Ga direct naar de content

Jrg. 35, editie 1716

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 29 1950

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

conomisch”AwSta tis
’tisc’he’

Betichten

I

I

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR, HANDEI, NIJVERHEID, FINANCIÉN EN VERKEER

UITGAVE. VÂN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

35E
JAARGANG

WOENSDAG 29 MAART 1950

No. 1716

COMMISSIE VAN REDACTIE:’ .”

Ch. Glasz; H. W. Lambers; J. Tinbergen; F. de Vries; C. van den Berg (secretaris).

Redacteur-Secretaris: A. de Wit.

Assistent-Redicteur: J. H. Zoon.

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË:

J. E. Menens; R. Miry; J. van Tichelen; R. Vandepuue;
F. Versichelen.

Gegevens over adressen; abonnementen enz. op de laatste

bladzijde van dit nummer.

BERICHT.

Abonné’s van ,,Economisch-Statistische Berichten’
5

wordt beleefd verzocht om – voor zover zij dit nog niet

deden – hun abonnementsgeld voor het jaar 1950, ten
bedrage van f 26 voor het binnenland of f 28 voor het
buitenland (voor boekhandelaren minus de gebruikelijke
korting) vôér ultimo April te willen voldoen door storting
op postgirorekening No. 8408 of op onze rekening bij de

heren R. Mees & Zoonen, alhier. Abonné’s in België/Luxemburg kunnen de tegenwaarde
in francs van het, verschuldigde bedrag storten op onze
rekening B 26198 bij de l3anque de Commerce te Brussel
of op haar Belgische postgirorekening No. 260.34.

INHOUD:
Blz.

De artikelen van deze week …………………..
243

Sommaire,

summaries

………………………
243

Stabiele of fluctuerende wisselkoersen? (II)
door Prof.

Dr F. A. G.

Keesing

……………………..
244

Het nieuwe

deviezenregime in Indonesië
door G. J.

H.

de

Graaf f

……………………………
246

1-let bierverbruik
door H. Hoelen

…………….
250

Productieregeling in de baksteenindustrie (1) door P.

L.

van

der

Velden

……………………….
253

A a n te k e n ing:
Europese

economicho Integratie

………………….
66
Geld-

en

kapitaalmarkt

……………………
258,

Mededelingen voor economisten

………………
258

S t a t
i
s,t ie ken.
BanJstaton

……………………………………
in-

en

uitvoer

van

Bolgio

……………………….
258
259
Maaudc(Jtors van de grote banken in Nederland

……..
259
in-

en

uitvoer

van

Nederland

……………………
359
Stand

van

‘s

Rijks

Kas

………………………….
.
259
DEZER DAGEN

meer spannend dan fraai, om ditmaaYeen’cliché aan wed-
strijdverslagen te ontlenen. Er zijn we’er Nederlandse.
Ministers in Indonesië, de Unie-conferentie is begonnen.
Daar zou een deel spanning worden opgeschort,’ als inder-
daad het geval Nieuw-Guinea onbesproken blëef. Maar
er zijn deelquaesties te over. Dat de Indonesische Ministers

weinig gelegenheid hebben’om op dit moment lange ter-

mijnplannen te maken, kan men voor het overige uit-de
berichten wel, afleiden.

In België blijkt men, na de halve eindstrijd van de
officieel iie
t. bindende volksraadpleging, ook nog niet

aan een eindronde toe te zijn. De lijst van ex-aspirant
kabinetsformateurs blijft groeien, doch met een team kan
niemand voorlopig voor de dag komen. Intussen laten
grote groepen van hen, die hun woord konden spreken bij
de volksraadpleging, het niet bij de hun verder toevallende
toeschouwersrol. Er wordt gestaakt én gedemonstreerd;
er zijn klanken bij van kiezen of delen.

1-leeft de Fra’nse Regering thans ‘een stelsel tot verdedi-
ging van haar bestaan gekozen, dat, tot de 5ver’svinning
zal leiden? De Minister-President heeft getracht de loon-eisen te stoppen. door een systeem van bonusuitkeringen
uit de winsten aan te bevelen. Zal het magisch werken of
zoekt men ook zo naar de quadratuur van ,de cirkel?
In elk geval is een aantal stakingen in vitale bedrijven
beëindigd, terwijl men zich zeer vergist, als men uit een
eerste indruk meent, dat het Franse economisch systeem
improductief blijft: dë productiecijfers tonen anders. Nog bleef de Engelse Regering een 1vinning team, al
kwam dit bij de laatste stemming mede door meer uit-

vallers aan de andere zijde. De grote economische debatten
zijn thans begonnen en zullen voortgaan met een nominale
stemmenmeerderheid van drie. Is dit marginale de’mocratie?
,,It is not so, the doctrine says we must go to the niargin
to study the action of ..those forces which govern the
value of the whole”, om Marshall’s Principles,
1/,
VIII,
§ 5, nog eens te citeren.

De spanningen aan de marge zijn de Italianen te groot
aan het worden. Niet alleen de Italiaanse arbêid, die tot
veelvuldige stakingen kwam, niet alleen agrarische groepen,

die tot hét bezetten van extensief gebruikt grondbezit
overgingen, doch ook de Italiaanse Regering. Een breed
plan tot hervorming is aanhangig gemaakt. Lang is op

deze; eer toegezegde, voorwaartse beweging gewacht; zou
zij slagen, dan zou wellicht een punt in het voordeel van
de Regering kunnen worden gescoord, dat beslissend kan
blijken.
Zal de stap van President Truman deze uitwerking op
het Congres hebben ten behoeve van de onverminderde
aanvaarding van de hulpvoorstellen aan Europa voor het
komende jaar? De scrimmage is nog niet voorbij, al schijnt
het aandringen op vermindering minder hevig dan in
vorige jaren. Bovendien heeft Senator Vandenberg ruimte
.geschapen door over de 1952-lijn heen te richten. Hij heeft
de gedachte reeds verplaatst naar wijder grenzen.
Zo staat het ten dele ook in Nederland. Hoewel de
korte-termijn lijnen ten opzichte van de industrialisatie
statistisch het gewenste beloop vertonen, blijft hetverder
perspectief meer druk dan uitkomst beloven. Terwijl de
kortë-termijntoestroming naar de arbeidsmarkt dit jaar
,’ersneld doorgaat. Wel gaan de 1-loogovens uitbreiden,
maar dit neemt niet de vrees weg, dat we ijzer met handen.
zullen ‘moeten breken. –

De datum van de eco-

nomische linie met

België en Luxemburg
nadert met rasse

schreden!

Het Is nu nog tijd om U via
een gedetailleerd markt-ana.
lytisch rapport volledig op de
hoogte te stellen van Uw
kansen op dit nieuwe terrelni

*
Prsma referenties

Dr. E. J. Tobi
Economisch Adviseur

van Alkemadelaan 70
‘a.GTaveuhage, Tel. 777091

1

.

ADVÉR’TEER

INDE

ESB

EERSTE NEDERANDSCHE

Verzekering Mij. op het Leven en tegen Invaliditeit N.V.
Gevestigd te’s-Gravonhage

*DM$NISÎRATIEKANTOOR

OORDRECHT-BELLEV3ESTRAAT 2, TELEFOON 5346

Personeels-Pensioenverzekeri ng
– verschaft directe fiscale beparing – afschrijving van
toekomstige lasten – blijvende Sociale voldoening
Vraagt U
eens
welgedocumenteerd advies aan ons
BuREAU VOOR COLLECTIEVE CONTRACTEN

Nederlaodsch Indische llaodelshank, IV.

Amsterdam – Rotterdam – ‘s-Gravenhage

Alle Bank- en Effectenzaken

Hii.i!IÏj

HAV B

o

C(

PENSIOE

DEZE WEEK:

De Nederlandse Antillen

*
Iedere week zeer vel nieuwe gevraagde offertes
en aanbiedingen van binnen- en buitenland.
Plaats voor export een .aznbieding in cle rubriek
TRADE OPENINQS.’

Abonnementsprljs f
15.—
per Jaar

KON. NED. BOEKDRUKKERI) H. A. .11. ROELANTS – SCHIEDAM

/

met papier geîsoleerde kabels

voor zwakstroom en sterksiroom

koperdraad en koperdraadkabel

abeIgarniturn, vulmassa en olie

HE
KABELFABRIEK

DELFT

29 Maart 1950

ECONOMISCHSTATISTISCHE
BERICHTEN

243

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK.

Prof. Dr F. A. G.
Keesing,
Stab
1
iele of fluctuerende wissel-

koersen? (II).

Fitictuerende wisselkoersen zijn hij homogene ,,cross

rates” niet te verenigen met de valutacontrôle, waarop
de meeste landen thans nog prijs stellen; het stelsel kan

slechts werken op de wijze, waarop het vöôr de oorlog

heeft gefunctionneerd, ni. als zwevende standaard bij

onhelemmerd internationaal betalingsverkeer. De pro-
paganda-actie voor fluctuerende wisselkoersen, aanbe-
volen als een middel om het evenwicht op valutagebied
tot stand te brengen,schiet haar doel voorbij. De tech-

nische uitvoerbaarheid van het stelsel berust
01)
de aan-

weziglieid van de voorwaardéh, die men wil verwezen-
lijken. Men poneert, dat de vrije koersvorming tot resul-
taat zal hebben, dat het herstel der convertibiliteit (op

basis van de nieuwe koersverhoudingen) eerlang mogelijk
wordt. De vrije koersvorming kan echter geen dienst doen
voordat de convertibiliteit (die bij de bestaande koersen

voor de meeste landen niet te verwezenlijken is) te voren

is geproclameerd.

J. H.
dc Graaf,
f,
Het nieuwe deiezenregime in Indonesië.

Een uiteenzetting van de techniek en de verwachte mé-

rites van de jongste maatregelen op het stuk van het
Indonesische deviezenregime. De Indonesische autori-
teiten hebben dit nieuwe systeem
op dit moment
geïntro-

duceerd, omdat erkend werd, dat aan het ernstig ver-
stoorde evenwicht tussen goederen- en geldhoeveelheid

‘iets moest worden gedaan, dat de kwaal in de kern aan-
tastte. Met de afgekondigde maatregelen wordt gehoopt
de volgende desiderata te verwezenlijken: 1. stimulering
van de export; 2. afremming van de import; 3 vermin-
dering van het geldvolume. Het succes van deze
maatregelen hangt af van 2 factoren: 1. of het machts-apparaat voldoende Çs om de maatregelen te doen na-
leven; 2. of de geldschepping door de Overheid binnen
redelijke grenzen kan worden gehouden.

Hoelen,
liet bïerQerbruik.

In Nederland is, in tegenstelling tot verschillende
andere landen, na de tweede wereldoorlog het bierver-
bruik per hoofd vrij aanzienlijk gedaald. Sommigen wijten
deze daling aan verandering van de smaak, hetzij van het
bier zelf, hetzij van de consument; veer anderen noemen
als oorzaken: ,,geldgebrek” der afnemers, te hoge bier-
prijs, terwijl ook wel wordt aangevoerd, dat het hierver-

bruik over de gehele wereld een dalende tendentie vertoont.
Schr. geeft nu in dit artikel een nadere analyse van de
mogelijke oorzaken van de verbruiksdaling in Nederland,
waarna geconcludeerd wordt, dat het toekomstbeeld
voor de Nederlandse brouwindustrie volstrekt niet ont-moedigend lijkt, te meer daar de verbruiksdaling thans

tot staan gebracht schijnt te zijn.

P. L. van der Velden,
Productieregeling in de baksteen-

industrie (1).

Indien zich bijzonder grote voorraden straatsteen en
gevelsteen zouden voordoen, dan moeten deze voorlopig
aan tijdelijke inzinkingen van de vraag worden toegeschre-
ven; grote voorraden binnenmuursteen kunnen echter
het gevolg zijn van een blijvende overproductie. 1-let is
te voorzien, dat, indien de productie van binnenmuur-
steen inderdaad de vraag gaat overtreffen, de veldoven-
bedrijven een moeilijke tijd tegemoet gaan, tenzij bijzonder
hoge prijzen voor gevelsteen en straatsteen voldoende
compensatie zouden bieden. Laat de Overheid de prijs-vorming van baksteen niet vrij, dan is zulks niet te ver:
wachten. De ringoenbedrijven zullen dan om dezelfde
reden verstandig doen hun productie van binnenmuursteen
tot een zo klein mogelijk percentage van de ovenuitkom-

sten te beperken.

•SOMMAIRE.

Prof. Dr F.
A. G. I(eesing,
Des cours de change stables ou

fluctuanis? (II).

Des cours de change fluctuants, dans un système de

,,cross rates” homogènes, sont inconciliables avec le
contrôle sur les devises, toujours préconisé, par la plupart

des pays; lesystème ne saurait fonctionner autrement

que comme avant la guerre, notamment, comme étalon
flottant dans un courant d’échanges monétaires interna-

tionaux sans restriction aucune. La mise en pratique de
ce système du point de vue technique est basée sur l’exis-
tence de telles conditions que précisément on vise â
réaliser.’

J. H. de
Graaff,
Le noûoeau régime monétaire en Indonésie.

Cet article expose la technique et les mérites escomptés
du nouveau régime monétaire indoriésien, entré en rigueur

le 13 mars
1950.
L’on espère qu’avec cette mesure on at-
teindra les ohjectifs suivants: le. stimuler les exportations;

2e. freiner les importations; 3e. réduire le volume de la

circulation mcinétaire.

Hoelcii,
La consommation de la bière.

Aux Pays-Bas, contrairement è ce qui s’est passé dans
plusieurs autres pays après la deuxième guerre mondiale, la
consommation de la bière par tête d’habitant s’est sensihle-

ment réduite. L’auteur analyse, dans cet article, les causes
de cette contraction et conclut que l’avenir n’est nullement
d écourageant pour l’industrie brassicole néerlandaise.

P. L.
van der Velden,
La réglementationde la product ion dans les briqueteries.

L’auteur analyse les perspectives du marché. L’existence
de grands stocks de pavés et de briques de façade est duè
k
une contractionprovisoire et temporaire de la demande.
Par contre les grands stocks de briques pour murs d’inté-
rieurs peuvent être attnibués â une constante surproduction.
L’auteur expose les mesures qu’il convient de prendre en

cas d’une surproduction prolongée.

SUMMARIES.

Prof. Dr
F. A. G. Kcesing,
Stable or fluctuating rates of

exchange? (II).

Fluctuating rates of exchange will, in case of homo-
geneous cross rates”, clash with the foreign exchange
control which is stili being adhered to in many countnies.
The system can only.work in the pre-war manner, viz. as
a fluctuating standard with ,unrestricted international
payments. Its technical practicability is dependent on the
presence of the conditions to be realized.

J. H.
dc Graaff,
The new foreign exchange jules in In-
donesia.

An outline of the technique and the expected menits
of the Indonesian foreign exchange rules, •which becamé
effective en March 13th 1950. It is hoped that these will 1)
stimulate experts, 2) check imports and 3) reduce the
volume of money. –

Hoelen,
The consumption of beer.

In contrast with other countries, the consuniption of
beer per head in the Netherlands has greatly decreased
after the second world war. The writer analyses the possible
causes of this decline and conciudes that the prospects for
the Netherlands brewing industry are certainly not dark.

P. L. van der Velden,
Regulation of brick production.
An analysis of the market prospect for the Netherlands
brick industry. 1f lange stocks of paving and façade bricks
accrue, this my be attributed to a teniporary slump;
on the other hand, large stocks of inner wall bricks may
be the result of a permanent over-prôduction. The writer
suggests measures vhich should be taken in this connection.

244

– ECONOMISCH-STATISTISCHE
BERICHTEN

29 Maart 1950

STABIELE OF FLUCTUERENDE

WISSELKOERSEN?

II’)

Bij de beantwoording van de vraag, in hoeverre vrije

koersvorming geacht kan worden de weg te banen, die

leidt tot liberalisatie van de handel op basis van een ge-

multilateraiiseerd betalingsverkeer, kan men allereerst
principiële overwegingen in het geding brengen; deze

argumenten zijn in het algemeen dezelfde als die, welke

15 jaar geleden pro en contra de zwevende valuta werden

aangevoerd. Ondanks de pogingen van de voorstanders

van fluctuerende wisselkoersen om hun_systeem voor te

stellen als een onschuldige correctie op de beginselen van

het Internationale Monetaire Fonds, mag men zich met

enige bezorgdheid afvragen, of de doorbreking van de

bestaande -koersstabiliteit terecht als een bagatelle kan

worden beschouwd. De voordelen van het huidige stelsel
gaan onverwijld verloren op het tijdstip, waarop men aan

het bestaan der officiële pariteiten een einde maakt. Aan

de hand der vooroorlogse ervaring moet worden betwijfeld,

of de Vrije koersvorming na korte tijd tot een door alle

betrokkenen aanvaard complex van (stabiele) evenwichts-

koersen aanleiding zou geven. Veeleer moet men vrezen,
dat de betrokken regeringen niet zullen nalaten in die ge-

vallen, waarin haar dit gepast voorkomt, de natuur te
hulp te komen, waardoor alle möeilijkheden, waarvoor

men omstreeks 1935 geen oplossing heeft kunnen vinden, volledig zouden herleven.

Inmiddels kan men toegeven, dat voor- en tegenstanders
van koersflexibiliteit zeer wel omtrent de principiële ver-

diensten van dit systeem van mening kunnen verschillen,

zonder dat zij elkander gemakkelijk van de juistheid hunner
respectieve inzichten zullen kunnen overtuigen. De over-

gang naar een stelsel van fluctuerende wisselkoersen stelt
in de huidige situatie echter eveneehs belangrijke techni-

sche problemen aan de orde, en aan deze kant van de zaak
wordt in vele gevallen onvoldoende aandacht gewijd, liet

kan daarom van belang worden geacht speciaal de techni-

sche complicaties, die uit de aanvaarding van vrije koers-

vorming kunnen voortspruiten, onder de loupe te nemen.
De koersflexibiliteit, die thans wordt bepleit, heeft,
zoals reeds werd opgemerkt, vele trekken gemeen met de
vooroorlogse zwevende standaard. Zij verschilt daarvan

evenwel in één belangrijk opzicht. De vooroorlogse koers-

vorming was gebaseerd op vrijheid in het internationale
betalingsverkeer; de na-oorlogse moet te combineren zijn
met de aanwezigheid van nationale deviezencontrôles, die

ten minste het internationale kapitaalverkeer aan banden
leggen en die wellicht in sommige gevallQn eveneens be-
paalde beperkingen ten-aanzien van het zgn. lopende be-

talingsverkeer in stand houden. Deze combinatie van vrij-
heid (wat betreft de koervorming) en gebondenheid (met

betrekking tot de af te wikkelen internationale betalingen)
schept verwikkelingen.

In de eerste plaats is het van belang duidelijk vast te
stellen, welke wijzigingen de overgang naar een systeem
van veranderlijke wisselkoersen in de thans nog door de
meeste landen toegepaste maatregelen op het gebied der
d&
,
,riezencontrôle zou vereisen. De organisatie van het
deviezenrégime is veelal zodanig, dat iedere ingezetene, die valuta verwerft, gehouden is deze over te dragen aan
de centrale bank (c.q. een onder toezicht van de centrale
bank opererende deviezenbank), terwijl aan iedere inge-
zetene, die krachtens vergunning over vreemde valuta mag

beschikken, de betrokken deviezen door of vanwege de centrale bank worden verkocht. Van een valutamarkt is
in dit stelsel geen sprake. 1-letdeviezenaanbod moet krach-
tens dwingend recht aan het met de leiding van de devie-
zencontrôle belaste orgaan worden verkocht; aan de

‘) Het eerste gedeelte van dit artikel werd gepubliceerd
in ,,E.-S.B.”
van
22
Maart
1950.

deviezenvraag kan slèchts door dezelfde instantie

worden voldaan. De Overheid gedraagt zich tegen-

over de verkopers als enige koopster, tegenover de

kopers (die harentwege op rantsoen worden gesteld) als

enige verkoopster; de prijs waartegen de Overheid bereid

is valuta te kopen en te verkopen wordt ten overvloede

door haar eenzijdig vastgesteld. Het is duidelijk, dat in

een zodanig stelsel Vrije koersvorming technisch onmoge-
lijk. is.

