Ga direct naar de content

Jrg. 30, editie 1477

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: augustus 15 1945

0

8

0

0

llllH

0

– •1

30e JAARGANG – No. 1477

WOENSDAG 15 AUGUSTUS

J

Noemt, Venn.

11011 andsci.
e

Be1eggin

en.

Behe4ij.

..4po
1’930
Heeren.c.ht

3
20 – A’dam

Beo*.K4eefinr
,
en
JIieer
Ya1
1emO’,ens, pensioen-en spaarfv,nci.sen, belegde

eserves, v.ffeetenportefeuil.
les tea
1
ehoeve van onder-
nesningrn,
stichtingen,
ver-
eenigirgen,, particulieren.

CotDiseaj issen:
Prof. Ir-. L. P. de Vooys;
Drs.
J. H
Gispen;
Mr. J.
E.. Scholtens.

1)ireetie:
Geiof Verwey;
11.
F. ph. Groeneveld;
A.. C.. Leeusisnburgh.

Ook
in de jaren

19 40-19 45

Koninklijke”

Nederi. Boekdrnkkei’ij

U. A. M. Ructants

Schiedam


gispen

cuIeog
amsteçtm
rptterdom

/

Zie voor deze rubriek ook pag. 79

NEDERLANDSCHE SPOORWEGEN

Op het Secretariaat wordt gevraagd een

Dr. of Drs. Economie

voor ,het verrichten van’ economisch resea.rçh werk.

Statistische ervaring en b.edij1seçoiomische ken nis
geensct. eeftijd c. 2B30 jaar.’
riever’i met uitvqerige inliçhtingen aan de 2e Afd.
vn den Algemeenen Dienst, Moreelsepark, Utrecht.

Groote Levensmiddelen-Industrie in de Zaanstreek zoekt
voor de leiding harer administratie, kostprijsberekening, be-
handeling van belastingzaken enz. een

Internen Accountant

Sollicitanten moeten niet ouder zijn dan 40 jaar, lid van
het N.I.V.A. of van de V.A.G,A., gewend om leiding te
geven en moeten een ruime ervaring bezitten op het gebied
van moderne bedrijfsadministratie, kostprijsbeilekening en
efficiency. Brieven met pasfoto onder letter V aan Allert
de Lange, Damrak 62, Amsterdam.

Nederiandsche Staalfabriëken v.h. J. M. de Muinck
Keizer N.V., te Utrecht, vraagt een

Drs. Handeiswetenschappen

met eenige ervaring of

-.
Mr. in
de
Rechten

met eenige ervaring op ht gebied van economische werk-
zaamheden. Sollicitaties met uitv.
mi.
als leijensloop, opl.,
verr. werkzaamheden enz., onder bijvoeging van pasfoto,
aan onze afdeeling Personeel.

Internationale Onderneming zoekt een

Financieel
deskundige

met breede econ. op!. en ruime erv. op fin. gebied. Soli.
met
you.
geg. en pasf. onder letter F. D. en No. 207 b’ureau
van dit blad, postbus 42, Schiedam.

De Algemeene Rekenkamer te s-Gravenhage vraagt voor
haar contrôle-arbeid op financieel gebied

Personeel

in verschillenden graad van
geoefendheid

Sollicitaties uitsluitend schriftelijk aan het adres: Lange
Voorhout 8, ‘s-Gravenhage.

Energiek, ervaren

Vertegenwoordiger

30 jaar, academisch ontw. zoekt vertegenw., event. agen-
tri
r’en.. Brieven onder No. 365 Adv. Bur.,,Die Haghe”
11, Den Haag.
4Ëonoinisch en administratief onderlegd

,

Jurist

43 j. oud, voorzien van prima getuigschrifien en uitstekende
referenties, thans werkzaam op het Bureau van een Armen-
raad, ziet zich in verband met door maatregelen der Duit-
schers verzwakte financieeie omstandigheden genoodzaakt
naar een anderen werkkring om te zieii, liefst op sociaal-
economisch of economisch-organisatorisch gebied. Brieven
No. 210 bureau van dit blad, postbus 42, Schiedam.

Econ.
drs.

met eenige jaren practijk, in bezit van’zeer goede referenties
uit het Bedrijfsleven, zoekt een hem passenden werkkring,
bijv’ als
Secretaris
van
een Directie.

Brieven onder No. 208 Bureau van dit blad, postbus 42,
Schiedam.

R. MEES & ZOONEN
– ‘Ao. 1720

BANKIERS EN ASSURA.NTIE-MAKELARS’

Rotterdam, Amsterdam
(Ass.),
‘s-Graven.
hage,
Delft,
Schiedam, Vlaardingen

Behandeling van alle
Bankzaken

Bezorging van alle
Assilrantiën

VOORDEELEN EENER BANKRELATIE

ONTHEFFING VAN VELE FINANCIEEL
BESLOMMERINGEN

ROTTERDAMSCHE BANKVEREENI(itNG
ROTT€RDAM-AMSTERDAr4 .

EERSTE NEDERLAtU3SC,I4V.

Verzekering Mij. op het Leven en tegen OnvaIit iteit 1′
V.
Gevestigd te ‘s-Gravenhag.

/
‘ADMINISTRATIEKANTOOR DORDRECHT.BELIEVUESTRALT 2, TREO11 15346

Per’s o n e eis- Pensioenver;cekeriryg
verschaft directe liscale besparing –
afrc .rijving
von
hemstige iast.n -. blijvende 5OCi’,e voldoen,in,;

Vraagt U eens welgedocumenteer d advies we on
BUREAU VOOR COLLECTIEVFE CONTRACTEI

In Hernieuwd NederIanc.

neem
/
t de

Amsterdamshe Bank N.V.

haar taak in vollen omvang weder op

Haar diensten staan ook te Uwer beschikking

131
Bijkantoren en Zitdage’n iij NederlanS.

Alle correspondentie betreffende advertenties gelieve
U
te richten aan Koninklijke Nederlandsche BoekdrtiJJkar,j,. H. A. M. R elants,
Lange Haven 141, Schiedam (Tel. 69300, toestel 6)

E

BenChten

AILGEMEEN WEEKBLAD VOOR
HANDEL. NIJVERHEID, FINANCIËN
EN VERKEER

UITGAVE VAN TET TiMDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

30e
JdARGANG

.

WOENSDAG 45 AUGUSTUS 1945

No. 1477

t
,

1

II

1!

COMMISSIE VAN .BEACtIE:

J. F. ten Doesschate; N.
J.
Polak;
J. Tinbergen; H..M. H. A. van .der Valk; F. de Vries;

M. F. J. Gooi (Redacteur-Secretaris).

H. W. Lanibers -‘ Adja-ict-Secretaris.

Mededeeling aan abonné’s.

Daar onder de huidige mstandighe.

ien een nauwkeurz’e

kosiprijsbcrekaning nog niet valt te makewi, verzoeken wij aaVi
abonné’s het abonnementsgeld ad / 20,;85 (voor het buiten-
land / 23,—) voor den jaargting 1945 te willen doen over-

boeken op girorekening 8408, ten nciine van ,,Weekbiad
Economisch-Statistische Berichten”, of op onze ‘rekening
bij de Heeren R. Mees & Zoonn.. Evei itueele ôerrekeningen
kunnen dan in de volgende periode p laats vinden.
In verband niet de beperkte
opla
ag, w. rden losse nummers
• gereserveerd ter co’npleteering va n nisuwe aboflflCmflten,/

welke, nog tot een beperkt aantal beschibaar zijn. Abonne-
menten kunnen ingazn met elk n ummer en slechts wprden.
beëindigd per uitimo van het kaL mderjaar.

Donateurs en Leden van het J Jederlcrndsch Economisch
Instituut ontvancn het blad gratis en genieten een reductie
op de verdere publicaties.

,

Adreswijzigin gen op te geven ac n de administratie.

Administratie

: Nieuwe Binnenw g 175a, Rotterdam (C.).
• Telefoon 38340. Giro 8408.

Aangeteekende stukken aan het B jkantoor Museudipark,
Rotterdam (G.).

Alle correspondentie betref/cnk q4 vertenties gelieve U te
Hchten aan de Fa, H. A. M.
R
o
e nts,Lange Haven 141,
Schiedam. (Tel. 69300, toestel ‘6).

BERICHT

DE AZOk
TNES.

De
redactie verzoekt aan abonøe’S, vooroover dze
het abonnementsgek, nog niet voldedea’, om ingevolgo
de mededeeling ”’ den Directeur der Postcheque- en.
Girodienst, betrffr
i
d
e
de ‘drukke werkzaamheden bij,
dien Dienst, het.a.lir .igen zooveel mogelijk te voldoen door
storting of Oers’ hrijving via bankre keningen op onz&
rekening bij
de
Heeren R. Mees & zc ‘onen, Rotterdam.

INHOUD:

Blz.

liet
vraag’ otuk der prijspolitiék; de prijsl iolitiek in
oorlogs’ tijd door
G.
B.rouwers ………………
68

Opinie-e .nderzoek als hulpmiddel bij het ma ‘rktonder-
ZO
ek door
B. M. Sweers …………………
70

Anne’ xatie door
Dr.
G.
E. Huffnagel ………….. 73
De, technische wetenschappelijke achterstat id door
Prof. Dr.
G.
Holst

……………………..
76

,e identiteit van belangen door
E. Henny … … …. 77

DEZER DAGEN

(1

heçtjJp het begeven. De Tenno is, volgens zijn mde-

leq)ing ttoti)n spijt, verplicht geweest de Vereenigde

aties de kan, e ontnemen de beschaving nog verder te

vernietigen. Pa4raoor is
14
Augustus
1945
den weg
i
!
iaar

Indië geopend,
voo’
cie derde maal in’ de Nederlandsche

gesc’hiedenis.

Daarmede vat Nederland zijn
taak
van ontwikkeling

van deze streken weer op; eveneens voor de derde maal

en naar uit de woorden van onze Koningin duidelijk haar

weren kwam, in een’ nieuwen geest. Ind6nesi6 zal thans

t&en een zelfstandig deel van het Koninkrijk der Nder-

la,n.. Zelfstandig in den zin van zelf beschikkend over

de elgeii binnenIandsche aangelegnheden. Zelve bepalend,

hoe in tt .totale wereidbestel de eign ontwikkelirg zal

worden .gepast aan de gegeven mogelijkhedei’i. Maar

toch als aeu historisch, gegroeid gedeelte van ons aller

Koninkrijk. Saipenwerkend en samenstrevend in het ge-

uneenschapp elijk togea’ om dat Konirkrijk de plaats te

verzekeren onder ke vedeievende volkeren de’r aarde,

waarop het door
,
kwa1rft en intensiteit van arbeidspres-

tatie aanspraak
1
1
7an
mak.

Nederland’s taak in .4ee 9,n
.
twikkeling is het geven

van leiding en coördineerea
ïati
gézamenlijk streven.

Daarmede ook, wegnemen vam togpnstellingen en uit-

bannen van restanten van exp1oitiliie.ancht uit vroegere

tijden nog voortivend. Dt ‘kuien leots de ‘besten

uit ons volk. De tijd, dat wie in Nederland niet kon slagen

nog wel naar Nederlandsch-Indië kon gaan en daar nog

best terecht kon komen, isal geruimen tijd voorbij. Nu

kunnen wij op den ingeslagen weg nog een st. erder.

Nederland’s roeping tot den ‘opbow an tièh ‘b,lQ
11

Indonesië maakt het .mogelijk, dat een

naar karakter en kenris excelleerenden daar ons aller

opdracht helpt uitvoeren. Als ergens. export van karakter

en intellect zin heeft, dan is het naar ‘Iiloheië.,In den

aanvang zullen daarvoor een aantal van hen, ‘die In4i6 uit

ervaring kennen, naar voren komen. Ons jonge geslacht

zal echter op korten termijn van de ouderen itverk, na

vooropleiding in het land zelve, overnemen. –

L.

01

Pet
68′

EC6NOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16
Augustus 1945

0

HET VRAAGSTUK DER’PRIJSPOLITIËK II.

De prijs politiek in oorlogstijd.

In een vorig artikel’) behandelde ik in enkele groote
trekken het vraagstuk van de prijspolitiek in de naaste

toekomst. In de practijk der prijspolitiek worden deze

algemeene trekken voor de verschillende onderdeélen
van het economisch leven uit den aard der zaak voort-

durend uitgewerkt en verdiept, naarmate de economische

omstandigheden waaronder ons volk in de komende jaren

zal moeten leven, zich scherper afteekenen. Ik stel mij voör

ten dienste van een goede voorlichting van het bedrijfs-

levn en van het publiek in het algemeen in den komenden

tijd nog verschillende beschouwingen over dit vraagstuk

te geven.

i

1
.
Voor een goed begrip van de zaak lijkt het mij echter

clienstig vooraf iets anders te doen, ni. een idee te geven

van het doel, waarnaar wij toe werken. De gedachte, dat

ook na den övergangstijd ‘v’an oorlog naar vrede de econo–

mische politiek actief zal blijven is algemeen goed. Het is

evenwel reeds nu van groot belang, hoe men zich de ge-

leid economie der toekomst, in concreto voorstelt. Dit

geldt dus ook voor de prijspoli,tiek als onderdeel der al-

– gemeene economische politiek. De visie, die men hierop

heeft, is immers van niet geringe beteekenis voor de poli-

tiek, die in den overgangstijd snoet worden gevoerd.
Alvorens intusschen dit vraagstuk in behandeling te
nemen, hetgeen in een volgend artikel zal geschieden,

zal ik op verzoek van de rdactie ter wille van een volledige

probleemstelling vooraf nog een samenvattende beschou-

wing geven van de rijspolitiek, die tijdens den oorlog
is gevoerd. Het karakter van dit tijdschrift leent zich er

niet toe op de,welerlei interessante details van deze aange-

legenheid te dezer plaatse in te gaan. In enkele andere

‘publicaties hoop ik uitvoeriger te kunnen zijn. Ik i+Ïeen
echter te mogen aannemen, dat de hieronder volgende

uiteenzetting als een inleidirg op het vorige en de aan-

gekondigde artikelen in dit tijdschrift zijn nut kan hebben.

