Ga direct naar de content

Jrg. 31, editie 1522

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juli 10 1946

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

E

Berichten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

31E
JAARGANG

WOENSDAG 10 JULI 1946

No. 1522

COMMISSIE VAN REDACTIE:

J. F. ten Doessc/iate; N. J. Polak;

J. Tinbergen; H. M. H. A. van der Valk; F. de Vries;

H. IE’. Lambers (Redacteur-Secretaris).

Adjunct-Secretaris: J. H. Lubbers.

Assistent-Redacteur: A. de Wit.
Administratie: Pieter de Hoochstraat
5L
Rotterdam (W.).
Telefoon: Redactie
38040,
Admini.atie
38340.
Giro
8408.

Abonnementsprijs van het blad, waarin tijdelijk is op ge-
nomen het Economisch-Statistisch Maandbericht, franco
p.p. in Nedericind f
26*
per jaar. Overzeesche gebiedsdeelen
en buitenland /
28
per jaar. Abonnementen kunnen ingaan
met elk nummer en slechts worden beëindigd per ultimo
van het kalenderjaar. Losse nummers
75
cent.

Donateurs en leden van het Nederlandsch Economisch
Instituut ontvangen het blad gratis en genieten een reductie
op de verdere publicaties.

Adreswijzigingen op te geven aan de administratie.

Aan geteekende stukken aan het Bijkantoor We7eedijk,
Rotterdam- (14′.).

Alle correspondentie betreffende advertenties te richten aan de Firma H. A. M. Roelants, Lange Haven
141,
Schie-
dam (Tel.
69300,
toestel 6).

INIIOUI):

Blz

Organisatie van het bedrijfsleven door
Prof. Ir. I. P.
de Vooys

………………………………
435

De middelen voor herstelfinanciering door
F. de Roos
438

De verplichte ziekenfondsverzekering door
A. J.
Luikinga

………………………………
440

De positie van het fabrikanten-merkar.tjkel in de
kruideniersbranche door
H. Leemhuis …………
442

Loonvorming en arbeidsvrede door
H. lCeegstra ……
444

Aanteekeningen

Rapport van de Export-Importbank te Washington
door mej. H. van Creveld ………………….
445

Ontvangen boeken en brochures ………………446

Geld- en kapitaalmarkt ……………………..446

Statistieken

Bankstaten

……………………………..447

DEZER DAGEN

rolt het openbare leven, voor het bloote oog, genoegijk
heen. Het nieuwe ministerie heeft zich voorgesteld in een
verklaring, waarover niemand zich nog boos behoeft te

maken. De Minister-President heeft oude en nieuwe parle-
mentaire bestanden onder de loupe genomen. Het meest
bekende Bestand, het twaalfjarig, is daarbij niet tersprake
gekomen; dat is ook meer en voorbeeld van binnenland-
sche politieke onrust. Deze zal zeker niet komen over het
eerste nieuwe van dit kabinet, de oude spellingskwestie.
Interessant is, of dit vraagstuk zal worden afgedaan in
ouden of nieuwen parlementairen stijl. Wordt het nieuwe
parlement ,,a working party”, zooals de Engelsche Minister-President Attlee onlangs het Engelsche Lagerhuis typeerde?

In den ouden stijl, in de nieuwe richting, blijft de koers
ten opzichte van Indië. Af te wachten blijft, in hoeverre
aan de andere zijde ,,de temporeele absentie van een
getrouw trawant”, om met den Schoolmeester te spreken,
,,ten detrimente zal zijn aan ons Vaderland”. Intusschen
hebben de Vereenigde Staten een tactvol gebaar gemaakt
door de Philippijnen de onafhankelijkheid te hergeven. Ze hebben echter beloofd, te allen tijde ter verdediging
te zullen komen, indien daaraan behoefte wordt gevoeld.

In Parijs is het genoeglijk rollen onderbroken door eenig slechter weder. Doch de landman, en de burger, weten, dat
dit de loop der natuur is en dat de oogst tenslotte altijd
meevalt. Hopelijk geldt deze serene beschouwingswijze
ook voor de atoomcommissie der Vereenigde Volken,
waar voorstellen en tegenvoorstellen elkaar deze week
beginnen te naderen.

Kalmer is het, naar buiten, ook geworden, wat de arbeids-
conflicten aangaat. In de Nederlandsche havens is het werk
door den regulieren arbeid hervat; een bakkersstaking is
voorkomen. Het graan en het brood staan beide ter be-
schikking en zelfs over de kwantiteit wordt, eveneens naar
buiten, weinig meer gesproken. De wereldvoedselnood is
even onverwacht uit het nieuws verdwenen, als zij er in
verscheen. Na een licht onweer hebben de Belgische vak-
bonden de prijsieercolleges van den (ex)-Minister-President
Van Acker aanvaard: eerst de prijzen, dan de bonen.
Ook in Frankrijk zijn de eischen van het centraal vak-
verbond verlaagd, doch van halver harte. Minister-Presi-
dent Bidault zal, zoodra hij zich meer Minister-
President dan minister van Buitenlandsche Zaken kan voelen, zijn flair voor compromissen ten volle kunnen
gebruiken.

Maar de kernkwestie, dat men de prijzen in de hand moet houden, wil loonbeheersching verantwoord zijn,
blijft. Vandaar, dat de Amerikaansche Senaat de prijs-

beheersching na veel gekrakeel weer
als
eerste punt op de
agenda heeft geplaatst. Intusschen zijn echter, na het
krachteloos worden der prijscontrôle op 1 Juli, de klein-
handelsprijzen van verschillende voedingsmiddelen in
de Vereenigde Staten sterk opgeboopen. De boterprijs in
New York steeg tot $ 1 per ib. bij een officieelen maximum-

prijs van.57 $cents.

Al met al staat de barometer deze weekop mooiweer. Het-
gen den voornamelijk in weerberichten geïnteresseerden

vacantieganger-lezer genoegen zal doen.

K “
NZ

N.V. KONINKLIJKE

N E D E R L A N DS(H E

ZOUTINDUSTRIE

Boekelo Hengilo

ZOUTZIEDERU

Fabriek van:

zoutzuur, (alle kwaliteiten)

vloeibaar chloor

chloorbleekloog

/ natronloog, caustic soda.

gispen

culemborg
amsterdam
rotterdam

Koninklijke

Nederlandsche

Boekdrukkerij

H. A. M. Roelants

Schiedam

AFMVIT

Meëster in de Reâhten’
woonachtig te Brusel, zoekt een betrekking als secretaris van dc
directie van of juridisch adviseur hij een financiëcle, fiscale,
commerciëele, bedrijfs-, verkeers of verzekerings-instelling, bij
voorkeur in België.
Brieven no. 531 bureau van dit blad, postbus 42, Sehiedam.

Actieve, representatieve 27-jarige

JONGE MAN

met H. B. S. B diploma, lilgemeen ontwikkeld, administratief on-derlegd, commerciële ervaring, werkzaam geweest bij een inlich-
tinger-, enquête- en voorlichtingsdienst, in bezit van een eigen
vervoermiddel, vraagt plaatsing in een voor hem passende, leiden-
de zelfstandige functie., Gaarne bereid om naar het buitenland
uitgezonden te worden. Brieven onder no. 536 bureau van dit
blad, postbus 42, Schiedam.

R.

MEES & ZOONEN

Ao 1720

Rotterdam, ‘s-Gravenhage, Delft, Schiedam

Vlaardingen, Amsterdam (alleen assurantiën)

BEHANDELING VAN ALLE BANKZAKEN

BEZORGING VAN ALLE ASSURANTIËN

AMSTERDAMSCHE

BANK N.V.

KAPITAAl, t 510IU1
RESERVCS
t 3I.0.000

Gemeente Handelsinrichtingen Amsterdam (l3eheer
Zee- en luchthaven) vraagt een

Sociaal-Econoom

hoofdzakelijk voor researchweik (Dr. of Drs. Ee.), bij
voorkeur niet ouder- dan 35 jaar. Salaris groep Xli

(f
3600—! 5475) met een tijdclijken toeslag van 5 pCt.
en overbruggingstoelage. Voorgesteld zal worden plaat-
sing in een hoogere salarisgroep. Sollicitaties op zegel
v66r 21 Juli as., te richten aan den Dienst van de Gem.
Personeelsvoorziening, Sarphatistrsat 92, Amsterdam C.

J

EERSTE NEDERLANDSCHE

Verzekering Mij, op het Leven en. tegen Invaliditeit N.V.
Gevestigd te s-Gravenhage

ADMINISTRATIEKANTOOR DORDRECHT- DELLEVUESTRAAT 2, TELEFOON 5346

Pers o n eels- Pensioenverzekering
verschaft directe fiscale besparing – afschrljvirg
van toe-
komstige lasten – blijvende oocialo voldoening

Vraa
g
t U eens welgadocumenteerd advies aan ons
BUREAU VOOR COLLECTIEVE CONTRACTEN

Op veler aanvraag organiseert
het
ALGEMEEN PSYCHOTECHNISCH LABORATORIUM
voor
direct na de zomervacantie

mondelihge cursussen

op het gebied der

toegepaste psychologie

– Voor nadere bijzonderheden verwijzen wij naar het bij dit
nummer ingesloten prospectus, waarvan op aanvraag meerdere
ex.. worden toegezonden door onze laboratoria te

AMSTERDAM – Heerengracht 435-437 – Tel. 33746.
ROTTERDAM – Nieuwe Binnenweg 175 – Tel. 37908.

SS0

Mimi.

STANDARD AMERIKAANSCHE PETROLEUM
CIE

met papier geisoleerde kabels

1

voor zwakstroom en sterksiroom

IL

koperdraad en koperaraadkabel

– kabelgarnituren, vulmassa én olie

A.BELFABRIEK

DELFT’

Voor het vervolg win de rubriek ,,Vcature” zie pag. 447 er 448

10 Juli 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

435

ORGANISATIE VAN HET BEDRIJFSLEVEN.

De verkiezingen hebben de discussies over de plannen
ter organisatie van het bedrijfsleven op de achtergrond ge-
drongen. Of liever tussen de coulissen, want weldra zal
het toneel weer vrij zijn. Dan zal het probleem ongetwijfeld
weer opnieuw de volle aandacht vergen. Tijdens de be-
zetting kreeg Nederland de bekende volledig uitgewerkte
regeling naar Duits model, die naar zijn, eersten president
,,De Organisatie Woltersom” zou heten. In Duitsland
was een dergelijke organisatie vrijwel zonder enige bete-
kenis gebleven. Flier te lande functionneert de organisatie
nog steeds, zij het dan ook, dat de top er afgeslagen is.
Het functionneren geschiedde echter plaats-rust, d.w.z. in een afwachtende houding. Want zij stond gereed om
verdrongen te worden dooi de bedrijfchappen van Mi-
nister Vos. FIet ontwerp daarvan kan moeilijk een her-vorming worden genoemd. Het was een geheel nieuwe constructie, die bedoelde de andere van A tot Z te ver-
vangen. Wel in de richting ene!’ hervorming ging het
project der Commissie Van Leeuwen en daarachter ston-
den nog vele andere plannen, waarvan de belangrijkste
zijn, die der Commissie van de Nederlandsche Maat-
schappij voor Nijverheid en Handel, welke zeer duidelijk
de hoofdtrekken der Duitse instelling behield en een
reorganisatie ervan beoogde. Al dit streven ging uit
van de stelling, dat het bedrijfsleven georganiseerd behoort
te zijn. Is dit een
axioma?
Wellicht wordt het reaction-
nair of in elk geval conservatief geacht, indien hier twij-
fel wordt geopperd. Twijfel dus, of het bedrijfsleven inder-,
daad georganiseerd moet zijn. In dat geval toch is het
alleen de vraag, hoe dit zal geschieden. Wanneer in de
volgende regelen verder gewaagd wordt te onderzoeken,
wat men onder dat georganiseerd zijn moet verstaan,
schijnt het wel of schrijver hiermede geheel buiten deze
tijd leeft. Tal van voorbeelden, zijn er toch, die bijna•
dagelijks ieder onder de ogen komen van organiseren en georganiseerd zijn. Desondanks zij een poging gewaagd
om duidelijk te maken, dat een scherp antwoord op
deze vraag van fundamentele betekenis kan zijn. Tevens
ook, dat men nog volstrekt niet gereed is door alleen
maar het verschil te maken tussen een vrije en door de wet
geregelde organisatie, zodat slechts daartussen gekozen
moet worden. In die twee gevallen toch blijft het uitgangs-
punt bestaan. Dat uitgangspunt is het axioma, dat er
een organisatie moet zijn of zo die er niet is, dat hij dan
snel behoort te komen.

Organisatie.

Onze twijfel dient nu vooral om dat Al te verzekerde
axioma aan een onderzoek te onderwerpen in de hoop

daarmede het inzicht te verruimen. Inzicht in deze is het snelste te verkrijgen door uit te gaan van de vrije
organisatie. 1

Jet schijnt wel schoolmeesterachtig en een
soort haarkloven om woorden, die algemeen gebruikt
‘worden en die iedereen met het grootste gemak hanteert,
aan een onderzoek naar hun betekenis te onderwerpen.
Het veelvuldig gebruik heeft toch op zulke woorden een
stempel gedrukt. Wij zijn evenwel van mening, dat het nuttig is, ja zelfs dat het onvermijdelijk wordt om zich
rekenschap te geven van de ware zin dezer woorden,
zodra men ervaart welke verwarring zij stichten, doordat
zij tegelijk met het denken ook het handelen vertroebe-
len. En omdat door onzeker en onzuiver handelen de
efficiëncy van de maatschappelijke samenwerking tot
een laag peil zinkt.
Een vrije organisatie komt tot stand, indien vele ver-
schillende personen, verenigingen, instellingen of wat
dan ook samengaan om een gemeenschappelijk belang
te behartigen, zij het voor verdediging of zij het voor

een aanval. Zodra het gelukt een permanente samen-
werking te verkrijgen, is het allereerste wat gedaan dient
te worden, een orgaan te vormen. Een bestuur, een bureau

