Ga direct naar de content

Jrg. 33, editie 1644

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: november 10 1948

ten aanzien van de aangevatte materie van
wetgeving

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

E

Berichten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

33E
JAARGANG

WOENSDAG 10 NOVEMBER 1948

No.- 1644

COMMISSIE VAN REDACTIE:

Ch. Glasz; H. W. Lambers; J. Tinbergen;

F. de Vries;

J. H. Lubbers (Redacteur-Secretaris).

Assistent-Redacteur: A. de JT’it.

• COMMiSSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË:•

J. E. Mertens; R. Miry; J. c’an Tichelen; R. Vandeputte;

F. Vers ichelen.

Gegec’ens ooer adressen, abonnementen enz. op de laatste

bladzijde pan dit nummer.

INHOUD:

Bix.

De..artikelen

van

deze

week
883

Sommaire,

sJmmaries

………………
83

De

groothandeisprijzen

in

Indonesië

in

1947

door

Ir E.

A.

oan de Graaft

……………………..
884

De Belgische bedrijfsorganisatie
door Dr J. Gelucic
. .
886

De ,,aanvullende bevoegdheid” van de bedrijfsorgaen

door Prof.

Mr C.

TV. de

JTries ………………
888

Enkele facetten van de kapitaalimport
door Dr J. P.

Snoep………………………………..
889

De gemeentebegrotingen van ‘s-Gravenhage voor de

jaren 1948 en 1949
door C. A.

i. pan Lutterc’elt
. . . .
892

A a n tekeningen:

JLet
8e
Jaarverslag van iie Internationale
flank
voor herstel
en

Ontwikkeling

……… . …………………….
.
9-t
liet

Noorse

vierjaretipian
…………………………
894

Internationale

notities:

Teruglopende export der Belgische zeevisserij

……….
89
fle nationalisatie van de ijzer- en staalindustrie in Engeland
895
Een nieuwe inflatie in West-Duitsland
9

…………….
896

Geld-

en

kapitaalmarkt

……………………
896

S t a t i s t i e k e n:

Bankstaten

…………………………………..
897
Overzicht der laatste vier verkorte balanseis van De Neder-
landsehe Bank
………………………………
898

Me d cd e ii n g:
Nationaal iliiudeblijk
……………………………..
.
898

DEZER DAGEN

ging de Amerikaanse burgerij eei President kiezen. 1-Jet
was hun reeds voorgerekend: Dewey zou het, worden.
Slechts één man bezwoer dat het anders was. En, zoals

Prof. Malinowski schreef over. de Melanesiërs in een orkaan:
,,They behaved differently after the magie had been

chanted”. De overwinning van President Truman lag echter
dieper dan de charme van een persoon, zij heeft een funda-
ment in de politieke opinie, dat in de publieke opinie niet

tot uiting schijnt te zijn gekomen.

,,Tussen doen en zeggen, vele wegen leggen”. De coni-
men tatoren, mede geslagen door de, evenzeer onverwachte,
gelijktijdige pariernents- en gouverneursverkiezingen,
erkennen teveel op technische hulpmiddelen te hebben
vertrouwd; zij slikken thans de critiek in cle geest van Ra-
bindranath Tagore: ,,De ogen zijn niet trots op hun ge-
zichtsvermogen, doch op hun brilleglazen”.

Dewey, als volleerd rationalist, kan zich al evenzeer gaan laven aan dezelfde bron: ,,Een geest, geheel en al
logica, is als een mes geheel lemmet. Het doet de hand,
die het gebruikt, bloeden”.

Geslagen ziet ook Maarschalk Tsjang Kai Sjek naar zijn
levenswerk. 1-1cm, als ernstig leerling van Confucius, is
één van de diepere oorzaken van de nederlaag wel bekend.
Bij zijn onderhorigen werd te weinig acht geslagen op

het woord van de meeste!’: ,,De deugd het begin, de be-
zittingen het einde”. hier zal bespiegelen niet baten. liet

industrieel potentieel van Mandsjoerije is reeds verlol’en.
Zal een andere Marshall hem nog tijdig hulp bieden?

De kracht van het geloof in de natie wint in elk geval
veld in Frankrijk. De senaatsverkiezingen hebben. de
aanhangers van Generaal de Gaulle in sterk aantal op het
kussen gebracht. Zal Frankrijk onder de ban der ver-
deeldheid uitkomen?

De pogingen om cle verdeeldheid in Indonesië te over-
winnen worden voortgezet; nog is niet duidelijk, of men er
in geslaagd is, recht in het zadel te komen. De commenta-
toren, gehiologeerd door het lot van hen, die het ,,unborn
r1omorrov in de Verenigde Staten meenden te kennen,
worden stil. Zoals ook degenen, die op hoge posten de
toekomst van Indonesië vormden en -vormen, op dit
moihent als enig antwoord gaven: ,,geen commentaar”.

Zo blijft men ook staan tegenover de continuïteit in
het wereldvlak. De houding van de Verenigde Staten is
door de President vastgelegd als een uiterst stre’ren naar
vrede. De inhoud, die daaraan zal worden gegeven, moet
nog beklijven. De West-Europeanen worden wellicht lang-
zaam gereder van geest, Canada heeft zich geuit. liet wel-
slagen is nog een gesloten boek.

Eén zekerheid blijft, de wisseling van vreugde en ver-
driet. De Nederlandsche Economische Hoogeschool vierde
haar 7e lustrum op blijde wijze; naar buiten door hen te
eren, die de vaderlandse zaak dienden. Dr Drees, de Ihagi-
straat, Dr Rijkens, de ondernemer. Doch liog op de avond
van die dag viel een nieuwe schaduw. Na Professor Polak,
na Professor Dijker, overleed geheel onverwacht Professor
Blazer. Trouwe bouwers aan de I

Iogeschool …. ,,this
battereci caravanserai, whose doorways are alternate
Night and Day”.

O roOthrnidel

Weekblad voor de
internationale
handel

Heeft U al eens

een proefnummer

aangevrciagd?

•H. A. M.. Roelants

Schiedam

FF
— —

I

N.V. KONINKLU K £
NEDERLAN DS( H
£

• ZOUTINDUSTRIE

Boekelo – Hengels

ZOUTZIEDERIJ

Fabriek jan.

ZO/etzieur, (alle kwaliteiten)

vloeibaar ch/oor

chloorbleekloog

natro vloog, caustic roda.

EERSTE NEDERLANDSCHE

Verzekering Mij op het Leven en tegen lnvaliditeit N.V.
Gevestigd tesGravenhage

ADMINISTRATIEKANTOOR DORDRECHT

BELLEVUESTRAAT 2, TELEFOON 5346

Personeel s-Pensioen verzekering
verschaft directe fiscale besparing – afschrijving van
toekomstige lasten – blijvende sociale voldoening
Vraagt U eens weigedocumenteerd advies aan ons
BUREAU VOOR COLLECTIEVE CONTRACTEN

Behandeling van alle

bankzaken

* *

S

Bezorging van alle

assurantiën.

