Ga direct naar de content

Jrg. 34, editie 1703

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 28 1949

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

Nederland—Indonesië

Economisch
,
–rStatis
’tis
‘che

Berichten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCTFN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

34E
JAARGANG

WOENSDAG 28 DECEMBER 1949

No. 1703

COMMISSIE VAN REDACTIE:

Ch. Glasz; H. W. Lambers; J. Tinbergen;

P. de Vries.

Redacteur-Secretaris: C. van den Berg.

Pl’. Redacteur-Secretaris: A. dc Wit.

COMMISSIE- VAN ADVIES VOOR BELGIË.

J. E. Mertens; R. Miry; J. yan Tichelen; R. Vandeputte;

F. Versichelen.

Voor de niet gesigneerde artikelen is de commissie van.

red actie erantnoordelijk.

GegeQens over adressen, abonnementen enz. op de laatste

bladzijde can da nummer.

INHOUD:
Blz.

De artikelen van deze week

………………..
1027

Sommaire,

summaries

……………………
1027

Wensen

en

werkelijkheid

………………….
1028

De internationale economische positie van Indonesië
in verleden en heden
door Prof. Dr J. F. Ilaccoû
1030

De positie van de Nederlandse ambtenaar in Indo-
nesië na de overdracht door E. Israël
………..
1033

De transferregeling tussen Nederland en Indonesië

door

Prof.

S.

Posthuma
………………….
1035

Aantekening:
Het vijfde verslag van de Nederlandse Regering betreffende
de werkiiig van het E.R.P
.

……………………
1037

Internationale

notities:
Indonesië

en

de

Marshall-liulp

………………….
1039
Elre

op

de

weg

naar

herstel

……………………
1039

Ontvangen boeken en brochures

…………….
1040

Geld-

en

kapitaalmarkt

………………….
1040

G r a f ie ken:
Het handelsverkeer tussen Nederland en Indonesië
……
1041

Statistieken:
Baukstaten

………………………………..
ioti
Maandcijfers van de grote banken In Nederland
……..
1042
In-

en uitvoer van Indonesië

……………………
1042
Stand

van

‘s Rijks Kas

…………………………
1043′
fle kolenpositlo van Nederland

……………………
1043
In-

en

uitvoer

van

BelgIë

……………………..
1043
De

kolenproductie

van

België

………………….
1043
lisdexeijfers van lonen volgens regelingen in Nederland
1043

DEZER DAGEN

passeerden wij een wissel. Op oude wegen kan men deze
nog aanti’effen, de plaatsen waar brede wagens uithaalden
om anderen een kans te geven. Zo heeft Nederland, bij
monde van II. M. Koningin Juliana zelve, de souvereini-
teit over Indonesië op. 27 December overgedragen aan
de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië.
Een wissel op de toekomst, waarbij een stofwolk alles
zal blijven, wat Nederland na dit ruimte maken onder-

vindt? Op het dramatisch hoogtepunt van de Gysbrecht
van Aemstel spreekt, wellicht wat erg kalm, de stem
van broêr Peter: ,,Men scheidt om beters wil, om weder te verzamen”.

,,Naar Oost-Inje, naar de West”. Een stuk van de reis ,is afgelegd, voor beide gebieden. De reis, waarvan Va-
lerius de aanvangsstemming tekende•. ,,Waar dat men
zich ook keert of went, daar vindt men ‘t zij ook op wat

ree, de Hollander en de Zeeuw”. Het moet nog voor de
Nederlanders mogelijk blijven zich op iedere ree te tonen en zich te handhaven. Doch dan zullen ze nog een les van
Valerius ter haite moeten nemen .,,Ziet, hoe hij slaaft, graaft en draaft met geweld”.

Over de juistheid van het advies is niet veel woorden-
wisseling. Maar de economisten hebben, lijkt het, te veel
succes gehad met hun leringen over de economische
wisselwerking. De belangstelling voor de individuele

nummers is groter dan die voor de estafette. Weinigen
voelen’ er voor hard te lopen, als de beloning voor de
goede prestatie door anderen kan worden gedrukt.
Een poging wordt thans echter gedaan. Een loonsver-
hoging met 5 pCt is door de Nederlandse Regering mo-
gelijk gemaakt,, zij het niet verplicht gesteld. Verlangd

wordt, dat deze maatregel zal leiden tot productiever-
hoging. Ruimer toepassing van het meerploegenstelsel,
overwerk en prestatielonen zullen ons op dat spoor moeten
brengen. Voor de rest zit daarin nog een stroeve wissel:
modernisering van de kapitaaaiitrusting en de productie-
methoden in menige bedrijfstak.

Zo bereikten Regering en Parlement bij de jaarswisse-
ling een punt, waar even kon worden uitgespannen. Een

jaar van buitengewoon zware beslissingen lag tussen
Kerstmis 1948 en Kerstmis 1949. lIet team, dat hiervoor
heeft gestaan, en zijn helpers zijn niet uit de baan geweest.
Voorbeelden van hard werken zijn in Nederland wel
te vinden.

Stroef schuift nog steeds het Franse kabinet over de
parlementaire baan, terwijl ieder weet, dat wisselen het
tempo slechts kan vertragen. De Franse Kamer moest
zelfs op Tweede Kerstdag nog vergaderen. ,,The word
politics, sir”, zei de heer Pickwick, ,,comprises in itself, a.difficult study of no inconsiderable magnitude”.
Dat kan men grif beamen. Want, hoewel op ‘t oog

beter, van de essentiële moeilijkheden van de wereld,
werden er in 1949 slechts weinige opgelost. In de Ver-
engde Staten alleen is men weer blijmoedig over de
interne conjunctuurphase; des te zorgelijker echter speurt
men naar een overgang tot beter samenhang in Europa.
En in China voltrok zich een geweldige omwenteling.
Zo gaan wij de jaarovergang tegemoet, .die, de mathe-
matici ten spijt, de tweede helft van de twintigste eeuw
naar jaartal doet ingaan. Durft men te hopen op het ge-
tuigenis van Henriëtte Roland Holst in haar befaamde regel: ,,De zwakke krachten zullen. zeker winnen in ‘t
eind”?

FBI

I

ROTTERDAMSCHE

BANK –

ISSOCUT

1E CASSA

KASSIERSINSTELUNG

OPGERICHT IN 1806

HEERENGRACIIT 179
1
AMSÎERDAM.0

JOCOMOTIEf

PE

GENEVE

got t5tafist –

ESTABLISHED 1878

An Independent Journal of Finance

and Trade

*

OBJECTIVE APPRAISALS

CONSIDERED JUDGMENT

IMPARTIAL OPINION

*

Contains most complete range of

British economic and financial statist-

ics published in any weekly journal

*–

World wide circulation

Annual subscription rate: (post free-

to inciude all supplements) £ 3:2:6

(fi 33,40)

A Special Suppienze,;t on Economic Con-
ditions in The Hethertands was published
on Janitary 31 1948
A limited number
of
this Supp(enLent
remain for 8aie.

LONDON: 51 CÂNNOH ST1IEJT,
E.C. 4

‘ SPECIALE

AFDEELINGEN

VOOR

PARTICULIEREN

250 VESTIGINGEN

IN NEDERLAND

N.V. KONINKLIJKE
NEDERLANDSCHE –

ZO LJTIND U STR IE

Boekelo

Hengelo

ZOUTZIEDERU

Fabriek van

zouizuur (alle kwaliteiten)

.vloeibaar chloor

chloorbleekloog

natronloog, caustic soda.

DEZE WEEK:

Turkse marktberichten

* Iedere week zeer veel nieuwe gevraagde offertes
en aanbiedingen van binnen- en buitenland.
Plaats voor export een aanbieding in de rubriek
TRADE OPENINQS.

Abonnementsprijs
f15.—
per jaar

Annonces, waarvan de tekst ‘s Maandags in ons bezit
e

is, kunin, plaatsruimte -voorbehouden, in het nummer
van dezelfde week worden opgenomen.
KON. NED. BOEKDRUKKEPJj H. A. M. ROELANTS – SCHIEDAM

28 December 1949

ECONOMISCH-STATIST ISCHE BERICHTEN

1027

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK.

Wensen en werkelijkheid.

De overdracht van de souvereinileit is thans een feit.

De hierbij ontstane verhouding tussen Nederland en Indo-‘

nesië komt niet overeen met de wensen,. die men te dien

aanzien koesterde. Nederland wente een zekere beper-
king van dc souvereiniteit, waartoe het bereid was zich

zelf ook •te verplichten. Indonesië verlangde een zo vol-

ledig mogelijke souvereiniteit. Een bestudering van de
resultaten der Ronde
rrafel
Conferentie leert, dat de

overeengekomen werkelijkheid meer Indonesische dan
Nederlanclse wensen hevredigt. De oude verbondenheid

is thans verdwenen, maar ruimte is gelaten oor een nieu-xve, op basis van gelijkheid, vrijwilligheid en souvereini-
teit. Wannee, ginds en hier, de wensen worden gematigd,

houding en; staidpun ten op de gegeven werkelijkheid
worden afgestemd, zal deze nieuwe verbondenheid voor,

beide landen een zegenrijke invloed kunnen hebben.

Prof. Dr
J.
F. Baccoû,
Dc internationale economische po-

sitie oan Indonesië in oerleden en heden.

Het, gebied, dat dezer dagen een onafhankelijke staat
is geworden, nam voor de ‘orlog een eigen plaats in het
internationale economische bestel in. liet had zich ont
wikkeld

tot een leverancier van grondstoffen en cbnsump-

tiegoederen in een veelzijdigheid, die de grote afhankelijk-
heid van de internationale conjunctuur mitigeerde. Een
tweede gunstige factor in de economische positie was

de financiële structuur. De ondernemingen werden voor-
namelijk gefinancierd me Leigen en n iët met vreemd kapitaal,
hetgeen zowel voor de ondernemingen als voor de gehele
economische positie van Indonesië van grote letekenis
was.-
Bij de oplossing van de huidige economische pro-

blemen lijkt een internationale. oriëntering weer nood-
zakelijk en beveelt sciir. een financiering van het produc-
tie-apparaat door middel’van risicodragend kapitaal aan.

E. Israël,
De positie aan de i’Vederlwidse ambtenaar in
Indonesië na de oaerdracht.

Het ambtelijk element, nam voor de oorlog, zowel in
het ontwikkelde deel der Indonesische bevolking als
in het Europese bevolkingdeel, een belangrijke plaats
in. Geschetst wordt, hoe de Regering na de oorlog in het
ontstane tekort aan ambtenaren trachtte te voorzien.
De staatkundige reconstructie van het Koninkrijk bracht
nieuve problemen met zich. Uitgaande van de overweging,
dat van le nieuwe staat niet mocht worden ‘verlangd,
dat hij zijn taak zou’ moeten uitoefenen met een ambte-
narencorps, dat niet geheel in zijn dienst stond, weid be-
slist, dat het gehele ambtenarencorps in dienst van de
V.S.E. zou overgaan, doch dat de Ne
,
derlandse ambte-
naren zekere garanties riioesten worden gegeven. Gewezen
wordt op de betekenis van een goede samenwôrking tus-
sen de nieuwe staat en de Nederlandse ambtenâren.

Prof.
S.
Posthuina,
De tran’sferregeling tussen Nederland
en Indonesië.

Iedere ovèreenkomst inzake transfer vooronderstelt
hët ontbreken van een vrije deviezenmarkt, w’aarbij het
grotendeels van de feitelijke politieke en economische ontwikkeling afhangt, welke concrete betekenis zij zal
verkrijgen. Wat Indonesië betreft, is, rekening houdende
met de sociale tendenties, een vrij deviezenverkeer voor-
lopig nog niet waarschijnlijk. Ook al zijn de mogelijkheden
van herstel als producent van wereldmarktartikelen groot
en is de buitenlandse schuldenlast, reëel genomen,geringer
clan voor de oorlog. De vorm vafi de ‘cleviezencontrôle
kan zeer goed veel eenvoudiger worden dan hijv. in Ne-
derland het geval is. De transferbepalingen aan een onder-
zoek onderwerpend, luidt de conclusie, dat de technische
uitwerking van de regeling datgene geeft, w’at men er
redelijkerwijze als uiterste van had mogen verwachten.

SOMMAIRE.

Les desiderata et
In
rédlité.

Avec le transfert de la souveraineté, – les desiderata

indonésiens on

t été satisfaits dans une plus large mesure
que ceux des Pays-Bas. Si, l’avenir,’ les deux états

mettent leurs desiderata êt leurs attitudes en harmonie

avec la réalité; une collahoration fructueuse peut en
résulter.

Prof. Dr J. F.
Haceoû,
La position écononuquo internationale

de l’Indonésie dans le passé et dans Ie présent.

Par rapport nu radressement de i’Indoné;ie l’atten’tion
est tirée sur la grande importance de l’orientation inter-
nationale de l’lndonésie dans le passé et sur le système
de financement appliqué par le secteur privé notamment
is. l’aide des investissemen’ts privés.

E. Israël,
La pos ition du fonclionnai,e neérlcsndais en Indo-

nésie après le transfert de la souae,’aineté.

On ne’ pouvait pas exiger du nouvel état qu’il confierait
l’exécution de sa tâche-
is
un corps de fonctionnaires qui
no serait pas complètement attaché
is
son’ service. C’est
pourquoi on a décidé que le corps cômplet des fonction-
naires sera transféré au Gouvernement des Etais Unis
de l’Indonésie.
rfoutefois
c3rtaines garanties doivent être
données aux fonctionnaires néerlandais.

Prof.’ S.
Posthuma,
La convention de trans feit ent,e les

Pays-Ba ei i’Indonésie.

Eu ‘égard aux restrictions inhérentes
is
un transfert
de souveraineté, l’exécution techniqisc de la con

vention
de transfeL entre les Pays-Bas et l’Jndonésie, n’incarne
que ce qu’on pouyait en attendre raisonnablement.

SuMMAmES.

Desires and rea-lity.

The transfer of the sovereignty satisfies more Indonesian
than Netherlands desires in respect of the new situation.
1f in the future the desires and points of view of both
countries are tuned to reality, a heneficial new union
may arise. –

Prof. Dr J. F. Haccoû,
Indones ja’s past and present inter-

national economie position. –

In view of the recostruction of Indonesia attention is
drawn to the great significanco of the country’s past
international ,orientation and industrial financing system,
viz. hy .means of risk-bearing capital.

E. Israël,
The position of Neiherlands ciail seri-‘ants in ludo-

nesia after the- transfer o/ the soaereignty.

The new state could not ho expected to fulfil its tissk
with civil servants who are not entirely in its service.
It w’as, therefore, decided that thewhole staff should enter
the service of the United States of Indonesia. Cerlain
guarantees must, however, he given to the Netherlands
civil servants. .

Prof.
S.
Posthuma,
Thé
trans/e,arrange,ncnt
betineen the

Net herlands and’ Indonesia.

Considering the restrictions connected w’ith a transfer of sovereignty, the technical effect of the transfer-arran-
gement between the Netherlands and Indonesia will he
the maximum that might reasonably have beên expected.

1028

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

28 December 1949

WENSEN EN WERKELIJKHEID.

FIet is bekend, dat ten aanzien van’do verhouding tus-

sen Nederland en Indonesië, zowel hier als ginds, wensen
hebben bestaan, die de wederzijdse delegaties ter Ronde

Tafel Conferentie hebben getracht in de beoogde Over-

eenkomst •te vei-werkelij ken.

‘ Er was, na de van Royen-Rum ontmoetingen, een ge-
meenschappelijk aanvaarde basis gevonden, waarop ver-

der kon worden onderhandeld. Men kwam overeen, dat
de souvereiniteit over Indonesië, binnen de kortst mogelijke

tijd, door Nederland aan het eerst genoemde land zou

worden overgedragen. De Ronde Tafel Conferentie, die
op
23 Augustus begon, had tot taak de wijze te regelen,

waarop de overdracht moest plaatsvinden, lIet zou tot

2 November duren, voordat een overeenkomst, sindsdien

door de betrokken, daartoe bevoegde lichamen in beide

landen goedgekeurd en op 27 December jI. ten uitvoer

gebracht,. to t stand kwan.

Gesteld voor de concretisering van de wijze, waarop

de souvereiniteitsoverdracht zou plaatsvinden, bleken

de,wederzijdse wensen ver uiteen te liggen.

Van Nederlandse zijde was men bereid de souvereini-

teit over te dragen. Ter voortzetting van de historische

verbondenheid tussen heide landen wenste men met de
nieuwe staat een Unie aan te gaan, die een zekere zelf

standigheid met daarop gegronde taken zou bezitten;

ook vroeg men in verband met importante Nederlandse

belangen in Indonesië om gai’anties op economisch en
financieel gebied. Scherp geformuleerd kwam dit neer op
een zekere beperking – waartoe Nederland zelf ook be-.

reid was zich te verplichten – van de politieke en econo-
mische souvei’einiteit.

De Indonesische wensen waren omvattender en abso-
luter. 1-loewel beseffend, dat bepaalde bindingen nood-
zakelijk zijn, begeerde men een zo volledig mogelijke

souvcreiniteit. De Unie met Nederland mocht geen be-

lemmering vormen voor de politieke bewegingsvrijheid
van de nieuwe staat; daarom wenst men haar te be-

perken tot een verdrag ter behartiging van gemeenschap-

pelijke belangen. Ook op niet-politiek gebied verlangde
Indonesië een zo absoluut mogelijke zelfstandigheid. Dit
betekende in wezen, dat de nieuwe staat tegenover Ne-

derland even vreemd en vrij wenste te zijn als ten opzichte
van het overige, buitenland.

Wie
de resultaten. van de Ronde Tafel Cbnferentie be-
studeert, zal tot de erkenning moeten komen, dat de
overeengekomen werkelijkheid meer Indonesische dan
Nederlandse wensen bevat.
In algemene zin is dit reeds af te lezen in de aanhef
van de Mantelresolutie, waarin door partijen wordt ge-

steld en onderschreven, dat de

bereikte overeenlomst
handelt over de wijze van overdracht van een ,,werkelijkc,
volledige en onvoorwaardelijke souvereini iei t” Dit is
het leidende beginsel, dat telkens, als een refrein, opklinkt
uit de menigte van stukken, om in plechtigèr accenten
in de preambule van het ontwerp-constitutie van de
R.I.S. zich aldus aan te kondigen: ,,Wij, volk van Indo-
•nesië, sinds tientallen jaren hecht verenigd in de strijd
om de onafhankelijkheid, in blijvende vastberadenheid

voornemens het recht te laten gelden om als vrije, souve-
reine natie te bestaan enz.”,
1-let zijn geen decoratieve woorden zonder inhoud!

