Ga direct naar de content

Jrg. 33, editie 1601

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 14 1948

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

Ec,onomisch,-rStatistische

Be’ri*chten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

1
33E
JAARGANG

WOENSDAG 14 JANUARI 1948

No. 1601
1

COMMISSIE VAN REDACTIE:

Ch. Glasz; H. W. Lambers; N. J. Polak; J. Tinbergen;

F. de Vries;

J. H. Lubbers (Redacteur-Secretaris).

Assislent-Redacteur: A. de Wit.

/

COMMISSIE VAN ADVIES VOOR BELGIË:

J. E. Menens; R. Miry; J. van Tichelen; R. Vandeputte;

F. Versichelen.

Gegevens 09cr adressen, abonnementen enz. op de laatste

bladzijde van dit nummer.

INHOUD:
Blz.

De artikelen van deze week ………..23

Sommaire, summaries …………….23

De politiek van het goedkope geld
door Ti. Greidanus
24

Kracht en warmte (T)
door E. J. Muller …………
25

Uitvoering en doeleinden der effetenregistratie (1)

door Mr A. van Oven ……………………..27

Een statuut voor .,,Benelux”
door Dr J. L. F.

van

Essen

……………………………..30

Een nationale winst- en verliesrekening noodzakelijk

door M. J. van der Ploeg ………………….32

Een vergeten aspect
door Prof. Dr P. Kuin ……..32

Aantekeningen:

Een

aanval

op

do

goedkoop-gehlpolltiek

…………..
33
liet einde van liet ultra-goedkope geld in Engeland
……
34

Internationale

notities:

Do hoogconiunctuur In do Verenigde Staten
…………
35
Do externe waardo Van de roebol

………………….
35
Polen

als

exporteur van steenkool

………………..
36
Korte

berichten

………………………………
36

Geld- en kapitaalmarkt

……………………
36

Statistieken
Bankstaten

………………………………….
37
Stand van ‘s Rijks Kas
…………………………..
38

DEZER DAGEN

doet de waterige winter de seringen in Polen botten. De
boeren daar vrezen echter, dat de kou daarmee nog niet
uit de lucht is. Zo staat het ook met de twijg, die juist

op water is gezet om wortel te schieten, het Marshallplan.
Luide heeft eerst de President het ,,man te water” voor

Europa in het Congres doen weerklinken; zijn Minister
van Buitenlandse Zaken heeft gewaarschuwd de drenkeling
niet op te halen met kabels, die hem blijven binden.
Maar belangrijke Amerikanen vrezen zich kan koud water

te branden, zij wensen zekerheid voor Amerika . eerst.
Dat de Verenigde Staten met het Marshallplan in de
aangekondigde orde van grootte – tactischerwijze hèef t
men het nauwkeuriger grote getal doen vervallen -,
inderdaad reële offers brengen, wast al het water van de zee niet af. Wat er gebeuren zal? Professor Brogan, van Cambridge, kortelings te Rotterdam sprekende, rekende
op ,,the big American way”.

Frankrijk, waar het water tot de lippen komt, is be-
ducht, dat het plan nog kan verwateren, als de belang

hebbende Europese staten Gods water over Gods akker laten lopen. Het vraagt dringend om een nieuwe confe-
rentie der zestien. Groot-Brittannië echter, de eerste
keer rap als een waterhoen, beweegt thans trager. Be-

ginnen de Engelsen reeds weer te vertrouwen? De Minister
van Economische en Financiële Zaken wijst nog op
wilde wateren, maar het publiek – met 1 millioen ma
per week opkomend – zoekt die voornamelijk op de
voeta1velden. Andere Engelsen oefene» zich in team-
spirit in de nieuwe partenrederij Bizonia. Onder singulier
statuut van gemengd Engels en Amerikaans staatsrecht
zal thans een ,,going concern” worden gemaakt, het
,,water” zal er worden uitgeperst. Wie zal het doen? Een
opschrift in de New York Herald Tribune van 9 Januari
ji. is duidelijk: ,,Clay, Robertson led deliberations”.
De man, die achter de komma het hoofd opsteekt, is de
Engelse bewindhebber.
Een ander, die nog juist het hoofd boven water houdt,
is de Franse premier. Het vertrouwensvotum is bereikt;
voor Franse kabinetten geldt nauwkeurig: de kruik
gaat zolang te water,

tot zij breekt. Dat is ook, wat de
Engelsen, per boodschap, en de Amerikanen, per vlootma-
noeuvre, aan enkele buren van Griekenland hebben mede-
gedeeld. Niemand koestert echter de hoop, dat de Griekse
burgeroorlog is verdronken, voor zij water heeft gezien.
Een pijnlijk geval, bekend in Nederland, tekent de

toestand in Indonesië: de tewaterlating met vertraging,
onder het oog van wachtende autoriteiten. De commissie
van drie maakt zich gereed heen te gaan; de Nederlandse
Ministers zijn reeds vertrokken met achterlating van de
Minister van.?Vederopbouw. Met dat departement zijn de
Amerikanen echter bereid, zich te bemoeien. Het komt
hun niet noodzakelijk voor, dat de scheepsbouw prioriteit
bij de wederopbouw heeft. De Nederlandse reders hebben
reeds geantwoord: ,,Het water is ons element, de zee
bruist onze glorie”.

Naami. Venn.

Hollandsche

Belegging- en

Beheer-Mij.

Keizersgracht 706

Amsterdam
Anno 1930

Beheer en Âd’iriesgeving

voor

PENSIOENFONDSEN,

STICHTINGEN,

ONDERNEMINGEN

EN PARTICULIEREN

Commissarissen:
Prof. Ir. 1. P. dc Vooys;
Drs. J. H. Gispen;
Mr. J. E. Scholtens.
Direct ie:
Gerlof Verwey;
Dr. F. Ph. Groneveld;
A. C. Leeuwenburgh.

II
,

ROTTERDAMSCHE

‘BANK

225 VESTIGINGEN
IN NEDERLAND

AFWIKKELING

VAN

NALATEN-

SCHAPPEN

a
EMSO

N.V. KONINKLIJKE

N
E D E
R
L
A
N D S C H E

ZOUTINDUSTRIE

Boekelo
.
Hengels

Koninklijke

Nederlandsche

Boekd rukkerij

H. A. M. Roelonts

Schiedam

ZOUTZIEDERIJ

Fdbriek van:

zoutzuur, (alle kwaliteiten)

vloeibaar chloor

cbloorbleekloog

natronloog, cau.stic tode.

g
ot

*

tiflizt

ESTABLISHED 1878

An Independent Journal of Finance

and Tride

*

.,,
OBJECTIVE APPRAISALS

CONSIDERED JUDGMENT

IMPARTIAL OPINION

*

Contains most complete range of

British economic and financial statist-

ics published in any .weekly journal

*

World wide circulation

*

Annual subscription rate: (post free-

to inlude all supplements) £ 3:2:6

4 specictl seppenieiit osi


00
fl0
5fl
i c
Co fl(titiofl9 i)

Tke Nethevlandsll
wtf 1
be published by the end of Jasnatsy.

N.V. ELECTRDMOTORENFABRIEK

,,DORDT”

gevestigd te

DORDRECHT.

UITGIFTE van

850 gewone aandelen,

in stukken van
f
1000.—. aan toonder of op naam,

ten volle delende in de winst over het boekjaar
1948

en volgende boekjaren.

Ondergetekende bericht, dat zij de inschrijving op
bovengenoemde aandelen, uitsluitend voor aandeel-
houders, openstelt op

Maandag 19 Januari 1948,

van des voormiddags 9 uur tot
des namiddags 4 uur,

tot de koers van
125
pCt.,

hij haar kantoren te
AMSTERDAM, ROTTERDAM,

‘s-GRAVENHAGE
en
DORDRECHT,
alwaar tevens

prospectussen en inschrijvingsformulieren verkrijg

baar zijn.
I

DE TWENTSCHE BANK .N.V.

Amsterdam, 9 Januari 1948.

Behandeling van alle

bankzaken

* *

Bezorging van alle’
asurantiën.

R. MEES & ZOONEN
BANKIERS EN ASSURANTIE.MAKELAARS

AMSTERDAM
. ROTTERDAM – ‘
S.GRAVENHAGE
DELFT – SCHIEDAM – VLAARDINGEN

14 Januari 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

23

DE ARTIKELEN VAN
DEZE WEEK.

Tj. Greidanus,
De politiek van hei goedkope geld.

In Nederland wordt de politiek van het goedkope geld gevoerd. Zij werkt om 2 redenen inflationistisch: 1. om-

dat het lage rendement een waardedaling van het geld ten

gevolge heeft en 2. omdat zij slechts te handhaven is door
creatie van nieuw geld en andere liquiditeiten, die tot

een voortgezette waardedalink van het geld moeten

leiden. De gevolgen van de instabiliteit van de waarde
van het geld zullen’ uiteindelijk worden gedragen door
personen met een vast inkomen. De goedkoop-geldpolitiek
moet zo spoedig mogelijk worden ‘verlaten. Consolidatie
van vlottende schuld en de opheffing van ordenènd•e maat-

regelen moeten echter met beleid worden uitgevoerd.

E. J.
Muller,
Kracht en warmte (1).

Het West-Europese dollartekort vindt grotendeels
zijn oorzaak in de achteruitgang van de kolenproductie in West-Europa en vnl…in Engeland, niet alleen omdat

thans kolen uit de Verenigde Staten moeten worden ge-

importeerd, maai ook omdat de huidige eenzijdigheid
in het verkeer met de Ver. Staten in hogere scheeps-
vrachten resulteert.
rlav
de toekomst wijst schr. erop,

dat de conferentie der 16 Jest-Europese landen te Parijs
z.i. met haar productieschattingen te hoog, met haar con-
sumptieschattingen te laag heeft gegrepen. Kan stijging
van de aardolieproductie een groot kolentekort opvangen?
Schr. beantwoordt deze vraag ontkennend; er zijn ver-
schillende factoren, die het uitvoeren van een grootscheeps
productieprogramma van de aardolie-industrie belemme-

ren. Bovendien is in het algemeen de wereldvraag naar
aardolieproducten sterk gestegen. –

Mr A.
van Oven,
Uitooering en doeleinden der effecten-
reslratie (1).

De regeling van de effectenregistratie beoogt zowel
het rechts- als het algemeen economisch herstel.
De technische uitvoering berust hoofdzakelijk bij het
Centraal Bureau voor Effectenregistratie; als inleverings-
kantoren zijn aangewezen effectenbedrijven en banken.
Geregistreerd wdrden in de eerste plaats alle binnen-
landse effecten. Verder zijn aan registratie onderworpen
buitenlandse effecten, die zich in Nederland of de Over-
zeese gebiedsdelen bevinden en die in het buitenland zijn,
doch aan een ingezetene van het Koninkrijk behoren of
te diens naam zijn gedeponeèrd.

Dr J. L.
F. van
Essen,
Een statuut voor ,,Benelux”.

liet is wenselijk, dat de douane-unie tussen Nederland,
België en Luxemburg een meer bij de typische vormen van
douane-unieverdrageri aansluitend statuut ontvangt. En
wel om 2 redenen: 1. als voorbeeld voor eventuele andere
tolunies in Europa en 2. om uitdrukking te geven aan.de
bijzondere betekenis van Benelux. In het statuut moeten
o.a. worden opgenomen regelingen betreffende semi-
wetgevende, administratieve en scheidsrechterlijke orga-
nen, alsmedb de duur van het verdrag, de mogelijkheid
van toetreding door andere landen of tolunies, enz.

M.
J. van der
Ploeg,-Een nationale winst- en verliesrekening
noodzakelijk.

IIt statistisch materiaal in Nederland is te fragmen-
tarisch om aan de hand daarvan te kunnen concluderen,
of wij al dan niet hoven onze stand leven. Door de Neder-
landse volkshuishouding moet in navolging van onder-
nemingen en bedrijven periodiek een balans en winst-
en verliesrekening worden opgemaakt. Eerst dan kan een
integraal inzicht worden verkregen in de reële positie
van onze volkshuishouding.

SOMMAIRE.

Tj. Greidanus,
La politique de monnaie bon marché.


L’effet inflationniste de la politique de monnaie bon

marché se trahit par deux facteurs: taux d’intérêt réduit

et gonflernent de la circulation. Tous les deux ont une

tendance â diminuer la valeur de la monnaie. Pareille

politique est néfaste pour les intéréts de plusieurs groupes.

Elle duit être abaridonnée et le plus vite possible.

E. J.
Muller,
Le problème de l’énergie (1). –

Depuis que l’augmentation de la procluc[ion d’huiles
est entravée par plusieurs facteurs et que la demande

pour celles-ci s’est accrue considérablement, la pénurie

de charhons en Europe ne saurait êt.re compenscé par un accroissement de la production des huiles.

1%lr A. van
Oven,
La certification des titres (1).

Le but de la certification des titres aux Pays-Bas’ est
double:

la restitution des valeurs perdues â leurs propriétaires
primitifs;
contribuer au redressement économique du pays.

Dr J. L. F. van
Essen,
Un Statut poui ,,Benelux”.

II est désirable de donner ë ,,Benelux” la forme propre
aux unions douanières.

M. J. van der Ploeg,
Le conipte national de profits ei pertes.

Afin de pouvoir se rendre compte du progrès de l’éco-
nomie nationale il est nécessaire que le Gouveinement
dresse et publie périodiquement le bilan et le compte de
profitset pertes.

SUMMARIES.

Tj. Greidanus,
Cheap money policy.

The inflationary effect of cheap money policy can
be attributed to two factors: lowinterest and the creation

of new money both of which tend to a f all of the value
of money. This policy is detrimental to the interest of
several groups. It should be abandoned as soon as possible.

E. J.
Muller,
The problem of energy (1).

The coal shortage in Europe cannot be compensated
by an increase in theproduction of oil since such an
increase is hampered by many factors and the demand
of oil ITas risen considerably.

Mr A. van
Oven,
The registration of stocks and bonds (1).

The aim of the Dutch registration of stocks and bonds
is twofold: 1. the return of lost values to their original
owners and 2. a means to contribute to the general eco-
nomic recoveryof the country.

Dr J. L. F. van Essen, A siatute for ,,Benelux”.

The writer recommends to give to Benelux” siich
a form as is considered appropriate to custom unions.

M.
J. van der Ploeg,
National balance sheet.

In order to measure the progress of the national economy
it is necessary that a balance sheet and profit and loss
account are made and issued periodically by the Govern-
ment.

24

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

14 Januari 1948

DE POLITIEK VAN HET GOEDKOPE GELD:

Veronderstellen wij om onze gecladhten te bepalen, dat

een zeker kapitaalgoed, hijv. een schip, opeen gegeven moment bij verhuur een netto rente van 4 pCt opbrengt

en dat dit schip op dat moment een waarde heeft van

110.000. Nemen wij voorts aan, dat de omstandigheden

zich gaan wijzigen, bijv. – minder vraag naar. vracht of

een overmatige aanbouw van schepen, waardoor netto

slechts een rente van f 300 in plaats van 1400 wordt op-

gebracht. De w’aarde van het schip zal dan dalen, want

zolang bij andere kapitaalgoederen het rendement on-
gewijzigd blijft, zal mell er de voorkeur aan geven het

schip te verkopen en daarvoor andere kapitaalgoederen
in de plaats te kopen. Indien niet redelijkerwijze aange-

nomen mag worden, dat het rendement van het schip

in de toekomst weder beter worden zal, moet verwacht
worden, dat de waarde van het schip tot 17.500 zal

teruglopen.

De oorzaak hiervan is, zoals we gezien liehhen dat het
schip een object is, dat door uitlenen of hij eigen gebruik
een zeker netto rendement opbreigt en dat het door ruil

kan worden omgezet in andere objecten, die een beter
rendement opleveren.

Ook het geld kan men uitlenen en hovendieh gemakke-
lijker dan vat ook door ruil omzetten in ândere objecten,

die een netto rendement opleveren. Is dus de rente van

geld lager dan die van andere objecten, dan zal de waai-de
van het geld dalen tegenover die van die andere objecten.

Er is geen enkele reden denkbaar, w’aarom ten aanzien
van het geld het verldop van zaken een ander zou zijn
dan hij de overige objecten, clie hij uitlenen een rendement
opleveren en door ruil in andere
omgezet
kunnen worden.

Nu is de rente voor geld verschillend al naar gelang van

de tijdsduur, waarvoor het wordt uitgezet. Alleen de rente voor geld, dat op lange termijn wordt uitgezet zal in over-
eenstemming moeten zijn met die voor kapitaalgoederen in

het algemeen. Op korte termijn uitgezet, biedt het naast
de rente-opbrengst het voordeel van een gedeeltelijke
liquiditeit: Dit voordeel en de rente hij uitzetting op

korte termijn moeten tezameft opwegen tegen de rente
hij uitzetting
01)
lange termijn. En bij het geld, dat in kas
gehouden w’ordt, moet zelfs het voordeel van de volledige
liquiditeit, het voordeel dat men op ieder door onszelf te

kiezen moment als koper in de markt kan verschijnen
van het goed, dat men dan zal wensen te kopen, geheel opwegen tegen de rente bij uitzetting op lange termijn.
Wij kunnen daarom ter bepaling van de gedachten uit-
gaan van de rente voor geld op lange termijn, bijv. van
langlopende obligaties.

De vraag rijst dan, hoe het mogelijk is, dat in sommige landen, o.a. in het onze, de gelcirente bij de schaarste aan
en de grote vraag naar kapitaal na ee6 verwoestende
oorlog gedurende lange tijd op een laag niveau kan
blijven. En zulks, nadat wij na de vorige oorlog, zelfs in
landen, die daarin niet rechtstreeks betrokken waren
geweest, de rente voor geld sterk omhoog hebben zien
gaan. Zijn ei toen grote fouten met name hij de Overheid

gemaakt en is men in de loop (ier jareil tot betere inzichten
en betere methoden gekomen om leiding te geven aân hel;
verloop van de geldmarkt?

We hebben hierboven gezien, dat het schip, dat nog
slechts f 300 rendement kon opleveren tegen 4 pct voor
andere objecten, in waarde zou moeten dalen, totdat het

01)
f
7.500
weder een niet andere kapitaalgoedet-en ovei

enkomend rendement zou opleeren.
Er zijn hieraan echter’ drie voorwaarden verbonden:
10
.
dat in de toekomst i-ederlijkerwijze niet een beter
rendement verwacht mag worden; 2°. dat men niet uit
hoofde van een zekere traagheid of conservatisme tegen
alle ogenschijnlijkheid in aarzelt en afwacht met het ten
verkoop aanbieden van het schip;
30
dat niet om een 0f

andei

e reden opnieuw schepen worden aangebouwd en

ook bij een prijs van 1 7.500 het rendèment weder beneden

4 pCt komt te liggen. Precies dezelfde voorwaarden

zullen bij het geld van overeenkomstige toepassing zijn.

