Ga direct naar de content

Jrg. 36, editie 1757

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 17 1951

CONOMISCH-‘

STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN HET NEDELANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

36E
JAARGANG

WOENSDAG 17 JANURI 1951

‘No. 1757

COMIIJISSJE VAN REDACTIE:

cli.
Glasz; H. 1V. Lambers; J. Tinbergen;

F. de J’ries; C. van den Berg (secretaris)

‘Redacteur-Secretaris: A. de Wit.
S

Assistent-Redacteur: J. H. Zoon.,

C011MISSIE VAN ADVI

ES VOOR BELGIË:

J. E. ]l’/ertens; R. Miry;’J. vaii Tichelen;

R. Vandep utte; P. Vers ich elen.
S

Voor de niet gesigneide artikelen is de commissie

an redactie oerant(voordehlk.

INHOUD
Blz.

in1atie en cle monetaire autoriteiten

……..
44′

De credietrestrictie door
Mr R.

Koole

……
46

Enkele

opmerkingen

over

de

Nederlandse

handelsbalans door Mi
,
G.

Vixseboxse ……
47

Institutionele beleggera en risicodragend kapi-
taal dooi’ J. H. pan 1-lolthe tot Echten ……..
48

Een navolgenswaardig voorbeeld inzake Duitse

merken
door Dr: C

Schouten

……………
50

Ingezonden

s t u k :

Een

verstopte

hrcn

van

risicodragend

kapitaal? door J. H. Pehmers
met naschrift
van Prof. Mr J. G. Koopmans ……….
51

London Letter door Henry Hake …………
52

Boekbespreki ng

Dr A. C. M. van Keel): De dividendpolitiek,
bespr. door Dr F. 1V. C. Blom ……….
53

Internationale

notities:

De

Engelse steenkolencrisis

…………..
54

De wereldolieproductie in

1950

……….
55

Een halte, eeuw oliegeschiedenis

……..
55

Geld-

en

kapitaalmarkt ……………….
56

De Belgische geld- en kapitaalmarkt in D’ecem-

her door

V.

Van

Rompuy

…………..
56

Statistieken

Bankstaten

……………………….
57

Enige .indexcijfers van de industi’iële produc-

tie

in

Nederland
.
……………………
58

Indexcijfers van lonen volgens regelingen in

Nederland

………………………..
58

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

Dezer dagen

precaire zaken. Sommigen trachtén daarbij het hoofd

koel en de zinnen bijeen te houden. Zo de President van
indonesië. 1-Tij heeft gesproken over Nieuw-Guinea; de

termijn, vaarin hij dacht, is een jaar verlengd. Zo ook in

Lake Success, waar opnieuw aan China een bereidheid
tot onderhandelen is kenbaar gemaakt, hier echter zonder
Uatum om zo bereidwillig mogelijk te lijken.

Anderen vatten een naar hun, mening onheuse bejege-

ning uiterlijk met scherper reactie op. Een deel van de
Nederlandse land bouworgan isaties heeft de veron twaar-
diging over een verlaging van de melkprijs voor de produ-

cent, die tegen de algmene prijsbeweging ingaat, minder
‘tactisch geuit. Men kan het odium’van te vergaande
isolering van een probleem beter een privilege der beroeps-
economisten laten blijven.

Minder verheugd waren ook de kleine landen, die ont-

waarden dat over de verdeling van schaarse grondstoffen
tussen de drie groten, de Verenigde Staten, Groot-Brit-
tannië en Frankrijk, bij afspraak al Ôp een goed deel van
de voorziening was vooruitgelopen. hier echter heeft


overleg tot reultaten geleid,.die in de vergaderzaal-goed
en redelijk klinken. Wat de grondstoffen betreft, ziet het

er echter naar uit, dat waar niet is, de keizer zijn recht
heeft verloren. En hoe staat het dan met de leenmannen?

Soms goed, als zij op een knooppunt van wegen zitten.
Dat is uit de Duitse recente geséhiedenis op te maken.
Volgens het maandoverzicht van de ,,New York Herald
Tribune” produceerde West-Duitsland in 1950 11,9 mln

ton ruw staal, een overschrijding van dé officieel bekende
limiet met ruim 700.000 ton. Het opnemen van de snel
bijtrekkende Duitse zware industrie in het plan-Schiman
tracht men nog voort te zetten; de pogingen van Duitse
zijde om de condities van de inbreng aan traditionele
Duitse organisatievormen aan te passen, evenzeer.

1-lachelijke aanpassing, de ,,economic stabilizer” in de
Verenigde Staten weet er van. Dacht hij nog kort tevoren
zijn last in evenwicht te houden met een algemene loonstop,
thans is hem deze mogelijkheid reeds uit de hand gevallen.
En intusen is de President voor de volksvertegenwoordi-ging verschenen met een jaarôverzicht en een begroting,
zowel naar physieke krachten als financieel, die de econo-
mische stromen nog veel verder zal verleggen. Ruim de
helft van het nieuwe budget w’orclt ingenomen door voor-

genomen uitgaven van militaire aard. Daaroverheen is
reeds een stelsel van vergunningen voorde bouwbedrijvig-
heid afgekondigd. Het Amerikaanse bedrijfsleven ver-
wacht over 1951 in totaal bijna
S
22 mrd te investeren,
14 pCt meer dan het hoogste totaal, sedert 1945; als de
grondstoffen en arbeid, daarvoor nodig, er zijn tenminste.

Zo gaat ieder door om de eigen positie te verbeteren
zolang er kracht is, gehoorzaam aan’ het motto op oude
kachels: ,,Je brCmle tout l’hiver sans m’éteindre”.

R. MEES & ZOONEN

ANNO 1720

pal

1
401

AA

HEERENGRACHT 179

AMSTERDAM.0

BELASTINOCONSULTATIEBUREAU
A. L. F. LEVERINGTOV
Medewerkers:

/
E. J. de Boer, Oud-lnsp4• Bel.
D. Sweepe, Oud.Ontvar d. Bel.
Mr. Dr. N. J.

Feidmaan. Bel. jur.
N.

A.

Schol,

Cand)Jaat

Notaris.
Amsterdam: le HeIm.iSStt. 95, Te). 85508
Haarlem: Geit. OudpdraCht 11 b, Tel. 12468

7

Koninklijke

Nederkindsche

Boekd ru kkerij

H. A. M.
Roelants

Schiedam

Adverteer

in de E.S.B.

4

CASSA.

KASSIERSINSTELLING

OPGERICHT IN 1806

1,

/

ROTTERDAMSCHE

BANK


ASSURANTIËN

Op

ELK

GEBIED

250
VESTIGINGEN

IN NEDERLAND

Bankiers & Assurantie-Makelaars

ROTTERDAM

‘s-Gravenhage, Delft, Schiedam, Vlaardingen,
Amsterdam (alleen Assurantie)

N DIT NUMMER:

Het Korea-effect

Agrarische tover-
formule Bedreigd monetair evenwicht

Cellulose en papier

Nieuwe artikelen

Handelscontacten

Vraag en aanbod
Ierland

Met exportbijlage in de Engelse
taal (Netherlands Trade Bulletin).

Abonnementsprijs
f
15.

per Jaar

KON. NED. BOEKDRUKKERIJ H.A. M. ROELANTS SCHIEDAM

N.V.
.
HOUTHANDEL v/h G. ALBERTS LZN & CO.

te Middelburg, zoekt ter assistentie van de Directie een

ervaren

COMME RCI
.
ELE KRACHT


Gezocht wordt een persoonlijkheid van formaat, die na
inwerking met de gedeeltelijke leiding van het bedrijf
kan worden bélast. Vereist wordt tenminste een middelbare
handelsopleiding, en een goede kennis der moderne lalep,
zowel mondeling als schriftelijk Een academische oplei-
ding. strekt tot aanbeveling. Slechts zij, die bewezen
hebben zelfstandig leiding te kunnen geven op organisatorisch,
zowel als op commercieël gebied en die in staat zijn tot het
samenstellen van financiële overzichten en tot het.geven van
gefundeerde adviezen op dit gebied, gelieven te reflecteren.
Bij gebleken geschiktheid ruime salariëring en uitstekende


vooruitzichten. Voor
een woning kan gezorgd worden.
Leeftijd niet beneden 35 jaar. Candidaten zullen eventueel
worden uitgenodigd voor een psychologisch onderzoek op
1 Maart a.s. door de NEDERLANDSCHE STICHTING
VOOR PSYCHOTECHNIEK. Wittevrouwenkade 6, Utrecht.

Eigenhandig (niet met bailpoint) geschreven brieven met volledige inlichtingen over op-
leiding en practijk, met opgave van relerenties en leeftijd en vergezeld van twee recente
pasfoto’s (van voren en opzij) aan Advertentie Bureau AL T A, Utrecht. vôôr 27 JanuarI a.u.
In llnkerbovenhoek van brief en enveloppe, en op de foto’s: no.
E.S
.
B. 6342,
naam en adres.

100-1

IV

KETTiNG

FORMULIEREN

lJv
I~
C
o
F
A

K E
N

ADVERTEER, IN DE

E.-S.B.

42

17′ Januari 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

43

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK

Inflatie en de’ ,nonetaire autoriteiten.

Voor het streven der monetaire autoriteiten een posi-

tieve bijdrage tot de prijsontwikkeling hier te lari’de te

geven, moet men waardering hebben. Toch is tegenover de

realisatiemogelijkheden hiervan reservd denkbaar. Men

denke aan de zware opgave van een sluitende staats-
rekening; voorts zullen de monetaire autoriteiten ‘ederorn
te doen krijgen met een betalingsbalans, die voor hen ten

dele een datum is. Tenslotte zal ons réëel inkomen onder
sterke’ druk komen te staan. Investering en consumptie
beide zullen vern moeten laten. Dit impliceert, dat lonen
en margés onder druk zullen komen, hetgeen prijsstijging

zonder equivalente afwentelinsmogelijkheden betekent.

1-liermede korhen de belangengroepen – de georgani-
seerde economische macht heeft de laatste jaren haar

stempel op de prijs- en loonontwikkeling gedrukt! – in
het geweer. De uitkomst zal ongetwijfeld zijn, dat wij wat

de prijs- en loonontwikkeling betreft in het komende jaar
zwaar op de proef zullen worden gesteld. De monetaire
autoriteiten kunnen door beleidvol optreden met vaste hand de positieve invloeden versterken. Daarnaast zal

economische discipline de dam moeten vormen, die de

inflatie keert.

Mr R. KOOLE, De credietrestiictie.

De door De Nederlandsche Bank uitgevaardigde crediet-restrictie belemmert de banken geenszins in de uitoefening

van hun bedrijf, integendeel zij slaat aan de banken tot
op zekere hoogte een groteie vrijheid van, beweging toe
dan voorheen. De balanspositie kan voor geen der vijf
grote banken aanleiding zijn zichzelf bij de credietver

lening de duimschroeven aan te zetten, nog minder om
er aan mede te werken om zulks door de Overheid te laten
doen. Bij de handelsbanken heeft er de facto in plaats van
een schij nbare credietexpa nsie, een belangrijke reductie
hij de credietverlening plaatsgevonden; voor zover er
inflatie is geweest is die gedeeltelijk van buitenaf tot ons
gekomen door de stijging der wereldprijzen. Ter bestrijding
van inflatie heeft men dus met-de banken niet de juiste

koe hij de horens gdvat.

Mr G. VIXSEBOXSE, Enkele opmerkingen over de
Nederlandse handelsbalans.

Aan de hand van statistieken van het C.B.S. tracht
schr. aan te’tonen, dat, hoewel onze economische toestnd
uiterst moeilijk is, er, voor neerslachtigheid geen reden
bestaat. Slechts hard en oordeelkundig werken is nood-
zakelijk: Indien het Nederlandse bedrijfsleven er in slaagt
de invoer binnen de perken te houden en voornamelijk
richt op onontbeerlijke grondstoffen, dan is het, naar
schr. meent,, niet te optimistisch te verwachten, dat in d’e
tweede helft van 1951 een dekkingspercentage wordt
bereikt, waardoor de betalingsbalans met behulp van de
diensten in evenwicht kan komen.
4

J. H. VAN HOLTHE TOT ECHTEN, Institutionele

beleggei’s en risicodi’agend kapitaal.

Voor institutionele beleggers is het thans om 11’incipiële
‘en praktische redenen niet wenselijk over te gaan tot uit-
s

breiding van hun beleggingen in aandelen: Verschillende
det’ praktische bezwaren zouden echter kunnén wegvallen:
het rendement op aandelen zou kunnen verbeteren,
fiscale bezwaren zouden kunnen worden weggenomen en

de dividendstop zou kunnen worden opgeheven. Ook de principiële belemmering – pensioeflfondsen zijn beperkt in hun vrijheid van handelen bij de .keuze hunner beleg-

gingen daar zij, contractueel gebonden zijn aan pensioenen
op vaste bedragen – lijkt niet onoverkomelijk. In aan-

sluiting op de suggestie van Prof. Koopmans zou mis-

chien een oplossing kunnen worden gevonden door een

deel van het fonds af te zonderen.ten behoeve van degenen,

die ook het risico van een geldwaardedalinwillen dekken,
terwijl dit deel gemengd in aandelen en vastrentende

fondsen zou kunnen wo?en belegd.

Dr C. SCHOUTÈN, Een naQolgenswaaI’dg ‘.’oorbeeld
inzake Duitse merken.

Nederland is, doordat in 1944 (Besluit Vijandelijk
Vermogen) en in 1946 (Herstelverdrag van Parijs) de

principiële fout werd gemaakt, de Duitse handelsmerken

als een van het bedrijf los vermogensbestanddeel te be-

schouwen, met het oude,’ zelfs in onze Merkenwet neer-
gelegde, begrip van ‘saamhorigheid van bedrijf en merk in
strijd gekomen. Het valt te betreuren, dat in ons land

niet de opvatting van de ,,Conseil de 1’Association fran-

çaise pour la protection de la propriété industrielle” –
die cle merken en firma-namen aan hun Duitse eigenaren
wil teruggeven – wordt, gehuldigd.

– . SOMMAIRE –

.L’inflation et ks autorités monélaires.
1

En ce qui éoncei’ne le développemént des prix et des
salaires, les Pays-Bas connaîtront cette année-ci une
épreuve considérahle. Les autorités monétaires peuvent contrihuer positivernent au développement des prix par
une politiqoe mesurée. En outre une discipline rigoureuse
en matière d’économie devra former la base pour écarter
I’inflation.

,/t’I,’
R. Koole, La ,’estriction en matière de crédit

En fait il s’est produit une restriction considérahle en
matière de crédit, dans les cinq grandes banques commer-
ciales néei’iandaises, au. lieti d’une expansion apparente.
La restriction de créclit décrétèe par la Nederlandsche
Bank n’aura guère d’effet sur la lutte contre l’inflation

parce que les banques ne sont pas le taureau, qu’on a
voulu prendre par les comes.

Mi’ G. VIXSEBOX,SE, Quelques remarques sur la ‘balance

co,nme,’cialè aes .Pays-Bas.

Si le secteur privé néerlandais iiarvient h enfermer
l’importation dans des,limites tracées et se boi’ne d’autre
pai’t s’trictement aux matièi’es premières, il n’est pas trop
optimiste de pi’évoil’ pour le deuxième semestre de 1951, une
couverture qui mettra en équilihre la balance des paiements
â l’aide des services. Dans ce, cas toutefois la pi’oduction
de guerre ne doit qu’aussi peu que possible freiner l’expor-
tation.

J. H. VAN HOLTHE TOT ECHTEN, Les oi’ganismes
dépositaires et l’inoestissemcnt dans de norwelles
enti’eprises.

Les organismes dépositaii’es n’ont pas intérêt actuelle-
ment â étendre leurs investissements en actions, eause

dë raisons de Pt’i6cipe et de pratique.

Di’ C. SCHOUTEN, Un exeniple â suirre au sujet des
– marques allernandes.

La motion acceptée par le ,,Conseil de l’Association
française pour la protection de la propriété industrielle”,
et en vertu de laquelle les marques et les raisons sociales
seront rendues aux pi’opriétaires allemands constitue
un exemple è suivre.

44

ECONOMISCH-STATISTiSCHE BERICHTEN

,

17 Januari 1951

Inflatie en de, monetaire autoriteiten

Prijzen en lonen hebben in verschillende landen na de
oorlog een welhaast voortdurende stijging te zien gegeven

en onze geneatie wordt geconfronteerd met een vorm

van inflatit die vorige generaties onbekend was. Immers,

meer en meer wordt onderkend, dat het prijs- en loon-

stijgingsproces, waarbij wij betrokken zijn, in vele gevallen
niet in de eerste plaats door de stuwende kracht van een

infiatoire geldschepping in gang wordt gezet en gehouden.
De wat wij zouden kunnen ncerhen monetaire voorstelling

van het inflatiebegrip was inmiddels nog goeddeels de

heersende toen de tweede wereldoorlog geëindigd was.
Men kende toen uit vroeger ervaring de inflatie door

overdadige geldschepping vn het bankwezen ten behoeve

van het bedrijfsleven en/of de Overheid en het enige

nieuwe element hierin was, dat in verschillende landen
met vrij groot succes de gevolgen van deze geldschepping

voor het prijsniveau door beheersing van de prijs- en loon-
vorming waren onderdrukt.

