Ga direct naar de content

Jrg. 29, editie 1443

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: februari 16 1944

S

16 FEBRUARI 1944

. AUTEURSRECHT VdORBEHOUDEN.

E

Berichten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

29E
JAARGANG

WOENSDAG 16 FEBRUARI. 1944

No. 1443

COMMISSIE VAN REDACTIE:

J. .P: ten Doesschate; P. Lieftinck (tijdel. afwezig);

J. Tinbergen;
H.:M.
H. A. Pan der Valk; F. de Vries;

M. F. J. Cool (Redacteur-Secretaris).

H. W. Lambers – Adjunct-Secretaris

Abonnements prijs van het blad, waarin tijdelijk is op-
genomen het. Economisch-Statistisch Maandericht, franco
p. p. in Nederland / 20,85* per jaar (,,Prijsaststelling
No. 02. IM. 312″). Buitenland en koloniën / 23,— per
jaar. Abonnementen kunnen met elk nummer ingaan en
slechts worden beëindigd per ultimô pan elk kalenderjaar. Losse nummers 50 cent. Donateurs en leden pan het IVe-
derlandsch, Economisch Instituut onti.’angei het blad gratis
en genieten een reductie op de perdere publicaties. Adres-
wijzigingen op te,geen aan de administratie.

Administratie: Nieuwe Binnenweg 175a, Rotterdam (C.)
Telefoon 38340. Gird 8408.

Aangetaekende stukken aan het Bijkantoor Museum-
park, Rotteidam
5
(C.).

Advertenties iioorpaginaf 0,28 per mm. Andere pagirta’s

/
0,22
per min. Plaatsing bij abonnement i’olgens %irief.

IN}IOUI):

Blz.

Wagemann’s ,,alternatiewet” door


Prof. Dr. J. Tinbergen …………………….86

De werkingssfeer.van het Fonds voor de Prijspolitiek

door
K. J. Groenepeld ……………………87

Ondernemingsvormen door
Mr. Dr. E. Tekenbroek 90

Ingezonden stukken

Coördinatie van landbouw- en industriepolitiek
door
Ir. A. Vondeling,
met nasehrift van
Mr. P. A. Blaisse ……………………..94

Overheidsmaatregelen op

econo-

misch gebied ……………………….

96

Maandcijfers

Emissies in Januari
194 ………………..96

Gecombineerde maandstaat van de vier Nederland-
sche groote banken en van het Nederlandsche
bedrijf der Nederlandsche-Handel Mij ………
96

S t a ti s ti e k e n

Stand van ‘s Rijks kas – ankstaten ……….
97

GELD- EN KAPITAALMARKT.

Overeenkomstig de verwachting, in onze laatste over-

zichten tot uiting gebracht, heeft per medio Februari de

Agent van de Schatkist weer een Vrij omvangrijk bedrag
aan papier afgegeven, teneinde aan de betalingsverplich-

tingen per dien datum –o.a. voor coupons en lossingen

– te kunnen voldoen. Het ziet er naar uit, dat in het

tijdvak 1 Februari t/m 1 Maart het totaal der afgiften

het gemiddelde cijfer der laatste maanden verre zal slaan,

waarvoor voor het overige niet zoo heel veel noodig was,

omdat immers sedert de uitgifte van de
Si
%
leening
1943

uitzonderlijk weinig papier ter beschikking van de markt

is
g
:e
s
teicl. Op de uiteindelijke vraag- en aanbodspositie

ter geldmarkt heeft dit intusschen, om de in ons laatste

overzicht geschetste reden, geen enkelen invloed, oodat

de geldruimte onverminderd aanhdudt. Het tarief voor

driemaands-kasgeldleeningen aan ovèrheidslichamen is

al tot
/16
%
teruggeloopen, en ook de markttarieven

voor schatkistpapier blijven op het uiterst lage niveau

van
1
/
8
(voor driemaands-papier) tot
/8 % (
voor elfmaands-

papier). Als bijzondérheid kan nog gemeld worden, dat
de Agent nogal wat November papier heeft afgegeven,

papier dus met negenmaands:looptijd, zulks in verband

met den vensch om de vervaltermijnen van het uitstaande

papier wat meer te verdeelen. Per November stond nI.

uiterst weinig schatkistpapier uit.

De
obligatiemarkt
heeft deze week bijna geen verande-

ringen van beteekenis te zien gegeven. De noteeringen

bleven vrijwel onveranderd. Een uitzondeling moet

slechts gemaakt worden voor de
3 %
leening
1936,
waar-

van wij de vorige week konden melden, dat een record-

noteering van 104
%
was behaald, op welk niveau dit

papier een rendement van nog geen 2+
%
afwierp. Wij

wezen er op, dat dit koerspeil zelfs in het licht van de

speciale merites van deze obligatie – den korten looptijd

o.a. – sterk overdreven was. De markt heeft blijkbaar

deze anomalie ingezien, en toen rüilorders aan de markt

kwamen, bleek de vraag nket voldoende om het koers-

niveau te handhaven. De noteering reageerde tot rond

103,
dus een val met.bijna twee punten, hetgeen een jaar-

lijksch rendementsverschil uitmaakt van rond
+ %.
De

omzetten in dit papier waren overigens Vrij omvangrijk.

Opvallend waren ook de relatief groote omzetten in in-

courante gemeenteleeningen. Het bestaan van een vrij

omvangrijke latente vraag naar dergelijk papier opent

voor den bezitter, die om eenigerlei reden tot spuien

wil overgaan, de mogelijkheid om in korten tijd posten

te spuien, waarover men in een minder van vraag ver-

zadigde markt soms weken moest doen.

86

1
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 Februari 1944

WAGEMANN’s ,,ALTERNATIEWET”.

Wagemann’s werh.

Prof. Wagemann,’de leider van het ,,Deutsches Institut
für Wirtschaftsforschung”, heeft onlangs een weten-
schappelijke suggestie. gelanceerd onder de’ naam van
,,Alternationsgesetz”, die de moeite van het nader be-
schouwen waard is.
Teneinde een juist inzicht in de waarde van dit laatste
werk van Wagemann te doen ontstaan, is het gewenst een
enkel woord over de betekenis van de auteur dez’er nieuwe
,,wet” aan onze beschouwingen te doen voorafgaan.
Wagemann’s werk is ten eerste
organisatorisch.
Na de
stabilisatie van de mark heeft hij in Duitschland het
statistisch conjunctuuronderoek georganiseerd. Het ,,In-
stitut für
Konjunkturforschung”,
zoals het toen nog
heette, heeft en hoeveelheid statistisch materiaal bij-eengebracht en een reeks statistische ondrzoekingen
gepubliceerd, zoals geen tweede dergelijke instelling in
de wereld. Hoewel het voorbeeld van de Harvard-
Universiteit hem voor ogen stond – getuige de plaats,
die hij aan de ,,Barometer der drie markten” (effecten-,
goederen-‘ en geldmarkt) inruimde .-, bewandelde hij
al spoedig eigen wegen, waarvan hij een samenhangende
verantwoording gaf in zijn in 1929 verschenen boek
,,Konjunkturlehre”, verdiept, in zijn ,,Struktur und
Rhythmus der Weltwirtschaft” van 1931. Hij was daarbij
minder empiristisch dan de vakgenotei van dé Harvard-
Universiteit en bracht, in het bijzonder in de zgn.
,,Sonderhefte” van zijn ,,Vierteljahreshefte zur Kon-
junkturforschung”, een reeks onderzoekingen over speciale
bedrijfstakken, waarin veel dieper werd gegraven. Daarbij
was de rol van Wagemann zelf in het bijzonder die van
de organisator en de stimulçrende directeur.
Neerslg van het economisch-politieke werk van zijn
instituut vormen de later verschenen boeken ,,Zwischen-
bilanz” en ,,Wirtschaftspolitische Strategie”.
De betekenis van het werk van het instituut was daarbij
vooral – en hierin komt een tweede zijde van Wagemann’s
werk tot uiting -‘ dat steeds door bestudering van de
feiten, en door het zoveel mogelijk in cijfers vastleggen
daarvan, de
realistische basis
werd verkregen, die voor een
gezonde wetenschappelijke ontwikkeling niet kan worden
gemist. Wetenschappelijk werk, dat het contact met de
feiten verliest, verdort op den duur. En men behoeft het
volstrekt niet eens te zijn met alles wat door Prof. Wage-
mann is betoögd, om toch, zoals ondergetekende, het
bijzondere wetenschappelijke belang van diens optreden
in te zien. Vanuit de werkelijkheid moeten de nieuwe
denkbeelden worden geboren, die de wetenschap verder
ontwikkelen en het is daarbij geen bezwaar, wanneer er
een arbeidsverdeling is tussen hen, die, uit de studie
van de cijfers,
suggesties
opwerpen voor nieuwe_,,wetten”
en hen, die het nader onderzoek dier ,,wetten” ter hand
nemen. Een
dergelijke
verdeling van arbeid is in de natuur-

wetenschappen reeds lang een feit.

De alternatiewet

Tot de zojuist genoemde suggesties reken ik ook de
nieuwe ,,alternatiewet”,
waarover dit artikel handelt. Zij
heeft betrekking op de invloed van de bevolkingsdicht-
heid op de welvaart, het klassieke terrein dus van Malthus.
En terwijl men het nu gaarne voorstejt alsof, volgens de wet van Malthus, toenemende bevolkingsdichtheid leidt tot afnemende welvaart, waartegenover de anti-Malthu-
sianen de mogelijkheid btoogden van een toenemende
welvaart, stelt de alternatiewet, dat noch het één, noch
het ander het geval is. Bij toenemende bevolkingsclicht-
heid neemt, aldus de alternatiewet,
afwisselend de welyaart

af en toe.
De grafieken, die Wagemann tot dit denkbeeld
hebben gevoerd, doen drie dalingen en drie stijgingen
zien. Er zijn dus bepaalde dichtheids-zônes, waarin de tendenties van de afnemende welvaart, andere, waarin

divan de toenemende wel’v’aart het winnen. Deze gra-
fiêken, zijn aldus samengesteld, dat daarin langs de hori-
zontale as de bevolkingsdichtheid is afgezet, langs de
verticale as het één of andere welvaartskenmerk (bijv. het
inkomen per hoofd). Voor elk land zijn deze gegevens
weergegeven in één punt. De aldus verkregen punten ver-
tonen, zoals begrijpelijk is, een zeer sterke spreiding. Er
zijn gemiddelden berekend voor bepaalde zônes van be-
volkingsdichtheid en deze vormen de zojuist genoemde’
op- en neergaande beweging
Wagemann doet de vôrgaande consequenties zien, die
een dergelijke alternatie zou hebben. Er zouden, indien
de wet geldt, verschillende bevolkingsoptima zijn, en,
indien de bevolkingsdichtheid van een land toeneemt,
zou dat land zich afwisselend in een toestand van onder-
en ‘overbevolking bevinden. Uiteraard zou dit voor de
geschiedenis van zo’n land verschillende kritische perioden
meebrengen. Wagemann brengt’ deze in verband met
enige der oorlogen uit de laatste tijd. De perspectieven, die hij voor de bestudering van dergelijke sociologische vraag-
stukken biedt, fijn ongetwijfeld wijd.
Ter motivering van zijn nieuwe Wet wijst Wagemann
er op, dat toenemende bevolkingsdichtheid achtereen-
volgens bepaalde strictuurveranderingen tot gevolg
heeft, die de welvaartsontwikkeling beïnvloeden. Bij zeer
geringe dichtheid zal er extensieve landbouw worden
beoefend, waarbij wellicht nog uitvoer kan plaats vinden.
Bij toenemende dichtheid zal de landbouw intensiever
worden en de uitvoer eventueel verdvijnen. Bij nog grotére
dichtheid zullen andere middelen van bestaan noodzake-
lijk worden, zoals handel en industrie; de efficiëncy daar-
van kan door de bevolkingsdichtheid weer gunstig worden
beïnvloed. Aldus doorkruisen elkaar velerlei tendenties,
die in uiteenlopende richting werken. Bij de reeds door
Wagemana genoëmde kunnen zich nog andere voegen, zoals wijzigingen in de ruilvoet tussen de verschillende
soorten producten.

