Ga direct naar de content

Jrg. 35, editie 1752

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 6 1950

AU TEURSREHT VOORBEHOUDEN

Economis

chflnwStatistische

Berichten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL NIJVERHEID, FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

35E
JAARGANG

WOENSDAG 6 DECEMBER
1950

No. 1752

COMMISSIE VAN REDACTIE:

Ch. Glas; H. W. Lambers; J. Tinbergen
;

F. de Vries; C. van den Berg (secretaris)

Redacteur-Secretaris: A. de Wit.

Assistent-Redacteur: J. H. Zoon.

COMMISS1E VAN ADVIES VOOR BELGIË:

J. E.’Mertens; R. Miry; J. van Tichelen; R. Vandeputte;

F. Versichelen.

Gegevens over adressen, abonnementen enz. op de laatste

bladzijde van dit nummer.

INHOUD:
Blz.

De artikelen van deze week

………………….
971

Sommaire, summaries ………………………..
971

De tegenwoordige positie van het aandeel iri Neder-

land
door Prof.

Ch. Glasz

………………….
972

De gemeentefinanciën in de knoop
door Prof. Mr

C

W.

de

Vries

…………………………
975

Enige belangrijke facetten van de Nederlandse land-

bouwpolitiek
door C. van den Berg …………..
977

De economische ontwikkeling in Nederland gedurende

1950
doorH: D

van der Hoeven …………….
979

_Ingezonden

stuk:

Een vorstopte bron van risieoeragend kapitaal?
door Mi
J. Wilkens
niet naschrift van
Prof.
Mr J. G. Koopmans
983

London

Letter

…………………………..
984
Geld-

en

kapitaalmarkt

……………………
985

Statistieken:

Bankstaton

…………………………………..
’98a
Stand van

‘s Rijks ICas
…………………………..
987
rrijsindozcijfers van het gezinsverbruik in Nederland
……
987

DEZER DAGEN

wordtgewacht op verdere verrassingen. Zo het mocht zijn

in de geest van het Nederlandse feest, dat wij vierden,

dat van de schnker van onverwachte gaven. Een ont-
spanning in de internationale .toestand moet op korte

termijn echter nog als een zeer onverwachte surprise

worden geziem Is zij buiten deflken of dromen?

De Britse Minister-President heeft zich, in volledig

accoord mt de Franse Regdring, naar Washington be-

geven; zijn roem in Britse politieke kringen berust op zijn

overredingskracht in kalmte. In de hoofdstad van India

wordt heen en weer gesproken.

Van, alle kranten rollen vetgedrukte innen, uit alle

luidprekers stromen berichten; de gestage druppel holt

de steen. ,,Lest we forget” hoeft voor deze generatie niet

te i.’orden geschreven.
Doch ook niet wordt vergeten, dat het economisch leven

moet doorgaan. De Europese Organisatie voor Economi-
sche Samenwerking heeft overeenstemming bereikt over

gedachtengangen ten aanzien van de prijzen en de verdeling

van enkele steeds schaarser beschikbare grondstoffen.

Stuk voor stuk wordt de behandeling aangepakt, elke groep

van specialisten zal zo liet nuttigst werkzaam zijn.

Doorgegaan zijn ook de onderhandelingen van de Econo-

mische Commissie voor Europa over de graanleveranties

tussen Oost- en West-Etiropa: Resultaten konden niet

worden gemeld, nader overleg zal echter plaatsvinden.
Doorgegaan zijn ook de besprekingen in het algemeen

overleg tussen de Nederlandse en Indonesische Regeringen:

men werd het eens over alle agendapunten. Begonnen zijn

thans de besprekingen over Nederlands Nieuw-Guinea;
klein in het wereldkader maar in beginsel van hetzelfde

belang, omdat het ook hier de proef geldt ener redelijke

bereidheid.

Een redelijkheid, die de Franse Kamer ineens weer op-

bracht na de internationaal onbegrijpelijke volte, waarbij

het Franse, kabinet de steun van de volksvertegenwoordi-

ging werd onttrokken. Velen turfden reeds de zoveelste

Franse kabinetscrisis op het moment van hoogste spanning.

.Is liet een gunstig voorteken, dat men thans zo snel tot

de geroemde Franse nuchterheid terugkeerde?

Nuchterheid kenmerkte ook de ministeriële antwoorden

inde Nederlandse Tweede Kamer. Relatief meer investeren

of consumeren? Zelfs voor de economist, die Sinterklaas

een goed hart toedraagt, kan het antwoord niet twijfel-

achtij zijn. Een antwoord, dat thans met grote kracht in

de Verenigde Staten wordt gegeven, waar het beschikbaar

stellen van grondstoffen voor voortbrenging van consump-

tiegoederen enige voelbare beperkingen onderging.

Geen verrassing is het, dat hij alle druk de meest onmid-

dellijk voelbare, die op het eigen budget, als zwaar wordt

ondei’vonden. Zo verging liet ook de Nederlande melk-
veehouders, die zich een halve cent per liter zagen ont-

glippen, terwijl zij meenden te steunen op de kostprijsbe-
rekeningh van liet thans tienjarig Landbouw-Economisch

Instituut.

r

EERSTE NEDERLAI1DSCHE

Verzekering-Mij,
op
het Leven en tegen Invaliditeit N.V.

Aan passing
van ondernemingspensioen- en

spaarfondsen aan de (komende)

nieuwe wettelijke bepalingen
0

Kantoor: Bellevuestraat 2, Dordrecht, Telefoon 01850 – 5346

Abonneert U op

D E E C 0 If
01maw
I ST

Maandblad onder redactie van Prof. P. Hen-

nipman, Prof. P. . B. Kreukniet, Prof. H. W.

• Lambers, Th Ligthart, Prof. J. Tinbergen,

Prof. G. M. Verrijn Stuart, Prof. F. de Vries,

Prof. J. Zijlstra.

Abonnmentsprijs
f
22.50; fr. p. post
f
23.60;

voor studenten
f
19.—; franco per post
f 20.10

Abonnementen worden aangenomen door de

boekhandel en door de uitgevers

DE ERVEN F.BOHN TE HAARLEM
-II

R. MEES & ZOONEN’

ANNO 1720

Bankiers & Assurantie- Makelaars

ROTTERDAM

‘s-Gravenhage, Delft, Schiedam, Vlaardingen,

Amsterdam (alleen Âssürantie)

Nationale . Handelsbank, N.V.

Amsterdam – otterda’m – ‘s-Gravenhage

Alle Bank- en Effecténzaken

IN DIT NUMMER:

.

Macht en onmacht
Aanstaande Benelux-conferentie
Problemen van de Oost-west handel
Economisch herstel in Argentinië
Handelscontacten
Nieuwe artikelen
Handelsberichten
Mededelingen van de Bedrijfsgroep Groothandel en
het Verbond van de Nederlandse Groothandel

* Iedere
week
zeer veel nieuwe gevraagde offertes
en aanbiedingen van binnen- en buitenland.
Plaats voor export een aanbieding
in de rubriek
TRADE OPENINQS.

Abonnementsprijs f
15.—
per Jaar

KON. NED. BOEKDRUKKERIJ H.A.M. ROELANTS SCHIEDAM

– met papier geisoleerde kabels

voor zwakstroom en sterkstroom

koperdraad en koperdraadkabel

Jabelgarnituren, vulmassa en olie

HE KABELFABRIEK

DELFT

6 December 1950

ECONOMISCH-STATISTISE BERICHTEN

971


DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK,

Prof. Cli.
Clasz,
Dc Legenwoordige positte pan het aandeel

in Nederland.

De waarde der gezainenlijke Nederlandse aandelen in
het vermogensverkeer beliep in 1938 60 tot 65 pCt, in

1947 niet meer dan 35 tot 40 pCt van de intrinsieke

waarde hiervan. Als gevolg van de machtsstrijd tussen
vennootschap, fiscus en aandeelhouder ziet de laatste
zich slechts een beperkt deel van het vennootschaps-

vermogen in de prijs van zijn vermogenstitel toegerekend.
De vraag rijst, of het ,,Sachwert”-karakter van aandelen
in deNed.erlahdse verhoudingen wel zo evident is als nog
steeds wordt aangenomen, terwijl ook de zin der aandelen-

be1eggiiig ernstig in discussie kan worden gesteld. Wil men het aanbod van risicodragend kapitaal dienen, dan
zal de fiscus moeten beginnen het aandeel veer een stevige

basis te hergeven. Alsdan bestaat de mogelijkheid, dat
institutionele beleggers, via door hen te financieren
participatiemaatschappijen, zich voor participaties in het

bed rijfslevn. gaan interesseren.

Prof. lr’C. W. de Vries,
De genieentefnancën in de knoop

Do gemeentéfinanciën zitten in de.knoop. De commissie-
Oud heeft tot Mei 1951 tijd om deze knoop te ontwarren.
Zij zal daarin niet kunnen slagen, omdat er twee elkaar
tegenstrevende krachten zijn, die niet kunnen worden
opgeheven. Deze elkaar tegenstrevende eisen waren

in 1948-1950 te verwezenlijken. De rijksuitkering was

,,in het algemeen” voldoénde. Voor 1951 en 1952 zal
een regeling stellig te vinden zijn, omdat die regeling al
weer slechts incidenteel zal zijn. Maar in deze incidentele
regelingen zit niet de basis voor een meer duurzame
regeling, omdat-van jaar op jaar, ook na 1952 de Re-
gering zelfstandig wil beocrdeIa, hoe groot dan de uit-
kering zal zijn, zulks Lv.m. de hchoeften; zo blijven de

gemeenteinanciën in de knoop zitten.

C.
van tien Berg,
Enige belangrijke facetten pan de Neder-

landse landbouwpolitiek.
Op 1 December begon het Landbouw-Economisch

Instituut tien jaar geleden zijn werkzaamheden. Vrucht
van samenwerking tusseii de centrale Iandbouworgani-
saties en de Overheid,
heeft
het zich in deze jaren een

belangrijke plaats in het Nederlands landbouwbestel
weten te veroveren. Ter gelegenheid van de tiende ver-
jaardag werd een landbouw-economische dag guorgani-
seerd, waaraan een viertal inleideis luister bijzetten.

De heer 11. D. Louwes – de gocstelijke vader van het
L.E.l. – sprak over de doe!einden van de landbouw-

politiek en Prof. Dr J. florring over enige. strategische
factoren voor de pi-ijspolitiek. Prof. Dr E. W. Ilofstee
had de sociale aspecten van de landbouwpolitiek tot
onderwerp, terwijl Prof. Dr Ir G. Minderhoud – de voor-
zitter van het L.E.I. – de bedrijfseconomische aspecten

nader hezag. Dit artikel bevat een korte weergave van de

referaten.

H. 1). van der H6e+eu,
De economische ontrr’ikkeling in

iVederland gedurende 1950.
De economische situatie in ons land analyserend,
komt schr. tot de volgende conclusies. De prijsstijging op
de internationale grondstoffenmarkten, de uitbreiding
van de defensie-apparatuur en de liberalisatie ‘van het
handelsverkeer hebben een ongunstige invloed op onze

handels- en betalingsbalans. Indien wij onze export niet
kunnen opvoeren, zal, hij het bestaande invoernieau,
de handelsbalans ongunstig blijven, hetgeen, gecombineerd
met het geleidelijk fnemcn van de Marshall-hulp,’betekent,
dat een sterke vergroting van de nationale productie

en/of een vermindering van de consumptie zal moeten
plaatsvinden. Naar schr. meent zal aan consumptie-
verlaging niet te ontkomen zijn. Prijsstijging in het
binnenland zal zo beperkt mogelijk moeten worden ge-houden, daar anders een nieuwe loonronde met alle ge-

volgen van dien noodzakelijk zou Nvorden.

‘1

P
SOMMAIRE.. –

Prof. Cli. G
lasz,
La posilion actuelle de l’action aux Pays-
Bos.

La valeur de bourse de l’ensemhle des actions néerlan-
daises se chiffrait pour 1938 4 60-65% et ne i’eprésentait

en 1947 que 85 4 40% de lavaleur intrinsèque des actions

Si on veut ttrriver 4 un accroissement de l’investissernent
de capitaux dans de nouvelles entreprises, le fisc devrait

rendre 4 l’action sa base stable.

Prof. Mr C.
W.
de Vries,
Les finances comrnünales en
di!! icultés.

Un examen de la ré
g
lementation actuelle des relations

financières entie l’Etat et les communes. Les actuelles

disposilions provisoires, pour venir en aide aux finances
commünales et dont le terme échoït cettp année-ci, seront

prolongées pendant les années 1951 et 1952.

C. van dcii Berg,
Quelques aspecis imporlanis de la polilique
a.giicole aux Pays-ilas.

Un résumésuccint de quatre rapports sur quelques

aspects importants de la politique agricole au.x Pays-Bas
discuts lors de la Jurnée -.Agricole-Economique organisée
4 i’occasion du diiième anniversaire du Landbouw- –
Economisch Instituut.

ii: D.:va.n der Hoeven,
Le déoeloppeinent écononiique aux
Pays-133as pendan.t 1950.

L’augmentation des pi-ix sur le marché internatiohal
– des matières premières; l’extension de
lappa1eil
de défense
et la libération du trdfic commercial ont exercé une
influence défavorable sur la balance comrnercia!e et la

balance des paiements. Une augmentation de la production
et/ou unO contraction de la consommation, tout en main-tenant les prix bas, forment les conditions ihdispensables
pour évitcr, ‘4 l’avenir, une forte diminution du niveau
de la prospérité.

SUMMARIES.

Prof. Ch.
Glasz,
The present posiion
‘of
shares in the
Net herlands.

rfh
e
market .value of all Netherlands shares totailed
60 to 65% of the intrinsic value thereof in 1938, and not

more than 35 to 40% in 1947. The tax authorities will have to give the shares a solid basis again, if the offer
of risk-bearing capital is to he increased.

Prof. 1h’
Ci.
W. iie Vries,
Knotted rnunic.pal finances.

A revic
of the present financial relation between the
Govern ment and themunicipali ties. The current emergency.
legislalion coveting the meeting of the municipal financial
needs, which expires this year, w-iil be extended for 1951
and 1952.

C.
van den
Berg,
Some inzpoitailr as peels of the Netherlands
agricultural’ poli.ey.

A surnmary of four lectures dealing with some important
aspects of the Netherlands agricultiral policy, which were
delivered on an agricultural-economic day oi’ganized bv

the Agricultural Economie Institute on the occasion of its tenth anniversar

.

H. D. van dor Hoeven,
Economie ‘deoelopinenl in the Net her-
lands during 1950.

Rising prices of raw materials on the intérnational
marcets, higher defence-expenditures and liheralization
of trade have had an unfavourabie effect on the balances
of tradb and payments. .lncreased production and/or
decreased consumption, coupled with keepiflg prices on
a low level, are necessary in order to prevent a strong
decline in the future standard of living.

972

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN.

6 December 1950

DE TEGENWOORDIGE POSITIE VAN HET
AANDEEL IN NEDERLAND,

Het bestuur van de Vereniging voor de Staathuishoud-

kunde heeft een gelukkig initiatief genomen ddor het vraag-

stuk van de kapitaalschaarste in Nederland en. met name
die van risicodragend kapitaal in een drietal prae-adviezen

te doen behandelen. De discussie in de jaarvergadering

heeft inmiddels onlangs plaatsgevonden; in het nummer

van de vorige week van dit blad is hieraan een bespreking

gewijd.

Inmiddels is een zeer belangrijk aspect van het vraagstuk
van de voorziening van risicodragend kapitaal naar het

ons wil voorkomen in de prae-adviezen en ook in cle

beraadslagingen niet genoegzaam concreet naar voren ge-

komen. liet betreft hier de huidige plaats van het aandeel,

een van de voornaamste vormen waa’rin het risicodragend

kapitaal belichaamd is, in het Nederlandse bestel. Hiertoe

zullen onze beschouwingen zich beperken; vergelijkingen
met buitenlandse verhoudingen op dit stuk zullen niet

worden getrokken.
Een summiere beschouwing van een tweetal balansen
van dd Nederlandse volkshuishouding, zoaLs deze uit een

aantal door het Centraal Bureau voqr de Statistiek opge-
stelde balansen van de verschillende sectoren
1
) voor 1938

en 1947 zijn berekend, brengt ons tot de kein van het

probleem.

Nationale balans.
(in mrd guldens)
Activa

Een enkel woord van toelichting op deze balanscijfers
mag inmiddels niet ontbreken. De debetzijde geeft weer
de reële activa, die onze volkshuishouding rijk is. De
schatting hiervan op de beide tijdstippen is uiteraard een
moeilijk iets; er mag inmiddels van worden uitgegaan,
dat het Centraal Bureiau voor de Statistiek de schattingen
consciëntieus gedaan heeft en vooral ook, waar het 1947
ten opzichte van 1938 betreft, voorzichtig
2).
De passief-
zijde van de balans van de economische gemeenschap is

zodanig opgesteld, dat de vermogenstitels, zoals deze zich
in handen bevinden van de uiteindelijke bezitters, zijn
opgenomen. Als het ware tussen deze vermogenstitels en de reële activa bevinden zich in onze moderne volkshuis-
houding de financiële ondernemingen – dus het bank-

wezen en de verzekeringsfondsen – alsmede de naamloze
vennootschappen. Een deel van de goederen wordt evenwel
ook in onze gecompliceerde samenleving nog – geheel of

‘)
Centraal Bureau voor de.Statistick: Statistische en Econometri-
sche Onderzoekingen,
1947
no
3
en
4949
no
1.

‘)
De debetzijde wordt ontsierd door een post ongedekte over-
heidsschuld, hetgeen nodig
is
omdat de totale waarde der ver-
mogenstitels de waarde der reële activa overtreft, juist als gevolg
van het bestaan van een dergelijke ongedekte over1ieidsschuld.
Inmiddels is dit voor onze beschouwingen niet van belang.

‘gedeeltelijk onbezwaard – zondei’ intermediail- in eigen-

dom bezeten. Deze laatste categorie is in de balans genoemd

het ,,onbezwaard particulier bezit”; hieronder is dus vooral
begrepen, het onhezwaarde gedeelte van woningen, andere
gebouwen, schepen, agrarische eigendommen, bedrijfs-

activa van ondernemingen, een en ander voor zovêr het

riet eigcndom van naamloze vennootschappen en van de

Overheid betreft.
Nu heeft men – en dit is een punt van groot belang –

zowel in 1938 als in 1947 dit bezit berekend als sluitpost,

dus door eerst alle andere vermogenstitels te berekenen
en te schatten en het totaal hiervan af te trekken van het

totaal van de debetzijde.

Bezien wij nu de cijfers van dit onbezwaarde bezit, dan

rijst een probleem van een belangrijke orde van grootte.