Het inflatieverschijnsel, waarmede wij thans vooral te

kampen hebben, heeft in belangrijke mate een andere
causa movens. In de eerste plaats moeten verschillende
landen prijsstijgingen van in belangrijke mate onont

heerlijke importgoederen eenvoudig aanvaarden en de
doorwerkink van deze prijsstijging op het niveau van
lonen en prijzen is het gevolg van een externe oorzaak,
waaraan de
monetaire
autoriteiten in feite niet veel kunnen doen. Van niet minder betekenis is – en door dit verschijn-

sel is men als het ware het meeste verrast en ten aanzien
hiervan zijn de inzichten nog het minst gevorderd – de

werkzaamheid’ van de georganiseerde economische macht
in onze samenleving. Fletgeen belangengroepen – werk-

nemersorganisaties, agrarische groeperingen en overige
organisaties in het bedrijfsleven – vroeger tot stand

wisten te brengen is welhaast kinderspel vergeleken

bij wat zij na de tweede wereldoorlog aan kracht weten
op te brengen wanneer het er om gaat om het aandeel
van hun groep in het nationaal inkomen te verdedigen of
te verbeteren. Deze ontwikkeling is reeds ver voortge-

schreden; de economische macht der groepen wordt meer-
malen door de politieke macht gesanctionneed en ook in
ons vaderland hee.ft de Overheid verschillende belangen-
groepen als constructieve elementen in de Nederlandse
samenleving de officiële erkenning gegeven. De werkzaam-
heid van deze belangengroepen nu hèeft in de laatste jaren
haar stempel op de prijs- en loonontwikkeling gedrukt en
zolang in de strijd het bereiken van een hogere beloning
voor de eigen groep uiteindelijk nog zwaarder weegt dan
het inzicht in het eigen belang bij een stabiel of althans

uiterst gelijkmatig zich ontwikkelend prijsniveau en het
besef van de medeverantwoordelijkheid hiervoor, is het te
verwachten, dat in de Westerse landen een inflatieproces

van overigens afwisselend tempo niet zal zijn te ontgaan.

Nu is dit moderne inflatieverschijnsel geenszins los van
de vroegere monetaire conceptie. In de eerste plaats is
ook in onze tijd het verschijnsel van de meer ,,ouderwetse”
inflatie, waarbij de prikkel tot prijsstijging uitgaat van het
aanwenden van koopkracht, die of geschapen wordt
of voordien in reserve werd gehouden, geenszins ondenk-

baar. Wie zou met zijn hand op zijn hart durven verklaren,
dat de prijsstijging in de eerste jaren na de bevrijding van

ons land niet zou zijn gestimuleerd door de met geld-
creatie gepaard, gaande omvangrijke kastekorten van de
staatshuishouding? Evenzeer aannemelijk is ook, dat
de prijsstijging, die zich in de Verenigde Staten enkele
jaren geleden voordeed, gestimuleerd werd dooi’ het gretig
gebruik, dat de economische subjecten voor consumptie en

investering maakten van de uit vroegere jaren geaccumu-

leerde monetaire reserves. Men zou zelfs kunnen zeggen,

dat in die jaren de monetaire inflatie steun heeft gegeven

aan de in onze tijd zo typische, dooi’ de activiteit der
belangengroepen gestimuleerd e, prijsontwikkeling. 1-let

belang van ‘de beteugeling van de ,,ouderwetse” inflatie
moet dan ook geenszins worden onderschat. 1-let is niet

zo, dat het ene verschijnsel gekomen is in de plaats van het

andere; wij hebben er als het ware een inflatiepotentie

bijgekregen. Reeds aan het tegengaan van de monetaire
inflatie heeft een ministeriële monetaire autoriteit zijn

handen vol nu er in verschillende landen een zo’ sterke

neiging bestaat om de Overheid overdadig met taken te
belasten.

– In de ‘tweede plaats heeft ook het moderne inflatie-

verschijnsel altijd in zover een monetair aspect, dat de

geldmiddelen beschikbaar moeten zijn om in de als gevolg

van de prijsstijging vergrote behoefte van de circulatie

te voorzien. Deze middelen kunnen afkomstig zijn uit in

de volkshuishouding eventueel aanwezige monetaire reserves – men pleegt dan van een vergrote omloops-

snelheid van het aanwezige geld te spreken – of wel een
geldcreatie door het bankwezen ten behdeve van het

bedrijfsleven of van de Staat moet voor de nodige circulatie-
middelen zorgen. Het zou mitsdien denkbaar zijn, dat de

monetaire autoriteiten, die verantwoordelijkheid drageii voor de ohtwikkeling van het prijsniveau – in Nederland
is deze verantvoordelijkheid zelfs bij de wet, overigens

wel zeer eenzijdig, op de schouders van de Centrale Bank

gelegd ‘) – en die de ontwikkeling van het prijs- en loon-
niveau in opwaartse richting waarnemen, deze trachten

tegen te gaan. Een en ander zou kunnen ,geschieden door

het gebruik van monetaire reserves te bemoeilijken en

de met geldcreatie gepaard gaande credietverlening aan

het bedrijfsleven en de Overheid belemmeringen in de
weg’te leggen. Inmiddels is dit laatste in belangrijke mate
theorie. Niet alleen is het gebruik van monetaire reserves
door bedrijfs- en gezinshuishoudingen niet te vermijden

tenzij met ternauwernood discutabele middelen maar ook
het door straffe restrictie der geldvoorziening lijnrecht
ingaan door de monetaire autoriteiten tegen hetgeen de
belangengroepen meermalen in nauw contact met cle

Overheid ten aanzien van de prijs- en loonontwikkeling
bd’werkstelligen is bezwaarlijk te verwachten.

De tijd, waarin

de monetaire autoriteiten — vroeger de
facto de Centrale Bank, thans de Centrale Bank en het

Ministerie van Financiën in voor d9 buitenwereld moeilijk
te ‘onderkennen onderlinge gezagsverhoudingen – een
eigen domein
1
hadden waarbinnen zij hun monetair beleid
zonder te veel rekening te houden met buiten hun ver-
antwoordelijkheid gelegen belangen voerden, is wel

voorbij. Voor de oorlog reeds is hier te lande gepleit voor een coördinatie van de monetaire politiek en de algemene
economische en sociale politiek en deze gedachte is ook
in de nieuwe bankwetgeving verankerd. De monetaire

autoriteiten zullen zich dan ook niet keren tegen hetgeen
de Regering, waarin hun stem gehoord wordt, sanction-
neert. En zo is de praktijk in de laatste jaren dan ook

geweest, dat in Nederland de monetaire autoriteiten bij
de prijs- en loonontwikkeling goeddeels terzijde bleven
staan en hier stellig niet het laatste woord in spraken.
Andere ministeries dan het Ministerie van Financiën

‘) Artikel 9, lid
1
van de Bankwetl948 luidt als volgt: De Bank
heeft tot taak de waarde van de Nederlandse geldeenheid te regu-
leren op zodanige wijze als voor ‘s lands welvaart het meest dienstig
is, en daarbij die waarde zoveel md’gelijk te stabiliseren.

17 Januari 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

45

speelden, waar het de overheidsverantwoordelijkheid voor

de inflatie betreft, de voornaamste rol. Daarbij moet men

bedenken, dat ook de mogelijkliedeli om met monetaire

maatregelen veel kracht hij te ztten niet aanwezig waren
omdat het verkeer over het algemeen ruim van liquide

middelen voorzien was. –

Inmiddels is zich met name in de laatste maanden —vij

hebben reeds eerder in dit blad hierop de aandacht ge-

vestigd
2)
– een zekere wijziging aan het voltrekken

met betrekking tot de rol, die de monetaire autoriteiten
in het overheidsbeleid ten aanzien van het prijs- en loon-
probleem spelen. Van betekenis is in dit veiband uiteraard,

dat een gewijzigde monetaire situatie hiertoe ook
1
de

mogelijkheid biedt. Wij zijn in de laatste twee jaren
moer en meer in onze monetaire jas gegroeid, die wij ons
in de eerste jaren na de bevrijding wel wat ruim hadden
aangemeten. – 1-Jet stijgend nationaal inkomen vindt in
de laatste tijd zelfs een afnemende geldhoeveelheid

tegenover zich. Reeds heeft een toenemende behoefte aan

middelen ter financiering van de steeds meer geld vergende

omzetten van het bedrijfsleven zich door een snel groeiend
beroep op het bankwezen gedurende 1950 gedemonstreerd.
Men zou zich nu kunnen afvragen, welke de .00rzaken zijn
van de toenemende bereidheid om de mogelijkheden tot

steun van de zijde van de rnc’netaire autoriteiten bij de
beheersing van de prijs- en loon ontwikkelin g te aanvaarden.
Voor de hand ligt, dat hier vooral de betalingsbalanspositie,
die zoals men weet zeer zorgelijk is, een gewichtige rol
heeft gespeeld. Een infiatoire ontwikkeling in het binnen-
land verhindert de betalingsbalans haar evenwicht te
hervinden – een steUing reeds enkele jaren geleden door
Prof. Goudriaan in dit blad verdedigd, zij het onder bij-
zondere veronderstellingen – en het is aannemelijk, dat
vertogen door de President van De Nederlandsclie Bank
tot de Regering gericht met betrekking tot de noodzak
van het straf in de hand houden van de binnenlandse
monetaire situatie om ook van die kant alle zeilen bij te
zetten tot het bereiken van een betalingsevenwicht,
waarvan wij zo vr verwijderd zijn, niet nagelaten hebben

indruk te maken. Voör zover deze maatregelen door De
Nederlandsche Bank zelf genomen konden worden is
zulks geschied; de credietrestrictie aan het bankwezen
opgelegd is reeds in werking. Daaj’naast zullen vooral het
tegengaan van kastekorten van Rijk en lagere publiek-rechtelijke lichamen – geen geringe opgave! – alsmede het vermijden van een infiatoir gebruik van, het ,,local
currency”-tegoed als klemmende desiderata naar voren
gebracht zijn.

Naast het betalingsbalansaspect speelt vor de geneigd-
held een zekere invloed van de monetaire autoriteiten te
aanvaarden, ook het allerwegen waar te nemen gevoel van teleurstelling over het prijsheloop in het laatste jaar stellig
een rol. Dit gevoelen wordt ook ervaren in de kringen der
niet-monetaire autoriteiten, die in feite grote verantwoorde-
lijkheid dragen voor de ontwikkeling van het loon- en
prijsniveau.
Meer en meer wordt duidelijk, dat hier niet alleen de

Zie: ,,Inflatic en credietbeperking” in ,,E.-S.B.” van 27Sep-
tember 1950, blz. 772.

schuld aan externe oorzaken door de duurdere invoer kon
worden gegeven. Het inzicht groeit, dat de betekenis

van het sterk afnemen der onderlinge prijsconcurrentie in

vele sectoren vân het economisch leven voor de prijs-
ontwikkeling in opwaartse richting zeer is onderschat
en ook dat tegen de verwachtingen in deze betekenis

door e liberalisatie van het economisch verkeer nauwelijks

is afgenomen. liet is daarom begrijpelijk, dat men de

remmende invloed van een stevige monetaire politiek thans

na de ervaringen van het laatste jaar aanvaardbaar acht.

Voor het streven der monetaire autoriteiten een positieve
bijdrage tot de prijsontikkeling hier te lande te geven en

daarmede het eerste lid van artikel 9 van de Bankwet

het karakter van een toast,’ dat het’ dreigde te krijgen,

te ontnemen, kan men riet anders dan waardering hbben.

Toch is ook tegenover de realisatieiriogelijkhedcn hiervan
reserve wel denkbaar. Men ‘denke hier in de eerste plaots

aan de zware opgave van een sluitende sta atsrekening.
In de tweede plaats zal het beeld van onze goederen-

en dienstenbalans en daarmede dat van onze betalings-

balans in de komende tijd stellig niet alleen door onze
monetaire politiek worden bepaald. De krachtsinspannin-
gen, die van ons verwacht worden, zullen niet kunnen
worden gerealiseerd zonder materiële bijstand, die niet met
uitvoergoederen kan worden betaald. Zo zullen de mone.
taire autoriteiten ‘wed erom te doen krijgen met een be-
talingsbalans, die voor hen ten dele een datum is. Dat zij
daarbij zullen trachten het monetair evenwicht zo veel
mogelijk tot zijn recht te doen komen, is toe te juichen, maar zij zullen waarschijnlijk wel niet alleen zeggings-
kracht hebben met betrekking tot de bestemming van
hetgeen in de toekomst in monetair opzicht met de tegen- –

woordige , ,local-currency”-rekening vergelijkbaar zal zijn.
Tenslotte moeten wij ons realiseren, dat ons reëel in-
komen onder sterke druk komt te staan. Investering en
consumptie zullen beide veren moeten lalen. Dit impli-
ceert dat lonen en marges onder druk komen te staan en
dit betekent in onze tijd prijsstijgingen zonder e’quivalente fwentelingsmoglijkheden. Hiermede komen de belangen-
groepen in het geweer.
Voor verschillende groepen zal het mogelijk zijn buiten
de machtssfeer van de Overheid hun activiteit te doen
gelden, tusseli andere groepen en de.Overheid zullen wij
een wederkerige beïnvloeding zien. Welke’ zullen de feite-
lijke uitkomsten van een en ander zijn? Wat zullen zij, die
leiding geven willen en met het oog op hun verhouding
tot hen, die zij vertegenwoordigen kunnen aanvaarden?
Zo lijdt het wel geen twijfel, dat wij wat de prijs- en loon-
ontwikkeling betreft in het komende jaar zwaar op de
proef zullen worden gesteld. De monetaire autoriteiten
kunnen door heleidvol optreden met vasLe hand de posi-
tieve invloeden versterken. Zij verdienen, indien zij hun taakstelling getrouw blijven, de steun, (lie men blijkbaar
bereid is hun te geven.
Wij moeten daarbij hopen, dat vooral de sterke samen-bindende kracht voortvloeiend uit het groeiend besef van
een dreigende chaos van buiten af er toe zal leiden, dat de,
om de orde in onze eigen huishouding te bewaren, nod-
zakelijke economische discipline wordt opgebracht. Deze
vormt bij uitstek de dam, die de inflatie keert.

46

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

17Januari 1951

De credietrestrictie

pge1egd door De Nederlandsche ‘Bank N.V. aan de

handelsbanken en de landbouwcredietbanken

Bij velen heerst de mening, dat over deze credietres-

trictie overleg is gepleegd tussen
eDe
Nederlandsche Bank

N.V. en de banken. Dit is juist, indien men onder,,overleg”

versta,at, dat de te nemen maatregelen te voren mede-

gedeeld en besproken zijn, maar van de aanvang af stond

vast, dat de credietrestrictie zou worden ingevoerd en dat

zo mogelijk op ondergeschikte punten met de opmerkingen

van de bankiers rekening zou worden gehouden. Men kan

rustig aanneen, dat, indien de voorstellen in stemming

waren gebracht, deze met vrijwel algemene stemmen

zouden zijn verworpen. En nu ligt de veronderstelling

,,dat spreekt van zelf” voor de hand, want al die bankiers

zouden uit eigen belang hebben tegengestemd en alles,

wat zij ter tafel hebben gebracht, was een oratio pro domo.
Neen, het mei’kw’aardige is – afgezien van het feit, dat
er gelukkig nog bankiers zijn, die het algemeen belang

boven het eigen belang laten prevaleren -, dat de door
De Nederlandsche Bank uitgevaardigde credietrestrictie

de banken geenszins belemmert in de uitoefening van hun
bedrijf, integendeel aan de banken tot op zekere hoogte
een grotere vrijheid van beweging toestaat dan voorheen.

Teneinde de beschouwing te vereenvoudigen heb ik in

dit artikel de ,,banken”
1)
beperkt tot de ,,big five” en
zulks primo, omdat zij een zeer belangrijk deel van liet

ha ndelsbankwezen vertegenwoordigen, maar secu ndo, om-

dat in de periferie van het bankwezen – dat is een nieuw
begrip, dat aan deze materie, voor zover ik weet, zijn ont-

staan te danken heeft – de situatie zo verschillend is,

dat deze een meer individuele beschouwing zou ver-

eisen. –
De ,,big five” hebben volgens de laatste beschikbare’
gegevens een positie, die niet veel uiteen loopt. Zij hebben
alle een kerngezonde balanspositie en het is niet mogelik3

in de gehele wereld een land te vinden, waar de positie der leidende bankinstellingen solider is dan in ons land. Bij de

bêoordeling van een bankbalans bestaat er sedert tien-
tallen van jarèn in ons land vrijalgemeen het principe,
dat de debiteuren het drie- viervoud van de eigen mid-
delen nie,t mogen ovetreffen. Nu zijn de ,,eigen middelen”
bij de b’anken moeilijk extern vast te stellen, immers, in

de gepubliceerde balansen en maandstaten vindt menwel
het geplaatste kapitaal en de open reerves vermêld, maar
men vindt er niet in het bedrag der stille reserves en het
is een ,,secret de polichinelle”, dat dit bedrag niet gering is.
Een van de meest zichtbare stille reserves kan een ieder
afleiden uit de waardering van de bankgebouwen. DQch
zelfs als wij ons beperken tot. de in de maandstaten ge-
publiceerde cijfers, dan geeft 30 November 1950 het
volgende resultaat (zie de tabel in de rechter kolom).