Een systeem van fluctuerende wisselkoersen voorziet

ten minste de aanwezigheid van een markt, waar vraag

en aanbod elkaar ontmoeten en waar de Overheid derhalve niet als universele wederpartij optreedt. De omstandigheid,

dat aanbieders van vreemde valuta op die markt recht-

streeks contact zoeken met de vragers van deviezen, ten-

einde het in onderling goedvinden over de wisselkoers eens

te worden, wil uiteraard niet zeggen, dat het valutaverkeer

door de instelling van een zodanige markt geheel vrij wordt
en dat derhalve de valutacontrôle ipso facto wordt geli-

quideerd. Zolang de Overheid althans een gedeelte van het

valutaverkeer van bindende regelen afhankelijk wil ma-
ken (hetgeen, zoals reeds werd opgemerkt, in de meeste
landen stellig het geval is), kan zij de valutamarkt niet aan

haar lot overlaten. De uitoefening van de valutacontrôle’

zal onder die omstandigheden moeten berusten op een

tweetal voorschriften: aan aanbieders van yreemde valuta

_wordt de plicht opgelegd hun deviezen binnen een bepaalde

maximum periode op de bijinenlandse valutamarkt te
realiseren; vragers van valuta zullen op de valutamarkt

alleen worden toegelaten wanneer zij in het bzit zijn van
een door de Overheid afgegeven deviezenvergunning.

Onder de geschetste voorwaarden kan een valutamarkt

tot stand komen, waar de koers onder invloed vafi vraag

en aanbod fluctueert. De huidige Franse ,,marché libre”
voor de dollar beantwoordt aan de gegeven beschrijving.
Van een waarlijk vrije markt is in dit geval echter geen

sprake; alleen de koersvorming, die optreedt bij het ge-

dwongen aanbod en de getolereerde vraag, kan als vrij
worden beschouwd.

Zodra men de technische voorwaarden heeft gecreëerd,
waatonder een vrije koersvorming kan optreden, doet zich
een tweetal problemen voor. In de eerste plaats behoudt de
Overheid uiteraard de bevoegdheid op de markt te inter-
veniëren, in die zin, dat zij bij een overmatig aanbod van
enig devies het excedent voor eigen rekening uit de markt

neemt, dan wel dat zij bij een overmatige vraag uit haar
eigen reserves put teneinde het aanbod te steunen. Indien
de Overheid tevoren aankondigt dat zij bij bepaalde koers-
limites automatisch zal ingrijpen, ontstaat een situatie,
die gelijkenig vertoont met de koersvorming onder de
gouden standaard. Het verschil met de toestand van ge-
fixeerde koersen bestaat dan uitsluitend hierin, dat naar
boven en naar beneden beperkte koersfluctuaties mogelijk worden en dat de centrale bank bij tijd en wijle een koers-
winst behaalt ten koste van de markt. Opgemerkt kan
worden, dat dit systeem verenigbaar is met de afspraken
van Bretton Woods, vermits het Internationale Monetaire

Fonds accoord gaat met koersfluctuaties tot plus of min
1 pCt van de officiële pariteit. Degenen, die vrije koers-
vorming bepleiten, hebben echter niet deze verfijning van
het huidige stelsel van vaste wisselkoersen in gedachten.
Indien de Overheid wel intervenieert, maar niet op te-
voren aangekondigde koersen, ontstaat een situatie, die
gelijkeis vertoont met de practijk der cgalisatielbndsen ten
tijde van dezwevende valuta. Een zodanige interventie
is uiteraard met vrije koersvorming verenigbaar, indien
de Overheid er mede volstaat de dagelijkse plooien glad te
strijken, terwijl zij de koersontwikkeling op langere termijn

ongehinderd laat. 1-let spreekt vanzelf, dat men in dat
geval, evenals véér de oorlog, ruimschoots kan debatteren
over de vrarg, in hoeverre het feitelijke overheidsingrijpen
ôp de wisselmarkt de natuurlijke ontwikkelihg der wissel-
koersen bevordert of tegenwerkt.

29 Maart 1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

245

Een tweede complicatie is van ernstiger karakter. Zodra

een land een stebel van vrije koersvorming organiseert,

ontstaat er een aantal deelmarkten op ieder waarvan de
vragers en aanbieders der onderscheiden buitenlandse

valuta’s elkander ontmoeten. Voor zover de verhandelde

deviezen onderling oninwisselbaar zijn, zijn die deelmarkten

volledig gescheiden. In de ge
g
even situatie, waarin het niet

mogelijk is lires of pesetas te kopen teneinde langs die weg
in het bezit van dollars te geraken, opent de instelling

van èen vrije,markt geen mogelijkheid to’S valuta-omettin.

Dit houdt in, dat de koersvorming op de verschillende
deelmarkten, voor zover de betrokken valuta’s irïconver-tïbel zijn, onderworpen zal zijn aan onderling onafhanke-

lijke invloeden, anders gezegd, dat, bezien van het stand-
punt van het land waar de vrije koersvorming function-

neert, de onderscheiden valutanoteringen ieder haar eigen
evoluties zullen vertonen. In eerste instantie zal de in-

stelling van een vrije valutamarkt dus moeten leiden tot
een doorbreking van de homogeniteit der ,,cross rates”.
Zolang de betrokken Overheid inderdaad vraag en aanbod

de vrijheid laat de koers te beplen, zullen, in vergelijking

met de wisseliioteringen elders, afwijkingen ontstaan, die

niet door enigerlei valuta-arbitrage langs natuurlijke weg
worden rechtgetrokken.
Bij alle moeilijkheden, waartoe het hilateralisme in het

internationale handels- en betalingsverkeer aanleiding
geeft, heeft men tot dusverre althans de. ,,cross rates” ge-
eerbiedigd. Wanneer de instelling van een vrije markt er

toe zou leiden, dat niet slechts de koersstabiliteit maar ook
de koershomo
g
eniteit zou worden doorbroken, moeten

de consequenties als zeer ernstig worden beschouwd.

Bij afwezigheid van valuta-arbitrage zou een stel3el’ van
niet-sluitende ,,cross rates” onverwijld aanleiding geven
tot ontwrichting van het internationale goederen- en dien-
stenverkeer. De optredende koersverschillen leiden in dat
geval zonder mankeren tot het optreden van een transito-verkeer largs andere dan de normale handeiskanalen, een
verkeer, dat zijn ontstaan niet ontleent aan commerciële overwegingen, maar uitsluitend aan de mogelijkheid tot
het behalen van bizarre koerswinsten. Een zodanige situatie
is internationaal onaanvaardbaar. Zij berokkent niet
slechts commerciële schade, maar zij leidt er tevens toe,
dat sommige landen zich hardë devïezen zien ontgaan ten vordle van andere. Het lijdt geen twijful, dat de gedupeer-
de categorie alles in het werk zou stellen om deze gang van
zaken te vermijden, getuige bij voorbeeld de Britse strijd
tegen de voor het pondengebied nadelige ,,cheap sterling”-practij ken. Een stelsel van vrije koersvorming, dat tot een
algemene doorbreking der , ,cross rates” aanleiding geeft,
moet dan ook onvoorwaardelijk worden verworpen. Het
zou de internationale handel in moeilijkheden brengen, die
aanzienlijk groter zijn dan de nadelen van het bilateralisme,
waartegen men d strijd aanbindt. De ervaring leert, dat
de landen, die in de laatste jaren de handhaving der homo-
gene ,,cross rates” hebben veronachtzaamd (Frankrijk,
Italië), onder internationale di
1
uk vrij spoedig van de dwa-lingert huns weegs zijn teruggekeerd.
Inmiddels is het technisch mogelijk het systeem der
koersflexibiliteit zodanig in practijk te brengen, dat de
bovenbedoelde bezwareh worden vermeden. Ilét land, dat
op zijn grondgebied een vrije wisselmarkt in het leven roept,
zal in dat geval de koersvorming zodanig moeten bewaken,
dat de homogeniteit der ,,cross rates” in stand blijft. Deze

situatie zal zich voordoen, indien alle koersnoteringen op
de betrokken markt procentueel dezelfde fluctuaties ver-
tonen. –
1-let spreekt vanzelf, dat bij een waarlijk vrije koers-
vorming van onderling inconvertibele valuta’s deze ont-
wikkeling zich in feite nimmer zal voordoen. De betrokken
Overheid zou deze moeilijkheid echter kunnen omzeilen
door de koersontwikkeling op één deelmarkt tot richtsnoer te
nemen,
ah
door tegelijkertijd op de overige deelmarkten
zodanig te interveniëren, dat de daar optredende fluctuaties

inovereens temming worden gehouden met de koersschomme-

lingen van de eerstgenoemde valuta. Deze situatie bestaat

momenteel in Frankrijk, waar de koers van de dollar op de

,,marché libre” bepalend is voor de notering van de overige
op die markt verhandelde valuta’s. De Banque de France
komt dagelijks tussen beide teneinde de juiste verhoudin-

gen in de hier bedoelde zin te bestendigen.
Wanneer de vrije koersvorming aldus in practijk wordt

gebracht, is zij weinig meer dan een middel om de eigen

valuta geruisloos te laten re- of devalueren, zonder dat de_

officiële door het Internationale Monetaire Fonds voor-
ziene procedure wordt in acht genomen. De geschetste,
methode leidt echter’ hepaaldelijk niet tot de totstandko-
ming van een natuurlijk evenwicht tussen de onderscheiden

valuta’s, wier koersen variabel zijn gemaakt. Een land,
dat op de bovenbedoelde grondslag een stelsel van koers-

flëxibiliteït aanvaardt, kan langs die weg ten hoogste een
natuurlijk evenwicht bereiken ten opzichte van de ene

valuta, wier schommelingen als richtsnoer worden aange-

nomen. Ten opzichte van alle andere zal de céntrale bank,

teneinde de ,,cross rates” in stand te houden, moeten
interveniëren
01)
een wijze, die de natuurlijke ontwikkeling

gewdid aandoet, d.w.z. zij zal, al naar gelang van de om-standigheden, ofwel moeten doorgaan met bepaalde haar
beschikbare deviezenreserves ter niarkt te brengen, ofw’el
zij zal sommige deviezen uit de markt moeten nemen. 1-let

land, dat tot dit systeem overgaat, zal ch aan de hier
geschetste consequenties niet kunnen onttrekken. De bila-

terale oievenwichtigheden ziillen dus op een breed front
voortbestaan, zonder dat het fluctuerende land daaraan
met monetaire middelen paal en perk vermag te stellen.

Zolang de internationale valutaconvertibiliteit niet is
hersteld, en zolang derhalve ieder land slechts geacht kan
worden in evenwicht te zijn indien ieder zijner bilaterale
betalingsbalansen zich in evenwicht bevindt, zal een vrije
koersvorming, die de ,,cross rates” eerbiedigt, slechts tot
een .partieel resultaat leiden. Ieder land kan trachten de
mate van evenwicht, die onder dit stelsel bereikbaar is,

gunstig te beïnvloeden door een verstandige keuze van de
valuta, waarop het zijn koerfluctiaties oriënteert, zonder
nochtans een oplossing ten principale tot stand te brengen.
Het natuurlijke betalingsbalansevenwicht is onder deze
omstandigheden geen probleem, dat door enig land indi-
vidueel, kan worden opgelost, maar .een vraagstuk van

internationale orde
2)

**
*

Tot dusverre werd steeds uitgegaan van de veronder-
stelling, dat één of enkele landen &vergingen tot een stelsel van vrije koersvorming, terwijl elders het systeem der vaste
pariteïlen met de daaruit voortvloeiende ,,cross rates” in
stand bleef. Wanneer, op de grondsiagvan deze hypothese,
de landen met vrije koersvorming de ,,cross rates” dr
stabiele valuta’s niet eerbiedigen, ontstaat een situatie,
die van internationaal standpunt bezien. meer problemen
creëert dan zij oplost. Wanneer daarentegen de landen
met de vrije koersvorming de ,,cross rates” der stabiele
valuta’s in tact laten, bereiken zij in het gunstigste geval
een partieel evenwicht, maar slagen zij er niet in een op-
lossng te vinden voor de problemen, die voortspruiten

uit de omstandigheid, dat de stabiele valuta’s onderling
niet in evenwicht zijn. Uit het voorgaande volgt, dat één
of enkele landen niet bij machie zijn lang§ de weg der koers-
fluctuaties het natuurlijke evenwicht tot stand te brengen,
zolang de overige hun koersstabiliteit handhaven. Resteert
dus de vraag, of de koersflexibiliteit tot de gewenste oplos-
sing zou leiden, indien alle of althans alle belangrijke
landen bereid waren hun, koersen te laten fluctueren.
Eeti algemene toepassing der koersflexibiliteit zou wel-
iswaar een einde maken aan de thans bestaande starre
,,cross rates”, maar zij zou het probleem der,crossrates”
als zôdanig niet écarteren. Ook wanneer alle koersen varia-

‘) Vgl. S.
Posthuma: Prae-advles
1949,
Verenïglng voor de Staat-
huisboudkunde en de Statistiek,
biz. 59.

246

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

29 Maart 1950

bel zijn, moet de garantie bestaan, dat de ,,cross rates” op

elkander afgestemd blijveii, indiei men wil voorkémen,

dat de schadelijke gevolgen optreden, waarvan in het voor-
gaande gewag werd gemaakt. FIet valt niet in te zien, (lat

een universele aanvaarding van het beginsel der beweeglijke

koersen (steeds in een situatie, waarin geen internationale
valutaconvertibiliteit bestaat) de oplossing van het pro-

bleem zou vergemakkelijken. Wat immers is het geval?

Iedere regering organiseert op haar eigen grondgebied

een valutamarkt, waar zij weliswaar de koersvorming

vrij laat, maar waar zij vraag en aanbod volgens haar eigen

regelen controleert, en waarop zij bovendien naar eigen
inzicht intervenieert. Als marktpartijen kunnen slechts

optreden de ingezetenen van het land in quaestie, t.w. aan-

bieders, die genoopt zijn hun deviezenbezit te realiseren,
en vragers voor zover zij verlof hebben deviezen te verwer-

ven. Dit levert in de practijk geen moeilijkheden op, zolang

de landen wier valuta’s op de vrije markt van enig land
worden genoteerd, aan het laatstbedoelde land ,,carte

blanche” geven. De Franse •,,rnarché libre” bijv. vormt

voor Nederland geen inconveniënt, omdat de koersfluctua-
ties van de gulden, die alt de functionnering van de Parijse
wilselrnarkt voortvloeien, voor on slechts de manifestatie

zijn van de waardeschommelingen, die de Franse frank
ten opzichte van alle andere valuta’s gelijkelijk ondergaat.

In deze situatie kan Nederland zich dus met een passieve

houding vergenegen.
D.e toestand wordt onmiddellijk gecompliceerd, indien
twee of moer landen, die alle het flexibele systeem bezitten,

elkanders valuta noteren. Van een ,,carte blanche” kan
dan geen sprake meer zijn, aangezien de diverse noteringen
in dat geval de weerslag moeten vormen van de wederzijdse

inzichten omtrent het noodzakelijke koersverloop. Men

krijgt onmiddellijk de vraag te beantwoorden, welke cir-
culatiebank aanspï’akelijk is voor welke koersaanpassing,

hetgeen in de practijk, vooral wanneer het aantal flexibele

valüta’s toeneemt, tot welhaast onontwarbare puzzles

noet leiden. In het gunstigste geval kan men zich voor-

stellen, dat de circulatiebanken op deze grondslag een
uiterst kunstmatig stehel van koer.sverschuivingen opbou-

wen, die met een natuurlijke evenwichtstendentie stellig

niets
gemeen hebben. In een iets ongunstiger geval belandt

men in een chaos.
Een normale verhouding zou eerst ontstaan, indien de

noodzakelijke arbitrage niet berustte op rnoeizamç afspra-ken tussen de onderscheiden centrale banken, maar indien

de koersaanpassing, zoals véôr de oorlog, opnieuw zou ge-sclueden langs de wieg der particuliere valuta-aan- en ver-

kopen. Dit laatste is echter niet mogelijk zolang iedere
valutamarkt alleen toegankelijk is voor de ingezetenen van
het land, waar deze markt functionneert. De particuliere

arbitrage kan pas optreden wanneer een ingezetene de
vrijheid krijgt de hem beschikbare valuta buiten het land
zijner inwoning te verkopen en de valuta, die hij behoeft,
elders dan in zijn eigen land te verwerven. Dit houdt in,
dat iedere regering in de eerste plaats bereid moet zijn
haar eigen ingezetenen ten aanzien van hun valutatransac-

ties de vrije hand te laten, en voorts om niet-ingezetenen
te behandelen op dezelfde voet als ingezetenen. Anders
gezegd: herstel der vrije valuta-arbitrage vereist de af-
schafffing van alle valutarestricties, die. de onderscheiden
regeringen ter bescherming van het internationale kapi-

taalverkeer en/of van sommige sectoren van het lopende
betalingsverkeer zouden wensen te handhaven. De arbi-
trage ïioge naar haar aard van een kapitaalimport of ‘-ex-
port verschillen, naar de vorm is zij daarvan niet te onder-

scheiden.
Consequent doorredenerend, moet men dus concluderen,
dat fluctuerende wisselkoersen bij homogene ,,cross rates”
niet te verenigen zijn met de valutacontrôle, waarop de
meeste landen thans nog prijs stellen, maar dat het stelsel
slechts kan werken op de wijze, waarop het véér de oorlog
heeft gefunctionneerd, nl. als zwevende standaard bij onbe-

lemmerd internationaal betalingsverkeer. De propaganda-

actie voor fluctuerende wisselkoersen, aanbevolen als een
middel om het evenwicht op valutagebied tot stand te

brengen, schiet dus haar doel voorbij. De technische uit-

voerbaarheid van het stelsel berust op de aanwezigheid
van de voorwaarden, die men wil verwezenlijken. Men

poneert, dat de vrije koersvorming tot resultaat zal hebben,

dat herstel dci’ convertibiliteit (op basis van de nieuwe
koersverhoudingen) eerlang mogelijk wordt. De vrije koers-

vorming kan echter geen dienst doen voordat de converti-

hiliteit (die bij de bestaande koersen voor de meeste landen

niet te verwezenlijken is) tevoren is geproclameerd.

De conclusie moet dus luiden, dat het stelsel der koers-

flexibiliteit, zolang de convertibiliteit niet op andere wijze
is hersteld, slechts kan \vorden gehanteerd’ door één of

enkele landen, zonder dat het in dat geval leidt tot de vesti-

ging van een natuurlijk evenwicht. Als algemeen middel

van valutapolitiek leidt de koersflexibiliteit ofwel tot door-
breking der ,,cross rates” met alle gevolgen van dien, ofwel
tot een reeks onhanteerbare koersafspraken tussen centrale

banken; dit soort fluctuaties heeft met een tendentie naar
een natuurlijke evenwichtstoestand echter weinig te maken.
Wenst men het één noch het ander, dan is het stelsel der

fluctuerende koersen met het voortbestaan van deviezen-

restricties onverenigbaar.
Voor de normalisering van de internationale valutaver-

houdingen, waaraan ten zeerste behoefte bestaat, zullen dus andere wegen moeten w’orden bewandeld. De vaste

ariteiten, die zo nodig van tijd tot tijd worden herzien

indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan

men voorlopig niet ontberen.