Om te beginnen is daar de politieke souvereiniteit. Deze
is inderdaad zo volldig mogelijk. Zekei’, er is een Neder-
lands-Indonesische Unie met een gemeenschappelijk
staatshoofd. Maar wat leest men in par. 2 van art. 1 uit

het betreffende statuut? ,,De Unie doet geen afbreuk,
aan de staten van elk van de beide deelgenoten als onaf-
hankelijke en -souvereine staat”. Logisch daaruit vloeit
voort art. 4: ,,Alle beslissingen in de Unie worden ge-
nomen bij overeenstemming tussen – heide deelgenot&n”.

Zo bezit
de Unie zelfstandigheid noch een eigen taak. Zij

is alleen naarde vorm een Unie; naar inhoud is zij een
verdrag tussen souvereine staten, waarin deze zich

bereid verklaren op bepaalde genoemde en niet genoemde
terreinen samen te werken, mits daarover een eenstempiig

oordeel kan worden verkregen.

Er is, naar inhoud, één concrete afspraak. De weder-
zijdse staatsburgers mogen – behoudens bepaalde uit-

zonderingen – in het rechtsgebied van de andere deel-

genoot ambten bekleden (art. 24). Is dit echter zo belang

rijk? Te allen tijde toch-kan een staat aan vreemdelingen

de gelegenheid geven in zijn dienst te blijven of te treden.

Met dat al lijkt de positie van de Nederlandse ambtenaar
in Indonesië daarmede verzekerd. Er is echter geen sprake van een blijvende regeling, want in het ontwerp-overeen-

komst inzake de positie van de burgerlijke overheids-

dienaren staan, tegenover de Indonesische verplichtingen

hen over te nemen, twee voorbehouden: primo (art. 3,

dat in hun rechtspositie slechts gedurende twee jaren
na de souvereiniteitsoverdracht geen wijzigingen zullen

worden aangebracht; secundo (art. 4), dat Indonesië

het recht höeft, onmiddellijk na zijn optreden als zelf-

standige staat, tot herschikking en selectie over te gaan.

In wezen gaat het dus enkel om de mogelijkheid in
elkaars staatsdienst te gaan; de effectuering daarvan is

nog een open kwestie. –

Volledigheidshâlve worde vermeld, dat de Unie zich

op het standpunt stelt van de nondiscriminatie, hetgeen
een normale bepaling is.

Zo blijkt de Unie beperkt te zijn tot een bereidverkla-
ring tot samenwerking. Dit komt overeen met de Indo-

nesische wensen inzake de zo volledig mogelijke souve-
reiniteit.

Hoe staat het op economisch en financieel gebied?
Daar is overeen gekomen, dat Indonesië de bestaande

rechten, concessies en vergunningen erkent. Erkenning

ook vindt het recht tot transfer van winsten, afschrijvingen,
directiekosten, bijdragen aan pensioenfondsen, verzeke-

ringspremies, rente en aflossing en spaargelden, naar goed

internationaal gebruik. In de handelspolitiek tenslotte
zullen de beide staten ten aanzien van de landen van
Europa mede samenwerken.

Al deze regelingen echter mogen Indonesië’s economi-
sche souvereiniteit niet aantasten. Zo is bepliald, dat de
concessies, rechten en vergunningen kunnen worden be-
perkt ,,in het algemeen belang, waaronder het volks-
belang” (art. 2 ontwerp financiële en economische over-
eenkomst). Voorts dienen ondernemers mede te werken
met de sociale politiek van de Overheid ip Indonesië
(art. 12), die gericht is op de verbetering van de econo-
mische en sociale positie van de bevolking. Ook is bepaald,
dat ,,daartoe geschikte Indonetiërs in de leiding (ook di-
recties) en staven der bedrijven” dienen te worden opge-
nomen.

1-let recht tot transfer van gelden heeft betrekkink op
een indrukwekkende lijst van onderwerpen. In par. 5,
art. 18, behoudt Indonesië zich echter het recht voor
beperkingen aan te leggen in verband met de deviezen-
positie van het land

VTat tenslotte de handelspolitieke samenwerking ten
aanzien van Europa betreft, ook zij vindt beperking.
Allereerst naar duur, want in paF. 2, art. 21, leest men,
dat in het laatste kwartaal van 1950 terzake van de
voortzetting van de samenwerking opnieuw overleg zal
w’orden gepleegd, waarbij heide partijen vrij zijn opnieuw
hun standpunt te bepalen”. Maar voorts heeft ieder der
partijen zelf het recht te bepalen, of en in welke mate
zij aandeel wenst te nemen in een bepaalde overeenkomst
met derde landen in Europa.

Ook op economisch en financieel gebied triomfeert
de Indonesische wens naar een zo volledig mogelijke
souvereiniteit. Daarop is het Nederlandse verlangen naar

‘r’

28 December 1949.

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1029

integrale handhaving en voortzetting van het bestaande,
gestrand,

Er is meer; het is bekend, dat Nederland, zolang Indd-

nesië nog debïteui’ is, in geval van ingrijpende wijzigingen

op economisch en financieel gebied, toestemming daartoe

heeft gewenst. In plaats va ,,toestemrning” staat thans

in de overeenkomst ,overleg” (bijv. art. 16, par. 5, art.
18).

Behalve op politiek en economisch gebied domineert

de Indonesische wens naar een zo volledig mogelijke

souvereiniteit ook op andere terreinen. Zo inzake de de-
fensie, waar van een automatisch gemeenschappelijk op-
treden geen sprake is. De verdediging van Indonesië

te land, ter zee en in de lucht is een zuiver Indonesische

aangelegenheid. Steun in de vorm van bepaalde dienstn,
opleiding, materieel, volgt eerst na verzoek.
Op cultureel gebied streven Nederland en Indonesië

ér naar om ,,in het eigen land een redelijke kennis te be-

vorderen van de cultuur ian de deelgenoot in haar essen-
tiële bestanddelen” (art. 6 ontwerp culturele overeen-

komst). De betrekkingen moeten echter zijn gebaseerd

op het beginsel van volledige vrijheid, vrijwilligheid en
wederkerigheid”. Tot handhaving van het Nederlands
is Indonesië ‘niet bereid bevonden.

Zo blijken over het algemeen – Nieuw Guinea maakt
.daar een uitzondering op —- de Nederlandse wensen hoger
te liggen boven de in de overeenkomsten bereikte werke-
lijkheid dan de Indonesische. Deze, gericht op de verwer-

ving van een zo volledig mogelijke souvereiniteit op
alle. terreinen, hebben getriomfeerd door de kracht van
het emancipatieproces der volkeren in Azië en de in daden
omgezette instemming daaimee van het buitenland.

Waartoe laat zich de nieuwe verhouding tussen Neder-
land en Indonesië, nadat is geconstateerd, dat het laatste
land volledig souverein zal zijn, terugbrengen? Neder-
landse zeggingschap, inmenging of z’elfs invloed hebben opgehouden te’ bestaan, voor zover Indonesië daarin niet
vrijwillig toestemt of daarom verzoekt. Hebben de ge-
troffen overeenkomsten dan in het geheel geen betekenis,
geen inhoud, behalve in het negatieve, het discontinueren
van de historische band tussen beide landen? Toch wel!

Er is deze betekenis, deze inhoud, dat met inachtne-
ming van hun souvereiniteit Nederland en Indonesië

zich bereid hebben verklaard samen te werken op politiek,
op ecdnomisch, op cultureel en eventueel ander gebied.

Dit betekent, dat de oude verbondenheid is verdwenen,
maar ruimte is opengelaten voor een nieuwe, op basis
van gelijkheid, vrijwilligheid ei sou’vereiniteit.
Voor deze nieuwe verbondenheid pleiten aan Neder-
landse zijde ernstige overwegingen. Daar zijn, naar schat-
ting, in Indonesië ca 4
bL
4-mrd vooroorlogse guldens ge-
investeerd, die jaarlijks een zeker bedrag aan renumeraties
afwerpen, welke, tezamen met andere inkomsten verkregen
door de band met Indonesië, een totaal van 15 pCt van

het Néderlandse nationale inkomen vertegenwoordigen.
Indien de band niet Indonesië niet meer bestaat, zou dus

15 pCt van dit nationale inkomen komen weg te vallen.
Voor’ de ontwrichte betalingsbalanspositie van Neder-
land zal het herstel van de transfer uit Indonesië, al zal
zij niet zo groot meer kunnen zijn
als
in het verleden,
bijzonder welkom zijn. Daar is verder de werkgelegenheid,

die Indonesië aan duizenden Nederlanders bood en biedt, en zo zij aanwezig blijft, de druk van de groeiende bevol-king kan verlichten. Daar is, om op economisch gebied te
blijven, de versterking ‘van de Nedr1andse handels-
politieke positie, indien naast Nederlandse producten
mede Indonesische zouden kunnen worden ‘aangeboden.
Anderzijds kunnen Nederlands kapitaal, Nederlandse arbeid en Nederlandse commerciële ervaring Indonesië
in niet geringe mate van hut zijn. Want voorshands is
de nieuwe staat aangewezen op buitenlandse steun en
aangezien zij in Nederlandse vorm reeds voor Indonesië

beschikbaar is, ligt het voor de hand, dat daarvan aller.

eerst gebruik wordt gemaakt.

Ook op cultureel gebied pleiten wederzijdse belangen
voor een nieuwe verbondenheid. Indonesië zal zich op

technisch en wetenschappelijk gebied moeten uitrusten.

Dit geschiedde in het. verleden in en door Nederland.

Deze werkzaamheid zou kunnen worden voortgezet.
Anderzijds bevoi’dert de gelegenheid daartoe de groei van

de Nederlandse caltuur, die, haar alleen ten goede kan
komen.

Zo lijken, hij een nieuwe verbondenheid, èn materieel
èn geestelijk, de wederzijdse belangen gediend. Hoe
liggen echter de factoren voor de verwerkelijking?

En dan springt het onmiddellijk in het oog, dat er grote

noeilijkheden zijn te ‘overwinnen, waarbij het zaak is,

over en weer, positieve en hegatieve wensen meer in over-
eenstemming te brengen met de werkelijkheid.

Om begrijpelijke redenen al Indonesië, vooral in de

eerste tijd, vol wantrouwen staan tegenover elke Neder-
landse werkzamheid, omdat het daarin een poging kan

zien tot aantasting van de zo moeizaam verkregen souve-

reiniteit. Daaruit resulteert een negatieve wens: geen of zo weinig mogelijk bemoeienis van Nederland. Een uit
tocht van het Nederlandse element uit Indonesië zal echter

op geestelijk, maar vooral materieel, gebied een vacuum
achterlaten met nadelige gevolgen voor het welzijn van
land en volk, omdat e.en dergelijke leegte niet onmiddel-
lijk kan worden aangevuld. Bovendien kan een eliminatie

van het Nederlandse element uit Indonesië in het overige
buitenland een vrees voor herhaling kweken, die de be-
reidheid tot hulpverlening remt.

Beduchtheid voor de handhaving van de nieuwe

souvereiniteit is gerecl1tvaardigd; zij worde echter geen bron voor wensen,, die moeilijk te vervullen zijn zonder
enstige weerslag in het eigen land.
Aan Nederland valt de zware taak te beurt het wan-

trouwen in Indonesië whg te nemen, de verdragspartner
te doordringen van de zuiverheid van zijn bedoelingen,
di.: diens souvereiniiteit te eerbiedigen in alle opzichten.
Dit zal niet eenvoudig zijn, want het begint met de nood-
zaak zichzelf te overwinnen.
1-Jet is immers niet meer dan menselijk, dat men hier niet

onmiddellijk kan wennen aan Indonesië als souvereine
wederpartij. Vooral voor hen, die ginds in overheidsdienst
of ‘in het bedrijfsleven werkzaam zijn, geldt deze psycho-
logische remming, voor de eerste categorie wellicht meer
dan voor de tweede. Men wenst over het algemeen immers
een andere situatie, al zullen weinigen voorstanders zijn
van een terugkeer naar de koloniale heerschappij. Maar
de huidige werkelijkheid is eenmaal verschillend van de
geconcipieerde, al onderscheidt deze zich nog zo zeer van
de historische.

Indonesië is een even souvereine staat geworden als
welke andere ook, en alle Nederlanders in Indonesië zijn
thans vreemdelingen, die, bij wet of verdrag, toestemming
hebbem gekregen er te zijn en t’e werken. Zij zullen zich
hebben te gedragen als elders in het,buitenland, zij zijn

geen staatsburgers, laat staan, gelijk voorheen, meesters,
doch gasten.
Maar het gewicht van het Nederlandse element, zowel
geestelijk’ al materieel, dan? Men’ overschatte dat gewicht
niet. ‘Want voor de keus gesteld van een aanzienlijke
achteruitgang in het eigen land of het toekennen ‘van
invloed aan Nederland, die de souvereiniteit zou kunnen
aantasten, zal Indonesië n’iet aarzelen de eerste rampspoed
te verkiezen boven de tweede. Op de nieuwe staât is van
toepassing: ,,Want niet in het snijden der padie is de
vreugde; de vreugde is in het snijden der padie die men
geplant heeft’. En bovendien: het is regelrecht ,,wishful thinking”
te denken, dat Nederland het monopolie’ bezit van buiten-
landse hulp in de vorm
‘i,an
kapitaal, arbeid en cultuur-
goederen. Indonesië is, als souvereine staat, rhet een grote

1030

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

28 December 1949

rijkdom aan bodemschatten en een belangrijke positie

in het bestel van de wereidpolitiek, niet, laat staan uit-

sluitend, aangewezen op Nederland.
Veeleer ligt de werkelijkheid zo, dat Nederland zal

moeten concurreren met het overige buitenland, wil het

met vrucht zijn economische en geestelijke werkzaamheid in Indonesië handhayen en voortzetten. In deze concurren-

tie heeft Nederland het nadeel van de psychologische

remmingen b ij zichzelf en de wederpartij, daartegenover

het voordeel van reeds in Indonesië te zijn, het land te

kennen en een apparaat te bezitten.

De Nederlandse wei’kzaamhejd in Indonesië zaL haar

reden van bestaan niet – gelijk’ voorheen – kunnen ver-

ankeren in de bevoorrechting, die nationalen altijd in

zekere mate hoven niet-nationaleii, genieten; zij zal haar
kracht moeten vinden in haar eigen kwaliteit, in open

concurrentiestrijd getoetst aan die van het overige buiten-

land. Dit is de werkelijkheid, die velen wellicht anders
wensen, maar niet anders is.
Wanheer aldus, ginds en hier, de wensen worden ge-

matigd, houding en standpunten op de gegeven werke-
lijkheid w’orden afgestemd, zal de nieuwe verbondenheid,

voorshands alleen aanwezig in een wederzijdse bereidheid

daartoe zegenrijke inhoud kunnen verkrijgen voor beide

landen.

DE INTERNATIONALE ECONOMISCHE

POSITIE
VAN INDONESIË IN VERLEDEN

EN HEDEN.

Verleden.

In internationaal economisch verband heeft liet gebied,
dat dezer dagen als onafhankelijke staat – de Repuhlik

Indonesia Serikat – deel gaat uitmaken van de gemeen-

schap der volkeren, een eigen plaats ingenomen. 1-let is
gew’eest een 1everanciei van grondstoffen en consumptie-
goederen, niet in een overwegende eenzijdigheid van een

of twee goederen, maar integendeel in een veelheid van
behoorlijke kwantitatieve omvang per produkt. De tech-nische rijkdom van de bodem, technisch rijk zowel voor
de agrarische bedrijfsakken, als aan minerale bodem-

schatten, werd meer en meer omgezet in een economische
rijkdom, dank zij de medewerking van aanwezige en van

elders aangetrolken krachten en hulpmiddelen. De struc-
tuur van volk en land wees de richting voor de ontwikke-
ling aan en aanvankelijk was deze dan ook dienovereen-
komstig. Op de juiste ogenblikken werden de mogelijk-
heden gzien en aangugrepen en waar verliezen en zelfs

zware verliezen moesten worden genomen, werd liet
verloren gebied dadelijk door een ander vervangen, ter-
wijl de openlegging steeds voortgang maakte: de vervan-

ging van- de arabica-koffie door de rohusta, van grote
kinagebieden door thee, de ontwikkeling der oliepalm-
cultuur later, zijn hiervan sprekende voorbeelden. De
historische band met Nederland deed de belangstelling
van de he1anghebende groepen daar zich omzetten in
daden. Zodoende ontstond een volgens westerse grond-
slagen gedreven ondernemingswezen, terwijl ook de
bevolking in grote mate belangstelling toonde voor de van elders ingevoerde gewassen; het sprekendst onge-
twijfeld bij de rubher, ook echtei- hij andere gewassen,
zoals hijv. koffie, thee en kina. Daarnaast hield de be-

volking vast aan de vanouds ‘bekende gewassen.
Door
,
deze hele ontwikkeling kreeg Indonesië meer
en meer en op tal van gebieden een vooraanstaande plaats
als leverancier van goederen op de wereldmarkt. In enkele
gevallen werd dit tijdelijk een vrijwel monopolistische
positie (kinabast, rotan en copal), in andere een over-
heersende (pèper en kapok), in weer andere een belangrijke

(copra, palmolie en rubber). Onder deze produkten be-
vindt zich een aantal, dat weliswaar relatief op een be-

paalde markt uiterst belangrijk maar toch in absolute

hoeveelheid en waarde slechts van bescheiden betekenis

is, terwijl daarentegen andere niet genoemde goederen
relatief een kleiner, absoluut een groter belang vertegen-

‘woordigden.

Veelheid van prodi.tkten.

Op liet gebied vah de export treft ons de vee]heid van

produkten, welke in het kader van het geheel een ver-

meldenswaardige plaats innemen. Projecteren wij ,deze

tegen de achtergrond van de tegenwoordige uitvoer en

nemen wij als maatst3f ongeveer 5 pCt van de waarde

van deze (zonder rekening te houden met de ingetreden
koopkrachtvermindering van het gçld), dan dienen voor

1925 te worden genoemd in volgorde van de waarde van

de uitvoer: rubber, suiker, aardolieprodukten, tabak,
copra, tinerts en tin, thee en koffie. Voor 1937 – een

jaar waarin de totale uitvoerwaarde ruim 541 pCt

van die van 1925, doch kleiner, dan die van 1948 was –

dienen dan te worden vermeld: rubber, aardolieprodukLen,

tinerts en tin, copra, suiker en thee. Beide opsommingen
tonen het zwakke punt in Indonesië’s economische struc-

tuur: de grote gevoeligheid voor en afhankelijkheid van

de internationale conjunctuur. Als producent van oer-

produkten was Indonesië zeer kwetsbaar, doch kon ook
in sterke mate profiteren vah een gunstige kêer. Pro-

clukt na produkt bewijst zulks in zijn ontwikkeling. En

met deze pijler voor de welvaart w’as ook het wel en wee

in liet binnenland nauw verbonden. Toch moet hier ook

op gunstige factoren worden gewezen, ni. op de veel-
zijdigheid en op de financiële structuur. De veelzijdigheid
aan produkten, die welvaart en ontwikkeling droegen,

had het voordeel, dat, hoewel cle çonjuncturele ontwik-

keling over de hele lijn toch altijd in dezelfde richting

liep, deze toch verEchillend ver ging. Terwijl landen,
welke steunden op een of twee produkten (Brazilië met

de koffie, Malakka.met rubber en tin en later palmolie

hijv.) geheel van het wel en wee van deze smalle basis
afhingen, was voor Indonesië juist de grotere veelzijdig-
heid een factor, welke in de laagconjunctuur nog eniger-

mate milderend werkte en ook de gevolgen van de hausse
meer vervlakte dan anders liet geval zou zijn geweest.

