Ga direct naar de content

Jrg. 32, editie 1587

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: oktober 8 1947

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

Economisch
,
-fStatistische

Berichten’.

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCTÉN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

32E
JAARGANG

WOENSDAG 8 OCTOBER 1947

No.
1587

COMMISSIE VAN REDACTIE:

H. W. Lambers; N. J. Polak; J. Tinbergen;

F. de Vries;

J. H. Ll4bbers (Redacteur-Secretaris).

Assistent-Redacteur: A.. de Wit.

INHOUD:
Blz.

De

artikelen

van

deze

w e e k

……..
795

Uit

buitenlandse

bron

…………….
795

1-let verband tussen de stijging vân de staatsschuld en
de tekorten op de Rijksbegroting door
Prof. Dr
.
M.

J.

H.

Smeets ……………………………..
796

iMarshall-plan, I.T.O. en Tol-Unie door
Mr A. ç’an

KleI lens

………………………………
799
De

monetaire situatie

in Nederlands-Indië ……..
890

Vrijlaten van de handel in bonnen ongewenst door

H.

Ponsen

…………………………….
802

A a n t e k e n
i
n g:
Dc

Vrije

gou(Imarkt

…………………………….
805

Internationale

notities:
Dc

Inflatie

in

Italië

…………………………….
806
Immigratio van arbeidskrachten in Frankrijk

………….
806

Geld-

en

kapitaalmarkt……………………..
807

Statistieken:
iiankstaten

………………………………….
807
Overzicht van de opbrengst der Rljksrnlddelen
…………
808

DEZER DAGEN

keerde ,,het jaargetijdig feest, in Wijnmaand bij den
Rijn”, zoals Vondel liet noemde. De omstandigheden doen
stek denken aan die onmiddellijk na Leidens ontzet.
Zoals toen is nu de kern van de directe na-oorlogse klach-
ten: voedselgebrek. De toestand in Oostenrijk is verder
verscherpt door voedselchaarste. Frankrijk zal, volgens
officiële mededeling, na deze maand niet meer beschikken
over de betaalmiddelen voor aankoop van goederen in
de Verenigde Staten. De President der Verenigde Staten heeft zijn medeburgers, die door een hoog inkomenspeil
en hoge voedselrantsoenen te velde hun verbruiksgewoon-
tea wijzigen naar een nog hoger consumptie per hoofd
van voedingsmiddelen, aangemoedigd minder te ver-
spillen en minder te eten. Hij, en Europa, hebben het
voordeel, dat een verspreking van zijn grootste politieke
tegenstander Taft – die op een persconferentie voor
veertien dagen schijnbaar achteloos hetzelfde zei – het
onmogelijk maakt uit zijn aanbeveling een politieke contra-
campagne te persen. Eén der andere Republikeinse leiders,
John Faber, voörzitter der finânciële sectie van het Huis
van Afgevaardigden en erkend bezuiniger, heeft het pro-
bleem van de andere zijde trachten te bagatelliseren. Hij
heeft te Berlijn verklaard nog geen ondervoede Euro-
peaan te zijn tegengekomen. Als zijn opvatting wordt gedeeld en geen speciale zitting van het Amerikaanse
parlement bijeengeroepen, kan hij wellicht gelegenheid

vinden in Europa te blijven om het door hem nog niet

ontdekte verschijnsel over enkele maanden te zien. Voor-

lopig zijn de Amerikaanse voedselimporten naar Europa
met 20 pCt verlaagd.

Sir Stafford Cripps, ook in persoon een asceet, heeft als

Engeland’s nieuwe economische coördinator zijn eerste
brouwsel voorgezet. Minder van alles voor de Engelsen
van wat naar luxe verbruik zweemt. Hij acht dit zeer

wel overkomelijk; goede wijn behoeft geen krans, het
gaat om het behoud der oude Engelse vrijheden. Uit zijn tweede verklaring bleek, dat Bevan, de minister
van Volkshuisvesting, door hem is overstemd: ook de
bouw van huizen en fabrieken zal worden vertraagd.

Attlee heeft wederom enkele zijner medeministers de af-
scheidsdronk geboden. Zal dit in de smaak vallen bij
de Conservatieven, die besloten een groot deel der re-
geringsmaatregelen der laatste twee jaar te sanctionneren
door op hun Congres een motie te aanvaarden, die plan-
ning onmisbaar achtte? Vooi Churchill moet dit de smaak
van droesem hebben gehad. Hij heeft zich gesterkt, door
de partij vervolgens een flinke scheut ,,genuine old Im-
perialism” toe te dienen. De cocktail is althans oorspron-
kelijk.

De maand doet haar naam eer aan; het gist overal.
De Verenigde Naties bestaan momenteel uit de Verenigde

Staten en Rusland, die elkaar over en weer beschuldigen,
dat men ,,wijn perst uit tranen”, om Vondel’s ,,Haec
libertatis ergo” nog eenmaal te citeren. De meest recente
slag is aan Rusland. Een voorlopig beperkte communis-
tische internationale is opnieuw opgericht. De Italiaanse
minister-president heeft het nog eenmaal kunnen klaren
tegen de aanvallen van links, door zijn verklaring, dat
de Verenigde Staten bereid zijn af te zien van hun aan-
deel in de Italiaanse vloot. Hetgeen hem desondanks geen
reden gaf het glas te heffen op de Verenigde Staten. Wat
zal Frankrijk doen, dat, onder Amerikaans gedogen,
uitvoering kan gaan geven aan de uitslag van .de stem-ming in de Saar? Zo zuur is de Duitse vrucht gebleken,
dat thans 87 pCt van de bevolking voor economische
aansluiting bij Frankrijk bleek, zoals twaalf jaar tevoren 90 pCt voor Duitsland was.
De na-oorlogsmisère maakt woelziek. Zelfs een kalm
klein land als Denemarken stuurt zijn kabinet naar huis
en geen boter meer aan Engeland. In Nederland sprak
het erkend kaimste deel der natie, de boeren, over stop-
zetten
van
de uitzaai van wintertarwe: ,,Als de most
te nauw bedvbngen”. De minister van Landbouw heeft
voorzichtig beloofd de lasten der boeren enigszins, op
anderen te verleggen, tegelijk te kennen gevende,
dat ontspanning voor het geheel niet mogelijk was. 1-Jet-
geen zijn collega van Financiën heeft bevestigd door de
aankondiging, dat een aantal nog resterende lusten n9g
beperking zal moeten ondergaan. Klare wijn, indien ge-
schonken, smaakt bitter.

lv

ROTTERDAMSCHE


BANKVEREENIGING

225 VESTIGINGEN
IN NEDERLAND

F1 NANC lERING

VAN

IMPORT-

EN EXPORT-

TRANSACTIES

•Vermogensbeffi
tn gen

Objectieven deikundie
voorlichting aan bedrijven’ ei
particulieren die een deel van
hun vermogen ,moeten vrij-
maken voor betaling der ko-
nende heffingen, verstrekt de

Naami. Vènn.

Hou
andsche

Belegging- en

Beheer – Mij.

Anno 1930

Heerengrecht 320
-.
Amsterd..m
C
S

Commis.ariasen;
Prof. Ir. 1. P. de Vooys;
Dm.
J.
H. Gispen;

Mr, J. E. Scboltens.
Directie; Gerlof Verwey;
Dr. F. Ph, Groeneveld;

A. C, Leeuwenburgh.

r

1/Dal
beTeIenl

IBM ELECTRIC ACCOUNTING

MACHINE SERVICE?

Behalve de verstrekking in huur der

1 B M BOEKHOUD
1
, ADMINISTRATIE-

EN STATISTIEK-MACHINES

sluit deze Service in:

• een waarborg voor de te allen tijde meest
practische en economische toepassing van het
ponskaarten-systeem, –

• deskundigd hulp hij de voorbereiding der me-
chanisatie en regelmatige voorlichting daarna,

• voortdurende beschikking over de modernste
en voor Uw administratie meest geschikte
machines en dit met een minimale investering,

• scholing en instructie van Uw uitvoerend en
bedienend personeel,
• garantie voor goed functionneren der machines;
ook deze verantwoordelijke taak ligt geheel
bij onze firma en wordt vèrzorgd door ervaren en gespecialiseerde technici.

*

Nadere inlichtingen verstrekt
op aanvraag gaarne de

INTERNATIONALE BEDRIJFS-

MACHINE MAATSCHAPPIJ N.V.

(IBM)

AMSTERDAM

FREDERIKSPLEIN 34 – TELEFOON
31856 –
33656

Behandeling van alle

bankzaken

* *

Beaorging van alle

assurantiën.

R. MEES & ZOONEN
BANKIERS EN ASSURANTIK-MAKELAARS

AMSTERDAM
– ROTTERDAM – ‘
S.GRAVENHAGE
DELFT – SCHIEDAM – VLAARDINGEN

OK

NEDERLANDSCHE BEDRIJFSBANK-

HERENGRAcHT 320, AMSTERDAM

TELEF.
35634, 3l73, 33454.

KAPITAALVERSCHAFFING AAN

NEDERLANDSCHE BEDRIJVEN

RAADGEVENDE FUNCTiE BIJ BbRUFS-

-•

FINANCIERING

gispen

culemborg’
amsterdam
rotterdam

KorinkIijke

Nederlandsche

Boekd rukkerij

H. A.
M.
Roelonts

Schiedam

October 1947

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

795

DE ARTIKELEN VAN DEZE WEEK.

Prof. Dr M. J. H.
Smeets.
liet QeFband tussen de stijging
ç’an de staatsschuld en de tekorten op de Rijksbegroting.

De staatsschuld steeg tussen einde 1939 en medio 1945

sterker dan uit de tekorten kan worden afgeleid; de ont-

wikkeling sinds 30Juni1945 vertoont juisthetomgekeerde
beeld.

1

Jet eerste wordt in• hoofdzaak verklaard uit het feit,

dat in de schuld per 30 Juni 1945 zijn opgenomen de van

De Nederlandsche Bank over te nemen markenvordering

op Duitsland, de schadevergoedingen, toe te kennen
wegens geleden öorlogsscbade en de financiering van
‘hogere voorschotten e.d.

Vooi’ de minder snelle ontwikkeling van de staatsschuld

sinds 30 Juni 1945 worden in aanmerking genomen: de

post ,,Banksaldi en andere vorderingen”; het feit, dat de
op de begroting 1946 toegestane uitgaven tot dusver niet
alle inderdaad zijn gedaan; de zekerheidstellingen; de

schadevergoedingen; een verschil in de markenvordering;
winst op de goudvoorraad.

Een sluiteide veridaring is onmogelijk door het ont-

breken van nauwkeurige gegevens en de noodzaak van
ruwe schattingen.

Mr. A.
van
Kleffens,
Marshall-plan, I.T.O. en Tol-Unie.

De International
rrrade
Organisation en het Marshall-
plan zijn geen los naast elkaar staande plannen; zij vullen

elkaar aan. Toepassing van de beginselen der 1 .T.O. beteken t
in wezen een langzame ontwikkelingsgang, welke de be-
trokken landen met eigen middelen moeten verwerkelijken.

ITet Marshall-pian nu betekent een poging tot verhaas-
ting van die ontwikkelingsgang; het is in wezen een kunst-
matig ingrijpen tot verhoging van het niveau, waarop de

Europese landen aan de internationale handel op basis
van het Tlandvest der I.T.O. zullen kunnen deelnemen.
liierhi.j zal veel van cle Europese landen zelf moeten
uitgaan. Vandaar het streven naar economische integratie, in de vorm van het sluiten van een douane- of tol-unie.

Dc monetaire situatie iii
Nederlands-Indië.

Een medewerker schrijft ons, dat de gunstige invloed,
welke, naar op goede gronden mocht worden verwacht,
de politiële actie op de monetaire situatie-in Nederlands-
Indië zou kunnen hebben, zich althans tot dusverre
zeer bepaald niet heeft verwezenlijkt; met name heeft
zich vooralsnog niet in voldoende mate gematei-iali-
seerd de zo noodzakelijke daling in de kosten van le’ens-

onderhoud en daarmede van het lonen- en kostenpeil,
liet op gang komen van het handelsverkeer met het bin-
nenland is een absolute voorwaarde voor een beteugeling
van het thafis op gang zijnde inflatieproces en voor het wegnemen van de als gevolg daarvan ontstane belang-
rijke afwijking tussen de interne en externe ruilwaarde
van de Nederlands-Indische gulden, welke afwijking

fnuikend is voor de exportmogelijkheden en daarmede
voor de Indische deviezenposi Lie.

II. Ponsen,
Vrijlaten Qan de handel in bonnen ongewenst

En critiek op Dr Swarttouw’s pleidooi voor legalisering
van de handel in bonnen, in ,,E.-S.B.” van 25 Juni ji.
Schr. stelt in de eerste plaats vast, dat de consequenties
van de na-oorlogse schaarste liggen in de richting van
nivellering in de mate, waarin ieder Nederlander zijn pri-
maire behoeften kan dekken. Distributie in deze zin is
het onmisbare complement van de loon- en prijspolitiek.
Voorts – afgezien van principiële vragen – creëert
vrijlaten van de handel in bonnen inflationaire gevaren;
het gevolg zou nl per saldo zijn een vermindering der
besparingen en een in gang zetten van een loon- en prijs-
spiraal. Tenslotte zou ook het handhaven, door de Overheid,
van het evenwicht tussen productie en consumptie in de
reële sfeer ten zeerste worden bemoeilijkt.

UIT BUITENLANDSE BRON.

Suggesties voor het uitvoeren van het Marsbali-plan

werden gedaan door de hoofdredacteur van ,,The Export
and Import Journal of America”, George llalasy, in de

vorm van een open brief (in het Octobernummer) aan het

Amerikaanse Congres. Halasy doet drie voorstellen, die

z.i. zowel de Amerikaanse belaiigen als de reconstructie
vân Europa dienen:

1

Jet Co
9
gres moet de nmiddellijke devaluatie eisen
van de Franse franc, het Engelse pond, de Italiaanse lire,

enz., tot een niveau, dat overeenkomt met de werkelijke
waarde van deze valuta’s.
1-let Congres moet een centraal Europees kantoor

van de Export-Import Bank te Parijs laten openen, dat –

voor een groot deel verantwoordelijk moet worden gesteld
voor de verdeling van de ter, beschikking te stellen mid-

delen (geen leningen aan regeringen, maar aan particu-
lieren).

1-let Congres moet de volledige afschaffing van be-
staande valutabeperkingen eisen.

Deze voorstellen worden in de open brief nader toegelicht.

De Franse
dollarerisis zou kunnen worden opgelost,
als Amerika een lijst zou willen verschaffen van de be-
zitters van onwettige Franse particuliere deposito’s hij
Amerikaanse banken, zo zegt ,,Tlie Observer” van 28

September jl. Deze activa bedragen meer dan S 1 milliard;
van dit bedrag w’erd $ 800 millioen door de Amerikaanse
Regering gedurende de oorlog bevroren. Volgens, ,The
Financial Times” van 1 dezer zijn de Amerikanen echter
niet bereid de Fransen in deze kwestie te helpen; zij zouden
er, door het ontbreken van een valutacontrôle, bovendien
geen kans toe zien,om up-to-date gegevens aan Frankrijk
te verstrekken. Ook ,,The Observer” wijst er op, dat
Amerika geen recht zou hebben om voor economische

doeleinden in vredestijd vertrouwelijke mededelingen
uit de oorlog te gebruiken.

Een overeciikomstige situatie in de jaren na de le cii
de 2e wereldoorlog meent ,,The Cleveland
rlrust Company
Business Bulletin” van 15 September ji. te kunnen vast-stellen m.b.t. de aankoop van goederen in Amerika door andere landen: in beide perioden werden deze aankopen
in grote mate gefinancierd door leningen. Ook thans is
er een tekort aan alle sooi’ten goederen: vele landen
hebben grote behoefte aan voedsel en aan tal van pro-
ducten, die Amerika alleen kan leveren. Ook thans wordt
in Amerika het tekort vergroot, doordt export van
grote hoeveelheden goederen, die het land zelf nodig
heeft, het binnenlands aanbod vermindert. Waar dit nog
gepaard gaat met een ruim geldaanbod, waarmee de goe-
deren worden gekocht, is het resultaat ook thans weer
een prijsinfiatie. ,,The lesson is being repeated”, meent
derhalve het bulletin.
Europa’s ilollartekort zl hopelijk op de lange termijn
wel worden verkleind, zegt ,,The Times Review of In-
dustry” van Octobër 1947, maar ,,there is no obvious
method of covering the shortage which threatens this
winter”. De Europese kolenproductie rechtvaardigt niet

de hoop op een flinke vooruitgang van de industriële
vooitbrenging, waardoor de export zou kunnen worden
vergroot en de import uit landen met harde valuta zou
kunnen worden verminderd .,,The hard fact reinains
that, even if gold reserves are tapped to the utmost limit
consistent with safety and all other soui’ees of dollars
are strained to the utmost, Eastern Europe can hardly
cover more than about half its surplus dpilar imports
on present programmes”.

796

t

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8 October 1947

HET VERBAND TUSSEN DE STIJGING VAN

DE STAATSSCHULD EN DE TEKORTEN OP

DE RIJKSBEGROTING.

De schuld van het Rijk bedroeg einde 1939 ,,netto”

f4 mrd, op 30 Juni 1945 ,,netto” f 21,5 mrd en op 30
Juni 1947 ,,netto” f 22,8 mrd.

De tekorten over de jaren 1940 t/.m 1945 bedragen

volgens de jongste Millioenennota in totaal f13 mrd;

de geraamde tekorten over 1946 en 1947 resp. f 2,7 mrd

en f2,1 mrd.

Bij een vluchtig verband leggen tussen deze cijfers

blijkt, dat de schuld tussen einde 1939 en midden 1945

veel meer is toegenomen dan uit de tekorten kan worden

afgeleid; anderzijds steeg de schuld sinds 30 Juni 1945
veel minder dan men aan de hand van de gepubliceerde

tekorten zou kunnen verwachten. Het loont de moeite

deze cijfers nader in onderling verband te beschouwen.

