Ga direct naar de content

Jrg. 3, editie 128

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 12 1918

12 JUNI
191

AUTEURSRECHT VOORBEJ-IOUDEN

E

Berl”chten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET INSTITUUT VOOR ECONOMISCHE GESCHRIFTEN

3E JAARGANG

WOENSDAG 12 JUNI 1918

No. 128
1

INHOUD

BIz.
1
midden der vorige week hadden ingeslagen, werd
DE POSTCI-JEQUE EN GIRODIENST IN DE PRACTIJK
door
Mr. D.
Crena de longh

……………………..
513
Buitenlandsche vertegenwoordiging van Noorwegen en
Zweden door
L. Lacornbié ……………………
515
De levensvatbaarheid eener toekomstige Zoutmijnindustrie
in Nederland door
Ir.
J. W. Scher•re ..
.
……………
AANTEEKENINCEN:
Uitvoerverbod van bankbiljetten in Zwitserland ……
521 Financièele en monetaire maatregelen in Spanje ……
521
De Depositorente der Engelsche clearing banks in ver

band met de financiering van den oorlog ……….
522
Maatregelen in Frankrijk tegen kapitaal-export en
effecteninvoer …………………………..
522
Organisatie van den uitvoer uit Oekraine …………
522
Binnenvaartafstanden in Centraal-Europa ………..
522
INGEZONDEN STUKKEN:
Wisselnoteeringen door
v. L.
met naschrift van
P. Bredins
523
OvERZIcHT VAN TIJDSCHRIFTEN
……………………
525
REGEERINGSMAATREGELEN OP HANDELSOBBIED
…………
526
MAANDCIJFERS:
Öntvangsten van Spoor- en Tramwegmaatschappijen..
526
Productie der Kolenmijnen ……………………
527
STATISTIEKEN EN
OvERzIcHTEN
………………
527-535
Geldkoersen.

Effectenbeurzen.
Wisselkoersen.

Goederenhandel. Bankstaten.

Verkeerswezen.

INSTITUUT –

VOOR ECONOMISCHE GESCHRIFTEN

Algemeen Secretaris: Mr. G. W. J. Bruins.
WEEKBLAD ECONOMISCH-$TATI$TI$CHE
BERICHTEN
SeoretarisRedacteur: G. E. Huffnagel.

Secretariaat: Pieter de Hooghweg 1, Rotterdam.
Telef. Nr. $000. Telegr.adres: Economisch Instituut.
Postcheque en girorekening Rotterdam No. 8.t08.

Abonnementsprijs voor het weekblad franco p. p.
in Nederland f 1e,—. Buitenland en Koloniën f 14,

per jaar. Losse nummers $0 cents.
Leden en donateurs van het Instituut ontvangen het
weekblad gratis.

De verdere publicaties van het Instituut uitgaande
ontvangen de abonné’s, leden en donateurs kosteloos,
voor zoover daaromtrent niet anders wordt beslist.
Advertentiën f 0,35 per regel. Plaatsing bij abonne-inent volgens tarief. Administratie van abonnementen
en advertenties: Nijgh c van Ditmar’s Uitgevers-
Maatschappij, Rotterdam, Amsterdam, ‘s- Grav enhage.
10 JUNI 1918.

De gldmarkt kenmerkte zich deze week weder door

buitengewoiie stilte. De twee laatste dagen der week

kwam er in prolongatie zelfs in het geheel geen

noteering tot stand en ook in wissels tot particulier

disconto ging weinig of niets om. De enkele wissels

welke aangeboden werden, vonden tôt 21
4
püt. soms

ook tot 2/ pOt. gemakkelijk plaatsing. De prolongatie
rente was aanvankelijk 31/4k daarna 3 pOt.

De dalende richting, die de wisselkoersen in het

deze week voortgezet. Vooral Maandag en Dinsdg

was de stemming zeer flauw. De volgende dagen

was aanvankelijk alleen Berlijn, daarna ook Londen,

Parijs en New-York iets beter. De grondtoon bleef

echter zwak, zoodat de week weder op het laagste

punt sloot.

DE POSTCHEQUE EN GIRODIENST IN DE

• PRACTIJK.

Nu de postchèque- en girodienst circa een halfjaar
functioneert, is het wel van belang eens na te gaan,
of deze dienst aan de verwachtingen beantwoordt, en
welke voor- en nadeelen in de practijk worden onder-
vonden. Men zie eerst hierachter •eenige cijfers.
In aanmerking genomen het feit, dat nu eenmaal
in ons land maatregelen als deze niet zoo gemakkelijk
ingang vinden, mogen deze cijfers wel bevredigend
geacht worden. In Duitschland, waar het postgiro-
verkeer in 1909 werd ingevoerd, bedroeg einde 1910 het aantal rekeninghouders slechts 5.000, thans is het
aantal rekeninghouders tot over 200.000 gestegen, dit
is dus 1 rekening op de 340 inwoners, tegen in Neder-
land nu reeds 1 rekening op de 677 inwoners. Wel
moge niet uit het oog verloren worden, dat in Neder-
land circa Y8 deel der rekeningen ten name van het
Rijk staat ingevolge opdracht van hoogerhand. Al
draagt deze deelneming dus niet een spontaan karakter,
toch mag hiervan als propagandamiddel veel verwacht
worden, indien althans de ambtenaren medewerken.
Dat dit niet steeds het geval is, bleek uit een geval, het-
welk mij werd medegedeeld, waarbij een ontvanger
der invoerrechten en
accijnzen
aan een zijner ,,cliën-
ten” mededeelde, dat zijne rekening slechts voor
interne aangelegenheden bestemd was en niet voor het gebruik van het publiek. Zeer zeker klein is het
aantal rekeningen ten name van gemeenten. Ook hier
zou het gemak van het giro bij het betalen van belas-tingen en schoolgelden een aanleiding tot het openen
eener rekening kunnen zijn, terwijl evenals bij hèt
Rijk de betaling van salarissen door middel van giro
zou kunnen geschieden. Hiermede komen wij reeds
direct aan een zwak punt van het nog jonge girostel-
sel, n.1. dat particulieren hunne postrekening hoofd-
zakelijk voor betalingen zullen gebruiken en weinig
stortingen zullen ontvangen, zoodat dus toch telkens
het tegoed in baar zal moeten worden aangevuld. Dit
komt tot uiting in de cijfers, immers tegen stortin-
gen van circa 1234 millioen werden slechts 1534 mii-
lioen overboekingen verricht. Wel hebben vele handel-
drijvenden eene rekening geopend, doch nog te weinig
particulieren. Indien eenmaal ambtenaren er aan ge-
wend zijn hunne salarissen per giro te ontvangen,
volgt het betalen per giro van rekeningen van zelf
en zal ook het gebruik van de chèques afnemen ten
gunste van het gebruik van het giro. De tegenwoor-
dige verhouding van circa 934 millioen tot 1534 mil-
lioen is zeker niet fraai. De nieuwe dienst bedoelt
het gebruik van contant geld te besparen en de uitbe-

514

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

12
Juni 1918

Aantal rekeninghouders
op ultO
Aantal rekeningen
op ultO
Saldo tegoed op ultO

Rekeningen ten name van:
Maart
1918
April
1918
Maart
1918
April
1918
Maart 1918 April 1918

1122
1411
3
1122
2
1412
3
4.727.763,5611
2

16.157,89
1
I1
7.200.212,95
99.951,38’12

Gemeenten

…………
.
131
160
139 168
96.356,80
143.822,99′
1
,

Het Rijk

…………….
Provinciën

………….
2

7
6
7
– –
Waterschappen

………
6
Anderen

…………..
.
7639

..

8008
8012
8386
4.959.980,55’1
5.404.855,73
1
!,

..8900
9589
9281
9976
9.800.258,81
1
!,
12.848.843,06′!

April

aantal

bedrag

Stortingen………………
28.724

f
12.491.152,62
Overschrijvingen …………
20.102

,, 15.548.144,16’i2
Afschrijvingen wegens chêques
22669

,,
9.446.418.01
‘1

taling op de chèques beantwoordt dus niet aan het
beoogde doel. Toch meen ik, dat het gebruik van
chèques als voorlooper van het giro-verkeer van zeer
veel belang is. Wel eigenaardig is het, dat juist over
het chèque-verkeer de meeste klachten inkomen. Uit
mededeelingen, welke mij werden gedaan, kan ik de
volgende telkens wederkeerende Idachten opsommen:
de chèques luiden aan toonder;
het advies komt steeds een dag te laat;
de kas van het postkantoor is vaak ontoereikend
tot de betaling;

.

1

de kas is voor chèque-uitbetalingen slechts tot
12 uur geopend, of zoolang het kantoor voor den post-
visseIdienst is opengesteld;
de termijn na afloop waarvan de chèque niet
meer, zonder lastige formaliteiten, betaald wordt, is te
kort (10 dagen);
de commissie voor trekkingen is te hoog.

Ad a. Het eerste bezwaar onderschrijf ik gaarne, de betaling per chèque heeft juist het voordeel, dat
zij veilig is. Stelt men de chèque aan toonder, dan is
deze veiligheid weer verloren. Waar zoowel bij post-
wissels als aangeteekende brieven de postambtenaren
zich hebben te overtuigen van de juistheid van de
handteekening, zie ik niet in, waarom tegen het
of
naam stellen van de chèque ernstige bezwaren zou’-den kunnen bestaan. De raad van de directie om het
advies eerst op te zenden, als men de ontvangsterken-
ning van de chèque gekregen heeft, is toch wel wat
al

te onpractisch. Een aantal vergeefsche pogingen van
den houder om de chèque geïncasseerd fe krijgen
maakt hem een vijand van den postdienst. Dit moge
oôk wel eens overwogen worden hij de bezwaren, onder
b, c, d
en e genoemd.
Ad
b.
Dit is werkelijk een algemeene klacht, waar-
aan echter moeilijk tegemoet te komen is, daar de
remittent de chècue gelijk stuurt met het advies en
dit laatste dan daarna door het betrokken postkantoor
moet worden doorgestuurd. Intusschen blijkt hier
vaak meer oponthoud voor te komen, dan strikt nood-zakelijk is. Een hulpmiddel hiertegen zou zijn het doen
fiatteeren der chèques. Echter verlieze men niet uit het
oog, dat het ehèque-verkeer zich eerst goed kan ont-
wikkelen, indien het vertrouwen in de chèciue zich
vestigt. Dit zal door een ruim gebruik zeer zeker ont-
staan, zoodat dan b.v. het afleveren van waren direct
na ontvangst van een chèque in het algemeen zal kun-
nen geschieden, zonder dat de aflader eerst zich heeft overtuigd of de chèque wel betaald wordt. Wettelijke
maatregelen, als b:v. het strafbaar stellen van afgiften
boven het tegoed, waren gewenscht. Het moge hier ver-
meld worden, dat over de intrekbaarheid van de
chèque niet gesproken wordt in de brochure over den
giro-dienst; de directie stelt zich blijkbaar op het
standpunt, dat de postchèque niet intrekbaar is. Waar
ik meen, dat de intrekbaarheid onzer chèques een der
nadeelen van het gebruik daarvan is, juich ik dit
standpunt zeer toe. Evenwel waag ik te betwijfelen of de motiveering er van, n.l., dat na ontvangst van
het advies de rekening van den trekker direct

wordt

gedebiteerd en deze daardoor de beschikking over het
bedrag der trekking zou hebben verloren, wel juridisch

juist is.
Ad
c.
Alen mag bedenken, dat de post zoo maar
niet op eenmaal bankier is, evenwel werden mij ge-
vallen genoemd, welke er op wezen, dat de kassen in
het algemeen te klein zijn en aanvulling langzaam
gaat, een verbetering hiervan is zeer gewenscht.

Ad
d.
Indien aan dit bezwaar werd tegemoet geko-men, zou dit zeker voor velen een groot gemak ople-
veren; vooral in de gevallen, waar men eerst zekerheid
wil hebben over liet al of niet betalen van de chèque,
moeten thans vele zaken op afdoening blijven wach-ten tot den volgenden dag.
Ad
c.
Inderdaad blijkt deze termijn te kort te zijn,
vooral in gevallen, dat de houder in een afgelegen

plaats woont.
Ad
f.
Dit bezwaar behandel ik later.
Thans overgaande tot den giro-dienst, noem ik de
volgende mij ter oore gekomen bedenkingen:

a.
liet aantal aangeslotenen is te gering;
5.
stortingen worden tegen betaling van 5 ct., indien
de begunstigde in een andere stad woont, aangenomen,
terwijl overboeking in dit geval
Y4
0/00
kost.

(:.
een bedrag, eenmaal op girorekening gebracht, is

slechts met hooge kosten (4
0
/os) daar weer af te

nemen.
d.
de kosten zijn te hoog.
Ad
a.
Dit bezwaar mag men niet te hoog aanslaan
nu de dienst eerst zoo kort functioneert.
Ad 5. Inderdaad is dit eene auomalie, immers hier
wordt de gebruiker van contant geld goedkooper be-
diend, den degeen, die van het postgiro gebruik
maakt, zoodat zelfs een aangeslotene er de voorkeur
aan zou moeten geven in contanten te storten.

Ad
c.
Gelijk men ziet, treedt de Staat hier als een
listig handelsman op; de cliënten van den postdieust
kunnen zondej kosten schier hunne rekening openen,
doch zijn ze eenmaal zoo ver, dan kost elke verdere han-
deling hun geld en vooral wanneer zij weder over hun
saldo willen disponeeren, daii wordt het hooge recht

van
i
0/,
geheten. Men voelt wel, dat hier voor de
banken het grootste bezwaar in gelegen is. Deze wen-
schen wegens de lage rentevergoeding hare saldo’s

zoo laag
mogelijk
te houden en zijn dus verplicht tel-

kens, wanneer deze saldi te zeer stijgen, gelden te ont-
trekken. Tot dusver was dit slechts mogelijk per
chèque, zoodat derhalve de banken bij stortingen op
have rekeningen steeds haren cliënten direct het
Y
°/oo

moesten berekenen, hetgeen een dergelijke storting
haar eventueel zou kunnen kosten. Thans heeft echter
de Nederlandsehe Bank, welke tot dusver slechts
voor haar hoofdkantoor te Amsterdam eene rekening
onderhield, ook rekeningen geopend te ‘s-Graven-
hage, Rotterdam en Utrecht, zoodat de aldaar geves-
tigde financieele instellingen op have rekening bij
de Nederlandsche Bank have post-saldi kunnen
doen overboeken. De Nederlandsche Bank schijnt liet
giro-bedrijf van de posterijen eens te willen aanzien
alvorens tot eene volledige samenwerking over te
gaan; aan den anderen kant stelt de directie van den
postchèque- en giro-dienst zich op het standpunt, dat
zij bij andere lichamen geene rekeningen wenscht te
openen, wijl anders liet karakter van dezen dienst
verandert en meer -een clearingverkeer ontstaat. Sa-

12 Juni 1918

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN *

515

menwerking met andere financieele lichamen is dus
slechts mogelijk, indien deze bij de post eene rekening
openen.
Ad
d.
Zoowel over het chèque. als het giroverkeer
hoort men klachten betreffende de kosten. Bij eenigs-
ins belangrijke omzetten zijn deze dan ook te hoog,
hetgeen dooi de directie wordt ingezien, althans eens
zeer belangrijke tariefswijziging is in behandeling.
Het schijnt, dat men aanvankelijk niet verwacht heeft,
dat ook VOOr Vrij aanzienlijke bedragen van den post-
dienst gebruik zou worden gemaakt. Nu dit het geval
is, is dan ook eene spoedige herziening der tarieven
zeer gewenscht, teneinde gebruikers van den post-
dienst niet af te schrikken.

Het spreekt wel van zelf, dat de post-ehèque- en
gitodienst niet is ingericht om winst te maken, doch
slechts de bedoeling heeft het gebruik van contant
geld te verminderen. Waar dus slechts de kosten ge-
dekt behoeven te worden, zal eerst in de piactijk kun-
nen blijken hoe hoog het tarief zal moeten zijn. Om
echter de kosten te kunnen becijferen is eens commer-
cieele boekhouding noodig en deze ontbreekt.

Immers de gelden, welke de postdienst ontvangt,
komen voor zoover deze niet worden belegd, in
de staatskas en deze betaalt geen rente. Verder
verricht de post-chèque- en girodienst zijne werk-
zaamheden voor den Staat gratis. Hiezuit volgt, dat
wanneer de betaalde lente en onkosten gedekt worden
door ontvangen renten en kosten, de gebruikers van den girodienst de onkosten en reuten voor den Staat
betalen. Waar het gebruik door den Sttat zich steeds
uitbreidt, o.a. voor de betalingen der regeerings.com-
missarissen, moet men het hierboven besproken be-
zwaar niet te gering tellen.

Wanneer het gebruik van den chèque- en giro-
dienst toeneemt, zal ongetwijfeld een groot bedrag daarin door de gebruikers worden vastgelegd. Men
veigete evenwel niet, dat deze saldi door de inlegge.rs
als vlottend kapitaal worden beschouwd en derhalve
groote onttrekkingen steeds mogelijk zijn en zullen
voorkomen, al zal zeer zeker een belangrijk deel van
de saldi continu circu-leeren.

De post-chèque- en girodienst maakt evenwel zijne
rente slechts door belegging in effecten. Hoewel, om
de zoo juist vermelds reden, tegen eene matige beleg-ging geen bezwaren -zijn in te brengen, is toch princi-
pieel het stellen van direct opvorderbare gelden
(welke in tegenstelling met de spaarhank-saldi, door
cle inleggers als liquide middelen van den eersten
rang worden beschouwd) tegenover eene belegging
in activa als effecten niet juist. Waar de Staat als
regel toch van de Nederlandsche Bank schuldenaar is
of groote vlottende schulden heeft, zonde rentever-
goeding aan dc posterijen zeer op haar plaats zijn,
zoodat derhalve deze tot het kweeken van rente niet
er slechts op was aangewezen,. groote posten schuld-
brieven te koopen, welke bovendien steeds aan koers-daling onderhevig zijn.

Weid de rente op deze wijze berekend, dan zouden
m.i. de kosten, waarmede de rekeninghouders thans
moeten belast worden, zeer kunnen dalen of kunnen
worden afgeschaft.

Waar het aantrekken van zeer groote saldi toch wel
niet het doel van den girodienst zal zijn geweest,
meen ik voorts, dat tegen een voor cliënten geheel
rentelooze rekening geen bezwaar kan bestaan, vooral
niet, indien daartegenover de girorekeningen geheel
franco zouden kunnen worden gevoerd, hetgeen onge-
twijfeld aan het gebruik van den dienst zeer ten goede
zou komen.
Resumeerende geloof ik te mogen constateeren, dat
het gebruik van den post-chèque- en girodienst in
Nederland, gezien den korten tijd van werking, niet
onbevredigend mag worden genoemd en dat aan alle
bezwaren, daartegen aangevoerd, wel tegemoet kan ge-
komen worden, mits met voortvarendheid worde op-
getreden. Heeft eenmaal een dergelijke tak van dienst
een slechten naam, zoo is het moeilijk daarin verande-

ring te brengen. De thans heerschende malaise bij de
posterijen werkt intusschen ook niet mede o den
dienst zoo regelmatig mogelijk te voeren.
Moge de post-chèque- en girodienst, welks directie
binnen haar keurslijf van reglementen steeds gaarne
aan bezwaren tracht tegemoet te komen, spoedig de
moeilijkheden, welke elk nieuw bedrijf ontmoet, te
hoven komen. Mr.
D.
CREN DE IONGH. Rotterdam, 7 Juni 1918.

B UITENLANDSC’HE VERTEGENWOORDIGING

VAN NOORWEGEN EN ZWEDEN.

Het behoeft wel geen nader betoog, dat de handels-
krijg, die al reeds v66r dezen oorlog gevoerd werd en
die, zoo hij al niet den stoot tot den oorlog gegeven heeft, dan toch een der groote aanleidingen daartoe
geweest is, na den vrede – die wel eenmahi komen
zal – weder met vernieuwde kracht voortgezet zal
worden, scherper dan ooit te voren. Het is daarom een
dringende noodzakelijkheid, dat men zich ook in de
neutraal gebleven landen voor den kornenden wedstrijd
op handelsgebied tusscheu de verschillende landen
gaat voorbereiden.
Men wordt er zich van bewust, dat er met de
oude sleur van zaken gebroken dient te worden, omdat
er nieuwe tijden in aantocht zijn, die op velerlei ge-
bied een omwenteling teweeg zullen brengen. De kat eerst eens uit den boom te kijken is wel de gemakke-
lijkste arbeidswijze, maar niet de handen uit de mou-
wen te steken komt men verder en zij die dit niet
bijtijds inzien, zullen met de nachtschuit aankomen,
terwijl er duizenden vliegtuigen in de lucht zullen
snorren. Dit bij wijze van spreken, ofschoon men er
tusschen twee haakjes toch wei eens over na kon
denken, welk een omwenteling het verkeer door de
lucht op handelsgebied b.v. teweeg zal gaan bren-
gen,
1)
hoe daardoor het arbeidstempo versneld zal
worden, en wel zoo, dat de geheele tot nu toe gevolgde
wijze van werken een ingrijpende wijziging zal dienen
te ondergaan.
Doch ter zake. De vraag stelt zich hier, hoe heeft
men zich in de beide Scandinavische landen Noor-
wegen en Zweden voor den komenden handelskrijg
toegerust en wat denkt men inmiddels nog in die
richting te doen? De ondervinding heeft geleerd, dat
waar krijg gevoerd wordt, de inlichtingen- en ver-
kenningsdienst een groots rol spelen en dit is ook het
geval voor den krijg, dien wij hier op liet oog hebben.
Gaan wij daarom eens na, hoe Noorwegen bijvoorbeeld
zijn inlichtingendienst op handelsgebied in het bui-tenland heeft ingericht en in hoeverre deze volgens
liet oordeel hier te lande over het algemeen voldoende
is, welke gebreken hij heeft en hoe men zich voorstelt
daarin verbeteringen te brengen.
Volgens den kalender van het departement van bui-
tenlandsche zaken van 1917 bestond de buitenlandsche
vertegenwoordiging van Noorwegen uit 18 legaties
(waarbij sommige in twee of meer landen tegelijk
werkzaam zijn) en 664 consulaire ressorten, waar-
van 37 vertegenwoordigd worden door een consul-
generaal, 149 door een consul en 478 door een vice-
consul. Hiervan zijn 10 consuls-generaal, 6 consuls
en 9 vice-consuls bezoldigde, door de Noorsche regee-
ring uitgezonden, ambtenaren. Alzoo 20 bezoldigde
ambtenaren van de 664. Dit geringe aantal bezoldigde
consulairç ambtenaren, vergeleken met het groote aan-
tal oubezoldigde titulaire .ambtenaren, valt dan ook –
onmiddellijk in het oog. –
• Bij velen is de vraag gerezen, of de belangen der
hiande1swereld wel door zulk een groot aantal titu-
•laire ambtenaren gediend djn, wien het in de meeste
gevallen in hoofdzaak om den titel te doen is – wel-
klinkend in het oor van liet publiek en tevens een intro-
ductie vormende – die den titularis zekere niet te ver-

i) [dat men tea deze .h. t.
1.
reeds dilligent is, blijkt uit
liet aitikel ,,Luclitpostdienstea” in ons nummer 126. –
Red.] –

516

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

12 Juni 1918

smaden voordeelen moet bieden, daar hij zich anders
toch niet al den last, aan zulk een onbezoldigd eere-
baantje verbonden, zou getroosten, terwijl hij inmid-
dels meestal zijn eigen belangrijke zaken te behartigen
heeft. Daartegenover staan er weer anderen, die de
partij voor de titulaire consulaire ambtenaren opne-
men, en die vinden, dat velen hunner wel degelijk
goede diensten bewijzen. Sommigen houden er spe-
ciale eigen bezoldigde secretarissen op na, soms met
den titel van vice-consul, die zich dan meer uitslui-
tend aan de behartiging der consulaire werkzaam-
heden kunnen wijden. Het is dan voor die secretaris-
sen een voordeel, dat_zij zich bij het inwinaen van
informaties bedienen kunnen van den maatschappelij-
ken rang, dien de titularis gewoonlijk inneemt, wan-
neer hij een hoogen rang in het consulaatwezen be-
kleedt en door de relaties, die deze bezit, gemakkelijker
hun doel bereiken, dan wanneer zij geheel op eigen wie-
ken moesten drijven. Wel valt het evenwel onmiddellijk
in het oog, dat een dergelijk, bijv. door een consul-gene-
raal bezoldigd secretaris, met of zonder den rang van
vice-consul, in zekeren zin in een al te afhankelijke
positie tot dezen komt te staan, en dat hij als onafhan-
kelijk consulair ambtenaar een veel zuiverder stand-
punt zou innemen, en op een meer
onpartijdige
wijze
zijn werkzaamheden als zoodanig zou kunnen behar-
tigen – wel te verstaan, wanneer hij al weer niet voor
eigen rekening belangen te behartigen heeft.
Men blijft, gelijk men bemerkt, op die wijze steeds
op twee beenen hinken, en men zou den Gordiaan-
schen knoop op de meest geschikte wijze doorhakken
door alleen bezoldigde consulaire ambtenaren aan te
stellen, en hen zoo te salarieeren, dat zij zich uit-
sluitend met consulaire werkzaamheden konden bezig-
houden, alleen en uitsluitend in het belang van het
land, dat zij vertegenwoordigen. Dit is evenwel op
het oogenblik voor Noorwegen practisch onuitvoer-
baar, en het zal dus wel een groot deel van zijn 469
onbezoldigde vice-consuls en 143 onbezoldigde consuls
,,faute de mieux” moeten behouden. Zij kunnen even-
tueel nog steeds inlichtingen verschaffen, die men
anders moeilijk ter plaatse zou kunnen krijgen, en hen uit de buitenlandsche vertegenwoordiging uit te scha-
kelen, zou in sommige gevallen groot ongerief ver-
oorzaken.