De ontwikkeling van de prijspolitiek tijdens den oorlog

kan in drie fasen worden verdéeld. Gedurende de eerste
fase, die samenvalt met het tijdvak onzer mobilisatie,

vond een belangrijke algemeene stijging van het prijsniveau
ten opzichte van dat in de vooroorlogsche periode plaats,
ten deele als gvolg van de gestegen aanvoerkosten van
overzee, ten deele als gevolg van de dreiging eener toe-

komstige schaarschte. Aangezien na de eerste golf van
onrust de goederenvoorziening zich betrekkelijk normaal,
zij het voor sommigè goederen enkele tientallen procenten
duurder , bleef ontwikkelen, behoefde geen formeele prijs-
stop te worden afgekondigd. Daar evenwel een toenemende
schaarschte kon worden verwacht, die tot nieuwe prijs-
stijgingen aanleiding zou geven, werden op basis van de
Prijsopdrijvings- en Hamsterwet de grondslagen gelegd
van een aantal maximumprijsvoorschriften, welke bet

mogelijk zöuden maken het prijsnivau te binden aan de
reëele kosten en den invloed van de toenemende wan-
verhouding tusschen vraag, en aanbod op de prijzen uit
te schakelen.
‘Op deze eerste fase volgde nh de bezetting van ons land
een tweede fase, waarin de schaarschte door het afsnijden
der overzeesche verbindingen een acuut probleem werd:
De infla’tionistische prijsontwikkeling, welke dienten-
gevolge dreigde, maakte een rigoureus1ingrijpen nood-
zakelijk. ij de Prijzenbeschikking 1940 No. 1 werd voor-
geschreven, dat goederen en diensten, met enkele uit-
zonderingen, slechts mochten worden verkocht tegen den op 9 Mei 1940 geldenden of een daarmede vergelijkbaren
prijs. Later werd deze prijswetgeying aangevuld met een
reeks andere voorschriften, waarvan ik voor den eersten

tijd als voornaamste’noem het Vervoerprijsbesluit, het
Huurprijsbesluit, het Besluit betreffende de vervreemding

‘)
Zie: ,,De prijspolitiek in de naaste toekomst”, in
,,E.-S.B.”
van
4, Juli
1945.

van ‘landbougrbnde’n en dt betreffendé de vervreern-
ding van niet-landbouwgronden. Ook de bonen en sala-

rissen mochten niet zonder voorafgaande goedkeuring

worden gewijzigd (Verordening betreffende de totstand-

koming van re’gelinen inzake bonen, salarissen en andere
arbeidsvoorwaarden).

Aan al deze voorschriften lag het beginsel van den op

9 Mei 1940 geldenden prijs ten grondslag.

In het bijzonder wat roerende goederen betreft, kon de

stopprijs van 9 Mei echter niet andèrs zijn dan een uit-

gangspunt. Terwijl wij ni. eenerzijds werden gedraineerd

van klatief goedkoope, waardevolle grondstoffen, moesten wij anderzijds andere grondstoffen alsmede eindp-oducten

uit Duitschiand impcirteeren, die bélangrijk duurder waren

dan voorheen. Een zekere rust kon in de -prijsbeweging
dan ook eerst ontstaan, zoodra ons niveau zich aan het

Duitschzou hebben aangepast. Daaraan was op zichzelf

trouwens een belang verbonden, aangezien men van

Duitsche zijde wel wenschte te exportèeren ‘tegenden Duit-
schen binnenlandschen prijs, doch te importeeren tegen

den Nederlandchen binnenlandschen prijs. Veel effect

had dit laatste geval in den aanvang echter niet,
behalve voor zoover Duitschiand rechtstreeks inkocht,

aangezien toen elke contrôle op onze exportprijzen ont-

brak. Het was intusschen duidelijk, dat de aanpassing
aan het Duitsche niveau slechts geleidelijk kon gesc’iieden,

teneinde het gevaar te vermijden, dat de prijsbeweging

ons uit de hand zou loopen.

Hoewel deze aanpassing nimmer geheel werd bereikt,
omdat sommige zuiver ,,binnenlandsche” prijzen als bijv.
huren ongeveer op’hun oude niveau, althans beneden de
Duitsche prijzen bleven, kan men zeggen, dat zij,- voor

zoover de economische afhankelijkheid van ons ‘land ten

opzichte van Duitschland haar noodzakelijk maakte,
in den loop van 1942 over het geheel genomen een feit
was gewbrden. Daarmede begon de derde fase in onze
prijsontwikkeling en onze prïjspolitiek, die van de sta-

bilisatie van het bereikte niveau.
Men had daarbij te kampen met twee moeilijkheden:

een steeds toenemende schaarschte en steeds ongunstiger

productievoorwaarden, om van betrekkelijke details als

wijzigingen in de belastingwetgeving e.d. te zwijgen. De
tweede moeilijkheid hing voornamelijk samen met slechte
grondstoffen, ‘onderbezetting, ‘ stijgende arbeidskosten.

Alhoewel de kosten der onderbezetting geheel en de

hoogei’e arbeidskosten’ gedeeltelijk – voor zoover zij
voortvloeiden uit een lagere kwaliteit van het personeel

en onregelriiatige arbeidsbezetting – voor rekening van
het bedrijfsleven werden gelaten, was een verdere gelei-
delijke stijging van het prijsniveau niet te vermijden.
Teneinde deze ontwikkeling zooveel mogelijk tegen te
gaan, werden een tweetal besluiten afgekondigd, het Prijs-
vormingsbesluit en het Besluit tot vorming van een fonds
”oor de prijspolitiek. Het eerste kwam reeds midden 1941
tot,stand, het tweede pas op het eind van 1943. De be-
teekenis van het Prijsvormingsbesluit, aangekondigd als

een nieuw systeem van dynamische prijspolitiek, is wat zijn compenseerende functie betreft, nihil geweest. Het

schreef in artikel 1 den ondernemer voor, op het voet-
spoor. van de Duitsche wetgeving in dit opzicht, zijn prijzen
te vormen rekening l’ioudend met de oorlogsomstandig-
heden. D.w.z. hij moest zijn prijs verlagen, zoodra hij de
tijdsomstandigheden in aanmerking nemend, de over-
tuiging had, dat zijn winst te hoog was. 1-let lag voor de

hand, dat hier niets van terecht kwam, wanneer niet ten-
minste richtlijnen voor de uitvoering werden gegeven.
Dit geschiedde nimmer. Betreurd behoeft dit niet te
worden. Tegenover het uiterst problematieke uiteindelijke

effect van de gehoopte prijsverlaging’ op de kosten van
levensonderhoud zou een terugkeer van het systeem der
algemeene prijsregelingen tot dat der individueele prijzen
een stap achteruit hebben beteekend en de prijsbeweging,

stellig ongvnstig hebben beïnvloed. Nu konde omgekeerde

ontwikkeling voortgang blijven vinden. Het feit,dat men
ook in Duitschland, door de ervaring wijs geworden,

daartoe’rneeren meer overging – de invoering van de zg.

,,Einhits-” en’ ,,Gruppenpreise” – is hierop mede van

invloed geweest. Eenzelfde ontwikkeling vond in Engeland

plaats. T:g.t. zal ik hierop terugkomen.
De tweede maatregel tot compensatie der blijvende

prijsstijging was de instelling van het Fonds voor de

Prijspolitiek. Deze had allereerst ten doel duurdere ‘im-
porten gedeeltelijk te financieren met de hooge wihsten
soms verkregen bij den export naar derde landen. Daar-
naast wilde het ook de mogelijkheid openen in het binnen-
land eventueel verkregen winsten, ontstan uit rel4ief
te hoog geachte prijzen ,,af te roomen”, tenëinde.met de
aldus.verkregen middelen te lage prijzen elders, die niet

voor verhooging in. aanmerking kwamen, te subsidieeren.
Een ,drgelijk systeem van prijsegalisatie werd in ver-
schillende bedrijfstakken rqds langer toegepast, bv. voor
steenkolen, waarbij de prijsverschil,len tusschen binnen-
en buitenlandsche kolen door een stelsel van heffingen

en uitkeeringen we’rden geëgaliseerd. De poging deze

politiek voor zoover mogelijk en noodzakelijk op het

geheele prijzenstelsel toe te passen mislukte evenwel. Op
de tegenstellingen met betrekking tot de wijze van gebruik
van dit fonds in te gaan zou mij hier te ver voeren. Vol-
doende is vast te stellen, dat het voor zijn oorspronkelijk

doel te laat werd ingesteld en dat, voor zoover het gebrüikt
werd, zulks gèschiedde om enkel voor de Duitscle oörlog-
voering van belang zijnde prijzen te verlagen en Duitsche
,,’Verlagerungsauftrhge” te financieren, die anders naar
het schijnt te duur zouden zijn uitgekomen. –
Wat niet of althans zeer laat en zeer incidenteel ge-
,schiedde, was de verlaging van de prijzen van vele nieuwe
artikelen, hetgeen wel van beteekenis zou zijn geweest
voor de hoogte der kosten van levensonderhoud. De
prijzen der ‘niduwe artikelen, die tijdens den oorlog op
het tooneel verschenen, mochten op grond van artikel 2
van het Prijsvormingsbesluit zelfstandig door de onder-
nemers, worden vastgesteld, rekening houdend met de
toelaatbare prijzen voor grond: en I huipstoffen, dito
konen en op 9 Mei’ 1949′ voor vergelijkbare transacties’
berekende opslagen ‘voor algemeene kosten en winst.
1-let was te verwachten, dât dit in den regel tot te hooge
prijzen moest leiden. Deze hâdden evenwel gecorrigeerd
kunnen zijn, indien men op grond van de later vaak ver-

plicht gestelde indiening van calculaties tot een systema-tische nieuwe vaststelling der desbetreffende prijzen was
overgegaan. Zooa,ls gezegd, geschiedde dit in te geringe

mate.

Belangrijker was evenwel, dat de op zichzelf nieuwe,

al te gevaarlijke, blijvende’ stijging der officieele index-
cijfers slechts tén deele den werkelijken gang van zaken,
in het economisch’ leven weerspiegelde. Ik doel hierbij niet:
in de eerste plaats op het feit, dat zich voornamelijk in den
levensmiddelensector een zwarte markt met veel hoogere

prijzen dan

de officieele ontwikkelde. Een dergelijk ver-
schijnsel is, wanneer de schaarschte een ernstig karakter
krijgt,’ bij het beste prijs- en ran tsoen eerin gssysteem niet te
vermijden, indien niet een sterke nationale eensgezind-heid ‘voldoende economische discipline verzekert. Van
belang is veel meer, dat op dit gebied, alsmede ten aanzien
van verscheidene andere gerantsoeneerde artikelen, een
geregelde zij het minimale voorziening tegen redelijke
prijzen mogelijk bleef

Daarnaast everiwél ontstond in de laatste oorlogsjaren
een. uitgestrekt gebied, waarop’ de prijspolitiek geen of
weinig vat had. Velerlei artikelen van huishoudelijken
aard, voöral: wanneer’ zij een eenigermate luxe karakter
hadden, werden verkocht tegen prijzen, die met een reëelen
kostprijs weinig meer te maken’ hadden. Ik wil niet be-
weren, dat dez6 situatie geheel te vermijden zou zijn ge-weest. De slechte organisatie en de geest van de contnile,

waarop in deze periode het zwaartepunt der prijspolitiek

moest vallen, hebben er echter geen goed aan gedaan.
Dit beteekent daarom niet, dat de prijspolitiek in deze
derde periode van den oorlog in belangrijke mate een

mislukking zou, zijn geweest., Daarvan zou slechts’ ge-
sproken kunnen worden, indien het besef van een

normaal met reëele productiekosten in overeenstemming

iijnd prijzenstelsel zou zijn verdvenen, een toestand die
men zou hebben gehad, indien de prijsvorming aan zich-
zelf zou zijn overgelaten. Er waren echter zooveel vaste

punten in het prijssysteem, de prijzen van vele grond
;

stoffen en,halffabrikaten, de prijzen der voedingsmiddelen

en verscheidene andere eindproducten, en voorts de meeste
bonen, dat het theoretisch prijzenstelsel der officieele –
prijsvoorschriften op elk ,moment onmiddellijk geëffec-
tueerd had kunnen worden, indien de contrôle in een

andere geest zou zijn toegepast en dan voor 100% had

voldaan.

Het belang hiervan kan niet hoog genoeg worden aan-

geslagen. De vastlegging van een – in de praktijk dus

slechts gedeeltelijk gerealiseerd – prijzenstelsel heeft in

de eerste plaats de voorziening van de bevolking met het

eerstnooclige verzekerd tegen prijzen, die in een dragelijke
verhoudiog stonden tot het algemeene inkomensnveau

,tijdens de oorlogsjaren., Dit doel is bovendien bereikt

zonder de schatkist in vërhouding tot het belang, waar
liet hier om ging, noemenswaard te belasten. Zulks in tegenstelling tot hetgeen tijdens de jaren 1914-1918 is’

geschied. – –
Allereerst was toen de prijsstijging veël sterker. De

groothandelsprijzen van voedingsmiddelen stegen van
1914 tot 1919 (1901-1910 = 100) van 120 tot 326. Deze
prijzen ‘stegen van 1940, tot eind 1943 (1940 = 106) van
114 tot 138. Daarnaast evenwel moest de Overheid tijdens’
den vorigen oorlog ongeveer een half milliard aan subsidie

voor de belangrijkste voedingsmiddelen ten koste leggen.

Het duurdere administratieve apparaat tijdens den laatsten
oorlog bracht dus zijn ,kosten wel op.’ In de tweede plaats even,rel heeft de oorlogsprijspolitiek

ons de basis verschaft, waarop een na-oorlogsprijsniveau

kan worden gecreëerd, dat bij de nieuwe omstandigheden

past. Zooals ik reeds aanduidde en aanstonds nog nader
uiteen zal zetten, kan een systematische prijspolitiek in
het kader van de na-oorlogsche economische politiek’ niet
worden gemist. Zonder de op overeenstemming van prijs en kosten gerichte prïjspolitiek in de achter ons liggende

jaren opgezet en tot .ver in den oorlog gevoerd door de

Nederlandsche administratie van voor den oorlog, zouden wij het geheele prijsbeëld ‘nieuw, hebben moeten constru- –
eeren. Nu kunnen wij, zij het met’ eenige belangrijke
principieele en tactische afwijkingen, aansluiten op wat

reeds tot stand is gebracht.’ Op de wijze, waarop de prijs-
politiek in de derde fase en vooral in het laatst van den oorlog is gevoerd, kan veel, naast zakelijke vooi’al ook
politieke, kritiek worden geleverd, waarvoor ik overigens
in dit kader geen gelegenheid heb. Tenslotte is in den

winter een chaos ontstaan, waaruit wij ons nu met môeite
loswerken. Wanneer wij evenwel de oorlogspériöde ‘in

haar’ geheel overzien, kan desondanks worden ,geo’nsta-teerd, dat de prijspolitiek in belangrijke mate aan he’t bij
het begin gestelde ‘doel heeft beantwoord. Volledigheids-
halve volken hier nog enkele cijfers:
(Zie tabel op pag. 70).

Conclusie.

Bovenstaande constatee’ing is vooral van beteekenis
aangezien de algemeene lijn dezer politiek, zooars overal
ter wereld, in de eerste overgangsfase moet worden voort-
gezet. Zij het met, een aantal belangrijle wijzigingen.
Het herstel van het handelsyerkeer met de overige wereld
door’de bevrijding van ons land immers vormt een keer-punt in de’prijsbeweging. Het aanbod uit het buitenland,
zoowel wat grondstoffen alS eindproducten betreft, kan
weergaan toenemen. De cons’ecuentie hiervan moet in

15 Augustus 1945

, ‘
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN-

69

70

ECONOMISCH-STATISTISCHE ERICHTEN

15 Augutus 1945

j
Het verloop pan de indxcijfers t’an de groothandels prijzen (1)

en van de kosten pan leensnderhoud (11) gedurende den
oorlog (1 Juni 1939 = 190).