1-let is duidelijk, dat een dergelijke balanspositie voor
geen der banken aanleiding kan zijn zichzelf bij de cre-
dietverlening de duimschroeven aan te zetten, nog minder
om er aan mede te werken om zulks door de Overheid te

laten doen.
Dat er toch bij de leiders van het bankwezen een grote
belangstelling bestond inzake de credietrestrictie, vond
zijn oorzaak in het feit, dat zij iedere maatregel van de

Overheid toejuichen, die er op ingesteld is de inflatie te

‘) De landbouwbanken blijven geheel buiten beschouwing, omdat
zij in wezen verschillen van de handelsbanken.

beteugelen. En als zodanig werd en wordt de crediet-

restrictie aangekondigd.

Economisten der laatste decennia hebben ons geleerd:

,,credietverlening door de handelsbanken werkt geld-

scheppend en geldschepping kan inflationistisch werken”

en ik geloof, dat wij, ook van nuchter bankiersstandpunt

bezien, deze economische axiomata maar moeten aan-
vaarden.

(in mln guldens)

Kapitaal Toelaat-
bare deb. Wekelijks
1

Nog
en open

cijfers op .deb. cijfer beschik-
reserves

basis
3,5

baar

De Twentsche
Bank
N.V.

. .
60
210
163
47
Neclerlancische
Handelmaat-
schappij NV..
.
71
249
127 122
Rotterdamsche

Bank N.V.

..
67
235
192
43
Amsterd anische
‘Bank

NV-To-
casso-BankN.V. 104 364
303
61

En als wij dat doen, dan rijzen er aanstonds twee
vragen:

le. is er ciedietexpansie hij de banken geweest; of is die
in de toékomst te vrezen?

2e. zo ja: welke inflationistishe tendentie heeft die

expansie gehad of zal die hebben?

Ad le. Als men de credietverlening wil bestuderen, kan

men zich natuurlijk niet beperken tot het noemen van
cijfers van 1939 en thans; in die periode heeft een zeer
belangrijke devaluatie van onze munt plaatsg&vonden en
bovendien heeft zich over de gehele wereld per saldo een

prijsniveaustijging voorgedaan, die niet kon nalaten in-
vloed uit te .oefenen op de credietgeving.

-Immers, het is voor het credietgevende instituut als
zodanig helemaal niet interessant of mede ten gevolge
van subsidies en andere o\’erheidsmaatregelen de index
vooi’ het noodzakèlijk levensonderhoud slechts is gestegen
van 100 in 1938/1939 tot222 per 15 November 1950, daar

deze factor van zeer weinig belang voor de credietvraag is.

Maat’ als men constateert, dat vandaag de houtprijzen
het zesvoudige; de celluloseprijzen het vijfvoudige; de
ijzerprijzen het drie- h viervoudige; de wolprijzen het tien-
voudige; de katoenprijzen het viervoudige; de rubber-
prijzen het viervoudige; de tinprijzen het viervoudige en
de cacaoprijzen het zevenvoudige zijn van die van 1939,
dan zou men mogen verwachten, dat ook de credietver-
strekking van de Nederlandse banken zich ten minste
daarbij had aangepast, want zij financieren de fabrieken
en de handelaren, die die vei’hoogde prijzen moeten

betalen. Men moet dat beschouwen als het complement
van de credieten, die door de 1-lerstelbank en institutionele
beleggers worden gegeven. In het bijzonder de 1-lerstel-
bank, te juister tijd dooi’ het initiatief van de Regering met medewerking van de handelsbanken e.a. gesticht,
beijvert zich om gelden ter beschikking te stellen van
industrieën voor investering in gebouwen en machine-
rieën, wanneer mag worden verwacht, dat daardoor de
productie zal stijgen. Het belang hiervan
zal
voor een
ieder duidelijk zijn, immers stijging van de productie is

17 Januari 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

47
,

de meest gewenste factor ter bestrijding van het grote
tekort op onze betalingsbalans. Maar hoe kunnen die

bedrijven werken, wanneer zij niet, naast de gelden, nodig

voor uitbreiding of verbetering der productiemiddelen,
in staat worden gesteld om zich de grondstoffen te ver-

schaffen, die voor de productie nodig zijn. De banken

hebben in deze een belangrijke taak te vervullen. De

Nederlandsche Bank heeft dat erkend en heeft dan ook

voor de banken de gelegenheid geopend om practisch
ieder noodzakelijk crediet te verlenen, zij het dan op voor de banken of voor de credietnemer of voor beidé onvoor-

deliger voorwaarden.
1-leeft er nu de facto bij de handelsbanken een crediet-

expansie plaatsgevonden? Wanneer men de balariscijfers
van de vijf grote banken van 30 April 1940 onder de

loupe neemt en deze vergelijkt met de maandcijfers van
30 November 1950 – de tussenliggende schommelingen zijn hier niet van belang, omdat gedurende de oorlog op
velerlei gebied een uitverkoop heeft plaatsgevonden,
waardoor de ‘credieten \verden afgelost -, dan blijkt, dat
op 30 April 1940 het totale bedrag dr hedrijfsdebiteuren
f 354 mln bedroeg en op 30 No’ember 1950 f 785 mln, dat
is dus iets meer dan het dubbele. Deze stijging is zo buiten-
gewoon gering vergeleken bij de stijging van de wereld-
prijzen van de artikelen, die wij voor onze ecpnomie

nodig hebben, dat de credietverlening, die in schijn eei
expansie heeft vertoond, in feite een belangrijke reductie
heeft ondergaan.

Ad2e: welke inflalionistische tendentie heeft die expan-
sie gehad of zal die hebben, heeft feitelijk in het voorgaande

al zijn beantwoording gevonden, omdat er in feite geen
expansie, maar een reductie bij de credietvrlening heeft

plaatsgevonden. De credieterlening der banken heeft

geen inflatie verwekt; voor zover er inflatie is geweest
is die gedeltelijk van buiten af tot ons gekomen door de

stijging der w’ereldprijzen; de Regering heeft getracht

door prijs- en loon- en huurcontrôle de inflatie te beperken,

maar op de wereldprijzen kon ook zij geen invloed uit-
oefenen. –

Uit het voorgaande moge duidelijk zijn, dat men ter
bestrijding van inflatie niet de bapken niet de juiste koe
bij de horens heeft gevat. Weliswaar had er in het eerste

halfjaar 1950 bij de handelsbanken een niet onbelangrijke

stijging van het debiteurensaldo plaatsgevonden, terwijl

daarentegen de fiscus over die zelfde periode een sluitende
rekening had; maar de vraag is, of niet door liet inlopen

op de achterstand, die bij de belastingen bestond, aan de

ene kant het beeld, dat de fiscus geeft, te gunstig is, terwijl

aan de andere kant eèn deel van die achterstallige belas-
tingbetalingen ten laste is gekomen der dehiteurenreke-
ningen bij de banken.

De credietrestrictie heef t niet nagelaten een schrik te
veroorzaken bij het bedrijfsleven en bij vele besturen van
gemeenten en andere publiekrechtelijke lichamen. Maar
nu men vn deze schrik bekomen is, geloof ik wel te mogen

zeggen, dat de communis oinio is: met deze crediet-
restrictie zal niet veel worden bereikt; laten *ij hopen,

dat de Overheid krachtiger middelen vindt ter bestrijding der inflatie en ter bescherming van onze gulden.

Amsterdam.

KOOLE.

Enkele opmerkingen over
.
de Neder1andse

handelsbalans

De cijfers van de in- en uitvoet’ in de maand iovember
zijn gepubliceerd en aan de hand daaivan is er weer ge-

legenheid tot beoordeling van de ontwikkeling van onze
handelsbalans.
Voor zover ik daarvan kennis heb kunnen nemen
komt deze beoordeling hierop neer, dat het dekkings-

percentage weliswaar met 4 punten is gestegen ten op-
zichte van October, doch dat over liet gehele jaar genomen
de verbetering, die zich in 1949 zo verheugend manifesteer-
de, in liet jaar 1950 weer geheel verloren is gegaan en het
te verwachten is, dat dit jaar met een lager dekkingspercen-
tage zal afsluiten dan zijn voorganger. Indien men dan
naast deze teleurstellende ontwikkeling nog verder con-
stateren moet, dat de waarde van de in- ep uitvoer uit-
gedrukt in guldens voortdurend stijgende is en dienten-
gevolge liet dalende dekkingspei’centage a fortiori een hoger’
bedrag aan guldens representeert, dan valt het te begrijpen,
dat dit, stijgende deficit op – de handelsbalans, hetwelk
slechts ten dele door de opbrengst der diensten kan w’orden
verminderd, een ongu nstige betalingsbalans bevordert, waardoor sombere verwachtingen omtrent de stabiliteit
van ons hetalingsmiddel maar al te gerechtvaardigd
schijnen.
Teneinde de gevolgtrekkingen, die uit de gepubliceerde
cijfers gemaakt kunnen worden, voor eenzijdigheid te
behoeden moge ik de aandacht vestigen op een bepaalde
ontwikkeling, die in deze statistieken besloten ligt.
Ter gereder gedachtenbepaling geef ik eerst enkele op-
stellingen van cijfers (zie de tabel in de rechter kolom).

In een artikel in ,,E.-S.B.” van 23 Augustus 1950
1)

-)
,,Enige opmerkingen omtrent de ontwikkeling van het Neder-
landse bedrijfsieveif’, blz. 682.

heb ik getracht een verklaring te geven van de wijze,
waarop onze handelsbalans in 1950 uit het evenwicht is

geraakt, m.n. waarom liet dekkingspercentage in de eersie
maanden van dat jaar is gedaald en waarom verwacht
kon worden (ik schreef het artikel in Juli, toen de Mei-
cijferi bekend waren), dat het percentage zich geleidelijk

zou herstellen en in het tweede halfjaar, ceteris paribus,
verder zou stijgen.

Invoer

Uitvoer

invoer-

Dekkings-
saldo

percentage

In millioenen guldens

Illaandgemidclelde
1949

……….
1

440,8

316,2

1

124,6

71,9
1950
Januari

580,5

395,8

184,7

68
Februari
……

519,5

313,2

206,3

60
Maart

612,1

400,3

211,8

65
April
……..

643,4

367,5

275,9

57
Mei
……….

662,0

377,4

284,6

57
Juni

690,5

429,0

261,5

6 2
Juli

626,6

444,5

182,1

71
Augustus

625,9

435,8

190,1

70
September .

653,5

466,5

187,0

71
October
……

739,2

562,2

177,4

76
November

700,2

558,3

141,9

80

Totaal Jan/Nov.

7.053,4

4.750,5

2.303,3
1948
…….

4.924,0

2.669,4

2.254,6
1949

5.289,3

3.794,4

1.494,9

Ik meen, dat het beloop ‘der maandcijfers van liet
dekkingspercentage van Januari tot November deze
verwachting bevestigt. Maar er zit in dit beloop der
Statistiek van in- en uitvoer nog meet’.
Als ik aan de hand van de cijfet’s de gemiddelde maand-
invoer der eerste vier maanden op 600 millioen stel en de

.,.

48

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

17 Januari 1951

gemiddelde uitvoer in die maanden op 870 millioen en

ik neem op dezelfde grond aan, dat de gemiddelde invoer

der maanden October en November 720 millioen bedraagt
en de gemiddelde uitvor in diezelfde periode 560 millioen,
dan blijkt, dat de invoer in het beloop van 1950, 20 pCt is

gestegen, terwijl de uitvoer met ruim 50 pCt naar boven
is gegaan. Deze ontwikkeling is verblijdend. Het is nu

maar de vraag, of zij in 1951 verder voortgang zal maken.

Over de mogelijkheid daarvan enkele opmerkingen.

In mijn aangehaalde artikel schreef ik, dat de invlod

der devaluatie zich uit in een prompte stijging van de

prijs der in te voeren grondstoffen en na enige maanden

in een zeer geleidelijke stijging der exporten, waardoor
de handelsbalans tijdelijk word t scheefgetrokken. Sinds-

dien heeft in Juli en volgende maanden, ten gevolge van

de algemene hewapeningsdi’ang in verband met het
Korea-conflict, een ontwikkeling ingezet, die een analoge
invloed heeft op de in- en uitvoercijfers. De wereldgrond-

stoffen hebben een snelle prijsstijging ondergaan, terwijl

de nationale bedrijfskringen verscheidene maanden nodig

hebben om de waarde van hun uitvoer in overeenstemming

te brengen met de duurdere invoer. De Koreaanse periode

brak reeds aan toen de devaluatie van najaar 1949 nog
niet had uitgewerkt en als gevolg daarvan is de aanpassing

van de uitvoer’ aan de invoer in het derde kwartaal 1950

opnieuw vertraagd, terwijl in de daaropvolgende kwar-

talen, mi. tot midder 1951 met verdere vertraagde aan-
passing gerekend moet worden.

Nu is het bepaald verheugend, dat in het vierde kwartaal

1951 de invoer slechts zeer matig gestegen is. Een veel
sterkere verhoging had mogen worden verwacht.

Indien het Nederlandse bedrijfsleven aan de’hand van,

de voortdurend toenemende productie van industrie en
bodem er in slaagt de invoer binnen de perken te houden,
waardoor hij vOornamelijk gericht kan worden op onont-

beerlijke grondstoffen, dan is het dunkt mij niet te op-

timistisch te verwachten, dat in de tweede helft van 1951
een dekkingspercentage wordt bereikt, waardoor de be-

talingsbalans met behulp van de diensten in evenwicht
kan komen.

Een bedreiging van deze gunstige ontwikkeling doemt

echter reeds weer op in de verregaande bewapening,

die thans geëfféctueerd wordt en waardoor een belangrijk

deel der productie aan de uitvoer onttrokken Wordt. Het

zal nodig zijn, dat het bedrijfsleven zich zodanig richt,

dat de oor.logsproductie zo min mogelijk op de export

komt te drukken. De recente begrotingsdebatten in de

Tweede Kamer hebben een scherp licht doen vallen op de

ingewikkeldheid van het probleem van een evenwichtige

betalingshalans’en begroting. 1-Jet is niet de bedoeling van
dit artikel op dit probleem nader in te gaan. Ik hoop

daarvoor elders gelegenheid te vinden. Maar wel wilde ik

trachten aan de hand van statistieken van het C.B.S.
aan te tonen, dat, hoew’el onze economische toestand

uiterst m’oeilijk is, er voor neerslachtigheid geen redeii
bestaat. –

Slechts hard en oordeelkundig werken is noodzakelijk.

Holte9.

G. VIXSEBOXSE.

Institutionele. beleggers en risicodragend kapitaal

De vraag, .of het wenselijk is een deel van de gelden der institutionele beleggers met betrekking tot de pen-
sioenverzekering te beleggen in aandelen, staat thans in

het middelpunt der belangstelling. In zijn prae-advies

voor de Vereniging voor de Staathuishoudkunde over het
vraagstuk van dè kapitaalschaarste heeft Prof. Dr J. F.
ten Doesschate een facet van dit vraagstuk belicht door

het pleit te voeren voor het opnemen van aandelen in d
beleggingsportefeuille der institutionele beleggers, mits de
uitkeringen worden gesplitst in een vast deel en een variabel

deel. Prof. Mr J. G. .Koopmans verdedigde in een interes-
sant artikel in ,,E.-S.B.” van 22 November 1950
1)
een
variatie op dit thema door aan de individuele verzekerden
de keuze je laten tussen een polis, welke recht geeft op een
lijfrente, luidend op een vast bedrag en een polis, vaarop
een variabel pensioen wordt toegekend, welke berust op
een combinatie van het beginsel der normale levens-

verzekering met dat van de beleggingsmaatschappij, zodat
er enige dekking zou worden verkregen tégen de. risico’s
verbonden aan–de daling van de waarde .van het geld.
Belangstelling voor een dergelijke polis meent Prof.

Koopmans vooral te vinden in de kringen van de midden-
stand.
Ofschoon de vermelde suggesties zijn besproken op de
algemene ledenvérgadering yan de Vereniging voor de Staathu ishoudkunde, gehouden op 25 November 1950
te Utrecht,. kan mi. toch niet worden gezegd, dat alle

aspecten van het vraagstul(voldoende tot hun recht zijn
gekomen. Alvorens enige opmerkingen te maken over
deze nieuwe denkbeelden zou ik het probleem, waarvoor’
de institutionele beleggers bij de huidige stand van zaken
zijn gesteld, willen belichten.

Zoals was te verwachten, betoonden enkele debaters zich
voorstanders van de wenselijkheid het aandelenbezit der
institutionele beleggers uit te breiden. l-Iét was dan ook

1)
,,Een verstopte bron van risicodragend kapitaal?”,
blz. 932.

mi. terecht, dat Ir J. N. Smit als vertegenwoordiger van
een pensioenfonds het afwijzend standpunt van de meeste
institutionele beleggers met betrekking tot de belegging

in aandelen aan de vergadering trachtte duidelijk te maken.