Nu houde men hierbij in het oog, dat van die 469
vice-consuls er ca. 90 Noren zijn of personen, tot
wie men zich in de Noorsche taal kan wenden, en
ca. 40 van de 143 consuls tot dezelfde categorie ge.
rekend kunnen worden, wat ten slotte voor die posten
een zekere waarborg kan zijn, dat de Noorsche be-
langen niet ten koste van vreemde belangen verwaar-
loosd worden, waarvoor meer kans bestaat, wanneer
de Noorsche vertegenwoordiging in handen is gelegd
van vreemdelingen.
Men is dus in zekeren zin door de omstandigheden
gedwongen, om de bestaande toestanden te besten-digen, ofschoon er nu ook in het Noôrsche Storting stemmen zijn opgegaan om door het uitbreiden van
het bezoldigde consulaire personeel in den toestand
langzamerhand een verbetering te brengen, wat
o.a. zijn uitslag heeft gevonden door het oprichten
in den laatsten tijd van een aantal nieuwe bezoldigde consulaire posten. Het kan hiermede in verband mis-
schien wel van belang zijn eens na te gaan op welke
wijze de buitenlandsche vertegenwoordiging hier ge-
organiseerd i’s en hoe zij werkt.

Het departement van buitenlandsche zaken, het
consulaatwezen en de diplomatie behooren tot één état, maar tusschen deze drie is er steeds een soort
van wisselwerking te bespeuren; m.a.w. er vinden
meermalen verplaatsingen plaats van de eene afdce-
ling naar de andere: diplomatieke vertegenwoordi-
gers wisselen hun plaats met consulaire ambtenaren
of met ambtenaren van het ministerie van buiten-
landsche zaken en omgekeerd. Op deze
wijze
krijgen
die ambtenaren een meer uitgebreide kennis van
zaken, een beter inzicht van de veelzijdige werkzaam-

heden, die den vertegenwoordigers in het buiten-
land opgelegd kunnen worden, en kijken zij zich niet
blind in het engere kringetje, waarin zij hun oplei-
ding hebben genoten.

Men is er in Noorwegen al vroeger achter geko-
men, dat de diplomatieke vertegenwoordiger in het
buitenland zijn tijd op andere en nuttiger
wijze
kon
besteden, dan als functionaris voor den politieken in-
lichtingendienst op te treden, en dat hij tevens daarbij
den consulairen inlichtingendienst kon waarnemen,wel
te verstaan, wanneer hij de daarvoor vereischte quali-ficaties bezat. Vandaar, dat in verschillende plaatsen,
waar een legatie gevestigd is, deze tevens opgedragen
wordt de werkzaamheid van consulaat-generaal te ver-
richten. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de legatie in
Zweden, Denemarken, Frankrijk, Duitschland (met
uitzondering van het district, dat onder het consu-
laat-generaal van Hamburg ressorteert), Rusland,
Argentinië, Brazilië, Ouba, Mexico, Japan en de Ver-
eenigde Staten (voor de geheele Unie, uitgenomen
Hawai en Puerto Rico). Nu zijn er wel is waar, voor
zoover het Parijs en Berlijn betreft, daar ter plaatse
locale consulaten-generaal opgericht, maar het plan bestaat om deze locale consulaten neer te leggen en
die voortaan met de legatie samen te smelten.

Het spreekt als van zelf, dat waar zulk een regeling
bestaat, de diplomatieke vertegenwoordiging opge-
dragen zou moeten worden aan personen, die een –
commercieele opleiding hadden genoten, of die ten
minste een uitgebreide theoretische en practische hau-
delskennis bezaten. Gaat men de staten van de ver-
schillende Noorsche diplomatieke vertegenwoordigers
in het buitenland na, zoo ontwaart men, dat een klein
deel hunner een zuiver diplomatieke loopbaan ge-
volgd heeft, anderen weer hebben een vroegere maat-
schappelijke stelling, geheel buiten de handelswereld
staande, met de diplomatieke verwisseld, terwijl een
ander deel weer betrekkingen aan het departement
van buitenlandsche zaken en in het consulaatwezen
bekleed heeft en op die wijze meer direct met de
handelswereld in aanraking is gekomen; de meesten
hebben bovendien een juridische opleiding genoten; maar van een mercantiele opleiding is bij geen enkel
sprake.

Men is hier te lande op dezentand van zaken op-
merkzaam geworden, en onlangs bleek bij de behande-
ling van de begrooting vân buitenlandsche zaken, dat
de kwestie der buitenlandsche vertegenwoordiging de
aandacht van alle partijen getrokken heeft en de be-
langstelling heeft gewekt. De wenschelijkheid kwam
aan den dag om zoo spoedig mogelijk een algemeene
wijziging in de buitenlandsche leiding te brengen,
waarbij men zich van het systeem der geheime diplo-
matie los wil maken, waardoor tevens de grenzen tus-
schen diplomatie en consulaatwezen zouden kunnen
vervallen. Dat men inderdaad in Noorwegen deze
richting uit wil, bleek ook uit een verklaring van
den minister van buitenlandschc zaken, dat hij het eens was met de richting, die als voorwaarde voor
een hoofd van een diplomatieken post o.a. eischt, dat
genoemde persoon in het consulaatwezen werkzaam
moet geweest zijn. Het kwam onder het debat verder
aan den dag, dat men op een theoretische en practi-
schd handelskennis als eerste vereischten voor het be-
kleeden van een consulaire betrekking den nadruk
wil leggen, ofschoon daarnaast toch ook algemeene
ontwikkeling, beschaving, tact en wereldervaring in
aanmerking dienen te komen. Ook scheen men het er
over eens te zijn, dat aan de legaties en de consula-
ton meer middelen voor de loopende kantoorwerk-
zaamhedon verstrekt moesten worden, waardoor de
buitenlandsche vertegenwoordiging meer tijd aan den
commercieelen en politieken inlichtingendienst zou
kunnen offeren, dan tot nu toe het geval is.

Dat men hier in Noorwegen ook bedacht is ge-
weest op den economischen oorlog, die na den mili-
tairen oorlog te verwachten is, waarom het van het
grootste gewicht zal zijn, in het buitenland flinke

12 Juni 1918

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

517

vertegenwoordigers te hebben, die de Noorsche han-
delsbelangen daar kunnen behartigen, blijkt uit een
kort geleden gevallen Stortingsbesluit om een paar
handelsraden aan te stellen voor Rusland en Z.-Amc-
rika, en die aan de respectieve legaties dier landen ver-
bonden zullen worden. Deze handeisraden zou men
ongeveer gelijk kunnen stellen met wat de Engelschen
,,commercial counsellors” noemen; zij koen direct
onder de Noorsche legatie ter plaatse te ressorteeren,
maar genieten toch een groote vrijheid van bewegen
en handelen, moeten in het land reizen, waar zij aan-
gesteld zijn, zich op de hoogte stellen van de plaatse-lijke toestanden en de mogelijkheden nagaan voor het
aanknoopen van nieuwe handeisverbindingen met
Noorwegen.

Onder de instellingen, die aan de Noorsche handels-
wereld onder dezen oorlog groote diensten hebben be-
wezen, zijn de handeiskamers van New York, Chicago
en Londen, private instellingen, die wel is waar van
rijkswege gesubsidieerd zijn, maar die toch geheel zelf-
standig optreden en geheel onafhankelijk van het
departement van buitenlandsche zaken werkzaam zijn, ofschoon zij daarmede toch het noodige contact onder
houden.

Wij bezitten verder in Kristiania Noorwegens in-
formatiebureau voor handel, nijverheid en andere tak-
ken van bestaan: ,,Norges oplysningskontor for
naeringsveiene”, met aan het hoofd een directeur
(nu de heer 0. F. Sandberg). Dit bureau, in 1901
opgericht, heeft zijn kantoor in Kristiania gevestigd,
en is een openbare instelling, die meer in het bijzon-der onder het departement van handel ressorteert, en
die tegelijk met het departement van buitenlandsche
zaken en met de diplomatiekeen consulaire vertegen-
woordiging in het buitenland nauw in contact staat.

Het bureau neemt een bijzondere plaats onder de pu-
blieke instellingen van het land in, omdat het krach-
tens zijn bestuur en organisatie in directe en vertrou-
welijke verbinding met de groote nationale handels-en industrieele geneotschappen staat. Het hoofddoel
van het burea’u is het bevorderen en vergemakkelijken
van den verkoop naar het buitenland van Noorsche
producten van allerlei aard, en om tegelijkertijd den
Noorschen handel en industrie voor de noodzakelijke
voorziening hunnei producten en grondstoffen den weg
naar de beste vreemde markten te wijzen; maar de
werkzaamheid van het bureau omvat behalve de be-
vordering van den nationalen handel en industrie in
het algemeen, ook die van den land- en boschbouw, de
visscherijen en scheepvaart, het handwerk, het mijn-
wezen en de kunstindustrie en tracht dit doel door
een intensieve informatie-werkzaamhejd te bereiken.

Een enkel voorbeeld ter toelichting. Wil een exporteur
persoonlijk een bezoek aan een vreemde markt bren-
gen, of wil hij er zijn reiziger heen sturen, dan kan hij
zich op het bureau inlichtingen verschaffen, bijv.: op
welke voorwaarden de handelsreizigers in het vreemde
land toegelaten worden, welke regels er bestaan voor het zich aanschaffen van paspoorten, licenties, welke
bijzondere rechten voor hunne monsters geheven wor-
den e. z. m. Het bureau verschaft hem goede adressen. voor den verkoop zijner waren, brengt hem in verbin-ding met firma’s, die genegen zijn Noorsche goederen
in commissie te nemen. Omgekeerd is het bureau den
vreemdelingen behulpzaam, die zaken in Noorwegen willen doen, en door zijn ruime kennis van Noorsche
productie en handelsvoorwaarden en ook van de draag-
kracht van verschillende firma’s en ondernemingen, is
het buieau in staat vreemden zakenmenschen grooten
bijstand te verleenen, wanneer zij met de Noorsche
markt in contact willen komen en daardoor ook resul-
taten willen bereiken.

Het bureau is een vraagbaak voor velen en een op-
gave over het jaar 1912—’13 leert ons, dat in deze
periode ca. 6000 schriftelijke en mondelinge vragen
over verschillende takken van bestaan werden beant-
woord. Behalve dat het bureau directe informaties ver-
strekt, geeft het ook periode geschriften uit: om het
andere jaar verschijnt een exportkalender in zes ta-
len, . die de namen en adressen bevat van de voor-
naamste Noorsche exporteurs, gerangschikt naar de
rubrieken van de verschillende takken van bestaan.
Alle Noorsche legaties en consulaten zijn in het bezit
van dezen kalender, en men kan dien door consulteeren.
Bovendien publiceert het bureau sedert het begin van
1918 in samenwerking met het departement van bui-
tenlandsche iaken een veertiendaagsch tijdschrift:
,,Norges Utenri.kshandel” (Noorwegens buitenlandsche
handel). Het bevat uittreksels van diplomatieke en
consulaire rapporten, die van actueel belang zijn, als-
mede artikels en nota’s, die in het algemeen vraag-
stukken van belang voor den buitenlandschen handel
en industrie bevatten. Dit tijdschrift verschijnt ook
periodiek in het Engelsch.
Aan het bureau is, behalve een biblotheek en een
leeszaal ook een monsterkamer verbonden, die op het oogenblik van minder belang is, en voor het, grootste
deel uit toezendirigen van buiteulandsche consuls be-
staat, zonder dat hier tot heden een bepaald systeem
tot grondslag schijnt te liggen. De Noorsche handelsattaché’s, die nu al sedert een
heele generatie elk jaar naar de verschillende wereld-
markten uitgezonden worden, worden door het bureau
aangesteld en verrichten hun werk onder zijn onmid-
dellijke directie; voorts verleent het bureau jaarlijks
stipendiums voor jonge handelslieden, die in het bui-.
tenland willen gaan studeeren of daar betrekkingen
willen zoeken.

Ten slotte nog een enkel woord over Zweden. Daar zijn de toestanden met de consulaire vertegenwoordi-ging in het buitenland ongeveer dezelfde als in Noor-
wegen. Uit den kalender van buitenlandsche zaken van 1916 blijkt, dat er toen
558
onbezoldigde consu-
laire ambtenaren waren en 24 bezoldigde, een toe-
stand, die dan ook onlangs aanleiding heeft gegeven
tot de motie-Nylander in den Rijksdag. Deze motie,
die evenwel nog niet in behandeling is gekomen, be-
treft zekere veranderingen en uitbreidingen in de
buitenlandsche vertegenwoordiging, opdat deze op een –
voldoende effectieve wijze aan de steeds grooter wor-
dende eischen zal kunnen voldoen, die haar van com-
mercieel standpunt na den oorlog gesteld zullen
worden.

In de eerste plaats komt een vermeerdering van
het aantal bezoldigde Zweedscho consulaire ambtena-
ren in aanmerking, dat uit de hierboven aangehaalde

cijfers gemakkelijk te begrijpen is. Dat voor Zweden’s export en import op verschillende plaatsen bezoldigde
consulaire vertegenwoordigers hoogst noodig zijn,
blijkt wel daaruit, dat er in Britsch-Indië bijvoor-
beeld geen bezoldigd consulair ambtenaar is, even-
min in Nederlandschlndië, in Griekenland, aan de
Noord-,’ West- en Oostkust van Afrika, in Syrië en
Palestina, op de Westkust van Noord-Amerika, in
Centraal-Amerika, op Cuba, in belangrijke haven-
plaatsen als Canton, Hongkong, Singapore en Siam,
e. z. m. Deze opsomming van plaatsen in verschil-
lende werelddeelen wijst er genoegzaam op, daf het
voor Zweden ook hoog tijd wordt, dat aan de consu-
laire vertegenwoordiging in het buitenland meer aan-
dacht zal gewijd worden, dan voorheen het geval is
geweest.

In die2elfde motie wordt er.tevens gewezen op de
behoefte om de institutje der handelsattaché’s meer te
ontwikkelen, door het aanstellen voor den inlichtingen-
dienst van specialisten in bijzondere technische of
commercieele vakken, of ook door de benoeming van ambulante attaché’s. Tevens wenscht men organisato-
rische veranderingen in het departement van bui-
tenlandsche zaken in te voeren, als een gevolg van de
uitbreiding van de commercieele zijde zijner werk-
zaamheid. Verder staat op het programma het ver-
schaffen van commercieele inlichtingen uit het bui-
tenland aan de ‘binnenlandsche nijverheidswerkzaam
heid, bevordering van de samenwerking tusschen de
consulaten en de Zweedsche handelakamer in het

518

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

12 Juni 1918

buitenland, inspectie over de werkzaamheid der eere-
consuls e. z. m.
Men is in Zweden evenwel
zoo
verstandig, dat men
inziet, dat het niet uitsluitend op de uitbreiding van de. consulaire vertegenwoordiging en op het aantal
nieuwe attaché’s aan komt; maar vooral ook op de ge-
schïktheid vande aan te stellen ambtenaren. Men legt
er voornamelijk den nadruk op, dat de betreffende per-
sonen een degelijke zakenkennis moeten bezitten. De
Schoonsche handelskamer heeft indertijd als haar oor-
deel uitgesproken, dat de hoofdvoorwaarde voor een
de nijverheid tevreden stellende buitenlandsche ver-
tegenwoordiging deze is, dat zij gerecruteerd wordt
uit personen met een goede handelsontwikkeling en
dat als eerste verdienste voor de consulaire loopbaan

een lange
tijd
van practische werkzaamheid in het
handelsieven gelden moet, en wel in zulke betrek-
kingen, waar de gelegenheid bestaat om zich erva-
ring in de verschillende onderdeelen van den handel
en de industrie te verwerven. Maar wenscht men, dat de personen, die in aanmerking komen, aan degelijke eischen zullen beantwoorden, dan moeten ook de be-
zoldigingen daarmede evenredig zijn.
Aan de reorganisatie van de buitenlandsche ver-
tegenwoordiging van Noorwegen en Zweden, is gelijk
elders behalve de dubbeltjeskwestie, die alleen voor
onverstandige menschen bestaat, tevens ook de kwestie
verbonden om. ,,the right man on the right. place” te
vinden. Op hem komt het ten slotte toch aan.

L. LACOMBL.
Kristiania, 22 Mei 1918.

DE LYi’VENBVATBAARHEID EENER TOEKOM-

STIGE ZOUTMIJNINDUSTRIE IN

NEDERLAND.

Als gevolg van de enorme hoeveelheden steenzout,
welke door den Rijksopsporingsdienst van Delfstoffen
in onzen bodem zijn aangetoond ), zal allicht in Ne-
derland overwogen worden, deze delfstoffen door mid-
del van schachten aan de oppervlakte te brengen. Voor
we er toe overgaan een nieuwe niijnindustrie voor het
steenzout op te richten, hebben wij er ons echter ter-
dege van te vergewissen in hoeverre deze levensvat-
baarheid bezit. Steenzout is een artikel, dat in veel geringere mate verbruikt wordt dan kool; de markt
is dus veel snellei- overvoerd dan dit bij de kool het
geval is en is dus bijzonder gevoelig.
Wil Nederland zijn vrijhandelstelsel niet prijsge-
ven, dan komt het Nederlandsche steenzout zonder
twijfel in concurrentie met het buitenlandsche en het
is daarom wel van belang eens na te gaan onder welke
voorwaarden zich, een dergelijke strijd zal afspelen
en hoe hiervan het verloop zal zijn. Wij hebben een
oorbeeld bij onze Oostelijke naburen, bij ‘vie zich zoo-
wel in de kolenindustrie als in de kali-industrie een
groote concurrentiestrijd heeft voorgedaan en ten
deele nog bestaat.
De strijd in de kali-industrie verloopt zeer eenijou-
dig, omdat Duitschiand een wereidmonopolie voor
kalizout heeft en het Duitsche kali-syndicaat dus in
staat is zijn prijzen zoowel voor binnen- als buitenland
vrijwel te dicteeren.
Uit den strijd echter, dien de kôlenmijnen onderling
gevoerd hebben, zijn voor ons belangrijke lessen te halen. Zooals algemeen bekend is, bestaan de alge-
meene productiekosten eener mijn uit: de generalia,

1)
[Volledigheidshalve zij hier nog op het bestaan gewe-
zen van de ,,Sveriges A1Iminna Exportförening” (algemeene
zweedsché export-vereeniging), waarvan de Koning van
Zweden beschermheer is, eene organisatie waaraan in deze kolommen t. z. t. nog verdere aandacht gewijd zal worden.
liet tijdschrift van deze organisatie ,,Swedish Export”, dat
den hier vorengenoemden heer Nylander tot redacteur heeft,
vindt ook in ons land verbreiding. – Red.]

9 De Rijksopsporing van Delfstoffen acht
22
milliard ton
steenzout aanwezig en ontginbaar in den Achterhoek van
Gelderland en
2
milliard ton in den Z.-O.hoek van Overijsel.

di. uit die uitgaven, welke geheel of voor het aller-
grootste deel onafhankelijk zijn van de grootte der pro-
ductie, en uit de directe productiekosten, d.w.z. uit
die onkosten, wélke daarmee evenredig zijn.
De eerste soort,
de generalia,
bestaat uit admini-
stratiekosten, uitgaven voor personeel, onderhoud
van gebouwen, centrale machinekosten, enz., terwijl
de tweede soort hoofdzakelijk bestaat uit arbeidsloo-
nen en kosten van materialen bij de productie noodig,
zooals springmiddelen, verbruik en reparatie van
werktuigen en gereedschappen enz.

Hieruit volgt in de eerste plaats, wat ook wel van
zelf spreekt, dat eeh m
iijn het voordeeligst werkt, wan-
neer ze zooveel mogelijk tot aan de grens van haar
productie-vermogen is belast, omdat in dat geval de
generalia over eene grootere productie verdeeld wor-
den en dus per ton kleiner zijn. In de tweede plaats
volgt hieruit, dat, waar de directe productie-kosten
voor groote èn kleine mijnen over het algemeen per
ton
gelijk
zullen zijn, een groote mijn gemiddeld goed-
kooper produceert dan een kleinè, omdat de generalia
met de productie eener
mijn
niet evenredig zijn,
doch met de grootte daarvan slechts weinig toe-
nemen. Een groöte mijn maakt dus bij gelijke markt-
prijzen per ton gemiddeld een grooter winst dan een
kleine. In geval van scherpe concurrentie kan zij de
prijzen tot aan den productieprijs van de kleine mijn
laten verminderen; dus zelf winst makende, de kleine
noodzaken zondei- winst te verkoopen, of zelfs heeft zij
het in haar macht de kleine met verlies te laten
werken.

Men ziet hier tevens het groote belang uit van mij-
nen, die niet tot haar productievermogen belast zijn,
om den afzet te vergrooten, omdat voor zulke mijnen
de winst niet alleen met de hoeveelheid toeneemt,
doch ook per ton grooter wordt. Omgekeerd zal en
mijn, wanneer ze gedwongen is haar afzet te vermin-deren, ook haai- winst per ton zien afnemen en in dat
opzicht zijn de kleine industrieën natuurlijk bijzonder
gevoelig. Uit dit alles blijkt duidelijk, dat de groote
mijnindustrieën over het algemeen in staat zijn de
kleinere in het nauw te brengen en de ervaring heeft
geleerd, dat dit dan ook niet zelden geschiedt en wel
met het doel, de kleinere tot voor hen zeer onvoor-deelige overeenkomsten met de grotere te dwingen.

Daar de mijnen echter zelden tot de grens van haar
productievermogen belast zijn enbijna alle dus tech-nisch in staat zijn een deel van de productie van den
buurman over te nemen, is het duidelijk, dat in de
mijnindustrie het syndicaat een levenskwestie is. Be-staat er geen syndicaat, dan ontstaat er een doodeljke
concurrentie,die gewoonlijk eindigt met het opslok-
ken van den zwakke door den sterke. Is er eenmaal
een syndicaat ontstaan, dan volgt uit hetgeen vooraf
gaat, dat ook dan er reden voor bestaat, dat sommige
mijnen samensmelten en andere worden stopgezet, om-
dat liet voordeeliger is, dat weinige werken vol belast
produceeren en andere stilstaan, dan dat alle slechts
een deel van hun vermogen ontwikkelen.

Het syndicaat heeft natuurlijk tot doel de markt-
prijzen te verhoogen; om dit mogelijk te maken, wordt
de afzet onder de bestaande mijnen verdeeld. In
Duitschiand krijgt iedere mijn zijn ,,quote” (aandeel.
in den afzet), welke zij op straffe van een hooge boete
niet mag overschrijden. Door dezen maatregel is de
concurrentie onder de mijnen uitgeschakeld en wordt
het dus mogelijk de prijzen op te voeren. Het is dui-
delijk, dat het voor elk syndicaat van het grootste
belang is
alle
mijnen op te nemen. Zij, die er buiten
blijven, zijn immers in staat door hare prijzen iets
beneden de syndicaatspiijzen te noteei-en, hare pro-
ductie tot het maximumvermogen op te voeren, op
welke
wijze
zij zeer goede zaken maken. Deze ,,out-

siders” kunnen slechts blijven bestaan zoolang hunne
gezamenlijke productie zéé gering is, dat zij de levens-
vatbaarheid van het geheele syndicaat niet bedreigen.
Zij nemen natuurlijk een deel van den afzet weg en
zijn daardoor voor dat syndicaat hoogst ongewenselit.

12 Juni 1918

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

519

Hoe meer ,,outsiders” ei’ ontstaan, des te zwakker wordt het syndicaat. Doch het is duidelijk, dat het
bestaan van dit laatste ook voor den ,,outsider” een
levenskwestie is, want zou het in elkaar vallen, dan
is daarmede ook de voordeelige positie van den ,,out-sider” verdwenen. Daarom zien we de ,,outsiders” op
den duur gaandeweg weer in het syndicaat opnemen.

Zijn het echter zeer sterke moderne installaties, dan
zijn zij in staat bij die opname zeer voordeelige voor-
waarden te bedingen, zij krijgen een hooge ,,quote” en
blijven dus ook in het syndicaat zeer voordeelige on-
dernemingen. Het is voor de deelnemers van het syn-
dicaat natuurlijk het beste te beoordeelen, welke de
positie zal zijn van deze ,,outsiders” en het is in
Duitschiand dan ook geen zeldzaam verschijnsel, dat
de deelnemers aan het syndicaat zelve de oprichters
zijn van de mijnen, die er buiten staan. Bij een kolen-
productie zooals Duitschiand vddr den oorlog bezat
van 160 tot 190 millioen ton, is het duidelijk, dat er
steeds wel eenige ,,outsiders” kunnen bestaan, zonder
dat het syndicaat daardoor in ‘gevaar komt.