Financiële structuur
De financiële structuur was van grote betekenis. 1-let
vermogen, dat nodig was voor liet financieren van de

westerse ondernemingen, was van buiten Indonesië af-
komstig. Reeds van liet begin af hebben deze onder-
nemingen zich overwegend gerealiseerd, dat de finan-
cierin, in verband niet de risico’s aan haar werkzaamheid
in Indonesië verbonden, niet mocht geschieden door
het aantrekken van vreemd vermogen in de vorm van
leningen, maar moest plaatsvinden met behulp van eigen

middelen, dus aandelenvermogen. Dit was voor de positie
van Indonesië daarom van zo grote betekenis, omdat
daardoor de rentelast, welke diende te worden voldaan,
tot kleine afmetingen beperkt bleef. .Teneinde dit feit
op zijn juiste waarde te schatten, moge hierop iets dieper worden ingegaan. Hoewel voorop dient te staan, dat elke
aanwending van vermogen een offer voor de produktie
betekent en dit offer dus ook ten laste van deze voort-
brenging in rekening moet worden gebracht, maakt het
toch een belangrijk verschil of dit offer op geregelde tijden
moet worden betaald, dan wel of men uitsluitend tot
vergoeding vhn de rente behoeft over te gaan, indien
deze uit de opbrengst van he produkt kan geschieden.
Voor een bedrijf betekent het moeten voldoen van rente
(en aflossing) aan zijn crediteuren, dat daardoor zijn
beschikbare middelen, welke juist in ongunstige tijden dringend nodig zijn voor de financiering van de voort-
zetting van de bedrijfsvoering, verminderen, terwijl –
indien met eigen vermogen wordt gefinancierd weliswaar
het vermogen wordt aangetast indien rente en afschrijving

•1

28 December 1949

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1031

niet uit de opbrengst van het produkt terugvloeien, doch

de beschikbare middelen onaangetast blijven. Dan toch
behôeft geen betaling plaats te hebben. Daardoor blijft
in het laatste geval het weerstandsvermogen van het

bedrijf groter. In wezen ligt dezelfde toestand voor, in-

dien de bedrijvigheid van een land wordt gefinancierd

niet door spaarders binnen, doch door spaarders buiten

de eigen economische eenheid. Op dit belangrijke vraag-

stuk is tot nu toe in de literatuur te weinig de aandacht

gevallen. En voor Indonesië is dit vooralsnog een bij
uitstek belangrijk probleem. In een economische eenheid, in w’elke niet. door monetaire experimenten de gesloten-
heid van geld- en goedeiensfeer wordt verbroken, be-

staat de tegenwaarde van de uitvoer, afgescheiden van

wat in de sfeer van de Overheid plaats heeft,,uit pro-duktiekosten en winstparticipaties voor zover buiten

die eenheid aan de produktie wordt deelgenomen, beste-
ding van inkomen elders, besparingen voor zover deze

nog geen investering hebben gevonden dan wel kapitaal-
en consumptiegoederen voor zover de besparingen zijn

aangewend. Krijgt in gevallen van een tweezijdig inten-

sief internatiofiaal verkeer de hele handels- en verder-gaand de betalingsbalans voor de saldi een salderings-
karakter, in gevallen als van Indonesië, waarin door de

eenzijdigheid en de daaruit voortvloeiende mindere ge-
compliceerdheid deze werkelijkheid duidelijk aan. de dag
treedt, is het van de grootste betekenis om haar in haar

consequenties onder het oog te zien, i.c. in verbahd met
cle financiering van het bedrij fsleven. Indien overwegend
deze. economische eenheid van buitenaf wordt gefinan-

cierd, is het van belang hoe deze financiering gschiedt.
Heeft deze plaats met eigen vermogen, clan vormen wel-
iswaa rente over het geïnvesteerde vermogen en afschrij-

ving op de duurzame produktiemiddelen factoren van de
kostprijs, maar zodra de produktie – ie. de uitvoer –
een opbrengst geeft, welke niet voldoende is om deze
kosten volledig te dekken, dan heeft dit geen ernstige
gevolgen, lIet betekent, dat in de uitvoer aarde vad

de

öxport deze kosten niet zijn opgenomen en dus ook niet
kunnen worden overgemaakt,’ dat dus het ontstane ver-
liés zonder verdere consequenties ten laste van de inves-
tering moet worden aanvaard. heeft echter de financie-
ring plaatsgevonden met behulp van leningen van elders,
dan betekent dit daarentegen, dat de dienst dezer lening
1)

in elk geval uit de opbrengst der uitvoerproclukten zal
moeten worden betaald dan wel dat de schulden aan
het buitenland groter worden. Indien nu de uitvoer-
waarde zodanig daalt, dat rente ,en afscliri,jving (lees
aflossing) geen deel meer uitmaken nan die waarde, be-
tekent dit voor het land, dat tot die remise naar elders
verplicht is, moeilijkheden. Er zal dan if, via de beperking van de invoer, gedwongen besparing binnenslands moeten
plaatsvinden, dan wel in tering van vroeger plaatsgevonden

hehbende nog niet geïnvesteerde binnenlandse besparing
(welke een onverwerkt saldo der betalingsbalans heeft
gelaten), Ôf wel de schuldenlast der economische eenheid
wordt groter doordat ter verkrijging van de overmakings-
ruimte moet w’orden geleend. Dit kan dan in het licht
der on’gunstige omstandigheden slechts geschieden
0
1
)

ongunstige voorwaarden, waaronder hoge rente. Dit
spreekt daarôm in het geval van Indonesië te sterker,
omdat, hoezeer ook gestreefd werd naar een verbreding

van de economische basis, toch nog steeds de uitvoer
;

produkten van bevolking en ondernemingen het funda-
ment voor de welvaart w’aren en het overige bedrijfsleven
in zijn ontwikkeling van die dezei exportprodukten eau-
saaI afhankelijk was. Het was dus een gelukkig verschijn-
sel, dat overwegend met eigen vermogen en niet met
ohligatieleningen of bankkredieten was gefinancierd.

‘) Bij cel, juiste financiering zal van deviezenstandpunt verband
ïusscn aflossing cii afschrijving in dier voege inoelen worden gezocht,
dat cle cCrsle de laatste niet overtreft, tenzij de mogelijkheid bestaat
buitenlandse schulden door besparing in i)innenlands vermogen om
te zetten.

Wel maakten enkele bedrijfstakken – zoals de spoor-

en trainwegen – hierop o.i. ten onrechte, een uitzondering,
doch als geheel maakte de rentelast der produktie voor

leningen toch geen grote post uit in het budget van de
overmakingen. Anders stond het met de rente van de

schuld der overheden, welke o’ok gedelgd moest worden

uit de waarde dezer exportprodukten. Dit was in ver-

kelijkheid alleen mogelijk voor zover de Overheid op een

deel dier exportwaarde, via haar heffingen, beslag had
gelegd en dit deel niet, via besteding in de consumptieve

of kapitaalsfeer reeds in goedereninvoer was omgezet.

Juiste gegevens omtrent de rentelast en aflossingsplicht
van het bedrijfsleven zijn slechts gedeeltelijk en vermoe-
delijk voor het kleinste gedeelte bekend; voor de over-

heidsschuld kwam dit bedrag in de jaren 1925/’28 boven

de 80 millioen gulden per jaar. Voor de jaren 1933/’37 lag de raming voor de totale rente- en schulddelgingslast over
elders geleend vermogen voor Indonesië (Overheid en parti-

culier) ‘tussén de 90 en 150 millioen gulden per jaar, waar-

van rente alleen tussen de 68 en 90 millioen; in de moei-

lijké jaren 1933/’35 maakte alleen het rentetransfer onge-

veer 20 pCt van de exportwaarde der produkten uit,
waarvan meer dan de helft ten laste der Overheid. Het feit, dat het vermogen hoofdzakelijk uit het buiten-
land afkomstig was, had voor de interne verhoudingen
in Indonesië nog een ander gevolg, nl. dat in tijden van

teleurstellende conjunctuur een zekere stahiliserende
economische invloed hinnenslands werd geoefend, doordat
tekorten van de ontvangsten tegenover de uitgaven
ook van elders moesten worden gefinancierd. Daardoor
vloeiden de middelen – welke hun complement in de

goedereninvoer vonden – naar Indonesië en werd, nood-gedwongen, dus een gedeelte van de ‘binnenlandse con-

sumptie van elders gefinancierd.

Ooerige factoren.

Internationaal nam Indonesië op economisch gebied
een min of meer bevoorrechte positie in, doordat de
ontwikkeling van de archipel – en dan hoofdzakelijk Java en Sumatra – zo tijdig was begonnen. Daardoor
toch kon op vele gebieden een voorsprongspremie worden
geïncasseerd, zowel door de ondernemingen als in enkele
gevallen door de bevolking. Deze werd omgezet in uitbrei-

ding van het bezit – zeer typerend is in dit verband de bevolkingsrubber – en ook in krachten welke ten doel
hadden deze voorsprong te behouden (opbouw proef-
stationsw’ezen ne t aantrekking van we tenschappelij lee

arbeid).
Men kan tegenwerpen, dat het feit, dat het vermogen
ter financiering van liet produktie-apparaat van elders

moest w’orden aangetrokken – en natuurlijk meebracht,
dat met dit vermogen ook de vertrouw’ensmannen mee-
kwamen — 01) zichzelf een groot nadeel was. liet heeft geen zin hier op de zgn. ,,di-ainage-theorie” in te gaan;

elders, in mijn ,,De Indische exportproducten” heb ik
deze w’eerled. Zolang echter een land niet zelf over vol-
doende vermogen beschikt om zijn produktiemogelijk-
heden tot ontplooiing te brengen, zal het voor de keuze
staan om ôf de ontw’ikkeling achterwege te laten Ôf een
beroep op elders te doen. Een open vraag daarbij is, of
de investeerders van vermogen in Indonesië als groep
wel zodanig hebben geprofiteerd als mei’s ons vaak wil
doen geloven; grote, zeer grote vermogens, zijn verloren

gegaan, terwijl liet rendement der beleggingen – zolang
niet monetaire . ongezondheid een sluier over de w’erke-
lijkheid wierp – zeker niet hoog kan worden aange-

slagen. – –
De derde schakel, welke Indonesië aan de internationale
economie hond, was de invoer en de ook dsarbij behorende
dienstverlening. Deze invoer was en bleef steeds een afhan-
kelijke bedrijfstak – evenals trouwens de dienstverle-
ning in haar geheel – en typerend, maar noodzakelijk
gevolg van de hele structuur, is, dat, behalve in 1921,

1032

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

28 December 1949
de invoer tot 1940 in waarde nooit de uitvoer overschreed,

ondanks het feit, dat in de jaren van Indonesië’s grote

ontplooiing belangrijke vermogens moeten zijn toege-
vloeid. Meer en meer nam naast de invoer voor de op

westerse leest levende bevolking ook de consumptieve

invoer voor de autocht6ne bevolking haar plaats in.,

Voor zover mij bekend, zijn daaromtrent geen cijfers

uit de laatste jaren bekend, maar vooral de grote mate

van heroriëntering op Java in de crisis der jaren dertig

vormt hier een sterke aanwijzing. De koopkracht dezer

bevolking bleef over het algemeen echter nog gering.

Daarnaast zagen wij de kapitaalgoederen steeds een
plaats in de invoer hebben en wij namen voorts in verband

met de industriële ontwikkeling, een stijgend aandeel

van grondstoffen en halffabrikaten waar.

Heden.

Na 1945 ontstonden moeilijke jaren voor Indonesië.

De oorzaken daarvan zijn te algemeen bekend, dan dat

ik er nog lang hij stil behoef te staan. liet land was en

werd verder economisch, vezwakt; er was grote behoefte
aan alles. Wij zien dan ook in deze jaren, dat de invoeren
de uitvoer steeds weer overtroffen, waardoor de in de jaren
1940/’42 gevormde deviezenpot werd opgeteerd en da.rdoor

dus de daartegenover in het bihnenland liggende koop-

kracht van haar inhoud werd beroofd ten behoeve van de

gemeenschap. Te veel deed naar het mij voorkomt, de

dadelijke nood de economische realiteit uit het oog ver-

liezen, de w’erkelijkheid nl., dat welvaart-voor Indonesië
voorlopig nog steeds afhankelijk is an het potentieel
der exportproduktie.

Basis yoor welyaart.

De basis voor deze welvaart is door vernietiging en

onrust in de achter ons liggende jaren sterk verzwakt
en tevens eenzijdiger geworden. De spreiding is ineen-
geschrompeld tot een viertal produkten, waarvan drie

buitengewoon conjunctuurgevoelig, nl. aardolieproduk-

ten, rubber, copra en tinerts, tezamen ongeveer 80 pCt
van de gehele uitvoer vormende; de palmolie was voorts

weer sterk in herstel. De aardolieprodukten behoren
tengevolge van een bestaande afspraak niet tothet Indo-

nesische deviezenregime en ook voor het herstel der geleden
grote schade wordt geen beroep op Indonesië’s zeer be-

perkte internationale koopkracht gedaan. Door de inter-
nationale economische ontwikkeling hebben de drie

overblijvende dragers van de export, tenzij de politieke
constellatie tot een andere invloed zou leiden, hun gun-
stigste tijd reeds achter zich en het wordt dus dw’ingende
eis, dat zo spoedig mogelijk alle latente krachten iveer

volledig voor de wedeçopbouw kunnen worden ingezet.
Nietalleen voor Indonesië zelf, maar ook voor de wereld,
welke nog steeds aan tal van goederen behoefte heeft.
De toestand is echtér zorgelijk. Wel is de verwachting
gewettigd, dat thans een tijdvak voor de deur staat,

waarin nieuwe mogelijkheden tot algemene ontplooiing
zullen komen, maar de achter ons liggende jaren hebben

de positie van Indonesië internationaal-economisch niet
versterkt, doch eerdér verzwakt. Met deze realiteit zal

rekening moeten worden gehouden. De ontwikkeling
heeft geleid tot een steeds sterker geworden discrepantie.
tussen de exportwaarde en de kosten der voortbrenging
en na de devaluatiè begint deze wanverhouding uitge-
sprokener te w’orden.
OpQoering kooïikracht.

De nieuwe staat is van oordeel, dat de koopkracht
der bevolking moet worden vergroot; hoewel deze ge-
dachtengang in principe juist is, moet toch wel worden
bedacht, dat deze vergroting alleen dan

welvaartbevor-
dei’end kan zijn, indien de concurrentiekracht van Indo

nesië’s welvaartsbronnen, de exportprodukten, niet woi’dt
aangtast. Hetzelfde geldt, althans in de eerstkomende

tijd, voor een verbrèding van de economische basis. Juist

in het contadt met het internationale economische leven
lag in het verleden, ondanks zijn zwakte, ook de kracht

van Indonesië. Ongetwijfeld bestaat weei de mogelijkheid
voor Indonesië om een voorsprong te behalen, door en

in de verbreding van de economische basis, mits daarbij
nauwlettend worden gevolgd de kansen, welke een alge-

mene opheffing van liet koopkrachtpotentieel in Zuid-

Oost-Azië zullen openen en mits dan althans een vrije

internationale handel de gelegenheid zal verschaffen
van deze kansen te profiteren. De structuur van Indonesië

veroorlooft naar mijn mening niet een opbouw van een

autarkie. Een dergelijk streven kan alleen maar aan-
vaardbaar zijn, indien dit niet gepaard zou gaan met oen

volledige ombouw der bestaande nationale economie.
Voor Indonesië zijn door de natuurlijke omstandigheden
de. primaire welvaartshronnen gegeven en, autarkie zou

betekenen grote afbraak aan cle ene kant (men denke

vooral aan de plaritaardige en minerale vetten en oliën,
aan rubber en tin), aan de andere kant opboui van een

nieuw groot geheel, dat alleen kan worden bereikt door

invoer op uiterst grote schaal. Alleen zeer gelèidelijk
kan de basis van Indonesië’s economisch bestel worden

verbreed, echter alleen indien daarbij voortdurend aan-

dacht wordt gegeven aan de internationale economische

ontwikkeling. De natuurlijke gesteldheid, nl. het eilanden-

rijk, is voor een autarkie buitengemeen ongunstig, ook al
woont meer dan de helft van de bevolking op Java.

Invoer en autarhie.

Doch niet alleen voor de export zal Indonesië econo-
mich internationaal moeten zijn georiënteerd, ook voor
de invoer. Kan het koopkrachtpotentieel van Indonesië

alleen maar worden vergroot door verhoging van de wel-
vaart, deze verhoging betekent, dat meer moet worden

geproduceerd met zo economisch mogelijke aaliwending
van de krachten. Dit betekent, dat men zich bij elke ver-

breding van de basis zal moeten afvragen, of de nieuwe
bedrijfstakken wel onder zodanig gunstige voorwaarden

zullen kunnen produceren dat een welvaartsvergroting
voor het geheel het gevolg zal zijn. Door de ongunstige

binnenlandse economische verhoudingen is jalst de inter-
nationale oriën tering noodzakelijk; alleen door Indonesië’s
economisch bestel internationaal in te passeu, kan worden
verwacht, dat voor Indonesië’s economisch apparaat in

zijn geheel de gunstigste verhoudingen worden geschapen.

Noodzaak nieuwe inveslerin gen.