Nader onderzoek gewenst.

Zoals nieri ziet, is dit een rijke verzameling vansuggesties,
die in meer dan één richting nader onderzoek verlangt.
Ten eerste in de
statistische rihting.
Is de tendentie ver-
kelijk,statistisch.bewezen? Zijn de zigzagbewegingen niet
toevallig?
H’.t zou kunnen, dat in bepaalde zône slechts enkele
landen voorkomen, die technisch hetzijbijzonder hoog,
hetzij bijzonder laag ontwikkeld zijn en daarmee hun
stempel drukken op de groep, waarvan zij deel uitmaken.
De grote spreiding van de getallen binnen één zône
zou een toevallig op en neer bewegen’ eveneens mogelijk
maken.
Wil men meer zekerheid hebben, dan dient men, de
spreiding geringer te maken. Dit kan, wanneer men van
de enkelvoudige correlatie tussen welvaart en bevolkings-
dichtheid een meervoudige maakt, daarbij de andere
factoren insluitend, die voor de welvaart eveneens van
betekenis zijn. Eén zo’n factor is dadelijk aan te geven:
de kapitaalrijkdom ‘der verschillende landen. Deze is zeer
uiteenlopend van omvang en heeft een grote invloed op
de welvaart. Er zt,lln ongetwijfeo nog andere factoren
zijn; deze zullen echter minder gemakkelijk te meten zijn.
Voorldpig zou men het echter bij de eerstgenoemde kunnen
laten. De grote vraag zal dan dus zijn: gelukt het, om, door introductie van deze verdere verklare’nde factèr,
de spreiding te verkleinen, terwijl daarbij de zigzaglijn
behouden blijft?
De grafieken van Wagemann geven een
geografische
vergelijking;
d.w.z. er worden verschillende landen op één
moment vergeleken. Het is in het geheel niet zeker, dat
hetzelfde verband nu ook zal gelden voor de achtereen-
volgende fazen in de groei van één land; dat dient dus
afzonderlijk te worden geverifieerd. Het statistisch ma-
teriaal daartoe is aanwezig voor enkele landen.

16 Februari 1944

.
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

87
:1

Ook kan het zijn, dat de kritische zônes, die Wagemann
vindt, weliswaar bestaan, maar geen in de tijd onver-
anderlijke zônes
zul4.
Het laat zich zeer goed denken,
dat, in verband met de technische ontwikkeling, de ge-
tallenwaarden van de kritische bevolkingsdichtheden zich
in de loop van de tijd wijzigen. Ook dit ware te onder-
zoeken – indien het statistisch materiaal althans toe-
reikend zou zijn.
Nader onderzoek is o6k, en vooral, in dp
theoretische
richting
mogelijk; liefst, om niet te veel in de ruimte te
werken, aan (fe hand van statistische metingen.. Zo kun’nen
de suggesties over de rol, die de intensivering van de land-
bdv en later van de industrie spelen, gemakkelijk nader
statistisch worden geanalyseerd. De samenhang tussen
bevolkingsdichtheid en productiviteit van de landbouw
is nader onderzocht door Colin Clark en evenzo die tussen
grootte der bevolking en productiviteit van de industrie.
De uitwerking van één en ander op de prijzen is met de
tegenwoordige statistische kenniseveneens nader te onder-
zoeken. Bij een quantitatief-theoretisch onderzoek zal
men ook tegenover elkaar kunnen stellen de grootte dezer
verathillende invloeden. Daarbij moge worden opgemerkt,
dat ook reeds bij Maithus – wanneer men zijn bekende getailenvoorbeeld , neemt an’ de bevolking, die in een
meetkundige, en de subsistentiemiddelôn, die in een reken-
kundige reeks toenemen – de ontwikkeling van de wel-vaart, ‘hij toenemende bevolkingsdichth’eid, achtereen-
volgens eerst stijgt en dan weer daalt. Ook hier reeds een
zekere alternatie’)! Een programma, dat voor onmiddellijke uitvoering,. vatbaar is, is: de welvaart van elk land splitsen in een
aantal componenten,’ nl. productiviteit van landbouw,
industrie, verkeer, handel, enz., en vaststellen, of voor deze
componenten eveneens de alternatie bestaat. Eén en ander
kan zowel geografisch – dus door vergelijking van ver-
schillende landen op hetzelfde ogenblik – als histQrisch –
d.w.z. door vergelijking van le toestand van een land op
verschillende 9genblikken – worden ondernomen.
Het is niet moeilijk om op de wijze, zoals hierboven is
geschied, tal van kritische vragen te stellep. Schrijver
dezes beschouwt dat als een klein kûnstje; doch hij acht
daarmee de betekenis der suggestie
ntet
verkleind. Het is
heel wat gemakkelijker om al deze kritiek te doen horen
– die overigens ook nodig en nuttig is -, dan om een
vruchtbare suggestie te lanceren. Wkt overigens in de alternatiewet aantrekkelijk is, is vooral dit: dat er een
mogelijkheid ontstaat, dat zowel M’althus als zijn critici
gelijk krijgen, elk onder bepaalde voorwaarden of binnen
bepaalde zônes. Een .dergelijke synthese van meer
gezichtspunten, onder gelijktijdige beperking vân elks
geldigheidsgebied, is steeds een aantrekkelijke stap voor-
waarts in het wetenschappelijk denken.

1. TINBERGEN.

‘) Deze opmerking dank ik aan mijn medewerker Mr. W. So-
mermeyer,

DE WERKÏNGSSFEER VAN HET FONDS
VpOR DE PRIJSPOLITIEK.

In een vori

g artikel
1)
werden de instelling van het
1onds voor de Prijspolitiek en de redenen daartoe be-
sproken. Ï’hans zal nader worden ingegaan op enkele
punten, die Smet de werking van het Fonds samenhangen.
Wat de werkingssfeer van het FPP betreft, kan in de
eerste plaats onderscheiden worden de prijspolitieke ver-houding tot het buitenland, in het bijzonder tot het ‘Duit-
sche Rijk en het binnenlandsche terrein van werkzaam-
heden.

A. Verhouding tot
ket
buitenleind.

De prijzen bij hormalen uitvoer naar het Duitsche Rijk

‘) Men zie: ,,Het Fond,s voor de Prijspoiitiek”, door
K.
J. Groe-
neveld in ,,E.-S.B.” van
9
Februari
1944.

(evenals naar den Elzas, Lotharingen of Luxemburg
of naar een instantie van het Groot-Duitsche Rijk) zijn
onderworpen aan twee beginselen, waarvan het eerste
is, dat geen uitvoer mag plaats vinden tegen hoogere
prijzen dan de in Nederland toelaatbare
2)
en het tweede,
dat de Duitsche importeur de uit Nederland (en de overige
bezette Wtelijke gebieden) ingevoerde goederen slechts
tegen de in Düitschland toelaatbare prijzen in verkeer
mag brengen, hetgeen uiteraard tengevolge heeft, dat de
daar geldende prijzen tevens ons plafond vormen
3).

Bij de formuleering van dit laatste beginsel gold de
overweging, dat invoer uit de genoemde landen geen
opwaartsehen druk op het Duitsche prijzenniveau mocht uitoefenen. In het kader van de inschakeling van Neder-

land’s bedrijfsleven in de oorlogseconomie, evenals ter
handhaving van de binnenlandsche werkgelegenheid,
bleek het nu in sommige gevallen gewenscht, ook dan
onzen uitvoer te handhaven, wanneer de Nederlandsche
productiekosten het Duitsche prijzenplafond overtreffen.
Het offer, dat aldus door de betrokken producenten zosi
moeten worden gebracht, kan nu geheel of ten deele door
den Staat worden gedragen, doordat zij door middel van
toeslagen een prijs ontvangen, welke meer in verband staat tot hun kostprijs.

Het ligt voor de hand tegenover deze uitkeeringen corn-
pensktie te zoeken en deze kan worden gevonden in het
leggen van heffingen op den uitvoer van goederen, welke hier te lande ohder gunstiger voorwaarden worden voort-

gebracht en. waarbij de Rijkscommissaris er in kan toe-
stemmen di uitvoerprijs, in afwijking vn het beginsel
van de
betreffende
verordening, meer op de in het Duitsche
Rijk toelaatbar, hoogere prijzen af te. stemnen.
De economische consequentie van de geschetste prijs-
politiek is dee, dat hierdoor de standplaats- en efficiëncy

voordeelen of -nadeelen der Nederlandsche bedrijven t.o.v.
die in het Duitsche Rijk niet meer in die mate in hun financieele resultaten tot uitin komen. De bijzondere

voordeelen immers, welke sommige branchus of onder-
nemihgen zouden kunnen behalen uit het ,,gunstige”
prijsverschil tusschen Duitschland en Nederland, strekken
bij consequente toepassing vad de heffings- en uitkeerings-
politiek tot leniging van de offers, welke andere branches
of ijedrijven anders zouden moeten dragen terwille van

de inschakeling in de oorlogseconomie en de handhaving
van de werkgelegenheid. Ook op dit gebied constateeren
wij dus de algemeene tendens toe nivelleering van de
rentabiliteit als gevolg van bepaalde prijspolitieke maat-
regelen.

Ongetwijfeld zou hierdoor in een huishouding, waarin
de rentabiliteit richtsnoer is voor den omvang en de
richting van de particuliere investeeringen, aan dit compas afbreuk worden gedaan. Zeker onder de hi1iidige omstan-
digheden kan echter aan de’rentabiliteit niet meer die
iichtinggevende waarde voor de kapitaalsinvesteeringen
worden toegekend. De geschetste politiek draagtnu althans
een steentje bij tot correctie van de zeer ongelijkmatige
inkomensdistributie, die een welhaast onvermijdelijk –
volg is van oorlogsomstandigheden.
In die gevallen, waarin uitvoer naar het Duitsche Rijk
plaats heeft tegen een prijs, welke de voortbrengings-
kosten niet dekt, kan men ongetwijfeld van een export-
subsidieering spreken. Oök dit beteekent voor ons land
geenszins een nieuwe politiek. Immers, onder vigueur
van de landbouwcrisismaatregelen deden wij niet anders, zij het dan, dat het toen andere goederen betrof en ook de
richting van den aldus gepremieerden uitvoer een andere
was. Ook de motieven zijn anders geweest. Hiertegenover moge er op gewezen worden, dal het Duitsche Rijk meer-
malen bereid
,
bleek af te zien van de voordeelen, welke

1)
l,TeI.ordening van den Rijkscommissaris No.
16211941,
aan-
gevu
1
d,Øoor de Verordeningen No.
6011942,
No.
14911942
en
No
7111943.
3)
,,Verordnung über die Preisbildung fiir Einlubrwaren aus
den besetzten niederlkndiscden Gebieten” van
21
Januari
1941.

88′

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN
.•

16 Februari i944

zouden voortvloeien uit een stringente toepassing van de
Nederlandsche prijsvoorschriften, ook bij den uitvoer
naar dit land.
Ook bij den
inQoer,
welke vooral betrekking heeft op
grondstoffen en haiffabrikaten, kan zich zoowel het geval

voordoen; dat een heffing met prijspolitiek karakter,
gelegd op den invoerprijs, den kostprijs voor de verwer-

kende industrie belast, als dat do,or •subsidieering de
materiâalkostprijs tegeno.ver den hoogereti aanschaffings-
prijs in het buitenland wordt verlaagd.

Variabele invoerheffingen vormden indertijd het tech-
nische middel om de tegen lagere en fluctueerende prijzen
uit de wereldmarkt betrokken agrarische producten via de
landbouwcrisisorganisaties in ‘het op ‘een hooger nive,u
estabi1iseerde binnenlandsche prijzenpeil binnen te
-loodse.