of gevolmachtigde moet de – in algemene termen in

uitzicht genomen – taak nauwkeurig onder de loupe
nemen, scherp orhgrenzen en verdelen over geschikte
en bekwame onderorganen. Zo is de vanzelfsprekende
werkwijze, die echter onderscheidene vormen aanneemt.
Steeds zijn die vormen beheerst door het kleinere of
grotere doel dat gesteld is. Personen kunnen bijv. een so-ciëteit of club oprichten ofwel een vennootschap Stichten
om enig bedrijf uit te oefenen. Verenigingen kunnen zich
in een nationale bond organiseren: Instellingen kunnen
trachten verschillendë functies van financiële of admi-
nistratieve aard gezamenlijk te verrichten. Al naar het
doel, dat gesteld werd, zal hun Organisatie min of meer
omvangrijk, maar ook anders geleed moeten zijn. Het i&
het doel der samenwerking, dat bepaalt zowel het aantal
als de aard der organen, die het minimum zijn om werkelijk
tot actie te komen in geest en richting van het doel.
Bovendien moet dat doel ook beslissend zijn voor het te
bestrijken terrein der werkzaamheden, d.w.z. o.a. be-
palen, wie tot samenwerking uitgenoodigd zullen worden,
dan wel wie daarvan uitgesloten diënt te zijn.
Geldt hetzelfde ook voor een wettelijk geregelde orga-
nisatie? Het is volstrekt niet nodig, dat deze berust
• op dwang. Kenmerkend alleen is, dat .de Staat het doel
stelt en daarvoor een organisatie, dat wil in dit geval
zeggen organen, aanwijst. In dit opzicht is er volledige
overeenstemning met de particuliere combinatie. In
beide gevallen moeten de organen geschikt en bekwaam
zijn, voor de vastgestelde taak. Dwang is daarbij alleen in zover, dat de Wet, eenmaal aangenomen, rigoureus wordt
uitgevoerd. Dwang kan overbodig zijn, zodra de Staat
alleen-gerechtigd is om regelend op te treden en niemand
dit kan of wil tegenhouden. Dit geldt bijv. voor alle organi-
saties ter uitvoering van onderdelen van het algemeen
bestuur.
De Staat kan ook een natuurlijk monopolie bezitten
of zich een omschreven monopolie toekennen. Ten op-
zichte van het ontwerp onzer bespreking, de organisatie
van het bedrijfsleven, zal echter het organiseren dooi
de Staat wel steeds samengaan met het uitoefenen van
een dwang, doordat plichten worden opgelegd en het
niet nakomen daarvan strafbaar wordt gesteld. Het
allerduidelij kst voorbeeld van een dwangorganisatie
is het leger. Zijn doel is vanzelfsprekend en dat doel be-
heerst de gehele samenstelling der organisatie. Het is
echter geen direct doel, dat onmiddellijk in tastbare
en scherp zichtbare vormen voor de deur staat. Het is
een doel, dat onder bepaalde omstandigheden komen kan, nl. een eventuele oorlog. Vandaar, dat de legerorganisatie
los staat van elk onmiddellijk optreden en voor alle moge-
lijkheden moet zijn ingericht. Het doel kent nauwelijks
grenzen en staat practisch gelijk met geen doel. De leger-
organisatie schijnt daardoor op zichzelf een doel te zijn,
dat geheel en al beïnvloed is door de noodzakelijk-
heid ene!’ aangeleerde en s.cherp geoefende discipline.
Niet gezamenlijke en bij elkaar passende werkzaamhoden
of aandriften, maar de gehoorzaamheid aan gegeven
bevelen houdt de Organisatie -intact en paraat. Een
militaire organisatie kan en moet daarom wel ontworpen
worden geheel los van ,de tijdelijke omstandigheden.
Het is als het ware een geestelijke con,stDuctie, een sçOrt
ideale organisatie-op-zichzelf. De regelen van haar op-
bouw zouden voor elke organisatie kunnn gelden, voor
welk doel ook en met elke taak, daar zij beginnen met een hoog centraal punt (opperbevelhebber en staf) om
daarna zich te vertakken over verschillende . diensten,
die weder ingedeeld zijn stuk ‘voor stuk in divisies, bri-
gades, regimenten enz. Het is een vrijwel geheel uitge-
dachte indeling en groepering, die geschikt .schijnt om voor elk willekeurig plan te functionneren, •zij het met
kleine wijzigingen en andere benamingen. Ten onrechte
wordt echter dit organiseren als het enig juiste, het rationele
beschouwd en als model voor alle gebieden geprezen

0

436

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10 Juli 1946

Ten onrechte,
want
het is een noodoplossing, die overal

toe te passen is waar het doel niet nauwkeurig genoeg aan-
geeft welke organen de samenwerking behoeft. Men zou zich
kunnen vooistellen, dat de opvoeding van de jeugd ei dus
het gehele onderwijs op een militaire voet veid geregeld.
Voor Nederland is dit slechts een fantasie. Een derge-
lijke soldateSke opvoeding wordt onmogelijk zodra het onderwijs volkomen vrij is. Elke in de uitvoering door-

gevoerde vorm van dwang moet daardoor alleen reeds
zijn opgeheven. Toch is op de ondergrond de dwang van
de Staat steeds aanwezig. En wel doordat de Staat de op-
vöeding van de jeugd van groot belang acht en verwaar-
lozing ontoelaatbaar. Schooiplicht is daaitoe hel algemene
fundament gebleven. Van uitgewerkte vormen ener ge-
dwongen organisatie kan in een democratisch land slechts

sprake zijn, wanneer en zover een zeer duidelijk doel

dit eist.

Behoort het bedrijjsleen georganiseerd te zijn?

Nieuw licht geeft voorgaande beschouwing over orga-
nisatie stellig niet. FIet is alles volledig bekend. rr
oc
h is het

nuttig in grote trekken eraan te he:inneren, zodra wij, als
thans, terugkomen op de vraag: behoort het bedrijfsleven
georganiseerd te zijn? Want het antwoord op die vraag
moet niet enkelvoudig, maar tweevoudig zijn. Want
neer het organiseren in vrijheid geschiedt luidt de vraag:
is het in deze tijd een noodzakelijkheid, ja of neen? En
het tweede antwoord moet zijn richting aldus zoeken:

heeft de Staat reden om zich tea doel te stellen een orga-
nisatie op te leggen? En zo ja, is daartoe dwang onver-
mijdelijk? Dit zijn geen kwesties alleen van de tegen-
woordige tijd. Ook vroeger zijn die vragen gesteld. Van-

daar dat het niet overbodig is terug te zien. Floe stond
het er vroeger mee? Al jarenlang is er in het bedrijfsleven
een frije organisatie geweest en zoals kenmerkênd voor
de vrijheid, speciaal voor de Nederlandse vrijheid, was
die organisatie sterk verdeeld en niet compleet. Maar
volstrekt niet zo incompleet als men dat had kunnen
verwachten, nl. door een vergelijking met vele andeie
economische en culturele vormen van samenwerking.
De verklaring daarvoor is niet zo moeilijk te vinden.
Practisch bestonden er voor het samengaan slechts tweeër-
lei doeleinden. Allereerst, en dit geldt vooral de bedrijfs-
groepen van talrijke kleine ondernemingen, om bij wijze
van kartel te functionneren d.w.z. om afspraken te ma-
ken over prijzen en allerlei leveringscondities. Daarvoor
was volledigheid en eensgezindheid zeer noodig. Een
sterk plaatselijk karakter van een dergelijke hedrijfs-
groepering kon dit bevorderen. Bedrijven of onderne-
mingen die niet meededen en buiten de organisatie bl3ven
staan, deden ôf niet veel kwaad, ôf werkten bijna auto-
matisch mee om de gezamenlijke eisen door te zetten.
Toch bracht elke onvolledigheid in de samenwerking
mee, dat de aangeslotenen geneigd waren in principe de
vrijheid op te offeren, wanneer men daarmede de gedwon-
gen aansltdting en het instellen van bedrijfsvergun-
ningen (vestigingsverbod) kon verkrijgen. Te bereiken
was dit onder de leuze ,,ordening”. Daarbij kon men
tegelijkertijd het offer van de vrijheid weer goed maken
door autonomie te vergen. Dit is zeer in het kort het eerste
doel geweest van de wordende bedrijfsorganisatie.
In de tweede plaats kwam het veel meer sensationeel
opgezette doel t. w. de verdediging tegen staking en in
een later stadium ook tegen de door de vakvereniging
gepropageerde sociaal-politieke eisen. Organisaties met
dit vechtdoel ontstonden en moesten meegroeien naar-
mate ook de tegenstander d.w.z. de vakbeweging in
omvang en kracht toenam. Dit groeien gebeurde van plaat-
selijk naat nationaal. Bekend genoeg is, hoe de pogingen
van de twee organisaties, die der arbeiders en die der werk-
gévers, geleidelijk zich veredelden en ontwikkelden naar
overleg en naar de collectieve contracten. De organisaties
der ondernemers moesten dus vormen krijgen geschikt
en bekwaam voor onderhandelen en daarnaast ook om invloed uit te oefenen bij het ontwerpen en ook bij het

uitvoeren van wetten en het uitwerken van sociale rege-
lingen. Vrijheid was hier van groter nut dan compleetheid.
Demonstratieve kiacht en feitelijke kennis van economische
omstandigheden hadden meer effect dan cijfers van aan-

tallen strijders.

De Woltersoniorganisatie.
Zo stond het met .de vrije organisatie van het bedrijfs-
leven in ons land toen op Duits bevel de plannen der

Woltersom-organisatie werden opgesteld en ingevoerd.

1

let zou thans te ver gaan om tot in details te onderzoe-
ken waarom die oganisatie betrekkelijk goed ontvangen

werd. Op zichzelf kleven aan de indeling en onderverde-ling alle fouten ener organisatie, die van bovenaf begint,
in plaats van onderop gegroeid te zijn. Men moet echter
vel in het oog houden, dat dit laatste onder de bestaande
omstandigheden niet kon; elke groei was afgesloten.

Het plan is
in
grote trekken van boven opgelegd. Vrij-
heid was er alleen in de uitwerking d.w.z. in de onder-
verdelingen en invloed kon er uitgeoefend worden bij

de keuze van de personen, die in de bestutn en secre-
tariaten door de Duitse controleurs toegelaten werden.
liet is ongetwijfeld een bewijs van de grote ijver, de toe-
wijding en de nauwe samenwerking der stichters geweest,
dat tenslotte de organisatie veel beter klopte, dan men
zou hebben verwacht. Natuurlijk moest het duur wordeh.
liet wag echter een bedrijfsbelasting, die wat druk be-
treft, nauwelijks te vergelijken was met de andere be-
lastingen die het bedrijfsleven tegelijkertijd te dragen
kreeg; en belasting bovendien, die verhaald kon worden. Wat de werking betreft, moet wederom scherp onder-
scheid gemaakt worden tuSsen de min of meer lokale kleine ondernemingen, wier wensen van kartellering,
ordening en autonomie bijna geheel vervuld werden.

Zij waren vanzelfsprekend niet ontevreden.,, Alleen
maar jammer dat het van de Duitschers kwam”. Anders
stond het voor de grote werkgevers. Hun vrij actieve
organisatie ging op in één, die juist dat werd wat zij nooit
hadden gewild ni. een staatsorgaan. Afgezien van oor-

sprong en contrôle, was dat alleen reeds een aanleiding tot tegenstribbelen. Vah de bevoegdheid tot het maken
van verordeningen kwam niets. Alle activiteit concen-
treerde zich op iets anders dat men eigenlijk wel had
kunnen verwachten, liet iS een oude ervaring, dat staats-
organen, die naast elkaar staan en een gelijksoortig doel
hebben, het met elkaar te kwaad krijgen. En wel om de
macht in handen te houden of de grenzen van het machts-
gebied af te perken. In de bezettingstijd waren de voor-
naamste, zo niet alle belangen van de ondernemingen

afhankelijk geworden van het economisch oorlogsbeleid.
Dit toch brengt steeds mede en bracht ook toen mede,
dat de Staat het beschikkingsrecht aan zich trok op alle
grondstoffen en arbeidskrachten. Dit kwam niet voort uit bijzondere inzichten over hoe in het algemeen een
regeringsbeleid tegenover het bedrijfsleven had te zijn.

1

let was een zuivere oorlogsnoodzakelijkheid, die op

twee vaste grondslagén rustte. Ten eerste de behoeften
van de oorlogvoering, die primair waren en alle andere
behoeften terzijde drukten. Ten tweede de blokkade,
die de normale aanvoer in geheel andere banen moest
leiden en op den duur toenemende schaarste betekende.

De Rijksbureaux.

Ook in ons land was van tevoren reeds op een oorlogs-
economie gerekend. Van Juli 1939 af waren de verschil-
lende Rijksbureaux naar een oudere wettelijke regeling
in werking getreden. Elk op een eigen gebied ging het
beschikkingsrecht van de Staat uitoefenen. Achteraf
is gebleken dat de opstelling hiervan zeer bekwaam is
ontworpen. Terwijl ook, in het algemeen gezien, de lei-
ders van die Rijksbureaux, toen zij op de proef gesteld

10 Juli 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

437

werden, getoond hebben tegen hun taak ie zijn opge-wassen. De Rijksbureaux, die zonder enige twijfel en
naar de duidelijke bedoeiing vofledige staatsorganen
waren, hadden zich ingewerkt toen de vijand ons land
binnenviel. Zij konden regelrecht door de bezettings-
macht worden overgenomen en waren helaas voor die
macht het allerbeste middel om een weg te vinden, waar-
langs Nederland was leeg te roven en tevens een eenvoudig werktuig om het Nederlandse bedrijfsleven voor het Duitse
oorlogsdoel te gebruiken. Daarin ligt ook een gedeeltelijke
verklaring voor het nog niet volledig en algemeen begrepen

verschijnsel, dat zich hier te lande een breed binnenlands
front moest vormen, dat jarenlang het verzet te drijven had in de vorm enel wisselende sabotage. Ondanks het
feit, dat de bezetting deze vorm van verzet dagelijks en
voortdurend moest ondervinden en dat voor deze sabotage
de Rijksbureaux Sleutelposities innamen, heeft de bezetting
toch de Rijksbureaux gehandhaafd. Niet uit liefde of
slapte, maar omdat zij inderdaad voor het Duitse bestuur
evenzeer als voor het in gang blijven van het leven van
het gehele volk onmisbaar waren.
Iets gelijksoortigs geschiedde na de bevrijding. Toén
overal met overmatige ijver gezuiverd werd en hard ge-
grepen naar wat dikwijls ten onrechte collaboratie heette, konden de Rijksbureaux hiervan vrij blijven, daar zij ook

toen weer onmogelijk gemist konden worden. Zij vormden
de ruggegraat van de schaarste-economie der nieuwe

Regeiïng.
In de bezettingstijd echter scheen het wel alsof
de bedrijfsorganisatie Woltersom de strijd had aangebon-
den tegen de Rijksbureaux. Niet ten onrechte meende de bedrijfsorganisatie dat zij de taak kon overnemen van de
Rijksbureaux en dat zij volledig in de plaats dier bureaux
kon treden. En niet ten onrechte, want bij het tot stand
komen der bedrijfsorganisatie, en later ook ndg herhaalde-
lijk, was dit beloofd al werd er dan ook bij gezegd, dat het
geleidelijk zou moeten geschieden. Hoofdgetuigen zijn on-getwijfeld de Heren Hirschfeld en Woltersom, die stichters
en leiders van de bedrijfsorganisatie, waren. 1-Jet was echter een in schijn aangebonden strijd. In de
eerste plaats al omdat de Rijksbureaux Steeds tot overleg
bereid waren en in het belang der sabotage een voortdu-rend contact met de ondernemingen onderhielden. Maar
bovendien was het ook onmogelijk. Elke Overheid, die het
beschikkingsrecht over het gehele productie- en distribu-
tieproces stevig in handen wil houden kan niet anders
dan de Rijksbureaux gebruiken. De practijk dwingt deze
of dergelijke instellingen te versterken en te centraliseren

Socialisatie-nensen.