‘Gemiddeiclen

1944

1945

1

i
Cn

1 1.111,
73
t9t
306 101 2

511 31

lii. 111

ii 505 09
Zwitserland

11110127142 149 151 15′ 53 153
152
153 15

53 153
Ver. Staten

1 I0 114 125 35 135 35 136 136 36 131 131 13
Bur.Labor.Stat.
II
101 106 115 125 125 125 t26 127 128 125 124 125
‘)I 141 157 164 167 165 560 171 172 72 179 172 172 172
Engeland

II 119 129 130 129 135 135 1H 131 131 131 131 131 131
•1 134 158 173 179 179 185 181 79 179179 179 Zweden

/

II 116 13′ 146 150 150 149 149 149 l’iO 149 149 1/i9
I

35 149 156 160 169 161 162 (62
Nederland

II 1121132 141 147 148 150 152 153

‘) Het werkelijke indexcijfer ligt hooger; het inclexcijfer is name-
lijk van een zeer oude samenstelling. Gecorrigeerd kan het’ op het
oogenblik wel op 145 worden aangenomen.
‘) Basisvan 1:1936-1938 = 100;basisvan II: 1938-1939 = 100

beginsel zijn, dat de stijgendetendens in de prijsbeweging

voor een dalende plaats maakt. Sommigen meenen echter,

dat op grond.hiervan de prijsvoorschriften, die toch in sa-

menhang met de schaarschte tijdens den oorlog in het leven
zijn geroepen, zoo snel mogelijk moeten worden opgeheven

en dat de wisselwerking van vraag en aanbod weer op-
nieuw de prijsvorming kan gaan regelen. Deze visie op
het vraagstuk is onjuist. Zij ,miskent eenerzijds de pro-

blemen, waarvoor de overgangstoestand van oorlog naar
vrede ons stelt, anderzijds de problemen welke de Organi-
satie van het economisch leven in het algemeen met zich
brengt.

De stelling, dat de maximumprijsvoorschriîten tijdens

den oorlog in het leven geroepen, weer op korten termijn
zouden kunnen worden ingetrokken, zou juist zijn, indien
de vraag en het aanbod op korten termijh weer met elkaar
in overeenstemming zouden kunnen worden gebracht.
Dit nu is niet te verwachten tengevolge van oorzaken,
zoowel bij de vraag als bij het aanbod gelegen.

In de eerste plaats is de vraag excessief groot. Tijdens

den oorlog heeft het Nederlandsche volk, zoowel wat zijn
productiegoederea als wat zijn consumptiegoederen be-
treft, op zijn voorraden geteerd. Van deze voorraden is
veel verdwenen, eenerzijds door verbruik en slijtage,
anderzijds door wegvoering en veinietiging. Het is daarom

niet voldoende de normale goederenvoorziening weer op
gang te brengen, daarnaast moet het bezit aan duurzame
productie- en consumptiegoederen weer op peil worden
gebracht.
Is het daartoe benoodigde aanbod aanwezig? Technisch
naar alle waarschijnlijkheid wel. Noch de internationale
grondstoffenpositie, noch de vervoerscapaciteit, schijnen in dit opzicht na de volledige beëindiging van den oorlog
ernstige moeilijkheden op te leveren. De vraag is, of de
technisch aanwezige mogelijkheid tot herstel van het
aanbod economisch kan worden gerealiseerd. Dit hangt

er van af, of de normale levering van goeern en diensten
aan het buitenland weer spoedig t9t stand kan worden
gebracht. De verwachtingen zijn in dit opzicht evnwe1
niet hoog gespannen. Allereerst hebbën al onze hoofdtakken
van bedrijvigheid meet of minder schade geleden. Onze
koopvaardijvloot is practisch verdwenen, onze verkeers-
installaties zijn voor een groot deel verhietigd, ons industri-

eele apparaat is ten deele beschadigd, ten deele verouderd,
onze landbouw is door de aantasting van onzen veestapel
en -door de inundatie van onzen grond in beteekenis
geslonken..

Daarnaast is evenwel ook de economische beteekenis
van het ons gebleven . productie-apVaraat problematisch
geworden. Gedurende den langen, tijd, dat wij van de
buitenwereld afgesloten zijn geweest, hebben zich be-
–langrijke

verschuivingen – in – de afzetverhoudingen voor-
gedaan. Nieuwe productie-installaties zijn gebouwd,
-nieuwe commercieele relaties -geknoopt. Wij zullen ont

en plaats moeten zien te vinden in een veranderde

iereld. Van de mate waarin ons dit gelukt, zal afhangen,
ih
hoeverre wij het aanbod van godderen op de -Neder-

landsche markt zoodanig kunnen opvoeren, dat de exces-

sieve vraag naar goederen op deze markt er op bevredi-
kende wijze door wbrdt gedekt. Een zelfs belangrijk bui-

tenlandsch crediet kan niet dan voorloopig soulaas schep-

jlen om in den ergsten noöd te voorzien. Onze technische en

èconomische prestaties evenwel zullen ons in staat moeten

tellen permanent het aanbod op een voldoende niveau
te handhaven. –

De bovengeschetste omstandigheden, waarin vraag en

aanbod zich in den komenden tijd zullen bevinden, zullen
klus voor sommige producten meer, voor andere minder,

de prijzen boven de productiekosten drijvem De in Ne-
1
derland , ,normaal” aanwezige geidhoeveelheid zou daartoe, gezien het beperkte goederenaanbod, oj zichzelf reeds meer –

dan voldoende zijn. Zij is echter nog vergroot door den
geforceerden uitvoer naar Duitschland en de financiering

der Duitsche weermachtsuitgaven in ons land. Er zal

stellig naar worden gestreefd dit eitra surplus weg te

– nemen, teneinde aldus niet slechts het staatsbudget
zooveel mogelijk te saneeren, doch ook de infiationistische

t werking van het teveel aan geld te elimineeren. Dit neemt

echter niet weg, dat het aanbod van goederen vergeleken

met de vraag voorshands nog zeer beperkt zal blijven.

Daarnaast moet er mee worden gerekend, dat de zich na

het herstel van den vredestoestand ontwikkelende hausse-
stemming, de omloopsnelheid van het geld vergroot.
Alles tezamen genomen kan worden verwacht, dat nog
geruimen tijd een infiationistische tendens de prijsvorming

in de komende jaren zal beheerschen. Het, verschil met

den oorlogstijd zal in dit opzicht voorloopig slechts gradueel
zijn. Dit maakt het noodzakelijk het stelsel van maximum-

prijsyoorschriften, dat tijdens den oorlog tot ontwikkeling
is gebracht, in beginsel te handhaven.

G. BRÔUWERS

OPINIE-ONDERZOEK ALS HULPMIDDEL

BIJ HET MARKTONDERZOEK.

Inleiding; definitie.

Met behulp van statistisch cijferinteriaal kan de markt-
onderzoeker tot conclusies komen omtrent vragen, samen- t
hangend met het aantal gebruikers of koopers ‘van een
product, dë verspreiding van deze over verschillende dis-
tricten, de ontwikkeling van de voor aankoopen:beschik-
bare koopkracht en soortgelijke onderwerpen. Hij blijft

echter het antwoord schuldig op vragen aangaande de
wenschen, meeningen, gebruiks- en koopgewoonten van
het

publiek. Voor de verschaffing. van een behoorlijk
1
inzicht in deze materie, moet de onderzoekei, hiertoe

geschikte hulpmiddelen en onderzoekingsmethoden ,an-
‘wenden. Er zal vooral moeten worden o’vergegaan tot

observatie van, het marktgebeuren en ondervraging van
het markt)ersonee]. Het is deze laatste,
de, nin oj
1
meer

massale
r
onderoraging oangroe pen personen als h
u
l
pm
idd
e
l

bij het marktonderzoek,
welke in dit artikel zal worden

besproken. De hanteering ervan stelt nl. aparte eischen

aan den marktonderzoeker; eischen, samenhangend met
de psychologische, statistische en organisatorische vraag-t
stukken, die zich bij.deze ondervraging,,voordoen.
Aan dit onderdeel van het marktonderzoek is hier te’

lande, zoowel in de practijk als in de theorie, nog slechts

weinig aandacht geschonken, zulks in tegenstelling inet
hetgeen in verschillende andere landen het geval is.
Toch is dit hulpmiddel voor den marktonderzoeker van
niet minder belang dan de gebruikmaking en verwerking

van statistieken. Bij vrijwel elk harmonisch marktonder-
zoek zullen beide hulpmiddelen moeten worden – aan- /

gewend.

15 Aucustus 1945

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

71

In de Vereenigde Staten van Amerika, het moederland

der massale ondervraging van het publiek, hetitelt men,

deze als ,,public opinion reseach”. In navolging van

dezen ook in verschillende andere landen reeds eenigszins
ingeburgerden term stellen %vij voor deze ondervragingen
of enquêtes met het woord
,,opihie-onderzoek”
aan te
duiden.

• In zeker opzicht is deze benaming te eng. Opinie-onder-

zoekingen betreffen lialnelijk invele gevallen niet alleen
de meeningen, de opinie van de ondervraagden, doch

tevens de bestaande gedragswijzen en gewoonten. Zoo

wil eeii fabrikant of handelaar bijv. weten op welke wijze

zijn at’tikel door de ,coisumenten wordt’ aangewend, in

welke stadswijken; resp. straten, de huisvrouwen plegen
te winkelen of hoe het publiek de adrtentiepagina’s
der kranten en tijdschriften leest.

Voorts zij opgemerkt, dat menig opinie-onderzoek niet

ligt op het terrein van het marktonderzoek. Naast het,
wat wij zouden willen noemen:
,,commercieel opinie-
onderzoek”
(de ,,marktenquête”) heeft nl. het opinie-
onderzoek op geheel andere gebieden en met geheel andere
doeleinden een zelfs aanmerkelijk grootere bekendheid
verworven. Men denke hierbij aan de, vooral in de Ver-
eenigde Staten veelvuldig uitgevoerde opinie-onderzoe-
kingen op cultureel,’ politiek en sociaal

terrein, hierna als ,,éultureel opinie-onderzoek”
aan te duiden Vooral.
de enquêtes, die ten doel hadden de meening van het
publiek over actueele politieke vraagstukken te leeren
kennen en om verkiezingsuitslagen te voorspellen, trokken
in sterke mate de aandacht, mede doordat de pers de

uitkomsten ervan regelmatig publiceerde.
Tenslotte zij er op gewezen, dat men, teneinde de

lk’esten der enquêtes binnen redelijke grenzen te houden,
IJj de instelling daarvan in den regel slechts steekproefs-
gewijs te werk gaat, d.w.z., dat men niet de geheele te

onderzoeken massa (de ,,verzameling”), doch slechts een
gedeelte van die massa ondervraagt.
Onder opinie-onderzoek zouden wij derhalç’e willen Qer-
staan de, meestal steekproef sgewijze, onderoraging oan een.
groep ‘personen met het doel hun meeningen, Qoorkeurs-

oordeelen, gedragswijzen en gewoonten te leeren kennen;
commercieel opinie-onderzoek geschiedt in het kader van het
marktonderzoek.

Hoewel commercieel, resp. cultureel opinie-onderzoek
in hoofdzaak een eigen terrein bestrijken, worden hij
beide dezelfde onderzoekingsmethoden en dezelfde tech-

niek toegepast. Er bestaat ook een voortdurende wissel-
werking tusschen de twee; cultureel ondeizoek konslechts
tot bevredigende resultaten komen, dank zij de gebruik-making van de ervaringen, opgedaan door marktonder-

zoekers en omgekeerd won de marktenquête sterk aan

vertrouwen en dus aan toepassingsmogelijkheden hij het
bedrijfsleven als gevolg van de successen, die de organi-
satoren van cultureele en vooral van politieke onder-
zoekingen wisten te behalen.

Wanneer wij derhalve in den loop van dit artikel een
beknopt overzicht geven van de ontwikkeling en van
enkele methodlogische vraagstukken van het commer-
cieel opinie-onderzoek ‘), zal meermalen het cultureel opinle-ondérzoek in onze beschouwingen worden be-

.trokken. –

Onderwerp Qan commercieele opinie-onderzoekingen.

Onder de vele vragen, waarop de marktonderzoeker een antwoord zokt, zijn er bepaalde, welke zich in het
bijzonder leenen voor een behandeling met behulp van
een marktenquête. Sommige van deze vragen kunnen,
zelfs alleen maar langs dien weg beantwoord worden.

In ae practijk hebben marktenquêtes veelal betrekking
op:

1)
Op de methodologische vraagstukken hopen wij later in dit
tijdschritt iog uitvoeriger in te gaan.

de grootte yan het oerbruik.
Hierover zal men slechts
nqueteeren, indien niet reeds budget- of andere sta-

istieken ter beschikking staan, of indien men de juistheid
Tan deze statistieken wil controleeren.

de verspreiding uan den afzet naar districten, resp.
‘eolkingsgroepen.
Men vergroot doorvragen hieromtrent
Ijn inzicht in de structuur van de markt, kan in sommige

evallen çontrle uitoefenen op de effectiviteit van het, ïerkoopapparaat in de diverse districten en krijgt een

iauwkeurig beeld van de beteekenis der verschillende
3fnemersgroepen voor den afzet.
C.
de gebruiksgewoonten oan het publiek.

de door -het publiek geprefereerde eigenschappen oan
iet product.
de geprefereerde wijze, oorm, uitooering oan de oer-
oakicing.

de geprefereerde oerkoopkanalen en -systemen en de

oopgewoonten oan het publiek.
O.a. kan men vragen stellen
)mtrent de voorliefde van de koopers voor bepaalde wij-
ken. of straten, winkeltijden, mannelijke of vrouwelijke

bediening.en bepaalde koopdagên.

de reclainemethoden en -middelen, welke het meest de
zandacht trekken.
Hierbij doen zich o.a. kwesties voor
samenhangend met de opvallendheid en herinnerings-
waarde van reclame-uitingen, de wijze waarop en de

Lntensiteit waarmee advertenties in bladen worden ge-
Lezen en de onderlinge vergelijking van verschillende

bladen.
de plaats oan het product oan een bepaald bedrijf te

nidden oan de concurrentie.
Vragen kunnen in dit verband

worden gesteld, welke uitsluitsel verschaffen omtrent de
bekendheid met en het waardeeringsoordeel over de ver-
schillende concurreerende merken, omtrent de redenen

van voofkeur voor bepaalde merken en de verschuivingen,
welke zich in ditopzicht op de markt voltrekken. Als belangwekkend voorbeeld van marktenquêtes, die

voor geheele bedrijfstakken van belang zijn, vermelden
wij de in Hongarije ingestelde enquêtes naar de
houding en gewoonten van rookers, fruitgebruikers en

wij nconsumenten
2).
Voor deze encjuêtes wendden de

organisatoren zich zoowel tot de uiteindelijke verbruikers

als tot de-wederverkoopers. De wijnenquête, die in 1989
werd gehouden op initiatief van den Hongaarschen Mi-
nister van Landbouw, had ten doel door kennis van de
gebruiksgewoonten te komen tot een vergrooting van het

wijnverbruik, mede doordat men waardevolle denkbeelden
en richtlijnen wilde verkrijgen voor een doelmatige pro-

paganda.