Het sterkst staat een mij.n, wanneer zij steunt op een
vasten afzet aan een eigen industrie, zooals bijv. een
kolenmijn, waarvan de eigenaar tegelijkertijd een groot
ijzerwerk bezit. De mijn steunt dan op een afzet, die
haar nooit door concurrentie kan afhandig worden
gemaakt en dekt met de winst op dien afzet haar
generalia geheel of voor het allergrootste deel. Zij is
dan in staat de hoeveelheid, welke zij boven dezen
vasten afzet produceert, tegen prijzen op de markt te
brengen, welke naderen tot hare directe productie-
kosten en is daarmede natuurlijk een allergevaarlijkst
concurrent voor de omgeving. Een treffend voorbeeld
hiervan vinden we in den strijd, omstreeks 1905’ge-
voerd tusschen de
z.g.
,;Hüttenzechen” en de zuivere
mijnbouwondernemingen, die door Mr. W. A. J. M.

van Waterschoot van der Gracht in ,,De steenkool en
de kolenmijnbow in den modernen tijd, een technisch-
economische studie” is beschreven. Wij lezen hier-
in, dat bij het oprichtén van het kolen-syndicaat
de ,,Hüttenzechen”, d.w.z. die mijnen, welke ge-
combineerd zijn met groote ijzerwerken, niet vol-
doende voor hunne ijzerproductie produceerden; er
kwam dus van hen slechts ijzer en geen kool op de
markt en ze waren daardoor in het kolensyndicaat niet
opgenomen. Door de later opkomende malaise in de
ijzeiindustrie kwam echter van hen kool vrij; deze
kool werd door de ,,Hüttenzechen”. in condurrentie

met het syndicaat op de markt gebracht en door hun
voordeelige positie waren zij in staat hun afzet ten nadeele van het syndicaat steeds uit te breiden. De
toestand werd zoo gespannen, dat het syndicaat dreig-
de uiteen te vallen, doch ten slotte lieten zich de
,,Hüttenzechen” vinden zich op voor hen zeer voor-
deelige voorwaarden in ht syndicaat te laten opne-
men. Zij kregen behalve voor zich zeer hooge ,,quoten”
een zeer’ hoog geraamd cijfer voor eigen verbruik.
Deze cijférs waren zelfs zôd hoog, dat het in sommige
gevallen boven het pioductievermogen der ,,Hütten-
zechen” uit ging. Daarbij leden de zuivere kolenmij-nen aan zeer sterke productiebeperking en om hierin eenigszins tegemoet te komen, gingen zij er toe over
geheel nuttelooze extra-schachten te maken. Elke
schacht gaf nl. het recht op een bepaalde ,,quote”;
was met de gemaakte schacht nu de ,,quote” verkre-

gen, dan werd deze stop gezet. Of wel zij gingen er
toe over verschillende mijnen ter wille van de ,,quote” op te koopen. In enkele jaren werd op die manier pim.
18 pOt. der Westfaalsche mijnen stop gezet en hun
,,quote” mede geproduceerd in de gi’oote moderne in-
stallaties. De sterke positie der ,,Hüttenzechen” komt
nog sterker uit in de cokes-productie. Terwijl namelijk
de totale cokes-productie van alle mijnen sterk toe-
nam, zagen de zuivere kolenmijnen hun dokes-afzet
afnemen, dit alles ten gunste van de ,,Hütten-
zechen”.

Om zich aan dozen drukkenden toestand te ont-
worstelen, gingen de aandeelhouders der zuivere

kolenmijnen er toe over de ,,Hüttenzechen” op te koo-
pen. Die koop moest echter op voor de houders der
,,Hüttenzechen”-aandeelen zulke voordeelige voor-
waarden plaats vinden, dat de laatsten op 2-3 maal
grootere dividenden konden rekenen, dan de oor-
spronkelijke aandeelhouders der ziüvere kolenmijnen.
Voorbeelden hiervan ziet men in het samengaan van
Gelsenkirchen met Schaleke en Rothe Erde, Hörde,
Nordstern, Westfïdische Union, Graf Moltke, Helene
en Nacthigall smelten samen tot Phönix.

Het komt er dus ten slotte op neer, dat de zwak-
kere en sterkere werken zich combineeren en dat deze
combinaties zich vormen op voorwaarden, die voor. den
sterke zeer voordeelig zijn.

Dit verschijnsel stelt aan den huidigen mijnonder-
nemer den eisch, een machtspositie op de wereld-
markt te bekleeden, die hem in staat stelt het hoofd
te bieden aan de concurrentie van deze machtige in-
dustrieele ondernemingen.- Van ons land geldn tech-
nisch geheel dezelfde condities als vooi Westfalen,
daar onze kolenvelden slechts door een politieke grens
van de Duitsche gescheiden zijn. Het gevolg’ is, dat
slechts zooveel mogelijk doorgevoerde grootindustrie
ten slotte den doorslag zal geven, liefst in verbinding
met ruw-ijzer-productie. Mijnbouw, die in Nederland
op andere wijze wordt opgezet, is onvermijdelijk voor-
bestemd door de grootere bedrijven te worden opge-
slokt, in dat geval allicht door het bijitenland.
De onkosten, die het syndicaat heeft, worden door
de mijnen’gewoonlijk in proportie van hunne ,,quote”
gedragen. Deze onkosten (in Duitschland de Umla-
gen), bestaan voor een deel uit de prjsdervingen in
den concurréntiestrijd. De mogelijkheid, dat een syn-
dicaat de winst op dén plaats behaald, kan gebruiken
voor de concurrentie op een andere plaats, maakt dit
lichaam voor den zwakken ,,outsider” bijzonder ge-
vaarlijk. Het belang van den Duitschen mijnbouw bij
uitvoer naar het buitenland, zal haar er toe brengen
dit middel ook in Nederland toe te passen, hetgeen men kan opmaken uit het volgend uittreksel uit het
jaarverslag van de ,,Verein für die bergbaulichén
Unteressen” over 1911:
,,Da der stark gestiegeuen Förderung von Kohie und der
mehrherstelluug von Koks und Briketts im Berichtjahr
die Aufnahmefiihigkeit des heimischen Marktes bei weitem
nicht genügte, so wurde clie
A,usfuhr noch
stdrker forciert
als dies schon im Vorjahr geschehen war. Es gelang auch
die Lieferungen von Kohle sowohi als auch von Koks uncl
Briketts an das Ausland betrftchtlich zu steigern. Die
Ausfuhr von Steinkohle war mit 27.41 Miii. t. um
13.01
pCt. grösser als im Vorjahr. Ail der Steigerung der Ver-
seudungen waren mit Ausnahme von Gross-britannieu,
Norwegen und Rumknien siLmtiiche Empfangsl.uder be-
teiligt.”

Wat hier nu gezegd is van den kolenmijnbouw,
geldt m.. i. niet minder voor den ‘zoutmijnbouw in het
district Buurse. Wat toch is het geval? De zoutlaag
bij Buurse bevat volgens de resultaten der Rijksop-
sporing van Delfstoffen geen ontginbare kali, boven-
dien is het gevonden steenzout onrein; dit zijn al twee
groote nadeelen voor de eventueele Nederlandsche
zoutmijn. –

De Duitsche mijnen, welke steenzout uitverken, outginnen alle tegelijkertijd kalizout en het laatste
in een veel grooter hoeveelheid dan het eerste.. Dit
moge blijken uit de onderstaande tabel, waarin de
voornaamste steenzout produceerende werken in Prui-
sen zijn opgenomen met hunne productie, in tonnen,
aan steenzout en andere minerale zouten over 1914.

– Steenzout. Andere zouteui.
Stasfurt …………97.352

419.922

Neustassfuit ………..95.105

217.812
Burbach ……………73.972

167.790
Ludwig II ……….92.592

95.726
Krügerschall ……….17.003

162.785
Deutsche Kaliwerke .’

2.291

168.666
Ronnenberg ……….2.265

156.387
Hansa-Silberberg

6.854

97.159
Salzdetfurth ……….1.713

170.073

520

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

12 Juni 1918

Hieruit blijkt duidelijk, dat de productie van kali-
zout voor de Duitsche zoutmijnen hoofdzaak is, dit
blijkt bovendien uit het feit, dat de meeste dier mij-
nen zelfs geen steenzout produceeren en komt ook
sterk uit in de voor de verschillende zouten behaalde
prijzen. Terwijl die voor het steenzout
namelijk
in

1914 beneden de 5 Mark voor 1 ton bedroegen, was de
prijs voor de kalizouten ongeveer 8 Mark, 13 Mark
tot zelfs 170 Mark toe, naar gelang van de soorten.
Het is dus duidelijk, dat de Duitsche kalimijnen hun
generalia door den kali-verkoop gedekt achten en de
prijs van 5 Mark voor 1 ton steenzout kan vel niet
anders dan op de directe productiekosten van het
steenzout gebaseerd
zijn,
vermeerderd met een zeer
kleine winst.
Het is nu juist deze laatste omstandigheid, die den
toestand voor de toekomstige Nederlandsche steen-
zoutmijn zeer moeilijk maakt. Zij kan geen kalizout op
de marlt brengen om hare generalia te dekken en zal dit dus met haar steenzout moeten doen en ofschoon
zij de vracht van Duitschiand naar Nederland op de
Duitsche mijn voor heeft, zoo is deze zoo laag (het
vervoer geschiedt geheel of gedeeltelijk per water en
er liggen kalimijnen niet ver van onze grens) dat
daarmede de moeilijkheden geenszins zijn opgeheven.
De lage prijs van het steenzout in Duitschland maakt
bovendien dat het Nederlandsche zout maar weinig
kans heeft op de buitenlandsche markt in aanmerking
te komen.
De verhouding van de Nederlandsche mijn tot de
Duitsche wordt dus die van de zuivere Duitsche kolen-
mijn tot de ,,Hüttenzeche”. Na oprichting der Neder-
landsche steenzoutindustrie zal er zonder twijfel op
de markt een strijd ontstaan en de uitslag is naar
hetgeen hier vooraf gaat wel niet twijfelachtig te
noemen. Men zou misschien de opmerking kunnen
maken, dat de Nederlandsche
mijn,
mits als een sterk
grootbedrijf opgezet, de rol van ,,outsider” zou kun-
nen vervullen en zich handhaven evenals kolenmijnen
zich met succes handhaven tegenover het Duitsche
kolensyndicaat, doch dit moet ten eenenmale ontkend
worden; het zou alleen dn
mogelijk
zijn, als de in-
vloed van het syndicaat ook op den prijs van het
steenzout merkbaar was. De lage prijs van dit artikel
wijst er evenwel op, dat er geen Duitsch steenzout-
syndicaat bestaat. Het steenzout wordt in Duitsch-
land als een artikel van den tweeden rang beschouwd,
de hoofdzaak is de kali. Een zwak punt voor onze Nederlandsche zoutinijn-
industrie is bovendien nog de beperkte afzet in het
binnenland. Om deze ook na een gevestigde Neder-
landsche zoutindustrie eenigszins juist te bepalen, is
een
vergelijking
met Duitschland wel de meest prac-
tische weg. Duitschland toch is het land met de
meest uitgebreide zoutindustrie. De uitvoer zoowel
als de verwerking tot verschillende chemische produc-
ten heeft daar een groote hoogte bereikt. Wanneer we
dus voor Nederland eene met de bevolking evenredige
productie aannemen is deze veronderstelling voor ons
land zeker niet in het nadeel. De geheele productie van steenzout van Duitsch-
land v66r den oorlog bedroeg niet meer dan ongeveer
1.450.000 ton, terwijl de hoeveelheid zout uit opge-
pompte pekel verkregen ongeveer 650.000 ton be-
droeg. Totaal dus eene productie van ongeveer
2.100.000 ton. Hieronder zijn de hoeveelheden voor uit-
voer en chemische industrie natuurlijk begrepen. De
toekomstige Nederlandsche mijnbouw zal zich dus wel
gelukkig achten wanneer hij het tot de voor één mijn
zeer beperkte productie van 200.000 ton brengt; er
is dus ook geen grootbedrjf van te maken.
1)

Wordt nu in Buurse zoutloog gewonnen, dan wordt
daarmede de lévensvatbaarheid van elke steenzout-
mijn in den Z.-O.hoek van Overijsel nog geringer en

1)
In 1914
werd in Nederland
114.441
ton ruw zout uit
het buitenland ingevoerd, de totale hoeveelheid ingevoerde
soda, zoowel koolzure als bijtende soda, bedroeg in dat
zelfde jaar
46.090
ton.

wanneer men die zoutloog bovendien zal gebruiken als
grondstof voor allerlei chemische producten als soda,
glauberzout, kaustische soda, cliloorkalk enz., dan kan
men met zekerheid zeggen, dat daarmede ook de nek-
slag aan de zoutmijnindustrie is toegebracht.
Na al hetgeen hierboven is medegedeeld, is het dui-
delijk, dat de Nederlandsche zoutmijnindustrie op zich
zelf niet of slechts zeer moeilijk zal kunnen bestaan
en alleen dan kans heeft van zich te kunnen hand-
haven, wanneer al het mogelijke wordt gedaan om
haar sterk te maken. Hiertoe is noodig:

le. dat de steenzoutindustrie gecombineerd wordt
met een andere industrie, zooals de fabricatie van
chemische producten, waarvoor dit zout grondstof is
en waarvan vooral de sodafabricage zeer levens-
vatbaar is;

2e. dat hare productie zoo groot mogelijk gemaakt
wordt en dus niet over meer mijnen verdeeld wordt,
waar één mijn daartoe ruimschoots voldoende is.
De winst op de chemische producten kan dan
dienen om de generalia te dekken en het steenzout komt dus op de markt onder dezelfde conditiën als
het Duitsche product.
Daar de methode van pekel oppompen het zout na-
tuurlijk spoediger aan de oppervlakte brengt dan die
van zoutdelving door mijnbouw, is het toepassen van
de eerste methode door de tijdsomstandigheden ge-
boden. Een volk kan nu eenmaal niet zonder zout
en waar de mogelijkheid bestaat, dat de toevoer uit het
buitenland van het ruwe zout wordt stopgezet, is het
een levensquaestie voor Nederland te noemen, zich
zoo spoedig mogelijk van het buitenland onafhankelijk
te maken. Als zoodanig kan men dan ook met de be-
slissing der Kamer in deze voor het oogenblik genoe-
gen nemen. Echter moge niet uit het oog verloren
worden, dat, zooals wij hierbovep hebben willen aan-
toonen, deze methode de levensvatbaarheid der
zoutmijnindustrie vermindert en ons bovendien in
geenen deele geheel van het buitenland onafhanke-
lijk maakt. Voor zeer vele doeleinden is het kook-
zout veel te duur, ons land blijft dus toch van het bui-
tenland weer gedeeltelijk afhankelijk. In hoevere nu
een zoutmijn voor de hoeveelheden, die niet uit pekel
worden verkregen, gecombineerd aan’ chemische in-dustrieën, rendabel mag genoemd worden, hangt ge-
heel af van de winsten, die deze laatste opleveren, en
ligt buiten de beoordeeling van
schrijver
dezes.

Een meer veilige weg voor de Nederlandsche zout-
mijnindustrie moet in andere richting worden ge-
zocht. Zooals hierboven is aangetoond, is in Neder-
land geen plaats voor twee steenzoutmijnen. Moet er
dus één zoutmijn gemaakt worden, dan hebben we uit
de beide door den Rijkssporingsdienst van Delf-
stoffen voor ontginning aangewezen mijnvelden bij
Buurse en Winterswijk, het meest geschikte te kiezen.
Het voordeel van het eerste ligt in de geringere diepte
waarop het steenzout voorkomt, wat natuurlijk minder
kosten voor het schachtmaken met zich brengt. Het groote voordeel van Winterswijk ligt evenwel in de
omstandigheid, dat daar op ontginbare diepte tevens
steenkool is aangetoond. Er is daar dus plaats zoo-
wel voor een kolen- als een zoutmijn; kolen en zout
kunnen in één stel schachten naar de oppervlakte
worden gebracht, de kolenmijn kan dus benut worden
als steun voor de zoutmijn.

Wordt in Winterswijk een steenzoutmijn gemaakt,
dan geeft deze tevens gelegenheid om naar kalizout
te zoeken. De boorresultaten van den Rijksopsporings-
dienst waren nl. zoo, dat de hoop op kalizout niet
geheel behoeft te worden opgegeven en het zou zeker
jammer zijn, wanneer deze kans geheel onbenut werd
gelaten. Het steenzout in Wintersw.ijk is bovendien
veel zuiverder dan bij Buurse. Ofschoon de totale
hoeveelheid zout in de beide mijuvelden practisch
onuitputtelijk kan genoemd wordén, geeft de dikkere
zoutlaag in Winterswijk gelegenheid tot het maken
van veel hooger galerijen. Zij worden in de practijk,
om de uitwerkingskosten zoo laag mogelijk te maken,

12 Juni 1918

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

521

tot 30 Meter hoog genomen. In de omstreken van
Buurse bereikt de dikte der onzekere zoutlaag nau-
welijks % van deze hoogte, terwijl bij Ratum (gemeen-
te Winterswijk) de zoutlaag wel meer dan 5 X 30
Meter dik is. Dit alles bij elkaar maakt, dat de ter-
reinen van Winterswijk voor den bouw van een zout-mijn te verkiezen zijn boven die van Buurse en in dit
verband zijn de Koninklijke besluiten, waarbij de con-
cessie-aanvragen voor terreinen buiten Winterswijk
van de hand gewezen werden, slechts toe te juichen.
Door de enorme dikte van de, zoutlaag bij Winters-
wijk en in verband met de omstandigheid, dat het
vinden van kalizout in ontginbare hoeveelheden aldaar
niet uitgesloten is,’ zou het aan te bevelen zijn het
zoutmijnveld niet te groot te nemen. Immers, elke
hectare brengt hier genoeg om Nederland verschei-
dene jaren van zout te voorzien en een coucessieveld
van 100 H.A. is dus reeds voor eeuwen voldoende; bo-
vendien zou, in geval er werkelijk een voldoende hoe-veelheid kalizout werd gevonden, het niet wenschelijk
zijn, dat de gehecle in Nederland aanwezige hoeveel-
heid zich in 66n hand bevond. Mocht de Nederland-
sche Staat zelve tot ontginning overgaan, dan spreekt
het vanzelf, dat deze laatste omstandigheid geen be-
zwaar zou opleveren.
Ir.
J. W. SCHERRER.
Heerlen, 13 Mei 1918.

AANTEEKENINGEN.

Uitvoerverbod va’n bankbiljetten
i n Z w i t s e r 1 a n d.
– De dagbladen brachten hier
te lande, reeds het bericht, dat met ingang van 1 Juni
j.l. de uitvoer van Zwitsersche bankbiljetten door den
Bondsraad verboden is. Het verbod heeft betrekking op de bankbiljetten der Zwitsersche Nationale Bank,
op de nog in omloop zijnde biljetten der vroegere
circulatiebanken, op de in den oorlog uitgegeven
schatkistbons van 20, 10 en 5 francs en op de Kassen-
scheine, uitgegeven door de in het begin van den oor-
log naar Duitsch voorbeeld opgerichte algemeene Zwit-
sersche Darlehenskasse. Reizigers kunnen een zeker
bedrag aan bankbiljetten voor eigen gebruik over de
grens voeren, echter niet meer dan 500 francs.
Enkele dagen later ‘heeft de Regeering van de ge-
nomen maatregelen een motiveering gegeven, waarbij
verwezen wordt naar de toenemende afstrooming van
Zwitsersch bankpapier over de oostelijke grenzen van
het land. De Regeering meent de oorzaak van dit ver-
schijnsel te moeten zoeken in de ingetreden schaarseh-
te aan Fransch, Engeisch en Amerikaansch ruilmid-
del, hetwelk in verschillende oostelijke gelegen landen
zoowel voor betalingsdoeleinden als voor schatvorming
gebezigd wordt.
Van verschillende zijde is deze uiteenzetting der
Regeering echter niet ten volle juist geacht. Gemeend
werd, dat o.a. ook valutaspeculaties in dezen een
groote rol speelden,
terwijl
van anderen kant het ver-
moeden werd geopperd, dat het verschijnsel voor een
deel zou samenhangen met terugkeer naar den vreem-de van tijdelijk in Zwitserland ondergebrachte vermo-
gens.•
Mogelijk is, dat inderdaad dergelijke speciale motie-ven het afstroomingsverschijnsel in de hand werken.
De Regeeringsverklaring stelt evenwel boven twijfel,
dat dezelfde factoren, die, ook hier te lande, tot het
merkwaardig agioverschijnsel op Engelsch en Amen-
kaansch papiergeld aanleiding hebben gegeven, thans
ook ten opzichte van het Zwitsersch ban,kpapier hun werking doen gevoelen. Onder deze omstandigheden
krijgt de vraag of ook niet te eeniger tijd ten opzichte van het Nedenlandsch bankpapier dergelijke afstroo-
mingsverschijnselen zich zouden kunnen voordoen –
indien zulks niet réeds het geval is – grooter betee-
kenis.

Financieele en m o n e t a i r e maat-
e g e 1 e n i n S p a n § e. –
Spanje behoort, gelijk
men weet, tot de neutrale landen, die hun financieele
positie in den oorlog zeer belangrijk hebben kunnen

verbeteren. Waren de wisselkoersen vroeger meesten-
tijds aan den zwakken kant en moesten zoowel de
staatsfondsen als de gelden voor spoorwegaanleg be-
noodigd voor een belangrijk deel in het buitenland
– Frankrijk, Engeland, België – worden gevonden,
in den oorlog heeft de koers op Spanje onder de krach-
tigsten behoord, heeft het land meer dan 1500 mii-
lioen frs. aan goud zien invloeien en is het mogelijk
geweest van de buitenlandshe schuld, welke op een

milliard frs. werd gesteld – waarvan evenwel 300 mii-
lioen geacht werd reeds voor den oorlog Spaansch
bezit te zijn geweest, dat wegens belasting-motieven
naar het buitenland was gevoerd – en van het in het
buitenland uitstaande deel der 2 milliard spoorweg-
obligaties een belangrijk deel terug te koopen. In het
nummer van 19 December 1917, blz. 950, zijn hier-
omtrent verschillende mededeelingen gedaan. Boven-
dien zijn, zooals den lezer bekend is, door Amerika
belangrijke bedragen aan Spaansche zilveren nunt,
welke nog in de vroegere Spaansche kolonies in Ame-
rika
4
aanwezig was, naar Spanje teruggevoerd.

Alen heeft zich wel eens afgevraagd, wat van dit alles
de oorzaak heeft kunnen zijn. Een zeer belangrijke
verzetting der handelsbalans komt ook hier in de
eerste plaats. Weliswaar kunnen de officieele cijfers
tot eind 1917 slechts een actief saldo van 1130 mii-
lioen frs. aanwijzen, doch het schijnt, dat ook hier de
werkelijke waarde van het uitvoersaldo de in de statis-
tiek voorkomende cijfers sterk te boven gaat. Hierbij komt, gelijk door André Barthe in een bijdrage in het
jongste nummér van het Journal de la Sociôté de Sta-

tistique de Paris wordt medegedeeld, dat ook Spanje
een belangrijk bedrag voor vrachtvaart van den vreem-
de te vorderen heeft gehad en voorts, dat door de
Spanjaarden, die in sterk toenemend aantal in de laat-
ste oorlogsjaren in den vreemde, vooral in Frankrijk,
hoogbezoldigden arbeid hebben gevonden, belangrijke
bedragen naar hun verwanten in het moederland wor-
den overgemaakt. De heer Barthe meent uit hoofde
1an deze beide omstandigheden aan het saldo een
bedrag te moeten toevoegen, dat reeds voor Frankrijk
alleen 300 millioen frs. zou bedragen.

Het complex van maatregelen, dat onder deze omstan-
digheden door den Spaanschen Minister van Finan-
ciën wordt voorgesteld, omvat, naar thans door de
Engelsche bladen nader wordt bericht, in de eerste
plaats den volledigen overgang naar den gouden
standaard. Op breede schaal zal tot aanmunting van
goud uit den voorraad der Nationale Bank worden
overgegaan, welk goud te beginnen Juli 1919 in om-
loop zal worden gebracht. Middelerwijl zal vreemd
goud geld tegen de volle waarde in h’et vrkeer wor-
den toegelaten – Spanje heeft, als men weet, het-

zelfde muntstelsel als de Latijnsche muntunie, doch
was bij die Unie niet aangesloten – terwijl de zilveren
munt slechts tot een bedrag van ten hoogste 50 pese-
ta’s behoeft te worden aanvaard. Door de postspaar-
bank en andere lichamen zal het zilver uit het verkeer
worden genomen, ontmunt en in het buitenland wor-
den verkocht. Het voorstel wil, dat hiermede dadelijk
een aanvang wordt gemaakt. Tegelijk zullen de 25
peseta-biljetten uit het verkeer worden genomen en
vanaf 1 Januari a.s. ophouden wettig betaalmiddel te
zijn.

Uit dit alles blijkt dus, dat het de bedoeling is, niet
alleen den volledigen gouden standaard te aanvaar-
den, doch tegelijk het goudkernstelsel, zooals men het
pleegt te noemen, te vervangen -door een werkelijke
goudeirculatie. Een maatregel, die velen niet ten on-
rechte als een stap terug op muntgebied zullen aan-
merken, doch die aan den anderen kant het, voordeel
heeft de Spaansche bank belangrijk te ontlasten en
die er tevens toe strekken kan, hen, die de toekomst
van het goud duister inzien, een weinig optimistischer
te stemmen.

Tegelijkertijd wordt thans voorgesteld de buiten-
landsche schuld definitief om te zetten in een bin-
nenlandsche. Reeds is, zooals ook reeds in het aan-

522

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

12 Juni 1918

gehaalde artikel van 19 December 1917 werd
medegedeeld, van de 700 millioen frs. buitenland-
sche schuld, die men in vreemde handen achtte, een
belangrijk bedrag in Spaansch bezit overgegaan, ter-
wijl de Minister thans het provenu van den verkoop
in het buitenland van het ontmunte zilver tot ver-
deren terugkoop van schuld wil doen strekken. Een
binnenlandsche leening zal voor een en ander de
noodige fondsen hebben te verschaffen.
Op de zilvermarkt zal dit alles, wanneer boven-
dien het zich in handen der Amerikaansche regeering
bevindend zilver ter markt komt, niet nalaten invloed
te oefenen.