R. MEES & ZOONEN
BANKIERS EN ASSURANTIE-MAKELAAR5

AMSTERDAM
. ROTTERDAM
‘S•GRAVENNAGE
DRLPT – SCHIEDAM – VLAARDINGEN

• •0ije

to
ist

ESTABLISHED 11878

An Independent Journal of Fin ance

and Trade,

OBJECTIVE APPRAISALS

CONSIDERED JUDGMENT

IMPARTIAL OPINION

*

Contains most complete range of

British economic and financial statist-

ics published in any weëkly journal

*’

World wide circulation

*

Annual subscription rate: (post free-

to
inciude all supplements) £ 3:2:6

(fi
33,40)

4 Special Suppte,ne,it on Economie Con-
ditions in The Netherla,ds was published
on Jan’ Iaryj 31. A U,nited ,m,nbev of this
Suppiement remain for sale.
LOYJ)ON: 51 CAJVON ST1IEET, E.C. 4

met papier geïsoleerde kabels

voor zwakstroom en sterkstrom

koperdraad en koperdraadkabel

kabelgarnituren vulmassa
en
olie

HE KABELFABRIEK

DELFT

It

Or

10 November 1948

ECONOMISCH-StATISTISCHE BERICHTEN

883

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK.

SOMMAIRE.

Ir E.
A. ‘van de Graaff,
De groothandels prijzen in Indonesië
in 1947.

Op basis 1938 = 100 lag het indexcijfer van groothan-deisprijzen in Indonesië in 1947
01)
rond 700. In nauwe

samenhang hiermede zijn de kosten van levensonderhoud

en de loonkosten ereneens zeer sterk gestegen. 1-let resul-

taat is, dat het proces van economisch herstel wordt be-

moeilijkt, de rentéhiliteït van het bedrijfsleven in gevaar

icomt en het hoge kostenniveau bij een daling van het
wereldmarktprijspeil de export moet belemmeren. Naar verlaging van het ‘Indonesisch prijspeil kan worden-ge-

streefd door geleidelijke inzetting van de volgende mid-

delen: 1. afschaffing der 50 opcenten op de invoerrechten,
2. afschaffing van het Nigieo ‘(A.I.O.)-apparaat, en 3.
vermindering van de winstmarge in groot- en kleinhandel.

Een verlaging van het prijsniveau door herziening van de

prijsopdrijvende factoren zal het vertrouwen in Indonesië’s
economisch herstel doen terugkeren.

Dr J.
Geluck,
De Belgische bedrijfsorganisatie.

Men heeft dikwijls de vrees geuit, dat door de oprichting
van lichamen met verordenende bevoegdheid in één
partnerland en van zuiver adviserende in het andere het

welslagen van de economische l5olitiek van de Benelux in

gevaar zou kunnen worden gebracht. De memorie van
toelichting op het Nederlandse wetsontwerp noemt deze.
vrees ongegrond, daar overeenstemming van genomen
maatregelen in beide landen zeer goed’mogelijk is. Mr W.

F. Lichtenauer heeft reeds opgemerkt, dat deze uitspraak
getuigt van een beminnelijk optimisme. 1-let is lang niet
altijd zeker, dat een bepaalde, regeling in beide landen pa-
rallel tot stand komt. De grootste moeilijkheden zullen
daarbij wel in Nederland rijzen. Nu echter in b6ido landen
de teerlingen geworpen zijn, blijft ei’ niets anders over,

dan geduld te oefenen en van de practijk te leren, welk
systeem te verkiezen is.

Prof.
Mr C. W. dc Vries,
De ,,aanvullende bevoegdheid” van
de bedi’ijfsoi’ganen.
Is het inderdaad zo gevaarlijk om aan een bedrijfsorgaan,

beraadslagende iti het geheim, de ‘bevoegdheid toe te ken-
nen ,,verordenende macht” uitte oefenen, bindend niet
alleen tegenover de bedrijfsgenoten, maar ook tegenover
derden? Schrijver denkt hierover anders dan Prof. Gou-

driaan. De beperkte verordeningmakende macht opent de
mogelijkheid tot een weinig betekenende ,,aanvullende
bevoegdheid” op wegevend gebied. 1-Jet nemen van de
proef schijnt weinig gevaarlijk vooi’ de, hehartiging van
het algemeen belang.

Dr J. P.
Snoep,
Enkele facetten van de icapitaalimport.

Kapitaalimport brengt verschillende problemen met zich,
met name in de huidige na-oorlogse periode. Schrijver
merkt op, dat de inschakeling van de Nederlandse Herstel-
bank als distributie-orgaan van een dollarlening, te ver-
strekken door de Internationale Bank, ten behoeve van
de Nederlandse industrie, als een gelukkige oplossing is te
beschouwen. De kapitaalvoorziening is de zwakke plek
van’ onze industrialisatie. Er is behoefte aan particulier
Amerikaans kapitaal als deelneming in de industrie. 1-let industi’ieel-investeringsklirhaat hier te lande dient echter
op vele punten te worden verbeterd.

C. A. A. van Luttorvolt, Dé geineentebegrotingen van ‘s-Gra-
venhage voor de jaren 1948 en 1949.

– De 1-laagse gemeentebegroting voor hetkomende jaap
toont een aanzienlijke verbetering in vergelijking met die
voor 1948. Er zijn echter twee redenen tot voorzichtigheid.
Ten eerste staat een grootscheeps herstel- en vernieuwings-
plan voor de deur; ten tweede is het thans weer bereikte
evenwicht uitermate labiel.

Jr E.
A. van
de
Graaff,
Les Prix de gros en Indonésie en 1947.

– En Indonésie les prix de gros, le coût de la vie et les

salaires sont si élevés qu’ils compromettent le redressement

économique du pays. L’auteur préconise quelques mesures
propres k diminuei’ les prix. Cette diminutiôn rétablirait Ja

confiance dans l’avenir économique de l’Indonésie.

Dr J.
. Gelûck,
L’organisation économique en Belgique.

Dans le cadre de l’organisatioa économicue en Belgi4ue
les Conseils professionnels sorit des o’rganismes consultatifs
dotés du Statut d’établissements publies. Aux Pays-Bas,

au contraire, ces organismes possèderont. un pouvoir

i’églementaire. On peut se demander si cette différence
ne compromettra pas Ja politique économique de Benelux.

L’expérience nous apprendra â quel système Ja préférence
doit être accordée.

Prof. Dr
C.
W.
dc Vries,
Le ,,pouvoirréglementaire” des Conseils de l’Economie Nationale.

L’auteur est d’avis que le pouvoir réglementaire que Ja

bi néerlandaise sur l’organisation économique, attribue
aux nouveaux organismes n’a guère d’importance. Sa
mise en application ne portera pas préjudice
k
l’intéi’êt
général. –

Dr J. P.
Snoep,
Quelques facettes dit marché des capitaus.

