Ga direct naar de content

Jrg. 29, editie 1453

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 26 1944

26 APRIL 1944

 UTE URSREÇHT VOORBEHOUDEN

cono ïsch~Statistische

Be
‘richten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL,NIJVERFIEID, FINANCIËN EN VERKEER

UiTGAVE VAN HET, NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

29E
JAARGANG

WOENSDAG 26 APRIL 1944

No. 1453

COMMISSIE VAN REDACTIE:

J. F. ten Doessc7iate; P. Lief’tinck (tijdel. afwezig);

J. Tinbergen; H M. H. A. van der Valk; F. de Vries;

M. F. J. Cool (Redacteur-Secretaris).

H. W. Lambers – Adjuhct-Secretaris.
Abonnementsprjs van het blad, waarin tijdelijk is ‘op-
genomen het Economisch-Statistisch Maand bericht , franco
p. p. in Nederland / 20,85* per jaar (,,Prijsvaststelling
No. 052. IM 312″). Buitenland en koloniën / 23,— per
jaar. Abonnementen kunnen met elk nummer ingaan en
slechts worden beëindigd per ultimo odz elk kalemderjaar.
Losse nummers 50 cent. Donateurs en leden van hë4 Ne-
derlandsch Economische Instituut onwan gen het blad gratis
en genieten een reductie op de verdere publicatws. Adres-
wijzigingen op te geven aan de administratie.

Administratie: Nieuwe Binnenwg 175a, Rotterdam (C.).
Telefoon 38340. Giro 8408.

Aangeteekende stukken aan het Bijkantoor Museum-
park, Rotterdam (C.).

Advertenties o’oorpagina f 0,28 per mm. Andere pagina’s
/ 0,22 per mm. Plaatsing bij abonnement volgens tarief.

1
9.
INHOUD:

Blz.

Effectepprijsvorming door
Prof. Dr. J. F. ten Does-
schate

………………………………..
226

Definitieve gegevens betreffende het levensverzeke-
ringsjaar
1942
door
A. de Bruijn

…………
228

‘De oorzaken van het verschil in reëel loon in land-
bouw en Industrie’ door
P. M. van Nieuwenhuijzen
231

Aanteekeningen

Het

internationale

goedeienvervoer

van

Zwit-
serland i
p
den huidigen oorlog

………’.’….
238

Ingezonden

stukken.

Bedrijfsorganisaties

en

waterschappen

door
Mr.

W. F. Lichtenauer,
met naschrift van
Mr.

Ir.

A.

W.

Quint

…………………..
235

Overheidsmaatregelen

op

econo-

misch

gebied

……………………….
236

Maand cij fers

Maandcijfers en weekcijfers betreffende den eco- nomischen toestand in Nederland

…………’
286

Statistieken

Stand van ‘s Rijks Kas – Bankstaten .

……..
237
GELD.: EN KAPITAALMARKT.

In de ;,markttarieven” op de
geidmarkt
is uen Vrij abrupte
wijziging ingetreden. Maandenlang zijn deze tarieven
vrijwel onveranderd gebleven van
1/3
% voor driemaands-
tot
/8
â
“/ % voor jaarspapier. Jongstleden Zaterdag
werd een paaxiton April-papier verhandeld op 1 %, nadat
al eenige dagen Fang de markt stijver was. Voor alle ter-
mijnen werden de adviskoersen hooger, voor driemaands
papier rond
1
/8
en voor jaarspapier. â %. De geld-
geverswaren uitermate terughoudend. Ook tevoren waren
de omzetten tegen markttarief uitermate gering, de vraag
was beperkt, maar nu was het nog moeilijker een kooper
te vinden. De oorzaak van dit verschijnsel ligt in geen
geval bij een verkrapping van de marktpositie, want die
is blijkens den jongsten weekstaat even ruim als tevoren;
het ,,geldmarktsurplus” is nog uitermate omvangrijk en
is in honderden millioenen te meten. Zou men dus op
het eerste gezicht’ geneigd zijn de stijvere houding van
de markt toe te schrijven aan de toegenmen’geldvraag
van de Overheid (de laatst gepubliceerde kasstaat van het
Rijk per ultimo Maart vertoojt een abrupte stijging van
het uitstaande schatkist’apier met ruim f
140
millioen,
waarmee het cijfer van dit papier in het eerste kwartaal
met rond driehonderd millioen is’gestegen), dan moet
men die suppositie laten vallen, wanneer men aan de
hand van de weekstaten der centrale bank zich de situatie duidelijk realiseert.
De .00rzaak van de grootere terughoudendheid onder
de geldgevers kan wellicht deels gelegen zijn in den psycho-
logischen factor van de toegenomen spaining over de mi-
litaire ontwikkelijg in de naaste toekomst. Belangrijker
is waarschijnlijk het effect van de gebeurtenissen rondom
de toewijzing van schatkistpapier, en het daarbij gevolgde
systeem. De geidgevers, die tot nu toe nog wel papier
plachten te koopen, willen kennelijk eerst afwachten, hoe
zich
t
die toewijzing in de naaste toekomst zal ontwikkelen.
‘En vervolgens is het denkbaar, dat ook eenige invloed is uitgegaan van het weer even opgedoken gerucht, dat een
staatsleening zou worden uitgegeven met het provenu
waarvan een deel van de buitenlandsche wisselportefeuille
van De Nederlandsche Bank zou worden overgenomen.
Aangezien de omzetten op de wisselmarkt, zooals gezegd,
steeds zeer gering waren, is een lichte terughoudendheid
onder de geldgevers al voldoende, om de tarieven vrij
krachtig te doen monteeren.

De
obligatiemarkt
heeft voor de meeste ,,oude” lee-
ninSen (behalve de
3 %
grootboekinschrijvingen’ om de
in onie laatste overzichten geschetste redenen) een vaste
stemming te zien gegeven; alleen in de Indische leeningen
was eenige reactie te bespeuren. De
3 %
leeningen waren
over het algemeen prijshoudend. De omzetten waren over
het geheel genomen gering, behoudens bij de
Si
% Neder-
land
1942,
die nog steeds van speciale zijde wordt gespuid.
Op de laatste dagen der week waren omvangrijke trans-
acties te registreeren in leeningen Amsterdam, waarnaar
een zeer omvangrijke vraag bevredigd kon worden door
een even omvangrijk aanbod.

226

ECONOMISCH-STATISTISCHE ËERICHTEN

26 April
1944
11

EFFECTENPRIJS VORMING.

De toestand van inertie, waarin de effeétenbeurs, zich
tegenwoordig bevindt, zonder dat opvallende stoornissen
in het econimisch verkeer daarvan het specifieke gevolg
.zijn, z6ii de vraag kunnen doen rijzen, of, het moderne
economische leven de beurs – wier functionneeren immers
zoo vaak aanleiding tot critiek heeft gegeven – nog wel
strikt van noode’heeft en of niet volstaan zou kunnen
worden met een staf van ‘enke1e flinke mathematici, die
uit gegeven vraag en aanbod een zooveel mogelijk ge-
gadigden bevred.igenden koers zouden berekenen. Deze vraag, op het eerste gezicht een eenvoudige kwestie van
ordeningsbeleid, raakt heel het wezen van de kapitaal-
en credietstructuur der maatschappij en verdient derhalve
alle aandacht.
Als algemeene stelling sta voorop, dat een op privaat
eigendom gebaseerde moderne samenleving ondenkbaar
is zonder effecten. Immers, deze maken de taakverdeeling
tusschen de sparende individuen, die lange credieten in
velerlei vorm verstrekken
1),
en de ondernemingen en
overheidslichamen, die ermede financieren, op gemakke-
lijk tehanteeren wijze mogelijk. Juist in een klein land
als het onze, met een relatief
,
gering aaral andere be-
leggingsmogelijkheden en ,,een relatief grooten omvang
van het individueele, sparen, waren effcten, die zoowel
binnen- als buitenlandsch crediet konden belicljamen,
sinds de 18e eeuw het middel par excellence om overge-spaarde kapitalen voor, belegging aan te wenden.
Denkt men den privaat eigendom weg, dan kan men
ook het effect wegdenken, maar zoolang deze rechtsvorm
blijft bestaan zullen effecten in eenigerlei vorm de genoemde
taakverdeeling moeten blijven mogelijk maken. Zonder
verdere tussehenschakel in de verklaring is hiermede

echter nog niet gezegd, dat nu ook de beurs in deze ver-
onderstelling niet zou kunnen worden weggedacht. Het
gaat hier immers om lange credieten – bepaald lang
voorzoover het betreft het meerendeel der obligaties, onbepaald lang met betrekking tot aandeelen en inte-
gralen – en men zou zich kunnen voorstellen, dat deze
creaieten, eenmaal gegeven en genomen, niet meer van
crediteur zouden wisselen
vöôr
den verva.ldag zou zijn
aangebroken, of, in geval van onbepaaldd, lang crediet,
de eigendom door r.fenis, schenking of anderszins zou zijn
overgegaan. Ja, men zou zelfs overdracl,t van het crediet
naar willekeur – door ongeorganiseerden verkoop – in
de ‘veronderstelling kunnen betrekken, zonder daarbij
de beurs als intermediair te behoeven. De crediteur zou
dan lang crediet geven en hij zou voor plaatsvervulling
kunnen zorgdragen,. zoodra hem dit zou believen, door
cmderhandschen verkoop van zijn effect.

Het is up dit punt, dat men met het wezen van de beurs in aanraking komt. De crediteur uit onze veronderstelling
immers, zou wellicht weken of maanden moeten zoeken
v66r hij een kooper vond, die een reelijken prijs voor zijn
effecten, zou willen betalen en indien hij al fortuinhijker
mocht zijn door zeer spoedig zijn kooper te vinden, dan
nog zou hij geheel onkundig zijn van de loopende waarde
van zijn stukken; we zouden te maken hebben met den, uit de economische theorie zoo bekenden, geïsoleerden’
ruil, met alle nadeelen van dien. Het staat dan ook wel
vast, dat de verleeners van lang crediet aan onpersoon-
lijke lichamen – geldschieting en commandite is bijv. een
heel ander, geval’— tot die credietverleening slechts be-
reid zijn, wanneer zij de zekerheid hebben, dat het
crediet
te allen tijde
voor afwenteling op andere crediteuren
in aanmerking komt. Een continu trefpunt ,van vraag en
aanbod is dus onntbeerlijk in dezen gedachtengang.
Het is de beurs, die, wat collectief bezien
lang
crediet is,
omvormt .tot individueele credietverstrekkig op
korten
termijn; die dus het effectenbezit tot liquide bezit maakt

‘)
De institutioneele beleggers gedacht als sainenvoegingen van
sparende individuen.

en daarmede conditio sine qua non voor’heel het moderne
financieringsstelsel van bedrijfsleven en Overheid ge
worden is. .

Dit neemt niet weg, dat reeds vôôr den oorlog een zekere
uitschakelingstendentie van het beursintermediair zich
deed gevoelen. Daarbij deed zich’ echter de paradoxale
toestand voor, dat deze ,uitschakling alleen kon plaats
vinden onder de vooronderstelling, dat er niettemin een
regelmatige beursprijsvorming overbleef. Wanneer een
groote petroleumönderneming door middel van éigéri
schepen het beroepmatige zeevervoer uitschakelt, wanneer
een winkelierscombinatie door eigen magazijnen den
grossier uitschakelt, dan heeft dezè uitschakeling,om te
functionneeren, het voortbestaan vari de particuliere zee-
vervoerders, resp. grossiers, niet van noode. Wanneer
echter institutioneele beleggers, met voorbijgaan van de
beurs, rechtstrèeks in contact traden met emittenten of –
voor reeds bestaande fondsen – met elkaar, wanneer

banken of commissionnairs aan- en, verkooporders ,,in
elkaar sloten” en aldus eveneens. de beurs passeerden,
wanneer tenslotte de credietbehoevende ondernemingen,
om aan de voorkeur van het publiek voor vast- of semi-
vastrentediagende
t
fondsefl te ontkomen, tot interne
2)

financiering meer en meer overgingen, dan kon dit alles
slechts geschieden, wanneer de (uitgeschakelde) beurs
niettemin prijzen bleef vormen en aldus een verrekenings-
basis schiep. ‘
In
de-gedachte
van de ,,totale” beurs, .die zoowel in
Europa als in de Vereenigde Staten veld heeft gewonnen,
zit dan ook zonder twijfel een element van billijk-
heid
8).

Dât er in onze moderne samenlving een effectenbeurs
moet zijn, mag o.i. uit het voorgaande wel reeds gecon-
cludeerd worden; een geheel andere vraag is echter, in
hoeverre men deze in haar vrijheid van prijsvorming, ook
na herstel van den vrede, zou willen beknotten.

Op een belangrijk verschilpunt tusschen de beheersching
van prijzen aan de effectenbeurs en prijzen voor gewone
goederen en diensten is o.i. nog onvoldoende de aandacht
gevestigd. Waarom,- zoo zou men kunnen vragen, is de
prijsvorming ter beurze practisch gesproken in slaap ge-
ordend, terwijl de prijsbeheersching voor goederen en
diensten – met meert of minder succes weliswaar – re-
deljk”hunctionneert? De effectenprijzen zijn, evenals die
voor de -meeste goederen en diensten, toch ook ,,stop-
prijzen”, prijzen dus, die in principe gekoppeld zijn aan de
prijsvorming van een bepaalden dag in het verleden. Waarom hier nu een volkomen ontwrichting van het
marktbeeld en ginds een toch nog altijd min of meer nor-
maal functionneeren van de markt t

Het antwoord zal o.i. gezocht moeten worden in de
volgende redeneering. In het geval van goederen en dien-
sten hebben wij te maken met continue productie- en
consumptieprocessen. De continu produceerende pro-
duenten hebben voor het door hen geproduceerde geen
subjectieve waardeering, die’ bij den ruil een rol zou kunnen
spelen, en laten zich derhalve bij hunaanbodprijzen leiden
door hun kostprijz’en en door winstopslagen, die in wezen
door de mate van volledigheid der mededinging op de
markt bepaald worden. De prijsvorming is daardoor sterk
naar de ko’stenzijde georiënteerd. In het geval van effecten

‘)
Uit twijfel aan de juistheid – uit taalkundig oogpunt – van
den thans veelgebruikten term ,,zelffinanclering”, geven wij de voor-
keur aan dit reeds lang ingeburgerd adjectief.
‘) Men bedenke evenwel, dat de beurstotaliteit niet alleen tians-
aclies aantrekt, maar ze ook atstoot. Dit laatste ni. In dle geval-
len, waarin de provisie neer bedraagt dan het ruilvoordeel. Zgn.
ruiltrantacties (d. z. in wezen. arbitrages van beroepmatige be-
leggers) vonden dikwijls naar édn zijde via de beurs, naar de andere
zijde rechtstreeks met een tegenpartij, plaats. Verbiedt men
nu de ,,andere” transactie, dan vindt ook de ,,eene” niet plaats,
tenzij het ruilvoordeel grooter Is dan de (ditmaal) dubbele provisie.