De ontwikkeling in de Vereenigde Stateni
3).

Degeén, die den grootsten stoot heeft gegeven tot het ôpinie-onderzoek in zijn huidigen vorm, is ongetwijfeld
Dr. George Gallup, die in 1930 met zijn experimenten op
dit terrein aanving en van wiens onderzoekingen de resul-
tatpn sinds 1936 met korte regelmatige tusschenpoozen
in een belangrijk deel van de Amerikaansche pers worden
gepubliceerd. Zelfs is de benaming ,,Gaflup-onderzoek”
een synoniem geworden van, opinie-onderzoek.

Gallup had echter voorloopers. Reeds omstreeks 1900
trachtten nl. sommige Amerikaansche kranten proef-

verkiezingen te organiseeren. Om tot dit resultaat te
komen zond bijv. de ,,Literary Digest” sinds 1916 mil-
lioenén stembriefjes in den vorm van antwoordbriefkaarten
rond (in 1928 18,000.000, in 132 20.000.000 stuks). Deze
kâarten werden in hoofdzaak gezonden aan adressen

‘)
,,Verbrauchsforsctiung in Ungarn”, artillel in ,,Markt und
Verbrauch” 1943, blz. 61 v.v.

‘) ,,A guide to public opinion polis” door G.’Gallup, Prncet’own
1944; ,,Mandate trom the people” door Jeromes S. Bruner, New-
York 1944; ,Handbuch der Verbraucbsforschung”, Erster Band,
Grundiegung door Prof. Wilhelm Vershofen, Berlijn 1940; ,,The
new science of public opinion measurement” door het American Institute of Public Opinion, New-York.

72.

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

15 Ai)gustus 1945

van telefoonhouaers en autobezitters, waarschijnlijk

vooral, omdat de ,,Literary Digest” de aandacht yait de
in belangrijke mate in deze groepen voorkômende toe-

komstige abonné’s op. zich wilde vestigen.
De gevolgde werkwijze ontmoette echter, ondanks de

er aanvankelijk mee behaalde successen, critiek. Deze

critiek kwam in het bijzonder van de zijde dergenen, die
op kleinere schaal commercieele opinie-onderzoekingen
1
verrichtten; zij kwamen tot de conclusie, dat
mondelinge
ondervraging in vele gevallen boven
schriftelijk
enqueteeren
valt te prefereeren. Voorts ondervond min, dat slechts

dan juiste uitkomsten zijn te bereiken, indien de te en-

clueteeren groep, wat samenstelling betreft, overeenkomst

vertoont metde geheele massa, waarvan men de meening

wil leeren kennen. Is de steekproef echter inderdaad

voldoende representatief, dan kan – en ook dit was

een belangrijke stap vooruit – het aantal vraaggesprekken
betrekkelijk gering zijn. De uitkomsten van de voorspel-

lingen voor de presidentsverkiezirig in 1986 stelden de

critiek op

de door de ,,Literary Diget” gevolgde werk-

wijze’inhet gelijk. Dit jaar was daardoor beslissend voor

de verdere ontwikkeling van het opinie-onderzoek.

De ,Literary Digest” deed de foutieve voo’rspelling,
dat Landon zou winnen iiiet 600/ der stemmen. In wer-

kelijkheid won echter Roosevelt en kreeg Landoh slehts

39°/, der stemmen. Andere proefverkiezingen, als die,
welke werden georganiseerd door George Gallup, Elmo

Roper en Crossley kwamen niet alleen tot een juiste

voorspelling van de overwinning van Roosevelt, naar be-

naderden ook procentueel den werkelijken verkiezings-

uitslag aanmerkelijk beter. Zeer spectaculair was wel,

dat Gallup er zelfs in slaagde, reeds twee maanden voor de ,,Literary Digest” zijn stembriefjes uitzond, op grond
van eigen onderzoekingen met betrekkelijk eringe pro-

centueele afwijking, de door hem verwachte fout in den
uitslag van dit blad te voorspellen!
Van 1936 af ontwikkelden de volgens de nieuwe in-

zichten werkende organisaties een groote activiteit. Het door Gallup in 1935 opgerichte ,,American Institute for

Public Opinion” wist zich wel de grootste bekendheid te

verwerven. Hierbij werd gebruik gemaakt van de dien-
sten van een 2.000, door het geheele land verspreide,

‘goed getrainde beroeps- of nevenberoepsenqueteurs(trices).
/ Met behulp van deze ,,field-reporters” worden,, al naar
den aard van het onderzoek, van 3.000 tot 60.000 personen
5er enquête ondervraagd. Door de groote publiciteit, welke
aan Gallup’s onderzoekingen dooi de contracten met dag-
bladen werd gegeven, kregen de enquêtes een algemeene
bekendheid, die het werk der enqueteurs uiteraard weer

vergemakkelijkte. Dank zij een goede organisatie was
men in staat een onderzoek in 1 a 2 weken uit te voeren,

in spoedgevallen zelfs nog sneller. Zoodoende koA hij
± 1.000 groote en kleine enquêtes verrichten in een tijds-
bestek van 5 jaar. –
Bekend zijn voorts de periodieke onderzoekingen van
Elmo Roper, die maandelijks werden gepubliceerd in het
Amerikaansche tijdschrift , ,Forturie”. Evenals Gallup
kiest Roper met groote zorgvuldigheid de te enqueteeren

personen uit.
In den regel hielden deze en andere instituten voor

opinie-onderzoek zich eenerzijds bezig met sociale en ‘poli-
tieke onderwerpen, anderzijds met marktenquêtes. Wat

de politiek betreft, werden o.a.
vragen
gesteld inzake de
meeningen over werkloosheidsbestrijding, New Deal,
recht op staking, ouderdomsverzekering, socialisatie,
schuld aan den oorlog, bewapening, deelneming aan den
oorlog, enz. Hiernaast vroeg men bijv. de meening van
het publiek over de sterilisatie van gewoonte-misdadigers

en ongeneeslijke geesteszieken, over prohibitie, kerk-
bezoek en religieuze overtuiging, geboortebeperking. Als
resultaat van dezeonderzoekingen verkreeg men unieke
gegevens over de denkbeelden, wenschen en gedragingen

van een volk.

Omtrent de commercieele opinie-onderzoekingen ‘en

haar onderwerpen is weinig bekend, hetgeen begrijpelijk
is, daar de opdrachtgevers,zich met behulp van hun

kennis van de uitkomsten dezer opinie-onderzoekingen

juist een voorsprong op hun concurrenten willen ver-
schaffen.

Verspreiding oan het Anierikaansche systeem.,

Ook buiten de grenzen der Vereenigde Staten van

Amerika won het instituut van het opinie-onderzoek ter-

rein., Gallup had hierin een belangrijk aandeel. Met zijn

medewerking en volgens zijn werkwijze werd in den

loop der jaren in een reeks lanlen het opinie-onderzoek
ter hand genomen. Zoo ontstonden Gallup-instituten in

Engeland, canada, Argentinië, Australië, Jrankrijk,

Zweden• en Denemarken. Het zou te ver voeren op het

werk in al deze landen uitvoerig in te gaan. Wel blijkt

uit deze opsomming de mogelijkheid ook in kleine landen

een apparaat voor massaondervraing op te bouwen.

Daar deze ervaring juist voor een land als het onze van

belang is, doen wij nog enkele gegevens volgen over het

,,Dansk Gallup Institut” te Kopenhagen 4)
.

Het Deensche Gallup Instituut is een particuliere on-

afhankelijke organisatie, die’ sedert 1939 het recht heeft

volgens de Gallup-methode opinie-onderzoekingen te doen.

Aanvankelijk verrichtte men hoofdzakelijk enquêtes in

het kader van marktonderzoekingen ten behoeve van in-
dustrieele en handelsondernemingen. Later trad men

bovendien in de openbaarheid met cultureele opinie-

onderzoekingen voor diverse kranten en tijdschriften.

Een âantal over het land verspreide enquêtrices voert
de benoodigde vraaggesprekken. De onderwerpen der
onderzoekingen liggen sterk uiteen. Veelal worden in het

middelpunt van de publieke belangstelling staande kve-

ties aan de orde gesteld als de wijze van vrije-tijds-beste-

ding, het gedrag bij luchtalarm, de verwachte duur van
dn oorlog, de godsdienstigheid an het Deensche volk,

enz. Soms maakten maatregelen, die door de Overheid of

andere instanties werden overwogen en die het publiek

raakten, het onderwerp van een enquête uit; zoo legde
men het publiek en den winkelier bijv. de vraag voor, hoe

men dacht over çle invoering van’ een vinkelsluiting des

Zaterdags na’ 2 uur; ook vroeg men, hoe gedacht wed
over de herinvoering van de doodstraf. Verschillende pu-
blicaties van het instituut trokken sterk de aandacht in
de Deensche pers.
Sommige instituten, welke in hoofdzaak werken volgens

het door Gallup en andere Amerikanen ontwikkelde
systeem van ondervraging, beperken hun werkzaamheid

uitsluitend of vrijwel uitsluitend tot het commercieel

opinie-onderzoek. Een voorbeeldkiervan vormt het
London Research Bureau, dat in den ‘oop der jaren voor ,tal van takken van handel en nijverheid onderzoekingen
verrichtte. Het werkt ook met een aantal beroepsenquê-

teurs, die vanuit een centraal punt Engeland bereizen.
Voor opinie-onderzoekingen, die het geheele land be-
strijken, acht dit bureau 5.000 ondervragingen over het
algemeen wel een minimum, hoewel ook gevallen denkbaar
zijn, waarbij met minder kan worden volstaan en andere,

waarbij aanmerkelijk meer. gesprekken noodig zijn
5).

Het Duitsche systeem.

In enkele andere landen, in het bijzonder in Duitsch-
land, ontwikkelde het opinie-onderzoek zich in een van het
Amerikaansche systeem afwijkende riching. Baanbrekend
werk werd verricht door het in 1935 opgerichte Institut

‘)
,,Markedundersôgelser efter GalIup-Systemet” door Wahi
Asmussen, directeur van het Deensche Gallup-Instituut, Kopen-
hagen 1943.
‘) ,,Market research, a practical handbook”, door H. G LyalI,
PCI., directeur van het London Research Bureau, Londen 1933.

•,

/

15 Augustus 1945,

EÇÖNOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

73

‘t

für Konsumforschung te Nürnberg, dat zich, zooals de

fiaam reeds aanduidt, vooral bezig, houdt mét, commer-

cieele opinie-onderzoekinen, deels op eigen initiatief,
deels op verzoek van particuliere ‘bedrijven en instanties.

Volgens de statuten is het doel: ,,die Gewohnheiten und

die Haltung der Verbraucher konsumreifer Waren im
Gehiet des deutschen Reiches durch entsprechende Masz-

• nahmen fortlaufend und durch Sondererhebungen zu

untersuchen und die Ergebnisse dieser Untersuchungen

nach wissenschaftlichen Grundsatzen zum Nutzen der

wirtschaftlichen Praxis und Lehre zu verarbeiten
6)
Ook dit,in tegenstelling tot dë reeds genoemde instellin-
– gen niet naar winst strevend, instituut enqueteert monde-
ling. Voor zijn contact met het publiek maakt het in hoofd-
zaak gebruik van een staf ,,vrije-tijds-enquêteurs” die men

,,correspondenten” noemt. Deze ontvangen wel een zekere

vergoeding per ingezonden antwoordformulier, doch hun

eigenlijk beroep ligt elders’. Verder hecht de leiding van het

I.f.K. veel waarde aan onopzettelijk en in conversatievorm
gevoerde vraaggesprekken, zonder zichtbare gebruikma-

king van een vragen- of antwoordformulier. Van een derge-
lijke ondervraging’ verwacht men de meest ongedwongen

juite reacties. Inhaerent aan dit systeem, dat Kropff

hetitelt als ,,das deutsche Verfahren der Befragung”
7),

is voorts, dat elke enquêteur slechts een beperkt aantal
(ten hoogste 20) personen ondervraagt en dat deze per-.
sonen *oden gekozen uit de omgeving, veelal zelfs uit
den kring van bekenden van den énquêteur. Voor den

oorlog had het I.î.K. ongeveer 750 correspondenten. Per

normaal onderzoek in het geheele ‘Duitsche Rijk rekende
men in elk geval met ongeveer 12.000 antwoorden te
kunnen volstaan, in vele gevallen echtei waren minder

antwoorden noodig. –
Door het I.f.K. werden in de eerste 7 jaar van zijn be-

staan 44 onderzoekingen verricht. Slechts over enkele
daarvan zijn gegevens gepubliceerd,bijv. over een onder-
zoek naar de wenschen en meeningen van het publiek
t.o.v. diverse constructies en types van kinderwagens
8).

Slot besc/io un/ing.

In de inleiding merkten wij reeds op, dat het opinie-

onderzoek geheel aparte eischen’ stelt aan den markt-
ônderzoeker. Afgezien nog van de zeer speciale kennis
en ervaring ‘op psychologisch, organisatorisch, statistisch
en cQmmercieel gebied, welke de opinie-onderzoeker zich

eigen dient te maken, moet hij ook beschikken over een
vrij grooten staf van getrainde enquêteurs en een snel en nauwkeurig werkend apparaat voor de verwerking
der vele tienduizenden gegevens, die per onderzoek binnen
komen en veelal op korten termijn moeten worden ge-
ordend en geteld. Zoo ergens, dan is hier specialisatie

gewenscht, ja, noodzakelijk.
Slechts een enkel zeer groot concern is in staat markt-
enq’uêtes in eigen beheer te doen uitvoeren. Zelfs bedrijven
met een grooten staf van verkoopers zullen voor even-
tueele opinie-onderzoekingen van deze empinyé’s veelal
geen gebruik kunnen maken. Zulks allereerst, omdat de
verkoopersin den regel reeds een vast verankerde meening
hebben over allerléi vraagstukken, die in een enquête
aan de orde kunnen wovderi gesteld. De kans is.dan ook
niet gering, dat deze groep personen niet geheel onbevoor-
oorcjeeld zal enqueteeren en de ondervraging lus een
scheef beeld van de situatie geeft. Bovendien zijn de
verkoopers bij marktenquêtes dikwijls zelf partij, in dien
zin, ‘lat h’t in niet weinig evllen de bedoeling van de
marktenquête zal zij’i ook omtrent de juistheid van hun
beleid nadere gegevens te verschaffen Het is dus ves-

‘)
Die Korrespondenten der Gesellschaf t für Konsuurforschung”
en ,,Die Mitarbeiter der Gesellschaft fOr Konsumforschung”, Arti-
kelen in ,,Markt urid Verbrauch” 1943, blz. 30 v.v., resp. blz. 69 v.v
) ,,Die psychologische Seite der Verbrauchsforschung” door
jj. F. 1. Kroff, Leipzig 1941, blz. 74 v.v.
‘) ,,Uber den Kinderwagen – eine Meinungserfragung”, artikel
in ,,Markt und Verbrauch” 1942, blz. 209 v.v.

klaarbaar, dat ondernemers zullen aarzelen zich voor
hun voorlichting omtrent de problemen van de afzét-

markt ‘door middel van opinie-onderzoek steeds en geheél

te verlaten op de eigen verkoopers. In Nederland is het opinie-onderzoek nog-jong. Eerst

in den zomer van 1945 werd met een, cuija.ireele enquête

van de Neci. Stichting voor Statistiek samen met de Ver-

eeniging voor opinie-onderzoek een meer, blijvende flink

opgezette activiteit op dit gebied
ingeluid.
Hieraan waren

overigens reeds dnkele marktenciuêtes vooraf gegaan.