Le côté faible de l’industrialisation aux Pays-Bas est

le manque des capitaux. La nécessité se fait surtout sentir,
notamment de faire participer ic l’industrialisation du
capital américain de source privée. Aussi est-il désirable
d’adoucir ou de supprimer certaines prescriptions cfui
en travent l’irnportation de capitaux.

C.
A. A.
van Luttcrvelt,
Les Budgets Communaux de La Haye
se rapportant aux .années 1948 et 1949.

SUMMARIES.

Dr E.
A. van, dc Graaff,
Wholesale prices in Indonesia
during 1947.

Wholesale prices in Indonesia are very high. The resul-
ting high costs of livïng and wages are throwing obstacles
in the way of economic recovery. The writer outlines a
number of measures apt to lower the price level. Lower

prices vill undoubtedly restore confidence in Indonesia’s
economic future.

.Dr J.
Goluck,
The ilelgian ,,organization of business”.

In Belgium the newly created representative bodies of
industry and trade have only advisory powers. In the
Netherlands, on the other hand; they will have legislative

powers. Thee is a possïbility that this divergence will
endanger economic policy on a Benelux scale. Practical
application of the two systems, however, will show which
system is best.

Prof. Dr
C.
W.
de Vries,
Legislative powers in the hands
of business.

The writer’s point of view is ‘that legislative powers in
the hands of business, as embodied in the Dutch bill on
,,public organization.of business”, will prove to be rather
uflimportant.

Dr J. P.
Snoep,
Some aspects of capital import.

The weak point of Holland’s industrialization is the
shortage of capital. There is a strong need of American’
capital participating in industry. ,Therefore several regu-
lations now impeding foreign investmènts in the Nether-lands have to be abolished.

C. A. A. van Luttervelt, The Hague’s nunicipal budgets for.
1948 and 1949.

884

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10 November
1948

DE GROOTHANDELSPRIJZEN

IN INDONESIË IN 1947.
In deze bijdrage wordt een analytische en kritische be-

schouwing van enkele prijsvormende factoren gegeven;
daarbij
zullen middelen en wegen worden aangegeven om

een drastische beperking van de prijzen en dus verlaging

van het prijsniveau te bewerkstelligen.
Als uitgangspunt wordt genomen de gemiddelde c.i.f.-

waarde van de invoer hier te lande, waarbij deze waarde

voor 1938 op 100 wordt gesteld; men komt dan voor 197

op een indexcijfer van de gemiddelde c.i.f.-waarde van 360.

Het werkelijke indexcijfer ligt op een hoger niveau dan

het gecalculeerde; de oorzaak hiervan moet worden ge-

zocht in de gewijzigde verdeling vah de invoer over de

landen van .00rsprong in 1947 ten opzichte van 1938. In

1938 wa.s de invoer voor 15 pCt naar de waarde afkomstig

uit Japan, een invoer met een gemiddeld. zeer lage f.o.b.,

waarde, vergeleken met de f.o.b,-waarde (gemiddeld) der

Europese landen. In 1947 beliep de invoer naar waarde
uit Japan circa 8 pCt van de totale invoerwaarde, waarbij

de gemiddelde f.o.b.-waarde van de invoer uit Japan in

1947 ten opzichte van 1938 in veel ‘sterkere mate gestegen

is dan zulks in de Europese landen het geval was.
De c.i.f.-waarde der goederen ondergaat door bewerking

en/of .diensten, aan de goederen bewezen, verschillende

verhogingen, welke uiteindelijk in de kostprijs der goederen

voor de consument tot uiting komen. Deze huidge kosten

of lasten hij aankomst van goederen per schip zijn de

lossingskosten, de invoerréchten, de vergoeding van de
diensten der Nigieo, A.I.O_ van de importeurs, in wier
handen de goederen tenslotte overgaan, van de tussen-

en .kleinhandel 1).

Voor 1947 w’asde bulk van de import nog geconcentreerd
in de handen van de Nederlands-Indische Gouvernements.
Im-en Exportorganisatie en het prijspeil dezer goederen

is tevens bepalend voor het prijspeil der invoer van goede-
ren buiten de Nigieo om, door particulieren. De bijkomende

kosten zijn in pCt van de waarde uitgedrukt:

1938

1947
(1938 = 100)

c.i.f.-prijs

…………
100

360

lossingskosten
………
1
101f
1
364
gemidd. invoerrechten
10,5
111,5
15
419
algemene kosten insul..

vracht Nigieo

.
…..


831
559
winstmarge importeur
10
123
25
700 grooth.
idem

tussen- en detail-

prijs
handel

……….
ca25
154

De gegeven winstmarges voor groot- en kleinhandel

hebben voor 1938 betrekking op essentiële en dagelijkse
consumptiegoederen. Voor monopolie-artikelen en luxe-
waren varen deze mai-ges belangrijk .hoger. Voor bulk en
andçre artikelen nam men met geringere winstmarges
genoegen.
De gemiddelde winstmarge van ca 25 pCt in 1947 voor
de groothandel is een authentiek gegeven, dat tevens
rehabilitatiekosten van het bedrijf omvat. De huidige
marges van de tussen- en detailhandel zijn moéilijk te
traceren, voor de vrije markt in elk geval reeds hoog en
buiten alle proporties waar deze mogelijkheid bestaat.

Het in bovenstaand tabelletje gevonden theoretische
groothandelsindexcijfer is niet zonder meer te vergelijken
met het indexcijfer van groothandelsprijzen, hetwelk
1
gepubliceerd werd in de uitgave van het Centraal Kantoor
voor de Statistiek, ,,Indexcijfers van groothandeisprijzen
van in en uitvoerartikelen” over 1947, nl. 691. Dit cijfer
heeft tot basis de groothandelsprijs in 1938, tegen het
o
theoretisch berekende indexcijfer als basis de c.i.f.-prijs
1
in 1938 op bovengenoemde bais van de groothandelsprijs,
w’aardoor het indexcijfer ligt op’,een niveau van circa 570.

‘)
Statistiekrecht en goederengeld werden niet opgenomen.

boven 1938. De in de tabel gegeven voorstelling van zaken

is in het algemeen juist te noemen, ook al zijn verschil-
len in de onderlinge verhouding mogelijk. De werkelijke

verhoudingen liggen echter nog ongunstiger dan berekend
werd.

Het aandeel van de Nigieo (A.I.O.) in de invoer bedroeg

in de jaren 1946 en 1947 respectievelijk 240 en 431 mln

gid. De totale invoer bedroeg in 1947 753 mln gld.; voor
1946 zijn de gegévens van de totale invoer niet volledig.

Aan rechten werd door den Lande op deze totale invoer

circa 113 mln gld. ontvangen, waarbij een beduidend

geringer volume van de invoer door de dienst der In- en
Uitvoerrechten en Accijnzen moest worden behandeld dan

in 1938,toen de inkonisten.uit invoerrechten circa 50 mln

beliepen. De rechten bedroegen dan ook in 1947, berekend

op basis invoer 1938, niet minder dan 55 pCt van die

waarde. Onder normale omstandigheden zou men spreken

van een prohihitief recht. lIet nadeel is, dat deze exorbi-

tante rechtenheffing ten detrimente van de consumptie-
prijs weikt.