Van geval tot geval zal de Overheid in de onmogelijk-heid v,erkeren om haar beschikkingsrecht over te dragen
aan belanghebbenden ofwel aan eenzijdig georiënteerden
en dan ten slotte te laten verzwakken door sterk decen
traliserende invloeden. Overdracht van de taak der Rijks-
bureaux aan de Organisatie van het bedrijfsleven ware al-leen mogelijk geweest als een tussenstation naar het eind-
doel t.w. de opheffing van het oorlogsbeleid en het vol-
ledig vrijmaken van handel, voortbrenging en verdeling.
Er zijn echter, en vooral in onze tijd, zeer velen, die dit
geenszins wensen. Geleerd door de jarenlange practijk
van bezetting en nood, wordt nog vaak de mening ge-
huldigd, dat alle burgers aanspraak hebben op hun aandeel
i de ‘oorraad van levensbehoeften, die in het land aan-
wezig zijn. Desnoods ten koste van minder algemene wel-
vaart zal men de gelijkheid van deze aanspraken door de
Overheid gewaarborgd willen zien. Buiten en over deze
ogenblispolitiek heen zien velen in de schaarste-economie het middel’ om deze als geleide economie onbeperkt voort
te zetten en daarmede een sociale rechtvaardigheid door
te voeren. Ook dan wanneer daarbij niet het helder besef
overweegt dat dit het regeringsbe1eilangzamerhand doet
overgaan in een planmatige socialisatie. Voor hen, die,

hoe gevarieerd ook, deze mening zijn toegedaan, bestaat
er geen twijfel. Zij zullen nooit kunnen toestemmen in een overdracht van de taak der Rij ksbureaux aan een bedrijfs-
organisatie, waarvan zij weten, dat deze de dag zal be-
groeten wanneer zij het brevet van staatsorgaan kunnen
verscheuren en weder even vrij of tenminste autonoom
zullen zijn als vroeger.

VVetsonuerp- Vos een tussenoplossing.

Het wetsontwerp op de bedrijfschappen probeerde een
merkwaardige tussenoplossing te zijn. De Rijksbureaux
toch zouden verdwijnen en hun taak overgeven aan de
bedrijfsorganisatie. Aan een oude wens, zij het een onver-
vulbare, waS daarmede tegemoet gekomen. ,,What price
glory?” De prijs, die ervoor betaald moest worden, was
de verandering van de aard der bedrijfsorganisaties. Deze
toch moesten worden wat de Rijksbureaux waren geweest,
ni. de organen der Rijksregering, strammer en met meer
macht en aanzien bekleed. Vandaar dat dë strikte en
dagelijkse verbinding met de Regering nauwkeurig geregeld
werd. De nieuwe bedrijfschappen hielden de volledige
macht, die de Rijksbureaux hadden bezeten, doordat zij
op grond van het beschikkingsrecht in elke onderneming
diep konden ingrijpen. Tegelijkertijd kregen die bedrijf-schappen alle rechten, die aan de bedrijfsgroepen van de
organisatie Woltersom waren toegekend, d.w.z. de he-
voégdheid om verordeningen te maken. De wensen van
hen, die voor socialisatie een weg wilden openen, werden
evenzeer vervuld als de wensen van hen, die aan het be-
drijfsleven ordenende bevoegdheid wilden geven. Het
spreekt wel vanzelf, dat de synthese van tweeërlei tegen-,
strijdig maatschappelijk streven betrekkelijk gauw door-

zien werd. Een van beide zou toch moeten overwegen, want
wat zou de verordenende bevoegdheid waard zijn, wanneer
elke onderneming haar beschikkingsrecht verloren had?
De bedrijfschappen waren inderdaad de zwaarder gefun-
deerde en in blijvender vormen gestabiliseerde Rijksbu-
reaux, waarin de bedrijfsorgnisaties een schijnbestaan
van onmachtige vertegenwoordiging zouden ‘voeren. In
zeer korte tijd keerde het gehele bedrijfsleven, door Mi-
nister Vos gemobiliseerd voor een advies, zich tegen zijn,
plan. Welke weg zal men nu inslaan? De practijk zal wel leren, dat de schaarste aan goederen en grondstoffen nog
lang zal aanhouden, vooral doordat de enorme deviezen-
zwakte d.w.z. de armoede van ons volk, aanvulling der
voorraden in korte termijn onmogelijk maakt. En zolang
dat duurt zal men de Rijksbureaux niet kunnen missen.
Evenmin is er yeel bevrediging te verwachten van een
verordening in de zin der vakgroepen, omdat een nood-
zakelijk economisch beleid dwingend zal vergen, dat er.
tegenin wordt gegaan. Economische problemen liggen
voortdurend op de loer bij het worstelen tegen inflatie
door prijs- en loonbeheersing. Wanneer die bijna wanhopige
worsteling doorgaat, zal ook de noodzaak van de dwingen-
de regeling der kartelafspraken aan het licht komen. Dat
betekent: voorschriften, streng tegen woeker geformu-
leerd en op contrôle gericht.

Een nieun eenooudig voorstel.

Er is echter één wens in het bedrijfsleven, die misschien
geen sterke verlichting zal brengen, maar toch de samen-
werking kan bevorderen.Het is een middel om enig begrip
inghg te doen vinden voor de bestaande moeilijkheden
en de daarvoor gezochte oplossingen. Dit kan geschieden
door een geregeld contact van het bedrijfsleven met de
Rijksbureaux. Reeds thans
is
incidenteel beproefd om het
bedrijfsleven voorlichting te geven, doordat de leiding
van een mij bekend Rijksbureau daarvoor bepaalde zit-
tingen heeft ingericht. Op verschillende plaatsen in hetland
werden ‘ondernemers, die als vertegenwoordigend konden
gelden voor hun bedrijfstak, uitgenoodigd tot een bijeen-
komst, waarin beslissingen van het Rij ksbureau werden
medegedeeld en het hoe en waarom ervan werduiteengezet

VP

438

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10 Juli 1946

Hierin ligt een ontwikkeling opgesloten, die een
weg
wijst

naar een algemener oplossing. Aan alle Rijksbureaux ware
een vertegenwoordiging van het bedrijfsleven toe te voegen.
Aan die vertegenwoordiging kon een soort interpellat.ie-
recht gegeven worden. Door de directeuren der Rijks-
hui’eaux kan zooveel mogelijk hulp uit het bedrijfsleven
worden opgeroepen om de taak dei bureaux te verlichten
en haai’ in alleilei opzichten bijstaiid te verlenen. Recht
van bestuur zou aan zo’n vertegenwoordiging moeilijk
toegestaan kunnen woi’den, daar ongetwijfeld de Re-
gering hier het laatste woord moet hebben, vooral in
verband met de noodzakelijkheid ener sterk gecentrali-

seerde deviezenpolitiek.
Tegenover de vele grote plannen is dit een nuchter en een

simpel voorstel. De verschillende kanten van het probleem der bedrijfsorganisatie komen daarbij helemaal niet tot hun recht. Het is een magere gedachte om aan het bedrijfsleven
alleen maar het recht te geven om als Commissie van Bij-
stand der Rijksbureaux te functionneren. Fleel andere en
veel hogere opvattingen zijn er gekoesterd voor de bedrijfs-
organisatie. En als zeer tijdelijke en onnodige oorlogs-
producten zijn door het bedrijfsleven de Rij ksbureaux steeds
beschonwd. Men kan gewichtige!’ formuleringen maken van een organisatie met klinkende namen en gewichtige
paragrafen over verkiezing, rechten, plichten enz., waarin
toch als wezenlijk bestanddeel blijft: het staatsorgaan
bijgestaan door de deskundigheid van het volledig inge-
wijde bedrijfsleven. Ditzelfde doel is op een eenvoudiger
manier te bereiken door een paar ministeriële beschikkin-gen. Elk Rijksbureau kan gemakkelijk daarvoor een voor-
1

stel doen; en elke bedrijfstak een aanbeveling voor de te
benoemen adviseurs bij de Rijksbureaux. ,, Maar”, zucht
menig kankeraar in deze dagen, ,,waarom zou men iets
eenvoudig doen, als het ook ingewikkeld kan”?
Ir. 1. P.
DE VOOYS.

DE MIDDELEN

VOOR HERSTELFINANCIERING.

In het voorgaande artikel
1)
werd opgemerkt, dat de bres,
welke door de oorlogsomstandigheden in onzen kapitaal:
goederenvoorraad werd geslagen, zal moeten worden ge-dicht, wil het Nederlandsche productie-apparaat aan onze
bevolking weer een zekere mate van welvaart verschaffen.
Dit houdt dus in, dat aan den huidigen kapitaalgoederen-
vooraad nieuwe eenheden zullen moeten worden toege-voegd: eventueel gepaard gaande met een herverdeeling
van de nog aanwezige kapitaalgoederen.
Om een harmonischen opbouw van het productie-
apparaat te bereiken, kan uit drie bronnen worden geput,
namelijk:
1. De in het
oerleden
gevormde besparingen. Hierbij
valt in de eerste plaats te denken aan het bezit van
bui-
tenlandsche actioa,
voor een belangrijk gedeelte bestaande
uit buitenlandsche effecten. Een realisatie van deze
activa verschaft de mogelijkheid om buitenlandsche
goederen in te voeren, noodzakelijk voor den weder-
opbouw van ons land. De door den midister van Financiën
gewenschte verkoop van Amerikaansche effecten en de
overneming door De Nederlandsche Bank van buiten-
landsche tegoeden, zal dan ook voornamelijk met dit doel
geschieden.
De bij De Nederlandsche Bank uit dezen hoofde ge-
ioncentreerde deviezenvoorraad zal dan aan het bedrijfs-
leven ter beschikking worden gesteld, waarbij de Overheid
dooi middel van een stelsel van deviezenvergunningen het noodige toezicht kan houden.
De Herstelbank kan hierbij een belangrijke rol spelen,
in zooverre zij door credietverleening of door cle uit-betaling van vergoedingen voor oorlogsschade de be-

1)
Zie ,,Hcrstelfinanciering in Nederland en andere landen” in
,,E.-S.B.” van
3 Juli 1946.

trokken bedrijven in staat stelt, de benoodigde deviezen

aan te koopen.
In feite vindt hier dus plaats een omzetting van in het
buitenland belegde besparingen in binnenlandsche activa,
dus in binnenlandsche besparingen. In beginsel zijn per
saldo dus geen binnenlan4sche besparingen hiervoor
noodig, anders dan voor de vorming van nieuw buiten-
landsch bezit. Wanneer echter de oorspronkelijke be-
zitters van buitenlandsche activa worden schadeloosge-
steld met door De Nederlandsche Bank nieuw gecreëerd

Vrij geld
2),
dan zal de aankoop van deze deviezen met
in het binnenland bespaarde vrije gelden dienen plaats te
vinden, wil de geldcirculatie niet worden vergroot. De
Flerstelbank zal in dit opzicht een nuttige functie kunnen
vervullen dooi’ het bijeenbrengen van binnenlandsche
bssparingen, welke worden vastgelegd in door haar uit
te geven aandeelen en obligaties. De aldus verkregen
middelen zal zij op haar beurt door middel van crediet-
verleening kunnen distribueeren onder de gegadigden,
om daarmede de deviezenaankoopen te verrichten.
Wë]licht kunnen ook in het verleden verrichte
binnen-

landsche
besparingen worden dienstbaar gemaakt aan een
harmonischen opbouw van het productie-apparaat. Hierbij
kan gedacht worden aan in gemakkelijk overdraagbare
activa belegde besparingen, bijv. grondstoffen, welke
worden geredistribueerd. Speciale monetaire problemen
werpt dit vraagstuk niet op, mits de binnenlandsche geld-
circulatie bij een eventueele credietverleening niet wordt
vergroot, bijv. door bankcrediet.
2. Als tweedebron kan vorden.genoemd de door het

buitenland
verrichte besparingen, welke aan Nederland
ter beschikking worden gesteld. Dit kan twee vormen
aannemen, nl. buitenlandsche credietverleening en vrij-
willige of onvrijwillige schenkingen. Onder den laatsten
vorm kunnen eventueele herstelbetalingen door de vroe-
gere asmogendheden worden geklassificeerd.
De door het buitenland ter beschikking gestelde be-
sparingen vervangen dus voor hun deel de noodzakelijke
binnenlandsche besparingen om investeeringen te kunnen
verrichten. Aankoop van goederen met deze middelen
kan dus zonder monetair bezwaar met nieuw gecreëerd geld plaatsvinden ), zoodat bijv. bankcrediet of het ge-
bruiken van geblokkeerd geld om zuiver monetaire re-
denen niet misplaatst zou zijn. De aflossing van deze
buitenlandsche credieten zal echter wel degelijk uit bin-
nenlandsche besparingen moeten geschieden. Betreft
het buitenlandsche credieten, welke door den Staat zijn
opgenomen, dan zal de aflossing moeten plaatsvinden
uit aan het publiek onttrokken middelen, waarvoor hij
voorkeur belastingheffing in aanmerking komt. De nood-
zakelijke beperking van het verbruik, d.w.z. de bespa-
ringen, worden dus naar de toekomst verschoven, hetgeen
voordeelen kan hebben, daar verwacht mag worden,
dat het reëele nationale inkomen dit dan gemakkelijker
zal toelaten. 1-let behoeft echter weinig betoog, dat zoo
groot mogelijke besparingen in het heden, met als gevolg
zoo beperkt mogelijke credietopneming in het buitenland,
verre de voorkeur verdienen boven een speculatie op de
onzekere toekomst.
Wanneer de geldcirculatie in verband met het ge-
wenschte prijspeil op een bepaald moment te groot wordt
geacht – wat zij vermoedelijk thans is – kan natuurlijk
binnenlandsche credietschepping voor den aankoop van
door het buitenland, bijv. aan den Staat, geleende de-
viezen, beter achterwege blijven. Vergoedingen voor
oorlogsschade of hersteicredieten door de Herstelbank
4)

verleend, welke uiteindelijk zullen dienen om de door
het buitenland ‘geleende deviezen van den Staat aan te

3)
1-let ligt in de beoe1ing dit slechts gedeeltelijk te doen plaats-
vinden.
3)
Aannemende, dat de monetaire situatie geen correctief behoeft.
‘) Vgl. voor de oprichting en het doel van cle Herstelbank ook het
artikel van Dr. Ir. B. Bölger: ,, De Herstelbank” in ,,E.-S.B.” van
8 November
1945.

10 Juli 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

439

koopen, dienen dan te worden verstrekt met aan het
publiek onttrokken middelen. Dit laatste kan den vorm aannemen van vrijwillige vastiegging van besparingen
in aandeelen of obligaties van de Herstelbank, of gedwon-
gen besparing in den vorm van belastingheffing door den Staat of gedwongen leeningen.
3
°
. De derde bron, waaruit de herstelfinanciering kan
putten, wordt gevormd door de
binnenlandsche besparingen
uit het loopende inkomen.
Voor den wederopbouw van ons zoo zeer gehavende
productie-apparaat is het noodzakelijk, dat de consumptie
zooveel mogelijk wordt beperkt, d.w.z. dat van het loo-
pende geldinkomen zooveel mogelijk wordt bespaard.
Mede op deze wijze kunnen de middelen worden ver-
kregen, welke tot wederopbouw kunnen dienen. De Staat
zal op deze geldbesparingen, door middel van belasting-
heffing of eventueel met behulp van leeningen, beslag
kunnen leggen, om zoo de middelen te verkrijgen, welke
de Herstelbank zal distribueeren in den vorm van ver-
goedingen voor oorlogsschade of credietverleening. De
Herstelbank zelve zal deze besparingen kunnen vast-
leggen door uitgifte van obligaties en aandeelen aan het
publiek
5).