De D e p o s i t o r e n t e d e r Engelsche
clearing bdnks in verband met de
fanciering van den oorlog.— Den
lezer is bekend hoe de Engelsche Regeering op tal van
wijzen gepoogd heeft het Britsche kapitaal zooveel
mogelijk dienstbaar te maken aan de onderbrenging
der oorlogsleeningen. Niet alleen is voor nieuwe eis-sies de toestemming der Regeering verplicht gesteld,
maar bovendien is op meer dan een manier getracht
het liquide kapitaal zooveel
mogelijk
aan te trekken.
National War Bonds en Treasury Bills met korten looptijd zijn in grooten getale, de eerste tegen een
vaste, alles samengenomen de 5 pOt. ovei-treffende
rentevoet, verkrijgbaar gesteld, terwijl daarnevens het
novum is ingevoerd van rentedragende deposito’s bij,
de Bank of England. Deze rentevoet bedraagt thans
3 percent waarmede tegelijk een te ver. inzakken van
de rente op de open markt is onmogelijk geworden,
terwijl aan den anderen kant door het toestaan van
een rente van zelfs 4 pOt. op deposito’s uit den
vreemde getracht wordt de aantrekking van vreemde saldi in de hand te werken.
In deze regeling was echter nog één zwak punt, dat,
zoowel de aanzwelling der deposito’s bij de Bank of
England als den verkoop van War Bonds drukte. Dit
was de methode der clearing banks om in speciale ge-
vallen, bij deposito’s op langen termijn en van groote
bedragen, af te wijken van de thans
ep
3 pOt. gestelde
algemeene depositorente. Dit inziende heeft de Regee-.,
ring zich thans de vorige maand in verbinding ge-
steld met degroote banken en met hen een regeling
getroffen, krachtens welke de clearing banks zich ver-
binden met hun depositorente niet boven de alge-
meen vastgestelde rentevoet van 3 pOt. te gaan. Men
begrijpt, dat deze maatregel, die voor de clearing
banks van groote beteekenis is en overigens als het
ware de sluitsteen vormt van de i-eeks overheidsmaat-
regelen tot volledige mechaniseering der Londensche
geldmarkt, zeer de aandacht heeft getrokken. Onder
de vragen, die zich voordeden, was van belang het
feit, dat de Regeering zich aanvankelijk enkel tot de,
clearing banks beperkt, zoodat o.a. de overseas banks
er buiten zouden vallen. In’ de laatste dagen is even-
wel, naar het schijnt, ook dit punt geregeld.

Maatregelen in Frankrijk tegen
kapitaal-export en effecteninvoer.
– Het Fransche Journal Officiel van 4 April bevat
een wet van den 3en April, welke ten doel heeft den
export van Fransch kapitaal tegen te gaan. Andei-s
dan het hier te lande aanhangige ontwerp, dat slechts
den invoer van effecten en het hier te lande creëeren
van schuldbrieveil ten name van vreemden wil tref-
fen, tracht de Franshe wet alle vormen van crediet-verleening, ook die welke niet tot omzetting in een
openbaar verhandelbaar schuldbewijs leiden, aan ban-
den te leggen. In art. 1 wordt, behoudens dispensatie van den Minis-
ter van Financiën, aan ieder in Frankrijk vertoe-
vend persoon, hetzij voor eigen rekening, hetzij voor
derden handelend, verboden: (1)
a.
door een crediet-
of wisseltransactie, welke ook, ten eigen behoeve of
ten behoeve van iemand anders een bedrag in fond-
sen of geldswaarde naar den vreenidè ter uitzetting
op deposito of belegging over te brengen;
b.
in te

schrijven op een kapitaaluitgifte in den vreemde;
c.
mede te werken tot het openen van een crediet aan
een persoon buiten Frankrijk gevestigd;
d.
buiten

Frankrijk eenige fondsén, goederen of producten,
welke ook, te koopen, indien de transactie voor den-
gene, die haar uitvoert, of voor wiens rekening zij
wordt uitgevoerd, de overbrenging uit Frankrijk van
een geldsom of van fondsen tengevolge heeft; (2) het
over de grens verzenden, met het doel om door tus-
schenkomst van een buiten Frankrijk verblijf hou-dend persoon tot realisatie over te gaan, van fond-
sen, wier tegenwaarde niet in francs geremitteerd
wordt of wel leidt tot een crediet in vreemd geld, niet
in ovei-eenstemming met de eischen nader in de
wet gesteld. Verder wordt bepaald, dat, ook da.n van-
neer dispensatie van den Minister verkregen is, voor
transacties, die tot een kapitaal-onttrekking van meer

dan 1000 franes leiden, zekere beperkingen zullen blij-
ven gelden. De uitdrukking ,,ieder in Frankrijk ver-
toevend persoon” omvat zoowel natuurlijke als rechts-
personen, onafhankelijk van hun nationaliteit. –
In de tweede plaats wordt, met gelijke mogelijkheid
van dispensatie van den Minister van Financiën, alle
invoer in Frankrijk verboden van vreemde fondsen en
schuld1ewijzen, die direct of indirect een participatie
in een vreemd bezit of in een aan een vreemdeling ge-
geven credit representeeren. Gelijk in het Neder-
landsch ontwerp, wordt met het invoeren van vreem-
de effecten gelijkgesteld het in Frankrijk creëeren
van stukken aan toonder, welke een
gelijke
strekking
hebben.
De wet geldt ook voor Algiers en zal te zijner tijd
ook van toepassing worden verklaard op de Fransche
protectoraten in Noord-Afrika, Marocéo en Tunis.
De wet blijft van kracht tot drie maanden na de uit-
vaardiging van het decreet, waarbij de datum van be-
eindiging der vijandelijkheden zal worden vastgesteld.

Organisatie van den uitvoer ‘uit Oekraine.
– De Deensche consul-generaal te Budapest vermeldt
in een rapport van begin Mei eenige bijzonderheden
over de organisatie van den aanvoer van verschillende
voortbrengselen der Oekraine naar Duitschland en
Oostenrijk-Hongarije. Op 22 plaatsen, waaronder
havens aan de Zwarte Zee en de rivieren, die daarin
uitmonden en verschillende stations aan de landgrens, hebben zich Duitsche, Oostenrijksche en Hongaarsche
graanfirma’s gevestigd als vertegenwoordigers harer
regeeringen.
Zij
nemen van de Regeering der Oekraine
het door deze te leveren graan in ontvangst.
Op dezelfde,
wijze
is de inkoop van andere grond-
stoffen georganiseerd. Vooral hoopt men, reeds in de
naaste toekomst, flinke hoeveelheden huiden en ver-
schillende metalen’ uit de Oekraine te kunnen betrekken.
Voor het handelsverkeer tusschen
Hongarije
en de
Oekraine is met krachtige medewerking van de Kamer
van Koophandel te Budapest en onder de leiding
der ,,Internationalen Export und Import A.G.” een
speciaal lichaam opgericht met een voorloopig kapitaal
van 42 millioen kronen.

De werking der organisatie wordt bemoeilijkt door
de onrust, die nog in de Oekraine heerscht en die
voortdurende militaire hulp bij de regeling van het
goederenverkeei- noodzakelijk maakt. In de grootere
plaatsen, speciaal in de handeissteden langs de Zwarte
Zee-kust, is het echter reeds eenigen tijd rustig.
Tot zoover het rapport van den consul-generaal.
Zooals uit courantenberichten van den laatsten tijd
blijkt, is de aanvoer van graan uit de Oekraine
aangevangen. Dezer dagen werden de eerste aan-
komsten van Oekrainsch graan te Dresden en Berlijn
gemeld. Reeds vroeger bereikten ons dergelijke be-
richten uit Oostenrijk. Ook levering aan de Oekraine
van landbouwwerktuigen, speciaal zeisen, heeft reeds
plaats gevonden. Van groote beteekenis zijn de
hoeveelheden graan tot nog toe echter niet.

B i n n e n v a a r t a f s t a n d e n in Gen-
t r a a 1 – E u r o p a.
– De midden-europeesche ka-

12 Juni 1918

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

523

Van
Naar
Over

Lengte in
A.M.
Duur in dagen
j.rans-

port-

kosten

0

Ontbrekende
rn
werkelijkheid




waar-
.
ton
n
kanaalgedeelten
van kunst-
weg

>

IV


,

K.M.
R’dam
Soelina
l).Rijn, Main, Main— Kanaliseering Main
337 Donau-Kan., Donau
3529
612
3899
23
1
/2
25
4811
2

29
43 0,84
Main—Donaukanaal

167 579
Parallelkan.m. d. Donau
75J
2)
Rijn, Mittellandkan.,
Kan. Hannover-Elbe

180
Elbe, Kanaal Pardu-
Pardubitz—Prerau
178 542.
bitz—Prerau–Wee-
.
Prerau—Weenen

186

J
nen, Donau ………
3548
1032
4028
25
25 50 33
04
0,93

‘)
Rijn,

Mittelland-
kanaal, Waterwegen
in de Marken, Oder
Kan.Hannover—Elbe

1801
—Spreekan.,

Oder,
,,

Kosel—Oderberg

60 512

Donau—Oderkanaal,
,,

Oderberg—Weenen
272j

Donau ………….
3654
1199 14079
26

1
25 51
34
69
0,95
2)

de lijnrechte
afstand welke voor de zelfde
vrachtkosten
afgelegd
zou kunnen
worden.

naalverbindingen hebben reeds vaak onze aandacht
gehad, in het jongst verschenen nummer van het Welt-wirtschaftliche Archiv bespreekt Dr. Kende de nieuwe
litteratuur over de economische ontwikkeling van
Oostenrijk-Hongarije en hierbij 0. v. Schneller’s voor-

drach t, gepubliceerd in de , ,Veröffentlichu ogen des
Oesterreichischen Arbeitsauschusses für die Herstel-
lang eines Grossschiffahrtsweges Elbe-Oder-Donau”,
Heft 2, Weenen 1917. Hierin komt een tabel voor,
waarvan wij in aansluiting met de vroeger verschenen
artikelen een gedeelte overnemen.
Doorgaand verkeer van Rotterdam naar zeehavens van
Roemenië zal practisch wel niet een rol gaan spelen.
Het overzicht is evenwel van beteekenis als verhou-
dings-schema.

Bij de rubriek ,,Rubber” onder de overzichten vindt
men eene verhandeling oyer de beperking van de rubberproductie in Oost-Azië en van den rubber-
invoer in de Vereenigde Staten.

INGEZONDEN STUKKEN.

WISSELNOTEERINGEN.

In de dagbladen ziet men dagelijks onder de finan-
cieele berichten opgaven, liiidende ,,Wisselnoteerin-
gen of koersen te Amsterdam”, ,,Wisselnoteeringen of
koersen te Rotterdam”; in enkele dagbladen staat er
bij vermeld ,,wiisselnoteeringen ingevolge art. 156
W. v .K.” Echter mag men wel aannemen, dat in de
dagbladen, waarbij deze bijvoeging niet vermeld staat,
met de opgaven toch bedoeld zijn de opgaven te ver-
strekken, in verband met art. 156 W. v. K. vereischt,
in allen gevalle, mag men wel zeggen, worden zij in
de provincie als zoodanig opgevat.
Art. 156 W. v. K. nu luidt:
,,Een wisseibrief moet betaald worden in het geld,
daarbij uitgedrukt.
,,Indien nogthans dat geld geenen wettelijken koers
in het koninkrijk had, zal, wanneer de koers niet bij
den wisselbrief is geregeld, de betaling geschieden in
Nederlandsch geld, volgens den wisselkoers van den
vervaltijden van de plaats der betaling, en, zoo daar
geen wisselkoers bestaat, alsdan volgens dien van de
handelplaats, het naastgelegen bij die, waar de wissel-
brief moet worden betaald.”
Het artikel wil dus zeggen, dat, wanneer een koop-
man, een fabrikant, een winkelier goederen betrokken
heeft uit Engeland, uit Duitschland, voor een be-
paalde som in £, in marken, hij moet betalen op den
vervaltijd van den wissel, getrokken op hem voor de
geleverde goederen, in Hollandsch geld, en wel het £,
de mark, omgerekend, wanneer hij woont te Amster-
dam of in een plaats, dichter bij Amsterdam dan bij
Rotterdam, tegen de noteering van het £, de mark,

vastgesteld te Amsterdam, en wanneer hij woont te
Rotterdam of in een plaats dichter bij Rotterdam dan
bij Amsterdam, tegen de noteering, vastgesteld te

Rotterdam.
De Nederlandsche koopman, fabrikant, winkelier is
derhalve de betalende persoon. Wie is nu de ontvanger
van het bedrag in Nederlandsch geld? De houder van
den wissel, d.w.z. dé bank of banklar te Amsterdam of
Rotterdam, die den wissel uit het buitenland ter in-
casso ontvangen heeft, of in. een provincieplaats, de
kassier, aan wien de wissel door een Amsterdamsche
of Rotterdamsche bankier of bank ter inning toege-
zonden is. Die provinciale kassier vei-antwoordt aan
de bank of den bankier te Amsterdam of Rotterdam
het Hollandsche bedrag, dat hij ontvangt; per saldo
ontvangt de bank of bankier te Amsterdam of Rotter-
dam het Hollandsche bedrag.
Die bank of die bankier heeft echter ter incasso
ontvangen een wissel in £, in markèn; zij of hij heeft te verantwoorden aan zijn/haar buitenlandschen cor-respondent, hetzij bank of bankier, of, indien hij den
wissel direct ontvangen heeft van den Engelschen,
Duitschen exporteur, fabrikant, aan dien Engelschen,
Duitschen exporteur, fabrikant een bedrag in £, in
marken.
Mocht de noteering, waartegen de £, de marken van
den wissel, volgens art. 156, al. 2, W. v. K. moeten
omgerekend worden, hooger zijn dan de koers, waar-
tegen £, mai-ken, gekocht kunnen worden, dan geeft
het verschil een voordeel, mocht echter bedoelde no-
teering lager dan de werkelijke koers zijn, dan geeft
het verschil een nadeel voor de bank, den bankier,
die den wissel ter incasso ontvangen heeft. De bank
of de bankier heeft derhalve belang bij de noteering,
vereischt ingevolge art. 156, al. 2, W. v. K.
Doch ook voor den Nederlandschen importeur, fabri-
kant, winkelier is het geen onverschillige zaak, wat
hij voor den wissel in Hollandsch geld moet betalen, is
de omrekeningskoers, waartegen hij de door hem ver-
schuldigde t, marken moet betalen, zeker van belang.
Hoe is het totstaudkomen van de wisselnoteering
ingevolge art. 156, al. 2, W. v. K. geregeld? Volgena
art. 60, al. 2, W. v. K. worden de koersen of prijzen
volgens plaatselijke reglementen of gebruiken opge-
maakt, terwijl art. 60 al. 1 zegt, dat uit de handelin-
gen en afspraken, ter beurze gesloten, wordt opge-maakt de bepaling van den wisselkoers. Hierbij zij
nog vermeld, dat art. 59 W. v. K. zegt, dat de beurs
van Koophandel plaats heeft op gezag van het plaat-
selijk bestuur.
Men zoude uit deze bepalingen derhalve kunnen
afleiden, dat het totstandkonien van de bovenbedoelde wisselnoteeringen geregeld is bij plaatselijk reglement
(of gebruik).
De wet van 4 September 1914 S. 445, houdeude be-

524

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

12 Juni 1918

palingen betreffende den geld- en fondsenhandel in de tegenwoordige buitengewone omstandigheden (Beurs-
wet 1914) spreekt eveneens over de beurzen. In de
overweging der wet leest men:
,,Alzoo wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is voor den geld- en fondsenhandel in de tegenwoordige buitengewone omstandigheden bijzon-
dere bepalingen vast te stellen.”

Art. 1 zegt: ,,Onder beurzen in den zin dezer wet
worden verstaan alle Nederlandsche beurzen van
Koophandel, voorzooverre zij bestemd zijn voor den
geld- en fondsenhandel, ook, wanneer zij niet op gezag
van het plaatselijk bestuur worden gehouden, alsmede
alle veilingen van fondsen.”

Art. 2 lsfe lid: ,,De beurzen staan onder toezicht
van den Min. v. Landb., Nijverheid en Handel.”

2de lid: ,,In verband met het toezicht, in het eerste
lid bedoeld, is onze genoemde Minister bevoegd, voor-
schriften te geven of te doen geven omtrent:
1
0
. opening en sluiting der beurzen,

2
0
. de noteeringen en de wijze, waarop ter beurze
zaken worden gedaan,
30

een en ander voor zooveel noodig onder afwijking van
de voor eenige beurs bestaande reglementen van het
plaatselijk bestuur of van eenige vereeniging.”

Nog lezen we in de Beursvoorschriften 1914 (vast-
gesteld door den Minister van Financiën
bij
besluit
van 15 Jan. 1915, Staatscrt. 16 Jan. ’15, no. 13) in
art. 3:

,,als beurzen voor den geld- en fondsenhandel
worden aanvankelijk aangewezen:
10.
voor alle beursaffaires, behalve die genoemd
sub 2
0
. en 3°. van dit artikel, de groote beurszaal in het gebouw van de Vereeniging voor den Effecten-
handel;

2
0
. voor verkoopen van onderpand en geldieenin-
gen, de voorhal van de groote beurshai onder
10.
b-
doeid;
30 voor andere verkoopen, die ingevolge de wet of
de overeenkomst van partijen ter
rn
beurze moeten ge-
schieden, de door het Plaatselijk Bestuur der ge-
meente Amsterdam voor dergelijke verkoopen aange-
wezen ruimte in de Groote Koopmansbeurs te
Amsterdam;

andere localiteiten kunnen nader als beurs wor-
den aangewezen.”

De vraag rijst, in verband met het bovenstaande, of
de wisselhandel – de handel in buitenlandsch geld,
in buiteniandsche remisen – gerekend moet worden
te vallen onder den ,,geidhaudel”; noch in de Beurs-
wet ’14, noch in de beursvoorschriften 1914, wordt
over wissels nader gesproken, terwijl de bepalingen
van genoemde wet en beursvoorschriften den indruk
geven, dat zij meer beoogden de regeling in de buiten-
gewone omstandigheden van eind 1914 van den fond-
senhandel met de prolongatiën en daggeldieeningen,
welke meer verband houdefi met den fondsenhandel.
Doch, ook zeer zeker heerschten en heerschen nog
op het gebied der buitenlandsche valuta, verkeeren
we, wat de buitenlandsche wisselkoersen betreft, in
hoogst abnormale omstandigheden en buitengewone
omstandigheden – groote fluctuaties – zullen blij-
ven, ook naar groote waarschijnlijkheid, na den vrede.
Mocht de handel in buitenlandsche wissels – het
betaalmiddel in het buitenlandsch verkeer par excel-
lence – gerekend worden onder den geidhandel in
het algemeen, dan is toepasselijk art. 2, lid 2 van de
Beurswet 1914, zoodat de Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel voorschriften kan geven om-
trent de noteeringen, de wijze, waarop ter Beurze
zaken worden gedaan, voorschriften omtrent het tot
stand komen van noteeringen van de wissels, waarbij
zoo velen in den landeingevolge art. 156, al. 2, W.v.K.
belang hebben. Mocht de handel in buitenlandsche
wissels niet tot den geidhandel, bedoeld bij de Beurs-
wet 1914, begrepen zijn, dan zoude het plaatselijk

bestuur, en wel B. en W. van Amsterdam, voor de rege-
ling van de noteering te zorgen hebben.
Hoe komen thans de betreffende wisselnoteeringen
(te Amsterdam) tot stand? Sinds een paar jaren ko-
men – zijn we goed ingelicht – eiken beursmiddag
te 2’% uur beurtelings drie leden van een bankiers-
vereeniging
1)
bijeen, en stellen de noteeringen –
geldende voor de omrekening van de £, de marken enz.,
der wissels in buitenlandsche munt op Nederlanders
getrokken, ingevolge art. 156, al. 2—vast. Zooais boven
aangetoond, worden die omrekeningskoersen vastge-
steld door personen, hetzij lid .van een bankiersfirma,
hetzij directeur eener bank, voor wie de omrekenings-
koez’s van belang is: mocht, zooals boven vermeld, de
door hen vastgestelde omrekeningskoers hooger zijn
dan de koers, waartegen de buitenlandsche valuta ge-
kocht kunnen worden, dan geeft de noteering een
voordeel aan hun firma of bank, wanneer de noteering
lager is, een n.adeel.
Een factor, in de tegenwoordige tijden van belang,
treedt hierbij nog op, nl. het verschil tusschen de
bied- en laatprjzen van de valuta. Bij de groote fluc-
tuaties, welke we eiken dag in de buitenJandsche
valuta hebben en de onzekerheid der markt is het ver-
schil tusschen laat- en biedprjzen niet onaanzienlijk;
wordt nu de noteering gelijkgesteld aan den laatprijs, dan kan zij voor bank en bankiers reeds een voordeel
afwerpen, want ze plaatsen een bedrag in vreemde
valuta tegen den laatprijs, zijnde hooger dan de bie-
dende prijs.
Deze wijze, waarop de wisselnoteeringen in verband
met art. 156, al. 2, W. v K. vereischt, worden vastge-
steld, kan men moeilijk juist noemen. Zij toch ge-
schiedt door drie leden eener bankiersvereeniging, voor
wier leden een noteeripg boven dan wel beneden
den werkelijken koers, waartegen de valuta verkocht
worden, na- of voordeel geeft, terwijl voor den- gehee-
len Nederlandschen handel – den importeur, den
fabrikant, den winkelier – en resp. ook de consumenten de koers van omrekening van de buitenlandsche valuta
in Nederlandsch geld, de som bepalende, welke deze voor hunne goederen moeten betalen, zeer zeker ook
van belang is.
Het is mij niet bekend of een plaatselijk reglement
(art. 60, al. 2, W. v. K.) nadere bepalingen bevat,
regelende het totstaudkomen van de wisselnoteerin-
gen, formaliteiten voorschrijft of contrôle; moeten de
drie bankiers de door hen vastgestelde noteeriugen
officieel opgeven aan het plaatselijk bestuur, aan een
beurscommissie, een opgave doen, onderteekend door
hen drieën, heeft het plaatselijk bestuur zich een
recht van contrôle, van wijziging ingeval van verschil
van meening voorbehouden? Worden de opgaven door
een door het plaatselijk bestuur daartoe uitgenoodigd
of aangewezen persoon of commissie gecontrasi-
gneerd, als bewijs van medeverantwoordelijkheid?
Een regeling voor een noteering ter Beurze, door de wet verlangd en waarnaar eIken werkdag groote
en kleine bedragen worden afgerekend over het ge-
heele land, zal, naar ik meen te mogen veronderstel-
len, wel bestaan en wel, naar ik vermoed, een rege-
ling, door het plaatselijk bestuur zelf ingesteld; het
vaststellen van de bedoelde noteeriug door drie leden
eener (officieuse) vereeniging op eigen houtje, auto-
ritate sua, is m. i. in deze moeilijk denkbaar.
v. L.

Op ons verzoek teekent de heer P. – Bredius bij de
beschouwingen van den geachten inzender aan:

Art. 60, al. 1, W v. K., zegt: ,,uit de handelingen
en afspraken, ter beurze gesloten, worden opgemaakt
de bepalingen van den wisselkoers enz.”
Art. 60, al. II, W. v. K., zegt, dat deze onderschei-
den koersen of prijzen opgemaakt worden volgens
plaatselijke reglementen
of gebruiken.
Hieruit spreekt duidelijk, dat, hoewel volgens art.

1)
Naar we vernamen, een vereeniging, nog niet lang
geleden door eenige banken en bankiers opgericht; zij is
een niet-officieel lichaam.

12 Juni 1918

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

525

59 W. v. K. de beurs van koophandel plaats heeft op
gezag van het plaatselijk bestuur, geen plaatselijk
bestuursreglement vereischt wordt om tot een offi-
cieele noteering van koersen, prijzen etc. te geraken.
De plaatselijke besturen laten dan ook, en naar mijn
meening, zeer terecht, het opmaken der wisse1notee
ring aan de eenmaal geldende gebruiken over.

De vraag, of bij de uitvaardiging der beurswet 1914
de bedoeling zou hebben voorgezeten in te
grijpen
in
die gebruilen, moet dunkt mij beslist in ontkennen-
den zin worden beantwoord, voor zooverre het de wis-
selnoteering betreft. De wetgever beoogde naar mijn
meening inderdaad meer bepaaldelijk het voorkomen
van de geforceerde afwikkeling der transacties, die
met den fondsenhandel verband houden, welke afwik-
keling tot op dat tijdstip, hetzij bij wettelijke bepa-lingen of bij bepalingen der effectenvereenigingen
geregeld was.

Het betoog van den geachten inzender volgend, stel
ik mij de vraag, of de wijze waarop de officieele wis-
selnoteering tot stand komt de noodige waarborgen biedt, dat het belang der bankiers niet op den voor-
grond treedt en de belangen van den handel niet wor-
den uit het oog verloren. Het zal den inzender niet
onbekend zijn, dat de leden der Bankiersvereeniging,
drie aan drie t tour de rôle op een bepaald uur van
den beursdag de noteering opmaken, aan de hand van
de koersen, waartegen transacties tot een vastgesteld
minimum-cijfer op dat eigen oogenblik tot stand kwa-
men, daarbij rekening houdend met de stemming, nl.
of de vraag dan wel het aanbod overheerschend is. Bij de vaststelling der koersen kunnen alle leden der Ban-
kiersvereeniging aanwezig zijn en contrôle uitoefenen.

flet wil
mij
toeschijnen, dat ook dan, wanneer het
plaatselijk bestuur het opmaken der officieele wissel-
noteering zou ter hand nemen een betere waarborg
voor reëele noteeringen niet zou zijn te vinden. Dat
het bankiersbelang, ook al wilde men dat op den
voorgrond schuiven, den doorslag zou geven, is door
bovenaangegeven methode buitengesloten.