Het tarief der te heffen invoerrechten is gebaseerd op aard en sanienstelling der goederen. Op de vastgestelde

rechten worden op heden 50 opcenten geheven. Gemiddeld

werd in 1946 en 1947 een invoerrecht naar de waarde,
inclusief opcenten van circa 15 pCt, geheven. Aan invoer-

rechten werd uit Nigieo-import over genoemde jaren 36

en 65 mln gld. verkregen.

• De Nigieo hiefin de jarefl 1946 en 1947 een Petributie
van
331/s
pCt van de waarde harer invoeren (ter bestrijding
van de algemene kosten en inter-insulaire vracht), welke
respectievelijk resulteert in een bedrag van 92 en 165 mln
gld. Na aftrek van alle kosten van de Nigieo vloeide hier-
van naar schatting een bedrag voor beide jaren tezamen

van circa 200 mln gld. naar ‘s lands kas af; misschien is
dit bedrag nog te voorzichtig geraamd. Uit een globale
berekening komt men tot het cijfer aan werkelijke betaalde

inter-insulaire vracht voor 1947 van 4 h 5 mln gld. De
Nigieo-retributie kan in wezen niet anders dan als een
omzetbelasting worden gezien.

De importeursmarge bedroeg vooi genoemde jaren 25 pCt

van de waarde, inclusief de rehabilitatie van het bedrijf.
De bedragen, welke de importeurs uit dien hoofde compe-
teerden, waren 92 en 165 mln gld. Uitgaande van een
‘normale winstmarge van 10 pCt komt mn voor bedoelde
jaren in absolute cijfei’s tot bedragen van respectievelijk
37 en 66 mln gld. Een winstpercentage van 10 pCt op dit
‘sterk verhoogde prijsniveau in 1947 is echter een zeer
‘hoge beloning harer diensten.

Voor rehabilitatie van het
bedrijf blijft 15 pCt of circa 153 mln gld. Indertijd werden de verliezen, door de import geleden
tengevolge vaiv oorlog én bezetting, geschat op 120 mln
gld. Uit een vergelijking van de waarde van de invoeren
over dë vooroorlogse jaren komt niet tot uiting, dat de
verloren .gegane yoorraden een dergelijk waardebedrag
vertegenwoordigden
2).

In elk geval is een rehabilitatie van 150 mln gld. vol-

doende om geleden schade te vergoeden. (Voor consumptie-
goederen is een rehabilitatiewaarde op ,,replacing cost”
gebaseerd, niet juist. Waren de voorraden destijds in
consumptie gebracht, zo zou ook niet meer dan die
verkoopwaarde kunnen worden geclaimd).
In 1938 was de groothandeiswinst over een invoerwaarde
.van 478 mln gld. circa 55 mln gid.; in 1947 over een invoer-
waarde van Nigieo-goederen van 431 nln gld. niet minder
‘dan 66 mln gld., waarbij het volume van de invoer in 1947

Invoer ) in Indonesië gedurende .1938 t/m 1941.

Gewicht in
waarde in
tons bruto
f1.000
1938
1.997.613

.
451.097
1939


2.056.327
437.837
1940
1.762.887
432.522
1.941
1.458.593
461.512

*) Excl.
oorlogsmateriaal, goud, zilver en postpakketten, passa-
– giersgôederen.

1

1′

10 -November 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

885

Nigieo-impo-t Inaar c.i.f.-iraarde.

1946

1947

240 mln gid. 431 min gid

gemiddelde invoerrechten

15’pCt ………………36

65

Nigieo-heffing
331/
pCt – . . – 92

165
Gemiddelde winstmarge impor-

teurs 25 pCt

…………92

165

ten opzichte van 1938 50 pCt bedroeg, de omvang der

zaken beperkt bleef en een deel van de werkzaamheden
door de Nigieô werd verricht. Boven dd winst, door de handel op Nigieo-goederen gemaakt, werden eveneens

aanzienlijke inkomsten verkregen uit de ‘rije handel
buiten de Nigieo om.
In bovenstaande uiteenzetting komen heel duidelijk tot uiting de reusachtige bedragen, welke uit hoofde _van de

door de Regering gedirigeerde invoer, den Lande en de
handel toevloeien.

In cijfers uitgedrukt; uit hoofde van de invoer in 1947,

is een bedrag van circa 225 mln gld,, verdeeld over invoer-

rechten (totale) en Nigieo-retributie, aan den Lande ten
goede gekomen.

I
.-

In 1940 w.s van de gewone ‘ontvangsten van den Lande 328 mln gld. afkomstig uit belastingen, rêchten en.accijn-

zen. De vermeerdering aan inkomsten’ voor den Lande in
1947 betekent in ièzên een heffing van circa 70 pCt aan
opcenten op de belastingen ten opzichte van het jaar 1940.
De huidige financiële’ economische politiek is erop gericht
de kosten van de wederopbouw en versterking van de
economische organen uit eigen middelen te financieren,
welke politiek echter mede inhoudt een langzame
vurging
van de sociale en economische samenleving, hetwelk in

de ijver, waariiede men zich op de. problemen geworpen
heeft, volkomen ‘voorbijgezien wordt.
Dô sociale saménleving is onder deze omstandigheden
aan liet einde van haar krachten gekomen. De economische
opbouw gaat gebukt onder de lasten van de hoge loon-
standaard als gevolg van de sterk gestegen kosten van
levensonderhoud, waardoor de rentabiliteit in gevaar
wordt gebracht en het hoge kosteriniveau bij een daling
van de ‘prijzen van grondstQffen in het buitenland. de
export moet belemmeren.

Het enorm gestegen interne prijsniveau voor goederen
– van de invoer heeft tot gevolg, dat alle andere goederen
en diensten zich mede aan dit prijsniveau optrekken. 1-let
accent wordt thans bij voorkeur gelegd op een mogelijke
verlaging van het prijsniveau van voedingsmiddelen van
binnenlandse oorsprong, waarbij de tendentie aanwezig is

de nauwe betrekking tussen beide prijsniveau’s voorbij
te zien. De rijstprijs in 1947 lag circa 700 pCt boven het
niveau ‘an 1938, geenszins ongemotiveerd. Een verdere
verlaging van deze prijs door ruim aanbod verplaatst
alleen de financiële druk naar de inkomsten van andere
groepen van de bevolking; Bij dit alles voegt zich het feit
– van de grote geidruimte, die infiationistisch werkt. De
relatieve koopkracht van de eigen geldeenheid ‘ten opzichte
van de koopkracht der buitenlandse munt is uiteindelijk
– bepalend voor de wisselkoers. Op de duur zal niet te ont-
komen zijn aan aanpassing van de officiële wisselkoers,
waardoor een twee,de stijging zal ingaan van de groot-
handelsprïjzen van invoerartikelen. De invloed hiervan
komt in het binnenlands prijsniveau tot uiting. De verho-
ging der exportprijzen in eigen munt blijft ten achter bij
het gestegen binnenlandse prijsniveau. Is sanering der
geldmiddelen niet meer mogelijk, onder versterking van
het prod u ctie-apparaat dooi verlaging van het prijsniveau

en hiermee gepaard gaand economisch herstel, dan is
,,de
dans om de galg”
aangevangen:
Sanering is echter mogelijk door inkrimping van liet
prijsvolume, waarnaar kan worden gestreefd door geleide-
lijke inzetting van de volgende middelen:
Afschaffing ‘der 50 opcenten op de ini.uerrechten.