Nogmaals zij in het kort aandacht gevraagd voor het
monetaire probleem in dit opzicht. Het is nI. niet onmo-
gelijk om op andere wijze de gewenschte binnenlandsche
besparingen te verkrijgen, bijv. door geldcreatie. Deze
besparingen worden dan ,,afgedwongen”, hetzij door
inflationistische prijsstijging, hetzij door het ontstaan
van zwevende koDpkracht. Het behoeft weinig betoog,
dat beide vormen een zeer slechte ,,oplossing” bieden’
voor het onderhavige vraagstuk. De gevolgen van het
bestaan eener aanzienlijke’ zwevende koopkracht, zooals
o.a. den zwarten handel, liegen ons nog versch in het
geheugen.
Conclusie.

In het voorafgaande is naar voren gebracht, dat de
middelen voor herstelfinanciering uit drie bronnen kunnen
worden geput. Tusschen deze drie bronnen bestaat geen
principieel verschil, alleen maar een verschil in tijd. Ook
wanneer buitenlandsche leeningen moeten worden af

gelost, zal dit moeten geschieden uit binnenlandsche
besparingen, en de wederopbouw van buitenlandsche

reserves zal eveneens uit binnenlandsche besparingen
moeten plaats vinden. In wezen
is
er dus voor het betalen
van oorlogsschadevergoedingen en het verleenen van her-
stelcredieten slechts één bron, nl. de binnenlandsche be-
sparingen
6).

Het gebruik maken van buitenlandsche reserves en
buiterilandsche crèdieten veroorlooft echter de vorming
van binnenlandsche besparingen te verdeelen over een
langere periode. Wanneer men zich voorstelt den weder-

opbouw van ons productie-apparaat binnen een rede-
lijken tijd te doen plaatsvinden, bijv. 5 is 10 jaren, dan
is het duidelijk, dat dit, hij een oorlogsschade van t 11,4
milliard in prijzen van 1938, moeilijk uit de loopende be-
sparingen. kan geschieden. De minister van Financiën
stelt zich voor, dat de binnenlandsche besparingen in
1946 ongeveer f 1,2 milliard zullen bedragen, welke echter
in verband met de hooge overheidsuitgaven uit anderen
hoofde volstrekt niet ten volle voor herstellin.anciering
kunnen worden gebruikt. 1

her komt nog bij, dat dit
besparingen zijn, uitgedrukt in de geldswaarde van 1946, welke aanzienlijk beneden het niveau van 1938 ligt. Alle
drie bronnen zullen dus moeten worden aangeboord om
eenerzijds den wederopbouw in een niet te langzaam
tempo te doen verloopert en anderzijds .den druk op de

) Uit den aard der zaak zullen emissies van bedrijven, welke daar-
toe in de gelegenheid zijn, hetzelft9e effect sorteeren. Dit vraagstuk
blijve hier, daar vooral de beteekenis van de Herstelhank voor de herstelfinanciering wordt besproken, verder buiten beschouwing.
‘) ‘Alen zie ook: ,,Middelen, die voor herstelfinanciering niet en
wel kunnen dienen’ door Mr. H. F. van Leeuwen in ,,E.-S.B.”
van 10 Januari 1946. –

binnenlandsche consumptie op draaglijke wijzo over
meerdere jaren te verdeelen.

Gebleken is, dat men in het buitenland verschillende
systemen voor lierstelfinanciering heeft gevolgd. In het
voorafgaande is herhaaldelijk tot uiting gekomen, dat de
herstelfinanciering (betaling van vergoedingen en ci’ediet-
verleening) niet mag leiden tot inflationistische prijs-
stijging of vorming van zwevende koopkracht. Welk systeem voldoet nu het best aan den gestelden eisch,
t.w. de bevordering dei’ hinnenlandsche besparingen
zonder het optreden van prijsstijging of zwevende koop-
kracht?
In principe zal het Engelsche systeem van industrie-
financiering, waarbij in wezen bankcredieten worden
verleend via tusschengeschoven financieringsinstellingen,
tot geldcrèatie aanleiding geven, of althans niet zorgen
voor de gewenschte vastlegging der geldbesparingen.
1-let is mogelijk, dat per saldo het resultaat voor de En-
gelsche volkshuishouding niet ongunstig is, omdat daar
een zeer groot Amerikaansch crediet wordt verkregen
(verg. blz. 438), maar in wezen is dit stelsel niet zonder
ernstige bezwaren.
In België en Frankrijk zal de Staat de middelen voor
de herstelfinanciering verschaffen. Verkrijgt de Staat
de middelen voor de vergoeding van oorlogsschaden en
voor de verleening van wederopbouwcredieten volledig uit
binnenlandsche besparingen en buitenlandsche credieten,
dan voldoet het in die landen gevolgde systeem aan den
bovengestelden eisch. De stellige indruk bestaat echter,
dat dit niet het geval is. Een op zichzelf van monetair
oogpunt uit goed systeem wordt dus in die landen, voor-
zoover kan worden beoordeeld, op onjuiste wijze toegepast.
Bij de oprichting van de Herstelbank in Nederland
hebben de Staat, de banken en eenige institutioneele be-leggers samengewerkt. De medewerking van de banken
vond tot een beperkt bedrag plaats, maar uit het voor-
gaande is gebleken, dat dit in monetairen zin niet zonder
bedenkingen is
7).
De staatsbijdrage vond hier te lande
stellig niet uit aan het publiek onttrokken bespaarde
middelen plaats, daar van de staatshuishouding nog
voortdurend een jntlatoire werking uitgaat. Alleen de
medewerking der institutioneele beleggers zou voldoen
aan den gestelden eisch, daar zij immers de groote re-
servoirs van de besparingen van het publiek zijn, ware het
niet, dat de storting op de deelnemingen met geblokkeerd
geld kon geschieden. Ook hier werden dus niet loopende vrije besparingen vastgelegd, liet blijkt dus, dat evenmin
in Nederland de toepassing van de in het voorafgaande
ontwikkelde beginselen fraai was.

Nogmaals zij opgemerkt, dat deze handelwijze in over-
eenstemming kan zijn met de in het voorafgaande ontwik-
kelde gedachten, indien en voorzoover de herstelfinancie-
ring geschiedt met behulp van buitenlandsche credieten.
Daar echter de invloed van de staatshuishouding de gun-
stige monetaire werking der tot nu toe ontangen buiten-
landsche credieten reeds meer dan gecompenseerd heeft,
valt het moeilijk de Nederlandsche toepassing van het
systeem van herstelfinanciering in eerste instantie toe te
juichen. Nadat dit artikel reeds was geschreven, heeft bij de Herstelbank een kapitaalsuitbreiding plaatsgevonden,
welke beter voldoet aan de beginselen, welke in het voor-
afgaande werden ontwikkeld. Er is voor f 100 millioen aan aandeelen B uitgegeven, waarvan t 75 millioen is onderge-
bracht bij de Rijksfondsen, welke met vrij geld zullen be-
talen. De resteerende f 25 millioenaan aandeelen B werden
bij het publiek ondergebracht, dat volledig met vrij geld
zalbetalen. Het is echter de vraag, of hetzelfde kan worden
gezegd van de uitgifte van f 100 millioen aandeelen A,
welke gepaard gaat met de emissie van
1
aandeelen B. Deze

‘)
liet is waarschijnlijk wel geoorloofd af te zien van de mogelijk-
heid, dat de banken hun eigen of op langen termijn toevertrouwde
middelen hiervoor hebben gebruikt. FIet Nederlandsche bankwezen
hield zich altijd reeds bezig met credietverleening aan de industrie,
zoodat deze middelen hierin waarschijnlijk reeds zijn vastgelegd.

440

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10 Juli 1946

aandeelen A worden immers uitsluitend door den Staat
genomen, en de Overheid beschikt vermoedelijk thans niet over een overschot aan vrije gelden, welke aan het publiek
zijn onttrokken.
Drs. F. DE ROOS.

DE VERPLICHTE ZIEKENFONDS-

VERZEKERING.

Al is de regeling van de ziekenfondsverzekering in, den,

bezettingstijd ingevoerd, het stond van meet af aan vast,
dat zij xia de bevrijding van ons land zou worden gehand-
haafd. Immers, zulk een regeling was onder onze wettige
Regeering, voordat de Duitschers hier binnenvielen, in ver-
gevorderden staat van voorbereiding. Toch verkeerde op
het oogenblik van de bevrijding een aantal werkgevers in,
de meening, dat daardoor vanzelf een eind aan de ver-
plichte ziekenfondsverzekering was gekomen. Zij staakten
de verstrekking van de coupons, welke hun arbeiders, ten
blijke, dat zij verplicht verzekerd waren, moesten ter hand

stellen aan den bode van hun Algemeen Ziekenfonds
(zooals een tot de verplichte ‘verzekering toegelaten
fonds zich moet noemen).
Het heeft intusschen niet al te veel moeite gekost, dit

misverstand weg te nemen. Over het algemeen begreep ons
volk, dat het Ziekenfondsenbesluit niet maar een Duitsch
bedenksel was en dat het zou blijven bestaan, aangezien
het aan een sterke sociale behoefte voldeed. Wel zal men
de regeling moeten herzien,,in de eerste plaats om de
Duitsche franje er af te halen”, zooals minister Drees het
op 20 December 1945 in de Tweede Kamer uitdrukte.
De bewindsman liet hierop volgen, dat tevens het geheele
probleem nogmaals moest worden bezien. Misschien heeft
hij, aldus sprekende, gedacht aan de voorgenomen uit-breiding van de sociale verzekering tot een algemeene
volksverzekering, althans tot een verzekering ook van de
kleine zelfstandigen. In verband hiermede verdient ook
de aandacht het juist verschenen derde deel van het rap-
port der Londensche Commissie-Van Rhijn, in welk deel
voorstellen worden gedaan ten aanzien van medische en
hygiënische diensten. Hierop kan ik thans niet ingaan.
Inmiddels is in het leven geroepen een commissie van ad-
vies voor het ziekenfondswezen, die – om den Minister
nog eens te citeeren – moet nagaan, ,,hoe wij kunnen
komen tot een ziekenfondswet, die inderdaad goede
organisatorische oplossingen geeft en de verschillende
groepen bevredigt”. In afwachting van den nieuwen stand van zaken loont het mi. de moeite, van eenige bijzonder-
heden betreffende den tegenwoorcligen toestand kennis
te nemen.

De kring der rvr plicht Qerzekerden

Hierbij heb ik in de eerste plaats op het oog den kring
van hen, die onder de verplichte ziekenfondsverzekering
vallen.
Regel is, zooals men weet, dat de ingevolge de Ziektewet
verzekerden ook krachtens het Ziekenfondsenbesluit Yer-
zekeringsplichtig zijn.
Nadat genoemd besluit, op 1 November 1941, in werking was getreden, kwam, precies een jaar later, het huishoude-
lijk personeel, voorzoover het hij den werkgever inwoont
of op ten minste vijf dagen per week in zijn dienst pleegt
werkzaam te zijn, onder de Ziektewet en bijgevolg ook
onder het Ziekenfon,dsenbesluit te ressorteeren. Deze maatregel is uit een administratief oogpunt een beetje
lastig voor den werkgever. Maar ten aanzien van inwonend
personeel verlicht genoemde maatregel de verplichtingen
van den werkgever, voortvloeiende uit artikel 1638 y
Burgerlijk Wetboek, en hij is in sociaal opzicht ongetwij-
feld een verbetering.
Een andere aanvulling van de Ziektewet, waardoor met
ingang van 1 Januari 1943 de bij den werkgever inwonende

eigen, dangetrouwde of stiefkinderen onder de werking
van deze wet en van het Ziekenfondsenbesluit werden
gebracht, is bij de bevrijding vaTi ons land ongedaan
gemaakt, waarschijnlijk met het oog op den financieelen
last, welken deze maatregel op de vele kleine bedrijfjes,
inzonderheid boerenbedrijfjes, legde.
Op den regel, dat zij, die ingevolge de Ziektewet ver-
plicht verzekerd zijn, ook onder de verplichte ziekenfonds-
verzekering vallen, zijn enkele uitzonderingen gemaakt.
Van deze uitzonderingen noem ik die, welke betrekking
heeft op een vrij talrijke groep personeel van ruim negentig

zieken- en andere,verplegingsinrichtingen. Voor dit per-
soneel zijn waarborgen geschapen, dat het van deze in-
richtingen via haar eigen med.ïschen staf op zijn minst
dezelfde verstrekkingen krijge, als de Algemeene Zieken-

fondsen aan de verplicht verzekerden dienen te verlenen.
(Andere inrichtingen hebben zich aangesloten bij een speciaal daarvoor opgericht zgn. oridernemingsfonds,
,,Alzinez” genaamd, waardoor zij kunnen voortgaan,
haar personeel door haar eigen medischen staf te doen
behandelen en tevens kunnen worden vrijgesteld van de
verplichting, coupons aan haar arbeidskrachten te ver-
strekken). Met ingang van 16 Augustus 1943 zijn voorts

van de verplichte ziekenfondsverzekering uitgezonderd
de arbeidscontra,ctanten in dienst van de Nederlandsche
politie, voorzoover zij op grond van contractueele ver-
houdingen verplicht waren zich aan te sluiten bij het
Nederlandsch Politie-Ziekenfonds, dat met ingang van
1 Juli 1942 als ziekenfonds in den zin van het Ziekenfond-senbesluit was erkend. Dit fonds is met ingang van 1 April
1946 opgeheven en vervangen door een ander fonds, ten aanzien waarvan thans om een gelijksoortige vrijstelling
is verzocht, als met betrekking tot het NP.Z. was ver-
leend.