Aangezien uit hetgeen later werd gezegd bleek, dat het
misverstand nog .niet geheel uit de weg was geruimd,
zou ik ter aan’ulling op hetgeen Ir Smit naar voren heeft

gebracht, gaarne naar mijn persoonlijk inzicht de argu-
menten uiteen willen zetten, welke dé houding der institu-
tionele beleggers rechtvaardigen. Daaruit mogë blijken,
dat dit standpunt niet berust op conservatisme, maar
zijn grond vindt in gezond economisch inzicht..

Voor het beoogde doel kan ik aanknopen bij het betoog
van Prof.. ten Doesschate en Prof. Koopmans. Beide

schrijvers leggen er immers de nadruk op, dat de belegging
van de voor de verzekeringen ontvangen premiën in aan-
delen impliceert variabele uitkeringen, welke afhankelijk
zijn van het met deze beleggingen te verkrijgen rendement,
alsmede — ofschoon dit niet uitdrukkelijk wordt gezegd
— van winsten en verliezen op de hoofdsom der belegde gelden. Daaruit,volgt m.i. de conclusie, dat, zolang insti-tutionele beleggers c.ontracfueel gebonden zijn aan pen-
sioenen berekend op vaste
1
bedragen, zij niet ver-
antwoord zijn belangrijke uitbreiding te geven aan hun
beleggingen in aandelen. Terzijde moge worden opgemerkt,

dat de meeste institutionele beleggers hun onkostenreserve
beleggen in onroerend goed en aandelen, omdat men wel
eens aanneemt, dat het rendement dezer beleggingen
zou fluctueren met het prijsniveau, dus met de admini-
stratiekosten dezer instellingen.

1-let zou echter m.i. niet verstandig zijn de uitbreiding

van het aandelenbezit der institutionele beleggers uit-
sluitend op bovengenoemde principiële grond te verwerpen
zonder de praktische consequenties van een dergelijke
uitbreiding nader te onderzoekén. Hiertoe is nodig het
rendement op aandelen, alsmede de mogelijkheid eventuele

17 Januari 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

49

koerswinsten ten bate van de pensioenvoorziening te

brengen, afzonderlijk te bezien.

Indien bijv. de juistheid zou kunnen worden aangetoond

van de stelling van de voorstanders van genoemde be-
leggingspolitiek, dat het gemiddeld rendement van aan-

delen, inclusief rneen risicopremïe over een langere periode
niet ongunstiger zou zijn dan dat van obligaties, zou dit

belegging in aandelen voor, de
,
fondsen aantrekkelijker

maken. In dit geval zouden immers door reserve-

ring fluctuaties ih de opbrengst der dividenden en
eventueel verliezen op de hoofdsom kunnen worden
genivelleei’d en zou ook de bij de onlangs tot stand

gekomen herziening van enkele belastingwetten opge-

nomen bepaling, dat institutionele beleggers de 15 pCt
voorheffing van de divïdendbelating kunnen terugvorde-
ren, meer betekenis krijgen. Voorts zou zeker van invloed

zijn, indien zodanige vijzigingen in de fiscale maatregelen

konden worden gebracht, dat van schijnwinsten, ontstaan doordat de onderneming slechts mag afschrijven op basis

van de historische kostprijs, indien en voor zover zij ten

gûnste van de pensioenvoorzieningen zouden worden aan-
gewend, nietlanger ca 40 pCt vennootschapsbelasting aan
de fiscus zou moeten worden afgedragen. De pensioen-
fondsen zouden dan gemakkelijker het experiment kunnen

wagen aandelen van prima ondernemingen in hun porte-
feuilles op te nemen.
Jammer genoeg voldoet in de ns-oorlogsjaren het
rendement op aandelen – uitzonderingen daargelaten –

niet aan de hierboven gestelde eisen. Fiscale maatregelen
en dividendstop hebben tot gevolg, dat de voordelen van
dit soort beleggingen ten gevolge van de waardedaling
van het geld of van een gunstige conjunctuur, welke in

een vrijere economie zouden toevallen aan aandeelhouders,
i.c. de pensioenfondsen, in de huidige omstandigheden
worden afgeroomd door de Overheid. Deze ontwikkeling
is de oorzaak, dat het verschil in rendement tussen aan-delen en obligaties grotendeels is verdwenen of althans
veel geringer is geworden. In vele gevallen is het rendement
op aandelen immers zodanig, dat van een risicopremie om
eventueel verlies te compenseren ternauwernood kan
worden gesproken. Dat dit, mede in verband met de
noodzakelijkheid de hoofdsom intakt te houdèn, bedenke-

lijk is, wordt duidelijk indien men zich herinnert, dat in
de jaren 20 en 30 menige grote onderneming na het door-
maken van een crisis genoodzaakt was de waarde zijner
aandelen op minder dan de helft van de normale waarde
af te stempelen. 1-let komt mij voor, dat er weinig waar-
nemers zullen zijn, die een dergelijke gang van zaken in
de toekomst voor onmogelijk zullen houden Is het dan
een wonder, dat institutionele beleggers, wier eerste ver-
antwoordelijkheid is de hoofdsm van de hun toever-
trouwde gelden zeker te stellen, huiverig zijn om voor
grote bedragen deel te nemen in de financiering van het
bedrijfsleven? –
Wanneer men de consequenties overdenkt, waarvobr
institutionele beleggers zullen komen te staan, die zouden besluiten een déel hunner gelden in aandelen te beleggen,
behoort te worden bedacht, dat de beurshandel hier te
lande van beperkte omvang is, zodat bij het aanbieden
van grote posten de koersen dezer effecten snel zouden
kunnen dalen en reeds uit dien hoofde bezwaren zouden
kunnen ontstaan. Het spreekt vanzelf, dat de beurs het
toetreden van nieuwe kopers of verkopers op prijs zou
stellen, maar het is twijfelachtig, of het optreden van
enkele zeer grote deelnemers met gelijkgerichte belangen
rep. beleggingsmaatschappijen, welke volgens de idee
der fixed trust de voorkeur geven aan bepaalde fondsen,
het functionneren van de beurs gunstig zou beïnvloeden.
Tenslotte kan er op worden gewezen, dat voor het

beheer van’ een aandelenportefeuille van zekere omvang
een bijzondere deskundigheid nodig is en een apparaat,
dat de meeste institutionele beleggers niet bezitten. Zij

zullen dus aangwezen zijn op adviezeii van belanghebben-

den, waaraan – de goede adviseurs niet te na gesproken
– zekere risico’s zijn verbonden.

De hierbôven uiteengezette redenen geven een verklaring
van de terughoudendheid der institutionele beleggers om
van de veilige paden van een belegging in in hoofdzaak

vastrenende fondsen af te wijken, zelfs indien ontwaarding

van de geldeenheid de reële waarde der toegezegde pen-
sioenen bedreigt.

De institutionele beleggers weten, dat het bezit van
aandelen, behoudens verkoop tegen een onbekende koers,
blijvende deelneming in 4e onderneniing betekent. Zij

hebben echter slechts tijdelijk het beheer over de hun toe-

vertrouwde gelden, waarvan zij na afloop van perioden van
soms enkele tientallen jaren de hoofdsom voor het uitkeren

van pensioénen wederom ter beschikking moeten hebben.
Daarom geven zij de voorkeur aan vastrentende fondsen,

welke op de juiste rendenentsbasis gekocht een looptijd

hebben, welke in overeenstemming js met de looptijd van

hun contracten. Bedoelde fondsen kunnen zij in porte-

feuille houden totdat, afgezien van de mogelijkheid van

conversie, het moment van aflossing is gekomen.
Wanneer het bovenstaande tot de conclusie voert, dat
het voor institutionele beleggers thans om principiële
en praktische redenen niet wenselijk is over te gaan tot

uitbreiding van hun beleggingen in aandelen, dan betekent
dit niet, dat dit ten allen tijde het geval zal zijn. Verschil-
lende der genoemde praktische bezwaren zouden kunnen
wegvallen. FIet rendement op aandelen zou kunnen ver-

beteen. Fiscale bezwaren zouden kunnen worden vegge-
nomen en de dividendstop zou kunnen worden opgeheven.

Ook de principiële belemmering lijkt, indien men de
oplossing zoekt in de richting, aangegeven door Prof. ten
Doesschate en Prof. Koopmans, niet onoverkomelijk.
In deze gedachtegang veroorzaken de huidige pensioen-
regelitigen,, welke aan de verzekerden een vast in guldens
uitgedrukt recht op pensioen in verband met salaris en
dienstjaren garanderen een element van verstarring, dat

doorwerkt in de beleggingssfeer en tot gevolg heeft, dat
de pensioenfondsen beperkt zijn in hun vrijheid van hande-
len hij de keuze hunner beleggingen. Misschien zou in
aansluiting op de suggestie van Prof. Koopmans een
Qplossing kunnen worden gevonden door een deel van het
fonds af te zonderen ten behoeve van degeiien, die naast
het normale sterfterisico het risico van daling van de
geldwaarde wensen te dekken, terwijl dit deel gemengd
in aandelen en vastrentende fondsen zou kunnen worden
belegd.
Eventuele voordelen van dit deel van het fonds ver-
worven in een jaar met een gunstige conjunctuur, waarbij
het rendement uitkomt boven de aan de pensioenherek’e-ningen ten grondslag liggende rente, resp. verkregen door
omwisseling van effecten, zouden voor het aan de be-
trokken pensioentrekkers toekomende gedeelte kunnen
worden gebruikt om de pensioenen in het komende jaar
enigszins te verhogen. Mochten echter in de depressie de
uitkomsten van het fonds ongunstig zijn, dan zouden de
pensioenen voor de komende periode een weinig kunnen en wellicht moeten worden vei’laagd. Een dergelijke ver-
laging kan, indien zij valt in een periode van dalende
conjunctuur döor een eventuele daling van de kosten van
levensonderhoud enigermate worden gecompenseerd.
Met Prof. Koopmans hen ik het eens, dat aah de ver-
zekerde de keuze moet worden gelaten, of hij de speciale
risico’s verbonden aan de dekking van het valutarisico
wenst te aanvaarden. Of deze gedachte binnen het kader
der pensioenfondsen is te verwezenlijken, is echter een
vraag, welke zo maar niet kan worden beantwoord.
Het lijkt verstandig niet te optimistisch te zijn, om-
dat het mede in verband met voorgaande beschouwingen
uitgesloten lijkt, dat belegging van het fonds in aandelen
het thans mogelijk zou maken zonder premieverhoging

-.

…w,

50

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

17 Januari 1951

pensioenen te garanderen, welke zouden variëren met het

indexcijfer van de kosten van levensonderhoud.

Soms lijkt het, of het zoeken naar een methode om

waardevaste pensioenen te garanderen in een tijd, dat de

Overheid niet in staat blijkt geldontwaarding te voor-

komen, is als het zâeken naar de steen der wijzen. Dit
streven roept het beeld op van een eiland, omspold door

een woelige zee. De bestuurders zijn er niet in geslaagd de
dijken te herstellen en het water stroomt naar binnen.

Zou het dan veel helpen indien de burgers zich met behulp

van gummipakken trachten te beschermen tegen het
opkomende water?

Deze in algemene termen vervatte opmerking bedoelt

niet-zijdelings een oordeel te geven over de suggestie om

door middel van een in omslag gefinancierde wettelijke

ouderdomsverzekering pensioenen te koppelen aan het

gemiddelde loon, resp. inkomensniveau, hetgeen iets

anders is dan het garanderen van waardevaste pensioenen

in aansluiting op het beloop van het indexcijfer van de
kosten van levensonderhoud. Een dergelijke oplossing
lijkt niet voor een het gehele volk omvattende verzekeriig

wenselijk en mogelijk, al moet daaraan worden toegevoegd,

dat de daarmede samenhangende problemen ingewikkelder
zijn dan veelal in de laatste tijd verschenen publicaties

wordt aangenomen.

Amsterdam.

J. H. VAN HOLTHE TOT ECHTEN.

Een navolgenswaardig voorbeeld inzake

Duitse merken

Het beslag op de Duitse •handelsmerken berust, voor zover individuele regeringen niet reeds eerder dezelfde

maatregel namen, op art. 6 van de bepalingen van het

Parijse Jiersielverdrag van 14 Januari 1946, dat de ge-

zamenlijke geallieerden onder elkaar sloten., De tekst

van het betrekkelijke voorschrift van art. 6 luidt: ,,Each
signatory Government shall hold ordisposeof German ene-
my assets within its jurisdiction”. Onder de ,,assets”, de

.vermogensbestanddelen, heeft men onmiddellijk de waren-

merken begrepen. Dat dit zo vanzelf sprak, is uit de
volgende overwegingen te verklaren:

men wilde terecht op zoveel mogelijk Duitse ver-
mogensbestanddelen beslag leggen en dit tevens zo snel
mogelijk doen;

de warenmerken, of zij firmanaam zijn of niet,
zijn inderdaad vermogensbestanddelen (echter van een

bijzondere aard);

door de meeste regeringen was de maatregel indivi-
dueel reeds genomen. Het besluit te Parijs is dus een voortzetting van dezelfde

• opzet, welke, wat ons land betreft, reeds in het Besluit
Vijandelijk Vermogen (1944) verankerd lag, een maat-
regel, zoals ongetwijfeld ook de andere bezette geallieerde
landen, welke op het punt stonden bevrijd te worden,
toen genomen hebben, en natuurlijk alle onbezet gebleven
geallieerde landen, reeds eerder, nl. van het ogenb’lik af,
dat deze in de oorlog tegen Duitsland werden betrokken; in het evengenoemde Besluit, art. 1 sub 8, wordt zelfs de
handelsnaam, waarvan de bescherming niet eens
Oj)
inschrijving, doch op feitelijk gebruik berust, als voor
beslag vatbaar vermogensbestanddeel, met zoveel woorden
genoemd!
Deze denkwijze (resp.
,
de daaruit voortgevloeide maat
regelen van geallieerde regeringen) is echter onjuist,
o.a. op de volgende gronden:
het merk sluit niet alleen een recht in voor de eigenaar
er van, doch ook een, in het internationale merkenrecht
en in verschillende landelijke wetgevingen, neergelegde

en beschermde garantie voor het publiek; met de terzijde-
stelling van het Unietractaat (Parijs, 1883, enz.) schendt
men autorfiatisch ook deze zijde van het merk
1);

het merk is weliswaar een iermogensbestabddeel,
ddch men kan het niet los denken van het bedrijf, waarin
het betrekkelijke artikel volgens bepaalde recepten wordt

geproduceerd; dit bedrijf heeft het merk uitgedacht,
resp. vaak is het de naam van de producent zelf, welke
als merk dient; zo zeer spreekt de bescherming daarvan

1)
Zie hierover en over de consequenties mijn opstel in„E.-S.B.’,
no 1753 van 13’December 1950 en ,,Der Markenartikel”, Heft 8.

vanzelf, dat art. 8 van het Unietractaat deze naam bij-

zonder beschermt en zelfs onafhankelijk van eventuele
registratie als merk erkent. lIet is onlogisch en in strijd

met het begrip ,,merk” om andere merken – welke niet

tevens firmanaam zijn – op lager niveau te willen plaatsen
en niet te willen beschermen; deze zijn even zeer aan het
bedrijf gebonden (zo duidelijk in tegenstelling tot octrooien,

welke een werkwijze resp. een volgens die werkwijze

gemaakt product beschermen en derhalve onpersoonlijk

zijn). Onze nationale merkenwet schrijft uitdrukkelijk

voor, dat merken slechts met het bedrijf kunnen worden
overgedragen (hieraan wordt niets afgedaan door het

feit, dat men dit voorschrift kan saboteren door het merk
eerst te laten doorhalen), en de wet ‘van 7 Juni 1950

(K 217), (zie beneden), onderstreept dit voorschrift nog

eens door bij uitzondering te bepalen, dat, bij overdracht

door de Staat, van een hem toebehorend (vijandelijk)
merk, deze overdracht ook wordt aangetekend, als de
Staat niet tevens de fabriek of haridelsinrichting, ‘tot onderscheiding van welker. waren het merk bestemd
was, mede overdraagt (zie, beneden).

Men vergelijkt het merk vaak met het auteursrecht -en
acht het even persoonlijk als dat recht. Flet recht
01)
het
merk is echter nog van persoonlijker aard dan het auteurs-

recht. Zodra het muziekstuk of het literaire of het weten-
schappelijke werk gereed en verkocht is, is het een zelf

standige bron van inkomsten geworden, welke ook ten
behoeve van een ander dan de schepper kan blijven
vloeien; zijn de recettes er eenmaal, dan is het auteurs-
recht van dat ogenblik af tot een zuivei commerciële
onderneming geworden. 1-let merk blijft echter, doordat
de bron dagelijles nieuwe productie geeft, welke op grond

van het gebruik van bepaalde recepten gelijkblijvend
moet zijn, aan het producerende bedrijf gebonden.
1-let heeft niet lang geduurd, of men is zich in geallieèrde
kringen van zijn d\yaling reeds bewust geworden, indien
men althans deel 11.1 par. 6, resp. GA van de aanvullende

,,Rules of Accounting for German. External Assets”,
welke op 21 November 1947 door de aan het 1-lerstel-
verdrag van Parijs deelnemende geallieerde Staten werden
aangenomen, als zulk een erkenning mag beschouwen.
De bedoelde passage luidt (iets verkort): . .
6. A Signatory Government shall be entitled to exclud
q
,
from the charge to -be made, assets within the follo*ing
categories if such assets have not been seized, .or h
1
ve
been released, or will be released. • • –
A. Patents and. trademarks, designs and liteeay tnd
artistic property.