1-let feitelijke tarief der invoerrechten in 1947 is verge-
leken met de waardestijging t.o.v. 1938 = 100 dermate

exorbitant en prohibitief, dat alleen de schaarste aan on-

ontbeerlijke goederen en het ontbreken van de binnen-

landse productie de invoêr mogelijk maakt.

Afschaffing Qan het .lVigieo, A.I.O.-apparaat.
De handel is volkomen in- staat op ieder ogenblik haar
oude taak, de goederenvooziening van Indonesië, weder-
om op te nemen. Het semi-overheidsapparaat, de Nigieo,
A.I.O., is een ontzaglijk dure instantie, welke millioenen
verslindt en tevens door onregëlmatigheden en onvoldoen-

de contrôle de lasten, de consument opgelegd, onnodig

heeft verzwaard. De Nigieo is nooit opgezet om en blij-

vende bron van inkomsten voor den Lande te vormen

en liet bestendigen van dit instituut betekent tegen be-
trekkelijk financieel voordeel, slechts nadeel voor het

economisch leven in algemene zin.

Vermindering yan de winstm’arge in groot- en kleinhandel.

De importeurs genieten op heden- voor hun, vergeleken
bij voor de oorlog, geringe prestaties een winstmarge van
gemiddeld 25 pCt, inclusief rehabilitatie, waarbij zij op-
gemerkt, dat indertijd de rehabilitatie van de handel op
circa 120 mln gld. werd •geschat, welk bedrag in 1946 en
1947 reeds is inverdiend.

Een wihstmarge voor de groothandel van gemiddeld
10 pCtwerd vôÔr de oorlog voldoende geacht en ligt hoger
dan het gemiddelds.in Europa. De omloopssnelheid van de

in de import geïnvesteerde bedragen in aan merkjng nemen-
de, zomede het hogere niveau der goederenprijzen, diensten en onkosten mag
thans worden aangenomen, dat een marge
voor de groothandel van 7 pCt aan zeer redelijke eisen tegemoet komt. Een verandering in het’prijsniveau hier te lande brengt mede een wijziging in de marge van de
groothandel, opdat een redelijke vergoeding gewaarborgd
blijft.

Aan dezelfde eisen voldoet ‘op lieden een niage van 14
â 15 pCt in tussen- en ,kleinhand’el.
i7orden aan de hand der desiderata de inkomsten voor 1938 en 1947 van liet land en importeurs en detailhandel
naast elkaar gesteld, dan kômt men tot de volgende opzet:

Inoervaarde

Itwoerwaarde

1938

1947

478 mln gld.

753 mln gld.

rechterl 10,5 pCt ……50

10 pCt 75,3
winstmarge import

10 pCt …………52,8,,

7f pCt 62,1
klein- en tussenhandel
25 pCt …………145,2,,

,,cal4pCt 124,6
Daar de invoer in 1947 naar volume slechts 50 pCt van
de invoer in 1938 bedroeg, zoüdçn bij een verwerking door
de handel van een even groot volume van de invoer als
in 1938 de inkomsten voor groot- en kleinhandel respectie-
veli.jk circa 124 en 249 mln gld. bedragen.
Doorvoering der voorgestelde maatregelen zou vôor
het jaar 1947 het prijsniveau der groothandelsprijzen terug-
brengen iran 570 pCt tot circa 349 pCt op basis van 1938.
De kosten van leYensonderhoud zouden een daling ver-
tonen met als gevolg een verlichting van’lasten voor de
samenleving in al haar geledingen.

De voordelen liggen ép economisch en sociaal terrein;
economisch door verlaging van het prijsniveau over de
gehele linie, waardoor versterking en hei’stel van het be-
drijfsleven wordt gestimuleerd, door vermeerdering van de

rentabiliteit en toenemende geneigdheid kapitaal opnieuw hier te investeren; sociaal, een rehabilitatie van de mense-
lijke geest door vergemakkelijking van de levensomstan-
digheden. ,

De laatstgenoemde voordelen zijn niet in cijfers weer

886

11

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10 November, 1948

te geven en liggen in een opvoering van het moreel der

gemeenschap, meerdere hezieling voor haar arbeid en sti-mulans om hier te komen en te blijven en hier een bestaan

te verwerven. De funeste tendentie zo spoedig mogelijk deze

gewesten te verlaten, zal afnemen, waardoor de dreigende
afbraak van de Nederlandse gemeenschap, vier aanwezig-

heid niet kan worden gemist en dringend vereist wordt

om de banden, welke Nederland met Indonesië verbinden,

te verstevigen en levendg te houden. Een hechte band

tussen deze landen kan slechts tot beider welvaart voeren.

Geenszins vordt verheeld, dat Pai’ijs en Rome piet in

een dag zijn gebouwd, doch men tone door daden, dat de

nood, welke alom gevoeld en geleden wordt, onderkend is,

opdat ook het volk van dit land zelf een hart onder de
riem wordt gestoken en ook hen de illusie van een toekomst

wordt weergegeven.

Een verlaging van het prijsniveau door herziening van
de prijsopdrijvende factoren zal vertrouwen doen terug-

keren, doch men volsta hierbij niet de excessen van het

vigerende prijsniveau tegen te gaan, slechts door een even-tuele bewaking van het prijspeil in de kleinhandel.

Batavia.

Ir
E. A. VAN DE GRAAFF

DE BELGISCHE BEDRIJFSORGANISATIE.

Slechts een paar weken nadat het Nederlandse ,,Wets-

ontwerp Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie” was gereed
gekomen, stemde het Belgisch Parlement de ,,Wet hou-

dende Organsatie van de Economie” die in haar drie
eerste secties dezelfde materie behandelt
1).
-Velen zulJen

weigei’en dit als een louter toevallige côïncidentie te be-

schouwen en zich verheugen over een nieuw bewijs van

de parallele evolutie der gedachten bij de twee belang-
rijkste Benelux-parjners. Wie de beide teksten nader

onderzoekt, wordt echter onmiddellijk getroffen door de

verschillende principes die ze beheersen en door de uit-

eenlopende oplossingen die aan hetzelfde probleem ge-
geven worden.

Algemene kenmerken.