Daartoe moet in de eerste plaats een specificatie worden

gegeven van de schulden van het Rijk op de drie genoemde
data; hierbij wordt tevens nog ingelast een overzicht

van de schuld op 31 October 1946. Alle gegevens – ook
die over de tekorten – zijn ontleend aan officiële publi-
caties.

Rijksbe-
1

Nederland

.1

Londen

1 Totaal der
groting

II
£ = 1
10,691
1

tekorten

1940 743
1)
49,8
1)

792,8
1941
1.824,4 ‘)
138,6
1)
1.963

1942
1.911,8′)
.69,2
2
)
1.981
1943
1.750,1
3)

184,5
1
)
1.934,6
1944
2.610,3

)
112,1

‘)
2.722,4
1945
3.457,9
5)
119,9
3
)
3.577,8
Totaal
12.297,6
1

674,1
1

12.971,7

‘) Bedragen volgens de afgesloten rekening
‘) Voorlopige bedragen van de rekening.
3)
Vermoedelijke uitkomsten.

begrotingsjaar, wordt afgesloten. Dat wil dus zeggen,

dat in 1946 tal van ontvangsten zijn geïnd ten bate van

het jaar 1945 en uitgaven zijn gedaan tei laste van het

jaar 1945. Want wat de uitgaven betreft, worden ten
laste van een begrotingsjaar gebracht die posten, waarôp

in dat jaar rechten zijn
ontstaan; worden’ deze rechten

eerst in het volgende jaar in contanten voldaan, dan

komt de uitgaaf niettemin ten lasté van het jaâr, waarin,

het recht is ontstaan. Of, laat ik het anders zeggen: het

tekort over zeker jaar ontstaat niet elke maand’ voor een
evenredig gedeelte. Om deze redei zal men dus bij het

beoordelen van de overheidsschuld op 30 Juni 1945

slechts een betrekkelijk gering gedeelte van het totaal

tekort over 1945 in aanmerking mogen nemen.

31Dec.1939
1
3Q Juni 1945
1
31Oct.1946
1
30Juni1947

(in millioenen guldens)

Geconsolideerde schuld luidende in guldens
…………..
Geconsolideerde schuld luidende in vreemde valuta
Storting op staatsschuld door institutionele beleggers .
Schatkistpapier/ in omloop
…………………
N
………
Door de Staat over te nemen vorderingen van De ederland-
sche Bank

op
Duitsland
…………………………
Schatkistpapier, afgegeven aan De Nederlandsche Bank
ingevolge de overeenkomst van 26 Fe)ruari 1947 inzake de
overgang op de Staat van haar in rijksmarken luidende be-
zittingen
……………………………………….
Boekschuld aan De Nederlandsche Bank ingevolge voren-
bedoelde overeenkomst van 26 Februari 1947
…………
Schadevergoedingen wegens geleden oorlogsschade (mcl.
Grootboek Wederopbouw)
…………………………
Leningen en credieten in het buitenland, aangegaan in vreem-
de munt (onder aftrek van de reeds afgeloste bedragen) .
Overige verplichtingen
…………………………….

3.140 5.767
.

7.274
7.062

37
280 646
.
1.516
1.597 502
6.220
.

5.924 6.624


4.500 4.500

2.100

– – –
1.500


3.000
3.000
3.000


683
1.594
1.659 297
4.638 3.266
2.651
Totaal der gehele staatsscbuld (bruto)
.
……………….4.219

25.454

27.074

26.230
waarvan af: banksaldi en andere vorderingen

254

.3.971

4.440

3.429
Saldo ,,netto” totale staatsschuld
……………………
1

3.965

1 –

21.483

1

22.634

1

22.801

De post ,,Banksaldi en andere vorderingen” vereist
enige toelichting. Men is gewoon deze bedragen af te trekken van de bruto schuld, waarna men spreekt van

een ,,netto” schuld van f 4 mrd per 31 December 1939,
van f21,5 mrd per 30 Juni 1945, enz. Dit ,,netto” is
enigszins misleidend. Indien men wil nagaan, waarvoor. de rijksschuld is aangegaan, moet men niet volstaanmet
uitsluitend de aangegeven posten in aanmerking te ne-
men, doch dient men een volledige staatsbalans op te
stellen. Zolang deze nog niet beschikbaar is, verdient het

niettemin aanbeveling rekening te houden met’ posten,
waarvoor de Overheid schuld opneemt om deze gelden.
dadelijk door te geven aan andere lichamen, alsmede

met de banksaldi, waarover zij beschikt, omdat deze
elk ogenblik zouden kunnen worden aangewend tot ver-
laging van de schuld. Inderdaad is het dus juister om bij
het beoordelen van de totale schuld rekening te houden

met de hierbedoelde ,,netto’ staatsschuld.

De tekorten over de jaren 1940 tfm 1945 belopen volgens-
blz. 3 van de laatste Millioenennota – rekening houdende
met een inmiddels aangebrachte verbetering – (in mil-
lioenen guldens) (zie staatje volgende kolom bovenaan):
FIet spreekt vanzelf, dat men, indien men de toeneming
van de schuld tussen einde 1939 en midden 1945 vergelijkt,
het totaal tekort over 1945 niet in zijn geheel in rekening
kan brengen. Reeds aanstonds vestig ik er trouwens de
aandacht op, dat de rijksboekhouding een kasboekhouding
is, welke eerst op het einde van het jaar, volgende op het

Voor het jaar 1945 spreekt dit nog des te meer, omdat,
hoewel in de eerste helft van dat jaar .de belastingen

nagenoeg niet heblien gevloeid, juist in het tweede half-
jaar cle opdrachten voor de grootste uitgaven zijn tot
stand gekomen. Aanvankelijk wil ik, om de gedachten

te bepalen, bij de beoordeling van de toeneming van
de schuld tuss’en einde 1939 en midden 1945 daarom
slechts een tekort van ongeveer f 0,7 mrd over het eerste
halfjaar 1945 in rekening brengen.

Een twèede zeer belangrijke factor vormen de aflos-

singen op de
ge! undeerdë
staatsschuld, omdat deze af-
lossingen onder de uitgaven over zeker jaar worden op- –
genomen (aflossingen op de vlottende schuld blijven bui-
ten de begroting en buiten de rijksrekening). Wij moeten
dus om het saldo van,de schuld per 30 Juni 1945 te bepa-
len de aflossingen op de vaste’ schuld; welke tussen einde

1940 en midden 1945 hebben plaats gehad, in aftrek
brengen van de schuld per einde 1939.

brutoschuld per einde 1939

………………..
f

4,2 mrd
hij tekorten over 1940 t/m.’ 1944

…………….
9,4
bij: geraamd tekort over het eerste halfjaar 1945 ..,, 0,7

14,3 mrd
Af:
tot stand geko,nen aflossingen tussen
1
Januari 1940
en 30 Juni 1945, bij benadering vast te stellen op ‘) ,,
4

totaal van de te verwachten bruto” schuld per 30
Juni

1945
………………………………
. f

13,3 ‘rnrd

‘) Deze bedragen zijn niet alle rechtstreeks gepubliceerd, doch
kunnen indirect uit enige publicaties worden afgeleid.

TA

8 October 1947

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

797

Doch ook wanneer wij aldus te werk gaan, komen wij
nog niet tot een oplossing, hetgeen volgt uit de op de

voorgaande pagina gemaakte opstelling.

De hierboven gegeven specificatie van de schuld per

30 Juni 1945 geeft echter een bruto schuld van f 25,5 mrd.
Waaraan kan dit verschil worden toegeschreven?

In de eerste plaats aan het veel hogere bedrag, dat per

30 Juni 1945 moest worden opgenomen voor vorderingen,

voorschotten, enz.; dit bedrag is f3.971 -f254 f3.717

mln hoger dan per einde 1939. Uit dezen hoofde mocht

men dus een stijging van de brutoschuld tot f 13,3 +

f 3,7 = f17 mrd verwachten.
Maar dan blijft er nog een verschil van f 25,5 – f 17 of rond f 8,5 mrd.

Dit kan voor een bedrag van f 7j mrd worden ver-

klaard uit de omstandigheid, dat onder de schuld per
‘dO Juni 1945 aanstonds twee posten zijn opgenomen,

welke in het geheel niet in de tekorten over de oorlogs-

jaren in aanmerking zijn genomen. Ik bedoel in de eer-
ste plaats de door de Staat over te nemen vorderin-

gen van De Nederlandsche Bank op Duitsland, waarmede

volgens de aanvankelijke schatting f 41 mrd was gemoeid.

Déze post, welke stellig een gedurende de bezettingsjaren
ontstaan verlies voorstelt, is niet in de rijksuitgaven van
de jaren 1940 t/m 1945 opgenomen, zelfs niet in die van
1947, het jaar waarin deze schuld is geliquideerd (zie

hierna).

In de tweede plaats is per 30 Juni 1l45 als schuld ge-
boekt de schadevergoeding, toe te kennen wegens geledemi
oorlogsschade, ad f 3 mrd. Hiermede is bedoeld het ge-
schatte bedrag van de schuld zoals die naar de richtlijnen,
geldende op 30 Juni 1945 (dus in hoofdzaak vergoeding
tegen de waarde per 9 Mei 1940), kon worden opgesteld.

In de jaren. 1940 t/m’ 1945 is slechts een betrekkelijk
gering aantal van deze schadevergoedingen- tot uitkering

gekomen; van de als schuld per 30 Juni 1945 geraamde
f 3 mrd is niets onder de uitgaven over die jaren op-
genomen. ” –
Met het bovenstaande is het gehele hierboven veron-derstelde verschil van f 8,5 mrd niet volledig verklaard;
er blijft een verschil van rond f 1 mrd. De oorzaken hier-
van kunnen in verschillende omstandigheden liggen.
Zo was o.a. de dienst 1939 per 31 December 1939 nog

niet afgesloten; in totaal gaf deze dienst een nadelig
saldo van f 183 mln, hetwelk stellig ten dele bij het boven-
staande in aanmerking moet worden genomen. Verder
is de schatting van f 0,7 mrd, welke hierboven ten aanzien
van het tot 30 Juni 1945 in rekening te brengen tekort

van 1945 is gegeven, uiteraard een gissing. En tenslotte
is het mogelijk, dat de eerste opstelling van de schulden
van le Staat na de bevrijding niet zo secuur konden ge-

schieden als in latere opstellingen wel doenlijk was.
1-let zal hierna blijken, dat in het tijdvak van 30 Juni
1945 tot 30 Juni 1947 een onvoldoende verklaarbaar
verschil in de omgekeerde richting voorkomt.
Thans, moeten wij ons verdiepen in de betrekkelijk
geringe stijging van de bruto staatsschuld tussen 30 Juni
1945 (f25,5 mrd) en 30 Juni 1947 (f 26,2 mrd); betrek-
kelijk gering, omdat deze toeneming met f 0,8 mrd bij
eerste kennisneming niet overeenstemt met de tekorten,

welke sinds 30 Juni 1945 zijn verantwoord. Deze tekorten
kunnen wij alsvolgt benaderen.
In de eerste plaats moeten wij in deze periode het
-restant van het tekort over 1945 in rekening brengen,
dus f 3,6 mrd – f 0,7 mrd, welke hierboven reeds tot 30
Juni 1945 in aanmerking is genomen, derhalve f 2,9 mrd.
Vervolgens het tekort over 1946; dit is volgens de
voorlopigê cijfers geraamd op f 2,7 mrd. Daar echter
nog een zeer belangrijk gedeelte hiervan na 30 Juni 1947
(nI. tot het einde van dit jaar) eerst tot uitgaaf komt –
een bedrag, stellig groter dan de kohierbedragen welke
nog na 30 Juni 1947 worden bijgeboekt (zie hierna) -,

mag dit tekort niet in zijn geheel in rekening worden ge-

bracht. – Laten wij zeggen, dt wij ongeveer f 2 mrd in

rekening mogen brengen.
Tenslotte dienen wij ons te beraden, velk bedrag van

het voor 1947 geraamde tekort van f 2,1 mrd tot 30 Juni

1947 tot een overschot van uitgaven boven inkomsten
heeft geleid. In ,de eerste helft van dit jaar hebben de

niet-kohierbelastingen f 775f mln opgebracht (veel meer

dan was geraamd); voor de kohierbelastingen is de

eerste helft van een nieuw jaar niet gunstig. Doch hier

staat tegenover, dat van de uitgaven in de eerste helft

van een jaar in hoofdzaak slechts de salaris-, rente-,
aflossing-, ‘huurposten e.d. tot uitbetaling komen; de
belangrijke bedragen egens aanbestedingen enz., volgen

later. In verband hiermede komt het mij voor, dat in het

eerste halfjaar van 1947 per saldo niet veel meer zal zijn

uitgegeven dan ontvangen; laten wij niettemin aannemen,
dat dit verschil f0,2 mrd is.

Wij menen dus de geraamde tekorten, die tussen 30
Juni 1945 en 30 Juni 1947 invloed hebben gehad op het

opnemen van gelden, zeer ruw geschat te mogen stellen

op f2,9 +
f2
+ f0,2 = f5,1 mrd.

-Men zou dus mogen verwachten, dat de staatsschuld
tussen de twee genoemde data zou zijn gestegen met f 5,1 mrd, doch ook hier moeten wij allereerst weder

rekening houden met de aflossingen op de vaste schuld,
welke ‘tussen die data tot stand zijn gekomen en welke –
onder de geraamde rijksuitgaven zijn begrepen (zie boven).

Het gaat hier om vermoedelijk f 0,6 mrd, zodat wij
een stijging van de staatsschuld met f 5,1 – f0,6 =
f 4,5 mrd zouden kunnen verwachten.
1-Jet is duidelijk, dat dit bedrag zeer belangrijk ‘verschilt
met de hierboven geconstateerde toeneming van de bruto
staatsschuld met f0,8 mrd.

Bij een analyse van dit verschil moeten wij allereerst
weder aandacht schenken aan de post ,,Banksaldi en
andere vorderingen”, welke per 30 Juni 1947 f 542 mln
lager is dan per 30 Juni 1945, zodat de toeneming tot 30 Juni 1947, welke zo juist op f4,5 mrd is berekend,
f 0,5 mrd lager kan worden gesteld, dus op f 4 mrd.
Maar er is een veel belangrijker verschil, dat ik helaas
wegens gebrek aan gegevens niet voldoende met cijfers
kan aangeven. . .
Opnieuw moet ik er op wijzen, dat zelfs op dit ogenblik de bedragen, welke op de begroting 1946 als uitgaven zijn
toegèst,aan,
nog lang niet alle inderdaad zijn uitgegeven.
lIet laat zich zelfs aanzien, dat verschillende van deze
posten ook in de resterende maanden van 1947 niet tot
verwerkelijking kunnen komen, omdat de materialen,
welke men wilde aanschaffen, ontbreken of omdat achter-

stand in de afdoening is ontstaan. 1-let is juist deze om-
standigheid, welke aan de Regering aanleiding heeft ge-geven om voor het jaar 1948 verschillende posten onder

de uitgaven lager te ramen dan eigenlijk, uitsluitend met
betrekking tot het jaar 1948, verantwoord zo’u zijn.
Op blz. 6 .ran de Millioenennota wordt hieromtrent
het volgende gezegd (cursivering van de schrijvr):

,,Bij het ramen van cle begrotingsposten voor 1948, welke’
betrekking hebben op voorzieningen, welke aanvankelijk wer-
den geacht geheel of overwegend in de jaren 1946 en 1947
te kunnen worden getroffen, doch waarbij tengevolge van de
buitengewone omstandigheden een tenipovertraging is op-
getreden, is rekening gehouden met de gedeelten van de over-
eenkomstige artikelen der begrotingen voor 1946 en 4947,
waarover niet is of zal worden beschikt. Dit geldt vooral voor
die posten, welke zowel in directe als indirecte zin een materia-
len intensief karakter dragen – bijv. technische werken, instal-laties, aanschaffingen, bijdragen in oorlogsschade waarop een
bestedingsplicht rust – en voor posten, welke tengevolge
van vertraging in de administratieve afwikkeling
niet tot
uitgaaf kwamen.
1-let ligt in de bedoeling om, voorzover kan worden aan-
genomen, dat het in de loop van 1948 wel mogelijk zal zijn
aan deze voorzieningen uitvoering te geven, de daarvoor nodige
gelden hij suppletoire begroting aan te vragen
onder gelijktijdige
vermindering met dezelfde bedragen van de overeenko7nstige
artikelen op de begrotingen voor
1946
of
1947.
Deze methode, welke voor het eerst voor 1948 zal worden

-:_ -.

– – –

-:—

•-

– -.

198

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8 October 1947.

gevolgd, draagt het karakter van het toepassen in de bestaande
techniek van de beginselen, welke aan een meerjarige begroting
ten grondslag liggen”.

Volgens de jongste Millioenennota zou het totaal van deze posten ruim f 254 mln bedragen.

Hieruit mogen wij concluderen, dat hetgeen krachtens

de begrotingen van 1946 en 1947 ten hoogste mag worden

uitgegeven, stellig niet tot dezelfde bedragen tot werke-

lijke uitgaven zal leiden. Hieruit volgt dus, dat de te-
korten over 1946 en 1947 niet in die mate nadelig zullen

zijn als aanvankelijk is geraamd. Men houde echter wel

in het oog, dat dit niet betekent, dt er lichtpunten zijn;

het is uitsluitend een kwestie van verschuiving naar 1948

en volgende jaren.

Ook met betrekking tot de middelen zullen er verschillen

tussen de raming en de werkelijkheid optreden. Weliswaar

wordt een zeer belangrijk gedeelte van de belastingen als

ontvangst geboekt in het jaar, waarin zij inderdaad zijn

geïnd, doch een ander stellig niet minder belangrijk
gedeelte — de belastingen, welke volgens kohieren worden

geheven – wordt verantwoord volgens het zgn. debiteu-

renstelsel. Dit betekent, dat bijv. het totaal kohierbedrag
van de inkomstenbelasting 1946, voorzover de kohieren

worden vastgesteld v66r 1 Januari 1948, geheel als baat

van het begrotingsjaar 1946 wordt geboekt, onverschillig

op welk tijdstip deze belasting binnenkomt. Hetzelfde

geldt voor de vermogensbelasting en in enigszins geringere

mate voor de vennootschapsbelasting, de vermogensbelas-

ting voor lichamen en de winstbelasting, voorzover de
laatste nog tot aanslagen aanleiding geeft.

