heeft de Belgische industrie – die niet kan
bloeien zonder export – niet zo zeer met de concurrentie

onder Belgische firma’s maar wël met talrijk ândere
moeilijkheden af te ‘rekenen. Ook deze werden evenwel
sedert 1945 meestal overwonnen.
Brussel.

Prof. R. VANDEPUTTE. –

Overheid

bedrijfsleven

De ontwikkeling van de verhouding tussen de Overheid
ener- en het bedrijfsleven anderzijds, is sinds de bevrijding
in belangrijke zin gewijzigd. En veelal in gunstige zin.
Er is thans een veel nauwer contact tussen de Overheid
en het bedrijfsleven dan voor de oorlog in liet algemeen
genomen het geval was. Dit nauwe contact is in sterke
mat& in de hand gewerkt door de ontwikkeling van de’
organisaties. De Stichting van de Arbeid heeft hier bijv
in belangrijke mate -aën i’nede gewerkt. Het staat ‘wel vast,
dat door – liet overleg tussen de Regering en de Stichting
van de Arbeid véel moeilijkheden zijn voorkomen. Deze
moeilijkheden kon men voorkomen, omdat énerzijds de
Regering meer rekening kon houden met de èpvattingen
vaa het bedrijfsleven, terwijl anderzijds de vertegenwoor-
cligers van het bedrijfsleven meer direct werden gecon-
fronteerd met de problemen, waarmede de Overheid te
maken heeft.
In een stelsel, waarbinnen een belangrijke mate van
ordening jlaatsvindt, is dit overleg dan ook onontbeerlijk.
Nu eens met een groot deel van het bedrijfsleven en dan
weer iliet vertegenwoordigers van afzonderlijke takken
van bedrijf. Men kan niet ontkennen, dat ook door de
zgn.’ Woltersomse organisaties, dit overleg belangrijk is
bevorderd. Van overheidszijde werd liet als een voordeel

gezien, dat men voor elke tak van bedrijf één orgaan had,
dat namens dezebedrijfstak kon spreken, zodat er bij de
Overheid geen twijfel behoefde te bestaan aan de mening
van het bedrijfsleven over bepaalde vraagstukken.
Voor het bedrijfsleven bracht dit het belangrijke voor-
deel met zich, dat niet verschillende organisaties op ‘een-
zelfde terrein tegen elkaar konden worden uitgespeeld,
indien deze er, een verschillende mening over een.bepaald

vraagstuk op na hielden.
Dit overleg tussen Overheid en bedrijfsleven komtin

een nieuwe phase met het toepassen van de wet op de
publiekrechtelijke bedrijfs,drganisatie. Reeds – nu wordt
aan de Sociaal-Economische Raad over tal van onder-

werpen advies gevraagd door de Overheid, terwijl in een
bepaald geval de Sociaal-Economische Raad ook onge-
vraagd advies heeft gegeven. –

Daarnaast zullen in de besturen van ‘de toekomstige
pioductschappen en bedrijfschappen waarnemers van de
Overheid zitting ‘hebben en deelnemen aan de beraad

slagingen.

Floewel in het algemeen dit toenemend overleg tussen
Overheid en bedrijfsleven moet worden toegejuicht, omdat daardoor de doelmatigheid van de overheids-
regelingen kan worden bevorderd, ‘brengt deze ontwikke-
ling toch ook enkele bezwaren met zich. Met name doet zich
de vraag voor, op welke wijze de positie en het gezag van
cle Overheid door deze ontwikkeling zal worden beïnvloed.
Terwijl de Overheid aan de ene kant veel beter geïnfor-
nieerd is omtrent het te verwachten effect van har maat-
regelen bij het bedrijfsleven, doet zich aan de andere zijde

het gevaar voor, dat de Overheid maatregelen, die zij met
het oog op het landsbelang juist acht, niet kan doorvoeren,
oniidat een dèel van liet bedrijfsleven zich daar tegen verzet.
Met name dreigt derhalve, het gevaar, dat het bedrijfsleven

een bepaalde machtspositie gaat innemen, waartegen de
Overheid niet meer kan oproeien. Dat zou grote gevaren
met zich brengen en voor het Nederlandse volk als geheel ernstige gevolgen kunnen hebben.

De Overheid moet in staat zijn en blijven, desnoods
tegen de opvattingen van hét bedrijfsleven in, een maat-
regel door te voeren, welke zij om bepaalde redenen
noodzakelijk acht.

In. ‘dit verband willen wij- enkele willekeurige voor-
beelden noemen, welke ongetwijfeld met vele andere

66

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

24
Januari 191

kunnen worden aangevuld, terwijl zich in de toekomst

ongetwijfeld herhaaldelijk analoge gevallen zullen voor-

doen. ‘
Een recent voorbeeld hiervan vormen de discussies,

welke zijn gevoerd over het vaststellen van een gegaran-
deerde melkprijs voor de boer, waar het ging over de vraag,

of deze op 171 of 18 cent per liter moest worden vast-

gesteld. Wij zullen en kunnen over dit bedrag zelf geen oordeel uitspreken. Daar gaat het ons hier ook niet om,

maar waar het ons wel om gaat, is het volgende. Na over-

leg tussen de Regering en de Stichting voor de Landbouw,

heeft de Regering gemeend een prijs te moeten vaststellen,

welke
f
cent per liter lager lag dan de prijs, welke door

de landbouw werd verlangd.

Wat ons.nu bij deze kwestie heeft gefrappeerd is, dat

uit de landbouw hier en daar het dreigement is geuit,

dat men zich tegen deze beslissing zou verzetten met

middelen, die ten doel hadden de Regering te dwingen
toch aan de wensen van de landbouw te voldoen. Zover is

het gelukkig niet gekomen, omdat de Stichting voor de

Landbouw en de daarbij aangesloten organisaties hier niet
achter stonden.

Een ander voorbeeld is dat van de onderhandelingen –

over de derde loonronde. Men weet, dat de Regering tegen

het advies van de Stichting van de Arbeid in, de beslissing
nam, dat de loonsverhoging van 5 pCt slechts zou gelden

tot een maximum van f180 per jaar. Het verzet, dat

hiertegen rees, heeft de Regering genoopt, op deze be-slissing terug te komen. Onafhankelijk van de vraag of

de aanvankelijke beslissing van de Regering’juist is geweest,
zou ook hierdoor de indruk kunnen worden geekt,
dat de Regering niet sterk genoeg was om weerstand te

bieden aan de wensen van het georganiseerde bedrijfs-

leven.
Deze beide voorbeelden – waarbij wij geen obrdeel
uitspreken over de materiële betekenis van de genomen

beslissingen – doen de vraag rijzen, hoe nu de positie
van de Regering is tegenover die van het georganiseerde

bedrijfsleven.

Alvorens hierop verder in te gaan, willen wij nog op
een ander aspect wijzen, dat voor de verhouciing tussen
de Overheid en het bedrijfsleven evenzeer van betekenis
is. Dit aspect houdt nI. verband met de positie van het
parlement in dergelijke gevallen. Wat ons is opgevallen

is, dat bijv. bij de behandeling van de begroting van
Landbouw in de Tweede Kamer, vrijwel uitsluitend ver-tegenwoordigers van de landbouw aan het woord waren,
behalve bij die politieke partijen, die door hun ge-
ring aantal vertegenwoordigers of krachtens hun
aard niet over specifieke landbouwvertegenwocrdigers beschikken. ‘Nu ligt dit misschien voor de hand, omdat
deze specifieke landbouwvertegenwoordigers de meest

deskundige mensen zijn, over welke de Kamer beschikt,

als het over landbouwzaken gaat. Men moet hierbij

echter twee dingen bedenken.

In de eerste plaats, dat het bij het landbouwbeleid niet
alleen gaat over de landbouw als zodanig, doch evenzeer

over de daarmede direct samenhangende belangen van

handel en industrie, die mede. – anders dan in andere

landen het geval is – direct afhankelijk zijn van de

bemoeiingen van het Ministerie van Landbouw, Visserij

en Voedselvoorziening. Bovendien dient ,te worden be

dacht, dat de belangen van de gehele bevolking mede in

belangrijke mate afhangen van dit beleid.

Is nu de deskundigheid van de betrokken kamerleden

een voorde,el, daartegenover staat,’ dat men wel sterk de
indruk krijgt, dat de betrokken parlementariërs niet in de

eerste plaats optreden als ç’olksvertegenwoordigers, maar

als vertegenwoordigers van
landbouworganisaties.
Dit had

tot gevolg, dat de discussies tussen de vertegenwoordigers

van de landbouw en de Minister over de melkprijs bijv. in

de Kamer nog eens in het openbaar werden voortgezet.

Ook in andere gevallen doet zich – hoewel in mindere

mate – het verschijnsel voor, dat het parlement zijn

belangrijke functie devalueert door zich door middel van
bepaalde kamerleden op te werpen .’als vertegenwoordiger

van bepaalde groepsbelangen. Gaat het parlement zich

steeds meer in deze richting bewegen – en vele symp-

tomen wijzen daarop – dan moet daartegen ernstig worden
gewaarschuwd.

Wij wijzen op deze symptomen, omdat met de door-
werking van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie het
vraagstuk van de verhouding tussen Overheid en be-

drijfsleven aan belangrijkheid wint. Wij krijgen daarbij

immers een systematisch overleg tussen Overheid en
bedrijfsleven, zowel van het gehele bedrijfsleven via de
Sociaal-Economische Raad, als van afzonderlijke bedrijfs-

takken via de product- en bedrijfschappen.

Dit alles kan van grote betkenis zijn. Maar men moet
daarbij wel bedenken, dat de
oerantwoordelijkheid 000r

het beleid tenslotte berust bij de Regering
en dat daarom de

Regering in staat moet zijn – na overleg en.na
adviezen
te hebben ingewonnen –
zelfstandig
haar standpunt te

bepalen. Aan het Parlement daarbij de taak om als.

oolksoertegenwoQrdiging
r—
en niet als vertegenwoordiging

van
belangengroepen
– de Regering te controleren en te
corrigeren.
Het bedrijfsleven tenslotte kan en moet niet door middel
van zijn organisaties op de stoel van de Overheid gaan
zitten. Dit. is ook niet nodig, mits de Overheid zorg draagt,
dat zij aan het bedrijfsleven zijn eiged verantwoordelijk-heid laat.

s-Gravenbage.

Dr J. BUTER.

De internationale suikermarkt

Het aanbod.

Men zal zich herinneren, dat suiker vooraan in de rij
der producten stond, waarvan de Internationale Nood-
voedselcommissie van de F.A.O. het allocatiesysteem
ophief (1 Januari 1948). Sindsdien’ is de wereidsuiker-
productie regelmatig gestegen. Tabel T brengt een en
ander in beeld en maakt tevens een vergelijking mogelijk

met de productie in de vooroorlogse jaren (zie blz. 67).

De technische vooruitzichten voor de productie in de
komende jaren blijven gunstig. De oppervlakte bebouwd
met suikerbieten en suikerriet is toegenomen en voort-
durend teelt men nieuwe, en een hogere opbrengst gevende variëteiten.

In de Verenigde Staten heeft de hogere winstgevend-
heid van de suikerbietenproductie vergeleken met die van
andere gewassen een grote uitbreiding van het bebouwde
areaal veroorzaakt. In 1950 bereikt de totale Amerikaanse
productie waarschijnlijk de 1,6 mln ton, het maximum-
quotum vastgesteld bij de Amerikaanse Suikerwet van

1948
1),
Dit geschiedt dan voor het eerst sinds 1947/48.

Het is daarom niet vreemd, dat er reeds actie wordt ge-
voerd in de Verenigde Stâten,’ zowel voor het vasteland als
voor Porto Rico, om de maximumgrens, bij de Suikerwet

‘)
Krachtens de ,,Sugar Act of 1948″ wordt In de Verenigde
Staten Jaarlijks de vermoedelijke consumptie van suiker vastgesteld.
De geraamde hoeveelheid wordt vervolgens verdeeld over binnen-
landse productie (eigen land en onderhorige gebiedsdelen) en Import.

/

….

National

P A C

K A
~
G
I. N G

EX H B I T

10

N

Inciuding

MOBILE DRUM FACTORY SECTION

(Organised by Provincial Exhibitions Ltd.,’ in associotion with F. W. Bridges & Sons Ltd.)

NATIONAL AND EMPIRE HALLS OLYMPIA

LON

DON.

TUESDAY, JANUARY 30th,
to
FRIDAY, FEBRUARY 9th, 1951

Daily 1030 a.m. to 7.30 p.m

.

INternotional Importance
â(
Packaging.

A cordicil invitation to visit this Exhibition is extended to everybody interested in packaging.
Efficient and attractive packciging has becöme an
esseNtiaI
factor in the home and export markets.
Over 150 of the leading firms in the Packaging Industry are displaying up-to-date machinery, economic production methods, modern printing and high-grade materials for every sphere of Packaging.

1
Reduced admission for partJes of 12 or more can be arranged by application
‘to F. W. BRIDGES&SONS LTD., GRAND BUILDINGS, TRAFALGARSOUARE, W.C.2

IN COLLABORATION W!TH THE

INSTITUTE OF PACKAGING

van 1948 voor de

productie gesteld, te verhogen

TABEL I.
Wereidsuikerproductie.

(x 1.000 ton ruwe suiker)

Wereiddeel
1934

1938

1948149
1949/50
(Ig)

1.174
1.479
1.514
1.562
Azië

…………
7.445
6.090
6.057
6.519
Afrika

…………

Europa
(excl.
Rusland)
6.536
6.741
6.770 8.410
Noord- en Midden-
Amerika
6:978 10.125
40,870 11.657
Zuid-Amerika
2.208
3.209
3.187
3.329,
Oceanië
1.777 1.965 1.974
2.010

Vere1dproductie
(cxci.
Rusland),
26.118
29.60
30.372
33.187
Sovjet-Rusland
. .
2.300′)
1.980′)
2.100′)
2.150

Totale wereld-
productie
28.418 31.589
32.472 35.337.

1)
Officieuze schatting.
Bron:
F.A.O. Commodity reports: Sugar (22 ‘November 1950).