Indonesië zal voor op- en uitbouw, waarbij ook de
wederopbouw, een belangrijke factor i, dringend behoefte

hebben aan vermogen en, wil men ten volle van de nog

liggende kansen profiteren, zulks op korte termijn. Het’
buitenlandse vermogen heeft geen verplichtingen aan
Indonesië, dus zal alleen komen indien liet perspectieven
meent te zien. Perspectieven wat betreft mogelijkheden

voor rustige ontplooiing, perspectieven ook wat betreft
winstkansen. Deze zullén dus moeten bestaan. In de
voorgaande regels heb ik lang stil gestaan bij de finan-
ciering in liet verleden. Dit was niet terwille van de lus-torie, maar juist met het oog op d6 toekomst. Vdor alles
hoede Indonesië zich ervoor dit vermogen aan te trekken

in de vorm van leningen. Te talrijk zijn in het verleden
internationaal de voorbeelden geweest, dat juist de bui-
tenlandse leningen tot grote moeilijkheden hebben geleid,
te groot is bij de bestaande kwetsbaarheid van Indonesië
het gevaar, dat leningen
01)
grote schaal veeleer wel-
vaartvernietigend dan welvaartbevorderend zullen zijn,
om van internationaal politieke consequenties maar te

zwijgen. Wil men Indonesië’s toekomst economisch ster-
kei maken, dan zal liet nodig zijn juist risicodragende
en geen vaste-rentedragende investeringen te bewegen

naar Indonesië te komen. Alleen dan kan echter op de
duur een gezonde nationale economie ontstaan, indien

_’ 7_

W’

28 December 1949

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1033

Indonesië bovendien zelf zo spoedig mogelijk door verso-

bering komt tot sparen in de koopkrachtvorm en tot

investering als risicodragend vermogen. De voorbeelden

hiervan zijn er en Indonesië moge er zich aan spiegelen.
,Ook zonder onnatuurlijke omstandigheden, als elders

gevoerde oorlogen, kan deze toestand woçden bereikt.

De nieuve regeerders staan voor een zvare, maar
groote taak. Mogen zij de kracht en wijsheïd hebben om

de realiteit op economisch gebied te doen prevaleren.

Batavia, December 1949.

J. F. HACCOÛ.

DE POSITIE VAN DE NEDERLANDSE

AMBTENAAR IN INDONESIË NA ,DË

OVERDRACHT.

Aan de beoordeling van de positie van de Nederlandse

ambtenaar in Indonesië na de overdracht van de souve-
reiniteit, moet voorafgaan de vaststelling van de plaats, welke het ambtenarencorps in het algemeen in de Indo-
nesische samenleving inneemt en waaraan de taak kan
worden afgemeten, w’elke de Overheid in de Indonesische

maatschappij vervult.
Niet geheel ten onrechte is het voormalige Nederlandsch-
Indië wel eens een ambtenarenstaat genoemd. Een derge-
lijke kwalificatie zou zeker niet juit zijn, wanneer men er
zich toe zou bepalen de omvang van het ambtenaren-
corps te vergelijken met de totale bevolking van Indonesië.

In dat geval blijkt zelfs, dat het percentage der bevo1king,
dat op een of andere wijze deel uitmaakt van cle overheids-

apparatuur geringer is dan in de meeste andere landen.
Vergelijkt men &venwel de omvang van het ambtenaren-
corps met dat deel der bevolking, dat alphabeet is, dan

wint de in de aanhef gestelde uitspraak wel zeer aan be-

tekenis.
Enige cijfers mogen het voorgaande illustreren, waaraan
wordt toegevoegd, dat geen i’ecente opgaven bestaan,
doch dat uit het beschikbare cijfermateriaal voldoende
gegevens kunnen worden geput om Seen totale indruk te
vormen, die ook thans nog niet ver bezijdeii de werkelijke

toestand zal liggen.
De totale bevolking van Indonesië bdroeg volgens de

Volkstellihg 1930: 60.727.233. Hiervan waren
59.138.067

Indonesiërs, 240.417 Eurbpeanen en 1.348.749 personen
behorende tot de Chïnesq en overige bevolkingsgröepen.
liet totale aantal van het actief dienend personeel in
Gouvernementsd ienst bedroeg volgens het , ,Indisch’
Verslag 1939″ op 1 Maart 1932: 103.619, waarvan 85.708
Indonesiërs, 17.034 Europeanen en 877 personen behorende tot de Chinese en overige bevolkingsgroepen. 1-lierin waren
niet begi-epen do militaire landsdienaren van Land- ei
Zeemacht en het personeel van ce autonome gehiedsdelen
(provincies, regentschappen, gemeen tei, zeifbesturen e .d.).
Sedert is de bevolking toegenomen en’ het ambtenaren-
corps ingekrompefll. Voor
O
de be,rolkirigs toeneming zijn

geen nadere gegevens bekend, voor liet personoelcorps
wel, ni. naar de stand op 1 October 1940, toen het actief
dienend personeel in ,Gouvernementsdienst 81.957 personen
omvatte, waarvan 64.369 Indohesiërs, 16.725 Europeanen

en 863 personen behorende tot de Chinese en overi’g,

bevolkingsgroepen.
Uit deze cijfers kan blijken, dat zelfs, indien de mili-
tairen en de ambtenaren. van de autonome ressorten
zouden worden medegeteld, het totaal aantal der over-

heidsdienaren in vergelijking tot het totaal der bevolking

betrekkelijk gering is.
Geheel anders ziet cle situatie er uit, wanneer wij de

omvang van het ambtenarencorps afmeten aan dat deel
der bevolking, dat alphabeet ig en dan nog meer inhethij-

zonder aan dat deel der alpliaheten, dat in staat is de

Nederlandse taal te spreken en te schrijven.

• Blijkens de Volkstelling 1030 bedroeg het aantal alpha-

beten onder de Indonesiërs 3.746.225, onder de Europeanen
180.504 en onder de Chinese en overige bevolkingsgroepen

369.850. Daarvan waren er onder de Indonesiërs 187.708,

onder de Europeanen 172.089 en onder de Chinese en
overige bevolkingsgroepen 41.080 personen in staat de

Nederlandse taal te spreken en te schrijven. –

In de vooroorlogse periode zien wij dus, dat van een

totaal van 3.746:225 lndonesiërs-alphabeten er 187.708
zijn die Nederlands kennen, dat daarvan ettelijke tien-
duizenden in overheidsdienst zijn, derhalve deel hebben

aan de administratieve en technische functies, welke uit-
gaah boven het eenvoudigste niveau en dat op een totaal
vah 172.089 Europe.nen er in 1932 17.034, en in October

1940 16.725 in ambtelijke dienst zijn.

Geconstatëerd mag dan ook wel worden, dat het ambte-

,
lijke e1emet, zowel in het min of meer ontwikkelde deel
der Indonesische bevolking als in het Europese bevolkings-
deel een zeer ruime plaats inneent.

• Met het vorenstaande voor ogen behoeft het wel geeh
uitvoerig betoog, dat in de jaren onmiddellijk volgende op
de Japanse bezet tingsperiode, het arnbtenarenvraagstuk
een punt van voortdurende en ernstige zorg voor de Re-
gering van Indonesië was. De Japanse bezetting en de

daarop aansluitende periode van politieke onzelcerheid,
heeft in tweeërlei opzicht grote ontreddering gebracht,
zowel in het corps der overheidsdienaren als in de beheers-
taak der Overheid. De uitschakeling van het corps Euro-
pese ambtenaren door de opsluiting in kampen alsmede een belangrijk verloop en herschikking onder het corps

Indonsische ambtenaren, tastten de uitvoering van de
overheidstaak in ernstige mate aan. De hervatting van die taak na afloop van de bezetting op de van ouds beproefde
en degelijke wijze, werd belemmerd, doordat de Japanse
bezetting, zowel in als buiten de interneringskampen vele
slachtoffers had gemaakt. Zij, die er het leven hadden

afgebracht, bleken vooi’ een deel physiek ongeschikt om verder in de tropen te dienen, een ander deel moest voor
dringende recuperatie naar Nedprland of een ander gebied
met gematigd klimaat worden gezonden. De Landsadmini-

stratie bleek in hoge mate ontredderd en de ambtelijke
iachine werd zwaar belast dooi de noodzaak van het

treffen van allerlei voorzieningen, door het teloor gaan van
archieven en het ontbreken van materialen. Voor de uit-
voering van het• zo belangrijke deel van de ambtelijke
taak; dat voorheen door de Indonesiërs werd verricht,
moesten al evenze&r voorzieningen worden getroffen,

omdat slechts een klein deel der Indonesische ambtenaren
beschikbaar was. Velen bevonden zich nl. in Republikeinse
dienst en waren niet bereid in hun oude verkkring terug
te keren; anderen, die wel beschikbaar waren, hielden
zich voorshands afzijdig.
t-let zal wel duidelijk zijn, dat onder die omstandigheden
hij zondere maatregelen moesten worden getroffen. Voor
een deel mest het tekort aan arbeidskrachten worden
aangevuld door de tijdelijke in dienst neming van voor-
namelijk Chinese lcrachten, die evenwel weinig of geen
ervaring hadden o het terrein van de ambtelijke werk-
zaamheid, anderdeels werd .de werving in Nederland met kracht ter hahd genomen. Daarvoor werd de weg
gevolgd van aanwerving op zgn. kort-verband, waarbij
gegadigden zïch voor drie jaar verbonden, in het algemeen
zonder uitzicht op dpneming in vaste dienst.
De werving voldeed reeds van den beginne af niet aan

de behoeften. De toestanden in Indonesië, de betrekkelijke onveiligheid, het gebrek aan woonruimte met de daarmede
gepaard gaande moeilijkheden voor vestiging van de ge-
zinnen, de sterke stijging van de kosten van levensonder-
houd, het ernstig gebrek aan passend onderwijs, maar
vooral de onzekerheid, voortvloeiende uit de onoverzichte-

1034

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

28 December 1949

lijke politieke toestand en de onwetendheid met betrekking

tot de uitkomst van het geschil met de Republiek, waren
al
evenveel belemmeringen voor het aanvaarden van een’

werkkring in aPbtlijk verband, immers meer

dan aan een particuliere werkkring of een vrij beroep, de
eis van zekerheid wordt gesteld.

De niet over-talrijke kort-verbariders, die niettemin een

taak in Indonesische overheidsdienst aanvaardden, waren
– hoewel een welkome aanvulling van en hulp voor het

overgebleven oude persorièel – toch zeer onvoldoende

om een vlotte gang van zaken te waarborgen.

Ter bevordering van de werving en teneinde de in dienst

zijnde ambtenaren te doen doordienen in voldoende

zekerheid voor de toekomst, gaf de Nederlandse Regering
in Augustus 1947 een verklaring uit, waarin aan zeknre

groepen van a’mbtenar&n de grondslagen werden gegaran-

deerd, waarop de rechtspositie van de N,ederlandsch-

Indische landsdienaar berust, derhalve bijv. het recht op

pensioen en de aanspraak op nonactiviteitstractement en
buitenlands verlof. –

Het zou zeker. te boua zijn te beweren, dat deze ‘ver-
klaring het doel dat voorzat, bereikte. Zij was in vage

bewoordingen gesteld en beperkte zich tot zekere groepen’

van Europese ambtenarei,’nl. tot die, welke aânspraak

konden doen gelden op buitenlands verlof. Ook een nadere
interpretatie door de Regering

in Batavia gegeven, ver-

mocht niet de bevrediging te schenken, die rust had
kunnen brengen in het ambtenarencorps.

Inmiddels was op 9 Februai’i 1948 door de Nederlandse
Regering ingesteld de Commissie Rechtspositie Neder-
landsch-Indisch Ovei’heidspersoneel, naar haar voorzitter
gewoonlijk de Commissie-Werner geiioemd, die tot taak

had voorstellen in te dienen betreffende de voorzieningen,

welke in verband met de staatkundige reconstructie van
het Koninkrijk zullen dienen te worden getroffen ten aan-
zien van de rechtspositie van het in dienst zijnde Neder-

Iandsch- Indische overheidspersoneel en de nieuwe krachten
die. in Nederland zijn en zullen worden aangeworven,
ter uitvoering van de door Nederland aanvaarde verplich-

ting tot het verlenen van’ bijstand aan de nieuwe staat-

kundige organen in Indonesië.

Uit het overleg van deze Commissie met de’ Regering
van Indonesil en met de vakbeweging van ambtenaren
in Indonesië, kwamen ‘twee tegenove’ elkaar

staande
opvattingen naar voren met betrekking tot de toekom-

‘stige status van de Nederlandsch-Indische ambtenaar.

Een belangrijk deel der ign. blijvers” onder de ambte-
naren, d.w.z. de in Indonesië geboren en getogen personen,
die weliswaar nog met banden des

*
bloeds aan Neder-
land zijn verbonden, maar Indonesië als hun vaderland
en land van blijvende vestiging beschouwen, verlangde
overging naar de dienst van de Verenigde Sfaten van
Indonesië met handhaving van de rechtspositieregelep,
zoals deze offder het voormalige Nederlandsch-Iddische
Gouvernement golden. De overgrote meerderheid der
zgn. ,,trekker&’ daarentegen, d.z. diegenen, die uit Neder-
land zijn• uitgezonden en zich blijvend met ‘het Moedei’-

land verbonden gevoelen, bleken, over het algemeen
gaarne bereid hun diensten, aan de nieuwe Staat ter be-
schikking te blijven stellen, doch verlangden de vorming
van een bijstandscorps, waarin alle ambteharen-Neder-
landers zouden moeteh worden opgenomen en waaraan
de status van een Nederlands ambtenarencorps zou
moeten worden gegeven. De in Malino en Linggadjati

cftitwikkelde •bijstandsgedachte ‘zou naar hun mening op
deze’wijze het bet tot haar recht komen. Zij’ achtten
de overdracht van het gehele ambtenarencorps aan de
nieuwe staat ontoelaatbaar, omdat de ambtenaar niet
tot de boedel behoort en zodanige overdracht een ernstige

inbreuk zou betekenen op de persoonlijke vrijheid van
ieder ambtenaar afzonderlijk.

Uitgaande van de overweging, dat van de nieuwe souve-
reine staat niet mochtworden verlangd, dat hij de uit-

voering van zijn taak als zelfstandige Overheid zou moeten

uitoefehen met een amhtenai’encorps waarvan een be-
langrijk gedeelte niet in zijn dienst zou staan doch slechts

te zijner beschikking zou zijn gesteld, besliste de Regering

tenslotte, dat het gehele ambtenarencorp in ‘dienst van’

de Verenigde’ Staten van Indonesië zou moeten overgaan,

dôch dat daarnaast aan de ambtenarefi van Nederlandse

nationaliteit zekere garanties zouden worden gegeven.

Ter geruststelling van de betrokken ambtenaren gaf

,de Nederlandse Regering op 5 Augustus 1949 een aan-vullende en duidelijker ornlijnde garantieverklaring uit,
waarin Zij o.a. als doelstelling aangaf,dat ,,aan de Ver-

enigde Staten van Indonesië bij het ,pvernemen van de

souvereiniteit een ervaren ambtelijk apparaat ten dienste
zal staan”.

In deze verklaring werd de beperking tot bepaalde

Europese groepen opgeheven en werden derhalve alle

Europesb ambtenaren van garanties voorzien, voor zover
zij hun dienstverband uiterlijk vijf jaar oa de overdracht

zouden beëindign. Dit geschiedde in het vertrouwen,
dat dé positie van het in dienst zijnd personeel zich binnen

dat tijdsverloop voldoende zal hebben geconsolideercl

en zonder tekort te doen aan het standpunt van de Neder-

landse Regering, dat de Verenigde Staten van I:ndoriesië,
als rechtsopvolgers van het Nederlandsch-lndische ou-
vernemnt de ‘verplichtingen vanhet nog onder Nedei’:

landse souvereiniteit staande Indonesië, onverkort zullen
o’ernemen. – –

Sedert is ter Ronde Tafel Conferentie met de Republiek
der Verenigde Stateit van Indonesië overeengekomen,
dat op het tijdstip van de souvereiniteitsoverdi’acht alle’
alsdan bij

de Regering van- Indonesië in vast of .tijdelijk –

dienstverband of op kort-verband werkzame burgerlijke
overheidsdienaren in dienst van de Republiek zullen –

overgaan. De Republiek aanvaardt alle rechten en ver-
plichtingen, welke Indonesië op het tijdstip der over-

dracht heeft ten aanzien van de overheidsdienaren van
Indonesië alsmede ten aanzien van de gewezen overheids-

dienaren en de nagelaten betrekkingen. De Republiek

verklaart gedurende een periode van twee jaar na de
overdracht geen wijzigingen in de thans geldende rechts-
positiebepalingen te zullen aanbrengen, ten nadele van
hen, die de Nederlandse nationaliteit bezitten en zo lang
zij deze behouden. Wel heeft zij reeds aanstonds het recht
tot herschikking en selectering over te gaan. Mocht de

Republiek tot ontslagverlening overgaan, om redenen van

diensthelang, buiten schuld of. toedoen van betrokkene,
dan is de afvloeiingsregeling van toepassing, die ten tijde
van-dat odtslag van kracht is. Wordt een ontslag op eigen
verzoek verleend tijdens de hiervoor genoemde overgarigs-
periode van twee jaar, dan verkrijgt de betrokkene
generlei aanspraak op een uitkering door of vanwege de

Republiek. Is het ontslag verzocht na afloop der over-
‘gangsperiode tengevolge van zodanige. wijziging
,
in dé
dienstvoorwaarden, dat teli beoordeling van de Republiek,
doordienen in redelijkheid niet kan w’orden gevergd, –

dan zal betrokkene kunnen afvloeien op de daarvoor
gestelde voorwaarden.
De afvloeiïngsvoorwaarden omvatten wachtgeld of
onderstand, voor de ambtenaren in vaste dienst in de
meeste gevallen gevolgd door een evenredig pensioen.
Het is in het bestek van dit artikel niet mogelijk de af-

vLoeiingsvoorwaarden geheel over te nemen. Volstaan
‘moge worden met de opmerking, dat zij, naar mag worden
aangenomen, ook voor de ambtenaren bevredigend zijn.
Intussen heeft de Regering een ontwer’p-Garantiewet
hij de Staten-Generaal aanha’ngig gemaakt. Dit ontwerp

garandeert aan de in dienst zijnde ambtenaren alsmede
aan hen, die na de oorlog aan de wederopbouw van
Indonesië hebben deelgenomen, doch sedert zijn gepen-
sionneerd alsmede aan de nagelaten betrekkingen van deze
categorieën:
1e. het pensioen, wanneer is voldaan aan de voor eer-

28 Dc’cember 1949

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1035

vol ontslag uit de dienst met recht op pensioen gestelde
voorwaarden;

2e. cle gevolgen van een ontslag, dat niet
01)
eigen
verzoek isverleend en niet aan eigen schuld of toedoen
is te wijten;

3e. de gevolgen van een ontslag op eigen verzoek wegens

wijzigingen in de dienstvoorwaarden, de dienstverhou-

dingen of de levensomstandigheden, zodanig, dat

voort-

zetting van- de dienst in redelijkheid ‘niet kan worden ge-
vorderd.

Deze garanties gelden slechts, wanneer het ontslag is
ingegaan uiterlijk vijf jaar na het tijdstip van de souve-
reiniteitsoverdraôht.

De redelijkheid van de redenen, die tot het ontslag

hebben geleid, zullen worden beoordeeld door een com-
missie. –

Afgezien van verdere detailkwesties, moge hier nog

worden vermeld,, dat verwezenlijking der garanties wordt

gebonden aan de eis van vestiging metterwoon in Neder-
land binnen twee jaar na de souvereiniteitsoverdracht.