De eerste voorwaarde is een volkomen reële en er zitten

daar zelfs nog twee mogelijkheden in. De ene is, dat de
Overheid op de duur tot het inzicht zal komen, dat de

geldrente in overeenstemming gebracht dient te worden

met de schaarste aan en de grote vraag naar kapitaal.

liet speciaal ten onzent o’vermatig grote bedrag op korte termijn uitgezet geld benevens dat van een deel der kas-

voorraden zal dan in langlopende leningèn rendabel
belegd kunnen worden.

De andere mogelijkheid is, dat de schaarste aan en de

vraag naar kapitaal zal afnemen en dat de kapitaalrente

zich in de richting van de geldrente zal gaan bewegen.

Dit laatste kan een reëel motief zijn, zij het dan ook niet

voor een politiek van goedkope rente, maar wel voor een

politiek van niet al te hoge rente. Evenw’el zal dit motief

slechts dan reëel kunnen gelden, indien niet het gevaar

bestaat, dat de waarde van het geld zich bij de te lage

geldi’ente gaat aanpassen, voordat de kapitaalrente weder
gezakt is.

Dit gevaar te ontgaan is, zoals we hieronder zullen zien,

geenszins eenvoudig, doch onder bepaalde omstandigheden

is het mogelijk, dat de tw’eede hierboven genoemde voor-
waarde onverwacht hulp komt bieden.

Die tweede voorwaarde is gelegen in de traagheid van

de aanpassing en in een zeker conservatisme, waardoor men

soms voor geruime tijd terughoudend is in liet omzetten
van geld in andere objecten, die een beter rendement op-

leveren. Na de eerste wereldoorlog w’as er in verschillende
landn reeds lang alle aanleiding voor een waa’rdedaling van het geld door een al tekwistig gebruik van de bank

biljettenpers, doch de inflationistische prijsstijgingen
kwamen ehrst veel later. Voor een groot deel kwam dat

toentertijd wel voort uit onbekendheid van de geldge-
bruikers met de verschijnselen- en hun gevolgen; maar

sindsdien heeft men ir nagenoeg alle landen in meerdere
of mindere mate ervaring opgedaan, waardoor thans veel
minder op die traagheid en dat conservatisme te rekenen
valt.

Verschillende ordenende maatregelen kunnen bewerken,
dat het feit van de intrinsieke waardedaling van het
geld althans voorlopig in mindere mate naar buiten treedt,
zij bijv. deviezencontrôle, verbod van verhoging van huis-

huren, subsidie van het voedselpakket, loon- en prijs-
contrôle, investeringscontrôle, distributie en meer dndere

maatregelen. Op zichzelf betekent dit nog niet een ver-
oordeling of een algehele veroordeling van die maatregelen. Om een enkel voorbeeld te noemen, is een zekere deviezen-
contrôle bijv. al
reeds wenselijk ter vermijding van kapi-
taalviucht uit politieke overwegingen. Maar niettemin
dragen al deze maatregelen ertoe hij om te ‘verhinderen,
dat de intrinsieke waardedaling van het geld naar buiten kan treden, omdat het de houders van liet geld belet om
het te weinig renderende geld in ndere objecten om te zetten o.f, indien ze dat al kunnei, zoals door aankoop

van huizen, daarmede een beter rendement te maken.
De derde voorwaarde is de vergroting van het geld-
kwantum. Ook daardoor is liet mogelijk de rente voor geld
gei-uime, tijd kunstmatig laag te houden. Door de geld-

blokkering kort na de oorlog is liet geldkwantum aanvanke-
lijk sterk gereduceerd. Het oude geld kwam daarmede in een ongunstige positie, die in verband met de nood-

toestand althans aanvankelijk gerechtvaardigd geacht
mocht worden. Flelaas is hiermede echter niet de oplossing
van liet geldprobleem, die de blokkering rechtvaardigen
moest, bereikt, want nieuw geld en nieuwe andere hiqui-
diteiten (schatkistpapier) hebben de plaats van liet oude
geld ingenomen, waardoor de hoeveelheid cliartaal en
gii’aal geld zelfs nog belngrijk is toegenomen.
Dit, tezamen met de verschillende ordenende maat-
regelen, steunt de politiek van het goedkope geld, want

14 Januari 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

25

dit nieuwe geld, uit de financiering van de budgetaire

tekorten voortgekomen, kan door de verschillende
ordenende maatregelen niet voldoende rendabeler be-

leggingen vinden en houdt de rente op de markt voor
kort en lang geld laag. Dit zou prathtig zijn, want budgetair

iseen lage rente een groot voordeel, als het niet schadelijk

was voor de stabiliteit van het geldwezen. Maar in feite
ondermijnt het de stabiliteit van het geldwezen volledig

en uiteindelijk .zullen de tegenwoordige en toekomstige
‘pensioentrekkenden en . lijfrenteniers, de houders van

spaargelden, de loon- en salaristrekkenden de tol moeten

betalen. Er it niets wat voor de stabiliteit van de waarde
van het geld’ zo funest is. als juist de politiek van het

goedkope geld. Zelfs’ niet de grote overheidstekorten.

Vant indien die door middelvan lange,leningen gefinan-

cierd werden, zou althans een deel van hun schadelijke

werking worden opgevangen. Maâr voortdurend gecreëerd nieuw geld en vlottende schuld, zonder dat op grote schaal
tot consolidatie w’ordt overgegaan, zullen onvermijdelijk

tot een sterke waardedaling van het geld. moten leiden.
Tenzij ten sp6edigste het roer volledig wordt omgegooid

en het overgrote deel van de ca 10 milliard vlottende

schuld, die ons na betaling der heffingen zal overblijven,
geconsolideerd w’ordt. Daaronder zal ook begrepen moeten
worden een belangrijk deel van de schuld van de Staat
aan De Nederlandsche Bank, waardoor de biljettencirculatie
een te’grote omvang heeft gekregen.

Om twee redenen w’erkt.de politiek van het goedkope
geld inflationistisch: 1°. omdat het lage rendement van

het geld een daling van de waarde van het geld moet ver-
oorzaken; 2°. omdat ze slechts te handhaven is door
creatie van nieuw geld en andere liquiditeitpn, die tot een’
voortgezette waardedaling van het geld moeten leiden.
Met vâortvarendheid, maar obk met omzichtigheid

zal bij de consolidatie te werk gegaan moten worden.
liet is het gevaar aar het stuiten van inflationistische
tendensen verbonden, dat daarbij deflatoire verschijnselen
kunnen optreden. Maar gestuit zullen ze moeten worden,
want de inflatinistische tendensen mogen geen voort-.
gang hebben.
Bij het verlaten van de ondermijnende practijk van het

goedkope geld door conolidatie van vlottende schuld
zal met beleid en met voortdurende controlering dei’ zich
voordoende verschijnselen, onder vermindering en uiteinde-
lijke opheffing van een aantal ordenende maatregelen, die de practijk van het goedkope geld ondersteunen, te
werk moeten worden gegaan.

De directe en m’test eigenlijke ondermijning van het
geldwezen, de politiek van het goedk6pe geld, die tot een
uiteindelijke en voortgezette aan de dag tredende waarde-
daling van het geld moet leiden, dient ten spoedigste en
op de meest efficiënte wijze te worden gekeerd.

Amsterdam.

.

TJ.
I&REIDANUS.

KRACHT EN WARMTE (1).

Er was eens een tijd, dat de Engelse kolenexport per
jaar 100 millioen ton bedroeg. Deze gouden tijd is voorbij.
Engeland importeert thans op grote schaal kolen uit
Amerika. ,,Bringing coal to New Castle” is droeve werke-

lijkheid geworden.
Nu zou deze achteruitgang van de Engelse kolenexport
ons Nederlanders koud kuhnen laten, ware het niet, dat
het economisch beeld van geheel West-Europa in zo sterke
mate door het hrandstofprobleem wordt beheërst. liet
tekort aan dollars, de verminderde koopkraëht van West-
Europa, vindt voor een groot deel zijn oorsprong in de
achteruitgang van de kolenproductie van West-Europa
en vnl. van Engeland. De c.i.f.-waarde van Amerikaanse
kolen in West-Europa zal in 1947 ongeveer $ 630 millioen
1)

‘) Zie: ,,De vooruitzichten der.Europese kolenvoorziening” door
Ii. H.
Weinmers Jr. in ,,E.-S.B.’ van
30 Juli 1947,
blz!
604.

hebben bedragen en in 1948 nog groter worden; stijgende
16nen en stijgende kolenprijzen in de U.S.A., de slechte

kwaliteit der Amerikaanse kolen, maken dat de ini’port

daarvan in 1948 ruw genomen S 1 milliard aan West-
Europa zal kosten.

Tegenover deze zware debetpost op de Weflt-Europese
handelsbalans staat de vroeger zeer belangrijke export,

waarvan de momentele waarde zeker meerdere .honderd

millioenen dollars zou belopen. Doch dit i niet alles. Sche-
pqn, die op de uitreis – naar Zuid-Amerika bijv. – kolen

vervoerden, namen als retourvracht tarwe mede, zodat de

export van kolen het middel was om goedkope tarwe in

Eiffopa te importeren. De schepen waren zowel op de
uit: als thuisreis volgeladen, het mes sneed van 2

kanten. De tegenwoordige eenzijdigheid van de scheeps-
beweging, waarbij kolen
zowel
als granen van Amerika
naar Europa worden verscheept, resulteert niet alleen
in de hogere vrachten, doch ook – eii dit is hij het ge-

brek aan scheepsruimte van helling – is een veel groter
aantal schepen nodig. 1

let is moeilijk te schatten hoe
groot het nadelig, verschil voor VlTestEuropa is tussen

het voorheen (export + voordelige vrachten) en thans
(import + nadélige. vracht), doch het is wel zeker, dat
dit verschil enorm is en het milliard dollar verre te boven
gaat.

Er bestaat dan ook geen twijfel, dat de economische moeilijkheden van West-Europa vnl. te wijten zijn aan

het omslaan van de kolenbalans, mede doordat de in-
dustriële ontwikkeling van West-Europa in ernstige mate

door kolentekort wordt belemmerd. 1-let is daarom van
belang na te gaan, hoe het ‘brandstoffenprobleem zich
voor de toekomst laat aanzien.

1-let ,,Committee of European Ecônomic Cooperation”
geeft in haar ,,general report” (blz. 46 en 47) de volgende
becijfering van de Europese kolenproductie:

Productie van steenkool en bruinkool.

(in millioenen metrische tonnen)

1938 1947
1948
1951
Verenigd

Koninkrijk

……….
231
199 214 249
Duitsland (Britse zOne.)
206
133
.
149
193
Saar

……………………
14
’10
14
17
Frankrijk

………………..
48
50
51
63
BelgiO

………………….
30
24

26
31
Anderelanden

…………….
23
23 24
31

Totale

productie

……………
552
439
478
584
Consumptie

……………
…-

535
620

Importbehoeîten

…………

57

36

1-let is uiteraard moeilijk voorspellingen te doen op het
onzekere terrein der economie, vooral in tijden zoals wij
thans beleven, doch ik vrees, dat het Committee met haar
productieschattingen te hoog en met haar consumptie-
schattingen te laag heeft gegrepen. Op het gevaar af
door de feiten te worden gelogenstraft, doch gebaseerd op
diverse factoren, die iedereen met open oren en ogen kan
waarnemen, zou ik willen stellen, dat het kolentekort in
West-Europa in 1951 dichter bij de 100 dan bij de ge-
schatte 30 millioen ton zal liggen.

Deze factoren zijn:
Stijging van het inwonertal tussen 1938 en 1951
van West-Europa met 11 pCt waardoor meerdere kolen. behoefte van rond GO millioen ton.
Stijging electriciteitsprodu c tie (blz. 49 van genoemd
rapport):

Electriciteits productie.
(in milliarden kWu)

1938

1947

-1948


1949

1950

1951
130

179

189

206

222

237

1-Jet Committee verwacht, dat een belangrijk deel van
deze enorme-stijging der electriciteitsproductie door water-
kracht kan worden gedekt, doch het is duidelijk, dat
bovendien vele millioenen tonnen kolen nodig zullen zijn.
3..,Stijging staalproductie (blz. 53 van genoemd rapport):

26

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

14 Januari 1948

in millioenen metriscfre

tonnen

1938 1947

1948 1951
Ruw staal

……………………
1
,5,5

30,3

”,a

55.4

Afgewerkt staal
………………..
34,1

23,7

34,0

43,9

Wanneer dit staalprogramma kan worden verwezen-

lijkt, dan zullen daarvoor millioenen tonnen cokes (kolen)

nodig zijn, terwijl bovendien, zo meldt het Committee, in

1951 armere ertsen moeten worden verwerkt, die meer
brandstof vereisen dan de thans gebruikte rijkere ertsen.

Stijging stikstofproductie.

Deze wordt geraamd op 2 niillioen ton (blz. 42 van
genoemd rapport) tegen 960.000 ton in 1946/’47. Aangezien

per ton stikstof ongeveer 7 ,ton kolen nodig zijn, vereist
deze hogere stikstofproductie een hoeveelheid van 7 mii-
lioenton kolen.

Stijging gasproductie. Het rapport vermeldt dit

punt niet, doch het is een bekend feit, dât de gaspi’oductie
overal stijgt. In Nederland bijv. bedroeg deze 164 pCt
van de pi’oductie van 1938
2),
Ik heb geen cijfers tot mijn
beschikking, hoe groot de extra behoefte aan kolen voor
gasfabricage, is doch deze is zeker niet gering.

Ovei’igens zal het gehele industrialisatieprogram ma

voor West-Europa (schepen, tractoren, spoorwagens,

cement, machines ed.) belangrijke hoeveelheden brand-
stoffen vereisen.

De verschuiving in de loonsverhoudingen heeft ten-
gevolge verhoogde kolenconsumptie van de grote massa.
Dit feit is in het bijzonder in Engeland gesignaleerd en

Minister Atilee zeide hiervan: ,,The position had been

aggravated hy thè steady risc in consumption of coal
S. De kwaliteit (Ier gei’oduèeerde kolen is slechter
dan vôSr de oorlog, zodat (le geschatte stijging der pro-

ductie geen evenredige stijging der calorische waarde

betekent. Klachten over de Amerikaanse, kolen zijn al-

gemeen, men noemt zelfs verliespercentages van 40 pCt.
In Engeland, zegt ,,The Times”: ,,Coal has fallen to

disturbingly low levels in both quality and consistency. This falling of f in quality represented an effective loss
equialent of 10.000.000 tons on the 1946 output plus
an additional 5.000.000 tons on account of increased
ashcontent”
4).

Geven vorenstaande acht punten een koi’te indicatie
van bijzondere stijging der kolenbehoefte, de navolgende
wijzen op vertraging in het productiesche’ma:

1. De wereldproductie van kolen stagneert sedert een
halve eeu’ en vertoont eerder neiging tot dalen clati tot
stijgen:

Wereld productie.
(in millioenen tonnen)
1913

‘1929

1938

1946
1.216

1.333

1.215

1.150

Dit beeld zou er nog donkerder uitzien, ware het niet,
dat daarin verdisconteerd is de stijging der productie
in de U.S.A., die van 1938 op 1946 rond 170 millioen ton
heeft bedragen.

.2. Daling der productieve prestaties der mijnai’beiders,
hier en elders. Nederland produceert met meer arbeiders
+ 25 pCt minder kolen dan in 1938
5).
In andere landen
in Vest-Eui’opa is het niet veel beter.
3. Tegenzin in de mijnarbeid. Het kost de grootste
inspanning het aantal arbeiders voor de ondergrondse
dienst op peil te houden. Engefand, dat in 1924. nog
1.172.000 mijnarbeiders in dienst had, slaagt er, ondanks
vrijstelling van militaire dienst, tewerkstelling der zgn.
,,Bevin Boys” enz., met moeite in het getal mijnarbeiders
hoven de 700.000 op te voeren. Dit verschijnsel is inter-

2)
Zie voren aangehaald artikel van Ii. IT. Wemuers .Tr.
2)
,,Tlie Manchester (ivardian Weekly” van 9 Januari 1947.
‘) The Tinies iteview of Industry” van November 1947, blz. 18.
‘) Aldus Ir Ch. Th. Groothoff in ,,T-Iet Flandelsblacl” van 30
October 1947.

nationaal, het heeft niet alleen betrekking op kolen, doch
op elke mijnarbeid.

4. Stijging van .de gemiddelde leeftijd. Door de trage
toevloed van jonge arbeidet’s steeg de gemiddelde leeftijd

in Engeland van 34 jaar in 1931 tot 40 jaar, in de Ruhr

van 30 jaar vÔdr de ooi’log tot 43’jaar. Deze stijging van

de gemiddelde leeftijd heeft vermeerdering van het

aantal zieken tengevolge: ,,the higher age resulted in

increasecl sickness and loss of efficiencv. Over 50.000
miners are unavoidably.ahsent cach week”
6),

• 5. De 5-daagse werkweek in Engeland en absenteïsme
ook zonder dat de mensen ziek zijn.

De nationalisatie van de mijnen, die ondanks de
vooi’delen van centralisatie en mechanisatie, het nadeel

heeft vait snel wassende bureaucratie. Wie de Engelse
pers regelmatig volgt, komt wel sterk onder de indruk,

dat de nadelen der nationalisatie de voordelen over-
treffen.

De nationalisatie van het transportwezen in Enge-
land. hiervoor geldt hetzelfde als onder 6 en waar dit

ten nauwste gelieerd is met het kolenprobleem, bestaat
hetgevaar, dat de kolensituatie nadelig wordt beïnvloed door verhureaucratisering van het transportwezen.

In 1939 bedroeg cie productie in Engeland 231.338.000
ton, het aantal arbeiders 766,300, de productie per arbei-
der per shift 1,13 ton
7).

Momenteel werken er in de Engelse mijnen evé’n over
de 700.000 arbeiders, die pei’ manshift 1 ton kolen pro-

ducereh. liet lijkt daarom twijfelachtig (en die twijfel
weerklinkt ook in de Engelse pers) of de voor 1951 ge-
schatte productie van 249 millioen ton,’ die 18 millioen
ton boven 1939 en 50 millioen (of 30 pCt) boven 1947
ligt, zal wot’cln gehaald
8).

hetzelfde geldt voor West-Duitsland. De ‘geschatte productie voor 1951 ligt op 07 millioenton,ofbijna50pCt
boven d.,e productie van 1947. Afgewacht diedt te worden,

of de ,,pumppriming” van de Duitse industrie door de

Amerikanen het gewenste resultaat zal opleveren, dan
wel dat politieke en andere invloeden dezQ pogingen zullen
doen mislukken.

– 10. In ‘,,E.-S.B.” van 30 luli 1947 schrijft de heer

‘Vemmers, dat wij er mee moeten rekenen, dat de con-

sumptie in Nederland in de naaste toekomst zal stijgen
tot 20 millioen ton, dat is dus een stijging van rond 50 pCt
vergeleken met ,vôör de oorlog. Wanneer als gevolg van

de industrialisatie van West-Europa ook in andere landen
soortgelijke stijgingen moetén worden verwacht, dan komt
West-Europa op zijn kolenbalans niet honderd, doch een
paar honderd milli(Yen ton kolen tekort.