1-let Verenigd Koninkrijk sloot in September 198 ,,long-term contracts” af met Australië, West-Indië,
Zûid- en Oost-Afrika tel’ voorziening in de suikerbehoef te

niet alleen van het eigen land, maar ook van Canada,
Niêuw-Zeeland, Ceylon en andere tot het Britse Rijk
behorende suikerimportianden. Tijdens een conferentie
van 21 November’ 1949

16 Januari 1950 te Londen
gehouden bood het Britse Ministry of Food een nieuwe
garantie op langé termijn aan Australië, Zuid-Afrika, de
Westindische eilanden en andere koloniale suikerexpoi’t-
landen aan. 1-let Ver’enigd Koninkrijk bleek bereid
om
na afloop van( de lopende ,,long-term contracts” (31
December 1952) voor vijf jaar een nieuwd garantie-

overeenkomst aan te gaan. Zelf wilde het dan de afname
van 1.550.000 ton tegen lonende prijzen garanderen,
daarnaast
nog de markt open latende ter voorziening van
de overige importianden van het Britse Gemeriebest.
Australië en Zuid-Afrika accepteerden dit aanbod vrijwel
•direçt; de koloniale exportianden vroegen enige bedenk-
tijd.
Met
name West-Indië bleek niet bereid het voor hem
vastgestelde quotum te aanvaarden; het heeft nog on-
geveer een half jaar geduurd voordat met dit land overeen-
stemming werd bereikt. In het najaar van 1950 verklaarde
Nieuw-Zeeland zich bereid om van 1953 t/m 1957 jaarlijks
een hoeveelheid suiker van 75.000 ton via het Ministry of
Food binnen het kader van deze overeenkomst aan te
kopen. Australië, Zuid-Afrika, West-Indië en de overige
koloniale exportiand en
(t.w.
Mauritius, de Fid zji-eilan.den,
Oost-Afrika en Brits 1-londuras) hebben thans gedurende
de jaren 1953 t/m 1957 een potentiële afzetmarkt van ca

2,4 mln ton in het vooruitzicht, waarvan de, afname
-‘
van ongeveer
2/3
gedeelte tegen een lonende prijs is gega-
randeerd. Waar de feitelijke export van deze exportianden
de laatste jaren ca 1,7, mln ton bedroeg, houdt deze

overeenkomst dus een sterke stimulans tot opvoering
van
de suikerproductie in.

Ook véel staten van het Europese vasteland hebben hun
suikerbietenareaal een uitbreiding zien ondergaan. In
sommige streken

met name in België, Duitsland,

Oostenrijk en enkele Oosteui’opese landen

is de uit-
bi’eiding zelfs aanzienlijk.
Een aantal invoerlanden, dat tot dusver
was
aangewezen
op het aanbod op de wereldmarkt, tracht de eigen suiker-
productie op te voeren om zodoende een meer of minder hoog percentage van de binnenlandse consumptie uit het
eigen land te kunnen dekken. Nederland is hiervan een
eerste voorbeeld; ter illustratie zij vermeld, dat onze

68

ECONQMISCH-STA TISTISCHE BERICHTEN

24
Januari 1ff51

productie in 1949 387.000 ton ruwe suiker bedroeg tegen

een consumptie van 356.000 ton. Frankrijk, dat het laatste

oogstjaar (1949/50) nog tot de importianden behoorde,

zal dit jaar waarschijnlijk een exportiand zijn. West-
Duitsland beoogt zijn productie van 1949/50 binnen

enkele jaren te verdubbelen en in Zwitserland agiteert

men nog steeds voor de bouw van een tweede suiker-
fabriek. Ook in Canada en in de landen van het Nabije

en van het Verre Oosten worden nieuwe fabrieken gebouwd.

In de exportlanden zien we een overeenkomstig beeld.

Op Cuba schijnen meer nieuwe suikerrietvariëteiten te
worden aangeplant dan algemeen wordt erkend. Indien

we normale weersomstandigheden veronderstellen, ziet
het er naar uit, dat Cuba in 1950/51 meer zal produceren

dan het jaar tevoren. Cuba is, zoals bekend, het belang-

rijkste suiker-producerende kind ter wereld. Zijn producti
e

verliep sinds het begin van de oorlog op de volgende wijze

(x 1.000 ton

(x 1.000 ton
ruwe suiker)

ruwe suiker)
1940/41
……….
2.472

1945/46
……..
4.061
1941/42
………..
1.451

1946/47
……..
5.848
1942/43
……….
2.926

1947/48
……..
6.057
1943/44
………..
4.301

1948/49
……..
5.228
1944/45
……….
3.560

1949/50
……..
5.558

De voorbije oorlog heeft grote verschuivingen in de

wereldsuikei’prod uctie teweeggebracht De belangrijkste
areaalverliezende landen waren in de eerste plaats Java

– waarvan de productie zich nog slechts in een zeer

langzaam tempo herstelt – en daarnaast Taiwan (Formosa)

en de Philippijnen. Cuba heeft hiervan geprofiteerd en
zag zijn met suikerriet beplant areaal sterk stijgen.

Tenslotte heeft de Regering van de Dominicaanse
Republiek een groot expansieprogramma ingezet (opvoering

van de productie van 400.000 ton tot 700.000 ton), terwijl

Haïti, Brazilië, Tsjechoslbwakije, Polen, Mexico, enz. hun

productie eveneens hopen te vèrgroten.
Alle gegevens uit het voorgaande in overweging nemende

wordt er dan ook geschat, dat de totale wereldproductie het komende jaar het peil van 34 mln ton
2)
zal bereiken

(schatting van Messrs. C. Czarnikow Ltd., zie ,,The Econo-

mist”, 11 November 1950; de F.A.O. komt zelfs nog tot een hoger cijfer, vgl. tabel 1).

De eraag.

Tot op heden is de vraag niet hij het sterk toegenomen

aanbod achtergebleven. Volgens F.A.O.-bronnen is ei
over de gehele wereh
1
gez
1
en naar schatting nog een tekort
van 1 A 2 mln ton suiker
3).
Zelfs is in enkele landen de
rantsoenering nog niet afgeschaft (ofwel opnieuw ingesteld).

Door het Verenigd Koninkrijk alleen reeds – de con-
sumptie vau suiker is in dit land nog steeds gerantsoeneerd
zou minstens 500.000 ton meer kunnen worden vet

bruikt dan in de laatste jaren geschiedde.

Beziet men de verdeling van het suikerverbruik over de vereld, dan krijgt men een geheel ander heëld ondûr ogen
dan dat van voor de oorlog. In een aantal landen, waar
de consumptie van suiker voorheen zeer hoog was, o.a.
in Denemarken, Nieuw-Zeeland, Groot-Brittannië en de
Verenigde Staten, alsmede in enkele andere landen (Duits-
land, Frankrijk, enz.), is het verbruik thans enigszins
gedaald. Daarentegen is het, hoofdzakelijk in de jongere
landen, naar rato veel sterker gestegen.

Gaan we wat nader in op de redenen van het lagere
suikerverbruik in eerstgenoemde landen; dan komen we
tot de volgende opsomming:

2)
Voor de verdeling van dit totaal over de ondgrscheiclene
productielanden
zie:
Records & Statistics, Suppiement to the
Eco-
nomist,
2
December
1950,
blz.
307.
) Zie
,,World
outlook and State
of
food and agriculture
1950″
(Washington, DC’., U.S.A., October
1950).
Hel mag worden yer-ondersteld, dat de F.A.O.. zich bij haar oordeel over de behoefte
aan suiker laat leiden door de doelstelling: voldoende voedsel voor
iedereen (,,freedom from want”). Belangrijker voor de omvang van
de internatidnale suikerhandel is evenwel cle grootte van de vraag,
die door de koopkracht der
,
importiasiden wordt- bepaald.

Daling oan het nationale inkomen in door de oorlog

geteisterde landen.

In dezè landen – Duitsland is een sprekend voorbeeld –
zijn de kosten van het voedselpakket sterk gestegen en
is de levensstandaard dienovereenkomstig gedaald. Suiker

valt onder de categorie der meer luxe voedingsmiddelen

en daardoor is het gebruik er van in genoemde landen

afgenomen.. Het is niet waarschijnlijk, dat het op korte

termijn weer tot •het vooroorlogse peil zal terugkeren.

Val utamoeilijkheden.

liet is speciaal het Verenigd Koninkrijk, lat zijn aan-

kopen van suiker om deze reden limiteert; dit geschiedt
vooral ter besparing van dollar. Landen als Palestina,

Noorwegen en India zitten niet dezelfde moeilijkheid.

Er zijn zelfs productie-exportianden, te weten Denemarken,

Tsjchosldwakije en Polen, die hun consumptie beper-

ken ter wille van de positie van hun betalingsbalans.

Denemarkens’productie bijv. is sterk toegenomen vergele-

ken bij voor de oorlog, doch het verbruik per hoofd van
de bevolking ligt nog 30 pCt lager.

Verschuioing in de consumptie.

In de Verenigde Staten, Canada en Australië is het

verbruik van suiker niet teruggekeerd op het hoge voor-

oorlogse peil. Wel zien we in deze landen, dat ten gevolge
van de hogere levensstandaard het verbruik van duurdere

voedingsmiddelen is .toegenomen. In deze gevallen is
het niet aanstonds duidelijk, waar de verandering aan is
toe te schrijven. Mogelijk komt zij voor een deel op rekening

van veranderde consumptiegewoonten ten gevolge van

de restricties in het verbruik tijdens de oorlog, mogelijk

ook moeten we het zien als een gevolg van het stijgende
verbruik van duurdere levensmiddelen: In genoende

landen is het nationale inkomen zowel in totaal als per

hoofd van de bevolking nI. gestegen. In dit opzicht is
het merkwaardig, dat de ervaring leert, dat het verbruik

van suiker niet meer is te beïnvloeden, ook niet bij een

stijgend nationaal inkomen, zodra het een peil heeft
bereikt van 40 â 50 kg per hoofd van de bevolking per

jaar
4).

Politieke &n economische eerschuiuin gen.

Het verbruik is eveneens afgenomen in China, Roemenië,
Bulgarije, Yoego-Slavië, Indo-China en IndonesIë, alsmede
in Sovjet-Rusland en de Baltische Staten. Verstoringen
van politieke, sociale en economische aard hebben over

het algemeen in deze landen het gevolg gehad, dat de
productie van suiker is gedaald. De respectieve regeringen
achten het huidige consumptiepeil voldoende en blijken
niet van zins om schaarse buitënlandse valuta’s aan te

wenden teneinde (meer) suiker te kunnen importeren.

Berolkinsoernseerdering.

Deze reden iszeer duidelijk aanwezig bij India, waar het mindere vebruik per hoofd van de bevolking niet is
gecompenseerd door een hogere productie of invoer.
Het doet enigszins paradoxaal aan om na de boven-
staande uiteenzetting te constateren, dat de wereld-
consumptie van suiker zich in sterk stijgende lijn beweegt.
Toch is dit volgens de jongste gegevens van de F.A.O.
het geval (Sugar bulletin, 22 November 1950). Flet zijn
hoofdzakelijk de jônge .landen, die hiertoe bijdragen.
In een aantal landen zien ve een -belangrijke stijging
in het algemeen, in andere landen constateren we ,een
verhoogde vraag naar beter geraffineerde suiker. Zoals
we hierboven zagen, is het verbruik van suiker in het

‘) VÔör de ooilog bedioeg het verbruik in Denemarlieri, Nieuw-
Zeeland, Verenigd Koninkrijk, Australië; Verenigde Staten, -Canada
en Zweden meer dan
45
kk per hoofd per jaar. In
1948/49 was
Z4ve-
den de grootste suikerverbruiker ter wereld met een verbruik van
44
kg per hoofd .per jaar (recentere cijfers zijn rlet bekend);

24 Januari 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

69

algemeen moeilijk meer op te voeren, wanneer het eenmaal

een hoog peil heeft bereikt. De ervaring van deze nieuwe

consumptielanden leidt tot een overeenkomstige conclusie

in tegengestelde zin. Fiet blijkt nL, dat een stijging van
het reële nationale inkomen in landen, waar het verbruik

per hoofd van de bevolking.laag is, gepaard gaat met een

toeneming van het suikerverbruik.

De consumptie is in bijna alle landen van Zuid-Amerika

en Afrika, alsmede in enkele Aziatische landen, waar de

vraag naar suiker véÔr de oorlog zeër gering was, gestegen.
In enkele landen, speciaal in Afrika, hebben rieuwe. groepen
van de bevolking, die voorheen geen suiker gebruikten,

zich thans in de rij der consumenten geschaard. Een

mooi voorbeeld hiervan levert Mozambique, waar het
vooroorlogse vtrbruik van 1,3 kg per hoofd per jaar in
1949 was opgelopen tot 4,1 kg. VéÔrde oorlog gebruikte
de inheemse bevolking practisch geen suiker. De consump-

tie was in die tijd beperkt tot de Europese en Aziatische
bewoners van het land. Na de oorlog evenwel zijn de

inboorlingen ook sjiker gaan gebruiken, o.a. voor de

clandestiene bereiding van alcoholische dranken. Van

één district is het bekend, dat de consumptie per maand
is toegenomen van 700 tot ca 10.000 kg!
Zoals we reeds zeiden is er eén duidelijk verband tussen
de stijging van het suikerverbruik en de stijging van de

koopkracht der consumenten
t
(zolang het verzadigings-

punt nog niet is bereikt). In enkele streken hebben de
hogere opbrengsten van de export van industriële grond-stoffen en van voedingsmiddelen, zowel de landbouwers
als de landarbeiders in staat gesteld hun voedingsniveau
op te voeren en meer levensmiddelen van de handel af
te nemen. Niet minder belangrijk is waarschijnlijk de
instandhouding van volledige en stabiele werkgelegen-
heid, hetgeen een gevolg is van de hoge na-oorlogse vraag
naar alle soorten industriële grondstoffen en voedings-

middelen.
Tenslotte gaat de stijging van het suikerverbruik hand
in hand met de voortgaande industrialisatie en urbanisatie.
Onder deze omstandigheden gaat dè conumptie van indus-
trieel verwerkte levensmiddelen en dranken in het al-
gemeen omhoog. Zeer belangrijk is in dit opzichtdesneile
vergroting van het verbruik van gestandaardiseerde.

industrieel hereide, n let-alcoholische dranken. Er zijn
aanwijzingen, dat deze door grote industrieën geproduceer-
de dranken niet alleen de plaatselijk geproduceerde
dranken hebben vervangen, doch tevens de totale con-
sumptie hebben opgevoerd, speciâal in de steden en de
industriegebieden. Hetzelfde verschijnsel kan men bijv.
waarnemen bij de consumptie van chocolade-artikelen,
blikproducten en andere industrieel verwerkte levens-

middelen. –

Internationale handel en prijzen.

Het beeld, dat de internationale suikermarkt in de
eerste helft van 1950 vertoonde, werd door de gebeurte-
nissen in Korea op ingrijpende wijze veranderd. Terwijl
statistische deskundigen van de Internationale Süiker-raad half Juni nog een surplus van 1.141.000 ton voor
eind 1950 voorspelden, was het aanbod eind Juli reeds
zeer krap geworden en liepen de prijzen voor loco-trans-
acties op tot de hoogste top, die tijdens de hausse na de eerste wereldoorlog werd bereikt. Cuba en de Domini-

caanse Republiek hebben zelfs al behoorlijke hoeveelheden
van oogst 1951 verkocht.
Nochtans mogen we de invloed van het Korèa-conflict,
ofschoon het op zichzelf natuurlijk belangrijk is, niet al
te hoog aanslaan. 1-let is, naar we hopen, slechts een
eenmalige gebeurtenis en wanneer de wereld in de komende
jaren niet opnieuw door dergelijke internationaal-politieke
verstoringen wordt opgeschrikt,’ zal de internationale
suikermarkt weer spoedig een beeld overeenkomstigi aan
dat van het eerste halfjaar van 1950.vertonen.