Deze wijze van administrei’en leidt vooral in de jaren
1946 en 1947 tot grote lverschillen tussen de op de be-

groting en rekening te verantwoorden bedragen en de

werkelijke ontvangsten.

In de eerste plaats zullen, nu zelfs de definitieve aan-
slagen over het helastingjaar1946 niet meer in 1947
kunnen worden opgelegd – gevolg van achterstdnd bij

de 4belastingadministratie -, de kohierbedragen, welke

uit deze definitieve aanslagregeling zouden voortvloeien,
zelfs niet ten gunste van 1946 worden gebracht.

Belangrijker is in de tweede plaats, dat er een afwijking
is tussen de ramingen van de kohierbelastingen en de
werkelijke ontvangsten; de laatste komen eerst latei’ in
de Schatkist, doch het zijn juist deze, die invloed

kunnen hebben op de veranderingen in de staatsschuld.
Weliswaar staat hier in normale tijden tegenover, dat’
in elk begrotingsjaar ontvangsten binnenkomen op ko-

hieren over vroegere belastïngjaren, maar in de jaren
1946 en 1947 zal – althans tot dusver – tengevolge
van de reeds genoemde achterstand per saldo minder uit
deze kohierbelastingen worden ontvangen dan als ,,de-

biteurenposten” in de begrotingen is geraamd. Uit dezen hoofde zou men dus eerder een nog hogere staatsschuld
kunnen verwachten in plaats van een lagere, zoals wij
deze hierboven summier hebben aangegeven.
Nu is er echter een zeer belangrijke factor, welke oor-
zaak is, dat de Overheid reeds over belastingontvangsten
kan beschikken zonder dat de aanslagen administratief
zijn verantwoord; ik doel hier op de zekerheidstellingen.
Men overschatte echter de betekenis hiervan niet, omdat
de zekerheidstellingen vrijwel uitsluitend betrekking

hebben op de belastingjai’en 1945 en vroeger. 1-letgeen
hierboven is gezegd over de achterstand van 1946, kan dus niet worden weggewerkt door de voordelen, welke
de zekerheidstellingen geven.
De zekerheidstellingen hebben betrekking op al het-

geén aan inkomsten-, vermogens-, ondernemings-, ven-
nootschapsbelasting e.d. nog verschuldigd is over – ruw

gezegd – de boekjaren 1945 en vroeger; hierin zijn ook
begrepen de zeer belangrijke bedragen, welke uit hoofde
van navorderingen over dezelfde boekjaren alsnog zullen
moeten worden betaald. Verder zijn in de zekerheid-

stellingen in verschillende gevallen enige vooruitbetalingen

opgenomen op de vermogensaanwasbelasting en de’ ver-
mogensheffing ineens.

1-let totaal aan zekerheidstellingen geïnde bedrag be-

droeg op 30 Juni 1947 f1.756 mln, waarvan op genoemde

dag reeds 1 228 mln was verrekend met inmiddels opge-

legde aanslagen. Wij iiioeten het verschil tussen deze

twee bedragen (1 1.528 mln) in aanmerking nemen. Alen

bedenke dus, dat in dit bedrag enerzijds bedragen zitten,
welke in feite in de begrotingen als baat van directe be-

lastingen zijn verwerkt, anderzijds bedragen, welke op

de geraamde tekorten geen invloed hebben. De laatst-

bedoelde bedragen zijn uiteraard in de eerste plaats die,

welke zullen zijn gestort als vooruitbetalingen op de

vermogensaanwashelasting en de vermogensheffing ineens;

bovendien behoren tot deze categorie bedragen wegens

achterstallige belastingen en wegens navorderingen,
hogei
dan bij de raming van de middelen over de jaren 1945,

1946 en 1947 in aanmerking is genorien. Men kan nl.

uit het verloop van de zekerheidstellingen wel enigszins

afleiden, dat vermoedelijk aan navorderingen en achtet’-stallige belastingen veel meer zal binnenkomen dan men

aanvankelijk heeft geraamd; het is enkel nog de vraag,

op welk jaar deze extra baten administratief terecht
zullen komen, omdat dit grotendeels afhangt van het

tempo, waarin de fiscus de achterstand kan inhalen.

In elk geval hebben de zekerheidsteuingen tot een be-,
drag van naar schatting 1 0,8 f 1 mi’d de
schuldposite
van
de Staat gunstig beïnvloed. In feite is het zÔ, dat een groot

deel van deze zekerheidstellingen – zelfs het gedeelte,

dat op de .achtei’stallige belastingen en navorderingen be-
trekking heeft en dat dus dient ter financiering van de
gewone dienst van 1945-1947 – met ,,geblokkeerd” schat-

kistpapier en met inschrijvingen in het Grootboek 1946

is betaald, zddat ,,oude” schuld is afgelost.

Maai’ er is nog eed zeer belangrijk punt, hetwelk in-

vloed kan uitoefenen bij onze berekeningen, zij het wel-

licht tot vei’groting van het verschil!

1-let betreft hier opnieuw de schadevergoedingen.
Zoals hierboven reeds is opger?ierkt, zijn die per 30 Juni

1945 geraamd op f 3 mrd; ook per 30 Juni 1947 is eenzelfde
bedrag als schatting van de schuld uit dezen hoofde in
rekening gebracht. –
Indien de schuld per deze datum opnieuw is geschat

én deze schatting, ondanks hetgeen inmiddels aan schade-
vergoedingen is uitgekeerd, toevallig weer
01)
f 3 mrd
neei’kwam, is de schuld per 30 Juni 1945 tot het inmiddels
uitgekeerde bedrag te laag geraamd.
Dit onderdeel is, aangezien exacte gegevens ontbreken,
zeer moeilijk juist aan te geven. Ik moge volstaan met aan
te tekenen, dat het mij juist voorkomt, dat deze schuld
reeds per 30 Juni 1945 is opgenomen, omdat de verplich-
ting tot het vergoeden, van schaden toen materieel reeds
bestond. Zoals vanzelf spreekt, kunnen in de schattingen van
f 3 mrd fouten zitten, zoa,ls het ook duidelijk is, dat deze
schattingen zulien moeten worden herzien, indial’s de

Overheid de schaden geheel of ten dele gaat v’ergoeden
tegen een waarde, die hoger ligt dan op 9 Mei 1940,

Tenslotte ligt er een verschil in de afboeking van de
mai’kenvordering, welke ingevolge de wet van 30 Augustus
1946 door de Staat is overgenomen.

In de eerste plaats blijkt uit de uiteindelijke afrekening,
dat de guldenswaarde van het rijksmarkentegoed van De
Nederlandsche Bank bedroeg £4.471 mln; hierop is mmm-
dering gebracht hetgeen de Bank op haar rijksmarken-
bezit reeds had geïncasseerd, zijnde f 147,3 mln. De Staat
nam dus als schuld over f 4.3231 mln, hetgeen dus ‘1 177 mln
minder is dan per 30 Juni 1945 en per 81 October 1946

was geschat.
I

Verder is bij de overneming een gedeelte gefinancierd
door winst, welke de Bank maakte bij herwaardering van

8 October 1947

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

799

haar goudhezit, welke winst zij aan de Staat zal afdragen;

hiermede is gemoeid 1 236,9 mln, welke niet onder de ont-
vangsten op de begroting zijn geraamd. FIet laatste is

wel het geval met de winst op de geidzuivering (f 200 mln),
zodat het laatste bedrag geen aanleiding geeft tot enige

correctie. Uit het voorgaande volgt dus, dat per saldo

de afrekening van de markenvorde’ring een bedrag van

ongeveer f 0,4 mrd verschil geeft, hetwelk niet recht-

streeks uit de stand van dè schulden en uit de tekorten

voortvloeit.

Al met al kan ik van de hierboven
oeronderstelde
stijging

van de staatsschuld tussen 30 Juni 1945 en 30 Juni 1947
met f4 mi’d alsnog verklaren, dat

minder behoefde te worden geleend wegens liet niet
in de begroting verantwoorden van
alle
zeker-
linidstellingen
…………………………
4. f 0,9 in rd
verschil in cle markenvordering
…………….

0,2
winst op do gouclvoorraad, niet opgenomen in de
begroting

…………………………….
,,

0,2
verschuiving van uitgaven van 1946 en 1947 naar
1948 cia volgende jaren

………………..,,
0
1
2

9 1,5 mcd

Er blijft dan nog een verschil van f 4— 111 = U21 mrd,
htwelk de werkelijke stijging van f 0,8 mrd belangrijk
overtreft.
hierboven werd reeds opgemerkt, dat in het tijdvak
1 Januari 1940 tot 30 Juni 1945 een verschil in omge-
keerde richting werd geconstateerd. In verband hiermede
wil ik nog een korte opstelling geved van de stijging van

de schuld zoals die kon worden verwacht over het gehele
tijdvak van 1 Januari 1940 tot 30 Juni 1947. Deze op-stelling luidt:

bruto schuld 1 Januari 1940

………………
f 4,2 mcd
hij: te verwachten stijging tot 30 Juni 1947 uit hoofde van tekorten 1940/45

.. f 13 inrcl
tekort 1946 (tot 30 Juni 1947) ge-
taanad

……………………..
2
tekort 1947 (tot 30 Juni ‘1947)ge-
raanicl

…………………….

..0,2

15,2 inrcl
hij : verlies op markenvor-
derilag
…………..
f
4,3
mcd
verlies wegens nog te
betalen aan schadever-
goeclingen per 30 Juni
1947
…………….
.. 3 ‘,, ,, 7,3

22,5 nird
af: winstgoudvoorraad

t 0,2 mrd
verschuivingen

uitga-
ven 1946 en 1947 naar
1948
…………….

..
0,2

,,

,,

0,4
,,

‘22,1

26,3 mcd
bij: tc

verwchtcn

stijging

wegens

ioger

bedrag
ten hanksaldi, enz., per 30

Juni

1947

dan per
1

Januari

1940

……………………….
..
3,2

29,5 mrd
al: aflosiflgen tussen 1Januari ‘1940 en 30 Juni 1947
,,

1,6

27,9 mcd
af: schuidpositie verbeterd uit zekerheidstellingen

..
0,9

te verwachten bruto staatsschulcl per 30 Juni 1947
t 27

mrd

De werkelijke brutoschuld per 30 Juni 1947 bedroeg
f 26,2 mrd zodat ook hier’ tenslotte nog een verschil van
ongeveer f 0,8 mrd blijft bestaan. Aan de hand van de
gepubliceerde gegevens kan ik niet concreet aangeven
waaraan deze lagere stijging moet worden toegeschreven,
doch naar mijn mening wordt het verschil grotendeels
beheerst door:
fouten in de schattingen, welke ik voor een gQed

begrip van de materie noodzakelijk moest maken; deze
fouten kunnen bij gebrek aan voldoende gegevens stellig
belangrijk zijn;

de uitkeringen en schulden wegens oorlogsschade;
ook hier kan het om grote posten gaan;
de mogelijkheid van het veel belangrijker terug-
blijven van de werkelijke uitgaven over 1946 en 1947
– althans tot 30 Juni 1947 -, vergeleken bij de ramingen,
tengevolge van de omstandigheid, dat tal van toegestane

uitgaven – zelfs meer dan de hierboven ‘bedoelde f 254

mln – geen werkelijkheid kunnen worden wegens gebrek
aan matei’iaal, achterstand, enz.

Ik heb gemeend, dat ik, ondanks het gebrek aan nauw-

keurige gegevens, goed zou doen het bovenstaande te

publiceren.
M. SMEETS.

MARSHALL-PLAN
5
I.T.O. EN TOL-UNIE.

liet zou niet te verwonderen zijn, indien, temidden van
de veelheid van berichten, het onderling verband tussen
de verschillende plannen, conferenties en maati’egelen
be treffende internatjonale economische samenwerking voor

degene, die zich hierin niet kan verdiepen, enigszins vaag

en troebel begint te worden. Véel heeft men gelezen over
de Tol-Unie met België, verschillende malen zijn artikelen

verschenen over de conferenties van Londen, Genève en,

strdks, havana over het afbreken der zgn. handelsbelem

nieringen; thans leest men telkens over het Marshall- Plan.
Wat is de zin van dit alles, wat is het verband, hoe moet

men
zich
hier combinaties denken?
Om op deze begrijpelijke vragen een antwoord te geven,
ishet zaak zich niet in gedetailleerde beschouwingen te
verliezen 0f technische moeilijkheden te belichten, doch
de hoofdlijnen uiteen te zetten, die voor het verkrijgen
van een duidelijk beeld onmisbaar zijn.
In de eerste plaats dan: I.T.O. en Marshall-plan vullen
elkaar aan en zijn geen los naast elkaar staande, zo niet

elkander doorkruisende, plannen. Het Marshall plan werkt op de grondslag van het I.T.O.-Charter.

De J.T.Q.

De International Trade Organisation beoogt de ge-
legenheid te scheppen voor internationaal overleg over

de buitenlandse handel op de grondslag van een tweetal
internationale overeenkomsten, namelijk een algemeen
Handvest of Charter, en daarnaast een algemene over-eenkomst over verlaagde Tarieven en Preferenties. De
strekking van deze laatste overeenkomst behoeft weinig
commentaar. Weliswaar worden enige algemene bepa-lingen uit het 1-landvest overgenomen – in verband met
de afzonderlijke, eei’dere inwerkingstelling dezer overeen-
komst werd dit gewenst geacht – maar in hoofdzaak
toch dient deze overeenkomst tot het vastleggen van het
resultaat der tussen 18 landen plaatsgevonden multilate-
mle onderhandelingen over verlaging van invoerrechten
en preferenties. De barrière der hoge tarieven wordt hier-
mede geacht genomen te zijn. In hoever dit werkelijk het
geval is, moet worden afgewacht: het resultaat der onder-handelingen is nog niet bekend.
Terugkernde tot de eerstgenoemde der beide overeen-
komsten, waarover het hier gaat, het Handvest der I.T.O.,
kan de strekking daarvan in de eerste plaats worden
samengevat als een poging de overige barrières, die in de
wedloop van de internationale handel zijn opgericht, te
nemen. Deze overige barrières echter zijn veel minder
concreet dan de in cijfers uitgedrukte invoerrechten; van-daar dat men de eerstgenoemde heef t getracht te regelen
dooi’ een samenstel van regelen en door het scheppen
van een Organisatie voor de toepassing daarvan.
Is deze doelstelling, het wegnemen of althans het ver-
minderen en het regelen van handelsbelemmeringen, in
wezen negatief, daarnaast bevat het 1-landvest ook posi-tieve bijdragen tot de ontwikkeling van de wereldhandel.
Als zod.anig gelden de hoofdstukken over bevordering
van werkgelegenheid en economische ontwikkeling, over
beperkende handelspractijken en over overeenkomsten
betreffende basisproducten.
Intussen behelst dit alles een aantal regelen, waarvan
de strekking ongetwijfeld is de internationale handel te
bevorderen. Het grijpt echter niet materieel in, dv.z.

800

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN,

8 Octôberi947

er staan geen dingen in het Handvest, die de economie

van bepaalde landen in concreto, met materiële middelen;
met geld of met goederen er bovenop helpen. Bij toepassing

dezer regelen zal men er dus, uitgaande van de aanwezige

toestand, er met eigen middelen moeten komen. Een

langzame ontwikkelingsgang derhalve.

Het- Marshall-plan en de.I.T.O

Het Marshall-plan nu beoogt iets geheel anders, nanie-

lijk een verhaasting van die ontwikkelingsgang tav.

een bepaalde groep landen, ën wel: le. door toevoer van

materiële middelen, 2e. door het treffen van een aantal

concrete maatregelen. Het zijn deze maatregelen, welker

toepassing de regels van het I.T.O.-Handvest raken en

daaraan onderworpen zijn; maar zij komen er niet mede in

conflict. Hiermede is de kern van het verband, dat wij

wilden toelichten, geschetst.
In. dit verband zit een eigenaardigheid. 1-let Handvest

heeft,
itt het algemeen en afgezien van alle mogelijke

uitzonderingen n ,,escape-clauses”, onmiskenbaar de
tendens tot bevordering van vrijhandel, of althans van,
zoals men met het oog op al die uitzonderingsbepalingen

liever zegt, vrijere handel. Als zodanig tendeert het dus
naar aanvaarding van een internationale arbeidsverdeling,

zoals die met inachtneming van zekere beperkingen uit
het bestel der deelnemende landen voortvloeit. Voor de
Europese landen is dat bestel niet anders dan de droevige

staat, waarin zij na de oorlog nu eenmaal yerkeren. Zou

men deze toestand als een harde realiteit zien, dan zou

Europa met één klap zijn neergestort op een oneindig

veel lager levensniveau dan waaraan het gewend was en
liet zou op de basis van het 1-landvest moeten proberen
zich, zonder kunstmiddelen, evenals vele eeuwen geleden,

geleidelijk weer naar boven te werken.
Dit ware voor de betrokken volken nauwelijks te aan-

vaarden, noch ‘te verwerken. Na de oorlog heeft men dan ook in allerlei vorm pogingen gezien – pogingen,
waarvoor Europa niet dankbaar genoeg kan zijn – om

dergelijke onaanvaardbaar harde consequettties te voor-
komen, althans op te vangen, althans uit te stellen, liet

Marshall-plan is een dergelijke poging. Wellicht de groot-
ste. Wellicht de laatste. Maar in wezen is het een kutist-

matig ingrijpen tot verhoging van het niveau, waarop de
Eropese landen aan de internationale handel op de

voet van, het. Handvest zûllen kunnen deelnemen, en als
zodanig anders van aard dan de algemene gedachte,
die aan het 1-landvest ten grondslag ligt. 1-let zal moeten

blijken, of dit zich met elkaar verdraagt..

De Tolu.nie-gedachte.