…. ,


(Vervolgens komen er nog tien categorieëiij.

17 Januari 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

’51

Uit het bovenstaande volgt, dat geen enkele geallieerde

regering op grond van art. 6 van het Herstelverdrag

verplicht is de Duitse merken in beslag te nemen, resp.
indien dit beslag reeds plaatsvond, elke geallieertle rege-
ring, na 21 November 1947, het beslag weer kan opheffen.

Daarmede is het recht op de beslissing, of de merken onder

de Duitse vermogensbestancidelen vallen, aan elke ge-
allieerde staat afzonderlijk oJergegaan. Ieder dezer

regeringen heeft daarbij het recht teruggekregen, naar

eigen wetten en inzicht t.a.v. de Duitse merkenzelfstandig
te handelen.

In ‘ons land heeft men de in het Besluit Vijandelijk

Vermogen erkende en in het Flerstelverdrag van Parijs

onderstreepte opvatting, de tegenvoeter van de bepalingen
van het Unietractaat, in de praktijk, zoals deze door de

Stichting Beheer Vijandelijke Octrooien & Merken wordt

uitgeoefend, voortgezet. 1-let Besluit Vijandelijk Vermogen

draagt h,et beheer van de, vijandelijke vermogensbestand-

delen over aan de rechtspersoon Nederlands Beheers
instituut, doch bepaalt in art. 35, dat dit Instituut be-
paalde taken aan een speciale instantie kan delegeren.
Het Nederlands Beheersinstitijut heeft van deze bevoegd-
heid gebruik gemaakt door het beheer van de octrooien

en merken aan de Stichting Beheer Vijandelijke Octrooien
&,

Merken op te di’agen, hetgeen wei noodzakelijk is in ver-

band met het feit, dat de behandeling van deze vermogens-
waarden, van uitzonderlijke aard als zij zijn, bijzondere
kennis van zaken vereist.

Daar de vijandelijke merken, voor- zover nog niet
overgedragen, nu eigendom van de Staat der Nederlanden
zijn, verlangt de Stichting, volkomen -consequent en
overeenkomstig haar plicht, sedert enige tijd de betaling
van een som, door de importeur van elke Duits merk-
artikel, tot 1 pCt van,het factuurbeclrag. Daar de Stichting
het eigendom van de Staat beheei’t,’is zij immers, overeen-
komstig de bepalingen vn Boek III titel 17 B.W., over-
gebracht op het publiekrecht, ook verplicht deze taak als
goed huisvader te vervullen! De Stichting treft hier dus
niet alleen geen blaam, integendeel, zij behoort dit te doen

in het voetspoor van de Regering. Niettemin ziet ‘men

hieruit, tot welke consetuenties de eerste verkeerde stap
in het jongste verleden al dadelijk leidt. Maar nog veel
duidelijker blijkt dat uit de bepaling in art. 2 van de
Wet van 7 Juni 1950 (K, 217), waarbij – ook al weer
consequent – in afwijking van de bepalingen van de

Merkenwet moest worden bepaald, dat een aan de Staat
der Nederlanden toebehorend merk ook zonder het be-
-trekkelijke bedrijf ((lat in Duitsland ligt) kan

worden
overgedragen. Men ziet hieruit, dat men met het oude, zelfs
in het nationale recht neergelegde, begrip van samenhorig-
heid van bedrijf en merk, in strijd rnoèt komen, als men

in 1944 (Besluit Vijandelijk Vermtigen) en 1946 (1-lerstel-
verdrag van Parijs) de pi’incipiële fout maakt, de merken
als een van het bedrijf los vernogensbestanddeel te be
s

schouwen. 1-her geldt ‘met recht het gezegde: van kwaad
tot erger.

1-let is een opmerkelijk feit, dat het juist Frankrijk

(Duitslands oudste vijand) is geweest, waar, dp 24 Novem-
ber 1950, de ,,Conseil de l’Association française pour la
protection de la propriété industrielle”, onder verwijzing, eerst naar art. 6 van het 1-lerstelverdrag, vervolgens naar
111-6 der ,,Rules of Accounting”, tot de volgende conclusie
tav. het wezen, de waarden, de functies van het merk
komt:

– ,,fabrieks- en firmamêrken hebben als eigenlijke, zo
niet als uitsluitende functie, de oorsprong ea de kwaliteit van het betrekkelijke product te garanderen. De verkoop
van pi’oducten door een ander dan de eigenaar dezer
merken of firmanamen (vaak zijn beide verenigd), zonder
de meestal geheime recepten te kennen,’ veroorzaakt
misleiding van het publiek en laat het merk een rol spelen,

welke met zijn functie in volkomen tegenstelling is. Een-

maal teleurgesteld, weigert de consument wederom een

artikel te kopen, dat van een vals merk is voorzier. Op’
deze wijze misbruikt, verliezen deze merken weldra ,elke

waarde. De Frans-Duitse handelsovereenkomsten zijn niet

in overeenstemming met het verbod van het gebruik der

merken en namen dooi’ hun vroegere eigenaar. 1-let ver-

lenen van licenties door de sequester aan niet-Duitse
speculanten geeft aanleiding tot immoi’ele praktijken.

Zulke handelwijzen zijn in strijd met de elementaire zaken-
moraal en in het bijzonder met de voorschriften van de
pa”. 6, 6bis, 8, 10 en lObis van liet Unietractaat van

Parijs en van Madrid,. welke zowel door Frankrijk als

door Duitsland, werden ondertekend, en zijn derhalve on-

tolaatbaar. In de kringen van handel en nijverheid
breekt zich meer en meer de beweging ten gunste van de

teruggave der merken en handeisnamen aan de Duitsers

baan. Deze teruggave is een noodzakelijke voorwaarde

tot het herstel van de internationale handel en dient als

een pand des vredes. Op al deze gronden neemt de Cons’eil

eenstemmig de volgende motie aan:
de merken en firmanamen, onverschillig of ze onder supervisie van .de sequester staan of niet, behoren Ön:
verwijld aan hun Duitse eigenaren te worden terugge-

geven”.
Tot zover de motie van de Franse vereniging, en de

gronden, waarop zij rust. liet valt te betreuren, dat in
het land van Flugo de Groot tot dusver een andere op-
vatting wordt gehuldigd. Een geallieerde Staat, die in

zijn nationale wet het merk aan het bedrijf gebonden acht,
en vooral, die het Unieti’actaat heeft medeoridertekend,
behoort zich aail het door hem reeds eerder erkende, hoge,
internationale beginsel van de noodzakelijke bescherming
van het warenmerk, ook nu
gebon4en
te blijven voelen.

Zo zou men althans menen. Anders’vervalt men automa-
tisch in hetgeen in ons land consequent is geschied.

Scheveningen.

Dr C. SCI-IOUTEN. –

INGEZONDEN STUK

Een verstopte bron van risicodragend

kapitaal?

De heer J. M. Fehmers te Londen schrijft ons

In ,,,The Sunday Times” van 29 October 1950 raad-t
Mr. George Schw’artz een ,,young married man with one
child and the expectation of another” het volgende aan:
,,You must insure you!’ lfe to provide against the con-
tingency of your early death.’ True the premiums you
pay yearly which go to provide the fund for eventual pay-
ment may steadily lose their real value, but since you have
no specialised knowledge and certainly insufficient capital
to cope with iriflationary risks, you haverio option. You
must insure”.

In wezen wordt hetzelfde ‘probleem yan ,,the young
married man” ook door Prof. Koopmans in diens artikel
in ,,E.-S.B.” van 22 November 1950 beschouwd. 1-let

publiek zoekt ,een spaarmedium, dat een stabiele reële
waarde behoudt. De oplossing, die Prof. Koopmans aan-

wijst, draagt er tevens toe bij, dat risicodragend kapitaal
kan worden verstrekt aan bepaalde.sectoren van het be-
drijfsleven. De belangen van deze (kleine?) -bedrijven en
de op ,,Sachwerte” beluste belgger gaan parallel. De vraag rijst echter, of de moeilijkheden, waarvan er
enkele door Prof. Koopmahs reeds worden enoemd, het
voorstel op korte termijn aanvaardbaar maken. De be-
zwaren van traditionele,’ formele en practische aard zijn

52

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

17 Januari1951

aanzienlijk, indien men althans vasthoudt aan de gemengde

polisvorm, thans de hoofdprestatie-verplichting van de

institutionele belegger. Een variant op Prof. Koopmans’ gedachte zou inmiddels een oplossing kunnen geven op

korte termijn, zij het ook niet ten aanzien van de pensioen-

fondséh. De verzekeringsmaatschappijen zouden namelijk
meer dan thans het geval is, polissen kunnen afgeven,

zuiver afgesloten tot het dekken van het overlijdensrisico

van de verzekerden. De premies hiervoor kunnen betrek-
kelijk laag zijn. hiernaast zouden de verzekeringsmaat-

schappijen spaarbedragen in ontvangst kunnen nemen,

waarvan de belegging geschiede op instructie van de
spaarder. De dwang tot het periodiek opzij leggen van een

zeker bedrag valt op eenvoudige wijze contractueel te hand-

haven: spaarders stellen een dergelijke dwang als regel
op prijs. De verzekeringsmaatschappijen kunnen hun des-

kundig apparaat ten dienste van de individuele beleggers

stellen en zij kunnen.aan bijzondere wensen van beleggers

(bijv. specifiek locale investeringen) gevolg geven.

Om aan een aldus verwekte nieuwe beleggingsvraag

tegemoet te komen, zou de uitgifte van zeer kleine depôt-
fractiebewij zen of zeer kleine aandelencoupures kunnen
‘worden gestimuleerd.

De grote institutionele ‘beleggersgroep van de pensioen-
fondsen zou uiteraard buiten een dergelijk schema moeten
blijven, daar zij verplicht is tot het aanhouden van zekere
beleggingsvormen. Ook het beheer van de dekking tegen

zuiver overlijdensrisico zal gebonden blijven aan de ortho.
doxe regel.

Ten minste zou echter voor de vrijwillige spaarverzeke-,
ringen een aan de eisen van de tijd aangepaste beleggings-,
mogelijkheid worden geboden. Het blijft inmiddels te be-

zien, of, de niet-vastrentende beleggingsvormen over het
algemeen bij benadering zoveel appreciëren als de reële
waarde van het geld daalt.

iVaschrijt.

De door de geachte inzender aangegeven variant op de

door mij voorgestelde verzekeringsvorm komt neer op
een splitsing tussen het zuivère risiöodekkingselement en,
het spaarelement in de gebruikelijke polissen van kapi-‘taalverzekering, waarbij dan uitsluitend voor het laatst-
genoemde element mijn suggestie van belegging in aan-

11
delen of andere ,,Sachwerte” wordt overgenomen. Dezelfde

gedachte wordt eveneens ontwikkeld in een lezenswaardig
artikel van de hand van Dr
C.
Sytsma in het Januari-
nummer van ,,De Wacht”, Maandblad van de Algemeene
Friesche Levensverzekeringmaatschappij, waarbij de schrij –
ver – in aansluiting bij het in mijn oorspronkelijke

artikel gebruikte woord ,,koppelverkoop” – van een
,,ontkoppeling” van deze beide elementen spreekt.
Ik erken gaarne, dat in deze suggestie in beginsel een
mogelijkheid ligt om het door mtj beoogde doel – waarvan
de wenselijkheid zowel door de heer Fehmers als door Dr
Sytsma wordt erkend – nog langs een andere dan de door
mij aangegeven weg te bereiken. Een beschouwing om-
trent de relatieve voor- en nadelen van deze beide alter-
natieve methoden komt mij voor een vruchtbaar uitgangs-
punt voor verdere discussie te vormen. Op dit ogenblik
zou ik willen volstaan met een tweetal opmerkingen. In

de eerste plaats, dat beide schrijvers erkennen, dat het
deel van de premie, dat voor de zuivere risicodekking
dient – maar dat, zoals Dr Sytsma terecht opmerkt,
toch ook nog een zeker spaarelement inhoudt, nl. omdat
het risico zelf van jaar tot ‘jaar stijgt, terwijl de pren1ie
om praktische redenen constant zou moeten zijn, zodat in
de eerste jaren een zekere reserve gevormd wordt – ,,vol-

gens de orthodoxe regel”, dus in vastrentende waarden,

belegd zou moeten blijven, zodat het door mij beoogde
doel in zoverre slechts ten dele zou worden bereikt. Dit
zou m.i. alleen dan geen overwegend bezwaar zijn, indien
de maats(
,
.happijen voor de houders van zodanige zuivere

risicopolissen de mogelijkheid zouden kunnen openen om,

in geval van een ingetreden waardedaling van de geld-

eenheid, een daarmede corresponderende bijverzekering

(dus verhoging van het verzekerde bedrag met gelijktijdige
overeenkomstige verhoging van de verschudigde premie) te sluiten
zonder nieuw geneeskundig onderzoek;
dit laatste
is mi. essentieel om de risicdekking, waar’op men bij het
aangaan van de oorspronkelijke polis rekende, in feite te

blijven behouden. Zonder een dergelijke faciliteit zou de
hier -‘oorgestelde variant naar mijn mening op een be-

langrijk punt bij de door mij aangegeven oplossing
ten achter staan.

Mijn tweede opmerking is neer van psychologisch’e

aard. Naar het mij voorkomt is de betrekkelijk geringe
mate, waarin de ,,zuivere” risicodekkingspolis thans in

de praktijk w’ordt toegepast, voornamelijk toe te schrijven

aan een – begrijpelijke – tegenzin van de verzekering-
nemers om een relatief hoge premie te betalen met de vrij

grote kans, dat men (in geval van niet overlijden binnen

de verzekeringstermijn) hiervoor ,,niets terugkrijgt”. Ook

dit is één van de ,,traditionele” elementen, waarop de-

heer Fehmers in zijn ingezonden stuk zinspeelt. Het lijkt
mij nu zeer de vraag, of deze psychologische weerstand van
de aspirant-verzekeringnemers in de. praktijk niet even

moeilijk of moeilijker te overwinnen’ zal blijken als de
bezwaren van ,,traditionele” aard tegen mijn voorstel,

dat op het punt van de nu eenmaal ingeburgerde koppe-
ling van het risicodekkings- en het spaaFelement in de
levensverzekering als zodanig juist
geen
verandering
beoogt te brengen. Ik besef echter ten volle, dat het laatste
woord over de keuze tussen deze beide mogelijkheden

hiermede nog niet is gezegd, en blijf dan ook tot een

nadere constructieve gedachtenwisseling op dit en even-
tuele andere punten gaarne bereid. –

‘s-Gravenhage.

J. G. KOOPMANS.

London’ Lettèr

Already the mortality amongst good resolutiohs has
been high, but the ternptation at the beginning of the

year to look backwards and forvards is

too strong to be
resisted. In succomhing, my own weakness is not solely to blame: the Chancellor of the Exchequer tempted me.
And who better indeed?

Mr. Gaitskell published new figures on the state of the
gold and dollar reserves at the end of 1950. These figures
are listed in the table below, together with the comparable amounts for the preceding three quarters. Readers wishing
to go back to the beginning of 1947, should refer to the table in the ,,London Letter” of October 5
1).

These figures show a continuous improvement in the
gold and dollar surplus earned. The latest statistics have

to be treated with caution. Last October, rumours of reva-
luâtion lcd to large amountsof money being sent to this
country in order to appreciate. The Chancellor estimates
that this single cause accounts for one-third of the total
ordinary surplus of 398 millions, that is to say for something
like S 133 millions.

The fourth quarter’s figures have been revised in order
to eliminate the inflow arising from the special circum-
stances. This calculation demonstrates that the figure of
the gold and dollar reserves as published is too high

for it contains about $ 133 millions of virtually ,,h.ot”
money. Since the money is not free to be repatriated, it’is
a kind of payment in advance. Thus, the current quarter’s, income will be affected by drawings on the ,,hot” money.
At this point, it is only right to say that the ,,hot” money is not segregated in any special accounts, and that when

‘)
,,E.-S.13″ of October t lth 1950.

17 Januari 1951

ECONO MISCH-S TA TIS TISCHE BERICHTEN

53

the quartet’ ends, there will be no means of ascertaining
how much has heen taken out. Despite this later lack of

quantitative measurement, the general effect will he to reduce the current quarter’s income and the reserves at

the end of the period.

TABLE
I.

Gold and

Gold and

dollar i External

Total

dollar

deficit

Ald

deficit

reserves
or surplus

or surplus at end of
period

(S millions)

950 ist quarter
+

40
+
256
+
296
1984
Znd
+
180
+
258
+
438
2,422
3rd
+
187
+
147
+
334
2,756
kth
+
398
+
146
+
544
3,300
4th
(revised) (a)
+
265
+
146
+
411
3,167 (b)
+
133

+
133
133

ordinary.
special.