Dat de Hollandsche koopman en de buitenlandsche
fabrikant belang hebben bij den wisselkoers, ook bij
den officieelen wisselkoers, behoeft geen betoog; dat
de groote schommelingen van den laatsten tijd groote
kans op voordeel en groot gevaar voor nadeel voor de
partijen kunnen medcbrengen, ligt voor de hand, niet
het minst, waar op het oogenblik, dat de schuld vol-
daan wordt, volgens het bepaalde bij art. 156, al. II,
W. v. K., groote wijzigingen kunnen zijn ingetreden,
groote verschillen ontstaan, tusschen de officieele no-
teering en de werkelijke waarde der vreemde valuta.
Evenwel zou zulks eveneens het geval zijn, ook al
werd de opmaking der officieele noteering bij plaat-
selijk bestuursreglement geregeld.

De bankiers hebben evenwel ook in dat opzicht bij
de officieele noteering geen belang. Hunne bij onder-
ling overleg vastgestelde uniforme incasso-tarieven
laten het eventueele voordeel aan den cliënt en wen-
telen het mogelijke nadeel op dezen af. De geachte in-
zender ziet over het hoofd, dat de buitenlandsche
belanghebbende zich voor koersrisico kan behoeden
door bij verkoop-transactiën overeen te komen, dat
betaling zal moeten geschieden per bankchèque in de
vreemde valuta; tegen dezen eisch van billijkheid kan
de binnenlandsche kooper geen bezwaar maken. Voor
beiden zouden dan groote afwijkingen tusschen offi-
cieelen en effectieven koers geen rol meer spelen.
Beter nog (ik merk dit op, al valt het buiten het be-
toog) ware het, dat de Hollandsche kooplieden be-
dongen, dat hun in onze eigen valuta wordt gefac-
tureerd.

Alles bijeengenomen, geloof ik, dat overheidsbe-
moeiing onnoodig is en dat alle waarborgen, die de
wetgever heeft verlangd, in voldoende mate aanwezig
zijn. Theoretisch ware het juister, dat de officieele
wisselkoersen werden opgemaakt door makelaars, die
in het vak, waarin zij de makelaardij uitoefenen, voor
eigen rekening noch zelve, noch door tusschenkomst

van anderen, noch gemeenschappelijk met anderen,
noch in commissie handel mogen
drijven
(art. 65, al,
II, W. v. K.), doch bij ontstentenis van dezulken,
althans hier ter stede [Rotterdam], schijnt mij deze,
niet onbelangrijke aangelegenheid op de door mij uit-eengezette en niet met de wet strijdige
wijze,
alleszins
voldoende geregeld. P. BREDItJS.

OVERZICHT VAN TIJDSCHRIFTEN.

Tijdschrift voor Economische G cogra-
phie. – ‘s-Gravenhage, 15 Mei 1918.
A. M. de Bont,
De aardappelteelt in Nederland;
Prof. Dr. H.. Blinic,
De economische hulpbronnen

van Rusland;
F. M. Knobel,
Hef Rotterdamsch ,,Jaar-
verslag” 1.917; G.
Goossen,
De handel van Nederland
met het buitenland in 1917;
H. Bi.,
Steenkolenpro-
ductie in Nederlandsch Indië.

Journal of the Institute of Ban kers. –
Londen, Mei 1918.
Sir. J. Paget,
The Gilbart Lectures 1918. Lectures
III and IV.

The American Journal of International
Law. – New-York, Januari 1918.
S. B. Baidwin,
The share of the President of the
United States in a declaration of war;
Ch. Tower;
Addresses by Elihu Root on international Subjects;
J. 1V. Garner,
Treatment of enemy aliens; G.
E.
Sherman. Jus
gentium and international Law;
G.
Wright,
Treaties and the constitutional separation
of powers in the United States;
D. P. Myers,
Violation
of treaties by adverse national action.
Suppiement to the American Journal of Interna-
tional Law. Volume 12, Number 1, January 1918 – official Documents (Japan—United States, United
States).

Journal de la Société de Statistique de
Paris. – Parijs, 15 Mei 1918;
P. Razaus,
L’adaptation aux travaux de la paix
des usines créées pour la défense nationale;
A. Ba?:the,
Le change étranger en Espagne en 1917;
M. Huber,
Ohronique de démographie.

De heer Paul ].{azaus brengt in zijn bijdrage een reeks
van beschouwingen omtrent hetgeen zijns inziens voor de
Fransche oorlogsindustrie, in de eerste plaats de zwaar-
industrie, na den oorlog te wachten staat. Omtrent de
mogelijkheid zich goede hoogovencokes te verschaffen – voor
Frankrijk, dat aan de naar den tegenwoordigen stand der
wetenschap daarvoor bruikbare steenkool zeer arm is, een
levensquaestïe – is de schrijver, in tegenstelling van hier
te lande bij de behandeling van het hoogovenplan verkon-
digde Ineeningen, weinig optimistisch. Uitvoerig bespreekt
hij voorts in het algemeen de vraag, in hoeverre in de toe-
komst op de steenkool als brandstof kan worden bezuinigd.
Enkele gegevens uit het artikel van den heer Andrd
Barthe vindt men elders in dit nummer vermeld.

The Geographical Journal. – Londen,
April 1.918.
Dr. E. W. G. Masterman,
The Jordan valley and
its Lakes;
J. M. Wordie,
The drift of the ,,Endu-
rance”;
E. A. Reeves,
Halley’s magnetic variation
Oharts; British Interests in Spitsbergen;
H. G. Lyons,
Olimate of North-West Africa.

In de mededeeling aangaande Spitsbergen wordt de cor-
respondentie in Jan. en Maart
1917
tusschen de Royal
Geographical Society en het Foreign 0ff ice gepubliceerd,
die in het artikel over Spitsbergen in
No. 124
van dit
weekblad gereleveerd werd.

Technik und Wirtschaft. – Berlijn, Mei 1918.
Von Zwiedineck-Züdenhorst,
Veranlagung oder
Schulung?
Schilling,
Die Bedeutung neuzeitlicher
ausgestaltung von industriellen Betrieben für die
Wirtschaft nach dem Kriege;
Neumann,
Patentdauer
und Patentgebühren;
L. Gücic,
Der Vereinheitlichungs-
gedanke in der Lagerfabrikation marktgiingiger
Kompressoren und Kurbelwasserpumpen.

526

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

12 Juni 1918

REGEERINGSMAATREGELEN OP
HANDELSGEBIED.

Verbouw van koolzaad op gescheurd
grasland oogst 1919. Om den verbouw van
koolzaad op gescheurd grasland aan te moedigen, heeft

de Minister van Landbouw de medewerking inge-
roepen van de Suikervereeniging, die daartoe een
Koolzaadkantoor heeft ingericht. Dit kantoor sluit

met de landbouwers contracten af voor den verbouw
van koolzaad op grasland, gescheurd na 15 Juni 1918.
Aan de verbouwers wordt een scheurpremie van

f
450,— per H.A. in uitzicht gesteld.

Vermicelli en macaroni. Teneinde een

meer regelmatige verdeeling van de vermicelli- en
macaroni-productie te bevorderen, is bepaald, dat deze

artikelen voortaan slechts mogen geleverd worden
door het Rijkscentraal Administratiekantoor voor de

distributie van levensmiddelen.

0 as ei n e. Met ingang van 10 Juni is verboden
het vervoer en de aflevering van caseine.

Vetten en oliën. Met ingang van 5 Juni is,

behoudens uitzonderingen, verboden de verkoop, de aflevering en het vervoer van alle dierlijke en plant-
aardige vetten en oliën, zoowel eetbare als technische,
alle mengsels van bedoelde oliën en vetten en alle
oliehoudende zaden, noten en pitten. Voorts wordt
een algemeene opgave gevorderd van alle oliën, vetten,
oliehoudende noten, zaden en pitten, vetzuren en

andere afvalvetten, op 3 Juni, des namiddags te
12 uur aanwezig. Handelaren behooren hun gehee]en
voorraad op te geven; particulieren slechts de hoe-

veelheden, die zij boven de 25 K.G. bezitten.

Grof roggebrood. Met ingang van 10 Juni
zijn nieuwe maximumprijzen vastgesteld voor grof
roggebrood, verkrijgbaar op R-bons.

L ij m v 1 e e s c h. Maximumprijzen zijn vastge-
steld voor nat en voor droog iijmvieesch.

M a n u f a c t u r e n. De vrijstelling van het ver-
bod tot vervoer van manufacturen, tot nader order
verleend voor koffers met monstercollecties, is met
ingang van 1 Juni ingetrokken.

V i s c h. Aan de lijst van artikelen, aangewezen
ingevolge art. 1 der Distributiewet- 1916, is toege-
voegd zoetwatervisch.

K o f f i e. In verband met den geringen voorraad
koffie, nog hier te lande aanwezig, kunnen de tot
heden verstrekte koffie-rantsoenen aan hotels, café’s, enz., niet gehandhaafd blijven.

Rennen, hanen en.konijnen. Aan hen,
die met toestemming van de Rijkseommissie van Toe-
zicht hennen, hanen en konijnen ter bevriezing heb-
ben opgeslagen, kan vergunning worden verleend tot vervoer en aflevering van deze diere.

S rn e e r o ii e. De uit Oostenrijk aangevoerde
2000 ton smeerolie zullen binnenkort onder bepaalde
voorwaarden ter beschikking van den handel worden
gesteld tegen een prijs van
f
229 per 100 K.G., netto
voor den consument, franco bestemming, exclusief

fust.

A f v a 1 v a n n i e uw t o u w. De verbodsbepalin-
gen ten opzichte van de aflevering en het vervoer
van lompen zullen ook van toepassing zijn op afval

van nieuw touw.

0 u d t i n. Maximumprijzen zijn vastgesteld voor

oud tin.
Waterplanten als veevoeder. Met.
liet oog op de schaarschte aan veevoeder wordt de aan-
dacht gevestigd op eendenkroos (lemma triscula), de
waterpest (elodea canadensis) en roode kroos (azolla).
Zilveren munten. Aangezien de voor zilver
in eiken vorm vastgestelde maximumprijs vrijwel over-
.eenkomt met de werkelijke ziiverwaarde van onze zil-
veren standaardmunt, kunnen deze munten niet tegen
hoogeren prijs dan de nominale waarde worden ver-
handeld, zonder overschrijding van den maximum-

MAANDCIJFERS.

ONTVANGSTEN VAN SPOOR- EN TRAMWEGMAATSCHAPPIJEN FEBR. EN MAART 1918.

(Ontleend aan de ,,Ingenieur”.)

Namen der Maatschappijen.

.
Totale ontvangsten.
Totale ontvangsten.
______________-


1

-_
_______________
Febr.
1918.

Febr.
1917.
Maart
1918,
Maart
1917.

Maatsch. tot Exploitatie van Staatsspoorwegen
f4.584.312,—
f
3.892.353,-
1
)
f
5.343.413,
2
)
f4.433.896,—’)

HoIl. IJzeren Spoorwegmaatschappij

……..
„3.271.658,—
11
2.715.038,— ‘)
,,3.791.472,—’)
,,3.195.680,—’)

Ned. Centraal Spoorwegmaatschappij ……..
360.833,—
,,

332.059,-1)
,,

429.297,—
,,

388.731,—’)

Noordbrab.-Duitsche Spoorweg-maatschappij
.
,,

116.705,—
72.708,—
,,

121.148,
,,

121.576,-

Hollandsche Buurtspoorwegen

…………..
25.161,12
,,

12.551,47
,,

28.155,42
,,

15.173,82

Dedemsvaartsche Stoomtrarnwegmaatschappij..
,,

34.630,39
1
!,
,,

25.629,851/
,,

.98.892,92
,,

33.092,10
1
!2

Tramw.mij. ,,de Meijerij”:

lijn Veghel—Eind-
hoven—Belg. grens en St.Oedenrode—’s Bosch,
,,

28.580,90′!
,,

15.152,51
)
lijn Eindhoven—Helmond—Asten en


..

‘,,

31.764,68
,,

18.029,79

….

,,

l.6.11,O2/
,,

5.917,24
)
35.459:97
,,

24.453,89
,,

40.205,75
,,

30.487,59

,,

106.128,98’h
,,

86.105,84
,,

126.159,00
1
I
,,

100.399,37’12
Zuid-Nederi. Stoomtramweg-maatschappij ……..

,,

128.570,04
,,

101.091,50
1
!2


Nederlarsdsche Tramwegmaatschappij ………
Rotterdamsche Tram w egmaatschappij ………
27.501 ,61
1
I2
,,

20.730,04’/
,,

32.098,97’/
,,

23.900.49
Westlandsehe Stoomtramwegmaatschappij …….
Gemeentetram te Amsterdam …………….
….
527.025,86
,,

421.494,17
,,

577.181,84
,,

447.959,01

Geldrop—Heeze ……………………….

Haagsche Tramwegmaatschappij

…………
250.518,01
,,

213.859,33
,,

279.029,58’12
,,

217.869,30

Rotterdamsche Electr. Tramwegmaatschappij..
,,

218.912,69
,,

185.747,46
,,

243.805,71
;,

198.755,59

Nederlandseli-Indische Spoorwegmaatschappij
lijn Sainarang—Vorstenlanden—Willem
1
..,,

….

357.000,—
,,

303.207,—
,,

359.000,—
,,

350.952,-

Oost-Java Stoomtramwegmaatschappij
lijn Modjokerto—Ngoro ………………
14.700,—
,,

9.400,—
,,

11.000,—
8.500,-

lijn Soerabaija—Krian ………………..
53.600,—
,,

47.100,—
,,

58.900,—
,,

51.000,-

240.100,—
,,

215.000,—
,,

280.200,—
,,

230.200,-

Sarnar.—Joana Stoomtramwegmaatschappij ..
,,

181.400,—
,,

190.500,—
,,

241.800,—
,,

208.500,-

Serajoedal Stoomtramwegmaatschappij
lijn Maos—Baadjarnegara …………….

….
….

33.400,—
,,

33.600,—
,,

39.400,—
39.700,-

Semarang—Cheribon Stoomtramwegmaatsch…….

,

7.600,—

,,

8.300,—

….

,,

37.100,— ,,

35.832,—


lijn

Bandjarnegara—Woilosobo…………..
Eediri Stoomtramwegmaatschappij

………..
,,

43.500,—
,,

35.357,—


1alang Stoom tram
w
egm aatschappij ………..Deli Spoorwegmaatschappij ……………….
,,

412.000,—
,,

354.621,—
,,

452.000,—
,,

405.667,-

1
) Definitieve opgave.
t)
Waarvan
f
2.039.912,— uit personenvervoer en
f
3.203.970,— uit goedeienvervoer.
5)
Waarvan
f
2.124.623,— uit personenvervoer en
f
1.579.296,— uit goedersnvervoer.
De ontvangsten der groots maatschappijen, die in de ,,Ingenieur” ontbreken, zijn aan het ,,Maandschrift Centr. Bureau Statistiek” ontleend

12 Juni 1918

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

527

prijs. Den burgemeesters is verzocht tegen overschrij-
ding te .waken en bij voorkomende gevallen het zilver
in bezit te nemen.

R ij k s k a n t o r e n, e n z. Met ingang van 1 Juni
zijn door den Mipister van Landbouw, enz., ingesteld
Bijkskantoren voor: Groenten en Fruit; Zaden;
Visc/v; Vee en Paarden en Vlas.
Met ingang van den-
zelfden datum zijn opgeheven de hiervoor bestaande
Vereenigingen. Voorts is op dezelfde wijze ingesteld
het
Ri,jkskantoor voor granen, peulvruchten en aard-
appelen
(met ingang van’ 1 Juli);
het Rij/cslcantoor
voor Brood (R.B.)
en het
Bijkskantoor voor Huiden
en Leder (B.H.L.).
Eveneen met ingang van
1
Juni
j.l. is opgeheven het Rijksdistributiekantoor voor .thee
en koffie en daarvoor ingesteld een
Rijlcslçantoor voor
thee en’ icoffie.

Cacao en cacaofabrikaten. Verboden
is het verwerken van cacaoboonen tot cacao- of cho-
colade-massa, anders dan voor oogenblikkelijke be-
hoefte van eigen bedrijf; het verwerken van cacao-
boonen, cacaomassa, chocolademassa of andere half-fabrikaten tot chocolade in welken vorm dan ook; het
vermengèn met vreemde bestanddeelen, het verwerken,
afleveren en vervoeren van cacaopoeder, en het veï-
voeren en afleveren van cacaoboonen, cacaomassa,
chocolademassa of andere haiffabrikaten.

Toegestaan zal alleen worden het maken van choco-
lade in reepen van minstens.
30
gram ongevuld en
35
gram gevuld, welke door bemiddeling van de ge-
meentebesturen tegen maximumprijzen
(t2%
ct. per
stuk verpakt,
12
ct. onverpakt) in consumptie zullen worden gebracht. De levering van minstens
3 4
mil-
lioen reepen per week gedurende een halfjaar is ver-
zekerd. De nog aanwezige voorraden chocolade mogen
tot
15
Juli vrij worden verkocht.

De regeling gaat uit van het denkbeeld, dat eet-
chocolade een geschikte en gewilde vorm van bij-
voeding is. Cacaopoeder mag ook door winkeliers niet
meer worden afgeleverd. De voorraden poeder worden,
voor zoover zij meer bedragen dan
25 K.G.,
overal in
liet land gevorderd, gebleken is echter reeds dat deze
te gering zijn om tot eene distributie van cacao over
te gaan.
PRODUCTIE DER KOLENMIJNEN.
C)

(Ontleend aan ,,Maaudschrift Centraal Bureau Statistiek”)

Naam. van de

Maart

1

April

Mijn

1918

1

1917

1

1918

1

1917

Staatsmijnen.

Wilhelmina”

49.847

48.890

47.717

36.623
,,Emma ………..
.54.980

54.081

54.786

47.542
,,llendrik ……..
.11.373

12.671

Totaal .. . .

116.200
1

97.971
1
115.174
1

84.165

Particul.
mijnen.

Domaniale mijn.
41.845 40.658
39.310
34.07
Mijn Laura en Ver-
1
42.900
39.100
41.300
35.400
Oranje-Nassau

mijnen ……..
70.002 69.558 69.398
57.765

eeniging ……..

Mijn Willem So
22.500

..

22.500
20.000
21.000
phie …………

Totaal ….
177.247
1

171.816
1

170.008
1

148.872

Totaal generaali 293.447
1
269.787
1
285.182
1
233.037

*) In tonnen

Het ,,Maandschrift” teekent bij de cijfers aan: uit bovenstaande cijfers blijkt, dat in April
1918
8.265
ton minder werd geproduceerd dan in Mart
1918,
en -indien-men de productie der staatsmijn ,,Hendrik”
buiten beschouwing laat –
52.145
ton meer dan in
April
1917.

STATISTIEKEN EN OVERZICHTEN.

N.B.

beteekent: Cijfers nog niet ontvangen.

GELDKOERSEN.

BANKDISCONTO’S.

8
Juni
1918
20
Juli
1914

Ne d

Disc.Wissels.
4
1
/2
sedert
1Juli’15
3
1
/2sedert23 Mrt. ’14

Ban
I
jBel.Binn.Eff.
4
2
/2
1

’15
4
23


14
11
Vrsch.inR.C.
5
1
/

,,
19Aug.’14
5
,,

23

,,

’14
Bank van Engeland
5

,,
7Apr.’17
3 ,,

29 Jan ’14
Duitsche Rijksbank
5

,,
23Dec.’14
4
,,

5Febr.’14
Bank,van Frankrijk
5

,,
21Aug.’14
3
1
/’
,,.

29 Jan.’14
Oostenr. Hong. Bk.
5

,,
12 Apr.’15
4 -,,

12 Mrt. ’14
Nat. Bank v.Denem.
5

,,
9

,,

1
15
5
6Febr.’14
Zweedsche Rijksbk.
7

,,
20Mrt.’18
4l/
,,

6

,,

’14
Bank v. Noorwegen
6

,,
14Dec.’17
41/2
,,

11

’14
ZwitserscheNat.Bk.
4/2

,,
31

,,

’14
3/2
19

,,

’14
Bank van Spanje ..
4

,,
22Mrt.’17
4l/

Bank van Italië ..
5

,,
10Jan.’18
5
,,

9 Mei ’14
Feder.Bes.Bk.N.Y.
3-4



Javasôhe Bank….
3
1
/2

,,
1Aug.’09
3’/
,,

1Aug.’09

OPEN MARKT.

Amsterdam

1 Londen
I
Berlijn IParijsl N.
York
Data

Part.
1
Prolon- j Part.

Part.

Port.
1
Cal!.
disconto
1
gatle

disconto disconto disc.

moneg

8 Juni ’18
25/
8
_2/
4
1)
32)
3″/82

45/
t)

3-8Juni’18
2/8-/4
3’/4
3
17
/22
4_.6/

4-6
27M.-1J.’18
2/-3
31/
4
…4
3l71
45/

4’/2-6
’20-25Mei’18
2
1
/2-3
2 1/2.31/2
3H-i-1
4_8/a

41/
5
_58f
4

4-9 Juni ’17
1/8-2
2-ij4
428/82
4-s/8

3V2-4
5-9 Juni’16
2-
1
/i
2_1/,
40/ia 3,5/442/5

2’/-3’/

20-24Jul.’14
3
1
/_
8
/t
2h/
4
.8/
4

2h/4_8/4
2ij8-/2
2/4
1l/2I/
2

1) Noteering van
7
Juni.
.6

WISSELKOERSEN.

WISSELMARKT.

De stemming op de wisselmarkt blijft lusteloos. De zaken
zijn uiterst gering. Alleen in Marken vinden regelmatig
omzetten plaats. Voor de andere wissels is meermalen geen
kooper of geen verkooper te vinden. De sternmiug was de
afgeloopen week flauw. De koersen voor alle oorlogvoerenden
liepen ca. 2 pCt. terug. In het midden der week trad, een
licht herstel in, vooral voor Berlijn, later ook voor Londen, Parijs en New-York, maar daarna liepen de koersen weder
terug. Alleen Weenen bleef de geheèle ‘week aangeboden en
– was aan het einde der week ruim 3 pCI. ‘lager als bij het
.begin. De stemming voor de neutrale wissels was verdeeld. Denemarken was beduidend lager, daarentegen ivaren de
twee andere Skandinavische landen en ook Zwitserland
weinig of niet veranderd.

KOERSEN IN NEDERLAND.

Data

t
Londen ‘Parijs Berlijn Weenenl Si.P 1
New
ter
,-
1
•1

.1

*)

_j_l York 1)

3 Juni 1918
– .
9.40 34.70 38.65
23.80

1.97/
4

,,

1918

..
9.35
34.60 38.30 23.40

1.96
1
/2
5

,,

1918

..
9.30
34.30
38.07/,
23.05

1.95
1
/2
‘6

1918

..
9.35 34.42
7

38.40
23.15

,
1.96
1
/2
7′

1918

..
9.39
34.57/,
38.42
1

23.15

1.96/4
8

1918

. –
9.34
34.40 38.02
1
2
6


1.96/4
Laagste
d. w. 0
9.28
34.20 37.80 22.80
-‘
1.95
Hoogste
,,

,,

‘)

9.47
34.95 38.95


1.98V2 1
Juni 1918

. –
9.45
34.95 38.85
23.90

1.98’/s
25 Mei

1918

. .
9.46/,
34.95

38.95 24.10

1.98’i2
.Muntpariteit•
..
12.10
48.-
59.26
50.41
1.28
2.488/
4

) ‘Noteering te Amsterdam.
2)
Particuliere opgave

6

528

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

1’2 Juni 1918

Data
Stock-
holm)
Kopen-
hagen’)
Chris-
liania’)
Zwitser-
l
an
ds)
Spanje
1

1)
Batavia
t
)
telegrafisch

3 Juni 1918
67.35
61.75
62.20
49.75
57.-
99-100,
4

,,

1918
67.20 61.40
62.10
49.75
57.-
99-100

5

1918
66.75
61.-
61.80
49.80
57.20
99-100

6

,,

1918
67.-
61.10 62.10
49.90
56.75
99-100
7

,,

1918
67.40
61.35
62.20
49.90
56.75
99-1004
8

1918
67.10 61.20
62.10 49.75 56.75
99-100 L’ste d. w.’)
66.70 60.80 61.65
49.60
56.-
99
H’ste

,,

,,

‘)
67.60
62.-
62.50
50.-
57.50
100/,
1 Juni 1918
67.50
62.-
62.50
49.65
57.20
99-100
25 Mei

1918
68.20
62.40 63.20
49.20
57.50
991–1001
,

Muntpariteit
66.67 66.67 66.67
48.-
48.-
100

5)
Noteering te Amsterdam.
t)
Particuliere opgave

KOERSEN TE NEW YORK.

Cable
Zicht
Zicht
Zicht

D
Londen

Parijs
Berlijn
Amsterd.
0 0
(in .$
(In fr’.
(in cents
(in cent,
per
P.
$)
p. 4
Rm.)
per gld.)

8 Juni

1918
4.76.45
5.71
1
/s
oom.
50
5
14
Laagste d. week..
4.76.45
5.71
1
!

49
1
/s
Hoogste

. .
4.76.45
5.71′!

50’/4
1 Juni

1918
4.76.45
5.71
1
!2
oom.
49′!1
25 Mei.

1918
4.76.45
5.71
1
Ii
oom.
49
Muntpariteit ….
4.86.67
5.18/4
95 ‘/
408/te

KOERSEN VAN DE VOLGENDE PLAATSEN OP LONDEN.

Plaatsen en
Londen
Noteerings.
eenheden

7 Mei
1918
21 Mei
1918

Tijdperk
22 Mi-
8
3 Juni
91

Laagste
I
Hoogste

3 Juni
1918

Alexandrië..
Piast. p.
£
977/16 977/16
977/,,
9771
16

97
1
/to

B.