Ik herinner er voorts aan, dat de Regeering zelve thans
heeft voorgesteld, op een band tusschen Ziektewet en
Ziekenfondsenbesluit in elk geval voorshands een uit-
zondering te maken, door de voor de Ziektewet ontworpen
loongrensverhooging van 3.090 tot 3.750 gulden niet voor
het Ziekenfondsenbesluit te doen gelden. Zij heeft dit
gemotiveerdmet te verklaren, dat bij een verhooging van
de loongrens voor het Ziekenfondsenbesluit tot f 3.750
een groep personen zal worden gedwongen, zich bij een
ziekenfonds aan te sluiten, die veelal zulks niet begeeren
en er de voorkeur aan geven, als particulier patiënt te
worden behandeld. Ook wijst de Regeering erop, dat van
medische zijde tegen verhooging van de loongrens ernstig
bezwaat is gemaakt. In de Tweede Kamer was men het
blijkens haar voorloopig verslag Vrij algemeen erover eens,
dat er geen klemmende redenen zijn om de voorgestelde
verhooging niet toepasselijk te verklaren op het Zieken-
Xondsenbesluit. De door den Minister aangevoerde gronden
werden niet houdbaar geacht. Op het oogenblik, dat ik
dit schrijf, moet worden afgewacht, of de Kamer bij
amendement de voorgestelde uitzondering uit het wets-
ontwerp zal schrappen. De Stichting van den Arbeid heeft

in een adres aan de Regeering om een loongrensverhooging
als de thans voorgestelde verzocht en daarbij voor de
ziekenfondsverzekering geen uitzondering gemaakt.
Anderzijds zijn, reeds in den bezettingstijd, onder laatst-
genoemde verzekering eenige groepen gebracht, welke
niet onder de Ziektewet vallen.
Een uitbreiding van de verplichte ziekenfondsverzeke-
ring met vele duizenden personen bracht een besluit,
waardoor met ingang van 16 Augustus 1943 onder die
verzekering werden gebracht arbeidscontract.nten bij
publiekrechtelijke lichamen, voorzoover zij als arbeider
in den zin der ‘Ziektewet worden beschouwd, maar op
grond van een voor hen getroffen ziekengeldregeling van
de Ziektewet zijn, uitgezonderd.
Voorts is op 22 Mei 1944 een gelijksoortige maatregel
in werking getreden, waardoor onder de ziekenfonds-
verzekering kwamen te ressorteeren arbeidscontrac-

10 Juli 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

441

tanten hij het Rijkshureau Voedselvoorziening en de
daartoe behoorende diensten, het Nederlandsch Clearing-en het Deviezeninstituut, alsmede arbeidskrachten, werk-
zaam bij vereenigingen, enz. van maatschappelijk nut,
welke voor de ziekengeldverzekering van haar personeel
zijn aangesloten bij cle Invaliditeitscoöperatie of haar
Roomsch- Katholieke zusterinstelling.
Van
groot belang is verder de regeling, welke met in-
gang van 1 October 1944 is ingevoerd en waardoor werk-
loozen onder de verplichte ziekenfondsverzekering zijn
komen te vallen. De gebeurtenissen van September

1944, welke een spoedig einde van den oorlog – en daar-
mede een tijdelijke, sterke toeneming van het aantal
werkloozen – deden verwachten, waren de aanleiding,
dat bij de invoering van deze regeling bijzondere spoed
werd betracht. De premie woedt voor de helft door het
Rijk gedragen, voor de andere helft door gemeente en werknemer tezamen, met dien verstande, dat de werk-
nemer twee percent van het steunbedrag betaalt en de
gemeente twee l)elCeflt van het verschil tusschen het loon,
waarnaar het steunbedrag wordt berekend, en het steun-
hcdrag. Bij de beoordeeling van de financieele gevolgen

deze regeling voor de gemeenten dient de besparing op haar uitgaven voor Maatschappelijk Hulpbetoon, welke
tot die govolgeri
,
behoort, in aanmerking te worden ge-
nomen.

Dc indi,ect oerzekerden.

liet bovenstaande heeft betrekking op personen, die
op grond van de werkzaamheden, welke zij verrichten, of,
wat de werkloozen aangaat hebben verricht, bij een
Algemeen Ziekenfonds dienen te zijn aangesloten. Dit
zijn de zoogenaamd rechtstreeks verzekerden.
Nog grooter echter is het aantal indirect verzekerden,
d.z. de personen, die met een rechtstreeks verzekerde
in gezinsverband samenwonen en jegens wie de recht-streeks verzekerde volgens de bepalingen van het Bur-
gerlijk Wetboek onderhoudsplichtig is (de echtgenoote

en kinderen – echter slechts beneden zestien jaar -,
de ouders, grootouders en schoonouders), mits hij hun
kostwinner is, d.w.z. door zijn loon voor ten minste de helft in hun noodzakelijk levensonderhoud voorziet.
Onderhoudsplicht ten aanzien van ouders, grootouders

en schoonouders bestaat alleen, indien deze in behoeftige
omstandigheden vérkeeren. Aangezien het hier een rek-
haar begrip geldt, zijn daarvoor nauwkeurige grenzen
getrokken. Voor de toepassing van het Ziekenfondsen-
besluit wordt behoeftigheid aangenomen, wanneer men
inkomsten heeft beneden zekere maxima. Ten aanzien
hiervan woidt een indeeling van de gemeenten in zeven klassen gevolgd, analoog aan die voor de steunnormen.
De maxima loopen vooi man en vrouw van f 17,60 per
week in een eei’ste klasse- tot f 14 in een zevende
klasse-gemeente en voor alleenstaanden van f 13,40 tot
f 11,60. Buitengewoon bescheiden bedragen, zooals men
ziet! Dat zij teer binnenkort een verhooging zullen onder-gaan overeenkomstig de stijging van het algemeene prijs-
peil in den loop der laatste drie jaren, schijnt dan ook
geenszins uitgesloten.’
Wat het samenwonen in gezinsverband betreft, dit
wordt ook geacht te bestaan, indien de Wil tot samen-

wonen aanwezig i, maar niet. kan worden verwezen-lijkt, tengevolge van buitengewone omstandigheden,
als evacuatie, woningnood e.d., en ingeval de recht-
streeks verzekerde tengevolge van de uitoefening van
zijn beroep buiten het gezin verblijft, waarvan hij deel
uitmaakt. Indirect verzekerd blijven voorts schippers-
kinderen, die niet aan boord van het schip wonen, omdat
zij een school aan den wal bezoeken.
lIet heeft heel wat voeten in de aarde gehad, voordat
begrippen als kostwinnerschap, gezinsverband en onder-
houdsplicht tot voldoende uitwerking waren gebracht. De Duitschers vaien er van uitgegaan, dat het Zieken-

fondsenbesluit onverwijld moest worden ingevoerd en
dat de leemten en onvolkomenheden, die zouden blijken
te bestaan, gaandeweg aangevuld en verholpen zouden
moeten worden. Een methode van wetgeving, welke
fundamenteel verschilt met de bij ons volk van oudsher
terecht gebruikelijke! Ik heb in het bovenstaande van
de begrippen, die hier in het spel zijn, slechts een sum-
miere aanduiding gegeven en vermeden, op zekere ju-
ridische nuances en casusposities in te gaan. Dat alles
nu in alle gevallen volkomen vast staat, zou ik niet willen
beweren. Instelling van een beroepsorgaan is – met het
oog hierop en op vele andere vraagpunten – gewenscht.
Vertrouwd mag worden, dat de ziekenfondswet, welke
minister Drees heeft aangekondigd, ook hierin zal voor-
zien.

Het aantal verplicht verzekerden (rechtstreeks en in-
direct verzekerden tezamen) bedroeg op 31 December
1945, het laatstbekende cijfer, ongeveer drie en een half
millioen.

De concenti’atje der /ondsen.

In de tweede plaats een korte opmerking met betrek-
king tot de concentratie der Algemeene Ziekenfondsen.
Véôr de invoering van het Ziekenfondsenhesluit be-
droeg het aantal ziekenfondsen in ons land ongeveer
zeshonderd vijftig. Daarna werden 204 fondsen als Alge-
meen Ziekenfonds voorloopig erkend en toegelaten en
werden 43 aanvragen afgewezen. Op 1 April 1946 waren
er 170 Algemeene Ziekenfondsen.

De ziekenfondsen zijn uit het maatschappelijk leven
van ons volk zelf voortgekomen en de ziekenfonsyer-
zekering is sedert tientallen jaren diep in onze volks-

gewoonten verankerd. Een principieele conceitratie van
de fondsen door machthebbers in den bezettingstijd ware
verraad aan de Nederlarjdsche gedachte geweest. Zoo-
danige concentratie thans, door onze wettige Regeering,
schijnt onafwijsbare eisch van economie en efficiency.

De kosten der r’erzekering.
Tenslotte ietS over de kosten van de verplichte zieken-
fondsverzekering.
Over die in het jaar 1942 zijn in dit blad reeds mcde-
deelingen gedaan ‘). Als gevolg van de tijdsomstandig-
heden is het voor het staatstoezicht op de ziekenfondsen
buitengewoon moeilijk, een volledig beeld van de kosten
te krijgen. Tengevolge van cle ellendige omstandigheden,
in den bezettingstijd veroorzaakt door de mannenvoide-
ring, de voedselschaarschte, de hooge ziektecijfers, enz.,
hadden de fondsen te lijden onder een personeelstekort,
dat hun belette, de noodige financieele gegevens tijdig
te produceeren. Van verscheidene fondsen, in het gevechts-
gebied gevestigd, is documentatiemateriaal verloren ge-
gaan. Daarbij was het ook buiten deze bijzondere.om-
standigheden voor verscheidene fondsen reeds moeilijk, hun administratie in orde te krijgen, omdat de invoering
van de verplichte verzekering plotseling had geleid tot een uitbreiding van hun werkzaamheden in ongekende
mate. Zoo komt het, dat het Staatstoezicht ten aanzien
van de jaren 1944 en 1945 nog niet over voldoende ge-
gevens beschikt om er een, al ware het maar voorloopig,
beeld van de kosten uit te kunnen construeeren. Wat
betreft het jaar 1943, zijn op het oogeriblik, dat dit wordt
geschreven, de gegevens bekend van 157 fondsen, met
een totaal aantal verplicht verzekerden van 2.577.816.
(Van 39 fondsen, met 739.604 verplicht verzekerden,
zijn nog geen gegevens over genoemd jaar ingekomen).
Uit de beschikbare gegevens nu kan men – bij wijze
van voorloopige berekening – afleiden, dat voor 3.317.420
personen, zijnde het gemiddelde, totale aantal, over het
jaar 1943 verplicht verzekerden, de volgende bedragen
gelden:

2)
Dr. Mr. L. P. van der Does. ,, De uitkomsten van het eerste
jaar Ziekenfondsenbesluit” in , .Eeononiisch-Stattstische Berichten”
van 12 Januari 4944.

442

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10 Juli 1946

Kosten per
Geschatte

verplicht ver-
totale kosten
zekerde hij dc
van alle fond-
fondscn,waar-
sen

(in
van de cijfers
millioenen
bekend zijn:
guldens)
(in guldens)

Geneeskundige hulp
3,18 10,5
Genees- en verbandmiddelen
2,82
9,3
Specialistische hulp

………….
1,44
4,8
Tandheelkundige hulp
1,11
3,7
1,1
ziekenhuisverpleging
3,56
11,8
uitwendige geneeswijzen
.0,23
0,8

Verloskundige hulp

………….0,33

Kunstrniddelen
…………….
0,21
0,7
Buiten fonclsgebied verleende hulp
0,05

.
0,2
Incasso, beheer en contrôle

. . .
1,74

.

5,8
Overige uitgaven

……………
0,05
0,1

Tolaal

der

kosten

………….
14,72
1

48,8

Ontvangsten ex art. 49 Ziektewet
006
0,2
Overige ontvangsten
0,03
0,1

Totaal der baten

…………..
J

0,09
0,3

Saldo kosten verplichte verzeke-
14,63
48,5
Kosten herverzèkering, uitkeering
ring

…………………..

0,20
0,6
hij overlijden

………………
Kosten

herverzekering,

sanato-
riumverpleging
0,22
0,7

Totaal-Generaal

…………..
1

15,05
49,8

De ontvangsten ex ai’tikel 49 Ziektewet, waarvan hier-
boven sprake is, betreffen de vergoeding van de kosten
van ziekenhtiisverplègïng van een niet-kostwinner tot
een bedrag van twee derden van zijn ziekengeld aan zijn
Algemeen Ziekenfonds. Deze vergoeding wordt nu niet
meer gevraagd, omdat de regeling tot moeilijkheden
aanleiding gaf en men ze hij nadele overweging niet geheel
redelijk achtte.
De batige saldi der herverzekeringen worden van de
invoering van het Ziekenfondsenbesluit af, ingevolge
de geldeïude overeenkomsten, voor een deel ten behoeve
van de vei’plicht verzekerden gereserveerd en voor het
overige teruggestort in het zgn. Vereveningsfonds, waar-
uit de uitgaven voor de verplichte ziekenfondsverzekering
worden gedekt.
De kosten per persoon van de bijdrage voor sanato-
riumverpleging en van de uitkeering bij overlijden in
1942 bedragen elk ongeveer twintig cents.
Wat de toekomst beti’ef t, moet als gevolg Nan de alge-
meene prijsstijging met stelligheid op een verdere, belang

i-ijke verhooging van uitgaven voor de verplichte zieken-
fondsverzekering worden gerekend. Er is alle grond
vooi’ de verwachting, dat de stijging van de kosten der
ziekenhuisverpleging nog niet tot staan is gekomen. Nog
belangrijker zullen de offers zijn, welke van het Vereve-ningsfonds worden gevergd ten gevolge van de tot stand
te brengen algemeene regelingen der honorai’ia voor de
medewerkers der fondsen, d.z. huisartsen en specialisten,
apothekers, tandartsen en vroedvrouwen. Van den kant der verschillende groepen medewerkers worden, in be-
paalde gevallen wel vèrgaa.nde, voorstellen gedaan, waar-
over thans besprekingen gaande zijn. Uit den aard der
zaak zullen de nieuwe honoinria de grenzen van het
redelijke en financieel mogelijke niet mogen en kunnen overschrijden. Maar het totaal ook van zoodanige hono
,

raria zal zonder twijfel een aanmerkelijke stijging van
uitgaven voor het Vereveningsfonds beteekenen. Dit
perspectief in aanmerking genomen, is een uiterst voor-
zichtige financieele politiek volstrekt noodzakelijk, vooral
omdat het Staatstoezicht zelfs voor de jaren 1942 en
1943 – laat staan voor 1944 en 1945 – nog niet over

een volledig beeld van de inkomsten van het Verevenings-
fonds beschikt. Bij de raden van arbeid en de bedrijfs-
vereenigingeiu, welke met de inning van de premiën voo!’
de verplichte ziekenfondsverzekering zijn belast, bestaat
namelijk een groote achterstand, waarvan ook al weer
de oorlog de schuld is. Dat ook vele fondsen aan dat

euvel lijden, is uit het oorgaande reeds gebleken. Laat
ons hopen, dat die fondsen, welke tot dusverre geen ge-

gevens hebben ingezonden, en de uitvoeringsorganen der
Ziektewet in den loop van dit jaar voldoende gegevens
aan het Staatstoezicht zullen verstrekken om het mo-
gelijk te maken, zich althans met betrekking tot de eei’ste
jaren van de verplichte ziekenfondsverzekering een vol-
ledig financieel beeld te vormen.
A. J. LUIKINGA.