26 Aprilø1’944

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

227

echter, is van een continu kapitaalverschaffjngsproces geen
sprake; het effect belichaamt een éénmaal plaats gevon-
den kapitaalverschaffing, waarvan men, daarn, uitsluitend
de waarschijnlijke toekomstige opbrengsten wil weten.
De verkoopers laten zich hier dus bij hun waardeeringen
leiden door hun inzicht
in
die toekomstige opbrengsten
en hebben daarbij geenerlei ,,kostprijs” tot richtsnoer
Bij wederzijdsche vrijlating der marktpartijen zal de prijs-
vorming voor effecten geheel en al de toekomstverwach.
4ingen van koopers en verkoopers weerspiegelen, terwijl
de prijsvprming voor regelmatig geconsumeerde en .dus geproduceerde goederen en diensten op historische kost-

prijzen en actueele vervangingswaarden gebaseerd zal zijn.
Bij de prijsbeheersching voor goederen en diensten worden
dan ook terecht – zij het met zekere restricties – kost-
prjsverhoogingen
na
del7 dag, waaraan de stopprijs werd
gekoppeld, in rekening gebracht, terwijl de prijsbeheer-
sching ter effectenbeurze zulk een band met den gewijzig-
den loop der economische verhoudingen a priori niet kent
(want er zijn hier geen kostprijzen) en daardoor vooral
voor fondsen met wisselvallige opbrengstverwachtingen
tot een soort winterslaap geleid heeft, waaraan pas gewij-
zigde omstandigheden een eind zullen kunnen maken
4).

Juist omdat de gemiddelde ,adspirant-koopers en -ver-
koopers beiden een hoogere subjectievé waardeering voor
het effect hebben dan met den stopkoers overeenkomt,
behoort een werkelijke prijsvorming onder het stopkoers-
stelsel – welke overige mérites dit ook hebben moge
tot de volslagen onmogelijkheden. Het aantal koopers
overtreft verre het aantal verkoopers,.zoodat men, evenals
bij de schaarsche artikelen, de koopers in de file moet

laten staan en tot een toewijzingsstelsel moest overgaan.
En aangezien er maanden, ja jaren, kunnen verloopen eer
men als kooper in ileze denkbeeldige file aan de beurt
komt, vindt hier in ‘wezen eep desynchroriisatie van de
prijsvorming plaats – de kooprs u1t het verleden wordèn
geplaatst tegenover de aanbieders uit het heden -. De
beurs krijgt, zooals het jaarverslag van De Nederlandsche
Bank 1942—’43 zegt, hierdoor ,,meer en meer het karakter
van een distributieapparaat”, aar.aan alle elementen
van den waren ‘handel ontbreken. Men kan dan oQk van
meening verschillen met Dr. Hunscha,’ die in ;,Bank-
wirtschaft” van 1 Aug. 1943, na zes maanden koersstop
aan de Berlijnsche beurs, schreef, dat er ,,ân den Grund-funktionen der Börse .bisher” niets veranderd was. Deze
in bedoeld artikel niet verder ‘geanal’seerde ,,Grund-

funktionei’ zijn, naar uit het voorgaande volgt, in de
allereerste plaats de onmidde
i
lijke liquideerbaarheid van
het in weten lange rediet en voorts de dageljksche be-
paling van de ruilwaarde,der èffecten. Liquideerbaar zijn de effecten nog wel, maar tegen koersen, die afle aanbod
onderdrukken,’ terwijl een waarde- – en prijsvormings-
proces zich ter lSeurze in het geheel niet meer afspeelt,
althans niet voor die fondsen, welker koers het niveau van den stopkoers b&reikt heeft. De bepaling van den
koers, waartegen transacties worden afgesloten, is in
deze omstandigheden, met betrekking tot deze fondsn,
niet meer een vraag van economische wetmatigheid,
t
‘) De algemeene koersstop viel op 3 Maart 1943, met beperking tot het niveau van 2Maart d.a.v. De gemiddelde omzet In Nederlandsche
aandeeled aan de Amsterdamsche beurs was In 1942 f 46,9 millioen
per maand. In 1943 waren de cijfers, volgens de ,,Flnancleele Koe-
rier” van 6 Jan. 1944:
millioen

millioen

mililoen
Jan.

t
53,8

Mei

t 9,0

Sept.

t 7,4
Febr.

,, 59,9

Juni

,, 4,8

Oct.

,, 6,0
Maart

,, 24,4

Juli

,, 6,5

Nov.

,, 6,9
April

,, 17,8

Aug,,,

,

6,4

Dec.

, 5,4
De invloed van den koersstop is dus
w1
zeer sprekend geweest.
Zij
werd ook tot de meeste soorten obligaties uitgebreid, met be-perking tot het niveau van
10
Maart 1943 en met als voornaamste
uitzondering de obligaties van Nederland en Nederlandsch-Indie. Ten
einde den opwaartschen druk der koersen, leidende tot zwarten handel
in effecten, tegen te gaan, was inmiddels, bij Besluit van den Secre-
taris-Generaal van Financitn en Justitie dd. 30 Sept. 1942, koop eh
vtrkoop, alsmede rulling van aandeelen, depôtfractiebewjjzen en
participatlebewijzen, anders dan door

tussehenkomst van een lid van de Bedrijtsgroep Etfectenhandél of ‘Vakgroep Makelaars In
Effecten, verboden.

maar van het inzicht, dat ‘leidende instanties terzake
van de koersbeheersching hebben. -‘ Vooral de houder
van stukken zonder vaste rentevergoeding, die zich door
den divid.endstop toch reeds eenwinstbeperking had
moeten getroosten, waar geeneriei preferentie tegenover
‘stond, wordt,hierdoor de facto in de liquideerbaarheid
belemmerd.

.

De prijzen ter beurze kunnen op drieërlei, wijze tot
stand komen.

Zij worden door de Overheid voorgeschreven, resp.
naar .boven toe beperkt.

De beurs registreert, via een ambtelijk of semi-ambte-
• lijk apparaat, hoe vraag en aanbod zich ten opzichte van
elkaar verhouden en tegen welken koers het grootste antal
koopers en verkoopers tot ruil kunnen komen:
De beurs kent een beroepmatigen handeisstand, die
zichzelf tot tegenpartij kan opwerpen om toppen en dalen
in vraag, of
/
aanbod te niveileeren. De prijsvorming ver-
loopt a.h.w. via de sluizen van dezen beroepmatigen
handel.

Men kan deze drie mogelijkheden aanduideii met de
begrippen prijsbeheersching, prjsregistratie en prijsvor-
ming
5);
De eerste vorm is typeerend voor de huidige
oorlogsomstandigheden. Zij zal, op grond van de in het
voorgaande gegeven redeneering, o.i. .bezwaarlijk in over-
eenstemming geacht kunnen worden met re,gelen van
rationeel
beursbeleid,
doch alleen gebaseerd kunnen worden
op het buiten de beurs gelegen overheidsbelang. Detweede
vorm is de belichaming van wat Lansbui’gh
8)
het ,,Schutz-
prinzip” genoemd heeft, waarbij ni. het publiek de -,,be-
scherming” ontvangt, gelegen in een ambtelijk apparaat van ,,koersvaststellers”, die geen handels- of bankzaken
vbor eigen rekening mogen drijven en geen adviezen mogen
‘geven, zooals de Parijsche ,,agents de change”, die bij
presidentieel decreet benoemd worden en de .Berlijnsche
,,Kursmakler”. De derde vorm, in tegenstelling tot den
tweeden, legt den nadruk ôp de in het voorgaande reeds
betoogde wenschelijkheid om den vershaffers van het
lange crediet,. dat in effecten belichaamd is,’ zoo groot
mogelijke kansen op het vinden van een tegenpartij –
dus op het liuide maken van hun bezit – te geven en
schakelt derhalve tussehen de uiteindelijke partijen een
handeisstand
in,
diezelf
als t’egenparti kan optreder, wanneer
het publiek te eenzijdig georiénteerd mocht zijn, hetgeen
het op gronden van massapsychologie ‘in den regel is.
Londen met zijn scheiding van
handelende ,,
jobbers” en
inakelende , ,
brokers” was het prototype van deze a.h.w. door
sluizen van handelaren geleide prijsvorming; in Amster-
dam nam de hoekman in den zgn. ,,open hoek”een hoewelmet
den ,,jobber” zekeiniet identieke, dan toch vergelijkbare
positie in. Lansburgh spreekt hier van het ,,Umsatz-
prinzip”; immers, de bedoeling zit vöor, om door zoo
groot mogelijke omzetten een zoo continu mogelijk prijs-
verloop tot stand te doen komen en aldus te voldoen
aan wat door de eeuwen heen een grondkenmerk van
beursbeleid geweest is: het vinden van een tegenpartij
te vergemakkelijken. Dreigt een groot aanbod, wegens
gebrek aan vraag bij het publiek, ‘in het luchtledige terecht
te komen, dan kan deze beroepmatige handelsstand als

‘) Ook andere indeelingen zijn t.o.v. de wijzevan prijsvorming
mogelijk, buy. dle In contante affaires en termijnhandel. Voor ons
doel
Is
deze onderscheiding van weinig belang; de practijk leerde
trouwens, dat een sterk ontwikkeld credietsysteem, zooals In
New-York of, in mindere mate, in Amsterdam bestond, den con-tanten handel a.h.w. doet overgaan in den termijnhandel. Hoewel
in principe tegenstellingen, zijn dus deze begrippen, door het georga-
niseerd ‘vergemakkelijken van transacties op crediet, practisch naar
€ikaar toegegroeid. In New-York was zelfs het leenen van stukken
voor baisse-transacties georganiseerd (de zgn. ,,loan crowd”), in tegen-
stelling tot Amsterdam, waar wel het leenen van geld ‘(op prolon-
gatie), maar thet het leenen van stukken georganiseerd was. Dat
er ongeorganiseerd
wêl
stukkèn geleend werden
Is
een andere zaak.
‘) ,,Zur Systernatik:tler Prelsbildung ander Eftektenbôrse”, 1917.
Berlin-Stuttgart.

1.

228

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26 ril 1944

koersbuffer optreden door voor eigen rekening te koopen;
overweegt omgekeerd de yraag, dan vervult hij dezelfde
functie door in blancô af te geven. En er zijn fellé debatten
geweest over de vraag, of daarmede nu een sociaal-eco-
nomisch nuttige, dan wel schadelijke functi’e vervuld
werd. – Het zou ons te ver voren, het voor en ‘tegen van de
beroepmatige speculatie in het kader van dit artikel
volledig uit te werken
7).
Het valt niet te betwisten, dat
de spec’ulatie op den duur ‘slechts zal kunnen bestaan door relatief laag in te koopen en relatief hoog te ver-
koopen, hoe ook de chronologische volgorde van deze
beide transacties telkens moge zijn geweest. Zoowel naar
boven als naar beneden moet de speculatie – ,,in the long
run” – dus een invloed hebbei, die de koersbewegingen
tegenwerkt en niet stimuleert.
Door laag te koopen worden de prijzen immers ver-
hoogd, door hoog te verkoopen d.e.t. verlaagd
8),
Nu kan
men stellen, dât deze heele redeneering niet noodig is,
omdat in de toekomst de prijzen aan de effectenbeurzen
relatief stabiele prijzen zullen zijn en omdat, de èventueele
koersnivelleerende invloed van de speculatie. a priori
zinloos wordt, wanneer die koersen niet aan veranderingen
van beteekenis onderhevig zuljen zijn.
Wij zouden deze stelling echter niet willen ondersteunn,
omdat het op zijn minst aan twijfel onderhevig geacht
mag worden, of,
zelfs in een toestand van overwegend ge-
leide economie, stabiele effectenprijzen met het wezen van de
op privaat ondernemerschap gebaseerde volks huishouding
te rijmen zouden zijn.
Men zou daartoe gelijkblijvende credietwaardigheid der ondernemingen en publiekrech-
telijke lichamen, voorts ook gelijkblijvende opbrengst-
mogelijkheden der ondernemingen moeten veronderstel-
len. Immers, pas dan zou deze prijsvorming, die nu eenmaal
krachtens haar afyijkenden aard niet aan kostprijzen
gekoppeld
kan
worden en geheel op toekomstverwachtingen,
is afgestemd, ,van nature tot stabiele prijzen leiden.
De taak,’ om fia den oorlog tot een in het dan geldende
economische stelsel passende prijsvorming aan de effecten-
beurzen te komen, zal zeker niet eenvoudig ‘zijn:
,
stemt
men in met de in het voorgaande gevolgde redeneering,
dan zal men geneigd zijn toe te geven, dat één onier-
anderlijke stopkoers in ieder geval met het wezen van de effectenprijsvorming onvereenigbaar moet worden
geacht. Zooals de prijzen van goederen en diensten aan
veranderlijke kostprijzen gerelateerd worden, zoo zou
men de prijzen van effecten op zijn minst aan soepeler
normen moeten verbinden. Doet men dit niet, of niet in
voldoende mate, dan zal de beurs verstarren en haar tra-ditioneele rol niet kunnen spelen, ‘zoodra het proces van
kapitaalverschaffing, dat nu nagenoeg stilligt, weer in1
gang komt.

S

t.D.
1


‘) Zij, die ook de moraal-theologische mérites van de speculatie
willen leeren beoordeelen, zullen een leidsman vinden In 0. von
Neli-Breuning S.J., ,,Grundzüge der Bôrsenmoral”, Freiburg i. Br. 1928. Vooral het in blanco afgeven .- dus verkoopen van fondsen,
die men niet bezit – blijkt wel eens tot gewetensbezwaren geleid
te hebben.
) Dat de speculatie – ,,in the short run” –lang niet altijd handelt,
zooals ‘deze redeneering ‘veronderstelt, en van buffer soms loco-motief wordt, Is in’ contesso.

DEFINITIEVE ÔEGEVENS BETREFFENDE
HET LEVENSVERZEKRINGSJAAR 1942.

Inleiding.