Aires
.. …
d.p.gd.pes. 508/4

51
11
51
52
1
!4
51′!2
Calcutta
.. .’.
sh/d.p.rup.
116
1
1,!
1/6′!32
116
1/6
1
!,6
1/6’k
Hongkong ..
id. p.
$
31181s
3/1′!2
3/1t!2
311
7
!8
311
7
,’8
Lissabon….
d.p.escudo
29
3
!,
31
30
338/4
31
Madrid

.. ..
Peset.
p. £
17.13 16.93 16.58 16.92
16.63
Montevideo..
d.p.peso
65
64
1
!4
63’/
65′!4
64
Montreal….
$
per
£
4.82
1
!2
4.82
4.81
4.838/4

4.83
1
13
Petrograd
..
R. p. £ 10
oom.
nom.
nom. oom.
oom.
R.d.Janeiro’)
d.p.milr.
13
1
1is
13
1
!,,
13J82
13/,,
137/s2

Lires
p. £
42.76 43.15 43.20
43.65
43.60
Shanghai

..
sh/d.p.tael
4/5
8
!4
4/58!4
4/58/4

4/6’/4
4/6’/4
Rome

…….

Singapore
id.
p. $
2/4
1
/,2
2/4
8
/,2
214’182
2/4’/4
2/48/,,

Valparaiso
‘)
d.p.pap.p.
16”!,,
16
1
/a
16″!,e
17
7
/,,
17’/,,
Yokohama
..
sh!d.p.yen
2/2
7
132
2/2
5
/,,
211
8
!,,
2/28!,

2/2
7
,’16

1) Noteeringen op
90
dagen.

GOUD EN ZILVER.

Sedert 29 Juli 1916 worden de dagelijksche ontvangsten
en onttrekkingen van goud door de Bank van Engeland
tijdelijk niet bekend gemaakt.

NOTEERING VAN ZILVER.

Noteering te Londen.

te New York

8 Juni
1918
……..
48/,
99
1
/2
1

,,
1918
……..
48′!,
99′!2
25 Mei
1918
……..
48/,
99
1
/2
18
1918
……..
48/,
‘)
11

,,
1918 ……..
49′!,
99′!2

9 Juni
1917
……..
37′!,,
758/4

10
Juni
1916 ……..
30′!4
63′!
20 Juli
1914
……..
24″!,,
54′!8

‘)
Noteering van
17
Mei.

NEDERLANDSCHE BANK.

Verkorte Balans op 8 Juni 1918.

Activa.

Binneni,
Wis-
( H.-bk.
f
28.430.470,94
1
!2
sels, Prom.,< B.-bk. ,, 1.230.713,51
enz
in dict’
1
As,h

l72144.1’/, –
f
46.875.647,59
Papier o. h. Buitenl. in
discon10

……………………..

Idem eigen portef..
f

8.099.561,20
Af: Verkocht maar voor
debk.nognietafgel.,,


8.099.561,20
Beleenin
g
en
(H.-bk.
f
70.058.628,51 Vi
mcl. vrsch.,
B.-bk.
7.403.060,77
*
in

rek…crt.
t
Ag.sch.
,, 44.671.141,94 Vs
op onderp.

f122.132.831,23

Op Effecten

……
f119.445.931,23
Op Goederen en Spec. ,,

2.686.900,-
122.132.831,23
Voorschotten a. h. Rijk
…………….

Munt en Muntmateriaal
Munt, Goud ……
f
83.957.790,-
Muntmat., Goud ..
,,636.193.452,42
1
/2

f720.151.242,42
1
!2
Munt, Zilver, enz..
7.784.350,75
Muntmat. Zilver
..
,


727.935.593,17
1
!2
Effecten
Bel.v.h.Res.fonds..
f

5.220.093,82
id. van ‘/,v.h.kapit.

,,

3.989.268,30′!2
9.209.362,12’/2
Geb. enMeub. der Bank
…………….

..
1.465.000,-
Diverse

rekeningen

………………
..
91.807.641,20’12

f1.007.525.636,52
1
!2

Passiva.
Kapitaal

……………………..
f

20.000.000,-
Reservefonds

………………….

..
,,

5.234.534,18′!2
Bankbiljetten in omloop
…………
,,

917.260.095,-
Bankassignatiën in omloop……….
,,

2.339.048,40
1
/2
Rekening-Courant saldo’s:
Van het Rijk……
f
13.512.122,18
Van anderen
……

..
43.584.907,62
57.097.029,80
Diverse rekeningen

………………
..5.594.929,13’/,

f1.007.525.636,52′!,

Beschikbaar metaalsaldo…………..
f

531.834.383,52
1
!2
Op de basis van
‘/,
metaaidekicing ……
336.495.148,88!,
Minder bedragaan bankbiljetten in omloop
dan waartoe de Bank gerechtigd
is ..
,,
2.659.171.915,-

Verschillen met den vorigen weekstand:
Meer

Minder
Disconto’s

1.420.267,44
1
!2
Buitenlandsche wissels

253,-
Beleeningen

11.119.440,39’/ Goud

114.936,69
Zilver

12.964,69′!2
Bankbiljetten

10.353.r565,_

Part. Rek.-Crt. saldo’s …..3.427.964,86Vi

Voornaamste posten in duizenden guldens.
Data
Goud
Zilver
B
k
biljetten

Andere
opeischbare
schulden

8
Juni
1918
..
720.151
7.784
917.260 59.436
1
,,
1918
720.266
7.797
927.614
61.880
25
Mei
1918
..

.


721.439
7.799
919.162
73.201
18
,,
1918
719.240
7.756
933.985
62.857
11
1918
721.771
7.493
952425
60.656
4 ,,
1918
721.833
7.331
971.986 64.449
27
April
1918
….
725.771
7.274
936.472
71.764
20
,,
1918
.

.
729.446
7.158
895.117 75.776
13
1918
730.152
7.135
894.911
75.711
6
,,
1918
721.397
7.154
93.899 64.320
30
Maart 1918
722.184
7.285
889.692 59.943
23
,,
1918
723.051
7.337
864.373 66.509
16
1918
.
723.807 7.323
858.394
58.834

9
Juni
1917
..
594.428
7.420
749.594 50.828
10
Juni
1916

546.323
6.715
642.005
74.904

25
Juli
1914
….
162.114 8.228
310.437
6.198

12 Juni 1918

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

529

1)a

Disconto’s
Be,.,:.
Beschik-
baar
Dek-
kings-
Hiervan
T
0
00

ningen
Metaal.
-percen-
promessen
saldo
lage
rechts! reeks

8Juni 1918
46.876
18.000 122.133 531.834
75
1

,,

1918
48.296
18.000
133.252 529.395
74
25 Mei 1918
50.096 18.000
131.743
529.987
73 18

,,

1918
55.018
18.000
»

135.293 527.115
73
11

,,

1918
58.395
18.000
150.486
525.715
72
4

1918
61.871 18.000
170.593
520.938
70
27Apr. 1918
46.520
18.000 153.925
530.839
73
20

1918
36.547
18.000
115.576 541.717
76
13

,,

1918
36.597

111.694
542.401
76
6

,,

1918
29.243 10.000 115.118
536.216
76
30 lJrt. 1918
19.165

115.737
,538.809
77
23

,,

1918
20.822

108.980
543.478
78
16

,,

1918
21.714

103.580
546.945
80

9Juni 1917
53.245
40.000
85.298
440.806
75
10 Juni 1916
39.834
19.400 71.858
.408.830
77

25 Juli 1914
1

64.947 14.300
61.686
43.521′)
54
1)
Op de
baaie
van
2
/6
metaaldekking,

Uit de bekendmaking van den Mi n is ter van F i na n-
ci n blijkt, dat uitstonden op:

8Juni1918
l
Juni1918

Aan schatkistpromesseu..
f
134.890.000,-

f
134.890.000,-
waarvan rechtstreeks bij
de Ned. Bank geplaatst
18.000.000,-
18.000.000,-
Aan schatkistbiljetten
. »
47.428.000,-
,,

47.507.000,-
Aan

zilverbons

……..
..
,

41.147.674,-
,,

37.714.878,50

JAVASCHE BANK.

Voornaamste posten in duizenden guldens.

Naast de per mail ontvangen gegevens worden detelegrafisch
bekend geworden totaalcijfers der obligo’s en uitzettingen en het beschikbaar metaalsaldo van latere data opgenomen.

Data
Goud
Zilver
Ban 4.
i
Jetien
Andere
opeischb.
schulden

1 Juni 1918
254.200
25 Mei

1918
255.600

87.277 20.738 173.377
61»983
86.800
20.778
170.111
64.530
23 Febr. 1918 ……
86.330 20.552
168.617
63.933

9 Mrt,

1918 ……..
2

,,

1918 ……..

2

Juni

1917 ……
72.995

.

22.160 160.565
35.127
..

..

31.595 146.657
37.254
3

Juni 1916 …….56.765

25 Juli

1914

….22.057
31.907
110.172
12.634

Wissels,
Diverse
Beschik-
Dek.
zata
Dis.
bulten
Belee-
e e-
baar
krngs.
conto’s
N.-Ind.
ningen ningen
metaal-
percen-
betaalbaar
saldo
lage

1Juni1918
12000
65.900
***

25Mei 1918
130.900
64.100
**

9 Mrt. 1918
8.703
33.208
64.’
26.534
61.246
46
2

,,

1918
8.599 35.652 63.425
25.351 60.911
4
23Febr.1918
8.752
35.774
62.263
24.747
60.627
46

2Juni1917
6.550 36.226 50.976 12.565 56.465 49
3Juni1916
6.644
39.576
41.301
11.126
51.577
48

25Juli1914
7.259 6.395
47.934
2.228
4.842
2)
44
‘)
Sluitpost der activa.
2)
Op
de
basis van
2/

metaaldekking.

SURINAAMSCHE BANK.

Voornaamste posten in duizenden guldens.

Data
Metaal
Circulatie
Andere
opeischb.
schulden
Disconto’s
D

k

23Maart1918 ..
547
1.256
901
1.075
626
16

1918

..
548
1.256 869
1.088 572
9

,,

1918

..
546
1.291
884
1.095
748
2

,,

1918

..
584
1.308
759
1.093
553

24Maart1917 ..
762
1.043
1.104 939
360
25Maart1916 ..
970
895
835 928 560

25 Juli

11914

..
645
1.100
560
»
735
396
1)
Sluitpoot der activa.

BUITENLANDSCHE BANKSTATEN.

Aan het eind van ieder kwartaal wordt een overzicht gegeven

van enkele niet wekelijks opgenomen bankstaten.

BANK VAN ENGELAND.

Voornaamste posten, onder bijvoeging der Currency Notes,

in duizenden p. st.

Currency Notes.
Data

Metaal

Circulatle

Bedrag
1
Goudd.
I
Goo. dec.

5 Juni 1918 63.795

51.855

***

***

***

29 Mei 1918 63.451

51.051 247.790 28.500 224.251
22 ,, 1918 62.633

50.246 247.195 28.500 223.254
15 ,,

1918 61.708

49.977

244.063 28.500 220.254

6 Juni 1917 55.087

38.966 158.828 28.500 129.643
7 Juni 1916 61.570

35.484

119.887 28.500

85.680

22 Juli 1914 40.164

29.317

Cao.
I
Other
I
Public

Other

Re-
I
kings-
Data

Sec.

Sec.

Depos.
I
Depos.
I
seroe

percen.

5 Juni’18 56.404 101.558 38.664 131.905 30.389 17,82
29 Mei ’18 56.788 106.486 41.056 135.270 30.850 17,50
22

’18 55.581 97.304 39.434 127.600 30.837 18,57
15 ,, ’18 57.317 105.522 41.457 133.820 30.182 17,22

6 Juni’17 45.247 106.749 47.999 120.798 34.572 20,48 7 Juni’16 42.187

63.602 50.301 82.286 44.536 33’/2

22Juli ’14 11.005

33.633 13.735 42.185 29.297 52/

1)
Verhouding tueschen Reserve en Deposits.

m

DUITSCHE RIJKSBANK.

Voornaamste posten, onder bijvoeging der Darlehens-

kassenscheine, in duizenden Mark.

Dek-.
Liata
etaa
Daarvan
Kassen-
Circu-
kings-
Goud
scheine
latie
percen-
_______________

31 Mei

1918
2.466.105
2.345.674 1.620.751
12.002.688
34
23

1918
2.465.889
2.345.524 1.516.618
11.700.247
34
15

,,

1918
2.465.819 2.345.393 1.555.846 11.803.870
34
7

1918
2.464.955
2.345.192
1.550.545
11.802.332
34

31 Mei

1917
2.567.128
2.533.211
446.696
8.285.154
36
31 Mei

1916
2.499.663 2.464.403 553.073 6.737.650
45

23 Juli

1914
1.691.398
1.356.857
65.479 1.890.895
93

1)
Dekking der
circulatic door
metaal
en
Kassenscheine.

Darlehenskassenschrine

Data

Wtssels

Rek. Crt.

Totaal

In kas hij
uitge-

de Reichs-
______________

geven
I

bank

31 Mei 1918 14.544.772

7.634.794

***

23 ,,

1918 14.000.447

7.333.316

8.572.300 1.501.800
15 ,,

1918 14.546.209

7.751.370

8.613.300 1.541.600
7

1918 13.577.588

6.857.044

8.613.400 1.536.800

31 Mei 1917 9.364.504

4.538.163

4.662.500

431.600
31 Mei 1916 5.493.650

1.728.412

1.780.200

512.000

23 Juli 1914

750.892

943.964 . ……………….

RUSSISCHE STAATSBANK.

Sedert 5 November 1917 is geen bankstaat verschenen.

530

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

12 Juni 1918

BANK VAN FRANKRIJK.

Voornaamste posten in duizenden francs.

Waarvan

I
Te goed
I
Buit .gew.

Data

Goud

in hel

Zilver

in het

voorsch.
Buitenland

I
Buitenland old. Slaat

6 Jni’181 5.418.744 2.072.108 253.765

*4*

17.500.000
30 Mei ’18 5.382.424 2.037.108 254.041 1.448.883 16.800.000
23 ,, ’18 5.381.736 2.037.108 255.487 1.407.374 16.450.000 16 ,, ’18 5.380.980 2.037.108 256.245 1.357.968 16.250.000

7 Juni’171 5.278.511 2.033.740 257.742
1
774.207 10.600.000

8 Juni’161 4.745.245

350.032 688.180 7.700.000

23Juli ‘1414.104.3901

1
639.6201

Uiige-

Belee.

Bankbil.

Rek. Cr1.

Rek.
Wissels

stelde
nin

Part t-

Cr1.

kVissela

g

jetten

culieren.

Staat

. 1.399.156 1.080.629 936.788 28.012.196 3.611.088 54.684
1.120.605 1.083.957 929.427 27.343.372 3.339.833 46.064
!. 1.078.817 1.087.861 937.675 27.073.138 3.162.143 65.497
1.091.394 1.090.083 992.929 29.064.028 3.017.958 89.560
Cr
0
1.493.658 1.316.321 1.131.756 19.779.898 2.740.701 75.441 399.165 1.495.226 1.206.600 15.665.235 2.096.454 42.213

1.541.080

769.400 5.911.910 942.570 400.590

SOCIËTÉ GÉNÉRALE DE BELGIQUE.
1)
Voornaamste posten in duizenden francs.

I

Metaal
1
Beleen.
1
Beleen.

Binn.
mcl.
1

van

1

van

I
wissilo
1
Circu. 1
Data

buiten!.
1
buiten!. prom. a’.

en

1

latte
1

saldi
1
verder.

provinc.

6cieen.
1

saldi

6 Juni ’18 886.470 99.068 480.000 109.312 1.305.727 259.394
30 Mei ’18 887.657 99.026 480.000 107.632 1.305.096 259.529

23 ,,

’18 887.882 98.905 480.000 109.847 1.310.235 256.746

8 ,,

’18 808.733 98.808 480.000 122.005 1.266.338 232.480

7 Juni ’17 382.036 87.635 480.000 83.377 016.045 107.131
S Juni ’16 247.902 66.228 480000 00.062 701.763 147.819
t)
Sedert einde 1914 met de functie van
circulatiebank belast.

VEREENIGDE STATEN VAN NOORD-AMERIKA.

FEDERAL RESERVE BANKS.

Voornaamste posten in duizenden dollars.

aarvan

Waar-

F.R.

van in

Zilver

Notes in
Data

Goud

voor dekking het bui-

etc.

circu.
F. R. Notes

tenland

lalie

22 Maart’18
1.802.814
899.919
52.500 59.558
1.429.509
15

’18
1.793.243
890.714
52.500
58.950 1.406.228
8

,,

’18
1.788.198
916.969
52.500 59.685 1.383.990
1

’18
1.777.329 905.915
52.500
60.444
1.351.091

23 Maart’17
912.055 352.038

10.665
844.603

Waar-

I

Dek.
I
Goud
Total
vkings.

dekking

Data

Wissels

De
p
osito’s
Kapitaal

circu-
lage
1)

latie

22Maart’18 871.999

1.882.396

74.011

59,6

63,-
15

’18 840.732

1.833.275

73.886

61,6

63,3
8

’18 838.292

1.815.835

73.624

59,2

66,3
1

,,

’18 801.738

1.820.954

73.401

60,5

66,6

23 Maart’17 106.271

844.603

56.057

80,5 101,5
1)
Verhouding tusochen: den totalen
goudvoorraad. Zilver etc., en de
opeiachbare
schulden:
F. R. Notes en netto depositos met inbegrip van
het kapitaal.

PARTICULIERE BANKEN AANGESLOTEN BIJ HET
FED. RES. STELSEL.

Voornaamste nosten in duizenden dollars.

1

Totaal

Data

Aantal
1
uitgezette

Reserve

Waarvan
bij de

Totaal
time
banken
1
gelden en F. R. banks

depo3itos

deposits
beleggingen

15 Mrt. ’18 681 11.923.007 1.152.208 11.029.244 1.392.492
8 ,, ’18

682 11.928.372 1.164.890 11.190.614 1.395.667
1

’18

676 11.994.184 1.089.152 11.119.448 1.375.066
21 Febr.’18

686 11.860.946 1.170.737 11.243.053 1.404.882
15 ,, ’18

679 11.527.276 1.139.386 11.089.879 1.381.799
8 ,, ’18

670 11.443.117 1.208.992 10.937.616 1.358.737
1

’18

675 11.523.854 1.203.956 10.896.831 1.359.956
25 Jan. ’18

671 11.541.418 1.199.201 10.777.154 1.399.748

EFFECTENBEURZEN.

Amsterdam, 10 Juni 1918.
Hoe meer het offensief aan het Westelijk front het
karakter aanneemt van een zeer langdurige worsteling, van
een strijd, die telkens hervat en weder afgebroken wordt,
om op deze wijze in een lange reeks van gevechten eindelijk
te trachten, het einddoel te bereiken, vermindert de belang.
stelling hiervoor op de internationale beurzen. Men wordt
er zich langzamerhand van bewust, dat de gevechten, die
wij thans aanschouwen en die door periodes van rust her-
haaldelijk worden onderbroken, slechts episodes zijn, dtap-
pen, die tea slotte het eindpunt van den weg zullen doen
zien. Uit successen aan deze of aan gene zijde valt voors-
hands, niets omtrent het definitieve resultaat op tQ maken.
Er wordt dan ook meer aandacht besteed aan gebeurte-
nissen, meer direct het beursverkeer rakende. Vooral in
])uitschland is dit het geval, waar de nieuwe belasting-
ontwerpen thans punten van behandeling in den Rijksdag
uitmaken. Voorloopig is het onderwerp nog slechts in be-
spreking bij de Hoofdcommissie van den Rijksdag, doch,
waar hier de technisch-geschoolde en knappe koppen van
het financie-wezen vereenigd zijn, mag wel worden aange-
jiomeil, dat de besluiten, daar gevallen, ook in het plenum
van den Rijksdag de goedkeuring zullen verwerven. Voor-
loopig heeft deze hoofdcommissie getoond een open oog te
hebben voor de groote economische taak, die der beurs
vooral in dc tijden na het sluiten van den vrede zal worden
opgedragen. Van alle zijden werd de nadruk er op gelegd,
dat voor den wederopbouw na den oorlog in de eerste plaats
noodig is een beurs, die zich vrijelijk kan bewegen en die
in hare functies niet door een overmaat van zwaar druk-
kende belastingen wordt gehinderd. Reeds was op deze
noodzakelijkheid gewezen in den vorm van diverse adres-
sen aan den Rijksdag door belanghebbende kringen uit de bankwereld, Kamers van Koophandel, enz. en het heeft er.
alle schijn van, dat met de opmerkingen en aand’hidingen,
in deze adressen gegeven, terdege rekening zal worden ge-
houden, zoodat de ontwerpen niet zonder ipeer tot wet
verheven zullen worden. Aanvankelijk bestond eenige be-
zorgdheid in verband met het feit, dat de tegenwoordige
wilde speculatie aan de Berljnsche beurs, waarvan wij ook in deze kolommen herhaaldelijk melding hebben gemaakt,
den blik der deskundigen op de toekomst min of meer bene-
veld zouden hebben. Men was bevreesd, dat zij, zonder na-
dere overweging, ter breideling der speculatie, zouden over-
gaau tot het bepleiten van nog drukkender heffingen, doch
deze vrees is niet bewaarheid geworden. De meerderheid
der commissie heeft haar nuchter oordeel volkomen intact
gehouden en het voorstel van den afgevaardigde Riesser
aangenomen, dat ten doel heeft de in het ontwerp voorge-
stelde belastingheffing van 3 pro mille voor omzetten in
aandeelensoortea te reduceeren tot ékn pro mille, waarbij
bovendien niet-officieel genoteerde aandeclen, die in het
ontwerp niet verdubbeling der heffing werden bedreigd, ge-lijkgesteld worden met wel officieel-verhandelde, zoodat zij
ook een heffing van 66n pro mille te dragen zullen krijgen.
Tegenover deze voorstellen van den heer Riesser stonden
de amendementen van den afgevaardigde Brockhausen, die
het zegel op omzetten in aandeelen op 2 pro mille vast-
gesteld wensehte te zien, nog wel met de bepaling, dat dit
zegel tijdens den duur van den oorlog tot dn procent zou
worden verhoogd, voornamelijk om de ongezonde speculatie
tegen te gaan. Met deze laatste voorstellen scheen zich ook
de Regeering te hebben vereenigd. Zoowel de secretaris
der Schatkist, Graaf Roedern, als de onderstaatssec
l
teta
r
is
Schiffer hadden hun instemming met deze amendementen
betuigd, eenerzijds als toegejuicht middel om de over-
speculatie tegen te gaan, anderzijds uit fiscale overwegin-
gen. Van zeer bevoegde zijde werd echter aangevoerd, dat
een belasting van twee pro mille in slechte tijden reeds
zoodanig den weerstand der beurs zou inperken, dat het
hierdoor geschapen kwaad oneindig veel grooter zou zijn,
dan het tijdelijk voordeel van hoogere inkomsten. Boven-dien is tegen een bizonder hooge belasting gedurende den
oorlog aan te voeren, dat een vermindering bij het intreden
van normale tijden ongekende moeilijkheden en complicaties
met zich zou kunnen brengen. 0p grond van deze overwegin-
gen kon de meerderheid der commissie zich niet met een
oorlogstoeslag op de belasting vereenigen en verklaarde zij
zich tevens vSÔr het hier gereleveerde voorstel-Riesser.
Deze loop van zaken heeft aan het einde der berichts-
periode ter beurze van B e r 1 ij
11
wederom een opgewekte
stemming doen ontstaan. In den aanvang was eerder een
zekere terughouding op te merken, vermoedelijk naar aan-
leiding van de waarschuwingen, die vrijwel allerwegen in
de pers tegen de gevaren der overspeculatie waren gerezen.
Men gevoelde zich meer aangetrokken tot de voorzichtige
zijde. Dientengevolge was de kooplust plotseling zeer veel