De voornaamste hezw’aren van de ambtenaren richten

zich tegen de omstandigheid, dat de redenen, die tot het
ontslag leiden ter beoordeling aan een commissie zullen
wordefi voorgelegd. Tegen deze b’eperking vai

L,
de vrij-
willigheid wordt, naar uit het Voorlopig Verslag der
rFv,,eede Kamer blijkt,- ook idoor de State’i!Generaal
stelling genomen. Men gaat er daarbij van uit, dat vrij-.
willigheid weliswaar altijd aanwezig is, omdat de Regering

niemind kan dwingen in dienst te blijven, maar dat alsdan
in elk ge’al afvloeiingsregelen behoren te worden gesteld
en gegarandeerd, daar anders, behalve tea aanzien van de véinige financieel onfhankelijken, toch” de eeonotnische
dwang bestaat om in dienst te blijven, op straffe van
brodeloosheid, omdat de arbeidsmarkt voor het, plaatsen

van nieuwe werkki’achten hier te lande bepaald nietw’illig
kan worden genoemd. Gehoopt moet worden, dat het tot wet verheven produdt
tenslotte de ambtenaren -Nedrlanders ‘in voldoende
zekerheid voor de. toekomst doet doordienen.

liet amhtenarencorps van Indonesië heeft in de achter
ons liggende decennia een mooie taak verricht en het
kan niet anders clan als een voordeel worden gezien, dat
de jonge souvereine staat met dit corps zijn taak kan aan-vangen, zonder dat het gemutileerd wordt door afkapping
van het Europese deel evan.

liet ligt uiteraard in de lijn der verwachting,’ dat de
leidende en sleutelpdsities al dadelijk voor eefi ‘deel en in
de toekomst wel geheel in ‘Indonesische handen zullen
overgaan. Aan de Nederlanders zal daarbij voorlopig
hoogstens nog een adviserende taak worden toebedeeld.
Het streven om de leidinggevende en administrerende
taak met zonen van het eigen land uit te -voeren is vol-
komen normaal. Zo lang evenwel een bredere laag van
Indonesische in teiligentsia met vdldoende ervaring n6g
ontbreekt, zal, naar steller dozes meent, nog een mooie

en aantrekkelijke taak voor Nederlanders zijn weggelegd.
Dat deze Nederlanders over voldoende kennis van taal,
land en volk moeten beschikken en téchnisch of admini-
stratief behoorlijk ondeilegd moetei’i zijn, zal wel nauwelijks
behoeven te wordën betoogd.
Wanneer h’eide partijen, de Regering van de Republiek
enerzijds en de ambtenaren-Nederlanders anderzijds,
de noclige tact en souplesse ,ophrengen om, de ni&uwe ver-

houdingen recht •te doen w’edervaren, dan zal zulks het
schone en geweldige Indonesische Rijk in de hoogste mate
ten goede lcomen.
‘s-Gravenhagc.

E. ISRAËL.

DE TRANSFERREGELING TUSSEN
NEDERLAND EN INDONESIË.

Iedere overeenkomst inzake transfe- veronderstelt

h&t ontbreken van een vrije deviezenmarkt. Bij een Vrije
deviezenmarkt – onverschillig of deze is ‘gebaseerd op

vaste wisselkoerseji of op een vrije koersvorming – is
voor een overeenkomst inzake fi’ansfer geen plaats. Pas

wanneer de omstandigheden of de sociaal-economische

opvattingen van de Ovrheid tot beperkingen in het

betalingsverkeer met het buitenland aanleiding geven,
kan- het wenselijk zijn bij verdrag te regelen in hoevôrre
men ‘ioör bepaalde overmakingen prioriteiten kan doen

gelden. Geenenkele overeenkomst op dit punt zal echter
meer betekenen dan een •zekere verklaring van good-
will” omdat bij de vee]heid van ,belangen, die in een

dergelijk geval om de voorrang ftrijden, nimmer aan-

spraak zal kunnen worden gemaakt op een dusdamige
onaantas tbare voofkeursbehandeling, dat daai’voor be-

talingen zouden moeten wijken, die in het licht van de

algemene economische en ‘öciale politiek van de

ver-
dragspartner als primair worden beschouwd. Bovendien
zal hèt nimmer mogelijk-zijn deze 1atste belangen anders
clan

in algemene termen te omschrijven, waarbi,j het
grotendeels van de feitelijke politieke en economische

ontwikkeling zal afhangen, welke conci’ete betekenis
daaraan op een bepaald moment zal kunnen worden toë-
geken’d.

In dit licht bezien, zijn eigenlijk van meer belang dan
de inhoud van de specifieke transferbepalingen

de voor-
uitzichten op herstel yan een.vrije deviezenmarkt en de algemene verwachtingen ten aanzien van het

te voeren
deviezenbeleid.

De vooruitzichten op het herstel van een vrije deviezen-

markt w&rden in het algemeen bepaald door twee groe-
pen van omstandigheden:

de ontwikkeling van de binnenlandse monetaire
en econonlische politiek, waaronder niet alleen het be-
grotingsbeleid in engere zin maar ook de algemene sôciale
en economische, opvattingen van overwegend belang
zijn en

de primaire factoren, die de ruilkracht van een land
met het buitenland bepalen.
Beide groepen van factoren fijn

tot op zekere hoogte
onderling afhankelijk maar anderzijds toch weer dus-

danig. zelfstandig bepaald; dat zij afzonderlijk kunnen
worden beschouwd.

– Iedere ‘sociale politiek heeft de neiging de uitgaven van de Ftaat primair te stellen boven de inkomsten en
loopt daardoon het gevaar van inflationisme. In het bij-

zonder geldt dit voor een gemeenschap als de Indojie-
sische, waar een groot deel van de hevolking)eeft op de

grens van een physiek minimum en men te zeifder tijd
grote ambities heeft ten aanzien van de algemene econo-mische en sociale ontwikkeling.

Aangenomen moet worden, dat de kosten van het

regeringsapparaat in Indonesië voorlopig hoog zullefi
zijn. De instandhouding van een uitgebreid militair
apparaat is niet alleen noodzakelijk ter bestrijding van
bendewezen en misdaad, maar is ook indirect een middel
om onrustige elementen, die anders wellicht gevaarlijk
zouden kunnen vord&n, te binden. Zelfs al zou blijken,
dat vele van de sociale dromen van de nieuwe macht
hebbers niet voor verwezenlijking vatbaar zijn, dan nog
moet men verwachten, da

t de sociale bemoeiingen van de
Overheid niet gering zullen zijn.

Dit alles maakt, dat, voor zover zulks door de sociald
tendenties wordt bepaald, een vrij deviezenverkeer voor-
alsnog niet zeer waarschijnlijk is.
Daartegenover, staat, dat cle ruilkracht vaii In’donesië
in de wereld in vele opzichten gunstigei’is dan van menig
Westeuropese Staat. De grondstoffen, die Indonesië 1

evert,
hebben een gei’ede markt. Zolang geen algemene depres-

17
7

.

t.
77

F

1036

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

28 December 1949

sieverschijnselen optreden, mag op een – iiï verhouding

tot de productiekosten – nog altijd aantrekkelijk pijs-

peil worden gerekend.

Quantitatief is de uitvoer nog slechts ongeveer ‘/

van vôör de oorlog. Ieder herstel, van de geleden oorlogs

schade, iedere vergroting van orde en rust, zal derhalve

direct tot een verbetering van de omvang van de uitvoer
leiden. De mogelijkheden van een herstel van Indonesië
als producent van weeldmrktgoederen zijn nog altijd

groot.
De buitenlandse schuldenlast van Indonesië is reëel
genQmen geringer dan zij in de laatste tientallen jaren

ooit is geweest. Na de kwijtschelding van rond f 2 mrd

schuld aan Nederland, is zij uitgedrukt in de gedepre-
cieerde valutas van na de oorlog nauwelijks groter dn

voor de Japanse bezetting en bij het gestegen wereldpnijs-

peil derhalve als reële last belangrijk, kleiner.

Niettemin zal juist,
4
wanneer Indonesië zich als zelf-
standige Staat bevredigend mocht ontwikkelen, de nei-

ging tot rehabiljtatie van het bedrijfsleven voorlopig
nog een belangrijke druk op de betalingsbalans uitoefenen.
Hoewel Indonesië met ijn uitgebreid eilandenrijk,

zijn 70 millioen bevolking en zijn geringe lader van ad-
ministratieve krachten, zich uiterst slecht leent voor

het voeren van een minutieus deviezenlelicl, moet op

grond van de hierboven geschetstefeitelijke omstandig-
heden worden verwacht, dat-ook in dat deel van de ‘we-

reld voorlopig van devie7.en6ontr6les geen afstand zal

worden gedaan.
Een andire kwestie is, dat de
oorm
waarin de deviezen-
contrôle in Indonesië zal worden uitgeoefend, weleens
een geheel andere zou kunnen zijn dan zij tot nog toe

geweest is en waaraan wij in West-Europa gewend zijn.

Vormen, waarbij het deviezenverkeer volgens zeer alge-mene beginselen wordt verdeeld in grote groepen, waar-

van de afwikkeling slechts tegen verschillende koersen

kan p’aatsvinden, betee4en een dusdanige ‘ereen-
voudiging in vergelijking met het in ,Nederknd bestaande

systeem, dat een ontwikkeling in deze richting in Indo-

nesië alleszins waarschijnlijk moet worden geacht.

Het punt is hierom van belang, omdat het xiog eens opnieuw en van een andere gezichtshoek uit duidelijk

maakt hoe zeer de feitelijke uitkomst van bepaalde trans-
forovereenkomsten onvoorspelbaar is. Immers, niet

alleen dat – zoals reeds in de aanvang word geconsta-

teerd – iedere overeenkomst inzake transfer, wat de

jetelijke
uitkomst betreft, grotendeels word t bepaald

door politieke en economische ontwikkelingen, w’aarop
men slechts bij het voortduren van de koloniale verhou-. dingen invloed zou hebben kunnen uitoefenen, doch die
in het verkeer tussen souvereine Staten veeleer als on-
voorzienibare en nauwelijks te beïnvloeden gegevens
moeten worden aanvaard, ook de vorm waarin het de-viezenverkeer zich kan ontwikkelen, brengt zijn eigen

onzekerheden met zich.
Niet Oleen de overdi’acht als zodanig is immers van
belang: maar ook de koers, waaiLegen deze plaatsvindt,
en bij een multipele koersvorming derhalve de rubriek
waarin de respectieve transacties worden ondergebracht.

Wanneer wij in het licht van het voorafgaande de in
de financiële en economische overeenkomst voorkomende
transferbepalingen aan een nader onderzoek ondeierpen,
dan. interesseren ons in de eerste plaats die bepalingen,
waarbij ten aanzien van de algemene richtlijnen van het
financieel en economisch beleid nader ovei’leg met Neder-
land is overeengekomen. Gezien het volledige karakter

van cle souvereiniteitsoverdracht kan Nederland uiter-
aard’generlei invloed doen gelden op het algemène sociale

beleid en de begrotingspolitiëk. hier moest derhalve
bij ‘oorbabt met een algemene heginselverklaring voor
een gezond eco’nomisch beheer worden volstaën.
in .artikel 14 van Afdeling B (financiële betrekkingen)
van de financiële en economische overeenkomst is vast-

gelegd, dat ,,Nederland en de Républiek der Verenigde
Staten van Indonesië ieder voor zich zullen streven naar

een gezond monetair systeem, zich daarbij baserend op

de beginselen tot uitdrukking gebracht in de Bretton

Toods
Overeenkomsten. Dit vereist onder andere, dat

in elk der lancleii slechts één circulatiebank werkzaam

zal zijn. De monetaire politiek van ‘elk der beide landen

zal zijn gericl1t op het bereiken en handhaven van een

stabiele interne en ‘externe waarde van de ,munteenheid

en
01)
het bevorderen van een vrij betalingsverkeer”.

In artikel, 15 wordt nog nader verklaard, dat de Repu-
bliek, ook zolang zij het lidmaatschap van het Inter-

nationale Monetaire Fonds nog niet heeft verkregen, de

,regels, welke een lid van het Foiïds heeft in acht te nemen,

zal naleven.
Gezien het feit, dat de statuten ‘van het Fonds voor

door de oorloggetroffen landen gedui’ende de eerstvolgen-

de jaren de mogelijkheid open laten vooi’ een systeem

van devezencontrôles en gezien de omstandigheid, dat

het Fonds t.a.v. de practische toepassing van het be-
ginsel van vaste eh enkelvoudige w’isselkoersen in het
bijzonder •ten aanzien van minder ontwikkelde landen

bij herhaling blijk heeft gegeven bereid te.zijn. tot belang-
rijke afwijkingen van dit beginsel, kan uit deze algemene

onderschikking an de regels van het Internationale

Monetaife’ Fonds overigens geen vergaande conclusie

w’orden getrokken ten aanzien van de in feite te ver-

wachten deviezenpolitiek.
Een meer directe verplichting tegenover Nederland is

te vinden in artikel 17, welk artikel bepaalt, dat ,,zolang
de iiternationale of interne omstandigheden een devie-

zenregiem noodfakelijk maken, Nederland en de Repu-

bliek der Verenigde Staten van Indonesië overleg (zullen)
plegen terzake van voor de wederpartij van wezenlijk
belang zijnde punten van het te voeren deviezenbeleid”,

terwijl in artikel 16 is vastgelegd, dat over wijziging van

de wisselkoers van de munteenheden tussen heide landen
voorafgaand ovei’leg zal worden gepleegd.

Voor zover het deviezenbeleid de resultante is van die-

pei’liggende maatregelen op monetair en financieel gebied,
kan voorts nog van belang zijn de bepaling van artikel
19, waarbij de Republiek zich verbindt, zolang zij schuld-
verplichtingen heeft aan Nederland, waaronder mede
begrepen de dooi’ Nederland ten behoeve van schulden
van’ Indonesië gegeven garanties, in het algemeen oîer-

leg te plegen, wanneer zij belangrijke maatregelen over-

weegt op monetair en financieel gebied, voör zover be-
langen van Nederland daarbij zijn betrokken.

Meer in concreto is bepaald (lid 1), dat met Nederland
overleg zal worden gepleegd zowel ter zake van voor-
genomen wijzigingen in de op het tijdstip van de souve-
reiniteïtsoverdracht van .kracht zijnde muntwet en de
Javase Bankw’et als ten aanzien van een nieuw door de Republiek vast te stellen muntwet en cii’culatiebankwet
en daarin eventueel nadien aan te brengen wijzigingen.
Tot het tijds tip van het van kracht worden van de nieuwe

circulatiebankwet zal metNederland overleg wordcn gepleegd
inzake de benoeming en het ontslag van de president en
de directeuren van de circulâtiebank en inzake de crediet-
verlening van de circulatiebank aan de Overheid (lid 3).

-. Teneinde het algemeen overleg zo soepel mogelijk te
doen verlopen, zal,aan de staf van de Hoge Commissaris
in Indonesië een door de Nederlandse Regering aange-
• wezen adviseur voor aangelegenheden op het gebied
van het geldezen en het cireulatiebanlcwezen worden

toegevoegd (lid 4).
Door deze laatste bepaling worden de mogelijkheden
van het algemeen overleg terstond gekanaliseerd, hetgeen
uiterst nuttig is.
Naast deze ‘algemene bepalingen, waarbij Indonesië
als souvereine Staat zich in het algemeen verplicht tot
het voeren van een economisch beleid, waarbij zeer in
het algemeen met de enorme economische belangen van

28 December 1949

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1037

Nederland in Indonesië enigszins rekening wordt gehouden

en zekere mogelijkheden van overleg ten aanzien van strategische beslissingen zijn opengehouden, staan de

eigenlijke transferbepalingen in engere zin van artikel 18.

Lid 1 van dit artikel geeft een volledige opsomming
van de categorieën van betalingen,waarvoor de Republiek

der Verenigde Staten van Indonesië transfer naar Neder-

land zal toestaan – behoudens de reeds als begrijpelijk
aangeduide en in lid 5 van artikel 18 met zoveel woorden

opgenomen reserve, dat de Republiek zich het recht
voorbehoudt om ten aanzien van de in lid 1 genoemde
transfer van gelden zodanige beperkingen aan te leggen
als zij noodzakelijk mocht achten in verband met haar

deviezenpositie.