De belangrijkste bron van gegevens over het levens-
verzekeringsbedrijf, het verslag van de Verzekeringskamer,
loopt zoover achter ‘de feiten aan, dat het veel meer een
historische, waarde heeft dan een actueele. De oorlogs-
toestand heeft den datum van verschijng ng vertraagd.
Daar echter juist thans groote waarde is te hechten aan

volledige cijfers, is het verslag over 1942 een beschouwing

nog ten volle waard. ‘Na deze bespreking van het verslag
der Verzekeringskamer over het jaar 1942 zullen wij nog
een rtikel, met voorloopige gegevens over 1943 doen
volgen. /

Het toezicht van dé’ Verzekeringskamer.
Zooals bekend, is de Verzekeringskarner het orgaan,
dat sinds de invoering van de Wet op het Levensverzeke-
ringsbedrijf ‘an 1922 toezicht houdt op de levensverze-
0

keringmaatschappijen, de spaarkassen en ‘de begrafenis-
foncsen, deze laatste evenwel slechts voorzoover ze uitkee-
ringen in geld doen. Juist in het verslagjaar 1942 werd aan
de taak der Verzekeringskamer een groote uitbreiding gege-
ven door het onder toezicht stellen van het onderlinge
brand-, inbraak-, diefstal-, waterleidingschade- èn storm-
verzekeringsbedrijf. Daarna is er ook nog eenige bemoeienis
gekomen met ,het bouwspaarkawezen en sedert enkele
maanden ook met het bedrijf van verzekering van begra-fenissen in natura. Wij beperken ons in het hier. volgend
overzicht evenwe’ tot, die categorieën, welke reeds .van
den aanvang af onder toezicht hebben gestaan, met uit-
zondering van de spaarkassen.

De onderscIeiding in levensverzekeringmaatschappijen
enbegrafenisfondsen berust niet op een scherpe definitie,
doch is wel een kwestie van grootte van het bedrijf en van
den aard daarvan. Er stonden aan het einde van 1942
in totaal 61 binnenlandsche en 8 buitenlandsche maat-
schappijen onder toezicht, alsmede 66 begrafenisfondsen.

De productie.
-‘

Algemeen wordt als maatstaf voor den gang van zaken
in het leversverzekeringsbedrijf gebruikt de, grootte van
de productie. Is een flinke produc%ie bevorderlijk voor gfoei en bloei van het levensverzekeringsbedrijf, ander-
zijds is een groote pnøductie, zooals wij die thans zien,
zeker niet geheel zonder . bezwaren. Laten wij evenwel
nagaan, hoe de productie in 1942 was. Alle *oegere records
werden gebrQken: aan nieuwe verzekeringen werd niet
minder dan 1.002 millioen ‘gulden, dus ruim een milliard,
afgesloten. Hierbij is de rente op de daarvoor in ons land
gebruikelijke wijze door verrnenigvuldging met 10 ge-
kapitaliseerd. Tabel 1 geeft een vergelijking met de voor-
afgaande 2 jaren. /

TABEL 1.


Productie van nieuwe verzekeringeri in millioenen guldens.


1940

1941
1942

Kapltaalverzekering

…..’
145,7. 268,7
468,3
10

x ‘Renteverzekering

. . .
148,1
. .

252,2 398,4
Volksverzekering
84,6
107,0
435,4

Totaal

……………….
1
348,4

1
627,9
1.002,1

Behalve door nieuwe vérzekeringen wordt nog wel
ecnige vooruitgang geboèkt uit anderen hoofde’ (overge-
nomen portefeuilles, omrekening vreemde munt e.d.),
doh de daarmede gemoeide bedragen zijn onbeteekenend vergeleken bij de nieuwe verzekeringen. Na de inzinking
van 1940 was de prôductie in 1941 reeds weer op het
vôéroorlogsche peilgekomen, doch in 1942 heeft iij een
ongekenden omvang aangenomen. Die groote productie,
welke, zooals wij reeds opmerkten, ook belangrijke na-
deelen heeft (waarop wij hier echter niet nader zullen in-
gaan, doch welke kwestie wij in een volgend artikel zullen behandelen, evenals de oorzaken van’de groote productie),
brengt uiteraard veel werk mede. Om daaraan juist nu
eenigszins tegemoet te komen zijn, op advies van de Ver-zekeringskarner, maatregelen genomen om de werkzaam-
heden voor offerten voor collectieve conbracten belangrijk
te beperken.

Het royement.

Het royement, dat zijn de afgevoerde verzekeringen,
wordt verdeeld in het zgn – normaal of natuurlijk verval,

26 April 1944

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

229

d.i. verval door overlijden en door afloop der verzekering,
en het abnormaal of, onnatuurlijk verval, d.i. verval
door wijziging der verzekering, door afkoop, door wan-
betaling en door andere oorzaken. In het natuurlijk verval
is niet veel verandering op te merken, hetgeen een aan-
wijzing is, dat de sterfte niet abnormaal gestegen is. Hierop
komen wij nog terug.
De tabellen 2a en 2b illustreeren het normaal verval
in de laatste 3 jaren. Hierbij illustreert vooral tabel 2a het
groote belang van de levensverzekering voor de volkshuis-
houding, met betrekking tot het finantiëele gezinsrisico
bij overlijden, waar in 1942 aan kapitaal- en volksverzeke-
ring samen niet minder dan 22,4 millioen gulden wegens
overlijden werd afgevoerd.

TABEL
2a.
Normaal oeroal (ooerlijden).
Door ooerljden oeroallen oerzekerde bedragen in millioenen
guldens.

1940
1941
,

1942.

Kapitaalverzekering
15,0
15,1
13,2
10

x

Renteverzekering

.
. .
14,4
14,6
16,4
Volksverzekering
8,9
9,1
9,2

Totaal

……………….
38,3 38,8
38,8

TABEL
2h.
Normaal oeroal (afloop).
Door afloop oeroallen oerzekerde bedragen in millioenen
guldens.

1940
1941
1942

Kapitaalverzekering

. . . .
37,7
35,2
37,0
10

x

Renteverzekering

. . .
7,0 7,7
7,8
Volksverzekering

………..
.

4,0 4,0
4,1

Totaal

……………….
48,7 46,9 48,9

De tabel betreffende den afloop doet zien, hoe groot het
belang is van de levensverzekering, als spaarinstituut,
daar wel ffiag worden aangenomen, dat de afvoering ge-
paard gaat met uitkeering van ongeveer even groote
bedrajen, althans in de kapitaalverzekering en in de volks-
verzekering. ,
Het onnatuurlijke verval heeft als voornaamste oor-
zaken: wijziging der verzekering, afkoop en wanbetaling.
De omrekening van vreemde munt en andere oorzaken
zijn van geen beteekenis geweest. De tabellen 3a, 3b en 3c
illustreeren een en ander.

TABEL
3a..
Veroal door wijziging der oerzekering in millioenen guldens.

1940
1

941
1942

Kapitaalverzekering
23,4
19,6
20,1
10 x Renteverzekering
13,5
14,3 17,4
Volksverzekering
6,1
5,2
4,1

Totaal

………………
1
43,0
1

39,1
41,6

TABEL
3h.
Veroal door af koop in millioenen guldens.

1940

}
1941
1942

Kapitaalverzekering
58,4
33,0
26,1
10

x Renteverzekering
. . .
14,4
11,5
19,7
Volksverzekering
8,8 5,4 3,4

Totaal

………………..
81,4
1

49,9
49,2

TABEL
3e.
Veroal door wanbetalin ,n millioenen guldens

.’tl)
1941

1
1942

Kapitaalverzekering. ..
37,4

.
22,3
24,6
10

x

Renl.evelzekering
8,2
5,3
7,1
Volksverze ering

…..
..36,7
26,0
23,1

Tot’aal

………
…….
82,3
1

53,6
1

54,8

Stand oan’ de portelcuilles.

Verdeeld over n’ieer d’n 2 millioen polissen in de Ka-pitaal- eii Reiiteverzekerintg (de zgn. groote posten) en

bijna 10,7 millioen polissen in de Volksverzekerng, was
per ultimo 1942 verzeker* een kapitaal van 4.153,9 mil-
lioen guldens en tevens een jaarlijksche rente van 199,53
millioen guldens.Kapitaliseeren wij de rente door ver-
menigvuldiging met 10, dan komen wij op een totaal
van 6.14,2 millloen guldens verzekerd kapitaal voor
het geheele bedrijf met inbegrip van de portefeuilles in
Oost- en West-Indië (voorzoover daarvan gegevens
beschikbaar zijn),,.België, Frankrijk en Denemarken. Ove-
rigens is het aandeel van deze buitenlandsche portefeuilles
niet bijzonder groot, n.l. in totaal 454 millioen guldens.
Jnteressant is de splitsing ‘in een aantal verzekerings-
vormen. In tabel 4 is die splitsing gegeven. Daaruit blijkt

tevens, dat de groei van de renteverzekeringen naar ver-
houding veel grooter is dan in de kapitaalverzekering.
Vooral sterk is de stijging van de uitgestelde pensioenen,
hetgeen uiteraard een gevolg is van de belastingfaciliteiten.
De renteverzekeringen bij de groep ,,kapitaal- en rente-
verzekeringen” zijn de zgn. opvoedings- en ideaalrenten,
dit zijn renten, welke ingaan na het overlijden ‘van den
verzëkerde

en dan tijdelijk worden uitbetaald, meestal
niet als lijfrente, doch onafhankelijk van eenig leven.

Het premie-inkomen.

Dat met de uitbreiding der portefeuilles een stijging
van het inkomen aan termijnpremiën gepaard gaat, is
begrijpelijk. In de jaren 1940, 1941 en 1942 bedroeg dat
inkomen, na aftrek dr herverzekering, resp. f 119,7 mii-
lioen, f 125,7 miljoen en f 143,3 millioen. Belangrijk
grooter was de stijging aan ontvangen koopsommen, in
de 3 jaren na aftrek van herverzekering resp. f 24,2 mii-
lioen, f 60,9 millioen en f 98,0 millioen. Zooals de Verzeke-
ringskamer opmerkt, hebben deze groote bedragen aan
koopsommen voor een niet onbelangrijk gedeelte betrek-
king op verzekeringei, die geen of nauwelijks eenig risico-

karakter hebben. te levensverzekeringmaatschappij en
nemen dan ook maatregelen om den toevloed van derge-
lijke verzekeringen te remmen, waarvoor de Bedrijfsgroep
Levensverzekering richtlijnen gaf. Overigens is die rem al
weer veel losser geworden door het intrekkenvan bepaalde
richtlijnen.

Het was de Verzekeringskamer opgevallen, dat het
vooral in 1942 veelvuldig voorkwam, dat door verzekerden
bij de maatschappijen bedragen werden gedeponeerd,
waaruit op de vervaldagen de verschuldigde premie kan
worden voldaan. Verdere uitbreiding van dat verschijnsel
achtte de Verzekeringskamer ongewenscht, daar de maat-schappijen op deze wijze feitelijk een bankfunctie ‘errich-
ten en meer risico op zich nemen dan voor een bedrijfs-
uitoefening noodzakelijk is. De Kamer verwacht dan ook, dat de maatschappijen voor het vervolg, het gedeponeerde
bedrag zullen beperken tot een som, die de over twee
jaren verschuldigde premie niet te boven gaat.

Uitkeeringen en af koopen.

Als belangrijkste verschijnsel is te noemen, dat de zeer
sterke daling van 1940 op 1941 van het aan afkoopsommen
uitbetaalde bedrag in 1942 nog door een kleinere, verdere
daling gevolgd werd. De uitgekeerde lijfrenten vetoonen
een normale stijging.
f
Tabel 5 illustreert één en ander.

TABEL .

Uitkeeringen’ en af koopen, na aftrek o,an heroerzekeringen,
in millioenen guldens.

1
1940
1941
1942

Kapitaal

en

restitutie

van
pjemie bij overlijden
22,2
21,7
21,2
Kajiltaal

bij expiratie..
35,3
33,0
32,8
Overige kapitaaJsuitkeerinen
0,1,

0,1
Uitgekeerde lijfrenten

.a.
26,4 27,9 30,6
Uitgekeerde. afkoopen
21,2
11,3
10,8

Totaal van alle uitkeeringen
105,2
93,9
95,5

S

230

ECONOMISCH:STATISTISCHE BERICHTEN

26 April 1944

TABEL 4.

Stand
der Portefeuille.

Verzekerde bedragen In millioenen guldens

Aantal Polissen

1
1

Kapitaal

Jaarlijksche rente

Groote verzekeringen:

1940

1941

1942
• Kapitaal- en renteverzeke-

ringen ………………..1.400.167

1.503.523

1.684.755
Ingegane hjfrente

67.074

71.869

78.616
Uitgestelde pensioenen

. . .

132.846

, 151.790

181.585

• Overige renteverzekeringen .

56.028

63.841

78.021

Totaal

………………..1.656.115

1,’.791.023

2.02.977

Volksverzekeringen ………9.611.003

9.992.457 10.681.465

Algemeen totaal ……….
.
11.267.118 11.783.480 12.704.442

De Preniieresere of Wiskundige Reseroe.

De premiereserve,, de alles beheerschende post op de
balans van een levensverzekeringmaatschappij, steeg (na
aftrek der herverzekering) van f 1.335,2 millioen in 1940
tot f1.441,3 millioen in 1941 en tot
1
1.598,2 miljoen per
ultimo 1942. De stijging was in 1940, 1941 en 1942 resp.
48,1, 106,1 en 156,9 millioen gulden. Meer dan
11
milliard
gulden wordt dus door het levensverzekeringsbedrijf be-

1
heerd. In verband met de premiereserve bespreekt de
Verzekeringskamer de kwestie van de dep6tstelling Daar-
over wordt gezegd: ,,Het is ons gebleken, dat er, in verband
• met het afsluiten van collectieve contracten met werk-
gevers ter verzekering van personeel, levensverzekering –
maatschappijen bereid zijn gevonden om de wiskundige
reserve voor de verplichtingen, diè uit deze contracten
voortvloeien, te deponeéreri bij de desbetreffende onder-
neming. ‘Deze ontwikkeling achten wij minder juist, omdat op deze wijze voor beperkte groepen van verzekerden ‘een
niet te motiveeren privilege wordt geschapen, hetgeen in
strijd is’ met den rechtsregel, dat de levensverzekering-
maatschappij ten opzichte van al hare verzekerden ge-
lijkelijk aansprakelijk is.. Uit den aard der zaak slaat het
vorenstaande niet op depôts, welke betrekking hebben op herverzekeringsovereenkomsten met ,andere maat-
schappijen, noch op zekerheidsstellingen bij andere maat-
schappijen ter waarborging van gegeven garanties. Het
kan nl. als een belang voor het geheele bedrijf worden be-
schouwd, dat een levensverzekeringmaatschappij te allen
tijde de beschikking heeft over de volledige activa, daarbij
inbegrepen de activa, welke dienen ter dekking van dat
gedeelte der premiereserve, dat betrekking heeft op de
in herverzekering gegeven posten. Vooral in oorlogstijd

springt het belang hiervan in het oog.
Wij
verwachten, dat
de maatschappijen zich in het vervolg van het verleenen
der bedoelde faciliteit zullen onthouden.”