Het zal na het voorgaande duidelijk zijn, dat, wanneer
het Marshall-plan le. toevoer van materiële middelen en
2e. het treffen van bepaalde maatregelen medebrengt,
een wisselwerking tussen die twee ontstaat. Bij het treffen

van maatregelen ter bevordering van die wisselwerking,
van welke het al of niet slagen goeddeels zal afhangen,
is het evenzeer duidelijk, dat veel van de Europese landen
zelf zal moeten uitgaan. Eén van de voornaamste dingen,

die daartoe in aanmerking komen, is de vraag naar eco-
nomische integratie. De vorm, die daarvoor het meest in aanmerking komt en die als geoorloofd is
.
erkend, ook in

het I.T.O.-I-Iandvest, bestaat uit ht sluiten van een

douane- of tol-unie.
Op deze weg zijn -Nederland, België en Luxemburg
reeds véôrgegaan. 1-lun douane-unie is beklonken. Het

spreekt vanzelf, dat zij daarom in’ eèn bijzondere positie
verkeren, indien thans de toepassing .van deze gedachte
in groter verband aan de orde is gesteld. Bij de bestu-
dering van deze mogelijkheden zal dan ook ongetwijfeld

blijken, hoe wijs de beslissing van 5 September 1944 is
geweest ep van hoeveel belang de sindsdien behaalde

voorsprong.
Mr A. VAN KLEFFENS.

DE MONETAIRE SITUATIE IN

NEDERLANDS-INDIË..

Een medewerker schrijft ons:

Onder het hoofd ,,De monetaire chaos in Nder1ands-
Indi6″ werd in het op 11 Juli 1947 verschenen nummér
van dit blad een korte schets gegeven van de monetaire

situatie in Nederlands-Indië, zoals deze zich in het eerste

halfjaar van 1947 had ontwikkeld. Het komt nuttig voor,

om thans – circa vier maanden later – de situ’atie op

dit voör hçt economisch leven zo belangrijke terrein ander-

maal in beschouwing te nemen. Met name vraagt de aan-
dacht, of en in hoeverre de op 20 Juli jl. ingezette en ver-

volgens enige weken nadien ontijdig onderbroken politiële

actie, de monetaire verhoudingen heeft beïnvloed.

Het navolgende overzicht van ‘de ,,zwarte” noteringen

te Batavia voor een aantal niet als ,,wettig” erkende

betaalmiddélen, welk overzicht aansluit op dat, weer-
gegeven in bovengenoemde beschouwing van 11 Juli1947,

geeft op deze vraag slechts ten dele een antwoord. Daar-

naast zal moeten worden nagegaan, welke maatregelen
op monetair terrein in de herbezette gebieden zijn ge-
nomen en in hoeverre deze het beoogde effect hebben ge-

sorteerd.

Zwarte-marktnoteringen te Bata0ia
(uitgedrukt in – Nica-guldens per 100)

31/5
1/7
2217
30/7
29/8
15/9
Oud

Javasche

Bank-

– -.
papier (coupures’
110 en hoger)

….

68
64
65
66 65
58
Idem (coupures
15) .

75 80

.
78 78
69
62
0111-geld (coupures
15
en hoger’)

33 27 13
13
10/15
10
Idem (coupures
11)

58
40
15
20
17 14
Goud (per gram)

– –
27,—
35,—
33,—
19,— 23,— 24,—
U.S

dollar-bankpapier
(p.

S)

…………

17,— 22,—
18,50
11,—
12,50
14,—
Sterling bankpapier


(p.

£ sterling) ……
50,—
.63,—
50,— 36,—
32,—.
30,-
Neclerl. bankpapier (p. gulden)

2,10
2,50
1,80
.

1,30
1,60
1,70

• De noteringen voor het Oud Jvasche Bankpapier tonen,
na in de periode van de politiële actie vrijwel ongewijzigd

te zijn gebleven, met name sedert medio Augustus plot-

seling een scherpe daling. Deze wordt voornamelijk toe-

geschreven aan een sterk t6egenomen aanbod – vnL uit
de herbezette gebieden – daarnaast ook aan een ver-

minderd vertrouwen.
Het ORI-geld onderging zijn grote daling in de weken
direct aan de politiële actie voorafgaande. De wetenschap,
dat bij slagen dezer actie de aanwendingsmogelijkheden

voor ORI-géld te Batavia zeer beperkt zouden worden,
bracht velen er toe zich van hun bezit te ontdoen. De
eerste dagen der actie kwam er geen notering tot stand;
daarna vond er weer regelmatig handel in dit .papier
plaats. Veel belangrijker is het koersverloop van ORI-
geld in de herbezette gebieden; hierop wordt nader terug-

gekomen.

De noteringen van goud en vreemd bankpapier onder-
gingen in de laatste week van Juli een scherpe daling,
hetgeen een groter vertrouwen’in de Nederlands-Indische
gulden demonstreerde. Sedertdien ging deze verbetering voor goud en dollar-bankpapier ten dele weder verloren;
sterling-bankpapier daarentegen liep nog, verder terug,
waaraan de beperkende maatregelen van de Britse Re-
gering terzake van de convertibiliteit van sterling en het daardoor verminderde vertrouwen in deze valuta
wel niet yreemd zullen zijn. De militaire zijde ,van de politiële actie was met zeer
veel zorg voorbereid, met als resultaat, dat het rendement.
van deze actie tot op het moment, dat zij moest worden

‘)
ORI-geld, di. Oewang Repoeblik Indonesia, door de Repu-
bliekmet ingang van
1
November
1946
vnl. op Java in omloop
gebracht. Dit geld is doQr het Nederlands-Indische Gouvernement
niet als wettig betaalmiddel erkend; evenmin echter ii wat be-
treft Java en Sumatra het benutten van dit geld strafbaar ge-
steld (Zie ,,E.-S.B.”
dd. 11
Juni
JI.,.
blz.
474).

8 October 1947

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

801

onderbroken, zeer bevredigend is geweest. Ook op finan-

cieel en economisch gebied waren vèrstrekkende voor-

bereidende maatregelen getroffen, welke zonder uitzon-

dering gericht waren op een zo spoedig mogelijk weder

in normale banen leiden van het economisch leven, waarbij

een herstellen van het economisch verkeer met de reeds

onder Nederlands gezag staande gebieden begrijpelijk de

speciale aandacht .had. De beraamde maatregelen op

monetair gebied laten zich zeer in het kort als volgt
sarnenvatten:

,,llet republikeinse geld, zowel als het nog aan te

treffen Japanse invasiegeld, zal volledig worden gene-

geerd, m.a.w. dit geld zal noch worden gebruikt bij be-
talingen door het Leger en de civiele autoFiteiten, noch
i,iit welken hoofde ook in betaling aangenomen of inge-
wisseld”.

/
1-Jet republikeinse geld zou niet zonder meer worden

waardeloos verklaard, doch aan zichzelf worden over-

gelaten; de verwachting wis, dit het op dee wijze snel
terrein zou verliezen.

,,Betalingen voor door de bevolking te leveren

producten en te verrichten arbeidsprestaties en andere
diensten zullen worden betaald met Nica-geld, het nieuwe

Javasche Bankpapier en metalen pasmunt”.
,,Oud-Javasche Bankpapier en oude muntbiljetten
zullen niet worden ingewisseld”.

,,Goederen essentieel voor de voorziening in de
eerste behoeften der bevolking, voorzover niet ter plaatse’

voortgebracht, zullen onmiddellijk in ruime mate ter
beschikking worden gesteld, mede om op deze wijze het

bezit van de onder 2 genoemde wettige betaalmiddelen
voor de bevolking aantrekkelijk te maken en daarmede de bereidheid tot het leveren van producten en het ver-
richten van arbeid te vergroten’.

,,De prijzen, aan te leggen bij het opkopen van pro-
ducten en bij de verkoop van verbrüiksgoederen, worden
meteen vastgesteld op een niveau, hetgeen in overeen-
stemming is te achten met het wereldprijspeil terwijl op
een handhaven dezer prijzen scherp wordt toegezien”.
,,De arbeidslonen enz., worden vastgesteld in over-
eenstemming met het onder vorig, lid bedoelde prijspeil”.

De grondgedachte van het schema was alleszins gezond.
Niet meer geld in circulatie brengen dan strikt nodig, de
arbeidslust en de productiviteit zoveel iu’ogelijk prikkelen
en het’ l)riizen- en kostenpeil zo laag mogelijk houden.
In dit laatste lag de sleutel voor de opiossing van het

probleem der in de laatste maanden steeds groter gworden
afwijking tussen de interne en de externe waarde van de

Nederlands-Indische gulden. Slechts door het beschikbaar
komen uit de herbezette gebieden van belangrijke voor-
i’aclen rijst en andere primaire levensbehoeften tegen
normale prijzen zou de noodzakelijke daling van de kosten
van levensonderhoud in de grote steden op Java, Sumatra
en in Oost-Indonesië en Borneo kunnen worden bereikt

en daarmede kunnen worden afgewend het zich,reeds ma-
nifesterendr gevaar van een. niet meer rendabel zijn en
daardoor teruglopen van de voortbrenging in deze ge-
bieden van rubber, copra en andere exportproducten.

De met de uitvoering van deze taak belaste organen
de Departementen van Financiën en Economische Zaken,
De Javasche Bank en de andere banken, de Nigieo en
het Voedingsmiddelenfonds – hadden kernformaties ge-
vormd, welke onmiddellijk achter de troepen aan haar
werkzaamheden’ zouden beginnen.

De in de eerste week der politiële actie opgedane erva ringen door deze kernformaties motiveerdèn eeii redelijk
optimisme.

In de grote steden resulteerde ,het inzetten van de
politiële actie in een niet te onderschatten herstel van ver-
trouwen in het ederlandse Gezag en daarmede in de
Nederlands-Indische gulden, mede tot uitdrukking ko-

mende – zoals reeds gememoreerd – in scherpe prijs-
dalingen op de verschillende zwarte markten. Veel be-

langrijker echter is, dat in Cheribon, de Oosthoekhavens

en andere gedurende de eerste week der actie, bezette

gebieden, de. situatie op monetair en economisch gebied
blijkens ontvangen rapporten zich inderdaad begon te

ontwikkelen volgens de ontworpen richtlijnen. FIet Ne-
derlands-Indische geld werd door de bevolking onmiddel-

lijk als ruilmiddel geaccepteerd, waartegenover het ORI

geld overeenkomstig terrein verloor en in waarde daalde
tot 5 10 cent Nederlands-Indisch geld per roepiah. De
‘bereidheid tot het aangaan van zakelijke transacties en

tot het verrichten van arbeidsprestaties was bevredigend,

terwijl de door Economische Zaken vastgestelde lonen
en prijzen in Nederlands-Indisch geld een aanvaardbare

werkbasis bleken te vormen. Een geleidelijk groeiende

stroom van voedingsmiddelen begon zich derhalve .uit het
binnenland te richten naar de vier grote steden op Java,

waar dan ook de kosten van levensonderhoud een eerste
appreciabele daling ohdergingen.

De in de aanvang alom getoonde bereidheid tot ,,sa-
menwerking” vond voor alles haar basis in vertrouwen in

het Nederlandse Gezag, vertrouwen, dat dit Gezag de
aangevangen taak zou voltooien, vervolgens rust en orde

zou blijven handhaven en derhalve de bevolking de zolang

ontbeerde bescherming zou bieden tegen terreur, roof, enz.
Alleen reeds het gerucht,
dat het ‘niet de bedoeling was
geheel Java te bezetten, was voldoende om de aanvan-
kelijke bereidheid tot samenwerking in vele gevallen tot
een houding van ,,afwachten” te doen verkeren; toen

inderdaad op 4/5 Augustus de politiële actie voortijdig
werd gestaakt en v.ervolgens de republiek, gesterkt door

de morele steun welke zij internationaal – mede van de
Veiligheidsraad – ontving, overging – met negatie van
het ,,cease fire” – tot een breed opgezette zeer geraffi-
neerde politiek van terreur en intimidatie, werd niet alleen
de houding van ,,afwachten” vrij algemeen, doch sloeg
in vele gevallen zelfs om tot bewuste non-coöperatie en
tegenwerking.

Het streven bleef, voort te gaan langs de lijnen der
uitgestippelde monetaire en economische politiek; de
daarbij te overwinnen weerstanden werden echter steeds

groter, terwijl in meerdere gevallen zelfs veel van het
aanvankelijk bereikte weder verloren ging. De politiek
van intimidatie en wraakneming werkte steecjs verder
door en maakte het voor steeds groter groepen goedwillen-
den physiek onmogelijk te blijven samenwerken; zelfs
bleek het op meerdere plaatsen niet langer mogelijk de
distributie van textiel en aiidere goederen voort te zetten,

omdat de bevolking eenvoudig de betreffende goederen
niet in haar bezit durfde te hebben. De consequenties op monetair gebied waren evident. 1-let Nederands-Indisch
geld verloor zinderogen terrein; zij, die dit geld om eniger-
lei reden moesten accepteren, waren er slechts op bedacht
het zo -snel mogelijk weder af te stoten. Het ,,veilige”
ORI-geld heroverde zijn plaats, hetgeen zich manifesteerde
in een waardestijging tot 15 cent en zelfs 25 cent Neder-
lands-Indisch geld per roeiah, afhankelijk van de mate,
waarin het bezit van Nederlands-Indisch geld risico’s
bood. Belangrijkej interlocale verschillen in de koers-

verhouding Ned.-Indisch geld : republikeins geld traden
op, bijv. tussen Malang en Soerabaia, hetgeen tot een
levendige arbitrage aanleiding gaf, waarvan enkelen
profiteerden ten koste van de massa.

In de hoop, daarmede een volkomen vastlopen van de
breed opgezette plannen tot wederinschakeling van de herbezette gebieden in het economisch leven te voor-
komen, heeft toen de Nederlands-Indische Regering ge-
meend het aanvankelijk ingenomen en als enig juiste
aan te merken standpunt van een volledig negeren van
het republikeinse geld te moeten prijsgeven.

In een op 18 Augustus van de Lt.-Gouverneur-Generaal
aan de Recomba’s uitgegaan telegram zijn deze gemach-
tigd in hun gebieden de gelegenheid open te
,
stellen tot
een beperkte inwisseling van ORI-geld tegen Nic.a-geld

Ô2

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8 Octob6I94”

op basis van een koers van 5 cent per -oepiah. De in-

wisse1ingsmogelijkheid is in die zin beperkt, dat per

gezinshoifd niet rheer zou mogen woden aangeboden
dan 200 roepiah en dat de gelegenheid tot inwisseling

s1ehts gedurende vier weken van de datum der af-

kondiging •door de verschillende Recomba’s af zou wor-
den gebodeii. Een contrôle op het eerste zou reeds

met mogelijk zijn in normale tijden, laat staan onder

d’e huidige chaotische verhoudingen, zodat de waarde
ân dze limite wel zeer problematiek is. De tijdsbe-

perking houdt verband met het inderdaad niet te
onderschatten gevaar van invoer van ORI-geld uit de

overgebleven republikeinse gebieden; ook echter binnen

deze termijn zal de republiek alle gelegenheid hebben

desgewenst de door Nederland herbezette gebieden vol

té stoppen.

Principieel beschouwd

betekent de boven omschreven

maatregel een officiële erkenning door de Nederlands-

Indische Regering vaii het ORI-geld. lIet beperkte ka-

rakter van de in’isselbaarheid doet hieraan niets af;
nu de Rëgering eenmaal het beginsel van d€ inwisselbaar-
heid heeft aanvaard, zal zij, naar moet, worden gevreesd,
wanneer de ,,politieke noodzaak” hiertoe aanwezig wordt

geacht, ook bereid zijn verder te ga’an op de ingeslagen
weg. Tot welke consequenties een en ander zal kunnën

leiden, laat zich thans nog niet oi,erzien; voor de positie

van de Nederlands-Tndische gulden kunnen zij slechts

nadelig zijn.

De doelstelling van de Regering met deze ,,politiek-

financiële” maatregel is voor alles geweest, de kleine man

tegemoet te komen, die, aangezien hij door omstandig-
lieden geen of onvoldoende gelegenheid had om Nica-geld

te verwerven, niet in staat was zich de met Nica-geld te

• betalen distributiegoederen – wo. textielen – aan te
chaffen, noch gebruik te maken van de verschillende

• vormen van dienstverlening – spoorwegen, posterijen,

enz. – van het Gouvernement.
De republiek interpreteert deze• maatregel als een

nieuw’ bewijs van

zwakheid van de Nederlands-Indische

Regëning en zal zeker trachten hieruit politiek en finan

idel ,,munt” te slaan.

Oj maatregel kwam af
01)
een momeiît, dat in vele

gebiedsdelen’ de terreur van de republiek haar hoogte-
– punt bereikte. Dit maakte het willen gebruik maken
‘i”aa de geboden inwisselingsniogeli,jkheid voor zeer velen
op zich zelf reeds tot ëen daad, waartoe moed nodig w’as.

Daarnaast echter was de vastgestelde inwisselingskoers
ad 5 pCt dusdanig weinig aantrekkelijk, dat ook op grond
van economische overwegingen de maatregel slechts

– incideiiteel effect heeft gesorteerd: Tekenend in deze is
dan ook wel, dat medio September het Regeringsbesluit
Ierzake van de inwisseling door de -Recömba voor Oost-
Java zelfs nog niet was afgékondigd. De politieke nadelen
hiervan i’erden bepaald groter geacht dan de voordelen.
Andere inbreuken op het aanvankelijk aanvaarde be-giiisel van negatie van het ORI-geld zijn tot dusver ge-

weest: het Rege’ingsbesluit, dat onder bepaalde omstan-
digheden – nl: Wanneer de inwisseliiig technisch niet uitvoerbaar zou zijn – ih distrihutië gebrachte textiel-

– goedre’n

eveneens in ORI-geld kunnen worden betaald,

vorts, dat men dit geld incidenteel heeft gebezigd bij de
opkoop van producten, dat het hier en daar iS geaccep-
teerd als betaling voör passar en andere retributies, enz.
– Deze laatste meer incidentele overtredingen moeten meé

– Worden toegeschreven aan tegenwerking bij locale Indo-nesisehe instanties, onjuiste interpretatie van voorschrif-

tn ën onvoldoende inzicht in monetaire aangelegenheden-
De vraag rijst uiteraard, of het beperkt inw’isselhaar
verklaren van het OR
,
j-geld de enige mogelijkheid was
voor de’ Indische Regering om het door haar beoogde –
hierboven uiteengezette – doel te bereiken. Een suggestie,
aan de Regering gedaan, om, indien zij een tegemoet-
koming jegens’ houders van het ORI-geld onvermijdelijk

achtte, zulks dan te doen in
d6
vorm van een beperktè

schadevergoeding, ondei’ gelijktijdig afleggen van een

verklaring, dat de Nederlands-Indische Regering het
– ORI-geld niet erkent en hiervoor derhalve geen enkele
consequentie aanvaardt, is niet overgenomen; naar moet

worden aa’ngenomen om redenen van politieke aard.