Is ten aanzien van 1938 een totaal van f 11,5 mrd onbe-

zwaard bezit, staande tegenover f 20,4 mrd reële activa,

op het eerste gezicht nog niet onaannemelijk, volkomen

onverzoênbaar zijn de cijfers voor 1947, nI. f 36,3 mrd

onhezwaard bezit en f 43,5 mrd aan reële activa. Het

totaal der activa, die het eigendom zijn van naamloze ven-
nootschappen en van de Overheid, zou slechts f 7,2 mrd

belopen Er is dus een .post in het credit niet opgevoerd,

die, mede afgetrokken van het totaal der activa, tot een

aanvaardbaarder bedrag voor de sluitpost van het onhe-

zwaard particulier bezit zou hebben moeten -leiden. De

grote fout, als men het zo noemen mag, schuilt in de waar-

dering van activa en aandelen der vennootschappen. De

aandelen hiervan zijn getaxeërd tegen de beurskoers of

tegen een geschatte koers, welke koersen in 1938 wellicht
niet onbelangrijk, maar in 1947 zééi’ sterk ten achter bleven
bij de waarde der aandelen, die men zou vinden, indien

men de activa der naamloze vennootschappen, berekend

naar de maatstaven, waarop de activa aan de debetzijde
van de nationale balans zijn berekend, zou verminderen
mét de schulden der vennootschappen. Het blijkt, dat bij
de prijsvorming der aandelen aan de, aandeelhouders slechts

ten dele wordt toegerekend hetgeen nar de opvatting der

juristen in wezen nog hun eigendom zou zijn, M. het gehele
netto vermogen der vennootschappen. Datgene, wat hun
daarvan niet toeg&rekend wordt – beter ware wellicht te

zeggen, wat zij zichzelf niet toerekenen-, zou men eigen-
lijk aan de creditzijde van de nationale balans moeten
opvoeren onder de benaming: ,,Reserves van naamloze
vennootschappen”. De bedragen zijn moeilijk te benadëren.

Uitsluitend om de gedachten te bepalen zou men wellicht

op grond van de beschikbare gegevens aan kunnen
nemen, dat deze reserves in 1938 f 2
hL
3 mrd beliepen,

waarbij dus het onbezwaard bezit f 8,5 â 9,5 mrd zou
hebben uitgemaakt. Indien wij er van mogen uitgaan,
dat dit onbezwaard bezit in 1947 een waarde van f 25 mrd
vertegenwoordigt, dan betekent dit, dat de reserves der vennootschappen in een orde van grootte van f 11 mcd
zouden komen. De conclusie zou dan zijn, dat de waarde
van de aandelen in het vermogensverkeer in 1938 nog
wellicht dooreen gendmen 60 â 65 pCt van de zgn. intrin-
sieke waarde zou hebben belopen en dat dit’ percentage in

1047 teruggelopen zou zijn tot ongeveér 35
a
40
3).
Aan-

genomen is, dat de waarde.der onbelaste particuliere eigen-
dommen ook door ,,Entschuldung” wat onevenredig
zou zijn gestegen
4).

‘) Dat dit percentage – evenals het genoemde percentage van
60 A 65
uiteraard niet meer dan een grove benadering – door de –
sedert einde
4947
plaats gehad hebbende prijsstijging, die niet met
een koersttijging gepaard is gegaan, nog wat lager is geworden,
behoeft geen betoog.
‘)
Tot
op
zekere hoogte geeft uiteraard ook, een eenvoudige ver-
gelijking tussen de koersstijging van aandelen en de stijging van
prijzen van goederen en diensten, waarbij de eerste bij de laatste
zeer sterk ten achter
is
gebleven, een duidelijkeaanwijzing met
betrekking tot de door ons onderzochte wijziging van de verhouding koerswaarcle-intrinsieke waarde. 1-Jet voordeel van onze analyse is
• evenwel, dat zij een directe confrontatie tussen de koerswaarde
yan het aandelenkapitaal en de waarde van het vermogen der
vennootschappen hewerkstelligt, waardoor de wijziging van de
positie van het aandeel in de vermogensverhoudingen veel evi-denter wordt dan bij een eenvoudige vergelijking koersverloop-
prijsverloop.

1938
1947
Kapitaalgoederen

………………………
20,4
43,5
Saldo vermogens in het buitenland

……….
8,3
4,9
Ongedekte

staatsschuld

………………….
3,8
17,0

Totaal

…………………………..
32,5
65,4

Passiva
(titels in handen van uiteindelijke vermo-
gensbezitters)
Onhezwaard

particulier bezit

…………..
11,5
34,3
Hypotheken

……………………………
.3,0
2,3
Aandelen en obligaties van het bedrijfsleven
4,5 6,2
Idem

van

het

bankwezen

………………
1,2
4,7
Langlopende overbeidsschuld

…………….
3,2
4,3
Vordering op de Overheid wegens oorlogsschade
en

zekerheidstellingen

………………..

1,8
Kortlopend

overheidspapier

…………….

0,2
Levensverzekeringpolisserl

en pensioencontracten
3,4
5,5
Spaarbanksaldi

en termijndeposito’s

……….
1,2
4,1
Bankgeld

………….

…….

.

……….
0,9 4,7
Munten,

muntbiljetten

dc.

………………
0,1

.
0,1
Buitenlands

bezit

……………………..
3,5

,
3,5
32,5 70,7
af:

vorderingen Overheid op gezinshuishoudingen

.

5,3

Totaal

.
…………………………..
32,5
65,4

Bron:
Centraal Bureau voor de Statistiek: Statistische en
Feono- metrische Onderzoekingen,
1947
no
3 en
1949
no
1.

1

6 December 1950

ECONOMISCH- STATISTISCHE BERICHTEN

973

Nu is het geenszins zo, dat het feit van de afwijking van de

aandelenkoers van de intrinsieke waarde aanstonds tragisch

genomen zou moeten worden. Reeds lang is de gedachte
uitgedragen, dat de gezamenlijke aandeelhouders niet meer

identiek met de onderneming zijn. De vennootschap zou

een ten dele eigen reden van bestaan hebben en de leiding
hiervan zou hij haar politiek zich meermalen latçn leiden
door overwegingen, waarvan niet vaststaat, dat zij steeds

met het aandeelhoudersbelang zonder meer te vereen-

zelvigen zijn. Van een particulier eigendom van de ge-

zamenlijke aandeelhduders van de -vennootschap zou

zelfs steeds minder sprake zijn. Reeds ‘Walter Rathenau
heeft op dit verschijnsel gewezen. Wat hierboven met name ten aanzien van 1938 in cijfers is aangegeven is

eigenlijk de consequentie op het gebied der vermogens-
toerekening van deze redenering; ook een deel van het

vermogen is van de aandeelhouders aan de vennootschap
zelve overgegaan. –

Indien de omvang hiervan niet te groot wordt zijn er

ook wel argumenten naar voren te brengen, die de aandeel-
houders met het bestaan van dergelijke reserves gedeeltelijk
zouden kunnen verzoenen. Prof. van Berkum heeft in een

beschouwing over de dividendpolitiek in ,,Economie” van
-1947/48 er op gewezen, dat met name ook het streven
naar dividendstabilisatie als het ware een permanente ver-
sterking van de financiële positie voor de vennootschap vereist, teneinde een buffer te vormen tussen het onver-

mijdelijk wiss’elende bedrijfsresultaat en de zoveel mogelijk’
te stabiliseren dividenden. Daarnaast en dus min of meer
tegenover de hierboven kort aangeduide opvattingeh heeft
men zich inmiddels ook al voor de oorlog het vraagstul
is niet in de laatste jaren ontstaan – ernstig bezorgd
getoond voor de ontwikkeling van de positie van de aan-
deelhouder. Men zag hem als houder van een bundel van
vaak onvoldoend beschermde rechten meer en meer in de
verdrukking komen. T-Toe dit inmiddels ook moge zijn, de
situatie was v66 1940 stellig nog wel zo, dat, ondanks
deze schaduw, die over het aandeel hing, het als beleggings-
object nog in ruim voldoende mate aantrekkelijk werd
gevonden.

Inmiddels blijkt thans ten opzichte van 1938de situatie
op dit stuk sterk geaggrayeerd te zijn. Was er tot nu toe
sprake van een zekere machtsstrijd tussen de leiding van
de naamloze vennootschap en de aandeelhouders, die met
enige bezorgdheid werd gadegeslagen, thans is daarnaast
een nieuwe, politieke, machtsfactor in het spel gekomen,
waardoor, van het bedrijfsresultaat een belangrijk deel ten behoeve van de Staat wordt opgeëist. Dit betekent,
dat de zwakste ,der drie partijen, nl. Overheid, vennoot-
schap en aandeelhouder, de laatste naar een zeer bescheiden
plaats wordt teruggedrongen. Na wat er in Nederland op
het stuk van de belasting der vennootschappen in de laatste
10 jaren is gebeurd, zal de aândeelhouder nog maar een beperkt, deel ,van het vennootschapsvermogen aan zich
toerekenen en onze berekening geeft een indicatie, hoezeer
bescheiden dit deel is! Datgene, wat hem niet meer toe-
gerekend wordt; is ten dele verbonden voor de toekomstige
uitkeringen aan de fiscus en voorts fungeert het als
,,eigen” vennootschapsvermogen in de zin, zoals wij dat
hierboven bespraken.

Deze – uiteraard slechts in grote trekken – aangege-
ven ontwikkeling leidt tot enkele belangrijke conclusies.
In de eerste plaats past bij de ‘huidige Nederlandse
verhoudingen een zekere reserve tegenover de vanouds
aanvaarde tegenstelling tussen aandelen en obligaties in
die zin, dat ten aanzien van obligaties infiatierisico zou
bestaan en van aandelen niet.
Aandelen zouden eigenlijk, zo is nog de algemene op-
vatting, een ,,Sachwert”-karakter hebben. Van dit ,,Sach-
wert”-karakter blijkt, indien wij de ontwikkeling van de
Nederlandse verhoudingen tussen 1938 en 1947 gadeslaan,
relatief weinig te zijn overgebleven. Integendeel, van

de infiatoire waardestijging van het actief der vennoot-

schappen is maai’ een zeer beperkt deel aan de aandeel-

houder ten goede gekomen. De ontwikkeling der politieke

machtsverhoudingen heeft medegebracht, dat de aandeel-
houder ook in belangrijke mate met de mogelijkheid van

een achteruitgang va’n de reële waarde van zijn vermogens-
titel rekening moet h6uden. ‘Werkelïjkheidszin brengt

mede te erkennen, dat bij de verhoudingen, waaronder
wij thans hier te lande leven, de aandeelhouder er goed

aan doet zich niet te zeer eigenaar te wanen van het
deel van het vennootschapsvermogen, en in te zien,

dat vooral de positie, die wordt ingenomen hij de verde-
ling van het door de vennootschap verworven inkomen,
de waarde van het aandeel beïnvloedt
5).

Voorstellen, zoals deze door Prof. ten Doesschate in zijn

prae-advies zijn gedaan met betrekking tot de splitsing
van levensverzekeringen in een papieren guldensdeel en
een deel, op aandelen gebaseerd, dat los is van het nominale

guldenskarakter en ook de suggestie van Prof. Koopmans
in dit blad
6),
waarin verzekeringsconstructies worden
voorgestaan, waarbij valutarisico
7)
wordt vermeden en
aandeelhoudersrisico hewust aanvaard, zijn interessant,
maar stoelen toch wel zeer op de tegenstelling aandeel-
houdersrisico – inflatierisico, van welke tegenstelling men
toch tenminste kan zeggen, dat zij hier te lande in het
laatste decennium niet zeer actueel is geweest. Of zij weer

actueel zal worden isin niet geringe mate van de ont-
wikkeling der politieke machtsverhoudingen afhankelijk.

In de tweede plaats kan men niet anders dan critisch
staan tegenover’de gedachten
dooraProf.
ten Doesschate in zijn prae-advies
8)
geponeerd, omtrent het meevallen
van de risico’s aan aandelenbelegging verbonden. De prae-
adviseur beroept zich daarbij op’ de uitkomsten van oudere
onderzoekingen als die van Dr J. F. A. Derks en de heren
Verwey en Voet omtrent ‘de resultaten met aandelenbe-
legging bereikt. Zulks is inmiddels toch nauwelijks toelaat-
baar, als men zich realiseert wat zich op het stuk van de
pdsitie van het aandeel hier te lande sinds 1940 heeft vol-
trokken en men kan welhaast niet anders dan aannemen,
dat de prae-adviseur hiervan geen genoegzaam concrete
voorstelling heeft gehad. Daarbij komt, dat Prof. ten Does-
schate voortdurend de conditie stelt van goede selectie
en vakkundig beheer van aandelenportefeuiiles. Dit is
volkomen begrijpelijk, maar indien het gaat om de vraag
van de zin van de aandelenbelegging voor de Nederlandse
volksgemeenschap gedurende een bepaalde tijd, dan zal
men dienen na te gaan, welke resultaten de
totale
aandelen-

belegging heeft opgeleverd. 1-let staat geenszins vast, dat
bijv. voor de periode 1919-1939, waaromtrent thans onder-
zoekingen in een vergevorderd stadium zijn, de uit-

komsten der aandelenbelegging
in totaal
zozeer veilieugend

zouden zijn geweest.
l’Jét is uiteraard ‘allerminst zo, dat wij zouden ontkennen,
dat het individueel voordeel zoekend handelen zich in

vele gevallen door het gedurende korter of langer tijd aan-
houden van aandelen met succes zou kunnen doen
gelden. Het beloop van de koersen van uiteenlopende
aandelen en categorieën van aandelen gedurende langei’
en korter perioden geeft duidelijke aanwijzingen omtrent
deze mogelijkheden. Indien men zich evenwel een oordeel
wil vormen over de uitkomsten der aandelenbelegging
dan zal men bij de succesvolle transacties op korte of
lange termijn niet kunnen blijven staan en zal men door

‘)
Wij hebben er reeds op gewezen. dat wij onze beschouwingen
beperken tot cle Nederlandse situatie, Hoe geheel anders de verhou-dingen kunnen liggen voor de aandeelhouders, buy, in het geval van
een snelle dcpreciatie van de geldeenheid, bewijst de positie van de
aandeelhouders in Duitsland na de geldsanering van 1948.
Men leze hiervoor de belangwekkende beschouwing in het Augus-
tus-nummer van het ,,Hollandsche Bank-Unie nieuws”, onder redac-
tie van W. H. A. Bruggemann.
•) Zie’, ,,Een vet-stopte bron van risicodragend kapitaal?” In
,,F.-S.B.” van 22 November 1950.
‘) Prof, Koopmans geeft’ in zijn artikel duidelijk aan, dat het bij ,,valutarisico” hij hein in de eerste en voornaamste plaats gaat om
schommelingen in de interne .geldwaarde.
‘) Blz. 26/27.

974

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

6 December 1950

een macro-economische analyse, om een deftig modewoord

te gebruiken, moeten trachten naast de bomen ook het

bos te zien. Eerst dan zal het beeld ‘duidlijk kunnen zijn.

Jbist het beoordelen van de mérites der aandelenbelegging

uitsluitend op grond ‘ van individuele mogelijkheden
brengt het gevaar mede de diepeie maatschappelijke

oorzaken, die tot de gewijzigde positie van het aandeel

hebben geleid, niet voldoende te onderkennen.

Mogen wij in het licht van hetgeen de ontwikkeling der

laatste 30 jaar ons leert er zo verwonderd over zijn, dat

in Nederland onvoldoende risicodragend kapitaal wordt;

aangeboden? Zou men de institutionele beleggers in redelijk-

heid kunnen verwijten, dat zij een te grote schroom ten

aanzien van deelneming – al dan niet in de aandelenvorm

– betonen? Alen zou geneigd zijn tot de conclusie te

komen, dat er eerder aanleiding zou zijn hen verwijten

te doen, indien zij deze schroom niet bezaten en blijkbaar

dus de les der geschiedenis der laatste decennia niet zouden
hebben verstaan.

Ook hier rijze geen misverstand. De bovenstaande be-

schouwingen hebben betrekking op de positie van het
aandeel in Nederland. Zij treden niet in de vraag, of het

huidig koerspeil der bestaande aandelen al dan niet hoog of

laag moet worden geacht. In hoeverre de geschetste on-

miskenbare ontwikkeling van de plaats van het aandeel

in het spel der krachten geacht moet worden in het koers-

peil verdisconteerd te zijn en hoe de verdere perspectieven

op dit stuk kunnen worden beoordeeld, zijn vraagstukken

tot welker beantwoording de schrijver zich noch bevoegd,

noch geroepen acht
9).

Ten slotte zou men kunnen concluderen, dat het onjuist
ware van het financiële bedrijfsleven vindingrijkheid met

betrekking ‘tot het construeren van aan de nieuwe situatie

aangepaste beleggingsvormen als verbindingsschakels tus-
sen institutionele beleggers en bedrijfsleven te vergen,

zolang de vêrhoudingen in Nederland, zoals wij die ge-
schetst hebben, geen uitzicht op verbetering bieden.
De industriële onderhandse lening, zoals wij die in de
laatste jaren meer en meer zien verschijnen, is hij de

gegeven verhoudingen nog een plausibele oj bssing, zelfs

met de bezwaren, die men hiertegen terecht kan aanvoeren.

Voor de oplossing van de impasse, waarin het vraag-
stuk van de voorziening van het risicodragend kapitaal

in Nederland is komen te geraken, is het na het bovenstaan-
de niet moeilijk ‘in grote trekken aan te geven in welke

richting deze zou, kunnen worden gezocht. De eerste
bijdrage zou van de zijde van de politieke machten dienen
te komen. Deze hebben, hieraân kan na onze analyse
nauwelijks meer twijfel bestaan, het aandeel, dat zich
reeds ten gevolge van de machtsstrijd in de naamloze

vennootschap in een wat dubieuze positie bevond, buiten
de sfeer, waaibinnen de van zijn verantwoordelijkheid
bewuste bElegger behoort te blijven, gebracht. Hier wcrde
dan vooral gedacht aan de belegger, die veran’twoordelijk-

heid draagt voor middelen, door anderen aan hem toe-
vertrouwd. De Overheid zal daarom het aandeel door

een fiscale bescherming bij de winstverdeling een steviger
basis moeten hergeven. Veel betekenis moet daai’om ge-

hecht worden aansuggesties door Mr H. F. van Leeuwen
0)

en anderen gedaan, w’aarbij een primair dividend ten aan-

zien van de vennootschapsbelasting op dezelfde voet woi’dt

) Hoe gemakkelijk een misverstand kan rijzen, blijkt uit een
beschouwing in de ;,Nieuwe Rotterdamse Courant” van Maandag
27 November omtrent de discussie over het onderhavige punt in
de jaarvergadering van de Vereniging voor de StaatliuishoudkUnde:
,,Overigens wil
het
os toeschijnen, dat de door Prof. Crlasz naar
voren gebrachte feiten ook ruimte laten voor een gevolgtrekking
juist tegengesteld aan die, waartoe hij kwam. Indien thans in dc
beurskoersen slechts een gering deel van de intrinsieke waarde
der aandelen lot uitdrukking komt, clan kunnen wij ons voorstellen,
dat sommigen hierin juist een aanleiding zien om deze tijd bij-zonder geschikt te achten voor een belegging van een deel der
middelen van institutionele beleggers in aandelen”.
O)
Zie: ,,Belastingver.lichting en• nieuwe ondernemingen” door
Mr H. F. van Leeuwen n ,,E.-S.B.” van 11 Januari 1950.

behandeld als de rente van obligaties. Het is zeer te be-

treuren, dat de gedachten door Minister Lieftinck naar
voren gebracht in Januari 1946 niet betrekking tot een
overwinstbelasting destijds door de Kamer dermate on-

vriendelijk zijn ontvangen dat van realisering hiervan bij

voorbaat moest’ worden afgezien. In Ben meer recent
staatsstuk
11)
heeft de Minister medegedeeld, dat naar. zijn

oordeel vrijstelling van de vennootschapsbelasting van

S pCt primair dividend f 50
t
75 mln zou kosten. Het redi’esseren ‘Van de hierboven geschetste verregaand

scheefgetrokken verhoudingen’ is inmiddels wel urgent!