De grondslagen: sterfte, rente en onkosten.

Zooals bekend mag worden ondersteld, rust het levens-
verzekeringsbedrijf in hoofdzaak op de drie grondslagen
sterfte, rente en onkosten.
Het onderzoek, dat de Verzekeringskamer naar de
sterfte
instelt, is altijd zeer uitvoerig. Het blijkt, dat de,
ervaring in 1942 gunstig was en zeker geen pessimistischen
klank rechtvaardigt. Men, kan zeggen, dat de gevolgen
van den oorlog zich zeker nog niet catastrophaal afteekenen
in de sterfte-ondervinding van de levensverzekeringmaat-
schppijen. Tabel 6 illustreert dit, terwijl daaruit ook is
af télezen, hoeveel sterfgevallen een direct gevolg van den
oorlog waren. Opgemerkt zij, dat het pier een verzekerin-
gensterfte betreft, zoodat
‘dus
personen, die meer polissen
hebben, ook evenveel malen worden geteld.
De tweede belangrijke grondslag is, zooals wij zeiden,
de
rente.
In tabel 7a is daaromtrent een overzicht gegeven.
De daling der rente is o.a. een gevolg van verschuiving
in de beleggingen van hypotheken naar effecten en van
het hooge koerspeil van deze laatste. De rentemar4e is
grooter dan tabel 7 zou, doen vermoeden, daar het totaal
der beleggingen belangrijk hooger is dan de wiskundige
r.serve en de volle rente over dat meerdere is tevens een
veilige marge (zie tabel 7b).

1940

1

1941

‘1

1942

1

1940

1

1941

1

1942

‘Verwacht
Totaal
aantal
Aantal
Aantal
aantal
waarge-
oorlogs-
sterfge-
vallen
sterfte-
gevallen
Per-
noinen sterfge-
zonder
volgens
centage
sterfte-
gevallen
vallen
molest
G.B.M.
1
)
’21-’30

Kapitaal-
verzekeringen:
1940

. . . .
7.060
,

1.035
6.025 7.498 86
%
1941

.

. .
6.634
192
6:442 7.82
7

82
%
1942

. . . .
6.711
336
6.375
8.467
75
%

Volks-
verzekeringen:
1940

. . . .
84.649
4.887
79.762
87.411
91
%
1941

. . . .
85.430
1.253
84.177
89.029
95
%
1942

. . . .
82.173 1.572
80.601
92.270
87
%

1
1
Onder de G.B.M. ’21-’30 verstaat men de sterftetafel, afge-
leid uit de waarnemingen over de geheele mannelijke bevolking
van Nederland, periode 1921-1930.

TABEL 7a.

Gemiddelde rente.

1940

}
,
1941

1

1942

Vaste eigendommen (netto)
5,58
5,49
5,77
Hypotheken

…………..
4,04
4,06 4,05 3,98
3,57
3,47
Leeninge

op

schuld beken-
tenis

……………….
3,56
3,61
3,58
Polisleeningen

…. . …….
5,07

..

5,05
5,07

Effecten

………..
………

4,07

..
..

3,94
3,81
Gemiddelde

rentevoet

der
Alle beleggingen

………..

premiereserve
3,50 3,47
3,47
Marge

…………………
0,57
0,47 0,34

TABEL 7h.

OQerrente in millioenen guldens.

1
1940
1941
[

1942

Totaal, rente-inkomen
57,4
59,3
62,8
Gemiddeldewiskundigereserve
1311,1
1388,3
1

1
9,8
Gemiddelde rekenrentevoet
3,50% 3,47% 3,47%
Geschatte benoodigde rente
. .
45,9 48,2
52,7

Overrente

…………….
1

11,5
11,1 10,1

De totale
onkosten,
welke in 1940, 1941 en 1942 resp.
28,2, 32,8 en 41,8 millioen guldens hebben bedragen,
moeten door de mnatschappijen gesplitst worden in 2
deelen, de zgn. eerste onkosten, dat zijn die kosten, welke
gemaakt moeten worden om productie te verkrijgen, en
de doorloopende onkosten of administratiekosten. Wanneer
de eerste onkosten worden uitgedrukt in eenS percentage
van de netto productie, dan blijkt dat percentage een daling
te
vertooflen
van 3,44 % in 1940 tot 2,59 % in 1941 en
2,29 ‘% in 1942. De doorloopende onkosten, uitgedrukt
in % vande bruto .jaarpremie eigen risico, waren in ‘die 3 jaren resp. 13,66 %, 13,32 % en 13,32 %. De voor de
doorloopende onkosten beschikbare bedragen (de onkosten-
opslagen in de premie) waren echter belangrijk grooter;’
de marge was -van de bruto jaarpremie eigen rekening resp. 7,40 %, 7,62 % en 7,37
%.

De beleggingen.

Bij de beleggingeG zien wij en zeer sterke verschuiving,
welke gaat ten koste van de hypotheken in de richting
van de effecten en andere beleggingen. Bij deze laatste
groep zijn inbegrepen de schatkistprocnessen. De bedoelde
verschuiving is voornamelijk een gevolg van het voor de

2.428,0 2.572,6
2.919,2
39,80 44,27
53,17
5,4
5,4

6,0
2624
28,60
31,37
6,9
8,1
8,8
48,82
58,34
73.66
0,5
1,0 1,0
29,98
34,44
41,31

2.440,8
2.587,1
2.935,0
144,84
165,65
199,51
1.060,4
1.120,1
1.218,9
0,02 0,02 0,02

3.501,2

3.707,2

4.153,9

144,86

165,67

199,53

TABEL 6.

Waargenomen
sterfte.

26 April 1944

ECONOMISCH-STATISTISCHE, BERICHTEN

281

TABEL
8.

.

OQerzicht

.’an de beleggingen.

Balanswaarde

in

willioenen

guldens
%

van1e
51
tl van alle
ngen

1940

.
1941
1942
1940
1941
1942

Landelijke eigendommen

……………..

14,4
Gebouwen

…. …………………….

..
133,5
14,3
134,1
14,2
130,7
1,0 %
9,4 % 0,9 %
8,8 %
0,8 % 7,7 %
Totaal vaste eigendommen ……….

147,9 148,4
144,9
10,4 %
9,7 %
8,5 %
Hypotheken op landerijen

62,0
Hypotheken op gebouwen

…………..

397,4

..

..

59,0
371,5
50,8
317,1
4,3 %
28,0 %
3,9 %
24,3 %
3,0%
18,6
%
Totaal hypotheken ……………..

459,4 430,5 367,9
32,3 %
28,2 %
21,6
%

Obligatien Nederland en Overzeesche Ge-

..

..

43,8
44,5
3,6 % 2,9 % 2,6 %

Aancieelen

…………………………
50,

westen

…………. .. …

197,9
328,0
50,5
467,0
60,3
13,9
%
3,1
%
21,4 %
3,3 %
27,4 %
3,5 %
…………….

422,3
571,8
20,6
%
27,6 %
33,5
%

Obligatiën buitenland

………… …….
……
44,0

Totaal effecten

………………..

..
292,7

Leeningen op schuldbekentenis

……..

413,0
Polisbeleeningen

……….
..
70,0
Gedeponeerd

In

geld

iij

herverzekering-

maatschappijen

……………………
6,7
Andere beleggingen…………………..
30,7

432,3
63,9

6,7
25,4

426,2
56,3

6,4
132,0

29,1
%
4,9 %

0,5
%
2,2
%

28,3
%
4,2
%

0,4
%
1,6
%

25,0 %
3,3
%

0,4
%
7,7
%
Totaal alle beleggingen

………….
1420,4 1529,5
1705,5
100,0
%
100,0
%
100,0
%

=3PJe:e onmpgelijkheid

vaste eigendommen
DE
OORZAKEN
VAN HET
VERscHILIN
REËEL
aan te schaffen, en voorts natuurlijk van de staatsleenin-
LOON
IN LANDBOUW
EN INDUSTRIE.
gen, waarop ae Ir)sfltutloneele beleggers voor zeer groote
bedragen moesten inteekenen. Als wij rekening houden
met schatkistprorhessen, blijkt ons uit tabel 8, dat de
levensverzekeringmaatschappijen, in der vorm van obliga-

tiën, leeningen op schuldbekentenjs enz., yoor ongeveer
50 % van hun totale beleggingen geïnteresseerd waren bij
den Staat en zijn ôrganen (overheidscrediet).

Van de binnenlandsche obligatiën was ni. in 1940, 1941

en 1942 resp. 48 %, 66 % en 77 % obligatiën van staat,
provinciën, gemeenten enz.

De Verzekeringskamer komt zonder de schatkistpromes-
sen voor de 3 jaren op resp. 35,8, 42,4 en 46,1 % van de totale beleggingen als ovrheidscrediet.

Over enkele afzonderlijke heleggingsvormen laten wij
nog eenige opmerkingen volgen.
Ie exploitatiekosten van de
paste eigendommen
vormen
een vrijwel gelijkblijvend percentage (31 %,
33
%, 32%)
van de bruto huren. De afschrijvingen zijn yerrhinderd
en waren in 1942 minder dan de helftvan die in 1940.
Bij de
hypotheken
is vrijwel alleen sprake van eerste hypotheken. Executies,,in 1940 nog 66 en in 1941 nog
34, hadden er in 1942 slechts 4 plaats. Achterstand in de
hypotheekrente was in de 3 jaren resp. 2,30 %, 4,12 %
en 1,64 % van de hypotheekrente.
Over de
e//ect.en
spraken wij reeds, toen wij het thema
behandelden van het aandeel, dat de levensverzekeraars
in het overheidscrediet hebben. De winst op effecten (door
koersverandering en door verkoop) bedroeg resp. 13,0,
7,5 en 14,1 millioen guldens.

Besluit.

Wanneer wij uit het verslag van de Verzekeringskamer
nog noemen de hoofdstukken, welke de buitenlandsche
maatschappijen, de spaarkassen en de fondsen behandelen,
dan is ons overzicht vrijwel compleet.

Vervolgens geeft de Kamer nog een korte samenvatting
van den verzekeringsstand, terwijl ook aan de pas aan het einde van 1942 onder toezicht gestelde onderlinge
schadeverzekeringmaatschappijen eenige aandacht ge-
‘wijd wordt.

Na een opsomming van de overheidsmaatregelen, welke
van belang zijn voor het verzekeringswezen en in 1942
‘en 1943 werden getroffen, volgt een groot aantal verzamel-
staten, die tezamen een uitnemend beeld geven vanhet
Nederlandsche levensverzekeringsbedrijf.
41
In een volgend artikel zuilen wij eenige officieuse ge-
gevens over het levensverzekeringsjaar 1943 geven.

A.
DE
BRUIJN.

De verschillen in belooning, welke wij constateerden
1)

bij landbouw- en industriearbeiders, leiden tot de vraag,
welke oorzaken voor het verschil in reëel lopn valT de land-
arbeiders eenerzijds en van de industrieele arbeiders ander-
zijds zijn
aan
te wijzen.

1.
De arbeidsproducti’igeit.

Soms wordt een verschil in arbeidsproductiviteit als
één der belangrij’kste factoren van loonverschil naar voren
gebracht. Deze zou dan in den landbouw lager zijn.
Om misverstand te voorkomen willen wij opmerken,

dat er sprake kan zijn van arbeidsproductiviteit, zoowel
in technisch als in economisch opzicht. Een vergelijking tusschen de productiviteit uit een technisch oogpunt kan
hier buiten beschouwing blijven, daar wij getracht hebben
de iroepen van arbeiders, waarvan het loon vergeleken
wordt, zoodanig te kiezén, dat hun arbeid in dit opzicht
gelijkwaardig is. De vraag blijft dan, of er sprake is van
een verschil in economische arbeidsproductiviteit. 1

lieron-
der wordt dan verstaan de maatschappelijke waardeering,
bij de bestaande economische situatie, voör de laatst toe-
gevoegde arbeidseenheid. Deze waardeering bepaalt de
hoogte van het loon, dat dan voor alle, uit arbeidstechnisch
oogpunt gelijke, arbeiders, -die in eenzelfde bedrijf werk-zaam zijn, gelijk is. De vraag is nu, wanneer de belooning
voor gelijksoortigen arbeid in alle bedrijfstakken gelijk
zal zijn. Dit zou het geval zijn in een maatschappij, waar
alle prijzen, zonder wrijvingsverschijnselen en bij volkomei
bewegelijkheid der productiefactoren, op de vrije markt
tot stand kwamen. De productie zou dan in alle bedrijfs-
takken zoover worderl uitgebreid, dat de grensprodic-
tiviteit en daarmede, het loon van uit ârbeidstechnisch
oogpunt gelijken arbeid overal gelijk zou zijn. In de hui-
dige maatschappij zijn er echter verschillende factoren
werkzaam, die een dergelijke nivelleering belemmeren.
Deze factoren hebben, via een wijziging in de rentabiliteit, tot gevolg gehad, dat de productie.werd uitgebreid dan wel
ingekrompen tot een peil, waarbij de grensproductiviteit
van den arbeid ging afwijken van die van gelijksoortigen
arbeid elders in het bedrijfsleven. De aard van sommige
dezer factoren is zoodanig geweest, dat een dergelijke toestand langen tijd kon blijven voortbestaan. De con-
clusie luidt dus, dat zonder verschil in arbeidsproductivi-
teit geen verschil in loon kan bestaan, maar dat anderzijds

‘) ,,}tet vershil in het loon van arbeiders In industrieele be-
drijven en van arbeiders in den landbouw vdOr den oorlog”, in het ,,Loonvraagstukken”-nummer der
,,E.-S.B.”
van
19
April
1944,

282

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

26 April 1944
een verschil in arbeidsproductiviteit geen rechtstreeksche
oorzaak van loonverschil is, doch zelf het gevolg is van
bepaalde oorzaken, welke hierna zullen worden bekeken.