We nemen aan, dat het de lezers bekend is, dat in 1937

door een aantal landen, dat 95 pCt van de internationale

handel in suiker vertegenwoordigde, een Internationale
Suikerconventie werd gesloten. Deze overeenkomst werd
voor een periode van 5 jaar aangegaan. In 1942 werd de

naleving van de commerciële bepalingen ten gevolge van
de heersende oorlogstoestand opgeschort; alleen de bij de

overeenkomst opgerichte Internationale Suikerraad bleef
bestaan. Genoemde Rrad is sinds het einde van de oorlog
reeds verscheidene malen bijeengekomen ten einde, een
hernieuwde internationale l’egeling onder ogen te zien.
Van de zijde van Cuba werd reeds een concept-overeen-

komst ter behandeling aan de Suikerraad voorgelegd.

Het is evenwel uit meer voorbeelden uit het verleden

bekend, met hoeveel moeilijkheden het, tot stand komen
van dergelijke internationale afspraken gepaard gaat.
In het algemeen kan ook worden geconstateerd, dat de
bodem om tot overeenstemming te geraken pas vrucht-

baar is, wanneer er een dreigend overschot boven de
wereldmarkt hangt. In het handvest van de I.T.O. (hoofd-

stuk VI, art. 62) wordt dit zelfs als één der voorwaarden

voor het sluiten van een internationale goederenovereen-
komst voorgeschreven. Het Korea-incident heeft dan
ook de behoefte aan een internationale regeling – waaraan
de Suikerraad gestadig blijft doorwerken – weer voor

enige tijd yerzwakt.
Twee kenmerken van de huidige wereldsuikerrnarkt
verdienen hier nadere vermelding. Het zijn de gestegen
vraag naar dollarsuiker en de aanwezigheid van bilaterale
handlsverdragen.
1-let eerste verschijnsel is opvallend en uiteraard toe
te schrijven aan de middelen, die de Verenigde Staten
te baat hebben genomen om de niet-dollarlanden van hun
valuta te voorzien. Het Europese’ 1-lerstelprogramma
neemt hierbij de belangrijkste plaats in. Het gevolg hier-
van is geweest, dat de vraag naar dollarsuiker na de
oorlog die naar niet-dollarsuiker heeft overtroffen, ter-
wijl zij.véôr de oorlog het hoogstens tot 50 pCt kon halen!

TABEL II.

Slotnoteringen op de beurs te New York
000r
het suiker-

contract No 4.

(termijnmarkt, prijzen $ cent per Ib.)

Datum

.
Juli
1949
Sept.
1949
Mrt
1950
Juli

Jan.
1950

1951
Mei
1951
Sept.
1951
Loco

ring

12 Nov:

1948
3,99
3,99-
3,40
– –


4:30
10 Dec.

1948
4,01 4,01
3,46




4,05
14

Jan.

1949
4,e4
4,03
3,60
– –


4,00
11 Febr.

1949
3,93
3,89
3,36
– –


3,90
11 Mrt

1949
4,23
4,10
3,42



4,20
14 Apr.

1949
4,07
3,99
3,39



4,10
13 Mei

1949
4,06 4,02
3,62




4,00
24 Juni

1949

4,14
3,87
3,86



4,10
22 Juli

1949

4,17
3,92
3,91



4,20
12 Aug.

1949

4,18
3,92 3,92



4,18
23 Sept.

1949




4,12
4,11

– –
4,20
14 Oct.

1949


4,16
4,16
– – –
4,35
10 t/m 16Nov.’49


4,15
4,16
4,19
– –
4,35
12 Jan.

1950


4,60
4,56
4,48
– –
4,60
10 Febr.

1950
‘ –

4,45
4,45
4,39


6,50
14 Mrt

1950



4,46
4,29

4,40
13 Apr.

1950



4,40 4,20


4,40
11 Mei

1950



4,16
3,91


4,15
12 Juni

1950



4,16
3,95


4,16
13 Juli

1950
—-4,54–
4,55
11 Aug.

1950
– –


5,55
5,43
5,86
11 Sept.

1950


– –
5,50
5,14

5,86
11

Oct.

1950
– –


5,17
4,48 4,48
5,85

Het tweede kenmerk is minstens even opvallend en

ons inziens meer alarmerend. Op de internationale suiker-
markt zijn dë bilaterale ,,long-term contracts” geenszins

tot het Verenigd Koninkrijk alleen beperkt. Bij landen
als Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Tsjechoslowakije,
Oostenrijk en Zwitserland spelen zij eveneens een belang-
rijke rol. Zowel deze bilaterale overeenkomsten als het
speciale ,jong-term agreement”, dat het Verenigd Konink-
rijk binnen het kader van de Commonwealth en zijn

70

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

. 24
Januari 1951
,

overzeese gebiedsdelen afsloot (met als mogelijk gevolg

sterke opvoering van’ de suikerproductie dezer landen;

zie voorgaande), kunnen de Internationale Suikerraad

mettertijd nog heel wat hoofdbrekens bezorgen!

Ten gevolge van deze bilaterale onderhandelingen

krijgt de prijsvorming op de internationale markt voor

suiker ook een geheel ander karakter. In feite,kunnen we
dan ook niet meer spreken van’een wereldmarktprijs voôr

suiker. Wat we zien, zijn enerzijds contractueel overeen-
gekomen prijzen tussen bepaalde groepen van landen, en

anderzijds een prijsvorming tussen staten, die niet con-

tractueel aan elkaar zijn verbonden, en welke prijsvorming

dus nog wel het karakter van een vrije prijsvorming

draagt. Onder de eerste categorie van landen vallen dan

weer in deeerste plaats de grote staten met hun overzeese
gebiedsdelen of met de economisch aan hen• verbond en

landen: het zijn het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde

Staten, Frankrijk en Portugal (tot de groep van de Ver-

enigde Staten behoren behalve Porto Rico en de Hawaii-

eilanden gelijk bekend Cuba en de Philippijnen).

We hebben uiteraard nog het meest interesse in het

vrije deel van de wereldmarkt en hebben daarom (op blz. 69)
een prijzenoverzicht gegeven van de beurs van
New
York;
deze nl. kan als het centrum van de vrije prijsvorming

voor suiker op de wereldmarkt worden beschouwd. Naar

aanleiding van hetgeen we hierboven schreven wijzen we

er op, dat men de betekenis van de prijsvorming op de

New Yorkse beurs toch weer niet te gering moet aanslaan,
te meer daar deze prijsvorming indirect ook weer invloed

uitoefent op de prijzen, die worden overeengekomen in

de bilaterale handelsverdragen.

‘s-Gravenhage.

G.
GREIDANUS.

IIe gebondenheid der regeringen aan besluiten

van de Rijnvaartcomrnissie

De Centrale Commissie voor de Rijnvaart is een college
van afgevaardigden van een aantal staten, waaraan uiteen-
lopende bevoegdheden van administratieve, rechterlijke

en w’etgevende aard zijn opgedragen. De besluiten dezer
commissie worden genomen met volstrekte meerde’heid
van stemmen. Verschil van mening bestaat over de vraag,

of en. in hoeverre de regeringen der betrokken staten aan

deze bçsluiten zijn gebonden
1).

– Nog onlangs werden in de Nederlandse Vereniging voor
Internationaal •Recht, welke haar laatste jaarvergadering

aan de behandeling van het Rijnvaartregiem wijdde,

door de beide prae-adviseurs op dit punt tegengestelde
meningen verkondigd.. Enerzijds was Mr Schaepman de mening toegedaan, dat besluiten der Commissie bindend

zijn voor de regeringen, wier Rijnvaartcommissaris heeft

voorgestemd; de wilsverklaring van de conimissaris moet
volgens hem geaht worden met de wilsverklaring van zijn
regering samen te vallen, ook al zou zulks, hetgeen prac-
tisch nooit voorkomt, in feite niet het geval zijn. Ander-
zijds stelde Mr Beerman zich op het standpunt, dat elke

staat ook na het bes]uit der Commissie nog vrij is om ,dit
al dan niet uit te voeren, onverschillig hoe haar eigen

commissaris heeft gestemd
2).

Ten bewijze van 4ijn stelling doet Mr Schaepman een
beroep op art. 94 van de Akte van Mentz van 1831, welke
de voorlbopster is van de Rijnvaartakte van 1868. In dit artikel worden de besluiten van de Centrale Commissie
bindend verklaard îoor de oeverstaten, als zij er door hun
commissaris hun toestemming aan hebben gegeven.
Op het eerste gezicht schijnt het twijfelachtig, of dit

artikel inderdaad beoogt, een dergelijk gezag aan de
besluiten van de Rijnvaartcommissie toe te kennen. Het
tweede lid van genoeind artikel, hetvelk de Commissie
niet toestaat in haar naam wetten of nieuwe algemene
verordeningen uit te vaardigen, of een oeverstaat ver-
plichtingen op te leggen, welke deze ontkent op zich te

hebben genomen, wijst veeleer op een beperking van het
gezag der Rijnvaartcommissie
3).

Intussen is het interessant de geschiedenis an ge-
noemd artikel na te gaan. 1-let eerste lid er van is letterlijk
overgenomen uit Annex XVI B der Wener siotakte van 1815, waarin het als art. 17 voorkwam. 1-let tweede lid

‘)
W.
r.
Al. van Eysinga, Proeve ener Inleiding tot het Nederlandse
Tractatenrecht, 1906, bie. 138 e:v.
‘) Mededelingen Nederlandse Vereniging voor Internationaal
Recht, no. 28, bie. 32 e.v. (prae-advies Schaepmali) en bIe. 57 e.v.
(prae-advies Beerman).
3)
Rijndocurnenten
1,
bie. 263; S. 1831, no 19.

is nieuw, doch er blijkt nergens, dat dit een wijziging van

de strekking van het eerste lid beoogde. Terecht conclu-

deert Struycken dan ook-dat in de geschiedenis van de
totstandkoming van art. 17 van Annex XVI 13 der Wener
slotakte de strekking van art. 94 der Akte van Mentz
moet worden opgesp6ord
4).

Wat was nu het systeem der Wener slotakte? 1-lierover

blijkt uit de protocollen van de beraadslagingen der Weense
Rivierencommissie het volgende.

Over het karakter der in te stellen Rijnvaartcommissio

bestond in Wenen meningsverschil. Sommigen wensten

een supra-nationaal gezagsorgaan, anderen wilden slechts
een consultatieve raad van regeringsvertegenwoordigers.

Tot de eersten behoorde de Pruisische gedelegeerde Baron
von Humboldt. Deze legde de Rivierencommissie een plan
voor tot instelling van een Centrale Commissie van drie
leden, tot wier benoeming iedere oeverstaat zou bijdragen

naar rato van zijn bezittingen op de Rijnoevers. De
oèverstaten zouden zich bij-voorbaat moeten verplichten

de besluiten dezer Commissie uit te voeren; alleen in bij-
zondere gevallen zou hierover arbitrage mogelijk zijn.
De Weense Rivierencominissie ging echter niet in op dit
vèrstrekkende plan, doch besloot, dat de Centrale Rijn-
vaartcommissie ,,dans son rapport avec les états riverains,

n’aura qu’un caractère consultatif”. Zij diende ich er toe te beierken haar besluiten aan de betrokken plaatselijke
autoriteiten mede te delen, die voor de uitvoering zouden
moeten zorg dragen, tenzij daartegen overwegende be-
zwaren -mochten rijzen, in welk geval de betrokken Re-
gering de aangelegenheid nader met de Rijnvaartcommissie
zou opnemen. 1-let beginsel der goedkeuring achteraf

schijnt hieruit in alle duidelijkheid naar voren te komen.

Intussen ligg’en de kaarten niet zo eenvoudig, want von
Humboldt, aan wie vrzocht werd een nieuwe redactie
voor een vocrlopig Rijnvaartreglement op te stellén,

trachtte van zijn oorspronkelijk plan te redden wat er van
te redden viel. De nieuwe redactie van art. 14 van het
ontwerp-reglement luidt als volgt:
,,Quoique les décisions de la commission, obtenues par
la pluralité des voix, ne soient obligatqires pour les états
riverains, qu’en tant que leurs commissaires y auront
consenti, ils s’engagent néanmoins a donner les ordres
les plus stricts et les plus. sévères h leurs autorités locales
de suivre- toute résolution que la commission leur fera

A. J.
N.
31. Stiuycken, Verancicringeri
in
het Rijnreiemna
de Wereldoorlog, 1929, his. 47.

24 Janiari 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

.71

parvenir, â moins qu’ellès ne trouvent des objections

majeures â y faire”.
Volgens dit artikel zouden mi. de oeverstaten gebonden

moeten worden geacht aan besluiten, waai hun comnhissaiis

heeft Voorgestemd..
Ook deze tekst beyiel de Rivierencommissie niet, doch

uit haar protocollen blijkt niet, of dit om andere d&tn louter

redactionele redenen het geval was. De definitieve tekst

van het uiteindelijke art. 17 van Annex XVI B luidt: ,,La Commission -Centrale prendra ses décisions â la

pluralité absolue des voix, qui seront émises dans une
parfaite égalité. Mais ses membres devant ‘être regardés

comme des agents des Etats riverains, chargés de se con-

certer sur les intérêts communs, ses décisions ne seront
obligatoires pour les Etats riverains que lorsqu’ils y auront

consenti par leur Commissaire”
5)
.

‘Volgens de bedoeling vaii haar ontwerper, von Hum-
boldt, zou dit artikel impliceren, dat de oeverstaten ge-
bonden zijn aan besluiten, waar hun Rijnvaartcominissaris heeft voorgestemd, doch het is twijfelachtig, of de overige

leden van, de Weense-Rivierencommissie deze interpretatie
hebben aanvaard. Tweeërlei uitleg van art. 17 van Annex
XVI B en dus van art. 94 der Akte van Mentz isderhalve
mogelijk; de praktijk schijnt een middenweg gekozen

te hebben, doordat, volgens van Eysinga, de Regeringen
bij voorbaat door hun commissarissen hun goedkeuring
aan te nemen besluiten konden hechten. Indien de in-
structies van alle commissarissen zulks toelïeten, kon een
besluit door aanneming in de Commissie bindend worden,
doch indien één of meer commissarissen tegenstdmden,
werd het eerst bindend, nadat de Regeringen, wier com-
missarissen hadden tegengestemd, het besluit alsnog

bekrachtigden
6).