The present cjuarter will also feel the effects of the
cessation of Marshall aid.
ryhus
the rate at which the gold
and dollar reserves increase will depend upon the sterling
area’s earning capacity. On this showing, a trifle moi’e

than one-half of the “December quarter’s surplus will
disappear. And under the present arrangements, the
United Kingdorn is due to pay £ 60 millions (say $ 180
millions) on the United States and Canadian lines of
credit. That payment, assuming that all other things are equal, would bring the current month’s surplus down to
about $ 85 millions. This might seem a very small sum,
but it would be an improvement on, say the third quartet’
of 1948, when the total deficit was $ 226 millions, despite
the receipt of $ 313 millions external aid.
The outlook is, however, not so dark as the calculations
above would suggest. In the first place, payments were
made in the December, 1950 quarter for grain and tobacco,
both heavy drains on the sterling area’s reserves. These
will not be repeated in the March, 1951 quarter. In addition,
the sterling area should receive its cheque for the wool
sales, and that will be exceptionally large. Neithei- of these

items is capable of statistical measurement at this stage.
But some idea of their importance can be gained.
Mr. Gaitskell has said that the actual rate of gain of
gold and dollars in November and December w’as rather
b’elow the average rate of the – two previous ‘quarters.
Reference to table 1 shows that rate to have been $ GO
millions. The tcrm ,,iather below” is open to individual
interprettions, and for my purpose, 1 am assuming that
it means an arnount so small as Ie be negligible. From this
it can be inferred that the surplus of $ .398 millions can
be allocated as foliows: December
$
60 millions; Novem-
bot’ $ 60 millions, ,leaving October with $ 278 millions
(of which $ 133 millions were ,,hot” and, hence, $ 145
millions oi’dinary). The seasonal drain of grain and tobacco
was, therefoi’e, over_$ 80 millions in November. and
December. it would follow that during the current quarter,
the rate of gain can go up, onco moi’e to about $ 145
millions a month. The ëontïnued strength of sterling
commodities, and the large number of record prices paid
for vool in the last few days, confirms ‘that the sterling
area can expect anothet’ good quart.er. Even so, the day
is far distant when ‘the sterling area can afford to revaiue

sterling om’ to make it convertible. As the prices of commo-
dities rise,so the amôunt of money which the area holds
must also rise, for the function of the reserves is to buy
goods out of .capital when income is insufficient.
In the future, ho0evei’, monetary considerations will
have less influence in obtairiing raw materials than
formerly. Only this week i’umdurs from New York suggest

that the British Ministry of Supply is purchasing about
20,000 tons of zinc – about one month’s noi’rnal supplv.

Thi is probably more the result of the meeting of Mr.

Attlee and Mr. Truman in Washington than of the ahility

of British negotiators to pay dollars. This is not, ho’ever,
to take a high and mighty attitude towards the gold and

dollar reserves. They will be useful if and when the world

returns to a more commercial frame of mmd; and the –

larger they can be made, thé hettei’ it will be.

The change that has come over the economy generally

is the ti’ansfer of worries over dollars and exports to fore-
bodings for coal. This is no
r1ory
scare; the possibility of a fu,el crisis, in the mïdst of a rearmameiit drive, is very
real. The Government has asked the miners to work on

Satui’days – an encroachment on the
week-end
is a sure

sign of dire necessity. Shop window lighting and illumina-
tcd advertising has been abandonect, rail services are to ho cut, Americancoal is to be imported, and éxports are

to be reduced. The low level of. stocks is not something

new; the deterioration in the position is indicated in the

table below.

TABLE II.

Excess or
Total stocks

deficit
of
1950
comp
th
ared
wi
9491950

1949

Tisousand tOns

14,677 15,253
+

576
13,470 13,155

315
12,422
11,834

903

January

……………
14’ehruary

…………..

12,137
10,852

1,285
March

……………
April

……………..
May

………………
12,934 11,397

1,537
June

……………….
14,652
..
12,933

1,517
November

………….
18,932
16,415
—2,517

This decline in stocks was accompanied by a rise in
consumption 50
that the relative change is gi’eater than
that suggested.
The miners kre to receive additional pay, and arrange-
ments for contributory pensions are to he made. The
miner.s are not to ho granted additional holidays with
pay because of the feared loss of output. This attitude
towards holidays can be taken to mean that the attrac-
tions of the new pay rates, .which, incidentally mean
higher coal prices, will not be very great. Moreover, the
miners still look askance at the proposal to make pensions
contributory: the police and regular soldiers have non-
contributory pensions. And a fuel crisis might demonttrate
that the safety of these islands depends as much on 700,000
miners as on the Armed Forces.
The British character has been moulded, so we are told,
by our weather. Our economie life, and who knows what
cisc, will be fashioned over the next few weeks, at least, by the severity or mildness of the weather.

Loudon, Januay 12, 1951.

HENRY HAKE.

BOEKBESPREKING

Di’ A. C. M. Qan Keep: ,,De Diodendpo1üiek”,
Proef-

schrift, Tilburg, H. E. Stenfert Kroese’s Uitgevers-
Mij NV., Leiden 1950, 160 blz.

Dividendpolitiek is een nog weinig beschreven aspect
van de financiering van de onderneming; geordend

feitenmateriaal oithreekt trouwens. In dit boek worden,
behalve de verhouding van de onderneming tot haar aan-

deelhouders, ook in het kort de winstuitdelingen aan
tantièmisten, personeel en fiscus beschreven.
Van Keep behandelt in het bijzonder de publieke n.v.,
welke hij beschouwt als een lichkan7 met een eigen doel-stelling (welke doelstelling is niet duidelijk) en welke dus
niet meer gesubordineerd is aan de belangen van haar
aandeelhoudei’.s. De onderneniingsleiders zijn de dragers

54

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

17 Januari
1951 –

geworden van de eigenlijke ondernemersfunctie en zij

identificeren het ondernemingsbelang met hun persoonlijk

belang, omdat hun leven zo nauw met dat van de onder-

neming verweven is. De aandeelhouders zijn afgezakt

tot postconcurrent crediteur. Daarom bepleit schrijver,

dat de winstverdeling, nog meer dan thans in feitebet geval
is, door de ondernèmingsleiders moet worden bepaald.
De aandeelhouders worden voornamelijk verdeeld in de

,,ondernemingsaandeelhouclers”, dat zijn de permanente

en actieve aandeelhouders, die persoonlijk nauw ver:

bonden zijn met de leiding van de onderneming en dan ook

vaak aan de aandeelhoudersvergadering d eelnemen;
en de ,,beleggers”, dat zijn de passieve klein-aandeel-

houders, wier participatie gewoonlijk discontinu zou zijn:

Deze laatste groëp, die ik de ,,outsiders” zou willen

noemen, is gewoonlijk in de meerderheid en is naar het

oordeel van de schrijver geneigd teveel te streven naar

maximale dividenduitkering gedurende de tijdelijke parti-

cipatie van iedere individuele’ aandeelhouder. Hier ziet
de schrijver een reëel conflict tussen de belangen van de

aandeelhduders en die van de onderneming. De onder-

nemingsleiders daarentegen hebben wel het ondernemiigs-
belang op langere termijn
01)
het oog, en streven voor
zover hun macht reikt naar de maatschappelijk wenselijke

winstinhouding voor expansiefinanciering en dividend-
egalisatie.

Ik geloof niet, dat het hierboven samengevatte geheel
in overeenstemming is met de Nederlandse feiten. Bij ons

is de klein-aandeelhouder in het algemeen geen ,,discon-
tinu” participant; de Nederlandse belegger is integendeel
gekenmerkt door een opmerkelijk taaie vasthoudendheid

aan . zijn eenmaal gekozen beleggingen. Mijn indruk is,

dat hijv. het grootste deel van het aandelenkapitaal van
de Koninklijke Petroleum onder in de trommel ligt bij

duizenden beleggers, die deze stukken reeds van den

beginne af in hun farniliebezit hebben, en zich door geen

koersstijging tot, verkopen willen laten verleiden. De

leiders van deze onderneming daarentegen oefenen hun
functie slechts enkele decennia uit, waarna zij door andere

en vaak in het geheel niet verwante personefl vervangen worden. Met. andere woorden, in ons land is dé aandeel-
houder vaak een vaster relatie van de onderneming dan
de directeur 1 Dtiitse schrijvers hebben voor hun Ianch

wel eens het tegengestelde geponeerd, maar dan moet

men bedenken, dat Duitsland een paar turhulente inflatie-
periodes en andere maatschappelijke omweptelingen heeft
meegemaakt.

Om nu op het boek terug te komen, naat’ het

oordeel van Van Keep komt de dividendpolitiek van
de onderneming neer op de kunst de aandeelhouders te-

vreden te houden met een zo gering mogelijk offer van de
onderneming. De onderneming mag haar postconcurrente
crediteuren niet in een hoek trappen, want zij moet haar

reputatie op de emissiemarkt hoog houden. Dit is natuur-
lijk een vage richtlijn voor de dividendpolitiek, en de
schrijver meent een nadere concretisering in de volgende
regelen te geven: ,,Het beleggingskarakter, dat het aandeel
vrij algemeen heeft verkregen, zal veroorzaken dat de
aandeelhouders zo goed als steeds met de door de onder-
nemingleiding gevoerde winstinhoudingspolitiek accoord
zullen gaan, indien daardoor de winstgevendheid van lun

deelneming – rekening houd?nde met de koerswaarde –
niet daalt beneden het algemene reiitepeil” (blz. 56).

Op die manier komen wij echter niet veel verder, want
het komt maar al te veel voor, dat de aandeelhouder

niet tevreden is met de koers van zijn’ aandeel, die ten-slotte weer van de dividenden afhangt.
Terecht is de schrijver ônder de indruk van de grote

betekenis van de vinstinhoudingen voor de expansie-
financiering, en op overtuigende wijze beschrijft hij, hoe
deze winstinhouding grotendeels buiten de wil van aan-
deelhouders, buiten hun medew’eten en in strijd met

het vennootschapsi’echt plaatsvindt, doordat de onder

nemingsleiders winst wegwerken in geheime en stille reser-

ves en daarna een zwaar afgeroomd winstcijfer. .aan de

aandeelhoudersvergadering ter verdeling opdissen. Aan-
gezien de aandeelhouders zich natuurlijk gemakkelijker

neerleggen bij onzichtbare winstinhoudingen dan bij zicht-
bare reserveringen bepleit Van Keep, dat formeel aan

ondernemingsleiders het recht zou moeten w’orden gegeven

naar eigen inzicht geheime reserveringen toe te passen

en aan de aandeelhoudersvergadering aldus gemanipuleerde

winstcijfers ter nadere bestemming voor te leggen..
Deze oplossing is nauw verwant aan het Duitse vennoot-

schapsrecht na de introductie van het leiciersbeginsel en

volkomenin strijd met het Amerikaans-Engelse streven

tot openhartige publicatie van jaarcijfers en winstverdeling.

Afgezien van alle principiële’ overwegingen van sociaal-
ethische en ‘econômische aard, die voor een sterke door-

zichtigheid van het bedrijfsleven pleiten, meen ik, dat ook

het enge vennootschapsbelang door geheim zinnigheid

meer geschaad dan gebaat wordt. Niet alleen de intelli-

ente particuliere belegger, maai’ vooral ook de steeds
meer van belang wordende institutionele belegger, wil
zich gaarne ‘ecn zelfstandig. oordeel ‘vormen en haat

derhalve de opzettelijke vinstversluieri ng.,

Kortom, terwijl de betekenis van de aandeelhouder in

dit boek laag wordt aangeslagen, vindt een idealisering
van de ondernemingsleider plaats. 1-let is bijv. opvallend,

dat de schrijver bij de bespreking van de tantièmes niet

memoreert, dat deze vaak volgens heel wat royaler be-
ginselen worden uitgekeerd dan de dividenden, terwijl het
toch onredelijk is, dat van alle winstgerechtigden nu

juist alleen de aandeelhouder de lasten van de winst-

inhouding moet dragen.
Door deé opmerkingen kômt de behandeling van de
rest van dit proefschrift enigszins in gedrang. Oi juiste

wijze wordt de dividendegalisatie behandeld, de ver-

schillende dividendvormen (bonusaandelen etc.) worden

besproken, en ook aan de winstdeling dooi’ personeel en
fiscus wordt de nodige aandacht gewijd. Voor de theoreticus

is dit een lezenswaardig boek; voor de ondernemer lijkt
het mij gevaai’lijke lectuur.

Overveen.

.

Di’ F. W C. BLOM.

/

INTERNATIONALE NOTITIES

De Engelse steenkolencrisis

De mogelijkheid van een steenkolencrisis in Engeland

is vier maanden geleden al ter sprake gebracht en tot nu
töe heeft zo zegt ,,The Investors’ Chronicle” van 6
deze – de gecombineerde wijsheid van het ,,Iv[inistry of .Fuel and Power”, de Goal Board” en de ,,National

Union ofMineworkers” fiog geen enkele positieve maat regel, die het publiek gerust zou kunnen stellen, ter tafel
gebracht.. Bovendien wijst weinig er op, dat de Regering
zich heeft gerealiseerd, dat de kolenpositie het stadium,
waarin vei’maningen een vervanging van handelen kunnen

zijn, voorbij is. De krachtstations in Noord-West-Engeland
hebben nog slechts een kolenvoorraad voor ij week en
vele fabrieken handhâxen een uiterst labiel evenwicht

tussen verbruik en voorraad.
De problemen van de steenkolennijverheid zijn – ‘op

enigszins langere termijn bezien – bijzondei’ gecompli-
ceerd, maar op z’eer korte termijn bezien, worden zij steeds
duidelijker. lIet huidige probleem i& er een, dat in enkele
weken moet worden opgelost. Wanneer de produ6tie
binnen die tijd .niet kan wôrden opgevoerd tot een peil,

waar zij meer in overeenstemming is met ‘s lands behoeften,
dan is het noodzakelijk, dat de Regering stappen onder-

17 Januari 1951

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

55

neemt om de behoeften meer in overeenstemming te

brengen met de productie en de voorraden, zegt genoemd

blad. Er is momenteel weinig kans, dat de productie

in voldoende mate kan worden verhoogd. In de week véér

Kerstmis bedroeg de productie 4.255.800 ton en de binnen-
landse consumptie alléén al – dus zonder uitvoer en

bunkermateriaal voor schepen – 4.273.000 ton. -Indien
de productie t.o.v. hèt verbruik bijna 470.000 ton tekort

schiet in één week, dan is er weinig kans, dat de productie

een oplossing kan bieden voor hei voorraadprobleem,
waar alles •van afhangt in geval van een eventuele ver-
traging bij het vervoer. De voorraden bedragen momenteel

13.340.000 ton tegen 15.271.000 ton een jaar geleden en

8.502.000 ton per ultimo 1946. 1-let verbruik is momenteel

12 pCt groter dan in 1946, zodat bij het voorraadcijfer
van 1946, -om een vergelijking mogelijk te maken, ca

1 mln ton moet worden toegevoegd.

De marge, die de huidige voorraad laat boven fle
catastrophale voorraad van 1946, is nog voldoende,
vooropgesteld, dat de Regering dât gedeelte van het

verbruik, dat boven de productie uitgaat, een halt kan toe-
roepen. De
eoige
mogelijkheid hiertoe is beperking der
leveringen aan niet-essentiële verbruikers. Omdat het nu

te laat is voor de ,,British Electricity Authority” om de
stroompolitiek nog zodanigte wijzigen, dat deze wijziging
binndi enkele weken resultaat zal opleveren, zullen de
beperkingen der leveringen aan niet-essentiële verbruikers
moeten neerkomen op het sluiten van enkele fabrieken,

teneinde te voorkonen, dat vroèg of laat alle fabrieken
zullen moeten worden’ geioten.

Een dergelijk progi’arnma is nu klaarblijkelijk onver-
mijdelijk geworden en men mag verwachten, dat de

Britse Regering deze weg zal inslaan. Of het prègramma
al niet te laat is, moet worden afgewacht. Als de ,,planners”
er niet in slagen de kolencrisis van de baan te schuiven,
dan zijn zij nog altijd tot op zekere hoogtein de gelegen-
heid ,,to plan the crisis itself”, besluit genoemd blad

Geschatte rc-‘ei’eldprodudtie- 1Jan ruwe
t
olie.

(in duizenden metrieke tonnen)’

1949
-1950
1950
inpctvan
1949

255.825
273.600
107,0
WO.:

Verenigde Staten

.
252.996
270.000
106,6 2.829 3.600 421,8
90.546 102.500
115,8
69.012
78.000 113,0 71.188
87.630
123,0
27.235 31.800
116,8
Saoudie-Arabië

….-
23.471
27.000
114,9

ioord-Arnor1ka

…………

10.345
12.790
124,0

Canada

…………..

wo.:

Indonesië
5.930
7.200
121,4

Latijns-Amerika

.

……….
wo.:

Venezuela

……….