DE POSITIE VAN HET

FABRIKANTEN-MERKARTIKEL IN DE
KRUIDENIERSBRANCHE,

Het onder deze titel van de hand van Drs. S. C. Bak-
kenist en Drs. W. J. van de Woestijne verschenen werk
1),

verdient zeer zeker de belangstelling van allen, die in eniger-
lei vorm met deze tak van bedrijf te maken hebben. De
schrijvers, die als directeur en medewerker van het burBau
der Stichting ,,1-let Merkartikel” – de organisatie van
de merkartikelenfabrikanten in deze branche – zijn ver-bonden, geven blijk niet alleen over een gedegen kennis
van de structuur van dit ha.ndelsapparaat, maar eveneens
over een scherp analyserend vermoger te beschikken,
waardoor hun werk ongetwijfeld gaarne en veelvuldig zal
worden geraadpleegd door degenen, die op dit terrein
hun bedrijfspolitiek zullen hebben te bepalen.
Wanneer in het eerste hoofdstuk wordt nagegaan, welke
functies tussen productie en consumptie moeten worden
vervuld, dan zal het insiders niet verwonderen, dat de
schrijvers tot de conclusie komen, dat in dit land en in deze bedrijfstak noch de detailhandelsfunctie, noch de grossiers-
functie gemist kunnen worden. Moge elders rechtstreekse
verkoop van fabriek (stofzuigers) of groothandel (mail-
order) aan den consument doelmatig kunnen zijn, voor
de artikelen van dagelijks gebruik en bij de gewoonten
van den Nederlandsen gebruiker is de winkel in de nabij-
heid van den consument de aangewezen verkoopplaats.
Moge voor de voorziening van de detailhandel niet altijd van de
zel/standige
groothandel gebruik worden gemaakt,
dan zal toch bijna altijd de grossiersfunctie geïntegreerd
zijn hetzij door den fabrikant (fabrieksdepôts), hetzij door
de detailhandel (inkoopverenigingen ,of grootwinkelbe-
drijven).
De functies, die door de handel worden verricht, worden
door de schrijvers onderscheiden in:
a.
disti’ibutiefunctie,
b.
verkoopfunctie in algemene zin,
c.
verkoopfunctie in
bijzondere zin. Ten aanzien van het inerkartikel is de vraag
van den consument naar het door den fabrikant geprodu-
ceerde artikel de originaire vraag, de vraag van grossier
en winkelier zijn hiervan afgeleid. Bij een volkomen passieve
houding, waarbij de handel dus slechts ter beschikking
houdt, wordt alleen de distributiefunctie vervuld. Polis-
seert de handel een bepaald merk, dan verricht hij de ver-koopfunctie in bijzondere zin, die men dus ook pousseer-
functie zou kunnen noemen. Is zijn activiteit er op gericht
zonder voorkeur voor een bepaald merk een groter deel
van de totale consumptie in handente krijgen, dan is dat
de verkoopfunctie in algemene zin.
Terecht wordt opgemerkt, dat distributiefunctie en
pousseerfunctie elkaar tot zekere hoogte uitsluiten.
Het pousseren van bepaalde merken brengt met zich het achterstellen of uitschakelen van andere, waardoor
de distributiefunctie, d.w.z. het zo ruim mogelijk beschik-
baar stellen volgens eigen voorkeur van den.consument,
wor(U geschaad, hetgeen echter allerminst wil zeggen, dat
den winkelier moet worden aangeraden steeds onbeperkte

keus te bieden.
In het niet vervullen van de verkoopfunctie in bijzondere

‘)
Drs. S. C. Bakkenist en Drs. W. J. van de Wocstijne: ,,De
positie van het fabrikanten-merkartikel in de kruidenicrsbranche”,
C. Misset N.V., 1946.

10 Juli 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

443

zin (pousseerfunctie) zien de schrijvers de oorzaak van het
ontstaan van het merkartikel. Dit lijkt wat simplistisch. Ontstaan en ontwikkeling van het merkartikel zijn ver-oorzaakt door een complex van factoren (de voordelen
van uniforme massaproductie en massaverpakking, de
eisen van hygiëne e.a.), waarbij zeker ook de wens van den
producent, zich minder afhankelijk te maken van de
handel, een rol heeft gespeeld, maar niet de enige factor
is geweest.
Waar inzake de handelsmarge wordt opgemerkt, dat de
rationele marge een beloning dient te geven voor het
rationeel vervullen van de distributiefunctie, daar zal dit waarschijnlijk weinig tegenspraak ontmoeten. Eveneens
zal men over het algemeen willen aanvaarden, dat de
gezamenlijke marges voor grossier en winkelier steeds lager
dienen te zijn dan de kosten, die de fabrikant bij recht-
streekse verkoop aan den consument zou hebben.
Het gevaar, dat hieraan niet zou zijn voldaan, is o.i.
niet groot. Het populaire bijgeloof, dat de handel de
goederen duur zou maken, is ook hier wel ongegrond,
hetgeen niet wil zeggen, dat niet veelal goedkoper gedistri-
bueerd zou kunnen worden dan thans geschiedt.
Dat voor merkartikelen een functionele korting de voor-
keur verdient boven een kwantumkorting, wordt, naar
wij menen,ook in de praktijk steeds meer aanvaard.
Hetzelfde geldt voor de stelling, dat elk artikel zijn eigen
distributiekosten dient te dragen; al zullenhierdemeningen
uiteenlopen over de vraag, in hoeverre dit thans al of niet
het geval is.
1-let tweede hoofdstult bevat interessante gegevens en
beschouwingen over de consumptie van kruidenierswaren.
Een tak van bedrijf, die per jaar aan den Nederlandsen
consument voor f 360 millioen – door anderen is dit cijfer
nog veel hoger getaxeerd – aflevert, mag zeker enige be-
tekenis niet worden ontzegd. Opmerkelijk is de paradoxale
maar wel te adnvaarden – uitspraak, dat het kruide-
niersbedrijf drijft op de niet-kruidenierswaren. In de
kruidenierswinkels vormen de eigenlijke kruideniers-
a1tikelen slechts 40 pCt. van de omzet, terwijl 60 pCt.
bestaat uit artikeldn, die ook elders worden verkocht.
Een aanwijzing menen wij, dat het publiek sterk de neiging
heeft aankoop van consumptieverwante artikelen bij één
adres te concentreren. Misschien ook een aanwijzing,
dat de kruidenier door het veelvuldig contact met zijn
afnemers als potentieel verkoper van artikelen van dagelijks
verbruik een strategisch sterke plaats bezet.
Merkwaardig zijn de uiteenlopende bepalingen van het
aantal op dit terrein werkzame bedrijven. De bedrijfs-
telling van 1930 komt – inclusief de plattelandse gemeng

de bedrijven – tot ruim 40.000 kruideniers, bij het C.D.K.
zijn er echter 60.000 ingeschreven, terwijl het aantal
winkels, waar suiker verkocht wordt, wel 110.000 bedraagt.
Vermeld wordt, dat het aantal -,,echte” kruideniers
door insiders niet hoger geschat wordt dan 29.000. Zou
men echter onder ,,echte” kruideniers alleen degenen
willen begrijpen, die hierin hun volledig bestaan vinden,
dan zou men zeker niet vêel meer dan de helft van dit
aantal overhouden.

Aan een analyse worden onderworpen de cijfers, die
door liet Economisch Instituut voor den Middenstand
over het kruideniersbedrijf zijn gepubliceerd. Men heeft
uit deze cijfers de tendenz willen afleiden, dat de grote
bedrijven met lagere kosten en betere resultaten zouden
werken dan de kleine. De schrijvers bestrijden dit. Welis-
waar dalen de
geniddelden
der bedrijfskosten en stijgen
de
gemiddelden
van het economisch resultaat van de
groepen met lage naar de groepen met hoge omzetten,
maar, zoals door de schrijvers wordt aangetoond, de sprei-
ding dezer cijfers binnen elke groep afzonderlijk is groter
dan die tussen de gemiddelden der groepen.
Met de erkenning, dat de
,kans
op een uitzonderlijk
irrationeel bedrijf groter is bij de zeer kleine dan bij de
zeer grote bedrijven, concludeert men dan ook, dat ,,naar
de handelsmarge beoordeeld, geen enkele bedrijfsgrootte
boven een omzet van f 10.000 per jaar, a priori als
irrationeel klein kan worden beschouwd”, terwijl na ana-
lyse van kostencijfers en economisch resultaat deze con-
clusie wordt bevestigd. Dus meent men ,,dat men in de
bedrijfsgrootte geen criterium kan vinden vooi’ eenpolitiek,
welke op sanering van de kruideniersbranche is gericht”.

Dit is ook wel te aanvaarden, maar toch zou hier op-
gemerkt kunnen worden, dat ration.eel gedreven bedrijven
met een kleine omzet 9,19 regel – niet altijd – op weg
zullen zijn naar een vergroting van hun debiet, terwijl
irrationeel gedreven zaken met grote omzet waarschijnlijk
bezig zijn deze te verliezen, zodat er uiteindelijk toch eer’t
tendenz moet blijven tot samengaan van grote omzet en
grote rationaliteit.
Bij de behandeling van het vraagstuk der overbezetting
is de conclusie, dat het bestaan van ,,een objectief werken-
de, alle bedrijven aantastende kracht aI9 de overbezetting
zou zijn” niet bewezen is. Noch uit het grote aantal mis-
lukkingen, noch uit het voorkomen van zo vele miniatuur-bedrijven mag volgens de schrijvers het bestaan van over-bezetting vorden afgeleid.
Wal erkennen zij echter het voorkomen van een groot
aantal irrationele vestigingen.
Ook, wanneer men toegeeft, dat het voorkomen van een
aantal incapabelen in een bedrijfstak niet hetzelfde is als
overbezetting, mag hier o.i. toch opgemerkt worden, dat,
wanneer de praktijk spreekt van ,,overbezetting” en de
schrijvers van ,,een te groot percentage irrationele bedrij-
ven”, beiden eigenlijk hetzelfde bedoelen.
Er kan dan ook niet zo heel veel bezwaar tegen zijn
liet gesignaleerde verschijnsel in de wandeling maat met
,,overbezetting” te blijven aanduiden.
Is men in de praktijk van mening, dat een aantal detail-
listen gemist kan ivorden, dan heeft men daarbij zee!’ zeker
de irrationele bedrijven – groot en klein – op het oog en
niet de besten ut het vak.

Sprekende over de marges wordt op blz. 72 betoogd,
dat bij een gemiddelde van 15 â 16 pCt. distributiekosten
van den zelfstandigen kruidenier de kosten voor verpakte
artikelen in het algemeen lager, voor onverpakte hoger
zullen liggen. Als men daarbij dan echter aanneemt, dat
de kosten voor onverpakte suiker mogelijk wel tussen
20 en 25 pCt. zullen liggen, dan
is
dat beslist onjuist.
Men begaat hierbij de fout prijs en omzetsnelheid van dit
artikel geheel, buiten beschouwing te laten. Suiker is rela-
ticf duui’ door de hoge accijns, die in de prijs is begrepen,
heeft de grootste omzetsnelheid van alle kruidenierswaren
en levert van alle artikelen het grootste omzetpercentage op. Een verdubbeling of halvering van de accijns zou de
absolute distiibutiekosten van het artikel niet of nauwelijks
veranderen, maar zou een groot verschft in opbrengt
geven; wanneer men een constant winstpercentage zou
aanhouden. Stellig ligt bij de tegenwoordige prijs het
kostenpercentage voor dit artikel beneden wat de schrijvers
aannemen, al ligt het waarschijnlijk boven de thans ge-
bi’tiïkelijke marge.
Dit punt is van belang met het oog op de heersende
mening, dat de distributiekosten van suiker – zowel in
groot- als detailhandel – feitelijk opgebracht moeten
worden door andere artikelen en met name ook door de
merkartikelen. Deze mening ivordt door de schrijvers gedeeld, die bij de behandeling van den zelfstandigen
grossier zelfs zo ver gaan te verklaren: ,,Door het ,,sub-
sidiëren” van de suiker is de grossierderij voor de distri-
butie van de overige artikelen ongeveer 50 pCt. te duur”,
een conclusie, die wij niet graag voor onze rekening zouden
willen nemen.
Tea aanzien van de grossierderij wordt, evenals bij het
detailbedrijf, vastgesteld,. ‘dat stijgende bedrïjfsgrootte
nog geen stijgende rationaliteit hoeft te betekenen, althans
niet bij de groepen met een omzet van meer dan
f 250.000 per jaar. Niet de grootte van de omzet, maar

444

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10 Juli 1946
wèl de gemiddelde grootte der uitgevoerde orders is één
der factoren, die de rationaliteit van het grossiersbedrijf
bepalen. Deze wordt in de praktijk aangetast door ver-
schillende factoren als bijv. versnippering van inkopen
door kruideniers, die met verschillende grossiers zaken
doen en gedeeltelijk buiten den grossier om kopen, door
te grote frequentie van reizigersbezoek aan den grossier
e.a., welke liet nuttig effect van de grossiersfunctie ,,in de

kern aantasten”.
Voor den fabrikant, die zijn bedrijfspolitiek heeft te
bepalen, luidt de conclusie: ,,Reeds thans pleiten de
quantitatieve verhoudingen voor de meeste fabrikanten
tegen een volledig uitschakelen van den grossier. Dit zal
in nog hoger mate het geval zijn als de marges rationeel

worden vastgesteld”.

Verbonden kruideniersbedrijQen.

Zeer lezenswaard is ook het hoofdstuk over de ,,verbon-den ]cruideniersbediijven”, waarin het grootwin kelbedrijf,
de verbruikscoöperatie en het vrijwillig filiaalbedrijf wor-
den besproken en waarbij vooral de eerste en laatste he-
drijfsvorm tegen elkaar worden afgewogen en op hun
mérites, ten aanzieii van het merkartikel, worden getoetst.
Terecht o.i. wordt opgemerkt, dat de voorsprong van
het grootwinkelbedrijf voor een belangrijk deel te danken
is geweest aan de integratie en rationaliSatie van de gros-
siersfunctie en dus niet aan afgedwongen pfijsconcessies,

zoals nogal eens wordt verondersteld.
Al moge soms de pnijspolitiek van de gi’ootwinkelbe-drijven ,,niet zonder een compromis te combineren” zijn met de verkooppolitiek van den merkaetikelenfabrikant,
toch wordt de verwachting uitgesproken, ,,dat thans de
bezwaren aan enige uitbreiding van het gevoerde aantal
artikelen minder zwaar wegen dan ï.rroeger, terwijl de
voordelen, welke verbonden zijn aan het voeren van merk-
attikelen en daardoor aan het profiteren van de goodwill,
die daaraan verbonden is, een positieve factor kan zijn”, m.a.w. de kans op het voeren van merkartikelen door de
grootwinkelbedrijven wordt voor de toekomst groter geacht
dan voorheen het geval was.
De rationalisatie van cie grossiersfunctie, die de groot-
winkelbedrijven wisten te verkrijgen, is echter evenzeer
bereikbaar voor andere bedrijfsvormen. Met name door
het vrijwillig filiaalbedrijf ordt hiernaar met Succes
gestreefd, 7elfs zodanig, dat de verwachting wordt uitge-
sproken, dat althans een belangrijk deel van de voorsprong,
die liet grootwinkelbedrijf had, zal wegvallen.
Nadat aan de analyse van het handelsapparaat het
grootste deel van het werk is gewijd, komt men tenslotte
tot het merkartikel zelf, waarvan de volgende definitie
wordt gegeven: ,,Een merkartikel is een artikel, waaraan
de producent een onderscheidend merk heeft verbonden en dat in de voorstellingswereld van den consument van
soortgelijke artikelen woidt onderscheiden”. Beide elementen zijn nodig. Terecht wordt geoordeeld,
dat alleen het aanbrengen van een merkteken een artikel
nog niet tot merkartikel stempelt. Er is dan slechts sprake
van een merk ,,in formele zin”. Daarnaast is de onder-
scheiding van den consument, ,,een merk in materiële zin”,
nodig om van een merkartikel te kunnen spreken. FIet
bekende en opmerkelijke verschijnsel, dat bij zeer grote
merken het onderscheidend vermogen weer verloren kan
gaan, doordat de merknaam een soortnaam wordt, alsbijv.
bij Aspirine, moge ook hier worden vermeld.
De fabrikant stelt een merk in om een actieve verkoop-
politiek te kunnen voeren, d.w.z. zich rechtstreeks tot
den consument te kunnen richten om via deze de vraag van den detaillist te kunnen beïnvloeden. De schrijvers
merken op, dat dit niet alleen een gevolg
is
van de passivi-

teit van den delaillist, maar zelfs de passiviteit van den
detaillist eist om tot een rendement te komen. Dit gaat
o.i. wel in bepaalde gevallen, maar niet in het algemeen
op. inderdaad is er wel een kans, dat de actieve winkelier

zich voor concurrerende merken gaat interesseren, maar
de sterkste merken zullen ovet het algemeen toch ook bij deze groep de beste kansen hebben en daarom liever met
een actieve clan met een passieve winkeliersstand te maken
hebben.
In het algemeen wèl juist lijkt ons de opmerking, dai

een concurrentie tussen twee merken slechts zelden de
vorm van een prijsconcurrentie zal aannemen, zolang de
scheiding met de afzetmarkt van het anonieme artikel
sterk genoeg is.
De verpakte artikelen onder eigen naam yan de groot-
winkelbedrijven worden o.i. terecht ,,geen echte merk-
artikelen” genoemd. Het merk is hier niet aan het artikel,
maar aan het bedrijf verbonden, maar dit beekent even-
zeer een grote kracht.