FIet ware optimistisch te geloven, dat met adequate
fiscale hulp de, rehabilitatie van het aandeel reeds zou
zijn voltooid. De ontwikkeling naar toenemende voor-

keur voor niet-risicodragend kapitaal was reeds voor

de tweede wereldoorlog in Nederland duidelijk te signa-
lëren en w’ij hebben hier te doen met een uiting van risico-

vrees, waar,’an de oorzaken te diep liggen dan dat zij met
eenvoudige middelen zouden kunnen worden weggenomen.

Inmiddels is toch wel, naar men mag aannemen, bij hen,
die langzamerhand verreweg de belangrijkste figuren op
dezevermogensmarkt zijn gew’orden, nl. bij de institu-
tionele beleggers, stellig het besef gegroeid, dat, mits bij

andere verhoudingen dan nu, een betreden van nieuwe

wegen op het gebied der geldbelegging niet zal zijn – te
ontgaan. Daarbij is evenwel – en ook dit is een belangrijk

punt – de positie van onmondigheid, die het twijfel-

achtige voorrecht van de kleinere aandeelhouder is ge-
w’orden, voor deze beleggers niet meer aanvaardbaar. De

mogelijkheden voor enkele belangrijke categorieën in-
stitutionele beleggers om via door hen te financieren maatschappijen te participeren in naamloze vennoot-
schappen, opent de weg om met betrekking tot een rede-

lijke behartiging-van de belangen van hen als participanten.
zich zodanig te doen gelden, dat de machtsverhoudingen

binnen dc vennootschap evenwichtiger worden. De
metamorphose met betrekking tot de belegger van aan-

deelhouder tot participant tot een figuur, die werkelijk
weer deelneemt, die een ruime, door de lange duuP van zijn –

deelneming mede, ingegeven, belangstelling heeft en die
waar nodig tegenover de leiding zijn belangen in geding
zal kunnen brengen, ligt binnen de sferen van het mogelijke
ets van het wenselijke. Dat hiermede niet bedoeld w’ordt
een pleidooi te leveren voor het verlaten van beproefde
wegen van gezonde financiering behoeft nauwelijks betoog.
In hoeverre de institutionelebeleggers nog de aaitmoediging
nodig zullen hebben, alvorens tot meer forse deelnemingen
in participatiemaatschappijen te komen, van zekere garan-
ties van de Overheid, is thans nauwelijks discutabel, omdat

wel aannemelijk is, dat bij de huidige’ verhoudingen
dergelijke garanties zeker voorwaarde zullen zijn en alleen
bij het hierboven geschetste herstel van het aandel,
waartoe de Overheid de eerste stap moet doen, de vraag
vn een sterke vermindering of een geheel achterwege
laten van waarborgen in geding zal kunnen zijn.
De vrees is Nvel eens geuit, dat dergelijke ‘participatie-maatschappijen, door institutionele beleggrs gefinancierd,

een grote economische en politieke macht in ons bestel
zouden betekenen. De w’erkelijkheidis, dat de belegger, die
in de huidige maatschappelijke verhoudingen verreweg
de zwakste partij is, nog uit een situatie van diepe onmacht
naar een meer aanvaardbare economische machtspositie
moet groeien. Mogen’de atavistische voorstellingen omtrent
.de macht van het financieringskapitaal, die jarenlang

bestaan hebben, bij het zoeken van nieuwe wegen niet
hinderlijk zijn!
12).

1-let vraagstuk van de voorziening van het risicodragend’
kapitaal is ernstig. Aanvankelijk is na de oorlog vooral de

‘)
Verslag overleg Wetsontwerp Belastingherziening 1950 van
21 April 1950, no. 1251, blz. 13.
“) Over de overschatting van de financiële macht” en de positie
van de beleggér, zie: Ch. &lasz’. Nieuwe economische mnachts’er-
houdingen”

6 December 1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

975

vraag, of de totale omvang der besparingen wel voldoende

zou zijn om de noodzakelijke investeringen te financieren
in discussie geweest en heeft een 7.eker vertrouwen bestaan

ten aanzien van de oplossing van het als het ware finan-

cieel-technisch vraagstuk van de beleggingsvormen, die de

nieuwe situatie zou moeten medebrengen, waartoe de

vindingrijkheid van de practijk in belangrijke mate zou

moeten bijdragen.

Het blijkt inmiddels, dat de zorg voor de omvang van

het totaal der besparingen wat op de achtergrond komt, maar tevens wordt duidelijk, dat de financiële structuur
zich niet heeft aangepast aan de gevijzigde sociale struc-tuur, die ons de grote stroom van besparingen, via de in-
stitutionele beleggers, bezorgt en zal bezorgen. liet is, naar

het ons wil voorkomen, w’el evident; dat vooral de hier-
boven geschetste omstandigheden aan deze aanpassing
in de weg staan en op de wijziging hiervan moet onze energie
gericht zijn.
(}LASZ.

DE GEMEENTEFINANCIËN IN DE KNOOP.

De ,,noodvoorziening” – om te voorzien in de financiële
nood der gemeenten – loopt met het jaar 1950 ten einde.
De hierop betrekking hebbende ,,wet-noodvoorziening voor
de jaren 1948, 1949 en 1950″, wordt ten aanzien van het
uitkeringssysteem verlengd voor de jaren 1951 en 1952.
Over. de jaren 1948-1950 konden de gemeenten rond-

komen. De noodvoorziening werkte over deze jaren ,,in
het algemeen” gunstig. En toch…. zitten de gemeente-
financiën in de knoop. Wanneer een touw in de knoop zit, kan men aan twe
kanten trekken. Hoe harder men trekt, hoe hechter de
knoop. Naarmate van de zijden van Rijk en gemeenten
aan de uiteinden van het touw wordt getrokken, hoi ste-
viger de gëmeentefinanciën over 1951 en 1952 in de knoop
zitten.

Die knoop is niet op eenvoudige wijze uit elkaar te
krijgen. De Regering schijnt daar anders over te oordelen.

Vandaar verschillen van inzicht en uitdrukkingswijze
waaromtrent hier verantwoording wordt gevraagd. –

**
*

• Er zijn van 1851 tot 1951 in de regeling der gemeente-
financiën twee elkaar weerstrevende tendenties te consta-
teren. Zij veroorzaken de knoop van 1948-1950 en van
1951-1952.
In 1851 ontvingen de gemeenten een door de wetgever
bepaald en beperkt eigen belastinggebied. Flet toezicht,
in het bijzonder van Ged. Staten, had ten doel te contro-leren of het gemeentebestuur handelde iii het belang der gemeente. Ged. Staten traden op ,,als het nijpt” (Oppen-
heim). Ged. Staten waren ,,regenten”. Zij traden VOOr
gemeentebelangen in het krijt, wanneer de gemeente-
besturen die belangen niet gaaf dienden. Ged. Staten
stonden als hoger bestuur zo nodig aan de gemeen tebestu-
ren tegenover.

De volgende stap is, dat Ged. Staten de goedkeuring
aan de gemeentebegroting onthouden, omdat daarop niet
die uitgaven voorkomen, welke Ged; Staten wenselijk
achten in het belang der gemeenten. 1-let toezicht krijgt

een positief verzorgend karakter. Gegeven wordt slechts
één voorbeeld, liet belang ener goede gemeentepolitie
werd door vele kleine gemeenteraden niet ingezien. De
burgemeester dacht daarover anders. 1-Tij wilde een vol-
doende gemeentepolitie. Ged. Staten steunden de burge-
meester. De goedkeuring werd aan de begroting onthouden.
De Kroon besliste. De Raad van State, afdeling voor de ge-
schillen van bestuur, adviseerde. Langs de weg van deze
procedure is het resultaat, dat het belang der gemeente-
politie beter wordt gediend. Maar inde argumentatie is

wel iets veranderd. Bij dit punt kan de gemeente niet

alleen op zichzelf worden gezien. 1-let algemeen belang

wordt verwaarloosd, wanneer dit gemeentebelang niet in

positieve zin wordt gediend. Ged. Staten zetten hun toe-‘
zicht uit tot een zorgen voor gemeentebelangen in het kader van het algemeen belang. Ged. Staten komen te

staan langs vele wegen – waarvan er één werd aangestipt

– niet alleen tegenover, maar ook naast de gemeenten.

Dit ervaart de practijk van ons staatsrecht ook, wanneer

de inkomstenzijde van de financiële zijde der gemeenten

moet worden versterkt. Ged. Staten hebben de gemeenten

in haar groei ‘gesteund. Zij hebben bij het Rijk gepleit in
het belang ener versterking der gemeentefinanciën telkens weer, bij onderscheidene gelegenheden.

liet Rijk kwam er toe aan de gemeente bijdragen in de

kosten van het gemeentebestuur te verlenen, zowel bij

het volvoeren van de autonome taak als in die zorg,
w’aartoe. de gemeente van hogerhancl wordt geroepen.

Ged. Staten staan aan de zijde der gemèenten. De uit-

keringen moeten voldoende zijn. Maar een nieuw rijks-

toezicht doet zijn intrede. Ook het belastinggebied der

gemeenter wordt uitgebreid. Ged. Staten steunen hierbij
de gemeenten.

Er wordt tenslotte een algemene rijksuitkering gedaan

in 1897. De gemeentefinanciën worden versterkt. Dit ligt
in de lijn van de provinciale regenten.

**
*

De beoordeling van de vraag wat de gemeenten op
financieel gebied nodig hebben geschiedt nog steeds door

de gemeentebesturen en door Ged. Staten tezamen. Zelden
komt het tot een conflict, waarin de Kroon beslist.
Dit ‘is de ene tendentie in’ het bestel der gemeente-financiën. De vraag: aan welke inkomsten hebben de
gemeenten individueel behoefte, wordt beoordeeld door
de gemeentebesturen en door Gd. Staten. Welke wijzi-
gingen ook aangebracht worden in de regeling van de
financiële verhouding van Rijk eu gemeenten van 1897
tot 1951, deze ene. tendentie is altijd te onderkennen. Dit is in de hier gegeven voorstelling het ene uiteinde
van het touw, dat thans in’ de knoop zit.

**
*

De andere zijde is, dat oorspronkelijk ook enkele be-
hoeften der gemeenten werden beoordeeld door het Rijk.
Oorspronkelijk waren dat slechts die financiële behoeften
der gemeenten, dje samenhingen met de verzorging van
een belang, w’aarbij het Rijk financieel participeerde.
Het beoordelen der behoeften van de gemeenten kwam

bij de noodlijdende gemeenten op het algemene terrein van de gehele omvang van het bestuur. Maar dat betrof
,

slechts enkele gemeenten.
Geschiedenis terzijde. Bij het vaststellen van de nood-
voorziening 1948-1950 beoordeelde het Rijk de totale

behoeften van alle gemeenten tezamen. Aan de hand
daarvan bepaalde het Rijk de totale rijksuitkering. Deze
bleek ,,in het algemeen” voldoende zowel in totaal als
voor de onderscheidene gemeenten, met inachtneming van
de andere hr
p
nnen van inkomsten. Over 1948-1950 be-
oordeelden de gemeentebesturen en de Ged. Staten enerzijds
en de Regering anderzijds die behoeften op overeenkom-
stige manier. Er was w’el een knoop, maar die werd niet
toegetrokken.
De beoordeling van de behoeften der gemeenten indi-
vidueel naar het inzicht
1
van gemeentebesturen en Ged.
Staten klopte met
1
het inzicht van het Rijk ten aanzien
van de behoefté voor alle gemeenten tezamen. 1-let Rijk
gaf een voldoende uitkering.
Daarom heerste er rust in de financiële verhouding van
Rijk en gemeenten over 1948-1950.
Is bij de voortzetting van de noodvdorziening over de
jaren 1951 en 1952 de rust verstoord?
Er wordt aan de twee einden van het touw hard ge-

976′

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

6 December 1950

trokken, liet Rijk wil, in tijden van strikte noodzaak van

bezuiniging, de behoeften der gemeenten tezamen blijven

beoordelen en dus beperken. De uitkering mag dus niet

te hoog zijn, ja, in de beperktheid der uitkeriig moet
een drang tot beperking geborgen zijn.

Aan de andere zijde van het touw wordt getrokken door

de gemeentebestureii,’ wier uitgaven stijgen. Zij vrezen
individueel tekort te komen.

De strijd wordt geleverd bij de behandeling van het

wetsont*erp, zitting 1950-1951 no. 1991, houdende voor-

zieningen ten aanzien van de financiële verhouding tussen

het Rijk en de gemeenten en bij de daarbij aansluitende
ontwerp-begroting van het Gemeentefonds 1951.
Hoe heviger aan de beide uiteinden van het touw wordt

getrokken, hoe steviger de knoop. Over dit ‘touvtrekken

zelve zal wellicht ook in dit blad een verslag worden
gegeven. Voor dit blad tharls iets anders.

**
*

In de Loelichting der stukken wordt de suggestie ge-

wekt, dat nog slechts voor 1951 en 1952 de tegenwoordige

regeling der financiële verhouding zal dienst doen. Nog
slechts over deze jaren zouden, op de wijze als thans voor-

gesteld, de behoeften der gezamenlijke gemeenten door het

Rijk w-orden beoordeeld. Na 1 Januari 1953 zal een meer
duurzame i’egeling gelden.

Aan deze redenering kan geen vertrouwen worden ge-
schonken. De Regering schrijft: ,,De hoop, dat het zou

gelukken tijdig vôôr de afloop der noodregeling met een vooi’stel te komen voor een meer duurzame regeling van

dë financiële verhouding tussen het Rijk en de gemeenten,
is helaas niet in vervulling gegaan”. –

,,De commissie-Oud heeft medegedeeld, dat de tijd
die sedert het indienen van het rapport omtrent de

noodvoorziening verstreken is, tot haar spijt te kort is
gebleken om reeds thans een voorstel voor een nieuwe

regeling in te dienen, die gi’ondslagen zou bevatten,
welke aan redelijke verwachtingen daaromtrent zouden

beantwoorden. De studie omtrent de verschillende facetten

ener nieuwe regelïïig en de onderzoekingen, die hieraan
ten grondslag moeten liggen, vorderen voor de com-
missie zo veel tijd, dat het uitgesloten is, dat haar

rapport zo tijdi’g gereed zou komen, dat voor het jaar
1951 reeds de meer duurzame iegeling in werking zou
kunnen treden”.
Om deze en nog meer redenen is ,,aan een verlenging

van de noodregeling” niet te ontkomen.. 1-let nieuwe wets-
ontwerp voor de jaren 1951 en 1952 is aangeboden. De
wet moet vôôr 31 December 1950 in het staatsblad staan.
Maar het wetsontwerp wordt in de Tweede Kamer stellig

eerst behandeld na het Kerst-reces 1950-1951.
,,In overeenstemming met het gevoelen van de Commis-
die-Oud wordt voorgesteld de termijn van verlenging der
geldende noodvoorziening op twee jaren te stellen. Er
moet namelijk een redelijke kans zijn, dat de nieuwe finan-
ciële verhoudingsregeling binnen de verlengde termijn tot
stand kan komen”.
Fliervan geloof ik niets.

**
*

FIoeveel tijd van voorbereiding is nu aan de commissie
voor liet uitbrengen van haar rapport gegund? Wij moeten
dus terugrekenen van 1 Januari 1953 af. Het is – schrijven
de MinisterS zelf – ,,vooi’ de gemeentebesturen van groot
belang bij cle samenstelling van de begroting (voor 1953)

(waarmede gewoonlijk in Juni reeds begonnen wordt,
daar zij vôôr 1 September aan de raad moet worden aan-
geboden) te weten op welke uitkeringen uit het Gemeente-
fonds gerekend kan worden”.

In Juni 1952 moeten dus cle gemeentebesturen weten,
waaraan . zij, krachtens de meer duurzame regeling, toe
zullen zijn.
1)1e meer duurzame i’egeling moet en kan niet anders

zijn dan een uitvoerig wetsontwerp, waarbij een beperkte,
eigen zelfstandige financiële belastingpolitiek aan de ge-

meenten wordt hergeven, naast de uitkeringen uit het

Gemeentefonds, dat aan het Rijk de gelegenheid geeft
de overblijvende behoefte te beoordelen.

De meer duurame regeling moet in overleg tussen Re-

,gering en Staten-Generaal worden vastgelegd in een wet.

1-Jet zou getuigen van pai’lementaire regeerkracht, wanneer

het (betreffende) wetsontwerp in één parlementair jaar

alle phasen doorliep. Dit is zéér optimistisch geschat. Maar

wie kan leven zonder optimisme? Wellicht zal ds in het
parlementaire jaar 1951-1952 de kracht worden Sevonden

om vast te stellen een wet van x-maand 1952, maar de

maand moet zijn vôôr de maand Juni 1952.

liet parlementaire jaar 1951-1952 moet dus aan-

vangen met een ontwerp, dat in September 1951 gereed

is en dat dus v66r het zomer-reces bij de Raad van State

moet zijn. De Raad van State wil de maanden Juni-

Juli wellicht vastleggen, wanneer de Ministerraad begin
Juni 1951 tot een beslising is gekoiien.

Overeenstemming in de Regering op 1 Juni 1951 is
voor de thans in de stukken opgezette tijdrekenkunde

beslist geëist. Aan de overeenstemming in de Regering

gaat het departementale overleg tussen Financiën en

Binnenlandse Zaken voorôf. Wie rekent met ,,spoed” en

,,spoedstukken” in deze materie,komt tot het resultaat,
dat in Mei 1951 het advies van de commissie-Oud moet
– ,,binnen’ zijn. –

De commissie-Oud heeft dus van December 1950 tot
Mei 1951 tijd om te arbeiden, in onze terminologie: om de
knoop uit het touw te halen.

Zij zal daarin niet kunnen slagen. De twee elkaar tegen-

strevende krachten kunnen niet worden opgeheven.

De gemeentebesturen willen de behoeften zelvè be-
oordelen onder contrôle van Ged: Staten en daarnaar de
inkomsten vastgesteld zien.

Flt Rijk wil de behoeften der gezamenlijke gemeenten

beoordelen en daarbij de rijksuitkering beperken.
In de jaren 1948-1 950 waren deze elkaar tegenstrevende

eisen te verwezenlijken. De rijksuitkering was ,,in het al-
gemeen” voldoende.