De essentie van hei Belgisch stelsel kan ongeveer als
volgt
omschreven
worden: oprichting, met de medewerking
van de reeds bestaande vrije verenigingen, van lichamen

waarin (hoofdzakelijk) de patroons en de arbeiders ver-
tegenwoordigd zijn en die aan de Regering of aan de wet-
gevende kamérs adviezen of voorstellen moeten overmaken
ointrent vraagstukken; die betrekking hebben op ‘slands
bedrijfsleven.

Deze formule verschilt aanzienlijk van de Nederlandse,
die uitgaat van de gedachte dat men zoveel mogelijk aan
de lagere organen moet overlaten wat deze even goed of
beter kunnen doen dan de hogere en daarom aan de bedrijfs-
organisatie een verordenende bevoegdheid toekent. In
België moest dit – overigehs zeer consequente – susi-
diariteitsbeginsel wijken voor de vrees, dat de verorde-

– ningsmacht dr raden het beroepsbelang of zelfs het be-
• roeçsegoïsme de voorrang zou laten op het algcmeèn
belang of op dat der verbruikers. Men wilde voorkomen, dat de verschillende, met een stuk derwetgevende macht
beklede, officieel ‘georganseerde sectoren der nationale

economie een voor de gemeenschap uiterst nadelige
onderlinge strijd zouden leveren. Nooit koesterde men de

illusie, dathet zou volstaan vertegenwoordigers van zoveel
mogelijk bedrijven samen te brengen in een raad om daar
een juiste voorstelling van het algemeen belang te be-
rèiken. Men dacht, dat ze misschien hun strijd zouden voort-

zetten in de schoot van die raad of een akkoord zouden.
bereiken ten koste van de gemeenschap (soms zelfs helemaal

‘)
De vierde en vijfde secties betreffen de ondernemingsraden,
clie we hier buiten l)cschouwing laten omdat
ze
niet in cle eigenlijke
bedrijfsorganisatie thuis horen; tevens wijl het Nederlandse ontwerp
soortgelijke organen niet vermeldt.

te goeder trouw, maar bijv. omdat ze geen rekening zouden

houden met het politiek aspect der problemen) . liet feit,

dat de Regering isatuurlijk altijd het recht behoudt de ver-

ordeningen van de bedrijfsorganen te vernietigen, kon
deze bezwaren niet wegnemen, want de Overheid staat in

die gevallen voor een ,,fait accompli” en een te-veelvuldig

gebruik van haar recht zou fataal tot slechte betrekkingen
met de bedrijfsorganen leiden.

De bevoegdheid der Belgische raden is ook in eën ander

opzicht veel beperkter dan diê der overeenkomstige Neder-

Jândse organismen. Ze zijii niet enkel louter adviserend,

maar daarenboven wordt hun mening slechts gevraagd

inzake ecônomische problemen. Alles wat yan sociale
aard is, blijft tot de bevoegdheid behoren van de sinds
1921 bestaande paritaire cbmmissies – die trouwens steeds

goed functionneerden..

Er waren sterke argumenten voor en tegen deze oplos-

sing. Aan de ene kant leek het gewenst beide reeksen van

problemen, die toch in zeer nauw verband staan met elkaar,-

door eenzelfde lichaam ‘te laten behandelen. Dit wu een
waarborg geweest zijn, dat alle adviezen in dezelfde geest

werden gegeven. Aan de andere kant moest echter toe-

gegeven worden, dat sociale en economische vraagstukken

niet altijd’met de nodige bevoegdheid”door dezelfde per-
sonen kunnen opgelost’ worden. Daarom besloot men,

naast de raden, de paritaire commissies te behouden.
Deze regeling kan de juiste geacht worden, omdat ze

de meést practische is. Ze maakt evenwel een zo nauw

mogelijke coördinatie van de activiteit van beide soorten

lichamen noodzakelijk. Om dit doel te bereiken zou men
hijv. aan de raden de toelating Icunnen verlenen telkens
twee van hun leden (een arbeiders- en een patroons-

afgevaardigde) te gelasten, met zuiver raadgevende stem,
de vergaderingen van de overeenkomstige commissie bij

te wonen. Déze laatste zou reciprociteit kunnen genieten.

– In een enkel opzicht vertonen de Belgische wet en het
Nederlandse ontwerp een zekere gelijicenis: beide bouwen

de bedrijfsorganisaties op het stvige suhstratum van de
vrije beroepsverenigingen. Dit is ongetwijfeld te verkiezen

boven het systeem, dat hier te lânde gedurende de be-
zetting werd opgedrongen. In dit regime werden de be-
drijfsorganen rechtstr’eéks door de ondernemingen zelf
gevorjnd.’ De thans aangenomen oplossing biedt het voor-
deel alle discussies over zogenoemde aahslagen op de vrij-

heid van vereniging te vermijden. Bovendien – en dit

is van practisch standpunt uit gezien veel belangrijker
– ontsnapt men aan het anders steeds dreigende gevaar
van vijandigheid der privatè verenigingen tegenover de
officiële organismen, aangezien deze liatste nu een emana-
tie zijn van henzelf.

De Centrale Raad paar het Bediijfsleoen.

Het toporgaan der Belgische bedrijfsorganisatie is de
Centrale Raad’ voor het Bedrijfsleven. Zijn taak *ordt in
brede trekken door de wetgever zelf aangegeven. 1-Jij
moet aan een minister of aan het Parlement, hetzij uit
eigen bewegiqg, hetzij op aanvraag van deze overheids-
organen, en onder de vorm van verslagen, die de ver-

schillende standpunten weergeven, alle adviezen of voor-
stellen overmaken omtrent de vraagstukken, die tetrek-
king hebben op ‘s lands bedrijfsleven.
Opdat de Raad deze taak naar behoren zou kunnen ver-

vullen, heeft men er een zo ‘trouw mogelijke weerspiege-
ling van alle belangengroepen der nationale economie
willen van maken. Hij telt afgevaardigden van de nijver-
heid, de handel, de landbouw en het ambachtswezen.
De werknemers zijn er even sterk vertegenwoordigd als
de werkgevers. In de vroegere ontwerpen was deze pariteit
niet voorzien en het is slechts op aandringen van de
arbeiderssyndicaten, dat ze werd doorgevoerd. De tegen-
standers voerden aan, dat het veel belangrijker was te
streven naar een zo groot mogelijke diversiteit in de sameh-
stelling dan wel naar een kwantitatief juiste dosering,

10 November 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

887

aangezien de Raad toch geen beslissingen neemt en de
mening van eventuele minderheden altijd als een afzonder-

lijke nota in de adviezen kan opgenomen worden. Dit

argument hield evenwel geen rekening met het prestige,

dat het door de ni’eerderheid goedgekeurde standpunt

onvermijdelijk zal genieten. Om politieke en psycholo-
gische redenen had de numerieke samenstelling ongetwijfeld

wel een zeer grote betèkenis.