Bij de herziening van de Rijnvaarta1te.te Mannbeirn
in 1868,werd in een nieuw art. 46 het gezag dci’ Centrale
Commissie geregeld. Dit artikel luidt:
,,Les résolutions de la Commission Centrale seront prises

t
la pluralité absolue des voix, qui seront émises dans une

parfaite égilité; ces résolutions ne seront toutefois obliga-
toires qu’après avoir été approuvées par les Gouverne-

ments”.
Ook de juridis’che betekenis van dit artikel staat niet
geheel vast. Wel blijkt nergens van een uitdrukkelijke
bedoeling der verdragshuitende mogenciheden in 1868′
wijziging te brengen in het oorspronkelijke systeem, doch
van Eysinga vraagt zich niettemin af, of art. 46 van de
Akte van1868 niet juist de mogelijkheid van goedkeuring bij -i,’oorbaat dooi’ de regeringen wilde uitsluiten. Hierop
zou de enigszins afwijkende Duitse tekst van art. 46
kunnen wijzen, volgens welke de besluiten der Commissie

,,/ür die Uferstaaten erst dann
Verbindlichkeit erlangen,

wenn die Regierungen .clerselben dazu ihre Genehmigung

erteilt habeii”
7).

Deze opvatting wordt eveneens door de Ranitz onder-
schreven. Ook de praktijk der Rijnv’aartcommissie ging in
die richting; veel verschil met de onder de Akte van Mentz
gevolgde procedure schijnt hierdoor overigens niet te zijn

veroorzaakt
8).

liet verdrag van Versailles bracht een uitbreiding van de in de Rijnvaartcommissie vertegenwoordigde staten.
Bij die’ gelegenheid openbaarde zich een streven om het
gezag der Commissie uit te breiden, waartegen met name
van Nedei’landse zijde verzet rees. Een vérgelijk werd
getroffen hij het tweede aanvullingsprotocol van Pai’ijs
d.d. 29 Maart 1923, waarbij Nederland toeti’ad tot de be-

‘)
Rijnclocumenten T, 1)17.. 50 cv.; zie ook Hostie in Recucil
A .1)1. 1929 lii, 1)17.. 199 cv.
‘) \V.J. M. van Eysinga, La Commission Centrale pour la Navi-
gation du Rhin, 1935, 1)17.. 69170.
‘) .Rijnciocumenten II, hiz. 98; S. 1869, no 75; het Pruisisch
memorandum over de herziening van 9868 (idem hlz. 118) noemt
art. 46 niet onder de artikelen, die afwijken van cle Akte van ?,Eentz.
) 11. de Ranitz, de Rijnvaartakte, 1889, biz. 110.

palingen van het Verdrag van Versailles betreffende de

Rijnvaart. Dit protocol houdt in: ,,Les résolutions de la Commission Centrale pour la
Navigation du Rhin sont prises â’ la majorité des lroix.
Aucun Etat n’est tenu d’assurer l’exécutïon de celles

de ces résolutiöns auxquelles ii refuserait son approba-

tion”
9).

,Door dit protocol werd gebroken met de Mannheimer

praktijk, dat de besluiten der Rijnvaartcommissie eerst

van kracht worden na goedkeuring door alle oevei’staten;
van nu af aan zijn de besluiten van ki’acht voor elke be-trokken staat, zodra deze zijn goedkeuring er aan hecht.
De vraag, of het woord ,,refuserait” al dan niet op goed-.

keuring achteraf slaat, heeft hierbij echter tot’veel menings-

verschil aanleiding gegeven.
Tijdens de langdurige beraadslagingen-over de door art.

354 van het Verdrag van Versailles voorgeschreven her-

ziening der Rijnvaartakte, gaf o.a. van Eysinga als zijn
persoonlijke mening te kennen, dat een door de Commissie

genomen besluit bindende kracht heeft vor de staten,

wier commissarissen voorstemmen. 1-lij week daarbij af
van de officiële Nederlandse zienswijze, krachtens welke
niet bij de Commissie, .doch bij de regeringen in laatste instantie de beslissingsbevoegdheid la. 1-let uiteindelijk
tot stand gekomen ontwerp de zgn. Akte van Straats-
burg van 1936, welke evenwel nimmer in werking trad,
wijst in de richting van goedkeuring achteraf, doch geëft
noch door tekst noch door geschiedenis terzake volledig

uitsluitsel
50)

Uit het voorgaande zou ik de conclusie willen trekken,
dat de juridische positie van de Centrale Rijnvaaj’tcom-
missie nimmer volkomen is7 opgehelderd. Von Humboldt’s
oorspronkelijke opzet van een ,,véritahle autorité centralé”
moge dan afgewezen zijn, haai’ sporen heeft zij tot op de
huidige dag in het Rijnvaartregiem achtergelaten. Daar
door is de juiste rechtsbevoegdheid der Commissie nimmer
geheel duidelijk geworden en vinden zowel de opvatting van Telders, dat de Rijnvaartcommissie nooit iets anders
is geweest dan een diplomatieke conferentie van de Rijn-

oeverstaten, als de opvatting van van Eysinga, dat de
Centrale ,Commissie in wezen een orgaan is met zelfstandige
bevoegdheid, stQun in haar geschiedenis
11).

Intussen hebben zich in de praktijk zelden moeilijk-
heden voorgedaan, omdat de Rijnvaartcommissarissen,
alvorens hun stem uit te brengen, zich plëgen te verge-
wissën van het terzake door hun rêgeringen ingenomen

standpont.
Na de jongste oorlog werd het Rij rivaartregiem proviso-
rish hersteld. Ki’achténs notawisselingen in October en
November 1945 is de Rijnvaartcommissie ,,on an emergency
and interim hsis” herleefd, Jt being understood that the
resumption by thé Commission of its pre-war functions
would in no way prejudice the future determination of the permanent regime of the Rhine”
32).

,Bij d.e vaststelling van dit definitieve regiem rijst de
vraag, of voortgebouwd moet worden op de téndentie van
de ontwerp-âkte van Stra’atsburg, of-, dat de tijd thans meer
rijp is voor de verwezenlijking van een waarlijk supra-

nationale structuur.

Les actes du Rhin, 1947, blz. 13; S. 1923, no 456; zie in dit
verband de opmerking van de Britse Rijnvaartcommissaris, dat cie
Commissie ,,doit prendre des résolutions et non faire des recoin-
mandations” (Rijnvaartprotocollen 1922 T – 18, blz. 8).
‘°) Revisieprol’ocollen Akte van Mannhei m 1928 Ii – blz. 11,
132 1 – hlz. 0, 195 San Remo – hlz. 15, 34 en 176, 1936 – 1)17.. 139.
”) B. M. Te1ders Die Kampf um die neue Rheinschiftahrtsakte,
1934, Vera. Geschr. IV, blz. 7 ‘e.y.; van Eysinga, Proeve, t.a.p.
Behalve de tendenties t.a.v. de besluitvorming onder het regiem
van Mentz en het regiem van Versailles, zij in dit verband nog
gewezen
Op)
de onder het regiem van Mannheiin ontstane gewoonte
om plannen voor vaterhouwkundige werken betreffende cie Rijn
aan de Centrale Commissie ter goedkeuring voor te leggen. Deze
gewoonte werd voor de Frans-Duitse riviersector door de. art. 358
e.v. van het Verdrag van Versailles verplicht gesteld.
19
Les actes du Rhin blz. 26; inmiddels trad ook de \Vestduitse
Bondsrepubliek tot dit voorlopig regiem toe; zie Schaepman t.a.p.

72

– ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

24 Januari 1951

Veel zal hierbij afhangen van de verdere ontwikkeling
der Westeuropese integratie. Immers, het Rijnyaart-

probleem dient niet op zichzelf beschouwd te worden,
doch vormt een onverbrekelijk bestanddeel van het vraag-

stuk der ‘Westeuropese, samenwerking in zijn geheel. In
het kader van deze samenwerking zal de toekomstige
status der Rijnvaartcommissie moeten worden bepaald;

deze zal derhalve mede afhankelijk zijn van het karakter,

dat aan de Westeuropese organisatievorm wordt verleend.

Het is te hopen, dat daarbij een ondubbelzinnige
orfi-
schrijving tot stand zal komen van de mate van gebonden-

heid der regeringen aan de besluiten van de Rijnvaart-

commissie; alleen op die wijze zal hieromtrent rechts-
zekerheid kunnen worden verkregen.

Wassenaar.

Mr
I. G. SAUVEPLANNE.

De Europese economisçhe toenadering en de. fiscus

congres, Monte Carlo 1950, vervolg
1
)

Een tijdlang leek het, of het vanzelf sprak, dat de aan-

passing van alle belastingen, de directe niet uitgezonderd,
een onmisbare voorwaarde is voor het totstandbrengen

van datgene, wat men tegenwoordig ,,integratie” noemt,

èn voor figuren van verdere strekking zoals economische

unies. In de praktijk van de Benelux zijn echter ervaringen
opgedaan, waardoor deze opvatting in haar algemeenheid

en met name voor de directe belastingen is verlaten.

ivlag men daaruit nu een tegengestelde conclusie trekken
en zeggen: ,,laat die directe belastingen maar zoals ze’
zijn; we zullen wèl het nodigè doen met accijnzen en
omzetbelasting, etc.”? Had de I.F.A. de vraag aldus

geforrruleerd, dan zou er kans zijn geweest op vast om-

lijnde inleidingen en een debat op concrete punten. Het

mondeliige debat hebben we niet bijgewoond. De in-
leidingen
2)
liggen vooi’ ons en, overzien we deze in haar
geheel, dan beschouwen we het als een gevolg van te ruime

formulering (iie noöt 1), dat er veel zijpaden zijn betreden.

Dat is jammer voor het onderwerp, welks belang immers

uitgaat boven vragen van belastingtechniek en -recht
3).

Franse ziensP,Ize.

Het meest dwaalt Caillez af: want ook de zgn. parafiscale

heffingen als de kosten van sociale verzekering, crisis-
heffingen ed. vermeldt hij in extenso; het plan Schuman

verleidt hem tot een welsprekende peroratie. Zijn inleiding
van 38 blz. ligt de lezer daardoor wel zwaar op de maag.

De essentie van zijn-betoog is echtér duidelijk genoeg:
ge zoekt het, wat Frankrijk althans betreft, verkeerd;

niet de belastingen houden de toenadering tegen, maar
politieke, ethische, gevoels- en andere, factoren, van-
trouwen en concurrentiestrijd; in. belastingen ziet hij

slechts beletselen van secundaire aard, bijv. erkent hij
de bezwaren van de ingewikkeldheid van het Franse
stelsel van omzetbelastingen. De voorbeelden, die hij van

het laatste geeft, lijken overtuigend. Juist lijkt ook zijn
stelling, dat de nagenoeg strikte toepassing van het zgn.
territoriale stelsel in Frankrijk het gevaar van dubbele

belasting sterk inperkt; daardoor houdt de Franse fiscus
zijn handen af van in het buitenland gemaakte winsten.
Als voornaamste hinderpaal blijft de min of meer be-

1)
,,Cahiers de Droit Fiscal International” nr
15,
bevattende
inleidingen van Maurice Caillez, Mitchell
B.
Carroli en
A. J.
van
Soest over het onderwerp, waarvan de volledige titel luidt:„Tax
obstacics to European economie integration and proposals for
removing them” (geroneografeerde uitgave. Int. Bel. Doc. Bur.
Amsterdam
1950);
de resoluties en conclusies van dat congres zijn
opgenomen in ,,Documentation Service” nr
55, 15
October
1950
van datzelfde bureau.
‘) Behalve de in Cahier nr
15
opgenomene (zie noot
1)
zijn er
nota’s verschenen van Prof. Fernand Baudhuin en Dr
W.
H. van
den Berge, terwijl Mr
0. 0. J. M.
van Hoof zo welwillend was ons
een afdi’uk van zijn betoog tencongresse te verstrekken.
) Wij herinneren er aan, dat de Benelux-conferentie van Ostende
(J’uli 1950)
in aansluiting aan die van Den Haag (Maart
1949)
tot
een nader deskundigenonderzoek naar het verschil in belasting-
druk op cle
N.V.’s
heeft besloten.

ruchte Wet van 6 December 1872 over, die de in Frank-
rijk werkzame filialen van vreemde huizen in het keurs-

lijf der ,,impôt sur le revenu des valeurs mobilières”
knelt op een manier, welke aanstoot geeft en waartegen
alleen verdragsregelingen uitkomst kunnen bieden. Schr.

laat zijn ergernis over allerlei binnen- en buitenlandse

verwikkelingen van half politieke half economische aard
echter te zeer de vrije tesigel.

Amerikaanse wetisen.

Diameti-aal tegenovergesteld daaraan, gaat Mitchell

B. Carrell te werk. Zeer concreet gaat deze na,wat Ame-
rika doet om het vrije verkeer van kapitaal, technische
kennis en goederen van fiscale kiuisters te ontslaan en

wat het nog meer zou kunnen doen. In amper 5 blz. een

overzichtelijk betoog, dat culmineert in het postulaat,

door de ,,National Foreign Trade Council” gesteld, om de

winsten van filialen van Amerikaanse ondernemingen in
het buitenland van de Amerikaanse ,,income tax” vrij te
stellen of tegen verminderd tarief te belasten. Daarvan

erf van een lager tarief op dividendontvangsten van
buitenlandse dochterondernemingen, verwacht hij een
grotere bereidheid tot vestiging en kapitaalverstrekking
aan het buitenland. Hij verzuimt echter niet te laten uit-

komen, dat de Amerikaanse zakenman gaarne opereei’t
in landen met
lage
belastingtarieven, mits het moederland
het verschil maar niet met moederlandse belastingen op-

slokt! En de vraag rijst dus, of de Westeuropese landen
dan wel de meest geschikte landen zijn om van deze
stimulering van de ,,free flow of capital” profijt te trekken.
Steekt in de toepassing van zijn postulaat echter winst
voor de intereuropese toenadering, m.a.w. hebben wij
‘West-Europeanen er iets aan, als wij het Amerikaanse
recept onderling toepassen? Veel ‘landen ‘trekken thans
i’ee’ds hun handen af van de winsten, welke de ingezetenen
met hun nederzettingen elders maken, meestal onder de
voorwaarde – aldus Nederland -, dat ze ginder belast-
baar zijn. Nu, die voorwaarde is in onze contreien Aug
genoeg vervuld. Maar belast het moederland de dividenden
van buitenlandse dochtermaatschappijen niet nog eens,
nadat het buitenland de winst, waaruit zij spruiten,
heeft belast? Frankrijk is niet zo liberaal om dat na te
laten .(Caillez, blz. 9)Nederland wel, zij het dan onder de
,,mits” van een ,,aanmerkelijk belang”; België belast ze met een lager tarief, ni.
:I
van het normale. Daar is dus
inderdaad nog het een en ander te doen om de ,,free flow
of capital” tussen onze landen te bevorderen.

Benelux.