‘s-Gravenhage.

Prof. Dr F. A. G. KEESING.

HET NIEUWE DEVIEZENREGIME

IN INDONESIË.

• Wij willen in het onderstaande zeer in het kort een
uiteenzetting geven van de met ingang van 13 Maart
1950 afgekondigde maatrtgelen op liet stuk van het
Indonesische deviezenregime, welke vanwege hun ingrij-
pend karakter een nadere uiteenzetting stellig’ recht-

vaardigen, niet alleen vanwege de techniek van dit ver-
nuftig uitgedacht systeem, maar evenzeer wat de hiervan

verwachte mérites betreft. Waar binnen de toegemëten
plaatsruimte het niet wel mogelijk is beide punten ook
maar enigszins volledig te behandelen, lijkt het aange-
wezen slechts enkele facetten, die het meest dominerend

zijn, aan te stippen.
Onder het nieuwe, in overleg met de Regering der R.I.S.
door het ,,Lembaga Alat-Alat Pembajaan Luar Negen”

– de Indonesische naam voor Deviez(ninstituut, nader
af te korten als L.A.A.P.L.N. – met ingang van 13 dezer
afgekondigde regime, zullen exporteurs hun deviezen
evenals voorheen moeten afdragen, met dien verstande,

dat zij naast de tegenwaarde hiervan in
I.C.
op basis

van de ‘officiële koers, een deviezencertificaat, hierna te

noemen
,,D/Ç”,
ontvangen ter hoögte van 50 pCt van de
op TT of zicht-koopkoers berekende tegenwaarde van

de’ overgedragen deviezen. Dit D/C geeft de exporteur
het recht tot dit bedrag, eveneens op basis van de onver-anderd gehandhaafde visselpariteiten, deviezen van zijn
bank te kopen, welke hij nodig denkt te hebben, hetzij
voor de import, hetzij voor dehetaling van ,,Invisibles”,
als daar zijn afschrijving, winst etc.
Bij het aandienen van de bitreffende deviezen aan zijn

bank heeft de exporteur de volgende keuzè:
a. een certificaat in natura hij zijn bank aan te vra-
gen; in dit geval \vordt hem een te zijnen name luidende,
niet tussen andere personen of instellingen dan de met

name genoemde deviezenbanken, verhandelbaar, in I.C.

29 Maart
1950

ECOOMISCH-STATISTISCHË BEPICHTEN

247

luidend D/C overhandigd, waarvan de geldigheidsduur

is bepaald op 30 dagen;
1). geen certificaat in
natura
te vragen, doch het hem

uit hoofde van zijn export competerende D/G aan zijn
bank over te dragen, die hem voor de op dat tijdstip gel-

dende marktwaarde van D/C’s in I.C. crediteert.
Voor importeurs is een rge1ing getroffen, waarbij zij

op grond van een hun verstrekte invoer- resp. deviezen-

vergunning, in de toekomst bij hun bank slechts deviezen
kunnen appliceren voor zover zij zich bovengenoemde

D/C’s tot een nominaal bedrag in I.C. van 100 pCt van

de tegenwaarde der door hen benodigde deviezen op basis
van de’officiële koers hebben verschaft. Dit betekent dus,
dat de i’nporteurs bij een certificatenprijs van 200 pCt –

de op dit moment vigerende koers – voor de door hen

benodigde valuta een prijs van 300 pCt van de tegenwaarde
van de officiële wisselkoers zullen moeten betalen, t.w.

100 pCt voor de valuta verkregen op basis van de offi-

ciële pariteit, vermeerderd met 200 pCt voor de prijs

van het D/C.
De exporteur daarentegen, die, zoals reeds eerder werd

opgemerkt, D/C’s ontvangt tot
50
pCt van de officiële

pariteit, ontvangt bij export, uitgaande van de vigerende
marktrijs der D/C’s van 200 pCt, slechts 200 pCt van
zijn oorspronkelijk exportprovenu. M.a.w. de exporteur
ontvangt het tweevoudige, terwijl de importeur het drie-

voudige moet betalen.
De hierboven genoemde maatregelen met betrekking

tot de import, hebben eveneens betrekking op die beta-
lingen aan het buitealand welke in de zgn. ,,diensten-
verkeersector” liggen en waartoe kunnen worden gere-kend transfer van winsten en afschrijvingen, delegatie-
betalingen, spaar- en kapitaalsremises, verzekeringspre-

mies, stortii

igen in pensioenfondsen en dergelijke, welke
dus onder vigueur van het nieuwe systeem een driemaal
zo hoog bedrag in I.C. zullen vorderen. Als overgangs-

maatregel is evenwel door de Regering van de R.I.S. be-
paald, dat de meerdere kosten, welke uit hoofde van deze
bepalingen voor landsdienaren zullen voortvloeien, uit
hoofde van delegatiecredieten en de zgn. ,,spaarremises
1949″, voorlopig voor rekening van de R.I.S. zullen wor-.
•den genomen, terwijl eveneens in overleg met de R.I.S. door.het L.A.A.P.L.N. bekend is gesteld, dat gedurende een periode van drie maanden ook de kosten verbonden
aan delegaties voor rekening van ,,partieulieren” nog
tegen oude koers zulleji’ kunnen worden geëffectueerd, met
dien verstande, dat de deleganten wordt toegestaan een
valutatermïjncontract voor een periode van drie maanden

met het L.A.A.P.L.N. op oude koers te sluiten.
1-let 50 pCt-gedeelte van de door de export binnen-
gebrachte deviezen, waartegenover in eerste instantie
geen D/C’s worden afgegeven, komt uiteraard recht-
streeks ter beschikking van het Indonesisch Deviezen-fonds en het zijn deze deviezen, die in de eerste plaats
zullen worden aangewend voor de betaling van de Gou-
vernemen ts-importen, de buitenlandse schuldendienst
en de diplomatieke diensten. Bij al deze uitgaven is het
uiteraard uit budgetair oogpunt om het even, of de be-

treffende overheidsinstantie deze valuta op basis van de
vrije importkoers moet betalen, dan wel op de officiële
pariteit, aangezien in het ene geval het Deviezenfonds
als officiëel orgaan weliswaar een koerswinst maakt, doch terzelfder tijd de betreffende overheidsinstantie
tot een overeenkomstig bedrag haar schuld bij de R.I.S.
ziet toenemen.
Voor zover de niet tegen D/C’s validerende export-
valuta niet is benodigd in de Gouvernementssector,
worden deze bedragen dienstbaar gemaakt aan de voor-
ziening in de nog niet bevredigde behoeftei aan certifi-caten van importeurs en andere gegadigden niet tot- de

categorie der , ,deviezenproducenten” behorende, die,
zoals reeds in het bovenstaande is uiteengezet, tot het
volle nominale bedrag van de door hen beoogde deviezen-

aanwending naast een import-, resp. deviezenvergunning,

tevens D/C’s dienen voor te leggen. De langs deze weg

beschikbaar komende certificaten nu worden aan hen
– wat betreft de besteding van de hierbedoelde restant-

deviezenbedragen – door het Gouvernement (Devie-
zenfonds) via de banken verkocht tegen de vigerende

marktprijs der certificaten. 1-let is tot dit bedrag, dat

door het Deviezenforids op de door hem via de banken af te geven D/C’s een effectieve winst w’ordt gemaakt,
terwijl eveneens tot dit bedrag het geldcontraherend

effect wordt verkregen, dat mede één der hoekstenen

van het opgetrokken gebouw vormt.
De mâte, waarin dit geldontrekkende effect zal op-

treden, wordt uiteraard bepaald door de omvang van de
transferbehoeften in de overheidssector. Zouden deze

zeer groot blijken, dan zal het Deviezenfonds slechts in

zeer geringe mate als sluitstuk voor ht. verschaffen ,van
D/C’s kunnen fungeren en zal het leeuwendeel moeten

komen uit de niet door exporteurs en anderé ‘producenten

van valuta zelve gebruikte D/C’s.
Om ieder misverstand terzake bij voorbaat weg te

nemen’, moge worden opgemerkt, dat een exporteur, die
een D/C niet aanstonds gebruikt, doch dit tot verkoop

brengt, )ierdoor op zichzelf geen verlies lijdt, ook al’
zou hij later deviezen benodigen, indien althanls in de tussentijd de D/C-prijs niet is gestegen. Alsdan zal hij

immers tegen dezelfde prijs de door hem benodigde certi-
ficaten kunnen terugkopen.
In dit verband zij tevens opgemerkt, dat exporteurs
en importeurs in de gelegenheid zullen worden gesteld
het prijsrisico gelegen in D/C’s op termijn af te dekken,
waartoe de mogelijkheid is gesch’hpen om met de deviezen-

banken termijnzaken in certificaten te doen. De deviezen-
banken zullen hierbij de enige instanties zijn: die zich als
tegenpartij voor zodanige transacties zullen mogen in-

zetten. 1-let Deviezenfonds heeft zich doelbevust geheel
buiten deze termïjnzaknn geplaatst en zal derhalve met,

de banken uitsluitend op ready-basis handelen.

Evengenoemd termijnrisico is daarom aanwezig, omdat
exporteurs niet eerder voor, D/C’s lunnen applicèren,
dan wel deze te gelde maken dan op het moment van

leaering
der valuta, ‘waaronder tevens te verstaan het
moment van negociatie van de exportwissel en welk

moment zeei’ ver verwijderd kan liggen van dat van af-
sluiting der goederentransactie. Gedurende die periode
zou de exporteur dus het risico van het prijsverloop der
D/C’s lopen, in tegensklling tot het Qalutarisico op de

hooi dsom,
waartegen hij zich uiteraard kan behoeden door
een valutatermijncontract met zijn bank te sluiten, iets

waartoe hij onder de nieuwe regeling trouwens evenzeer verplicht blijft als in het verleden; zulks in ‘tegenstelling
tot de importeur, voor wie het gedwongen afsluiten van

een valutatermijncontrac’t thans is opgeheven. –
De noodzaak voor het scheppen van een cqrtificaat-
termijnmarkt voor de importeur is niet zo klemmend,
aangezien de importeur onder de nieuwe regeling reeds,

op het moment van de
aankoop
der valuta een D/C aan

de betreffende bank dient’ over te leggen, waartoe
hij – voor zover uit hoofde van een eerdere deviezenin-
breng niet reeds zelf in het bezit, van een D/C in natura
– op datzelfde moment de benodigde D/C’s van de he-

tr,effende bank zal dienen te kopen.. Door onmiddellijk in

aansluiting
01)
het tot stand komen van zijn goederen-

importcontract met het buitenland een valutacontract
te sluiten en de daarvoor benodigde D/C’s te kopen, kan
een importeur dus zijn gehele koersnisico uitschakelen.
1-let nadeel voor hem is echter, dat hij reeds’ op dat moment
de voor de aankoop van het D/C benodigde middelen
moet uitleggen. T-let termijnkoopcontract in D/C geeft hem
nu de mogelijkheid het risico van het verloop van de
certificatenprijs reeds aanstonds af te dekken zonder op
dat moment reeds middelen te moeten vastleggen. Wel
zal hij alsdan van het sluiten van een valutacontract

IT

248

ECONOMISÇH-STATISTISCHE BERICHTEN

29 Maart 1950

môeen afzien, waartoe de
nieuwe
regeling hem ni. de
vrijheid laat,.hetgeen voor hem veelal wel geen overwegend
bezwaar zal vormen.

De zeer belangrijke plaats, welke de banken in het
gehele certificatensysteem is toe’gewezen, komt bok hier
weer tot uitdrukking. In dit verband kan het dienstig

zijn de voornaamste functies, de banken bij het thans

ontworpen systeem toegewazen, nog eens summier aan
te stippen.

Alle overdrachten van D/C’s geschieden aan en door

een bankinstelling, rechtstreekse transacties tussen ex-

porteurs en importeurs zijn daardoor niet mogelijk, het-
geen uit algemeen deviezenoogpunt volstrekt juist moet

vorder geacht. Dit systeem brengt met zich, dat de

banken, hoewel daartoe niet verplicht, in de practijk naast

de exporteur, vo9r-zover deze levering van het D/C in

natura verlangt; de enige houdsters van D/C’s zullen zijn,
een omstandigheid die uiteraard zekere risico’s met zich

brengt, doch die de banken daarvan zeer waarschijnlijk

niet zal weerhouden uit hoofde van het feit, dat de vraag

naar D/C.’s uiteraard veel en veel groterzal blijken te zijn

dan het van exporteurs – emanerende aanbod, wanneer

men althans het van het Deviezenfonds’aan de markt
toe te voeren bedrag, hetwelk eerst’ in beweging komt

wanneer het tèkort bij de banken daartoe noopt, buiten

beschouwing laat. Bovendien zal hei, zoals reeds opge-
merkt, de banken steeds mogëlijk zijn haar risicö’s op

D/C-posities te verkleinen door tegenover haar contante
saldo op certificaten-rekening termijnverkopen in D/C’s
te sluiten.

De overdracht van certificaten door en aan het
Deviezenfonds geschiedt uitsluiten’d via de banken. De
mogelijkheid tot overdracht aan het Deiezenfonds is

uiteraard geopend voor het geval het aanbod van D/C’s

zo sEerk mocht worden, dat de certificatenprijs zich ten
detrimente van de banken niet zou kunnen handhaven,, in welk geval het Deviezenfonds steun aan deze markt
zal verlenen.

De banken stelleri dagelijks op grond van de vraag-
en aanbodverhoudingen en naar mag worden aangenomen
in overleg met het Deviezenfonds, flat, zoals ieeds eerder

werd opgemerkt, nianipulatiemogelijkheden heeft, de prijs
van de D/C’s’vast.

Haar in natura aangeboden D/C’s worden door de
banken ingenomen en vernietigd. Voor de aldus verworven

certificaten, tezamen met de D7C’s,waarvan de overdracht
door exporteurs aan de banken plaatsvindt tegen credi-
tering hunner rekening en zonder levering in natvra,
wordt door de banken ‘ecn door haar te voeren zgn. ,,cer-

tificaten-rekening” gedebiteerd, welke bij verkoop van
certificaten aan importeurs e.d. wordt gecrediteerd. 1-let
zijn de saldi dezer rekeningen, welke van dag tot dag
aangeven tot welke bedragen D/C’s kunnen worden ver-‘
kocht en dus deviezen afgegeven. Hierover moet wekelijks
rapport aan het’ Deviezenfonds worden uitgebracht.

In het bovenstaande hebben wij de indruk kunnen
wekken, of alle ,,inbrengers” van deviezen tot geen hoger bedi’ag D/C’s kunneh verkrijgen dan 50 pCt van dein J.C. uitgedrukte tegenwaarde hunner exporten resp. geleverde

diensten. hierop zijn door de ontwerpers van dit systeem
– en terecht – uitzonderingen geschapen. Wij hebben
hier het oog
01)
de zgn. ,,actieve investeringen” van buiten-
landse zijde, waarmede, naar mag worden aangenomen,
worden bedoeld die investeringen, welke het karakter
dragen van deelneming in in Indonesië werkende maat-
schappijen, hetzij uit hoofde . van door deze benodigd

bedrijfskapitaal, dan wel voor de rehabilitatie onmis-
bare kapitaalgoedeieh. Zouden dergelijke remises op
basis vat de bestaande exportkoers worden afgerekend,
dan zou dit betékenen, dat de begunstigde van deze
‘transfer 200 pCt van de in I.G. uitgedrukte tegenwaarde
der in\estering zou ontvangen, doch op het moment,
dat dit provenu voor importdoeleinden zou worden aan-

gewend, 300 pCt zou moeten uitleggen. Dit zou iedere

buitenlandse remittent afschrikken; vandaar, dat voor

deze categorie bepaald is, dat op importkoers zal worden

afgecekend, hetgeen dus hierop neerkomt, dat begunstigden
van deze remises tot het volle bedrag van hun te ontvangen remises D/C’s zullen verkrijgen.

Of deze bepaling ook van toepassing zal worden geacht
op investeringen, die het karakter dragen van uit het

buitenland aan te trekken geldieningen staat nog niet
vast; wel, dat inbrengers van deviezen uit hoofde van

travellers’ cheques, vreemd bankpapier etc., dus het gehele buitenlandse toeristenverkeer, op dezelfde voet als expor-

teurs worden afgerekend, hetgeen logisch is te achten.
De vraag zou kunnen rijzen waarom het D/C in I.C.

luidt en waarom niet in de valuta’s, waarin de invoer- resp.

de deviezenvergunningen luiden. Het antwoord hierop is,

dat hierdoor wordt voorkomen, dat zgn. ,,disorderly
cross rates” zouden ontstaan, iets wat men uit inteinatio-

naal monetaire politieke overwegingen tot iedere prijs heeft
willen vermijden. Weliswaar zou het mogelijk zijn geweest
door het dagelijks ingrijpen van het Deviezenfonds zo-

danige afwijkingen te voorkomen, maar, dit had toch
weder een additionele belasting op banken en Deviezen-

fonds gelegd, hetgeen de verantwoordelijke autoriteiten
terecht niet hebben aangedurfd.

**
*

1-lopen wij in het bovenstaande de technische ‘niérites

van het systeem enigszins te hebbën belicht, dan kan de
vraag rijzen, welke de overwegingen kunnen zijn geweest

voor de Indonesische autoriteiten om een systeem als het
bovenstaande op dit moment te irtroduceren. 1-let ant-
woord hierop kan betrekkelijk kort zijn. De oorlogshande-

lingen, welke in de jaren na 1941 over dit gebiedsdeel

zijn gegaan, hadden een situatie geschapen, waarbij allengs
een zeer ernstige wanverhouding was ontstaan tussen

goederen en geld, welke het duidelijkst tot uitdrukking

komt in de prijsindex van voedingsmiddelen in de verschil-

lende steden van Indonesië, welke varieert van 1.313 voor
Djakarta tot 1.904 voor Pontianak, waarbij als basisjaar

1938 is genomen. Deze wanverhouding is uiteraard aan een

veelheid van factoren toe te schrijven, waartôe in de eerstë
plaats zijn te rekenen de zeer grote deficitten, waarvoor
het Gouvernement van het toenmalige Nederlands-Indië
zich zag gesteld als gevolg van het tn enenmale ontbreken
van een werkbaar helastingapparaat gepaard met enorm
gestegen uitgaven. Voorts aan het eerst zeci geleidelijk op gang komen van het productie-apparaat en, voor zover dit
op gang kwam, de paralyserende werking van de smokkel-
handel, die, wat de bevolkingsproducten betreft, honderden
millioenen guldens deviezen aan het Deviezenfonds deed

voorbijgaan en aldus de zozeer gewenste goederenaanvoer
nog meer verhinderde.

Een niet te onderschatten factor vormde voorts het
feit, datde c.i.f.-prijzen van de invoergoederen veelal een
veelvoud van die van vôôr de oorlog bedroegen, terwijl op

een enkele uitzondering na de exportprijzen lang niet in die verhouding stegen, hetgeen een zeer ongunstige invloed op
de ruilvoet van dit gehiedsdeel moest hebben en het reha-

hilitatieproces ten zeerste vertraagde. Deze ongunstige
ruilvoet versterkte op zijn beurt het aanzieiilijke passiet
saldo op de Indonesische betalingsbalans. Weliswaar had
dit importoverschot, waarbij nog kwam het passief

saldo in de dienstensector, gefinancierd hetzij door het
aantrekken van credieten vanhet buitenland – waarbij
Nederland vooraanging – hetzij door liquidatie van de
Indonesische deviezenreserves en de Marshall-hulp, een

deflatoir effect, doch dit wrd weer meer dan geneutrali-
seerd door de enorme geldschepping van het Gouverne-
ment, nodig om zijn uitgaven te financieren. Tenslotte
hebben de vernietigingen op grote schaal zowel van pro-
ductiemiddelen als goederenvoorraden in de jaren na
1947 tot de souvereiniteitsoverdracht er het hunne toe

29 Maart 1950

.