Van de v66r den oorlog ingestelde opinie-onderzoekingen

verkreeg het (politiek) opinie-onderzoek, dat het weekblad

,,De Groene Amsterdammer” in hetjaar 1936 verrichtte,
weide grootste bekendheid
9).

In vakkringen trok ook een, enkele jaren voor dezen

oorlog ingesteld onderzoek naar de psychologie van den

krantenlezer de aandacht. Deze mondelinge
enciuête
ging

uit van het Genootschap voor Reclame.
Voorts werden door enkele reclame- en dergelijke –

bureau’s op kleine . schaal schriftelijke of mondelinge

commercieele opinie-onderzoekingen verricht ten behoeve

van hun cliënten. Eén groot industrie-concern beschikt

tenslotte over èen eigen permanente afdeeling voor markt- –

enquêtes
10)
.
.

Voor de uitvoering Van eenigszins groot opgezette
opinie-onderzoekingen stond het Nederlandsche bedrijfs-
leven echter tot midden 1945 geen apparaat ten dienste. ‘
In dit opzicht was er een leemte aanwezig in ons bedrijfs-

leven. Thans is echter van enkele ‘zijden, o.a. van die van
de Nederlandsche Stichting voor, Statistiek te ‘s-Graven-
hage (niet te vervarren met het Centraal Bureau voor
de Statistiek, waarmee zij echter wel nauw geliëerd is) het
initiatief genomen om in deze leemte te voorzien. Met haar
apparâat voert zij zoowel cultureele als commercieele
opinie-onderzoekingen uit voor overheid, bedrijfsleven,t

wetenschap en pers. Aldus staat het Nederlandsche he-
drijfslven naast de bestaande laboratoria voor technische
,,research” en adviesbureau’s op verschillend terrein weer
een nieuw soort hulpdienst ter beschikking en zal het
daardoor weer beter zijn uitgerust voor zijn toekomstige
/
‘taak.
13. M. SWEE’RS.

‘) Referenclum-ilummer d.d. 16 Mci 1936 van ,,De Groene Alzi-
sterdammer” en ‘iet nummer van 4 Juli 1936 van dit weekblad.
‘°)
Wij vestigen ook nog de aandacht op een recente enau6te van
de Nederlandsche Middenstandsbank’ over de meest gezochte goede-
ren ter aanvulling van de, huishoudelijke installatie. Bij gelegenheid
hopen wij hier nog nader op terug te komen. Red.

.ANNEXATIE.
1)

Het lijkt, of Nederland in een situatie wordt gebracht,
die men in zeker opzicht vergelijken kan met hetgeen
(zich vobrdeed toen ons land in 1940 in oorlogstoestand
gedompeld werd. Het Nederlandsche volk stond tegenover
deze toestand na een vredesperiode van een euw geheel
vreemd. Nu krijgen wij – voorloopig nog als voorstel –

iets over ons gebracht, waartegenover het Nederlandsche
volk minstens even nieuw staat: het verwerven van vreemd
grondgebied. Een serie qualificaties is daarvoor, te geven,
de gangbaarste is ,,annexatie” en om elk nutteloos spelen
met woorden van den ‘beginneaf buiten de deur te zétten

zullen wij het in dit artikel ook bij de naam annexatie
aanduiden.

Annexatie past al even slecht in de vaderlandsche
mentaliteit als oorlog, ja bij annexatie is de Nederindsch
practijk nog verder afgesleten dan in 1940 gold ten ‘aanzien
van oorlogvoering. Stadhouder Willem III was het laatste

Nederlancische staatshoofd, dat ons l.and in een politiek

i) Na deze inleidende beschouwing hopen wij in volgende num-
mers eenige nadere beschouwingen aan het annexatieproleem t
wijden. Red.

ECONÖMISCH-STATISTISCHE BERICHT1N

15 ‘Auiiistus 1945
:1

van constructieve gebiedsvorming voorging. Bij dit

hoofdstuk van staatspolitiek staan cie paarden dus
al
heel wat langer dan honderd jaar op stal.
Zij,
die enthou-
siast zijn voor een annexatie van Duitsch gebied ver-

plaatsen zich o.i. dan ook ietwat te snel in de gedachte,

dat het Nederlandsche volk Ionder blikken of blozen
mee zal gaan met het voornemén vreemd gebied in bezit

te nemen, nog wel met, verjaging van de zich daarop
bevindende bewoners.

Toch • moet de vastberadenheid on ook thans niet

verlaten bij de confrontatie met wat o.i. typeerend is

aangeduid als het onontwijkbare nationale oraagstak
der

annexatie. Zoo zij dn ook ons standpunt tegenover het

onderwerp.-

Het. moet wel als een uiting van verdraagzaamheidl

genomen worden, dat wij problemen bij voorkeur bekijken
volgens de methode van het pro en contra. Veel van het
1

reeds vele, dat over de annexatie geschreven is, verheft

zich ook niet boven deze beoordeeling. Het plan van annex-
atie.is
aangeduid met de motiveering, niet van het oud-
testamentârische ,,tand pm tand”, maar van het meer
t

realistische ,,land om land”. Minister van Kleffens die
in prijzenswaardige uitvoering van de door hem gedragen

verantwçordelijkheid – het onontwijkbare vraagstuk

reeds in November 1944 bij de verworven mentors van

ônze inLernationale politiek,- Engeland en Amerika, aan

,

de orde stelde, koos daarbij als basis van zijn betoog de
hersteleisch Een argument dus uit de categorie van het

,,pro”.
Ieder, die aan h’et vraagstuk diepere aandacht schenkt,

zal
het er echter over eens zijn, dat een vermogensverlies

niet op één lijn staat met verlies van souvereiniteits-
rechten of met andére woorden, dat een leuze als het
,,land om land” geen verklaring, of zoo men wil recht-

vaardiging, is voor het laten betalen van geleden materieele

schade met het grondgebied van een vreemde Staat.

Als dit zoo is, kan ook hettandpunt niet worden inge-
nomen, dat wij on zullen m’ôeten voldoen met Duitsche

grond oindat anders, blijvçnde vermindering van de
Nederlandsche volkswelvaart het’ geval zou zijn (het
re-compensatie”. motief).

De Regeering heeft bij gelegenheid van de bekende

radiotoespraak an den Minister-President, op 27 Juni
ji., de wenscis geuit dat door openbare discussie zich bi) Ons
volk in bezonkenheid een meening vorme. In de rede-
voering is verwezen naar de ,,gedachte” van Minister

van Kleffens, doch overigens wordt geen leiding gegeven

voor het te verwerveii besef en inzicht. Een tamelijk om-

vangrijke litteratuur is reeds ontstaan
2).
Van ‘de argu-

menten aan de zijde van het pro die daarin naar voren
komen wijzen wij de volgende aan:
1. een imperialistische be.veegreden, 2. een militaire
beweegreden en 8. practisch economische beweegredenen.
Het eerste argument bevat het bétoog, dat er voor Neder-

land nu de kans bestaat zich een grootere beteekenis als
mogendheid te verschaffen, door uitbreiding van het
staatsgebied in Europa. Veélal hoort men daar de op-
merking aan verbonden,’ dat wenschehjk is tegen-
over de omvang van de Nederlandsche overzeesche ge-

biedsdeelen een grooter Nederlandsch Rijk in Europa
te stellen.

Het tweede argument laat zich plastisch aanduiden

‘) (a)De Duitsche inundatles in Nederland, Mr. E. N. van Kleffens
uit ,,Foreign Affairs”, New-York, overgenomen in ,,’t Venster”
nr. t Ned. Voorlichtingsdiensten Londen. (b) Naar een grooter
Nederland? Uitgave van ,,Vrij Nederland” Augustus
1944.
(c) Land
om Land, Mr. G. J. Hiltermann. Elsevier Amsterdam
1946.
(d) Ge-
biedsuitbreiding noodzakelijk? Dr. Ir.
F.
Bakker Schut. (ter perse) Elsevier: (e) Geen inpalming, wel inlijving? Jhr. Mr.
C.
M.
0.
van
Nispen tot Sevenaer. Zutphen
– W.
J. Thieme & Cle., Sept. 1944.
(t)
Het Vraagstuk der Annexatie, Dr. A. Kessen,, Maastricht. (g)
Wat Nu, Dr. M.
W. R.
van Vollenhoven, Driebergen.
(Ii)
Wat hebben de Duitschers misdreven?
R.
Mignot, Eindhoven. (i) Annexatie een
dure plicht, Dr. L.
C.
E. van Galen, L. J. Veen’s Uitg. Mij. Amster-
dam. j) Oostland— Onsland,2edrukt945, Uitgavevan ,,DeAccu”,
Amsterdam. (k) Schadevergoeding door annexatie, E. Veen. Uitgave
L. J. Veen’s Uitg. Mij. Amsterdam 1945.

met de benaming Oostwai-w.orzeTg. Het is eigenlijk.een

argument, dat voor een mtshiitend nationale beoordeeling

geen beteekenis heeft en het vraagstuk verlegt naar het,:

terrein van de West-Etropeesche rnachtspolitiek. Met of

zonder Oostwal, houden wij er een militair sterk Duitsch-

land
.alleen
op de duur toch niet uit.

In de derde categorie is een veelheid van beweegredenen

verzameld, die wij hierna afzonderlijk zullen moeten aan-
duiden.

Rubriek 1. Imperialistische beweegredenen is een cate-

gorie zeer wezensvreemd aan de Nederlandsche inborst.

Wij zullen daarbij maar niet lang blijven stilstaan, zulks

temeer omdat de uitvoerbaarheid van een ivoornemen, –
dat zich op dit motief :baseert, gelijk het argument van

rubriek 2, noodig heeft, dat de groote mogendheden, met.

dewelken wij verbonden zijn, een politiek opstellen waar-

van een naar het ‘Oosten vergroot Nederland een be-‘

standdeel is.
Militaire redënen.

Wij stappen dus over naar rubriek 2, de Oostwl-be-
doeling. De wal is bescherming en er valt dus te vragen•
voor wie de bescherming dient en tegen wie zij gericht is.

Men hoort hierbij de klank, dat ons volksbestaan onher-

roepelijk verloren is, indien Duitschiand ooit weder eens
tot macht mocht komen. In een nieuwe oorlog.
.. . ,,
den
dritten gewinnen wir”. . . . , zonde aan de Duitsche macht

tot expansie geen weerstand zijn te bieden. Het staatbij
ons niet vast, of dit motief er een is van weloverwogenheid

dan wel of defaitisme zich daarin vertoont. Het Duitsche

imperialisme is nu toch gebroken.Rijst er wederom imperia-
lisme op het Duitsche gebied omhoog dan komt dit door
slapte van de landen die des oorlog gewonnen hebben of
medewerking van de zijde van een (eenige) dezer landen.

Een Oostwal in ‘het vergroot Nederland (waarbij dan

tevens dient verondersteld te worden, dat de linie door-

gaat tot aan de Zwitsersche grens) komt er niet enkel
ten. gerieve van de Nederlandsche veiligheid, maar is be-

stemd tot handhaving van het Britsch-Westeuropeesche

bestel. De Oostwal wordt opgeworpen tegen’ Eur,opa
gelegen oostelijk van de opgeschoven Nederlandsch-
Duitsche grens. Dit Europa houdt niet op bij de Oder!
Hoe worden de partijen gespeeld bij de komendè vredes-

beraadslagingen? Beslissingen ten opzichte van het Duit-
sche grensverloop in het Westen zullen al dan niet tevens
wenschen verwezenlijken, die hier te lande met betrekking

tot toebedeeling aan Nederland van Duitsch grondgebied
bestaan. Omzetting, van de militaire overweging gelegen
in ‘het Oostwal-motief, in de daad der creatie van een
grooter Nederland, anders dan enkel en alleen omdat de groote mogendheden het zoo hebben willen – en wij ons’

daaraan hebben aangepast – ware een suppositie te bout
en derhalve te doelloos, om in discussie te brengen..
Nog zij opgemerkt, dat het eerste communiqué over de

zittingen van Potsdam niets bevat, dat reden geeft om
aan te nemen, dat ons land uitbreiding door vorengenoemde
oorzaak in het ‘vooruitzicht heeft. Indien een intentie
behoorende bij de rubriek 2 niet in het spel is, laat zich

nog opmerken, dat voor de overwinnende niet aan Duitsch-
land grenzende landen de annexatie van Duitsch gebied
het minder aantrekkelijke bevat, dat het territoir, waaruit
schadebetalingen aan deze landen kan worden ‘opgebracht,
afneemt.

Economische beweegredenen.

Zoo komen wij dus al bij rubriek 3; de economische
beweegredenen die nawijsbaar de ruimste plaats in de
discussies en publicaties innemen en ook het gemakke-
lijkst aarden in de mentaliteit van het Nederlandsché
volk. Het is het betoog onder de leuze ,,annexatie is
de
eenige manier om schadevergoeding van DuitschIan

voor ons land te krijgen”. Litteratuur en discussie bedienen
zich gretig van deze leuze, blijven zelfs daarbij niet staan

,
1

..

45 Augustus 1945

ECONOMISCH-STATI

en begeveil zich op het gebied van de levensruimte-poli-
tiek, waarbij de (tijdelijke) vernietiging van bodem-

edeelten
in
Nederland als springplank wordt gebruikt. Voor de ,,Lehensraum'” – hier met de Duitsche naam.

gegeven’ om de herinnering aan de verdachte afkomst van dit begrip wakker te houden -. geldt inzohderheid.

de behoefte van de boerenstand. Het bévolkingspercentage,

met een landbouwberoep daalde van 29,6
0
/,, in 1899 tot

20,1
0/
in 1930. Het geboort,eoverschot van het platteland
moet steeds meer afvloeien naar de ‘industrie. Er wordt

dus in Duitschiand grond gevraagd om er zonen van

Nederlandsche boeren te kunnen vestigen. Bij deze eisch
verschijnt al dadelijk de practische noodzakelijkheid de

opzittenden te laten verdwijnen.