De wijze waarop de leden van de Raad benoemd worden,
vloeit voort uit zijn taak. Aangezièn hij vooral de Regering

zal voorlichten worden ze door de uitvoerende macht
gekozen; opdat hij echter tevens nog zou kunnen aange-
zien worden als een echte emanatie van het bedrijfsleven,

wordt nader bepaald, dat de Overheid haar keuze moet

doen op dubbele lijsten, door de representatieve beroeps-

verenigingen opgesteld. Om de standing van het top-
organisme nog te verhogen worden aan de vertegen-
woordigers van het bedrijfsleven enke]e, om hun tech-

nische of wetenschappelijké waarde befaamde personali-

teiten toegevoegd. Ook zij worden door de Regering be-

noemd, maar weer op voorstel van de Raad zelf. Een
analoge procedure wordt trouwens gevolgd voor het be-

noemen van de voorzitter, die niët onder de gewone
leden gekozen wordt en volledig onafhankelijk moet zijn,
zowel ten opzichte van de administratie als ten opzichte

van de vertegenwoordigende organisaties. Men heeft het
– terecht – niet nodig geoordeeld afgevaardigden van
de Staat op te nemen in een organisme, dat tot taak heeft
deze laatste raad te geven: waren die er wel, dan zou hij
in zekere mate zichzelf gaan consulteren.

Anderzijds moet echter erkend worden, dat een nauw
contadt tussen de adviserendeen de beslissende instanties
ten zeerste gewenst is. De Regering zal soms nauwkeuriger
de betekenis in de atmosfeer van een advies w’illen kennen,
– de Raad zal soms meer inlichtingen wensen over de be-
doelingen en de politiek van cle Regering om er zijn vOor
stellen te kunnen naar richten. De bepaling, dat vertegen-woordigers van de openbare besturen of diensten van al-
gemeen belang kunnen verzocht worden hun advies uit
te brengen bij de Centrale Raad is reeds van aard dit
contact in belangrijke mate te bevorderen. Men kan zich
nochtans afvragen, of het niet nuttig geweest ware, als-permanente -band tussen de Overheid en de Raad, een
regeringscommissaris te benoemen, die, evenwel zonder
beslissende stem en alleen maar om vragen te stellen,

opmerkingen te maken of inlichtingen te geven, de’ ver-
gaderingen zou bijwonen. De wet ook kent geen vertegen-
voordiging toe aan de verbruikers. Dit kan geen bezwaar

opleveren want, afgezien van de technische moeilijkheden,
die een dergelijke vertegenwoordiging meebrengt, kan men
van de Overheid zelf verwachten, dat ze bij het onderzoek
van de adviezen die haar worden voorgelegd en vooraleer
een maatregel te nemen, ook rekening zal houden met;de

belangen- der consumenten.
De Centrale Raad zal ongetwijfeld dc belangrijkste en
ingewikkeldste economische problemen te behanctelen
krijgen, welke niet op te lossen zijn zonder een degelijke,

soms moeilijk te verzamelen en uitgebreide documentatie.
De leden, die elders (gewoonlijk in de groeperingen, welke
ze vertegenwoordigen) hun hoofdbezigheid hebben, zullen

niet in staat zijn zelf al het nodige voorbereidend en studie-
werk te doen, enquêtes te organiseren, enz. De wet bepaalt
daarom, dat de Raad zal kunnen beschikken over een

secretariaat met geschoold, gespecialiseerd personeel,
dat al die taken op zich zal moeten nemen en dus in zekere
zin het’ centrum zal worden van de bedrijfsorganisatie.
De Centrale Raad zal, evenals de raad van beheer van een
onderneming, beslissen op basis van de rapporten, die door

zijn diensten werden opgesteld.
Zal deze hulp altijd volstaan? Zal het niet. gebeuren,

dat zer speciale technische aangelegenheden moeten
behandeld worden en dat in onderhavig geval niet alle
leden voldoende bevoegd zullen zijn om aan de werkzaam-

heden deel te nemen? Het ware daarom wenshijk in de

nog uit te werken uitvoeringsbesluiten of in het huishoude-
lijk reglement te bepalen, dat de Raad, zelf, de vertegen-

woordigde groepen, of zelfs de afzonderiijke leden zich

mogen laten bijstaan door specialisten. –
Over de wijze, waarop de bedrijfsorganisatie rhoet ge-

financierd worden, heeft men in België een heel -andere

opvatting dan in Nederland. De memorie van toelichting

bij het , Wetsontwerp Publiekrechtelijke Bedrijfsorgani-

satie” verklaart, dat de financiering door hot bedrijfs-

leven zelf dient verkozen te worden
01)
grond van de
oude politieke wijsheid, dat zelfstandigheid zonder eigen
middelen nooit anders dan een schijnbare kan zijn
2).

Zij beschouwt dus een eigen belastinggebied als eei

conditio sine qua non voor de goede werking der nieuwe

instelling. In België werd dit systeem gedurende de oorlog
en na de bevrijding toegepast. liet lokte echter zoveel

kritiek uit vanwege de betrokkenen, dt men nu wel

verplicht was te bepalen dat de Raad op staatskosten

zou functionneren, wilde men niet het gevaar lopen hem

onmiddellijk veel sympathie te doen verliezen. Aan dit
peremptoire argument werd dan nog de overweging toe-

gevoegd, dat het personeel van het secretariaat veel on-
afhankelijker en objectiever zal staan tegenover de in de
Raad vertegenwoordigde belangen, indien het rechtstreeks
doör de Staat wordt bezoldigd.

De Bedri
.
j/sraden.

Voor de afzonderlijke bedrijfstakken zijn raden voorzien,
wier functie, in hun beperkt domein, dezelfde is als die welke
het toporganisme voor de hele economie uitoefent: zij

overhandigen aan een minister of aan de Centrale Raad,
hetzij uit eigen beweging, hetzij ‘op a
.
anvraag van deze
overheidsorganen, en in de vorm van verslagen, die de
verschillende standpunten weergeven, welke in hun
midden werden toegelicht, alle adviezen of voorstellen
omtrent de vraagstukken dip betrekking hebben
01)
de
bedrijfstak welke ze vertegenwoordigen.
Vbor alle belangrijke organisatieproblemen (de benoe-
ming van voorzitter en ledén, de financiering enz.)-her-
neemt de wet bijna letterlijk de hierboven in verband met

het toporganisme besproken bepalingen, lIet is dan ook
niet nodig er hier op terug te komen.
Daarentegen zijn er enkele andere kwesties, zelfs klas-
sieke geschilpunten, die niet worden aang’eraakt.
lIet Nederlandse ontwerp ‘oorziet de oprichting vân
verticale productschappen en horizontale hoofdbedrijf

en bedrijfschappen. De Belgische wet zegt niet, of de
bedrijfsraden de vertegenwoordiging van de verschillende