Indien men het voorgaande in een conolusi wil samen-

vatten, dan kan deze helaas slechts luiden, dat de gut-

stige invloed, welke, naar op goede
,
gronden mocht worden

verw’acht, de politiële actie op de monetaire situatie in
Nederlands-Indië zou kunnen hebben, althans tot dus-

verre- zich zeer bepaald niet heeft verwezenlijkt; met

name heeft zich vooralsnog niet in voldoende mate gema-

terialiseerd de zo noodzakelijke daling in de kosten van

levensonderhoud en daarmede van het lonen- en kosten-
peil in het algemeen door het in ruimere mate beschikbaar

komen tegen redelijke prijs van rijst e.a. primaire voedings-

middelen uit de herbezette gebieden. Het op -gang komen
‘van het handelsverkeèr met het binnenland is een absölute

vooi’w’aarde voor een heteugeling van het thans op gang
zijnde inflatieproces en voor het wegnemen van de als
gevolg daarvan ontstan& belangrijke afwijking tussen

de interne en externe ruilwaarde van de Nederlands-

Indische gulden, welke afwijking fnuikend is voor, de

exportmogelijkheden en daarmede voor de Indische

deviezenpositie.

Het in het voorgaande geschetste beeld is sombèr; een
verbetei’ing kan slechts optreden, wanneer de Regering,
langs welke weg ook, orde en rust ‘op Java en Sumatra

weet te herstellen: Vertrouw’en in een straf en continu
regeringsbeleid zal resulteren in vertrouwen in het door
deze Regering ‘in circulatie gebrachte geld, hetgeen op

zijn beurt weer nodig is om de verschillende raderen van

het economisch leven in beweging te brengen en te houden.

VRIJLATEN VAN DE HANDEL IN BONNEN

/ ONGEWENST.

In het nummer van 25 Juni der ,;E.-S.B.” bepleitte Dr

C.
N. F. Swarttouw in een knap opgezet betoog de legali-
sering van de handel in bonnen. Uitbanning van – althans
een groot stuk – zwarte handel, ruimere schakering in
de mate van individuele behoeftenbevrediging, opheffing

van de ,,spanning tussen lonen en prijzen”, een verbeterde

bestaansbasis voor de handeldrijveiide middenstand- – en
bezuiniging op het amblelijk apparait, dat zijn zo een aan-

tal van de verlokkelijke perspectieven, velke ons in Dr
Swarttouw’s voorstel worden voorgetoverd.
Wij mogen de redactie van dit tijdschrift en Dr Swart-
touw dankbaar zijn voor het feit, de problematiek der
alledaagse zorgen –. en ergernissen! – van iedere Neder-

lander op deze wijze ter discussie te hebben gesteld.

Lonen en prijzen.

Bepalen wij ons standpunt tegenover het pleidooi van

– Dr 5warttouw, dan vraagt allereerst de mogelijkheid van

opheffing ,van de panning tussen

lonen en prijzen de

aandacht. Laten wij vooralsnog in het midden, of deze

verbetering zich na verwezenlijking van Dr Swarttouw’s
voorstel zal realiseren, dan constateren wij in ieder geval het
volgende: de sociale spanningen in Nederland ontspruiten

minder aad een w’anverhouding tussen lonen en prijzen
dan w’el aan de grote afstand tussen materiële en geestelijke
behoeften enerzijds en de stroom der beschikbare bevredi-
– gingsmiddelen anderzijds. Leggen wij bijv. naast elkaar
de indexcijfers van lonen en prijzen van het C.B.S. en de
• kortelings verschenen- Consumptiénota. vail het Centrakl
Planbureau.,We zien dan,’ dat het indexcijfer der lonen
voor de vier belangrijkste groepen vgn industrie-arbeiders
gestegen is tot 192,5; de kosten van levensonderhoud

8 Öbtôbèr 1947

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

803

staan op ca. 198. Duidt deze verhouding op een zekere
mate van evenwicht tussen prijzen en inkomens, anderzijds

openbaart de Consumptienota de gaping tussen hetgeen
ons in 1947 ter beschikking staat – beter gezegd misschien

(!) ter beschikking staat – en de aanwezige behoef-
ten onzer bevolking. Ons volk vraagt in dit jaar 12,3

milliard gulden aan goederen en diensten en het zal zich
slechts voor om en nabij 6,4 milliard gulden kunnen ver-
werven. Voor deze harde feiten is geen ,,troost”, in welke

vorm dan ook, te vinden; wij hebben ze te aanvaarden,

omdat hun oorzaak aan de ene kant ligt in de opgelegde

nationale en internationale oorlogrverarming en aan de
andere kant in een vergroting van het totale complex
aan behoeften, waarvan ons volk zich bewust is en waarin
het dus voorziening verlangt. Wat dit laatste punt betreft,

o.i. staat wel vast, dat ,,men” veeleisender is dan voor de

oorlog; de tijd, dat honderdduizenden gezinnen zich zonder

in opstand te komen neerlegden bij een levenspeil, dat
zowel in absolute als in relatieve zin laag was, is voorbij.

Achteraf kunneii wij ons wellicht verworideren over de.

apathie, welke in de jaren tussen 1930 en 1939 zowel

in de arbeiderskIasse als in de kringen der kleine midden-standers viel waar te nemen, voor de huidige en komende
tijd mag en kan men een dergelijke houding niet meer
verwachten. Oorlog en bezetting drukten daarvoor te diep
hun radicaliserend stempel in het bewustzijn der werkende en opgroeiende generaties.
– Zoals gezegd: wij hebben dat alles te aanvaarden. En
aanvaarding betekent, dat in ons maatschappelijk bestel
de consequenties eensgezind door Regering en volk worden
getrokken. Consequenties, welke niet liggen op de door
Dr Swarttouw aangewezen weg terug naar een herstel der
vclvaartsverschilIen binnen de – ook door hem erkende – beperkte mogelijkh
,
eden, doch veeleer in de richting van
nivellering in de mate, waarin iedere Nederlander zijn
primaire behoeften kan dekken. Dr Swarttouw vraagt
,,erkenhing van een economische realiteit”; naar onze
mening gaat hij voorbij aan de w’erkelijkheid der sociaal-
economische eisen, welke in deze dagen aan de economische
iolitiek worden gesteld. liet distributiestelsel tracht
althans op het terrein der voorziening aan die eisen te
voldoen. Dat het stelsel als zodanig in Nederland niet

altijd even gelukkig. functionneert – getuige de zwarte
handel -, moge o.i. nog geen reden zijn om het principe

der distributie nu maar overboord te zetten. liet ware
zeker aan te bevelen, om de huidige Nederlandse distribu-

tie-organisatie eens scherp onder de loupe te nemen en langs
de weg van verbetering in het stelsel tot een vermindering
van de zwarte handel te komen.
Doch daar gaat het in Dr Swarttouw’s betoog niet om,
én hij stelt zijn uitgangspunt eerlijk: de behoeften der

individuen zijn ongelijk en dus moet de verdeling van
hètgeen de productie oplevert, niet in gelijke doch in onge-
lijke porties plaatsvinden. Daarop berust dan zijn stelling,
dat het de Overheid
,,au fond niet aangaat, of iedere indiQi-
duele consument al dan niet ean zijn consumptierechten
geen -plichten), venst gebruik te maken. De consumptierij-
heid is in deze zin nog steeds een onaantastbaar goed”.

ilet schermen met het begrip ,,vrijheid” is altoos gevaar-
lijk; er zijn immers slechts weinig begrippen, waarover de
meningen zo uiteenlopen als juist over de ,,vrijheid”. Ook

met de zgn. ,,consumptievrijheid” is dat het geval. Klaar-
blijkelijk is Dr Swarttouw de mening toegedaan, dat er
voor de oorlog consumptievrijheid bestond; het gebruik
van de woorden ,,nog steeds” in voorgaand citaat wijst
daarop. Ook voor de oorlog was die consumptievrijheid
evenwel voor tallozen van een zeer twijfelachtig karakter,

daar zij werd beperkt door een te geringe koopkracht bij
de massa. Men mocht wel kopen wat men wilde, doch men
kon
het zich dikwijls niet veroorloven. Circa 70 pCt van
de totale textielconsumptie in Nederland werd opgenomen
door 30 pCt van de bevolking. Dr Swarttouw moge dit

statistische feit naar voren brengen als een argument

voor de door hem gewenste schakering in de individuele
behoeftenbevrediging, wat ons betreft kan zijn illustratie-
materiaal even gemakkelijk worden gehanteerd in een

requisitoir tegen de vooroorlogse wijze van verdeling der
nationale productie. Men behoet voor het overige maar

de schrijnende resultateq op te slaan van het ,,onderzoek

naar de inventaris van door oorlogshandelingen getroffen
gezinnen te Rotterdam”
1),
om alle bewijzen in handen
te hebben, ivelke het vooroorlogse ,,vrije” verdelings-

systeem ten enenmale veroordelen.
Men kan nu, gelijk Dr Swarttouw, van mening zijn, dat
de Overheid – via haar fiscale en sociale politiek, gesteund
door particulier liefdadigheidswerk – moet zorgen voor

voldoende koopkracht ter benutting van de beschikbaar
gestelde consumptiemogelijkheden. Wij zijn het daarmede

volstrekt eens, doch betwijfelen, of een dergelijke politiek

zonder meer voldoende is.

Hier naderen we het punt, waar Dr Swarttouw’s mening
en onze opvatting wellicht onoverbrugbaar tegenover

elkaar staan. Het is o.i. wel degelijk de taak der Overheid
er op toe te zien, dat de stroom der
primaire
consumptie-
goederen – levensmiddelen zowel als duurzame gebruiks-
goederen – zo gelijk mogelijk over alle individuen vordt
verdeeld. Alleen wanneer de primaire behoeften over de
gehele linie bij iedereen zo ver mogelijk worden bevredigd,
zal de werkende bevolking de kracht kunnen opbrengen,
nodig om ons land uit het moeras der armoede te halen.
Er wordt in deze dagen veel gesproken over de nood zake-
lijke opvoering der arbeidsproductiviteit, en terecht. Men
kan er zich evenwel van overtuigd houden, dat de physieke
zowel als psychologische voorwaarden voor een zo hoog
mogelijke arbeïdsproductiviteit in belangrijke mate worden
vervuld, resp. behoren te worden vervuld door het gelijkelijk

verdelen van de stroom der primaire goederen over alle in-
dividuen. Daarbij is de ,,distributie” het onmisbare comple-
ment van de loon- en prijspolitiek, welke laatste voor het in-
standhouden – en, waar nodig, aanpassen – der koop-
kracht moet zorgen.
Veronderstel bijv. eens, dat er een vrije handel zou wor-
den toegestaan in boterhonnen. Ongetwijfeld zou het ge-
volg zijn, dat in sterkere mate dan helaas thans reeds
geschiedt, de arbeidersgezinnen hun boterbonnen gaan
verkopen aan mensen, die een hoger inkomen genieten.
Men mag niet op het standpunt gaan staan, dat die arbei-

dersgezinnen hun boterbonnen gaan verkopen om hun
textiejpunten te kunnen honoreren; de loon- un prijspoli-
tiek dient immers om zowel de koopkracht voor boter
als die voor textiel in het gezin te brengen. Doch wel moet
men vrezen voor het gevaar, dat de opbrengst der boter-
bonnen zou dienen voor verkrijging van secundaire goede-
ren of diensten. De physieke volkskracht zou aldus worden
geschaad en daarmede de arbeidsproductiviteit.
Dat ook om psychologische redenen de arbeidsproduc-
tiviteit zou worden gedrukt door het legaliseren van de
bonnenhandel, behoeft nauwelijks betoog. Een en ander schenkt ons de overtuiging, dat de Over-
heid uit overwegingen van gemeenschapsbelang wèl te
maken heeft met de wijze waarop de consumptierechten,
belichaamd in de bonnen, worden uitgeoefend.
Betekent dit nu ,,consuniptiedwang”? Geenszins; er zal
tot dusverre geen huisvrouw met een laag veekgeld in
Nederland zijn geweest, die het verbod van bonnenhandel
als consumptiedwang heeft gevoeld, voor zoverre het de
bonnen voor primaire goederen betreft. In de gezinnen
zelf is er meestal voldoende onderlinge ,,ruilmogelijkheid”
om de al te uniformistische kanten van het distributiestelsel
af te slijpen. Men hoede zich toch vooral voor overdrijving
der bezwaren, welke aan de voor iedereen gelijke consump-
tierechten vastzitten! De bezwaren zijn zeker niet gewich-
tig in de kringeii van hen, die tot de lagere inkomensklassen
behoren. Zij hebben alle redenen om het principe der

‘)
1Iaandschrift .B
….
No. 4/5 jaargang 41.

•1”

804

.

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTÉN

8 October 1947

distributie als een weldaad te bechoüwen, welke gebreken

er overigens aan de toepassing van het principe ook mogen
kleven. Neen, de bezwaren komen in de eerste plaats van

de zijde van hen, die tot de hogere inkomensklassen beho-
ren. Deze groepen gevoelen het distributiestelsel, annex

het verbod van bonnenhandel, inderdaad als een consump-
tiedwang, omdat aan hén de plicht is opgelegd hun abso-
luut gebruik en verbruik van primaire goederen te beper-

ken, tot een peil, dat lager ligt dan hun koopkracht. Het

,burgerlijke fatsoenscompléx”, waarover Dr Swarttouw zo

geestig schrijft, zou hij de hogere inkomensklassen inder daad worden gereinigd, wanneer zij hun extraatjes buiten

het normale pakket op een legale ip plaats van op een

zwarte markt zouden kunnen kopen. Weegt dat voordeel

echter op tegen de bezwaring van het fatsoenscomplex
en het gevoel van ontrechting bij vele kleinere burgers,

die bij dciorvoering’ van Dr Swarttouw’s voorstel openlijk

hun bonnetjes op dé legale markt te gelde zouden gaan

naken?

In/lat egeQa?’efl.

Het vorensaande moge düiiélijk hebben gemaakt, dat

afwijzing resp. aanvaarding van de door Dr Swarttouw

geponeerde Vrije bonnenhandel kunnen voortvloeien uit

tétaal verschillende sociaal-politieke inzichten. Dit. te

constateren legt tegelijkertijd de verplichting op, te trach-
ten het gewraaktç voorstel ook langs andere weg te toetsen

op zijn schijnbare bruikbaarheid. Bezien wij daartoe in de
eerste plaats de vraag, of de zwarte handel bij legalisering
van de bonnenhandel zou verdwijnen. Verwacht meh

met Dr Swarttouw, dat zulks inderdaad en althans voor

een groot deel het geval ial zijn, dan moet men ervan
overtuigd zijn, dat de voornaamste bron van de zwarte

handel thans gelegen is in het aanbod van bonnen door

hên, die hun consumptierechten niet willen of niet kunnen
uitoefenen. Ons dunkt, dat het bewijs voor deze stelling

niet is geleverd. De gevallen van bonnenverkoop, welke

de budgetonderzoekingen der statistische bureaux ont-

hullen,; kunnen de kwantitatieve betekenis van de bonnen-
handel onmogelijk voldoende omlijnen. Veeleer vestigen

zij de indruk, dat het met de verkoop van bonnen, als

middel om de zgn. spanning tussen lonen en prijzen op
te vangen, niet zo’n vaart loopt.
• Ofschoon wij onze ‘mening evenmin met cijfers kunnen
schragen, wil het ons voorkomen, dat zich slechts een
relatief klein deel van de zwarte handel afspeelt in wat
wij het hoi’izontale vlak der voorziening zouden willen

noemen, door verplaatsing dus van bonnen van de ene
naar de andere consument. Gevaarlijker en o.i. kwantita-
tief veel ernstiger is de aftapping van de goederenstroom
langs de verticale weg van producent naar verbruikers.

1-let is deze bron van zwarte handel, welke men – gelijk
ook Dr Swarttouw toegeeft – door legalisering van de

bonnenhandel, zoals vanzelf spreekt, niet kan droog-

leggen.
Doordat Dr Swarttouw zijn betoog niet steunt en niet

kân steunen op betrouwbare gegevens omtrent de omvang van de verschillende soorten zwarte handel, krijgt zijn ge-

hele redenering een speculatief karakter, en wordt op min
of meer willekeurige wijze alle aandacht geconcentreerd
op de bonnenhandel. Gesteld evenwel, dat de legalisering
van de bonnenhandel inderdaad tot verschuivingen in
het horizontale vlak der consumptie zou leiden, dan
zouden er gvaarlijke storingen zijn .te verwachten, zelfs wellicht ook, wanneer op het moment van overgang van
zwarte naar legale markt de bonnenhandel maar betrek-

kelijk gçring zou zijn.
De drang tot uitgeven van inkomens- of vermogensgeld

zou sterk worden aangemoedigd. Zij, die een zeker ver-
mogen bezitten of een inkomen trekken, dat hoger is dan

nodig om hun distributiepakket te kopen, zouden een deel
van hun overtollige koopkracht niet of iuiet meer beleggen.
Zij kopen’ immérs bonnen en hevelen een deel hunner

koopkracht naar de lagere inkomensklassen ijver, waar die

koopkracht zonder twijfel in de al of niet gerantsoeneerde

consumptiesfeer gaat circuleren. Denkbaar is natuurlijk,
dat anderen met hogere inkomens het geld voor koop van

bonnen niet aan besparingen onttrekken, maar hun uitga-

ven aan bonvrije luxe goederen en diensten verminderen.