In het bestek van dit artikel past niet om na te gaan;

hoe de geografische kwaliteiten zijn van het te verwerven
gebied. Dtarvoor zou eérst een grens om het annexatie-
gebied getrokken moeten worden. Hoe
wil
men de aan-

spraak fundeeren? Bij ‘de recompensatie-gedachte, op het

verlies; dat door de oorlog aan ons nationaal vermogen
geleden is? Bij de Lbensraum-bedoe1ing, op de te ver-

wachten bevolkingsontwikkeling? Voor beide calculaties
is iimmer evenwicht te vinden in wat wij aan Duitsch

gebied kunnen veiwerven. De ,,claims” daarvçor in
publicaties over het onderwerp voorkomende vertooneri

afwijkingen van honderden procenten! Ook”voor de
grootste daarbij nog ,,zonder indigestiç” aanbevolen.
Keuze van het optimum ligt ook buiten de mogelijk-

heden. Het ,,onontwijkbare” is nimmer het resultaat van wetenschappelijke beschouwing. De voorlichting bij het
vraagstuk richte zich op leiding in de ealiteit van de

annexatie. De eerste realiteit is, dat, indien de annexatie
er komt deze een ,,plus fort que nous” representeert,
waarover de volksopinie wel kan oordeelen, maar waarvan
de voltrekking niet is tegen te houden. ‘Een actie voor annexatie kan zich alleen maar door-
zetten, ‘indien de grondslagen voor de realiteit van cle
annexatie aanwezig zijn. Hier denken wij aan de vraag,
of het te verwerven gebied bij ons Rijk kan worden toe-
gevoegd zonder de tegenwoordige bewoners. Annxatie met bewoners laat een belangrijk deel van de utiliteits-
bedoeling der annexatie te loor gaan. Bovendien komt er
dan de moeilijkheid van het aanwezig zijn eener gemengde
bevolking te besttan. Het, verdrijven van de Duitsche
bevolking uit het door Nederland te annexeer’en gebied
is dus geboden. lu zijn geschrift ,,Wat Nu” zorgt Dr. van
Vollenhoven voor een manende heiinnering door ver-
wijzing naar het boek Numeri, daarvan het 33stehoofdst’uk:
‘,,En indien gij niet al de inwoners des lands voor u uit
verdrijft, dan zullen zij die gij van hen overlaat u zijn tot doornen in het oog en prikkelen in de zijde”.
Hoe moet dit bijbeisch procedé gaan in de cultuur-
maatschappij van de twintigste eeuw? 1-let wil ons voor-
komen, dat dit punt aandacht iraagt voor meil’ aan
eenige andere bestudeering van de uitvoering van gebieds-
overname begint. Men moet er zich rekenschap van geven,
dat de bevolkingsverplaatsingen zooals deze zijn voor-
gekomen in Silezië, de Randstaten, Tirol enz., plaats
vonden in een gebied met een bevolking gemengd samen-
gesteld uit de blijvende en de vertrekkende nationaliteit.’
De publicaties werken met een annexatie-domein van
1 a 2 millioen ha. (soms ook minder, – soms ook meer).
Hoe kan het procedé van de bevol,kingsverwisseling zich
daarop voltrekken?. De toestand van het gebied zoü zeer
te lijden hebben, indien de functies als bodemverzorging,
waterstaatszorg,. onderhoud aan onroerend goed enz.
enz. niet dadelijk uit,de eene hand in de andere hand
overgaan. Ja er zal heelemaal geen sprake van kunnen
zijn, dat de continuiteit van deze werkzaamheden zou
ontbreken. .
Indiener overdracht van hand tot hand is, zal bij het
nog niet vooraf gevestigd zijn van de opvolgende bewoners
een zeer lange tijd met het overdrachtsproces gemoeid

TISCHE BERICHTEN

75

‘.vezen, waarin de bezwaren die het boek Numeri ons voor-

houdt dus nog werken. Er ligt hierin de conclusie, dat
i als alles beheersc’hend voor de uitvoerbaarheid van annexa-

tie geldt, of in ‘Nederland op korten termijn de bevolking

wordt gevonden, die over te plaatsen is naar het gean-

nexeerde gebied en bekwaamheid bezit om de niet onder-

‘breekbare economische functies daarin t .vervul.len,

voorts, of de tegenwoordige bevolking van het gebied in
‘het overgebleven Duitschland kan worden ondergebracht,

‘nog verbonden met een -‘—’evenzeer in korten tijd door te
voeren – betrouwbare selectie van Duitsche onderdanen,

die zonder gevaar (maar alleen uit economische nocdzaak)

voorloopig nog als bewoners van het geannexeerde gebied
aangehouden kunnen worden. Er is met de mogelijkheid
rekening te houden, dat uit de geselecteerde tijdelijke

blijvers, permanente blijvers voortkomen.
In de hier gestelde vraag ligt, zooals wij zeiden, een,
alles beheerschende invloed, maar toch ook weer niet de

eenige factor die doorslaggevend werkt. Stel, dat 1 ‘rankrijk

grootendeels, België geheel, van een annexatie-progran’r

afziet dan zal ook voor ons land de annexatie wel afge-
loopen, zijn en Nederland ‘zich niet eens behoeven af te
vragen, of de bezwaren aanvaard, mogen worden, die

kunnen volgen uit de tegenstelling: ons land mét veroverd
gebied, tegenover bondgenoo.ten waar deze toestand niet
bestaat. Doet zich het aan het begin van de vorige zin
veronderstelde voor, dan zal namelijk onze anneatie-
claim door de groote mogendheden wel niet in behandeling
gcnomen worden.

Hët blijkt, dat er in den ‘lande actie en studie is, die aan
de’ annexatie wordt gewijd. Indien deze zich allereerst
richt’ op het hiervoren genoemde probleem der bevolking
dan zal er o.i. groote verheldering komen in de nogal
systeemlooze be*eging, waardoor de tot dusver gehouden
openbare behandeling zich kenmerkte.

Rubriek 3 is door’ons genoemd: die van de practisch
economische overwegingen. Verrtiming van het Neder-

‘landsch grondgebied uit dezen hoofde heeft in moer dan
één opzicht iets aantrekkelijks. Levensruimte is vermeld.
Enkele schrijvers doen van voldoening blijkei, dat er
ruimere zeifvoorziening door te verkrijgen is. Als er op
gewezen wordt, dat meer dan een dérde van de Neder-

landsche behoeften door invoer werd gedekt geldt dit wel
als een uitspraak, dat het zôo eigenlijk niet hoorde.
Het’ potentieel van het gebied, dat voor annxatie is
aan)evolen, behoeft hier niet te worden genoemd. Trouwens
schrijver dezes gelooft niet, dat het een vereischte is, noch
dat er mogelijkheid bestaat, het onderzoek daarvan in
volmaakte nauwkeurigheid uit te voeren. Wij zullen met
het gebied, dat wij eventueel overnemen wat grond en
opstal betreft geen kat
in
cle zak binnenhalen. He,t land-
schap is ons niet vreemd, als,bijvoorbeeld het binnenland
van Tibet, de bouwwerken zijn veelal kapot, dat weten we.
Onder de gronciWaarden zijn – behalve het boerenland –
te noemen kolen, misschien eenige mineralen, kali, zout, uitgebreide houtopstanden,. natuu’steen.

Er zij hier nog verwezen naar eenige, opmerkingen, die
schrijver dezes_heeft gemaakt in cle brochure. ,,Op Wëg
naar Geleide Economie”
3)
blz. 62 waar is gezegd: ,,Bij
toevoegingen in dezen zin gaat het echter niet alleen om
de vervanging van een direct aanwijsbaar vernietigd be-
standdeel van ons volksvermogen door een onbeschadigd bezit, nu no4 gelegen binnen de grenzen van het Duitsche
Rijk. Het moet ook worden gezien als een maati’egel
waarmee verkregen wordt: a. verruiming van de staats-
inkomsten zonder vergrooting van de schuldenlast en

b. verbetering van de behoeftevoorzieningen (voort-
brenging en afzet) in het nieuw begrensde binnenland,
het een zoowel als het andere noodig geworden door de
verstoring, die de Duitsche agressie in onze financieele
en economische positie heeft gebracht”.

‘) N.V. A. Oosthoek’s ‘Uitgevers Mij., Utrecht 1945.

76′ .

ECONOMISCH-STATISTISCJIE BERIdÏ-ITEN

15 Augustus 1945
1

Vergrooting van het Nederlandsch grondgebied betee-

kent uitbreiding van het gebied warover zich de Neder-

kindsche staatsschuld en de circulatie van Nederlandsch
hankpapier uitplooit. Men gaat niet annexeeren om
zwe-
vende koopkracht onderdak te brengen, maar het geld –
zoowel als het schuldprobleem – lijkt vergemakkelijkt als

het Nederlandsche verkeersgebied grooter wordt. Ook het

,,llinterland” – belang van Rotterdam en Amsterdam –

wordt misschien gunstiger gesteld, wanneer een grooter

‘gedeelte daarvan binnen ,de Nederlandsche landspalen

komt te liggen en aldus eenig voormalig Duitsch gebied

onttrokken wordt aan, het economische regiem dat in
Duitschiand in de toekomst haat gelden.
De oorlog heeft het merkwaardig verloop gehad, dat

door Nederktnd tenslotte niet meer met een land-

macht is meegevochten voor het verslaan van Duitsch-

land. Indien een Nederlandsch leger mee Duitshland

ingetrokken ware, zelfs indien Nederland thaiis in ruime

mate deelnam aan de bèzetting van het oostelijk van onze

grenzen gelegen Duitsche gebied, zou ons -volk zeker
,

fanatieker tegenover de annexatiegedachte staan, althans

zou ,,Nederlands Geestesmerk” terzakb van annexatie

minder het beeld van wezens-vreemdheid vertoonen dan
nu het geYal is.

Maar de plicht van Nederland tegenover hetgeen nog

zal kunnen blijken onoritwijkbaar te zijn, is daarmee
geen andere.
Dr. G. E. HUFFNAGEL.

DE TECHNISCH-WETENSCHAPPELIJKE

ACHTERSTAND.’)

De vraag, of Nederland dooi den oorlog in technisch-
wetenschappelijk opzicht bij het buitenland ten achter ge-

raakt is, laat zich in zijn algemeenheid nog niet beant-

woorden. De toestand, waarin de Nederlandsche industrie,

me’de tengevolge van het weghalen van menschen en
machines, geraakt is, stemt in dit opzicht niet hoopvol.

Iovendien hebben wij van de ontwikkelingen in het buiten-

land nog maar enkele leeren kennen. Verreweg het grootste
gedeelté van de vindingen in oorlogstijd gedaan, iyordt
nog ‘geheim gehouden, zoodat het voorspellen van de

waarde daarvan in de na-oorlog-periode,niet mogelijk is.

Men kau aus niet anuers dan een oppervlakkig en sterk
subjectief getint beeld verwachtsn.
Flet toegepast wetenschappelijk onderzoek is in bijna

alle oorlogvoerende landen sterk toegenomen. Men heeft
de laboratoria zoowel der universiteiten als van de in-
dustrie op groote schaal- uitgebreid en de laboratorium-
werkers van militairen dienst’ vrijgesteld. I-lun aantal is

belangrijk toegenomen terwijl de regeeringen, een groot
deel van de kosten van het onderzoek op zich genomen
hebben. Dit behoeft ons niet te verwonderen. Telkens
wanneer een volk zich plotseling voôr groote moeilijkheden
geplaatst ziet, die zijn bestaan bedreigen, heeft het beroep op de wetenschap gedaan, in de hoop, dat deze een oplos-
sing zal weten te geven
J
n den vorigen oorlog is dat op
groote schaal gebeurd. Men heeft het in IRusland gedaan,
toen geweldige jroblemen, die na de oorlog en de revolutie
dat land aan den rand van den afgrond’brachten, opgelost

moesten wordn. Men deed het bij het begin van dezen
oor.log weer. Overal heeft men wetenschappelijke organi-
saties in het leven geroepen om alle laboratoriumactiviteit
in dienst van de oorlogvoering te stellen. Piet meer funda-

menteele onderzoek heeft men voorloopig laten rusten.
De problefnen, die men heeft aangepakt, laten zich in
groote trekken in drie groepen verdeelen.

het ontwerpen van nieuwe hulpmiddelen
voor tte
ooilogvoering
zelf.

het vinden van nieuwe
n’erkviJzen
om aan de vraag

‘)
Dit artikel is op verzoek van de redactie geschreven ton
behoeve van het Oriënteeriugsnumrncr der E.-S.B. De beperkte
omvang van het blad beet t de plaatsing vertrsagd.

naar snelle levering van groote hoeveelheden . materiaal te kunnen voldoen.
het produceeren van nieuwe
materialen,
die kunnen
dienen om de in vredestijd gebruikte te vervangen, wan-
neer de aanvoer daarvan tengevolge van de oorlogvoering

niet meer, of niet meer in voldoende mate, mogelijk i.

Al meestal werd daarbij gebruik gemaakt van wetenschap,
die reeds in vredestijd was verkregen. Onder’ de pressie

van den oorlog werd echter de ontwikkeling in hooge mate
versneld.

Bespreken we eerst den gang van zaken in de oorlog-

voerende landen. De oorlog zelf is een groot technisch-

wetenschappelijk probleem gewôrden. 1 let tijdig lunn.en.
beschikken over nieuwe wapenen of over afweermiddelen

teien de aanvalswapenen van den vijnd, bepaalt voor een

belangrijk gedeelte het succes of wansucces van de onder-
neming. Wie technisch vooraan staat,’ heeft de beste kans.

Enkele van de belangrijkste nieuwe ontwikkelingen zijn

reeds tot ons doorgedrongen. Ik zal van iedere groep enkele voorbeelden kort bespreken.

Het schroeflooze vliegtuig, waarmede snelheden

bereikt kunnen worden van ongeveer 1.000 1cm pel’ uur.
Hierbij wordt gebruik gemaakt van een straal van ver-
brandingsgassen, die met groote snelheid het vliegtuig
aan- de achterzijde verlaat. Door de reactie wordt dit zelf

in tegengestelde richtink voortgestuwd. Op hetzelfde

principe bçrusten ook de raketten, die door de ‘lphoons werden afgeschoten en de V”s en V’s. Ongetwijfeld zal

van de hiermee verkregen inzichten na den oorlog gebruik gemaakt worden.
De apparaten voor het bepalen van de plaats en snelheid

van vliegtuigen. In den vorigen oorlog had men hiervoor
optische apparaten uitgewerkt. Deze laten ons echter in
de steek, wanneer door de bewolking het vliegtuig aan

het gezicht onttrokken is. Nu heeft men daarvoor nieuwe

apparaten uitgewerkt analoog aan die, welke bij het weten-
schappelijk radio-onderzoek gebruikt werden. Zij be-
rusten op de terugkaatsing van radiogolven door het

vliegtuig en zijn even effectief bij bedekten als bij helderen

hemel. Men heeft echter ook deze localisatie-methode,

weer weten onwerkzaam te maken, hijv. door het uit-
werpen van de bekende’aluminium strookjes. Ivlen heeft in.

de bommenwerpers televisie-methodes –
gebruikt om door het wolkendek heen een, zij het dan ook
grof, beeld te krijgen van de stad of de streek, waarboven

men vliegt, zoodat men in nacht en mist toch zijn doeï
kan vinden.