De huidige omstandigheden nopen er veelal toe, juist
omgekeerd, in het buitenland duurder betrokken goederen
onder toepassing van invoersubsidies in het op lager peil
gestabiliseerde Nederlandsche rijzenniveaû binnen te
sluizen. De toegepast’è techniek echter is’niet nieuw. Toch
zijn ook iekere overeenkomsten in doeleinden vast te
stellen. De wensch,. voor bepaalde’ fabrikaten prijzen
vast te stellen, welke gedurende voldoend langen tijd
gehandhaafd zouden kunnen wôrden – een conditio sine
qua non, voor het vaststellen van zgn. bedragprijzen,zulks
ter vermijding van de e.uvelen verbonden aan de toepassing
van zgn. calculatjeschema’s -, maakte het in enkele
gevallen wensclelijk, dat de betrokken industrieën de
grondstoffen ook tegen gestabiliseerde przen konden
verkrijgen. Waar een stijgende tendens in den invoerprijs
onmiskenbaar was, stelde men in enkele’gevallen de bin-
nenlandsche grondsjoffenverrekenprijs bewust anti-
cipeerend zoo veel hooger, dat’ uit de invoerheffingen een
fonds werd verkregen, dat in de volgende periode zou
‘kunnen dienen om hieruit uitkeeringen ,te verrichten,
indien de invoerprijzen iich boven den gestabiliseeiden
verrekenprijs zouden verheffen.

Het geschetste systeem is tot heden slechts incidenteel

toegepast. Daarbij kan de vrees voor. de ontwikkeling
van een-te omvangrijk administratief apparaat en te groote
overheidsbemoeienis een rol hebben gespeeld en een ont-
wikkeling van sommige binnenlandsche prijzen hebben doen aanvaarden, die onmiddellijk afhankelijk werd ge-
,naakt van de stijgnde tendens op de buitenlandsche
grondstoffnaï’kten. Daarbij moest dan ook het nadeel

worden aanvaard van de zeer moeilijke controleerbaarheid
van deze nimmer vaststaande en toch wettelijk geoorloofde
prijzen, zulks door het ontbreken van het ,,sluizensysteem”

en toepassing van het zgn. calculatieshema. Ook moest
daarmee het ernstige bezwaar aanvaard worden, dat het
inzicht in deoorzaken van de prijsstijging, nI, stijging in
de grondstofprijzen of’ stijging van de onkostenopslagen,
en daarmede het toepassen van remedies ërnstig bemoei-
lijkt wordt. –

Uiteraard zou een volgens bovenstaande aanduidingen
gestabiliseerde grondstoffen-afgifteprijs periodiek herzien
kunnen worden, waarbij de prijs der fabrikaten – de
rentabilitéit van de betreffende ondernemingçn in acht,
nemende – eveneens aan herziening kan worden onder-worpen. Zou een dergelijke prijswijziging met. het. oog
op de belangen der afnemers ongewenscht zijn of zou deze wijzigifig op t’e grooté technische bezwaren stuiten – mede
met het oog ‘op de repercussiés op de overige prijzen en
kosten -‘-, dan zou een fonds met prijspolitieke doelstelling
deze prijsverandringen kunnen ondervangen. In het
geval van een voortgezette prijsstijging van een begeerd
invorgoed zou dit niet ander beteekenen dan een voort-
gezette
1
subsidieering van den grondstofinvoer. De be-
schreven techniek kan natuurlijk nimmer de kern van
de kwaal, nI. de inflatorische tendens op enkele buiten-
landsche grondstofmarkten, wegnemen. De verschillende
maatregelen, die het importeerende land, dat prijs stelt

ôp stabilisatie ,van zijn prijsniveau, daartegen kan nemen,
zijn door Dr. Fischböck eenigen tijd geleden opgesomd en op hun ‘verdiensten getoetst
4),I

Eén’dier, met het oog op het streven naar stabiliseering
van het continentale prijsniveauoveriens slechts als
noodoplossing tE aanvaarden, middelen is de verhooging

van den eigen uitvoerprijs tegenover zulke landen. Daarbij
zal de Overheid een deel der aldus behaalde bijzondere
exportwinsten door heffingen moeten treffen, teneinde

den duren invoer uit deze landen goedkooper te maken.
Op deze wijze hangen invoerheffihgen, invoersubsidies
en heffingen op den uitoer samen, liet primaire doel
bij al deze maatregelen is de relatieve ‘stabiliatie der
prijzen, onder handhaving van het algemeene prijzen-
niveau. Met betrekking tot het buitenland fungeert een
prijspolitiek fonds”aldus als een ,,compensatiekas” ).

B.
Het binnenlandsche werkterrein.

Verschillende omstanligheden kunnen liet wenschelijk

maken aan het systeem van prijsvaststellingen dat ‘van
heffingen of uitkeeringen’ te verbinden.
1. Het Prijsvormingsbesluit 1941 legt het bedrijfs-

leven de verplichting op, de’pîijzen te bepalen in overeen
stemming met de eischen welke het algemeen belang
in het bijzonder met betrekking tot de- oorlogsomstandig-
heden, stelt, én, prijzen, die aan deze eischen niet vôldoen,
te verlagen. In’ het bijzoider zal omzetvermeerdering in
bepaalde gevallen tot zelfstandige prijsverlaging aanleiding
moeten geven. Anders dan in Duitschland, waar de
,Prijzencommissaris aan een overeenkomstig gebod als
alternatief hôt dwaxigmiddel van dezgn. afrooming van
de ,,meerwinst” verbond – ondanks technische en ma-
terieele wijzigingen bestaat daar ook thans nog dit be-
ginsel -, heeft de Overheid hier te lande om verschillende
redenen ‘pan een
algemeene
toepassing van een ,,winststo”
afgezien. ,Dit neemt niet weg, dat de ‘Gemachtigd& voor
de .Prijzen het Prijsvormingsbesluit regelmatig toepast
als wettelijke basis voor het van overheidswege vaststellen.
van prijzen in al die gevallen, waarin het blijkt, dat be-
staande prijzen – zij het bijv. ,,9 Mei-prijzen”, zij het
zelfstandig bepaalde prijzen voor zgn. nieuwe goederen
– niet met de zoo juist genoemde eischen in’ overeen-
stemming zijn.

Niet steeds echter is een verlaging van prijzen in over-
eentemming met een juist sociaal beleid, nl. dan niet,
wanneer het ook nu nog geproduceerde goederén betreft
met luxe-karakter. Ongerechtvaardigd. hooge winsten’
kunnen in een dergelijk geval betèr via een heffing ten
bate komen van producenten van voor het levensonder-

houd noodzakelijke goederen. In andère gevallen stuit
eên prijsverlaging af op technische bezwaren, bijv. dan,
wanneer het beperken van een zeer hooge re’ntabiliteit.
tot bescheidener verhoudingen, door den verkoop ‘van het
goed in zeei”kleine eenheden, tot een practisch niet voelbare
prijsverlaging zou leiden of
zeLfs
niet uit te drukken zou
zijn in heele centen. Niet in hef minst levert prijsverlaging
door fabrikantèn bezwaren op, wanneer geen garantie
bestaat, dat ook de uiteindelijke afnemer hieyvan voor-deelen geniet en-het ‘gevaar bestaat’ van een eenzijdige
bevoordeeling van den directen afnemerskring. Ook het
strevn naar uniformiteit van prijzen voor gelijkwaardige
artikelen kan een beletsel – zijn tot individeele prijs-.
verlaging, aannemende; dat overdreven
çl
ifferentieele
winsten onder de huidige omstandigheden niet beant-
woorden aan’ de eischen, welke het Prijsvormingsbesluit
forn’uleert. In al deze gevallen zal een heffing, die dan
vaak het karakter verkrijgt van een afinoming van meer-,
winst, rationeel in de plaats’ treden van een prijsverlaging.
Aldus treedt in de plaats iran een algemeené winétbeperking
met het alternatief van prijsverlaging een voorzichtig,

)
Zie o,a, ,,Berliner Börsen Zeitun’g” van 9 November 1943.’
&) Ook Frankrijk en België bijv. kennen sinds kort zulke corn-
pensatiekassen.

4

S

16 Fruari 1944

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN’

.

89

ieder geval
op
zijn eigen mérites onderz’oekend, systeem
vân winstbeperking.

Is in het vocirgaande de functie van het Fonds voor
do Prijspolitiek eenzijdig georinteerd op het cloen van
,

héffingen, anders is dit, wanneer voor een branche uniforme –
prijzen vastgesteld zijn, die echter dooi een sterke kosten-
spreiding – vooral wanneer dee ‘niet op reëele verschillen
in onderhemerspres.tatie’s berust – tot onbillijkheden aan-
lèiding kunnen geven of zelfsdè voortzetting van de pro
;

dbctie van in stand te houden grensbedrijven in gevaar’
kunnen brengen. Alsdan heeft men, teneinde de bezwaren
van den uniformen”prijs te ondervangen, de keuze tusschen
de toepassing van groepsprijzen en – Wanneer dit op be-
zwaren afstüit – een systeem, waarbij heffingen ôp de
productie an ohdernemingen met de laagste kosten ge-
paard gaan met subsidiering van die met hoogere kosten.
Daarbij zou het strijdig zijn met één der belangrijkste
motieven tôt doorvoering van den uniformen brancheprijs,
nL:de bevordering van de concurrentie naar prestatie,
wanneer het systeem van heffingen en uitkeeringen de
differentieele winsten geheel weg zou belasten oLde grens-
ondernemingen ondr alle omstandigheden voor verliezen
zou vrij waren.

,

De wel zeer uiteenloopende’ mate, waarin door de
o’orlogomstanigheden verschillende ‘branches en ‘onder-
nemingen van grondstoffen konden wordèn voorzien,
heeft onder andere tengevolge gehad, dat de
onderbei’ewing,
hoewel een algemeen verschijnsel voor de geheele industrie,
de verschillende branches op wel heélwillekeurige wijze
in hun. rentabiliteit en hun mogelijkheden tot kapitaal-
reproductie trof. Het economisch lo,t lette daarbij niet
op de beteekenis, welke’ de ôndernemingen in het verleden-
voor d’e volkshuishouding hadden en mogelijk in de toe-
komst weer zullen hebben – wij denken aan onze scheep-
vaait, onze, werven, en. -, en slechts ten deele op de
beteekenis, welke’deze .indi.istrien bij de huidige constel-latie hebben. Zoo kan het, om enkele excessen te noemen,
geschieden, dat ônder alle omstandigheden voor de volks-
huishoiding onbelangrijke bedrijven boven een normale
kapitaalreprciductiè nog aanzienlijke kapitaalaccumulatiés
helben, kunnen verrichten, waartegenover andere, wederom
onler allè omstandigheden, uitermate belangrijke takken
van bedrijf tbt aanzienlijke kapitaalinteringen werden ge-
dwongen. Zoo scheppen de huidige oorlogsjaren niet alleen
het veel omstreden vraagstuk van de toekomstige kapitaal-
vorming, maar evenzeer dat vâh de economisch juiste
kapitaaldistributie. . .

Het is bekend, dat de Overheid principieel niet bereid
1

was, noch is, door het toelateii van het zgn. incalculeeren
van d onderbezetting de geschetste wanverhouding in de
inkom’ensvoming te. verzachten, wegens den sterk versto-
renden invloed, die dit zou hebben, niet ‘enkel voor’ het’
algemeene prijs- en kostenniveau, dock
evnzeer voor de
onderlinge prijsi’elaties. Slechts bij die ondernemingen,
welke uitgesproken luxe-goederen voortbrengen,’ zou wel-
licht over het sociale bezv’aar van een sterke prijsstijging
heen gestapt kunnen vorden, doch liet zijn juist deze

ondernemingen, bij welker volledige kapitaalreproductie de
volkshuishouding weinig geliaat zou zijn. Theoretisch
ware het echter Wel denkbaar, dat de Overheid dooi’ een omvangrijk systeem van heffingen en subsidieeringen de’
onevenwichtige inkomensvorming in het bedrijfsleven
‘had gecorrigeerd. De st’eun aan stilgelegde bedrijven,

bestreden uit de, verplichte bijdragen der werkende be-
drijven,. vormt een aarzelenden stap in deze richting. De
vrijvilligest eunregelingenaan st4lgel’égde bedrijven vormen
een tweeden aarzelenden stap, onder deelneming ‘van het
bedrijfsleven, tot steun aan de bedrijven ‘met 100 % onder–
bezetting. Het streven naar beperking van excessieve

winsten; op grond van ‘het Prijsvbrrningsbesluit vormt
een bijdrage tot bedoelde correctie. ‘Het zal wel bij deze
stappen moeten blijven. Want niet kan aangenomen wor-

den, ,dathetFonds voor de Prijspolitiek zoo ver zou willen

of kunnen gaan, het ‘vraagstuk van de kapitaaldistributie
tot een oplossing te brengen.