Voor de jaren 1951 en 1952 zal een regeling stellig te
vinden zijn,
omdat die regeling al weer slechts incidenteel
zal zijn.
Maar in deze incidentele regelingen zit niet de
basis voor een meer duurzame regeling, omdat van jaar
op jaar, ook na 1952 de Regering zelfstandig wil beoor-
delen, hoe groot dan de rijksuitkering zal zijn, zulks in
verband met de behoeften.

De Regering stelt de rijksuitkering naar haar Inzicht
vast. Dit kan niet anders, maar dit zal ook over 1953 en
volgende jaren gelden. Het is ook nu zo. Over 1951 en
1952 zullen de gemeentebesturen krachtens de’wet uit-
keringen ontvangen
benevens een aan’ullende uitkering
wegens het vervallen van de Ondernemingsbelasting.
De wet bepaalt de maatstaf van deze zoveelste rijksuit-
kering. ,,Maatstaf voor deze aanvullende uitkering zal
zijn het bedrag, dat nodig zal zijn om de nog aan de ge-

meenten toekomende Ondernemingsbelasting aan te
vullen tot een Jiedrag, gelijk aan dat, hetwelk door haar

over 1950 aan Onderncniingsbelasting zal worden ont-
vangen”. liet kan over de jaren 1951 en 1952 nog mee-vallen. Over de jaren 1952/53 en volgende moet er een
plaatsvervangende rijksuitkering. blijven, tenzij men
gelooft, dat er met 1 Januari 1953 een nieuwe gemeente-
belasting is gevonden, welke kan strekken tot vervanging

van de opbrengst der Ondernemingsbelasting. Maar dan nog blijven alle thans geldehde uitkeringen;

**
*

De Regering en de wetgever zullen ook na 1 Januari
1953 de overige rijksuitkeringen moeten vaststellen aan

de hand der behoeften. Voor deze invloed der Regering

kan formeel een grondslag worden ‘gegeven in de wet;

6 December 1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

977

materieel moet de Regering de rijksuitkering toch be-

palen per jaar of per twee jaar.
Een algemeen geldende
duurzame regeling omtrent de hoogte der uitkering is niet

mogelijk.

Voor de jaren 1951 en 1952 schrijven de Ministers:

,,Met betrekking tot het geraamde. bedrag wegens alge-

mene en bijzondere uitkering wordt opgemerkt, dat dit

is berekend naar een percentage van 125 van de bedragen,

welke daarvoor bij’ inwerkingtreding der Noodregeling Ge-

meentefinanciën werden vastgesteld”. Naar de aan-

vankelijke mening van ondergetekenden strookt deze

verhoogde uitkering met de behoeften van de gemeenten
in het algemeen”.
De wet stelt een bepaald bedrag als rijksuitkering ter
beschikking dooi’ ‘storting in het Gemeentefonds. Dit

bedrag blijft hetzelfde ook wanneer het uitkeringspercen-

tage over 1951 wprdt gesteld op 130. Immers dan wordt
eenvoudig het bedrag voor bijzondere uitkeringen kleiner.

Ook na 1953 zal de invloed der Regering op het vast-

stellen der rijksuïtkring onverminderd blijven voort-

bestaan. Hoe groot dit bedrag moet zijn
is
niet langs de

weg van een algemene regeling te bepalen. Het bedrag
is over 1951 bepaald op f 420 mln. De wetgever stelt dit
bedrag incidenteel vast. Over de volgende jaren zal het
niet anders kunnen zijn. –

**
*

Een meer duurame regeling, in zes maanden tijd te ontwerpen, stelt nôg een geheel andere eis. Een meer
duurzame regeling eist een eigen soort gemeentdlijke in-
komstenbelasting. Andere belastingen geven steeds slechts
kleine bedragen. De invloed der Regering op het vast-

stellen der behoeften kan slechts worden teruggedrongen
— niet vervangenl – door een werkelijke, zelfstandige
gemeentelijke inkomstenbelasting, in enigerlei vorm. Wie gelooft, dat die belasting in zes maanden aan de Regering
wordt voorgedragen en dat zij in principe zou worden
aanvaard? (Zulks hiiten het vervangen van het geipeente-
lijk belastinggehied der Ondernemingsbelasting).

*

De noodregeling over 1951 en 1952 zal moeten worden
verlengd – later – ovr 1953 en 1954. Basisvan het debat
in rijksverband zal blijven: wat zijp de behoeften der ge-
meenten over die jaren? Zo blijven de gemeentefinanciën

,,in de knoop” zitten.
‘s ( ravenhage.

C. W. 1) E VRIES.

ENIGE BELANGRIJKE FACETTEN VAN DE

NEDERLANDSE LANDBOUWPOLITIEK.

Onder deze titel organiseei-de het Landbouw-Econo-
misch Instituut op 30 November ter gelegenheid van zijn
tienjarig bestaan een landbouw-economische dag. Een dag
welke naai opzet en uitwerking recht deed aan de belang-
rijke plaats welke het L.E.I. zic.h in het betrekkelijk korte

aaiital jaren van zijn bestaan – waarvan nog vijf in de
hezettingstijd – in het Nederlandse landhouwbestel

heeft weten te verwerven.
o

Het Landbouw-Economisch Instituut.

De economische moeilijkheden van de jaren dertig

deden ook in de landbouw de wens groeien een nauwkeuri-
ger inzicht te hebbôn in de economische samenhangen.
Dit geldt zowel voor de boeren als voor cle Overheid.
In 1934 begon een aantal Gronin’se boeren, voor-
gelicht door een deskundige, met het verzamelen van

productiekosten
vrrn
enkele gewassen; in 1936 deed de

Directie van de’Landbouv een aanvang maken met het

verzamelen van gegevens. Ondanks alle pogingen bleek

echter telkens het beschikbare materiaal te gering om aan
de snel groeiende behoefte te voldoen en liet bovendien

de bestudering er van te wensen over.

• Einde 1939 suggereerde de heer II. D. Louws als voor-
zitter van het Koninklijk Nederlandsch Landbouw Comité

de oprichting van een centraal documentatiebureau,

waar ,,practisch wetenschappelijke mannen op grond van

betrouwbaar materiaal met feiten en cijfers uitmaken

wat juist en onjuist
,
is”
1).
Najaar 1940 stichtte liet

K.N.L.C. het Landbouw-Economisch Instituut, in de hoop

het te zien uitgroeien tot een documentatiebureau van de
gehele Nederlandse landbouw. Het jonge instituut ver-
kreeg medewerking van op het gebied van de landbouw

werkzame overheidsorganen, terwijl later (April 194()

ook de andere landbouworganisaties deelnamen.

De vorm werd deze, dat Overheid en centrale landbouw-
organisaties elk de helft van het aantal bestuursleden

benoemen en elk dc helft der kosten dragen, terwijl de

resultaten der onderzoekingen aan beide worden uit-

gebracht. Hiermede werd de basis gelegd voor een zeer
snelle groei. Quantitatief blijkt deze’ uit de toeneming

van het aantal medewerkers, ni. van 2 in 1941; 47 in
1940 tot 159 in dit jaar en een stijging van het budget
tot ongeveer 1 millioen gulden. Hoe uitgebreid het terrein
reeds is dat hetL.E.I. bestrijkt komt tot uitdrukking in
een opsomming van de afdelingen: algemeen economisch
onderzoek, streekonderzoek, bedrijfs-economisch onder-

zoek in de landbouw, tuinbouw en visserij. Dat men in
zo weinige jaren zo veel heeft weten tehereiken ,,is hoofd-

aakelijk te danken aan hel inzicht, in de kringen, van. de
Overheid zowel als georganiseerde landbouw,- dat het
economisch onderzoek zijn kosten dubbel en dwars

opbrengt”
2).
Maar dok aan liet feit, dat, zoals Minister
Mansholt in zijn hérdenkingswoord onderstreepte, het

vertrouwen in de objectiviteit van het L.E.I. algemeen is.
De inleiders, welke aan dezé landbouw-economischl
dag luister bijzetten, behandelden een aantal onderwerpen
welke voor allen, die belangstellen in de sociaal-econori

mi-
sche stromingen die zich alleiwege (ook in de landbouw)
doorzetten en de positie welke de landbouw in de Neder-
landse economie inneemt, uiterst interessant zijn.

De doeleinden (‘an de landbouwpolitiek.

In het kader van dit onderwerp behandelde de heer
ii. D. Louwes – ,,de geestelijke vader van het LEE.” –
in vogelvlucht de achtergronden en lïoofddoeleinden van
de Nederlandse landhouwpolitiek. De doelstelling van de huidige landbouwpolitiek is dat de lndbouv zijn nationale
taak zo doeltreffend mogelijk moet kunnen ‘volbrengen
en daarvoor een beloning moet ontvangen en levens-
omstandigheden moet kunnen scheppen, welke rechtvaar-dig en juist zijn. Waarbij niet alleen gedacht wordt aan de
materiële levensstandaard maar ook aan de niet-stoffe-
lijke zijde; zoals geestelijk leven, culturele vorming, waar-
dering dooi de publi’eke opinie ed. De belangrijkste drijvend& kacht is de eigen strijd om
het bestaan. Daam-naast bestaat de plicht tegenover het geheel. i)it geldt ook voor cle groep indien, zoals thans,
groepsvormi ng plaatsvindt. Georganiseerde groepen
moeten hun streven en beleid welbewust inpassen in
de algemene nationale politiek omdat liet welzijn van het
geheel een eerste.voorwaarde is voor liet welzijn der delen.
Bereidheid om hei algemeen belang in het oog te houden
mag echter niet tot gevolg hebben dat men dc ,,pakdra-
gende ezel” der samenleving wdrdt. Gemeenschapszin
veronderstelt een zelfde gezindheid bij andere groepen.
Een terugkeer naar de vrijhandel van de 19e eeuw is
niet mogelijk. De georganiseerde landbouw dient dan ook
voort te gaan de samenwerking van de hedrijfsgenoten
– zoals deze nu in de Stichting voor de Landbouw bestaat –

‘) Tien Jaren Landbouw-Economisch Instituut, blz. 17.
‘) Tien jaren Landbouw-Economisch Jnstituut, blz. 28.

.1
978-

ECONOMISCH-STATISTISCI-IE, BERICHTEN

0 Deceinbe’ 1950

te bevorderen. Een saiTienwerking welke niet alleen

mi.terië1e zin heeft, maar na liet begin steeds meër is ver-

diept en vier wenselijkheid ook
01),
ethische gronden
moet worden verdedigd. –

Behalve het bevorderen van liet wetenschappelijk.

onderzoek (zoal dit in het L.E.I. geschiedt) noemde de

heer Louwes o.a. als verdere bijdrage van de georgani-
seerde landbouw tot een juist landbouwbeleid, een aan de.

Nederlandse verhoudingen aangepaste aanwending van

de politieke invloed der agrarische hedrijfsgenoten. Verder

de positieve bevordering van de cöpeatie, daar de ge-

organiseerde landbouw zijn taak in de geleide economie

niet. kan vervullen, noch zijn, belangen behoorlijk voor-

staan, .zonder de deskundigheid en economische invloed,
in’ zijn coöperatief apparaat aanwezig. Wat de sociale

w’etgeving voor de bestaanszekerhëid van dearbeider

betekent, kan voor een belangrijk deel de coöperatie

‘oor dChestaanszekerheid van boer en tuindér betekenen.

Een helangrijle. taak zag de heer Louws in verband

met liet bestaande gevaar van overheersing van höt
volksleven door cle Staat en zijn organen. Door bewuste

opvoeding tot verantwoord bui rgerschap, vergroting van

Ire t aantal leden onzer vollcsvertegenwoordiging, door

parate Organisatie van de landbouwbedrijfsgenoten in
vrije organisaties, door het scheppen van gezonde en sterke

coöperaties en dQor de bereidheid van allen zich in te

zetten (daarbij een deel van de taak op-zich nemend) om de

P.B.O. voor de landbouw tot een levend en eigen orgaan te

maken, zouden de boeren, tuinders en landarbeiders een po-

sitieve bijdrage tot redding der democratie kunnen leveren.

Met liet bezwaar van Dr .Vojideling tegen zijn betoog, nl: het niet of te weinig noemen van de begrippen consu-
menten WestEuropa, icon de heer Louwes zich, wat het
laatste betreft, wel verenigen. –

Enige strwegische factoren 000r de jrijspolitiek in de
landbou’t4′.

De directeur van het L.E.I., ,Prof. Dr J., ilorring,

onderwierp de prijspolitiek in de landbouiv aan een

nadere beschouwing. Na een lange periode

van staats-
onthouding, werd in .ons land na 1930 in enkele jaren,

op grond van vrijwel onbeperkte wettelijke bevoegdheden,
een stelsel van landhouwordening en prijsbeïnvloeding
tot stand gebracht, dat waaschijriiijk in geen enkel niet-
totalitair geregeerd land wordt geëvenaard, wat betreft
de mate van beheersing van het geheel en onderdelen.

Onder de huidige omstandigheden ligt de keus niet
tussen volledige. vrijheid pn volslagen regeling, maar in
de mate en wijze van regeling. Bij deze keus gaat liet om

het afwegen van de mate van . zekeiheid die men. voor
elke groep wenst en de verkrijging van een zo groot moge-
lijke productiviteit. De betekeni8 van het laatste zou
men aldus kunnen formuleren dat de landbouwproductie

‘zodanig moet worden gericht en zovër moet worden op-
gevoerd
3)
tot de grens bereikt.is
, waar d.e tewerkstelling
van arbeidskrachten in andere bedrijfstakken een groter
eôonomisch voordeel oplevert.,

De Nederlandse landbouw nu is naar in- en uitvoer

sterk op het buitenland ingesteld. De verhouding tussen binnen- en buitenlandse ianclbouwproductie en -prijzen
beziende blijkt Prof. Horring tegenstander van een ver

doorgevo5rde regeling van prijzen, productie en afzet in
liet binnenland op autonomebasis. 01) deze wijze zou men de productiviteit aan de zekerheid opofferen. Prof. Ilorring
acht het het beste de verhoûding van de onderlinge
prijzen van de buitenlandse markten, eventueel in ver-

zachte vorm en op een hogr peil, door te laten werken op
de binnenlandse markt . hiertoe is het nodig en voldoende
dat ae prijspolitiek zich beperkt tot eeri stelsel van mini-

iiiumprijzen, waarboven de prijzen zich vIij kunnen be-

Hierin zal zeer waarschijnlijk ook opgeslolen liggen terug-
gedrongen.

S-

wegen cii waar beneden zij verhinderd worden te dalen
4).

Door middel van de niinimumprijzen wordt aan de AVens

naar bestaanszekerheid ‘enigszins voldaan.,

Als verdere strategische factoren, van beslissende bete-

kenis voor de hepaling,van de minimumprijzenbehandeld
Prof. ilorring achtereenvolgens: de hoogte van het loon-

peil van de ondernemerbeloning en de pacht. -.

Economisch bezied acht Prof. Hori’ipg het nivelleren

van het, reële ‘loonpeil in landbouw en industrie voor

gelijksoortige arbeid ‘gerechtvaardigd, omdat hierdoor

een soort ideale arbeidsmarkt met volledige mobiliteit

van de arbeid wordt verkregen. Wel heeft de nivellering

voor de landarbeiders tengevolge dat de werkgelegenheid
gerFnger zal zijn. Ook is de prikkel,, direct uitgaande van

het- verschil in loon, tot overgang naar een ander beroep

verdwenen. Uiteraard moet voor de . bepaling van e

“minimumprijzen, behalve van de loonhoogte, uitgegaan
vorden van de productiemethoden die rationeel’ zijn hij

deze loonhoogte.

In beginsel tehoort’ het ondernemersloon (beloning
voor liet houden van toezicht, het geven van leiding en

liet dragen. van ondernemingsrisico) in de landl?ouw gelijk-

te zijn aan dat in andere bedrijfstakken, onder dezeTfd,
omstandigheden. In ‘een stelsel -van gegarandeerde mini- –

mumprijzgn past echter en kan worden volstaan met de

garantie van minimumondernemerslonen. De eenvoudigste

en doelmatigste oplossing kan volgens Prof. Horring

worden verkregen dooi’ bij de bepaling van de minimum-

prijzen uit te gaan van de kostprijzen van de doelmatig

geleide kleine bedrijven op de zandgronden van bijv.

7 è 10 ha. Indien men deze bedrijven minimumprijzen
garandeert, waarbij de, voor een rationele productie op
,

déze bedrijfsgrootte, noodzakelijke arbeid van.de boer en

zijn gezinsleden wordt hloond tegen hetzelfde loonpeil
als de landa’rbeider. met in.hegrip van de sociale voor-
zieningen en bovendien een zeker percentage, bijv. 2,

– vergoeding boven de normale als risicopremie voor het
bedrijfskapitaal incalculeert, heeft de Nederlandse land-

bouw een voldoende en practische basis voor de zo begeerde
en wenselijke maatschappelijke zekerheid. Op de grotere

bedrijven zal bij een minimuni-prijsstelling op deze basis,
doôr de technische éi hedrij fseconomische voordelen,

vanzelf een zeker ondernemersloon overschieten. Dit
-beginsél is veel juister dan liet principe van he,t vaste percentage ondernemersbeloning (bijv. 20 pCt van de
totale kosten) dat wel-wordt voorgestaan. In de verschih

lende streken van ons land kent men voor’ cle versöhil-
lende’ producten immers sterk uiteenlopende ‘köstprijzen.
Dr Vondeling vroeg zich, hij het debat, af of onder de
genoemde omstandighëden het nog wel juist is een vast

percentage voor’het kapitaalrisiëo vast ,te stellen, terwijl
Prof. Frietema van mening was dat men, de bedrijven. op
de zandgrond als uitgangspunt neniend, de sociale factoren

de voorrang gaf hoven de economische. In’welk vet-band
Prof. Florring er op weés, dat gedacht moet worden aan
de rationeel werkende bedrijven.
liet pachtvraagstuk is urgent in nationaal opzicht,
zowel ‘als in Bene]uxverbaiid
5),
1-let was vrstandig dat
– de grondkbniers de eerste jaren na de bevrijding de iacht
in Nederland niet te veel lieten oplopen. Daar men in
België flinke stijgingen tolereerde zijn de pachten in België
gemiddeld 2″ maal zo hoog als voor de oorlog, in Neder- –
land 25 pCt. Desondanks, wierp. de – heer Hummelen,
de belangen van de grondbezitters ‘verdedigend, tegen, )s –
in België het aandeel an de pacht in de kostprijs gedaald
van 33 pCt tot 13 pCt. Als richtsnoer gaf Prof. Horring
‘aan dat bij de bepaling van de minimumpi-ijzen van,cle
landbouwproducten de Overheid zal moeten uitgaan .v’n
een pachtpeil, dat zo hoog ligt dat de kosten voor dè ir–
1
) De Commissie Minderhouci heeft in een aan cle StichLin .’o’i
cle Landbouw uitgebracht rapitort de’ uitwerking van een samen-
hangen(l stelsel van minimum prijzen neerge!egcl
)

-Alen zie ook: ,,’Vornit cie landbouw egn struikelblok voor cle
verwezenlijking van cle’ Benelux ?’ door Prof, Dr

J. ‘Iforring in
B,”van 26 Juli 1950.

(3’December 1950-

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

979

t

tandluding van de vruchtbaarheid van de grond

en die
voor het onderhoud en vernieuwing van gebouwen iit

de pacht kunnen worden ‘betaald.
.Bedi’ijfsecnornische aspeten pa’n de landboupoliiiek.