De ecorftmische machtspositie t’an de arbeiders.
Was de verhouding van vraag en aanbod zoodanig, dat
de arbeid in de vôôroorlogsjaren in de. industrie schaarsch
en in den. landbouw .overvloedig wa

? Het eerste was
geenszins het geval. De werkloosheid in de industrie was

nog grooter’dan in den landbouw. De reden, waarom in de
industrie, in tegenstelling tot den landbouw, relatief hooge
bonen konden worden gehandhaafd bij een zoo groote
werkloosheid, was gelegen in de sterkere organisatie van de
niet-agrarische arbeiders. Dit handhaven van het hooge
loon kon echter alleen geschieden door de grensproductivi-
teit hieraan aan te passen en wel door dè productie in
te krimpen, hetzij absoluut, hetzij
1
relatief door ni. minder

uit te breiden dan bij lagere loonei het geval had kunnen

zijn.
Deze sterkere organisatie is eenerzijds te verklaren uit
de doelmatiger wijze, waarop, de arbeiders in de steden
georganiseerd kunnen worden, anderzijds uit de zwakkere
positie, die de landarbeiders, afgezien van het geringere
onderlinge contact, hebben. Dit laatste ni. omdat op vele
landbouwbedrijven door den bedrijfsleider en zijn gezins-
leden handenarbeid wordt verricht, zoodat globaal de
helft van den landarbeid door deze laatste categorie wordt
verricht. Hierdoor kan in slechts weinige gebieden een
staking dusdanrge gevolgen hebben, dat hulp uit nahurige
streken onvoldoende zou zijn om de oogstwerkzaamheden
te doen sagneeren. Maar al was de organisatie der land-
arbeiders even sterk geweest, dan zouden zij toch met
minder kans op succes gelijke lopneischen hebben kunnen
bedingen. Ten eerste was het aanbod van landarbeiders
groot, tengevolge van het groote geboorte-ôverschot ten, plattelande, gepaard gaande met factoren, die belemme-
rend werkten op een voldoende afvloeiïng der overtollige
arbeidskrachten naar, niet-agrarische beroepen en met
een uitbreiding van den cultuurgrond, die, in verhouding
tot den aanwas der plattelandsbevolking, veel te gering
was. Wij komen hierop verderop nog terug.
Zouden nu bij een dergelijk groot aanbod van arbeids-
krachten even hooge reëele bonen als van gelijksoortigen arbeid in de niet-agrarische bedrijven zijn verkregen, dan
zou de werkloosheid dientengevolge grooter zijn geworden
en wellicht nog grooter als in de niet-agrarische sectoren
het geval is geweest. Dit feit heeft ongetwijfeld zijn in-
vloed gehad bij het vaststellen dr booneischen door de werknemers. Hierbij komt, dat om dezelfde hierboven

genoemde redenen de groote
vraag
naar grond de pacht
vôôr den oorlog steeds zoo hoog heeft gehoudn, dat,
hoewel de pacht in de dep’ressiejaren aanzienlijk is ge-
daald, een geringe belooning voor den pachter overbleef.
De betreffende statistische cijfers over de rentabiliteitvan
een groot aantal landbouwbedrijven in geheel Nederland
toonen dit laatste duidelijk aan. Dit is van verkgeverszijde zeer zeker steeds als een argument tegen loonsverhooging

naar voren gebracht.

De rentabilitéit in den landbouw t.o.’. die in de niet-

agrarische bedrijfstakken.

Wij noemden al de oôrzaken, die tot een lage rentabili-
teit in den landbouw hebben geleid. Zijn er nu anderzijds
ook ooriaken te noemen voor een hoogere rentabiliteit
in de niet-agrarische bedrijfstakken?_Cijfers van een con-
creet en objectief onderzoek staan ons niet ter beschikking.
Wij moeten het dan ook laten bij de volgende algemeene

opmerkingen.
De ‘entabiliteit van den Nederlandschen landbouw
was voor 1931 geheel afhankelijk van de marge, die de
vrije marktprijs boven .de productiekosten toeliet. Hoewel
onze landbouw in landbouw-technisch opzicht een zeer
hoog peil heeft bereikt, was niettemin’ deze marge gering.

Van 1931 af werd van geleidelijk steeds meer producten

een minimumprijs vastgesteld. De landbouwpolitiek in
die jaren liet echter evenmin een behoorlijke marge tus-
schen prijs en productiekosten toe, afgezien van de prijzen
voor oogst 1939, welke door den dreigenden oorlog werden
beïnvloed. Aaneensluiting van de producenten, teneinde
invloed op de markt uit te oefenen, was noch vôôr 1931,
noch daarna mogelijk, mede door het groote aantal pro-
ducenten. In de niet-agrarische bedrijfstakken was dit
antiers. In vele bedrijfstakken of onderdeelen daarvan
is het aantal producenten gering. Aaneensluiting iii eeniger-
lei vorm, eventueel als onderdeel van een internationale
combiaatie van producenten, is veelal toegepast met het
dpel de marktpositie te verbeteren en de rentabiliteit te
verhoogen. Hierdoor zijn dan weer de looneischen van de

arbeidersorganisaties beïn,loed.
Wij noemden als oorzaak van de geringe rentabiliteit
in den landbouw de groote vraag naar grond, welke een
hooge pacht tot gevolg had. Dit is niet de eenige oorzaak.
Een andere zien wij in het feit, dat de grootte van het
meerendeel der Nederlandsche landbouwbedrijven be-

drijfseconomisch te klein is
;
Op groote bedrijven, waar op
groote schaal landbouw-technjsche kennis kan worden
toegepast, ligt de situatie guntiger. Bij de industrie is,
volgens onzen gbobalen indruk, de toestand zoodanig, dat de productiekosten veel meer in overeenstemming
zijn met die van buitenlandsche concurrenten, o.a. omdat
versnippering van het bedrijf hier in het algemeen niet

heeft plaats gehal.
De vraag kan gesteld worden, waarom een dergelijk verschil in rentabiliteit nietna korteren of langeren tijd geheel of gedeeltelijk wordt opgeheven. Dit is niet het
geval, als gevolg van de onder punt 4 te noemen factoren,
die het overgaan van agrarische naar niet-agrarische be-
roepen, belemmeren.
Tenslotte willen wij nog de vraag stellen, of een verbete-
ring van ‘de rentabiliteit in den landbouw – zooals sinds
de laatste jaren het geval is – een gunstigen invloed op
1
het landarbeidersloon zou hebben. -Bij een vrijen pacht-
prijs zou dit nauwelijks het geval kunnen zijn. De grond-
eigenaren waren daarvoor in een veel te sterke positie
tegenover de landarbeiders. Het fixeeren van den paeht-
prijs – zooals thans practisch het geval is – geeft een
mogelijkheid tot loonsverhooging, echter alleen, indien
door de gestegenI rentabiliteit de vraag naar landarbeiders
wordt vergroot. In de industrie zien wij in een dergelijke
situatie een grootere vraag, zooweb door vollediger
benutting van de producti’ecapaciteit als door ver-
grooting hiervan. In den landbouw ligt ook hier
de toestand anders. Uitbreiding van de oppervlakte cul-
tuu.rgrond is op korten termijn niet mogelijk en op langen
termijn slechts in zeer beperkte mate. Arbeidsintensiever
werken heeft, practisch gezien, eveneens weinig te. betee.

kenen voor de vergrooting van de vraag naar arbeid.
Het profiteeren van de verbeterde rentabiliteit zou dus
vrijwel alleen mogelijk zijn geweest door sterkere Orga-
nisatie der landarbeiders. In hoeverre dit laatste uit het
oogpunt der welvaart van de agrarische bevolking als
geheel wenschelijk zou zijn geweest, blijft hier buiten be-

schouwing. . .

Het groote aanbod tan landarbeid en de- geringe uitbret-

ding van den cultuurgrond.

Het groote aanbod ian landarbeid vloeit voort uit het
groote geboorte-overschot op het platteland, gepaard
gaande met de moeilijkheden om over te gaan naar be-
roepen buiten den landbouw. Het
geboorte-overschot
was ge-
middeld over de jaren 19301 tjm 1935 in de gemeenten met minder dan 5.000 inwoner’s 1,4 %, in die met meer
d,n 100.000 inwoners 0,8 %.

De uitbreiding van de hoeveelheid cultuurgrond
stond
hiertegenover in een ongunstige verhouding; ze bedroeg

26 April 1944

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

233

namelijk tusschen ‘1910 en 1936 gemiddeld 6.000 ha per
jaar, d. i. ± 0,25 % van de totale oppervlakte cultuur-
grond. Tegenover de toeneming der landarbeidersbevolking
bestond dus een geringe toeneming van de behoefte aan
landarbeid. Wel steeg ook de arbeidsintensiteit door ver-
grooting van de productie per ha en vooral door uitbreiding
van fruitteelt en groven tuinbouw. Hiertegenover moet
echter, tengevolge van de ontwikkeling van de techniek,
de invloed van het toenemende gebruik van landbouwwerk-
tuigen en -machin’es worden gesteld. Een indirect on-
gunstige invlped op het landarbeidersloon ging eveneens
uit van den relatief sterken aanwas der landbouwers-
bevolking. Wie zich van een pachtbedrijf wilde verzekeren,
moest een zoodanig hoogen pachtprjs bieden, dat een
laag netto-overschot overbleef. Den ongunstigen invloed
hiervan op het loon hebben wij hiervoor al genoemd.
De gevolgen van de ongunstige verhouding van de
oppervlakte cultuurgiond tegenover, de grootte van de
plattelandsbevolking zouden niet zijn opgetreden, indien
het afvloeien van de overtollige bevolking naar de steden
n naar het buitenland zonder eenigen weerstand had
kunnen plaatsvinden. Dit was echter niet het geval.
De moeilijlheden, die overwonnen moesten worden, waren
de volgend:
‘De relatief hooge kosten van opleiding ç.’oor een beroep
buiten den landbouw. De kosten van voortgezet onderwijs zijn veel hooger
dan in de steden tengevolge van de reis- en verblijfkosten.
Indien niet een bepaalde vooropleiding wordt genoten,
maar onmiddellijk met – aanvankelijk – ongeschoold
werk wordt begonnen, blijven nog de kosten van verblijf
buitenshuis, welke de jeugdige stedelijke arbeider in het
algemeen niet behoeft te maken. De weerstand, die bij het kiezen oan een ander beroep
oQerwonnen moet worden.
De levensomstandigheden op het platteland zijn in
verschillende opzichten zeer verschillend van die in de
stad. De stedeling voelt slechts bij uitzondering voor een
blijveriden werkkring op het platteland en omgekeerd
wordt slechts een klein gedeelte van de,plattelanders
zoodanig aangetrokken door de vele, vqor hen nieuwe,
vestigen. De gehechtheid aan de bekende omgeving en
levensgewoonten spelen hierbij een rol. Dit geldt voor-
namelijk voor het wonen als zoodanig. Daarbij komt,
dat de keuze van een ander beroep een financieel offer
beteekent, daar de landarbeider gedurende den eersten tijd genoodzaakt is in de stad ongeschoolden arbeid te

verrichten.
De werkloosheid in de steden.
Vooral in de laatste jaren vöôr den oorlog was de werk-loosheid in de steden zeer groot. Dit verminderde de kans
om van de hoogere bonen blijvend te kunnen profiteeren
aanzienlijk en kan dus eveneens als een weerstand voor den trek naar de stad worden beschouwd.
De moeiljkhe4en bij de emigratie.
De moeilijkheden, die ilt vrijwel alle lan
<
den.,speciaal in
de jaren vdér den oorlog, aan de immigranten in den weg
werden gelegd, waren oorzaak, dat evenmin door emigratie
een merkbare vermindering
van
het aanbod van land-
arbëid tot stand kwam.

Conclusie.

Het jaarinkomen van de uitgekozen groep industrie-
arbeiders in de kleine steden bleek 20 %, in de groote steden 40% hooger te liggen dan het jaarinkomen, dat
reëel gelijk is te achten met het jaarinkomen van de groep
Jandarbeiders, waarvan het loon met dat der eersten is
vergeleken. Het laatste jaarinkomen zou – bij een ge-
middeld ‘aantal gewerkte uren van 47 per week – ver-
kregen worden bij en uurinkomen van 36 cent in de
kleine steden en van 40,5 cent in de drie groote steden;
de werkelijke uurinkomens der, industrieele arbeiders

liggen 7 cent hooger in de kleine en 16,5 cent hôoger in de
groote steden.
Als oorzaken meenen wij te hebben gevonden:
De zwakkere economische machtspositie van de
landarbeiders t.o.v. die van de industriearbeiders.
De lage rentabiliteit in den landbouw t.o.v. niet-
agrarische bedrijfstakken.
Het groote aanbod van landarbeid, de geringe uit-
breiding van den cultuurgrond en de groote vraag naar grond, tezamen met de factoren, die het overgaan naar
beroepen buiten den landbouw hebben belemmerd.
• Wij willen er den nadruk op ‘leggen, dat het berekenen
van het verschil in geldloon en in reëel loon op sommige onderlèelen slechts globaal is geschied. Aan het concrete
resultaat dient dan ook geen al tegroote waarde te worden
toegekend. Wij meenen de berekening zoodanig te hebben
opgezet, dat het berekende loonvérschil eerder te klein
‘dan te gioot is te noemen.
P. M. VAN NIE’UWENHUIJZEN

AANTEEKENINGEN

HET INTERNATIONALE GOEDERENVERVOER VAlt ZWITSER-
LAND IN DENHIJIDIGEN OORLOG.

Inleiding.

Ook Zwiterland heeft, aLbehoort het niet tot de oorlog-voerende landen, te kampen met talrijke transportproble-
men, welke uiteraard voor een groot deel zijn toe te schrij-
ven aan de geografisch typische ligging. Vooral met

het oog op de voorzienink van het land met de onont-beerlijke gronstoffen en levensmiddelen, was men ge-
noodzaakt tot diep ingrijpende maatregelen op vervoers-
gebied, waarvan wij die, welke betrekking hebben op
het vervoer uit het buitenland tot de Zwitsersche grens
en omgèkeerd, nader zullen

beschouwen.
De moeilijkheden, waarvoor de Zwitsersche Staat
zich hierbij gedurende den oorlog gesteld zag, ‘komen
duidelijk naar voren bij beschouwing van het internationale
goederenverkeer, zooals dat v66r den oorlog was samen-
gesteld. Teneinde een indruk te krijgen van de geografi-
sche verdeeling van den Zwitserschen buitenlandschen
handel, volgt hier een overzicht, aangevende het aandeel
(in %) ‘van enkele der belangrijkste landen in het handels-
verkeer van Zwitserland
1).
(zie blz. 234) Hoewel het procentueele aandeel in den Zwitserschen
buitenlandschen handel van Duitschland, ten opzichte
van de andere landen afzonderlijk, het grootst is, vormt
het toch een sterke minderheid, indien het wordt ver-
geleken met het totale aandeel van de overige met Zwit-
serland handeldrijvende landen. Dit is een gevolg van de
sedert 1935 te constateeren versterking van de geografische
differentiatie van het Zwitsersche handelsverkeer. Juist dit
vérschijnsel maakt voor Zwitserland de voorziening met
buitenlandsche goederen thans zoo buitengewoon moeilijk.
Een genoegzame goederenvoorziening in oorlogstijd is
voor Zwitserland evenmin te verkrijgen door een streven
naar een absolute autarkie; vandaar, dat men hier te doen
heeft met een typisch vervoersproblem. Ons interesseert
derhalve in de eerste plaats de wijze, waarop Zwitserland zich gedurende den huidigen oorlog voorziet van de noo-
dige grondstoffen en levensmiddelen: Aan den uitvoer
zal dan ook geen speciale aandacht worden geschonken;
de export vindt over het algèmeen langs dezelfde wegen plaats als de invoer.