Dichter bij huis brengen ons Baudhuin, Van Soest,
V
tn den Berge en Van Hoof. Hun inleidingen dringen 9er tot de kern door en er komen beschouwingen en
mi

24 Januari 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

7$

wensen naar voren van meer algemene strekking.. FIoo

kan het ook anders? De Benelux-problemen liggen hun

na aan het hart. De kern? Bij Baudhuin lezen we een

stelling, die wij woordelijk laten volgen: ,,les discordances

graves que l’on voit actuellement dans les différentes

fiscalités sont plus apparentes que réelles. Elles pour-ront se résoudre par des mesures th’iiques pourvu qua

l’on s’obstienne de considérer comme un élément déter

minant la différence de niveau absolu. Elles ne sont pas
un obstacle majeur k l’unification de l’Europe”.
1-liermede komt hij wel in het schuitje van Caillez,
maar zijn betoog is, hoewel korter (5 blz.), heel wat

bezonkeer en breder van opzet. Toch zal het niet

bij ieder Aug ,,aanslaan”, omdat daarin een zeker ,,relati-,

visme” tot uitdrukking komt. Wie toch voor een
groot

denkbeeld als de Westeuropese Unie voelt, en een daaraan
eyenredige dadendrang bezit – en gelukkig zijn er de-

zulke – aanvaardt eerder de leiding van iemand, ‘die
zegt: er zijn
fiscale bezwaren, maar we kunnen en zullen
ze overwinnen, dan van iemand wiens wetenschappelijke

overtuiging eigenlijk hierop neerkomt: och, die fiscale

bezwaren, maak je daaröver nit druk, ze zijn niet belang

rijk en zo nodig zullen we ze wel technisch wegwerken.
Laat de deviezen- en douanegrenzen maar eerst ver-
dw’ijnen, zegt Baudhuin. Wat dan nog te doen overblijft

is niet veel meer dan het tegengaan van de fraude der
e.ffectenbezitters. Toegegeven, dat het laatste een doornige
• zaak is. Maar is de fraude in dé inkomstenbelasting op
andere inkomsten minder ernstig, als we naar een Europese
eenheid heen willen?

Zeker is Baudhuin niet optimistich wat betreft de
mogelijkheid om de directe belastingen van landbouw en

middenstand te nivelleren. Over handel en industrie
denkt hij, met Van Soest (zie hieronder), gemakkelijker.
1-let belang daarvan is ook groter, oiiidat deze takken
van bestaan veelal verplaatsbaar zijn. Wat de indirecte
belastingen betreft is het kennelijk dc Benelux-ervaring,
welke hem doet zeggen, dat een niet te groot verschil in

tarieven op zichzelf niet’ dodelijk is, maar dat hier vooral
zwaar moet wegen, dat en hoe er teruggave plaatsvindt

bij uitvoer. Ook Caillez heeft daarop gewezen.

Komen wij thans tot de inleidingen onzer landgenoten. Van den Berge heeft de zware taak van algemeen inleider
vervuld door het.stellen van een aantal ,,thèses de dis-
cussion”, welke getuigenis afleggen van de grote ervaring,
in de enelux-onderhandelingen opgedaan. Economische toenadering? Goed, zegt Van den Berge. Maar spïts.Uw
onderzoek eerst toe op elementaire en essentiële punten,
namelijk op economische, sociale en psychologische fac-toren. En de belastingfactor? Alvorens te spreken over het’
nut en de mogelijkheid van nivellering, dienen we de
excessen te verwijderen. Deze rangorde in de te volgen
werkmethode schijnt ons sterk te zijn beklemtoond. In die jijn ligt het, dat hij stelling neemt tegen excessieve
invoerrechten en methodes van zgn. indirecte (admini-
stratieve) bescherming. Evenals Baudhuin en Caillez
pleit hij voor eenvoud’ en zuiverheid in het systeem ‘an
teruggave van omzetbelasting en gelijksoortige heffingen
bij uitvoer.

Bij de directe belastingen? Eensdeels moeten de natio-
nale wetgevingen naar uniformiteit streven op het gebied,
waar de verschillen zo vaak tot ongelijkheid van druk
/ bij ogenschijnlijke gelijkheid van tarieven leiden, zoals
in de manier, waarop. een land de winst van vennoot-
schappen belast en, al dan niet afzonderlijk
;
haar uitde-

]ingen.

i’.’

Leggen wij zijn stellingen naast die van Van Soest,
dan bestaat ‘tussen hen op veel punten overeensterming.
De laatste bepleit vooral, het belang van landen met
transitobelangen hij een soepele regeling vande teruggave
van rechten bij wederuitvoer ‘uit het econbmisch samen-

werkende gebied. Wat betreft de omzetbelasting acht

Van Soest het volstrekt strijdig met eôonomische integratie,

dat deze belasting de goederen eerst in het’land van voort-

brenging en ten tweede male in dat van verbruik zou

treffen. Wat de administratie der Nederlandse omzet-

belasting bij uitvoer doet, acht hij onvoldoende, al moet als minimumeis voor het samenwerkend gebied gelden,

dat uitvoer uit dat gebied aanspraak geeft op teruggave

ten laste ‘van het land van voortbrenging of eerste invoer.

Gelijkmaking van Vennootschapsbelasting.

Aangaande de noodzaak van gelijkmaking van directe

• belastingen spreekt Van Soest zich veel positiever uit dan

‘Baudhuin,en Van den Berge; met name voor de Vennoot-
schapsbelasting acht hij nauwe aanpassing van de tarieven
in de samènwerkende landen onontbeerlijk.

Waar Van Soest echter er van uitgaat, dat zulks nodig

is om de belasting op de productie op gelijk niveau te

brengen als zijnde de winstbelasting één der factoren, die

de
kosten van voortbrenging
bepaalt, valt Van Hoof hem
daarop aan met de tegenwerping, dat zulke belastingen

alleen de
marktprjs van het product
beïnvloeden.
Waartoe hier dit economische twistpunt naar voren
gebracht, vraagt men zich af. Waar het o.i. om gaat is,

of hetgeen de consument (in ruime zin genomen) uiteinde-
lijk voor het product betaalt, in het ene land of in het
andere, wordt
beinvioed
door fiscale factoren. Zo ja, dan
is nivellering van die belastingen op den duur onvermijde-
lijk. In zoverre zullen Van Soest en Van Floof het wel
eens zijn. En aangezien bij alle verschil van inzicht in

economische vragenmen
ergens
een houvast zoekt, is

het logisch, dat men aan verschil van belastingdruk in
de aaneen te sluiten landen invloed toekent. Wie dat niet

doet, stelt zich aan het verwijt bloot in zekere zin, ,,op de
goede aflopp te speculeren”. Wie integratie wil,
moet

weerstanden wegnemen, dbr waar ze’ wetenschappelijk
gesproken
zijn,
maar ook daar waar ze in feite door de
mensen worden
gevoeld.

Ook van de Inkomstenbelasting?

Alhoewel Van l’Joof in zijn streven naal gelijkheid van
(:Oflcûrreflti&VoorWaarden in het gebied van aanpassing
voor Van Soest niet onderdoet, geeft dit verschil in
economisch uitgangspunt hein aanleiding een stap verder
te gaan, nl. ook de Inkomstenbelasting daarin te betrekken.
Een zeer interessante vergelijking tussen de belasting-
druk op een Nederlandse, Duitse en Engelse ondernemer

brengt hem tot de conclusie, dat de totale druk van
(
l
winst- en inkomstenbelasting kans loopt niet te verande-
ren, als men volstaat met aanpassing van de ene en de
andere er buiten laat. Een aardig punt voor economisten
en belangstellenden in vragen van belastingdruk om nader

te bestuderen.

Gaan Italië en Duitsland aanpassen?

De veelheid van stemmen uit het Benelux-kamp brengt
jammer genoeg iets’ onevenwichtigs in de schriftelijke
gedachtenwisseling. Wel zeer missen wij het oordeel van
Engelsen, Duitsers en Italianen, voor wie de Europese
integratie toch ook geen grauwe theorie meer ii.iag zijn.
Italië is met een grootscheepse hervorming van zijn
directe belastingen begonnen. Minister Vanoni doet een
heroïeke poging om uit het moeras der schijntoepassing
van hoge tarieven te komen op de wal van reële toepassing
van lagere. West-Duitslandstaat nog aan het begin van
dë opbouw van een nieuw belastingstelsel
4).
Is het hun

toeleg• om aan te passen? ‘Ziedaar een praktische vraag, waarop wij gaarne in Monte Carlo een antwoord hadden
gehoord.

4)
Zie: ,,]3elastingvr’aagstukken in Duitsland” door schr. dezcs
in ,,E.-S.B.’ van 9 Augustus 1950, no 1735, blz. 639.

74

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

24’Jaivari 1951

Samenvattende menen we, dat de I.F.A. nog geen afge-

rond werk heeft geleverd. Dat kon moeilijk, door de vraag-

stelling maar ook door het ontbreken van stemmen uit

de juist genoemde landen. Praktisch en wetenschappelijk

is hier echter voorarbeïd verricht, die eerbied afdwingt.
Die ook een hart onder de riem moge steken van degenen,
die ,,al die plannenmakerij” met een zekere vreesachtig-
heid bezien, die er,als tegen een berg tegenop zien om al

die trapjes te beklimmen, die naar de eenwording leiden.
Deze serie inleidingen van het I.F.A.-congres heeft o.i.

het bewijs geleverd, van wat ingewijden allang weten en
wellicht te weinig tot ruime kring doordringt, ni. dat er
,

– of het plannen geldt die wel of niet zijn uitgevoerd,

of zij met Marshall, Schuman of andeie beroemde namen

zijn verbonden

of niet, dan wel min of meer ,,onder de

korenmaat” zijn géhouden in werk als I.F.A., I.F.P.,

I.K.K.-congressen plegen te doen – een schat van erva-

ringen, een hersentraining en ook een zeker corpsverband

is opgedaan en gegroeid, waarvan de tastbare, publieke

resultaten nu eerst loskomen. Aan de staatslieden om

daarvan

te juister tijd de vruchten te plukken!

Rotterdam.

Mr W. R. EMMEN RIEDEL.

AANTEKENING

De Indonesische omzetbelasting

Elke fiscale maatregel in Indonesië draagt immer een

min of meer experimenteel karakter. Niet zozeer, dat het

begrip belasting aldaar vreemd zou zijn – integendeel,
vroeger dan Europawellicht heeft men er vele vormen van

belastingheffing gekend – doch vanwege de moeilijkheid,

aan de grote lagen der contribuabelen de begiiiselen en

de technische uitvoering der heffing duidelijk te maken.
De heffing op het inkomen gebaseerd op het beginsel

der draagkracht bijv. is in de loop van haar bestaan voor

de grote lagen van belastingbetalers geadmodieerd moeten
worden tot een heffing ,,naar uiterlijke kentekenen van
maatschappelijke welstand’!
Met ingang van 1 Januari van dit jaar is in Indonesië,

-nadat aanvankelijk daarvan werd afgezien, de omzet-
belasting ingevoerd. Daarmede deelt de Indonesische
Regering kennelijk de overtuiging, dat in tijden van hoge
prijzen en lonen, indirecte heffingen – in economische

zin – de voorkeur verdienen boven directe.
Administratiefrechtelijk is de omzetbelasting van Indo-
nesië opgezet als een kohierbelasting (artikel 31).
Hierdoor is onderscheiding – zoals ook het geval is

geweest met de regeling van de inkomstenbelasting 1932
– in ,,grote” aanslag en kleine” aanslag mogelijk. De
,,grote” aanslag van tot aangifte verplichten wordt vast-
gesteld door de inspecteur, terwijl de ,,kleine” aanslag van
tot lodanige aangifte niet in staat geachte belasting-
plichtigen wordt vastgesteld door de commissie van aan-
slag.
Als een derde categorie kent de omzetbelasting echter
nog de groep der aangewezen ondernemers, die verplicht
zijn zelf de belasting te berekenen en kwartaalsgewijs in ‘s Lands Kas te storten. De loonbelasting kent deze cate-
gorie reeds in de aangewezen werkgevers, die de taak van
de belastingadminstratie tot uitrekening en inning der
belasting zich zien opgedragen.
Blijkens de toelichting ligt het in de bedoeling om van de
bevoegdheid tot aanwijzing een ruim gebruikte doen maken. Zodoende zullen op grotere schaal dan tot dusver is geschied
de contribuabelen zelf de taak van de belastingadministratie
tot vaststelling en tot inning der belasting uitvoeren. Daarmede is een belangrijke stap gezet in de richting

van opvoeding van de contribuabelen tot zelfwerkzaam-

heid in de voibrenging van één hunner belangrijke burger-

plichten: de bijdrage in de kosten van de Staat waartoe
zij behoren.

Van de verschillende systemen in de heffing van omzet-

belasting heeft Indonesië het zogenaamde cascadestelsel.

gekozen. De circulatie van goederen en diensten wordt

derhalve op alle schakels getroffen. In hoeverre hierdoor de

totale druk der heffing op de consument zal’worden af-

gewenteld is nog niët geheel te overzien. Veel zal immers
afhangen vari de economische ontwikkeling-van het land

en van daarbij optredende factoren, welke de prijsvorming
beïi%vloeden.

Theoretisch en op grote afstand beschouwd’ schept het

cascadestelsel het gevaar van discriminatie tussen de
grote ondernemer en de kleine detaillist en daarmede

tusen de bewoners der grote steden en die van afgelegen

plaatsen, die op de kleine detaillist zijn aangewezen.

De grote toko-houder (middelgroot warenhuis), die

rechtstreeks zijn goederen .van de importeur of fabrikant

betrekt of misschien zelf importeert, wordt immers in
zijn prijspolitiek minder belemmerd dan de kleinedetaillist,
die met minstens 3, 4, 5 of 6
x
2
1
/
2
pCt omzetbelasting
rekening moet houden. –

Floewel in beginsel de (definitieve) aanslag na afloop van het kalenderjaar wordt opgelegd, kan dadelijk bij de aanvang van het jaar een voorlopige aanslag worden op-
gelegd, welke uiteraard later met de definitieve wordt
verrekend. De fiscus zal dus al onmiddellijk op het binnen-
vloeien van de gelden kunnen rekenen.
– Afgezien van de kwestie van redelijke verdeling van de
belastingdruk zal op die wijze dus spoedig een belangrijk

deel van het geld aan de circulatïe kunnen worden ont-

trokken. De heffing kan mitsdien bijdragen tot het verder
gezond raken van de financiële toestand van Indonesië.
Niettemin dient n.h.v. te worden toegezien, dat daarmede

de ontplooiing van de pas herbouwde en in opbouw zijnde
industrie niet te veel wordt belemmerd.

De kwestie van behoorlijke uitvoering der voorschriften
is eveneens een niet te verwaarlozen factor. Want voor de
geest van de gemiddelde belastingbetaler is niets zo fnui-
kend als de wetenschap, dat het met de uitvoering dei
voorschriften slechts mâtig.is gesteld. Dan ontstaat het

gevaar van ontduiking, dat als een sneeuwbal werkt.

Er is een probaat en . practisch nietskostend middel,
dat dit gevaar zo niet keren doch in ieder geval kan
signaleren.