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

249

bijgedragen om een toestand te scheppen, waarvoor de

autoriteiten zich thans zien gesLeld en die, wil het land
niet in ecoiomische chaos verzinken, op de meest straffe

wijze moet worden aangepakt.
Met het bovenstaande wil intussen niet zijn gezegd, dat
de Overheid in het verleden geen pogingen heeft onder-

nomen om aan het
ontwrichtende
effect van de bovenge
;

schetste wanverhouding geld/goederen enigermate een einde

te maken, integendeel. In dit verbana zij gereleveerd de
door haar ondernomen experimenten op het stuk vah de
hevolkings1andbouw, met name die van de copra en de
rubber en helichaamd in de hekènde ,,inducement”-syste-
men, waarbij al naar gelang het productiegebied, hetzij

rechtstreeks aan de oerproducent, hetzij aan de opkopende

handel/exporteur, Straits-Dollars (zelfs ter hoogte van 30

pCt van de f.o.b.-waai-de), rijst en/of textiel per ton of
andere eenheid• geleverd product ter beschikking werd

gesteld, teneinde de producent tot productie te prik-

kelen, een prikkel die allengs meer nodig werd naar ge-
lang de w’anverhouding geld/goederen grotere omvang

aannam, tot uitdrukking komende in het feit, dat de
op basis van de officiële Straits-Dollarkoers in I.C. be-

rekende f.o.b.-waarde van een product als rubber en
copra beduidend lager lag dan de voortbrengingskosten
van de oerproducent, rekening houdende met de hem
verleende ,,inducemcnts”. 1-let spiegelbeeld van – deze
ontwikkelingsgang vindt nen tot op zekere hoogte o.a.
in de zwarte markt noteringen van de dollar, het pond

en de Nederlandse gulden te Djakarta. Beliepen deze
begin 1949 nog resp. f 12,25, f 32,75 en f1,65, begin

1950 waren deze reeds opgelopen ‘tot resp. f 25, f 65 en
f 3,80, terwijl vlak vôôr de op 13 dezer afgekondigde
deviezenmaatregelen deze koersen inog beduidend hoger
waren. Geen wonder dan ,00k, dat geruime tijd véôr 13
Maart practisch geen bevolkingsproducten meer los kwa-
‘men, praclisch zeker als men was, dat aande kunstmatige
koersverhouding tussen de Indonesische gulden en de
overige valuta’s met de Nederlandse gulden als centraal
punt – een verhouding waarvan de fictie jarenlang door

de milliarden credietverlening iloor Nederland gecamou-
fleerd was geworden – spoedig een einde zou moeten

komen.

Een’ andere maatregel, welke de Overheid in het verleden
had genomen, was de instelling in 1949 van de zgn. ,,vrije
winstbelasting” op een groot aantal importgoederen, waar-
door de winsten, die in de keten importeur-detaillist-con-
sumeiil, werden gemaakt en welke op grdnd van het feit,

dat de âanvoeren op ,,landed côst”-basis plaatsvonden,
zeer hoog waren, doch die slechts zeer ten dele fiscaal
achterhaald konden worden, thans rëeds aanstonds bij de
bron werden belast op basis van 95 -pCt van de geschatte meer-waarde hij verkoop in de vrije markt aan de tweede
hand. Doch hoe nuttig deze maatregel ook mocht zijn, een definitiéve oplossing van de kwaal werd hierdoor niet ver-
kregen. En het is de erkenning van deze waarheid, t.w.
dat aan het verstoorde evenwicht tussen goederen- en geld-
hoeveelheid ‘iets moest worden gedaan,’ dat de kwaal in
de kern aanitastte, die de Regering van de R.I.S. er toe heeft
gebracht op 13 Maart 1950 een aantal extern:monetaire
maatregelen af te kondigen; waarvan het complement
wordt gevormd door de op 19 dezer door de Regering van
de R.I.S. bekend gestelde intern-monetaire maatregelen,

ten doel hebbende een der symptomen, doch tevens een
der bronnen van de verst6orde geld/goederenverhouding
aan te tasten door met ingang van die datum de gehele
girale en de oluirtale circulatie tot nagenoeg de heli’t van
het voordien gelden& peil, t.w. ca f 1.900 mln giraal, in-
clusief schatkistpapier hij niet-banken, en f2.150 mln

chartaal geld- terug te,brengen.

Vrage: weike desiderata hopen de Indonesische autori-
testen met de door haar afgekondigde ex tern- monetaire maatregelen, zoaliin het bovenstaande toegelicht, te ver-

wezenlijken? Het antwoord hierop kan, naar het wil voor

komen, drieledig zijn.

Stimulering van de export;

Afremming van de import;

Vermindering van het geldvolume.

Wat het eerste
desiciei’atum
betreft, hoopt men door
het hierboven geschetste systeem de exporteur zowel in

de bevolkingssector als in de ondernemingslandbouwsector

tot vergrote productie te prikkelen en tevens wat eerstge-

noemde categorie betreft, hët vigerende systeem

van

deviezeninducement op zo kort mogelijke termijn buiten
werking te kunnen stellen en aldus een einde te maken aan
de bovengeschilderde bij uitstek incidentele en zeer wille-
keurige vorm van inducementverlening, die bovendien

deze onbillijkheid met zich bracht, dat zij de ondernemings-

landbouw geheel onberoerd liet.

Uitgaande van een deviezencertificatenprijs van 200 pCt

mag op grond van de bestaande f.o.b.-prijzen van een aantal

bevolkingsproducten, als daar zijn rubber, katjang, rottan
worden aangenomen, dat op basis van liet nieuwe systeem

een extra prikkel zal worden gegeven, zij het dan ook, dat hij binnen betrekkelijk beperkte grenzen blijft. Een indruk
hiervan krijgt men wanneer men de betreffende f.o.b.-

prijzen met inberekening van de ,,inducements” stelt
tegenover de f.o.b.-prijs zoals deze thans zal worden. Be-droegen deze voor rubber sheets I,rottari en katjang tanah
einde Deôember resp. f 241, f 156 en f 146 per 100 kg, op
basis van de nieuwe regeling zullen deze f.o.b.-prijzen naar
schatting komen te liggen op t 262, t 194 en t 160.

Voor die bevolkingsproducten, waarvoor geen ,,ïnduce-
ment” bestond, zoals koffie arabica, tapioca e.d., zal het
nieuw ingevoerde systeem veel,sterkere ,,inducements”.
vormen. –

Intussen kan uit de zojuist door het L.A.A.P.L.N. ge-
publiceerde Mededeling aan de Banken No. 297 blijken,
dat men toch nog niet tot definitieve opheffing der hestaani-
de ,,inducements” is durven overgaan, hetgeen naar ons
gevoelen een teleurstellende omstandigheid vormt en wel
duidelijk in liet licht stelt hoe ernstig de situatie was ge-
worden. Wel doet de betreffende Mededeling zien, ‘dat
men tot een drastische afbouw van de bestaande ,,inddce-
ments” is overgegaan.

Tegenovr deze exportstimulerende tendenties staat
uiteraard het duurder worden van de import ook voor de
bevolkingslandbouw, waarbij echter zij opgemerkt, dat
bij de bestaande verhoudingen, de huidige Vrije marktprijs
voor goederen als garens, cambrics, greys, aniline verf-
stoffen zeer beduidend hoger ligt dan op basis van de
300 pCt importkoers, zodat liet antwoord op de vraag, of
bij het nieuwe systeem de bevolking er beter of slechter
afkomt dan bij het bestaande, in het algemeen slechts kan
worden gegeven, wanneer men weet welke goederen en
tot welke hoeveelheden op basis van de thans gefixeerde vrije koers mogen worden ingevoerd en tevens of aan de
massale ,,hoarding” van importgoedereft thans een einde
komt.

Ten aanzien van de ondernemingslandbouw lcan in het
algemeen worden gesteld, dat’deze, voor zovei’ hij althans
voor de export werkt, een tweemaal zo hoge opbrengst
voor zijn product zal ontvangen. Of deze categorie van be-

drijvigheid per saldo van de getroffen maatregelen zal profiteren, wordt, in de eerste plaats bèpaald door zijn
importquote en de voor transfer uit anderen hoofde he-‘
nodigde gelden. Overtreffen de hiervoor benodigde mid-
delen in I.C. gemeten de opbrengst van haar deviezen-
certificaten, dan zal het nieuwe systeem, zelfs indien de
overige kostenfactoren gelijk blijven, voor haar een’ achter-
uitgang betekenen. ‘

De zeer veel ongunstiger positie voor die bedrijven als
,,public utilities”, die niet voor de buitenlandse markt
werker, niettegenst.aande zij uit algemeen deviezenoogpunt

250

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

29 Maart 1950

een
zeer
sterk deviezenbesparend element in zich dragen,

en uit dien hoofde voor een compensatie in enigerlei vorm

zeker in aanmerking komen, treedt hierbij wel zeer evident
op de voorgrond, terwjl die ondernemingsiandbouw, weiks

l)rodutie-apparaat grotendeels is vernietigd en daardoor
voor de afzet van zijn product grotendeels op het binnen-

land is aangewezen, t.w. de Java-suikerindustrie, tengevol-

ge van het nieuw geïntroduceerdesysteem eveneens em-,
stige moeilijkheden kan ondervinden.
Wat het tweede desideratum betreft, lijdt het geen twij-

fel, dat, op grond van de bestaande importkoers van 300

pCt, de import sterk zal worden afgeremd en het is dan ook

mede uit dien hoofde, dat gedifferentieerd is tussen de
export- en importkoers.

Wat het derde punt betreft: zoals reeds eerder werd

opgemerkt, zal voor zover het aanbod van deviezencertifi-

caten emanerende uit de 50 pCt, welke de exporteurs etc.

ontvangen, onvoldoende is om de voor import benodigde

certificaten te dekken, het Deviezenfonds moeten bijsprin-

gen met certificaten, welke worden verkocht tegen de
door het Gouvernement niet zelf benodigde deviezen.

Slechts voor zover dit het geval zal zijn, zal het geldvolume
hiervan een vermindering ondergaan, omdattot dit bedrag
het Deviezenfonds middelen tot zich ziet vloeien, die, er-

van uitgaande, dat zij niet vooi andere doeleinden oiS

nieuw aan de circulatie worden toegevoegd, aldus aan de
omloop worden onttrokken. Voor zover daarentegen

import plaatsvindt tegen de door exporteurs etc. verworven
certificaten vindt uiteraard geen geidverkrappende werking
plaats, doch uitsluitend een verschuiving van de geldén

van importeurs naar exporteurs. Het mag dan ook enigs-
zins worden betwijfeld, of hij de nu eenmaal te verwachten
zeer grote importbehoeften van de R.I.S. en haar evenzeer

zeer grote remisebhoefLen uit hoofde, van de door haar
jegens Nederland aangegane verplichtingen, het met het
derde desideratum gestelde doel in belangrijke mate zal
kunnen worden verwezenlijkt.

De vraag zou kunnen rijzen, waarom de Regering van de

R.I.S. tot bovengeschetst systeem is overgegaan instede

van haar toevlucht te nemen tot een ,,allround” devaluatie.
1-Jet antwoord hierop zou tweeledig kunnen luiden: voor-

eerst zou hierdoor het beoogde geldverkrappende effect
gelegen in de bovengeschetste verkoop van D/C’s door het
Deviezenfonds niet zijn bereikt, doch daarenboven zou een

devaluatie lieden ten dage toch in ieder geval gepaard
moeten gaan met liet vastieggen van ‘s Lands wisselkoers
op een bepaald punt. Het is duidelijk, dat in de uitermate

verwarde monetaire verhoudingen, welke, momenteel in Indonesië heersen, het onmogelijk moest woi’den geacht
zich reeds thans op een zodanig punt vast te leggen. Van-
daar, dat men na zeer lang wikken en w’egen het systeem

koos van vrije koersvorming, lees: vrije prijsvorming, van
D/C’s – uiteraard met de mogelijkheid van interveniëren
door het Deviezenfonds – teneinde op grond-van de
hierbij te verkrijgen ervaring ten aanzien van de vraag- en

aanbodverhoudingen, bij afw’ijkende im- en exportkoersen
te kunnen beoordelen waar een mogelijk evenwichtspunt
ware te vinden.

Thans zal moeten blijken, of ‘het wel doordachte systeem
van maatregelen, dt effect’ zal hebben, hetwelk de ont-
werpers er van verwachten. Lang heeft men geaarzeld

met,.het doed van deze stap; of hij zal slagen-hangt voor-
namelijk af van twee factoren. Vooreerst of het. machts-
apparaat voldoende is om het geheel van maatregelen te
doen naleven, maar daarnaast of beter vôôr alles, of tege-
lijkertijd •met de drastische intern-monetaire sanerings-

maatregelen ook de bron van alle kwaad, de geldschepping
door de Overheid binnen redelijke grenzen kan worden
ingedamd. Zou dit laatste niet binnen de-mogelijkheden
liggen, dan zullen ook de meest ingenieuze deviezensyste-men geen blijvend soulaas kunnen bieden en zal despiraal-
wérking wederom haar désastrëus effect gaan doen gevoelen.

Amsterdam.
‘-
”-

Drs G. J. “H:”15E’ GRAAF’.

HET BIERVERBRUIK.

Er worden héden ten dage in binnen- en buitenlandse

vakbladen vrij veel beschouwingen gewijd aan de con-sumptie van alcoholhoudehde en alcoholvrije dranken,
onderlinge verschuivingen in hun verbruik en analyses

der eventuele oorzaken, die daartoe zouden kunnén heb-‘

ben geleid. \Vt Nederland betreft, hceft,meer in het bij-

zonder de daling van het bierverbruik per hoofd na de twee-
de wereldoorlog de aandacht getrokken.

Sommigen wijten deze daling aan smaakverandering,

hetzij van het bier zelf, hetzij van de consument, weer

anderen noemen als ôorzaken: ,,geldgebrek” der afnemers,

te hoge bierprijs, terwijl ook wel wordt aangevoerd, dat

h€,t bierverbruik over de hele wereld een dalende tendentie
vertoont.

Alvorens tot een nadere analyse over te gaan, komt het

ons gewenst voor, enige cijfers te verstrekken over bier-

productie en S-verbruik in Nederland en andere belang-

rijke landen ter adstructie van de beschouwing (zie tabel
op blz. 251).

Bij nadere bestudering van deze cijfers, kan men ge-
noemde landen verdelen in drie groepen, te weten:

de van ouds belangrijke bierlanden, zoals: Engeland, de Verenigde Staten, Belgie enz. In deze groep vindt

men allerlei schakeringen. Zo valt bijv. in de Verenigde

Staten een stijging van hetverbruik te constateren,

vergeleken met de vooroorlogse jaren. In België daaren-
tegen daalt het na-oorlogs verbruik, terwijl een land

zoals Zweden een nagenoeg stabiel consumptiecijfer
vertoont;

/

de voor bier tot nu toe relatief onbelangrijke -landen,

waartoe men bijv. 1-longarije en Italië kan rekenen.

Hier kan men enige stijging waarnemen, al is deze
meestal in absolute zin niet zeer groot. Ook Nederland

was en is geenbelangrijk bierland. In tegenstelling tot

de andere landen uit groep B is het’ verbruik hier
echter gedaald en henft zich ook in 1949 nog in dalende

richting bewogen. Verbruiksstijging wordt voorts nog
gemeld uit Rusland en een aaiital Zuidainerikaanse
staten, zoals Bolivia en Chili, waarover evenwel geen

betrouwbare gegevens kunnen worden verstrekt;

de zgn. ,,jonge” landen, vooral opgekomen na de eerste
wereldoorlog: Canada, Argentinië, Australië enz. De
verbruiksstijging is hier vaakzowel absoluut als relatief
aanzienlijk.

Uit deze cijfers kan niet worden geconcludeerd, dat er één algemene tendentie bestaat. In dit verband dient nog

de mening gereleveerd, dat het bierverbruik overal zou
dalen ten gunste van limonades en gedistïlleei-d. Deze
bewering vindt geen steun in dQ bekende cijfers. In 1938

bedroeg de wcreldbi.eromzet ca 220 mln hl, in 1937 260
mln hl, terwijl de raming voor 1948 275 mln hl luidt.
Men schat, dat sinds 1939 in Europa de bierproductie met
8 pCt is gedaald, in de Amerikaanse landen daarentegen
met 73 pCt is gestegen. Opvallend is hierbij het grote aan-
deel der Angelsaksische landen.

Gaan wij nu over tot een béschouwing van de mogelijke
oorzaken van de verbruiksdaling in Nederland.

Een groot deel der belanghebbenden wijt de daling aan
,,geldgebrek” van de consument. Alvorens hier nader op
in te gaan, moet het begrip verbruiksdaling iets moer
worden geprecïseerd. Het woord heeft ni. geen betrekking
op de totale omzet,’ want deze is in vergelijking met de
vooroorlogse omzet niet gedaald (behalve in 1949), zoals
blijkt uit de omzetcijfers voor Nederland in groep B van
de tabel. Wél echter is het verbruik per hoofd vrij aanzien-lijk gedaald. Is deze daling nu te verklaren uit geldgebrek? Het komt ons yoon, dat men hier met een zeer
vi
i
ag
begrip
werkt. I

1eeft»monh’iisschien liet oog op de nominale lonen?

‘W

29
Maart
1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE ‘BERICHTEN

251

Bierproductie en biererbruik.

Land

1934

1936

1

1938

1

1939

1945

1946

1

1947

.. 1948

1

9949

Groopi.’
Engeland

………..A
24,6
26,8
29,5
.

30,0 32,2
33,7 28,4
29,5
B
55,5
60,0
65,0 64,6
69,1 74,1
60,9 61,4

België

……………A
14,7
14,4
13,9
13,0
– 11,0
12,0
42,0

B
173,0
168,1
166,2
168,0


150,0 150,0

Verenigde Staten

. . .

A
44,2
60,8
66,1
63,2
101,6
99,7 103,1
107,1 B
39,6 51,0 45,7
46,8 73,8
65,9
70,0 67,0

Denemarken

……..A
2.16
2,23 2,23 2,45.
2,19 3,16 2,80
2,13

B
55:6
56,1
57,6
59,5

.
51,8 65,0
ca 65,0
– –
Tsjechoslowakije

A
7,g9 7,56
8,31
6,63 4,88 6,19 8,85 8,63

B
52,6
49,2


– –
ca 57,0
– –
Zwitserland

……..
A
2,47 2,05 2,14 2,46
1,06 1,18
1,69
1,73
1,89
B
59,6
49,1 51,1
52,0
.

24,0
27,0
ca

38,6
40,0

Zweden

…………
A
2,43 2,55 2,80 2,96
2,54′)
2,82′)
– –
3,50
B
39,6
41,1
45,0

.
46,3
37,6′)
41,3
2
)



Duitsland

……….A
36,8 39,9
48,1
51,3

.