Hoe het ook zij, in iede’ geval zou de legale bonnenhandel
per saldo een vermindering der besparingen, anders gezegd

een vergroting van de totale consumptie, tot gevolg heb-

ben. En voorzover die stijging van de consumptiedrang
geen vergroot aanbod van bonvrije goederen en diensten

ontmoet, zal het inflatoire effect zich vooral uitdrukken

in de prijzen der niet gerantsoeneerde en aan de vrije

prijsvorming overgelaten goederen. Daarop gebaseerde

loonacties en verdere prijsstijgingen zouden de volgende
etappe inluiden.
Intussen blijft het niet bij dit ene inflationistische ge-

volg; indien er in een bepaalde bedrijfstak schaarste,aan

arbeiders is en de lonen zijn aan een plafond gebonden,

dan zullen de betrokken werkgevers de aantrekkingskracht
van hun onderneming trachten te verhogen door uitdeling

van extra bonnen, welke zij op de legale bonnenmarkt
kopen. De arbeiders treden op hun beurt weer als aan-

bieders op de bonnenmarkt op en consumeren langs die

weg het geidkapitaal van de onderneming.
Er is dus weinig voorstellingsvermogen voor nodig om
te ‘tien, dat het gehele zo moéizaam opgetrokken gebouw

van lonen en prijzen zou worden ondermijnd door legalise-

ring van de bonnenhandel.
Er zij op deze iiiflatiegevaren in het bijzonder de aan-

dacht gevestigd, omdat Dr Swarttouw ons wil doen ge-

loven, dat een prijsdaling van de bonnen kan worden
verwacht, wanneer de risicopremie van de zwarte handel
wegvalt; daarnaast suggereert hij de mogelijkheid van een

zelfstandige algemene prijsdaling. Dit laatste punt laat hij

overigens in het midden en wat de prijzen voor de bonnen
betreft menen wij, dat het wegvallen van de risicopremie

ten hoogste een -bijkomende factor is. In eerste aanleg

immers worden de prijzen bepaald.door vraag en aanbod
en deze beide hoofdfactoren kunnen onderscheidenlijk

bij verbod en bij legalisering van bonnenhandel van een
ver uiteenlopende orde van grootte zijn. Alleen wanneer
zowel bonnenvraag als aanbod bij de overschakeling van
zwarte naar legale handel gelijk blijven, zou Dr Swarttouw
gelijk krijgen. Deze vôôronderstelling lijkt ons van iedere
grond ontbloot. In het licht van hetgeen hierboven reeds
werd betoogd, zou men eerder mogen veronderstellen,
dat zich wel grote wijzigingen in vraag en aanbod zullen

voordoen. In welke richting deze op het prijspeil der
bonnen zullen inwerken, wagen wij niet te voorspellen.
Wat de prijsvorming der bonnen betreft, zij tenslotte nog
opgemerkt, dat zich hier een uitermate vruchtbaar ter-,

rein voor de speculatie opent, met alle gevolgen van heftige
prijsbewegingen en grove winsten en verliezen.

Inoloed ean het systeem op de productie.

Na ons aldus te hebben verdiept in de monetaire en
en pr.ijspolitieke aspecten van het vraagstuk, schenken wij

vervolgens aandacht aan de nasleep, welke de legalisering
van de bonnenhandel in de sfeer der productie met zich
zou brengen. DrSwarjtouw gaat uit van de praemisse,
dat de Overheid ervoor zorgt, productie- en consumptie –
beide in bonnen gemeteiï – in evenwicht te houden. Is
dit echtei’, zo vragen wij ons af, onder een systeem van gelegaliseerde bonnenhandel wel mogelijk? Zien wij af

van het feit, dat bij een ernstige verstoring der loon- en
prijsverhoudingen, zoals hiervoor geschetst, de leiding
der natio’nale economie aan de overheidsorganen moet
ontsnappen, dan valt nog op andere gevaren te wijzen.
Zo zal bij’s.’. een vergrote opkoperij van bonnen op het plat-
teland ontstaan. Hier kan de bevolking zich op eenvoudige
n

wijze, buiten de bonen om, van allerlei levensmiddelen
(eieren, melk en vlees) voorzien. De door de plattelands-

Ç.’

7

S October 1947

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

805

bewoners verkochte bonnen vloeien vervolgens naar de

stad, waar de hogere inkomensklassen over meer bonnen

gaan beschikken. Het gevolg kan zijn, dat tot vermindering

van de hoeveelheden, die per bon worden verstrekt, moet
worden overgegaan,-en dit treft uiteraard in het bijzonder

de lagere inkomensgroepen. Aangenomen mag voorts wor-
den, dat tegenwoordig een zeer belangrijk deel der produi-

tie van bijv. duurzame primaire gebruiksgoederen (wo-

ningen, textiel, aardewerk en mèubelen, etc.4 ingesteld is

op de behoeften en de smaak der grote massa (utility-

productie). Wanneer nu de consumptierechten voor een

deel .uit de handen der massa overgaan in die van de beter-
gesitueerclen, dan zal de productie in conflict komen met
de eigen aard der vraag. Noodzakelijkerwijs zal dus door
de ondernemers de utility-productie geheel of gedeeltelijk

worden opgegeven. Kostprijsverhogingen en wijzigingen
.in het productieproces zullen het resultaat zijn. De hand-
having door de Overheid van een evenwicht tussen pro-
ductie en consumptie wordt daardoor’ten zeerste be-

zwaard. Daarenboven zal een gelegaliseerde bonnenhandel
mogelijkerwijs de kiem bevatten voor een terugkeer der

terecht zo gevreesde onderconsumptie. ‘Wat is immers het

geval? De hogere inkomensklasen zullen, dank zij de extra
aanschaffingen van bonnen of punten, hun behoeften tot
op grote hoogten kunnen gaan dekken. Is de inhaalvrâag eenmaal bevredigd, dan zal normaliter de handelswaarde
der consumptierechten gaan dalen. Het inkomen van hen,

die tot dusverre werden ,,gesteund” doör de verkoop
van hun bonnen 6f punten, daalt: En het is zeer de vraag,
of de integrale kostprijs der onderhavige goederen zo snel

kan dalen, dat de weggevallen inhaaivraag der beter-
gesitueerden.toch nog wordt opgevangen door de lagere
inkomensklassen. De laatsten, die op dit moment hun
consumptierechten zouden willen gaan uitoefenen, bemer-
ken waarschijnlijk, datde prijzen der goederen te hoog lig-
gen We krijgen dan een situatie, analoog als véér de oorlog:
,

eengrote latente behoefte aan duurzame gehruiksgoederen,
een.onderbezet productie-apparaat en een verdeling, waar-

bij in een aantal sectoren’ het merendeel der productie
wordt opgenomen door de minderheid der bevolking.
Wij hebben daartegenover het vertrouwen, dat een goed
functionnerend distributiesysteem van groote waarde zal
zijn, ook als één der afweermiddelen tegen onderconsump-tie. De verstrekking van consumptierechten van overheids-
wege nooptde Overheid er onder alle omstandigheden voor
zorg te dragen, dat die consumptierechten ook kunnen
worden uitgeoefend. Wettige overdraagbaarheid der con-
sumptierechten zou tot een verzwakking van die morele

plicht der gemeenschap leiden. Wij zouden dat diep be-
treuren. –

Nedrland heeft zich na de bevrijding tot taak gesteld,
langs de weg van geleide economie de armoede zo gelijk
mogelijk over- zijn burgers te verdelen. Dr Swarttouw’s
voorstel getuigt van twijfel aan de zin van onze geleide
economie, waarvan het distributiestelsel vooralsnog een

integrerend onderdeel vormt; ook spreekt bij hem de
twijfel aan onze eigen kracht om het gestelde doel te ver-
wezenlijken. –
Ons bewust zijnde van alle gebrekeii, welke aan de hui-
dige inrichting onzer volkshuishouding kleven, zijn wij
nochtans niet berèid de pessimitische opvattingen van
Dr Swarttouw te onderschrijven.
Ten besluite moge dan ook voor ditmaal eens een oud
woord van Karl Marx in herinnering worden gebracht:
,,De mènsheid zal alleen dan naar een bepaald doel
streven, wanneer de materiële voorwaarden tot verwezen-
lijking van dat doel aanwezig zijn, dan wel tenminste in

het wordingsproces besloten liggen”.
H. PONSEN.

AANTEKENING.

DE VRIJE GOUDMARKT.
De vrije en ,,zwartè” goudkoersen, die sedert de tweede

helft van 1946 een dalende tendens vertoonden, zijn na
het midden van dit jaar van richting veranderd. De oor-

zaken van deze verandering worden aangegeven door de

,,Neue Zürcher Zeitung” van 27 September ji. in een

artikel ,,Die ,,freien” Goldmarkte in Bewegung”, waaruit

wij hieronder een en ander laten volgen.

Als uiterlijke aanleiding ziet hetblad de toenemende

valutamoeilijkhden in tal van landen, vnl. in Engeland,.
die in de eerste plaats de vorm van een acuut geworden
dollarschaarste aannamen en tenslotte, wat Engeland
betreft, hebben geleid tot opheffing van de inwisselbaar-

heid van het pond sterling. Deze steeds duidelijker wor-
dende verstoringen van het evenwicht hebben niet alleen

in vele landen de neiging tot goudoppotting versterkt,
maar ook de verwachting doen ontstaan, dat de regeringen

hef in evenwicht brengen van de betalingsbalans zouden

kunnen beproeven met behulp van het klassieke middel

der devaluatie. De speculaties over de mogelijkheid van

devaluatie, die tevens de belangrijkste valuta van de
wereld zouden betreffen en de koersen in overeedstemming
met de koopkrachtpariteiten zouden brengen, hebben
aan de stijgende beweging vhn de ,,vrije” goudprijzen
een nagenoeg algemeen karakter gegeven.
De koersstijging was het eert merkbaar op de markten
van het Nabije Oosten (Alexandrië), later geleidelijk ook
op andere plaatsen. Flieronder volgen enige vrije, resp.
,,z.warte” goudnoteringen:

1947

Midden Juli
I

2e helft Sept.
Partj
.
..
Napoléon (munt v. 20 Fr.f.)
Fr.fr.

3.000 3.800
Sovereign

…………..
3.250
4.300
Brussel:


Sovreign

…………..
‘B.Ir.

700
800
Rome:
Sovereign

…………..
Lire

8.800
9.900
L,.ssabon:
Sovereign

…………..
Esc.

340
400

Tangir:

Sovereign

…………..
Pes.

420
520
Alexandrië:
Sovereign

……………
Piast’er

463
1
)
517
Hongkong:
Baren goud (1 tola
=
87,5 gr.)
H.K.-$ 337
360
Nen

York:
Ons fijn goud (= 31,103 gr.)
U.S.K-S

40
42

‘)
Midden Juni.

De speculaties over een algemene valutadevaluatie
bleken tot dusver ongegrond. De regeringen zijn met hun

streven om de bestaande valutamoeilijkheden te over-
winnen een andere richting ingeslagen. Verscherpte –
deviezencontrôle, invoerbeperkingen, exportstimulering en
dergelijke maatregelen ikorden in steeds meer landen
toegepast, teneinde op deze .wijze het verstoorde even-
wicht van de betalingsbalans weer recht te trekken.

Om deze reden wordt ook het streven om nieuwe Ameri-
kaanse credieten te krijgen, en dit niet alleen in de nood-
lijdende Europese landen, steeds krachtiger. De goudmarkt
is voor deze gang van zaken niet ongevoelig gebleven.
In New York bijv. is de ,,zwarte” goudprijs, welke tijdelijk
tot $ 46 â $ 50 per ons fijn goud (bij een officiële prijs
van $ 35) was gestegen, weer tot ongeveer $ 42 gedaald.
Ook op andere markten vielen koersdalingen waar te
nemen’, maar de koerswinst van de laatste tijd is desondanks
grotendeels behouden gebleven. Dit valt vnl. te verklaren
uit de veranderde houding van de circulatiebanken tegen-
over de vrije goudmarkt. Het aandeel van de circulatiebanken in de voorziening

806

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8′ October 1947

der vrije markt van goud was sedert het einde van de

oorlog groot. Het jongste jaarverslag van de Bank voor
Internationale Betalingen geeft hiervoor aanwijzingen:

de officiële, goudreserves zijn sedert 1946 met ongeveer

S 200 millioen gestegen, waaruit volgt, dat van een wereld-

gotidproductie van ongeveer $ 960 millioen niet minder

dan $ 750 millioen is aangewend in de industrie en vooral
diende ter vergroting van het particulier gouclbezit.

In tegenstelling tot de Nationale Bank van Zwitserland;

die tot voor kort goed afgaf ter absorbering van bank-

biljetten, dus het oog richtte op de interne monetaire
toestand, lieten de meeste andere circulatiebanken zich

leiden door de wens om, bij verkoop van goud op de

vrije markt, zoveel mogelijk dollars te verkrijgen. Vandaar,

dat zij, in plaats yan goud te verkopen ,aan de Federal

Reserve Ilanks voor $ 35 per ons fijn, zich richtten tot de

vrije markt, waar $ 40 of meer kon worden verkregen.

,,Es bildete sich sornit ein Zustand heraus, der einer

Abwertung des Dollars gegnüber dem Golde nicht

unëhnlich war”, zegt de ,,Neue Zürcher Zeitung”. Ten-
einde een dergelijke indirecte ,,Dollarabwertung” te voor-

komen, verzoht het Inteinationale Monetaire Fonds

in Juli jl. aan de aangesloten landen om de goudafgifte

door de circulatiebanken tegen prijzen, die boven’ de

officiële pariteit liggen, te. staken; het kon zich daarbij

op de bepalingen van Bretton Yoods beroepen. te voor-

ziening van de vrije goudmarkt met het gele metaal

stokte, de ,,zwarte” koersen gingen, mede door de tege-

lijkertijd opgekomen geruchten over devaluatie, in ‘de

hoogte en de weinige nog goud afgevende circulatiebanken
stonden plotseling tegenover zo’n grote vraag naar goud,
dat ook zij hun goudverkopen moesten staken (Zwitser-

land; kort daarna ook Turkije).
liet blad is van mening, dat de valutapolitieke situatie

van de wereld door deze gang van zaken aanleiding tot
ernstige bezorgdheid geeft., immers, de langer dan een jaar geleden ingezette voortdurende daling van de vrije
goudprijs wekte aanvankelijk de hoop, dat daardoor de

overgang naar de werkelijk Vrije goudhandel en naar
normalisering van de valutavei’houdingen werd voor-

bereid. Men koesterde de illusie, dat in afzienbare tijd

de Vrije en de officiële goudprijs samen zouden vallen en
dat men, niet behoud van de bestaande valutapariteiten,
een geleidelijke afbraak van de deviezencontrôle, ten-
minstc,in de belangrijkste landen, zou kunnen beginnen.

De gebeurtenisseh van de laatste maanden hebben
deze verwachtingen wel de bodem ingeslagen. De eco-
nomische toestand van de meeste landen – ook van
landen als Zweden en Argentinië – is sedert liet Voorjaar

van 1947 slechter geworden..,, Die Wdhrungsverhëltnisse
spiegeln die zunehmenden Spannungen der Wirtschafts-
lage um so getreuer wider, als diese Siannungen vor-

nehmlich von, der Geldseite herkommen, niimlich von
der anhaltenden inflatorischerï Entwickiung”. Het is
in dit licht bezien begrijpelijk, dat de circulatiebanken
trachten – met het oog op een eventuele latere herziening
van de valutapariteiten – hun goudvoorraden op peil

te houden.
Uit het feit, dat de internationale valuta-autoriteiten
de goudhandel aan banden hebben gelegd, blijkt nL
duidelijk, dat de bestaande pariteiten slechts met behulp
van kunstmatige ondersteuningsmaatregelen kunnen wor-
den gehandhaafd, waardoor een vei’betering van de va-

lutatoestanden op grond van deze pariteiten illusoir is

geworden.

INTERNATIONALE NOTITIES,

DE JN’LÂPIId IN I’I’AJJË.

De’waarde van de lire is gedurende de zomer vooi’t-
duiend gedaald; de kosten van levensonderhoud in Italië
zijn dit jaar, en vooral de laatste drie maanden, angstwek-

kend gestegen. ,,The Economist” vân 4 October geeft in
een artikel ,,False Alarms in Rome” cijfers voor Milan:

1938 = 100 stellende, bedroeg het cijfer voor Maart 4.242,
voor Juni 4.972, voor Juli 5.433 en voor September onge-

veer 6.500. In liet licht van deze feiten is het gemakkelijker

om de stakingsgolf, welke over Italië gaat, te verklaren.

Ook de werkloosheid is toegenomen en de noodzaak om

grote bedragen uit te geven om de gevolgen,hiervan tegen

te gaan, is een der rdenén van de onmacht der Regering

om de begroting in evenw’icht te brengen. De schattingen

voor 1947—’48 zijn: opbrengsten 520.560 milliard lire,
uitgaven 831.771 milliard lire. Dit tekort is zeker te klein

geschat, meent ,,The Economist”; de schattingen voor.
1945—’46, gebaseerd op 114. milliard lire aan uitgaven,

stegen toti 501 milliard lire, in 1946-47 stegen de uit-

gaven van 341 milliard tot 932 milliard lire. Een dergelijke

niet te beheersen stijging moet ook dit jaar worden ver-.

wacht. De Regering gaat meer belasting heffen om dit

tekort te bestrijden: men hoopt bijv. dooi’ twee buitenge-

wone kapitaalheffingen ± 90 milliard lii’e binnen te krijgen,

,,but the habit of paying taxes in Italy is not so w’ell

developed as to encourage optimism”. liet merendeel der

belastingen blijft indirect en drukt het meest op de armen:

Ook de verwachtingen ten aanzien van het deflationaire

effect van de in het begin van de zomer ingestelde drasti-

sche credietbeperking ten opzichte van alle industriële
concerns zijn niet in vervulling gegaan. Het uiteindelijk

resultaat, volgens bovengenoemd blad, is geweest een ver-

snelling van de infiationaire ontwikkeling.
Het probleem echter, dat het meest dringend om op-
lossin’g vraagt, wordt gevormd door dè snelle uitputting

van het bezit aan buitenlandse valuta, waaraan het
Britse besluit tot staking van de inwisselbaarheid van het
pond sterling sterk debet is. De Regering is genoodzaakt

in de 1001) van het volgend jaar 2,2 mihlioen ton graan te
importeren; dit graan moet, tezamen met een maandelijkse import van 800.000 ton steenkool, bijna geheel met dollars

worden betaald. Ongeveer $ 1 milliard zal daardoor het

volgend jaar nodig zijn, waai’van echter reeds $ 250 mil-

lioen vdér Kerstmis. Reeds zijn voor de volgende maanden
enige steenköoloi’ders door de Regering ingetrokken en,

waar het gehele industriële herstel van italië afhangt van

geïmporteerde steenkool, schijnt eind November massa-
werkloosheidonvermijdelijk, aldus
r1he
Economist”. De

binnenlandse voedselproductie kan de behoeften slechts
tot Kerstmis dekken. ,,Dans cette conjoncture critique,
le gouvei’nement multiplie les appels aux crédits étrangers”,
schrijft ,,L’Economie” van 2 dezer en voegt daaraan toe,

dat het zeker is ,,que l’Italie compte parmi les prerhiers

pays que le président Truman songe I
t
faire bénéficier

de so’n projet d’aide transitoire, en attendant que .1e plan

Marshall prenne consistance”.