Een frequente en zoveel mogelijk gedetailleerde publi-
catie der opbrengsten
zal
Regering en geregeerden periodiek
het inzicht kunnen verschaffen in de mate der uitvoering

en tevens in de gevolgen daarvan voor het economisch
leven van het land.

In het verleden heeft de publicatie van de opbrengsten
van het handelszegel aanleiding gegeven tot het opsporen
van de oorzaken der mindere opbrengst in een zeker tijd-
vak en aldus tot ontdekking van malversaties op grote
schaal. (In het Maandblad van de Vereniging van In-
specteurs van Financiën, nu Maandblad van Financiën,
plachten de maandopbrengsten te zijn afgedrukt).

Deze les der geschiedenis is stellig waard om te worden
inachtgenomen. Ook de gevolgen ten aanzien van de prijs-

vorming kunnen door een dergelijke publicatie voort-
durend onder ogen worden gezien. De wet op de omzet-
belasting (van Indonesië) gaat immers uit van de gedachte,
dat de eerste levensbehoeften vrijgesteld worden. Op die
grond hebben de dagbladuitgevers een verzoek ingediend
tot vrijstelling, dat met succes is bekroond. Doch dan
zullen studieboeken, of zelfs boeken in het algemeen,

24 Januari 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

75

evenals het onderwijs van belasting dienen te worden vrij-

gesteld, vooral in dit stadium, waar de geestelijke ontwikke-

ling sinds de tweede wereldoorlog nog steeds niet tot volle

ontplooiing is kunnen komen.
Uit de prijsbeweging van de belaste en de vrijgestelde

goederen, evenals uit het verloop der omzetten kan heel

wat lering worden getrokken.

De vrijstelling in geval de jaaromzet f10.000 nietover-

treft brengt een kleine differentiatie der heffing,
in
de

lagere omzetten hoven dat cijfer, doch schakelt —gezien
het huidig prijspeil in Indonesië – niet zoveel kleine

neringdoenden uit als het geval zou zijn geweest véér

de tweede wereldoorlog. 1-let is belangw’ekkend na te gaan
boe groot het aantal kleine ondernemers zal zijn, dat on-

danks het minimum nôg ônder de heffing valt.

In die vrijstelling ligt
theoretisch
een kans voor de aller-

kleinste ondernemer, om althans éénmaal 2
1
/
2
pCt te ont-

gaan. Doch wat kan nu voor winst worden behaald in een

zaakje, waarin de omzet slechts f 30 per dag bedraagt?

Een middelmatige kapperszaak behoeft slechts op een
gemiddeld aantal van 20 klanten per dag te rekenen om
in de heffing te vallen (20x 300xf 2 = f12.000), terwijl een dergelijke zaak voor de oorlog slechts ten hoogste

f1.500 bruto kon opbrengen. In de kleermakerij is een
dergelijk verschil in prijspeil eveneens waar te nemen.

1-let reeds uit de regeling der inkomstenbelasting be-
kende stelsel van bedrijfsvergunningen, uitgegeven door

de aanslagregelende autoriteiten, ondervangt de moeilijk-
heden van aanslag en invordering van dergelijke zaakjes,

waarvan het aantal dver heel Indonesië op honderdduizen-‘
den kan worden geraamd.

Behalve degenen, die zijn aangewezen zelf de belasting
te berekenen en te storten, mag niemand een (vrij) beroep
of eei bedrijf uitoefenen zonder bedrijfsvergunning. Op

die wijze kan niet alleen de aanslag doch ook de voldoening
der belasting voortdurend worden geverifieerd. Een bedrijfs-
vergunning wordt geweigerd in geval van wanbetaling.
Indien het mogelijk zal blijken de voorschriften naar de
geest en naar de letter op’redelijke wijze uit te voerep, en
hiervan op gezette tijden statistische gegevens centraal
te verzamelen, dan zal men als het ware de polsslag van
het sociale, en economische leven in Indonesië aan de hand
van de opbrengsten der omzetbelasting 1unnen voelen.
Met de verkregen gegevens kan men voorts de grofid-
slagen van de heffingen naar inkomen en naar winst
beter beoordelen dan tot dusver; eerder heeft de fiscus
in de loonlijsten een aanwijzing kunnen vinden van de
omvang van vele bedrijfjes, welke geen of geen volledige
,boeken er op na houden.

Op de ovreenkornst tot overdracht van door het ge-
codificeerde beheerste onroerende goederen en teboek-
gestelde schepen ‘wordt reeds – sinds de V.O.C. – een
overschrijvingsrecht geheven van 5 pCt (van de.verkoop-
waarde), zodat het vanzelf spreekt, dat deze’ goederen
niet in de heffing zijn betrokken.
1-let ruilverkeer in door het ongeschreven privaatrecht beheerste gronden is zeer beperkt en speelt zich voor een
belangrijk deel af in de dorpsgemeenschappen, zodat
blijkbaar op practische overwegingen die gronden eveneens
buiten de heffing zijn gelaten.

Al met al is de invoering van de omzetbelasting in In-
donesië een maatregel, welke in meer dan één opzicht ver-
dient met aandacht te worden gevolgd.

Jutphaas.

SLAMET

INTERNATIONALE NOTITIES

De Verenigde Staten:

de grootste importeur in 0950

• In de loop van 1950 vond, aldus ,The Economist”

van 13 dezer, een grote verandering in de w’ereldhandel

plaats. Voor de eerste maal in dé geschiedenis hebben de

Verenigde Staten nI. Engeland van zijn plaats als grootste
importeur ter ‘wereld verdrongen. Sedert October 1949
is de invoer van de Verenigde Staten groter dan die van

Engeland. Slechts de maand April 1950 vormt hierop

een uitzondering, hoewel het waarschijnlijk is, dat ook

in deze maand de Amerikaanse invoer groter was, aan-
gezien deze laatste op f.o.b.-basis en die van Engeland op

c.i.f:-basis wordt gegeven.

Zoals onderstaande tabel doet zien, was de Amerikaanse
invoer in het derde kwartaal – het laatste kwartaal

waaromtrent gegevens beschikbaar zijn – buitengewoon

hoog en er is, aldus genoemd blad, reden om aan te nemen,
dat deze zich gedurende de laatste drie maanden op –
ongeveer hetzelfde peil heeft gehandhaafd. Vermoedelijk

beliep de totale Amerikaanse invoer over 1950 iets meer

dan $ 8,5 mrd, tegen $ 6,6 mrd in.1949 en $ 7,1 mrd in
1948. De uitvoer zal wel niet veel hoger zijn dan $ 10 mrd,

tegen resp. $ 12 mrd en $ 12,7 mrd in 1949 en 1948.

Ontwikkeling van de Amerikaânse en de Engelse in- en
uitpoer.

(in mln dollars)

Verenigde Staten
Groot-Brittannië

Invoer
Uitvoer
Invoer
Uitvoer
4950 Januari
613
743 563 509
Februari
6130
77
509
451
Maart
664
864
620.
535

le kwartaal
1.887

2.377.
1.692
1.495
April
583 806
592
436
Mei
659 828
640
528
Juni
685 876 668
510

le kwartaal
4.927
2.510
1.900 1.474
Juli
709
774
631
518
Augustus
819
761
603
554
September
858
910
543
506

3e kwartaal
2.386
2.445
1.777
1.585

1950 Jan./Sepi
6.200
7.332
5.369 4.554
4949 totaal
6.622
12.042
8.375 6.829
4948 totaal
7.124 12.653 8.415
6.635

Schroottekort in West-Duitsland

Het ziet er naar uit, zegt de ,,Neue Zürcher Zeitung”
van 18 dezer, dat de Westduitse ijzer- en staalindustrie,
die gedurende de’ laatste tijd ten gevolge van kolen- en
cokestekort toch al genoodzaakt was de productie te be-perken, in de loop van dit jaar met een nieuwe moeilijk-

heid, nl. met schrootschaarste, te kampen zal krijgen.
In de eerste jaren na de oorlog was er én door d.e geringe
ijzer- en staalproductieén door de grote voorraden oorlogs-
schroot, sprake van een schrootoverschot, waardoor de
bedrijven en handelaren in staat waren aanzienlijke
voorraden aan, te leggôn. Medio 1950 begonnen evenwel
wijzigingen in deze situatie in te treden. Het oorlogsschroot
geraakte langzamerhand uitgeput en de schrootbehoefte
nam met de toenemende ijzer- en staalproductie toe.
In Juli jI. werd aan de binnenlandse verbruikers in totaal 389.000 ton geleverd en aan het buitenland 306.000 ton.
Deze, voor de binnenlandse verbruikers zeer bedenkelijke,

verhouding noopte tot een vergunningenstelsel voor de

76

ECONOMISCH-STA TISTISCHE- BERICHTEN

24, Januari; 1951

schrootuitvoer, hetgeen ten gevolge had, dat de uitvoer
in Augustus, Novembei en December tot resp. 177000,
94.000 en 85.000 daalde.

Deze uitvoerbeperking was evenwel niet voldoende

om de binnenlandse behoefte te hevredigen én ultimo

December had de schroothandel een leveringsachterstand

a’an staalbedrijven en gieterijen van niet minder dan

85.000 ton, waardoor de verbruikers gedwongen waren
hun voorraden aan te spreken. De vorraden van de

hoogoven- en staalbedrijven liepen van September tot

eind December terug van 700.000 tot ca 500.000 ton.

De binnenlandse behoefte bedroeg in November jl. 847.000

ton, terwijl de handel slechts 346.000 ton kon leverer.

‘De veranderde situatie op de Westcluitse schrootmarkt

heeft kortgeleden geleid tot de oprichting van een zgn.

,,Schrottauftragstelle”, die op .grond van de opgave der

behoefte doôr de verbruikers en de voorraadopgaven der

handelaren voor een min of meer geregelde verdeling
moet zorgen. Indien de ijzer- en staalindustrie hetzelfde
gemiddelde productieniveau als in 1950 wil handhaven,
dan staan haar vermoedelijk nog ernstige moeilijkheden
te wachten, temeer, daar de schroothandel nog ettelijke

verplichtingen jegens het buitenland moet nakomen.

Zo moet tot einde Juni 1951 alleen aan Engeland reeds
ca 300.000 ton wordei geleverd, terwijl ook de Verenigde
Staten nog aanzienlijke hoeveelheden moeten ontvangen.

Dit, terwijl deskundigen van mening zijn, dat een uitvoer
van meer dan 50.000 ton per maand al niet meer te ver-

antwoorden is, en dat van midden 1951 af een volledige
stopzetting van de schrootuitvoer zou moeten worden

overwogen.
Deze laatste uitsprdak is niet zô verrassend, zegt ge-

noemd bld, wanneer men bedenkt, dat Duitsland vôôr
de oorlog niet voldoende schroot uit eigen bron kon op-
brengen, maar voortdurend grote hoeveelheden, vooral

uit cle Verenigde Staten, moest invoeren. Momenteel is

zeer zeker geen enkel land bereid en in staat schroot af
te staan, iodat de landen, die vroeger schi’oot invoerden,
genoopt zijn met de eigen ,,productie” zeer zuinig om te

springen.

GELD- EN KAPITAALMARKT

De geldinarkt.

De geldmarkt bleef gedurende de verslagweek onver-
anderd ruim. De onttrekkingen aan de banken door het
kopen van deviezen’bij de Centrale Bank ten behoeve van
hun cliënten zijn de laatste weken niet meer zo groot als enige maanden geleden het geval was. De terugvloeiing
van bankbiljetten uit het vèrkeer naar de banken – een
vooi het midden van de maand gebruikelijk verschijnsel –
versterkte anderzijds de middelen der laatsten. Naast het
kopen van éénjaars schatkistpromessen (disconto 11 pCt)
en drie-, resp. vijfjaars schatkistbiljetten . (rente 2 resp.

2
:
pCt) bij de Agent van het Ministerie vaii Financiën,

trachtten de banken die termijnen schatkistpapier, die
in hun portefeuilles slecht vertegenwoordigd zijn, door
aankoop op de markt enigszins op te vullen. Daar echter
vrijwel geen enkele instelling in de noodzaak verkeerde om
papier af te stoten, resulteerden hieruit voornamelijk min
of meer nominale biedprijzen. Deze vertoonden overigens
de voor ruime markten karakteristieke staffeling, nI.

Januari/Februari 1 pCt, Maart
13/1,
pCt, April
11/4
pCt,

Mei/Juni
13/8
pCt, Augustus pCt, November/December

pCt (alles bieden).
Callgeld noteerdb de gehele week het minimum van

3/4 pCt.

.

D’e kapitaalmarkt.

Wantrouwen in de gulden blijft de voornaamste factor,
welke het koersbeloop op de aandelen- en obligatiemarkt

momenteel beheerst. Gedurende de verslagweek kwam dit,
zoals uit de onderstaande tabel blijkt, tot uiting in een

stijging van de verschillende adndelenïndices en een daling
van de koersen der in guldens luidende staatsobligaties,

terwijl het agio van Amerikaanse certificaten eveneens
een stijging onderging en wel tot ca 7 pCt.

Gunstige berichten uit het bedrijfsleven vormden hierbij,
wat de aandelenmërkt betreft, een aanleiding, althans

een stimulans. Uit tal van berichten blijkt nu reeds, dat

1950 een gunstig jaar is geweest voor de meeste onder-

nemingen. De Meelfabieken der Nederlandsche Bakkerij

en de Rotterdamsch Bank annonceerden in de verslag-

week reeds hun dividend over 1950 (resp.,8 en 9 pCt),

dat in beide gevallen t.o.v. 1949 onveranderd was. Aandeel-

houd ers profiteerden derhalve hier niet van de winststijging,

en in koopkracht gemeten waren deze dividenden dus
lager

dan het vorig jaar. Bij de huidige inflatiestemming vallen

dergelijke onaangename waarheden echter weinig op.

De afkondiging van een reds eerder aangekondigde

verruiming van de winsttransfer uit Indonesië naar Neder-land, een als matig beschouwde redevoering van President

Sukarno over Nieuw Guinea en dividend geru chten over
enige cultuurmaatchappijen bewerkten tezamen een
relatief grote koersstijging van Indonesische foiiçlsen.

Het valt op, dat, terwijl do Nederlandse guldens-staats-

leningen de laatste tijd voortdurend in kpers dalen, de in

dollars en Zwitserse francs luidende leningen juist stijgen.
Dit wijst er op, dat hierbij niet zo zeer de vrees voor rente-

stijging, dan wel voor de gulden in het geding is.

12 Jan.

19 Jan.
1951
1951
Aand.
indexeijfcrs
Algemeen

………………
156,7
160,2
Industrie

………………..
222,5
224,7
Scheepvaart

…………….
179,3
183,7
Banken

………………….
129,7
131,2
Indon.

aand .

……………..
52,9 56,0

Aandelen

A.K.0.