Onder dit voorbehoud staat de Republiek der Ver-
enigde Staten van Indonesië transfer naar Nederland toe:
a. ten behoeve van bedrijven, uitmakend een actieve

Nederlandse investering voor:

1. de noodzakelijke uitgaven in Nederland ten bphoeve
van het bedrijf in Indonesië;

de bijdragen aan fondsen voor pensioen-, invali-

diteits-, weduwen- en wezen- en andere sociale voorzie-

ningen ten behoeve van het personeel, een en ander voor,
zover de premiën en bijdragen noodzakelijk zijn •tot delc
king van uitkeringeh aan Nederlanders; de rente en contractueel verschuldigde aflossing

van in Nederland ten behoeve van het bedrijf in Indonesië
geleende gelden;

de jaarlijkse winsten en de afschrijvingen volgens
goed koopmansgebruik;

b. van dividenden, wat betreft passieve investeringen
van Nederland uit;

c. aan levensverzekeringmaatschappijen voor prerniën,

benevens aan fondsen voor pensioen-, invaliditeits-, we-

duwen- en wezen- en andere sociale voorzieningen, voor
bijdragen zowel van werkgevers als van werknemers,
een en ander voor zover de premiën en bijdragen nood-zakelijk zijn tot dekking van uitkeringen aan Nederlan-
ders;

d. aan in, Indonesië werkzame of werkzaam geweest
zijnde Nederlanders voor hun spaargelden, alsmede voor
de bedragen bestemd voor het onderhoud van huitèn
Indonesië verblijvende personen tot wier onderhoud zij
wettelijk of moreel gehouden zijn;
e. ten behoeve van in Indonesië werkzame of werkzaam
geweest zijnde Nederlanders c.q. hun nabestaanden,
clie buiten Indonésië verblijven, voor p’ensiden, verlofs-

tractementen en andere dergelijke periodieke sociale uit-
keringen, voor zover die niet uit cle onder a. en c. be-
doelde fondsen worden bestreden;
f. van rente enaflossirig op door lagere openbare rechts-gemeenschappen of door andere op hoog gezag ingestelde
rechtspersonen uitgegeven obligatieleningen en aânge-
gaan onderhandse leningen, voor zover de betalingen van
die rente en aflossing in verband met de financiële positie
van bedoelde rechtsgemeenschappen en andere rechts-
personen niet wettelijk zijn of worden opgeschort.
Behalve enige bepalingen, die min of meer vanzelf
spreken, bevat artikel 18 voorts nog een tweetal overeen-
komsteri, waarvan,de inhoud onder bepaalde omstandig-
heden van belang kn blijken en waarover lang en hard-
nekkig is gediscussieerd.
De tweede regel van het reeds eerder vermelde lid 5
bepaalt, dat wanneer zich ten aanzien van de in het le
lid genoemde transfers omstandigheden zouden voordoen,
die de Republiek zouden nopen tot het instellen van
beperkingen, terzake van deze beperkingen tussen de
Republiek en Nederland vooraf overleg zal plaatsvinden.
Dit overleg – en hierin vooral schuilt het constructieve
element – zal plaatsvinden door middel van een nader
in te stellen technische commissie. Ook hier is dus – even-
als in hrtikel 19, lid 4 – bij voorbaat een zekere proce-
dure vastgelegd, waarbij het zakelijk element op de voor-

grond staat en door het commissoriale karakter van dit o’erleg althans mogelijkheden worden geopend op een

min of meer duurzame samenwerking. Uiteraard kan men

opmerken, dat wanneer de binnenlandse economische
en politieke verhoudingen in Indonesië eenmaal dusdanig

zijn geworden, dat transferbeperkirigen moeten worden
ingesteld, overleg niet veel baat meer kan hrengeh, maar

dit is nu eenmaal een onvermijdelijke consequentie
van de souvereiniteitsoverdracht. Wanneer men deze

als gegeven aanvaardt, biedt commissariaal overleg in

geval van moeilijkheden de enige nog mogelijke uitkomst.
Conciser nog is de bepaling van lid 8, waarin de transfer
is geregeld van gelden, welke in geval van onteigening,
nationalisatie enz. c.cj. naasting aan belanghebbenden
zijn betaald.
Lid8luidt: In geval van onteigening, nationalisatie enz.
c.q. naasting staat de Republiek der Verenigde Staten van

Indonesië transfer toe van de schadeloosstelling c.q. naastingsprijs binnen drie jaren na de datum van het

ontstaan van het recht op schadelooss telling c.q. naastings-

prijs. In gevbllen, waarin de Republiek der Verenigde

Staten van Indonesië liet onmogelijk acht om de schade-
loosstelling c.q. naastingsprijs binnen drie jaar over te

maken, zal de Republiek der Verenigde Staten van Indo-
nesië zulks moeten verklaren alvorens tot onteigening,

nationalisatie cle. over te gaan. Een arbitragecommissie,
bestaande uit een vertegenwoordiger van de rechthebben-
de en een vertegenivoordiger van de Republiek der Ver-

enigde Staten van Indonesië en eenderde lid, door beide
eerstgenoemden in onderling overleg aan te wijzen, zal

een bindende beslissing geven met betrekking tot de
vraag, of en in hoeverre een1 uitzondering mag worden
gemaakt op bovenbedoelde termijn van 3 jaar. Ingeval
onmiddellijke overmaking niet plaats heeft, zal de in
Indonesisch courant uitgedrukte schadeloosstelling c.q.
naastingsprijs tegen de koers van de dag van ontstaan
van het recht w’orden gecrediteerd in de valuta van ]iet
land, wâaruit het geïnvesteerde kapitaal afkomstig is”.

Deze bepaling voorziet derhalve niet alleen in het recht

op transfer van de betaalde – naastingsprijs, maar legt tevens vast-, dat deze zal plaatsvinden tegen de koers
van de dag, waarop liet recht op betaling is ontstaan, terw’ijl – last not least— de tijdsduur tussen naasting
en traasfer tot 3 jaar is beperkt, c.q. de procedure is aan-

gegeven, waarlangs deze tijdsduur in bijzondere gevallen
nader zal kunnen worden bepaald.
,Samenvattend mag worden geconcludeerd, dat biniien
debeperkii

igen, die een direct en logisch gevolg zijn van
de souvereiniteitsoverdracht zelf, de technische uitwer-

king van de transferregeling geeft, wat men er redelijker-
wijze als uiterste van had mogen verwachten. ,Dat dit
kon worden bereikt is slechts, te danken aan het geduld, de goede wil en de bekwaamheid van de gedelegeerden
aan beide lijden
1
van de groene tafel. Wanneer deze ook
bij liet rijzen van concrete moeilijkheden wederzijds
aanwezig blijven, biedt de overeenkomst het raam, waarin
deze eigenschappen ook in de toekomst tot bevredigende
resultaten zullerr kunnen leiden.

Overveen.

S. POSTFïUMA.

AANTEKENING.

lIET VIJFDE VERSLAG VAN 1)14 NEI)ERLANJ)S14 RRGËIiIN(
BETREFFENDE DE WERKING VAN lIET E.R.P.

liet dezer dagen verschenen vijfde
1)
,,Progress Report”
van de Nederlandse Regering, gedateerd 15 November
1949, bestrijkt het derde kwartaal van 1949.

hoofdstuk 1, dat, zoals gewoonlijk, een overzicht- geef1

‘) Een overzicht van de cersle vier vesIagen vindt
men rssp.
in
,,E.-S.B.”
van
29
December
1948, hl. 1035,
van
23
Maart
1940,
bis. 237,
van
29 Juni
10
1
,9, hlz. 519
en van
28
September
1949,
blz.
778.

1038

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

28.December 1949

van de gebeurtenissen en maatregelen met betrekking
tot het E.R.P. gedurende de verslagperiode, vangt aân
met een bespreking van het voorstel tot verdeling van

de hulp voor het fiscale jaar 1949/50. Oorspronkelijk

lag het dit jaar in de bedoeling, dat de Programma-

commissie van de O.E.E.C. op grond van de resultaten

van een critische beschouwing der diverse landenpro-

gramma’s een voorstel over de verdeling van deze hulp

zou uitwerken. Daar echter bleek, dat de discrepantie

tussen de totaal door de landen noodzakelijk geachte

hulp en de feitelijk beschikbare hulp zodanig was, dat

deze door het aanbrengen van technische correcties niet

zou kunnen worden opgeheven, werd de taak van de

O.E.E.C. beperkt tot het opstellen van een technisch
rapport. Na indiening van dit rapport bij de Raad besloot

deze de heren Baron Snoy en Marjolin, resp. voorzitter

van de Raad en Secretaris-Generaal der Organisatie, op

te dragen dit rapport nader te bestuderen en een voorstel

tot verdeling der hulp te ontwerpen. De Raad aanvaardde

de voorstellen, welke dit rapport behelsde en keurde goed,

dat het ongewijzigd aan de E.C.A. werd overhandigd.

De reactie van de E.C.A. op het voorstel Snoy-Marjolin,
volgens w’elk Nederland in totaal
S
270 mln aan directe
en S 156,5 mln aan indirecte hulp zou ontvangen, was

van principiële betekenis. Daarin werd ni. aangekondigd,

dat de E.C.A. hij de verdeling van de hulp een nieuwe

regeling zal gaan volgen. Zij zal thans de aanbeveling

van’ de zijde der O.E.E.C. gebruiken als uitgangspunt

voor de toewijzing van de hulp voor de eerste zes maanden

van het lopende fiscale jaar.’ De toewijzingen voor elk
land zullen in overeenstemming met de ontwikkeling
kunnen worden gewijzigd. ‘Een belangrijke factor zal

daarbij zijn, welk resultaat de deelnemende landen zowel

individueel als collectief in het kader der O.E.E.C. hebben

bereikt, zowel tav. een meer doeltreffend gebruik van de
verleende hulp, als met betrekking tot de verwezenlijking

van de doeleinden der Europese Economische Samen-

werking. In tegenstelling met voorheen zal de E.G.A. het
systeem van kwartaaltoewijzingen nie t meer toepassen.

Aangezien het voorstel Snoy-Mavjolin geen rekening had

gehouden met een te reaurveren bedrag van S 150 mln,

dat de E.C.A. wenste te bestemmen voor een fonds ter
bevordering van het vrijgeven van het handelsverkeer tussen de deelnemende landen, is op de in dit voorstel
genoemde bedragen, behalve voor Zweden en de

B.L.E.U. een korting toegepast van 4,385 pCI. De directe

hulpverlening aan Nederland werd zodoende gered u ceerd
van $ 270 mln tot S 258,1 mln.
Ten aanzien van het Inter-Europees handels- en beta-

lingsverkeer merkt het verslag op, dat voorlopig kan
worden vastgesteld, da t zowel het nieuwe in ter-Europese
betalingsschema als de stappen tot opheffing der quanti-

tatieve invoerbeperkingen, moeten worden beschouwd
als een belangrijke phase in, de ontwikkeling naar een
vrijer inter-Europees handelsverkeer. Ook op het gebied van interne financiële en monetaire stabiliteit, het eerste
beginsel van liet zgn. ,,Plan of Action” voor 1949/50, zijn
over het algemeen goede vorderingen gemaakt. Op liet
tweede beginsel van het ,,Plan of Action”, de export-

bevordering, heeft de Nederlandse Regring gereageerd
door het treffen van een aantal maatregelen ter stimu-
lring van de Nederlandse export, speciaal naar de dollar-
gebieden. 1-let w’as nog niet mogelijk om over het resultaat

dezer maatregelen, wo. de 10 pCt dollarbonus, iets mede
te delen. T-let verslag wijst er evenwel op, dat liet zeker
onjuist zou zijn, indien men zou verwachten, dat als
gevolg hiervan een plotselinge grote toeneming van de
export naar de Verenigde Staten zou plaatsvinden.

Voor het fiscale jaar 1949/50 ontving Nederland op
14 September ji. een eerste toewijzing van $ 82 mln aan
directe hulp. Het totale bedrag, dat Nederland sedert
hdt in werking treden van het E.R.P. ontving, werd

daardoor, blijkens Hoofdstuk II, gebracht op $ 586 mln,
ul. $ 129,5 mln in de vorm van ,,loans” en $ 456,5 mln

in de vorm van ,,grants”. De onder het E.R.P. gereali-
seerde invoer beliep per ultimo September
S
411,8 mln;

broodgraan vormde hiervan met $ 80,6 mln de grootste
post.

l’Ioofdstuk IV geeft het gebruikelijke overzicht van de
economische ontwikkeling in Nederland gedurende de

verslagperiode. De belangrijkste gebeurtenissen vonden

ditmaal plaats in de monetaire sfeei’. In de eerste plaats

memoreert liet verslag de devaluatie, volgen’s welke de

dollarkoers met ingang ,van 21 September ji. te 0.00 uur

officieel werd gefixeerd op f 3,80. Bij het afsluiten van
dit verslag – bijna twee maanden na het effectief worden

van de koerswijziging – was het uiteraard nog te vroeg

om de gevolgen van een dergelijke zo diep in het econo-

misch leven ingrijpende maatregel in volle omvang te
kunnen overzien. Zelfs van enkele tendenties kon nog

geen mededeling worden gedaan. Wel wordt opgemerkt,

dat door de koerswijziging op velerlei terrein tijdelijk

onzekerheid is geschapen. Dit is met name het geval

voor de, bij de Tweedë Kamer op 20 September ji. inge-

diende, Rijksbegroting 1950, de tweede belangrijke ge-

beurtenis op monetair gebied. 1-let feit, dat de omstandig-

heden, waaronder de begrotingsvooistellen werden inge-

diend, aanzienlijk afweken van die, welke de Regering

hij de voorbereiding voor ogen hadden gestaan, neemt

echter niet weg, dat zij nog zeer zeker voldoende waren
om een grondslag te vormen voor een parlementaire ge-
dachtenwissel ing aangaande liet regeringsbeleid,

terwijl
zij tevens als toetssteen voor de ontwikkeling op monetair

gebied van betekenis moeten woi.den geacht. Tenslotte

zij nog vermeld, dat de toeneming van de vlottende bui-
tenlandse schuld van f 291 mln per 1 Juli tot f 410 mln

per 1 October jl. goeddeels als een gevolg van de deva-
luatie moet worden beschouwd.
Uit de uitvoerige en aan de hand van talrijke tabellen

en grafieken verduidelijkte beschrijving van de reële
sfeer gedurende de verslagperiode moge het volgende

naar voren worden gebracht.
De cijfers der steenkoolproductic, die in het vorige
verslag naar een zekere stabilisatie op een niveau, dat’
beneden liet vooroorlogse ligt, tendeercien, geven nu t.o.v.
het vorige kwartaal enige verbetering te zien. Wat de

landbouw betreft, zij vermeld, dat cle opbrengsten per
hectare van de oogst 1949 zich blijkens de ral’iiing zeer
gunstig doen aanzien. De melklevering aan fabrieken

lag in het derde kwartaal 1949 14 pCt boven die in de

overeenkomstige periode van 1939, een resultaat, dat te
meer spreekt, wanneer wordt bedacht, dat deze hogere
productie werd bereikt niet een kleinere melkveestapel.

Dat de veehouderijproducten een belangrijke bijdrage
leveren tot de Nederlandse export moge blijken uit onder-

staande tabel.

UiLvoer in tOnnen.
Proci uct:
3e kw. 1048 i 3e kw. 1049

7.160

19.861

6.783

19.577

15.655

29.79e

2.618

8.265

71

1.44

76.582

100.285

De internationale binnenvaart en de zeescheepvaart
geven nog steeds geen aanleiding tot tevredenheid. Welis-

waar vertoont liet indexcijfer voor de internationale
binnenvaart over de niaanden Juli en Augustus een sterke
stijging, doch deze is helaas grotendeels toe te schrijven
aan de lage waterstanden van de Rijn. Hierdoor moest
nI. voor een gelijkblijvend vervoerd gewicht een grotere
hoeveelheid laadvermogen – w’aarop het indexcijfer is

gebaseerd – worden gebruikt.

Boter Kaas
……………………
Condens
Melkpoeder
Bacon
Eieren (1.000 stuks)

28 December 1949

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10:39

Consuinptiee’e uLiganen per hoofd der bevolking, gecorrigecid voor prijs veischillen, per maand.

(1947 = 100).

I
Jan.
Febr.
Mrt April
Mei
f

Juni

}
Juli
Aug.
$ept.
Oc.l.
Nov.
1

Dec.

1948
9
93
103
103
105
105
118
110
102
lik
108
lik
1949
96 89
09

.
101 98
99′)
112′)
104
1
)
100
1
)


‘) Voorlopige gegevens.

De resultaten van in- en uityoer zijn – ook indien er

rekening, mee wordt gehouden, dat een belangrijk deel

van onze agrarische export, wo. bloembollen, juist in de
nazomer valt – gunstig te noemen. Niet minder dan
74,4 pCt van de invoer werd door uitvoer gedekt, tegen

resp. 6:3 en 64 pCt in de eerste twee kwartalen van dit

jaar. Hiermede is het dekkingspercentage, berekend over

het derde kwartaal, voor het eerst boven het vooroorlogse

jaargemiddelde gekomen. Voor het bereiken van een
evenwichtige betalingsbalans zal het echter noodzakelijk

zijn in de toekomst dit percentage tot ver boven het
vooroorlogse op te voeren, teneinde de vroegere inkomsten

uit thans verloren gegane beleggingen in het buitenland

te compenseren.
De reeds in het vorige verslag geconstateerde daling
der consumptieve uitgaven zette zich voort en de toenter-
tijd getrokken conclusie, dat de cijfers de hoop wettigen,
dat de na-oorlogse spanningen uit onze volkshuishouding

aan liet verdwijnen. zijn, kan ook ditmaal en met nog
groter stelligheid naar voren worden gebracht.
Omstreeks het einde van de verslagperiode overschreed
de.Nederlandse bevolking de 10 mln zielen, d.w.z. dat zij
is verdubbeld binnen een tijdvak van 50 jaren. De be-
volkingsaanwas heeft zich in ons land, zoals uit onder-
staande tabel blijkt, in belangrijk sneller tempo vol-

trokken dan in de andere landen van West- en Noord-
Europa.

Laagste ge-
Hoogste ge-
Toene-
boortecijfer boortecijfer
Sterfte-
ming
uit
het
na het einde
cijfer
Land,
1900-1948
midden der
van de
1948
in

0
/0
dertiger jaren
oorlog in

0
/00
in

°/,
in

o,,,

Nederland
92
19,8
30,9
7,4
ilclgie
28
152
18,3
12,4
Luxemburg
24
14,9
18,2
11,7
Frankrijk
6
14,6
20,7
12,2
Zwitserland
39
15,0
20,0
,

10,8
Groot-
llrittannid
35
15,0
21,3
10,9
Noorwegen
43
14,6
22,5 8,8
Zweden
34
13,7
20,3
9,9
Denemarken 71
t

17,3
23,4
8,6

liet behoeft, aldus het verslag, weinig betoog, dat
deze op zichzelf toe te juichen ontwikkeling in verband
met de werkgelegenheid ernstige problemen met zich
brengt. Volgens schatting zal tot 1953 vooi ca 215.000 personen nieuwe werkgelegenheid moeten worden ge-
zocht. Daarvan zullen naar schatting 60.000 arbeiders
in liet bestaande productie-apparaat kunnen worden
opgenomen. Voor de resterende ca 355.000 zal nieuwe

werkgelegenheid moeten worden geschapen door het
verrichten van nieuwe investeringen.

INTERNATIONALE NOTITIES.

INDONESIË EN DE MMSHALL-HULP.

Op 7 November jl. werd ‘de hulpverlening dooi’ de
E.C.A. aan Indonesië, welke, zoals bekend, sinds 22
December 1948 was geschorst, weer hervat, aldus het
,,Vijfde Verslag van de Nederlande Regering aangaande
de werking van het Europese FIerstelprogramma”. De
succesvolle resultaten van de Ronde Tafel Conferentie
maakten deze hervatting mogelijk. Naar de mening
van de E.C.A. kan de hulp, w’elke Indonesië wordt ge-
boden, in hoge mate bijdragen tot de tenuitvoerlegging
van het Europese Flerstelprogramma als geheel genomen.

Per 1 October 1949 was door de E.C.A., op grond

van de vôÔr 22 December 1948 verleendé toewijzingen,

in totaal een bedrag van S 59.408.410,63 germbourseerd.
in overeenstemming met de voorstellen, gedaan door de
O.E.EIC., was voor het fiscale jaar 1949/50 een bedrag

van S 39,2 mln voor hulp aan Indonesië gereserveerd,

bestemd voor de periode tot 1 Januari 1950, waarin de

souvereiniteitsoverdracht aan de Verenigde. Staten van

indonesië zal plaatsvinden. –

De moeilijkheden, voortvloeiend uit het feit, dat welis-

waar de hulpverlening aan Indonesië zal golden tot de
datum van de souvereiniteitsoverdraeht aan de Republik

Indonesia Serikat, doch dat anderzijds bepaalde vei-plich-

tingen, iit deze hulpverlening voortvloeiend, ook na de
datum van deze overdracht zullen moeten worden gehono-
reerd, werden; aldus het Verslag, voorlopig opgelost,
doordat de Nederlandse Regering, aan wie d’e toewijzingen
t.h.v. Indonesië, e’enals in de voorgaande periode, zullen
worden verstrekt, de verplichtingen voörtvloeiend uit het

Economie Co-operation Agrcement t.o.v. alle ten be-
hoeve-van Indonesië verleende hulp op zich neemt, zonder
zich •te mengen in de eigenlijke machtsuitoefening door
de toekomstige Regering van indonesië.
Eveneens werd na de hervatting van clé hulp de storting

bij de Javasche Bank in locale valuta
y
an de tegenwaarde

der ontvangen sche’nkingen geregeld, terwijl tevens een
oplossing werd gevonden voor de tgenwaarde vai het
gedeelte van de aan het Koninkrijk verleende indirecte
hulp, dat aan Indonesië is ten goede gekomen.