16,0
2
)

10,3′)

B
56,0 58,7 68,7
73,6

ca 40,0′)

24,6
4
)

Oostenrijk

……….A
2,42
2,30
2,741)

1,50
ca

2,00′)
– –
B
35,8 32,6
ca 21,0
1
)

– –



Ierland

……………A
3,48
2,59
2,30


-.
3,27

/

B
– –
ca 35,0

– –

ca 48,0

Luxemburg

……..’A
0,41
0,40 0,47



0,27
0,25

B
.



ca99,0
– – – –

Frankrijk

…………A
16,7

.
14,2
14,0 12,0
9,6
11,1
12,1
8,3
B
32,0
27,1
28,3

23,0
26;0
ca 26,0

Groepli
.
Nederland

……….A
1,51
1,26

.
1,38
1,51

1,87 1,85
1,51
1,32
B
17,5
14,0 14,9
16,2
-t
19,2 17,2
13,8
ca

10,0
Hongarije

……….A
0,17
0,22
0,31


– .
0,37 0,53

B
2,1
2,7
47
– –

5,0






1,00

1,30

1,60
B
3,83


– –
5,0

Spanje

……………A
-,



‘-
– –
0,30
B
– –

3t4.
-.
3â4
Noorwegen

……….A
0,40
0,44 0,48
. –
0,61
0.63
0,071
0,60

13
13,9 15,3 16,6
17,3

17,0
21;5


Italië

… .. ………

A’)
0,29
0,58
0,71
0,83
0,70
0,89 1,08

Groep C.

Polen

…………..

……-

Brazilië

…………A
0,93 1,79 1,93
– – –
5,87
6,00
B
.

– –
ca 4,7
– –


13,0

Argentinië

………..A

.
1,34
1,40
1,45


– .
_


,

3,52
3,60
B

,

– –
ca
11,0
ca 45,0
ca

15,0

– –
Mexico

.
………..A
– –
– .


4,20
3,22
3,40

B

ca 5,0
7,1
8,0
15,6
ca 35,0
– –

Canada …………..
A
,

2,10
2,59
2,74


6,87
7,77
8,21
ca 9,00
B 16,9
23,5
24,6

48,6
54,0

Australië

……….. ..
A
2,63
2,96
– –
4,87′) 5,83′) 6,20′)

6,50
B
39,4
47,0
– –
73,0′)
81,0
2
)
81,5′)

A =
productie of omzet in millioenen hcctoliters.
B =
verbruik per hoofd in liters.
1)
1945/46;

‘) 1946/’47;

‘)
,1948/’49;

‘),Bizone;

‘)
1938/’39;

‘)
1947148;

‘)
voor de jaren 1933/’34, 1935/46
enz.

Het indcxcijfer der
5
uurlonen volgéns regelingen (met als
basis Juni 1938/Juni 1939), was op 15 December 1949
voor de nijverheid echter gestegen tot 182,1; voo,’ di
landbouw tot 275,0 en voor beide samen tot 195,1, welke

berekeningen zijn gebaseerd op lonen, exclusief kinder-
bijslag.
Doelt men dan wellicht op een vergelijking tussen nomi-
nale lonen en kosten vn levensonderhoud? Het prijs-
indexcijfer voor het gezinsverbruik (met als basis 1 938/’39)
bedroeg op 15 December 1949 echtei’ 205. In werkelijkheid
is, naar wij menen, het volgende geschied. Ei’. heeft een
vraagverschuiving plaatsgevonden naar andere goederen,
zodra deze in gi’oter hoeveelheden ter markt kwamen.
In het bijzonder naar dure textielproducten en huisraad
moest zich toen wel een aanmerkelijke inhaalvraag open-
baren, ten detrimente van andere goederen. Het komt

ons evenwel ongewenst voor om bij een vraagverschuiving
ten ongunste van bepaalde goederen te gaan spreken van
geldgebrek in het algemeen. Anders zou men met evenveel
recht de verbruiksstijging van versnaperingen kunnen ver-
klaren uit geldovervloed.
Een andere verklaring luidt: de bierprijs is te hoog, hetzij
relatief, nl. in verhouding tot andere dranken, hetzij abso-
luut. Dit laatste is onjuist, want een prijs kan alleen relatief
te hoog zijn, iil, vergeleken met de prijzen van nauwe
substitutiegoederen, zoals in het onderhavige geval: ge-
distilleerd en alcoholvrije dranken, of gemeten aan de
prijzen van alle andete goederen; alle goederen concurreren
inimersom de koopkracht van de consument.
Iaten wij eerst eens de verhouding tussen bier- en ge-
•distilleerdprijs bezien. Sinds 1938 steeg de prijs van een

83
centiliter-glas zwaar hier (Pilsner) in Iiie kls zaken
(ôftewel volkscafé’s) van f 0,20 tot f 0,32 in 1945, welke
prijs ook thans nog wordt berekend. Hierbij valt nog op
te merken, dat de vooroorlogse prijs vom’ een dergelijke
consumptie in Rotterdam slechts 1 0,17 bedroeg. De prijs van een 45-centiliter-fles zwaar bier vooi’ verbruik elders
dan ter plaatse van verkoop steeg eveneens en wel van
0,19 in 1938 tot 1 0,35 in 1949. V66r de ôorlog betaalde
men voor eeii glas jenever, inhoudende 4centiliter in volks-
zaken 1 0,17. Thans per 31 centilitei’ f 0,23. De oude prijs-
pariteit tussen biei’ en gedistilleerd is dus verloren gegaan.
Aan deze verandei’de prijsvet’houding word t door sommi-
gen de na-oorlogse daling vân het biei’verbruik geweten.
In dit verband wordt dan gewezen op de tegenovergestelde
verhouding ,in andere Europese landen, waar een glas
jenever juist aanmerkelijk duurder is dan een glas biei’.

Zo
kan men bijv. in Engeland glasprijzen voor hier en
jenever vinden van respectievelijk 1 shilling en 2 shilling,
welke verhouding mogelijk wordt gemaakt door de zee”

hoge gedistilleerdaccijns ad f 2,957 per hl 50 pCt (10/10/ 10
er proofgallQn van 3,785 liter). Volgens het wetsontwerp
op de accijnsunificatie in het kader van de Benelux-over-
eenkomst wordt de Nederlandse gedistilleerdaccijnS ge-
bracht’van 1 320 op 1 596 per
bi
50 pCt, hetgeen naar alle
waarschijnlijkheid jeneverprijsvérhoging zal veroorzaken.

Op
deze wijze zou weer een voor bier gunstiger prijsver-
houding ontstaan, maar toch mag niet voetstoots worden

252

ËCONOMISCH-STÂTISTISCFIE BERICHTEN

29 Maart 1950

aangenomen, dat ‘aldus een verbruiksverschuiving ten

voordele van bier zal plaatsvinden.

Wij moeten hier terdege onderscheiden tussen de ver-

schillende groepen consumenten en hun motieven. Zo plegen sommigen een café uitsluitend te bezoeken om
wille van het gezellige zitje. Daar de aard van de consump-
tie hun onverschillig is, zullen dtze gasten zich waarschijn-

lijk in hoge mate door prijzen en prijsverschillen laten
leiden en het goedkoopste product prefereren. Weer

anderen zouden jenever blijven verkiezen ondanks de

gestegen prijs, tenzij de prijsstijging zolattg doorgaat, dat

hun aanvankelijke preferentie niet meer opweegt tegen

de betekenis van het prijsverschil.

Tenslotte is er nog een categorie consumenten, die geen

of niet meer bier drinken omdat hun de bierprijs te hoog

voorkomt in het algemeen, waarmee zij bedoelen: in
verhouding tot alle andere goederen. Wat heduidt hier

nu ,,te hoog”? De bierprijs is stellig niet meer gestegen

dan de prijzen van de andere consumptiegoederen gemid-
deld, zoals blijkt uit het verloop der prijsindexcijfers

voor het gezinsverbruik: Kiest men als basis 1938/39 =

100, dan luidt het indexcijfer voor ,,totaal”: 205 (volgens

huishoudrekeningen 1948/1949) op 15 December 1949.
Veel hoger cijfers treft menS aan voor bijv. ,,voedings-

middelen”: 246, of schoeisel: 364. Voor de glasprijs van

zwaar bier in volks’zaken komen we in 1949 slechts tot
een indexcijfer van 160 (Rotterdam: 188). De zgn. reële

prijs van bier, de ruil-verhouding tussen bier en alle andere

goederen, heeft zich dus niet op zodanige wijze ontwik-
keld, dit, gezien de prijselasticiteit van de vraag, ver-

bruiksvermindering zou zijn te verwachten; integendeel,
de reële prijs van bier is gedaald. Bier e’n ook wel gedistil-

leerd en tabak zou men de luxe van de arbeiders kunnen

npemen, weshalve een elastische vraag waarschijnlijk lijkt.
Inderdaad heeft in 196 Prof. Ragnar Frisch voor Noor-

wegen een prijselast.iciteit van 1,65 vooi’ de hiervraag
vastgesteld
1).
Op grond van het ‘bovenstaande kon men
dus juist een gestegen bieromzet verwachten. Nu kan

uien tegenover de bevindingen van Frisch het onlerzoek
van Stone stellen, getiteld: ,,The analysis of market

demand”, gepubliceerd in het ,,Journal of the Statistical

Society”, jaargang 1945, dl 111-1V. In Setion 4, Con-
sumption of beer in the United Kingdom”, blz. 315,
par. 1, constatèert hij, dat de biervraag weliswaar ,,fairly
sensïtive to price” is, maar toch in-elastisch. Een stijging

van 1 pCt in de bierprijs zou nl. ceteris paribus leiden
tot een daling van 0,9,pCt in het hierverbruik.
1
Tevens

meende hij te moeten vaststellen, dat de invloed van het
inkomen kan worden verwaarloosd, dat derhalve de
inkomenselasticiteit van de vraag zeer gering is. De resul-
taten van Stone’s calculaties, in het bijzonder wat- betreft
de inkomenselasticiteit, lijken in flagrante strijd met de

werkelijkheid te zijn. Zo zien wij in de crisis van de dertiger
jaren het Engelse bierverbruik dalen van 20.690.031
standard barrqls (ad 163,5 liter) in 1930 tot 18.815.510

standard barrels in 1933. Het verbruik per hoofd bedroeg
in 1930 nog 74,4 liter, maar in 1932 slechts 51,7 liter.
Ook voor een land als Duitsland kan men constateren, hoe de ontwikkeling van de arbeidsmarkt, dus a,an het

inkomen van de arbeiders, parallel verloopt met het bier-verbruik. Zo zien we de bierconsumptie per hoofd terug-
vallen van 88,6 liter in 1929 tot 50,7 liter in 1933, waarna
weer een stijging volgttot 73,6 liter in 1939.

Na deze kleine exconrs over de vraagelasticiteit vatten
wij de draad van ons- betoog weer op. Wij hadden een
prijsindexcijfer voor het gezinsverbruik gevonden van 205,
terwijl liet indexcijfer voor de glasprijs zWaar bier 160
bedraagt. Zoals wij reeds hebben gezien, stond het index-
cijfer der uurlonen van volwassen mannelijke arbeiders in nijverheid en landbouw voor 1949 op 195,1. 1-lierbij

‘) Prof.
R.
Frisch: ,,De vraag naar bier in Noorwegen en
het
vermoedelijk resultaat van een verlaging van de bieraçcijns en van
de prijs’.

valt nog op
1
te merken, dat ook de totale nominale
koopkracht der arbeiders sterk is toegenomen, zoals

blijkt uit de voortdurende stijging van het in totaal

verloonde bedrag: lonen, salarissen, sociale lasten sinds
1938 (1938 f2.453 mln; 1948: f7.048 mln) terwijl

voorts het aandeel van de arbeiders aan het nationaal
inkomen sinds 1938 is gestegen van 46,9, tot 55,7 pCt

in 1948. Uit dit alles kan men alleen concluderen tot

een vraagveranclering in die zin, dat cie individuele

vraagcurven voor hier naar links zijn verschoven, het-

geen betekent, dat de individuele consument tegen de-
zelfde reële prijs als vôôr de oorlog een geringere hoe-
veelheid afneemt of dezelfde hoeveelheid als véér de oor-
log slechts tegen een lagere reële prijs.

Deze vraagveranderin of -verschuiving moet o.i. in
de eerste plaats in verband worden gebracht met- de

– gestegen omzet en uitgaven voor zowel nauwe als meer

verwijderde suhstitutiegoerleren. Zo nam van 1939 tot
1948 het gedistilleerdverbruik toe kvan 1,57 tot 3,17 liter
pci hoofd (September 1948IOctober 1949 zelfs 3,5 liter).

Over hmonade-gaze,ise valt liet volgende op te merken.
In 1939 bedroeg de Nederlandse productie ca 450.000 hl

en in 1947 750.000 hl. Deze pi’oductiestijging was mo-

gelijk, ondanks handhaving van het suikeri’antsoen op

100 pCt van 1938, doordat de limonadefabrikanten in
1947 gazeuse mochten bereiden met 4 pCt suikei’gehalte
in plaats van .de wettelijk voorgeschreven 8 pCt. Invloed
op het bierverbruik had dit alles echter niet, daar de

brouwerijen in de hete zomer van 1947 ternauwernood

aan de vraag-konden voldoen. Gedurende het jaar 1948
moest het suikergehalte der limonades weër 8 pCt be-dragen, terwijl de suikcrrantsoenering op 100 pCt van

1988 ongewijzigd bleef en liet zoetstofgebruik werd ver-
boden: 1-let gazeuseverbi’uik moest derhalve na 1947

onvermijdelijk dalen tot het oude peil. Devrij sterke daling
van de bierconsumptie in 1948 kan derhâlve niet worden
geweten aan verbrdiksstijgirig van gazeuses.
Een dergelijke redenering geldt mutatis mutandis voor
de andere zgn. ,,soft di’inks” of alcoholvrije dranken.

I-1et als basis 1935/36 = 100 bedroeg het verbruiks-
indexcijfer voor kqffie, thee en cacao samen in 1948 volgens

het ,,Economisch Plan” 59, gestegen tot 70 in 1949
2).

Voor melk luiden de overeenkomstige cijfers 117 in 1948 en 115 in 1949. Genoemde mededeling bevatte overigens
nog 3 andere veelzeggende verbruikindexcijfers, te weten:
voor koek en gebak 130, versnaperingen 130 en fruit 140.
Het tabaksverbruik vertoont quantitatief per hoofd niet
.zo’n grote verandering, zoals blijkt uit de volgende cijfers

(waarbij liet – verbruik in December 1937/November 1938
tussen haakjes is geplaatst): December 1948/November

1949, sigaren 93 (179), sigaretten 616 (549), tabak 1,16 kg
(1,13 kg). De uitgaven per hoofd stegen evenwel enorm,
nI. van f 15,19 tot f 53,82. (Men moet hier zeer voorzichtig

zijn met het trekken van conclusies. Men zou kiunnen
menen, dat de vraag naar tabaksartikelen inelastisch is,
in plaats van, zoals verwacht, elastisch. Fliertegenover
dient te \vorden opgemerkt, dat we hier waarschijnlijk

te doen hebben niet een verschuiving naar rechts van de
hele vraagdurve in de tijd; elasticiteitscijfers gelden echter
alleen voor een bepaalde vraagcurve op een bepaald
tijdstip):

De vraagversehuiving moet voorts in verband worden

gebracht met de inhaalvraag, die voor een aantal goederen
nog steeds niet is bevredigd. Er valt hier te
,
denken aan
kleding en woninginrichting (huisraad), voor welke goe-

deren de prijsindexcijfers voor het gezinsgebruik juist zeer hoog staan, nl. resp. op 330 en 314 (15Decembér
1949). Speciaal in 1948 vond een aanzienlijke bevrediging
van de inhaalvraag plaats, zoals blijkt uit de zgn. con-

Volgens mededeling aan de Tweede Kamer (zitting
1949 T.K.,
Vel
184:
,,Verbruik van voedirugs- en genotmiddelen in
1949 per
hoofd”).

29 Maart 1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

253

sumptid-index, die de volgende cijfers vertoont: 1948

kledihg 118, rest 109 (1947 = 100).

Waar nog zoveel andere goederen in het spel zijn, kan
het bierverbruik waarschijnlijk slechts in beperkte mate

gebaat zijn hij accijnsverhoging en dientengevolge prijs-
verhoging van gedistilleerd. Gunstiger voor bier zou zijn,
wanneer de vooroorlogse pariteit tussen hier-glas- en

jenever-glas-prijs werd bereikt door prijsverlaging van

bier (mogelijk dooi’ kostenverlaging), omdat hierdoor de
positie van bier tegenover alle andere goederen sterker

zou worden. Ongetwijfeld zal hier de lang verbeide accijns-
verlaging volgens het Benelux-unificatiewetsontwerp een

rol kunnen spelen (voor zover niet benut voor prijs-
verlaging zal dze lastenvermindering tdch bijdragen tot

een directe en zeer noodzakelijke rentabiliteitsverbetering).

Men kan het probleem van de verhruiksdaling ook van

een geheel andere kant benaderen, door, de oorzaken in

meerdere of mindere mate bij het
\
bier zelf te zoeken.

Er wordt in dit verband gewezen op grondstoffengebrek
gedurende de oorlog (en in landen als Duitsland en Frank-

rijk ook na de oorlog), laag gehalte, smaakverandering,

enz. -Ongetwijfeld is de grote na-oorlogse verbruiksdalïng
in bijv. een land als Duitsland toe te schrijven aan geringe grondstoffentoewijzing en het daarmee verband houdende lage stamwortgehalte (1947: 1,7 pCt), terwijl daarentegen
de glasprijs meer dan 100 pCt hoger is dan de vooroorlogse,
waarbij o.a. de verhoogde accijns (Biersteuei’) een rol
speelt. De kosten van levensonderhoud zijn veel minder
gestegen, nl. met 60 tot 100 pCt, en de lonen nog minder,

nl. met slechts 10
6L
15 pCt (1948). Ten overstaan -van

deze feiten heeft een omzetdaling vaii hier niets verbazing-
wekkends meer. De daling in Engeland, die intussen in
absolute zin niet zeer groot is, wordt voornamelijk geweten
aan de beperking van het stamwcrtgehalte; dit is fl1.

vei’laagd van 1.040,78 (ca 10 pCt Plato) vôôr de oorlog
tot 1.038,18 (ca 8 pCt Plato) thans. In Nederland valt
echter het merkwaardige feit te constateren, dat het ver-
bruik is blijven daleti, hoevel het stamwortgehalte in
November 1947 weer op het vooroorlogse peil van 12 pC

is gebracht.
Wat de smaakverandering betreft moet men wèl onder-

scheiden tussen smaakverandering van het bier zelf en
van het publiek. In het laatste geval b’estaat er bij de
ondernemers vaak een zekere onwil om zich bij die wijzi-
ging aan te passen, vooral als de producent zelf meent,

dat de eventuele verandering het product, uit vakmans-
oogpunt bezien, zou ,,bederven”. Op de technische aspec-
ten van dit vraagstuk zullen wij niet ingaan; slechts het
volgende zij nog opgemerkt. De ondernemer produceert
nu eenmaal niet voor zichzelf, maar voor de markt en zal

derhalve nauwlettend acht moeten geven op wijziging
in de verlangens van alle of een deel der consumenten.
1-let is wel interessant om hier te wijzen op de ontik-
keling in Amerika; sinds 1935 heeft men daar het hop-verbruik – hop wordt gebruikt wegens zijn bitterkracht –
per hl verlaagd van 273 gram tot 179 gram in 1947.
Ei’ wordt wel eens betoogd, dat het opgroeiende ge-
slacht niet in de gelegenheid is geweest om te leren (goed)
bier te drinken, ook al omdat jeugdige personen zich de
laatste jaren van de oorlog moeilijk in openbare gelegen-
heden konden vertonen. hier staat tegenover, dat bier
toch de hele oorlog door beschikbaar is geblôven. Ook een
vergelijking met het buitenland noopt tot reserve bij het trekken van conclusies. Zo gold bijv. van 1919 tot 1933
in de Verenigde Staten de ,,Prohibition Law”, volgens

welke slechts alcoholische dranken mochten worden
geproduceerd met een alcoholgehalte van minder dan een
half vôlume-procent. Na 1933 herstelde het hierverbruik
in het land der sportbeoefening par excellence zich in vrij
snel tempo, in 1984 bedroeg het reeds weer 39,6 1 per
hoofd, waarna het geleidelijk is blijven stijgen. Daarbij
komt nog de voor het bierverbruik waarschijnlijk tiiet

bevorderlijke factor van iret limonadeverbruik, dat vooral

in het prohibitietijdvak is opgekomen en in 1947 45 liter

per hoofd bedroeg, waarvan 60 pCt cola-dranken. Boven-

dien werd nog per hoofd een respectabele hoeveelheid
koffie (200 liter) en melk (180 liter) gconsumeerd. De

gedistilleerd-consumptie in de Verenigde Staten is even-

eens vrij hoog, maar beweegt zich niet in stijgende lijn,

zoals blijkt uit de volgende cijfers: 1937: 3,1 liter per

hoofd; 1940: 3,1; 1946.: 4,2; 1947: 3,8; 1948: a,5 liter.