Voor de bestrijding der onderzeehooten heeft men toe-
stellen gemaakt om deze met zekerheid te kunnen op-
sporen. –

Het is wel waarschijnlijk, dat althans enkele van deze
apparaten ook in vredestijd een toepassing zullen vinden
en dan belangrijk bij zullen dragen tot de vergrooting
van de betrouwbaarheid en. de veiligheid van lucht- en
scheepvaart.

Van de nieuwe werkwijzen roem ik den bouw der
,,l. ihert “-shepen. Men weet, dat deze schepen in ge-deelten.. worden klaar gemaakt en dat daarbij op veel

grooter schaal ,dan in het verleden gelascht wordt. Ten-lotte worden de stukken tot een geheel vereenigd. 7eo-
doende gelukt het in zeer korten tijd standaardschepen te
bouwen. De tijd, die verloopt tllsschen hetleggen van de
kiel en het zeegat kiezen, kan van de orde van een week
zijn. Of men deze weikwijze ook in vredestijd zal kunnen
gebruiken, wanneer aan schepen voor verschillende dien-
sten speciale eisehen worden gesteld, is niet zeker. Dat zij
na den oorlog den scheepsbouw op.één of andere wijie
zal beïnvloeden, is ieer waarschijnlijk. Een ander voorbeeld is de benzine-distributie. Vanaf d, westkust van Engeland, waar de tankschepen aankomen,
heeft men door geheel Engeland een biiizennet gelegd
om benzine en andere vloeibare brandstoffen ober het
land t@ distribuecren. Deze leiding ‘gaat ook onder het

15 Augustus .1945

ECONOMISCH-STATIS’tISCHE BERICHTEN

7
,
7

Kanaal door”naar het continent om daar de Ieges. dicht

achter het front, van benzine te voorzien. Het leggen van

deze leidingen geschiedt zeer snel. Het terrein werd geëffend

met bulldozers, waarna de pijpen met zeer eenvoudige

koppelingen aan elkaar wrden verbonden. Door com-

pressoren wordt de benzine onder Vrij hoogeri druk door

het buizennet gestuwd. Of dit distributiesysteem ook

na den oorlog gehandhaafd zl worden, is niet bekend.

Het zal ongetwijfeld een invloed uitoefenen op de dan te

1
gebruiken methoden. /

c. Totde derde groep van activiteit behoort de fabricage

van materialen als synthetische
1
benzine, synthetische

rubber en andere plastische stoffen, van kunstvezels, enz.
In de oorlogvoerende landen heeft men zich gedeeltelijk,

reds gedurende de oorlogsvoorbereiding op groote schaal

op deze problemen toegelegd. Het kan zeer wel zijn, dat

enkele van deze producten oök na den oorlog op groote schaal gebruiki zullen worden. De meeste zullen ecliter
evenals na den vorigen oorlog spoedig weer verdwijnen.

Vestigen wij nu onze aandacht op het bezette Neder-

ladd. Iedere activiteit op het onder a. aangegeven gebied

was uit den
aard
der zaak uitgesloten. De kennis, die

enen in 1940 bezat, heeft men zorgvuldig vergeten en eenig
onderzoek in deze richting is waarschijnlijk niet verricht.
Wij kunnèn er alleen maar onze spijt over uitdrukken,
dat het ons niet gegeven geweest is op dit gebied eenige
positieve bijdrage tot de zaak der geallieerden te leveren.
Iets anders ligt het op de gebieden b. en c. Veel aan-
leiding om nieuwe methoden voor het snel fabriceeren
van bepaalde producten te ontwikkelen bestond er niet.
Over het algemeen is de pro ductiesnelheid gedurende de
oorlogsjaren belangrijk gezakt. Elke stimulans om deze
op te voeren ontbrak.
Door het gebrek aan allerlei grondstoffen heeft men
wel op allerlei gebied uit moeten zien naar vervangings-
materialen. Men is daarmede echter laat begonnen, omdat
voor ons de noodzaak daartoe vÔôr den oorlog niet bestond.
Deze deed zich eerst voor, toen materiaalgebrek optrad.
Door bemiddeling van de organisatie voor toegepast
natuur-wetenschappelijk onderzoek zijn een aantal onder-
zoekingen ter wille van de industrie verricht. Of hieruit
nieuwe producten van blijvende waarde te voorschijn
zijn gekomen, is niet bekend. Ongetwijfeld zullen iij ertoe
bijgedragen hebbn om het toegepast wetenschappelijk
onderzoek meer populair .te maken.

In groot trekken kan men wel zeggen:

Nederland heeft door de bezetting een stuk industrieele
ontwikkeling gemist. De machtige stimulans, die de oorlog-
voering in andere landen gegeven heeft, is aan ons voorbij-
gegaan. Foch heeft men hier te lanr.e niet geheel stil ge-
zeten. Wij hebben nl. één geluk gehad. Na dé bezetting
heeft men de Nederlandsche laboratoria voorloopig met
rust gelaten, zoodat men kon doorwerken aan het pro-‘
gramma, waarmede men v66r den oorlog bezig was. Het
is mij bekend, dat enkele van deze onderzoekingen zeer
belangrijke resultaten hebben opgeleverd, waarvan Neder-
land na den oorlog de vruchten zal plukken.
Bij het onderzoek ‘moest men voortdurend op zijn
hoede zijn, dat geen gegevens in verkeerde handen raakten. Geheel gereed is men daardoor- niet. Het is daarom van het
grootste belang, dat deze onderzoekingen nu met kracht
worden voortgezet en dat ook van regeeringszijde alle
medewerking wordt verleend, dat niet door gebrek aan
kolen, gas en electriciteit, of door het weghalen d,r onder-
zoekers voor militairen dienst of andere werkkringen, dit
eenige voordeel nog verloren gaat.
Ziet op het oogenblik onze positie er dus allesbehalve
rooskleurig’uit, ook de nabije toekomst is vol onzekere

factoren.
Het schijnt, dat in de oorlogvorende landen vele,
die uit het meer fundamenteele onderzoek naar het toege-
past wetenschappelijk onderzoek zijn overgegaan, niet

weer tot hun vroegere bezigheid’ zullen terugkeeren.

Daardoor zullen meer bijzonder goed onderlegde kfachten
in de industrie werkzaam zijn dan in het ”erleden.

De regeeringen schijnen in de resultaten van het toege-
past wetenschappelijk onderzoek geïntéresseerd te blijven –

en zullen ook de subsidieering daarvan blijveri voo”t-

zetten. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag, dat slechts

de beste bewapening een ,behoorlijke garantie voor éen

langdurigen vrede biedt. Men kan dus een groote blijvende,
activiteit op technisch-wetenschappelijk gebied verwachten,

althans in de Angelsaksische.landen Daarbij komt natuur-

lijk, dat men in vele industrieën gedurende den oorlog

ontdekt heeft, hoeveel systematisch wetenschappelijk –
onderzoek kan bijdragen tot het maken van betere
producten: Vele fabrieken hebben zich in de laatste jaren

een

instrumentarium aangeschaft, waar zij vroeger niet

over gedacht zouden hebbei. Zij zijn, zoowel met peroneél

als met hulpmiddelen, beter uitgerust dan ooit te voren.
In dit opzicht komen wij in Nederland ook tea achter.

Door de sluiting der universiteiten en hoogescholen, zullen

ei- gedurende enkele jaren slechts een gering aantal jonge
krachten ter beschikking komen. Bovendien zal Indië

daarvan een belangrijken percentage opeischen.

Al deze factoren zullen er toe bijdragen den economischen

strijd met het buitenland te bemoeilijken, tenzij men tijdig
tot de conclusie komt; dat wij ons
nu
in een noodtoestand
bevinden, minstens even ernstig als in de oorlogvoerende
landen bij-het begin van den oorlog.Nu is de tijd gekomen

om van alle in Nederland aanwezige kennis en wetenschap
gebruik te maken om er zoo spoedig mogelijk weer boven
op te komen. Men wachte daarmee niet te lang. Men neme
hier
nu die maatregelen om den vrede te winnen, die men
in andere landen genomen heeft om den oorlog tot een goed
einde te brengen.

G. HOLST.

DE IDENTITEIT VAN BELANGEN.)-

Wederom bevindt de samenleving zich aan het begin
eenér vredesaera, en wederom staan – indien de voor-
‘teekenen niet bedriegen – nationale en internationale
belangentegenstellingen gereed om spanningen te veroor-,

zaken, die het staatkundig ,n economisch beleid dezer
nieuwe periode bijzonder zwaar op de proef zullen, stellen.
1

let is derhalve gewenscht een nuchteren en critischen blik

te werpen op de maatschappelijke tegenstellingen, die in het
verleden.herhaaldelijk politieke of staatkundige conflicten
– teweeg hebben gebracht, omdat het uit den weg ruimen
van dergelijke tegenstellingen, zooals vanzelf spreekt,
alleen mogelijk• is, wanneer omtrent de oorzaak dezer
wrijvingen practische overeenstemming bereikt wordt. De
universeele belangengemeenschap, de ,,identity of inte-
rests”, dior Gerretsôn
2)
op zoo’n meesterlijke wijzé ge-
schetst als het ,,utilitaristisch kooplieden geloof”, worte-
lende in ,,de overtuiging, dat in een vrije maatschappij,
gegrond op natuurlijk recht en algemeen welzijn, indivi-
dueele winzucht en collectieve welvaart moeder en dochter
zijn”, geldt niet alleen voor kooplieden, maar evenzeer
voor alle andere maatschappelijke factoren. Rousseau.
3
)
is bijna twee eeuwen geleden vermoedelijk reeds door deze
universeele belangengemeenschap geïnspireerd, toen hij
één zijner vermaarde publicaties aanving met de woorden:
,,l’homme est né libre et partout ii est dans les fers”. ‘ –
De regelmaat der staatkundige conflicten en oorlogen

bewijst echter, dat de practijk van het dagelijksche leven
nog niet vôldoende doordrongen is van de onzichtbare maar
desniettemin onverbrekelijke ketenen, welke het kaleidos-
copische -complex der ontelbare particuliere, semi-off i-

cieele en officieele belangn tot een
S
unierseel
complex

‘)
Dit artikel is op verzoek van de redactie geschreven tdn
behoeve van het Oritrteeringsiiummcr der ,,Econoniisch-Statistische
Berichten”. De beperkte omvang van het blad heeft de plaatsing
vertraagd.
‘) Dr. C. Gerretson: Geschiedenis der Koninklijke.
‘) J. J. Rousseau: du Contrat SOcial.

78

,•

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN –

15 Augustus 1945

aaneenklinken. Het besef, dat individuen zoowel als

volkeren steeds -hechter •aan elkaar’ zijn verbonden,

naarmate wetenschap en techniek – èn in letterlijken èn in figuurlijken zin – de ,,afstanden” overwinnen, breekt

weliswaar baan, maar tot dusverre is dit begrip nog niet

tot in zijn uiterste consequenties aanvaard, zoodat in de
practijk van het dagelijk’che leven dit besef niet tot zijn

recht komt. ‘ . . ‘

individu, belangengroep en collectiviteit worden ‘ook
heden ten dage in de allereerste plaats gedreven door
het beperkte eigenbelang, terwijl het wij dere algemeene of

universeele belang hoogtens een secundaire plaats in-

neemt. De ervaring bewijst, dat de ontwikkeling van het
particuliere belang, afgezien van het steeds wisselende
economische getij, met oorlog en vernietiging gepaard

gaat. Hieruit volgt logischerwijze, dat het particuliere

belang in zijn maatschappelijke plichten te kort schiet,

zoolang het niet bij machte is zijli doeleinden te bereiken

in duurzame harmonie met het algemeeneof universeele

belang. De ijzeren wet der identiteit van belangenl is

weliswaar vrijwel onzichtbaar wijl zij, niet door alleHei

conventies is afgebakend, maar desniettemin functionneert

zij met onverbiddelijke kracht. In nationaal verband
wordt de binnenlandsche disharmonie, al gevolgan

het complex inheemsche belastingentegenstellingen,

weerspiegeld .door de voortdurende politieke cries,
terwijl in universeel opzicht de -verschillende nationale

belangentegenstellingen aanschouwd kunnen worden in het

weinig verheffende schouvspel der internationale politiek,
dat geregeld internationale drama’s ten toonéele brengt.

Bijz’onder gemakkelijk en verleidelijk is, het, de

schuld der nationale en internationale politieke con-
flicten te wijten aan madehiavellisme of politieke
kortzichtigheid van staatslieden, diplomaten, pluto-

craten, militairen of andere maatschappelijke groeien;
het spreekt echter vanzelf,- dat op een dergelijke

simplistische wijze de maatschappelijke spanningen nim-
mer uit de wereld worden geholpen. .Daarvoor ,is in de
a’lereerste plaats zelfkennis en zelfanalyse vereischt.
Wanneer elkeen zich bijv. zou afvragen: watheb ik in

den loop der jaren verricht ten bate van de universeele
harmonie en vrede, of: wat heb ik gedaan ter ver zachting

der nationale en internationale spanningen, dan zal

et’nstige en objectieve analyse,
in liet algen?een gesproken,
tot de conclusie moeten leiden, dat men bij het na-
streven van eigen belang , onverschillig of het daarbij
gaat
om
het belang van een zaak, onderneming, groép of

partij, direct of indirect medewerkt aan het ontstaan van
maatschappelijke spanningen. Ondernemers, ondernemin.
gen, belangengroepen, politieke partijen e:d. kunnen –
krachtens de wonderlijke identiteit van belangen –

welvaart, voorspoed of invloed’ veelal slechts bereiken ten
koste van anderen; deze factorin plegen niet evenals
-manna uit den hemel te vallen, zij worden, gelijk al het

materieele, geproduceei-d door de geestkracht der belang-
hebbenden, en deze productie kan alleen op harmonische
en vreedzame wijze geschieden, als die geestkracht tge-
lijkertijd gebonden wordt door de zedelijke normen
van het leven. ‘
Practisch uitgedrukt beteekent zulks, dat de renda-
biliteit van het particuliere belang eerst duurzame betee-
kenis verkrijgt, als zij gepaard gaat met universeele
.tabiliteit, welke in wezen afhankelijk is van de
ggee,stelijke en zedelijke ontwikkeling der maatschappij.
Het particuliere en het universeele belang loopen derhalve alleen parallel, als de menschen – individueel en gezamen-
lijk— naast hun aangeboren egoïsme, tevens het univer-
seele belang trachten te dienen. Menigeen zal zich hij het
lezen dezer gedachten met verbazing afvragen, of beharti-
ging van het particulier belang niet automatisch gepaard
gaat met verzorging van het algemeen belang. Het antwoord

op deze vraag luidt echter ontkennend, indien men het
geheel
niet alleen uit stoffelijk, maar eveneens uit zedelijk

of moreel oogpunt beschouwt. Want het eigen belang in

den ruimsten zin des woords bedoeld) junctionneert in
strijd met het unii.erseele belang,’ als het spanningen

veroorzaakt, welke de maatschppelijke harmonie in gevaar

brengen. in deze fundamenteele tegenstrijdigheid . dei

belangen schuilt o.i. de kern vanvelerlei maatschappelijke

conflicten. De twee. wereldoorlogen dezer eeuw bewijzen,

dat de ontwikkeling der beschaving in ,Joofdzaak uiter:.

lijken, d.w. z. materieelen vociruitgang heeft ebracht;

het ontbreekt de beschaving vooralsnog aan de zedelijke
kracht, welke innerlijken vooruitgang teweegbrengt.