In grote ti’ekken schetste Prof. Dr Ir G. Minderhoud,

de voorzitter van het LET, de bedrijfseconomische kanten

van de landbouwpolitiek, zoals deze zich sinds de vorige
eeuw ontwikkelde. In het laatst van de vörige eeuw

kan men voor het eerst spreken van een positieve landbouw-

‘politiek in Nederland. Destijds ging de onthouding van de
Overheid over in actieve pogingen om de achterlijk
gew’orden iapdbouw’ te moderniseren. Voor 1914 bemoeide

deOverheid zicb echter niet met het prijsniveau. had de

Overheid toegegeven aan de aandrang om door middel

van invoerrechten op granen de prijzen van deze producten

te verhogen dan zouden onze boerenbedrijven thans niet staan op het peil dat zij nij hebben bereikt. Ons land met
zijn ‘ overheersend kleinbedrijf zou hetzelfde achterlijke beeld te zien hebben gegeven dat men aantreft in Frank-

rijk en l)uitsland, waai’ men destijds «’ei

ihvoerrechten

hief. De tijd voor 19:14 was niet gemakkelijk voor de boeren,

•n1aar buitenlanders constateerden met verbazing wat

,,a free farmer in a free state’ vermocht.
De eerste wereldoorlog had prijsingrijen ten gevolge.
Met behulp
van
prijsgaranties trachite de Overheid de
teelt van bepaalde gewassen uit te breiden. Teelthepalingen,

dus dwang, bleken echter noodzakelijk. Met de vrede

kwam de reactie op de vrij strenge oorlogsreglementering.
Zelfs werden begin 1919 de garantieprijzen voor de zomer-

gewassen ingetrokken, hetgeen een zwak protest uitlokte. De grote meerderheid van de boeren verlangde terug naar
de vooroorlogse bedrijfsvrijheid!

De crisis van 1930 bewoog de Regering weer tot ingrijpen.

in dat jaar begon Nederland, evenals andere landen, het
middéi van de contingentering te voeren g’evolgd door
andere maatregelen. De landbouw crisiswet van 1933
gaf’ de Minister bijna onbeperkte bevoegdheden. De

hierop gebaseerde landhouwpolitiek verkt bevredigend
voordie artikelen waarvan Nederland een tekort had (bijv.
tarve), onbevredigend voor sommige grote expoi-tartikelen
(bijv. boter) en gebrekkig voor producten, waarvan de
import elders gecontingenteerd was (bijv. varkensvlees).
Wat enkele bedrijfseconomische facetten van het over-
heidsbeleid na 1945 betreft, Prof. Minderhoud acht de
,,hoge “lonen in de landbouw nuttig. Hoge lonen bevorde-ren een hoôgstaancle landbouwtechniek. Wel scheppen de
grotere kapitaalhehoefte en het gebruik van meer kaiitaa1-
g9ederen in de productie nieuwc
j
problemen. Ook hoge
pachten acht de spreker gunstig. Niet slechts om de
pachters tot activiteit te prikkelen, doch ook om aan de
èigcnaren de lust en de mogelijkheid te geven hun hoeven
behoorlijk te onderhouden, liet laag houden der pachten,
hin der maatregelen tot ordening van het grondgebruik,
heeft de neiging de vooruitgang der landbouw te remmen.
Sociale aspecten oan de landbouwpolitiak.

Over dit ondeiverp-hield Prof. Dr E. W. llofstee een
zeer interessante rede waaraan door plaatsgebrek —’even-als aan de overige referaten – niet geheel recht kan worden
gedaan. De verbondenheid van het economisch leven met
het maatschappelijk leven in het algemeen brengt in de
eerste plaats met zich, dat zowel de richting waarin
het streven naai- economisch-technische verbetering moet
worden geleid, als de middelen, die ter bev6rdering’van
dit streven moeten worden aangewend, aangepast dienen
te zijn aan de algemeen-maatschappelijke structuur
van ons land als geheel en die van zijn onderdelen.

.In de tweede plaats heeft de onderlinge afhankelijkheid
der maatschappelijke verschijnselen ten gevolge, dat
wijzigingen in de economische structuur van de platte-landssamenleving, die met. het streven naar technishh-

e
conomische verbetering gepaard gaan, invloed uitoefen en

op deze samenleving als gehel en soms tôt een fundamen-

tele wijziging van de gehele maatschappelijke structuur
kunnen leiden. Deze nevenveischijnselen kunnen zowel
ongewenst als gewenst zijn.

Uit dit alles vloeit voort, zoals Prof. Flofstee met voor-

beelden adstrueerde, dat ook sociologisch en, socio-

grafich onderzoek voor een juist landbouw’beleid nodig

is. Zo bleek uit een onderzoek in Noordoost Groningen dat

op grond van het geboortecijfer bij de Iandarbders en
de door de Idonstijging vergrote mogelijkheden tot voort-

gezet onderw’ijs van de kinderen, in de naaste toekomst
een tekort aan landarbeiders dreigt, dat een einde 2al

maken aan het grote overschot aan arbeidskrachten dat
er zo ‘lânge tijd is geiveest.

Als verdere voorbeelden om• de practische betekenis
van onderzoèk in bovengenoemde zin te verduidelijken
noemde enwerkte de spreker uit, het kleine boerenvraag-

stuk in ons land, het probleem van de intelligentie en
psychische eigenschappen van de plattelandsbevolking,

het overschot aan boerenzoons, het effect van de ver-

schillende methoden van landbouwvoorlichting en – wei
zeer belangwekkend – de invloed van’ de industrialisatie

op ‘de agrarische bevolking en het boerenbedrijf.
Na te hebben toegelicht dat men bij het landbouwbeleid
ook de sociale n even verschij nsel en (bijv. van mechanisatie,
hoge lonen) in het oog moet houden beklemtoonde Prof.
Ilôfstee dat, veel meei dan tot heden, aandacht moet

w’orden besteed aan de sociclogie en sociografie van het
platteland. Waarbij men niet in de fout moet vervallen,
zoals in Amerika, de theorie te veel te verwaarlozen, liet
toegepaste sociaal-wetenschappelijke onderzoek kan op de
duur alleen vruchtbaar blijven indien het steeds uit. de
zuivere wetenschapsbeoefening kan putten.

Rotterdam.

v. d. B.

DE ECONOMISCHE ONTWIKKELING IN

NEDERLAND GEDURENDE
1950
1
).

De economische ontwikkeling gedurende 10 is in
verschillende opzichten minder gunstig dan in het voor-
afgaande jaar. Zoals uit het iavo1geide zal blijken, wem-d
in dat jaar de ontwikkeling beïnvloed door enkele bijzonder
gunstige factoren, terwijl in 1950 juist het tegenovergestelde
liet geval was. Van de factoren, die op de economische
verhoudingen in ons land dit jaar ,van grote invloed
bleken te zijn, noemen wij als belangrijkste: 1. de na-
werking van de devaluatie in Sepfember 1949; 2. de toe-
nemende liberalisatie van het internationale handels-
verkeer en 3. de enorme stijging van de grondstoffenprijzen

en de vergroting van de defensie-apparatuur in de wereld.
Alvorens wij tot een nadere analyse van de economische
situatie overgaan, is het gewenst in het kort de, doelstel-
lingen van onze economische politiek aan te geven. 1-let zal ongetwijfeld tot een duidelijker inzicht leiden, indien
onze beschouwingen steeds in verband daarmede worden
bezien. Als voornaamste doelstellingen zijn tot dusver
naai- voren gekomen: a. herstel van het evenwicht in de
betalingsbalans; b. bevordering van de werkgelegenheid

in verband met de toeneming van de bevolking; c. yer-
hdging van de levensstandaard.

P,’oductie en orbeidsproductioiteit.

.

De
industriële productie
is thans groter dan ooit tevoren.
In 1949 was zij gemiddeld 126’pCt van die in 1938, het-
geen neerkomt op een stijging van 12 pCt t.o.v. 1948.
Nadat de cijfers voor de ‘eerste maanden van 1950 een,’
grotQndeels dooi’ de seizoenheweging . te verklaren, af-

‘)
Dit artikel is een voortzetting van een serie artik’elen inder
de titel: De economische ontwikkeling in Ncilerlan” in .1ct
,,Econoniisch-Statistiscli Kwartaalbericht”. De uitgai’e van’ het
,,E.-S.K.” werd per 1 Januari van dit jaar gestaakt.

F
T

980

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

6 Dmber 1950

vlakking ‘vertoonden, werd daarna weer een flinke uit-

breiding geregistreerd.

De personeelsbezetting steeg vergeleken met vorige
jaren,, terwijl de
arbeidsproductiaiteit,
berekend uit de

omvang van de physieke productie enerzijds en de totale

person eelssterkte anderzijds, eveneens toenam. Deze
arbeidsproductiviteit echter, een der belangrijke cijfers

voor het weergeven van de economische situatie van een
land, vertoont toch een teleurstellend beloop. Nog steeds

is men niet op het vooroorlogs peil teruggekeerd. Stelt

men de arbeidsproductiviteit in 1938 op 100, dan was zij

in ,het tweede kwai’taal van 1950 92. In verschillende

andere landen is de ontwikkeling gunsUger. Volgens een

berekening in het ,,Econon’iic Survey of Europe 1949″
2)

is Engeland in 1949 het vooroorlogs peil reeds met 18 pCt

gepasseerd, Frankrijk met 2 pCt, terwijl België er 7 pCt

onder bleef, Nederland 19 pCt en West-Duitsland 28 pCt.
Schattingen ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling
tonen aan, dat in ons land pas in 1952/53 de vooroorlogse

positie in deze zal zijn bereikt. Ter vergelijking zij ver-
meld, dat de arbeidsproductiviteit, welke in 1919 op 75
stond, eerst in 1924 de stand van 1913/14 bereikte.
Wat de ontwikkeling van de afzonderlijke bedrijfstakken

betreft, deze geeft grotendeels een overeenkomstig beeld

als die van de totale industriële productie (zie tabel 1).
Daar de vraagstukken, de energievoorziening betreffende,

tot de belangrijkste behoren, zullen wij bij deze tak van
nijverheid iets uitvoeriger zijn
3).

Uitbreiding van de electriciteits- en van de gasprocluctie

is noodzakelijk. Een goede energievoorziening tegen rede-
lijke prijs is immers een vereiste voor het slagen van onze
industrialisatieplannen. Op het ogenblik is de vraag naar

electriciteit, vooral door de ontwikkeling van de indust’rie,
reeds zo groot, dat de centrales er niet aan kunnen voldoen

en maatregelen ter beperking Van het verbruik noodzake-

lijk zijn. In de electriciteitssectoi’ zijn reeds verschillende werken ter vergroting van het productievermogen in uit-
voering, terwijl andere uitbreidingen in voorbereiding zijn.
In verband evenwel met het feit, dat ret de bouw van

een electrische centrale meerdere jaren gemoeid zijn, moet

worden verwacht, dat zeker in 1951 en misschien in 1952

beperkingen van het verbruik onvermijdelijk zullen zijn.
De’ gasvoorziening werd verbeterd. Plannen voor de
toekomstige gasproductie worden mede beheerst door de
vraag ôf en in welke mate aardgas ter beschikking komt.

Evenâls bij de electriciteitsvoorziening’ groeit bij de gas-

voorziening geleidelijk een Europees koppelnet.
De productie van steenkool, nauw met het voorafgaande
verbonden, beweegt zich nog steeds beneden het peil van

véôr ‘de oorlog. Bedroeg de gemiddelde dagproductie in
1938 ongdveer 45.000 ton, gedurende heteerste halfjaar
1950 was deze ongeveer 40.000 ton. De kolensituatie in
Nederland is, evenals in vele andere landen, moeilijk.

Het geringe aanbod tegen redelijke prijs van het’ buiten-

land is hiervan mede de oorzaak.

De winning van aardolie blijft gestadig toenemen.
De’ productie van het Schoonebeekveld dekt thans het
binnenlands verbruik aan aardolieproducten voor meer dan een vierde deel. De productie aldaar steeg van on-

geveer 62.500 kiloton in 1946 tot circa 621.000 kiloton in
1949, terwijl voor 1950 op een hoeveelheid van ongeveer

700.000 kiloton wordt gerekend.
Van essentieel belang voor onze volkswelvaart is ook
de ontwikkeling in de bouwnijverheid. Deze beweegt zich
nog steeds in opgaande lijn. Bedroeg het aantal voltooide
woningen in 1948 en,1949 respectievelijk 36.391 en 42.791,

voor dit jaar denkt men een productie van ongeveer

47.000 te halen. In de eerste drie kwartalen van 1950 zijn

) De berekening geschiedde volgens een andere methode dan de door het C.B.S. gebqzigde.
‘) Een uitvoerig overzicht van de ontwikkeling van de Neder-landse industrie sinds de bevrijding vindt men in de Tweedc In-
dustrialisatienota”, naar welke bron wij tevens voor het vraagstuk
van
de
investeringen verwijzen.

reeds 15 pCt meer woningen gereedgekomen dan in het

overeenkomstige tijdvak van het jaar tevoren. In 1949

eh 1950 is zodoende een bouwvolume bereikt, waarbij met
het inhalen van de achterstand in de woningvoorziening

kon worden begonnen. De toestand op het gebied van de
woningvoorziening is niet in het gehele land dezelfde.

Vooral in het Zuiden, waar het streven naar industrialisatie
zeer krachtig is, is zij hier en daar slecht, terwijl de situatie

in de grote steden in het Westen zeker niet goed mag
worden genoemd. lIet ligt in de bedoeling de productie
op te voeren tot 50
it
55.000 per jaar (zie tabel 1).

De
agrarische productie
bereikte in het oogstjaar 1949/50
het vooroorlogs niveau. De waarde van deze productie

bedroeg f 3.070 mln, waarvan f 520 mln betrekking had
op de tuinbouw.
Vergeleken met het voorafgaande jaar steeg het bruto
indexcijfer van de akkerbouwproductie van 114 tot 125

en dat vah de dierlijke productie van 69 tot 93 (gemiddelde

1.935/36-1939/40 = 100). Deze laatste belangrijke voor-

uitgang was vooral een gevolg van de grote toeneming

van de varkensteelt ten behoeVe van de export van vlees
naar Duitsland en de levering van bacon aan Engeland. Steeg de varkensstapel boven het vooroorlogse peil, de

rundveestapel benaderde in Mei 1950 de omvang van vôôr
de oorlog. –

Voor de
arbeidsproductiaiteit
in de landbouw heeft het
C.P.B. de volgende cijfers berekend: 1938 : 100, 1947 : 93,
1948 : 99, 1949 : 104, 1950 : 108 (de laatste twee cijfers zijn voorlopig). De ontwikkeling is hier dts aanmerkelijk

beter dan in de industrie.

Werkgelegenheid en emigratie.

De ontwikkeling van de
(verkloosheid
wordt in tabel 2
weergegeven.

De arbeidsmarkt vertoont in vërgeiijking met vôôr de oorlog een zeer gunstig beeld. In 1938 was ruim 10 pCt

van de beroepsbevolking werkloos. Dit percentage bedroeg
in 1949 slechts 2,1; terwijl in 1950 wel een grotere werk-

loosheid zal worden geregistreerd,, maar deze zal toch
beneden de 3 pCt blijven, een percentage, dat men ongeveer

als normale frictiewerkloosheid mag aannemen. Ook bij
internationale vergelijking blijkt de werkloosheid in Neder-
land zeer gering te zijn. Evenwel kan niet worden ontkend,
dat uit de gegeven cijfers blijkt, dat er een zekere toeneming

valt waar te nemen, die overigens geenszins verontrustend
mag worden genoemd. De Regering heeft in de nota om-
trent de werkgelegenheidspolitiek uitvoerig haar standpünt omtrent deze kwestie uiteengezet
4).
Inmiddels is echter de
verwachting, dat met de kans op stijgende werkloosheid
rekening moet worden gehouden, voor het ogenblik door

‘de feiten achterhaald. Dé internationale ontwikkelïng, die
zich na het uitbreken van de oorlog in Korea heeft gemani-
festeerd, zal een verhoogde vraag naar goederen ten
gevolge hebben en daardoor uitbreiding van de productie
en van de werkgelegenheid. Dit wil niet zeggen, dat het
werkgeiegenheidsvraagstuk nu van de baan zou -zijn. Wij behoeven ‘in dit verband slechts te denken aan de
toeneming van de bevolking, liet probleem is voorlopig
slechts enigszins naar de achtergrond geschoven.
Belangrijk is voorts, dat er enerzijds streken en beroepen
zijn, waar een duidelijk teveel aan arbeidskrachten aan-wezig is, terwijl zich in andere gebieden en beroepen het omgekeerde voordoet. De nog steeds bestaande woning-nood is een extra hinderpaal voor de toch al niet zo grote
mobiliteit van de arbeid.

In de tweede industrialisatien ota wordt verondersteld,
dat de beroepsbevolking door
emigratie
in de periode van
medio 1948 tot 1 Januari 1953 met ca 45.000 personen

zal verminderen, dus met gemiddeld 10.000 personen per
jaar. In werkelijkheid zijn gedurende 1948 en 1949. on-

‘)
\Tgl. hiervoor o.a. ,,De werkge1ege1]heidsnota’ door Mr Dr
A. A. van Rhijn in ,,E.-S.B.” van 2 Augustus 1950.

6 December
1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

981

TABEL 1.
Productie- indexcijfers t.’an enkele belangrijke bedrijfstakken.

(1938
=
100).

alg.
prod.-
index
bouw-
materia-
len
confectie
leder,
rubber
en
schoenen

.
steenkool
metaal
.
papier
.
textiel gas, dec-
triciteit
en water

voedings-
en genot-
middelen

1946
74
55
46
81
62
69
64
55
102
,

84
1947
94
71 59
129
75
93
84 87
125
92
113
95
71
166
82
122
110
105 148
97
L26
110
83
155
87
146 119
122
160
107
1950

le kw.

. ..
133 119
90
987
92
150 133 437
181 99

1948

………..

1950 Ze kw.

133
119
92 172
89
154
131
130
168 107

1949

………..

Juli
139
122
64
148
92
173
119
116
163
119
Aug
143
132
81
161
91 174
138 135
167 119
Sept
151
129
,
94
188 139
143
179

Bron:
C
.
B
.
S.

p
.

TABEL 2.
Werkloosheid.

(mannen en vrouwen,
mcl. DUW-arbeiders
en wachtgelders).

Periode

1948

absoluut
aantal

in pCt’)
(x 1.000)

1949

absoluut
aantal

in
pCt’)
(x 1.000)

1950

absoluut
aantal

in pCt
1
)
(x
1.000)

59
38
le

kwartaal

…………………….