Kan nu, zo luidt de vraag, die mij werd gesteld, stijging
van aai’doliepi’oductie een groot kolentekort opvangen?
Het antwoord hierop moet ontkennend luiden. De aard
olieproductie vertoont, gedurende de laatste halve eeuw
het völgende beeld:

‘ei’eldproductieoan ad,’dolie.
(in kg tons)

1900

…………..
20.060.320
1910

…………..
44.492.001
1920

…………..
110.333.877
1930

…………..
200.476.176
1940

…………..
294.810.000
1946

…………..
373.14 0.000

Een stijging dus van gemiddeld 10 millioen ton per jaar
sedert 1920.

Ter vervanging van het door mij geschatte kolentekort
van 100 millioen ton kolen voor West-Europa, zijn nodig
rond 60 millioen ton stoökolie. De praktijk leei’t, dat ca een

2)
British Natiorial Committee’s Reports
0fl
Fuel Economy since
1939″.
British National Committee’s Reports
0fl
Fuel Econorny since
1939″.
,,The Economist” zegt hiervan: ,,this will be a formidable
undertaking”.

14 Januari 1948

‘ ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

27

derde deel van cle geproduceerde ruwe olie tot stookolie

wordt verwerkt, zodat een productiestijging van 180
millioen ton ruwe olie, d.w.z. 50 pCt op de momentele

productie, binnen een gering aantal jaren no4ig zou zijn.

Een zodanige prestatie is, gezien de enorme vitaliteit der

aardolie-industrie, misschien niet geheel en al ondenkbaar,
doch er zijn diverse factoren liggende buiten de invloed-

sfeer der aardolie-industrie, die zo’n formidabele productie-

programma belemmeren.
Daar is in de eerste plaats de enorme behoefte aan staal,

nodig voor de bouw van raffinaderijen, tanksehepen,
pijpleidingen, boortorens, installaties énz., waarvan de
aflevering, ook al weer ten dele door kolentekort, stagneert.

Daar is bovendien het steeds dreigende gevaa.r van natio-

nalisatie in diverse landen inet zijn remmende invloed op

de. olieproductie. Uet beste voorbeeld hiervan levert
Mexico, waar na de nationalisatie nimmer de vroegere
productie w’erd gehaald. ,,Nearly a decade of stagnation,

both in the held of refining and manufacture, has hrought
the Mexican oil industry to a very low level of operating
efficiency and face to face with a prQspective crisis. It

reaches its nadir at a môment when Mexico’s own oil
needs and those of thé world are at their highest….
9
),

Overigens hebben politieke invloeden, locale onlusten
(Nederlandsch-Indië, Birma) een remmende invloed op
de olie-ontwikkeling.

Doch nemen wij nu eens het gunstigste geval, dat de aardolie-industrie er in zou slagen een fantastisch pro-
ductieprogramma te volvoeren,

dan staat daar tegenover
een zo sterk groeiende internationale vraag voor het auto-
mobiel- en luchtverkeer, de zeevaart, tractoren voor de.
landbouw, diesels voor weg- en spoorverkeer en de indu-

strie, dat van elke extra productie slechts een bescheiden
deel voor Europa kan w’orden bestemd. Ter illustratie
van de enorme vraag, die men bijv. in de U.S.A. (dat van olie-exporterend een olie-importerend land is geworden)
verwacht, zi men de volgende cijfers
1
0):

De oraag naar olie in de Verenigde Staten
Aantal
Aantal
Aantal
Totale he-
aar
personen-
oilburnrs
tractoren
op

hoetten aan
auto’s
boerderijen
olieproducten

(in barrels
per dag)
1941
29.524.103
2.268.593
1.567.430
4.071.000
1946
07.088.000 2.426.955
2.400.000 4.880.000
1950
31.500.000
3.750.000 3.072.000 5.400.000
955
3
1
.000.000 4.000.000 3.686.400 5.650.000
1960
:37.500.000
4.400.000
5.800.000
1965
40.000.000
4.800.000 5.050.000

. tar in dc gehele wereld de industi’ialisatic, motorisatie,
tractorisatie een steeds grotere vlucht neemt, is het wel
zeker, dat kolen en olie een zware taak zullen hebben
om aan de behoefte te voldoen. Overigens is het van be-
lang te bedenken, dat onverschillig ot West-Europa
kolen importeert uit de U.S.A. of uit Polen dan wel olie
uit het Midden-Oosten, Venezuelk of elders, deze importen
moeten worden betaald in goederen, in diensten dan wel
op crediet in het raam van het Marshall-plan. En dat de
grote vraag, de hoge lonen tezamen iuet tekort aan pro-
ductie blij’end hoge prijzen voor brandstoffen tengevolge
zullen hebben. Ter illustratie van deze prijsstijging enkele
voorbeelden:

in Engeland steeg de prijs van industriekolen van 20 s.
3 d. in 1938 tot ca 50 s. momenteel;
in de U.S.A. zijn de gemiddelde lonen der mijnarbeiders

van $ 23,88 in 1939 gestegen tot $ 66,50 tot zelfs $ 75
per week.

Voor Nederland geeft de begroting 1948 een vinger-
wijzing ten aanzien van de kosten der kolenwinning:
begroting Staatsmijnen 1948 exploitatiekosten:
1319.988.600.

begroting Staatsmijnen 1939 exploitatiekosten:
f 115.669.000.

‘) ,,Petroleum Press Service” van Oktober
1947.
10)
Zie ,,National Petroleum News’ van December
1946

Tegenover de enorme stijging der exploitatiekosten
staat daling dei’ kolenproductie en alhoewel genoemde
exploitatiekosten niet alleen betrekking hebben op kolen,
kan uit de relatieve stijging toch wel de conclusie worden

getrokken, dat de productiekosten van kolen in Neder-
land gelijk elders belangrijk zijn gestegen. Een beroep op

de leiding en de arbeiders der mijnindustrie tot inspanning

allet’ krachten om ons land op zo ruim mogelijke schaal
van dit essentiële fundament onzer w’elvaart te voorzien is dus ongetwijfeld op zijn plaats.

In een ‘volgend artikel zal nader worden ingegaan op

de noodzaak vai een economisch gebruik van brand-
stoffen.

Wassenaar.

E. J. MULLER.

UITVOERING EN DOELEINDEN DER

EFFECTENREGISTRATIE
(I).

liet op 17 September 1944 le Londen tot stand ge
komen Besluit herstel rechtsverkeei’
1)
he’at in hoofd-
stuk IV een aantal bepalingen heti’effende een effecten-

registratio. In het toen nog bezette Nederland bestond
het denkbeeld enei’ effectenregistratie eveneens, in het.
verhorgene wei’den daarop betrekking hebbende plannen
ei itgewerkt. Deze plannen vertoonden veel overeenkoms t met de Londense regeling, doch behelsden ook veel afwij-
kingen daai’van. Zij benaderden het probleem van een
andere gezichtshoek uit. Bij de Londense regeling stond
het rechtsherstel in de enge, privaatrechtelijke zin – het
redresseren van de scheefgetrokken, privaatrechtelijke
verhoudingen – op de voorgrond. llet onderbrengen
van deze materie in het Besluit herstel rechtsverkeer is
daarvan het beste bewijs. De plannen met betrekking
tot ‘een effectenregistratie, die hier te lande tijdens de
laatste bezettingsperiode w’erden uitgebroed, vormden
een onderdeel van een algemeen herstelprogramma,
dat ten doel had zo spoedig mogelijk na de bevrijding
verbetering te brengen in de financiële en economische
situatie van ons land. Met behulp van maatregelen van
monetaire en fiscale aar.d, van maatregelen nièt betrek-

king tot deviezen en vijandelijk vermogen, moest de
positie van de Staat worden versterkt, zulks teneinde een
economische ineenstorting te voorkomen. Het is deze
gedachte,_die het hier te lande uitgewerkte voorstel in
de eerste plaats heeft geïnspireerd. Wèl was het de be-
doeling de iA het voorstel vervatte regeling tevens dienst-
haai’ te maken aan een herstel van het door of onder
invloed van de bezetter gepleegde onrecht
0
1
)
privaat-
rechtelijk gebied, doch dit was niet het voornaamste
oogmerk.

De regeling dei’ effectenregistratie, zoals zij tenslotte
in het gewijzigde Besluit herstel rechtsverkeer van 16
November 1945
2)
is opgenomen, draagt in hoge mate
liet karakter van een compromis tussen deze beide ge-
dachten, tussen het Londense stelsel en het Nederlandse
voörstel vanuit de hezettingsperiode. Ook nu nog neemt
het rechtsherstel een belangrijke plaats in. Alen heeft
thans echter zorg gedragen, dat de doeleinden, die men
hier te lande in de eerste plaats op het oog had, e’eneens
volledig tot hun recht kunnen komen. De behartiging

dezer belangen is gedeeltelijk verzekerd door de bepa-
lingen van liet Besluit zelf, gedeeltelijk door de ruime
bevoegdheden, welke ten opzichte van de uitvoering
dezer bepalingen zijn toegekend aan de Minister van
Financiën.

Op privaatrechtelijk terrein heeft de effectenregistratie
tot gevolg, dat degenen, aan wie tijdens de bezetting
een effect is ontnomen, te weten komen, in wiens handen
dit effect zich thans bevindt, en – zo nodig – wat er

Staatsbiad No. E 100.
Staatsbiad
No. T 272.
Indien in het vervolg in de tekst wordt
gesproken van het ,,Besluit”, wordt daarmede dit gewijzigde
Besluit herstel rechtsverkeer bedoeld.

28

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

14 Januari 1948

sedert het onvrijwillig bezitsverlies met het effect
is
ge-
schied. De juridische consequenties hiervan blijven thans
onbesproken: beschouwingen. omtrent rechtsherstel zou-
den een afzonderlijk artikel kunnen vullen.

Hoe staat het echter met de overige doeleinden, degene,

welke hun oorsprong vinden in de hier te lande uitge-
werkte voorstellen? Welke is de rol, die de effectenregi-

stratie te dien aanzien vermag té spelen? FIet, antwoord

op de laatste vraag luidt, dat deze rol
9ierledig
is. Zij

betreft de opsporing en inventarisatie van
oijandelijk
(en

daarmede gelijk-gesteld) vermogen, de
fiscale
contrôle, de

uitvoering van deoiezemaatregelen en tenslotte de vast-
stelling van het zgn.
manco”.
Teneinde een nadere be-
schouwing omtrent deze vier onderwerpen begrijpelijk

te maken, dient e.en korte beschrijving van de gang van

zaken bij de effectenregistratie daaraan vooraf te gaan.

Uiwoering der effectenregistratie.

De uitvoering der effectenregistratie is opgedragen aan

de Afdeling Effectenregistratie van de Raad voor het
Reclitsherstel). De Afdeling heeft een gedeelte van deze
taak gedelegeerd aan de’ Vereeniging -voor den Effecten-

handel, en wel door haar te belasten met de technische

uitvoering. De Vereeniging heeft op haar beurt – ten-
einde zich van deze taak te kunnen kwijten – een af-
zonderlijk bureau in het leven geroepen, het Centraal

Bureau voor Effectenregistratie. Het Centraal Bureau
verzorgt de technische uitvoering met behulp van een

voortreffelijk geoutilleerd machinepark.

Voorts zijn de effectenbedrijven en de banken inge-
schakeld. Als
inleoeringskantoren
zijn nl. vodi Nederland
aangewezen alle leden van. de Vereeniging voor den Ef-
fectenhandel, met uitzondering van enkelen, die zich

door hun gedragingen- tijdens de bezetting onwaai’dig
hadden betoond een zodanie functie uit te oefenen (de
lijst van deze laatste groep leden wordt de ,,zwarte lijst

van inleveringskantoren” genoemd). .Bovendien treden
nog enkele andere financiële instellingen, waaronder

De Nederlandsche Bank N.V., als inleveringskantoor

op. Voor Nederlandsch-lndië fungeren als inleverings-
kantoren ‘de vier ,,Indische” banken
4),
voor Suriname
de Surinaamsche Bank en voor Curaçao enige aldaar

gevestigde bankinstellingen. De coupon- of dividend-
bladen der aan de verplichting tot inleveridg onder-
worpen effecten (indien geen afzonderlijke coupon- en
dividendhladen bestaan, de gehele effecten) ffioeten bij
de inleveningskantoren gedeponeerd zijn en de inleverings-
kantoren beheren deze effecten namens de Afdeling. Zij
zijn in dit opzicht het verlengstuk der Afdeling en hun
taak heefl in zoverre een publiekrechtelijk karakter.

Er zijn echter aanzienlijk meer werkzaamheden die
de inleveringskantoren in het belang der ‘effectenregi-
stratie verrichten. Zij treden adviserend op en zijn be

hulpzaam bij de werkzaamheden, die belanghebbenden
(effectenbezitters, gedepossedeerden) in verband met de
registratie moeten verrichten, zoals bijv. het invullen
van formulieren e.d. Zij vormen aldus de onmisbare
tussenschakel tussen Afdeling en Centraal Bureau ener-
zijds en het publiek anderzijds. Zonder hun deskundige
bemiddeling zouden de met de effectenregistratie samen-
hangende maatregelen voor de officiële instanties onuit-
voerbaar, voor het publiek onbegrijpelijk zijn. Wanneer
men dit in aanmerking neemt, blijkt de benaming ,,in-
leveringskantoor” dus eigenlijk te eng.

Bij het vaststellen der honorering van de inleverings-
kantoren is met dit tweeledig karakter hunner taak reke-
ning gehouden. Het
bewaarloon
voor de aan de verplichting

tot inlevering onderworpen coupon- of dividendbladen

) Art.
40,
lid
1,
Besluit herstel rechtsverkeer. Indien verder
artikelen worden genoemd zonder aanduiding van Wet
of
Besluit,
waarvan zij deel uitmaken, zijn dat artikelen van het Besluit her-
stel rechtsverkeer.
4)
Dit zijn De Javasche Bank, de Nederlandsche 1-landel-Maat-
schappij NV., de Nedenlandsch ‘Indische Handelsbank N.V. en de
Nederlandsch Indische Escompto Maatschappij
N
.
V.

(resp. gehele effecten) heeft de Staat voor zijn rekening
genomen, terwijl de vergoeding voor de
oQerige
met de
registratie samenhangende
werkzaamheden
der inleverings-
kantoren ten laste der effectenbezitters komt. –

Welke effecten komen voor registratie in aanmerking?
Het zijn in de eerste plaats
olIe binnenlandse
effecten,
onverschillig waar zij zich bevinden. 1-let criterium, aan

de hand waarvan moet worden beoordeeld of een effect

als ,,binnenlands” is aan te merken, is de plaats van

vestiging der uitgevende instelling.
5).
Certificaten van

buitenlandse effecten, welke certifiaten zijn uitgegeven

door een Nederlands administratiekantoor, vallen dus

onder dit begrip. Daarentegen vallen daarohder niet in

guldens luidende obligaties, welke ten laste van een bui-

tenlandse staat of van een in het buitenland gevestigde

publiek- of privaatrechtelijke instelling zijn uitgege-

ven. Voorts zijn aan registratie onderworpen twee groe-

pen van buitenlandse effecten, nI. degenen, die zich hier te
lande of in ééi

i der overzeese gebiedsdelen bevinden, èn
degenn, die zich weliswaar, in het buitenland bevinden,

doch toebehoren aan een ingezetene van het Koninki’ijk
der Nederlanden dan wel ten name van een zodénige

ingezetene zijn gedeponeerd. Kortom, de registratie

omvat alle effecten, di iets met Nederland of met één

der overzeese gebiedsdelen te maken hebben, hetzij uit
hoofde van de plaats van vestiging van de uitgevende

instelling, hetzij uit hoofde van de plaats, waar het effect

zich bevindt, hetzij uit hoofde van het domicilie- van de

bezitter of van degeen, te wiens name het effect is gede-
poneerd.
Effecten, die né 31 Januari 1946 (het gegin van de

inleveringstermijn) zijn uitgegeven, vallen buiten – de
registratieverplichting, en eveneens effecten, die reeds
vôôr 10 Mei 1940 hun geldigheid hadden verloren: het

zijn geen effecten in de zin -van hoofdstuk IV van het
Besluit herstel rechtsverkeer
6)

Effecten, wier waarde – volgens nader omschreven
maatstaven vastgsteld – benden een bepaalde grens
ligt, zijn van aanmelding vrijgesteld. 1-let geringe belang

loont de moeite en kosten der aan – de registratie dezer

effecten verbonden w’erkzaamheden niet.

Tot goed begrip van het verloop der eigenlijke regi-
stratie dïenV men, zich te realiseren, dat het Centraal
Bureau-de beschikking heeft over drie belangrijke groe-

pen vân gegevens, die men gemakshalve zou kunnen
aanduiden met de termen: het geraamte, de zwarte lijst
en de aanmeldingen. –
Voor elke uitgevende instelling van binnenlandse-effec-
ten bestond de verplichting, opgave dier effecten te
doen
7).
Aldus ontstond een overzicht van
alle
uitstaande
Nederlandse effecten, het
geraamte”.
Uit het voorgaande
vloeit voort, dat het geraamte slechts partieel is: een
geraamte van de in aanmerking komende buitenlandse
effecten ontbreekt. 1-let was uiteraard niet mogelijk,
ook buitenlandse uitgevende instellingen te verplichten tot eeii opgave van uitstaande effecten. Ov’erigens, ook
al zou dit wèl mogelijk zijn geweest, dan zou men met een
zodanige opgave nog niet veel verder- gekomen zijn: ook
dan zou men immers nog niet weten,
welke
der uitstaande
effecten als aan registratie onderworpen effecten zijn
aan te merken.
1-let geraamte stelt het Centraal Bureau in staat na
te gaan, welke binnenlandse .effecten, hoewel als uit-
staand” opgegeven, niet door ‘of namens de bezitter

worden aangemeld. Deze effecten zullen t.z.t. worden geregistreerd als ,,niet-aangemelde effecten”. 1-let ge
raamte is aldus van essentieel belang voor de vaststel-
ling van het manco (wij komen daarop nog terug), doch

‘)
Blijkens art.
39
sub
12 is
als uitgevende instelling ‘te beschou-
ven hij, door vie
of
te wiens laste een effect is uitgegeven”.
6)
Art. 39 sub
1.


– 7)
Art.
48.

14 Januari 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

29

heeft – zoals zo dadelijk zal blijken — ook in andere,

opzidhten nut;tige diensten bewezen.
i)e
Z(varte lijst
vermeldt alle stukken, ten aanzien waar-

van rechtsherstel is gevraagd of ten aanzien waarvan een

aangifte is binnengekomen, waarop 6en aanspraak tot

rechtsherstel kan worden gebaseerd. Zij bevat echter

nog een derde categorie: de effecten, die blijkens een

binnengekomen aangifte tijdens de bezetting zich in

handen bevonden hebben van vijanden, N.S.B.-érs ed.,
dan wel zijn afgegeven aan of ten gunste van een zodanige
persoon dan wel aan of ten gunste van een niet-ingezetene
8
).

lIet is juist deze groep van zwarte-lijst-stukken, die in
verband met de nader te bespreken bijzondere onder-
werpen een uiterst belangrijke rol speelt.