Wel zal liët Fonds voor de Prijspolitiek een oplossiiig
kunnen brengén voor het geval,
dat
in de ,,Richtlijnen
voor de Prijsvaststelling”, ‘uitgegeven door den Gemach-
tigde voor de Prijzen (Ned. St.Crt. No. 69A vn 11 April
– 1942), reeds werd voorzien, nl., dat een onderneming,
welke haar’prijs vastgesteld ziet op basis dezer,richt’lijnen,
door stex’ke onderbezetting in acute liquiditeitmoeilijk-
heden dreigt te gerakem Reeds toen werd’bepaald, dat in’
zoodailige gevallen het verstrekkk van hulp .kon worden
overivogen, voorzoover, instandhouding van het bedrijf
noodzakelijk zou worden geacht en prijsverhooging niet
toelaatbaar zou zijn.


11
.’ De opsomiiing van
5
de mogelijkheden, welke het
Fonds voor de Prijspolitiek biedt, zou’ niet volledig .zijn,
wanneer onvermeld bleef het ‘door subsidieering goed-‘
.kooper -mken van die ‘niet-agrarische producten, welke niettemin cle kosten van het levensonderhoud mede be-.
palen. Het is vooral op het terrein van de voedselvoor-
ziening, dat de spanningen tusschen de noodzakelijk
geachte productiekosten en de draagkracht van breede
consumentenmassa’s immer het grootst was:’t Dit neemt
niet weg, dat ook op het nietagrarisch terrein zich’dergelijke
spanningen kunnen voordoen. –
Een tegemoetkoming aan ,,den” consument door
digemeene
prijsverlaging heeft tot inhoud, dat men, terwille
van een,’nin of meer omvangrijke categorie consumenten,
alle consumenten siibs,idieert.
Het

gevolg is steeds, ‘dat de
totale omvang vai de subsidie groter is ilan het koop
t

krachtstekort, dat nen bestrijden wil,.zoodat bij de con-
sumenten. met hoogere inkomens een koopkrachtsover-
sçhot ontstaat, dat d*r fiscale en andere maatregelen
wel niet geheel achterhaald kan worden. E,en volledige
tegemoetkoming aan ,,den” consument zou bovendien
beteekenen, dat de prijzen ingesteld zouden moeten worden

op de categorie met de allerlaagste inkomens Vormen,
deze slechts een gérjng percentage van alle inkomen-
trekkers, dan zou een dergelijke consumentensubsidieering
wel ver het doel voorbijschieten. Een directe bestrijding
van het koopkrachtstekort zou’ dan meer rationeel zijn.
Vooral onder dê huidige schaarschte zou ieder koopkrachts-
overschot, juist bij de zeer breedë massa van trekkers
van middelmatige inkômens, door hun massale werking,
lèiden tot omvangrijke illegale aankoopen of’ tot het op
groote schaal besteden van illegale prijzen, waarmede
de bedoelde categorie van”kleinste ipkomentrekkers aller-
minst gediend zou zijn. –

De’ benadering van het aantal ‘gezinnen, dat niet in
staat ‘zpu zijn de meest noodzakelijke levensbehoeften te
‘dekken,:wan’neer het genôodzaakt zou zijn de betreffende
goederen te betrekken tegen prijien, die de voortbrengings-
kosten de)cken, en ten wiens behoeve dus overgegaan’
wordt ‘tot een algemeene prijsverlaging door – middel van
subsidies, stuit in normale omstandigheden reeds op
groote moeilijkheden. De vaststelling van het verloop
van de inkomenskromme, meer in het bijzonde’r van de
lage gezinsinkomens, welk verloop één der grondslagen
vormt van de prijs-,de loon-
r
en in het algemeen de sociale.
politiek, wordt in ‘d huidige omstandigheden- wel zéér
bemoeilijkt door de sterke verschuivingen, welke ,in het
– bijzonder in de gezinsinkomens door tal, van oorzaken
hebben plaats gevonden. Niettemin kan men er van over-
tuigd zijn, dat het aantal der – ongeorganiseérde – con-
sumenten; wier koopkracht te beschermen het prijs-
‘beheerschingsapparaat zich als éèn van zijn belangrijkste
taken heeft gesteld, zier aanzienlijk is. ‘ ,

.i Dit neemt niet weg, dat een grondiger’ inzicht in de
inkomensopbouw wellicht tot de conclusie zou kunnen,
leiden, dat de bestrijding, van althans een deel van het
ongetwijfeld bij, een groep der consumenteh aanwezige
koopkrachtstekort, uit een oogpunt van meest econo-‘
mische financiering, bater zou kunnen geschieden. door

90

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 Februa 1944

verbetering van de inkomens vap de betreffende cate-
gorieën, dan door een algemeene prijsverlaging, indien
men althans niet tot het vele bezwaren medebr9ngende
systeem van prijsdiscriminatie ten, behoeve van bepaalde categorieën van consumenten wil overgaan.
Waar echter dergelijke groote sociale belangen op het
spel staan, als de zorg voor de reëele voorziening in de
meest noodzakelijke levensbehoeften van groote massa’s
der bevolking, zal de prijspolitiek op de strikte hand-having van het prijsniveau gericht moeten blijven.
1

Conclusre.

Conciudeerend kan vastgesteld worden, dat het Besluit
tot vorming van een Foflds voor de Prijspolitiek talrijke
ontplooiingsmogelijkheden inMudt. In hoeverre hiervan
gebruik zal worden gemaakt, zal geheel van de ontwik-
keling der omstandigheden afhangen. Op een eenzijdige
subsidieeringspolitiek zal stellig niet gerekend kunnen worden. Integendeèl zal door het streven naar een be-
grootingsevenwicht een zekere verscherping van de prijs-
politiek tegenover die ondernemingen kunnen intreden,
die wellicht juist door de huidige oiiistardigheden een
hooge rentabiliteit aanwijzen, of zelfs tegenover die,
waar dit,’ondanks deze omstandigheden, nog het geval is.

K. J. GROENEVELD

ONDERNEMINGS VORMEN.

De Redactie zond’mij toe het onlangs onder bbvenver-
melden titel bij de N.V. Samsom te Alphen verschenen
boekwerkje van Mr. W. C. L. vn der Grinten en G. J.
Lunenberg, met verzoek dit werkje te willen bespreken,
dan wel naar aanleiding daarvan een artikel te schrijven.
Gaarne heb ik aan dit verzoek voldaan, omdat het mij
van belang leek voor de indit boekwerkje behandelde
problemen, die voor het bedrijfsleven van vitaal belang
zijn, niettegenstaande ‘die problerfien overwogend van
juridischen aard zijn, in dit tijdschrift de aandacht te
vragen. Dit moge tevens verklaren, waarom de onder-
staande uiteenzettingen den omvang van een boekbespre-
king te beven gaan.

V. d. Gr. heeft een vru,htare pen; verschillende
recente besluiten, die voor h1t bedrijfsleven van belang
zijn, zijn door hem op levendige wijze gecommentarieerd,
terwijl hij ook in de tijdschriften, in het bijzonder dan
in de ,,Naamlooze Vnnootschap”, zijn licht laat schijnen
en dan vooral weer over wat men zou kunnen noemen:
nieuw recht. Hij heeft daardoor een zeker renommé ge-
kregen; met belangstelling neemt men dan ook een nieuw
werkje Van hem ter hand.

Gevolgen van de fiscale politiek.

Het onderwerp van het werkje staat in het brandpunt van de belangstelling, zulks als gevolg van de richting, die de Overheid met haar fiscale politiek is ingeslagen. Die richting verschilt, principieel beschouwd, niet’ van
die, welke in andere landen gevolgd wordt. In ons land is
die wijziging in de fiscale p,litiek door het bedrijfsleven
sterker gevoeld dan elders. De vervanging van de van n.v.’s
geheven uitdeelingsbelasting (de div.- en tantième-
belasting) door een naar de winst geheven belasting vond
hier te lande laat plaats. Dit heeft tot gevolg gehad eener-

zijds, dat de n.v. als ondernemingsvorm een groote ‘be-
teekenis gekregen heeft, en anderzijd, dat de be’ang-
stelling voor de andere ondernemhigsvormen betrekkelijk
gering bleef. Ik denk daarbij in het bijzonder aan de
vennootschap onder firma (v.o.f.) en de commanditaire
vennootschap (c.v.J, Ons wettenrecht met betrekking tot
de v.o.f. en de c.v. is van otiden datum; dit behoeft
op zichzelf genomen niet bezwaarlijk te zijn, om dat wetenschap en rechtspraak een levend geldend recht

kunnen scheppen en een min of meer schematisch wetten-
recht daarbij zelfs een voordeel kan zijn, omdat stellige
wetsvoorschriften dan in mindere mate een beletsel
kunnen zijn om aan de eischen, die het bedrijfsleven stelt,
tegemoet te komen. Door gebrek aan belangstelling voor
die andere ondernemingsvormen (natuurlijk betrekkelijk
bedoeld) heeft de rechtpraak zich op dit punt hier te
lande niet in voldoende mate ontwikkeld, met als gevolg,
dat er, wat het civiele recht betreft, thans veel rechts-
onzekerheid op dit punt bestaat
1).

—.Zou dit reeds, voldoende zijn om den toestand weinig
bevredigend te noemen, daarbij komt nog, dat de over-
haast iiigevoerde nieqwe belastingbesluiten (ik denk
daarbij voornamelijk aan de nieuwe inkomstenbelasting
en de ondernemingsbelasting) over de v.o.f. ei de c.v.,

een gloednieuw netwerk’ van fiscale voorschriften
hebben gespannen. Weliswaar kan men, om zijn’ weg
in die nieuwe voorschriften te vinden, voor een goed
deel steun zoeken bij de vroegere fiscale rechtspraak,
maar een feit is dat er in die nieuwe belastingbesluiten
tal van voor ons fiscale recht principieel nieuwe elementen
zitten. De consequenties daarvan zijn voorshands niet
geheel te overzien, vooral ook omdat men noode mist
Kamerstukken, diè de interpretatie der voorschriften
vergemakkelijken.

Van overheidswege heeft men, wat het civiele recht
betreft, ingezien, dat het bedrijfsleven bij zijn ,,vlucht” uit
de n.v.-vorm in een impasse geraakte. Ter gelegenheid

van de afkondigig van het Liquidatiebesluit is mede-
gedeeld, dat een herziening van ons vennootschapsrecht
overwogen werd. Maar de berg heeft een muis gebaard
.in den vorm van het, twee simpele artikelen bevattende,
,Overgangsbesluit commanditaire vennootschappen”, dat
stellig niet verhelderend heeft gewerkt.

Voorlichting gevenscht.