Uiterlijke èn innerlijke maatschappelijke vooruit-

gang had zich in de twintigste eeuw der christelijke b-

schaving zonder wereldoorlogen en wereidvernietiging

moeten voltrekken. Èn–aangezien een dergelijke ‘vreed-

zame gang van zaken niet mogelijk is gebleken, ligt de

conclusie voor de hand, dat de verbazingwekkende weten-

schappelijke en mechanische productie de elementaie

zedelijke of morèele factoren, dus ‘ook de identiteit vn

‘belangeii, al te zeer heeft verwaarloosd. Als gevolg hierv’n

is de samenleving ondanks allerléi maatschappelij1e
tradities, conventies en institutioneele constructies –

doemd periodiek het slachtoffer te worden harer innerlijke
zedelijke of moreele voosheid. De staatkundige ontwikké-

ling voltrekt zich in. de volgende phasen vrede – ontspn-

ning— conflict – oorlog—wapenstilstand —vrede – oit-

spanning, en vervolgens wederorn spanning enz. ei’z.

Het is aan geen twijfel onderhevig ,dat’ dit po1itike ‘getij, en hetzelfde geldt; i’nutatis mutandis, voor de
economische golven, alléén binnen harmonische en vreed-

zame kanalen geleid kan worden door de geestelijke en
zedelijke krachten der maatschappij. Wanneer
deze
krach-
•ten eindelijk in staat zouden zijn de verschillende confessio-neele, politieke, economische en sociale factoren der samn-

leving tot werkelijke, d.w.z.
innerlijke
samenwerking}jte
bewegen, is de mogelijkheid geschapen de lang verbeide

maatschappelijke harmonie te verwezenlijken.
11
Blijft de maatschappij daarentegen in de toekomst,
evenals’ in het verleden, voortbouwen op het drijfzand v’an
belangentegenstellingen, clie met den groei en de ontwik-

keling der bevolkingen tot steeds omvangrijker, machtier

en invioedrijker ,,institutioneele” tegenstellingen leidén,
dan zullen de komende generaties rond blijven draaien’ in

den vicieusen politieken en economischen cirkelgang van;
oorlog – vrede en welvaart —- werkloosheid. Dan’ is
echter tegelijkertijd bewezen,’ dat de maatschapij
ondanks haar phenomenale wetenschappelijke en tech-
nische prestaties, de wonderlijke creatie niet waard.ig is,
die in den loop der eeuwen van plaatselijke, via natioiale
en internationale, tot universeele identiteit van belangen
heeft gevoerd.
De bovenbedoelde maatschappelijke antithese tusschen
het eigen- en het universeele belang kan alleén uit den eg
geruimd worden door een geestelijke en iedelijke s ntliese
der “duizend en een” tegenstrijdigheden,’ welke het indi-
vidu krachtens z’n geestelijk dualisme automatisch
in het leven ropt. En aangezien een zod.anige ge4te-
lijke en zedelijke verbinding slechts mogelijk is al de
samenleving grootendeels wordt geléid door het modilijk
te vertalen
1
begrip ,,public spii’it”, zal er nog véél, heel

véCI, moeten gebeuren, alvorens de ‘n’iaatschappelijke
harmonie het duurzame karakter verkrijgt dat vooreen
waarachtige vrede onontbeerlijk is.
E. HENNY.

.0

15 Augus’us 1945

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

79

STATISTIEKEN

DE NEDERLANDSCIIE BANK.

(Voornaamste posten lii dulzanden guldens)


Binnent. wissels

Data

Munt,
muntrnate-
riaal en
deviezen ‘)

open marhipapier,
beleentngen, voor-
schotten al h Rijk
en diverse
rekeningen_’)

Totaal

1
activa

Totaai

schziLdlen

13
Aug.
’45 5.201.385
188.961
5.475.708
4.995107.3
6

,,

’45
5.201.602
409.626
5.696.597
5.215.4277
30 Juli

’45
5.201.741
479.183 5.766.297
5.285i6h.
23

,,

’45 5.201.574 531.318 5.818.265
5..3371112
56

,,

’45 5.201.574 675.713 5.963.160
1..482.8776;
9

,,

’45
.

5.205.645 755.510
6.043.040
51562.929′
2

-,,

’45
5.201.606
786.387
6.073.902
5594.655
25
Juni
’45
5.419.890
509.896
6.015.696
5.7.47.009′
18

,,

’45
5.419.929
532.377
6.038.219
5,7651462:
11

’45
,,
5.419.908
569.447
6.075.27S,
1

5.806.693.
4

,,

’45
5.419 811
878.246 6.383.977 6.115.294
28
Mei

’45
5.419.745 928.433
6.434.098
1

6.165.435
6
Mei

’40
‘1.573.319
248.256
1.474.306
11

1.424.016.

Data
Bankbi1et- tea in om-
loop

‘Saldi
in
R/C

Banhassig-
natiën es,
diders
rehenissp.n

Sa(dpu’Rijh
RIl

(D/C)

Schatkist-
papier
reetstr.
on
jscl.er-
gebracht

13
Aug.
’45 2.858.039 2.136.944
14847
C. 802.8161 18.000
6

,,

’45 3.086.507 2.127.047 150.755
C. 360.1331
239.000
30 Juli

’45
3.447.841
1.837.298
148.876
C. 230.1421
318.000
23

,,

’45
4.005.187 1.331.185
149.609
C. 108.5671
361.000
16

,,

’45 4.676.466 806.320
148.160
C. 139.4871
509.000
9

,,

45
4.901.351
661.465 147.985
C.

148.2331

595.000
2

,,

’45
4.960.365
634.111
147.168
C.

105.1301
592.000′
25
Juni
’45
4.997.821
746.336
148.582
C. 231.5651
309.000′
18

’45 5.070.985
695.719
148.557
C. 202.3001
369.000′
11

,,

’45
5.163.075 638.878
150.384
C.

105.081j
404.000′
4

,,

’45
5.263.855
848.763 148.423
C. 367.156
724.000′ 28 Mei

’45
5.353.721
809.033
148.412
C. 246.104!
769.000′
6
Mei

’40 1.158.613
255.574
10.230
C.

22.9621

‘) De psten CoIresponde1lten In het buitenland” en ,,Buiter’-
,landsche betaalmiddelen (cxci. pasmunt)”, voorheen begrepen in de ,Diverse rekeningen”, zijn van
5
Juli
1943
at opgenomen ofldCr de
buitenlandsche portefeuille, in ohzen staat samengevat als ,,deviezcfl”

L

U
bent goed gedocumenteerd
….!

wanneer U een documentatiekartsysteem van
den C.D B. hebt, U vindt’daarin tot op de blad-
zijde nauwkeurig verwijzingen naar de literatuur
welke U voor elk probleem der interne bedrijis.
organisatie kunt raadplegen.

Vraagt uitvoerIge inlichtingen

C’entrale

flocumentatiedienst iniake Bedtijtsorganisatie

‘N.V.,

Heerengracht 289- Amsterdam-C. – Tel. (K 2900) 3261

L i

., SCHRIFTELIJkE CURSUS

VOOR MODERNE

BIBRINADMINISTRATIE

Îeidf op
voor het examen moderne bedrijfsadministratie
Behandelt o.a.
administratieve organisatie, de rekeningstelsefs,
voor- en nacalculatie, standaardkosten en budgetteerir,g,
stelsels en loonadministratie, bedrijfsstatist,ek, toepassingen in
verschillende bedrijven –
Biedt
uitstekend verzorgde lessen
en beschrijvingen, uitvoerige en gedegen correctie van de

uitgewerkte ‘vraagstukken, alle gewenschte voorlichting op
studiegebied – Beschikt
over
talrijke medewerkers uit de
praktijk van het bedrijfsleven – Verzorgt behalve den hoofd

cursus ook voorbereidende, aanvullende en re petitiecursusse
J.’rO8pectaes op aanvraag

1

ZIe voor deze rubriek ook pag. 2 Omslag.

Gepromoveefrd Jurist,

representatieve figuur, interoat. ervaring, gewend leidin.g
te geven in verantwoordelijke, ambtelijke functie, zoekt
overeenkomstigen werkkring
in.
bedrijfsleven. Br. No. K 6553
Adv. Bur. ALTA, Utrecht.

Pro
motor ‘

zoekt flinke fabriek pref nabij Den Haag of R’dam en’,
groot Octrooibureau. Disc. verz. Brieven onder motto
,,Promotor”, aan Advertewtiebureau ,,Die Haghe”, Plein 11,
Den Haag.

A’ccountant,
lid N.I.V.A., acadèrn.. opleiding, midden: dertiger jaren, ruime
ervaring om. op ac1lministratieforganisatorisch gebied
wenscht van werkkring ‘te veranderen en
zoekt in verband hiermede plaatsing op accountantskant)or of, ‘passende po-
sitie in het bedrijfsleven. Brieven ondler H.W. 356, Alg.,
Adv. Bur.A. de la’Mar Azn., Amstërclam C..

‘Wie helpt ons aan een ‘PARALLEL-

SCHAAR voor platen tot 2 mm. dik,
in bruikleen,

huur of te koop’?’

N.V. IKoninklijke Metaalvc,dh fabrieken v/h

N. DAALDEROP & ZONEN, TIEL

r

0

,
Ondexlinge Oorlogsschade.

• •
S

Verekcring Maatschappij ii

LaanCopes v. (iattenbureh P
, -,
“s-(ravenhagO.

0

‘WIJ maken getroff en verzekerden erop attent dat
1

oorlogs. en bezettll’agsschaden

,

t’
éôr
28′ iIu1UtUM «.5.,

moeten ziJn
aas,
gemeld bij do Piaatwelijke Schade-
Jcnquête.Con,nI’ ssies

Wilt U de schade ook véér
dies t
datum aan ons opgeven?

HT

f

NANC 1EELE DAGBLAD.:

‘voorheen’
Amsterdamsch Effectenbkzd en
Daj 7elijk,sche
Beurscourant

geeft voorlichting overde nieuwe maatregelen

• het bedrijfsleven • effecten en coupons
• geld en deviezen • uitlotingen
• belastingen eic.

– Abonnemonlp,r
kwart. f9..-. Nl.
Vosrburgwal
2.A’daa,
C. .101.30515- 36113- 43599

VILN
DIJK
&Co.

EEND! tACHTSWEG 11 – ROTTERDAM

Makelaa±s èn Comrnissior nairs in Effecten

Effecten – Coupons Ve rmogensbeheer

Telefoon 20845
‘-
21 889

40631

Beurs Nis 6′

– – Telefoon 24178 • –

24378

n.

T,

15 AUGUSTUS 1945

HAv
BANK SCÉIEDAM

Leveiisverzekei’ ing en
Lijf
renz
L
e

HERSTEL EN VERN!EUWING

NEDERLANDSCHE

HANDEL-MAATSCHAPPiJ,
NV.
Uw RAADSMAN
en
BANKIER

GRAANFACTORY

EXPEDITIE

BEVRACI-1TING

OP- EN OVERSLAG

LADING .CONTROLE

BEMONSTERING

Pit
,
e

rilon”

HAVENBDWJf

L

ERDAM

72872

BUS 893

~

SLUITER

R ADtIINISTRMIE
ÈN
BEDRIJFSORGANISATIE

• . .
kan U goede diensten bewijzen

bij
den opbouw van de adminifra-

tieve organisatie van Uw bedrijf.’
Singel 194 Amsterdam (C) Tel. 45912

‘De Aimoullende R3ranc/po/is

ii

Ee
,,/ssumij
0an
1896′ A.D.

1
1-
1
rciuenhcsge

‘t
Glas voor


BOUWVARKEN

• SCHEEPVAART


INDUSTRIE

• R E C L A M t


HUNSTNUVERHEID

levert

Olashidustrie

Pîeterrnan/

Westvest
17

Schiedam
R’dam: Schied. Singet 46
Nieuwe Binnenweg 309

UW TOEKOMST IS VEILIG met een polis
van
de

ALGEMEENE FRIESCHE

LEVENS VERZEKERING MIJ.

6f de

GROOT-NOORDHOLLANDSCHE

VAN
1845

LEEUWARDEN (Burmaniahuis) AMSTERDAM (v. Brienenhuis)

N
.V. Louis ftobbclniaii

Rotterdam

KOFFIE

THEE•

• Hederlandsch Indische Handelsbank, N
.
V.

Amsterdam

Rotterdam

‘s-Gravenhage

Alle Bank- en Effectèniaken

J
uist
nu
bléden de Watson machines, behoorende tot het
Hoilerith-systeem, U de mogelijkheid op efficiênte
en snelle wijze dié administratieve voorlichting te geven, welk& voor
den wederopbouw van het Nederlandsche Bedrijfsleven noodeakelijk is.

Onze afdeeling Organisatie. in paraat om U een alleszins deskundig
advies omtrent do oplossing van Uw adn.inistratieve en organisatorische
problemen voor te leggerf”.

Het is mogelijk, zij het in beperkte mate, op korten t.rmijn weer
Watson machines (Hollerith-nysieem) te leveren.

W A ï S.O N”. Dedrijfsifiachine Maatschappij N
.
V.

Frederiksplein 34, Amsterdem .0

Tel. ere: 33406, 33656,
31856

N.V. Gebr. van Uden’s

Scheepvaart- en AÉentuur

Mîj.

Shipowners

Brokers

Rottèrdam

Amsterdam

Zaandam

Alle correspondentie betrellende advertenties, ge/leve U te richten aan Koninklijke Nederlandsche Boekdrukkerij H. A. M. Roelants,

Lange rHaven 141, Schiedam (Tel, 69300, toestel 6)

Druk Roelants,
Schic1daiii

Auteur