Hier staat tegenover de intensieve reclame, die in de
Verenigde Staten wordt gemaakt voor, het bier, waai’bij

ook de vrouw wordt betrokken (evenals dat in de twintiger
jaren bij de sigarttenreclame het geval was). Men wijst
er bijv. op, dat bierdrinken niet nadelig is voor de slanke

lijn; bovendien kunnen de dames het gerstenat nuttigen
uit sierlijke, kelkvormige glazen. –

Tenslotte willen wij nog een factor vermelden, die wel-
licht ook een rol van enige betekenis speelt met betrekking

tot de bierconsumptie, nI. het verbruik van vlees, dat

men in dit verbtnd als complementair goed kan be-

schouwen. Het vleesverbruik bedroeg in 1938/39 40,1 kg,
doch werd na de oorlog gehalveerd, zoals blijkt uit de
volgende cijfers: 1946: 21,2 kg, 1947: 23 kg en

1948: 20,5 kg. Ter vergelijking zij hier even genoemd het
Amerikaanse vleesverbruik in 1949, dat 145,3 lbs . 0,45
kg bedroeg (het indexcijfer voor het visverbruik bedroeg. daarentegen in 1949 120).

Al met al lijkt ons het toekomstbeeld voor de Neder-
landse’ brouwindustrie volstrekt niet ontmoedigend, te
meer daar de verbruiksdaling thans tot staan gebracht schijnt te zijn. De inhaalvraag, de behoefte aan sterke prikkels, de zeer hoge prijzen voor tabaksartikelen en
andere tot nog toe .geprefereerde goederen zijn wellicht tijdelijke verschijnselen. Door doeltreffende reclame en
aanpassing van hun product aan de uiteenlopende be-
hoeften der consumenten zullen de brouw’erijen vermoe-
delijk iQ staat zijn het verloren terrein te heroveren.

Amsterdam.

Drs H. HOELEN.

PRODUCTIEREGELING IN DE

BAKSTEENINDUSTRIE,

1.

Tengevolge van de grote oorlogsschade, die de Neder-
landse baksteenindustrie direct en indirect heeft geleden,
is de productie van de straatsteen- en metselbaksteen-
industrie in de jaren 1945 t/m 1948 belangrijk onder het
vooroorlogse niveau gebleven. Eerst in 1949 is het produc-
tiepeil van 1938 bereikt. Een en ander moge blijken uit
de volgende tabel:

Productie

Metselbak-
Jaar

,
Straatsteen

(in mln stuks waalformaat)

1938

…………………….
385

1.045
..
1945

…………………….
8,5

91,3
1946

……………………

20
.1

544
1947

…………………….
288

720
1948

………………………
370

950
1949

…………………….
460

1.050

De baksteen heeft dan ook in de na-oorlogsjaren tot de schaarse artikelen behoord en het is uitsluitend te danken

aan, de omstandigheid, dat de met de baksteen comple-
mentaire productiefactoren evenmin in voldoende mate,
aanwezig waren, dat het tekort geen grote afmetingen
heeft aangenomen
1)
,
– –

‘) Het kwantum van het tekort behoeft niet groot te zijn om met
betrekking tot een artikel als baksteen het Idee van nijpende schaars-
te te wekken. Dit verschijnsel heeft zich in de laatste jaren hij vele producten voorgedaan, die aanvankelijk schaars waren; na een vrij
geringe verhoging van het aanbod bleek de markt veelal onverwacht
snel te zijn verzadigd.

254

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

29 Maart 1950
Het opschrift van dit artikel zal na deze uiteenzetting

bevreemding wekken, daar toch het woord productie-

regeling de wenselijkheid van productiebeperking sugge-

reert. Een feit is echter, dat in sommige rayons de tas-

velden yan de steenfabrieken nu en dan weer voller staan

dan de fabrikanten gewenst achteh en dat deze zich af-
vragen, of deze na de oorlog ongekende voorraden het
gevolg zijn van een tijdelijke inzinking van de vraag, bijv.
door seizoensinvloeden, dan wel of daaraan blijvende oor-

zaken ten grondslag liggen. Deze vraag is uiteraard ook
van belang voor de banken, die door de verlening van cre-
dietenbij de steenindustrie zijn geïnteresseerd. De triestige

ervaringen, die de steenfabrieken en haar finariciers in de
depressiejaren hebben opgedaan, doen eveneens de vraag
rijzen, welke maatregelen in verband met de (tijdelijke of
blijvende) overproductie kunnen worden genomen.

De baksteen is een massaproduct, dat niettemin tal
van soorten omvat. In de bovenstaande tabel is reeds

onderscheid gemaakt tussen s traatsteen- en metselbaksteen-

industrie. 1-Jet product van beide bedrijfstakken vertoont

op zichzelf echter weer een grote verscheidenheid. V66r
de tweede wereldoorlog kenden sommige metselstenfabrie-
ken 40
t
50 sorteringen. Voor ons betoog is het echter ge-

oorloofd de metselbaksteen in twee groepen, gevelsteen

en binnenmuursteen, te verdelen en de straatsteen als een
homogeen product te beschouwen.

Wij zullen nu voor de drie hoofdsoorten baksteen in het
kort de marktvooruitzichten nagaan.

Straatsteen.

De productie heeft in 1949 ca 460 rrin stenen w.f. be-dragen, welke h’oeveelheid beslist onvoldoende was om

aan de vraag te beantwoorden. Daar niet mag worden

verwacht, dat de productie in dë volgende jaren belangrijk
zal toenemen en er geen aanleiding bestaat een daling
van de vraag te verwachten, is een overproductie in deze

sector van de steenindustrie voorshands niet waarschijnlijk.

Gepelsteen.

De behoefte aan metselsteen wordt voor de eerstvol-
gende 30 h 35 jaar geschat op 2.000
,
a
2.400’mln stenen
w.f. pei jaar, waarvan 900 . 1.100 mln hinnenmuursteen
en 1.100 A 1.300 mln gevelsteen. 1-Jet laat zich aanzien,
dat in het productiejaar, lopende van 1 April 1949 tot 31
Maart 1950 ca 1.200 mlii metselbaksteen w.f. zullen wor-
den vervaardigd, waarvan ca 950 mln gevelsteen en ca 250

mln binnenmuursteen. Deze productie, die bevorderd is
door uitzonderlijk gnnstige weersomstandigheden in het
droogseizoen April—September 1949, mag met het tegen-
woordige productie-apparaat als een topproductie worden
beschouwd. Zolang de bestaande wanverhouiding tussen
het peil van de investeringskosten en dat van de opbrengst-
prijzen in de steenindustrie gehandhaafd blijft, kan niet
worden verwaëht, dat zonder bijzondere financiële facili-
teiten van de Overheid nieuwe steenfabrieken zullen wor-
den gesticht. Bovendien zullen over enige jaren door uit-
putting van haar kleivoorraden
2)
geleidelijk meer steen-
fabrieken gedwongen w’orden de productie te staken.

Voorlopig moet dan ook met een tekort aan gevelsteen
worden gerekend, ook al zou men er in slagen een verschui-
ving in de productie van binnenmuursteen naar buiten-
muursteen tot stand te brengen (zie onder).

Binnenmunrrsteen.

De behoefte aan binnenmuurteen wordt voor de vol-
gende decennia geschat op 900 â 1.100 mln. Op het gebied

2)
Men zou deze kleivoorraden kunnen onderscheiden In de hoe-
veelheid klei, die de steenfabrieken op de weilanden, die zij in
eigendom .resp. in afticheling hebben, ter beschikking hebben, en
de hoèveelheid klei, die cle steenfabrieken ter beschikking kunnen verkrijgen door aankoop of pacht van nieuwe ticheigronden. De in
verschillende provincies ontworpen ontgrondingsbepalingen dreigen
zowel de actuele als cle potentiële voorraden te beperken en daardoor,

het moment van stillegging van fabrieken door gebrek aan klei te
vervroegen.

van de binnenmuursteen ondervindt de baksteenindustrie
• concurrentie van de kalkzandsteenindustrie.

De productie van de kalkzandsteenindustrie heeftin

1949 naar schiitting 530 mln bedragen. Deze industrie heeft
onlangs besloteii van het enkele op het dubbele ploeg-
systeem over te gaan. Dit betekent weliswaar niet een ver-
dubbeling van de productie, maar heeft toch wel een dus-

danige vergroting van het aanbod vai kalkzandsteen ten
t

gevolge, dat dit aanbod, tezamen met do productie van bin-

nenmuursteen, die ca 250 mln stuks per jaar beloopt, de
geschatte behoefte dekt.

1-Jet ligt dus, op grond van deze gegevens, voor de hn,d,
dat hij binnenmuursteen eerder een stadiui

fi
van overpro-
ductie kan worden verwacht dan bij de andere soorten
steen.

De conclusie uit het voorgaande is, dat, indien zich

bijzonder grote voorraden straatsteen en gevelsteen zouden

voordoen, deze voorlopig aan tijdelijke inzinkingen van

de vraag moeten worden toegeschreven, doch dat grote
voorraden binnenmuursteen het gevolg kunnen zijn van
een blijvende overproductie. De bovenstande conclusie

betreffende de afzetmôgelijkheden van de di’ie soorten

baksteen is gebaeerd op toekomstverwachtingen. Fouten

in deze verwachtingen zijn waar.schijniijker naarmate men
het oog richt op een verder verwijderde toekomst. Wij
zullen daarom bij de behandeling van de vraag, welke

maatregelen in geval ian een langdurige overproductie

moeten worden getroffen, de straatsteen en de gevèlsteen

méde in onze beschouwingen betrekken, hoewel voor deze
producten slechts actueel schijnt te zijn, welke maatregelen
in geval van een tijdelijke inzinking van de vraag moeten
worden genomen.

Aan de beantwoording van deze vragen dient nog een

analyse van de structuur van het aanbod van en de vraag
naar baksteen vooraf te gaan.

Het aanbod.

De baksteen wordtvri1wel niet op bestelling, doch v6or-

namelijk op voorraad geproduceerd. lIet aanbod is inver-
band met de eenzijdige gebruiksmogelijkheid van de

outillage en de structuur van de productiekosten onelas-
tisch. 40 â 50 pCt van de productiekosten wordt gevormd
door de vaste kosten, een gering deel van de variabele kos-
ten is proportioneel variabel, de overige variabele kosten
hebben een discontinu verloop. De kosten van arbeid en

brandstof zijn binnen vrij grote grenzen onveranderlijk.
De productie is door de geschetste opbouw van de kostprijs
eerst bij. een hoge bezettingsgraad lonend, hetgeen men

veelal aldus uitdrukt, dat de laatste riil1ioenen steen de
winst aanbrengen. 1-let gevolg hiervan is het verschijnsel,
dat zich voordoet in elke bedrijfstak, waarin de vaste en
semi-vaste kosten een grote rol spelen: op een daling
valt
de prijs wordt door de individuele producenten
niet gereageerd met een verkleining van het aanbod, maar
zo mogelijk met een vergroting daarvan.

De Praag.

Deze vertoont korte fluctuaties, als gevolg vanseizoens-
invloeden en andere bijzondere omstandigheden, en een
zeer geprononceerde conjunctuurbeweging. De vraag naar
straatsteen en binnenmuursteen is in verband met de
concurrerende substitutie-artikelen elastischer dan die naar
gevelsteen. De gevelsteen vindt weliswaar toenemende
mededinging van beton, doch in de woningbouw is deze
mededinging nog van weinig belang. Verschillende bouw-
systemen,die gebruik maken van betonnen muurelemen-

ten, passen bovendien een bekleding van gevelsteen toe.
Het aandeel van de steen in de totale bouwkosten is gering,
hetgeen de elasticiteit van de vraag naar steen eveneens
vermindert. Indien de vraag hij een bepaalde prijs van
de baksteen geringer wordt (de vraagschaal zich naar
links verplaatst) en de afzet dientengevolge terugloopt,

29 Maart 1950

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

255

zal de afzet niet tot de oude omvang kunnen worden her-

steld door een verlaging van de prijs
3).

De geringe elasticiteit zowel van vraag als aanbod
leidt tot een voortdurende afwisseling van overproductie

en onderproductie, indien de capaciteit van het productie-
apparaat ongever gelijk is aan de gemiddelde vraag, en

tot een periodieke terugkeer van overproductie, indien

de productiecapaciteit overeenstemt met de maximum-

‘omvang van de vraag
4
).

Daar de omvang van de vraag voor een groot deel door de Overheid wordt bepaald resp. wordt beïnvloed, zal een
anti-cyclische budgetpolitiek een grotere stabiliteit van
de vraag en de bedrijfsdrukte in de steenindustrie tot stand kunnen brengen. 1-let is echter ook mogelijk, dat eeri dus-

danige politiek niet een vervlakking van de vraag, doch
een verplaatsing van de hoogte- en diep tepunten tengevolge
zou hebben. Ook indien men dus vertrouwt, dat de theorie

van de compenatoire budgetpolitiek ‘van de Overheid in

de praktijk zal worden toegepast, dan nog moet de steen-
industrie, behalve met korte inzinkingen van de vraag,
met de mogelijkheid van het optreden van langdurige

perioden van overproductie rekening houden en zich

afvragen,
01)
welke wijze in die omstandigheden het aanbod
aan de vraag moet worden aangepast.

Aanpassing van /it aanbod aan korte fluctuaties van de vraag.

Wij hebben gezien, dat de vraag fluctuaties vertoont als
gevolg van seizoensinvloeden en andere gedurende korte
tijd geldende omstandigheden. indien een deel van de
steenfabrikanten op een korte inzinking van de vraag
reageert met een verlaging van dli prijs, dan kan dit een
gevolg zijn van twee omsiandigneden:
de fabrikant heeft een onvoldoendè overzicht van de

markt;

zijn financiële positie is te zwak om enigszins grote

voorraden te financieren.
Een informeel kartel, dat zich belast met het verrichten
van marktanalyses, zou aan de onder a. genoemde omstan-
digheid tegemoet kunnen komen. De vrij geringe bedrijfs-
grootte, die de steenfabnieken door historische en teclini-
sche oorzaken beziiten maakt een dergelijae differentiatie

van een deel van de commerciële functies noodzakelijk. De
zwakke financiële positie, waarin vele steenfabrieken ver-
keren, kan volledige differentiatie van de verkoopfunclie vereisen. De verkoopkantoren, die de financiering van de
voorraden overnemen en door grotere soliditeit en omvang

op gunstiger voorwaarden crediet kunnen verkrijgen dan
de afzonderlijke fabrieken; ontlenen hieraan voornamelijk
hun bestaan. Van de vier verkoopkantoren in de steen-
industrie, die in 1928 bij de enquête naar de kartellening
in’ Duitsland werden onderzocht, beschouwden drie de

credie tverlening als hun belangrij kste functie.

liet optreden van de verkoopkantoren hier te lande
heeft de pnijsfluctuaties op korte termijn ongetwijfeld ook op directe wijze gematigd en tot een meer uniforme prijs-
vorming geleid. Indien echter het product niet voldoende
uniform is of dnvoldoende scherp kan worden geciassifi-
ceerd, moet de prijsbepaling aan de inzichten van de indi-
viduele fabrikanten worden overgelaten en moet heL
verkoopkantoor zich bepalen tot credietverlening
5)
en’

liet informeren jover de marktvooruitzichten.

‘) Bij deze beschouwingen hebben wij gemeend hij wijze van be-
nadering van cie eiasticiteit van cle vraag Le mogen spreken, hoewel
de elasticiteit – zoals bekend – slechts hij uitzondering voor alle
gedeelten van de vraagcurve gelijk is.
‘) De periodieke oerproduc1ic is van ouds een aan de steeniri-
clustrie immanent verschijnsel. Men vergelijke: Mej. B. W. van der
Kloot Meijburg-. ,,Een productiekartel in de Hollandsche Steen-
industrie in cie zeventiende eeuw” in Economisch-Historisch Jaar-boek, Tweede Deel.
‘) In verband met dé veelvuldige en sterke prijsfluctuaties van
de baksteen is deze credietverleniiig niet zonder gevaar.

De aanpassing van het aanbod aan langdurige fluctucties

pan de vraag.

Bij een langdurige inzinking van de vraag kan de aan-

passing van het aanbnd niet door opslag geschieden. Aan

voorraadvorming zijn immers zodanige kosten \’erbonden,

dat deze politiek niet rationeel zou zijn. Evenwicht is
derhalve slechts te verkrijgen door vermindering van de

productie, waarbij onderscheid moet worden gemaakt tus-

sen een vermindering van de totale productie van bak-
stenen en een verschuiving in de samenstelling van de

productie, die dus bestaat uit ten vermindering van dc
productie van een of meer soorten baksteen en een ver-
groting van de productie van een of meer andere soorten.

Aanpassing door verschuiving in de productie.

Wij hebben in het voorgaande betoogd, dat de outillage
van een steenfabriek slechts zeer beperkte aanw’endings-

mogelijkheden bezit. De gebruiksmogclijklieid is echter
niet zo eenzijdig, dat productiedeviatie
8)
volleaig is uit-
gesloten. Om te kunnen bepalen in hoeverre productie-
‘deviatie mogelijk is, is het, nodig, enigermate op de hak-

techniek van de steenindustrie in te gaan.
De Nederlandse baksteenindustrie heeft 3 typen ovens
in gebruik: de kamerringoven met overslaande vlam (in
het spraakgebruik ten onrechte vlamoven geheten), de

ringoven en de veldoven. De kamerringoven met over-
slaande vlam levert normaal in hoofdzaak straatsteen en
slechts voor een klein perc’entage metselsteen, de ringoven
produceert ca 85 pCt gevelsteen en -15 pCt binnenmuur-
steen, de productie van de veldoven bestaat voor ongeveer
gelijke delen uit straatsteen, gevelsteen en hinnenmuur-
steen. Een verschuiving van de productie van straatsteen
naar gevelsteen en van gevelsteen naar binnenmuul’steen
is zonder wijziging van de outillage mogelijk, een verschui-
ving in de omgekeerde richting kan in veel beperkter mate
en alleen door een verandering van een deel van de outillage
worden tot stand gebracht. Bij de veldovenbedrijven, die
overigens aan het uitsterven zijn, is productiedeviatie
uitgeslotën. Wij zullen thans aanduiden, welke verscliui-
vingen in de productie in principe mogelijk zijn.