Bij dezen weinig bevredigenden stand’ van zaken is er
behoefte aan voorlichting, een taak, die in de eerste plaats
door de rechtswetenschap te verrichten valt. Het is ver-
blijdend te kunnen constateeren, dat, niettegenstaande
de tijdsomstandigheden niet bevorderlijk zijn voor weten-
schappelijk werk, de juristen die taak hebben opge at. Mr. Duynstee publiceerde zijn ,,Vennootschapsrecht”,

Mr. Völlmar zijn ,,Nieuw Vennootschapsrecht”; voor de
Broederschap der Notarissen schreef Mr. de Lange een
prae-advies over ,,Voorttetting der v.o.f. – of van haar
zaken — na uittreden, overlijden, enz., van één of meer
der vennooten”; voor de Nederlandsche Juristenvereeni-ging prae-adviseerde Mr. de Grooth over de vraag: ,,Be-
hoeft de wettelijke regeling van de commanditaire ven-nootschap wijziging en zoo ja, welke?”. Daarnaast ver-
schijnen geregeld tal van tijdschriftartikelen. En thans
komen Mr. v. d. Grinten en Lunenberg met hun ,,Onder-
nemingsvormen”, een 132 bladzijden tellend werkje.
In het voorwoord lees ik:
,,Dit boekje wil een leidraad geven bij de keuze van
ondernemirigsvorm en bij de constructie van den gekozen
ondernemingsvorm. liet is bestemd voor ondernemers en
voor allen, wier advies omtrent deze vragen wordt inge-

wonnen. Wij denken hierbij aan advocaten, notarissen,
accountants en belastingconsulenten.”
Teneinde den lezer een indruk te geven van de wijze,
waarop getracht wordt dit doel te bereiken, moge een
‘korte weergave van den inhoud van het werkje volgen.
In Hoofdstuk 1 wordt de beteekenis van den redhts-
vorm voor de onderneming geschetst en er op gewezen,
dat de keuze tusschen de’in aanmerking komen4e rechts-
vormen bepaald wordt eenerzijds door bedrijfseconomische

‘)
Mr. G. de Grooh schrijft in zijn prae-advies voor de Ned.
Juristenvereeniging de. geringe ontwikkeling van de cv. hier te
lande toe aan de gebrdkkige wettelijke regeling. Ik betwijfel de juist-
heid van deze stelling en schrijf die geringe ontwikkeling in de
eerste plaats toe aan ons fiscale recht, dat cle nv. als ondernemings-
vorm een voorsprong gaf.
1

16 Februari 1944

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

91

factoren, anderzijds door fiscale’ factoren. Er worden
vijf bedrijfseconomische factoren opderscheidèn, t. w.:
de continuïteit van de onderneming;
dp zelfstandigheid;

de mogelijkheid m derden financieel te interes-
seereri;

de aansprakelijkheid;


ë. de oprichting en de organisatievorm.
In Hoofdstuk II worden in vijf paragraphen deze be-
drijfseconomischë factoren afzonderlijk besproken. In
feite bevat Hoofdstuk II de civielrechtelijke zijde van
de keuze van den ondernemingsvorm. M.i. is het niet
verhelderend om hier te spreken van ,,bedrijfseconomische
factoren”; in Hoofdstuk II wordt gn bedrijfseconomie
behandeld, maar slechts de mogelijkheden, die ons po-
sitief (civiel) recht geëft om te voldoen aan de behoefte
van het bêdrijfsleven, wat betreft de associatievormen,
welke behoefte dan uiteraard door bedrijfseconomische
overwegingen bepaald wordt.’
Hoofdstuk III behandelt in vijf afzonderlijke para-
graphen de fiscale positie van de behandelde ondernemings-
vormen, t.w. de eenmanszaak, de v.o.f., de c.v., de n.v.
en de c.v. op aandeelen. In par. 6 wordt een vergelijkend
overzicht gegeveii van den fiscalen druk op elk dier onder-
nemingsvormen; met cijfervoorbeelden en graphieken
wordt één en ander op instructieve wijze verduidelijkt
2).

In een korte par. 7 wordt de vereveningsbelasting d’n de
steunverleening aan stilgelegde bedrijven behandeld,
terwijl in par. 8 de fiscale consequenties van het toetreden
en uittreden van vennooten, overdracht van de geheele of
gedeeltelijke onderneming en liquidatie behandeld zijn.
De wijze, waarop Lunenberg, die in Hoofdstuk III an
het woord is, zijn stof
h?eft
ingedeeld, maakt het m.i.
zijn lezers niet gemakkelijk hem in de toch al niet gejnak-
kelijke materie te volgen. Hij wijst er zelf op, dat zijn doel
%iet was om naast de reeds bestaande commentaren een
nieuw commentaar te geven op de verschillende belasting-
besluiten; slechts de verschillen in fiscaal opzicht tus-
schen de behandelde ondernemingsvormen beoogt hij
duidelijk te maken. Het was mi. aan de overzichtelijkheid
van het betoog ten goede gekomen, indien daartoe eerst als hoofdcategorieen tegenover elkaar waren gesteld de
ondernemingsvormen, die
wel
en die, welke
niet
voor de
vennootschapsbelasting en de vermogenbelasting II be-
lastiigplichtig zijn. Bij de behandeling van de verschillen
daartusschen had dan vanzelf datgene, wat gemeenzaam
is aan alle ondernemingvormen, die tot één der hoofd-
categorieën behooren, samengevat kunnen worden; daarna
hadden dan de verschillen, die er’ in elk ler hoofdète-
gorieën tusschen de daartoe behoorende ondernemings-
vormen onderling bestaan, behandeld kunnen worden.
In Hoofdstuk IV worden de conclusies uit het vooraf

gaande getrokken, terwijl aan het einde van het werkje
tenslôtte statuten voor een commanditaire vennootschap,
met aanteekeningen in voetnoten, wordn afgedrukt.
Vraagt men iich, na hét werkje doorgenomen te hebben,
af, of de schrijvers er in geslaagd zijn het door hen gestelde
doel te bereiken, dan is er aanleiding om er op te wijzen,
dat de schrijvers zich een taak hebben gesteld, die voors-
hands zeker niet te vervullen is. Blijkens het vöoiwoord
en het prospectus van den uitgever werd.immers beoogd
een leidraad voor ondernemers te geven en dan tevens
voor hen, die de ondernemers moeten adviseeren. Ik be-
twijfel echter ten stelligste, of het “‘erkje den velen’ onder-
nemers, die het zich hebben aangeschaft, datgene gebracht
heeft, wat zij zochten en mochten verwachten op grond
van de aankondiging. Ik geloof veeleer, dat ‘ele onder-
nemers, na zich met goefien moed aan de lectuur ervan
gezet te hebben, het werkje min of meer spoedig naast

‘)
Het treft mij daarbij, dht niet verwezen wordt naar hetartike1.
van J. B. Snethiage in ,,De Naamlooze Vennootschap”, 21e jrg., blz. 272, waarin op soortgelijke wijze met cijfervoorbeelden het
verschil in belastingdruk hij uitoefening van een onderneming
in denvorm van een n.v., resp. v.o.T. wordt verduidelijkt.

zich neer hebben gelegd, in het besef, dat voor een goed

begrip van de behandelde vraagstukken meer deskun-
digheid op civiel- of fiscaalrechtelijk gebied noodig is,
dan waarover de ondernemer doorgaans beschikt. Ja,
ik geloof zelfs, dat er ook tal v’an advocaten, ndtarissen,
accountants en belastingconsulenten (allen adviseurs, waarvoor het werkje mede bedoeld is) zullen zijn, die
moeite zullen hebben ht werkje in zich op- te nemen.
Met deze opmerking wil ik niets afdoen aan het gehalte
van den inhoud, integendel, zij mag voor de goede kwa-
liteit van het gebodene getuigen *

Rechtsonzekerheid.

Een principieele bedenking, die ik tegen de algemeene
strekking van het werkje heb, is, dat er een zekere gerust-
stelling van uitgaat. Weliswaar erkennexi de schrijvers op
varschillende plaatsen, dat er veel i’echtsonzekerheid
bestaat, maar het is toch h.i. mogelijk, om, indien men
den n.v.-vorm om fiscale redenen wil verlaten, een bevre-
digende oplossing te vinden. Zij hebben daarbij hun hart
verpand (en terecht) aan de c.v.; dit bracht hen ertoe
een goed doordacht concept voor statuten, dat ik dankbaar
in mijn formulirenverzameling heb opgenomen, als bijlage
bij hun werkje te voegen.

Ik had er de voorkeur aan gegeven, indien een bekend
publicist als v. d. Gr. de gelegenheid te baat had ge-
nomen om eens hard de alarmklok te luiden; teneinde
de aandacht te vestigen op de onzekerheid, zoowel op
civielrechtelijk als op fiscaalrechtelijk gebied, die er voor
het bedrijfsleven momenteel bestaat, wat betreft de-keuze
van den meest geschikten ondernemingsvorm, een onzeker-
die te groot is om een gezonde ontwikkeling.van
h edrijfsleven mogelijk te maken.

Om niet onbillijk tegenover de schrijvers te zijn, moet
ik de aandacht er op vestigen, dat het hier een kwestie van
nuance betreft, die ik echter van belang acht, in verband
met de zeer onbevredigenden toestand, die er momenteel
hier te lande, wat ,betreft de onderhavige rechtsmaterie,
bestaat. Ook de schrijvers wijzen verschillende malen op
die rechtsonzekerheid.
Zoo lees ik op pag. 59:
0

,,De c.v. is een min of meer hybridische figuur. Om-
trent de meest belangrijke juridische karaktertrekken
bestaat verschil van gevoelen. Wij hebben hierop reeds
gewezen. De bezwaren, die hieruit voortspruiten,. zijn
weliswaar voor een groot gedeelte te ondervangen door
een behoorlijke contractueele regeling, doch voor den
financieelen deelnemer blijft de c.v. iets griezeligs be-
houden. Men weet ,niet precies, wat men eraan heeft,
welke rechten de rechter aan den commanditairen ven-
noot zal toekennen.”
Op pag.

119 wordt dit nog eens met andere woorden
herhaald. Schrijvers hadden hier gevoeglijk aan kunnen
toevoegen, dat die onzekerheid niet alleen bestaat op
civielrechtelijk gebied, maar evenzeer op fiscaalechtelijk
gebied.

In de voetnoten bij de concept-statuten komt die on-
zekerheid mede tot uitdrukking; ik noteer daaruit de
volgende zinsneden:
,,I-Iieromtrent bestaat echter geen eenstemmigheid”;
,,In hoeverre een dergelijke bepaling eenig rechtsgevolg
heeft, is, gezien het arrest van den H. . van 1937,
dubieus”;
,,Intusschen brengt de salarieering van vennooten
fiscaal een dubium mede”;
,,Mocht de fiscus deze redeneering niet volgen……
,,In de opvatting van den H. R. is in dit geval een
verblijvingsbeding op zijn plaatt”;
,,Uitgaande van de gemeens.chappelijkheid van het
vermogen, levert de overdracht moeilijkheden op, speciaal
indien -in de vennootschap onroerend goed aanwezig
is”;
,,Tevens wordt hiermede wellicht bereikt……
,,Ten aanzien van den commanditair is dit dubieus”;

92

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 Februari 4944

,,In de litteratuur wordt dit betwist”.
Ook elders in het werkje blijkt, dat men in de lehandelde
stof tal van rechtsverhoudingen aantreft, waaromtrent
met geen enkele zekerheid valt te zeggen,hoe de civiele
c.q. de fiscale rechter bij geschil erover zal oordeelen.
Als ik mij er toe zet om opmerkingen van juridisch-
technischen aard, waartoe het werkje mij aanleiding geeft,
neer te schrijven, dan kom ik voor hetzelfde probleem te staan, als waarvoor de schrijiers stonden. Is het mogelijk
de soms zeer subtiele rechtskwesties, civielrechtelijke
zoowel, als fiscaalrechtelijke, die zich hier voordoen, te
behandelen, zoo, dat ook de niet juridisch geschoolde
lezer e iets aan heeft? Ik geloof, dat zulks zeer moeilijk
is, omdat de geschilpunten, die in deze de aandacht van
de rechtswetenschap hebben, diep steken, om het zoo
eens te zeggen. –

De commanditaire Qennootschap.

Neem,ik. daartoe als voorbeeld liet bekende arrest va
denhloogen Raad d.d. 4 Januari 1937 (N.J. 1937, No. 586),
waaraan ook de schrijvers zeerterecht de noodige aan-
dacht besteedden. Kort samengevat komt dit arrest hierop
neer: volgens den H. R. is er bijeen c:v. me.t één beheeren-
den vennoot geen gemeenschappelijk eigendom en geen. afgescheiden vermogen. Den juridisch niet geschoolden
lezers van dit blad zal dit weinig zeggen. Het wordt er
niet beter op als men stelt, dat de H. R. daarmede beslist
heeft, dat ons wettenrecht de openbare c.v. niet kent’ en
alleen de zgn. stille vennootschap 3).