29
2e

kwartaal

…………………….
3e

kwartaal

…………………….
4e

kwartaal

…………………….
44
Jaargemiddelde

…………………
43

‘)
van

de onzelfstandige beroepsbevolking.
J3ron:
G.P.B.

geveer 7.000 emigranten -beroepspersonen per jaar ver-

trokken; voor 1950 zal dit aantal
wel hoger liggen (eerste

halfjaar ongeveer
4.500),
maar toch nog niet overeen-

stemmen met
hetgeen in de genoemde nota is gepland.
1-lieruit volgt, dat een belangrijke stijging vande jaarlijkse
emigratie zal moeten optreden. Tot dusver heeft Canada
bijna de helft van de sinds begin 1946 geëmigreerde per-
sonen opgenomen. In 1949, maar vooral in 1950, is de

emigratie naar Australië sterk tciegenomen. In de eerste
zes maanden van dit jaar was deze reeds 120 pCt van het
aantal, dat in geheel 1949 naar dat land vertrok. Tenslotte kan nog worden opgemerkt, dat met Australië binnenkort

een overeenkomst ten aanzien van de toekomstige emi-

gratie zal worden gesloten.

2,0

79

2,6

102

3,3

1,3

59

1,9

82

2,7

1,0

1
49

1,6

.

61

2,0

1,5

64

2,1

1,4

63

2,1

hersteld. Daarvoor hebben er te grote verschuivingen in

de inkomensverdeling plaats gehad.
De werkelijke consumptieve
uitgaven van
de gehele

Nederlandse bevolking geven nog altijd een niet onbe-
langrijke toeneming te zien. Dit is begrijpelijk, wanneer

we
de waardevermindering van ons geld in het oog houden.
1-let is daai’om belangwekkend, de gecÖnsumeerde hoeveel-
heden eens nader te bezien. Dan komt naar voren, dat
ondanks de verruiming van de consumptiemogelijkheden,
het verbruik sedert 1948 regelmatig is gedaald, terwijl in

sommige sectoren in de tweede helft van 1950 weer een
stijging optrad.
Rekening houdend met de bevolkings-
toeneming kan men de daling sinds 1948 van de consumptie
per.hoofd der bevolking globaal op 4 pCt stellen.

Nationaal inkomen.

Na de over
het algemeen gunstige
cijfers op het gebied
van de productie en de werkgelegenheid, kan het geen

verwondering wekken, dat

ondanks- de invloed van

enige nog nader te bespreken factoren (ongunstiger worden-

de ruilvoet, bewapening)

het reëel nationaal inkomen
eveneens een ontwikkeling in stijgende lijn te zien geeft.

Uit het onderstaande overzicht volgt, dat zowel in totaal
als per hoofd dei’ bevolking het reëel nationaal .inkomen
sinds 1946 aanzienlijk is toegenomen en het peil van 1938
zelfs heeft overschreden. 1-lierbij is echter te bedenken, dat in de productie tegenwoordig een groter deel ,,over-
heidsdiensten” en investeringen is begrepen dan vébr
de oorlog, waardoor deze cijfers geen zuivere maatstaf

voor de welvaart vanons land zijn.

TABEL 3.

1938
=
100 1946 1947 1948
4949
1ekw.
1950

Reëel

nationaal

inkomen
91
103 115 125
119
Reëel

nationaal

inkomen
ner

hoofd

………….
84
94
102
109
102

i3ron:
G
.
B
.
S.

Verbruik.

Naai’ zo nauwkeurig mogelijke schatting was de con-
sumptie per hoofd der bevolking in 1949 gelijk aan die in
1988. Hiermede wordt •niet vastgesteld, dat elke bevol-

kingsgroep het consumptiepeil ,van vÔÔi’ de oorlog he’eft

TABEL 4.

De consumptie e uitganen pan de Nederldndse bevolking.

maandgemiddelden1949

1950

eenheid

Jan. t/m
Jan.
t/m
1947

1948
1
1949

Sept.

Sept.

Werkelijke uit-
gaven

. . . .

f1 mln

823

922

946

923

1.013
1-loeveelheids-

indexeijfer
.
~
’47=100

100

108

105

103

104
Bron:
C
.B.
S.

Handels- en betalingsbalans.

De sterk gestegen vraag naar goederen in verband met
het herstellen van
de geleden schade en de wens tot hand-
having en opvoering van de levensstandaard van
de snel
toenemende bevolking hadden na de oorlog een aanzien-
lijke invoer tengevolge. Een invoer, die, mede.. door de

gedaalde arbeidsproductïvitei t en productiecapaciteit,
niet onmiddellijk w’erd gecompenscerd door een uitvoer,
die evenredig met de invoer steeg. Langzamerhand begon
echter de verhouding meer
nd-maal te worden. Het
dekkingspercentage van de invoer ten opzichte van de

uitvoer-is in 1949
het
vooroorlogs peil (60 4 75 pCt) dicht
genaderd.
In het laatste kwartaal van dat jaar werd zelfs een
percentage van 83,7 bereikt, waarmede het vooroorlogs
gemiddelde werd overschreden. Hierbij dient evenwel te
worded opgemerkt,

dat de’ ontwikkeling in 1949 werd
beïnvloed door verschillende ten dele toevallige factoren,

982

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

‘6 December 1950

zoals de relatief goede oogst in Nederland, de tijdelijke
eenzijdige liberalisatie van de uitvoer naar West-Duits-

land, en de verbetering van het verkeer met Indonesië,

welke alle een uitwerking ten goede hadden.

In tegenstelling tot deze ontwikkeling staat de onbe-

vredigende gang van zaken in 1950. Weliswaar stegen
zowel de in- als de uitvoer in vergelijking met de eerste

tien maanden van 1949, maar wat belangrijker is, ook

het invocrsaldo nam toe; zoals uit het volgende overzicht
hlijki.

TABEL 5

Invoer’)
I

Uitvoer’)
I

Saldo
Dekkings-
per-
centage
in

millioenen guldens

Tan.-Oc(.
1938
IA80
865 315
73
.lan.-Oct.
‘1949
4.291
2.962
.

‘1.329.

69
Jan.-Ocl.
1950 6.354
4.192
2.162
66
Augustus
1950 626
436
190
70
September
1950
654
467
187
71
October
1950 740
562
178
76
October
1949 435
378
57
87
‘) Zonder pakkelpost
en

diamant.
Bron: C.B.S.

Onze invoer is dus in de eerste tien maanden van 1950
met ruim 48 pCt gestegen, onze uitvoer met bijna 42 pCt,
terwijl het invoersaldo met 62 pCt omhoog ging ten op-

zichte van het overeenkomstige tijdvak van het vorige
jaar. liet dekldngspercentage van de invoer vertoonde

slechts een zeer geringe aChteruitgang, ni. van 69 op 66.

Daaruit mag evenwel niet de conclusie worden getrokken,

dat de positie van de handelsbalans niet verontrustend is.
liet absolute tekort immers steeg, vergeleken met de

eerste tien maanden van 1949, met f1.329 mln en bereikte

daarmed& het hoge bedrag van f 2.162 mln.
Wt
anne
e
r
we de verdeling van de in- en uitvoer uit,
resp. naar de verschillende landen nader bezien, valt de

verschuiving, die in de rangorde van onze handelspartners

plaats heeft, op. De vergroting van het invoersaldo blijkt
voor een belangrijk deel toe te schrijven aan onze handel
met België—Luxemburg (invoer van textielgoederen)

en het sterlinggehied, speciaal in het eerste halfjaar
5).

De handelsbeweging van en naar West-Duitsland he-
\veegt zich in steeds stijgende lijn, waarbij moet worden
opgemerkt, dat de uitvoer de invoer oyer het algemeen overtreft. Vooral in liet derde kvartaâl van 1950 is een
duidelijke verschuiving ten gunste van de export naar

West-Duitsland opgetreden. Bedroeg onze export naar dit
land in het derde kwartaal van 1949 ongeveer 16 pCt van

onze tdtale export naar de belangrijkste Westeuropese
afnemers, in het derde kivartaal van 1950 was dit 38 pCt.
West-Duitsland was in de eerste negen maanden van 1950
onze grootste afnemer. In hoeverre het feit, dat dit land
zijn j4arlijks credietquotum van
5
320 mln in de Europese
Betalings Unie in enkele maanden tijds heeft opgebruikt,
invloed zal hebben op onze buitenlandse handel, zal nog
moeten worden afgewacht. . –
Zeer belangrijk is, dat de export naar deVerénigde
Staten zich de laatste maanden op een relatief zeer
hoog peil handhaaft (maandgemidclelde Mei t/m Sept.: f 23
mln), terwijl de import, na een stijging in de eerste helft van
clit jaar, in het derde kwartaal is verminderd. Deze gang van
zaken
is
van veel gewicht, omdat het probleem van het
beta li ngsbal a nstekort er vooral een is van een tekortaan
zeer bepaalde valuta’s, waarvan de dollar verreweg de
belangrijkste is.

De in het voorgaande geschetste ontwikkeling op het
gebied van de buitenlandse handel is gedeeltelijk veroor-
zaakt door de vrijmaking van het handelsverkeer. Het ‘is
evenwel onmogelijk vast te stellen, welk deel van de
vergroting van het importsaldo aan die factor moet
worden toegeschre,ven. Ook de prijsontwikkeling heeft

) Vgi.: Het bandeisverkeer an Nedërlancl tot midden 1950″
door Ii. Veënstra in ,,E.-S.B.” van 9 Augustus 1950.

hierbij een rol gespeeld. De ruilvoet, die zich in ongunstigé

zin ontwikkelt, is er door het uitbreken van de oorlog in

Korea niet beter op geworden. Men mag aannemen, dat,

gezien de uitbreiding van de defensie overal ter wereld,
van een aanmerkelijke dalingvan de prijzen van strategi-

sche grondstoffen en in verband daarmede van andere
prijzen op korte termijn geen sprake zal zijn.

Uit het voorafgaande volgt, dat behalve naar het voeren

van een scherpe inkooppolitiek vooral gestreefd moet wor

den naar vergroting van de importvervangeride productie
6
).
De ontwikkeling van de handel sinds de devaluatie en de

totstandkoming van de Europese Betalings Unie hebben

de mogelijkheden om daar te kopen, waar de gunstigste
prijs te bedingen is, aanzienlijk vergroot.

Dat deze Europese Betalings Unie voor ons land van

betekenis is, volgt uit het feit, dat van onze buitenlandse

handel bijna 50 pCt met de bij de E.B.U. aangesloten

landen plaatsvindt. De onbevredigende ontwikkeling van

de handelsbalans heeft ons echter tegenover deze Unie
in een flinke debetpositie gebracht. De rekening van

Nederland met de landen van de E.B.U. heeft voor het

derde kwartaal een tekort van S 411 mln te zien gegeven.

Van dit bedrag wordt S 30 mlngedekt door de ,,initial
aid”, die ons bij het inwerkingtreden van de Unie is toe-

gestaan, zodat er een nadelig saldo van $ 11* mln over-
blijft. Dit tekort kan tot
S
66 mln stijgen, voordat goud-
of deviezenverlies zal optreden.
Ten aanzien van de betalingsbalans kan tenslotte worden
opgemerkt, dat het actiefsaldo van de dienstenbalans,

dat véér de oorlog het tekort op de handelsbalans compen-

seerde, zeer sterk is aangetast. De oorzaken hiervan – de
vermindering van de inkomsten uit Indonesië, het verval
van de transito- en tussenhandel en de liquidatie van de

Nederlandse beleggingen en saldi in het buitenland –

zijn van dien aard, dat er met grote mate van zekerheid
op gerekend kan worden, dat deze ,,bron” voorlopig niet

dezelfde rol zal kunnen spelen als vÔôr de oorlog, te minder,

daar het deficit op de handelsbalans nog aanmerkelijk
groter is geworden.
Rekening houdende met al deze factoren heeft het C.P.B.
becijferd, dat een dekkingspercentage van ca 90 van de
invoer door de uitvoer nodig zal zijn om onze betalings-
balans zonder buitenlandse hulp in evenwicht te houden.
Resumerende kan dan ook worden gesteld, dat wij met

alle mogelijke middelen moeten trachten onze•export uit
te breiden.

Overheidsfinanciën.

De economische situatie van een land wordt eveneens

weerspiegeld in de stand van de overheidsfinanciën.
Vertoonde de begroting in de jaren 1946 t/m 1948 steeds
toenemende tekorten, daarna veranderde het beeld ten
goede. De begroting
7)
voor 1950 gaf voor het eerst na de
oorlog een batig saldo te zien, ni. van f 20
mln.
Daar
io.a. de devaluatie en de besluiten van de Ronde-Tafel-
conferentie een’ongunstige invled op de financiëh van het
Rijk hadden, waren herzieningen van de oorspronkelijke
raming nodig. . liet zo juist vermelde budgetoverschot
veranderde daardoor in een tekort van f 472 mln.
De ontwerp-begroting voor het jaar 1951 wees aanvanke-
lijk een tekort aan van f 117 mln, maar reeds enkele weken
na het indienen van de millioenennota werd dit tekort
herzien en nader geraamd op f 257 mln, hetgeen f 215
mln lager is dan de meest recente raming voor 1950.
Dit resultaat is het gevolg van een lagere raming van de uitgaven ad f 323 mln en een lagere middelenraming ad f 144 mln, terwijl het nadelig saldo van het Landbouw.:
egalisatiefonds op f 36 mln minder werd geschat.

) De investeringsactiviteit zal dus op dit punt geen beperkingen
mogen worden opgelegd, integendeel, versterking hiervan is nood-
zakelijk, daar het tekort op cle betalingsbalans
01)
deze wijze wordt
verklcind . .
7)
Wij hebben hier het oog op de Begroting exclusief de Buiten-‘
gewoile Dienst 11 (Kapitaaisdienst).

6 December1950

.

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

083

‘lIet Ned erlandse begrotinstekort wordt voornamelijk

verooriaakt door de hoge uitgaven voor militaire doelein-

den, de kosten van wederopbouw’ en sociale maatregelen,

zoals de subsidiëring van het levensmiddelenpakket,
‘erhoogde lonen en sociale uitkeringen enz. Vooral de

eerste categorie is de laatste tijd op de voorgrond getreden.

Grotere militaire kachtsinspanning betekent verkleining

van dat deel van het nationaal product, dat ter bescliik-

king van cle civiele sector komt en werkt dus, alle andere

omstandigheden gelijk gedacht, inflatoir. Dit brengt ons

tot liet volgende punt, ni. de monetaire situatie.

Geld ol ume.

De uitbreiding van de gedcirculatie, die na de geld-

sanering in 1945 heeft plaats gehad, is in 1948 tot staan

gekomen: Van die tijd af heeft de monetaire situatie zich

gekenmerkt door een grote matë van stabiliteit in de
geldhoeveelheid. We kunnen daarbij de laatste tijd een

geringd neiging tot dalen w’aarnemen.
Vergelijkingen met een geschat totaal der nationale

omzetten voor de jaren 1928, 1938 en 1949 wijzen uit,

dat de verhouding tussen omzetten en geldcirculatie,
zoals die in 1938 bestond, weer isbereikt. In vergelijking
met 1928 is de geldcirculatie nog steeds aan de hoge kant.
liet is echter moeilijk om aaii te geven waar het evenwichts-
punt ligt, omdat de liquiditeitsvoorkeur, naar men aan-
neemt, groter is dan in 1938. Een beeld van de ontwikke-
ling van de hoeveelheid geld geeft de volgende tabel.

TABEL 6

Hoe Qeelheid wij geld..

(in mln uIdens)

Ultimo

Chartaal

Giraal

Totaal

December 1945

1.386

2.714

‘4.100
December 1946

………..
2.801

3.392

6.193
December 1947

………..
3.062

3.892

6.954
December 1948

….
……

.3.184

4.149

7.333
December 1949

………..
3.126

4.426

7.552
Juni

1950

………..
2.966

4.238

7.204
September 1950

………..
2.871

4.276

7.147

Bron:
De Nederlancische Bank.
Ondanks liet feit, dat de goederenvoorziening toeneemt
en de geldcirculatie een afnemende .tenden Lie vertodnt,
zijn er toch mogelijkheden, die in de nabije toekomst
tot een minder gunstige ontwikkeling aanleiding zouden kunnen geven. We wezen-reeds op de vergroting van de

militaire productie en op de verhoging van de militaire
uitgaven in het algemeen. Verder is er het kastekort van
het Rijk. Daarbij komt nog het gevaar, voortvloeiend
uit de toenemende liberalisatid van het handelsverkeer,
waardoor de credietverlening van het particuliere bank-
wezen aan het bedrijfsleventer financiering van grotere
en tevens in prijs gestegen omzetten, een tè grote omvang zou kunnen aannemen. In verband met deze laatste moge-
lijkheid zijn in Nederland, evenals in verschillende arMere
landen (Denemarken, België, West-Duitsland), madt-

regelen genomen op liet gebied van de discontovoet.
Teneinde de effectiviteit van de discontopolitiek te be-
vorderen zijn tevens zekere liquiditeitsnormen voor de
banken in het vooruitzicht gesteld. Overigens valt van de w’erking van inflatoire krachten in ons land op dit, ogen-
blik nog weinig te bemerken. De hoge belastingen, liet
grote deficit op de handelsbalans en de stortingen op de
,,local currency”-rekening hebben nog een zodanig af-
romend effect, dat de factoren, die tot een vermeerdering
van de geidhoeveelheid leiden, er door worden gecompen-
seerd.

Samenc’atting.

Wanneer we de in het bovenstaande geschetste ont-
wikkeling overzien, komen we tot de volgende conclusies:
1. De -prijsstijging op de internationale grondstoffen-

markten, de uitbreiding van de defdnie-pparatuur in

de liberalisatie van het handelsverkeer hebben een on-
gunstige invloed
01)
onze handels- en betalingsbalans.
Bedroeg het betalingsbalanstekort op de iopende rekening’
in 1949 f 240 mln, voor 1950 wordt thans een deficit van
f1 mrd geraamd. Indien wij onze export niet kunnen op-

voeren, zal, bij het bestaande niveau van import, de

handelsbalans van ons land ongunstig blijven.
Dit gecombineerd met het geleidelijk afnemen van

de Marshall-hulp betekent, dat ôf een sterke vergroting
van de’nationale productie M een vermindering van de. consumptie zal moeten plaatsvinden, liet opvoeren van
de arbeidsproductivitcit en het laag houden van de prijzen
zijn op grond hiervan doeleinden van essentiële betekenis.
liet komt ons waarschijnlijk voor, gezien de ervaring in de

afgelopen jaren opgedaaii, dat een aanzienlijke verhoging
van de productie niet op korte termijn te verwezenlijken

valt, zodat aan liet tweede alternatief, consumptie-
verlaging, niet te ontkomen valt.