De aangiften voor de zwarte lijst muntten niet altijd
uit door grote nauwkeurigheid, zulks ondanks de ver-eiste bemiddeling der inleveringskantoren. Dit is zeer

goed te begrijpen: de gegevens moesten dikwijls worden
geput uit onvolledige administraties, soms zelfs uit losse

notities, zodat de opgave der nummers dikwijls foutief
was. ‘Voorts heeft ten aanzien van bepaalde effecten

inmiddels een vei’wisseiing of afstempeling plaats ge-
vonden, waarvan de vroegere hezitter veelal niet
Oj)
de
hoogte was. Eén en ander bracht met zich, dat in de
zwarte-lijst-aangiften de omschrijving der effecten niet altijd correct kon zijn. De taak van het Centraal Bureau
werd hierdoor aanmerkelijk verzwaard. Met behulp van
het geraamte en van andere te zijner beschikking staande
gegevens heeft het de zwarte lijst moeten zuiveren”.

Voor het merendeel der
aanmeldingen
gold deze moei-
lijkheid niet (al kwamen ook hierbij fouten in de nummer-
opgave wel voor). De verplichting tot aanmelden rust
op de tegenwoordige bezitter (en, als deze niet aan de
verplichting voldoet, op de feitelijke houder), doch voor het invullen van het aanmeldingsformulier moet de hulp
van een inleveringskantoor worden ingeroepen, en wel
van dat inleveringskantoor, bij hetwelk het coupon-
of dividendbiad van het effect (rep. het gehele effect )is
ingeleverd. Dit u’aarborgt een juiste w’ijze van aanmelden:
zij kan immers geschieden aan de hand van de bij het
inleveringskantoor zelf berustende couponbladn.
hel
n
t
ussen
deze waarborg geldt niet voor alle aan de.
aanmeldingsverplichtng onderworpen effecten. In de
eerste plaats zijn bepaalde binnenlandse fondsensoorten
van inlevering vrijgesteld in verband met hun uiterst
incourant karakter. liet zijn aandelen in kleine familie-
vennootschappen, obligaties, w’elke uitstaan ten laste
van bijv. een voetbalvereniging e.d. Stujken dus, die
een nog meer incourant karakter hebben dan degene,
waarvoor men in de practijk de term ,,incourante fond-
sen” pleegt te gebruiken. In verband daarmede worden
de eerstbedoelde stukken wel aangeduid als ,,incourante
incourante fondsen”, of ook niet-gecodeerde” fondsen,
omdat zij niet voorkomen op de zgn. ,,codelijst”
9).

Voorts vallen buiten de inleveringsplicht alle zich
buiten het Koninkrijk .bevindende effecten. Ten aanzien
van de w’ijze van aanmelden zijn deze laatste, zich in
het buitenland bevindende effecten weer in twee groepen
te splitsen. Iii de eerste plaats de hetzij Nederlandse,
hetzij buitenlandse effecten, die toebehoren aan dan wel
gedeponeerd zijn ten name van eeri ingezetene. Deze effec-
ten moeten dooi’ die ingezetene
hier te lande
(resp in één
der overzeese gehiedsdelen) – en dus door bemiddeling
van een inleveringskantoor – worden aangemeld. In
deze gevallen moet het inleveringskantoor het aanmel-dingsformulier dus invullen, zonder dat het de effecten
zelf ter vergelijking bij de hand heeft. Daarnaast de
effecten, die niet aan een ingezetene toebehoren en ôék
niet ten name van een ingezetene zijn gedeponeerd, doch

1)
De verplichting tot aangifte daarvan is geregeld
in
ait.
47.
‘) Dit is ‘de door het Centraal Bureau gepubliceerde
,,Lijst
van
Effecten, welke van een codenummer zijn voorzien in verband inet
verschillende handelingen, die hij de Effecienregistratie zijn te
verrichten”.

die enkel en alleen aan de registratie onderworpen zijn,

omdat het N’ederldndse effecten zijn. Dit is de enige groep
effecten, waarvan de aanmelding
in het buitenland
moet

plaats vinden. in de meesfe landen kunnen de bezitlers derer effecten hun aanmeldingen reclitst’eeks indienen

hij de Nede:landse diplomatieke vertegenwoordiging in
het betrokken land. In enkele landen, waar Nederlandse

effecten in groten getale aanwezig zijn. zoals bijv België,

Frankrijk Zwitserland en Engeland. zi:n banken en/of
effectenbedrijven ingeschake’d. die – eve’hals in Neder-

laad cle inlevering.skantoren — hij de aanmelding be-
middeling verlenen. Voor elk land g&dt echter, dat de
effecten bij de aanmelding moeten worden
getoond,
zulks
hetzij aan de Nederlandse diplomatieke post, hetzij aan

de als tussenschakel optredende bankier of commissionnair.
rpeil aanzien van
alle
aanmeldingen, die hier ië lande
moeten geschieden, is een ,.peildalurn” vastcesteld, en
vel 14 April 1940 (het tijdstip waarop de
inleverings-

termijn
eindigde en cle
aanmeldingstermi,jn
een aanvang
nam). De aanmeldingen geven dus de toestand weer die be-
stond op die datum. Met eventuele latere mutaties in liet
bezit (welke blijkens art. 70 rechtsgéldig slechts hebben
kunnen plaatsvinden met goedkeu ring der Afdeling)

wordt geen rekening gehouden, liet vaststellen van een
peildatum w’as noodzakelijk, omdat anders de mogelijk
heid had bestaan dat eenzelfde effect tweemaal zoïi
worden aangemeld, eerst dooi’ de aanvankelijke hezitter
en later nog eens door cle nieuwe.

Wanneer nu liet geraamte compleet is, de (gezuiverde)

zwarte lijst gereed en de aanmeldingen, althans voor
het leeuwendeel, hinnen, dan is het stadium van de eigen-
lijke registratie (in.technische zin) bereikt. Zulks is thans
sedei’t enkele maanden het geval. De zwarte lijst is op

ponskaai’ten vastgelegd, van elke aangemeld effect wordt
eveneens een ponskaart vervaardigd, en de ,,i’egistratie-
molen” kan gaan draaien. De beide groepen van kaarten
worden met behulp van een machine (de ,,collator”)
met elkaar vergeleken, zulks in dier voege, dat de kaarten
van aangemlde effecten, waarvan tevens een zwarte-
lijst kaart aanwezig is, op een bepaalde wijze dooi’ de
– machine w’ordt uitgeworpen. Ten opzichte van de op
deze kaarten aangeduide effecten is ,.kortsluiting” ont-
staan, De ,.kortsluitingen” worden als zodanig door het
‘Centraal Buceau ,’an de Afdeling gesignaleerd, aangezien
ten aanzien der effecten, waarop zij betrekking hbben,
een onderzoek omtrent de ,rechtsverhoudingen zal moeten
plaatsvinden. De overige effecten, die de machine ge-
passeerd zijn, dat wil dus zeggen effecten, die zijn aan-
gemeld, doch niet op de zwarte lijst blijken te staan,
komen in het algemeen voor erkenning als eigendom
van de aanmelder in-aanmerking.
liet verdient de aandacht, dat de zo juist beschreven
machinale procdure niet ten aanzien van alle aangemelde
effècten wordt toegepast. De. machinale methode is nl.
noodzakelijk gebleken in verband met de massale hoe-
veelheid der te verwerken effecten
per /ondsensoo,’t.
Bij
de niet-gecodeerde effecten (de , ,incourante incourante”)
doet deie massaliteitsfactor zich per fondsensoort minder
gevoelen. Te hunnen aanziën bestaat echter een enorme variëteit van fondsensoorten. In verband daarmede’ zou
de machinale bewerking en alle werkzaamheden, die
daarmede gepaard gaan (zoals hijv. het vervaardigen van
ponskaarten voor deze stukken niet de moeite lonen en
vermoedelijk zelfs tengevolge van de grote gedifferen-
tieerdheid dezer gi’oep effecten in de practijk onuitvoer-
– baar blijken. Zij worden dan ook ,,met de hand” ge-
registreerd. hetgeen overigens
ten aanzien aan hef resultaat
(liet constateren van kortsluitingen) uiteraard geen ver-
schil maakt.

Onmiddellijk nadat een effect de zo juist omschreven
machinale procedure heeft ondergaan, reikt het Centraal

30

ECONOMIsCH-STATISTISCHE BERICHTEN

14 Januari 1948

Bureau de op dit effect betrekking hebbende
,,stukken-

oerklaring”
uit aan het inleveringskantoor; door weiks
bemiddeling het stuk is aangemeld. De stukkenverklaring

is het ,,afzonderlijk document”, hetwelk krachtens het
eerste lid van art. 50 ,,ten blijke van registratie” aan het

effect moet worden toegevoegd. Zij dient om geregistreerde

effecten te kunnen onderscheiden

van effecten, die ten
onrechte aan de registratie zijn onttrokken (en in ver-

band daarnjede te zijner tijd waardeloos zullen worden).
Zij houdt dan ook niets anders in, dan dat hetbetreffende stuk is geregistreerd en draagt de handtekening (in facsi-

miie) van de beide directeuren van het Centraal Bureau.

Deze verzending der stukkenverklaring geschiedt 66k als

het effect ,,kortsluiting” gemaakt heeft, en zal zelfs te
zijner tijd geschieden voor effecten, die als niet-aangemeld

zijn geregistreerd (zoals hieronder zal blijken, zullen voor

die effecten ni. duplicaten worden afgegeven). De toe-

voeging van de stukkenvrklaring betekent dus
niet,

dat de bezitter, door of namens wie is aangemeld, als
eigenaar wordt erkend en evenmin, dat hecoupon- of

dividendblad (resp. het gehele effect) hem door het in-
leveringskantoor kan worden uitgeleverd. Indien tot
zodanige
erkenning
wordt overgegaan, zendt de Afdeling
daarvan (via het inleveringskantoor) bericht aan, de

aanmelder. Eerst daarna kan (en moet) het inleverings-
kantoor het coupon- of dividendblad (resp. gehele effect)

ten beboeve van de aanmelder vrijgeven
10).

Niet voor alle effecten wordt een stukkenverklaring
uitgegeven. Voor de niet-gecodeerde fondsen, die slechts

bij uitzondering worden verhandeld, bestaat daaraan,

behoudens in enkele nader bekend te maken gevallen,
geen behoefte. Voorts is het niet noodzakelijk, dat bui-

tenlandse effecten worden voorzien van een bewijs, dat
ze de Nederlandse effectenregistratie zijn gepasseerd.

Voor deze beide groepeh van effecten geldt dan ook, dat

de meddeling, waarin wordt kennis gegeven van de
erkenning,
tevens geldt als bewijs van
registratie.
In een volgend artikel zullen achtereenvolgens de inven-

tarisatie en opsporing van vijandelijk vermogen, de
fiscale contrôle, het deviezenlélang en het manco ter

sprake komen.

Amsterdam.

Mr
A.
VAN OVEN.

‘°) Art. 60 en 61.

93,

EEN STATUUT VOOR ,,BENELUX'”.

De voorwaarden, waaraan douane-unies volgens het
internationaal recht hebben te voldoen oma1s zodanig te
worden erkend, werden in een vorig artikel toegelicht
1).

Aan de hand van het ontwerp-charter voor de wereld-
handel en de werkgelegenheid bleek toen, dat verdragen,
waarbij twee of meer staten overeenkomen een douane-

unie in het leven te roepen, eerst door de I.T.O. op hun
mérites zullen worden onderzocht, voordat deze landen
aanspraak zullen kunnen maken op het overeengekomen
uitzonderingsregiem voor tolunies. Nu de douane-
overeenkomst tussen de Benelux” van 5 September
1944 tijdens de conferentie van de voorbereidende com-
missie is erkend als ,,interim agreement” in de zin van
artikel 42 van het ontwerp-charter, en bovendien op 1 Januari 1948 de tolgemeenschap in werking is ge-
treden, is daarmede de douane-unie tussen de drie ver-
bonden landen verwezenlijkt. De vraag, die in de volken-
rechtelijke literatuur al zo dikwijls is gesteld, te weten
of een douane-unie internationaalrechtelijk persoon is,
zou thans wederom kunnen rijzen. Wij kunnen niet voor-
zien of zich omstandigheden zullen voordoen, die het
stellen van deze vraag nodig zullen maken, m.a.w. of

‘)
Zie:
,,Enige internationaal-rechtelijke aspecten van douane-unics en het Handvest voor de wereidhandel en de werkgelegen-
heid” in ,,E.-S.B.” van 24 December
1947.

de practische consequenties van het al dan niet zijn van

rechtspersoonlijkheid in volkenrechtelijke zin bij de

ontwikkeling van douane-unie tot economische unie een
rol zullen spelen
2)
In dit verband moge slechts worden
opgemerkt, dat er en tendentie bestaat, de eerste etappe,

die op 1 Januari 1948 is bereikt, niet als een bijzondere
volkenrechtelijke figuur te beschouwen, maar deze eerst

dan gecreëerd. te achten, wanneer de laatste etappe van
de
economische
unie bereikt zal zijn. Deze zienswijze komt

zeker niet overeen met de loer én de practijk .van
het internationale recht. Bij deze is steeds het beslissende

eleriient de opheffing van de gemeenschappelijke tol-

grenzen en vindt men ten aanzien vaft de vrije handel
tussen de unie-staten nog vele nuances, zowel ten aanzien

van de accijnzen, als ten aanzien van de verboden en

beperkingen, terwijl bijv. het personenregiem, de belastin-

gen en het verkeer worden beschouwd als aangelegenheden,
die desverlangd in afzonderlijke verdragen kunnen worden

geregeld. Een regeling daarvan, op voet van gelijkheid

met de eigen onderdanen, komt dan ook in vele handels-of vestigingsverdragen reeds voor, zonder dat daârmede

nog een economische unie tot stand komt. Welhaast
zou men geneigd zijn te zeggen ,,what is in a name”,

wanneer men aan de andere kant in de intern’ationale
rechtsliteratuur de onvolkomen douane-unies gelijk-

gesteld ziet met economische unies of allianties! Juister

lijkt in iedèr geval het standpunt, dat door een douane-

unie in de verhouding .van de deelnemende staten tot in
andere landen een principiële wijziging intreedt en dat
het deze is, die internationaalrechtelijke consequenties

met zich brengt. Of de economische betrekkingen tussen
de uniestaten zidh dientengevolge zo zullen verinnigen,

dat men van een economische unie tussen hen kan spreken,
brengt in wezen geen verandering meer in de verhouding

van de douane-unie tot het buitenland.

Is ,,Benelux” Qolkenrechtssu.bject?

De auteurs van het volkenrecht zijn vrijwel eenparig
van oordeel, dat een douane-unie
»
geen volkenrechtssubject
is. Dit oordeel wordt gemotiveerd door het ontbreken van

organen, die voor-het gehele tolgehied bindende rechts-

regels kuinen uitvaardigen, terwijl evenmin de bevoegU’- –
heid tot het aangaan van handelsvrdragen aan de Unie
als zodanig toekomt. Als uitzondering, die deze regel be-vestigt, wordt dan aangehaald de ,,Zollverein” van 1867.
Deze kende wel een ,,Zollparlement” en een ,,Zollbunds-

rat” en de handelsverdragen werden
namens de tolunie

door Pruisen gesloten. Zelfs deze uitzondering moet
wellicht van minder betekenis worden beschouwd in het
licht van de politieke inslag van de ,,Zollverein”, die als
de onmiddellijke voorloper van de Bondsstaat kan worden
beschouwd. Dat overigens het verschil groot zou zijn met
de bevoegdheid, die aan Pruisen ook -véér 1867 krachtens
de eerdere tolunieverdragen toekwam, om
namens de

andere unieleden
handelsverdragen af te sluiten, mag

aan de hand van de practijk
worden betwijfeld
3).
Voor het

internationale recht, dat de betrekkingen tussen douane-
unies en andere staten beheerst, is het antwoord op de
vraag, of de unie een zelfstandige volkenrechtspersoon
is, inderdaad afhankelijk van dergelijke juridische
nuances. Wij zien dan, dat zelfs daar, waar geen eigenlijke

tolunie,
doch een
aansluiting
hij het tolgebied van een

andere staat is tot stand gekomen, de handelsverdragen
met andere staten niet automatisch voor het verruimde

1)
Zie hieronder n.a.v. het lidmaatschap van de I.T.O.
‘) Hoe gecompliceerd ook toen al deze quaestie was en hoe angst-
vallig men de souvereiniteit van de delen van de ,,Zollverein”, al-
thans formeel, ontzag, moge buy, blijken uit de preambule van het
door Pruisen met Frankrijk op 2 Augustus 1862 gesloten handels-
verdrag:,,S. M. le Rol de Prusse agissant tant en San oom et pour
les autres Pays et partjes de Pays souverains compris dans San
système de douaneS et d’impöts, savoir Luxembourg
……..
qu’au
nom des autres membres de 1’Association de douane et de commerce
Allemande (Zoilverein) . . . .et les Etats formant l’Association de
douane et de commerce de Thuringlie”, etc.

14 Januari 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

31

tolgebied gelden.
4
). En om thans ter vergelijking het
voornaamste verdrag, dat tussen België en Luxemburg
van 23 Juli 1921, aan te halen, hier
zou
artikel 5 de
theoretici van het volkenrecht in verlegenheid hebben

kunnen brengen. Daar staat toch te lezen: ,Les futurs

traités de commerce et accorës écorlomiques seront
concius par la I3elgique au
norn de 1′ Union douaniêe”.
In de practijk daarentegen sluit de Koning der Belgen

deze verdragen niet namens de Unie, maar agissant tant

en Son Nom qu’ au norn de S. A. la Grande Duchesse de
Luxembourg, en vertu d’accords existants”. Omtrent de

handeisbetrekkingen van de Benelux” niet andere staten
leert ons het verdrag van 5 September 1944 slechts, dat
er een Raad voor de. i

Jandelsverdragen. zal zijn, die

zoveel mogelijk overeenstemming verzekert tussen de

bepalingen betreffende de betrekkingen overeengekomen
• met derde Staten”
5),
Voorts zijn de zowel hij het Belgisch-
Luxemburgse unieverdrag als hij dat van ,,Benelux” inge.