stadia van de productie van een goed of van een goederen-
groep zullen verenigen, ofwel of die -stadia zelf tot basis
van de Organisatie zulleil gemaakt worden. Dit hoeft
trouwens niet te verwonderen. Het is heel waarschijnlijk,
dat de Regering, aan wie de nadere uitwerking wordt over-
gelaten, veel meer rekening zal houden met. de speciale
toestand van elke sector dan wel met een systematisch,
strak en onvermijdelijk louter theoretisch klassement,
waarin het zo verscheiden economisch leven maar moeilijk
zou kunnen ondergebracht worden. Zij zal vooral moeten
nagaan, welke vrije verenigingen op de verschillende
gebieden bestaan, want op deze toch zullen de raden op-

gej2ouwd worden.
Over de vraag of de raden telkens voor een kleinere
of grotere tak der economie zullen opgericht vorden
(bijv. een bedrijfsraad voor de spinnerij, een voor de weverij,
enz. afzoiiderlijk, of een bedrijfsraad voor de gehele
textielindustrie ineens) verkeert meii nog volledig in het
duister. Ook op dit gebied zal de Regering telkens feiten-
kwesties moeten oplossen. Flaar taak wordt hier trouwens
enigszins vergemakkelijkt, doordat de wet de mogelijkheid
biedt sub-afdelingen op te richten. Naar alle waarschijn-
lijkheid zal van deze bepaling echter nog meer gebruik

‘)
]31z. 20.

8881

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10 November 1948

gemaakt worden om de opinie van de steeds minder goed

georganiseerde middenstand beter tot uiting te laten

komen.

1-let lag zekey niet in de bedoeling van de wetgever de

hele economie ïnééns onder de nieuwe adviserende organis-

men te laten ressorteren. Men moet immers niet organi-

seren om het genoegen te smaken te organiseren. Alleen

déâr waar er werkelijk behoefte aan bestaat, z.l men Øe

raden oprichten. 1-let zal de taak zijn van de Centrale Raad,

wiens advies telkens moet gevraagd worden, een schema-
tisch plan op te stellen, binnen hetwelk de behandelde

problemen, als bijv. horizontale of verticale, universele of
partiële Organisatie, een soepele oplossing kunnen krijgen.

Deze methode blijkt van aard te vermijden, dat het oppor-

tunistisch karakter van elke individuele oplossing het

geheel tot een chaos zou maken.
Voor het overige is het nochtans duidelijk, dat er niet

van een werkelijke hiërarchie der raden kan gesproken

worden: zij zijn alle zelfstandige advie’sorganen der Re-

gerirg. Om de rationele werking van het geheel te ver-

zekeren heeft de wetgever het evenwel nodig geoordeeld

zekere coördinatiemogelijkheden te voorzien. Zo zullen

de voorzitters van de onderscheiden raden geregeld samen

vergaderen om de werkmethodes te ordenen, elkaar te
raadplegen, in te lichten enz.

In verband met de bedrijfsorganisatie werd
er,
vooral

in Nederland, ook veel aandacht besteed aan de coördi-
natie op een ander gebied. Men heeft er dikwijls de vrees
geuit dat, door de oprichting van lichamen met verordenen-

de bevoegdheid in één partnerland en van zuiver advi-
serende in het andere, het welsiagen van de economische
politiek van Benelux zou kunnen in gevaar gebracht

worden. De memorie van toelichting bij het ,,Wetsontverp

Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatic” noemt deze vrees ongegrond, daarhet heel goed kan gebeuren dat in België

een bepaalde maatregel door de Regering wordt genomen

op voorstel van een organisatie meI loutr adviserende

bevoegdheid, terwijl in Nederland het overeenstemn’iende,
maar met verordenende bevoegdheid beklede lichaam,

een soortgelijke maatregel uitvaardigt onder het toezicht
van de Regering
3).
Met Mr W. F. Lichtenauer moet men
bekennen, dat deze uitspraak getuigt van een ,,heminne-
lijk optimisme’
4).
1-let is inderdaad wel altijd mogelijk,
maar lang niet zeker, dat een bepaalde regeling in beide

landen parallel tot stand komt. De grootste moeilijkheden
zullen, daarbij misschien wel in Nederland oprijzen daar
in België de Regering altijd de besluiten kan uitvaardigen

die ze nodig acht voor het algemeen belang, desnoods
zelfs zonder het advies van de raden te vragen. We willen
dit probleem hier echter niet nader onderzoeken, want het herleidt zich tot de oude twistvraag: verordenende
of adviserende bedrijfsorganisatie. Nu de teerlingen in
beidT landen geworpen zijn, blijft er ons niets anders
over dan gëduld te oefenen en van de practijk te leren,
welk systeem te verkiezen is: het tegenover het bedrijfs-
leven (en de’ menselijk natuur!) enigszins wantrouwige
Belgische stelsel of de meer optimistische opvatting, die
aan de basis ligt van het Nederlandse ontwerp.

Gent.

.

T. GELUCK.

) Blz. II.
‘) Mr W. F. Llchtenauer, ,,Overpeinzingen aan een wieg”, in
,,E.-S.B.” van ‘1 September 1948, blz. 684.

DE ,,AANVULLENDE BEVOEGDHEID” VAN

DE BEDRIJFSORGANEN.

1-letgeen hier over de publiekrechtelijke bedrijfsorgani-
satie is gezegd, wijkt in belangrijke mate af van hetgeen
in dit tijdschrift door Prof. Goudriaan is betoogd i).

Is het een gevaarvol wagen, aan een bedrijfsorgaan,

beraadslagende in het geheim, de bevoegdheid toe te

kennen ,,verordenende macht” uit te oefenen, niet alleen
tegenover de bedrijfsgenoten, maar ook tegenover derden,
het publiek, bindend?

In het wetsontwerp, dat nu als ,,mantel-ontwerp” dienst
doet, wordt deze verordeningmakende macht niet gegeveii.

Dat is al een goed ding. Felkens zal eenwet worden inge-

schakeld om aan het bedrijfsorgan de beperkte bevoegd-
heid te geven bindende regels te stellen ten aanzien van

bepaalde onderwerpen.
Zelfs met het in acht nemen van deze beperkingen vreest
Prof. Goudriaan gevaar. Gevaar voor de w

erking van het
parlementaire stelsel; gevaar voor het systeem van het

algemeen kiesrecht; gevaar voor de ministeriële verant-
woordelijkheid.

fier w’ordt een andere waardering uitgesproken. Deze
beperkte verordeningmakende macht opent de mogelijk-

heid to t een weinig betekenende ,,aanvullende bëvoegdheid’ ‘

op wetgevend gebied. 1-let is een klein proefterrein, dat

aan een bedrijfsorgaan wordt toegewezen, om naast wet

en’ besluit een beperkte aanvullende regeling te stellen,
welke niet in strijd, mag zijn met de normale wetgeving
en met de nQrmale iegeermacht.

Deze ,,aanvullende bevoegdheid” is in ons staatsrecht
een bekende figuur. Wanneer een onderwerp “an wet-

geving niet

Auteur