De factoren, in het eerste punt van deze samen-
vatting genoemd, zullen ongetwijfeld leiden tot een verdere
prijsstijging in ons land. Regering en bedrijfsleven,, werk-

gevers en werknemers, zullen alle krachten moeteft in-
spannen om te trachten deze prijsstijging binnen zo beperkt
mogelijke grenzen te houden, daar anders een nieuwe
loonronde, met alle gevolgen van dien, noodzakelijk zou
worden.

t

Nederlandsch Economisch Instituut.
Drs Ii. D. VAN DER hOEVEN.

INGEZONDEN STUK.

EEN VEItSTOETE BRON
VAN
-RLSICODIIAGENI) I(APITAÂL
1

Mr J. Wilkens te ‘s-Gravenhage schrijft ons:

Een nieuwe gedachte heeft altijd iets aantrekkelijks
en wanneer ze op interessante wijze door een gezaghebbend

econoom als Prof. Koopmns wordt uitgewerkt.’),
dan wordt daarmede het denkbeeld om verzekerden en
toekomstige pensioengerechtigden de keus te geven ôf

hun uitkeringen in een. gefixeerd guldensbèdrag te ont-
vangen èf in een guldensbedrag afhankelijk van de op-
brengsten ,van de aandelen, waarin de premies belegd
zullen worden, een stapje nader tot zijn verwezenlijking
gebracht.

Echter zijn tegen de uitvoering van dit idee o.i. wel hoogst ernstige bezwaren aan te voeren, waarvan wij
hier één onder ogen zullen zien.

De voorgestelde verandering van systeem immers be-
rust
01)
dc gedachte, dat een gefixeerde guldensverzekering
toch geen werkelijke w’aarborg biedt en dat men ,die waar-
borgen in meerdere of mindere mate kan verstevigen door
investering in aandelen.
10,

FIet op deze wijze voedsel geven aan het’wantrouw’en
in degulden komt ons voor fataal te zijn. Dit Wantrou\ven
immers bestaat toch al in hoge mate, mede tengevolge
van onverteerde – en trouwens’in de huidige omstandig-
heden voor Nederland met zijn kapitaalschaarste ook
volkomen onverteerbare – maar populaire theorieën
omtrent ,,full-employment” (soms zelfs openlijk aange-
prezen door verantwoordelijke hoge ambtenaren). liet

uit zich in een vlucht uit obligatiehelegging in aandelen.
Wij verwijzen daarvoor naar het Weekbericht van de

Twentsch.e Bank van 17 November jl., waarin wij het
volgende lezen:

liet is wel een zeer opvaflcncl verschijnsel, dat, ondanks cle
ervaringen der depressiejaren na 1930, der bezcttingsperiodc 1940
– 1945 en trots de zware verliezen, die uit cle losniaking

van ludo-nesiü voortkwamcn, het vertrouwen in aandelen belegging’erge-
leken hij dat in vaste rente gevende waardën zb sterk is toegenomen.
Iedere beleggingsadviseur weet, dal sinds de heropening van onze
edfectenheurs in 1946 zowel in tijden van hausse als van l)aisse zijn
S
‘) Zie ,,E.-S.B.” van 22 November 1950.

984

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

6 December 1950

zwaarste taak bestond in het verhoeden van een al te eenzijdig
op aandelen gerichte verdeling der portefeuilles. In clie taak zal
hij dan ook zelden geslaagd zijn; uitte hij wel eens twijfel aan de handhaving van hoge aandelenkoersen (bijvoorbeeld in de eerste
maanden van 1948) dan vond hij zijn cliënt bereid een daling met
stoicijnse berusting onder het oog te zien, maar sprak hij daaren-
tegen een enkele maal van de kans op rentestijging ter obligatie-
markt, dan bleken de hoorders bereid om ook nog van het laatste
restant hunner vaste rente gevencle papieren afscheid te nemen’.

liet lijdt o.i, dan ook geen twijfel, dat het aan succes
van de nieuwe verzekeringspolitiek voorlopig niet zou

ontbreken. Daarmede zou een atmosfeer geschapen worden,
waarbij steeds grotere kringen van de bevolking belang

zouden krijgen bij inflatie, voor het ontstaan waarvan

toch reeds meer dan voldoende krachten aanwezig zijn.

De Regering zou steeds minder in staat zijn om aan deze

drang de zo dringend nodige weerstand te bieden en het

staatscrediet zou door een en ander de genadeslag krijgen.

Wij zouden geleidelijk voor een situatie komen te staan,

vergelijkbaar met die in Duitsland en Italië na de eerste

wereldoorlog en de politieke gevolgen zouden ongetwijfeld
dienovereenkomstig zijn.

De verantwoordelijkheid voor de waardevastheid van

de gulden berust tegenwoordig geheel bij de Regering.
Betei dan het scheppen van factoren, die haar het dragen

van die verantwoordelijkheid welhaast onmogelijk maken,
lijkt het ons, de bevolking begrip bij te brengen voor de

absolute noodzakelijkheid om de consumptie te beperken

en ook in de staatshuishouding de’tering naar de nering

te zetten, teneinde de waarde van de spaarpenningen van

het gehele volk zoveel mogelijk te behouden.

Tekorten aan risicodragend kapitaal kunnen beter be-

streden worden door de fiscale en andere maatregelen
als bepleit in de voortreffelijke prae-adviezen van Mr Dr Tekenbroek en Prof. Witteveen voor de Vereniging voor

de Staatshuishoudkunde. Dan zullen aandelen ook voor

institutionele beleggers aantrekkelijker worden en die
aantrekkelijkheid niet meer – gelijk bij particuliëren –

hoofdzakelijk ontlenen aan de vrees voor inflatie.

Naschrift.

De geachte inzender formuleert zijn bezwaar tegen de
door mij aanbevolen gedachte op twee wijzen – ,,voedsel
geven aan het wantrouwen in de gulden” en ,,het steeds
grotere kringen van de bevolking belang (doen) krijgen

bij inflatie” welke, op de keper beschouwd, niet hetzelfde
betekenen. Om met de tweede formulering te beginnen,
deze lijkt mij op zijn minst g’enomen sterk overdreven.
Men behoeft nog niet zover te gaan als Prof. Glasz ter

vergadering van 25 November jl., die betoogde, dat het
aandeel in Nederland in feite niet zoveel meer ,,inflatie-hard” is gebleken als de obligatie (en die om deze reden
het nut van mijn voorstel in twijfel trekt, ni. omdat het
de vroegere ,,geld-iljusie”, a,h.w. door een niet zo heel
veel beter gefundeerde ,,Sachwert-illusie” zou vervangen!),
om te erkennen, dat het wel wat ver gaat om de bezitters
van aandelen of van op de’basis van aandelenkoersen
en aandelenrendement fluctuerende verzekeringsaan-
spraken nu maar ineens als ,,belanghebbenden” bij
een inflatiete doodverven. In feite is het zo, dat vrijwel geen enkele groep beleggers – behalve misschien die in
werkelijke
,,Sachwerte” (onroerend of roerend goed),

waartegenover tot belangrijke percentages vastrentende
passiva (bïjv. in guldens uitgedrukte hypothecaire le-
ningen) staan – bij een enigszins belangrijke mate van
inflatie werkelijk
Qoordeel
heeft; waar het om gaat is
slechts of de
schade
groter of kleiner zal zijn. Zolang
nu de individuele belegger, die
niet
wegens persoonlijke
of gezinsomstandigheden op de verzekeringsvorm is aan-
gewezen, de gelegenheid heeft – en daarvan in feite ook
gebruik maakt – om uit de verschillende hem bedreigende
risico’s het kleinste kwaad te kiezen door een welover-
wogen keuze tusseii de voor- en nadelen van aandelen- en
obligatiebelegging, valt niet in te zien, waarom aan hen,
die – in de regel omdat zij toch reeds economisch zwakker

staan – wèl op de levensverzekering zijn aangewezen,

dit voorrecht door een technische stroefheid in liet hun

ten dienste staande verzekeringsapparaat zou moeten

worden onthouden. Te minder zolang wij het er over eens
zijn, dat er op de kapitaalmarkt als geheel genomen

schaarste
aan risicodragend kapitaal bestaat en op die

grond een gehele scala van maatregelen wordt aanbevolen

om voor de beleggers anders-dan-in-de-verzekeringsvorm

het aandeel meer aantrekkelijk te maken! Mijn suggestie

is immers niet, of althans niet in hoofdzaak, bestemd

voor’ hen,’ die thans nog wèl volledig vertrouwen in de

vastrentende belegging stellen —’dezen zullen er vermoede:

lijk ook weinig of geen gebruik van maken – maar in

de eerste plaats voor hen, die in feite dit vertrouwen
reeds
thans
missen, maar uitsluitend door een technisch-insti-

tutionele factor verhinderd worden de consequenties
daaruit te trekken èn hun
werkelijke
voorkeur te volgen.

Ik kan mij nauwelijks voorstellen, dat een zo overtuigd

voorstander van een vrijere eionomie als Mr Wilkens
zich bij verschillende gelegenheden – ook weer op de

jongste vergadering van de Vereniging voor de Staat-
huishoudkunde î heeft betoond, in ernst bedoelt te

propageren om de hierhedoelde categorie beleggers bp-
zettelijk in deze dwangpositie te houden, teneinde langs

deze weg het contingent van hen, die een meer-dan-

gemiddeld belang hebben bij de handhaving van de koop-

kracht van de galdeenheid,
kunstmatig
te versterken

Tenslotte: wordt de waardevastheid van de gulden in’
breder verband gezien inderdaad beter gediend door de

door mij bedoelde potentiële bron van risicodragend
kapitaal ,,verstopt” te doen blijven, en daarmede de
noodzaak int stand te houden van meer , ,,transformaties”,

waarbij de St’aat, direct of indirect, de functie van uiteinde-
lijk risicodrager toegeschoven krijgt? Of ligt niet veeleer

daarin een veel directer en ernstiger gevaar voor mogelijke

inflatie in de toekomst?

‘s-Gravenhage.

J. G. KOOPMANS.

LONDON LETTER.

The Korean news and all its implications, the foreign
affairs debate which has been going on in Parliament,
and the statements by politicians in both this country
and in the Unïte.d Sttes have had a profound effect

on business sentiment. The stock exchange had a bout
of the blues, and then the next day decided that, as
usual, it had overdone the pessimism and remembered
that prices could be marked up as well as down. The
plus signs were not very numerous, but they have come out again.
As a result of the intervention of the Communists in
Korea, economics has become subsidiary to international
politics and to military strategy. Yet through the drama which is being played comes an insistent therne – a,sort
of haunting Harry Lime theme – commodities.
Prices of commodities have been rising. Over the past
twelve months ,,The Statist” index of wholesale priies
has risen by almost 20 per cent.; the non-ferrous metal
section has added over 29 per cent., and the textiles section
more than 39 per cent. And these increases are only part of the longer story; they do not, for instance, inciude the
immediate after-effects of devaluation. These recent
rises will later be reflected jn higher prices to the consumer.
Only this week, a large range of articles in the utility
scheme – the subject of sharp criticism by the Dutch
at Torquay – had higher ceiling prices fixed, because of
earlier increases in the price of raw materials. Yet before
the full effects of even the present price levels can work
themselves out, there will be many stresses and strains.
The manufacturers are certainly going to feel the
difficulty of financing the normal level of stocks at the

6 December 1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

985

new price levels. This is apparent from a survey of the corn•

pany ieturns in ,,The Economist”. The latest set of returns

relates to companies
publishing
their accounts between

July and September. So far as can be judged, most of the

companies closed •their financial years ,hy the end of

March. ryh
us
it is reasonable to expect that these accounts

will reflect only part of the rise in comrnodity price.

The four cotton companies making returns reveal that the value of their stocks is 9.7 per cent. higher than at

the end of the preceding financial year. The five silk and

rayon companies’ stocks were 8.8 per cent. up. And the
eïght wool companies had 28.2 per cent. more rnoney tied

up in stocks.

The resuits of this moderate expansion has resulted in

the silk and rayon companies increasing, their net inclebt-
edness to the banks from £ 59,000 to £ 244,000. The wool
companies have raised their net overdra’fts frorn 990,000
to £ 2,624,000. This is as one would expect. But the

cotton companies have managed to pay off the previous
year’s bank loans of £ 25,000, and are now dear. One

possible explanation for this curious situation is that one
companj alone might have had a ban, the other three

being free, and that this one company managed to free
itself during the year. The small size 0f the debt suggests
that this rnïght have heen the case.

There are, however, more surprises in store when these

balance-sheet totals are examined. The companies’
investments have been- added to the holding of cash.
On thos showing the cotton companies are much better
off, the wool companies slightly better off and the silk
and rayon companies worse off than in the previous year.
The.chariges in the amount outstanding by debtors has
to be considered, for these balances are, in effect, another
form of cash. And if debtors should be considered, creditors
must also be roped in. After making these adjustments,
the cotton companies are found to have net liquid assets
of £ 328,000 against £ 185,000 a year eariier. The silk

and rayon companies had £ 22,326,000 against £ 23,920,000,
and the wool companies £ 2,235,000 as compared with
£ 1,871,000. The apparent improvement in the net liquid
assets position of the wool companies can be explained
by the risc in bank indebtedness: Obviously, the bank
loans havè not been fully used; they are merely waiting
for the woob auctions. It is know that a good many British wool compahies were holding out of the market at the end
of last year and the beginning of thi one, in order to take
advantage of the drop in price which their advisers
thought, wrongly asL it hapened, would be inevitable.
The reason why the cotton companies should be able to
ldck up more money in stocks, pay off bank boans, and
increase the net biquid assets position is not dear. T ho
real explanation must be sought in the individual balance
sheets; this cannot be done since the names of th’e corn-
panies are not given.

An attempt must be made to project this examination
forward. After all, a large part of the present’financial
year bas already gone, and prices have risen again. How
are the companies faring? The following table has been
compiled in order to show how much the value of stocks can
risc for each of these groups before the net liquid assets
are entirely useci up. The assumption is, for practical
purposes, an unreal one, for no company will – or should
– use up all its net liquid assets. Moreovdr, the assumption
is made that no fi.irther bank accomodation vill be sought.
This, too, is unlike]y. Yet, the exercise is worth w’hile,
for it reveals that the companies clealing in either cotton
or wool can add very littie to their stocks without going
to the banks.
A comparison cf the percentage increases in the textile
section of ,,The Satist” index and the percentage risc
in stocks leads to the conclusion that the cotton and wool
companies must soon be more in debt to the banks – not
to expand their business, but to keep going at the old

rate. It could he that the present shortage of the raw

materials will alleviate, to some extent, the fïnancial
problem. But that solution will raise a further crop of puzzles, including that of obtaïning enough profits to

plough back into the business to restore the basis of a

self-sufficiency.

TABLE
1.

Stocks
NetIiuid

£oO
assets
%
£ 000
ot,ton

………………
328
19,6
Bli k

rayon

…………..
. 4,307 22,326
156,0
.1,673

14,169
.
2,235
15,8
\\T
ooI

………………..
Dther

textiles

……………
3,361
2,049
62,0

It will he noticed that, so far, our conclusions have
been confined to the textïle companies, and that the non-

ferrous metal users have been ignored. This is solely

because the use of these metals is so diverse and entangled
with other commodities, that no conclusions can be
drawn. Yet it is reasonable to suppose that the high
prices of non-ferrous metals have caused their users much
the same problems as those faced hy the •textile manu-
factu rers.
As a check to this conclusion that the business world
dealing with raw materials is becoming increasingly

indebted to the banks, information collected by the banks
themselves can be consulted; Every quarter the British
Baners’ Association publishes a classified list of bank
advances. The latest quarterly figures have been compared
witl1 those of the corresponding quarter a year earlier.
The confirmation is quite dear. The only commodity
which seems out of line is cotton. This industry is showing an unexpected resilience.

TABLE 2.

Bank Adpances.

i
Aug. 1949
Aug 1950
AUg.1950
£
000
£
000
tage
of
Aug. 1949

Non-forrous metais
3,544
6,848
193
10,130
115
\V ool

………………..
.
25,958
185
cotton

……………….8,786
.

59,681

36,395
145
Other

textiles

………….25,090
Leather and rubber

.4,013

9,564
17,391
182
Retail

trade

……………
178,618
112

Advances to retail shops have been incbuded in order
to see how far the supplies caused by higher commodity
prices have travelled over the commercial pond. The
turn of the retail shops bas, apparently, yet to come.

London, December
1,
1950.

HENRY HAKE.

GELD- EN KAPITAALMARKT.

Do goldmarkt.

De geldiYiarkt bleef gedurende de verslagweek in verband
met het passeren van de ultimo krap. De bankbiljetten-
circulatie vertoonde een vrij aanzienlijke stijging tengevolge
van de grote behoefte aan chartaal geld voor de St. Nico-
laas-drukte. Een tweede factor was de overboeking ge-
durende de laatste dagen van November van uit de geld-
blokkering stammende ,,optietegoeden” bij banken naar

de circulatiebank.
Voor een groot gedeelte konden deze onttrekkingen aan
de banken worden opgevangen door opzegging van caligeld
en tegoed van banken bij de circulatiebank. De cailgeld-
rente werd hierdoor per 28 November tot 1 pCt en per 29 November tot het maximum van
11/4
pCt verhoogd.

986

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

6 Decembc 1950

NS’

Een derde bron van liquide middelen was het niet ver-

nieuwen van vervallend schatkistpapier.
Een al te grote verkoopsdrang vais schatkistpromcssen
op de markt kon op deze wijze worden vermeden. De korte

termiinen schatkistpapier noteerden dan ook beneden

de
11/
pCt. Voor één- en tweemaandspapier werd
13/8
pCt
geboden, voor drie- t/m vijfmaandspaDier 1/ pCt.

De meeste langei’e termijnen noteerden 1
/j9-‘/2
pCt.

De kapitaalmarkt.

De internationale spanning had een koersdaling tenge-

volge, die zich, zoals uit onderstaande koersindices blijkt,

over de gehele linie uitstrekte. De laatste beursdag gaf een

zeker herstel te zien. Weliswaar was dit gedeeltelijk toe te

schrijven aan dekkingsaankopeli van de beroepshandel,

maar anderzijds speelde toch ook het feit een rol, dat het
publiek momenteel op rationeler wijze op slecht politiek
nieuws reageert dan bijv. in Juni jI. bij de inval in Korea
het geval was. Ditzelfde verschijnsel is overigens ook in

Wallstreet te constateren. Verlenging van de krijgs-
gebeurtenissen moet •immers op de duur eerder koers-

stijgend werken en slechts een ongemotiveerde paniek-
stemming kan op korte termijn tot .het tegendeel leiden.

Het goede resultaat van de’ Nederlands-Indonesische

Unie-conferentie op economisch en. financieel gebied had

niet’ dât gunstig effect op de koersen der Indonesische

fondsen, dat men daarvan wellicht had verwacht. De
stemming van het beleggend publiek tegenover deze

fondsen is ongeveer die van de ezel, die tracht zich.niet

aan de zesde of zevénde steen te stoten.

24 Nov:

1 Dec..

1950

1950

Aand. indexcijlers
Algemeen

………………154,1

150,8

Industrie …………………219,3

215,0

Scheepvaart ……. . ….. . …..