• stelde raden geen organen in de zin als bovenbedoeld, daar

zij uitsluitend als adviseurs van de uniestaten optreden.
Moet ,:Benelux” dan beschouwd worden als een een-

voudige administratieve unie, of, zoals enige volkenrechts
auteurs zelfs menen, als een ruim soort handelsverdrag
worden opgevat? Als administratieve unie zou zij wel op
rechtspersoonlijkhèid volgens liet civiele rech t aanspraak
maken. Wi
.
I
geloven, dat het ongeschreven internationale
recht zich sneller ontwikkelt dan wij geneigd zijn te
eçkennen. Met Al. Pilotti
6)
geloven wij, dat een. douane-
unie ,,capacité internationale” kan •hebben en dat dit
slechts afhangt van de wil van de betrokken staten,

zoals deze in hun verdragen met andere landen wordt
gemanifesteerd. Dat liet hier geenszins gaat om een theo-,
retisch vraagstuk, is duidelijk. Elk handelsverdrag, dat
één van de unielederi sluit, heeft directe gevolgen voor
de andere leden van de unie, en de andere staten, die hun
handelsbetrekkingen met één van de unieleden willen
regelen, moeten dit doen ten aanzien van de gehele unie. Dit is onmiddellijk gebleken bij de grootscheepse tarief-
onderhandelingen in Genève, zoals thans vervat in het
,,General agreemerit on tariffs and trade”._De vraag, of
,,Benelux” ,,capacité internationale” wenst te bezitten,
moet uiteraard worden gecombineerd met de vraag, of
andere landen ,,Benelux” in die ‘capaciteit
erkennen,
aangezien elk ontstaan van een nieuw volkenrechtssubject
als zodanig, moet worden erkend. Ook dit is geen grauwe
theorie, maar dooi’ een interessante bepaling van het
lIandvest voor de w’ereldhandel en de werkgelegenheid
een actueel en zeer practisch. vraagstuk geworden. In de
voorgestelde bepalingen (er, zijn twee alternatieve) be-

treffende de samenstelling ‘van ‘de ,,Executive Board”
van de I.T.O. hangt de vertegenwoordiging van België,
Luxemburg en Nederland af van hun beslissing ten aan-
zien van het optreden als eenheid of niet: ,,should these
States desire to be represented as a unit”, dan behoort
hun vei’tegenwoordiger tot de voor 3 jaren aangewezen
leden van de raad. Zo neen, dan is de aanwizing een
andere efi
kan
in het ene alternatieve’ voorstel, naast
België Ôf Nederland nog Luxemburg gekozen worden.
Overigens is dit punt in verband met stemrecht wellicht
nog van betekenis.
Wenselijkheid van een Statuut hoor ,,Benelux”-douane-unie.

Zoals wij in een vorig artikel vermeldden, zijn de ver-

4)
Volgens het verdrag van
29
Maart
1923
werd Liechtenstein
een deel van het Zwitserse tolgehied en kreeg liet ten aanzien van
de onderwerpen in dit verdrag geregeld, een zelfde rechtspositie
als de Zwitsei’se kantons. Toch luidt het buy, in een handeisverdrag
van
1936
met Bulgarije nog, dat ,,volgens de douane-unie over-
eenkomnst dit verdrag eveneens van toepassing zal zijn op het grondgebied van het Tj.stendo Liechtenstein”.
‘) liet valt niet aan te nemen, dat ,,overeengekomen” alleen
zou
slaan op de bestaande handelsverdragen ed., noch dat het
overleg van de Raad beperkt
zou
zijn tot ontwerp-verdragen. 1-let
nauwe contact der drie landen op het gebied van de handelspolitiek (tariefonderhanclelingen te Gentve 9 bewijst het tegendeel.
Pulotti
(M.),
Les unions d’tats. Cours de l’Acacfémie de drolt international, La Haye,
1928,
Paris (Hachette)
1929,
blz.
681.

schillende uneverdragen of on’twerp-unieverdragen uit
het verleden vo’or de beoordeling van het begrip douane-
unie nog steeds van’ betekenis, liet komt ons voor, dat

on’t’tweeëi’lei redenen de wenselijkheid bestaat, dat
ook
de douane-unie tussen onze drie landen een meer hij de

typische vormen van douane-uriieverdragen aansluitend
statuut ontvangt. In de eerste plaats, omdat dit een

voorbeeld moge worden vooreventuele andere .tolunie
in de Europese spheei’. 1-lierdoor zou èn de quaestie van

de aansluiting è’n -. voor de door andere Europese landen

nog te sluiten douane-unies – de procedure ingevolge
het wereldhandvest vergemakkelijkt worden. En in de
tweede plaats vooral om uitdrukking te’ geven aan de bijzondere betekenis van de’ samenwerking tussen de
drie landen en aan deze een passende vorm te geven.

Alen moet de stimulerende werking vân een dergelijk
statuut, waarin de
beginselen
van de internationale samen-
werking zijn vervat, vooral niet’ te gering schatten. En
nu komt het voor, dat het verdrag van
5
September 1944
– om verklaarbare redenen: geen hoogdrâvende spheer
in oorlogstijd – wel zeer weinig op de verbeelding werkt en in dat opzicht achterstaat bij vroegere unieverdragen.

Al zal een en ander wel verband houden met wat boven

werd opgemerkt over douane-unie/economische unie en met onze zin voor bescheidenheid en geleidelijkheid, de

snelle ontwikkeling van de omstandigheden en de leiding
van ,,Benelux” in het Europese tolunievraagstuk doen

de wenselijkheid van een statuut thans in een ander
licht verschijnen. Ook overigens zou het in grote lijnen
in overeenstemming brengen van het Benelux-statuut met
dat van de Belgisch-Luxemhurgse unie, dat tot het

type douane-unieverdrag behoort, in de rede liggen.
Daarin zal dan de ‘verwezenlijkte eenheid van het douane-

gebied van ,,Benelux” als uitgangspunt gelden en zullen
achtereenvolgens de corequenties daarvan zowel voor

de administratieve als oole de handelsbetrekkingen
tussen de drie landen statutair worden vastgelegd. De
administratieve regels zullen ,betrekking hebben op het
beheer van de douane en de verdeling van de douane-
inkomsten, tenzij deze voorlopig nog gecheiden moeten

blijven, en verder op de organen van de tolunie. Deze laatstgenoemde materie hangt uiteraard samen met de

regeling, die door het statuut zal worden getroffen voor
het’ vraagstuk van de handelsbetrekkingen met andere
landen, waarover wij boven schreven. Wel moge reeds nu

worden opgemerkt, dat het verdrag van 5 September -.
1944 op het stuk van de organen voor de behoefte, die op
1 Januari jl. met de inwerkingtreding van de tolgemeen-
schap is ontstaan, eensdeels te veel, ânderdeels te weinig
zal.blijken te bevatten. Als ,,working agreement” hoef t het
verdrag voor een deel uitgewerkt. Voor de douane-unie past nu een organische opbouw. Daarenboven zal in het
statuut naast een semi-wetgevend en een uitvoerend
(administratief) orgaan een scheidsrechterlijk orgaan niet
mogen ontbreken. Andere wezenlijke elementen, die in
het ‘statuut ivaren op te nemen, betreffen de (langere)
duur van het verdrag (zie de voorwaarde gesteld in art. 42
van het ontwerp-charter voor de wereldhandel) alsmede,
met het oog op de bevordering van een Europese tolunie,
de mogelijkheid van toetreding dooi’ andere landen of

tolunies. Welke materies ,veider nog in het statuut
regeling zouden moeteh vinden,
,
zal afhangen van de
beslissing, welke bestaande economische verdragen tus-
sn Nederland en België/Luxemburg daarin zullen worden

verwerkt. Een reserve, voorkomende in het vestigings- en
arbeidsverdrag tussen Nederland en België (niet voor
Luxembui’g gesloten) van 20 Januari 1933/7 Januari 1936,
lijkt anders na de totstandkoming van de douane-unie
,,Benelux” bezwaarlijk houdbaaj
7)
. Tenslotte blijft het

‘) Artikel
22 luidt: ,,l-Iet genot van de voordelen, die een van
de hoge verdragsluitende partijen op grond van een economische
Unie aan een derde land heeft verleend
of
mocht verlenen, zal door
de andere Partij niet uit hoofde van dit verdrag kunnen worden
gevorderd”.

32′

ECONOMISCH-STATISTISCHE BEIICHTEN

14 Januari 1948

punt van de overzeese gbiedsdelen van heide landen,

die geen deel uitmaken van de douant-unie Benelux”,
een open vraag. De mededelingen, onlangs daarover ge-

daan door de. Belgische Minister van Buitenlandse Handel,
verdienen in dit verband de aandacht. Krachtens het
ontwerp-charter voor de wereldhandel (art. 16, 6 en
annexe C) is uitsluitend de handhaving van een op 1 Juli

1939 bestaande voorkeursbehandeling voor koloniale

import in het Benelux-douanegebied toegestaan
8).

‘s-Gravenhage.

Dr
J. L. F.
VAN ESSEN.

8)
Historisch interessant is, dat Nederland, dat principieel niet
afwijkt van de opendeur-politiek in Indië, één maal een uitzonde-ring daarop maakte en wel juist in het handeisverdrag met België
van
12
Mei
1863,
waarin, van de meestbegunstiging aan België ver-
leend, werden uitgesloten de ,,taveurs spéciales accordées ou
t accorder par la suite dans les colonies néerlandaises des Indes
orientales aux
nations asiatiques de l’Archipel oriental, pour l’im-
portation des produits de leur sol et dc leur industrie, ou pour leurs exportations”

EEN NATIONALE WINST- EN VERLIES-

REKENING NOODZAKELIJK.

In zijn artikel ,,Erop of eronder” in de ,,E.-S.B.” van

24 Decmber zegt Mr H. F. van Leeuwen, dat Nederland.

in 1947 boven zijn stand heeft geleefd. En ook dat ,,vast-

staat, dat tegenover de ,,ôverspending” maar zeer gedeelte-

lijk blijvende waarden staan en dat een groot deel in de

consumptie is vervlogen”.

‘Mr vanLeeuwen neemt dit blijkbaar als een axioma

aan en gaat direct over tot een beschouwing over de
middelen om dit euvel te bestrijden. 1-let komt mij voor,
dat het wenselijk, ja noodzakelijk, ware, eerst het bewijs te
leveren van de juistheid van dit uitgangspunt; en – zo

mogelijk – bovendien aan te geven,
in welke inate
Neder-
land ,,boven zijn stand leeft”. –

Itlijn bedoeling is niet critiek te leveren op de conclusies
en aanbevelingen, waartoe Mr van Leeuwen komt. Mijn
bezwaar is, dat dergelijke vèrstrekkende maatregelen

gebaseerd bhoi’en te zijn op betrouwbaar feitenmateriaal.
1-let gaat er mij hier in hoofdzaak om er op te wijzen, dat
wij niet beschikken over een appa!’aat om vast te stellen of,

en zo ja, in wélke mate wij gezamenlijk boven onze stand

leven. Wij beschikken over een grote massa statistische
gegevens, maar deze zijn alle fragmentariseh en leiden niet
tot een totale, een integrale visie op onze economische
– situatie. –

Wij moeten er met alle kracht naar streven daaromtrent
actuele en betrouwbare periodieke gegevens te verkrijgen.
Actueel,
-d.w.z. enkele, maanden na afloop van een jaar

en op de duur zelfs enkele weken na afloop van elke
maand.

Betrouwbaar,
d.w.z volgens gezohde administratieve
beginselen.

Wanneer het mogelijk is in onze ondernemingen en
bedrijven, ook in de allergrootste, iedere maand en met
een vertraging van slechts enkele weken, met voldonde

exactheidte zeggn of de inkomsten uit de lopende pro-
ductie groter zijn geweest dan de kosten daarvan, dan
moet dit – mutatis mutandis – ook mogelijk zijn voor
de volkshuishouding als geheel.
In de administratie der bedrijven lost men vraagstukken op van principieel dezelfde aard als waarom het gaat voor
de volkshuishouding al gehe. Ik noem er hier enkele.
Welk deel van de lopende uitgaven heeft het karakter
van nieuwe investering, of van herstel van schade, direct of indirect door de oorlog geleden? En omgekeerd, welk

bedrag aan afsehrijving op kapitaalgoederen moet worden
toegevoegd aan de uitgaven om de kosten der lopende

productie te krijgen?
Mr van Leeuwen zegt, dat er ,,een gewin is aan ons
productie-apparaat en herstel van vermogensbestanddelen
op velerlei gebied”. Maar hij slaat de grootte hiervan niet
hoog aan. Ik vermoed, dat deze mening hoofdzakelijk op

,,feeling” berust. En dus kan ik mij voorstellen, dat er

andere – precies tegenovergestelde – meningen zijn van

hen, die dit allerwegen zichtbar herstel van het produc-
tieapparaat veel hoger aanslaan.

Een ding is zeker, ni. dat wij het niet weten.
En dat wij
ook niet weten,welk deel van dit herstel aan eigen pro-

dutie te danken is en welk deel aan inkopen in het
buitenland
1)

Alleen een
balans
der Nederlandse volkshuishouding
kan hier uitsluitsel geven. Door periodieke vergelijking

van het totale nationale vermogen en van de divèrse be-

standdelen daarvan zullen deze vragen met voldoende

graad van betrouwbaarheid kunnen worden beantwoord.

En daarop aansluitend moet worden verschaft een
-winst- en verliesrekening
van onze nationale activiteit,
doelmatig gerubriceerd en gedetailleerd, opdat wij kunnen

zien waar, in welke sector, maatregelen tot verbetering
moeten worden genomen.
Hoe
dit moet gebeuren, ho
g
men daarbij op efficiënte
wijze te werk zou moeten gaan om te voorkomen, dat het

ambtelijk apparaat te sterk zou worden uitgebreid, laat

ik buiten beschouwing. Naar mijn mening is het zeker

mogelijk, vooral indien men gebruik maakt van de erva-

ring, in de administratie der bedrijven verkregen. Ook

indien de kosten zouden toenemen, moet men er niet
voor terugschrikken. ‘Dit apparaat is het kompas, waarop

men !T!oet zeilen; men kan er eenvoudig niet buiten.

liet zou mi. van een enorme psychologische betekenis
zijn, ifidien het Nederlandse kolk, ondernemers zowel als

arbeiders, het vertrouwen zouden krijgen, dat de door de Regering genomen maatregelen gebaseerd waren op een
integraal inzicht in de reële positie onzer volkshuishouding.

Eindhoven.
M. J.
VAN DER PLOEG.

‘) Dit blijkt ook duidelijk uit het artikel: ,,De economischeont-
wikkeling iii Nederland”, in het Economisch-Statistisch Kwar-
taalbericht” van December
1947.

EEN VERGETEN ASPECT.

De redactie verleent gaarne plaatsruimte aan liet volgende:

De actie van ae Nationale Monumentencommissie,
waarover men alom in ‘de dagbladen kan lezen, trekt in
de eerste plaatsde aandacht, omdat ons volk hier wordt
uitgenodigd op grote schaal hij te dragen voor het stichten

van een centi’aal nationaal monument op het Damplant-
soen en van nog andere in den lande op te richten monu
ménten. Nu zijn wij Nederlanders nooit zeer sterk geweest
in het stichten van gedenktkens, die de lof van een roem-
rijk voorgeslacht vei’kondigden. Onze afkeer van uiterlijk
vertoon is hiervan vermoedelijk wel – dc voornaamste
oorzaak. Tot voor kort dachten wij ook, dat ons volk
weinig begrip had voor heroïek. Deze mening is echter

in de oorlog niet juist gebleken. Hoezeer ook de na-oorlogse
ontwikkling onze verzetsjaren op de achtergrond dreigt
te dringen, het ondergrondse en bovengrondse verzet

tegen de onderdrukker heeft toch wel voldoende aange
toond, dat de hei’oïek aan het Nederlandse volkskarakter
niet vreemd is, mits ze maar in het kleed der nuchterheid
gehuld blijft.

Niettemin is er alle aanleiding de aandacht te vestigen
01) het verderliggende doel, dat de Nationale Monumenten-
commissie zich zelf en ons heeft gesteld. De bijeen te bren-
gen gelden zullen slechts voor een gedeelte worden gebruikt
voor het monument, respectievelijk de monumenten, doch
voor een ander en naar wij hopen veel groter deel voor
het lenigen van de zorgen der nagelaten betrekkingen van de slachtoffers uit deze tijd. FIet is ook in dit tweede doel,
dat het verlangen van velen van ons om zich te kwijten
van een eretaak, vorm ‘heeft gevonden.
Wanneer deze hulpverlening slaagt – en zij behoort
ten volle te slagen – wordt daarmede echter meer gedaan

1.

14 Januari 1948

ECONOMISCH- STATISTISCHE BERICHTEN

33

dan het kvijten van een eenvoudige plicht tegenover

degenen, die.terwille van ons allen in nood zijn geraakt.

Er is aan deze zaak ook een aspect verbonden, dat wel eens
vergeten wordt, ni. dat van de zorg voor onze volkskracht.

Wanneer één ding duidelijk is geworden in de moeilijke

omstandigheden van dit ogenblik, dan is het wel, dat ons

volk zich slechts met uiterste inspanning kan verheffen
uit de zorgelijke toestand, waarin het zich bevindt. Daar-

voor is het nodig, dat ieder van ons het uiterste geeft,

‘aarôver hij beschikt, en dat wij het jonge geslacht zo

zullen opvoeden, dat het zijn mogelijkheden ten volle
kan ontplooien ten bate van ht geheel. Armoede en zorg
nu brengen mede, dat de achtergebleven kinderen van

onze oorlogsslachtoffers
niet
de opleiding ontvangen, die

bij hun bekwaamheden past. Het gezin, dat in financiële

moeilijkheden verkeert, volstaat ermee de kinderen het
hoogst nodige te geven. Op die manier blijven latente

mogelijkheden ongebruikt en doèt men niet alleen een

aantal jonge mensen onrecht âan, maar schaadt men ook
de volkskracht, die wij ook-in de periode van rijpheid
dezer jonge mensen nog zo bitter nodig zullen hebben.

liet doet pijn een gezin te zien declasseren, omdat het
onvoldoende verzorgd achterblijft. Deze declassering te
voorkomen is echter alleen niet een zaak van medelijden
of rechtvaardigheid, maar ook van een juist gevoelde ver-
antwoordelijkheid voor de toekomst van ons volk. Wij
kunnen ons eenvoilidig niet veroorl&ien in de komende jaren krachten ongebruikt te laten en zullen daarom ook
voor de kinderen der oorlogsslachtoffers de mogelijkheden
moeten scheppen voor hun vorming en studie op het niveau,

waartoe zij in staat zijn.
De actie van de Nationale Monumentencommissie kan
pas volledig geslasigd lieten, wanneer over enige tijd nie-
mand in Nederland meer landgenoten kan aanwijzen, die,
omdat hun natuurlijke verzorger hun in oorlogstijd ont-
viel, achterstaan bij degenen, wie deze smart bleef bespaard
Dan zal een onopvallend, doch zeker niet minder in.
drukwekkend monument zijn verrezen, dat het beste be-
wijs levert van onze dankbaarheid jegens de gevallenen. –

‘s-Gravenhagc.
– – Prof.
Dr
P. KUIN

AANTEKENINGEN.

EIN AANVAL 01′ DE OOEDI(OOP-cELI)1’OLITIEK.