Of daarmee echter het gevaar bestaat, ,,dat het eigen
merk van een filiaalbedtijf” een sterkere positie op de markt
inneemt dan het merkartikel van den fabrikant, zoals
de schrijvers veronderstellen, lijkt ons nog de vraag.
De notmatieve conclusies, waarmee de beschouwingen
worden afgesloten, l)evatten een waarschuwing tot den
merkartikelenfabtikant, zijn positie niet te overschatten.
Ongetwijfeld zijn er verschillende factorn, die de kracht

van het merkartikel kunnen verzwakken. Voorzover het
den fabrikanten op dit gebied mocht ontbreken aan een
zuiver inzicht in hun positie en in de ontwikkeling van hun
betrekkingen tot de verschillende handelsgroepen, kan
het voortreffelijke werk van Bakkenist en Van de Woestijne

zeker een belangrijke bijdrage tot verheldering voor hen
zijn.
Bij de opgave en bespreking van de literatuur missen
we het misschien wat verouderde, maar toch nog zeer lees-
bare werk van Francis Elvinger ,,La Marque”, behande-

lende ,,la lutte entre l’industrie et le commerce” in een
eerder stadium, ni. ongeveer 20 jaar geleden, maar waarin
toch verschillende opmerkingen voorkomen, die hun be-
tekenis nog niet hebben verloren. –
H. LEEMHUIS.

LOONVORMING EN ARBEIDSVREDE.

In ,,Economisch-Statistische Berichten” van 16 Ja-nuari 1946 komt een belangwekkend artikel voor van
den heer Dh Ir. B. Bölger, die daarin mededeelt, dat hij
van 1920-1985 verbonden was aan het secretariaat
van een centrale werlcgeversorganisatie en dat hij daarbij
steeds had aanvaard de scheiding, die ei gemaakt wordt
tusschen het werkgevers- en het arbeidersbelang. Sinds
een jaar of vier behoort hij tot wat onder het begrip
werkgever moet worden vestaan en is de heer Bölger
tot de conclusie gekomen, dat dit verschil: werkgever-
arbeider, zooals dit steeds wordt geconstrueerd, in wezen
niet bestaat.
Betoogd wordt, dat het alles overheerschende belang van de onderneming voor arbeiders en werkgevers het-
zelfde is en dat, wanneer allen zich door dit belang laten
leiden, er van tegenstelling van belangen geen sprake
is. Er is dan één uitgesproken gemeenschapsbelang, dat
door allen in één vertegenwoordiging van het bedrijfs-
leven kan worden gediend.
Wanneer dit zoo is, en er is alle aanleiding het hiermee
eens te zijn, dan dient de vraag te worden gesteld, of de
concrete samenwerking tusschen werkgevers en werk-nemers bij deze taak zich moet beperken – men zie het artikel van den heer Bö]ger – tot het vaststellen van de loonnormen voor de werknemers. Moeten bij deze ge-
dachte concrete samenwerking onder de bonen ook niet
worden begrepen de vergoedingen, welke door de werk-
gevers in de ondernemingen •en bedrijven zullen worden
genoten? Deze aangelegenheid is voor den aibeidsvrede van het allergrootste belang.
Wanneer deze uitbreiding van het begrip boonvorming zou worden aanvaard, dan zal het arbeidsieger, hieronder

10 Juli 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

445

te begrijpen de werknemers en de werkgevers, vertrouwen
dienen te hebben in de vaststelling van de normen voor
de bonen en voor de vergoedingen. Dit is mogelijk door
een te vormen vertegenwoordiging voor de vaststelling

van de normen, waarbij de invloed van de vertegenwoor-
digers van de kapitaalbelangen op een bevredigende
wijze wordt geregeld. Deze invloed is bij den bestaanden
toestand, mede door de wijze van benoeming van de
werkgevers in de ondernemingen en bedrijven, overheer-
schend. Zoowel voor de werknemers als voor de werkgevers
zal een objectief juiste vaststelling van de normen dienen
te worden bereikt. De vaststelling van deze normen zal
dan voor het ai’beidsleger inderdaad gericht kunnen zijn
op de behartiging van het ondernemersbelang als gemeen-

schapsbelang.

Deze taak is te vergelijken met die van het vaststellen
van de voorwaarden, waaronder allen van hoog tot laag
hun taak hebben te verrichten bij een leger in oorlogs-
tijd. Ook bij een leger is het gemeenschapsbelang van de
hoogste orde en daarbij worden deze voorwaarden vast-
gesteld door een algemeene organisatie, waaraan allen
zich onderwerpen,
omdat
het moet. Worden hierbij niet
alle factoren in acht genomen om ieders belangen op een
bevredigende wijze te regelen, dan zal het lege’ te kolt
kunnen schieten en worden de hoogste belangen op on-
voldoende wijze gediend.
Voor het arbeidsleger geldt hetzelfde. Ook hierbij zullen
de belangen van de werkgevers en de werknemers op
een bevredigende wijze tot hun recht dienen te komen. Dit zal het geval kunnen worden en zal kunnen worden
aanvaard, wanneer de vertegenwoordiging, die met
deze taak zal worden belast, tot stand zal komen door
samenwerking van de Overheid, de werkgevers en de
werknemers. Een contrôle op de toepassing en naleving van de vastgestelde normen zal niet kunnen worden ge-
mist en zal kunnen worden bereikt door het toepassen
van contrôlemaatregelen op de administratie en exploï-
tatierekeningeii van de ondernemingen en bedrijven.
Dat door een dergelijke vaststelling van de beboonings-
normen voor de werkgevers en de werknemers voor eerst-
genoemden de prikkel, om het bedrijf zoo goed mogelijk
te leiden en zoo efficient mogelijk in te richten, zou wor-
den gemist, behoeft niet te worden gevreesd.
FIet zijn of worden van werkgever zal voor hem, die
hiervoor de bekwaamheid en de geschiktheid bezit, aan-
trekkelijk blijven, ook al zal hij daarbij het individueele
winstvoordeel, zooals dit tot nog toe in onze samen-
leving bestaat, moeten missen. De gradatie in de normen
voor de bonen en vergoedingen zal blijven, en de taak
van den werkgever, om de onderneming als gemeen-
chapsbelang te leiden en te dienen met inspanning van
alle krachten, zal zijn aantrekkelijkheid niet verliezen.
Het doel om te zorgen, dat de exploitatie loonend is en het grootst mogelijke voordeel wordt bereikt, zal richt-
snoer blijven. Dat het eigen aandeel in de te bereiken
resultaten zal zijn begrensd door de vastgestelde normen,

zal hier niet verslappend behoeven te Werken.

Voorbeelden van leiding door werkgevers onder der-
gelijke voorwaarden zijn te noemen bij coöperatieve on-
dernemingen en bij overheidsbedrijven. Dat daarbij de
wetkgeversfunctie op een bekwame en toegewijde wijze
wordt vervuld en deze bedrijven, en ondernemingen
op een efficiënte wijze zijn ingericht is voldoende bekend.
Indien inderdaad de belangen van de werkgevers en
de werknemers bij de ondernemingen en bedrijven niet
verschillend zijn, dan zal een vertegenwoordiging van de
besten en bekwaamsten, aangewezen door de Overheid,
de werkgevers en de werknemers, voo het vaststellen van de normen een middel kunnen zijn tot het bevor-
deren van den arbeidsvrede.
De vaststelling van de belooning van het in de onder-
nemingen en bedrijven aangewend.e aansprakelijke ka-
pitaal zal op de gebruikelijke wijze kunnen plaatsvinden

met inachtneming van daarvoor bepaalde maximum-

grenzen.
Deze belooning zal ten laste van de exploitatieover-
schotten worden gebracht, terwijl de overschotten verder
zullen kunnen worden gereserveerd voor eventue’ele ver-
nieuwing van het kapitaal. De bedragen, uit te trekken
voor de instandhouding en de vernieuwing van het kapi-
taal, aldus bepaald, zullen, wanneer de noimen voor de vergoedingen en de bonen van de werkgevers en werk-
nemers worden vastgesteld op de aangegeven wijze, geen
aanleiding meer kunnen zijn voor de bewering van de
werknemers, dat zij werken voor de belangen van het
kapitaal, en van de werkgevers en dat zij hietdooi worden
uitgebuit. 1

let gevolg zal kunnen worden, dat met recht
woidt erkend, dat de werkgevers en de werknemers werken
voor het belang van de ondernemingen en bedrijven en
daardoor -voor het algemeen belang. Aldus zal het
Op-

heffen van de tegenstelling tusschen het arbeideïsbelang
en het verkgeversbelang den arbeidsvrede kunnen bevor-
deren. De kans wordt dan groot, dat de arbeidslust en in-
spanning toenemen, waardoor onder goede en vertrouwde
leiding de productiviteit tot den hoogsten graad kan
worden opgevoerd.
1-lierdoor zullen de levensomstandigheden van allen
kunnen worden verbeterd en zullen voorspoed en geluk
onder bereik komen van een zoo groot mogelijk aantal
menschen.
II. KEEGSTRA.

AANTEEKENING,
RAPPORT VAN DE EXPORT-IMPORTEANK
TE WASIIPGTON.

Dit voorjaar verscheen het eerste halfjaarlijksche rap-
port van de Export-Import-Bank te Washington over de
periode Juli—December 1945, waarin, behalve enkele
statistieken, ook de door de Bank te volgen leenings-
politiek wordt besproken ‘).
Gedurende den oorlog konden Amerika’s bondgenooten alles betrekken op ,,lend-lease”-basis,
d.w.z.
om betaling
behoefden zij zich voorboopig niet te bekommeren. Na
,,VE-Day” hield deze regeling op en de Directie der. Exim-
Bank voorzag terecht, dat er weldra in verhoogde mate
beroep op haar zou worden gedaan. Daarom vroeg zij het
Congres het totale maximum, waartoe zij crediet mag
verleenen, te verhoogen van $ 100 millioen tot $ 8.500
millioen. Dez&’wet werd aangenomen op 31 Juli 1945 en
tevens werd bepaald, dat de Bank ook leeningen mag
toestaan aan Regeeringeii, die vroeger hun verplichtingen
tegenover de Vereenigde Staten niet zijn nagekomen.
Reeds kort na het in werking treden van deze wet zag
de Bank zich geplaatst tegenover een vraag naar dollars,
die de beschikbare middeleij verre overtrof. ,,Lend-lease”-
credieten aan België, Frankrijk en Nederland bedroegen
respectievelijk $ 55 millioen, $ 550 millioen en $ 50 mil-
heen. Voor deze (yelden, die noodig waren om de uitvoering
van bestellingen mogelijk te maken, gedaan v,66r het
plotselinge einde van den oorlog, bleef de rente gehand-
haafd op
23/s
pCt.
De tweede categorie van herstelcredieten werd toege-
zegd tegen een gemiddelde rente van 3 pCt. en beliep
$ 165 millioen. België kreeg hiervan •$ 45 millioen, Dene-
marken $ 20 millioen, Nederland $ 50 millioen en Noor-
wegen $ 50 millioen. Dit crediet kon worden opgenomen tot uiterlijk 1 Januari 1949.
Voor Nederland stelde men in groote trekken de vol-
gende regeling vast: aflossing zal plaatsvinden in 30 half-
jaarlijksche termijnen, te beginnen 30 Juni 1951. De heele
leening wordt gesplitst in 3 series A, B en C, die respectie-
velijk een looptijd hebben van 1 tot 5, van 5 tot 10 en van

‘)
Men vergefljke ook: ,,De Ainerikaansche leeningspolitiek”,
Aanteekening In ,,E.-S.B.” van 13 Maait 1946, blz.
174.

446

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

10 Juli 1946

10 tot 15 jaar, en een rente moeten opbrengen van 2 pCt.,’

3 pCt. en 3 pCt. –
Deze gemiddelde rente van 3 pCt. moet worden gezien
als 2 pCt. eigenlijke rbnte en 1 pCt. risicopremie. Dit is
een veiligheidsmaatregel met het oog op de toekomst;
tot nu toe waren de verliezen van de Bank altijd zeer gering. *
Een rentevoet van 3 pCt. voor leeningen op langen ter-
mijn geldt trouwens alleen voor Regeeringen. Andere
debiteuren betalen nog steeds 4 pCt., zooals vôôr deze
regeling de Zuid-Amerikaanslhe landen ook altijd betaald
hebben en in sommige gevallen zelfs nu nog betalen.
Hun werd in de laatste zes maanden van 1945 een credit
ingeruimd vsn $ 106 millioen, waarvan $ 25 millioen werd
opgenomen.
Het tempo, waarin de credieten worden opgenomen, is opvaliend langzaam: eind 1945 bedroegen de deposito’s,
waarover nog niet was beschikt, $ 1.308 millioen. Blijkbaar
zijn de meeste landen er dus niet in geslaagd de begeerde
goederen direct te bemachtigen, hoewel men rekening
moet houden met het feit, dat de credieten zich dikwijls
over enkele jaren uitstrekken. Speciale ,,emergency-
credits” worden wel vlugger opgenômen.
Van de in de tweede helft van 1945 nieuw toegestane
credieten ad $ 1.040 millioen kwamen .$ 920 millioen voor
rekening van Europa. In de eerste plaats bestemd voor
den wederopbouw, mogen deze fondsen ook gebruikt wor-
den voor den aankoop van voedingsmiddelen. 1

iet Amen-
kaansche publiek wordt er op gewezen, dat men op deze
wijze het economisch herstel van- dergelijke landen be-spoedigd, zoodat zij straks weer een goede markt zullen
vormen voor Amerikaansche producten. 1-let is steeds d
politiek van de Bank geweest den koop van ruim voor-
handen zijnde artikelen te stimuleeren en dien van schaar-
sche artikelen zooveel mogelijk te beperken. Dit beteekent
steun voor de ,,war-factories” en gaat de infiationistische
tendens van de leeningen tegen. Ook wordt in principe alleen crediet verstrekt om in Amerika tegen dollars te
koopen.