.165,3

161,6

Banken . …………………

128,4

126,7

Indon. aandelen

…………53,7

52,0

Aandelen
A.K.0.

………………..

174

170/
3

Philips

………………….229

223

Unilever

…….. ………….219
1
/
4

2151/
4

l

I.A.L.

………………….

169
1
/
2

1138h/
2

Amsterdam Rubber ……….130’/

125
1
/
2

H.V.A….
……………….

117
1
/
2

114
3
/
4

Kon. Petroleum.

…………

297

292
Staatsobligaties
21 pCt N.W.S.

…………..

793/

791/

.3-8
2
pCt 1947 …………….

9611/

3 pCt Invest. certif………97
3
/

3 pCt Dollarlening

……… .
96
/8

96/

j:c.13.

STATISTIEKEN.


FEDERAL RESERVE BANKS.

(Voornaamste posten in millioenen dollars).

Metaalvoorraad

Data

J

Other U.S. Govt
Totaal
Goudcer-
cash
securities
tificaten

31

Dec.

1946
18.381, 17.587
.

268
23.350
2 Nov.

1950
22.045
21.510
734
19.291
9 Nov.

1950
21.994 21.460
213 19.311
16 Nov.

1950
18.920
21.387
241
19.425

D
eposito’s

F.R.-bil–
Member-
Data
jetten in
circulatie
Totaal
Govt
banks

31

Dec.

1946
24.945 17.353
393
2 Nov.

1950
23.069
1

18.460
1

452
7
66′
9 Nov.

1950
23.193
1

18.246
1

298
16 Nov.

1950
23.143
18.594
341

‘BANK VAN ENGELAND.

– (Voôrnaam,ste posten in millioenen ponden).

.e
1
,

CL

cl
Wo

0
’10
.2
ON’

cl
0

ON..,
b

25 Dec. ’46
,

0,2
1.449,1
1.450
1.428,2
.22,!
1,3
8 Nov. ’50
0,4
1.345.2
1.350
1.278,3
72,0
2,3
IS
NOV.
’50
0,4
1.345.3
1.350
1.280,0
70,4
‘2,2
22Nov. ’50
0,4
1.345,3
1.350
1.279,6
70,8 2,0

OLhr securities
.
Deposits

.,o
1′
0
tI
….
‘N)
•,,)
t.)
1)
‘cl

cl

8
E”

s
t

10,3

cl

25 Dec. ’46
311,8
13,6
15,8
346,5.
278,9
8 Nov. ’50
558,1
30,6 31,6
670.8
15:3
206,4
308.4
15 Nov. ’50
559
1
9
34,0
27,4
676,0
17,4
266,4 305,8
22Nov. ’50
557,0
37,8

,
25,8
675,4
18,7
266,4
307,5

DE JAVASCHE BANK.

(Voornaamste posten in duizenden guldens).

°
E
‘E
‘E
Data

t
)t..’
t.)

Q
t.)
cl
….
.

O
cl’t
3
C.tocl

*u
Qcl.

3!

Mrt

’47
477.080
35.363

85.402

255.201
8 Nov.

’50
715.036
‘157.074
329.722

211.943

2.205.375
15

Nov.

’50
.
715.036
157.994
352.023

207.213

2.215.285
22
Nov.

’50
715.036
161.049
363.831

190.535

2.301.638

.
Rekening courant
saldi

1.
5′
ID

‘-t
tD
Data
c$’ct
E’s
cd

31 Mrt

’47
453.816



503.718
8 Nov.

’50
2.237.857
231.420


.793.962
15 Nov.

’50
2.254.116
.290.672
– –
773.704
22
Nov.

’50
2.303.842 289.212
-.

796.842

Muntbiljettencirculatie per 31 Mrt

1947 î 646.830.979.
Muntbiljett.cncirculatie per 8 Nov. 1950 t 397.229.963,50.
Munthiljettencirculatie (per 15 Nov. 1950 f 404.1 38.620,50.
Muntbiljettencirculatie per 22 Nov. 1950 t 406.068.054,50.

DE NEDERLANDSCHE BANK.

(Voornaamste posten In duizenden guldens).

u
,cic
0)
Q
cl
:’
0′
cl


0.
,.,cl
0)-I
,..

t.)
‘a
cl.
o,CclI

30

Dec. ’46
700.876
4.434.786
100.816
153.109
2.744.151
23 Oct. ’50
890.786 383.630
919301
59.191
2.733.210
30
Oct.

’50
891.075 383.899
913.490
122.209
2.808.715
6 Nov.
1
’50
‘891.395
383.376
902.885
51.441
2.790.517
13 Nov. ’50
891.748
.307.396
959.080
51.852
2.763.410
20 Nov.

50
892.031
382.054
880.537
58.331
2.760.982
27Nov. ’50
891.803
3,81.642
892.372
62.721
2.795.584
4 Dcc. ’50
891.504 343.598
945.240
,

79.127
2.84 3.567

S1di in rekening c6urant

t)

.cl
eN)
.1)7
td

‘t)
too’
N)t)
t)

I”u:z’c,
”l
ciclo)
cl
,14
tfl
U).’
,
CI)
Z
>

30 Dec. ’46
294.1 5411 387.874
23

Oct. ’50
504
51.015
396.404
395.864
30 Oct. ’50
287.046
1387.860
595
49.724
413 5301
383.669
6
Nov.
’50
209.866
1387.860
592
55901′
426 842 402.072
13
Nov.
.50
215.8011397.860
578
37.633 373.963
432.030
20Nov.’50
I

375.18011316.8661
29
40.823
406.8151
267.152
27 Nov. ’50
1

316.343
1316.8561
29
43.825 447.473
253.319
4 Dec. ’50
1279.14511318.129i

30580
468.557 255.733

Verplichtingeli

.

.

Voorschot door De Nederland-
sche Bank .verstrekt
Voorschot, door De Nederland-

sche,Bank in rekening cou-
rant verstrekt
Schuld aan de Bank voor Ne-
derlandsche Gemeenten

.
Schatkistbiljetten in omloop
f 1965.573.800,—
Schatkistprornessen hij De Ne-
derl. Bank ingevoige over-
0

(
eenkomst van 26 Febr. 1947
,,1350.000.000,-
Schatkistprornessen in omloop
(rechtstreeks bij De Nederl.
Bank

is

geplaatst

nihil)
8 4.832,8 mln wo. garantie
Bretton Woods f1.245
fl11fl.,
,,3739.100.000,-
Daggelclleningen

133.762.939,-
Schuld op uit. Oct., resp. Sept.
’50 aan degemeenten wegens

Muntbiljetten in omloop …
….

aan haar uitte keren belastin-
gen

………………..
175.008.067,86
Schuld in rek, courant aan:

V.S. inuones,e
Suriname

11979.670,800,—
„1350.000.000,—

„3587.800000,-

133.243.852,-

181.145.151,87

6 December
1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

987

DE NEDERLANDSCIIE BANh.
Verkorte balans op 4 December 1950

Activa.

Wissels, pro-

(
Hoofdbank

f


messen en

)
Bijbank

,,


schuldbrieven
1
Agentsch.

,,

6.000.-
in disconto

1.

t
6.000.—’)
Wissels,

schatkistpapier

en

schuldbrieven,
door de Bank gekocht (art. 15, onder 40,
van de Bankwet 1948)
Schatkistpapier, door de Bank overgenomen
van

de

Staat

der Nederlanden

ingevolge
overeenkomst van 26 Februari 1947………
1.350.000.000,—.
Voorschotten

(
Hoofdbank

1

62.753.650,60 ‘)
in rek. crt

1
op
onderpand

Bijbank

,,

510.524,28
(mci. belenin-
1
gen)
(. Agentsch.

,,

15.863.180,07

79.127.354,95
Op

effecten lenz ………

….

76.637.012,25 ‘)
Op goederen en celen

2.490.342,70
‘79.127.354,95
1
)
Voorschotten aan het Rijk (art. 20 van de
Bankwet 1948)
Boekvordering op de Staat der Nederlanden
ingevolge

overeenkomst

van

26

Februari
1947

……………………..

.

…….
4.500.000.000,-
Munt en muntmateriaal:
Gouden

munt

en

gouden•
muritmateriaal

……….873.006.964,09
Zilveren munt enz.

……..

18.557.334,14

891.564.298,23
Papier op het buitenland

.

343.597.581,64
Tegoed

bij

correspondenten
in het

buitenland

……….944.136.254,66
Buitenlandse betaalmiddelen

,,

1.103.643,43
i.88.837.479,73 Vorderingen in guldens op vreemde circuiatie-
banken en soortgelijke instellingen

……..
412.195.552,05
Belegging

van
,
kapitaal,

reserves

pensioen
fonds

en

voorzieningsfonds

……………’,
134.070.628,77
Gebouwen

en

inventaris

…. . ……………
1.500.000,-
Diverse

rekeningen

………………….

..
404.104.150,36

t6.061.405!464,09

…Passiva.

Kapitaal

…………………………..t
20.000.000,-
Reservefonds

………………………….
18.4l8.85474
69.951.000,39
Bijzondere

reserves

……………………
Pensioenfonds

…………………………
24.4 15.358,54
Voorzieningsfonds personeel in tijdelijke dienst ,,
1.502.725,68
Bankbiljetten in omloop (oude uitgiften)
57.137.690,—,.
Bankbiljetten in omloop (nieuwe uitgifte)

..,,
2.843.566.720,-
Bankassignaties in

omloop

…………….

..
21.489,74
Rekening courant saldo’s: ‘s Rijks Schatkist

……..1

270.144.990,05
‘s Rijks Schatkist, bijzonde-
t
re rekening

……….1.318.128.753,88.
Gebiokkeerde saldo’s


Saldo’s van banken in Ne-
derland

…………….30.579.809,86
Vrije saldo’s van vreemde
circulatiebanken

en

soort-
.
gelijke instellingen

…..468.556 971,94
Andere vrije saldo’s ……..255.732.828,68
2.352.143.354,41
Crediteuren
i,’t
vreemde geldsoort

……….
195.259.76475 Diverse

rekeningen

……………………..
478.988.505,84
f6.061.405.464,09

‘) Waarvan sdhatkistpapier, rechtstreks door
de Bank in discontO genomen

……..
8

‘)
Waarvan aan Indonesie (Wet van 15 Maart
1933,

Staatsblad

no.

99)

……………….
31.623.900,-
Cii’culatie der door de Bank namens de Staat
in liet verkeer gebrachte muntbiljetten

..,,
135.234.734,50

KON. NEbERL.BOEKDRUKKERIJ

H. A. M. ROELANTS — SCHIEDAM

STAND VAN ‘s
RIJKS
KAS.

Vorderingen

7 Nov.1950

15 Nov. 4950

Saldo van ‘s Rijks Schatkist hij
208.432.566,90
8

396.435.773,03
Saldo van ‘s Rijks Schatkist bij
de Bank voor Nederland-
sche Gemeenten

……..

;
14.384.173,16
,,

25.729.237,05
Ksvorderingen
7
wegens

ere-
dietverstrekking

aan

het
— —
Daggeidleningtegenonderpand

Saldo der postrekeningen van

De Nederl.

Bank

………t

Rijkseomptabelen

……..
332.687.094,29
.,

369.316.016,52

buitenland

…………………

Voorschotten op uIt. Oct., resp.

..

Sept. ’50 aan cle gemeenten
wegens aan haaruitte keren
belastingen



Vordering in rek. courant op:
V.S.

Indonesië

.. ……..
53.455.002,15
53.455.002,15
Suriname

…………..


10.853.092,55
,,

10.827.155,05

Ned.

Antillen

…………

Het Algemeen Burgerlijk Pen-

..
Het staatsbedrijf der
sioenfonds

………………..

enT
.

………………
Andere staatsbedrijven en in-
….

stellingen

……………..,
497.269.997,82
,,

504.279.887;48

Ned. Antillen – …………..- 2.951.034,95

‘ 3.424.452,45 Het Algemeen Burgerlijk Pen-
sioenfonds …………..
….5.666.947,51 ,, , 40.185.477,27
H et staatbedrijf der P., T.
en T.

…….. . ………
…99.253.555,94

330.080.239,75
Andere staatsbedrijven


Schuld aan diverse instellingen
in rekening met ‘s Rijks
Schatkist

……………….142.164.653,96 ,,1149.870.553,96

P1UJSINDEXCIJFERS
VAN
HET OEZINSVEI1BRUIK
IN
NEDERLAND.

(1938/’39 = 100) ‘).’

I.

Volgens huishoudrekeningen April 1948—Maart 1949;
II.

Volgens buishoudrekeningen 1935/’36;
gezinnen met inkomens van f40
— <
f50 per week.’
gezinnen met inkomens in 1935/’36 beneden 11.800 per jaar.

1949
1950

1949

1950

Groep
15
15
15 15 15
15′)
15 15 15 15
15
15
15
15′)
Sept.
Dec.
Juni
Aug.
Sept.,
Oct.
Sept.
Sept.
Sept.
Dec.
Juni
Aug.
Sept.
Oct.

Totaal

…………….

197

20i

217
215
218
221
173
206
216

226
241
239
243
248
Voedingsmiddelen

. . .

235

246

269
258
258
262
166
229
244

257 284 275
276
286

Reiniging

…………

.

325

325

325

348
360.
368
325
310
312

330
347
354
367
375 378
405
411
296
335
364

374
383
383
407
414

..

325
329
332
234
321
380

380
382 382
385
390

Kleding

…………….309

326,

342

Woninginr. en huisraad

302

308

317
322
336


340
323
309
306

314
323 328
343 347

Schoeisel

…………..356

364

377

Overige groepen incl. huur

151

156

162

.

164
167

.
167
144
154
159

164
170
173
177
177
Huur

………………b00

,

100

100′
100 –
100

100 100
100
100

100
100
100
100 100

‘). Bron:

,,Statlstisch bulletin van het C.B.S.”.
Voor de berekening is het prijsverloop gevolgd in de gemeenten
Groningen, Enschede,
Eindhoven, Tilburg, Dongen en
Heerlen.
“Voorlopige cijfers.
.
.

1

9


Dh,ersen

Aangeboden: AMERIKAAN-
Sit
FORD V
8 Cabriolet 1949,
kleur zeegroen, met origi-
nele radio, verwarming, air-
conditioning, etc. Zonder
gebreken en mechanisch
10001
0
in orde. Elk deskun-
dig onderzoek toegestaan.
Papenstraat 13, Maastricht,
Tel. 2951.

Er is practisch geen
grote instelling waar de
E.-S.B. niet regelmatig

wordt ontvangen en cir-
culeert.
Dit maakt dit voor-
aanstaande weekblad
niet alleen tot een prima
advertentiemedium voor
personeelsannonces, bo-
vendien is het bij uitstek
geschikt voor ,,Vraag
en Aanbod” betreffende
kantoorbenodigdheden,
brandkasten, fabrieks-
en kantoorgebouwen, in-
dustrieterreinen enz. enz.
Schakel daartoe in voor-
komeiide gevallen de ru-
briek ,,Voor Kantoor en
Bedrijf” in.

DE E.-S.B. VOOR

PERSONEELS-

ANNONCES

NAAMLOZE. VENNOOTSCI-IAP

N.V. NEDERLANDSCHE KABELFABRIEK

GEVESUGD TE DELFT

UITGIFTE ‘van 6077 GEWONÉ AANDELEN

elk groot f1.000. –

deelgerechtigd in de winst van 1 Januari 1951 af

tegen de koers van
145°/

De inschrijving op bvengenoemde aandelen, wordt uitsluitend voor de

houders van bestaande aandelen opengesteld op

WOENSDAG 13 DECEMBER
1950


van des voormiddags 9 tot des namiddags 4 uur,

te
ROTTERDAM, ‘s-GRAVENHAGE
en
DELFT

tenkantore van de Heren
R. 1%IEES
&
ZOONEN

te
AMSTERDAM
ten kantore van
LABOUCHERE & CO. N.V.

op de voorwaarde’n van het prospectus dd. 2 Dec. 1950.

Prospectussen en inschrijvingsbiljetten, benevens – tot een beperkt aantal

exemplaren van het laatste jaarverslag en de statuten, zijn bij de
in-

schrjvingskantoren verkrijgbaar.

R. MEES
&
ZOONEN.

Rotterdam

.

LABOUCHEÈE
&
CO. N.V.
——-, 2 December 1950.
Amsterdam

Maakt gebruik van de rubriek ,,Vacatures” voor het
oproepen van sollicitanten voor leidende functies. Het
aantal reacties, dat deze annonces tengevolge hebben
Is doorgaans uitermate bevredigend; begrijpelijk: omdat
er bijna geen grote instelling is, die dit blad niet
• regelmatig ontvangt en waar het niet circuleert!

Economisch – Statistische

Berichten

Adres voor Nederland: Pieter de Hoochstraat 5, Rotterdam (W).
Telefoon Redactie en Administratie 38040. Giro 8408.

V’Bankiers: R. Mee; en Zoonen, Rotterdam.

Fedactie-adres voor België: Seminarie voor Gespecialiseerde Eko-
nomie, X4, Universiteitstraat, Gent.
Abonnementen: Pieter de Hooch.straat 5, Rotterdam (W.).

Bankiers: Banque de Commerce, Brussel.

Abonnements prijs, franco per post, voor Nederland
/
26,— per jaar,
voor België/Luxemburg
/
28,— per jaar, te voldoen door storting van de tegenwaarde in Belgische francs bij de Ban que de Commerce te Brusse
of op haar Belgische postgirorekening no 260.34.
Uniegebieden en Overzeese Rijksdelen (per zeepost) f 26,— , overige
landen
/
28,— per jaar.

Abonnementen kunnen ingaan met elk nummer en slechts worden
beëindigd per ultimo van het katenderjaar.

Aangetekende stukken in Nederland aan het Bijkantoor Westzee-
dijk, Rotterdam (W.).

ADVERTENTIES.

Alle correspondentie betreffende advertenties te richten aan de
Firma H. A. M. Roelants, Lange Haven z.r, Schiedam (Telefoon
69300, toestel 6). Advertentie-tarief
/
0
,4
0
per mm.’ Contract-tarieven
op aanvraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschihbare krachten”
/ o,6o per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt zich het ,’echt
voor oss advertenties zonder opgaaf van redenen te weigeren.

1′

ats de orcbidee Ofider e joernell

IN HET BELANG VAN
HET BEDRIJFSLEVEN
to
eet werk van ,,Pro Juventute”:
ontapoorde
jeugd helpen
en opvoeden tot nuttige leden van de maatschappij.
In
het belang van ,,Pro Juventute” is het, als
U de , ,Pi’insessenkalender 1951″ – waarvoor
H.M. de Koningin exclusieve foto’s beschikbaar
stelde – voor rekening van uw bedrijf aan Uw
werknemers schenkt. Bv. ter gelegenheid van
Kerstmis of Nieuwjaai’.
Prijs f 2.50 per
exemplaar
Kalenderactie ,,Pro Juventute”, Grote Markt 27, Haarlem
Postgiro
51.74.00

Losse nummers
75
cents
5
re,p. 10 B. francs

Auteur