Iets meer begrip zal men vermoedelijk bijbrengen als
men stelt, dat de 11: R. daarmede heeft uitgemaakt,
.dat de commanditaire vennooten geen vennooten, maar
schuldeischers met winstrechten zijn en de beheerende
vennoot de eigenaar is van het in gemeenschap gebrachte
vermogen. Dit zal men aanvoelen, maar ook de conse-
quenties ervan? De belangrijkste civielrechtelijke conse-
quentie is, dat de privé-schuldeischers vn den behee-
renden vennoot dezelfde rechten als de zaak-créditeuren
en de commanditaire vennooten hebben. M.a.w., neemt
men als commanditaire vennoot deel in een c.v., waarvan
de beheerende vennoot een gd koopman
is,
die in zijn
privé-leven nogal gemakkelijk zijn geld uitgeeft of’siecu-leert (in feite een nogal voorkomende figuur), dan kunnen
de commanditaire vennooten en ook de zaak-crediteuren
daarvan de dupe worden. Een weinig aantrekkelijke
positie, vooral als men daarbij bedenkt, dat die privé-
schulden vn den ‘beheerenden vennoot kunnen ontstaan uit onrechtmatige daad (bijv. aanrijdiiig), dat er bij hü-
welijksmoeilijkheden van den beheerenden vennoot man-
taal beslag kan worden gelegd op de activa’der vennoot-
s.chap e. d.Ik vermoed, dat een advocaat of een notaris;
die een cliënt, die hem komt raadplegen over zijn,positie
als kcommanditairen vennoot, op deze consequenties wijst,
(îen cliënt den schrik’om het hart doet slaan.
Direct• dringt zich hier de vraag op, of partijen in hun
vennootschapscontract kunnen overeenkomen, dat er’
wel een extern afgescheiden gemeenschappelijk vermogen
zal zijn. Men kan argumeliten voor een bevestigende be-
antwöording aanvoeren, maar er kan op grond van het
arrest van 4 Januari 1937 ook anders ov’er gedachtworden.
Voor een practisch denkend koopman isdeze twijfel reeds
voldoende om
1
naar een andere, meer zekerheid biedende
oplossing te oeken.
Welke zijn voorts de consequenties vah het arrest
bijeen cv. met meer beheerende vennooten? Dan is er in
elk geval wel e m
en afgescheiden zaakverogen, want de
beheerende vennooten vormen onderling een v.o.f., die,
naar vrijwel algetneen wordt aangenomen, en sinds 1889
vaste rechtspraak is, een afgescheiden vermogen heeft,
waartoe dan uiteraard ook behoort datgene, wat de corn-
manditaire vennodten inbrachten. Maar welke zijn dan

‘) Men mag zih afvragen, of het wel verantwoord is hier nog

te spreken van een vennootschap.

de rechten
vd
die commanditaire vennooten? Zijn zij.
mede-eigenaar van dat . afgescheiden vermogen of louter
schuldeischers met winstrechten? Ik vermoed in de ge-
dachtengang. van den H. R. louter schuldeischers.
Wat is voorts de juridische draawijdte van een in de
c.v.-acten veelal voorkomend ‘voorschrift, dat -voor
bepaalde beschikkingshandelingen (b.v. verkoôpen van
onroerend goed; transacties, waarbij een geldbedrag be-
trokken is, dat een bepaalde grens te boven gaat, enz.),
de toestemming vai’i de commanditaire vennooten noodig
is? Heeft zoo’n voorschrift externe .werking of slechts
interne werking? M. a. iv., is een verkoop van ‘een Von-
roerend goed door een beheerenden vennoot zonder de vereischte toestemting nietig of geeft dit slechts aan de
commanditaire vennooten een persoonlijk recht op schade-
vergoeding jegens den beheerenden vennoot, dié aldus
handelde? Ik ben geneigd aan te nemen, dat de laatste
opvatting het iieest in de lijn van de redhtspraak ligt.
.Voor een commanditairen. vennoot een verre van aan-genaam vooruitzicht, want het zal soms .lastig zijn den
rechter de grootte van de geleden schade duidelijk te
maken. (Zou de rechter hierbij op. het bestaan van een
zwarte markt met zwarte prijzen mogen letten?) Neem
ik eens aan, dat de commanditaire vennoot er in slaagt
een bevredigend bedrag als ‘sôhadevergoedig toegewezen
te krijgen, dan krijgt hij dus geld van – of ieen (soms
ten deele oninbre) geldvordering op – den beheerenden
vennoot, maar het kostbare actief is men kwijt. In het
huidig tijdsbestek stellig geen bijster aanlokkelijk voor-
uitzicht.
Zoo valt nog op tal van civielrechtelijke vraagstukken
te wijzen, waaromtrent gèen enkel jurist met, zekerheid dé oplossing, die de’rechter er voor zalgeven, als ej’ over
geprocedeerd moet worden,
z,kl
kunnen voirspellen.

De c.o. en het fiscale recht; de ‘zgn. stillè ç.’ennoot. •

Maar ook fiscaalrechtelijk tast nen t. a. v. de positie
van den commanditairen vennoot in het duister. 1-leeft een niet-]unist met belangstelling en begrip voor vraagstukken
als de onderhavige zich begrippen als afgescheiden ver-
mogen, rechtspersoonlijkheid, stille ven noot, e. d. eenigs-
zins eigen gemaakt, dan
,
zal hem, alshij ook den Leidraad
op de Inkomstenbelasting, eens heeft doorgenomn,. in
het geheugen zijn blijven hangen, dat de fiscale positie
van den stillen vennoot niet ongunstig i. Ieze toch wordt
geacht niet opbrengst van een bedrijf (art. 17 I.B.) te
genieten, maar opbrengst van oerend kapitaal (art. ’31 lid 1. sub ‘1). De consequentie daarvan is o. m., dat de’
stiffé vennoot niet aangeslagen wordt voor de reserves,
die de vennootschap maakt. Lunenberg wijst daarop
ook op pag. 73 en 74 en legt daar den vinger op een door den huiidigen fiscalen wetgever stellig niet gewilde con-sequentie, t.w. dat de stille vennoot niet in de inkomsten-
belasting betrokken wordt voor db open reserves, die
de cv. vormt, voordat die. reserves aan hem uitgedeeld worden (bijv. eerst bij de liquidatie). M. a. w., de ‘stille
vennoot zou in de gelegenheid, zijn belastingvrij reserves
te vormen, zooals onder de vigueur van de div.- entan-
tièmebelasting mogelijk was, een figuui, die niet geheel
ten oireéhte vroeger tot veel critiek aanleiding heeft
gegeven.
Verderop in het werkje, op, pag. 116, waar beide schrij-vers vermoedelijk aan’het woordzijn, wordt er m. i. terecht
op gwezen, dat ‘de stillp vennoot niet lang van deze fiscale
gunst zal genieten. Vermoedelijk verwachten de schrijvers,
dtit er op dit punt een wijziging zal
komen.:
De vraag
mag gesteld worden, of partieele wijziging van de inkom
;

stenbelasting liervoor wel hoodig is, en of niet aangenomen
mag worden, dat het fisçale begrip ,,stille vennoot” dus-
lanig geïnterpreteerd. moet worden, dat een vennoot,
hoe stil hij civielrechtelijk ook moge zijn, fiscaalrechtelijk
niet als stille vennoot mag worden beschouwd’ als hij
recht heeft op de open reserves. In het Besluit op de

/

16 Februari 1944

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

93

Inkomstenbelasting wbrdt de stille v’ennoot negatief om-
schreven, ni. als degene, die eén aandeel in de winst
geniet,
elk aandeêl hij niet geniet als winst in den zin van art. 17.
Krachtens art. 17 ‘wordt een belastingplichtige geacht
winst te genieten als het bedrijf voor zijn rekening wirdt
uitgeoefend. Men moet den Leidraad ter hand nemën om
na te gaQn, wat de wetgever daaronder heeft villen. ver-
staan. In”par. 26 wordt daarvoor als criterium gegeven:

mede-gerechtigd zijn tot het bedrijfsvermogen ,,en dus ook
ktot datgene, wat van, het standpunt der vennootschap
.bezien tot de stille reserves behoort”. In par. 36 wordt
op ,deze kwestie teruggekomen en vermeld, dat de stille
vennoot zich onderscheidt ,,van den gewonen vennoot,
die winst ‘geniet, en van den commanditairen vennoot,
die – althans tegnover zijn medevennootén – meIe-
– eigenaar van het bedrijfsvermogen is en dus evenzeer
vinst geniet”.

Hier wordn dus twee criteria gegeven, die mi. niet
dezelfde zijn: eenerzijds ,,mede-gêrechtigdheid tot het
bedrijfsvermogen” en anderzijds ,,mede-eigenaar– althans
tegenoyer zijn medévennooten .- van het bedrijfsver
mogen”. (De bewoording, waarin het tweede criterium ver-
vat is, doet vermoeden, dat den schrijver yan den Leidraad
bij die formuleering het arrest van 4 Januari 1937 voor
den geest stond). Het eerste criteriim is economisch ge-
oriènteèrd; men behoeft geen mede-eigenaar (ook niet
in de beperkte beteekenis van ,,intern” mede-eigenaar)
te zijn om deelgerechtigd te zijn tot de still reserves; het tweede criterium is juridisch georihteerd. (Ik laat
onbesproken de vraag, hoe men zich juridisch zo’n intern
‘mede-eigendom te denken heeft en of de H. R. die-bij,
de c.v. aanwézig acift). – –

De intérpretaten oan de nieuee belastingbesluiten.

• . De ‘teidrad is weliswaar -een belagrijk ambtelijk
geschrift, maarbindende kracht heeft hij niet. Het is geens-
zins uitgesloten, dat•de rechtspraak zijn .eigen weg zal
gaan en het fiscaalrechtelijk begrip ,,stille vennoot” eco-

nomiscl zal interpreteeren. De kans lijkt mij dan groot,.
dat een civielrechtelijke stille vennoot. (en dat zijn bij de bestaande rechtspraak misschien wel alle commanditairo
vennooten), die medegerechtigd is tot de open reserves
der c.v., fiscaalrechtelijk geacht zal worden geen stille vennoot te zijn.. Deze kans lijkt mij daarom groot,odat
ik mij nauwelijks kan vo6rstelIen dat de belastingkamer
van den H. R. het zal toelaten, dat het weer mogelijk
zal worden, ‘vrij van belasting, reserves te vormen.

Het duister, waarin’ het fiscdalrechtelijke begrip ,,stille
vennoot” gehuld is, leidt er onwiliekeurig toe, over de ooste-
lijke grenzen te kijken, omdat onze nie.Îwe inkomsten-
belasting
,
een zekére gelijkenis vertoont met de Duitsche
,,Einkommensteuer”. Wat dit betreft, meen ik goed te
doen de aandacli,t van de lezers van dit tijdschrift te
vestigen op het zeer lezenswaardige onderschrift van Mr. Prinsen in het ,,Weekblad der Belastingen” dd. 1
Januari 1944 ondèr een polemiek,. die in dat tijdschrift
gevoerd is over .de interpretatie van het ‘Besluit op de
Ondernemingsbelasting. Een der polemiseerende schrijvers.
baseerde zich voor de interpretatie van dat besluit uit
sluitendi op de Duitsche r’echtspraak. Zeer terecht wijs? Mr. P., die, naar bekend is, een belangrijk aandeel heeft
gehad in het totstandkomen van het desbétreffencie
besluit, er op, .dat het .niet aangaat het Besluit op de
.Onddnemingsbelasting te interpreteeren aan de hand
van Duitsche rechtspraak en vakliteratuur, omdat, niet-
tegenstaande de gelijkenis tusschen dit Besluit en de
Duitsche ,,Gewerbesteuer”, het Besluit op de Ondeç-

nemingsbelasting daarvan geen vertaling is. ,,Het kan
uiteraard uit een wetenschappelijk oogpunt van belang
zijn,” aldus Mr. P., ,,kennis e nemen van buitenlandsche doctrine en rechtspraak, doch men. vergete nimmer, dat
deze niet meer dan instructieve waarde heeft. . Een’ Nederlandsch besluit met in verband met de hier te

lande heerschende inzichten en bestaande feitelijke orn
standigheden vorden uitgelegd; buiténlandsche recht
spraak en administratieve -beslissingen hebben daarvoor
geen dwingende kraht”

Dit lijkt mij ook geheel van toepassing op onze nieuwe
inkomstenbelasting en stellig wat betreft het onderdeel,
dat het onderwerp is van dit artikel. Het Duitsche ven-
nootschapsrecht heeft, hoe autonoom het belastingrecht
ook moge zijn, op de Duitsche belastingverordeningen en
rechtspraak een grooten invlod. Het Duitsche vennoot-
schapsrecht wijkt van het onze te veel af dm niet met
groote voorzichtigheid bij het raadplegen van fiscale recht-
spraak daar te lande te wei-k te gaan.