Ned. Nw. Guinea
245
250
102,2

9lldden-Ooston

…………..
wo.:

Perzië

…………

1.596 2.000 125,3

Vcrtu

Oosten

……………

wo.:

Nederland
621
700
112,9
Duitsland
840
1.100
131,0

Vest-Europa

……………

39.775 44.320
111,3
Oost-Europa

……………
wo.:

Sovjet-Unie
33.200
37.600
113,3
Roemenië
4.300
4.300
100,0

Totaal

…………..
1

469.275 522.840
111,5

en Verre Oosten en in West-Europa. In Noord-Amerika

en Oost-Europa was de stijging minder markant. Welis-

waai’ is de productie van Canada aanzienlijk toegenomen, doch de relatief geringere stijging in de Verenigde Staten,
die o.a, moet worden toegeschreven aan de drastische
productiebeperkingen in de eerste maanden van het af-

gelopen jaar, legt meer gewicht in de schaal. In de Sovjet-
Unie werd het programma van het eerste na-oorlogse
vijfjarenplan, dat een productie beoogde van 35,4 mln
ton, in 1950, volgens officiële gegevens overschreden met
ongeveer 2,2 mln ton.

De wereidproductie van ruw’e olie is sedei’t 1945 gestegen
met niet minder dan 170 mln ton, of 50 pCt. De belangrijk-
ste stijgingen kwamen voor rekening van het Midden-
Oosten, de Verenigde Staten en Venezuela, nI. resp. 60,
40 en 32 mln ton
l)e’
jaar.

Een halve eeuw oliegeschiedenis

De wereldolieproductie in
1950

Enige maanden geleden merkte ,,Petroleum Press Ser-

vice” in een overzicht van de wereldpi’oductie van ruwe
olie gedurende het eerste halfjaar 1950 op, dat voor het
gehele jaar 1950 een aanzienlijke stijging der olieproductie
scheen te zijn verzekerd. Deze voorspelling is blijkens
recente gegevens bewaarheid; gedurende het afgelopen

jaar werden alle vorige pi’oductierecords ruimschoots
geslagen.

De totale ruwe olieproductie beliep ca 523 mln metrieke
tonnen, dat is ongeveer 11 pCt meer dan in 1948 en 1949.
Vooral gedurende het tweede halfjaar 1950 gaf de pro-
ductie een aanzienlijke stijging te zien en in vele landen
werden nieuwe iecords gevestigd.
Zoals de tabel rechts boven doet zien, was de procentuele
toeneming der olieproductie het grootst in het Midden-

Aan het begin van de tweede helft dezer eeuw is’het
wellicht interessant een overzicht te geven van de wereld-

productie van ruwe olie gedurende de afgelopen vijftig
jaren.

Zoals onderstaande tabel, die is ontleend aan ,,Petroleum
Press Service” van deze maand, doet zien, beliep de wereld-
productie in 1900 slechts 21′ mln ton per jaar; dat is even-
veel als dehuidige productie van veertien dagen. Rusland
was in dat jaar met 11 mln ton de grootste olieproducent,
een plaats, die dit land echter in 1903 moest afstaan aan
cle Verenigde Staten. –
Voorts blijkt uit deze tabel, dat ‘gedurende de jaren
twintig in de meeste landen een grote expansie plaatsvond
en dat cle geografische verdeling der productie omstreeks
1930 nog maar weinig afweek van de huidige.

Opmerkelijk is het hoge peil, dat de Mexicaanse produc-
tie in 1920 (22,7 mln ton) en in 1921 (ca 28 mln ton) be

Ruce olieproductie pan 1900 tot 1950
(in mln metrieke tonnen)

Aandeel in pOt
1900

1920

1930

1938

1945

4946

1947
1
1948

1949

195dt
van deproduc-‘

1

I

I

tie in
1950

61,1 123,1
164,1
231,5
23/.,2 250,7 277,7 253,0 270,0
51,6
Mexico

……………………..
.

1,0

22,7
5,7 5,5
6,1
7,0
8,1
8, 4′
8,7
10,6
2,0
0,4
24,3,
32,5
49,6 59,9
70,0
76,4
76,2
85,9
16,4

Verenigde

Staten

……………..8,6

Rusland

……………………
3,5
18,5
29,7
19,3
21,6 25,7
29,1
33,2
37,6
7,2
Caraïbisch

gebiecl

……..
………-

Europa (ezel. Rusland)

.-

0,6
1,9
6,6
8,0
6,6

6,6 6,6
7,6
8,2
8,8
1,7

.

1,8
6,4
16,1
27,0
35,6
42,0
57,5
71,2
87,6 46,8
Miclden-Oosten

……………….
Verre-Oosten

…………………
0,6
3,8 7,8
10,0
1,9
1,2
3,3 7,5
10,3 12,8
2,5
Overige

…………………….
0,2
0,9 3,4 5,7 6,6
6,1 7,1
7,3
8,5 9,6 1,8

Totaal ………………….

.21,0
1

96,11 195,8
1
271,6
1
348,6
1
372,2
1
443,5
1
471,5
1
469,3
1
522,9
1

100,0

56

ECONOÎIIISCH-STATJSTJSCHE BERICHTEZV

17
Januari 1951

reikte en de ëterke daling daarna, die moet worden toe-

geschreven aan het plotseling uitgeput geraken van de

,,Golden Lane”-velden. De Russische productie gaf tijdens

en na de revolutie van 1917 een daling te zien, waarvan

zij zich evenw’el in de loop der jaren twintig snel herstelde.

Iedere uitbreiding der totale wereldproluctie in- voor-

gaande perioden valt in het niet hij de expansie der laatste

vijf jaren, die niet minder dan

170 mln ton bedroeg.

Het aandeel der Verenigde Staten in de titale olieproductie

vertoont, zoals -onderstaand staatje doet zien, de laatste

jaren een geleidelijke daling, doch nog altijd is meer dan
de helft van de wereldprodutie binnen de grenzen an

dit land geconcentreerd.

Procentueel aandeel yân de Verenigde Staten in de wereld-

olieproductie.

1900

……….
41,2

1946

…… .


62,9
1920

……….
63,5

1947

……….
60,6
1930

……….
62,9

1948

……….
58,9
1938

……….
60,5

1949

……….
54,0
1945

……….
61,2

1950

……….
,

51,6

Het is, aldus genoemd blad, een opmerkelijk
feit, dat
ondanks de toenemende hoeveelheden olie,
die aan de
br’onnen

worden

onttrokken,

de

momenteel

bekende
oliereserves groter zijn dan ooit te voren.

Geld- en kapitaalmarkt

De geldmarkt.

De ruimte op de geldmarkt bleef ook gedurende de ver-

slagweek gehandhaafd. De vraag op de markt concen-

treerde zich vooral op het koi’tlopende papier. Blijkbaar

wensten de banken hun liquiditeit voor de eerstkomende
maanden zoveel mogelijk te versterken om

eventuele
onttrekkingen te kunnen financieren. .Dat een dergelijke

liquiditeit soms goed te pas kan komen blijkt wel uit het
feit, dat de saldo’s van banken bij De Nederlandsche Bank

volgens de weekstaat van Dinsdag 8 Januari f 28 mln

waren gedaald t.o.v. de week tevoren. De stand van
‘s Rijks Kas per 6 Januari gaf aan, dat het uitstaand schat-
kistpapier was afgenomen, zodat het zeer waarschijnlijk

is, dat de banken hun tegoed niet hebben aangesproken

om hun portefeuille schatkistpapier uit te breiden.
De bovengenoemde vraag op de geldmarkt bracht lage
disconto’s voor de korte termijnen mede: Januari 1 pCt
biëden, Februari lh/
16
_1
3
/
J3
pCt, Maart en April
11/4
pCt
bieden. Mindei’ animo bestond er voor de langlopende
termijnen schatkistpapier. Augustus- t/m Decemberpapier
was op 1
1/
pCt te krijgen. Met ingang van 9 Januari
werd de callgeldrente tot het minimum van
3/4
pCt terug-
gebracht.

Volgens de weekstaat van 8 Januari loste het Rijk f 50
mln af van de f 300 mln, die het de vorige week bij de
circulatiebank had ondergebracht. Dat dit thans reeds
gebeurt is vermoedelijk wel een teken, dat men zich op

het Ministerie van Financiën ter dege bewust is van de
slechte psychologische indruk, die het beroep van de
Staat op de Centrale Bank maakt.

De kapitaalmarkt.

1-loewel het koersniveau op de aandelenmarkt volgens
onderstaande indexcijfers gedurende de verslagweek nog wel een stijging vertoonde, was hierbij toch van een veel
groter aarzeling sprake dan de vorige week het geval was.
De basisfactdr voor de ontwikkeling van de aandelen-
koersen is en blijft onder de huidige omstandigheden het
alom heersende gevoel, dat de ,,waarde” van de gulden
in de toekomst steeds verder zal dalen (m.a.w. dat de prijzen
verder zullen stijgen). 0p levensverzekeringsgebied leidt
deze stemming tot het bepleiten van polissen, niet in

guldens doch in koopkracht luidende, in de sociale -ver-

zekering tot het overwegen van een althans gedeeltelijke

overgang van

het kapitaaldekkingsstelsel naar het om-

slagstelsel. Voor particuliere kapitaalbezitters blijft, indien

zij niet in goederen kunnen of willen vluchten, weinig

anders over dan tetrachten door aandelenbelegging hun
koopkrkcht nog enigszins te behouden. Dat aandelen-

belegging iets geheel anders is dan belegging in goederen

wordt hierbij vaak te snel ovdr het hoofd gezien. Zo wordt

bijv. momenteel ter beurze nog vrijwel geen aandacht

besteed aan de nadelige invloed, die voor binnenlandse

aandelen zou kunnen ‘uitgaan van de grote moeilijkheden,

die het Nederlandse bedrijfsleven wel eens zou kunnen

gaan ondervinden van het komende kolen- en grondstoffen-

gebrek, dat anderzijds juist de stijging der goederenprijzen

nog verder zou kunnen stimuleren.

Van een
1
groter belangstelling op de aandelenmarkt

maken de laatste jaren geregeld ondernemingén gebruik
om te emitteren. Ook thans is dit weer het gaval. Ôedu-

rende de verslagweek Werden aangekondigd emissies van

Smit Transformatoren (f 1,9 mln), Rouppe van der

Voort (f 1,4 mln) alsmede een uitgifte van in aandelen

converteerbare obligaties de Schelde (f 2,5 mln). Van
vorige week dateert nog de emissie Ngombezi (f 1,2 mln),

terwijl werd bericht, dat ook Heemaf gaat emitteren
(f 2 mln) (alles reële bedragen). Nog andere emissies hangen

hoven de markt.
Daar een grote dmissiestroom het koersniveau-vroeg of
laat moet drukken, is he1 duidelijk, dat zolang er van de
zijde iran het bedrijfsleven behoefte aan kapitaalsuit-
breiding bestaat, de koersstijging zelve reeds de kiem van

haar uitputting in zich draagt. Het wantrouwen in de gulden demônstreerde zih de
afgèlopen week voorts nog door een verder oplopen van

het agio op dollarfondsen tot boven 6 pC.


5 Jan.
12 Jan.
1951
195]

Aand.
indexeijlers

Algemeen

………………
155,0
156,7

Industrie

………

.

……….
219,1
222,5

Scheepvaart

………………
175,7
179,3

Banken

………………….
129,0
129,7

Indon.

aandelen

……….
..
58,3
52,9

Aandelen

A.Ï(.0.

…………………
1711
170

Philips

………………….
2331
239

Unilever

………………..
228
232k

I-I.A.L.

…………………..
1871
.
189+

Amsterdam Rubber

………..
122

.
124-1.

H.V.A
.

………………….
1151
f11

Kon.

Petroleum

…………
3101 313}

Staatsöbligaties

0
,

2,1

pCt

N.W.S……………
78
11
/
18
78
13
/
6

8-31

pCI

1947

…………
97.
96
11
/

8

pCt

Invest.

certif.

……..
97
96
9
/
16

3

pCt

Dollarlening

……….
.
9515/
951/
4

J.
C. B.

De Belgische geld- en kapitaalmarkt

in December
1950

Gehlmarkt.

– De recente creclietexpansie gebeurt hier ‘meestal onder

de vorm van discontocredieten. De banken blijken inder-
daad ingevolge het uitblijven van een stijging van de
depositos thans practisch voor een verdere credietuit-
breiding aangewezen te zijn op herdisconto hij de centrale

17 Januari 1951

ECONOMISCH-STA T!STISCHE BERICHTEN

57

bank of de parastatale credietinstellingen. De portefeuille

handelspapier van de Natibnale Bank steeg van frs

3.799 mln per einde 1949 tot fi’s 4.082 mln per einde
Juni 1950 en frs 10.110 mln per einde December 1950.

De credietbepèrkende maatregelen, die in de loop van

December door de centrale bank werden genomen, hadden

danook betrekkingop een verder toelialen van de disconto-

schroef door middel van een beperking van de looptijd

van het papier en de vaststelling van een vaste verhouding

tussen het disconto en de eigen middelen bij de ban.ken.
Verder verhoogde de Nationale Bank de discontovoet
voor exportaccepten van 3 -tot 3,75 pCI op grond van cle

overweging, dat de huidige evolutie van de uitvoer geen
voorkeurstarief meer rechtvaardigt.
De maandelijkse compensaties in hot kader van de
Europese Betalings Unie tonen aan, dat het saldo van de

internationale lopende transacties van de B.L.E.U. met
de aangesloten landen een nêiging. heeft om opnieuw

positief te worden.. In onderstaande tabel werden de

jongste resultaten samengebracht.

TABEL T. Belgische positie in de Europese Betalings Unie.

(in duizenden rekeneenheden)
Verrichtingen:
Tuipt.

Saldo lopende transacties

.

18.765

18.639
+

3.440
Statutaire aflossingen

. . .
+
16.000
+
27.190
+
10.360
Resultaat v. d. compensatie.

2.765
+

8.551
+
13.800
Terugbetaalde

tegoeden

uit
tweede

betalingsovereen-
+

2.765
+
13.059

komst

……………..
Uiteindelijk resultaat van de
.

afrekening

+
21.610

+
13.800

1)
Voorlopige cijfers.

De beperkende maatregelen van de centrale bank inzake

de aankoop van termijndeviezen leidden tot een aanzien-
lijke vermindering van de post ,,debiteuren wegens aan-
koop van termijndeviezen en goid” op de balans van de
Nationale Bank;halfOctober beliep die post frs 4.741
mln, tegenover frs 1.835 mln per einde December. De
termijnmarkt in deviezen onder de private banken bleef

eng.
Op de Vrije niet-officiële goudmarkt te Brussel onder-
gingen de gouden stukken, evenals op de meeste vrije
markten over de gehele wereld, een aanzienlijke koers-

stijging. Per einde December noteerde de sovereign
672k tegenover 612 per einde September en 595 per einde
Juni. 1-let goud in staven werd verhandeld tegen $ 44,6

per ons fijn. De koersen van de buitenlandse biljetten
bleven schier ongewijzigd.

Kapitaalmarkt.

De licht dalende tendentie, die reeds vorige maand in
het koersverloop op de obligatiemarkt werd waargenomen,
nam in de loop van December itwat scherpere vormen
aan. De toeneming. van de internationale spanning en
geldbehoeften van het publiek en het bedrijfsleven in
verband met de jaareinde-verrichtingen veroorzaakten
o.a. koersverliezen in de rubriëken schatkistcertificaten
en industriële obligaties. . –
Op de publieke emissiemarkt werden geen nieuwe
obligaties of aandelen aangeboden. Er worden nocJitans een paar aandelenemissies aangekondigd voor de maand
Januari 1951. De spaarneiging van het publiek blijkt

nochtans, te oordelen naar de evolutie van het tegoed op
de spaarboekjés van de Algemene Spaar- en Lijfrentekas, in October en November te zijn toegenomen, alhoewel de
aangroei beneden het peil blijft van de overeenkomstige

ftiaanden van 1949.
De aandelenmarkt kende een eerder rustig verloop.
De in de eerste drie weken geregistreerde daling van het

ADEL II.

Gemiddeld netto-rendement pan de yoornaamste obligatie-

types
1).

Obligatietype

looptijd
eind Juni
1950
eind Sept.
1950
eind Dec.
1950

t pCt Geünif.
schuld

……..
lang-
4,34
4,48
4,49
lopende
Schatkist-
certificaten

.

8 T 9 j.
4,63
4,90
4,92
Kasbons steden
.

ca 6 j.
4,49 4,63
4,66
Industr. oblig.

10 0. 12 J.
5,43
5,57 5,69

‘) Er werd rekening gehouden met agio of disagio bij de terugbe-
taling.

gemiddeld koerspeil .verd gedurende de laatste week

meel’ dan ingewonnen. Opnieuw waren het de koloniale
aandelen, die het sterkst in vraag stonden. Het door de

N.V. Kredietbank berekende gemiddelde netto rendement
van 70 courant verhandelbare aandelen becjroeg per einde

December 3,75 pCt.

TABEL III.

Gemiddeld hoerspeil op de .aandelenbeurs te Brussel.

(indices basis 1936-38 = 500)

eind
eind eind eind
1947
1948
1949
1950

169
144
169
172
105
93
142
146
[ndustriële

aandelen

…………

120 93
117
120
Dpenbare nutsbedrijven
………
Financiële instellingen

………
212
225 233
325
Koloniale

aandelen

………..
aemiddeld

koerspeil

………..
158
149
174
188

Brussel.