De moeilijk/zedeh sedert medio
1940.

Tot medio 1940 waren nog geen bijzondere problemen
gerezen ten aanzien van de verzorging van het land met
buitenlandsche goederen. Het internationale ‘ handels-
verkeer over zee werd vôôr den oorlog onderhouden door
regelmatige lijndiensten van Genua en Marseille af. Bij

1)
Bron: ,,Die Volkswlrtscbatt”, Februari 1939 en 1940.

284

.

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

. 26 April 1944

.1938

1939
Aandeel
Invoer

Uitvoer

Invoer

Uitvoer

Duitschiand (zonder
Oostenrijk)
-23,2
15,7
23,31)
14,81)

Oostenrijk
2,1
2,3

FranWrijk
.-14,3
9,2
14,6
10,8

Italië

…………
7,3
6,9
7,2
6,2

Belgie

………..
4,3
3,2

.
7,3 3,0

Nederland
3,5
4,7
3,7
6,1

Engeland

……..
5,9
11,2 5,8
12,7,

Spanje

……….
0,3
0,4
0,3
0,4

Denemarken
0,9
1,4
1,3
1,5

1,2
3,1
1,2
4,0

Tsjecho-Slowakije
3,6
8,3

1,6
1,
1,8.
1,6

….

1,1
1,5
1,1

Rusland
……….

….

1,8
0,8 0,5
1,2,

Egypte

1,6
1,6
1,1

.
1,7
1,0

Zweden
…………

Britsch-Indië

.
. .
1,4 1,8
1,4.
2,0

Hongarije
……….
Roemenië
……….

0,5
.2,1
0,5
0,9

..

0,7 2,5 0,6 1,0

Canada
1,5
1,1
1,6 1,2

China

…………..
Japan

. .

……..

Ver. Staten
7
3
8
6,9
.

7,0
10,0

Argentinië
3,6
2,7
4,2
2,5

Overige landen

.
11,3
17,3
14,5 18,0

Totaal
………..
100

100

1
100

1
100

‘) Inclusief Oostenrijk.

het uitbreken van den oorjog begon men mt het charteren
van neutrale schepen, .hetgeen door de belligerenten werd
toegestaan. De tonnage, welke uitsluitend ten dienste
zou staan van den internationalen handel van Zwitser-
land, mocht cje 114.000 brt. niet overschrijden; later
werd dit maximum tot 130.000 brt. opgevoerd, waarbij
nog 40.000 gewichtstonnen kwamen voor het personen-
vervoer tusschen Iberische en Italiaansche havens. De
onderhandelingeq’ mét Noorwegen in September 1989,
tot het verkrijgen van schepen op tijdcharter, mislukten,
maar een Grieksche reedèrij stond 15 schepen af (in totaal
115.000 brt.). Het verkeer liep voornamelijk over Genua,
Savona en Marseille. De moeilijkheden begonnen eigenlijk
pas na Juni 1940, toen Italië bij den oorlog werd betrok-
ken. De neutralé schepen werden aan een strengé contrôle
onderworpen door de Engelschen. De ,zeer nadeelige ge-
volgen voor het Zwitsersche i9.ternationale handelsverkeer
van de wederzijdsche blokkade door de oorlogvoerende
partijen en het stelsel van ,,navieerts” (vrijgeleiden),
dat door Engeland werd toegepast, deden zich nu eerst.
‘recht geoelen. De eenige mogelijkheid voor Zwitserlahd,
om goederen in het buitenland te koopen, zonder dat
hiervoor Engelsche ,,navicerts” noodig zijn of de blokkade
hi.nderend werkt, isde import uit Turkije en Portugal.
Na November 1940, bijhet uitbreken van den oorlog
tusschen Italië en Griekenland, konden de Grieksche
schepen niet meer to Genua lossen, maar moesten. naar
Lissabon, vanwaar uit een pendeldienst overzee op Genua
moest worden ingesteld, teneinde de overzeesche betrek-
kingen te kunnen handhaven. Van Lissabon uit werden
de goederen naar Zwitserland vervoerd, gedeeltelijk door
middel van den ingestelden pendeldienst en, voorzoover
dit verkeer nit was opgewassen tegen de groote vervoers-
vraag, over land, waarbij de goederen per spoor naar de
Spaansche’grens gingen, vandaar per vrachtauto naa de
Fransche grens en verder, weer per spoor naar Zwitserland.
Vooral de moeilijke rechtstreeksche verbinding van Genua
met New-York en de tallooze hindernissen bij het door-
voerverker döor Spanje ei Frankrijk, zijn aanleiding
geweest .tot het streven naar een zoo goed mogelijke orga-
nisatie van de scheepvaartverbinding Lissabon-Genua.
Door de onregelmatige diensten en de groote tijdruimter
tussehen de opeenvolgende afvaarten bleef het pendel-

verkeer aanvankelijk slechts beperkt. Na het sluiten van
een Spaansch.Zwitsersche handelsovereenkomst nam het
vervoer van overzee door middel van eigen en gecharterde
schepen toe. Vooral massagoederen, zooals tarwe, mas
e. d., werden over zee vervoerd. Het vervoer met vracht-
auto’s omvat daarentegen meer stukgoedren Dat deze
organisatie veel moeite en kosten met zich gebracht heeft,
spreekt vanzelf. In de eerste plaats waren er te weinig schepen en spoorwegwagons. Verder waren de invoer
en het transport tot begin 1941 geheel in handen van
particuliren. De importeurs streefden er naar, hun waren
zoo srel mogelijk in het land te krijgen en oefenden druk
uit op de transportondernemingen, opdat men eerder
dan de concurrent de geïnporteerde goederen iii Zwit-
serland ter beschikking had
2).
Het gevolg van den ge-
heelen gang’ van zaken was een hooge kostprijs der inge-
voerde goederen. De buiténlandsche handel in het alge-
meen en de voedselbevoorrading in het bijzonder worden
hierdoor uiteraard allesbehalve begunstigd. Toen dit
landvervoer tijdelijk gestremd werd en de voorraden te
Lissabon zich ophoopten, moest Zwitserland zich meer.
continentaal gaan oriënteeren, hetgeen bij de samenstelling
van het buitenlandsche handeisverkeer voor den invoer
moeilijker is dan voor den export.

1
De siguate na den oorlog op den Balkan.

Ook het charteren van schepen werd steeds moeilijker.
In het voorjaar van’ 1941 breidde de’ oorlog zich over
den geheelen Balkan uit, waardoor de aanvoer van hier-
uit bijna volkomen kwam stil te liggen, wat vooral met het
oog op den toevoer van petroleum en benzine uit Roemenië’
funest was voor Zwitserland Een sterke inperking van
het autoverkeer: die al sedert het begin van den oorlog
kenbaar werd vanwege het gebrek aan brandstof en
banden, was het gevolg. Ook de import van katoen uit
Rusland bleef achterwege. Intusschen stapelden de moei-
lijkheden zich nog steeds op. Zoo weigerde Portugal in den
loop van 1941 om andere dan Portugeesche waren naar
oorlogvoerende landen te verschepen. Op grond van deze en
soortgelijke moeilijkheden besloot Zwitserland een eigen
koopvaardijvloot te stichten; hiertoe zou reeds eerder
overgegaan zijn, ware het niet, dat allerlei hindernissen,
van practischen en juridischen aard het besluit haddeii
tegengehouden. Deze handelsvloot bestond in het begin
uit.7 schepen, tezamen met een inhoud van 89.210 brt. Men heeft de handelsvloot allengs uitgebreid, teheinde
‘het hoofd te kunnen bieden aan de groote vraag naar
tonnage voor den aanvoer van allerlei grondstoffen en
levensmiddelen en voor den export van de Zwitsersche
industrieele eindproducten. De normale behoeften’ van
Zwitserland aan overzeesche voedingsmiddelen bedragen. jaarlijksch 1,2 millioen ton (d. i. ongeveer 1 kg per hoofd •der bevolking per dag). De prestaties van-de Zwitsersche
koopvaardijvloot zijn thans zoodanig, •dat omstreeks 300 g
levensmiddelen, per hoofd der bevolking per dag van
overzee kunnen worden betrokken.
De Zwitsersche handelsvloot’ telt thans in totaal 11
eenheden met een totale tonnage van ongeveer 61.000 ton.
Bovendien beschikt het Eedgenootschap ovêr gechar-
terde scheepsruimte van pngeveer 65.000 brt., in totaal
dus 126.000 brt., welke geheel door alle oorlogvoerende
landen gerespecteerd wordt, wat, naast de groote betee-
kenis voor den Zwitserschen ‘.verzorgingstoestand, als
financieele consequentie een besparing beteekent van
ongeveer 80 mili. frs. aan oorlogsrisicopremies. Sinds het
uitvallen van Genua als verzorgingshaven, werd, het Zwit-
sersche overzeeverk’éer over Barcelona en Marsei1l geleid
doé”r middel van ‘twee pendeldiensten van Lissabon uit.
Als uitgangshavens kunnen de schepen, behalve van
Philadelphia, gebruik maken van enkele havens in Zuid-
Amerika en in Noord- en West-Mika. Intusschen doen
zich voor het Zwitsersche internationale goederenvervoer

‘)
Vg1.
,,Algemeen ‘Handelsblad”,
11
Maart
1941.

p
26 April 1944

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

285

4

nog, verschillende moeilijkheden voor, al. de beperkte
hoeveelheid brandstof. Çvooral bij het Zwitsersche aüto-
doorvoerverkeer in Spanje doet zich de benzinescharschte
gevoelen), de onderbrekingen van het beurtervo’er tusschen
de Spaansch-Atlantische havens en de Italiaansche havens

Genua en Savonli door oorlogshandelingen op, de Middel-
landsche Zee, het niet berekend zijn. van de Spaansche en

Portugeesche spoorwegen op Zwitsersche goederen, de
verschillende spoorbreedten, enz. De wagen6mloop van
punt van uitgâng tot punt van terugkomst aan de Fransche
grens duurt den laatsten tijd ongeveer 14 dagen. Via
Genève komen veel voedings- en genotmiddelen Zwitser-
land binnen,. bijv. granen, suiker, sinaasappelen en-wijn. Verder kw’am tot vöor kort nog graan uit Hongarije. Het
verkeer met Italië ligt daarentegen bijna volkomen stil;
ook het transitovervoer door Zwitserland naar Italië is
sterk afgenomen.

Van zeer groote beteekenis voor het transitoverkeer
zijn de St. GottÇiard- en de Simplon-spoorweg, die in 1937
93 % voor hun rekening namen, terwijl de resteerende

7 % grootondeels door den Arlberg-spoorweg wei’d ver-
voerd. De eerste twee trajecten werden zwaar getroffen
door de stopzetting van het verkeer tusshen Italië en
Zwitserland
3).

De intérnationale expeditie ging in 1943 verder achter-

uit, terwijl de graad van bedrijvigheid over het geheel
genomen onbevredigend was. Het verkeer met’het Noorden
wikkelde zich nagenoeg zonder wrijving af. Het handels-

verkeer met’ Zweden moest echter wegens oorlogsomstan-
digheden dikwijfs van de spoorwegveren op de Duitsche
Oostzeehavens omgelegd worden. Door het: wegvallen
van de ltaliannsche route is de situatie ten aanzien van
het verkeer met den Balkan aanzienlijk slechter géworden.
Invoër is thans practisch nog slechts over de Donau mo-gelijk, waardoor deze waterweg wederom buitengewoon
bruikbaar is gebleken voor den Zwitserschen import.
Bij den export was nog de verzeiding per spoor .met
omleiding via Hongarije—Roemenië mogelijk.

Hoewel Lissabon voor den Zwitserschen in- en uitvoer
de belangrijkste overslaghaven is en ook overde Spaan:
sche havens Barcelona en Bilbao belangrijke hoeveel-
heden goederen overgeslagen worden, is het landverkeer
over het Pyreneesche schiereiland eenigsiins op den achter-
grond getreden. De Zwitsersche autokaravanen, die vroe-
ger hoofdzakelijk •overbrengdiensten tusschen de Pqrtu-
geesche grens en Canfranc verrichtten, werden in 1943
bijna uitsluitend op het traject Canfranc—Bilbao in-

gezet. Ondanks de steeds toenemende verkeersmoeilijk-
hedin functjonneert het Zwitsersche transitoverkeer door
Frankrijk den laatsten tijd behoorlijk en men hoort zelfs
van leveringstermijnen, welke met die van vôôr den oorlog
vergeleken kunnen worden. Men. heeft echter steeds
meer ‘te kampen met materiaalschaarschte, daar de af-
zonderlijke landen hoe langer hoe minder rollend materieel
aan het buitenland afstaan. Mede om zooveel mogelijk
tegemoet te komen aan de eischen door het buitenland
gesteld, ten aanzien van het beschikbaar stellen van goe-
derenwagons voor het transport van belangrijke goederen,
is in Januari 1944 door de Bondsspoorwegen besloten geen
wagons meer af te staan voor ladingen over een afstand
van 5 tariefkm. of minder en voor door den afzender zelf te verladen stukgoederen, alsmede voor groot vee

Dat het Zwitserche internationale handelsverkeer nog
steeds met het voortduren van den oorlog achteruitgaat,
blijkt o.a. uit de toenemende verslechtering van de in-
dustrieele grondstoffenvoorziening. Vooral de metaal-
waren- en textielfabrieken lijden door 1e grQndstoffen-
scbaarschte. Ook de looierijen strijden met stijgende grond-
stoffenmoeilijkheden, daar de yoornaamste Zuid-Amen-
kaansché bronnen bijna geheel opgehouden hebben te
vloeien. De totale invoer is van ± 8.100 ton in 1936 tot

3)
VgI. ,,Economisch Nieuws”, 26 November 1943
‘) Vgl. ,,Economisch Nieuws”, 20 Januari 1944.