Ik geloof zelfs,’ dat de moeilijkheden, waarop’ men,
hier te, lande thans stuit.bij de keuze van ,de juiste onder-
nemingsvorm, voor een groot deel veroorzaakt zijn door
het feit, dat men met te gering begrip voor de Neder-
landsche toestanden het belastingrecht naar Duitsch voor-
,beeld heeft omgebogen. ‘ –

Raadpleegt men, met de reserves h het voorafgaande
-vervat, de Duitsche rechtspraak en.liteiatuur mét be-
trekking tot het begrip ,,stille vennoot”, dan blijkt, dat het
fiscale begrip ,,stijle -vennoot” sterk economisch georiën-
teer is’. ,,Stille vennoot” . is degene,’ die niet ,,Mitunter-
nehmer” is; de vraag 6f ,,Mitunternehmerschaft” aanwezig
is, ,,ist nicht nach rechtlichen, sondern nach wirtschaft-

lichen Gesichtspunkten zu éntsabeiden” (RSt.Bl. 33,
pag. 990). Het fiscaalrechtelijke begrip ,,stille vennoot” is dus een caoutchouc-begrip.

De c.o. op a2ndeelen.

.

..

• – Uit het voorafgaandé moge

blijken, dat het civiel-
rechtelijke begrip ,,stille vennoot” niet dekt het fiscaal-
rechtelijke begrip. Ook het civielrechtelijk begrip c.v. op
aandeelen dekt niet, het fiscaalrchtelijk begrip; ook
schrijvers wijzen daarop. Civielrechtelijk,wordt ter onder-
scheiding van een c.v. op aandeelen, gewoonlijk (ons wet-
boek kent de c.v. op aandeelen niet!) een formeel criterium

aangelegd, t.w. he aLof niet verdeeld zijn van het kapitaal
in gelijke deelen, zooals dit bij de n.v het

geval is. Fis-
caalrechtelijk tastte men oorspronkelijk in het duister,
wanneers een c.v. al of niet als een cv. op aandeelen
moet worden aangemerkt, hetgeen van groot be-
lang is, daar een c.v. op aandeelen aan de v,n-
nootschapsbelasting onderhevig is. De Eerste Aan-
vullingsbeschikking Vennootschapsbelasting (en niet de
Eerste Uitvoeringsbeschikking, zooals Lunenberg abu-
sievelijk op pag. 82 vermeldt) bracht de gewenschte zeker-
heid door in art. 1 lid 2 voor te schrijven, dat onder een
cv. op aandeelen voor de toepassing van de vennoot-
chapsbelasting -verstaan moet worden een cv., waarbij
– toetreding of vervanging van commanditaire vennooten
anders dan krachtens vererving of legaat kai plaats
vinden, zonder uitdru)kelijke toestemming van alle ven-
‘nooten, beheerende zoowel als commanditaire. Hier wordt
dus een materieel criterium gegeven, waarbij m.i. terecht
de scheidingslijn getrokken is over het al of niet over-
heerschen van het persoonlijk element ten, opzichte .van
het kapitaalelement.
Het Besluit op de Dividendbeperking, dat ook op de cv.
gp aandeèlen van toepassing is, kent geen omschrijving
van het begrip c.v. op aandeelen. Lunenberg trekt daaruit
de conclusie, dat hier dan het civielrechtelijke 6riterium
noet worden aangelegd: Hij kan gelijk hebben; maar ik
zou toch zeer bevreesd zijn een cv. op aandeeln, in den
zin van het Besluit op de Vennootschapsbdlasting, met een
aandeelenkapitaal grooter dan f 500.000,—, het advies
te geven zichV van lIet Dividendbeperkingsbesluit
0
niet
aan te trekken. • –

In een volgend artikel zullen eenige ndere in het
onderhavige werkje aangeroerde punten worden behandeld

Mr. Dr. E. TEKENBROEK.

94

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 Februari 1944

INGEZONDEN STUKKEN.

COÖRDINATIE VAN LAND$OUW- EN INrnJSTRIEPOLITIEIC.

Ir. A. Vondeling schrijft ons:
In de ,,E.-S.B.” van 15 en 22 December 1948 heeft
-Mr. P. A. Blaisse onder bovengenoemden titel belang

wekkende beschouwingen gegeven over de sinds 1933
gevoerde overheidspolitiek met betrekking tot het eco-
nomische leven. Op een belangrijk punt van zijn betoog
is hij echter het slachtoffer geworden van een onjuistheid
in één van de geraadpleegde bronnen. Wij bedoelen de
studie van Ir. Stevens, aangehaald op bladzijde 408,
tweede kolom, en verschenen als No. 174 van de publi-
,caties van het Nederlandsch Insti.tuut voor Efficiency.
Ir. Stevens geeft hierin kostprijsberekeningen van melk,

gewonnen op verschillende boerderijen in de zeeklei-
‘gebieden van ons land in het boekjaar 1935—’36, en
komt tot de conclusie, dat de kostprijs toeneemt met een
stijgende melkopbrengst per koe aan de hand van de
volgende cijfers:

Productiekosten

Aantal
Melkopbrengst

excl. arbeid ‘ boerderijen
per koe

bedrijfsleider i

3.500-4.000 kg
….

4,00

7

meer dan 4.000 kg ..

4,03

10

minder dan 8.500 kg

8,59

11

Daar wij in een niet-gepubliceerd onderzoek tot andere
resultaten kwamen, is de berekening van Ir. Stevens
door ons gecontroleerd, uitgaande van hetzelfde grond-
materiaal. Het bleek ons toen, dat een storende fout was
blijven staan. Wij laten de juiste cijfers hier volgen:

minder dag 8.500 kg

4,00

7

3.500-400 kg
….

4,03

10

meer dan 4.000-kg

3,59

. 11

De conclusie van Ir. Stevens had dus moeten luiden,
dat er een tendens bestaat in de richting van dalende
kosten bij toenemende melkopbrengsten per koe. Deze
conèlusie zou echter evenmin geoorloofd zijn geweest, daar Ir. Stevens bedrijven uit verschillende streken van
ons land heeft sametgebracht. Bovendien zijn van de 16 onderzochte bedrijven met een melkopbrrngst van meer
dan 4.000 kg per lte 5 schijnbaar zonder redenen buiten
de berekening gehouden: l’iadden alle 16 bedrijven tot
de berekening van den gerriiddelden kostprijs bijgedragen,
dan hhd het resultaat niet 3,59 moeten zijn, doch 3,90

cent/kg.
Ook op andere plaatsen van de studie vn Ir. Stevens
zijn fouten in de berekeningen gemaakt, zoodat rien goed doet dit cijfermateriaal met voorzichtigheid te gebruiken.
Het is hier niet de plaats deze gebreken aan het licht te
brengen
1)
‘Wel meenen wij goed te doen er op te wijzen,
çlat uit boekhoudkundig materiaal, vePza,neld in de jaren

1937, 1938, 1939
en
1940,
duidelijk ‘blijkt, dat met het toe-
nenien van de melkopbrengst per hoe de kostprijs van een
kg melk daalt.
De Regeering had het dus bij hef.rechte
eind, toen zij verkondigde, dat een b,eperking van de
melkproductie met toenemende kosten per kg melkve’
gepaard zou gaan. Zij kon dit echter destijds niet aan
de hand van cijfers uit de practijk duidelijk maken. Pas
omstreeks 1937 kon zij beschikken overeen gering aantal
tamelijk deugdelijke kostprijsberekeningen van melk. Om
onze bewering te staven volgen nog enkele berekeningen
over lt boekjaar 1 939—’40 (zie bovenaan volgende kolQm).
In de weidegebieden van Utrech’t en Zuid-Holland is
de tendens gelijk gericht, alhoewel de verschillen daar
dikwijls minder groot zijn, mede tengevolge van de methode
van bprekening, welke afwijkt van het systeem, beschreven
S
‘) In een pub1ictie van mijn hand zal één en ander uitgebrei-
der worden aangetoond.

Bedrijven; gelêgen in de klei-weidestreek van Friesland:
Kostprijs per
Opbrengst per

koe in kg melk kg op bedrijven van:

Aantal
,

bevattende

30 ha en

bedrijven

3,3 % vet

20-30 ha

grooter

beneden 4000

5,93

5,56

.
7

7

4.000-4.500

5,26

5,25

18

11

boven 4.500

4,77

4,78

12

10

Een aantal bedrijven van 20-30 ha, gelegen in Over-

ijssal, geeFt het volgende beeld:

beieden 3′.250

1

6,04

6

3.250-3.750

5,45.

14

boven 3.750

5,35

7

door Ir. Stevens in zijn reeds genoemde publicatie. De
door den bedrijfsleider zelf verrichte handenarbeid is o.a.

tegen kostprijs gewaardeerd en in de berekeningen over
de laatste drie boekjaren opgenomen. Deze berekeningen
werden uitgevoerd door den Accountantsdienst yan het
Departement van Landbouw en Visscherij met mede-
werking van de ‘Afdeeling IIB van de Directie van den

Landbôuw.
Daar zich ook het Landbouw-Economisch Instituut
reeds enkele jaren .op het terrein van de kostprijsbereke
ningen van landbouwproducten heeft bewogen, is het
vrijwel zeker, dat de lacune, waaröver Mr. Blaisse spreekt op bladzijde 409, eerste kolom, zoodra meer normale ver-
houdingen zijn ingetreden, zal zijn opgevuld. Dat deze
lacune véôr 1937 heeft bestaan, willen wij hiermee niet
ontkennen. Of deze leègte in de industrie geheel ontbrak
of eventueel spoedig zal ontbreken, betwijfelen wij echter
ten zeerste, gezien het karakter van de industrieele pro-
ductie met haar groote rivaliteittisschen de bedrijfs-

genooten. Deze rivaliteit en de uitvloeisels daarvan zullqn
tevens wel mede van invloed zijn geweest op het feit,
dat een ,,steunverleening”, als voor den landbouw heeft
gegol’den,, destijds nog niet in de industrie kon worden
toegepast.