Waar de buitenlandsche goud- en dollartegoeden sinds
1939 met een kleine $ 8.000 millioen zijn toegenomen,
vinden sommige Amerikanen het vreemd, dat er leeningen
worden gegeven, voordat deze nieuwe rijkdom is opge-
maakt. De Bank stelt daar terecht tegenover, dat deze
saldi geen grootere koopkracht vertegenwoordigen, doch’
juist voldoende zijn om de prijsstijging te compenseeren.
Ook wijst zij er op, dat deze dollar- en goudvoorraden vaak
de basis vormen, waarop het geldstelsel van een bepaald land is opgebouwd, zoodat deze gelden niet voor import-
doeleinden mogen worden aangewend.
D,e Export-Import Bank legt zich in steeds meerdere mate toe op zgn. ,,agency-agreements” met particuliere
banken. Volgens deze overeenkomst koopen de handels-
banken promessen van debiteurianden, maar de Exim-
Bank neemt de verplichting dp zich deze papieren desge-vraagd terug te koopen. Dit beteekent een besparing voor
de Schatkist van $ 103 millioen, want van de $ 252 mii-
iioen per ultimo December 1945 werkelijk opgenomen
gelden werden slechts $ 149 millioen door de Exim-Bank
zelf verstrekt. Daar de Bank tegenover particuliere in-
stellingen garant blijft, beschouwt zij al dergelijke leenin-
gen- als door haar zelf gegeven, wanneer de sttutalre
limiet in het geding komt.
Nu vele exportbelemmeringen zijn opgeheven, doen ook
de Amerikaansche exporteurs in steeds grooter getale een beroep op de Bank, omdat er onder de na-oorlogsche om-
standigheden crediet gegeven, moet worden op langeren
termijn dan gewone handelsbanken kunnen toestaan.
De Bank maakt hij deze aanvragen een scherp onderscheid
tusschen crediet voor den export van consumptiegoederen
(meestal gevraagd voor een betrekkelijk korte periode)
en crediet voor den export van kapitaalsgoederen, gevraagd
voor een periode van 5
A
10 jaar. Voor deze laatste groep
heeft zij sympathie en zij zou ielfs bereid zijn van den

exporteur het risico over te nemen, dat de kooper op den
fatalen datum niet aan dollars kan komen, mits deze kooper

thuishoort in een land, dat lid is van het Internationale
Monetaire Fonds. Het risico van insolvabiliteit wil de Bank slechts overnemen tot maximaal 75 pCt.; zij vindt dan nog,
dat zij zich hiermede eigenlijk op

particulier terrein be-
geeft.

Door het heele verslag loopt trouwens een roode draad,
die typeerend is voor de huidige mentaliteit in de Ver-
eenigde Staten: terug naar het particuliere initiatief en
de buitenlandsche handel weer geleid door oude, beproefde
kanalen: ,,the established trade channeis”.

H. VAN CREV’ISLD.

ONTVANGEN BOEKEN EN BROCHURES.

BOEKEN.

Witboek betreffende de maatregelen tot zuioering oan het
geldwezen in Nederland.
Rijksuitgeverij; Der Haag,
1946. 252 bis.

Société des Nations. Industrialisation et comnie,ce extj
rieur.
Prijs f 5.90. M. Nijhoff, Den Haag, 1945. 200 bIs.
Grondslagen Qan een nieug.0 economie
doof H. de Lovin-
Losse. Prijs f•2,50, Uitg. Mij. N.V. Standaard-Boek-
handel, Brussel, 1946. 71 bis.

BROC1LtJRES.

Hoge School en Maatschappij.
2e druk en Rede tot de
Universitaire Gemeenschap, door Prof. Dr. H. R.
Kiuyt. Ingen. f 1,50. Uitg. H. J. Paris, Amsterdam,
1946. 45 bis.
Sociale Spanningen.
Rede uitgesproken bij de aanvaarding
van het ambt van hoogieeraar aan de Rijksuniver-
siteit te Groningen op 25 Mei 1946, door Dr. P. J.
Bouman. Ingen. 1 1,50. Uitg. H. J. Paris, Amsterdam,
1946. 31 bis.

GELD- EN KAPITAALMARKT.

Blijkens den weekstaat van De Neclerlandsche Bank
per 1 Juli jI. waren de beleeningen t.o.v. de voorafgaande
week met 1 57 millioeni gestegen. Blijkbaar kon aan de
eischen, welke de maandultimo in den vorm van behoefte
aan chartaal geld stelde — de bankbiljettencirculatie
steeg met f 54 miilioen -, niet op andere wijze worden
voldaan. De banken moesten bovendien de storting op
de 3 pCt. Grootboekschuld 1946 verzorgen, waarvoor
vooral schatkistpapier werd gebruikt, en de spaarbanken
verrichtten in de afgeioopen dagen vrij groote betalingen
aan de Schatkist in verband met de speciale deposito-
overeenkomst, welke in het voorgaande overzicht werd
vermeid. *
Vooral dit laatste was oorzaak vân het feit, dat op de
geldmarkt in de afgeioopen week, ondanks het in vele ge-
vallen niet verlengen vn vervallend schatkistpapier,
van een verruiming weinig was te bespeuren, maar in
tegendeel de beleeningsfaciiiteiten van De Nederlandsche
Bank te hulp moesten worden geroepen om aan de situatie
het hoofd te kunnen bieden.
Voor 3-maands promessen werd 1
7
/
16
pCt. geboden,
evenals voor 5-maands promessen. De langer loopende ter-
mijnen werden tegen slechts iets hoogere disconto’s ver-
handeld; jaarpapier noteerde 1’/ pCt.
De Amsterdamscihe effectenbeurs gaf in het begin van
de week een vrij zwakke tendens te zien, hetgeen in enkele
koersdalingen tot uiting kwam. Herstel trad spoedig in,
zoodat aan het einde der week de meeste koersen weer op het beginpunt waren gekomen. Als voorbeeld noemen wij
de koersen van aandeelen Unilever, welke op 28 Juli jl. 275k noteerden, en via een dieptepunt van 264 weer 275 pCt. kwamen aan het einde der week. Scheepvaart-
aandeeien waren over het algemeen iets hooger genoteerd
dan dé vorige week; H.A.L. werd verhandeld tegen 1431
pct. en N.S.U. tegen 143 pCt. De handel werd nog uit-

li-

£

10 Juli 1946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

447

gebreid met binnenlandsche spoorweg-, tramweg-, ‘thee-
en diverse cultuui’ondernemingen, waarvoor slechts ad-

vieskoersen tot stand kwamen, welke aanzienlijk beneden
de stopkoersen lagen.

Merkwaardig was het koersverloop van aandeelen
Koninklijke. Ondanks het feit, dat in het Jaarverslag over 1944 door de Directie werd opgemerkt, dat de aangekon-
digde V.A.B. van de maatschappij zeer zware offers zou

vragen, reageerden de aandeelenkoersen, aanvankelijk
slechts met een daling van 425 tot 417k pCt., maal’ daarna
trad een stijging in tot 434 pCt.

Men vraagt zich af, of deze koersvot’ming, en trouwens
liet geheele koerspeil ter burze, niet zeer sterk door infla-
tioiistische tendenties wordt beheerscht.

STATISTIEKEN.
DE NEDEELANDSCRE
BANK.
(Voornaamste posten In duizenden
guldens)

Wissels, prom.
en
z.,

Data
muntmate-
marktpapier,
beleeningen,

voor-
Totaal
Totaal
opeischb.
riaal en
deviezen
schotten a/h Rijk en
activa schulden diverse

rekeningen

1

Juli

’46
5.264.562
262. t 64
5.602.361
5.090.459
24 Juni ’46
5.286.394
188.359 5.550.429
5.037.876
17

’46 5.265.002
984.918 5.525.598
5.013.949
11

,,

’46 5.268.561
191.289
5.536.898
5.025.340
3

,,

’46
5.277.548
184.338 5.539.495
5.027.666
27 Mei ’46
5.352.931
180.710 5.691.170
5.099.879
20

,,

’46
5.391.733
187.659
5.656.922
5.145.976
13

,,

’46
5.369.627
185.003
5.632.160
5.120.447
6 Mei

’40
1.173.319 248.256
1.474.306 1.424.016

Bankbiljel-
Saldi
Geblok-
keerde
Bankassig-
Data
ten in om-
in
Saldo

Rijk
RIO

DIC)
(
saldi
ën en
nati
diverse
looi
RIO
van
rekeningen
banken

Juli ’46

2.667.997′)
2TT345 C1.642.800
64.325
178.071
24 Juni ’46

2.613.290
2
)
2.424.436

C1.603.823
79.339
178.763
17

,,

’46

2.600.485
2.413.312

C1.605.375 71.343
177.812
11

,,

’46

2.600.710
2.424.542

C1.611.038 65.016 177.752
3

,,

’46

2.610.368
2.417.184

C1.528.237 185.656 177.938
27 Mei

’46 2.567.240
2.532.411

C1.683.099
119.103 177.620
20

1
46

2.528.024
2.617.842

C1.804.475
69.792
177.175
13

,,

’46

2.527.612
2.592.725

C1.772.493 513.676
177.941
6 Mei

’40

1.158.613
255.174

22.962
10.230
1)
waarvan nieuwe uitgifte
6 2.392.405.
62.337.629.

NATIONALE BANK VAN BELGIË.
(Voornaamste posten
In millloenenfrancs)

Cd

Data
‘a
.na,
bi
a0
sea a
o’
cd cd

:
..
,
ao
M01

p4
o
co
OOa
n


S

27 Juni

1946
33.327
4.101
3.871
190
913
48.062
20

,,

1946
33.328
4.188
3.241
207 898
48.152
13

,,

1946 .328
4.068 3.073
189
866
48.352
5

,,

1946
‘33.328
4.174 2.807
241
845
48.552
29 Mei

1946
33.328
4.047
2.543
218
847
48.212
23

,,

1946
33.328
4.475 2.713
222
836
47.597
16

,,

1946
33.328
4.695 2.269
187
804
48.327

Rekening-


Courant saldi
.

Data
.a,

.a

a

cd
E
a

0
f54)

0
OS..
cd
,
to
27 Juni

1946
653

1156.253 72.505
3
3.343
757
20

,,

1946

,
653

1155.800
72.609
2
2.773
756
13

,,

1946
653

1155.658
73.027
5
3.009
759
5

.,

1946
653

1155.730
73.226
3
2.856
768
29

Mei

1946
653

1154.968
72.542
1
2.770
773
23

1946
653

1154.941
72.251
11
3.082
774
16

,,

1946
653

1155.377
72.634
3
3.122
777

‘) Waarvan 10.493 millioen frcs. onbeschikbaar goudsaldo na
herwaardeering van den goudvoorraad. (Besluitwet no. 5 van
1-5-1 944).
‘) Waaronder begrepen de post ,,Emissiebank te Brussel”, ten
bedrage van 64.597 millioen frcs.
‘) Deze Post omvat: oude biljetten over te boeken op tijdelijk
onbescjiikbare of geblokkeerde rekeningen en niet aangegeven oude biljetten.

Cursus moderne

1
Bedrijfsadministratie

MBAJ
Secrefariaal: Rotterdam

ROTTERDAM
Beurs gebouw, Kam er 321

Serieuze opleiding voor de practijk en voor het
examen der Maatschappij voor Nijverheid en Handel.
– Vooraanstaande deskundige medewerkers. – Ge-
degen studie onder leiding van prima docenten. –
Oefening der practische vaardigheid. – Mondelinge
toelichting
en
repetitie. – Literatuurbesprekingen. –
Excursies.

De cursus van sIanding

Vraagt prospectus, proefles, naamlijst der medewerkers,
naamlijst en adressen der geslaagden voor het examen door
de Maatschappij voor Nijverheid en Handel afgenomen.

1 September a
s.
aanvang der nieuwe cursussen

Chemisch/Pharmac. Bedrijf te Amsterdam vraagt

Boekhouder

leeftijd pIm, 30 jaar, liefst met diploma M.O.-boekhou.
den of daarvoor studeerende.
Sollicitaties onder no. 530 bureau van dit blad, post-
bus 42, Schiedam.

N.V. Nederlcmdsche Vliegtuigenfabriek FOKKER

te Amsterdam

roept sollicitanten op voor de functie van

Personeelchef

Leeftijd minstens 30 jaar. Groote algemeene ontwikke.
ling, organisatietalent, tact en menschenkennis. Volle-
dig op de hooge met de sociale wetten.

Zij,
die reeds een dergelijke functie zelfatandig heb-ben bekleed, genieten de voorkeur. Sollicitanten moe-
ten bereid zijn zich te onderwerpen aan een psycho-
technisch onderzoek. –

Brieven met volledige inlichtingen en recente pas-
foto onder motto ,,Personeelchef” te zenden aan de
Directie.

Maakt. gebruik

van onze speciale rubriek ,,Vacatures” voor het

oproepen van sollicitanten voor leidende functies.

VAN GEND & LOOS

expediteert van huis tot huis

van dorp naar stad

van land naar land

1
0
1

1

NEDERLANDSCH FABRIKAAT
‘-./

Wij sragen een

• VERKOOPLEIDER

met jarenlange ervaring in het detailbedrijf.
Reflectanten moeten een breede algemeene
ontwikkeling bezitten en als min, een middel-
bare schoolopleiding hebben genoten. Verdere vereischten zijn: Kennis van moderne bedrijfs-methoden, etalage- en reclame-techniek. Leef-
tijd boven 30 jaar
.

• Eigenhandig geschreven üitvoerige sollicitaties
onder bijvoeging van een recente foto te zenden
onder letter EAQ121 aan de Directie der N.V.
• Magazijn

de
M
Bijenkorf
1

AMSTERDAM

VA

kJ_
VE LLE

ROTTE
ROt
HAV BANK
SCHIEDAM

Lvensterzekenng en Lij/rente

HET ECONOMISCH TECHNOLOGISCH INSTITUUT
VOOR GELDERLAND vraagt een

Sociogracif

Brieven met volledige inlichtingen aan den Directeur:
Dr, J. A. Nillesen, Huijghcnslaan 60, Arnhem.


t ta 4o P2ttmaas”

P.ATRIJSPOORTGLAZEN
O
.
T.
ELEGRAAF.PLATEN

REFLEXGLAZEFl. WATERSIETERGLAZEN £NL

4~

IIIMVOMETERCLAZEN• PEILGLAZEN’OIJECLAZEN

Piefernian
WESTVEST
17

SCHIEDAM

TELEFOON 69269

VAN DijK & Co.

EENDRACHTSWEG 11

ROTTERDAM

Makelaars en Commissionnairs in Effecten

Effecten

Coupons- Vermogensbeheer

Telefoon 20845

21889

4063.1

Beurs Nis
6

Telefoon 24178


.
24378

Ondernemingen, die het
beste leidende personeel zoeken,

speciaal met economische scholing, roepen sollicitanten OP

door
midddl
van een annonce
in do
rubrlelc
,,Vacatures”.

Het aantal
reacties, dle
deze annonces tengevolge hebben,

Is doorgaans uitermate bovredigond: begrijpelijk,
omdat
er

bijna geen grooto instollingis, die dit blad niet regelmatig
ontvangt en waar het niet circuleert. Opdrachten voor het

volgend nummer dienen 16 Jul[ a.s. in ons bezit te zijn.

Neder!andsch Indische Handelsbank, NV.

Amsterdam

Rotterdam

‘s-Gravenhags

Alle Bank- en Effectenzaken

Uw toekômst
is veilig

met een polis van de

Algem. Fries che Levensverzekering-Mij

of de

Groot-Noordhollandsche

LEEUWARDEN
van 1845 AMSTERDAM
Burmaniahuis

v.
Brienenliuis

Alle correspondentie bef rellende advertenties,
gelieve
U te richten aan Koninklijke Nederlaodsch Bc’ekdrukkrij H. A. M. Roelants,

Lange Haven 141, Schiedam (Tel. 69300 toestel 6)

Druk Roelants, Schiedan).

Auteur