± 1.700 ton in 1942 gedaald. Met het oog op de na-oorlog-
sche goederenvoorziening streeft Zwitserland er naar
zijn handelsvloot nog verder uit te breiden en zoo rationeel
mogelijk te doen functionneeren. Men heeft derhal’,e na
langen strijd, vooral tusschen het ,,Verband Schweize-
rischer Spediteure” en het ,,Verband Schweizer See-
reedereien”, besloten de handelsvloot na den oorlog aan
te houden. De Staat zal de exploitatie van eigen chepen niet voortzetten, doch het doel is een particuliere koop-
vaardijvloot onder Zwitsersche vlag te stichten
5).

‘) Zie ook: Mr. J. Barents, ,,Een Zwitsersch zeerecht tot stand’
gekomen” in ,,E.-S.B.” vpn 10 December 1941, blz. 701.

INGEZONDEN STUKKEN

BEDRIJFSORGANISATIES EN WATERSCHAPPEN.
Mr. W. F. Lichtenauer schrijft ons:

Onder den bovenstaanden titel heeft Mr. Ir. A. W.
Quint in de ,,Economisch-Statistische Berichten” van 22
Maart 1944 een betoog geleverd, waarin hij o.a. een ver-
gelijking maakt tussch.en de D’uitsche en de Nederlandsche
organisatievan het bedrijfsleven. Hij heeft zijn betoog
mede gebaseerd op zijn meening, dat de Duitsche groepen
niet op het gebied van markt- en prijsregeling treden.
Haar .taak zou in het bijzonder zijn het geven van advies’
en”het’bevorderen van samenwerking op het gebied,,van
rationalisatie, de verhooging van de efficiëncy en de
verbetering van het bedrijfsbeheer, doch vooral het mede-
werken . aan de uitvoering yan regeeringsmaatregelen op het gebied van het economische leven. De schrijver heeft
hierbij blijkbaar over het hoofj gezien, dat de Duitsche
verordening van 20 Mei 1943, op de %aneering van kartels,
het verbod vooi’ bedrijfs- en vakgroepen, om marktrege-
lende maatregelen en overeenkomsten te treffen, heeft
opgeheven. ‘Sedertdien is reeds een groot aantal kartels
ontbonden en zijn de marktregelendè functies daarvan
op de bedrijfsorganisaties overgegaan. In sommige vakken
is men zeer ver, gegaan in deze richting. Met name kan
hier worden gewezen op de textielindustrie en de machine
industrie. Dit argument ontvalt düs aan het betoog van
Mr. Ir. Quint.

Naschrift.

Ik maak gaarne van de ‘gelegenheid gebruik hij de.
opmerking van Mr. Lichtenauer nog enkele kantteeke-
ningen te platsen.
1.’ Ten ônrechte werd loor mij geen melding éemaakt
van het ,,Erlass” van 20 Mei 1943, waardoor het bestaande
verbod voor de rgroepen, om marktregelende maatregelen
te treffen, werd’ opgeheven. Of door deze wijziging’ mijn
betoog wezenlijk verzwakt wordt, acht ik twijfelachtig.
Vooreerst staat in ieder geval vast, dat in de eerste 9 jaren
van haar bestaan de Duitsche groepen zich practisch
niet op dit terrein bewogen hebben. Dit geeft reeds, een vingerwijzing, dat men het ook in Duitschland – althans
aanvankelijk – raadzaam geoordeeld heeft, zich van dit
terrein te onthouden. Thans is weliswaar dit terrein ook
voor de.jroepen toegankelijk geworden, doch men bedenke
daarbij:
a. dat voor iederen marktrégelenden maatrdgel de toe-
steniming van den Minister van Economische Zaken noo-
dig is en vooral,
‘b.’ dat de béteekenis dezer regelingen bij de thans
toegepaste strak geleide economie niet onaanzienlijk is
verminderd
1).
Verschillende categorieën. kartels hebben
hun reden van bestaan verloren. Van practische betee-
kenis zijn thans vooral nog de dwangkartels, tt stand
gekomen ingevolge het ,,Zwangkartellgesetz” van 15
Juli 1933; deze kartels’ veivullen een taak hij de centiaal
geleide oorlogseconomie. In dit licht moeten ook de ,,Reichs-

1)
Vgi. o.a.,, Karteilbereinigung”, ,,Deutsche Volkswirtschatt”
1943, No. 19, biz. 578.

236

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

28 April 1944

vereinigungen” worden beschouwd,’ welke tot liquidatie
,van tal van kartels hebben geleid’
2
).,
2. Men verlieze’ niet uit het oog, dat de Duitsche Orga-
nisatie privaatrechtelijk is opgezet: volgens par. 5 der
,,Aufbauverordnung” van 27 November 1934 hebben de
groepen de positie van rechtspersoonlijkheid bezittende vereenigingen, waarop verschillende bepalingen van het:
,,B.G.B.” van toepassing zijn
3
). Van verordenende be-
voegdheid is daarom ook geen sprake. Juist om deze
reden is de thans in, Duitschiand geschapen’ mogelijkheid
van overdracht van de taak der kartels op de groepen
nog geen argument om te onzent kartelregelingen door
verordeningen der groepen tot stand te doen komen,
omdat onze bedrijfsorganisaties nu eenmaal publiekrechte-
lijk van aard zijn. Afgezien van de principieele bezwaren,
welke ik in mijn artikel ,,Bedrijfsorganisaties en water

schappen” heb uiteengezet, bestaan hier bovendien nog
tal van practische moeilijkheden ‘).
A. W. QTJINT.

‘) Men zie o.a.: ,,De Reichsverelnlgungen i’?i het Duitsche be-
drijfsleven”, ,,Economische Voorlichting” 1943, no. ii, blz 283;
,,Kartelproblemen”, ,,E.V.” 1943, no. 10, blz. 253; T. Huitema,
,,Nleuwe organisatievormen in het Duitsche bedrijfsleven”, In
,,E.-S.B?’ van 17 Juni 1942, blz. 28.
‘) Op dit yerschil in rechtskarakter wijst ook van der Grinten,
,,Naamlooze Vennootschap”, 22 Jaargang blz, 96 en 97.
‘) V1. T. Huitema: ,,Kartels en bedrijfsorganisaties”, In ,,E.-S.B.”
van 2 September 1942, blz. 388.

MAAND

/ 1Iaandèijfers en weekoijfers betreffende 4
(Centraal Bureau

OVERHEIDSMAATREGELEN OP,

ECONOMISCH GEBIED

HANDEL EN NIJVERHEID.

Handel.
Beperking van den verko)op ..en de aflevering
van onderdeelen van tourrijwielen. Beschikking inzake verplichte teruglevering van verpakkingsmiddelen. Re-
geling ten aanzien vn tusschenpersonen in onroerende
goederen en veilinghouders, welke een uitbreiding betee-
kent ten aanzien van de vestiging zooals deze geregeld is
in het Besluit voor de vestiging als makelaar (Stcrt. No.
171 d.d. 3 Sept. 1942). (E. V. 1944 Nos. 8, 9 ,ën 10; blz. 199, 222 en253).

Heffingen .e. d. Vaststelling van de heffingen van zuur-
koolfabrikanten ten behoeve van het zuuikoolvervoer-
fonds. Verlaging van het consentgeld, hetwelk door het
Bureau voor de Metalenverwerkende Industrie wordt
geheven bij verhuur van gebruikte
machines
van 5 % op
2 %. (E. V. 1944 Nos. 8 en 10; blz. 198 en 253).

Vestigingswet Kleinbedrijf.
Afkondiging van het op de
Vestigingswet Kleinbedrijf 1937 gegronde Vestigingsbesluit
kleinharidel in ijzerwaren en gereedschappen. Aanwijzing
van bepaalde diploma’s betreffende de vakbekwaamheid
voor het meubeirnakersbedrijf en den kleinhandel in meu-
belen en in behangselpapier. (E. V. 1944 Nos. 8 en 10;
blz. 199 en 254). ,

CIJFERS

n economlschen toestand van Nederland.
roor,de Statist1k)

Omschrijving maandcijfers
Eenheid
1943

,
1944

Febr.

Mrt.

Apr.
,
Mei
Juni
Juli

Aug.

Sept.
1
Oct.

Nov.

Dec.
Jan.
___________
1
Febr.

Giroverkeer.
1
Nederlandsche Bank

….
f1.000.000
2483
2682
2756
2708 2414 2744 3945
2059
2254
1986
2066
1963
2606
Postchèque- en Giroclienst’
11.000.000
1629
1691
1549
1906
1907
2082
1974
1816
1846
1861
1728
1855
1766
Rentestanden

…………..
Wisseldisconto Nederl.Bank
,

%
2,50
2,50
2,50

2,50
2,50
2,50
2,50
2,50 2,50 2,50
2,50
2,50
2,50
Proloflgatierente, A’dam
%
2,25
2,25 2,25
2,25
2,25
2,25
2,25
2,25 2,25 2,25 2,25
2,25
2,25
Callgeldnoteeringen,,,
%

125
1,56
1,94
1,36
1,28
1,00
1,00
1,00 1,00
1,00 1,00 1,00
1,00
Rendement oblig.
1)
Hypotheekrente onroerende
%
3,48
3,45
3,41
3,37 3,39
3,47
3,48
3,54
3,46
3,39
3,36
3,32
3,30

ederen

…………..
H
otheekrente schepen
. .
%
4,08
4,00
4,01
3,87 4,03
4,06 4,09
4,05
4,07
4,02
4,11 §4,04

Koersen van aandeelen.
%
5,17

4,95
5,01
4,87 4,86
4,98
,
5,31
4,84
4,75
5,04
4.79
§4,97

Algemeen Indexcijfer

. . . .
1930=100
151,4 150,4
151,8
152,5
152,4
151,9
151,7
152,1 152,1
152,2 152,2
152,3
152,3
.

1930=100
201,6 200,5
2027
203,6
203,3
202,6
202,1
202,8 202,8 203,0 203,0 203,2
203,5
w.o.
prod.mlddelen Industr.
1930=100
196,2
196,6
198,6
199,8
199,2 198,3
197,6
198,8
199,0
199,1
199,2
199,4
199,8
cons. goederen lndustr.
1930=100
208,2
205,7
208,0.
208,7 208,8 208,2
208,0
208,0 208,0 208,3
208,2 208,2 208,4
Spaarbanken.
Rijkspostspaarbank,inlagen

…..

t 1.006.000
19,30 42,30 36,50
37,88
33,49
37,21
32,48
27,62
28,83
28,37 ‘29,35
34,08
.29,98
JUjkspostspaarbank, terug-
betalingen

….. . ……
t 1.000.000
9,02
12,27
12,79
12,37
1,26
13,92 14,02
12,43
11,78
10,49 10,64
10,97
11,11
Bijzondere spaarb., Iniagen
11.000.000
20,76 28,49 24,79
28,92
24
;
36
28,51
26,24
22,57
22,92
24,17 20,58
29,98
§1,75
Bijzondere spaarbanken, te-

Nijverheid

……………

11.000.000

.

11,89 15,12
15,33
14,78
13,11
15,08
15,64
12,60 12,62
‘12,12
13,13
15,97
§12,49
Hypotheken
(uwe. lnschrijv.)’)
rugbetalingen
………..

11.000.000
24,90
31,89
87,58
62,32
28,54
29,53
25,74 25,30
21,65 24,25
30,51
§20.59
t 1.000.000
20,07 26,77
80,65 52,69
22,82
25,02
21,65
21,51 17,91
18,92
24,55
§15,67
t 1.000.000
4,32
4,60
6,53
9,33 5,35 4,19
3,69
3,68
3,64
4,80
5,47
§4,64
op schepen


.
….
t 1.000.000
0,51
0,52
0,40
0,30 0,37
0,32
0,40
0,11
0,10
0,53 0,49
§0,28

Totaal

……..’
………..
w.v.
op gebouwen

…….

Werkloosheid, werkloozenzorg.

op landerijen

…….

Geheel werkloozen

.

1.000
30
26
25
23
20 16
15
14
14

13
12
§12
§1,0
Tewerkgestelden
1.000
13
10
10
9
9 8
7
7
7
6
6
§5
§5
Geplaatsten in Duitschi.
‘)
.
1.0001
281
296
302 312
350
372
379
380
381
382 382
§383
In Frankr. en Belg..
1.000
37
371
371
37

37
37 37
38 38 38 38
§38

119431

Omschrijving weekcijfers

Eenheid

c
i
cd

Cd
1

ccl T.
lc–1
;- 12

1944

CQ Nederlandsche Bank( Maandag)
Binnenlandsche wlssels.i. .

11.000.000
Papier op het buitenland

t 1.000.000

3214 3215 3248 3292 3346 3404 3414 3474 3527 3578 3582 3629 3737
Bankbiljetten en assign. in

omloop
……………
11.000.000

3478 3512 3515 3528 3553 3620 3649 3682 3732 3804 3843 3864 3900
Beleeningen
……………
.11.000.000

135

134

124

137

134

137

136

135

135

135

137

135

134
Rekg.Crt. saldi v. anderen

633

525

543

592

635

668

637

658

702

591

634

669

703
Speciale rekening
………
t 1.000.000

107

182

192

178

154

112

124

123

103

174

117

103

127
Diverse rekeningen

….

11.000.000

7

9

9

14

11

8

12

11

24

13

35

27 i 27
Rentestanden,
Callgeldnoteeringen

. . ..

%

1,00

1,00

1,00

1,00

1,00

1,00

1,00

1,00

1,00

1,00

1,00

1,00

1,00
Rendement obllg.(Woensd,)

%

3,34

3,36 3,30

3,29

3,31

3,31

3,31

3,30 – 3,29

3,28 3,25 3,26 3,25

= voorloopige
cijfers.
‘) Gewijzigde reeks, 6 Staatsleeningen, 3 Provinciale en Gemeenteleenlngen en 2 pandbrleven. 1) Hieronder
niet begrepen enkele hypotheken, waarvan de geldschieter niet bekend Is. ‘) Na aftrek van teruggekeerden.

26 April 1944,

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

237

LANDBOUW EN VOEDSELVOORZIENING.

Grondkamers. Goedkeuring van de richtlijnen van de
grondkamers ‘voor Utrecht, Limburg en Overijssel terzake
van grasverko’opingen, verpachten van naweiden en in-
scharing van vee en paarden. (E.V. 1944 No. 7; blz. 182).
Landbouwgrond.
Beschikking inzake vervreemding van
landbouwgronden door openbare nutsbedrijven. (E.V. 1944 No. 6; blz. 142).
Pluimvee. Stopzetting van de pitkeeringen ten aanzien
van de huipverleening aan pluimveehouders. Besluit in-
zake verplichte inlevering van een aantal eieren voor
pluimveehouders. (E.V. 1944 Nos 5 en 6; blz. 127 en 155).