12 Juni 1918

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

5

3 1

kleiner geworden. Vooral kwam dit tot uiting op de Mon-
tanmarkt, waar de sterke koersverheffingen van den laat-
sten tijd bijna overal plaats moesten maken voor meer of
minder heftige reacties. Lothringer, Luxemburger, Phoenix
en Bochumer hadden wel het meest van het gebrek aan
kooplust en den groei der realisaties te lijden. Daarentegen
bleven scheepvaartnancleelen vast gestemd, vooral
H.
A. P.
A. G., waarvan allerlei geruchten omtrent flieuwe plannen
tot uitbreiding in omloop zijn, zonder dat deze nochtans
bepaalden vorm hebben aangenomen of bevestiging hebben
kunnen vinden. Naarmate echter de week verstreek, werd
de herinnering aan de uitgesproken waarschuwingen zwak-
ker en kon zich weer nieuwe speculatielust van het publiek
meester maken. De heer Havenstein, president van de
Rijksbauk had wel gesproken van de ,,wahusinnige und
wahilose Spekiilation” en even had dit wel indruk ge-
maakt, doch gesproken woorden vervliegen snel en de moge-
lijkheid om spoedig en gemakkelijk Vrij groote sommen te
verdienen, was ten slotte sterker dan welke waarschuwende
vinger ook. Toch moet worden erkend, dat de speculatie
wel een eenigszins ander karakter heeft aangenomeh. Thans
worden meer de goede, bekende soorten van industrieele
papieren in den kring der belangstelling getrokken. O.a.
waren aan het einde der week aandeelen 8teaua Romana
goed gevraagd, in verband met het thans in druk versche-
nen jaarverslag der Deutsche Erdöl A.G., waarin nogmaals
met nadruk gewezen wordt op de aanspraken op schadever-
goeding, die de petroleumondernemingen tegen de Roemeen-
sche Regeering zullen doen gelden. Voor de geanimeerde tendens in aandeelen Steaua Romana is bovendien nog de
bizondere factor van gebrek aan leverbaar materiaal aan
te wijzen. Er worden thans slechts zulke stukken verhan-
deld, die bij de Rijksbank zijn aangemeld en die dus zijn
opgenomen in het register van het Duitsch bezit. Hierdoor
is echter schaarschte aan materiaal ontstaan, hetwelk steeds
een eenigszius stimulèereuden invloed op den koers van
het betrokken fonds uitoefent.
Melding dient hier nog te worden gemaakt van de over-
name der Triersehe Volksbank door de Disconto Geseil-
schaft, waardoor wederom een tot nu toe zelfstandige pro-
vinciale instelling met een kapitaal van 24 millioen Mark
en reserves van Mk. 350.000 in het net der Grossbank-filia-
len is opgenomen.
Te L o n d e ii heeft de beurâ nog steeds een lusteloos
verloop gehad. Engelsche staatsfondsen en oorlogsleningen
worden slechts sporadisch verhandeld; men houdt rekening met mogelijke dwangbepalingen teneinde den verkoop van
National War Bonds te bevorderen en vreest den invloed,
die hierdoor zal uitgaan op de vaste-rente-dragende schuld-
brieven. Vn vreemde staatsfondsen bleven Japansche ge-
zocht in verband met de amortisatie-aankoopen, terwijl
voorts tJïuguay-obligaties gevraagd werden, als gevolg van een financieele overeenkomst, tusschen dit land en
Engeland gesloten, waarbij Uruguay zich bereid heeft ver-
klaard leveranties tot een totaal bedrag van 50 millioen
Goud-pesos te financieren. De tendens voor inheemsche
spoorweg

waarden is iets beter geworden. Van de koloniale
spoorwegaandeelen waren inzonderheid Grand Trunk sterk
gevraagd, in verband met berichten, dat de Canadeesche
Regeering voortgang zou iaken met hare pla,nnen tot over-
name door den Staat van deze spoorweg-maatschappij.
Argentijnsche spoorwegen eerder aangeboden; de arbeiders-
moeilijkheden behooren klaarblijkelijk nog niet tot het
verleden.
Van de overige soorten waren speciaal rubberwaarden
gedrukt naar aanleiding van de onbevredigende exploitatie-
cijfers. De houding van de’ rest van de markt heeft geen
aanleiding tot bizondere bespreking opgeleverd.
Te N e w Y o r k is de tendens over het geheel vast van
toon gebleven, met uitzondering evenwel van een enkelen
dag, toen bekend werd, dat Duitsche duikbooten in de nabij-
heid van de New Yorksche haven waren gesignaleerd. Ver-
nioedelijk moet ook het niet-doorkomen van de Amerikaan-
sche slotkoersen op 66n dag van de achter ons liggende
week hiermede in verband worden gebracht. Op de overige
beursdagen echter was een geanimeerde stemming de over-heerschende. Speculatieve aankoopen in Marinewaardeai in verband met meer gedefinieerde berichten omtrent den ver-
koop vafn een groot aantal aan de Marinetrust behoorende
schepen aan Engeland vormlen de erste aanleiding, later
gesteund door niededeelingen omtrent den zeer bevredigen-
den gang van zaken in sommige industrieën. Met name
preferente aandeeleii Hide and Leather werdeiï tot hoogere
prijzen uit de markt genomen, toen de ontvangstcijfers over
het derde kwartaal van het loopende boekjaar bekend wer-
den. Aan deze publicatie werden optimistische beschouwin-
gen omtrent de toekomst vastgeknoopt. Over het geheel
schijnt de beurs te New York, minder dan die in de overige

Entente-plaatsen, onder den invloed van het nieuws van
het Westelijk front te verkeeren.
• T e o n z e n t heeft de staatsfondsenafdeelinçj
een uiter-
mate kalm verloop gehad. De ruimte van de geldmarkt
werkt er toe mede het niveau voor de inheemsche soorten
op een zelfde pèil te houden, hoewel groote kooplust niet
te onderscheiden valt. In buitenlandsche soorten zijn de
omzetten mede van geringe beteekenis. Meer belangstelling
trekken van beleggingswaarden thans sommige soorten van
provinciale- en stedelijke leeningen uit het neutrale buiten-
land, in welke soorten, als Christiania, Kopenhagen, enz.
af
en toe transacties van eenige beteekenis plaats vinden.
Wellicht ook is hier verband te zoeken met het ontwerp
tot wering van den invoer van vreemde fondsen.

4 Juni
7 Juni 10 Juni
Riizingof

41/2
0
/0
Ned. W. Schuld
..
. .
03
92
1
/to
92
—1
4
1
/

0
/0

,,

,,

,,

1916
93314
93
931/2

1/
4

4

0
/o

,,

,,

,,

1916
86
85’/4
850/4

1/4

3ij2
0/
76
75/4
76
3

0
/o

,,

,,

..
….
68°/4
68′
‘ho
68°/8

2
1
/

0
/o Cert. N. W. S.

……
58’°/io
58
1
/
58 Via

3/
4

5

0/

Oost-Indië 1915
– . .
97
95
1
/10
957/,

P/s
4

‘ho Oostenr. Kronenrente
377/s 37i1
37
i/ 41/
2
0/

Iwangorod Dombr..
22
1
/t
21
1
/4
211/4

11/
3

4’/2
°/o
China Goud 1898

.
54
53/
531/
_’1/

5

°/o

Brazilië

1895

……
55
1
/4
57[4
56
1
/4
+
11/2

Van de locale afdeelingen heeft in de eerste plaats de
tabaksmarkt
reden tot bizondere belangstelling gegeven.
In vroegere overzichten releveerden wij reeds de omvang-
rijke contramine-posities, die in deze rubriek wareli ontstaan
en die te eeniger tijd tot eën buiten verhouding staand her-
stel zouden moeten leiden, tenzij de bérichten bij voortduring
zeer ongunstig bleven. Dit laatste nu is niet het geval ge-
weest. Eerst waren schuchter berichten doorgekomen, ana-
loog aan depublicaties van de directie der Holland-Sumatra
Tabak-Maatschappij, waaruit bleek, dat voortdurend nog
groote gedeelten van het in Indië opgeslagen product wer-
den verkocht tot- meestal zeer loonende prijzen. En vervol-
gens bleek uit de gestie van andere directies, dat de onmid-
dellijke toekomst, trots het besluit tot inkrimping van den aanplant op Sumatra*met 40 pCt. niet pessimistisch werd
ingezien. Immers ging de Senembnh-Maatschappij over tot
het deelareeren van een dividend van 65 pCt., waarvan
15 pCt. in cash worden uitbetaald en 50 pCt. in den vorm
van nieuwe aandeelen, terwijl de Medan een uitkeering
annouceerde van 20 pCt., hetgeen 5 pCt. meer is dan. het
dividend over het voorgaande jaar.
Een en ander heeft, naast bona-fide aankoopen, veel
dekkiugs-aankoopen tengevolge gehad, waardoor de koer-
sen der hier genoemde waarden aanmerkelijk konden mon-
teeren. In aansluiting hiermede was de stemming ook voor
de overige aandeelen uit deze rubriek zeer vast te noemen;
men blijft in afwachting van een eventueel even’ liberale
politiek der overige maatschappijen.
Op de overige, met Nederlandsch-Indië in verband staande
soorten, heeft deze stand van zaken echter geen invloed van
beteekenis geoefend. Wel waren aan het einde der berichts-
periode aandeelen Handelsvereeniging ,,Amsterdam” tot
iets hoogere prijzen gezocht, doch meer dan een vleugje van
herstel, zonder reëelen ondergroiid, mocht dit toch niet
worden genoemd. Een bewijs hiervoor mag wel worden ge-
noemd de voortdurend matte houding

der overige suiker-
waarden als aandeelen en aetidns Cultuur-Maatschappij der
Vorstenlanden. Ook aandeelen Nederlandsch-Indische Han-
delsbank bewogen- zich vrijwel op 6f n hoogte,

zonder nei-
ging tot bizonder herstel te toonen.
Hetzelfde was te constateeren voor
rubberwaarden.
Eer-
der was hier de stemming gedecideerd ongeanimeerd te noe-
men, vooral voor aandeelen Nederlandsche Rubber. Ten
deele stond dit in verband met de hierboven genoemde hou-
ding van de rubbermarkt te Londen, anderdeels wordt men
meer en meer versterkt in de opinie, dat slechts uiterst
kleine dividenden uitgekeerd zullen worden. Langzamer-
hand echter ontstaat ook in deze markt een groot gebrek
aan materiaal, hetgeen steeds een onbetwistbaar teeken is
voor het aangroeien van, een sterk contramine-belang. In,
ingewijde beurskringen acht men dan ook een verloop als bij de tabaksmarkt vrij waarschijnlijk.
Geheel in tegenstelling met deze stemmingen was de hou-ding op de
petroleurnafdeeling.
Het annonceeren van de be-
langrijke ,,bonus” op aandeelen Shell te Londen heeft hier de
mogelijkheid van een dergelijke handelwijze voor aandeelen
,,Koninkljke” doen ontstaan, waardoor dit aandeel, zelf
5-
na de niet onbelangrijke koersverheffingen van de laatste
weken, verdere vorderingen in koers heeft kunnen maken. Op de basis van den prijs voor aandeelen Shell te Londen,
maakt de door de ,,Koninklijke” te ontvangen bonus een

532

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

12 Juni 1918

percentage van circa 25 pOt. op het uitstaande kapitaal
uit, hetgeen uiteraard zeer belangrijk is te noemen.
Daarentegen waren Roemeensche soorten gedurende het
grootste gedeelte der berichtsperiode veronaclitzaamd. Ook aan het slot kon slecihts een herstel van beteekenis intreden
voor aandeelen Steaua Romana en Astra Romana, in aan-
sluiting aan de hierboven genoemde tendens voor de eerste
soort te Berlijn. Geconsolideerde echter, zoo min als aan-
deelen Orion, werden door deze houding medegesleept, zoo-
dat -het koersniveau van deze soorten ongeveer gelijk bleef.

4 Juni 7 Juni 10 Juni Mizing

Amsterdamsche Bank .

182

182

1791/2 – 2’/2
Ned. Handel-Mij. cert. v. aand.
169’14
169’/2 169″/i + l/
Rotterd. Bankvereeniging

134
1
h 134

133’/4 – 8/
4

Amst Superfosfaatfabriek.. 153

158

158

+ 5
Van Berkel’s Patent ……154

155

155’/4 + 18/4
Insulinde Oliefabriek …… 214/4 212

214


Jurgens’ Ver. Fabr. pr. aand.
105’/4

96/4 105’/,,
+ /a
Ned. Scheepsbouw-Mij.
.. ..
149

154/2 157

-1-.
8
R. S. Stokvis & Zonen …. 524

518

512

– 12
Compania Mercantil Argent.
213’12
216 212- – 18/2
Cultuur-Mij. d. Vorstenland. 111
1
/2 111
9
/18
111f4 + 8/4
Handelsver. Amsterdam …. 277 276 279’/4 + 2
8
/
Roll. Transatl. Handeisver. 133

1311/
4
1301/4 – 2’14
VanNierop&Co’sHandel-Mij
1878/4
184

185


2I4
Tels & Co’s Handel-Mij .. . . 175
1
/
178 178/4 + 31/4
Gecons. Hoil. Petroleum-Mij 192
1
/4 192
13
/16
196
1
/2 + 41/4
Kon. Petroleum-Mij. …… 532V, 542 544’/ + 11/4 Orion Petroleum-Mij ……. 81/, 80V8 80V4 – 1’/
Steaua Romana Petr.-Mij . . 192/2 192/jø 201V2 + 9
Amsterdam-Rubber-Mij…..157’/
4
158/4 156 –
1I4
Nederl.-Rubber-Mij. …… 99
1
/2

97

95

– 4l/

Oost-Java-Rubber-Mij. …. 203

194

196

– 7
Deli-Maatschappij ……..423
I/

433’/2 427 ‘/

+ 4
Medan-Tabak-Maatschappij.. 185

187
1
/2 193

+ 8
Senembah-Maatschappij …. 555

566

591 /2 + 36
1/

De
scheepvaartafdeeling
werd niet beïnvloed door de
mededeeling (inmiddels echter weder in twijfel getrokken),
dat de betaling voor verloren gegane schepen zoude plaats
vinden, naar keuze van de betrokken reeders, Of contant
in Ponden Sterling tegen den koers van den dag, Of in
driejarige Treasury-Bills, met een gegarandeerde aflossing
tot den koers van
f
12 per Pond Sterling. Ook oefende de
mededeeling, dat het vastgestelde bedrag der vergoeding ad $ 250 per ton slechts een minimum was, geen enkelen
invloed uit. De stemming was ongedecideerd, terwijl de om-
zetten van uiterst weinig beteekenis waren.

4 Juni 7 Juni 10 Juni RigOF
clalin
Holland-Amerika-Lijn …. 373
8
/8
370

369V2 – 41/a
gem.eig. 348e/8 346

346

– 2/
Holland-Gulf-Stoomv.-ltiij .. 255

258 ‘/

259

+ 4
Hollandsche Stoomboot-Mij.. 193

194/4 194
1
/2
+
1’12
Java- Chin a- Japan-Lij n …. 253

248
1
/4 253V2 + /2
Kon. Follandsche Lloyd .. 163

161

162

– 1
Kon. Ned. Stoomboot-Mij… 227’/4 225

225’12 – 1/4
Kon. Paketvaart-Mij ……. 245/2 245/
4
244’/3 —1
Maatschappij Zeevaart …. 269

269

276

+ 7
Nederl. Scheepvaart-Unie .. 243

243
1
/ 245

+ 2
Nievelt Goudriaan ……..1140

1120

1150

+ 10
Rotterdamsche Lloyd
.
…..254’/z 257

2418/4* – 12/
4

Stoomv.-Mij. ,,Nederland” . . 241

238/4 239’/2 –
Pl2
,,Noordzee” .. 189

192
1
/2 192/4 + 38/4
,,Oostzee” . . . . 314
1
1

31414 309/4 – 43/
4

* ex dividend.

De
Amerikaansche markt
was hier ter beurze geanimeerd
gestemd voor aandeelen Etide & Leather, terwijl daaren-
tegen aandeelen Central Leather een reactie te aanschou-wen gaven in verband met de onbevredigende ontvangst-
cijfers. Ook aandeelen Steel waren hier vrij gedrukt, terwijl
de interesse voor Marinewaarden sterk luwde, toen bekend
werd, dat op de voor enkele dagen te New York gehouden
vergadering geen decisie inzake den schepenverkoop aan
Engeland was genomen. Aandeelen Maxwell, evenals de
IncmeBonds bleven tot hoogere koersen gevraagd, zonder
aanwijsbare reden.

4 Juni 7 Juni 10 Juni Riizingof

American Car & Foundry . – 72’/4

72

71’12 – ‘/4
Anaconda Copper ……..130

128
1/
4
1279/
io
*_ 2/16
Un. States Steel Corp ….. 88’/i, 88
1
/2

873/8 – Atchison Topeka ……….82’/s

82’/io 821/1, –
Southern Pacific ……….

791/
t

811/4

80’14
+ 8/4

Union Pacific………….119

117’/2 118/

– Vs
Int. Merc.Marine afgest…..30/o

30
1
/8

30’/16 –
,,

,,
prefs 103/i 102
11
/16
1021/2 –
* ex dividend.

De
geiclinarkt
bleef ruim. Na eenige dagen van ontsten-
tenis van noteering voor prolouatie werd deze gesteld
op 3 pCt.

GOEDERENHANDEL.

GRANEN.

10 Juni 1918.
Sedert ons vorige weekbericht bereikten ons -de Engel.
sche vakbladen van Mei, die bij voortduring slechts gun.
stige berichten brengen over den stand der graanoogsten
in West-Europa en in overzeesche landen. Wel hebben
regen en lage temperatuur in April en de eerste helft van Mei den groei der gewassen in het Vereenigd Koninkrijk
en Frankrijk eenigszins tegengehouden, doch dank zij het
tijdig ingetreden warme weder was de stand in het einde
van Mei toch alom zeer gunstig met eene belangrijk ver-
meerderde bezaaide oppervlakte, vooral in Engeland, en
eene verwachte opbrengst, die zeer gunstig afsteekt bij die
van het vorige -jaar, vooral wat Frankrijk betreft, waar in
1917 de oogst zeer klein was. Slechts ondervindt men in
Engeland last van ongedierte in graan, gezaaid op ge-
scheurd weiland. Ook uit Italië komen zeer hoopvolle be-
richten. De triomfantelijke berichten uit Noord-Amerika
blijven eveneens voortduren. Het dezer dagen verschenen
oogstbericht per 1 Juni van het departement van landbouw te Washington geeft voor den stand der wintertarwe welis-
waar een iets lager cijfer dan de vorige maand, doch dit is
een jaarlijks terugkeerend verschijnsel. Daarbij wordt de
bezaaide oppervlakte aan zomertarwe berekend op bijna
20 pCt. boven die van het vorige jaar. Ook in Canada
schijnt eene dergelijke uitbreiding van den uitzaai van
zomertarwe te hebben plaats gevonden en . het weder is in
beide landen zeer gunstig voor de ontwikkeling van het
gewas. De stand der zomertarwe wordt dan ,00k in de
Vereenigde Staten aangegeven met het zeer hooge cijfer
95,2
en de verwachte opbrengst geschat op 344 millioea
bushels tegen eene schatting van 283 inillioen bushels op
1 Juni 1917. Men hoopt in de Vereenigde Staten nog steeds
op eene tarweopbrengst van een milliard bushels, waarmee
dan het doel bereikt zonde zijn, dat de Fond-Administrator
zich met zijne propaganda voor de uitbreiding der tarwe-
productie had gesteld.
Ook de andere graansoorten beloven eene groote op-
brengst. Verwacht wordt, dat haver den zeer gronten oogst
van 1917 nog zal overtreffen. De verbouw van gerst en
rogge is in de Vereenigde Staten van minder beteekenis,
doch voor beide zijn de verwachtingen eveneens hoog ge-
spannen. De hooge prijzen, die in het nu afloopende seizoen
in Amerika zijn betaald voor gerst en rogge tengevolge
van het gebruik van die graansoorten als broodgraan,
hebben de landbouwers tot uitbreiding van den uitzaai
aangespoord.
Tengevolge van de propaganda voor den tarveverbouw
en het gebrek aan zaailijnzaad vreezen olieslagers en verf-
fabrikanten voor eene vermindering in den Noord-Amen-
kaanschen lijnzaadoogst. Zij geven zich daarom groote
moeite, om lijnzaad van goede kwaliteit voor den saai be-
schikbaar te stellen en hopen te bereiken, dat evenveel zal
worden uitgezaaid als in het vorige jaar. Indien de oogst
dan beter uitvalt dan in het vorige jaar, hopen zij ver-
schoond te blijven van de groote bezwaren, dit jaar onder-
vonden bij het gaande houden hunner bedrijven. De aanvoe-
ren van Argentijnsch ljnzaad zijn niet voldoende geweest
om die bezwaren te overwinnen, vooral niet nu sedert begin
April de regeering der Vereenigde Staten den aanvoer van
Argentijnsehe tarwe heeft bevorderd ten koste van het lijn-
zaad, en tevens een deel der voor Noord-Amerika bestemde
lijnzaad-scheepsruimte ten slotte gedirigeerd is naar Engel-
sche havens.
Vermindering wordt in de Vereenigde Staten verwacht
in den maïsuitzaai. Het gebrek aan goede zaaimaïs is
slechts tea deele overwonnen. Zelfs zijn vele partijen, die
eerst voor den saai bruikbaar schenen, bij de komst van
het warmere weder daarvoor ongeschikt geworden.
Aanvoeren van tarwe van den vonigen oogst aan de
Noord-Amenikaansche markten blijven uiterst klein, niet-
tegenstande de regeering zich alle moeite geeft om de
hoeveelheden, die zich nog in handen der boeren bevinden,
te verzamelen. Verschepingen zijn dan ook in den laatsten
tijd van geen beteekenis. Slechts van haver blijft het aan-
bod ruim voldoende met vrij groote verschepingen.
In Argentinië ondervindt men in steeds grootere mate
het gebrek aan verschepingsgelegenheid en hoewel in Maart
en April meer stoomschepen beschikbaar zijn geweest dan
in vorige maanden, wordt het tekort aan opslagruimte
steeds nijpender. Slechts tarwe wordt vrij geregeld, vrijwel
uitsluitend naar de geallieerde landen, verscheept, maar
voor haver bestaat buitengewoon weinig kooplust, evenals

12 Juni 1918

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

533

Noteeringen.

Chicago

Buenos Aijrcs

Data

Tar,oe

MaTs

Haver

Tarwe

MaTs Lljnzaad
Juli

I
Juli

I

Juli

Juli

I
Juni

I
Juni

8Juni’18
220
3)
136/
67
12,55
5,10
24,05
1 Juni’18
220
8)
134
65
8
/8
12,40
5,10
24,10
8Juni’17
224
156/8
60
19,10
13,70
5
)
25,10
8 Juni’16
105
8
I8
72
397/a
7,30)
4,-
11,20
8 Juni’15
1118/
4

707/8
445/s

12,45
4
)
4,70
11,50
20Juli ’14
82
‘)

56
1
/8 ‘)
36’/2 ‘)
0,402)
5,381)

13,702)

‘) per Dec.
2)
per
Sept.

8)
offic.
vastgest. locoprijs
4)
per Juni
)
per Juli.

Locoprijzen te Rotterdam/Amsterdam.

Soorten

1

10 Juni
1

3
Juni

10 Juni
1

1918

1918

1

1917

Tarwe ……………….
572,50′)
572,50
1
)
588,-‘)
Rogge (No. 2 Western)


nom.


345,_t)
Gerst

(46 ib. feeding)..

-.
345,-‘)
21,- ‘)

20,-‘)

Maïs

(La Plata)

………..

Lijnkoeken

(Noord-Ame-
Haver

inlandsche ………

rika van La Plata-zaad)


200,-‘)
Lijnzaad (La Plata)


non’.

‘)
Regeeringsprjs.

AANVOEREN in tons van 1000 K.G. voor verbruik in Nederland.

Rotterdam
Amsterdam
Totaal

Artikelen.
2.8 Juni
Sedert
Overeen4.
2.8 Juni
Sedert
Overeenk.
1918 1917
1918
1 Jan. 1918
tijdvak 1917
1918
1 Jan. 1918
tijdvak 1917

Tarwe ……………..


214.606


33.927

248.533


8.465




8.465


2.314

– – –
2.314


78.261


54.349

132.610

.

22.949


9.563

32.512

Rogge

……………..
Boekweit

………….


10.025


15.042

25.067

MaYs

……………..
Gerst

……………..


8.322


7.560

15.882
Haver

……………..
Lijnzaad ……………
Lijnkoek ……………


19.432


20.576

40.008
Tarwemeel ………….


.
12.957


3.051

18.008

AANVOEREN in tons van 1000 K.G. voor België.
110.991
124.361



110.99
57
1
124.361
7.126

63.576
7.479



63.6
7.479
Tarwe ………….
….-

5.174



5.174

Maïs

……………..
Rogge

……………..

– –

– –
– –
Tarwemeel ………….
Gerst

……………..

13.347
667

– –
13.347
667

voor mais. Vooral bij den afzet van maIs, waarvan de in
April en Mei binnengehaalde oogst zeer groot is, worden
groote bezwaren verwacht. Op uitbreiding van den veestapel
en daardoor van het binnenlandsch maisverbruik, wordt
aangedrongen. De maîsprijs is dan ook in Argentinië zoo
laag, dat hij den verboitwer geetie rekening laat. De vol-
gende maïsoogst, welks uitzaai echter eerst in onze najaars-
maanden plaats vindt, zal dan ook waarschijnlijk kleiner
zijn dan vroeger. Hetzelfde verschijnsel doet zich nu reeds
voor haver voor, waarvoor eveneens de uitvoerkansen zeer
gering zijn. Tarwe wordt echter in groote hoeveelheden
gezaaid. De prijs, dien de geallieerden daarvoor betalen, is
zeer voldoende. Ook voor lijnzaad belooft de uitzani grooter
te worden dan in vroegere jaren. De prijs daarvan in At–
gentinië is dan ook, vooral dank zij de Noord-Amerikaan.-
sche vraag, nog steeds zeer hoog. Verscheping naar Engel-
sche havens in Maart en April heeft tot de handhaving van
dien hoogen prijs niet weinig bijgedragen, doch drie vierde
gedeelte van den oogst heette begin April nog onuitgevoerd
te zijn, zoodat prijsverlaging vôÔr het einde van het seizoen
niet tot de onmogelijkheden wordt gerekend.
Britsch-Indiëe1ooft ook al eene vermeerderde tarwe-
en lijnzaaclopbrengst, terwijl uit Australië nog steeds klach-
ten komen over den enormen tarwevoorraad, waarvoor ver-schepingsgelegenheid ontbreekt. Pogingen, om de verladin-
gen naar Noord-Amerika uit te breiden, brengen daarin
geene verandering van beteekenis.
Ondanks de geringe tarwe-verschepingen uit Noord-
Amerika in de laatste maanden is het den Europeeschen
Entente-lauden toch gelukt, dank zij groote zuinigheid, de
graan-schaarschte, die daar gedurende de wintermaanden
bestond, tot zekere hoogte te vet-minderen en gemeld wordt,
dat zoowel in het Vereenigd Koninkrijk als in Frankrijk
en Italië voorloopig voldoende voorraden aanwezig zijn.

Buitenlandschegranen in Nederland.

Werkelijk zijn in de afgeloopen week twee stoomschepen
naar Noord-Amerika vertrokken om daar gi-aan te laden,
terwijl twee tevens beladen schepen van daar vertrokken
zijn naar Nederlandsche havens. Mogen zij behouden aan-komen en helpen bij de zoo hoog noodige voorziening van
ons land! Gelukkig staat ook iu ons land de oogst er goed
voor, ofschoon regen vooral voor cle voorjaarsgewassen zeer
welkom zonde zijn.

SUIKER.

Aan leden der Suikervereeniging in Nederland werd
weder eens eene uitkeering gedaan van 90 ct. per zak in-
gebrachte ruwe suiker, waardoor het totaal der uitbetalingen
steeg tot
f
25,65 per zak.