,

V. VAN ROMPUY.

STATISTIEKEN

NATIONALE BANK VAN BELGIË.
(Voornaamste posten in millioenen franes).

.
o.,

6.

O•
O
eo
.b0
$

.-.
‘5
o’n

-.
V_0)
bI
0)
cP

8 Nov.

1950
29.185
1.613

8.466
14.173

1

258
30 Nov.

1050
29.040
1.580
2.203
7.080
16.638

586
7 Dec.

1950
29.041
1.793
2.2Q3
7.513
15.711

390
14 Dec.

1950 29.041
1.285
2.203
7.965
15.196

298
21 ‘Dec.

1950
29.430
1.295 2.203
6.652
16.146

1

327
28 Dec.

1950
29.309
1.131
2.203
6.831
17745

1

456

Rekening
courant
saldi

0.
c
‘c

I5′

Ca
00)


ce

8 Nov.

1050
407
37.044
85.9251
18
2.466
4.520
30 Nov.

1950
380
98.516
R6.2381 47
4.276 6.793
7 Dec.

1950
375
98.134
86.2901
14
4.252
1

6.410
14 Dec.

1950
377
96.847
85.697!

13
4.389
1

6.384
21

Dec.

5950
351
96.575
86.142
85
2.977
1

6.040
28 Dec.

1950
327
98.332
87.218
21
2.878
1

6.571

NATIONA LII BANK VAN ZWITSERLAND.
(Voornaamste posten In millioenen francs).

202

.

Data
,0)
.

ii

Per..

1946
23 Dec.

1050
30 Dec.

1950
6 Jan.

1951

4.949.9
5.977,2
5.975,8
5.975 8

158,0
246,3 256,4
275,9
235,7
172,0
98
1
;,2
228,1
52,7
41.3
40,9 40,9

4.090.7
4.602,6 4.663,8
4.503,4

1.163,7 1.668,9
1.773,1
1.848,5

58

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

17 Januari
.
1951

DE NEDERLANDSCHE BANK.

BANK VAN FRANKRIJK.
Verkorte balans op 15 Januari 1951

(Voornaamste posten in milhioenen francs).

10

Aetiva.
Wissels,

pro-Ischappen

Hoofdbank t

9.010,46
1
)
messen en

Bijbank

schuldbrieven

Agent-
in disconto

,1
5.000,-

Wissels, schatkistpapier en schuldbrieven, door t

14.010,46′)

de Bank gekocht (art. 15, onder 0, van de
Bankwet 1948)
Schatkistpapier, door de Bank overgenomen
van de Staat der Nederlanden ingevolge over-
eenkomst van 26 Februari 1947 ………… 1.600.000.000,-
Voorschotten

I

Hoofdbank f49.668.060,11′)
in rek. ert
op Onderpand

Bijbank

953.717,14
(mcl.
belenin-
gen)

Agentseh. ” 14.997.053,50

Op

effecten

enz.

…….. t

63.507.193,60
2
)
.

*
Op goederen en celen

2.111.637,15
65.618.830,751)
Voorschotten aan het Rijk (art.

20 van

de
Bankwet 1948)
Boekvordering

op

de Staat der Nederlanden
ingevolge Overeenkomst van 26 Febr. 1947 ,, 1.500.000.000,-
Munt en muntmateriaal:
Gouden munt en gouden
muntmateriaal

……

f 1.174.720.699,62
Zilveren munt enz…….17.793.573,53
1.192.514.273,15
Vorderingen en geidswaardige papieren luiden-
de

in

buitenlandse

geldsoorten

…………
936.810.839,72
Buitenlandse betaalmiddelen ………………
2.720.168,30
Vorderingen in guldens voortvloeiende uit be-
talingsaccoorden

……………………..
Belegging van kapitaal, reserves, pensioenfonds
271.458.401,83

en

voorzieningsfonds

………………….
133.911.159,32
Gebouwen en inventaris

………………….
1.500.000,-
Diverse rekeningen

………………………
229.021 .272,-

1 5.933.568.955,53
Passiva.
Kapitaal

……………………………
.
20.000.000,-
Reservefonds

…………………………
18.418.854,74
Bijzondere

reserves

……………………
69.951.000,39
Pensioenfonds

………………………….
24.345.292,64
Voorzieningsfonds personeel in tijdelijke dienst ,,
1.502.725,68
Bankbiljetten in omloop (oude uitgiften)

……
56.211.110,.-
Bankbiljetten in omloop (nieuwe uitgiften)

..,, 2.815.9-13.530,—
Bankassignaties

in

omloop

………………
712 076,13
Rekening courant saldo’s:
‘s Rijks Schatkist

. . . .

t

191.398.607,42
‘s Rijks Schatkist, bij-
zondere rekening

……1.347.624.081,49
Saldo’s van

banken

in
Nederland

…………40.843.520,40
Saldo’s

voortvloeiende
uit betalingsaccoorden ,,

443.600.898,83
Andere saldo’s van niet-
ingezetenen

……….103.122.067,13
Andere saldo’s ……..

..

241.7 62.327,50
2.368.351.502,77
Saldo’s luidende in buitenlandse geldsoorten ..,,
284.402.604,38
Diverse rekeningen

……………………..
273.760.258,80

t 5.933.568.955,53
Totaal aan Nederlands schatkistpapier, waarin
guldenssaldo’s voortvloeiende uit betalings-
accoorden

zijn belegd

………………….t
39.800.000,-

1
)
Waarvan schatkistpapier, rechtstreeks door
de Bank in disconto genomen

…………f,
‘) Waarvan aan Indonesië (Wet van 15 Maart
1933,

Staatsbiad

no

99)

………………
Circulatie der door de Bank namens de Staat
31.623.900,-

in het verkeer gebrachte muntbiljetten ……
135.103.160,50

FEDERAL RESERVE BANKS.
(Voornaamste posten in millioenen dollars)


Metaalvoorraad


1
‘Data
Other
U.S. Govt
Totaal
I

Goudcer-
cash
1

securities
tificaten

31 Dec.

1946
18.381
7.587
268
.

23.350
14 Dec.

1950
21.601
1.122
229
20.529
21 Dec.

1950
21.551
0.982

E20.972
221
.20.227
28 Dec.

4950
21.548

227
20.337

F.R.-bil

1
Deposito’s

Data
jetten in
.

1
Member-
circulatie
Totaal
Govt

banks

31 Dec.

1946
24.945 17.353
393
16.139
14′ Dec.

1950
23.543
1

19.129
1

451
17.465
21 Dec.

1950
23.707
1

19.309
J

685


17.416
28 Dec.

1950

23.707
19.175
L

786
17.174

n
Voorschotten aan de Staat
‘0
4
,

Data
0
Q
4,
4,0
Q
4,
cd
,

‘4
.0
u
Cl)

26 Dec.

1946
94.817
118.302
59.449
67.900
426.000
14 Dec.

1950.
182.785
416.219
60.042
163.100
426.000
21 Dec.

1950
182.785 434.989
60.042
157.100
426.000
28 Dec.

1950
182.785
477.865
60.042
158.900
426.000
4

Jan.

1951
182.785
445.657
60.042
163.800
426.000

Deposito’s

Data
Bankbil

jetten-

______________

1
Accords
circulatïe
Totaal
Staat
de coöp.
écono-
Diversen
mique

26 Dec.

1946
1
721.865 63.458
1
44 Dec.

1950
1.509.110
154.419
60

115.495
134.814
21 Dec.

1950
1
.
523
.
043

164.268
81

1
15.081
149.106
28 Dec.

1950
1.560.561
176.849
70

1
15.058 161.720
4 Jan,

1951
1.581.938
152.346
32
8.925
143.388

ENIGE INDEXCIJFERS VAN DE INDUSTRIËLE PRODUCTIE
IN NEDERLAND
1)

1938 = 100

4lgem.

productie-Index
vandelndustrle

….
94
113 126
140
138
143
152
159′
82
87
92 92
91
94
95-
Electriciteit

afgeleverd
aan het net
142
173 196 194
192 207 233
262

Steenkôlen

………..75

98
120
124
127
129
121
125
145
Gas

………………
Stikstofmeststoften

.
67
82
88
164
161
173
178
191
108
165
162 160
166
139
129 166
Walsproducten van
ijzeren staal ‘)’
137
240
270 289 320 277
336
350
Rijwielen

………….
67
122
153
209
191
190
i,g
186

Ruwijzer

…………..

114 129
124
132
137
160
136
151
69
93 104
11

1
110
121
119
121 57
110
109
126
114
146 158

178
Rubber

(gehele indus-

Cement

…………..
Metselstenen

………..
Deuren

……………..

200 288
261 336
284 297 369
372
trietak)

………..
Courantenpapier
.
. .
40
81 81
81
72
98
89
Katoen- en linnenweve-
71
79
89
72
91
93
94
Tricotage-industrie

.
85′
. 10
107 134
r6o
zr
155 176
195
Schoenen

……….
137
130
161
117
122
149
144
114
89 93
ioo
‘ix
115

rijen

……………60

. 09

100
115
167 153
171
189 164
Sigaren’)

…………….100
.

70
83
131
103
80
Sigaretten
‘)

………..
Boter

……………52
Margarine

……….
149
203
253
1115
257
1111
219
282
Kaas

……………
51
77
102
146
154
164 130
101
1)
Bron: C.B.S:; . betekent: de gegevens ontbreken; gecor
rigeerde gegevens zijn cursief gedrukt.
‘)
1940 = 100.
‘) 1948 = 100.

NDEXCIJFERS VAN LONEN VOLGENS REGELINOEN
IN

NEDERLAND
‘).

Juni 19381

‘Nijverheid
Juni1939

Nijverheid ‘)

Landbouw’)

en
= 100

1

1

1

landbouw

Aug.

1939….
101,7
100
101
Mei

1945….
116 190
126
Dec.

$948….
182
265,5
193

Dec.

1949…
182,1
275,0
195,1
Jan.

1950….


191,2
290,0
205,0
Febr. 1950.. .
191,2
290,0
205,0
Mrt

1950
191,2

.
290,0
.

205,0
April 1950. .
.
191,2 290,0
205,0
Mei

1950
191,2
290,0
205,0
Juni

1950
191,2
290,0
205,0
Juli

4950….’
191,2
290,0
205,0
Aug.

1950….
191,2
290,0
205,0
Sept. 1950….
201,4
1
)
305,1
1
)
,
215,9
4
)
Oct.

1950….
201.4′)
305,1
4
)
215,9
1
)
Nov.

1950….
201
1
)
305
1
)
216′)
Dec.

1950. .
. .
201
4
)
305
1
)
216
4
)

‘)
Bron: ,,Centraal Bureau voor de
Statistiek”;
in de indexcijfers
zijn de uitkeringen krachtens de Kiderbijslagwet
of andere rege-
lingen
niet
begrepen.
‘)
Gemiddelden 24 bedrijfstakken.
9

Akkerbouw en veehouderij.

4)

Voorlopige gegevens.

Het
CIHAN

organiseert de
Nederlandse
‘inzending naar
de

Juni
CHICAGO
,
fOOO I’AIR
1
1
____

(International
Food and Fsxtures
Exposition)

• Exoositie van levensmiddelen en installaties
voor levensmiddelenbedri,iven (geen installaties
voor levensmiddelenindustrie),
• Nederl. Overheid geeft gratis standruimte.
• CIHAN regelt voor alle deelnemers: standhuur,
opbouw,
in- en uitvoerformaliteiten, verache-
ping, verblijfsdeviezen etc.
• Samenwerking met Ned. K. v. K.
v.
Amerika.

• flefinitieve aanmelding véér
31
Januari a.s.

Alle inlichtingen telefoon 77.19.58 (K 1700)
Afd. J3uitenl. Jaurbeurzen en Exposities. Kantoor
9-17 ii.

CENTRAAL INSTITUUT TER BEVORDERING V. D. BUITENLANDSE
‘HANDEL (CIHAN) . DEN HAAG – BEZUIDENHOUTSEWEG 64

Economisch-Juridisch adviseur, Dr, te Den Haag,

wiens kantoor gevestigd is in zijn op zeer goede stand
gelegen woonhuis, zoekt gelegenheid, om te Den, Haag

de belangen te behartigen van een –

kantoor op financiëel en/of economisch gebied

Er. onder no.’ ESB 3-4, bur.
v. ci
.
bi., Postbus 42,

Schiedam.
Ook voor Beschikbare Krachten is een annonce in
,,Economisch-Statistische Berichten” de aangewezen weg. Annonces, waarvan de tekst
‘S
Maandags In ons
bezit is, kunnen, plaatsruimte voorbehouden, in het
nummer van dezelfde week worden opgenomen.

N.V. RUBBERFABRIEK VREDESTEN

Gevestigd te ‘s-Gravenhage

UITGIFTE van nominaal
J’
1,500,000.— aandelen,

in stukken groot nom.
f
1000.— aan toonder,

ten volle delende in de winst van het lopende boekjaar, .eindigende
31 December 1951, en van volgende boekjaren.

Ondergetekenden berichten, dat zij de inschrijving op bovengenoemde

aandelen
uitsluitend voor houders van aandelen
openstellen op

VRIJDAG 26 JANUARI 1951,.

van des voormiddags 9 uur tot des namiddags 4 uur,

te Amsterdam ten ‘kantore van

Nederlandsche Handel-Maatschappij, N.V.,

Labouchere
&
Co. N.V,,

de Heren Pierson
&
Co.,

te ‘s-Gravenhage tn kantore van
de Heren Heldring
&
Pierson,
Nederlandsche Handel-Maatschappij, N.V.,

te Rotterdam ten kantore van
Nederlandsche Handel-Maatschappij, N.V.,
/

TOT
DEN KOERS VAN
135 pCt.,

op de voorwaarden van het prospectus dd, 17 Januari 1951.

Prospectussen en inschrijvingsbiljetten zijn verkrijgbaar bij de

inschrijvingskantoren. –

Nederlandsche Handel-Maatschappij, N.V.

Heldring
&
Pierson.

LabOuchere & Co. N.V.

AMSTERDAM

, 17 Januari 1951.
‘5-GRAVENHAGE

KON. NEDERL. BOEKDRUKKERIJ H. A. M. ROELANTS – SCHIEDAM

69

/Ad/m/

e
l
l

1
ALLE
voordelen

1

5ndustrie-t

crrein

Bouwrijp terrein langs de Nieuwe Water-

weg te Vlaardingen ter grootte van 19 ha

te koop.

Gegadigden gelieven zich schriftelijk te

wenden tot. de directie van Wilton-

Fijenoord, Schiedam.

Vestigt U in Ven ray

De plaats voor Uw industrIe

Y
Bouwrijpe industrieterreinen aan grote

verkeersweg gelegen verkrijgbaar

Voldoende arbeidersreserve aanwezig

WendtU om inlichtingen tot de Gemeente, Telefoon K. 4780, no. 241,

ook voor de huur
von te bouwen industrieruimte
vaneen

PENSIOENREGELING

voor Uw personeel

verkrijgt U
VON

j
bij

4fl.4

snel en gratis
gedegen adviezen

en

d:orlopend
EEN GOEDE SERVICE

p

A
4
4

N.V. AF
ERDAMSCHE MAATSCHAPPIJ VAN LEVENSVERZEKERING

Nieuwe Spiegelstrcxcit 17

Amsterdam

Telefoon 63272

Economisch – Statistische

Berichten

Adres voor Nederland: Pieter de Hoochstraat
5,
Rotterdam (W.).
Telefoôn Redactie en Administratie
38040.
Giro
8408.

Bankiers: R. Mee; en Zoonen, Rotterdam.
Redactie-adres voor België: Seminarie voor Gespecialiseerde Eko-
nomie,
14,
Universiteitstraat, GeIt.

Abonnementen: Pieter de Hoochstraat
5,
Rotterdam (W.).

Bankiers: Banque de Commerce, Brussel.

Âbonnementsprijs, franco per post, voor 1Yederlçind f
26,-
per jaar,
.voor Helgië/Luxemburg
/
28,—
per jaar, te voldoen door storting van de tegenwaarde in Belgische franco bij de Banque de Commerce ie Brussel of op haar Belgische postgirorekening no
260
.34.

Uniegebieden en Overzeese Rijksdelen (per zeepost)
/
26,—
, overige
landen
/
28,—
per jaar.

Abonnementen kunnen ingaan met elk nummér en slechts worden
beëindigd per ultimo van het kalenderjaar.

Aangetekertde stukken
iti
Nederland aan het Bijkantoor Westzee-
dijk, Rotterdam (W.).

4DVERTENTIES.

Alle c

orresporsdentie betreffende advertenties te richten aan de
Firma H. A. M. Roetants, Lange Haven xz, Schiedo.m (Telefoon
69300,
toestel
6).
Advertentie-tarief f
0,40
per mm. Contract-tarieven
op
aanvraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”
f o, 6o
per mrn (dubbele kolom). De administratie behoudt zich het recht
voor om advertenties zonder opgaaf van redenen te weigeren.

-Losse nummers 75
1
cents, resp. 10 B. francs

60

Auteur