1. Indien de vraag naar straatsteen vermindert en de vraag naar geelsteen groot is, kunnen de kamerringovens met
overslaande vlam op metselsteen overgaan.
De bezwaren; die hieraan zijn verbonden, zijn niet van
overwegende aard:
de brandstôfkosten van een vlamoven, die
01)
metsel-
steen wordt gestookt, zijn hoger dan de kosten van een
ringoven, die ook op metselsteen wordt gestookt,
doch het percentage zeer goede kwaliteiten geveU-
steen, dat men van de kameiringoven met over-
slaande vlam verkrijgt, is veel hoger dan bij de
ringoven;
bovendien is de productie van een kameri’ingoven
met oveislaande vlam, die mèn op metselsteen stookt,
11
3
hoger dan wanneer men deze op straatsteen
stookt. Uiteraard kan deze vergroting van de pro-
ductie alleen dan ten volle worden bereikt, als de
prestatie in de andere productiestadia evenredig kan.
worden verhoogd;
een straatsteenfahriek, die dik- c.q. keiformaat maakt
moet op waalformaat overschakelen,, doch dit is
venmin een groot bezwaar.

2. Indien de vraag naar metselsteen vermindert en die
naar straatsteen groot is, kunnen de goede ningovens
tot quasi-vlamovens worden omgebouwd en kan een
redelijk resultaat worden verkregen. De capaciteit van
de ringoven is dan aanzienlijk kleiner, terwijl de capaci-
teit van de overige productiefasen relatief te groot is,

‘) Voor het begrip productiedeviatie, waarmede aangeduid wordt
de afwijking van de productie, waarvoor het bedrijf technisch en
bedrijfseconomisch is georganiseerd, zij verwezen naar Prof. Dr J.
\Visselink: ,,lnciustrleele trusts en’k’artels – productiedeviatie” in
,,De Econoinist”, 1929.

256

ECONOMISCH-STATI&TISCHE BERICHTEN

29 Maan 1950

8. Dezelfde’ maatregel kan .bij de ringoven worden

gen
0-

men, indien men de verhouding ib de ovenuitkomst

tussen gevelsteen en binnenmuursteen wenst te ver-

beteren. Ook in dit geval wordt de capaciteit van de

oven aanzienlijk kleiner en de outillage van de overige
productiefasen te groot.

4. Vermincl’ert de vraag naar buitenmuursteen, dan zouden de ningovens op binnenmuurstenen kunnen overschake-

len. Deze mogelijkheid doet zich echter alleen voor, als

de baksteenindustrie
op
de andere aanbieders van

binnenmuurstenen (kalkzands teenindustrie en import)

zonder grote prijsverlaging een deel van de markt kan

veroveren. Een dergelijke productiedeviatie is 20 jaar

geleden onder vigueur van het Extra-Rood contract

toegepast, waarbij, de ringovens haar normale percen-

tage binnenmuursteen (rood) verhoogden. Men ont-

moette daarbij de mededinging van de kalkzandsteen-

industrie en van de Belgische steenfabrieken, die bij

lagere temperatuur sinterende klei verwerken, een pro-

ductie-apparaat hebben, dat veelaleer op de productie
van ,,zachte” stenen is ingesteld en o.a. daardoor aap-

zienlijk lagere productiekosten hebben: De opbrengst,
die de Nederlandse ringovenbedrijven voor het ,,rood”
verkregen, was dientengevolge onvoldoende. Om toch

tot een voldoende totale geldopbrengst te komen, be-
perkte men de prôductie van gevelsteen zo sterk, dat

hierin een kunstmatige schaarste werd veroorzaakt en

de vestiging van nieuwe steenfabnieken, die zich niet

bij het Extra-Rood contract aansloten, werd aange-
moedigd.

Is productiedeeiatie thans gewenst?

Het is te voorzien, dat, indien de productie van

binnenmuursteen . inderdaad de vraag gaat overtreffen,
de veldovenbedrijven een moeilijke tijd tegemoet gaan,
tenzij bijzonder hoge prijzen voor gevelsteen en straatsteen
voldoende compensatie, zouden bieden: Laat de Over-

heid de prijsvorming van baksteen niet vrij, dan is zulks

niet te verwachten. De ringovenbedrijven zullen alsdan om dezelfde reden verstandig doen hun productie van binnen-

muurstenen tot een zo klein mogelijk percentage van de

ovenuitkomsten te beperken. Daartoe zal het veelal nodig
zijn de oven te verbouwen of, hetgéen in het algemeen

juister is, te vervangen door een vlamoven (mits men uiter-
aard nog voor een lange reeks van jaren over klei kan be-

schikken)
7).

‘s-Gravenhage.

P. L. VAN DER VELDEN

‘)
In een tweede artikel zullen
wij
de aanpassing van het aanbod
bespreken door vermindering van de productie van een
of
meer
soorten baksteen zonder dat deviatie naar andere soorten mogelijk is.

AANTEKENING.

EUROPESE ECONOMISCHE ITNTEGRATIE.

Op
7
Maart 1950 heeft Z.Exç. Prof. Mr P. Lieftinck
Minister van Financiën, te Brussel voor de ,,Société
d’économie politique de Belgique” eenrede gehouden over

bovenstaand onderwerp. Het onderstaande is aan deze
rede ontleend.
Van het nog jonge begrip Europese economische inte-
gratie laten zich drie concepties denken.

T. De aanvaarding, in groter of kleiner Westeuropees
verband, van volledige economische vrijheid in het inter-

nationale handels- en betalingsverkeer of, iets minder
absoluut gesteld, de opheffing van alle kwantitatieve
handels- en deviezenrestnicties en een verlaging van de
douanetarieven tot een zodanig peil, dat zij geen zware
belemmering meer vormen voor de uitwisseling van’ goe-
deren. Deze coiiceptie zou de oud-liberale of 19e eeuwse
kunnen worden genoemd. Zij negeert geheel twee voor-

name verschijnselen: de particuliere econömische machts-

vorming en de sociale welvaartspolitiek der regeringen,

waardoor zij zich, in economisch-politieke zin, kenmerkt

door een zuiver negatieve oriëntering.

De tweede conceptie, die men in het laatste rap-

port van de O.E:E.C. kan aantreffen, kan het best worden

aangeduid als de conceptie van de 20e eeuwse ,,marché

unique”: één uniforme markt’ in West-Europa, dus op-

heffing van de beperkingen van het internationale handels-

en betalingsverkeer en daardoor herstel van een rationele

inter-Europese arbeidsverdeling. Tot zover stemt zij

met de voorafgaande opvatting overeen. Maar in tegen-

stelling daarmede wordt door haar het bestaan van èen

ociale welvaartspolitiek in de verschillende landen erkend

en aanvaard. 1-lieruit volgt, dat haar economisch-politieke

oriëntering een positief karakter moet dragen. In het

algemeen zal er naar moeten worden gestreefd om de

voordelen van internationale specialisatie eh internationale

concurrentie te verwezenlijken met vermijding van werk-

loosheid en -economische onzekerheid. Hiertoe zal een

voldoende mate’ van coördinatie in ‘de nationale’ fiscale
en monetaire politiek van de regeringen der samenwer-
kende landen moeten’ worden verzekerd en. een centrale

deviezenreserve moeten worden geschapen.

De derde conceptie is die van een Europese

economische integratie door een .supra-nationale Plan

Autoriteit. Dit denkbeeld van centraal en planmatig

geleide Westeuropese economie heeft vooral in socia-

listische kringen veel aanhangers gevonden.

Ad I.
Toegepast op de voørgestelde economische
integratie van de 18 O.E.E.C.-landen leidt deze conceptie

tot de aanvaarding van een stelsel van onderling volledig
vrij handels- en betalingsverkeer, ontdaan van alle kwan-
titatieve restiicties en ongestoord door douanetarieven

en heffingen. De industriële en agrarische structuur – als-
mede de inkomstenverdeling worden in deze opvatting

geheel aan het dictaat der marktprijzen onderworpen.

Treedt een ongunstige conjunctuur in, dan mist elk der

landen in het onderling verkeer het middel der handels-
politieke bescherming. Voeren sommige landen in zulk

een gev’al een actieve conjunctuurpolitiek, gericht op
werkloosheidsbestrijding, en laten de andere landen zulks
na, dan leidt dit op den duur tot een verstoring van het

evenwicht der betalingsbalansen, waarvo’ör een monetaire
aanpassing dan de enige rem3die is. 1-let peonomisch leven
in de groep wordt op deze wijze geheel afhankelijk van
het automatisme der economische krachten. De oude
leerstelling, dat non-in terventie het economisch optimum

brengt, is echter practiscl’i en theoretisch onhoudbapr
gebleken, terwijl ook de riastrevenswaardigheid van het
economisch optimum zelf in geding is gebracht. De een-
zijdig materialistische inhoud ervan wekt geen onverdeelde
bevrecliging meer. Tussen welzijn en welvaart is een kloof
ontstaan. Bredere en diepere doel;tellingen dan voorheen
beheersen het economi3ch en sociaal-politieke streven.

-Ad II.
Ook in de tweede concept.ie wordt de markt-
prijs ten troon verheven als regulateur van de interna-
tionale arbeidsverdeling binnen de groep, zodat boven-
staande critiek ook hier van toepassing is. De economisch-
politieke ‘oriëntering van deze tweede opvatting draagt

echt’er, in tegenstelling tot de eerste, een positief karakter.
Vandaar ook, dat zowel in het interieur van de groep als
bij het gezamenlijk optreden naar buiten een coördinatie
noodzakelijk is. Samenverkiig op het gebied van de
investeringen om een rationele arbeidsverdeling te be-
vorderen, samenwerking ook op het gebied van de fiscale
en ,monetaire politiek om het ‘meest fiindamen tele econo-
mische evenwicht, nI. dat tussen de werkgelegenheid en het aanbod van productieve krachten binnen de groep te

verzekeren.
Het is duidelijk, dat, hoe meer landen in de samen-
werking worden betrokken; hoe moeilijker het zal zijn

-,v

29 Maart 1950

.
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

257

om te geraken tot een gemeenschappelijke formulering

der doelstellingen en tot een gezamenlijk vaststellen der

methoden. De ervaringen van de samenwerking in Bene-
lux-verband spreken in dit opzicht duidelijke taal. In

de meer omvattende groepering der O.E.E.C.-landen
lijkt het vooralsnog niet. waarschijnlijk, dat men verder

zal kunnen,komcn dan een afspraak, waarbij elk land

zich jegens de andere verplicht, investeringen achterwege

te laten,\die de gezamenlijke productiecapaciteit oneven-

redig en op een vooi een gezonde concurrentie schade-

lijke wijze zouden vergroten, zich van een fiscale politiek
te onthouden, die een te grote ongelijkheid van kansen
schept en geen monetaire politiek te voeren, die de andere

landen van de groep in een inflatie of een, deflatie kan
brengen of kan noodzaken tot een wederinvoering van

beperkingen van het handels- en betalingsverkeer.
Het is ongeveer indeze geest, dat het regime voor de

O.E.E.C.-landen is ontworpen. Dit regime biedt, althans

voor zover het in werking treedt, een garantie tegen een unilateraal instellen van invoerbeperkingec en tegen het
,voeren van een monetaire politiek, die het evenwicht

van enig land der groep in gevaar brengt. Zodoende ver-

schaft het de
mogelijkheid
om te komen tot een gecoör-

dineerde conjunctuurpolitiek. Zonder het in het leven
roepen van enig centrum van sura-nationaal gezag,
blijft liet echter zeer de vraag, of deze n’iogelijkheid zal

worden gerealiseerd.

Ad III.
De derdew conceptie betekent, evenals de

eerste, een negering van het economisch nationalisme; niet echter om binnen de geïntegreerde groep een sfeer

van economis’che vrijheid te scheppen, maar om een regime
onder centrale leiding te vestigen, dat over het gehele territoir van de ‘groep een planmatige organisatie van
het economisch proces wil verwerkelijken. In de eerste

periode’ der O.E.E.C. heeft men getracht door een samen-
voeging van door elk der deelnemende landen autonoom
opgestelde plannen te komen tot een supra-nationaal ,,long term”-programma met als doel: de ,,viability”.
van de groep tegen het einde van de Marshall-periode te
verzekeren. Deze poging is mislukt, daar het zonder op-
offering van souver&niteit onmogelijk bleek ‘dc nationale plannen te coördineren.

Van deze drie concepties is de eerstenaanvaardbaar,
omdat zij de marktprijs als arbeids- en inkomensverdeler
hinnen-‘de groep. tot dictator verheft. Ook de tweede
conceptie lijdt aan dit bezwaar, zij het ook, dat zij ten
dele op een andere pijler steunt, die, al is het een zwakke,

toch een, constructieve bijdrage levert tot de oplossing
van het probleem der Europese economische integratie. Het beginsel van het ontzien van elkaars belangen, hoe-
wel nog onvoldoende uitgewerkt, en het stelsel van multi
laterale credietverlening, hoe zeer ook tot monetaire ere-
dieten beperkt, vertegenwoordigen even zovele ophou-
wende elementen. De derde conceptie is vooralsnog on-
verwezenlijkbaar.
** –
*

Laat zich wellicht een vierde conceptie denken? Zou
het mogelijk zijn de nationale economieën der Westeuro-
pese landen aan elkander aan te passen en op efficiënte
wijze te laten ineenvloeien zonder deze economieën te
onderwerpen aan het dictaat, hetzij van dé piijs, gevormd
op een internationale ,,marché unique”, hetzij van een
cen.trale-planinstantie met supra-nationale bevoegdheid?
Prof.’ Wilhelm Röpke ontkent deze vraag in een kort
geleden uitgebracht rapport over de integratie van Europa
uitdrukkelijk. De centrale gedachte van dit rapport
‘kan als volgt worden samengevat•. ,,internationaal geleide
economie is een illusie; daarom is de aaneensluiting van
Europa uit de vrije wil van volken slechts dan te ver-
wezenlijken ‘als de markteconomie overheerst”. Een
tussenliggende oplossing is er volgens Prof. Röpke niet.

Zelfs de concessies aan de wens naar ,,full employment”

en economische zekerheid, die aan vorengenoemde tweede

conceptie haar’ dualistisch karakter geeft, worden door

Prof. Röpke verworpen.
1-let strakke alternatief, door Prof. Röpke gesteld, acht

Minister Lieftinck werkelijkheidsvreemd en onvruchtbaar.

De zgn. marktedonomie, U. het stelsel, waarin de vrije

marktprijs als regulateur der voortbrenging en als distri-

buteur der inkomens functionneert, is m.n. in de West-europese landen meer een theoretisch denkschema dan

een getrouwe afspiegeling der werkelijkheid geworden.

Wegens de beperkte verplaatsbaarheid der productie-
factoren en met het oog op de politieke di’uk, die geves-
tigde belangen in staat zijn te ontwikkelen, houdt men

bepaalde takken van voortbrenging en productie in stand,

die aan een vrije marlceconomie zekei’ ten prooi zouden
vallen. Op grond van de verdelende rechtvaardigheid,

maar ‘ook uit hoofde van minder hoge motieven, worden

bepaalde inkomensvormen en inkomsten veilig gesteld
en als onaantastbare kostprijsfactoren aan’aai’d; die

in een vrije mai’kteconomie stellig niet lang zouden worden

genoten.
Naast directe overheidsinvloed speelt de invloed der

geoi’ganiseerde economische macht in al deze zaken een
rol van toenemende betekenis. De bedrijfsorganisatie
ontwikkelt zich met reuzenschreden als productieregu-
lerende , en inkomensdistribuerende factor. Onder de

inwerking van ‘deze verschijnselen is de markteèonomie,

zelfs in de Verenigde Staten, wel enigermate aan het vér-

bleken.
De ontwikkeling van de werkelijkheid blijkt in een
groot deel der wereld juist tussen de beide alternatieven
van Prof. Röpke door te gaan. Het is een illusie de markt-economie integraal te willen herstellen.

Vruchtbare actie, op een Europese economische intê-
gratie gericht, zal vÔôi’ alles rekening moeten h’ouden met
de nationaal-politieke werkelijkheid, d.w.z. met het be-
staan in de •’Westeuropese landen van een democratisch
gefundeei’de economisôhe en sociale pôlitiek, die een ge-
trouwé reflexie vormt van de omstandigheden, waarin
de volkendier landen verkeren en van de doelstellingen,
waarmede het hun ernst is. Die omstandigheder en doel-
stellingen zullen duidelijk moeten worden omschreven en

een poging zal moeten worden gedaan om, ter zake van de
hoofdlijnen der economische en sociale politiek, die in
gemeenschappelijk, verband kunnen worden gevâlgd, een
maximum van overeenstemming te bereiken. Coör-
dinering van de essentialia van de nationale economische
en sociale politiek der ‘Westeuropese landen en een nauwe
samenwerking tussen hun regeringen, niet alleen op fis-
caal en monetair gebied, maar ook op het bredere terrein
der structuur- en conjunctuurheïnvloeding, lijkt een on-nisbare voorwaarde vôôr en een integrerend bestanddeel
van een Europese economische integratie. Zowel de doel-
stellingen als de methoden zullen – voor zoveel nodig –

daarbij op elkaar moeten woi’den afgestemd. Een ontzien
van elkaars belangen is onvoldoende; het gemeenschappe-
lijk belang zal in sarnenwei’king moeten woi-den gediend
en de sterkere landen zullen de zwakkere moeten helpen.

Naar dé mate
j
waarih deze beginselen worden aan-
vaard en de .consequenties daaruit worden getrokken,
zal de bevrijding -van het onderling verkeei’ volledigei’
kunnen worden. Dit betekent echter niet, dat in de groep
de markteconomie dient te overheèrsen. In het inter-
Europese kader behoeft zich slechts te herhalen, wat in
het nationale kader reeds tot verwezenlijking kwam.
Daarbij zal nuttig kunnen worden aangeknoopt bij de
intei’nationale mai’kt- en prijsi’egelingen, die voor een
aantal producten reeds gelden. Aan internationale he-
drijfsorganisatoi’ische samenwerking zal zo een belang-
rijke plaats kunnen worden ingeruimd.
Op deze wijze wordt de practische oplossing van het

258

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

29 Maart 1950

integatieprobleem van het volkshuishoudkundige niveau,

waarop men door het w’egnemen van de verticale scheids-muren, die tussen de nationale economieën zijn opgericht,

de ,,marché unique” tracht te vestigen, verplaatst naar

het bedrijfsorganisatorische niveau, waarop voor iedere

bedrijfstak afzonderlijk, horizontaal door Europa hee,

de geschikte marktvorm moet worden gevonden, die aan

de gedifferentieerde behoeften voldoet.

GELD- ÈN KAPITAALMARKT,

Dc geldmarkt.

Gedurende de afgelopen week vertoonde de geldrnarkt

een verdere verruiming.
In
dit gedeelte van de maand

vervallen nl. aanzienlijke bedragen schatkistpapier, zodat

de liquiditeitspositie der meeste geidgevers gunstig is. Een

gedeelte dezer middlen werd gebruikt om daarmede he-
leningen en voorschotten bij De Nederlandsche Bank qf te
lossen. Op Maandag 20 Maart was deze post dan ook 1 5

mln lager dan de week tevoren. Voorts versterkten de ban-
ken hun tegoed bij de circtilatiebank met
1
13 mln tot f 47

mln per 20 Maart. –

CaIlgeld was ruim verkrijgbaar en noteerde de gehele

week
3/4
pCt. De geldmarktnoteringen vertoonden voor de

korte termijnen een daling. Eénmaandspapier werd voor

1/
16
pCt aangeboden en voor
,
1/16
pCt gevraagd. Mei t/m

Julipapier noteerde 1
5
/ pCt-1
3
/
8
pCt. Voor 6 t/m 11

maandspromessen werd 1f pCt gçboden, terwijl zij op
17/16
pCt op de markt te krijgen waren.