………………..
170
174.
Philips

…………………..
239
244e
Unilever

………………..
232}
235k
H.A.L.

………………….
189..
1941

Amsterdam Rubber ………..
124k
127
H.V.A.

………………….
111
117.-
Kon.

Petroleum

…………
313,
321

Staatsobligaties

2*

pCt

N.W.S.

……………
.78’/ 16
787
4

3.-..3f

pCt

1947

…………..
9611/16
957/8

3

pCt

Invest.

certif.

……..
96/j6
9
6
1
/8
3

pCt

Dollarlening

………..
95
1
/4
7
I16
JC.B.

GRAFIEKEN

Prijsindexcijfers
5)
van liet gezinsverbruik in Necleoland
1938/39

100.

351

Woninginrichting en huisraad

301

Voedingsmiddelen

200
Totaal

,50

(01
1947

1948

1949

1950

S)
Volgens huishouclrekeningen
1935/’36,
gezinnen met
inkomens in
1935/’36
beneden
81.800
per jaar.
Bron: C.B.S.

4,
Januari 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

77

STATISTIEKEN

DE NEDERLANDSOHE BANK.

Verkorte balans op 22 Januari 1051

Activa.
Wissels,

pro-Ischappen

Hoofdbank f
messen en

Bijbank
schulcibrieven

Agent-
in disconto

,,

5.000,-
5.000,—’)
Wissels, schatkistpapier en schuldbrieven, door
de Bank gelocht (art.
15,
onder 4, van de
Bankwet 1948)
Schatkistpapier, door de Bank overgenomen
van de Staat der Nederlanden ingevolge over-
eenkomst’van 26 Februari 1947 ………… 1.500.000.000.-
Voorschotten
I
Hoofdbank

56.633.028,06′)
in rek. crt
op onderpand . Bijbank

,,

568.949,93
(mcl. belenin-
gen)

.’

Agentsch.

,, 16.825.942,57

T

4.UZ/.UZU,b

Op

effecten

Cfl7
.
………t

71.914.206,40)
Op goederen en celen

2.113.714,16
74.027.920,56′)
Voorschotten aan het Rijk (art. 20 van de
Bankwet 1948)
Boekvordering

op

de Staat der Nederlanden
ingevolge overeenkomst van 26 Febr. 1947
,,
1.500.000.000,-
Munt en muntmateriaal:
Gouden munt en gouden
muntmateriaal

……

f 1.174.725.758,95
Zilveren munt enz…….17.983.747,84
1.192.709.506,79
Vorderingen en geldswaardige papieren luiden-
de

in

buitenlandse

geidsoorten

…………
904.689.034,28
Buitenlandse betaalmiddelen ……………….
2.952.063,17
Vorderingen in guldens voortvloeiende uit be-
talingsaccoorden

……………………..
277.621.010,95
Belegging van kapitaal, reserves, pensioenfonds
en

voorzieningsfonds

………………….
133.521.097,84
Gebouwen en Inventaris ………………..
..
1.500.000,-
Diverse rekeningen

……………………..
225.859.049,85

1 .51Z.4.b5,44

Passiva.
Kapitaal

…………………………..
t

20.000.000,-
Reservefonds

…………………………
18.418.854,74
Bijzondere

reserves

…………………….
69.951.000,39
Pensioenfonds

………………………….
24.344.824,26
Voorzieningsfonds personeel In tijdelijke dienst
,,

1.502.725,68
Bankbiljetten in omloop (oude uitgiften)
56.160.620,-
Bankbiljetten In omloop (nieuwe uitgiften)

..,,
2.790.507.250,—
Bankassignatles

in

omloop

……………….
127.930,71
Rekening courant saldo’s:

‘s Rijks Schatkist

. .
.
.

t

185.780.041,77
‘s Rijks Schatkist, bij-
zondere rekening

……1.347.624.081,49
Saldo’s vn banken

in
Nederland …………

.47.536.550,87
Saldo’s

voortvloeiende
uit betalingsaccoorden
,,

316.262.789,98
Andere saldo’s van niet-
Ingezetenen

. .
.

102.672.345,46
Andere saldo’s ………..237.093.072,50

2.236.968.882,07
Saldo’s luidende In buitenlandse geldsoorten
.’.
,,

321.501.136,37
Diverse rekeningen

……………………
..273.401.459,22

1 J.Oi .ÔO4.00,4′
Totaal aan Nederlands schatkïstp’apier, waarin
guldenssaldo’s voortvloeiende uit betalings-
accoorden zijn belegd …………………t 98.000.000,-

1
) Waarvan schatkistpapier, rechtstreeks door
de Bank in disconto genomen …………t
‘) Waarvan aan Indonçsit (Wet van 15 Maart
1933, Staatsblad no 99) ………………31.623.900,-
Circulatie der door de Bank namens de Staat
in het verkeer gebrachte muntbiljetten’.

134.208.868,-

NATIONALE BANK VAN ZWITSERLAND.

(Voornaamste posten in milliër1eh francs).

Data
.2
E
0

01

Dec.

1946
23 Dec. 1950 30 Dec. 1950
6 Jan. 1951

4.949,9
5.977,2
5.975,8
5.975,8

158,0 246,3
256,4 275,9

238,7 172,0
286,2
228,1

52,7 41,3 40,9 40,9

4.090,7 4.602,6
4.663,8
4.503,4

1.163,7
1.668,9
1.773,1
1.848,5

DE JAVASCHE BANK.

(Voornaamste posten in duizenden guldens).

‘nee
‘0


0•’
0
0)
Data
00

0)

0)
O’o
10

bfl..
000)

0E

‘Qø,
o

,n
u
0. 00’ne
Q50)
0
0)0)

31

Mrt

’47 477.080
3

85.402
255.201
27 Dec.

1
50
750.657
1
390.934 184.152
2.602.253
3

Jan.

’51
790.657
L
1675_7
8
390.901
184.237
2724.888
10

Jan.

’51
‘t
790.670
6
393.385 192.670
2.784.169

0
o.
0
Rekening courant
saldi

Data
E
W
ee
0)jt0
’00.”

E
cdg
‘5

31 Mrt

’47
453.816

— —
503.718
27 Dec.

’50 2.356.089
287.008


4.141.549
3

Jan.

’51
2.402.032
289.410


1,216,306
10

Jan.

’51
2.389.226 337.730


1.227.100

Muntbiljettencirculatie per 31 Mrt 1947 t 646.830.979.
Muntbiljettenclrculatle per 27 Dec. 1950 t 414.780.348,50.
Muntbiljettencirculatie per 3 Jan. 1951 t 415.941.544.50.
Muntblljettencirculatie per 10 Jan. 1951 f420.533.607.

STAND VAN ‘s RIJKS KAS.

Vorderingen
6 Jan. 1950
30 Dec. 1950

Saldo van ‘sRijks Schatkist hij
t

195.363.774,61
t

218.145.779,91
Saldo van ‘s Rijks Schatkist bij
de Bank voor Nederland-
sche Gemeenten

……..
28.017.065,08 ,,

11.493.335,43

De Nederi.

Bank

……….

Kasvorderingen

wegens

cre-
dietverstrekking

aan

het
buitenland

…………..

….



Daggeldleningtegenonderpand

……..

Saldo der postrekeningen van
Rijkscomptabelen

………
321.949.036,58
,, 292.469.057,58
Voorschotten

op

uit.

No-
vember

1950

aan de ge-
meenten wegens aan haar uit
te keren belastingen
.

Vordering in rek, courant op:
V.S.

Indonesië

……….
53.455.0112,15
,;

53.455.002,15
Suriname

…………..
…10.157.758,51
,

10.157.758,51
Ned. Antillen


Het Algemeen Burgerlijk Pen-


Het staatsbedrijf der
sioenfonds

…….. …….

enT.

…. . …………..

—.
Asïdere staatsbedrijven en In-
stellingen

……………
523.068.466,35
523.138.258,18

Verpl
,
lchtlngen

Voorschot door De Nederland-
sche Bank verstrekt


Voorschot, door De Nederland-
sche Bank In rekening con-
rant verstrekt


Schuld aan de Bank voor Na-
derlandsche Gemeenten

Schatkisthiljetten In omloop
.
fl952.667.600,—
fl983.567.600,-
Schatkistpromessen bij De Ne-
den. Bank ingevolge over-
eenkomst van 26 Febr. 1947
,,1650.000.000,—
,,1650.000.000,–
Schatkistpromessen in omloop
(rechtstreeks bij De Nedeni.
Bank

is

geplaatst

nihil)
t 4.596,7 mln wo. garantiç
Bretton Woods fl.245 mln.,,
3351.700.000,—
.3371.700.000,-
Daggeldieningen


136.649.899,50 ,,

137.305.854,50
Schuld op uit. November 1950
aan de gemeenten wegens
aan haar uit te keren belastin-
gen

………………..
180.233.340,52
,
180.233.340,52
Schuld in rek, courant aan:
V.S..Indonesië



Muntbiljetten in omloop ……..

3.797.906,69
3.727.937,67
Het Algemeen Burgerlijk Pen-

….

18.890.961,—
6.828.094,09

Suriname

…………………..

Hèt

staatbedrijf

der

P.,

T.

Ned.

Antillen

…………….

en

T.

………………
361.469.793,33
317.010.645,70

sioenfonds

……………….

Andere staatsbedrijven
Schuld aan diverse instellingen

…..

in

rekening

met

‘s
Rijks
Schatkist

……………..
1095.605.778,82
,,1
091.883.062,21

1

78

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

24 Januari 1951

OVERZICHT VAN DE OPBRENGST DER RIJKSMIDDELEN

STAAT 1

Ontvangsten op niet-kohiorbelastlngon. KalenderJaar 1900.

y fl’mln


enaming ermi

een
Jan.
1950
Febr.
1950
Mrt
1950
Apr.
1950
Mei
1950
Juni
1950
Juli
1950
Aug:
1950
Sept.
1950

oct.
1950
Nov.
1950

Totaal

t/mult.
Nov.
1950

Raming
jaar
1950

Loonbelasting
70,1
65,2
24,2
71,4
66,6
16,4
82,7
66,3
21,9
88,2
69,8
642,8
560,0
Dividendbelasting
1,6 5,6
2,3 2,0
3,1 4,1
15,6
6,9
1,7
2,2 2,0
47,2 45,0
Commissarissenbel.

.
0,7 0,6

0,2
.

0,8
0,3
0,2
1,4 1,0
0,2 0,7 0,5 6,6 6,5
Vereveningsheffing

.
24,2
24,6′
8,7
25,5 22,9
6,2
26,7 24,9
7,2
30,1
266
227,6
210,0
Rechten op de Invoer.
28,4 26,9 34,7
30,5
41,4 42,4
47,6
38,1 39,1
39,4 39,5
408,1
300,0
Statistiekrecht
0,7
‘0,8
1,2
0,9 1,0
1,1
1,0 1,4
1,2

4,0

0,3 8,0 7,0
Bijzond. Wijnbelasting

. –

– –




– –

0,0
Accijns op zout
0,3
0,2
0,2
0,4
0,2
0,1
0,2
0,2
0,1
0,3
0,2
2,5
7,0
Accijns op gedistilleerd
7,5 6,7
8,3
7,2
7,5
8,1
8,6 7,8
8,1
8,0 8,4
86,0 90,0
Accijns op bier
1,1
1,2
1,2
1,4
1,3

2,3 2,0
.

1,9 1,9
1,4
1,3
17,1
16,0
Accijns op suiker

. . .
8,4
8,2
.8,1
6,8 7,7
7,8
8,0
6,6
7,6 9,4 6,8
85,5 80,0
Accijns op tabak

. . .
24,1
19,2
24,4
15,1
19,5
20,8
20,2
25,5
29,1
26,9
19,0
243,9 190,0
Belast, op gouden en
zilveren Werken

.
0,1
0,1 0,1
0,1,
0,1 0,1 0,1 0,1
0,1 0,1
0,1
0,8 0,7 86,1
.96,2
60,5
,

86,1
88,8
50,4
90,1
88,0
46,6
108,3
103,9
905,0
800,0
Rechten van zegel
*),
1,3 1,6 1,7
1,6 1,5 1,9
1,8
‘2,3
.

2,1
,

2,1
1,8
19,6
18,0
Omzetbelasting …….

Rechten van registratie
4,6
2,7
3,3
2,7 3,2
3,3
2,7
3,0
2,6
3,7 3,4
35,4
35,0
Rechten van successie,
enz..

………….
.5,9
4,8
6h
5,9 5,3 6,3 5,5 7,6
‘5,6
6,9
7,5
67,5
65,0
Motorrijtuigen
belasting
2,8
2,9 3,0 8,6 5,6 3,7 3,7
3,3
3,2
3,9
3,1
43,7
.40,0
Totalen
267,8′
267,6
188,4
267,0 276,0
175,2 317,6
2850
178,3 330,5
293,8
2.847,2
2.470,2

‘)
Hieronder begrepen

zegelrecht

nota’s

van
makelaars en commis-
sionnaiis in effecten
. .
0,4 0,3 0,3
0,3
0,3 0,3
0,2
0,3
0,4
0,3 0,3
3,4

STAAT II.

Ontvangsten op kohierbelastingon.

y f4
mln

Totaal
/
1Jan.
Benamingdermiddeln
Jan.
Febr.
Mrt

Apr.
Mei
Juni
Juli
Aug.
Sept:
Oct.
Nov.
1950
.
1950
1950 1950

1950 1950
1950 1950
1950 1950 1950
1950
t/mult.
Nov.
1950

Inkomstenbelasting
42
1
2
43,8
62,5
65,8

82,7 87,0
81,6

84,4 84,0
79,2
90,7
803,8
Vermogensbelasting
3,1
3,3 5,3
3,9
6,0
8,4
8,0
8,3
8,2
7,0 2,6
64,1
Vennootschapsbelasting

.
44,9
51,4
.

60,1
25,4
22,0
17,8
8,6
19,3 47,6
34,1 78,1
409,3
Grondbelasting
1)
7,8 3,8
1,9
1,2 2,0
5,5
8,1
10,9
13,2
13,0
1.2,1
79,5
Personele

belasting
1)

……
5,6
6,5
7,8
6,2
7,3 7,3 4,8
3,2
2,1
1,7 2,4
54,8
Ondernemingsbelasting i)
14,0
47,4
.

26,7
18,5
.

29,7
34,3
29,8
31,7
28,0
24,3
14,2 268,6
Totaal …………….
..TT
’17
Tij

TTo

149,6

’13
140,9
1

157,8
’12
1

150
200,2
1
1 CQÛ (1

1)
mcl. gemeentelijke en provinciale opcenten, resp. vermenigvuldigingsfactor.

STAAT III.

.

Ontvangsten op buitencewone middeleis. KalenderJaar
1950-

v f1 ,l,,

Totaal
Benamingdermiddelen
Jan.
,Febr.
Mrt Apr.
Mei
Juni
Juli
Aug.
Sept.
Oct.
Nov.
Raming
1950
1950 1950
1950
1950
1950 1950 1950 1950
1950 1950
1/mult.
jaar
Nov.
1950
1950

Vermogensaanwasbel.
.7,3
6,8
5,8
.