IMMWI{Â’L’IE ‘VN A111)IEI1)SKRACIITEN iN FRANKRIJK.
Uit officieel beschikbare cijfers kan worden afgeleid,

dat in Frankrijk de werkgelegenheid zich op een hoog peil
beweegt. Zo vermeldt het Augiistusnurnmer van ,,Etudes

et Conjoncture” – een publicatie van het ,,Institut National
de la Statistique et des Etudes Economiques”, dat onder het
Franse Ministerie van Nationale Economie ressorteert -,
dat het aantal onderstei.inde werklozen op 15 Mei, 15 Juni

en 15 Juli jl. respectievelijk slechts 7.900, 7.050 en 6.300

bedroeg. Dit lage peil der werkloosheid gaat samen niet
spanningen op de arbeidsmarkt, welke met name voel-
baar zijn in de agrarische sector en de bouwnijverheid.
Fraiikrijk stelt daarom prijs op immigratie. De immi-
gratiepolitiek heeft echter tot nu toe, zo mèrkt bovenge:
noemde publicatie op, geen bevredigende resultateri afge-

worpen. Gedurende de eerste helft vân 1947. kwamen
slechts 22.280 Italiaanse arbeiders het land binnen; voor
liet gehele jaar was gerekend op een aantal van 200.000.
De geïmmigreerde Italianen verlaten bovendien groten-
deels reeds spoedig het werk, waarvoor ze zijn aangenomen,

S October 1947

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

807

tot schade van de werkgevers, die de kosten van binnen-

komst op zich hebben genomen. –
Ï3etere resultaten schijnen te worden verkregen met
de arbeidskrachten, die uit Noord-Afrika zijn ,,geïmpor-

teerd”, ter..rijl voor een deel de hoop ook gevestigd is op

uit Duitsland afkomstige ,,displaced persons”. Onder de

krijgsgev.ngenen, die in Frankrijk aanwezig zijn, is een

referendum gehouden, waarbij werd gevraagd, wie vrij-

willig in Frankrijk zou blijven werken. 1-let betreft hier

een totaal aantal arbeidskrachten van naar schatting

300.000; volledige resultaten van het referendum zijn nog

niet bekend, doch, zo meldt ,,Etudes et Conjoncture” met
enige tevredenheid, op 15 Juli jl. hadden reeds 69.750

krijgsgevangenen iich bereid verklaard, in Frankrijk te

blijven. Rond de helft van dit aantal gaf daarbij de voor-

keur aan werkzaamheden in de landbouw.

GELD- EN KAPITAALMARKT.

De maandultimo is aan de geldmarkt zonder merkbare

schokken voorbijgegaan. De callgeldrente, welke tijdelijk

op j pCt was gedaald, steeg echter weer spoedig tot 1 pCt.
Nadat de noodzaak tot ,,wind,ow-dressing” voorbij was,
werden deze middelen grotendeels weer uit de markt ge-
nomen ter belegging in jaarpapier. De marktnoteringen
voor schatkistpapier ondergingen slechts zeer geringe

veranderingen. Aan het einde der week werden driemaands-
promessen bij zeer geringe omzet tegen 1 tot 1
1
/ 1)Ct

verhandeld, halfjaarpapier werd tegen
15116
gedaan, ter-

wijl de langer lopende termijnen practisch alle tegen
pCt werden gevraagd. Ruiltransacties, welke de markt
een zoveel levendiger aanzien geven, kwamen uiteraard-
bij deze geringe marges in de disconto’s vrijwel niet tot

stand.
Op 15 October a.s. zullen de pensioenfondsen voor de derde maal kunnen inschrijven op 3- pCt niet verhandel-
bare schatkistbiljetten met 5-jarige looptijd, in totaal mei

alle voorgaande inschrijvingen van deze aard tot een be-
drag, dat hun deelneming in de eerste tranche van de
3 pCt Grootboeksehuld 1946 niet overtreft. Flet bijzondere
hierbij is, dat thans ook geblokkeerd geld kan worden
gebruikt, doch dat de pensioenfondsen zich moeten ver-
plichten, om na afloop van de termijn vaii 5 jaren de gelden
in de Schatkist te laten voor niet minder dan 25 jaren

tegen de dan geldende rentevoet. Deze laatste bepaling
lijkt niet bepaald gunstig.
Blijkens het antwoord van de minister van Financiën op
de destijds gestelde opmerkingen naar aanleiding van de
Deviezennota van April 1947 is op de binnenlandse dollar-
lening ingeschreven voor een bedrag van
S
22 millioen.

Dit bedrag is inderdaad niet groot, doch slechts een deel
van de opbrengst der verkochte Amerikaanse effecten is
in deze lening herbelegd; de rest zocht waarschijnlijk een
meer riskante en grotere mogelijkheden biedende belegging.
De vrijwillige liquidatie van Amerikaans effectenbezit

had tot nu toe volgens de monetaire autoriteiten een niet onbevredigend verloop. Echter schijnt juist in de laatste
weken de verkoop van Amerikaanse stukken vrij aanzien-
lijk te verminderen, waarbij naast het feit, dat de meest
noodzakelijke verkopen wel zijn verricht, bok de verplich-
ting tot aanmelding van dollareffecten een rol heeft gé-
speeld. Men schijnt nl. een vordering te verwachten en
neemt -in afwachting daarvan geen- verdere
,
maatregelen.
lIet koersverloop ter. beurze van Amsterdam vertoonde
in de afgelopen week wel enige beweging, doch slechts van
beperkte omvang. In het midden der week gaven de koer-
sen een lichte daling te zien, welke op de laatste beurs-
dagen weer ruimschoots werd ingehaald. Vrijwel alle fond-
sen maakten deze bewegingen mede, zodat het algemene
koersniveau per saldo iets hoger kwam dan de voorgaande
week.

26 Sept.
3 Oct.

1947 1947

A.K.0.

………………….
175k
179
v.

Berkel’s

Patent

…………..
126e
129

Lever Bros. Unilever C. v. A…..
301
304
Philips

G. b. v. A……………
377
3841

Koninklijke

Petroleum

…………
445k
450
ii.A.L.

……………………
222
224
N.S.0 .

……………………
186
189

FI.V.A.

……………………
226
228
Deli

Mij.

C. v. A.

…………..
152-
158
Amsterdam Rubber

…………
140k
142

STATISTIEKEN.

DE NEDERLANDSCRE BANK.
(Voornaamste posten in duizenden guldens).

00

cd
oo.
cd

It
o.
Id
0.000
no
01
Cd
o
cd
– _
cd

.0••’

0
’03
P4
0.010

30 Dec.’46
700.876
4.434.786
100.816
103
153.109
25Aug.’47
503.932
111.864
286.627

151.615
2Sept.47
03.97-
144.776
269.938

160.359
8

,

’47
504.t’4
,
149.636
250.985

153.545
15

.,

’47
504.096
149.636
251.012

154.541
22

,,

’47
504.156
157.430
260.567

154.668
29,,

’47
504.224
157.430
221.868

153.732
6Oct.’47
504.270
160.207
189.655

155.949

o
.
Saldi in rekening-courant

.0
00

2

0
.0
4).
.0

cl)
4′

30 Dec.’46
2.744.151
1.099.855
90.071
43.706 590.158
25Aug.47
2.785.350
899.863
46.393
35.504
723.843
2Sept.’47
2.851.436
858.696
47.533
34.946
706.224
8

,,

’47
2.831.897 877.503 32.548 39.767 693.735
15

,,

’47
2.816.325
918.682
36.523
49.697
652.453
22

,,

’47
2.801.388
895.198 57.168 49.040 663.943
29

,,

’47
2.856.116
860.416
41.084
38.197 647.384
6 Oct’47
1
2.857.169
985:170
39.044
43.615
483.981

6ATLONALE RANK VAN 111LOLË.’
(Voornaamste posten in millioenen franes).

Data

oo

0

.04)

00
‘4

oo.9

o

ooE
1.
°n

26 Dec.

1946
32.229

5.648
4.953
214

698
49.158
28 Aug.

1947
28.654

12.161
3.940
356

749
51.341
4 Sept.

1947
28.455

12.177
4.528
492

735 52.111
11

1947
28.459

12.288
4.433
316

737
51.866
18

,,

1947
28.479

12.340
4.693
319

757
50.686
25

,,

6947
28.478

12.169
4.499
440

727
50.881
2 Oct.

1947
28.288

12.531
4.848
600

708
51.861

0
Rekening-
courant saldi
4)

e
Data

0
..4)
.0,44
.0
o_

cd
0
Cd

26 Dec.

1946
637
159.377
72.165
1
4.482
614
28 Aug.

1947
637
164.139
77.818
2
2.281
528
4 Sept.

1947
637
165.553
79.185
4
6.954
519
11

,,

1947
637
165.247
79.013
4
4.771
518
18

,,

1947
,
637
164.665
78.309
5
4.695
516
25

,,

1947
637
164.592 78.125
5
4.678
515
2 Oct.

1947
637
166.275
79.647
5
4.667
514

1) Waarvan 10.493 millioen frcs. onbeschikbaar goudsaldo na her-
waardering van de goudvoorraad (Besluitwet no. 5 van 1-5-1944).
‘) Waaronder begrepen de Post ,,Einissiebank te Brussel”, ten
bedrage van 64.597 miliioen frcs.
‘)
Deze post omvat: oude biljetten over te boeken op tijdelijk
onbeschikbare of geblokkeerde rekeningen en niet aangegeven
oude biljetten,

808
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
October
1947

STAAT Ja.
OVERZICHT
VAN
DE OPBRENGST DER RIJKSMIBDELRN
1).
Boekingstijdvak 1946/147. Directe Belastingen.
1.000

Benaming der
1 Jan
194
Totaal
1 lan.
middelen
t/in uit
Jan.
Febr.
Mrt
April
Mei
Juni Juli
Aug.
1946
Raming
Dec.
1947
1947
1947
1947
1947
1947 1947
1947
t/mult.
1946 1946
.
Aug.
___________
1947

Voor het Rijk:
Inkomstenbelas-
164.910
72.365
77.392
69.905
61.340
51.385 54.209
52.282
44.751
648.539 890.000
Vermogensbelas-

21.322
8.969
8.836
8.133 5.245 3.717 3.129
1.872
1.218
63.441
.

100.000

ting

………..

Winstbelasting

.
3.586

18

6

7

102
-403

944


2.106
Vennootschaps-

ting

…………

belasting

….
55.609
343
-191
-318
-605

175
-3.246
– –
51.417
115.000
Vermog.bel. voor lichamen
10.374
18

18

19

10

33

299
– –
,.

10.013 33.000
Totalen

. . .
255.801
81.677
87.103
77.694 54.868
54.491
52.849 54.154 45.969
775.516
1.1 38.000

Voor het Ge-
meentefonds:
Grondbelasting

.
25.164
510
86
676

16

17

91

.

3

26.309
23.000
Personele bel.

. .
4.504
3.493 2.531
2.813.
2.145
1.989 1.189 1.024
1.270
20.958
15.0.00
Ondernemings-
belasting

.
. . .
23.074
5.523
6.931
5.677 5.820 3.624 4.036 3.543 3.763
61.991

30.000
Totalen

.
. . .
52.742
1
9.526 9.548

1

9.166

7.949

1

5.596

5.134

1

4.54

1

5.033

109.258

1

68.000
‘) Deze statistiek
sluit aan bij die, opgenomen in ,,E.-S.1.” van 17 September 1947, blz. 749.

STA.T 1h.
,
Boekingsttjtivak 1947/
1
48.

Directe Belastingen.

x 61.000

Totaal
1Jan.
Benaming der
Jan.
Febr.
Mri
April
Mei
Juni
Juli
.

Aug.
1946
Raming
middelen
1947
1947
1947 1947 1947 1947
1947
i

.

1947
t/tnult.
1947
Aug.
______________

1947
A. Voor het Rijk:
Inkomstenbelasting .
– .


6

9
297
65
377
570.000 ‘)
Vermogensbelasting

– –
1
.
.

14
6
2.
23
91.500
1)

5
45
27
1.805
956
2.040
-139
4.739

instbe1asting

………
Tenflootschapsbeiast
7.264
8.028
9.070
13.497
7.242
12.083
17.964
6.131
81.279
140.000
Verinog.bei. voor
.
lichamen
654
402
479
1.274
727
839
1.715
382
6.472
16.000 ‘)
7.918
8.453
9.564 14.805
9.774
13.901
22.022
6.441
92.890
817.500 :

B. Voor het Gemeente-

Totalen

……..

fonds: Grondbelasting
.

.

.

.


186
7.415
5.341
4.929
2.071
804
20.746
23.000
Personele belasting

. .



– – –

227
227
2.1.000
Ondernemingsbelast..
.

9
12
495
18
342 1.930
344
3.150
40.000
Totalen

……..
t

198

7.910

5.359

5.271

4.001
1.375
24.123
84.000.

STAAT ‘II. Kalenderjaar
1947.
Overige middelen.
X
f1.000
Totaal
1 Jan.
Benaming der
Jan.
Febr..
Maart
April
Mei
Juni
Juli
Aug.
1947
Raming
middelen
1947
1947
1947 1947 1947
1947
1947
1947
t/mult.
1947
1
)
Aug.
1947

Loonbelasting
52.280
38.057
20.013
58.278
36.381
16.283
62.475 39.256
323.023
400.000
Dividendbelasting
2.602
.

543
932
1.314
2.220
1.453
2.547
9.736
21.347 15.000
1
Commissarissen-
.
belasting
350
220
96
222
95
117
521
446
2.067
2.000
Vereveningsheffing
20.960
13.960
8.774 21.176
12.467
6.548 22.317 15.772 121.974
160.000
Voorhefting op i.h.
buitenland

geac-
cumuieerde

in-
komsten
25.
123
.

83

139
438
74
35
.78
995
2.000

Superdividendbe-
lasting
.
23

20
– –

8

51
memorie
Herkapitalisatie-
belasting
– – –



– –

meinorie
Rechten op

de in-
5.435
3.074
4.186 7.774 5.190 3.503
4.443
5.413 39.018 53.000
Statistiekrecht
274
170
423
635
546 379
730
507
‘3.664
4.500
Bijzondere wijnbe-
lasting
26
17
52
68
37,
23
53
31
307
400

voer

…………..

Accijns op zout

.
133
140
1.128
454
42
/

122
207
200
2.426 7.000
Accijns

op

gedes-
tilieerd
4.122
4.866 4.415
4.542
4.779
5.215
6.401
6.574
40.914
52.000
Accijns op bier
….

.
1.646
2.232
1.264
1.435
2.772
2.468
2.425
3.221
17.463
25.000
Accijns op suiker
.
4.960 8.550
5.153
4.179
4.402
5.161
5.207 4.151
41.763
57.000
Accijns op tabak
.
11.513 8.355 12.637
8.634
12.263
13.724
14.685 13.889
95.700 130.000
Accijns op wijn

.
40
.

5-1
186
.

50


-108
18-1
59 13
688
1.000
Belasting op gouden

en ziiveren werken
70
74 79
74
78
82
81
72
610
.
800
Omzetbelasting

.
45.656 40.283
25.631
47.047 37.855
21.688
54.621
43.938 316.719
457.000
Rechten v. zegel)
964
605
.
1.298 1.223
1.331
859
2.155
1.234
9.669- 12.000
Rechten

van regis-
2.191
1.951
1.455
1.533
1.752
4.719 2.177 2.037 13.915
20.000
Rechten van succes-
tratie

…………

sie

enz.

……..
5.304
.916
5.993
5.918 5.945 6.156 5.584
47.331
60.000
Motorrijtuigenbe-
.
6.515 …..

lasting
1.777 1.657
2.236
4.095 2.968
2.670 2.603
2.021
.20.027
.

23.000
Totalen
160.351 130.543
95.977

108.865

131.642

88.214

189.906
154.173 1.119.671
1.481.700

)
Hieronder begre-
.
1
pen zegelrecht, nota’s
van

makelaars

en
.
cominissionnairs
.
in
effecten
150
104 150

229

230

187

.

345
147
1.542
‘) Herziene raming.
.

?
Ç

W5″

(‘yr

Y,1′

-. – ‘

-,


r’t
.
‘•,i.


-.

8 October 1947

ECONOMISCH

STATISTISCHE BERICHTEN

809

Opbrengst van do buitengewone middelen.

.

x 1.000

Benaming der
Jan.
Febr.
Maart
April
Mei
Juni Juli
Ang.
Totaal
t Jan.’47
Rarning
middelen
1947
1947
1947.
1947 1947
1.947
1947
1947
t/in uit.
1947
Aug. 1947

Vermogensaanwas-
– –
35
3.137
3.405
5.330 17.253
12.312
41.472
memorie ‘)
belasting

. .
Vermogensheffing
ineens



.