De stand der bietvelden is in de verschillende productie-
landen vooralsnog zeer bevredigend, doch er wordt nu naar
meer regen verlangd. Op 25 Mei bedroegen de voorraden in G r o o t Britannië:
1918

1917

1916
Londen …………..77.380

24.741

22.346 tons
Liverpool …………40.620

14.663

7.005
Clyde …………….33.960

12.118

6.130

151.960

51.522

35.481 tons

De markt op J a v a blijft flauw gestemd. De telkens lagere
prijzen, waartoe verkoopers afgeven, oefenen een deprimee-
renden invloed uit. Suiker uit den ouden oogst werd het laatst verhandeld tot ongeveer
f
7,- voor Superieur en
f
6,- voor
No. 16 en h.; daarna werd Superieur uit den nieuwen oogst
zelfs tot
f
6
7
/s verhandeld. De eerste maalresultaten zijn
ietwat ongunstiger dan verleden jaar.
Op
F
o r m os a is de droge weersgesteldheid zeer nadeelig
geweest voor den aanplant. De volgende oogst wordt op slechts 240.000 tons geraamd, tegen eene opbrengst van
447.000 tons verleden jaar. Vele rietvelden worden thans
gebruikt voor rijstaanplant.
Op Cuba bedroegen de ontvangsten gedurende de week
eindigende 23 Mei 101.078 tons, tegen 105.889 tons in 1916
en gedurende de week eindigende 30 Mei 106.518 tons, tegen
73.150 tons in 1916. Op 30 Mei werkten nog 147 fabrieken
tegen 53 in 1916. Voor 1917..was de statistiek wegens den
toen heertehenden opstand niet volledig en kan daarom niet
ter vergelijking worden aangehaald.

C u b a-statistiek
1918

1917

1916
Ontv. der weektot 18 Mei 106.518

71.877* 73.130 tons
Totaal sedert 1 Dec. 1917 2.532.502 2.158.040 2.634.933
Werkende fabrieken….

147

53
IJitv. d. week tot 27 April

92.452

102.148 tons
Totaalv.lDec.’17-27Apr. 1.132.480

1.411.832
Uitv. U.K. 1 Dec.-27 Apr. 212.855

270.943 266.629
Uitv.Frankr.1D.-27Apr.

7.400

15.314

54.148
Totalevoorraad op 29 Apr. 1.042.077

930.085
* 6 havens.

RUBBER.
lieperking van de
rubberprodvctie
in
Oost-Aaië en van den
rvbberinvoer in de U.S.A.
Men schrijft ons:
Reeds eerder (o.a. in het nummer van 6 Maart ’18) werd
in dit tijdschrift melding gemaakt van de pogingen in
Engeland gedurende den laatsten tijd aangewend, om te
kömen tot een beperking van de, productie van plantage-

534

ÈCONOMISCH-STATISTISCHÈ BERICHTEN

12 Juni 1918

rubber in Oost-Azië. De meeningen over de oorzaken, die
tot deze beperking geleid zouden hebben, zijn verschillend;
cle uitspraak van sommigen, dat deze productie-beperking
verband zou houden met de vrees voor een mogelijke over-
productie kunnen wij echter niet onderschrijven. Veeleer
zijn wij van rneeiliug, dat de hoofdaanleiding tot de inkrim-
ping van cle productie geweest is, het gebrek aan scheeps
,

ruimte, terwijl daarbij het steeds meer klemmende arbi-
dersvraagstuk vele maatschappijen er toe gebracht heeft
gevolg te geven aan het verzoek van de Rubber-Growers
Association. De beperking is n.l. niet verplichteid; bij
minnelijke schikking wenschte men het beoogde doel te
bereiken. Daartoe richtte de B. C. A., waarbij de grootc
meerderheid der Eugelsche ondernemingen is aangesloten,
zich met een verzoek tot haar leden, om de productie der
plantages met 20 pCt. te verminderen, of wer de opbrengst
te beperken tot maximaal 200 lbs. rubber per acre. Dat
een groote meerderheid heeft toegczegd aan dit verzoek te voldoen, is op zichzelf al een aanmerkelijk succes voor cle
R. G. A., daar eenige jaren geleden een dergelijke poging
volslagen schipbreuk heeft geleden. Op het gebied van
rantsoeneering heeft men evenwel veel geleerd en men
heeft waarschijnlijk ingezien, dat het verstandiger is, zelf
te regelen, dan geregeld te worden.
Intusschen steken vele plauters hun ontstemmiug niet
onder stoelen of banken, dat de ondernemingen, die niet
aan het verzoek voldoen, straks zullen profiteeren van de bereidwilligheid der anderen, en zij sparen ook de getrof-
fen regeling hun critiek niet. Men voert hiertegen o.a. aan,
dat de vrachtbespariug niet eens zoo aanzienlijk is (men
berekent 2000 tons per maand), waar tegenover het verlies aan inkomsten breed wordt uitgemeten. Zoo becijferle een
planter in de Straits, dat waar de rubberuitvoeren vorig
jaar ca. £ 20 millioen bedroeg, het verlies bij een beperking
van 20 pOt. bijna £ 6 niillioeir zou bedragen. Tegenover
zoo’n opoffering wenscht hij zekerheid te hebben, dat daar-
mede dé nationale zaak gediend wordt. Slechts dan is de
vermindering van inkomsten goed te maken, indien de
rubberprijs ca. 6 pence per pound engl. stijgt, zoo eindigt
hij zijn betoog.
In de geallieerde regeeringskringen wordt de seheeps-
ruimte-kwestie, gelijk Nederland zelf tot zijn schade heeft
ondervonden, wel degelijk als een beslissende factor in den oorlog beschouwd, zoodat een besparing van 2000 tons per
maand zeer zeker als een nationaal belang mag worden
aangemerkt.
Dat ook de moeilijkheden, gedurende de laatste jaren
ondervonden bij het verkrijgen dci- noodige arbeidskrach-
ten, voor vele maatschappijen den doorslag hebben gegeven,
om te voldoen aan het verzoek van de II. G. A., blijkt
uit verschillende uitlatingen in le indische pers. Reeds in
het No. 44, van 1 November 1916, wezen wij er bij de
bespreking der rubberproductie van het Maleische Schier-
eiland op, dat indien voor het arbeidersvraagstuk in deze
landen geen bevredigende oplossing mocht worden gevon-den, het meerendeel der ondernemingen niet tot zijn rnaxi-
mum-productie gebracht zal kunnen woi-den. De lange duur
van den oorlog heeft het proces verhaast; door de steeds
meer toenemende werving vali inlanders in Voor- en Achter-
Indië voor het Engelsche leger in Mesopotamië, teneinde
te voorzien in dc behoefte aan soldaten, zoowel als aan
arbeiders, werd dc werving voor dc plantages meet en meer
bemoeilijkt, zoodat vele ondernemingen ten slotte over
nauwelijks voldoende arbeiders beschikken voor het tappen
en de bereiding van de rubber. Van belang is, hetgeen van gezaghebbende zijde omtrent dit punt wordt opgemerkt in
de ,,Malay Mail”: –
,,There will be a natural howl from the opposition over
the labour thrown out of employment through following
any method of curtailment, but there will or should not be,
one cooly deprived of one single day’s work throughout,
the country if every planter does his duty by his eslate.”
Na een opmerking, dat elke onderneming zeker wel 20
pCt. van zijn arbeiders kan gebruiken, om den aanplant te
verbeteren, door het aanleggen van draineergoten, oprui-
men van oud hout, enz., hetgeen in cle toekomst het uit-
breken van ziekten onder de boomen zal voorkomen,
volgt er:
,,The country generally is short of labour, in some districts dangerously so, and rates are rising and the
independence of the cooly increasing to an unsound degree
in consequenee. For this reason the proper maintenance
of the land has nearly every where been seriously neglected
in the past, and should this erop curtailment result in re-
leasing labour sufficient to put our house in order, as
regard proper plant sanitation, then it may be hailed, not
as a sacrifice by any mears but as a very great blessing
indeed.”

Men ziet hieruit, dat het arbeidesvraagstuk, zij het dan
niet direct, daic toch zeker indirect heeft medegeholpen, de
plannen tot productiebeperking te verwezenlijken.
De resultaten zijn thans nog niet merkbaar; of de 11. G. A.
werkelijk succes heeft, kan dus nog niet beoordeeld worden.
Ook is nog niet bekend of dc Nederlandsche, Belgische en
Fransche Maatschappijen in Oost-Indië zic.h bij de Engel-
sche actie zullen aansluiten.
Ernstiger bezorgdheid dan de productiebeperking ver-
wekten intusschen te Londen de berichten uit Amerika be-
treffende de beperking van den invoer van ruwe rubber.
Beeds begin Mei was iu Londen bekend, dat de War Trade
Jioard l)lanhieu voorbereidde out te komen tot een contrôle
over cle rubbervoorraden en de rubberinvoeren, terwijl te-
vens ecu piijsregelitg overwogen werd. Toen evenwel de
nadere uitwerking van deze planuhn in Mincing Lane be-
kend werd, veroorzaakte deze daar een ware consternatie. De geheele jaarlijksche invoer in de U. S. A. werd vastge-
steld op 100.000 ton, terwijl voor de eerste drie maanden t.w. Mei, Juni, Juli, een invoer van 25.000 tous werd toe-
gestaan. Daar de itivoercijfers voor het overeenkomstige tijdvak in 1917 juist dubbel zoo hoog waren, en de totale
invoeren ove,- 1917 ca. 180.000 tons bedroegen, is cle alge-
meene verbazing begrijpelijk. De prijzen werden vastge-
steld
01)
de basis van 2/7Y voor ,,first crepe” en op 2/7
voor ,,standard sbcets”.
Na cle eerste ontsteltenis beziet men in vakkringen de
toestand weer iets nuchtercler. Meii weet dat Amerika thans
voor zijn oorlogvoeriug rubber even hard noodig heeft als
tin of koper, en er wordt vermoed, dat de vaststelling van
deu invoer op 100.000 tons slechts ccii voorloopig karakter
zal dragen, teneinde iii cle eerste pinats den invoer en het
verbruik onder contrôle te brengen. Mocht de War Trade
Boai-d echter op haar standpunt blijven slaan, dan verwacht
men, dat binnen twee maanden de fabrieken geen grond-
stoffen meer zullen hebben om aan de orders van het Gou-
vernement te kunnen voldoen.
Met begrijpelijke belangstelling worden de verdere be-
sluiten van de Aurerikaansche Regeering in deze tegemoet
gezien.

De flauwe stemming der laatste weken hield ook cle eerste
dagen der afgeloopen week aan. Een eenigszins vastere
stemming deed de prijzen
1
/9
d. oploopen, maar werd ge-volgd door licjuidaties van speculanten, waardoor de notec-
ringen weder teruggingen en deze week als volgt sluit:

Prima Hevea Crêpe loco 2/1
1
/2
einde vor. week: .. 2/21/
4

Juni ………… 2/1
/2

Juni …………
2/2
1
12
Juli! Sept………2/2
1
/4

Juli/Sept. ……..
2,3
‘/
Oct./Dec.

…….. 2/3 ‘/

Oct.Dec ……….. 2/4 ‘/
smoked Sheets ca. 1 cl. minder

sinoked Sheets 1 d. minder.
Hard ctire fine Para …. 3/1

………………3’2’/i

KATOEN.

Noteeringea voor Loco-Katoen.

(Middling Uplands).

I10Juni’
181

3Juni’18

I
27
Mei’
18
1
1
I
Juni ‘171
10Juni’16

New York voor
Middling

..
29,70e
29,— c
29,05e
24,65e
12,90e
New Orleans
voor Middling
30,38(;
30,—c’)
28,75e
23,— c
12,63e
Liverpool Good
Midd. Americ.
22,56 d
22,06 d
21,70 d
15,86 d’)
8,40 d
1)

‘) 1 Juni.
2)
Middling.

Ontvangsten in, en uitvoeren van Amerikaansche havens.
(In duizendtallen balen.)

1
Aug.’17
lol
OveI’eenkomlilgc
perioden

7 Juni ’18
1916—’17
1

1915—’16

Ontvangsten Gulf-Havens..
1

5968
6840
7136
,,

Atlant.Havens
ç
2432
2413

UitvoernaarGr.Brittannië}

‘t Vasteland.
3889 2076
2256
Japan etc..
.
453

Voorraden in duizendtallen
1
7 Juni

18

1

7 Juni ’17
7 Juni
’16

1176 847
970
Binnenland …………..
696
565
Amerik. havens ………..

New York

…………..

100
196
.911


.
206
232
New Orleans ………….
Liverpool

……………
287 ‘)
488
659

‘) 8 Juni.

12 Juni 1918

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

535

Marktbericht van de Heeren Sir Jacob Behrens & Sons,

Manchester, dd. 2 Mei1918.

Sedert ons laatste bericht hebben prijzen van Amerikaan-
sche katoen weer sterk gefluctueerd. Men volgt de weer-
berichten zeer aandachtig en deze hebben grooten invloed
op de markt. Ook hebben de politieke berichten houders
aangemoedigd hun voorraden aan te houden en zijn er ver-
schillende aankoopen voor rekening van Wallstreet geschied,
zoodat de termijnmarkt ook weer vaster is. De gereduceerde
molestpremies hebben een stimuleerenden invloed op de
Amerikaansche markten gehad, terwijl de laatste weer-
berichten minder gunstig waren. Ofschoon men algemeen
aanneemt, dat de aanplant grooter zal zijn dan verleden jaar,
hebben het koude weer en de jongste regens den groei wat vertraagd, zoodat men nu maar op goed weer moet hopen.
Over het algemeen zijn de verwachtingen omtrent den nieuwen
oogst gunstig, zoowel door het grootere verbruik van kunst-
meatstoffen als door den grooteren aanplant, terwijl het ver-
bruik vooral in Europa, zeker sterk zal verminderen. Men ver-
wacht dus geen hoogere prijzen in Amerika, hoewel door de
moeilijkheden om Liverpool voldoende te voorzien, die markt
nog zeer vast blijft. De laatste berichten uit Alexandrië zijn
gunstig en de Egyptische oogst maakt goede vorderingen.
Het is moeilijk veel over Amerikaansche garens te zeggen.
De laatste daling in katoenprijzen heeft slechts weinig invloed
op garenprijzen gehad; alleen is de kooplust nog verddr
verminderd, en koopt men alleen kleine hoeveelheden, die
absoluut noodig zijn. Spinners blijven zeer vasthoudend en
alleen zij, die katoen hebben, durven nog gat-en te verkoopen,
zoodat vele spinners absoluut niet offreeren. Over het al-
gemeen is er meer vraag naar Egyptische garens en prijzen daarvan zijn nog verder gestegen. Er is weinig verandering
in de doekmarkt, hoewel er nog wel biedingen uit Engeisch-
Indië zijn ingekomen. In de meeste gevallen waren deze
echter te laag en daar fabrikanten zeer vasthoudend zijn,
worden er slechts weinig orders afgesloten. Breede goederen zijn goed gevraagd, maar fabrikanten daarvan zijn zeer bezet
en verkoopen liever niet, vooral nu hun productie, clie reeds
klein is, nog verder vermindert.

STEENKOLEN.
Newcastle, 10 Mei 1918.
Sedert langen tijd kon geen rapport gegeven worden,
aangezien er geen veranderingen mede te deelen waren,
tengevolge van de weinige prijzen, die vastgesteld werden, en het gebrek aan tonnage. ])eze toestand is echter onlangs
veranderd en in bijna alle gevallen hebben de mijnen hun
prijzen verhoogd, als hieronder wordt aangetoond. Op het
oogenblik is de vraag grooter dân het aanbod en is het min
of meer onmogelijk noteeringen te secureeren zonder ver-
kelijk tonnage in handen te hebben.
Northumberlands.
Gezeefdea.
Deze geeft den bes-
ten kijk op de positie van de markt. Blyth Primes zijn
geheel verkocht tot einde Juni, 45/– heeft men betaald voor
Juli-levering en nu wordt 50/– gevraagd. Tyne Primes
staan ook vast en de minimum-noteering 45/–. Voor Seconds
wordt
40/–
genoteerd.
.malis
worden overal genoteerd tot de ,,Schedule” prijzen.
Hoewel er veel aanbod is, is de vraag niet zoo groot als
in andere afdeelingen.
D u r h a m s.
Gezeefden.
Deze staan zeer hoog en kun-
nen niet beneden 501– verkregen worden. Zulke kwaliteiten
als Lambton, en dergelijke, zijn niet verkrijgbaar voor
verscheping naar neutrale landen tengevolge van de uit-
sluitende aanvragen van andere zijde.
Gagkolen.
Voor Specials vraagt men 35/–. Voor Boldon
3216. Voor Pelaw en soortgelijke kwaliteiten tot 30/–.
Bunkers.
De noteeringen varieeren van 281– tot 351– in
verband met de kwaliteit.
Colcingkolen.- 281– tot 3216.
Newcastle, 29 Mei 1918.
Sedert het bericht van den lOen is de markt nog vaster
geworden en zijn er op het oogenblik weinig of geen kolen
aan de markt, met het gevolg, dat fabelachtige prijzen
gevraagd worden en men gerust 216 tot 51– toevoegen kan aan de toen genoemde cijfers. Wat de D.C.B. betreft, wordt
nu tot 60/– gevraagd.
Glasgow, 20 Mei 1918.
De prijs voor Lothian en Fifeshire kolen is gedurende
de laatste weken zeer snel gestegen. Ongeveer veertien
dagen geleden werd de prijs voor First Lothian verhoogd
van 291– (de minimum Schedule prijs) tot 31/6, welk cijfer
een paar dagen later weer verhoogd werd tot 34/–. Verleden
week was de heerschende prijs 351– tot 37/6 per ton en deze
week wordt 451– gevraagd en betaald. De reden van deze
snelle verhooging is de buitengewoon groote aanvraag,

terwijl de mijnen niet meér orders kunnen boeken. De
levering van Lothian kolen gaat zeer langzaam en er is
geen kans op verbetering. Fifeshire is in een soortgelijke
positie, eigenlijk slechter; de algemeene stemming is beslist
stijgend en met geen teekenen van eenige verbetering.
Het gebrek aan stukkolen wordt toegeschreven aan de
grootere vraag voor leger en vloot (munitie-aanmaak), deels
ook aan het onttrekken van arbeidskrachten aan de mijnen,
alsmede voor een goed deel aan den grooteren afzet tengevolge
van meerdere tonnage.
De ophooping van fijnkolen bij de mijnen, zoowel in Wales
als aan de Oostkust, veroorzaakt groote moeilijkheden. Om
daaraan tegemoet te komen, moedigt de Controller of Mines
het maken van briketfabrieken aan, waarvoor in verschil-
lende opzichten faciliteiten worden gegeven.

VERKEERS WEZEN.

SCHEEPVAART.

10 Juni 1918. Vrachtnoteeringen bleven gedurende de
laatste weken ongewijzigd. De vergoeding, welke Britsche
reeders voor opgekommandeerde schepen ontvingen, de z.g.
,,blue book rates”, werd aanzienlijk verhoogd. Schepen met 300 ton laadvermogen ontvangen ca. 91– per bruto register
ton extra; naar gelang van grootte wordt de vergoeding
geleidelijk verminderd tot ca. 2/6 extra voor schepen met
een laadvermogen van 7000 tons en daarboven.
De vaart van Nederland op Skandinavië werd nog niet
hervat. Nederlandsche hospitaalschepen, welke tot voor kort
geleden veilig van en naar Engeland konden oversteken,
onderbraken den dienst, als gevolg van de ,,Koningin Re-
gentes” ramp.
GRAAN.

Petra- Odesia

All.

San I..o,enzo
Data

grad Rotte,.

on

dom

Rotte,- Brisfol Rotte,. Enge

am

dam Kanaal dam

land

3/8 Juni 1918 –

50/– – 225/-
27 M./i Juni1918 –

50/–

– 2251–.
419 Juni 1917 –


f
7,— 40/– f52,25 145/-
3/10 Juni 1916
-.

,,
17,— 9/2 ,,110,– 16216
Juli

1914 lid.

7/3

1/111/
4
1111
1
/
4
12/–

12/-

KOLEN.

Ca,dtff

Oostk. Engeland
Dato

Bar-

Genuo

Port

Pfa7a Rotte,- Cothen-
deaux

Said

Rivier
dam

hu,g

318 Juni 1918

691- 101/3 2001– 1201–

– Kr.175
27 M./1 J. 1918

69/– 10113
2001–
120/–

,, 170
4/9 Juni 1917

691– 10113 1501– 100/–

,, 180
5/10 Juni 1916

34/–

79/7 100/–

47/6 f6,50 ,,33.50

Juli 1914 ir 7,—

7/–

7/3

1416

312

41-

DIVERSEN.

Data

275/–
500/–

185/– 275/– 500/–

1851–
318

Juni

1918…….

419

Juni

1917 ……
350/–
450/–

1701–
27 Mli Juni1918…….

5110 Juni

1916 ……
118/–
.
145/–
165/–
150/–
Juli

1914 …..’
.14/6
16/3
251–
22/3

RIJN VAART.

Week van 3 tot 10 Juni 1918.

FIet vermoeden, dat wij de vorige week uitspraken, dat
bij een tot stand komen van de economische onderhandelingen
tussehen Duitschland en Zwitserland en Duitschland en
België de verladingen in groote mate zouden toenemen, is
niet bewaarheid- geworden. De verladingen

gingen zeer
langzaam en ofschoon de waterstand op den Rijn gestadig vallende was, was de stemming zeer flauw. Dit drukte ten
zeerste op de vracht, welke met Mk. 2,— per ton genoteerd
werd, terwijl het sleeploon van 14 pf. bij het einde der week
op 12 p1. was gezakt. Cauber Pegel stond op Meter 1,65.
Van Rotterdam naar cle Rulirhavens was de toestand
onveranderd. De laatste dagen van de week werden er
echter verschillende schepen van België Vrij gelaten, die
naar Duitschiand gebracht moesten worden. Door dezen
plotselingen aandrang steeg het sleeploon van 50 cents-tarief
+ 10 cents tot op 50 cents-tarief + 80 cents per last.

536

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

12 Juni 1918

DE

BANK

Amsterdam – Rotterdam – ‘s-Gravenhage – Utrecht

Maandstaat op 31 Mei 1918

DEBET

Aandeelhouders

nog te

storten

……………………….
f

1.784.700,

Deelneming in de firma’s:
B. W. BLIJDENSTEIN & Co., te Londen
B. W. BLIJDENSTEIN Jr., te Enschede
LEDEBOER & Co., te Almelo,
f
7.892.187,50, waarvan in

geld

gestort

….

………………. ………………
..6.342.187,50

Deelneming in bevriende Bankinstellingen f4.254. 248, 60,waarvan

in

geld

gestort

…………………………………
,

2.733.748,60

Voor rekening der Twentsche Kantoren gedeponeerd in Londen
,,

500.000,-

f

11.360.636,10

Fondsen van Aandeelhouders
te Amsterdam, Rotterdam, ‘s-Gravenhage en Utrecht . . . ,,,

31.303.700,

Fondsen

door ons gedeponeerd voor rekening van bevriende
instellingen …………………………………….

3.570.500,-

Kassa,

Wissels

en

Coupons

…………… ……………
,.

47.777.533,10

Nederlandsche

Staatsleeningen

……………………….
,,

1.418.188,16

Nederlandsche Schatkistbiljetten en Schatkistpromessen

. …
,,

42.923.537.45

Saldo’s bij Bankiers:
beschikbaar

voor eigen gebruik ……………………
f
10.424.389,96
voor

rekening van

derden

……………………….
.. 16.417.934,12

gereserveerd voor geopende credieten

………………
3.830.267,55

f

30.672.591,63

Prolongatiën

gegeven

………………………………..
,,

8.044.675,

Eigen

Fondsen

en

Syndicaten

………………………..
,,

2.843.879,45

Oredietvereeniging

………………………………..
f 25.175.443,9334

Af:

loopende

Promessen ……………… . ……………
.,

2.200.000.
22.975.443,9334

Voorschotten tegen Onderpand of Borgtocht en Saldo’s Rek. Ort
f
31.264.106,82

Af:

loopende

Promessen ………. ……….. ………….
,,

2.015.000,-
29.249.106,82

Voorschotten

op

Consignatiën

………………………..
,,

469.940,56

Gebouwen

en

Safe

Deposit ……………..
……………
.,,

2.727.61.5,9134

Totaal

……
f
235.337.348,12

CREDIT

Kapitaal
.
…………………………………………

f
21.952.000,-

Reservefondsen

……………………………………,,
8.199.877,-

Waarborgfon ds Crediëtvereeniging

……………………,,
2.953.372,50

Reserve

Oredietvereeniging

…………… ……………

,,
2.661.447,72

f

35.766.697,22

Zieken-

en

Pensioenfondsen

…………………………..
,,

248.611,4934

Aandeelhouders voor gedeponeerde fondsen
als waarborg voor 90 pOt. storting op aandeelen B

f
1.784.700,-

in

Leendepôt

……………………………………
33.089.500,
34.874.200,-

Deposito’s

……….

.

………………………………
,, 44.679.192,46

met

onderpand

…………………………..
.
,,

4.844.755,-

Saldo te ontvangen en te leveren fondsen
,,

1.017.746,36

Saldo’s

Rekeningen-Courant

………………………….
.
,, 54.816.374,6534

voor gelden in het Buitenland.
,, 16.417.934,12

Credietvereeniging
,,

9.174.146,58

Saldo

,,

met de kantoren in Londen en Twnte.
,, 20.198.465,39

Beleeningen

genomen

.. ……………………………..
,,

5.200.000,

Te

betalen

Wissels

…………………………………
,,

8.330.176,95

Diverse

Rekeningen

………………………………..
.
,

1,769.027,94

Totaal

……
f235.337.348,12

Auteur