Dc kapitaalmarkt.

Zoals uit de indexcijfers uit ohderstaand koerslijstje

duidelijk blijkt, gaf de aandelenmarkt de afgelopen week
over de gehele linie een niet onaanzienlijke daling te zien.

De geldzuivering in Indonesië gaf tot een flauwe stemming
voor Indonesische fondsen aanleiding. Wanneer men be-

denkt, dat een dergelijke geldsanering reeds sinds jaren

als onvermijdelijk is beschouwd, volgt uit deze gang van
zaken wel, dat ,,de” beurs bij deze gelegenheid even weinig
– blijk heeft gegeven een fijne neus te bezitten als vorig jaar bij de devaluatie van de Nederlandse gulden. De bezitters
van Indonesisch geld verkrijgen voor 50 pCt van hun geld

3
pCt Indonesische staatsobligaties, welke in 40 .jaar door
inkoop in annuïteiten zullen worden afgelost. In Indonesië

kwamen reeds noteringen op vrije markten voor deze
obligaties tot stand; deze bedroegen 50 pCt van de nomi-

nale waarde.

Dat grote industrialisatieprojecten in ons land voorshands
niet meer met particulier risicodragend kapitaal kunnen
worden gefinancierd, blijkt wel uit de plannen ter

financiering van de uitbreiding van het Floogovencorn-
plex, welke de afgelopen week werden gepubliceerd. De

nieuwe
NV.
Breedband, die hiervoor zal worden opge-
richt, zal in totaal 1135 mln kapitaal vereisen, waarin

de Staat voor f 65 mln aandelenkapitaal en
1
22 mln

winsthewijzen zal deelnemen. –

De rest zal door particuliere kapitaalverschaffers moeten
worden gefinancierd. Fletgeen wl zeer opmerkelijk is voor
een dergelijk kapitaalintensief bedrijf is het feit, dat dit

geschiedt in de vorm van
obligaties,
nl. f 20 mln hypo the-

caire leningen en 1 26 mln door de Staat gegarândeerde

leningen.

Aand. indexeijfers.


17 3Irt 1950
24 Mrt 1950

Algemeen

………………
158,3
154,3

1
lndustrie

………………..
220,9 216,8

Scheepvaart

………. . …….
152,2
148,8

Banken

………………….
129,6
127,5

Indonesische aandelen
63,2 60,0

Aandelen
17 Mrt 1950
.
26 Mrt 150

A.K.0.

………………..
‘178+
.
178

Philips

………………….
227
224f

Unilever

………………..
218f
214
H.A.L.

………………….
157f

1551

Amsterdam Rubber

………..
145
137+

H.V.A
.
………………….
145+
136
Kon.

Petroleum

…………
283+
278+

Staatsobligaties.

21 pCt

N.W.S.

…………..
.80/
811/16

3-31 pCt

1947

…………..
98/
16

98
7
f
16

3 pCt

Invest.certif
………..
/16
995/8

3 pCt Doilarlening
98/8

MEDEDELINGEN VOOR ECONOMISTEN.

Bij de Econlomische Faculteit van de Gementelijke

Universiteit te Amsterdam zal de heer J. Brummelkamp’

zijn lectoraat in Economische Aardrijkskunde aanvaarden

op Dinsdag 2 Mei a.s. om 16 uur.

STATISTIEIEN.

DE NEDERLAI’1DSCHE
BÂNK.

(Voornaamste po9ton
in
duiznden guldens).

4
1)
o

.a

0.)
n’-
,u
O
r.

3
.1)2
,

g
o

a.
o
O.
,

30

l)en.

’49
700.675
4.434.766
)0A

9)5
157.109
9744.151
13 Febr. ’50
883.012
82.608
669.641
157.363
2.957.260
20 Febr. 50
883.073
70.063
694.778
145.900
2.945.330
27 ,Fehr.’50
883.155
64.518
693.6831
174.043
3.006.642
6

itirt

’50 883.305
68.309
732.228
156.914
2.990.803
13 Mrt

’50
883.443
69.418 737.838
145.180
2.950.127
20 Mr)

’50
863.287
71.815
751894
140.584
2.919.603
27 Mr)

’50
882.436 66.356 778.063
151.530
2.931.604

Saldi in rekening courant

0)

5
Cd
0))

.a
;;.1.1.,
.a
0.14

)0,0.
_cI)
CO)-

30

Dec.
’46
1
13 Febr. ’50
528.253
692.602
1.947
.26.638
518.5121
357.454
20 Febr.50
521.546
714.261
1.944
27.960
487.8371
393.783
27 Febr. ’50
443.735
714.233
1.922
30.270
517.8371
404.068
6 Mr)

’50
414.472
770.039
1.916
30.508
539.516 381.477
13 31rt

’50
521.963 520.900
1.880
33.781
448.656
1

361.329
20 Mr)

’50
561.908
520.900
1.874
46.796
397.911
423.645
27 Mrt

’50 544.412
513.556
1.869
33.837
408.498J
453.298

FF.DERAL RESERVE IIANKS.

(Voornaamste posten in millioenen dollars).

3letaalvoorraad
Otbei
U.S.
Govt

Totaal

1
Goudeer-
Data
cash
securities tificaten

71

Det.

1946

}
1
8.761
‘171587
268
23.350
16 Febr. 1950
23.124 22.584
329


17.781
23 Febr. 1950
23.120
22.582
317
47.625
2 Mr)

19501

23.120 22.582
311
17.756

Deposi
Lo s

F.R.-bil
_________

Member-
Data
jetten

1
circulatie
Totaal
Govt
banks

31

flc.

1
916
24.945
17.353

193
16.139
16
Febr. 1950
22.928
18.489
671
16.399
23

Febr. 1950
22.937 17.975
380
16.176
2 Mr)

-1950
22.969
18.286

555
16.288

L.

29 Maart 1950

.ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

259

1

BANK VAN ENGELAND.
Vnnrnaamstp
noaten in millioenen oonden).

)o
,
O)

ø

,
‘ucb
3
zo

ogw

Cd

25 Dec. ’46
F

0,2
1.449,1
1.450
1.428,2
22,1

1
1,3
8 Mrt ’50
1

0,4
1.299,4 4.300 1.257,6
42,7
.

5,3
15 Mrt ’50
0,4
4.299,4
1.30
4.261,0

,
39,3

t
5,4
22 Mrt ’50j0,4
1.299,3 4.300
1.260,4
39,9

Other securites

Deposits

cd

t’

bC)
cd
0
o
u
t-‘
Cd
CI)
Cd

25 Dec.’46
t
314,8

t’
13,6
15.8
346,5 10,3

1
278,9
8 Mrt ’50
1
447,9

1
20,9
23,6

1
524,9
46,0
1

150,5.
281,1
45 Mrt ’50
463,5

t
23,4
23,9

1
536,8
13,4 450,5
1
293,6
22 Mrt ’50
473,0
18,4
24,2
542,1
43,2
1

458,7
290,5

IN- EN uITVOER VAN IIELGIE
‘).

Invoer
Uitvôer
Saldo

M
aa nd
Gewicht
Waarde
Gewicht
Waarde
Waarde
in dUl-
in mii-

in dui-
in mii-
In mli-
zenden
lioenen
zenden

lioenen
lioenen
tonnen
francs
,

tonnen
frans
francs

Maandgem. ’36/’38

2.868

2:019

1.912

4.859

460
Maandgem. ’47

. .

2.322

7.430

1.070

5.138

-1.992
Maandgem. ’48

.

2.432

7.293

4.258

6.177

+1.416

Maart

1949..

2.338

7.155

1.274

7.643

+

488
April

1949..

2.284

6.719

4.149

7.103

+

384
Mei

1949..

2.536

6.905

1.497

7.183

+

278
JunI

1849..

2.396

6.754

1.229

7.432

+

681
JuU

1949..

2.247

6.274

1.237

7.102

+

828
Aug.

1949..

2.2686.498

1.189

6.153

345
Sept..

1949..

2.151)

6.489′)

4.265
1
)

.6.333
2
)

156′)
Oct.

1949..

2.278′)

6.727
2
)
1

1.207
1
)

5.869′)

858′)
Nov.

.1949..

2.297

7.031

1.205

5.643

-1.388
Dec.

1949..

2.331

7.941

1.338

6.331

-1.610
1

1)

BronS.,, Statistisch

Bulletin”

van het Nationaal Instituut
voor de Statistiek.
‘)
Gecorrlgeerde gegevens.

GECOMBINEERDE MAANDSTAAT
VAN
DE DRIE NEDER-
LANDSE GROTE BANKEN EN
VAN
HET NEDER-
LÂ.N’DSE BEDRIJF VAN DE NEDERLANDSCHE
JJANOEL-MAATSCHM’PIJ.

‘Nederl.
Nederi.
Vanken
Banken
en Ned.
Handel-Mij.
(In millioenen guldens)
31
28
31
28
Jan.
1
Febr.
.
Jan.
Febr.
1

1950
1950 1950
4950

Activa:
Kas, kassierS en daggeldleningen
Ned. schatkistpapier ……..

Ander overheidspapier ……
Wissels ………………..
Bankiers In binnen- en buitenland
Prolor’g.en voorsch.tegen effecten

49

64

63

77

2237

2166

2825

2773

52

39

13497

44

17

21

23

97

111

. 420

445

37

42

48

5h

Debiteuren

…………….,
Effecten en syndicaten
Deelnemingen (incl.voorschotten)

500
21
23

531
19
19

609
26
.
33

632
25 30

“8Ï
544
569
668

9
7
15
13
Diverse rekeningen

……….
-,



Gebouwen’

……………..

Belegde bestemmingsreserven …
1
F
1
1

3040
3016 3895
3870

Passiva:

.

2426
2402
3036
3011
2
4
2
4
Deposito’s op termijn
273
282
396
,

399

Crediteuren

……………..
Wissels

…………………..

Kassiers en genomen daggeldi
13
1
13
3,
Diverse rekeningen
86 88
-135
141
Bestemmingsreserven –
4
1
4
1

Aandelenkapitaal

160
1

460 1 211 1 211
Reserve

……………….79

. 78

101

100

IN4EN UITVOER V4N NEDERLAND

Invoer

Uitvoer
Saldo

aan
Gewicht
Waarde
Gewicht
Waarde
Waarde
In dul-
In mli-
In dul-
In mll-
in mli-
zenden
lioenen’
zenden lioenen
Iloenen


tonnen’)
guldens
tonnen’)
guldens
guldens

Tot.

’39 24.306
1.517′
12.708
965

551
Tot.

’46 14.764
2.145
3.919
785
-1.360
Tot.

’47
16.544
4.251
5.843
1.859
-2.3.92
Tot.

’48
49.101
4.919
7.357
2.669
-2.250

Jan.

’49
1498

.
464
653
318

146
Febr. ’49
1.269
401
644
245

156
1,irt. ”49
1.632
476
728
283
193
Apr.

’49’
1.770
438
684 256

182
Mei

’49
4.674
427
721
‘272
-.-

155
Juni

’49
4.977
442
741
312
– 130
Juli

’49
1;750
410 654
284

126
Aug. ’49
1.850
390.
687
296

94
Sept. ’49
1.826
407
952
318

89
Oct.

’49
1.743
435
1.218
378

57
Nov. ’49
1.616
452
1.196
399

53
1
Dec.

’49 2.005
554
1.456
433

121.

Jan.

’50
4.998
581
882
395.
-486

‘)
Bron: ,,Centraal
Bureau koor de Statistiek”.
Exclusief
pakketpost,

diamant,
gouden

en, zilveren
munt en
muntmateriaal.
‘)
Bruto-gewicht; van 1948 af
netto-gewicht.

STAND VAN
‘s
RIJKS KAS.

Vorderingen
15 Mrt 1950
7 Mrt 1950

Saldo van
‘s
Rijks Schatkist
bi) De Nederl. Bank N.V.
f

550.069.255,39
t

420.903.495,29
Saldo van
‘s
Rijks Schatkist.
bij de Bank voor Neder-
landsche

Gemeenten

….,,
319.845,51
,,

$17.750,03
Kasvorderingen

wegens

cre-
dietverstrekking

aan

het
buitenland

…………..

Daggeldlening

tegen

onder-


Saldo der postrekeningen van
312.102.997,51
,,

306.676.074,98
Voorschotten

op uit.

Febr.,
resp. Jan. ’50 aan degemeen-

.

ten wegens aan haar uit te.

Rijkscomptabelen

…….

keren belastingen


Vordering In rek, courant
op:

pand
……………….

53.455.002,15
,,

48.135.0e2,45
V.S.lndonesi6
…………..
29.696750,36
,,

29:362.316,96


Het Algemeen Burgerlijk Pen-

Suriname

……………
Ned. Antillen
………….

Het staatsbedrijf der
sioenfonds

……………

enT
.

………………


Andere staatsbedrijven en In-
.

stellingen

……………
444.247.529,73
437.858.079,32

‘/erplichtlngen

Voorschot, door De Nederl.
Bank N.V., verstrekt
….


VoorSchot,

door De

Neder-
landsche

Bank

N.V.

In
rekening courant

verstrekt

Schuld aan de Bank voor Ne-
derlandsche Gemeenten

Schatkistbiljetten

in

omloop
f 2004.884.900,- f 2006.690.600,-
Schatkistpromessen

bij

De
Nederlandsche Bank N.V.
Ingevolge overeenkomst
van 26 Februari 1947

….
,,1350.000.000,-
,,1600.000.000,-
Schatkistpromessen in omloop
(rechtstreeks bij De Nederl.
Bank
N.V.is
geplaatst nihil)
/
5.820,5 mln,
w.o.
garantie
Bretton Woods /1.245 mln ,,4575.300.000,- ,,4714.100.000,-
– –
Muntbiljetten in omloop …’.,,
136.421.977,-
,,
137.684.645,-
Schuld

op

uit.

Febr., resp.
Jan. ’50 aan de gemeenten
wegens aan haar uit te keren belastingen

…….
. …….
429.897.028,63
,,
432.753:895,43
Schuld in

rek, courant aan:
V.S.

Indonesi6

……….

Daggeldleningen

…………….

Suriname

…………..


Ned.

Antillen

……….,,
17.141.542,88
,,

17.140.985,61
Het Algemeen Burgerlijk Pen-
,
sioenfonds

……..
……

,,

30.208.658,65
,,

32.354.397,99
Het staatsbedrijf der
P., T.

……
……

en
T.

………………
333.972.701,33
‘,,

250.350.697,69
Andere

staatsbedrijven

….


Schuld aan diverse Instellin-

….

gen In rekening met
‘s
Rijks

………

Schatkist

…..
.
……..

…1585.115.910,09
,,1
592.846.903,06

Jongeman, 26 jaar, ongehuwd, wonende te Utrecht,
ruim algemeen ontwikkeld, met veelzijdige ervaring op
het gebied van secretariaatswerkzaamheden, speciaal
v.w.b. kartel- en andere overeenkomsten en de contrôle
op de naleving hiervan, wenst van betrekking te ver-
anderen.
‘Qezocht ‘awrdt
EEN FUNCTIE ALS SECRETARIS
(evt. adj. secr.) van vereniging ot orgamsatie op be-
drijfs-economisch gebied.
n worden gaarne ingewacht onder no. ESB 1690,
bur. V. cl. blad, Postbus 42, Schiedam.

L

+

1Ji’erscn

ZELFBEfONING
Ü’dt bij loopactè gegarandeerd

Vrije huizen aan de
Rotterdanse Rijweg Ovorschie

Te koâp Nieuwbouw
eind September 1950

Compleet met centrale verwar-
ming inger. en bètegelde bad-
kamer, 2 W.C.’s en Bruynzeel-
keuken. Eigen grond, oppet-
vlakt.e ca. 400 m”Oarage kan
bijgebouwd worden.

t:
RönOdIgdV eigenkapitaal
t 14.000,-

To.hçtr,;t.V,
M.A.E. v/h K. C.
SLIJIC
Eehiedamso Vest 44 d,
Rotterdam, Teieloon 28253.

f14jt
Moist

ESTABLISHED 1878

An Independent Journal of Finance

and Trade’ –

*

OBJECTIVE APPRAISALS

CONSIDERED JUDGMENT

IMPARTIAL OPINION

*

Contains most complete range o

Bitish econmic and finncial stüst-

ics published in any weekly jo’urnal

*

World wide circulation
S
,.

Annual subscription rate: (pot free-

to include allsuppIements) £. 3:2:6
S

(fi

‘°)
A 8pecial Suppimene en .Economic Co,-
dition8 in The )tetherjcz,,tës was pubiteh5d
en January 31
1
1948. At Umite4 number
of
Civia
Suppiinent
remain for aale.

LONDON: 51 C.LWNOH BTREETj EC. 4
fl’ DIT BLAD

• ADIERTEERT

MET SUCCES!!

onreert flop


ECONOMIST


Maandblad onder reaactie van Prof. P. Hen-

nipman, Prof. P. B. Kreukniet, Prof. H. W.

Lambers, Th. Ligthart, Prof. J. Tinbergen,

ProT. G. M. Verrijn Stuart, Prof. F. de Vries,

Prof. J. Zijlstra.

Abonnementsprijs
1
22.50; fr. p. post
f
23.60;

voor studenten
f
19.—; franco pex post 120.10

Abonnementen worden aangenomen .door de

boekhahdel en door de uitgevers

DE ERVEN’F.BOHNTE HAARLEM

OndernemIngen, die het beste leidende personeel zoeken,
speciaal met economische scholing, roepen sollicitanten op
door middel vau een annonce in de rubriek ,,Vacatiires”.

liet aantâl reacties, dat deze annonces tengevolge hebben,
Is doörâans uItrmato bevredigend: begrijpelijk. omdat er

bijna goon grote Instelling is, die dit blad niet regelmatig
ontvangt en waar het niet circuleert. Opdrachten voor het
volgend nummer dienen 3 April a.s. in ons bezit te zijn.

Economisch – Statistische
Berichten

Adres
voor
Nederland: Pieter de
Hoochstraat
5,
Rotterdam ‘(W.).
Telefoon Redactie en Administratie
38040.
Giro
8408.
Bankiers: R. Mees en Zoonen, Rotterdam.

Redactie-adres voor België: Sersinarie voor Gespecialiseerde Eko-
nomie,
14,
Universiteitstraat, Gent.
Abonnementen: Pieter de Hoochstraat
5,
Rotterdam (W.). Bankiers: Banque de Commerce, Brussel.

Abonnementsprijs, franco per post, voor Nederland f
26,—
per jaar;
voer België/Luxemburg 1
28,-
per jaar. te voldoen door storting van de tegenwaarde in Belgische francs bij de Banque de Commerce te Brussel
of op haar Belgische postgirorekening no
260.34.

Uniegebieden en Overzeese Rijksdelen (per zeepost) f
26,—,
overige
landen
/
28,—
per jaar.

Abonnementen kunnen ingaan met elk nummer en
slechts
worden
beëindigd per ultimo van het kalenderjaar.

Aangetekende stukken in Nederland aan het Bijkantoor Westzee-
dijk, Rotterdam (W.).

ADVERTENTIES. Alle correspondentie
betreffende
advertenties te richten aan de
Firma H. A. M. Roelants, Lange Haven
141, Schiedarn (Telefoon 69300, toestel 6).
Advertëntie-tarie/
f
0
,4
0
per mm.
Contract-tarieven
op aanvraag. Rubrieken ,,Vacatures” en
,,Beschikbare
krachten”
f o,6o per
mm
(dubbele
kolom).
De
administratie behoudt zich het recht
voor om advertenties zonder
Qpgaaf
van redenen te weigeren.

Losse nummers
75
cents, resp. 12 B. francs.

Auteur