– – –
memorie

‘ Lie totale opnrengst is geraamd op 13.500 millioen; een afzonderlijke raming voor 1947 heeft niet plaats gehad.
1)
De totale opbrengst is geraamd op 11.600 millioen; een afzonderlijke raming voor 1947 heeft niet plaats gehad.

STAAT III
Kalenderjaar 1047.
Zekerlieidsetelllngen.

x f1 millioen.

,a)
,
a
o).e,d
ro
CD
”e
d
bO
.

ai
_na

en
Z

T/m Dec.
1945

600
576

1.176
15
Jan. t/m
Dec. 1946
953
1.553
729
112
2.282
127
Jan.

1947
47
1.600 .675
9
2.275
136
Febr.1947
45
1.645
643
9
2.288
145
Mrt

1947
30
1.675
635
11
2.310
156
April 1947
31
1.706
619
17
2.325
173
Mei

1947
31
1.737
604
27
2.341
200
Juni 1947
19
1.756
590
28
2.346
228
Juli

1947 22
1.778
578
37
2.356
265
Aug. 1947
20
1.798

.
560
29
2.358
29t

TOELICHTING BIJ HET OVERZICHT VAN DE OPBRENGST
DER RIJKSMIDDELEN.
1.
.
Directe
belastingen.
Deze staten vermelden de vorderingen, welke ontstaan door
het opleggen van voorlopige en definitieve aanslagen door de be-
lastingdienst (debiteurenadministratie).
Het belastingtijJvak 19461’47 loopt bijv. voor de inkomsten-
belasting van 1 Januari 1946 t/m 31 December 1947. Normaliter
worden gedurende de eerste 12 maanden hiervan voorlopige aan-slagen over 1946 geboekt, gedurende de laatste 12 maanden defi-
nitieve. aanslagen over 1946 (vandaar de vergelijking van bijv. 1946/’47 met raniing 1946 en hijv. 1947/’48 met raming 1947).
Voor andere belastingen loopt het boekingstijdvak 19461’47 van
1 Januari 1946 t/m 30 Juni 1947.

Overige
middelen.

De Staten vermelden het werkelijk in elke maand. ontvangen
bedrag (kasadministratie).
Bij omzetbelasting, loonbelasting en vereveningsheffing vindt de afdracht per kwartaal plaats (dus bljv. in Januari 1947 van de
belasting over
,
de omzet resp. uitbetaalde lonen van het 4e kwartaal van 1946).

Zekerheidsstellingen
Dit zijn bedragen, die, vrijwillig of verplicht, door belasting-
plichtigen bij de ontvangers der belastingen zijn gedeponeerd.
Zij dienen als vooruitbetaling op nog niet opgelegde aanslagen
In bestaande belastingen en toekomstige aanslagen in vermogens-
aanwasbelasting en vermogensheffing.
De staten vermelden zowel de opgelegde zekerheidsstellingen
als de betalingen daarop (dus zowel debiteuren- als kasadministratie)
en voorts nog de afschrijvingen, die op de zekerheidsstelliugen
wegens de opgelegde aanslagen plaatsvonden.
Zie voor uitvoeriger toelichting de aantekening: ,,Opbrengst
der Rijksmiddelen” in ,,E.-S.B.” van 28 Mei 1947, blz. 432.

BANK VAN ENGELAND.
(Voornaamste posten in millioenen oonden).
ru
t,

.
..
.
.

‘5
n
DO)
0

0
n

e

25 Dec. ’46
0,2
1.449,1 1.450
1

1.428,2
22,1
17 Sept.’47
0,2
1

1.449,3

1
1.450
1.382,8
67,5
24 Sept.’47
0,2
1

1.449,4
1.450 1.376,5
73,7
1

Oct. ’47
0,2

L

1.449,3

[
1.450

L

1.375,5
74,7

Other securitles
1
Deposits

aO)
1
0
en
o
M
‘5
t,
i

IE-i
CY
2-
I
25 Dec. ‘461
1,3
311,8
1
.13,6
15,8
346,5
1

10,3
278,9
17 sePt.’471
2,4
312,4
1

12,4
1

17,7

1
393,9
1

9.6
260.6
24 Sept.’47
1

2,3
307,5
1

14,6 18,4

t
397,9
1

16,2
289,6
1

Oct.
‘I
2,2
301,5
f14,5
27,7

1
402,0

1
297,/u

DE NEDERLANDSCHE BANK.

Verkorte balans op 6 Oclober 1947.
Activa.
Wissels, pro-
messen en
(
F!ooîdbank f

schuld brieven
Bijbank

,,


Agentsch.

34.115,20
in disconto

t

34.115,20′)
5,ïiSsO]s, schatklstpapler en scbuldbrieven, door
de Bank gekocht (art. II, le lid. sub 3 van de
Bankwet 1937
ju
art. 4 -van het IConinklijk
besluit van 1 October 1945, Staatsblad No. –
F204)

…………………………….
Scbatkistpapier, door de Bank overgenomen van
de Staat der Nederlancien Ingevolge overeen-
komst van 26 Februari 1947 ……………. 2.100.000.000,-
Beleningen:

Hootdbank f

147.695.921,82
1
)
(mcl. voor-


schotten inre- Bijbank

493.916,67
kening-courant
op onderpand) Agentsch..,,

7.759.297.28

T

155.949.135,47
Op effecten, enz………….155.529.375,46 2)
Op goederen en celen ……..419.760.01
‘155.949.135,47
1
)
Voorschotten aan het
Rijk
(art. 16 van de Bank
vet

1937)

…………………………

Boekvordering op

de

Staat der Nederlanden
ingevolge overeenkomst van 26 Februari 1947 ,,
1.500.000.000,-
Munt en muntmateriaal:
Gouden munt en gouden
muntmateriaal

……..f

.
502.143.984,43
Zilveren munt, cnz.

….

..’

2.126.292,48
504.270.276,91
Papier
op
het buitenland

. .
t

160.207.000,-
Tegoed bij correspondenten In
het buitenland

……….

…184.622.106,48
Buitenlandse betaal-
middelen………………..5.032.841,95
11

349.861.948,43
Belegging van kapitaal, reserves en pensioen-
fonds

………………………………

..
65.879.878,40
Gebouwen

en

inventaris

………………..
.. ..
3.500.000,-
Diverse

rekeningen

……………………
74.608.394,58

t
4.754.103.748,99

Passiva.
Kapitaal

…………………………….f
20.000.000,-
Reservefonds

…………………………

..
12.452.579,46
Bijzondere

reserves

…………… … ……

..
32.247.868,69
Pensioenfonds

…… …………………..


16.888.006,91
Bankbiljetten in omloop (oude uitgiften)

………
125.413.285,-
Bankbiljetten In Omloop (nieuwe uitgiften) …….2.857.168.635,-
Bankassignaties

in

omloop

………………..
103.439,11
Rekening-courant

saldo’s:
‘S
Rijks Schatkist.

……

t

985.170.217,04′ Geblokkeerde

saldo’s van
banken

…………..

..

39.044.358,77
Geblokkeerde

saldo’s van
anderen

…………..

..

43.614.886,98
Vrije saldo’s

…………

..483.980.923,72
1.551.810.386,81
Diverse

rekeningen

……………………..
138.019.548.31

t 4.754.103.748,99

‘) Waarvan schatklstpapier rechtstreeks door de
Bank in disconto genonten …………….f


‘) Waarvan aan Nederlands-Indië
(Wet van 15 Maart 1933, Staatsblad no. 99) , .’39.529.875,
Circulatie der door de.Bank namens de Staat
in het verkeer gebrachte muntbiljetten ……147.424.256,50

NATIONALE BANK VAN ZWITSERLAND.
(Voornaamste Oosten In millioenen franns.

,’5

.
I,C
1

+
e
0
n
e,
Data
1
.

0
..0
..9
1 1 1

0

31 Dec. 1946

1

15 Sept.1947

1

23 Sept.1947

1
30 Sept.1947

4.949,9
5.267,2
5.306,9
5.307,2

158,0

1

71,5

1

66,3

1

64,9

J

238,7
134,5
140,0
i

154,8

t

52,7

1
48,9 1
48,8
48,9

4090,7
3.954,0

1
3.956,7

1
4.107,9

J

[1.163,7
1.266,9
1.294,7
1.174,2

Economisch-Statistisch Kwartaalbericht

Uitgave van
het Nederlandsch Economisch Instituut

Zojuist verscheen de

tweede aflevering

UIT DE INHOUD:

Conjuncturele toestand van Nederland, In-

donesië, België, Verenigde Staten en Groot-

Brittannië; –

Duitsland; balans na twee jaar bezetting;

Internationale geld- en kapitaalmarkten;

Marktpositie van enige belangrijke grond-

en hulpstoffen;

De groei van het ountal personenauto’s in

Nederland.

inarahonnement
1947
voOr abonné’s ,,E.-S.B.” f 4.—.

Afzonderlijke abonnementen f 6.—.

,,GROOTHANDEL”

algemeen weekblad

gewijd aan de be-

langen van de binnen-

en buitenlandse

handel

Abonn.prijs f15 p. jaar

Uitgave:

H. A. M. ROELANTS

Schiedarn

– Postbus 42

lemon

N.V. KONINKLIJKE

N E D E R L A N D S C H E

ZO U TIN Dli STR IE

Boekelo Hengelo

ZOUTZIEDERIJ

Fabriek van:

zoutzuur, (alle kwaliteiten)

vloeibaar chloor

chloorbleekloog

natronloog, caustic soda.

Hiermede
‘berichten
wij, dat is
opgericht
het

Gooisch Ingenieurs-Bureau

voor Organisatie 6n Tariefstudie

o.l.v. Dr Ir F. J. C. VAN DER SCHALK

Hilversum, Parklaan 4 Telef.
4855 (K 2950)

*’

*

Adviezen betreffende:

moderne bedrijfsvoering, arbeids- en fabricage-

methoden, werkvoorbereiding, planning, mecha-

nisatie, routing; magozijninrichting en -admini-

stratie, normolisatie; ‘ontwerpen van nieuwe

fabrieken en uitbreidingen; administratie, cal

culotie, bedrijfsstatistieken; invoeren en bere-

kenen van tarief- of accoordlooneri; personeels-

– zaken, loonproblemen en arbeidsciassificotie.
‘S

Onze twintigjarIge ervaring staat tot Uw beschikking.

Econ. Doctorandus

bedrijfseconoöm, 30 jaar, met ruime ervaring. in het

bedrijfsleven, zou 2 of 3 dagen per week gaarne Di-

rectie of Leiding van bedrijf of instituut in het

Weg-

ten des lands assisteren met haar bedrijfseconomische,

fiscale en organisatorische werkzaamheden. Ook so-
ciaal en juridisch zeer onderlegd. Brieven onder no.

ESB 1027 aan het bur. v. d. bl., postbus 42, Schiedam.

Werkgeversvakveren ging zoekt voor haar secretariaat,
gevestigd in het ‘eslen des lands, een medewerker, met
belangstelling voor sociale aangelegenheden, in het bijzonder’
op het gebied van arbeidsvoorwaarden, bij voorkeur

jurist of éconoom

met mteerjarige praktijk op dit gebied.
Sollicitaties met volledige gegevens omtrent persoon en
loopbaan vOOr 20 October 1947 te zenden onder No. ESB
1030 aan het 1)ur. v, cl. bI., Postbus 42, Schiedarn.

Financiële instelling vraagt:

drs economie

Intiatief en goede stijl vereist. Interessante’
werkkring. Brieven onder no. 274 Adv. Bur. Spin,. Singel 264, Amsterdam C.

STICHTING ,,DE COÖPERATIEVE
PERS” vraagt voor spoedige indienst-
treding op haar Redactiebueau te
Rotterdam

A

een medewerker *

met gôede kennis van economische en soca3e”
problemen, in staat zelfstandig een 14-daags
Orgaan te, redigeren, redactionele artikelen té schrijven ook in andere bladen, en de bureau-
werkzaamheden te verrichten. Economische op-
leiding gewenst, doch niet vereist.
Bekendheid met de Coöperatieve Beweging
strekt tot aanbeveling.

B

een jong medewerker

voor het redigeren v.n
t
een ‘flink personeel-
orgaan en enkele actie-organen, eventueel het
verzorgen van reportages.
Journalistieke ervaring en belangstelling voor
het verenigingsleven gewenst. Ook deze mede-
werker moet zelfstandig de betreffende bladen
verzorgen, het contact met de plaatselijke be-
weging der Verbruikscoöperatie onderhouden en
cle correspondentie voeren.’ – –
In beide functies wordt een afwisselende werk-
kring in een prettige sfeer geboden.
Brieven met opgave van verlangd salaris en
uitvoerige inlichtingen omtrent opleiding, loop-
baan enz., onder bijvoeging van een recente pas-
foto binnen 14 dagen na plaatsing te . richten
aan de Afdeling Personeelszaken van de, Coöpe-
ratieve Groothandeisvereniging De Handelska-
mer ,,Haka” G.A.,’ Postbus 6008 te Rotterdam,
onder motto ,,Coöp. Pers”.

0
Bij. dé Dienst der Publieke Werken te Amster-

dam (afdehng Stadsontwikkeling en Uitbreiding)

.136taat gelegenheid tot plaatsiig van èen

adjunct-sociaal éconoom

of

sociaal-econoom

In aanmerking komen doctoren of doctorandi

in de Sociaal Econbmishe of aanverwante We-.

tenschapjen. ,

Saïarisgrenzen, naar gelang van bekwaamheid

en practische ervaring, voor Adjunct-Sociaal

Eâonôorn van plm.
f
4.000-f 6.000 en voor Sociaal

Econoom van plM.
f
4.500-f 7.400 (inclusief toe-

lagen en’ eventueel verminderd met 3 pCt. onge-

huwdènaf trek of vermeerderd met – kindertoe-.

lagè). Een salarisherziening is in voorbéreiding.
Sollicitaties op zegel met volledige inlichingen

uiterlijk 3 weken na plaatsing van deze adver-

– tentje in te zenden aan
de
Directeur der Publie-

ke Werken, Raadhuis, Amsterdam. Persôonljjke

aanmelding alleen na oproeping.

G. DIKKERS & Co.
N.V.

gevestigd -te HENGELO (0.)

-.

UITGIFTEvan
.:

1
20000000 AandeIn

aan toönder of pnaam,

in stukken vân f1000.— nominaal,

voor de helit delende in de resultaten van het boekjaar 1947 en

ten volle delende in de resultaten-van de volgende boekjaren.

Ondergetekende bericht, c1t zij de inschrijving op
bovengenoemde aandelen,
uitsluitend voor aandeelhouders,
– openstelt op –

VRIJDAG, 17 OCTOBER 1947,

van des voormiddags 9 uur, tot des namiddags 4 uur,

bij haar kanWren te
AMSTERDAM, ROTTERDAM,
‘s-GRAVENI

IAGE
en
HENGELO (0.)

tot de koers van 105 pCt.,

op
de voorwaarden van het prospectus d.d. 3 October1947.
Prospectussen en inschrijvingsformulieren zijn bij de
kantoren van inschrijving verkrijgbaar.

DE TWENTSCHE BANK N.V.

Amstrdam, 3 October 1947.

Aangeb.:
Handwörterbuch der Staatswissenschaften,
4e druk, – als nieuw,
f
200.—. Br.: Laan van Poot 204,
Den Haag.

c’
J

INSTITUUT VOOR –


SOCIALE WETENSCHAPPEN N.V.

Binnenkort beginnen de nieu.we
mondelinge cursussen voor

M.O; Economie,

M.O. Staatsinrichting,

Cand. en Doct. Ned. en md. Recht.

Da cursussen worden gegeven’ te Amsterdam. Rotterdam.
‘.-Gravenhage;
Economie bovendien te Arnhem, Eindhoven,
Enschede, Groningen. Haarlem. ‘,.Hertogenbosch. Leeuwar.

den. Leiden, Tilburg, Utrecht Siaatsinrichling tevens te
Utrecht.

Prospectus en inlichtingen:
‘8-Grûvenhage,

Wassenaarseweg 39

(te!. 775382).

c

Moderne

.

bedrijfsadministratie
1

Vraagt’prospectusenproefles
1

max
.bij het bekende
1
ROTTERDAM

•. • ‘-

.

INSTITUUT
M.
B. A. – ROTTERDAM
1

I

Opgericht in 1942 – (Cursussen onder toezicht “an
1
Dr. S. Elzinga) Sècretariaat: Postbus 800, Rotterdam

Vr0000r
Beursgebouw Kamer 321

1

Annonces, ‘aarvan de tekst s Maandags in ons bezit is,
kunnen, plaatsruimte voorbehouden, in het nummer van
dezelfde week worden opgenomen.

,,HOLLAN DIA”

HOLLANDSCHE FABRIEK VAN MELK-

PRODUCTEN EN VOEDINGSMIDDELEN N.V

HOOFDKANTOOR TE

VLAARÔI NEN..

p
a’

1

AYSOCHTFE CASSA,

•1t:lrII.lI1:IsE

:.

•…::•.:wNG
.Y:AN

HEERENGRACHT 179 • AMSTERDAM.0

Doe een goede keus uit de

AANBlEbINGEN VAN

DE WERELDHANDEL

Bezoekt de

CANADESE INTERNATIONALE JAARBEURS

IN TORONTO

31 Mei-12 Juni 1948

4.

LL

De beste goederen uit alle

onale schaal tezamen brengen.

delen der wereld zullen in

Maakt NU plannen de

Canada in 1948 te zien
Zijfl.

Canadese Internationale
Artikelen van vele fabrikanten t Jaarbeurs in 1948 te bezoe-

uit vele landen – kunt U ver- ken• oÉ een plaatsvervanger

gelijken en ter plaatse bestellen! t te zenden. Alle inlichtingen

Canada’s eerste Intern atio-
1
omtrent de ten toon te stel-

nale Jaarbeurs, gesteund door t len artikelen, reis- en hotel-

de Canadese Regering, zal t accomodatie enz. worden ver-

koperen verkoper op internati 1 strekt door:

J.
A.

Langley,

1
Handetsraad. Canadese Ambassade
Sophialaan la, ‘s-Gtavenhage.

rresod

kerij
/2

Auteur