5,1
4,6.
4,2
3,8 .2,3
3,7
16;1
2,3
62,0 150,0
Vermogensheff. ineens
3,9
3,5 3,4
2,2
2,3
2,9 2,5
2,1
1,7
.

3,8
1,4
29,8
.

50,0
Betaald
als
volgt
1):
uit ,zekerheidstellingen
0,3
‘0,4
0,0
1,0 0,0 0,0
0,0 0,0 0,0 0,0
0,0
1,7
uit geblokkeerd geld en inschrijvingen Groot-

boek 1946

……..
9,7
13,3
4,0,
2,0
1,0 3,0 1,0
1,0

2,0
14,0
0,0
51,0
..
uit

overige

geconsoli-

deerde staatsschuld

1,7
2
)

5,8
2
)
3,0
1
)

3,0 3,0
2,0

4,0 2,0
.3,0
3,0 3,0
18,5
met vrij geld

………
2,9
2
1
7
1,6
,

‘1,8
2,6 1,6
2,2
0,4

‘)
0,8
.

3,2
0,6 20,4

‘) Benaderende cijfers.

.
1
1
mcl. correnties voor voorgaande perioden.

STAAT IV.

Aanslagregollng dor kohlorbelastlueen en buiteiim,wone heftina,,
‘I.

S
1
,1,,

Nog te ontvangen op
In Jan. t/m Nov. ’50
t
In lan. t/m Nov. ’50
Totaal’ ontvangen 10
Nog te ontvangn op
alle t/m ult. 1949 op-
opgelegde

aanslagen
opgelegde

aanslagen
Jan. t/m Nov. 1950
alle

opgelegde

aan- Benaming

1

gelegde aanslagen per
boekingstijdvak boekingstijdvak
op alle opgelegde
slagen per

ult. Nov.
d,er middelen
31

Dec. 1949
1949/1950


1950/1951
aanslagen

,
1950
,

.2

. 3
4

,

.

5

Inkomstenbelasting
.
549,4

814,8
196,1
803,8

756,5
Vermogensbelasting
.
29,0


.

83,7

.
18,6 64,1

,
67,2
V’ennootschapsbelast
143,6

‘.

12,4

..

.
428,8
409,3
150,8
Grondbelasting
‘)
• . .
17,0

89,8


79,5

27,4
Personele

belasting
‘)
29,7


25,4


14,7
54,8


,
15,0
Ondernemingsbelas-
ting ‘)
214,7
211,4
78,0 –

,
268,6
235,5

Totalen
983,3
1.122,9

826,0
1680,0
..

1.252,4
Vermogensaanwasbe-
lasting + vermo-
gensheffing ineens. .
385
‘-

12
.

92
281
‘) Bij deze staat geldt: kolom 1 + 2 + 3

4
=
5

.

.
1)
mcl. gemeentelijke en provinciale opcenten, resp. vermenigvuldigingsfactor.
,

‘)
Bij de buitengewone middelen komt geen boekingstijdvak voor.

i) Ten gevolge van afrondingen behoeven de totalen niet met de som dr posten overeen te stemmen.

– .,.. -‘–‘—‘:

24 Januari 1951

ECONOMISCH-STA TJSTISCIÎ23 BERICHTEN

79

– STAAT V

Vergelijking tussen do ramingen en do aanslagen der kohiorbolastingen,

)(flmln’

Benaming der
middelen
{

itaming
jaar 1949

1

Opgelegd

tim

uit. Nov. 1950 boekings-
tijdvak

1949/1950
Raming

j

Jaar

1950


Opgelegd

/m

uIt.
Nov.1950 boekings-

.

tijdvak

1950/1951

Inkomstenbelasting

. . .
700,0
834,7
740.0
196,1
Vermogensbelasting
55,0
84,4

1
60,0


18,6
Vennootschapsbelasting
175,0 362,9
250,0
428,8
Grondbelasting
1)

30,0
27,0
.

30,0
27,3
Personele belasting
9
24,0
22,1
24,0
4,9
Ondernemingsbelasting
9
55,0
.

119,7
100,0
0,6

Totalen

.
1.039,0

1

1.450,8

1
1
1.204,0
676,3
9 Jtxci. gemeentelijke en provinciale opcenten, resp. verment

TOELICHTING BIJ HET OVERZICHT VAN DE OPBRENGST DER
RIJKSMIDDELEN.
Staat t -en II.
Deze staten vermelden de werkelijk in elke maand ontvangen
bedragen (kasaclministratie).
Bij de omzet- en loonbelasting en vereveningsheffing moet de
afdracht in principe één maal,per kwartaal geschieden, nl. in Ja-
iluari, April, Juli en October.

Staat
III.
Ook hier zijn de werkelijk ontvangen bedragen vermeld (kas-
administratie), terwijl bovendien de wijze van betaling ,is aange-
geven.
Staat IV.


Uit deze staat kan worden afgelezen hoe ver de belastingdienst
s gevorderd met hei opleggen van aanslagen en tevens, welk bedrag

fvuldigingsfactor.

nog moet worden ontvangen op .reeds opgelegde aanslagen,
De kolommen 2 en 3 betreffen de door de belastingdienst
in 1950 opgelegde voorlopige en definitieve aanslagen (debiteuren-
administratie). ‘
Een voorlopige of definitieve aanslag inkomstenbelasting 1949
behoort normaliter in liet boekingstijdvak 1949/’50 te worden opgeno-.
men; een – uiteraard voorlopige .- aanslag inkomstenbelasting
1950 in het boekingstijdvak 1950/’51,
Staat V.

Deze staat maakt een vergelijking mogelijk tussen de in totaal
t/m einde van de maand opgelegde aanslagen en de raining. In
deze staat zijn -• in tegenstelling met staat IV – de aanslagen in
de grondbelasting,

personele belasting en ondernemingsbelastin
vermeld exclusief de gerfieentelijke en provinciale opcenten, resp.
vermenigvuldigingsfactor, daar deze laatste ook niet in de raming
zijn opgenomen.

IN- EN UITVOER VAN BELGIE9.

aan
II

d

Invoer
Uitvoer’
Saldo

Gewicht
Waarde
Gewicht
Waarde
Waarde in dui-
In mil-
in dui- in mii-
in mil-
zenden
lioenen
zenden
lioenen
lioenen
tonnen
francs
tonnen
franco
franes
Maandgem.’36/’38
1

2.868
2.019
1.912
1.859

160
Maandgem.’47.

. .
2.322
7.130 1.070
5.138
-1.992
Maandgem.’48

. .
2.432
7.293 1.258 6.177
+
1.116
Maandgem.’49

. .
2.296
6810
,
1.210
.
6.649

161
Dec.

1949

.
.
2.331 7.941
1.338
6.331
-1.610
Jan.

1950

‘.
.
2.124
6.959 1.496
6.661

298
Febr.

1950

.
.
1.817
6.541
1.059
5.938

603
Maart

1950

. .
2.552
8.148 1.536
7.480

668
April

4950

. .
2.285
6.907 1.364
6.404
-‘-

503 Mei

1950

.
.
2.458 7.495,
1.181
5.706
-1.789
Juni

1950

. .
2.442
7.884
1.421
6.743
-1.141
Juli

1950

. .
2.245
6.745
1.395
6.265

480
Aug.

1950

. .
2.005
5.611
894
4.371
-1.240
Sept.

1950

. .
2.582
9.759
1.118
6.146
-3.6

13
Oct.

.

1950

. .
3.114
10.341 1.384
7.712
-2.629

“ron:,,Statistisch Bulletin” van het Nationaal Ïnstltuut
voor de Statistiek.
9 Gecorrigeerde gegevens.

IN. EN UITVOER VAN INDONESIË 9

Ijva
T

k

Invoer
Uitvoer

1′

Saldo

Gewicht
Waarde
Gewicht
Waarde

Waarde
in
duizenden
in
millioenen
in
duizenden
inin

millioenen millioenen
tonnen rupiahs
tonnen
rupiahs

rupiahs

Totaal 1948
1.924
1:4
5.185 1.040

94
Totaal 1949
3.033
1
1
4
7.649
1.478

96

1949

Juli

378
141
589
96.

45
Aug.
310
156
775
142

14
Sept.
282
134,
623
126

8
Oct.
169
106
325
78

28
Nov.
176′
112
1.112
171
+

59
Dec.
668
281
.726
178
.
-103

1950 Jan,
241
60
520
113
4..

53
Febr.
143
89
509 108
+

26
Mrt
227
.114e)
698
202
2
)
+

58
212
278e)
720
3179
+

39
Mei
152
275e)
719
4019
+
126
.luni

,,
227
,
3459
650
4089
+

73
Juli
272
156
857 269
+
113

l Bron Centraal Kantoor voor de Statistiek.
9 inclusief cle waarde van cle dcvie,zen certificaten

GECOMBINEERDE

MAANDSTAAT VAN DE DRIE NEDER-

LANDSE . GROTE
BANKEN
EN’ VAN HET NEDER-

LANDSE BEDRIJF VAN. DE
NEDEItLANDSCRE

HANDEL-MAATSCHAPPIJ.

Nederl, Nederl.
Banken

(In mililoenen guldens)

Banken
en

Necl.
Handel-Mij

31
30
3

1
30
Oct.
1950
Nov.
1950
Oct.
1950
Nov.
1950

Activa:
Kas, kassiers en d aggeldleningen
Ned, schatkistpapier
64
2002
61
1895
84
2565
72
2441

2066 1956
2649
2513

Ander

overheidspapier

……,
\Vissels

, ……’- …….

…….
Banki’ers inbinnen-en buitenland –
Proloiig.en i’oorsch.tegeu effecten

48
e
33
1-11
47
50 34
111
49
65 38
.
144
.
50

64
43.
152
.
60
244
306
.

319

Effecten en syndicaten
Deelnemingen (incl.voorschotten)

619
25
19

..

658
128 21

745
31
29

‘785
37
31

Debiteuren

………………

853
663
707
805

Gebouwen

…..
Diverse reken

………….
7


13

14

Belegde bestemmingsreserven.
1
1
1 1
2975
2915
3774
3700

Passlva:

.

.
.

ingen

…………

Crediteuren

….. . …………
Wissels

……………….
.,
Deposito’s op termijn
Kassiers en genomen daggeldl

Bestemmingsreserven

23

19
4
292
15
105
1

2255

296
S
111
t

2910

409
15
122
1

2826
408
10
‘137
1
2736

..

2676
3461
3387

Diverse rekeningen

…………

Aandelenkapitaal
160
79
160
79 211
102
211
102
Reserve

………………..
.
2975 2915
3700

KON. NEDERL

BOEKDRUKKERfJ H. A. M.•’ ROELANTS .–‘ SCHIEDM

1

.

ZAKENMAN

dit voorjaar naar Canada
vertr., kan nog enkele
agenturen op zich nemen.
Br.
no.
25 Boekh. Hoonhoud,
L. r. Meerderv. 286, Den
Haag.

Horch
Cabriolet ’39, 3.5 liter,
8-cyl., in st. van nieuw, pim.
60.000 km gereden, benz.-
verbr. 1 6. Desk. onderz.
toegest. Ook gen. ki. wagen
in te ruilen.
F. de Boer,
Kronenburgerstr. 6, Huizen
(N.-R.),
Tel. K 2952-597.

Via deze RUBRIEK richt
U zich
rechtstreeks tot
de particulier.
4

w_g4

Nu in Bonn een principieel accoord is bereikt over een nieuw Duits handeisverdrag, is de
verschijningsdatum van het

WEST-DUITSLAND NUMMER.

vastgesteld op 17 Februari a.s.

Dit in het Duits geredigeerde nummer wordt op deskundige wijze en op ruime schaal in

West-Duitsland verspreid; bovendien wordt iedere annonce
zonder prijsverhoging
opgenomen
in de Engelse uitgave, die wordt toegezonden aan de vaste adressen over de gehele wereld.

Reserveer tijdig de benodigde ruimte of vraag desgewenst eerst een bezoek aan van één
onzer heren, die U gaarne alle gewenste inlichtingen zal verstrekken en aan de hand van

door ons verzamelde correspondentie U een indruk kan geven van de intensieve werking
van deze prima publiciteit. Gelieve Uw correspondentie te richten aan:
de Advertentie-
afdèling N.T.B.

Koninklijke Nederlandsche Boekdrukkerij H. A.
M. Roelants,

Postbus 42, Schiedam (Telefoon 69300 – toestel 6)

Economisch – Statistische

GEROUTINEERD BOEKHOUDER
Java-suikerindustrie, mat technische warenkennis,
werkz. gew. bij één der grootste concerns in Indonesië,
laatste jaar control.boekh., zoekt administratieve
be-
trekking (event. magazijnmeester) in Amsterdam of
omgeving. Br. onder no. ESB 4-2, bur. v. d. bl., Post-
bus 42, Schiedam.

Berichten

Adres voor Nederland: Pieter de Hoochstraat
s,
Rotterdam (W.).
Telefoon Redactie en Administratie 38040. Giro 8408.

Bankiers: R. Mees en Zoonen, Rotterdam.
Redactie-adres voor België: Seminarie voor Gespecialiseerde Eko-
nomie, 14, Universiteitstraat, Gent.

Abonnementen: Pieter de Hoochstraat 5, Rotterdam (W.).

Bankiers: Ban que de Commerce, Brussel.

Abonnements prijs, franco per post, voor Nederland f 26,— per jaar,
vooi België/Luxemburg f 28,— per jaar, te voldoen door storting van de
tegenwaarde in Belgische francs bij de Banque de Commerce te Brussel of op haar Belgische postgirorekening no 260.34.

Uniegebieden en Overzeese Rijksdelen (per zeepost) f z6,— , overige
tanden f 28,— per jaar.

Abonnementen kunnen ingaan met elk nummer en slechts worien
beëindigd per ultimo van het kalenderjaar.

Aangetekende stukken in Nederland aan het Bijkantoor Westzee-
dijk,’ Rotterdam (W.).

ADVERTENTIES.

Alle correspondentie betreffende advertenties te richten aan de
Firma H. A. M. Roelants, Lange Haven
1
4
1
, Schiedam (Telefoon
69300, toestel 6) Advertentie-tarief f 0,40 per mm. Contract-tarieven
op aanvraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”
/ o,6o per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt zich het recht
voor om advertenties zonder opgaaf van redenen te weigeren.

Losse nummers 75 cents, resp. 10 B. francs

De Nederlandse Stichting voor Statistiek

vraagt voor de afdeling marktonderzoek

EEN STATISTICUS

Vereisten: opleiding in de statistiek, ervaring op

het gebied van het marktonderzoek.

Brieven met volledige inlichtingen te richten aan

Emantsstraat 6, ‘s-Gravenhage..

Auteur