‘De politiek van het goedkope geld wordt in ,,The
Commercial and Financial Chronicle” van 18 December
jl. door Dr L: Albert Hahn aan een scherpe critiek onder-
worpen. Men moet, aldus Hahn, in een wereld, die in het
teken van de inflatie staat, de motivering van de goed-koop-geldpolitiek niet zoeken in de noodzk tot bestrij-
ding van w’erkloosheicl. G,oedkoop-geldpol itiek wordt ge-
propageerci, omdat daarmede, naar het schijnt, een snelle

verlaging van de op de staatsfinanciën di’ukkende rente-
last en een in evenwicht brengen van de staatsbegroting
zonder het opleggen van hogere belastingen mogelijk
worden; soms wordt deze politiek ook voorgestaan op
grond van overwegingen van sociale rechtvaardigheid. Volgens Dr llahn is echter het nut van goedkoop-geld-
politiek in inflatietijd volkomen illusoir, en wel voorname-
lijk, in verband met tal van nadelige begeleid ingsver-
scliijnselen.
In de eerste plaats zal, bij sterke credietvraag, de rente-
stand niet lang laag blijven, tenzij de hoeveelheid geld in
omloop wordt vergroot. Dit laatste heeft in een inflationaire
situatie eën onmiddellijke invloed op liet p,rijspeil. Dit is
één der belangrijke grondslagen, aldus I-lahn, van de
huidige inflatie in de meeste Europese landen. ,,The
illusion permits ‘that one can go into the water of such
an inflatiënary policy vithout getting wet by inflation”.
Deze illusie geeft aanleiding tot het ontstaan van tal van andere illusies. De eerste hiervan is, dat de econo-
misch zwakkere bevolkingsgroepen tegen de gevolgen

der inflatie kunnen worden beschermd door een systeem

van prijsbeheersing; men vergeet hierbij. dat het gaat om
correctie van de fundamentele fout, en het resultaat is

het ontstaan van de zwarte markt. De tweede is, dat

i)riismaxima geen invloed hebben op de omvang en de aard der productie. liet is duidelijk, mede op grond van

in de Verenigde Staten met de O.P.A. opgedane ervaringen

– aldus llahn –, dat liet economisch leven bij stijgende

kosten en gefixeerde prijzen onmogelijk kan functionneren.
Een volgende illusie is, dat, op larigerd termijn, het geld

zijn functie van productiestimulering kan vervullen,

wanneer een rantsoeneringssysteem het van zijn ongeh-
miteei-de koopkracht heeft beroofd. Bij rantsoenering
betekent meer geld” niet ,,meer goederen”, doch op zijn

hoogst ,,meer besparingen”. Besparingen zijn nu nauwe-
lijks te verwachten, wanneer de bevolking een lage levens-

standaard heeft en dientengevolge meer belangstelling
heeft voor liet heden dan voor de toekomst, terwijl boven-

dien de vrees bestaat, dat besparingen de kns lopen in

de toekomst in waarde te dalen. Tevens wordt, in

dien meel
geld niet identiek is met meer goederen, de arbeidspro-

ductiviteit nadelig beïnvloed.
Veelal wordt, aldus schrijver, niet ingezien, dat een
‘dergelijke ontwikkeling te wijten is aan de fundamentele
illusie, dat schaarste aan kapitaal in een arm land kan worden verdoezeld door een lage rentestand. Evenals
dat bij individuën het geval .is, dient hij volkeren –

armoede zich te manifesteren in de omstandigheid, dat
geld slechts beschikbaar is voor de meest dringende be-
hoef ten. –
Dr Hahn w’ijst erop, dat dit laatte niet betekent, dat
alle problemen van economisch herstel in de Europese
landen z.i. geheel kunnen worden opgelost door een ge-
zonde monetaire politiek. ‘Wèl vormt een dergelijke
politiek een essentiële voorwaarde voor herstel. Ook is
hij niet de opvatting toegedaan, dat alleen al een stijging
van de rentestand effectief zou zijn (hoewel effectiever dan
de meeste ‘theoretici thans .vei’onderstellen); additionele

maatregelen ter absorbering en verwijdering der opge-
stuwde infiationaire krachten dienen eveneens te worden
genomen. –

Inflatie roep t inmiddels ook internationale repercussies
in liet leven. Zij leidt tot stijgende koersen van de valuta
van die landen, die een eonservatiever monetair beleid
voeren, resp. kunnen voeren door hun betere economische
omstandigheden. Zijn de w’ïsselkoersen gestabiliseerd,
dan leidt inflatie enerzijds tot het ontstaan van zwarte
markten in goud en valuta, anderzijds tot een in sterke mate passieve handeis en betalingsbalans t.o.v. sound-
currency countries”.
Di

t leidt, zegt ilahn, tot de illusie, dat men cle passiviteit

van de handels- en betalingsbalans niet in eigen hand
heeft
1).
Reeds Ricardo vergeleek, thans ongeveer 130
jaar geleden, de poging om tekorten op de betalingsbalans
te dekken door aankoop of lenen van goud of valuta niet
het gieten van water in liet vat der Danaïden. Onderdeel
van deze illusie is het slagwoord ,,dollarschaarste”. In
Engeland bijv. is de dollar in laatste instantie ,,schaars”,

omdat het voor Engeland gemakkelijk is om naar ,,sof t
currency”-landen te exporteren, en moeilijk om vandaar te importeren. Dât dit laatste moeilijk is, vloeit voort uit
het feit, dat de prijs van ,,hard currency” uitgedrukt in
binnenlandse valuta te laag is, zodat de import uit ,,hard
currency”-landen wordt gestimuleerd, de export daarheen
belemmerd. De bewering, dat een bepaalde valuta schaars
is, berust op het zien van economische verschijnselen en
hun geïsoleerdheid en niet in hun causale samenhang.
Nodig is een stringente monetaire en fiscale politiek.
Belastingen moeten worden verhoogd, lonen en uitgekeerde
winsten moeten laag genoeg zijn om de grotere rentelast te kunnen dragen. Kunnen dergelijke offers niet worden

‘) Vgl. ,,S]uitende begroting – sluitende betallngsbalans” door
Prôf. Dr Ir J. Goudriaan in
,,E.-S.B.”
van
7
Januari
JI.,
blz. 6.

34

.


ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

14 Januari 1948

gevraagd, dan moet worden uitgezien naar hulp van het buitenland. Men moet echter niet van ,,dollarschaarste”

spreken, voordat men heeft getracht binnenslands het

aanbod van kapitaal te vergroten en de vraag ernaar
te verkleinen door een hogere rentestand, teneinde een
betalingsbalanscrisis – die in werkelijkheid een ,,inflatie-
crisis” is – te vermijden.

Er is, in verband met de ,,dollarschaarste”, nog een
illusie, de ,,non-devaluation”-iliusie. Op zich zelf zou

devaluatie voor d Europese landen in geen enkel opzicht

nuttig zijn; de operatie zou telkens weer herhaald moeten
worden, tenzij een krachtige monetaire hervorming ter

aanvulling w’ordt doorgevoerd. Hahn wijst in dit verband

op de z.i. gebrekkige functionnering van liet Internatio-

nale Monetaire Fonds: de wisselkoersen zijn thans gestabi-
liseerd maar juist daardoor krimpt de internationale

handel in en gaat hij steeds meer in de richting van het
bilateralisme.

HET EINDE VAN BEP ULTRA-GOEDKOPE GELD
IN ENGELAND.

Engeland is niet alleen het land waar, in 1932, de

goedkoop-geldpolitiek het eerst werd toegepast; het is

tevens het land waar na de oorlog een lager renteniveau
werd nagestreefd dan men in andere landen, welke deze
politiek volgden, doelmatig achtte.
1-Jet Britse Ministerie van Financiën wenste de rente-

voet voor langlopend,e staatsleningen nl. op
21
pCt te
brengen en te handhaven. T-Jet eerste gelukte; het tweede
is thans mislukt.

Reeds eerder heft Engeland in haar financiële geschie-
denis een periode gekend, waarin de lange rentevoet zich
op een niveau van
2f
pCt bewoog, nl. in denegentiger
jaren der vorige eeuw. De naam van de toenmalige
Ministei van Financiën Goschen geniet hierdoor thans
nog zekere bekendheid. Dr Dalton, die deze functie van

midden 1945 tot November 1947 bekleedde en de drijvende

kracht der na-oorlogse goedkoop-geldcampagne, werd
op grond hiervan wel de tweede Goschen” genoemd.
De ultra-goedkoopgelclpolïtiek, na 1945 gevoerd, heeft
het politieke einde van haar verdediger niet lang over-
leefd. 1-Jalf. November 1947 nam Dr Dalton ontslag als
Minister; begin Januari 1948 werd
3
pCt officiëel dooi de
Regering als heersende rentevoet voor langlopende over-
heidsobligaties erkend.

Een terugblik op de doeleinden, de doorvoei’ing en hel
einde van de rentestand van 2.} pCt is thans mogelijk.

De motieven voor het introduceren ervan waren gelegen
in het verlangen naar vermindering van de druk van de
enorme staatsschuld op het budget (Engeland kent in
tegenstelling met andere landen na de oorlog geen heffingen
ineens), doch daarnaast ook in sociaal-politieke factoren,
als de w’ens om de arheidsloze inkomens te verlagen. Voor het dooi-zetten van deze politiek was in Engeland
evenzeer de hoo.fdvoorwaarde aanwezig als elders, nl. de
grote macht van de Overheid op de geld- en kapitaalmarkt.
Het stelsel van prijsbeheersing en rantsoenering, de on-
mogelijkheid van kapitaalvlucht en aanvankelijk het geld-

verruimend effect van’ het toen bestaande budgettekort
dit alles waren factoren, welke het doorvoeren ervan in
Engeland ook na de oorlog vergemakkelijkten.
lIet middel om de beleggers er toe te brengen met de

lagere rente genoegen te nemen, heeft van het begin af aan
bestaan in het aanbieden van geld door de Overheid aan
diegenen, die niet met een conversie meegingen of die
hun overheidsobligaties wensten te verkopen.

Op deze wijze werd een koersdaling, d.w.z. een
rentestijging, voorkomen. 1-let hiervoor benodigde geld verkrijgt de Staat door het onderbrengen van overheids-
papier bij de banken, dus door geldcreatie.
Het is duidelijk, dat deze geldschepping alleen nodigis,

indien het publiek weigert te converteren, of indien het
zijn obligaties verkoopt. Doen de laatste verschijnselen
zich niet voor – en dit hoopt de Overheid – dan treedt

dus door de goedkoop-geldpolitiek geen geldvermeerdering
op.

1-let opmerkelijke is nu, dat de weerstand der Engelse

beleggers tegen een rentedaling van 3 tot
21
pCt enorm
veel groter is gebleken dan bij de renteverlagingen van

4 of 3f pCt tot 3 pCt., welke in de laatste 15 jaar plaats-

vonden, ooit het geval was geweest. Grote groepen be-

– leggers hielden hin vermogen liever langdurig onbelegd,

d.w.z. vrijwel renteloos, dan dat zij het in
21
pCt over-
heidspapier belegden. Door deze omstandigheid was hier

dus inderdaad geldcreatie nodig om de beoogde rente-

daling effectief te maken en te houden. De vorige Minister
van Financiën zag hierin echter volstrekt geen aanleiding
tot toegeven. Een proces van monetisatie van de staats-

schuld vond plaats; een groeiend gedeelte van de Engelse

overheidsschuld kwam tengevolge van steunaankopen
ter beurze en het opnemen van bij conversies ongeplaatst

gebleven gedeelten van leningen bij overheidsinstanties

terecht: hiertegenover steeg bij de banken ondergebrachte
overheidschuld.
Over de gevaren Van deze ontwikkeling, speciaal t.a.v.

de grotere geldhoeveelheid, welke de vroegere beleggers
in overheidsobligaties of degenen van wie zij dndere be-

leggingen kochten, aldus in handen kregen, heeft steeds
meningsverschillen bestaan.

Dooi’ Minister Dalton werd dit gevaar, vnl. bestaande

in de kans van het doorwerken van dit meerdere geld op het loon- en prijsniveau, vrijwel nihil geacht. Als andere

uiterste hoort men hiertegenover van beleggerszijde vaak
de mening verkondigen, dat goedkoop geld en inflatie
vrijwel synoniem zijn.

De Engelse ,,Economist” van 10 Januari jl. is blijkens

een artikel getiteld ,,Cheap Money Epilogue” van mening,

dat de offers, welke het tijdelijke succes van het ultra-goedkope geld gevergd heeft, een te hoge prijs hebben
gevormd voor de weinige bereikte voordelen (nl. het goed-

koper lenen dooi’ Staat en lagere publiekrechtelijke licha-
.
men). lIet vergroten van de geldhoeveelheid, i.c. der
bankdeposito’s, betekende het onnodig ophopen van
brandstof voor de na-oorlogsinflatie, aldus dit blad.
De 21 pCI politiek had vooral in 1946 succes. In de
tweede helft van 1947 stuitte zij op grote weerstanden;
in deze periode ontstond een strijd met wisselend suces
tussen beleggers en Kanselier waarin de laatste juist op
liet ogenblik van zijn aftreden weer enigszins aan de
winnende hand was. Nadien heeft Sir Stafford Cripps
echtei’ naar alle waarschijnlijkheid de politiek van zijn
voorganger niet langer met de uiterst mogelijk krachts-
inspanning voortgezet. Door de nieuwe Minister zijn tot
dusverre nog slechts weinig uitspraken over het goed-
kope geld gedaan. De kans wordt niet groot geacht, dat
hij zijn plannen op het gebied van planning in de reële
sfeer zal laten bemoeilijken door overwinningen, gebaseerd
op de politiek van zijn voorganger.
Pe geschiedenis van de 24- pCt periode wordt geïllu-

streerd door de onderstaande aan ,,The Economist”
ontleende rendementen op 24 pCt Consols – de index voor
de Engelse lange rentestand – op enige van haar hoogte-en dieptepunten.

7 September 1945,
vooravond van de spaar-
campagne

…………
2,84 pCt
14 November 1946,
hoogtepunt van het goed-
kope

geld

……….
2,52 pCt
24 Maart

1947,
brandstofcrisis

……..
2,70 pCt
13 Augustus

1947,
dollarerisis

…………
3,10 pCt
10 November 1947,
optreden van de nieuwe
kanselier

…………
2,81 pCt
7 Januari

1948,
emissie Transpoi’t-stock.
3,05 pCt

De ontwikkeling van de lange rentestand in het einde

14 Januari 1’948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

35

van 1947 was van groot belang, omdat reeds geruime tijd

geleden was bepaald, dat aandeelhouders van de per 1 Janu-
ari 1948 te nationaliseren spoorwegen zouden worden

schadeloos gesteld door uitkering van langlopende staats-

leningen met een rentevoet, als op die datum op de markt
zou heersen. Reeds maanden verkeerde men in spanning,
of de Overheid zou trachten de rentestand te drukken om

de £ 1.000 millioen grote Transport-lening tegen dén rente-

voet van 21 pCt te kunnen plaatsén. Sir Stafford Cripps
heeft zich hiervoor echter blijkbaar weinig moeite gegeven

en 1 Januari werd geannonceerd, dat deze 30 tot 40 jaar

lopende obligaties 3 pCt interest zouden dragen.
Een tweede opmerkelijk feit bewijst, dat deze koersver-
‘andering nieX ht karakter droeg van een door de nood

afgedwongen tijdelijke concessie. Eveneens in begin Januari

werd nI. door de Regering besloten, dat leningen aan ge-
meenten enz. verstrekt door het Overheidsfonds voor

locale leningen, voortaan bij looptijden van langer dan

15 jaar een rente van 3 pCt zouden dragen, inplaats van

2j pCt als tot dusverre. Ook hiermede werd
eel
n
i
onder-

deel van de ultra-goedkoopgeidpolitiek geliquideerd; het

percentage van 2j pCt was in Mei 1946 door Dr Dalton
in het kader der renteverlaging ingesteld.
De koerswijziging op het gebied der rentepolitiek zal
waarschij nlijk nog verdere consequenties meebrengen.•

Volgens ,,The Financial Times” van 5 Januari 1948 was
liet een publiek geheim, dat het Savings-committee reeds
tal van keren een beroep had gedaan op de Schatkist ter
verhoging van de interest op Defence Bonds, waarvan de
huidige 21 pCt rentende serie niet populair is en onvoldoende
aftrek vindt.
rçllafls
is hiervoor de weg open. liet blad ziet
echter weinig aanleiding tot verhoging van de rente op sa-
ving-certificates en. van de inleggersrente der Postspaar-
bank welke volgens oude traditie nog steeds pCt bedraagt.
Schaduwzijden ontbreken echter voor de beleggers bij
de nieuwe koers hiernaast niet. Zij, die in 1946 inschreven
op de langlôpende Treasury Stock, hebben sindsdien een
koersverlies van 18 punten géleden. Ooksommige discount-
houses, welke grote portefeuilles overheidspapier hadden gevormd, hebben door rentestijging hierop reeds aanmer-kelijke verliezen geleden.
De thans heersende rente van 3 pCt voor langlopende
overheidsobligaties wordt door de grote beleggers, die op de
markt voor goudgerande waarden overwegen, als yo1-
doende beschouwd. Ook ,,The Economist” van 10 Januari
beschouwt haar al redelijk en aanvaardbaar. De toekomst
zal moeten leren of de nadelen, welke in Engeland het
gevolg van het ,,ultra goedkope geld” waren, zullen ver-
dwijnen, nu dit weer voor het ,,goedkope geld” heeft
plaats gemaakt.

INTERNATIONALE NOTITIES.

DE II00000NJUNCTTrnR IN DE ‘unENIooE STATEN.

Bij het nagaan van de economische vooruitzichten
van de Verenigde Stten voor 1948 komt The National
City Bank of New York in haar jongste maandoverzicht
tot de uitspraak, dat het moeilijk is in te zien, dat de

algemene bedrijvigheid, zoals die thans bestaat en zo .sterk wordt ondersteund door de vraag naar kapitaal-
goederen zowel in het land zelf als in het buitenland,
in de naaste toekomst veel kan Veranderen. Zelfs indien
deze vraag zou afnemen, zou de invloed op de productie,

de werkgelegenheid en het inkomen een aanzienlijke ,,lag”
vertonen. De ervaring in 1947 heeft geleerd, dat de con-
sumptievë uitgaven groot zullen zijn, zolang de fedrijvig-
heid op een hoog peil ligt. 1-let aantal opdrachten dat
voor 1948 moest blijven overstaan, is zeer groot en de meeste industrieën schijnen – aldus’ het overzicht
1) –

nog voor lange tijd een opgehoopte vraag naar alle moge-
lijke producten te moeten verwei’ken. Ook, het aantal

‘)
Zie ook: ,,The Financial Times” van 7 Januari ji.

afgesloten contracten in de bouwnijverheid – tezamen

met de aanzienlijke woningbehoefte – wijst er op, dat de
bouwbedrijvigheid in het komende jaar wederom groot

zal zijn. Voorts bevinden zich de openbare nutsbedrijven

en de olie-industrie midden in een expansieprogramma.