Sierteelt.
Mededeeling inzake aanvoer en aflevering van
gladiolenknollen. Publicatie van de boomkweekerijver-

ordening 1944 en de bloemkweekerijverordening 1944,
waarin de materie is vervat, die tot dusver bij het Crisis-
kweekerijbesluit 1987 en het Bloemkweekerijbesluit 1948,
alsmede in de uitvoeringsbepalingen bij die besluiten was
geregeld. (E.V. 1944 No. 6; blz. 155).
Surrogaten. Nadere beschikking inzake de samenstelling
van Regeerings-koffiesurrogaat, waarbij met ingang van
5 Maart weer gebruikt worden als grondstof tulpebollen
nast gerst, veldboonen, erwten, cichorei en/of witlof en
peekoffie. (E.V. 1944 No.. 7′; blz. 171).
Tabak.
Mededeeling inzake de teelt van tabak op con-
tract ddor landbouwers. (E.V.4944 No. 6; blz. 155).
Vee. Nadere regeling betreffende den handel in en het
vervoer van varkens. Beperking van ien handel in zgn.
gebruiksvee. Besluit inzake een nadere beperking ten
aanzien van het aanhouden van huisslachtingsvkens
en het dienovereenkomstig verplicht leveren van zgn. mest-
contractvarkens. Bepalingen inzake het overnemen en
afleveren van nuchtere kalveren. (E.V. 1944 Nos 6 en 7; blz. 146, 147, 154 en 175).
Volkstuinen.
Mededeeling inzake mogelijkheden en voor-
waarden voor het deelnemen in zgn. bedrijfsvolkstuinen.
(E.V. 1944 No. 6; blz. 142).

GELD-, CiIEDIÉT- EN BANKWEZEN EN BELASTINGEN.

Belastingen.
Mededeeling inzake het inhouden van loon-
belasting bij wijziging in de persoonlijke omstandigheden
van den werknemer. Afkondiging van de vierde aanvul-
lingsbeschikking vermogensbelasting 1942 met betrekking
tot spaarfdndsen. (E.V., 1944 Nos 4, 5 en 6; blz. 100, 128
en 149).

STATISTIEKEN

GEZAMENLIJKE STATEN
VAN DE NATIONALE BANK VAN
BELGIË EN VAN DE EMISSIEBANK TE BRUSSEL.
(in miii. Francs)

‘5
,.
ce
.n
i
a’
.c
,.,
Q5,5)
o
5
.Q

S April ’44
82.222
‘481
19.176
ITiiT’
89,172
7.791
5.883
30 Mrt.

’44
82.006
1
508
18668
1.749
88.609
7.576
5.922
23

,,

1
44
81.555
1
545
1.622
88.164
7.610
5404
9

,,

’44
80.858
1
623
17.681
1.588 87.785
7.352
4.780
2

,,

’44
80.493 1
760

118.287

18.015
1.569
87.307 7.544
4850
8 Mei

’40
23.609
5.394
595
1.480 29.806

990

DUITSCHE RIJKSBANK
(in miii. R.M.)

Goud
Renten
Andere wissels,
1
lie
Data

,’
en
bank-
cheques en

1
deviezen
scheine
schatieistpapier
ningen

15 April
1944
77
600
39.185

1
27
6

,,
1944
77
593
1
.40.379
46
15 Mrt.
1944
77
600
‘ 39:185

1
27
29 1’ebr.
1944 i
77
578 ‘
/
36.269

1
26
23 Aug.
‘1939
77
27

.

8.140

1
22

Data
1

Ef
fec-
ten

1 Andere
1

Activa

1
Circu- latie

1
llekg.-
Cr1.

.1
1

Andere
Passiva
15April’44
1


1

1.263
1

33.236
1

6.361

‘1
577
6

,,

’44
1

615.1
1.651′
1

33.792
1

7.237
680
45 Mrt. ’44
1


1

1.263
1

33.236
. 6.361
577
29 F.
’44
1

0,6

.1
1.748
1

33.508
i

6.636

1
546
23Aug. ‘391
•982

‘1
6.380

1

8.709

1

1.195

1
64

DE NEDEItLANDSCHE BANK.

(Voornaamste posten In dulzeuden guldens)

.Binnent. wissels,
Munt,
open marktpa pier, Totaal
Data
‘nsuntmate-
riaal en
beleenin pen, voor-
schotten a/h. Rijk
Totaal
activa
opeischb.
deviezen
1)
en diverse
schulden
rekeningen’)
24April, ’44
4.841.656
147.019
5.059.572 4.883.246
18

,,

’44
4.791.360
151.455
5.014.400′ 4.839.174
11

,,

’44
4.744.015
,

154.519
4.970.015 4.798.034
3

,,

’44
4.723.395
‘171.224
4.966.246 4.795.728
27 Mrt.

’44
4.714.250
153.015
4.936.235 4.767.098
20

,,

’44
4.668.875
160.606
4.899.334
4.730.675
13

,,

’44
4.560,381
169.731
4.800.746
4.636.222
‘6 Mei

’40
1.173.319 248.256 1.474.306 1.424.016

‘ Bankbiljet-
Saldi
Bankassig-
Schatkist-
papier
Data
ten in om-
in
natiën en
diverse
Saldo

Rijk
RIC
(D/C)
recht str.
loop
R/C
rekeningen
ond,-.
gebracht

24 April’44
4.020.694
862.487 107.495
C. 108.353

18

,,’.

’44
3.999.642
839.509
106055
C. 137.897

11

,,

’44
4.007.026
791.003
103.090
C. 128.690

3

,,

’44 3.994.760 800.938
101.613
C. 131.477
27 Mrt. ’44
3.937.284
829.803
100.198
C. 124.544

20,,

’44 3.900.477
830.454
99441′
C. 127.074
13

,,

’44
3.863.576
772.481
95.707
C.

95.263

6 Mei

’40 1.158.613
255.174
10.230
C.

22.962

1)
Ingevolge de verordening 5811943 (d.d. 26 Juni) zijn de posten
,,Correspondenten in het buitenland” en ,,Bultenlandsche betaal-
middelen (exel. pa.smunt)”, voorheen ‘begrepen in de ,,Diverse
rekeningen”, vanaf 5 Juli opgenomen onder de buitenlandsche
portefeuille, in onzen staat samengevat als ,,deviezen”.

STAND VAN ‘s RIJKS KAS.
V 0 r d erin g e n

t

31 Maârt 1944
7 April 1944
in guldens in guldens
Saldo van ‘s ‘Rijks Schatkist
bij De Nederlandsche Bank
83.605.225,86
89.755.358,92
Saldo b. d. Bank voor Ned.
Gémeenten
579.243,79
764.632,66
Voorschotten op ultimo Febr.
/

1944 aan de gemeenten ver- strekt op aan haar uit te kee-
ren hoofdsom der pers. bel.,
aand. in de hoofdsom der
grondbel. en der,gn. fonds-
bel., alsmede opc. op die be-
Isatingen en op de vermo-,
gensbelasting

……….
33.444.577,08 33.444.577.08
Voorschotten aan Ned.-IndiO’)
341.776.896,07
350.099.312,57
Idem voor Suriname ‘)
8.980.662,03 8.980.662,03
Idem voor Curacao ‘)

…..
119.021,58
119.021,58
Kasvord. wegens credietver-

….

strekking a. h. buitenland
16.012.029,-
16.012.028,-
Daggeldieeningen tegen onder-
– –
Saldo der postrek. van Rijks-


207.666.344,87 217.706.986,77

pand

……………………

Vordering op het Alg. Burg.
comptabelen

………….

Pensioenfonds ‘)



Vordering o’p andere Staats-
bedr. en lntellingen 1),,,
164.147.182,29
163.010.300.94
Verplichtingen


__________
Voorschot door De Ned. Bank
ingevolge art. 16 van haar
octrooi verstrekt
Voorschot door De Ned. Bank
In rekg.-crt. verstrekt . . .
Schuld aan de Eaik voor Ned.
Gemeenten
Schatkistbiljetten in omloop..,

6.666.000,-

6.666.000,-
Schatkistpromesseil in omloop
3.323.800.000,-‘)
‘3.487.700.000,-‘) Daggeldleeningen

……….



Zilverbons in omloop
222.569.938,-
223.931.638,50
Schuld op ultimo Februari ’44’
aan de gem. wegens aan haar
uit te keeren hoofds. d. pers.
bel., aand. 1. d. hoofds. d.
grondb. e. d. gem. fondsb.
alsm. opc. op die bel, en op
de vermogensbeiasting



Schuld

aan

het Alg.

Burg.
Pensioenfonds
1)

505.300,52
812.348,70
Id. aan het Staatsbedr, der
P. T. tn T. ‘)

………….
563.160.830,41
578.773.696,11
aa
Id.

n andere Staatsbedrij-
ven ‘)

…………………..
894.561,64
894.561,64
Id. aan div. Instellingen 1)
504. 134.611;32
506.657.141,32

1) In rekg.-crt. met ‘s
Rijks

Schatkist.

1)
Rchtstreeks onder-,
gebracht bij De Nederlandsche
Bank nihil.

238

26 APRIL 1944

A/fabetische Index Overheidsmaatregelen op economisch gebied

(Zie
voor den alfabetlschen index Overheidsmaatregelen in 1943 het Jaarregister 1943, laatste bladzijde)

Blz.
Administratleplicht ……….27, 55, 123
Afvab …………………………123
Algemeen Vestigingsverbod ………..55
Ambacht

………………….27, 161
Arbeidszaken

……….27, 55, 123, 161
Bank- en Credietwezen …………..41
Belastingzaken ……..41, 111, 163, 237
Betalingsverkeer met het buitenland .

27
Bouwnijverheid

…………………123
Bultenlandsche Handel …………..123
Groenten en fruit …….
…………. 96
Grondhamers……………………237
Grondstoffenbesparing en bedrijfsratlo-
nalisatie ……………………161
Handel …………27, 55, 123, 162, 236
Huurprijzen van nieuwbouw ……….162
Heffingen ……….41, 55, 123, 162, 236
In- en Uitvoer………………….26
Industrie
.
…………..27, 55, 123, 163
Inlevering puntdraad en gladde draad.. 135
Kamers van Koophandel …………40
Kinderbijslagwet ………………..123
Landbouw …………..41, 97, 125, 237

Blz.
Monopolieproducten
…………55,

123
Motorbrandstof

………………..
163
Non-ferrometalen

………………
123
Omzetbelasting

…………….
41,97
Opheffing

Centrales………………
40
Organisatie Bedrijfslven.
.

27, 83, 123, 163
Pluimvee

………………
41, 135, 237
Prijsregelingen

……….
83, 125, 163
Scheidsgerecht Voedselvoorziening

. . . .

41
Sierteelt

…………….
97,

135,

237
Sociale voorzieningen
………..125,

177
Steuvrleening aan
stilgelegde

bedrij-
ven

………………..
40,

55,

125
Suikerbieten

e. d…………….
41,

97
Surrogaten

………………..
97, 237
Tabak

………………
40, 96, 135, 237
Textiel

………………..
40,

96, 177
Toegepast Natuurwetenschappelijk On-
derzoek

……………………..
41
Tuinbouw

……………………..
41
Turf…………………………
96
Vee

………………..
41, 97, 135, 237
Veevoeder

………………..
41,

97

Elz
Vereveningsheffing

………………
125
Verpakkingsvoorschriften
………….
96
Vervoer

………………..
111,
183
Verzekering

………………
96,
125
Vestigingswet Kleinbedrijf
41, 125, 177,
236
Visscherij

……………………..
41
7/las

……………………
41, 97,
163
Voedselvoorziening

…………..
97,
135
Volkstuinen

…………………
125,
237
Ilzer

en

Staal

………………
125,
177
Zadeit

……………………..
41,
97
Zuivel

………………….
61,

97,
163

*

DE POSTCHEQUE- EN GIRODIENST

VERZOEKT DRINGEND

STAND EN VERTRAGING

f)

TER VOORKOMING VAN . ACHTER

SAMENVOEGING VAN BEDRAGEN VOOR

EENZELFDEN BEGUNSTIGDE

MAANDBETALINGEN TE WIJZIGEN IN 2 OF 3

MAANDELIJKSCHE BETALING

GELIJKMATIGE VERDEEUNG VAN OP.

ORACHTEN OVER DE GEHEELE MAAND

UITERSTE BEPERKING TE BETRACHTEN MET
NAVRAGEN EN KLACHTEN


U

REKENDE ALTIJD OP DEN

POSTCHEQUE- EN GIRODIENST

NU REKENT DE

POSTCHEQUE. EN GIRODIENST

OPU

Beschouwingen over een

tolunie tusschen Nederland

en België-Luxemburg

door

D. C. Renooij

3de Publicatie van
hef
Nederlandsch Econo-
misch Instituut

Prijs f 8.40*

(Prij8
voor donateurs en
leden van het N.E.I’I 6.-;

bestellen bij het N. E. 1.)

Verkrijgbaar in den boekhandel

Uitgave: De Erven

F. BOHN N.V.-Haarlem

Hyp otheekbanken

en Woningmarkt in

Nederland

door

Ch. GLASZ

15de publicatie van
het Nederlandsch
Economisch Instituut

Prijs
f 1.55*

(Prijs voor donateurs en.
/

leden van het N.E.I. (1.10;
bestellen bij het N. E. Q.

Verkrijgbaar in den boekhandel

Uitgave:

0e Enen F. Bohn LV: — Haarlem

*

Dr. J. R. A. Buning:

De beleggingen der bijzondere
spaarbanken in Nedericind

Publicatie Nö. 32

vcm het Nederlandsch Economisch Instituut

Prijs f 3.65*
(Prijs voor donateurs en leden vws het N.E.I. f 2.75; be-
stellext bij het N.E.I.).
Verkrijgbaar in den boekhandel

UiTGAVE: DE ERVEN F. BOHN N.V., HAARLEM

Verantwoordelijk voor het red. gedeelte: Drs. M. F. J. Cool te Rotterdam; voor de advertenties: H. A. M. Roelants te
Schiedam. Drukker en Uitgever: H. A. M. Roelants te Schiedarn. Verschijnt wekelijks. Abonnementsprijs f
20.85*
per jaar
(,,Prijsvaststelling No. 052. IM 312″), Prijs per nummer 50 ct. P 129911.

.

K
2193.

Auteur