11111E 01′ DE VIIib NAAR HELISTEL.

In de bijna twee jaar, dat de Regering-Costello in Eire

in fundtie is, zijn er, vooral liet afgelopen jaar, in de eco-
nomische positie vaii het land aanzienlijke verbeteringen
opgetreden. Deze komen vooral tot uiting in de cijfers

van de Ierse betalingsbalans. Moest de Minister-Prpsident
in de loop van 1948 de handels- en bëtalingspositie van
zijn land nog kenschetsen als ,,causing the utmost alarm
for (her) economie and firiancial stability”
1
), thans is liet
zo, dat de goederenbalans van Eire over de eerste liegen
maanden van dit jaar nog slechts een tekort aanwijst’
van£
512
mln, vergeleken met een ongunstig saldo van
£ 91,8 mln in 1947 en van £ 88,9′ mln in 1948. Volgens
The Economist” van 17 Decdrnber jl., waaraan wi.j

hôvenstaande gegevens ontlenen, is hij voortgang van deze verbetering een spoedig evenwicht in de lopende
betalingsbalans waarschijnlijk. Deze ,uitspraak van het
blad houdt in, dat de ,,onzichtbare” inkomsten een be-
langrijke post op de betalingsbalans vormen. Onder-
staand overzicht illustreert dit.

De betalingsbalans van Lire.
(in millioenen poncien sterling.)

1944


1945
1

1946
1947
j..

1948

Lopende uitgaven
37,1
50,4
83,0
143,1
149,0
importen
28,2 40,7
72,0
111,3
136,3
onzichtbare
posten

. . . .
9,3 9,7 11,0
ll,S
12,7
Lopende ontvang-
85,0
102,7
111,2
129,0
exporten
26,1
35,2
39,0
30,5
47,4
onzichtbare

sten

………70,1

posten

. . . .
44,0

.

32,6

49,8
63,7

73,7
81,6
Saldo lopende

rekening

…….
+
34,6
+
19,7

29,9

20,0

‘) Vergelijk do aantekening over de Ierse betalingsbalans in
,,E.-S.B.”
van
17
November
1948.

rT

1040

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

28 December 1949

Uit dit overzicht blijkt tevens hoe de handelsbalans van

Eire zich de laatste jaren in ongunstige zin had ontwik-

keld. De recente verbetering is gedeeltelijk te danken
aan vermindering van de invoer. Daarnaast heeft een

aanzienlijke opvoering van de agrarische productie plaats-
gevonden,

terwijl de export eveneens een stijgende lijn
vertoont.
Toch is de agrarische productie, de belangrijkste sector

van Eire’s economisch leven, nog niet tot het peil terug-

gekeerd, waarop zij zich aan het einde van de jaren twintig

bevond. Lange jaren van chj’onische ,,under-investment”

zijn hieraan niet vreemd. Het is dan ook het vraagstuk

van de investeringen – voornamelijk ter verbetering
van de bodemvruchtbaarheid, voor drainage, gebouwen

en bebossing -, dat de Ierse Regering op het ogenblik

veel hoofdbrekens kost. Naar aanleiding hiervan heeft

Mr. Costelio op een op 19 November jl. voor het ,,Institute

of Bankers” gehouden toespraak gezegd, dat, ingeval

de lopende besparingen van Eire niet toereikend zouden

zijn met het oog op het opgestelde investeringsprogramma,
zou moeten worden overgegaan – zij het tot een zekere

grens – to t het liquideren van buitenlandse beeggingen,met
name van sterlingsaldi. De omvang van het sterlingbezit

wordtdoor ,,The Economist” – hoewel ,,a closely guarded
secret” genoemd – op £ 225 mln (netto) geraamd. liet

blad merkt hierbij nog op, dat algehele. repatriëring zowel
onwaarschijnlijk als ongewenst moet worden geacht,

niet in het minst, omdat dit bezit in het verleden een zeer
waardevolle bescherming tegen slechte tijden is gebleken.

ONTVANGEN BOEKEN EN BROCHURES.

BOEKEN.

De Nederlandse sigarenindustrie.
Een onderzoek naar
,

haar economische en sociale betekenis voor de Neder-
landse volksgemeenschap door. Dr A. A. G. Meijers.

Uitgave Vakgroep Sigarenindustrie, Amsterdam/Eind-

hoven, April 1949. 118 blz., ingen.

)i
statistical analysis of adtertising expenditure and the
reenue of the press
by Nicholas Kaldor and Rodney
Silverman. Cambridge University Press, Cambridge
1948, 199 hlz., geb.

De algemene banken in Nederland.
(dissertatie) door F. de
Roos. N.V. A. Oosthoek’s Uitgevers Mij. Utrecht
1949. 144 hlz., ingen.

Winstdeling door werknemers
door Ir D. A. C. Zoethout,
met medewerking van Dr W. C. Klein en Ir. C. W.
André de la Porte. Publicatie Researchafdeling van
het Raadgevend Bureau Ir B. W. Berenschot. J.
Muusses, Uitgever, Purmerend. 86 blz., ingen. f 2,50.

De gratische beroepen.
Een psychologische analyse. In
opdracht van de Psychotechnische Commissie van
• de Bedrijfsgroep Grafische Industrie, verricht door

het Laboratorium voor toegepaste Psychologie te

Amsterdam. Uitgave van de Bedrijfsgroep Grafische
Industrie, Amsteraam 1949, 176 hlz., geb.

Jaar9erslag 1948
van de Nederlahdse Kamer van Koop-handel voor’Amerika. 68 blz., ingen.

Het modernë bedrijfsarchief.
Zijn’inrichting en toepassing

door J. Silver. J. Muusses, Uitgever, Purmerend.
75 blz., ingen. f 2,25. –

Statistische methode, eccinomische statistiek, bedrijfs

econo

mische statistiek
door ProL Dr 0. Bakker. Deel II,
Bedrijfsstatistiek, bewerkt door A. Bakker, tweede
druk. Uitgave P. Noordhoff N.V., Groningen 1949.
123 blz., ingen. f 2,90.

Inleiding tot ht praktisch rekenen
door F. Harkink, P.
Noordhoff NV., Groningen 1949. 227 blz., ingen.
f5,25; geb. f6-

BROChURES.

Is de bestaande belasting op het inkomen u,it cpmnzissariaat
gerechtQaardigd?
Prae-advies van Mr J. de Wilde. Ge-
schrift no. 70 van de Vereniging voor Belasting-
wetenschap. N. Samsom NV., Uitgever, Alphen aan
den Rijn 1949. 37 blz., ingen.

De kern Qan de economische wetenschap pen.
Rede, uitge-
sproken hij de aanvaarding van het ambt van ge-
woon hoogleraar in de staathuishoudkunde en de
statistiek aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, dooi’
Mr A. W. Hamming.
N.V.
Martinus Nijhoff’s Boek-
handel en Uitgevers-Maatschappij, ‘s-Gravenhage
1949. 27 blz., ingen. f1.

Enige beschouwingen naar. aanleiding an Minister Lief-
tinck’s 000rstèllen tot belastingQerlaging,
door Mr A. de Fouw. Uitgave van de Vakgroep Onroerende Zaken,

Paulus Potterstraat 18, Amsterdam. 22 blz., ingen.
Centraal Economisch Plan 1949.
Centraal Planbureau,
Den Haag, September 1949. 57 blz., ingen.

Statistiek ça,i de J’VieringermeerbeQolki?g op 31 December
1942,
bewerkt door P. Kop. Publicatie no. 15 van de
Stichting voor het bevolkingsonderzoek in de droog-gelegde Zuiderzeepolders. N. Samsorn N.V., Alphen

aan den Rijn 1949. 44 blz., ingen. 1 3,50; voor )nteke-
naren f 3.
]%,Ted
er
l
an
d industrialiseert.
Samengesteld door de Pers-
dienst van het Ministerie van Economische Zaken,

verzorgd ‘door de Regeringsvoorlichtingsdienst.
Er dreigt gevaar!
voor een zelfstandig scheppende Neder-
landse vliegtuigindustrie. Uitgegeven door de Neder-

landse Bond van Technici, Amsterdam 1949. Over-

druk uit ,,De Bondsstem”, officieel orgaan van de
N.B.T.

GELD- EN KAPITAALMARKT,

Ofschoon de jaarultimo met rasse schreden nadert,
vertoönde de geldrnarkt, welke de vorige week een plot-

selinge verkrapping te zien hâd gegeven, gedurende de
verslagweek enige verruiming. Deze kwam tot uiting in
zekere daling van de marktdisconto’s, waardoor met
name 1 t/m 4 maandspromessen weder beneden 1 pCt

kwamen. 1-let percentage van 1, dat bij de Agent van het

Ministerie van Financiën te Amsterdam wordt berekend
voor aldaar verkrijgbare 12 maandspromessen, heeft

min of meer het karakter van een plafond voor de markt-
disconto’s der korter lopende termijnen. liet normale marktpatroon voor deze termijnen bestaat hierbij uit
tussen 1 en 1 pCt gelegen percentages, al naar gelang
de looptijd, hetgeen de voorkeur uit hoofde van liquidi-

teitsoverwegingen voor korter boven langerlopend papier
demonstreert. –
Voor Januaripromessen werd deze week If pCt gebo-
den, voor Maart- en April
1/36
pCt, evenals voor Juli-
papier, waarvan de uitstaande hoeveelheid niet groot is,
en dat dus gewoonlijk nogal geliefd is. Voor de overige
terwijnen met looptijden van 5 maanden en langer bestond
slechts vraag op 11 pbt.
De callgeldrente bleef geduiende de gehele week op 1 pCt gehandhaafd.
– Op de aandelenmarkt mochten Indonesische aandelen
zich nog steeds in belangst’elling verheugen en konden zij
verdere koerswinsten behalen. Het aanvaarden door de
Eerste Kamer van .het wetsontwerp Souvereiniteits-
overdracht en de samenstelling van het eerste Kabinet
van de R.I.S. gedurende de verslagweek brachten geen
onaangename verrassingen, welke het weer gestegen ver-
trouwen in de Indonesische situatie hadden kunnen
schaden.
Deze week werd hier te lande een belangrijke maat-
regel door de Regering genomen op het gebied van lonen

‘.

,4

28 December 1949

ECONOMISCH-STAT]

en prijzen
door het
toestaan van een loonsverhoging

van over het algemeen 5 pCt. Ongetwijfeld zal deze derde
loonronde indirect ook belangrijke consequenties voor de

kapitaalmarkt medebrengen.

Naast de prijsstijging uit hoofde van de duurdere im
port, komt er thans nog een prijsstijgend effect door hqgere

binnenlandse procluctiekosten; Een grotere kapitaal-
behoefte ter financiering van voorraden en productie-

processen kan hierdoor ontstaan, terwijl. ook de winsten

van het bedrijfsleven

met name die bij export

kun-

nen worden beïnvloed.
De koopkracht van spaargelden zal verder verminderen,
evenals die van alle vaste geldinkomens. In dit verband
is het opmerkelijk, daf er de laatste ‘tijd nimmer sprake van is geweest, om ook de dividendstop met 5 pCt, dus

tot
9*
pCt te verhogen, terwijl voorts de Minister van
Financiën de afgelopen week mededeelde, dat een ver-
hoging van de rente hij de Rijkspostspaarbank, waarover

geruchten hadden gecirculeerd, niet zal plaatsvinden..
Wat het dnroerend goed betreft, van een extra huur-

verhoging met 5 pCt werd van regeringszijde evenmin

iets ‘vernomen. Door dit alles vindt een verdere relatieve
verschuiving van kapiiaalopbrengsten naar arbeid-
inkomsten plaats.

16 Dec. 23 Dec.

Indexcijfcrs

1949

1949

Industrie …………………….
229,6

229,4

Banken ……………………..134,6

134,2

Indon. aandelen

……………61,6

64,3

Algemeen

………………….161,7
.

162,0

Aandelen.

A.K.0 .

……………………

184

187

Amsterdam Rubber ……………136

142

il.A.L.

…………………… .
‘.

161

163

lI.V.A. ……………………..

153

160

Kon. Petrolum

…………….298

297

Unilever

……………………246

.

247

Philips

……………………..

239′
..

236

Obligaties.

3 pCt Invest. certif

…………

98/l6

98*

2* pCt I.W.S.

………………

80/
16

80/
8

3-
* pCt 1947 ………………98
1
/
8

98/

3 pCt Dollarlening 1947 ………..97

98
15
/
16

GRAFIEKEN,,

Het handelsoerkeer tussen Nederland en Indonesië

(naar waarde) in pCt .’an de totale buitenlandse handel oan
Nederland.

~
5

10

o

.10.
.


‘an


.

.

.1
.

..43

.49
invoer in Nederland vii lndoneoië
uitvoer
Uit
Nederland noar Indanrsië

STISCHE BERICHTEN

1041

Het handelsoerkee,’ tussen Indonesië en Nederland

(naar wisa,’de) in pCt yan de totale buitenlcindse handel oan

Indonesie.
1
)

7
.
‘.5
-,-• .

40

/

t

/

t

/

t
35

/

30

25

It

20

O
r

15
.

to

OZO

’25

30

’35

’40

’45

.40

in000r in Indonesië uit Nederland
– – –
Uitvoer Uit
lndonosië naar Noderlard

‘)
Tot 1930 exciusiet gouvernemenisgoecleren; van 1930 al, inclu-
sief gouvernementsgoederen.


STATISTIEKEN.

DE
NEDEELANDSCBE BANK.
(Voornaamste posten In duizenden guldens).

-a
0)
Q

,

1r
:c

4,0)
°n

.ano,,

,d.

.

o,”5

.td0
rd.Q

401
e

,
o
ça.

‘a—

30Dec.

’46

700.876

4.434.786

100.816

153.109 1 2,744,151
7 Nov. ’49

622.363

331.033

404.259

141.416 1 2.967.889
14 Nov. ’49

622.450

317.687

505.033 1

145.919 1 2.941,639
21

Nov. ’49

7.50.685

294.907

410.741

1

143.008 1 2.933.907
28 Nov. ’49

750.813

265.122

419.495

152.617 1 2.981.122
5 Dec.

’49

750.946

253.312

473.827

144.709

2.996.393
12 Dec.

’49

751.086

228.305

507.351 1

141 /060

2.952.700
19

Dec. 149

751.252

207.630′

470.128

147.931

2.960.872

Saldi in rekening courant

.0

.0

1

P18

.0

.-.

•.n

.a,

ou)uo

.
Cd
In
(11

’13.a
IU)

3ODec.’46j

1

[
7 Nov. ’49 1

608.253

539.471

2.142

‘50.773

1 414.4251

440.545
14.Nov. ’49 1

660.704

642.742

2.149

t 39.226

1 476.2811

338.181
21

Nov.

49 1

681.532

642.742

2.145

1 37,399

1 458.4571

360.128
28 Nov. ’49

664.230

642.710

2.144

1 33.150 .1 446.8721

373.565
5

Dec.

’49 1

652.080

642.710

2.140

1 39.319

1 441.1501

391.830
12 Dec.

’49 1,632.152

656.704

2.122

58.814

1 445.498t

361.261
19

Dec. ’49

616.421

601.954

2.119

j 55.566

445.608

315.099

i’ATIONALE BANK VAN z%vITsEnr.AND.

(Voornaamste posten In millioenen francs).

•”

Data

.

1

0)

1
‘.0
O
O
V

0)4)
0I
0)0

Içt

l

au
0

31

Dec. 1946

4.949,9

158,0

1

238,7

[3~,7

,7

4.090,7

1.163,7

15 Dec.

19
49

6.210,9

256,7

111,6

39,7

4.347,6

1.902,1

30 Nov.’1949

6.201,5

251,2

1

109,8

,7

4.344,8

1

1.589.2
7 Dec.

1949

8.201,6

254,7

1

114,6

9

4,303,6

1

1,935,9

MAANDCIJFERS.

OECOMBINEERII1 MAANDSTAAT
VAN DE VIER NEDER-
LANDSE GROTE BANKEN
EN
VAN
lIET NEDER-
LA.NDSFJ BEDRIJF VAN DE NEDERLANDSCHE
HÂNDEL-MAATSC1EAI”PIJ.

Nederl.
Nederl.

Banken

Banken.

en
NecI.

,
handel-Mij.
(In

millioenen guldens)
31
30
31
30.
Oct.
Nov. Oct. Nov.

1949
1949
1949 1949
1


Aetiva:,
Kas, kassiers en daggeldieningen
56
58

82
72
Ned. schatkistpapier
21’70
2262
2744
2860

.
2932 2226
2320
2826

Anc]er

overlaeiclspapier
04
65 134
‘150
.
‘8
10
45
Bankiers in binnen- en buitenland
‘105
117
.136
130
Prolor’g.en voorsch.tegen effecten
37
35
48 46

Vissels
.
…………………7


347
213
225 328

Debiteuren

……………..
485
485
587 586
Effecten en syndicaten
15
15

21
20
Deelnemingen (incl.voorschottcn)
27
28
38 38

.
,646
644
527
528

9
9
16
’15
Diverse rekeningen

……….
.

– –
Belegde bestemmingsreserven.
1

Gebouwen

……………..

..

2976
3939
3083
3817


Passiva:


2386
2469
2990 3075
‘Wissels

…………………

4-
3,
4
3
‘Deposito’s op ternaijn
.244
257
349
367

Kassiers en genom

daggeldl
3
9
3
’10
100
.106
162′
172
Bestemmingsreserven
1
1
1
‘1
,

Crediteuren

……………….
..

2738
3628
1
2845
3509

Diverse rekeningen

………….

160
160′
211
211
Aandelenkapitaal

…………
78
78

97
.
100
Reserve

.
……………….


3939
2976
3083
3817

INI)ONESIË
).
_s- EN
UITVOER VAN


Invoer Uitvoer
Saldo

Tïdval-•
Gewicht
Waarde
Gewicht
.
Waarde

Waarde
in

.
in

in
in


in
duizenden
millioenen
duienden
millioenen millioenen tonnen
guldens
tonnen
guldens

guldens

Totaal 1938

2.002

.