De spoorwegen hebben dringend behoefte aan materiaal,

de landbouwers aan macliinerieën. En verder is er dan,

zôals gezegd, de vraag van het buitenland en de grote

waarschijnlijkheid, dat het exportsurplus, hoewel ver-

moedelijk kleiner dan in 1947, zeer groot zal blijven.

Algemeen wordt erkend, dat het zakenleven zich in een

inflationaire hausse bevindt, zegt The . National City
Bank vervolgens; t.a.v. deze kwestie moet men zich twee
dingen afvragen:
10.
zullen de ondernemingen voortgaan

met schulden aan te gaan teneinde programm.a’s van kapi-

taaluitgaven uit te voeren tegen de huidige hoge kosten?;
2°.-zal er kapitaal en crediet beschikbaar zijn om de voört-
durende vraag op liet huidige niveau te financieren?

Tav. de eerste vraag merkt de bank op, dat ,,even

though borrowings supplied out of savings do not add to
the inuiation it may be undesirable to carry them too

far from the standpoint of prudent corporate management,

which must keep an eye on the hazards of excessive debt in
case conditions could change for the worse”. In zeer vele
gevallen is de verhouding van de verplichtingen tot het eigen kapitaal aanzienlijk gewijzigd. lIet is van belang,

dat aan deze tendens vowel van de zijde van dë geld-
gevers als van de geldnemers aandacht wordt geschonken.

De tweede kwestie is hiermede verwant. Een jaar ge-
leden kon men zeggen, aL de financiële situatie der
ondernemingen zodanig was, dat zij als de belangrijkste
weerstand tegen een recessie kon worden beschouwd.
Thans zijn er veel ondernemingen met gedaalde liquiditeit
en zwaardere schuldenlast. De markt ter verkrijging van
nieuw kapitaal door verkoop van gewohe of preferente

aandelen is krap en ook de obligatiemarkt begint on-
gunstig te worden.
Het bankwezen staat sterk en is liquide, maar de
banken hebben thans voor ongeveer $ 7 milliard mee? aan
leningen uitstaan dan een jaar geleden, en – zo zegt het
overiicht— ,,the Federal Reserve and
rr1,easur,
authorities
have made it dear that they believe the brakes should
ba
l)ut
on further over all credit expansion”. Het ziet er
dus naar uit, dat de kapitaalbehoeften in 1948 moeilijker
te financieren zullen zijn dan in 1947. I

Ioevéél moeilijker
hangt af van tal van factoren, waaronder de bereidheid
van het publiek om te sparen en de politiek van de centrale
bankautoriteiten.
Wat betreft het vraagstuk van de inflationaire druk,
merkt de bank voorts op, dat het bedrijfsleven onder
bovenmatige druk staat van de zijde van de vraag. Deze
voortdurende druk, nadat ,,full employment” is bereikt,
drijft de prijzen op, verhoogt de kosten en doet de efficiency
verminderen. ,,It creates conditions under which waste,
extravagance and inefficiency thrive and mistakes,

miscalculations and speculative, excesses develop”. Deze
elementen van instabiliteit. worden groter naarmate de
inflatie voortschrijdt.

Wil het publiek bijdragen Lot de stabilisatie – en uit-
eindelijk er beter aan toe zijn dan moet het thans de
kooplust zoveel mogelijk bedwingen, meer sparen en mee-
helpen het kapitaal verschaffen, dat de industrie zo drin-

gend nodig heeft. Een dergelijke verantwoordelijkheid
heeft ook de industrie. Haar kapitaalinvesteringen dragen
evenzo bij tot de inflationaire druk als de consumptieve.
uitgaven dit doen. ,,In essence consumers and industries alike are trying to get through a gate all at once, and at a
time when the passage is narrowed to make i’oom for
foreign aid”.

DE EXTERNE
vAÂR:ws
VAN DE ROEJIEL.

De inflationaire ontwikkeling in cle Sovjet-Unie en de
daarop gevolgde geldsanering van December jl. hebben

36

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

14 Januari 1948
de ,,buitenwaarde” van de roebel volkomen onaangetast

gelaten. Dat dit mogelijk is geweest, vloeit —t- aldus de

,,Neue Zürcher Zeitung” van 4 Januari jl. – voort uit

de omstandigheid, dat voor de Russische autoriteiten cle

verhouding van het binnenlandse met het buitenlandse

prijspeil geen probleem is; dit hangt samen met het

staatsmonopolie voor de buitenlandse handel en de
minieme omvang van het handelsverkeer met andere

landen. Sinds Juli 1937 staat de roebel officieel genoteerd

op basis van de verhouding S 1 = 5,30 roebel; het pro-

bleem der koopkrachtpariteit isin Rusland onbekend.
Rekent men de Russische binnenlandse prijzen om tegen

deze officiële koers, dan bereiken zij een fantastische

hoogte. De Staat verkoopt echter zonder bezwaar Russi-
sche goederen tegen wereldmarktprijzen, omdat de aldus
geleden verliezen wordeii goedgemaakt door winsten bij

verkoop van importgoederen op de binnenlandse markt.
Het wisselkoersprobleeffi wordt dus teruggebracht tot

een kwestie van interne verrekening.

In de practijk sluit de Sovjet-Unie zijn internationale

handelstransacties veelal af in dollars, soms ook in andere
valuta (met bijv. Tsjechoslowakije in Tsjechische kronen)
het bestaan der roebel als valuta wordt daarbij vrijwel

genegeërd. Buitenlandse diplonaten in Moskou ontvangen

de roebels, die zij nodig hebben, tegen een diplomatieke

prioriteitskoers”. Deze bedroeg tot aan de sanering

12 roebel per dollar en is thans -vastgesteld op 8 roehel
per dollar, ,,was von den in. Moskau lebenden Diplomaten

als – eine schwere Beeintriichtigung empfunden vird”,

aldus de
,,N.Z.Z.”.

POLEN ALS EXPORJEEUIt VAN S’L’EEN1O0L.

In aansluiting-o5 een beschouwing over de Poolse steen-

koolproductie en -export, eerder in dit blad opgenomei
1),

wordt hier in het kort de betekenis van de steenkool-

uitvoer in de naaste toekomst geschetst aan de hand van
nieuwe gegevens uit ,,The Times Review of Industry”

van’ Januari 1948.
Zoals reeds werd vastgesteld, ondervond de Poolse

steenkooluitvoer na het beëindigen der vijandelijkheden

grote moeilijkheden in verband met de vernieling van

spoorweglijnen, het gebrek aan rollend materiaal, de
verwoesting van havens en- ook door de. behoeften
van de binnenlandse markt, welke om onmiddellijke

bevrediging vroegen. Ondanks al deie hindernissen werd in 1946 15 millioen ton steenkool en cokes geëxporteerd

en voor 1947 schat men de uitvoer op ongeveer 18,5

millioen ton.
In de eerste zes maanden na de oorlog was de belang-
rijkste afnemer Rusland, omdat dit land zelf zorgde voor
het rollend materiaal voor het vervoer over land, terwijl
de uitvoer naar andere landen nog niet iriogelijk was wegens
devernieling van de havens en het materiaalgebrek van
Polen. Met het herstel van spoorwegen en havens en de uitbreiding van de handelsrelaties met andere Europese landen nam de uitvoer naar Rusland af. In 1947 was hij
– ongeveer 1 millioen ton minder dan in 1946, o.f ten naaste
bij 40 pCt van de 18J millioen ton steenkool en cokes,

die in totaal werden uitgevoerd.
In 1948 verwacht men een steenkool- en cokesuitvoer

naar andere landen van Europa van ongeveer 25 millioen
ton, welke in opvolgende jaren vermoedelijk zal stijgen
tot 35 millioen ton, ,,until the markets are completely
saturated”. Bovendien zal dit jaâr 3 miflioen ton biuin-

kool en 125 millioen kWh electriciteit worden uitgevoerd.
Volgens de schattingen, voorgelegd aan de Parijse
conferentie over het Marshall-plan zullen de voo’rnaamste
eeporteurs – van steenkool in 1951 zijn: Groot-Brittannië
met 30 millioen ton, Duitsland niet 34 millioen ton en
Polen met 40 millioen ton. Het is duidelijk, dat de groei
van de industrie in’ Europa, haar welvaart en haar

1)
Zie: ,,Poolse steenkool” in ,,E.-S.B.” van 10 September 1947.

handelsbalans dus voo!’ en belangrijk gedeelte afhanke-

lijk zijn van de Poolse steenkoolleveranties.

In de jaren 1946—’49 zullen de Poolse steenkoolexporten
het dollartekort van Europa kunnen,verminderen met

ongeveer S 1 millioen. I’olen verkoopt zijn steenkool in

ruil voor andere grondstoffen en voor industriële producten,’

die het nodig heeft voor zijn, wederopbouw en voor het
opvoeren van het welvaartspeil van het land.

Rapporten van experts hebben aangetoond – zegt ,,The
rçi
mes
Review of Industry” -, dat ten koste van slechts

geringe.investei’ingen in de Poolse steenkoolindustrie de

opbrengsten en de export-,,targets” voor steénkool en

cokes, zoals die zijn uitgestippeld voo!’ 1949 en 1951,
reeds eerder zouden kunnen worden bereikt.

1-let hangt af van de beslissing van de-daartoe bevoegde

internationale lichamen, of Europa vlugger en goedkoper

steenkool zal kunnen krijgen, of dat men de resultaten

zal moeten aRvachten van de kapitaalinvesteringen uit

Polen’s eigen beperkte bronnen.

Dc werkloosheid is in de meeste nieer geïndustrialiseerde

landen van de wereld gedurende 1947 gedaald, aldus het
International Labour Office, dat in de afgelopen herfst

een overzicht van 28 landen samenstelde. De indexcijfers

‘oor de industriëlé werkgelegenheid vertoonden over 1946

eveneens een algemëne verbetering. Nieuw-Zeeland vertoon-

de in 1947 de beste cijfers met slechts .80 geregistreerde

werklozen
01)
eind October vergeleken met 214 een jaar

.

daar-

voor. Deze cijfers (eind September) waren voo!’ het Vei’-
enigd Koninkrijk resp. 260.000 en 400.000. Canada had
eind Augustus jl. 73.000 werklozen, U. 1,4 pCt van de
werkende bevolking, tegen 115.000 eind Novemberl946 en

Australië 6.200 eind Juni, waai’döor een geringe verhete-

ring was ingeti-eden.
De Verenigde Staten hadden eind October ji. 1.087,000
werklozen (2,8 pCt van de werkende bevolking), verge-

leken met, een gemiddelde van- 2.270.000 of 3,9 pCt

voor 1946.
In West-Europa gaven m.n. Frankrijk en Neder1nd

belangrijke dalingen te zien; België en Zwitserland ver-

toonden geringere verbeteringen, terwijl de werkloosheid
in Italië steeg met 10.000 tot 1.870.000. het hoogste cijfei’
van, geheel Europa.

De wereltloogst van tarwe vooi- en na de oorlog ver-
toont het volgende beeld (volgens officiële bi’onnen:
zie de;,Neue Zürcher Zeitung” van 8 dezer)

Totale internationale tal-we-oogst.
(zonder Rusland en China, in 1,000

ton)

1985/’39
1946
1947

Europa

…………
43.544
33.746
26.678

Noord-enZuid-Amerika
36.965
50.232
49.178

Afrika

…………..
3.677
3.258 2.839

Australië

…………
4.813 3.300 6.139

Azië

…………..
19.288 16.337
15.239

Totaal
…………..
.

108.287

106.873

100.073

GELD- EN KAPITAALMARKT.

De moilijkheden, aan de jaarwisseling verbonden,
bleken in de afgelopen week weer geheel te zijn overwon-
nen, waarbij een zekere terugstroming van. chartaal geld
naar de -banken stellig van invloed is geweest.
– De callgeldrente daalde dan ook tot j pCt, terwijl het aanbod aan het einde der week dermate groot was, dat
callgeld niet altijd was te plaatsen. Een en ander vormt

tevens een duidelijk bewijs van de voorzieningen, welke de
banken met liet oog op de jaarwisseling hadden getroffen,
daar in Januari, evenals trouwens in Februari, slechts
zeer weinig schatkistpapier komt •te vervallen. Het •is

• -,i.;

S

14 Januari 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

37

niet uitgesloten, dat de storting op de aandelenemissie

Koninklijke in de komende veek nog enige spanningen

yeroorzaakt, doch vermoedelijk zullen zij wegens de
huidige ruimte op de geldmarkt niet van grote omvang
zijn. Ook de marktdisconto’s vertoonden een geringe daling,

zodat driemaandspromessen tegen 1f pCt werden ge-

vraagd. Julipapier tegen
1/8
pCt was aangeboden, terwijl

de langer lopende termijnen
tegen/16
â Ij pCt w’erden

verhandeld hij overigens geringe omzetten.
De Nederlandsche Bank maakte bekend, dat op het

crediet van de Wereldlyank ad $195 millioen, dat Neder-
land in Augustus 1947 had verkregen, nog slechts
1/3 Y(S

opgenomen. Op de zeer korte .termijn bezien blijkt onze
dollarpositie dus nog dragelijk te zijn, zodat het niet uit-

gesloten lijkt, dat ons land de periode, welke ons nog van

de Marshallhulp scheidt, wel zal ksnnen overbruggen.
Op de inschrijvingsdag voor de emissie Koninklijke
moest nog een behoorlijk claimaanbod worden verwerkt,

waardoor de claimprïjs op7 Januari jl. tot f 889 daalde bij

een prijs ,van f 903 een dag tevore

n. Uit het prijsverloop

der claims blijkt, hoe groot de binnenlandse belangstelling
voor de aandelen Koninklijke is. Na het sluiten der emissie

tonden zij ook nog een behoorlijke koersstijging tot 319.
De gehele markt had in overeenstemming hiermede een
tijgend beloop, zodat in alle groepen van fondsen min
of meer belangrijke koerswinsten werden geboekt, waar-van onderstaand koersstaatje een beeld geeft.


2 Jan.
9 Jan.

1948
1948

A.K.0.

……..

…………..
175k
173
v.

Berkel’s

Patent

……………
118
1191

Lever Bros. Unilever C.v.A
…..
283k
3021.

Philips

G.b.v.A
………. ……
354
371 .-

Koninklijke Petroleum

………..
286
319
FI.A.L.

……………………
223
2101

N.S.0.

……………………
177k
1)
176k

H.V.A.

…….

.

……………
224k
231
Deli

Mij.

C.v.A .

…………..
165 172

Amsterdam Rubber

…………
154k
160k

‘)
Exdiv.

STATISTIEKEN.

NATIONALE BANK VAN )IELOIË.
(Voornaamste posten in millioenen francs).

L
1.,

Data
Q

,.
.
C)00
.CI)
,s
sO
_

0,,

26 Dec.
,
1946
32.226 5.648
4.953
214
698
49.158
27 Nov. 1948
26.003
12.748
4.865
783
747
52.937
4 Dec.

1947
25.437
13.190 5.425
614

702
53.011
11

1947
26.083
12.437
4.995
592
735
52.597
18

1947
26.476
12.049 5.395 655
770
51.707.
23

-,,

1947
26.118
12.414 5.509
748
775
52.172
30

1947
26.170
12.081
6.896
1.058
776
52.577

0
0
Rekening-
courant saldi

‘5

01
Data
.0
.1.0
0

0
0
,
_

o
0

0
o
‘5.0
z

26Dec.

1946
67
159.377
72.165
t
4.482
614
27 Nov. 1948
637
165.698
78.472
4
5.311
504
4 Dec.

1947
637
166.192
78.891
3
5.402
‘503
11

1947
037
165.343
78.235
5
5.127
503
18

1947
637
.165.121
77.748
2
5.161
501
23

1947 637
165.657
78.042
4
5.577
501
30

,,

1947 637
,
167.598
79.761
5
5.775
501

1)
n

10.493 mulliOen frcs onbeschikbaar goudsaldo na her-
waardering van de goudvoorraad (llesluitwet no. 5 van 1-5-1944).
‘)
Vaaroncler begrepen cle post ,,Emissiehank Ce Brussel”, ten
bedrage van 64.597 niillioen frcs.
‘)
Deze post omvat oude biljetten over te hoeken op tijdelijk
on beschikbare of gel)lOkkeerde rekeningen en niet aangegeven
oude biljetten.

DE N6DELANi)SCIIE
BANK.

Verk

orte belans op 12 Januari 1948.

Activa.
Wissels, pro-

H

2h
a
messen en

) schuldbrieven

ij an

,,
in disconto

Agentseli.,,

5.000,-
2.005.000,-‘)
Wissels, schatkistpapier en schuldbrieven, door
de Bank gekocht (art. II, le lid, sub 3 van de
ilankwet 1937 j° art. 4 van het Koninklijk
besluit van 1

October 1945, Staatsbiad No.
F204)

…………………………..

Schatkistpapier, door de Bank overgenomen van
de Staat der Nederlanden ingevolge overeen- komst van

26 Februari

1947

………….

..2.000.000.000,-
Beleningen:

(
Hoofdbank

f

141.870.654,64
1
)
(mci.
voor-
schotten in re-

Bijbank

430.587,93
kening-courant
1
op
onderpand
I
Agentsch.

,,

7.669.680,63

t

149.970.923,20
.
Op

effecten,

en?.

……….

..149.349.159,49′)
Op
goederen en celen

621.763,71
f149.970.923,20
‘)
Voorschotten aan het Rijk (art. 16 van de Bank-
wet

1937)

…………………………

Boekvordering
op
de Staat der Nederlanden
ingevolge overeenkomst van 26 Februari 1947

1.500.000.000,-
Munt en muntinateriaal:
Gouden munt en gouden
muntmateriaal

……..

f

581.577.592,62
Zilveren munt, en, …….

..2.604.496,32
584.182.088,94
Papier
op
het buitenland

• •

t

167.510.400,-
Tegoed bij correspondenten in
liet

buitenland

•………

..

93.097.161,72
Buitenlandse betaal-
middelen

…………….,,

5.108.449,86
265.716.011,58
Belegging van kapitaal, reserves en pensioen-

fonds

…………………………..
…..
81.210.898,,81
Gebouwen-en

inventaris

………………

..
3.500.000,-
Diverse

rekeningen

…………… . ……

..
95.230.355,73

4.681.815.278,26

Passiva.

Kapitaal

…………………………..
f

20.000.000,-
Reservefoncls

……………………….
12.452.579,46
Bijzondere

reserves

……………………
32.247.868,69
Pensioenfonds

……………………….
16.841.927,33
Bankbiljetten in omloop (oude uitgiften)

….,,
124.938.140,-
Bankbiljetten in omloop (nieuwe uitgifte)
….,,
2.958.385.475,-
Bankassignaties in

omloop
………………..
.

57.583,94
Rekening-courant saldo’s:
‘s
Rijks Schatkist

…..;

t

741.444.493,71
Geblokkeerde

saldo’s

van
banken

…………..,,

97.088.233,49
Geblokkeerde

saldo’s

van
anderen

…………..,,

43.069.832,90
Vrije saldo’s

…………490.013.688,40

1.371.616.248,50
Diverse

rekeningen

………………….
..145.275.455,34

.
f 4.681.815.278,26

‘)
Waarvan

schatkistpapier rechtstreeks

door
de Bank in disconto genomen

……….
t


2)
Waarvan aan Nederlands-IndiC (Wet van 15
Maart

1933,

Staatsblad

no.