478 10.944

658

t
+180
-Totaal 1947

‘909

754
1.112

352.
-422
TotaaIl948

,2.134

4.134 5.219

1.040

‘–.
94

1949

Jan.

141

56
412

107′
±

51′
Febr.

204

‘118

474

104

14
Mrt.

140

106
498

,

103

3

‘Apr.

228

141
657

123

18
.Mei

210106
.671

99

7
,Juni

431

‘120

734

130
+

10

Juli

379

842
574

94

48

Aug.

310

156
759

141

15
• ‘

Sept.

282

‘134-
624

.

125

9
Oct.
326,

79

)
Bron: Centraal Kantoor vn cle Statistiek.

1042

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

28 December 1949

I)E JAVAS(‘IJE BANK.

.

/

FED1H)AL I1ESEI1VE RANKS.’

(Voornaamste posten in duizenden giildens.

(Voornaamste posten in millioenen dollars).

II


.
-.
e2
QE
ovj
Dat.
:o:a
.’
Ç.
-iav
‘Qc)
S’
-7:
0
‘-oO’i)
.2o
OcciC
0

31

Maart

t 967
477.080 35.363

33:256
85.402
255.201
30 Nov.

1949
470.985
73.949′
14.718
03.87.6
1.1 05.082
7

Dec.

1949
470.985
81.076
1

14.800
61.753
1.153.842
14

Dec.

1949
470.985
82.379
14.723
07:136
1.191.497

Itekeicing courant

.
saldi

Dita


j:
.J

31

Maart

1947
81.527
453:816

507.718
101.304
30 Nov.

1949
26.683
911.650

798.851
35.056
7

Dec.

‘1949
26.028
913.262
855.30
35.077
14

Dec.

‘1949
27.503
922.025

888.58i
35.484

.luntbilje1tencirculatie per 31 9Iart 1947 f646.830.979.
Muntbiljeltencirculatic per 7 hee. 1949 1057.636.137,50.
7lunlbiljel(cncirculatie per 14 Dec. ‘1949 f 972.483.220,50.

NATiONALE HAN1f VAN BELGIË.

(Voornaamste posten in millioenen franos).

c’
0..
,
0

.,
o
1
_
l
Q
08 •
:
,
0
.5

.O
•,vn)
‘-

77

:
0

o
_•
)

16

Sept.

1948
2.136
11.042 427
‘9986
703
4,14
8 Nov.

4949
31.551
8.858′
4.038 9.623
340
738
17 Nov.

1949
31.123
9.226
1.495
8.594
.
606.
754
‘1

Dec.

1949
31.078
8.605
11 -263
‘10.163
432
693
8 Dec.’

1949
31.103
8.875
1.218 9.793
347
773
15

Dec.

‘1949
30.893
8.640
1.143
9.594
.314
711

Rekening
courant
saldi.

..
.
.

1

cia
cm

IS

Sept.

1948
657
91.729
81.568
2
2.425
6.251
8 Nov.

1949
915
96.821
87.002
630
.
1.480
5.415
17 Nov.

1949
915
95.604 86.030
603
1.463
5.319
1

Dec.

4949
915
95.946
86.821.
597
1.314
5.040
S Dec.

1949
915
95.838 86.528
688
1.344 4.979
15

Dec.

19
1
19
915
94.789
85752
861
1.293
.4.960

ZWEEI)SE RIJKSBANK.

(Vochrnaarnste posten in inillioenen kronen).

Metaal.


Staatsfondsen

.
Data

o

o
-‘

0
Ç

III

Dec: 1966
‘839
.

532
1.544
504
284
94.
182
30 Nov. 4949
155
208

.
2.934
642
309
420
0 Dec.

1949
‘154
208
2.920
655
315

s
120
15

Dec.

1949
154
208
3.164′
676
301

120

Deposito’s
ia

.E

‘Dala Direct opvraagbaar

ILI

1
EO

31

Dec.

1946
2.877
-175
706
.

84 23Ô’
174
7
30 Nov. 1949
3.109
849 577
478
281
179′
.136
7Dec.

1949
3.045
920• 558
250
282
173 136
15 Dec.

1949′
3.138
985
429 449


282
138 136


Melaalvoorraad
.
.

D a a
Other

,
U.S. Govt Totaal
Goudcer-
cash
securities
tificaten

St

Dec.

1946
48.381
587
.

268
25 Nov.

1949
23.272
‘22.724
239
1

Dec.

4949
23.232
22.677
237
F
7769
8 Dec:

1949

23.228
22.674
224′

FR-bil-

Depositos


111 rnbcr-
Dala
jelleic

in
circulatie.
Totaal
Govt
anks

3
1

Dc’c.

1946
24945

17.353
393
46.139
25 Nov.

1949
23.327
17.703
410
15.987
1

cce.

1949
23.374 17.793
517
16.038
8 Dec.

‘1949
23.501
‘18.003
441

16.291.

STAND VAN ‘s
RIJKS KAS.

Vorderingen

15Dec. 1949

7Dec. 1949

1043

IN- EN UITVOER
VAN BELGIE ‘).

1

Invoer

1

Uitvoer

1
Saldo
28 December 1949

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

Maand

.

I
inmil-
I
in mii-
zenden lioenen zenden lioenen lioenen
tonnen
I
francs
I
tonnen
I
frans
I
francs

Maandgem. ‘361’38
2.868 2.019

1
1.912
1.859

160
Maandgem. ’47

. .
2.322
7.130
1.070 5.138
-1.992
Maandgem. ’48

. .
2.432
7.293
1.258 6.177
-1.116

Jan:

1949..
2.111
6.580 1.088 6.138

442
Febr.

1949.. .
2.292
6.513
1.137
6.737
+
224
Maart

4949..
2.338
7.155 1.274
7.643
+
488
April

1949..
2.284
6.719 1.149
7.103
+
384
Mei

1949..
2.536
6.905
1.197
7.183
+
278
Juni

1949..
2.396
6.751
1.229
7.432
+
681
Juli

1949..
2.247′)
6.274′) 1.237′)
7.102′)
+
828′)
Aug.

1949..

2.258
2
)
6.428
2
)
1.184
1
)
6.049′)

379′)
Sept.

1949..
2.142
6.407

1
1.255
6.223

184

‘)

Bron.

,,Statistisch
Bulletin”
van het
Nationaal
Instituut.
voor de Statistiek.
‘)
Gecorrigeerde
gegevens.

DE KOLENPOSITIE
VAN BELGIË ‘). (in duizendén toniien)

Saldo van ‘s Rijks Schatkist bij De Nederl. Bank N.V.
665.646.282,89
f

657.568.656,23
Saldo van ‘s Rijks Schatkist
bij

de Bank voor Neder-
.

,

451.598,92
,,

219.262,15
Kasvorderingen wegens

ere-
dietverstrekking

aan

het

Daggeldlening

tegen

onder-
pand

………………

Saldo

der postrekeningen van

landsche

Gemeenten

………

Rijkscomptabelen

……
283.358.735,75
,,

290.719.350,06
Voorschotten op

uit.

Nov.,

buitenland

…………………

resp. Oct.

1949 aan de ge-

…….

meenten wegens aan haar
t

….

uit te keren belastingen

Vordering in rek, courant op:
Indonesi6 …………….
1582.760.118,77
,,1574.385.282,12
Suriname

……………

… …
32.926.646,99
,,

32.948.523,-


Het Algemeen Burgerlijk Pen-
sioenfonds

…………..

Ned. Antilien

………………..

Het staatsbedrijf der P.,

T.
enT
.

………………

……..

– –
Andere staatsbedrijven en In-
……..

stellingen

……………..
358:040.403,41
,,

350.516.073,41

Verplichtingen

t

VoorschoE,

door De Nederl

Bank NS., verstrekt


Voorschot,

door

De

Neder- landsche

Bank

N.V.

in

rekening courant

verstrekt


Schuld aan de Bank voor Ne-

derlandsche Gemeenten

Schatkistbiljetten

in

omloop
fl944.867.400,-
fl941.467.800,-
Schatkistpromessen

hij

De
Nederlandsche Bank N.V.
ingevolge overeenkomst
1750.000.000,- ,,1800.000.000,-
Schatkistpromessen in omloop
(rechtttreeks bij De Nederl.
Bank N.V.is geplaatst nihil)
/
5.951,8 mln, w.o. garantie Bretton Woods 11.151 mln
;,4800.800.000,-
,,4805.400.000,-
Daggeldleningen


133.937.238,50
134.796.775,-
Schuld op uIL. Nov., resp. Oct.

van 26 Februari 1947

…….

’49 aan de gemeenten wegens
aan

haar

uit

te

keren

131.116.765,52
132.658.61 3,48
belastingen

………………
Schuld

in

rek.courant

aan:



Indonesië

……………
Suriname

…………..

Muntbiljetten in omloop ……..

4.675.164,23
5.094.515,26
Het Algemeen Burgerlijk Pen-
;,

38.333.132,48
36.595.588,70
Het staatsbedrijf der 1
1
.,

T.

Ned.

Antillen


…………….

en T.

………………

………

388.187.799,15
351.093.272,85

sioenfonds

……………

Andere staatsbedrijven


Schuld

aan diverse instellin-

…..

gen in rekening met ‘s Rijks Schatkist

……………..
1522.446.083,79 ,,1527.583.714,87

DE KOLENPOSITIE VAN NEDERLAND
1),

1.000 kg)

Maand
Prôductie
Limburgse
mijnen
Verzonden

binn?.ndse
behoefte
Invoer

Totaal 1946 .
.
8.313.827
Q,387.903
.2.666.502
Totaal 1947 .
.
10.104.345
7.778.585
3.577.564
Totaal 1948
. .
11.032.326
8.059.287 3.435.269

Jan.

1949….
936.174
700.888 247.336
Febr.1949.’. .
.
892.448
672.959
312.522
Mrt

1949. .
. .
1.026.228
770.668 379.660
Apr.

1949.
. . .
925.207
696.263
322.031
Mei

1949….
960.900
711.611
444.423
Juni

1949.
. . .
943.625
709.832

352.281
Juli

1949. .
. .
982.396 734.803
.

349.256
Aug.

1949.
. . .
990.147 702.680

343.903
Sept. 1949….
1.010.293
737.941 349.251
Oct.

1949..
. .
1.007.475
737.507
360.825
Nov. 1949.
. . .
990.318 ‘)
732.950 ‘)
314.776
‘)

‘)
Bron: ,,Statistisch Bulletin van het CBS.”
) Voorlopige gegevens.

Maand
Productie
Afzet
Toorraad aan
het einde van
de maand

Gem.

1938..
2.465
2.336
Gem.

1946..
1.898
1.897
Gem.

1947..
2.033
2.021
Gem.

1948..
.

2.223
2.192

Januari

.

1949..

2.436
2.409
864
Februari

1949..
2.331
2.186
1.009′
Maart

1949..
2.619
2.299
1.329
April

1949.
.
2.428
2.011
1.746
Mei.

1949..
2.398
1.931.
2.214
Juni

1949..
2.353
1.885
2.681
Juli

1949..
1.869 1.697
2.853
Augustus

1949..
2.005
1.914 ‘)

2.983
September

1949.
.
2.082
2.38k
2.680

‘) Bron: ,,Statistisch Bulletin” van het Nationaal Instituut voor
de Statistiek.
‘) Herzien cijfer.

INDEXOIJFERS VAN LONEN VOLGENS REGELINGEN IN
NEDERLAND
‘).

Juni 1938e
Juni 1939
=
100


Nijverheid ‘)
Landbouw’)
NijverheId
en


landbouw

Aug.

1939….
101
100
101
Mei

1945….
116
190

126
Nov.

1948.
. . .
179,9
265,5
191,9
Dec.

1948….
181
1
7

265,5
193,4

Jan.

1949
.

181,8
265,5 193,5
181,8
265,5
193,5
Mrt

1949….
181,6
6
)
265,5
193,3′)
Febr.

1949 ………

Apr.

1949….
181,4
5
)
265,5
193,2
5
)
Mei

1949
181,9
275

4
)
195,0
Juni

1949
181,9 275
195,0
Juli1949
181,8
275
194,9
Aug.’ 4949.’

182,1
275
195,1
Sept.

1949
182,1
275 195,1
Oct.

1949.. .
482,1′)

,
275
195,1′)
Nov. .1949
182,1′)

1
275
195,1
1
)-

1
) Bron: ,,Statistisch Bulletin van het C.B.S:»; in de indexcijfers
zijn de uitkeringen krachtens de Kinderbijslagwet
niet
begrepen
‘) Gemiddelden 24 bedrijfstakken.
‘) Akkerbouw en veehouderij.
‘) Voorlopige gegevens..


‘) Daling uitsluitend een gevolg van een lichte schommeling In
de toeslag van méér-productie der steenkoolmijnen.
‘) Loonsverhoging ingaande 1 Mei 1949 als compensatie voor
premieverhaal Iandbouwpènsioenfonds.

KON. NËDERL. ÊOEKDRUKKERIJ H. A. M. ROELANTS – SCHIEDAM

S

,,HOLLAN DIA”

HOLLANDSCHE FABRIEK VAN MELK-

PRODUCTEN EN VOEDINGSMIDDELEN N.V.

HOOFDKANTOOR TE

VLAARDINGEN

BANDEN JAARGANG 1949

Heeft U Uw bestelling voor een band voor
de afgelopen jaargang van de E.S.B. reeds

ingezonden?

Zo niet, doet U dit dan s.v.p. omgaand,

want
na 31
Dec. a.s.
kunnen geen bestel-

lingen meer worden aangenomen.
Fu. A. 0. Beuth van

Wickevoort Crommelin

Amsterdam.Z. Tel. 25410

Coma v.
d. Lindenstraat 22

Verzekeringadviseurs.

LOD. S. BEUTH

specialist Gezins
,
en Oude.
dagsverzorging.

Adviezen inzake:

Pensioen-voorzieningen voor
Staf en Personeel.

Organisatie Bedrijfs-eh Onder-
nemingspensioenfondsen,

Aanvullingen normalisatie van
bestaande regelingen.

G
RAFOLOOG

H. LANOOY-
ROTFERDAM

PSYCHOL. ADVIEZEN

J.
Luykenstr. 6, Tel. 50199

AD VE R TEER

IN DE

ESB

Kon. Ned. Boekdrukkkerij H. A. M. Roelants

Postbus
42,
Schiedam.
Tel.
69300 (4
lijnen)

Bij de uitgeefster de Kon. Nederi. Boekdrukkerij
H. A. M. ROELANTS te SCHIEDAM verscheen:

Enige opmerkingen over het

Loon- en prijsvraagstuk

door Dr. Ir. J. G. J. C. Nieuwenhuis.

In deze belangrijke brochure wordt dit actuele onder-
werp zeer uitvoerig – de brochure telt 56 pagina’s –
behandeld, waarna de schrijver tot zekere conclusies
komt.

+

Vncaturvr

4

Prijs fl.25

Verkrijgbaar via Uw boekhandelaar.

tj

De Centrale Personeelsdienst heeft gelegenheid tot
plaatsing van

enige personen

in een aantrekkelijke werkkring op liet gebied van het
personeelsbeheer bij de Rijksoverheid.

Vereisten: Opleiding aan een Hogeronderwijsinstel-
ling of een daarmede gelijkstaande studie.
Leeftijd: 33-45 jaar.
Enige kennis van taak-analyse, taakwaardering en
salarisverhoudingen strekt tot aanbeveling; begrip
voor Organisatie. Ook zij, die technisch onderlegd zijn,
komen in aanmerking.
Gevarieerde werkkring met mogelijkheden zich te be-
kwanie:i in personeelsbeheer bij de Rijksoverheid.

Schriftelijke sollicitaties, voorzien van een pasfoto, te
richten aan de Centrale Personeelsdienst, Binnenhof 4,
te ‘s-Gravenhage, onder motto Gr. 51.

BELASTINGCONSIJLENT
zoekt zo spoedig mogelijk

CONTACT MET
JONGE, ERVAREN ACCOUNTANT
lid N.I.v.A., V.A.G.A. of andere erkende vereniging. Toe-
treding als medewerker verzekerd. Brieven met volledige in-
lichtingen ondei’ no. ESB 1595, bur.
v.
d. blad, Postbuo 42,
Schiedam.

Aangetehende stukken in Nederland aan het Bijkantoor Weslzee-dijk, Rotterdam (W.).

Maakt gebruik van de rubriek ,,Vacatures” voor het
oproepen van sollicitanten voor leidende functies. Het
aantal reacties, dat deze annonces tengevolge hebben
is doorgaans uitermate bevredigend; begrijpelijk: omdat
er bijna geen grote instelling is, die dit blad niet
regelmatig ontvangt en waar het i..,t circuleert!

Economisch – Statistische

Berichten

Adres voor Nederland: Pieter de Hoochstraat
5,
Rotterdam (W.).
Telefoon Redactie en Administratie
38040.
Giro
8408.
Bankiers: R. Mees en Zoonen, Rotterdam.

Redactie-adres voor België: .Seminarie voor Gespecialiseerde Elco-
nomie,
14,
Universiteitsiraat, Gent. Abonnementen: Pieter de Hoochstraat s, Rotterdam (1V.).
Bankiers: Ban que de Commerce, Brussel.

Abonnementsprijs, franco per post, voor Nederland f
26,—
per jaar;
voor België/Luxemburg f
28,-
per jaar, te voldoen door storting van de
tegenv.’aarde in Belgische franco hij de Ban que de Commerce le Brussel
of op haar Belgische postgirorekening no
26 0.34.
Overzeese gebiedsdelen (per zeepost) f
26,—,
overige landen f sS,-
per jaar.
Abonnementen kunnen ingaan met elk nummer en slechts worden
beeindigd per ultimo van het kalenderjaar.

NIEUW TE BOUWEN HERENHUIZEN
TE KOOP in randgemeente van DEN HAAG.
Te aanvaarden Augustus 1950. Eigen grond.
Koopsom
J
32000.—.
Hypotheek beschikbaar.
VESTIGINGSVERGUNNiNG VERZEKERD.
Brieven onder no.
ESB
1594, bur. v. d. bi., Postbus 42,
Schiedam.

ADVERTENTIES.
‘Alle correspondentie
betreffende
advertenties te richten aan de
Firma H. A. M. Roelants, Lange Haven
141,
Schiedam (Telefoon
69300,
toestet
6).
Advertentie-tarief f
0,40
per mm. Contract-tarieven
op
aanvraag. Rubrieken ,,Vacatures” en ,,Beschikbare krachten”
f
o,6o
per mm (dubbele kolom). De administratie behoudt zich het recht
voor om advertenties zonder opgaaf van redenen te weigeren.

Losse nummers 75 cents, resp. 12 B. francs

m

Auteur