99)

……….
,,

39.529.875,-
Circulatie der door de Bank nament de Staat
in het verkeer gebrachte muntbiljetten

….
147.590.646,-

BANK VAN ENGELAND.
(Voorruiainste ilosten in millioenen ponden).

0
-‘
‘5
‘5

21 21

,
-‘
5

.e

D

o

25 Dec. ’46T
0,2
1.449,1
1.450

1.428,2
22,1
24 Dec. ’47j
0,2
1.449,2
1.450
1.368,4 81,9
31 Dec. ‘471 0,2
1.449,3
1.450
1.349,7
100,5
7

Jan.[
0,2
1.399,2
1.400
1.331,3
69,0

0
Other
securities
Deposits
0
00
0)

5

cB
021

21

/
t
01
.V

13,6

CI)

25 Dec. ’46
1,3
311,8
15,8
346,5
10,3
278,9
26 Dec. ’47
0,4
322,1
10,0
18,2
414,4.
17,1
304,0
31 Dec. ’47
0,3
311,1
15,2
20,1
429,1
18,6
315,0
7 Jan. ’48
0,3
336,5
13,3 18,8
419,7
13,8
304,7

11

38

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

14 Januas’i 1948

DE NEDERLANDSCHE BANK.
‘Voornaamste posten in duizenden guldens).

eeG,
0

e
e,e,
0

0

0
Cz

0

30 Dec. ’46
700.876
4434.786
100.81e
103
‘153.109
1 Dec. ’47
611.087
184.291 70.511
6
154.075
8

,,

’47
610.807
181.941
83.817.
6.

148.249
15

,,

’47
610.849
184.131
69.479
5
148.316
22

,,

’47
610.885
178.579
90.758
5
159.379
29

,,

’47
610.898
180.770
85.394
5
160.135
5 Jan. ’48
610.931
172.974
72.831
2.005
151.166
12

,,

’48
584.182
167.510

98.206
2.005
149.971

Saldi in rekening courant

G
.
5
Id

e
00
Cd
bG

.0
C5
(1)

30 Dec. ’46
2.744.151 1.099.855
90.071
43.706
590.158
t Dec. ’47
2.942.935
713.200 92.089
43.712
545.387
8

,,

’47
2.017.724
761.269
140.868
41.308
484.019
15

,,

’47
2.903.344
742.923 150.723
43.420 498.415
22

.,

’47 2.961.017
711.853
157.358 37.625 502.957
29

’47 3.010.488
703.999 94.414 34.270 533.327
5 Jan. ’48
3.005.753
716.463
51.309
41.998


513.506
12

,,

’48
2.958.385
741.444
97.088 43.070
490.014

ZWEEI)SE RIJKS11ANK.
(Voornaamste posten in inillioenen kronen).

Metaal
Staatsfondsen

•_,e
‘°.e
Data

0
‘0
.
e

(0
OiO
çg
O2

,
..

31 Dec.

l946
839
532
1.544
504
28/
91(
182
15 Dec. 1947
232
147
2.688
456
162
94
182
23 Dec. 1947
232
147
2.744
454
141

182
31

Dec. 1947
232
147
2.747 452
148

182

Deposito’s

Direct opvraagbaar

Data
bo

e



4
ee
o

,
,e
‘5
0

31Dec.

1946
2.877
875
706
94
230
174
7
15 Dec. 1947
2.69,9
1.049
639
338
162
165
4
23 Dec. 1947
2.855
903 629 203
69 168
4
31 Dec. 1947
2.895
899
631
197
69
165
4

FEDERAL RESERVE
BANKS.
(Voornaamste posten in millioenen dollars).

Metaalvoorrabd

Data1

Other

U.S. Govt.
Totaal
I

Goudeer-

cash

securit.ies tifica ten

31

Dec. 1946

18.38117.587

268

23.350
11

Dec. 1947

21.451

20.767

252

21.985
18 Dec. 1947

21.469

20.786

250

21.657
26 Dec. 1947

2V182

20.795

243

,21.900

FR-bil-

Deposito’s

Data

jetten

in

1

Islcmber-
circulatie

Totaal

Govt.

hanks

31

Dec. 1946

24.945

17.353

393

16.139
II

Dec.

1947

.24.761

19.057

934

17.132
18 Dec. 1947

24.823

19.148

616

17.581
26 Dec. 1947

24.984

19.273

929

17.377

NATIONALE BANK VAN ZWITSERLAND.
(Voornaamste posten in millioenen francs).

‘i

0

Data

“5
0
0
w

5)

5)

31

Dec.

1946

4.949,9

158,0

. 238,7

‘52,7

4.090,7

1.113,7
23 Dec. 1947

5.256,5

104,0

299,8

49,4

4.320,3

1.091,5
31

Dec. 1947

5.256,2

102,5

401,8

68,4

6.383,4

1.172,3
7

Jan.

1948

5.283,4

63,5

327,2

48,4

4.232,2

1.196,0

BANK VAN FRANKRIJK.
(Voornaamste posten in millioenen francs).

c

Voorschotten aan de Staat

-a

‘-‘

•.’

.o
ci

0

,o

55
Data

.
00
C.

u,

,I)

+
to

t..

,5

(5

Co

26 Dec.

1946

94.817

118.302

59.449

67.900

426.000
18 Dec.

1947

55.173

191.466

125.042

135.900

426.000
24

Dec.

1947

55.173

194.016

125.042

-143.500

426.000
31

Dec. 1947

55.173

190.151

1

5.042

,147.400

426.000

Bankbil-

Deposito’s
Data

jetten in
circulatie

Totaal

Staat

Diversen

26 Dec. 1946

721.865

63.458

765

62.693
18 Dec.

1947

891.900

81.594

805

79.492
24

Dec.

1947

906.143

79.551

788

77.777
3

1

Dec,

1947

920.831

83.213

733

81.055

STAND VAN ‘s RIJKS KAS.

V o
r
d e r i n g e n

31 Dec. 1947

23 Dec. 1947.

Saldo van ‘s Rijks Schatkist
hij

Dc Nederl. Bank N.V.

t

712.520.943,67

T

710.586.576,45
Saldo van ‘s Rijks Schatkist
hij

de Bank voor Neder-
lanclsclic

Gemeenten

472.287,26

46.308,56
Kasvorderingen wegens ere-
dietverstre.kking

aan

het

Daggelclleiiing

tegen

onder-
pand………………
Saldo dci’ postrekeningen van
buitenland

……….. …….,

,

oorscliotien op ultimo No-
vember 1947 a. cl. gemeen-
ten wegens aan haar uit te

Vorderingen in rekening-cou-

……..-

rant

op

Nederlands-Indië

,,

727.01 4.1 -16,72

722.060.30

1,72

Rijkscomptabelen

……
….334.201.044,64

331 .613.216,78

Het Algemeen Burgerlijk Pen-

keren belastingen

……..
…..60.293.208,37

,,

60.293.298,37

liet staatsbedrijf der

P.,

T.

Suriname

….. ………..
…..31.569.629,91

31.569.629,91
Cura’:aO

……………………2.684.571,51

2.684.571,5-1

Sioenfoncls

……………….

Andere staatsbedrijven en in-
enT.

.., ……………………-

.

stellingen

………………206.603.948,82

,,

214.560.012,83

Verplichtingen

Voorschot, dooi’

dc

Nederl.
Bank N.V. verstrekt


Voorschot,

door De

Neder-
landsche

Bank

N.V.

in
rekening-courant verstrekt

Schuld aan de Bank voor Ne-
derlandsche Gemeenten

Schatkistbiljetten in

omloop t 1299.908.800,-

T 1299.908.800,-
Schatkistpromessen

bij

De
Nederlanclsehc Bank N.V.
ingevolge

overeenkomst

Schatkistproessen in omloop
(rechtstreeks hij de Nederl.
Bank N.V.is geplaatst nihil)

van 26 Februari 1947
m

……..2000.000.000,- ,, 2000.000.000,-

t 6.552,9 m/nI wo. garantic
Bretton Woods t 742
full

,,5810.900.000,

5778.200.000,

Schuld op ultimo November

Daggeldleningen.

……….
……..-

1947 aan de gemeenten we-

Munthiljetten in omloop ….
…149.417.310,-

,,

148.643.678,-

gens aan haar uit te keren
belastingen

……………


Schuld

in rek-courant aan:
Nederlands-Indië

1

let.Algemeen Burgerlijk Pen-

Het staatsbedrijf der

P., T.

Curaç
Suriname …………..
……..-

ao …
…………………-

sioenfonds

…………..
…..69.812.317,11

27.201.577
1
14

Andere staatsbedrijven

5.701.238,99

5.433.888,06
Schuld aan diverse instellin-

&

en

T……………………464.239.448,11

,,

359.283.085,36

gen in rekening met’s Rijks-
Schatkist

………….. …
2976.262.953,01

2982.579.4531

Annonces voor het volgend nummer

dienen uiterlijk Maandag 19 Jan. a.s. in het bezit te

zijn van de administratie,.Lange Haven 141, Schiedam

Mondelinge cursussen

M.O, ECONOMIE
M.O. STAATSINRICHTING

NED.
en
IND. RECHT

De cursussen worden gegeven te
Amsterdam,
Rotterdam,
‘s-Gravenhage; Economie bovendien te Arnhem. Eind-
hoven, Groningen, Haarlem, Heerlen, ‘s-Hertogenbosch,
Leeuwarden, Leiden, Maastricht, Tilburg en Utrecht.

Prosp. en
ml.
Instituut voor Sociale Wetenschappen,
Wassenaarseweg 39 k, Den Haag, Telefoon 775382

DETWENTSCHE BANK
NV.

MAANDSTAAT OP 31 DECEMBER
1947

Kas, Kassiers en Daggeldleflingen

…………t
20.843.713,97
Nederlands

Schatkistpapier

………………

..
652.535.819,32
Ander

Overheidspapier

………………….

..
4.771.961,40
Wissels

………………………………


1.331.138,16
Bankiers in Binnen- en Buitenland

……….

..
14.790.197,04
Effecten

en

Syndicaten

………………..


1.142.504,97
ProlongatiOn en Voorschotten tegen Effecten ..,,
9.385.813,05
Debiteuren

…………………………..

..
99.367.772,4 0
Deelnemingen (mci. Voorschotten)
………….

..
8.863.421,50
Gebouwen

……………………………

..
3.500.000,-
Belegde Reserve voor Verleende Pensioenen

..,,
972.405,46

814.504.747,27

Kapitaal

…………………………….f
40.000.000,—’
Reserve

………………………………

..
12.000.000,—
Bouwreserve

..

……………………….

..
2.000.000,—
Deposito’s

op

Termijn

………………..

..
72.577.191,55
Crediteuren

…………………………….
667.341.08907
Geaccepteerdc

Vissel

………………….

..
398.384,61
Geaccepteerd

door

Derden

………………

..
56.004,74
Overlopende Saldi en Andere Rekeningen

….

..
19.159.671,84
Reserve voor Verleende Pensioenen

……..

..
972.405,46

814.504.747,27

Het Bestuur van de Vereeniging voor ZuIvel-

industrie en Melkhygiëne V.V.Z.M. roept sollici-

tanten op voor de functie van

algemeen secretaris

der Vereniging.

Gegadigden moeten beschikkeri over ruime

economische en/of landbouwkundige ontwikke-

ling. Kennis van de problemen, welke zich in de

Nederlandse zuivelindustrie op technisch, sociaal

of organisatorisch gebied voordoen, strekt tot

aanbeveling. Verdere vereisten: goede stijl, re-

pres’entatief voorkomen en enige talenkennis.
Aangename, zelfstandige positie met goede
perspectieven.

Uitsluitend schriftelijke sollicitaties met volle-

dige inlichtingen, welke strikt vertrouwelijk zul-

len worden behandeld, te richten tot de voorzit-

ter van de V.V.Z.M., de heer G. J. Blink, Laan

van Meerdervoort 18/20 te ‘s-Gravenhage.

Fabriek van merk-artikelen, dicht bij Amster-
dam, met vestigingen in het buitenland, vraagt

bekwamé administratieve

kracht –

voor contrôle en hoofdadministraties.
Practische ervaring op accountantskantoor en
gevorderde accountantsstudie gewenst.
Regelmatige bezoeken aan de buitenlandse on-
dernemingen vereisen behoorlijke kennis van de
Franse, Engelse en Duitse taal.
Eigenhandig geschreven inlichtingen omtrent
opleiding, levensloop, enz. met recente foto en
verlangd salaris, onder no. ESB 1104, bureau van
dit blad, postbus 42, Schiedam.

Annonces, waarvan de tekst ‘s Maandags in ons bezit
is, kunnen, plaatsruimte voorbehouden, in het nummer
van dezelfde week worden ôpgenomen.

PREIJER & DE HAAN

accountants, Museumplein 10-12, Amsterdam,

vragen voor hun kantoren in Nederland en
1
in

Batavia, enige jonge

accountants

(N.I.v.A. of V.A.G.A.)

Brieven met uiv. in!. Museumplein 10, A’dam Z.

Ter Provinciale Griffie van Noordholland kan
aan de Verificatie-afdeling worden geplaatst een

adjunct-accountant

Tegenwoordige salariëring:
f 2625,50-f
5346,25
voor gehuwden;
f
2413,75—f 5226,25 voor onge-
huwden. (In deze bedragen zijn de bekende ver-
hogingen en toelagen begrepen). Aanstelling bo-
ven het minimum is mogelijk.
Vereisten: Eindexamen H.B.S. 5 j. c. of daar-
mede gelijk te stellen opleiding en het bezit van
het Staatspractijkdiploma of de Akte M.O. Boek-
houden of Handeiswetenschappen A, voorts er-
varing op het gebied der accountantscontrôle.
Sollicitaties binnen veertien dagen na’ het ver-
schijnen van dit blad te richten aan de Commis-
saris der Koningin in de Provincie Noordholland.

PTT

BIJ’ DE RIJKSPÔSTSPAARBANK TË ÂMSTERDAM

vaceert de positie van

ONDERDIRECTEUR

Gegadigden moeten leiding kunnen geven aan een omvangrijk

administratief apparaat en inzicht hebben in financiële
vraagstukken.’ Brieven met uitvoerige inlichtingen omtrent

opleiding en ervaring aan de Hoofddirecteur Financiële

Diensten der PTT, Kortenaerkade 12 .te ‘s-Gravenhage.

Grootho ndel

Weekblad voor de

internationale handel

Heeft U aJ eens

een proefnummer

aangevraagd?

H. A. M. Roelanis

Schiedam

1

„HOLLAN DIA”

De Maatschaipij tot Financiering

van het Nationaal Herstel n.v.

te ‘s-Gravenhage,

vraagt:

voor haar accountantsafdeling:
een eerste assistent en een tweede
assistent.

vo
6
r een harer administratieve
âfdelingen: een assistent met
S. P. D. of diploma M.O.-boek-
houden.

Brieven met uitvoerige inlichtingen
omtrent opleiding en practijk, bene-
vens pasfoto, te richten aan C 500,

Adv. Bur. De la Mar, Noordeinde
122a, Den Haag.

– HOLLANDSCHE FABRIEK VAN MELK-

PRODUCTEN EN VOEDINGSMIDDELEN N.V.

HOOFDKANTOOR TE

VLAARDINGEN

4.

ASSOCHUE CASSA

KASSIERSINSTEI.LING

OPGERICHT IN 1806

HEERENGRACHT 179 1 AMSTERDAM.0

Ervaren jurist

zoekt wegens opheffing zijner betrekking nieuwe werk-
kring. Prima referenties. Brieven onder no. ESB 1105

bureau van dit blad, postbus 42, Schiedam.
MODERNE

BED RIJFSADMI NISTRATIE

Energiek en ambitieus werker

20-jarige commerciële, organisatorische, propa-

gandistische, administratieve en sociale ervaring

in verschillende functies bij dagblad-, tijdschrif-

ten- en andere bedrijven, 39 jaar, gehuwd,

ZOEKT VERANTWOORDELIJKE FUNCTIE ALS

PERSONEELSCHEF OF DIRECTIE-ASSISTENT

Een van mijn vorige directies schreef:
,.Hij heeft getoond eei actieve en bekwame

kracht te zijn met veel werklust en initiatief; wij

bevelen hem dan ook gaarne voor elke verant-

woordelijke positie aan.”

INDIEN U EEN MEDEWERKER

WENST, DIE ZICH GEHEEL GEEFT

gelieve U te schrijven onder no. ESB 1107 aan
het bureau v. d. bl., postbus 42, Schiedam.

Economisch Drs

met accountantsopleiding en practijk bij de industrie
en op accountantskantoren, thans Hoofd acc.a.fd.

overheidsdienst, wil van positie veranderen. Er. no.
1142 Warburg’sAdv. Bur., Overtoom 66, A’dam-W.

Jong Jurist

met 5-jarige kantoorervaring (Bedrjfsorganisatie, im-
en export, enz.) zoekt betrekking als assistent van

directie of anderszins. Br. onder no. ESB 1106, bureau

van dit blad, postbus 42, Schiedam.

Maakt gebruik

van onze speciale rubriek ,,Vacalures” voor hel

oproepen . van sollicitanten voor leidende functies.

1 Februari a.s.
begint
onze
nieuwe opleidingscursus
voor

ZELFSÏAHQIGE

IROTTERDAMI DEDRIJFSADMINISTRATEURS

Opgericht in 1942

Prospectus en poefles bij het
Secretariaat.
t
Postbus
800, ROTTERDAM

Economisch – Statistische
Berichten

Adres voor Nederland: Pieter de Hoochstraat
5.
Rotterdam (W.).
Telefoon: Redactie
38040,
Administratie
38340.
Giro:
8408.
Bankiers: R. Mees en Zoonen, Rotterdam.
Redactie-adres voor België: Serrjinarie voor Gespecialiseerde Eko-
nomie,
14,
Universiteitstraat, Gent.
Abonnementen: Pieter de Hoochstraat
5
Rotterdam (W). Bankiers: Banque de (3ommerce, Brussel.

Abonnementsprijs franco per post, voor Nederland
f26
0
per jaar,
voor België/Luxemburg f
28
per jaar, te voldoen door storting van de
tegenwaarde i,i francs bij de Banque de Commerce te Brussel. Overzeese gebiedsdelen (per zeepost) en overige landen
/
2
8
per jaar. Abonnemen-
ten
kunnen
ingaan met elk nummer en slechts worden beëindigd per
ultimo van het kalenderjaar.

Aangetekende stukken in Nederland aan het Bijkantoor Westzee-
dijk, Rotterdam (W.).

ADVERTENTIES.
Alle correspondentie
betreffende
advertenties te richten aan de
Firma H. A. M. Roelants, Lange haven
141,
Schiedam (Telefoon
69300,
toestel
.6).

Losse nummers 75 cents, resp. 12 B. francs.

Auteur