V’ndeze gelegenheid zou ik nog gaarne gebruik maken
om te wijzen op enkele onvolkomenheden in het’ betoog
van Mr. Blaisse, die uitgaat van de m.i. juiste stelling,
dat de economische politiek moet trachten te komn
tot een zekere evenwichtigheid in de bescherming van
heterogene belangen, uit rechtvaardigheidsoverwegingen

èn ter ‘verzekering van een harmonische ontwikkeling.
De schrijver meent, dat de Overheid hierin niet is geslaagd.
VöÔr 1940 niet, doch vooral tijdens den oorlog niet. In
beide perioden zou de landbouw ten opzichte van de
industrie bevoorrecht zijn. V66r het uitbreken van den
oorlog vooral, omdat de productie van denlandbouw
niet werd ingekrompen, en thans, omdat de geldelijke
inkomsten te hoog zouden zijn en het keurslijf van voor-
schriften te los geregen. Althans, zoo meen -ik den ge-1 achtengang van den schrijver wel kortweg te mbgen

formuleeren. ‘
Ik zou hieromtrent gaarne het volgende willen opmer-
ken, zonder daarmee het overheidsbeleid te willen goed-

keuren:
• le. Inkrimping van de landbouwproductie zou de werk-.
gelegenheid hebben verminderd en de reeds groote werk-
loosheid ten plattelande hebben doen toenemen.
2e. Door de inkrimping in een tijd van permanent
oorlpgsgevaar zou de voedselvoorziening tijdens een te
verwachten oorlog zeer moeilijk worden. Het is •thans
voor ons volk ‘waarschijnlijk een geluk, dat bij het uit-
breken van den oorlog de landbouw nog ,zoo intensief

werd beoefend. ‘
Be. Tengevolge vân een productieverlaging zou de

16 Februari 1944

ECONOMISH-STATISTISCHE .BERICHTEN

95

agrarische stand met een nog lager levenspeil genoegen
hebben moeten nemen dan reeds het geval was.
Om vast te stellen, welke bedrijfstak, landbouw of
industrie, het meest door de depressie is getroffen, gaat
Mr. Blaisse het verloop van de bijdragen tot het nationaal
inkomen ,na van 1929 af. Van belang is echter ook, hoe
hoog dat inkomen aan het begin van de periode per in-
komenstrekker was, hoe het verdeeld was over de groepen

(Staat, kapitaalverschaffer, ondernemer, arbeider) en hoe
die verdeeling zich in de periode wijzigde. H’et wil mij

voorkomen, zonder daarvoor op zoo korten termijn deug-
delijke cijfers te kunnen geven, dat een Vergelijking, tus-
schen landbouw en industrie niet ten gunste van eerst-

genoèmde zoü uitvallen.
4e. Dat in den landbouw zoo sterk is ingegrepen, vooral
wat de prijszetting betreft, terwijl Mr. Blaisse meent (ten
onrechte!), dat de industrie zich op dit punt zelf maar
moest zien te redden, komt vooral voort uit de omstan-digheid, dat hetmarktmeehanisme voor agrarische pro-
ducten – die aan een zeer onelastische vraag onderhevig
zijn – veel slechter werkt dan’voor industrieele produc-
ten. Het inkrimpen van de productie gaat in den landbouw
ook veel ,,moeilijker” dan in de meeste takken van in-
dustrie. Het braak laten liggen of onvoldoende bewer-ken ‘van land doet dit direct geweldig in waarde dalen.

Dit wat de vooroorlogsche politiek betreft. Het betoog
van Mr. Blaisse over de thans tusschen landbouw en
industrie bestaande tegenstelling zal velen toch wel
verrat hebben. Het is geheel onjuist te meenen, dat het keurslijf
van bepalingen en voorschriften in denlandboüw eenigs-
zins losser geregen zou zijn sinds de bezetting. Het tegen-
deel is natuurlijk waar! Mr. Blaisse gaat kennelijk weinig
den boer op1
In de veehouderij heeft men bijv., evenzeer als in de
industrie, te maken met gebrek aan materiaal, leegloop,
kostprijsberekeningen, die het maken van winst uitsluiten•
(vleeschprijzen!), enz. Men denke toch niet te licht over
de moeilijkheden van den kleinen veehouder, die vroeger
zijn arbeidskracht productief trachtte te maken door het
houden van kippen en varkens en het zeer intensief voeren van de n?elkveehouderij. Wel zijn de prijzen van vele pro-
ducten sterk verhoogd (ongeveer verdubbeld), doch hier•
staat tegenover een geweldige daling van den omzet en
een inkrimping van het.reëele kapitaal, dat in de ,,E.-S.B.”
van 22 Dec. ji. op t 531 milli9en werd geschat: Er is
geen sprake van, dat, ‘met name de agrariërs op de van
nature onvruchtbâre gronden, een groot-inkomen hebben,
afgezien van de enkele zwarte broeders. Mr. Blaisse besluit zijn artikel met den wensch, dat
in de toekomst industrie en landbouw tot op zekere hoogte
volgens dezelfde principes gereguleerd mogen worden en
mede daardoor den steun aan den één zoo niin mogelijk
ten koste van den ander kômt. Wanneer hij daarmee
bedoelt, dat in de toekomst aan alle deelnemers in doel-matig ingerichte industrieele en agrarische bedrijfshuis-
houdingen een behoorlijke en niet al te zeer uiteenloopende
belooning moet worden gewaarborgd, dan zijn wij
het eens. De vooruitgang zal dan echter op het platteland
relatief.het grootst worden.

-,

Een onjuistheid, welke niet zoo zeer terzake doet, is
de meening, dat sinds tientallen jaren zich hier te lande
een tendens tot verkleiningvan de bedrijfseenhèid in den
landbouw zou voordoen (blz. 406, tweede kolom). Niet alleen is de gemiddelde oppervlakte van het landbouw-
bedrijf in de laatste twintig jaar iets toegenomen, doch de,
bedrijfsgrootte is ook door stijgende intensiteit aanzien-
lijk in positieven zin beïnvloèd. Dr. Hofstee heeft over
het verloop van den bedrijfsomvang, gemeten

naar de
oppervlakte, sprekende cijfers gegeven in het ,,Tijdschrift
voor Economiche Geografie” (Jrg. 33, No. 2 en 8;
Jrg. 34, No. 1).
31 December 1943.

Naschrift.

Het eerste -deel van de beschouwint van Ir. Vondeling
richt zich niet tegen schrijver dezes, maar tegen de pu-
blicatie van Ir: Stevens. Weliswaar heb ik deze publicatie aangehaald, maar meer bij wijze

van illustratie, teneinde
de onzekerheid, welke er ten aanzien van dit onderdeel
van het kostprijsvraagstuk bestaat, in het daglicht te
stellen en uiteraard zonder een eigen meeningovei’ dit
zeer gecompliceerde technische probleem te pon&eren.
Het is mij dan ook niet duidelijk, hoe Ir. Vondeling er
toe komt de conclusie van Ir. Stevens voor een ,,belangrijk
punt van het betoog” aan te zien. Ik zou integendeel
willen stellen, dat het voor mijn beschouwingen onver-schillig is, of Ir. Steyens dan wel Ir. Vondeling -in deze
materie het gelijk aan zijn zijde heeft,
mits
zulks maar onomstootelijk wordt vastgesteld en uit het wetenschap-pelijk onderzoek een vaste richtlijn voor de Regeerings-
politiek wordt geboren. Dat men op het oogenhuik hier te lande nog steeds niet zoo ver is, schijnt ook Ir. Von-
deling niet te willeil ontkennen. Er bestaat hier een achter-
stand op het gebied van het kostprij9onderzoek in den
landbouw. Ir. Vondeling en ondergeteekende zijn het
dus eens ten aanzien van de wenschelijkheid deze lacune
op te heffen en gaarne zij acte genomen van zijn meening,
dat wij bij herstel der normale verhoudingen zoo ver zullen
zij n.
Zonder uiteraard te willen bewereh, dat de industrieele
kostprijanalyse over het geheele gebied de volmaaktheid
héeft bereikt, geloof ik toch wel, dat strijdvragen als de
onderhavige op industrieel terrein geen langen levensduur
zouden hebben, daar zij al heel spoedig aan.de
hand van
,cijfers zouden kunnen worden beslecht. Ik kijk eenigszins
op van het vermoeden, door Ir. Vondeling uitgesproken,
dat de onderlinge rivaliteit in de industrie mede is ver-
antwoordelijk geweest voor het dualisme in de economi-
sche politi1. Tot nog toe was er
Pl.
van ‘landbouwzijde
steeds op gewezen, dat de landbouw achterstond bij de industrie met haar sterke kartelleering. Vandaar, dat de
landbouw behoefte had aan een steunverleening, welke
dit verschil zou compenseeren. Ook de Commissie van
Loon heeft zich – mi. ten onrechte – vatbaar getoond
voor dit argument. Alvorens op de vier punten in te gaan, welke Ir. Von-
deling ontwikkelt in zijn ‘verder betoog, wil ik er nog
even op wijzen, dat zijn résumé ons standpunt niet geheel
recht doet wedervaren. Dezerzijds bestaat niet de meening,
dat de landbouwinkomsten ,,te” hoog zijn en het keurslijf
van voorschriften ,,te los” is geregen. Slechts heb ik willen
laten uitkomen de onevenwichtigheid, welke er tusschen
landbouw en industrie was geschapen. –
Wat nu betreft de afzondelijke punten van .Jr. Von-
deling het volgende:
De inkrimping van de landbouwproductie zou de
werkgelegenheid in den landbouw inderdaad hebben
verminderd. Hoe ernstig ook, toch moet worden bedacht,
dat men bi de industrie zeer bewust niet voor deze con-
– sequentie is teruggeschrokken, indien men om andere
redenen een handhaving van het productiepeil niet mo-
gelijk of wenschelijk acTitte. Voorts valt niet te ontkennen,
dat in bepaalde gevallen de industrieele werkgelegenheid
is opgeofferd aan de agrarische.
lnderdaad heeft ons volk, achteraf gezien, hier en
daar geprofiteerd van de uitbreiding van den landbouw.
Dit is, laten wij eerlijk zijn, niet de opzet geweest. Met
uitzondering misschien van de laatste jaren vÔôr den
oorlog, heeft een dergelijke opzet bij het voeren van de
• landbouwcrisispolitiek niet doelbewust vooropgestaan.
Ware dit niet zoo, dan zou men ten aanzien van een be-
langrijk onderdeel als de veehouderij, als ook de pluimvee-
stapel, waarvan van tevoren kon worden vastgesteld,
dat zij in oorlogstijd.haar
tude
peil niet zou kunnen hand-
haven, w1 een geheel anderen koers hebben gevolgd.
Ook ik beschik niet over cijfers, als hier door Ir. Von-
S

0

4

S

96

ECOlTOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 Februari 1944

MAANDCIJFERS

EMISSIES irN` IANUARI 1944 (CENTRAAL J3UREAU VOOR DE STATISTIEK).
Aand.
obl.
cony.

. .

Naam
Groep
Emittent
Rente

Koers
Nom. bedrag
Reëel bedrag

Aand .,,De
Wereidhaven”
Diversen
,,De Vereldbaven”

100
t

500.000
t

500.000 Conv.
l’ar. vfd. H. Theresia
Diversen
Flaagsche pankvereen.
34
100
365.000
,,

.

365.000
Conv.
Armbest. v/d. II. Willibrordus
Diversen
Haagsche Bankvereen.
34
100
535.000
,,
.

535.000
Aand.
Kunstzijdespinn. Nijrna
Industrie
Twentsche Bnk

150
,,

1.650.000
,,

2.475.000
Aadd.

Iloutli. v/h. v. Wessem en Co.
‘Handel
Robaver

.

135
200.000
,,

270.000
Obi.
Gein. Rotterdam
Gemeenten
Ned. Micldenstandsbanlc
34
,100
.,,

7.000.000
,,

7.000.000
Aand.
Visscherij Mij. Kennemerland
Diversen
Ingwerscn en Co.

130

.
,,

147.500
,,

191.750

Aanil.
totaal
.
,,

2.497.500
,,

3.436.750

Obi.
.
,,’

7.000.000
7.000.000 Conv.
.

.

.
900.000
,,

900.000
Totaal
.
,,

10.397.500
,,

11.336.750

deling bedoeld. Waar echter sinds enkele tientallen jaren

het accrés in den industrieelen sector grooter ileegde te
zijn dan in den landbouwsector, geloof ik niet, dat der-
gelijk oijfermateriaal veel aan onze conclusies zou kunnen
afdoen.
4. Speciaal in mijn tweede artikel ben ik breedvoerig
op het verschil in marktmechanisme en in aanpassings-

vermogen van de landbouwproductie ingegaan. Geen enkel
nieuw gezichtspunt wordt door Ir. Vondeling aangegeven.
Ik kan dit deel dus gevoegelijk laten rusten.
Op een belangrijk punt zou ik echter willen wijzen,
vooral op grond van de omstandigheid, dat ik de laatste
jaren, misschien meer
dan
vroeger, juist wel contact
heb met den agrarischen producent! Ir. Vondeling heeft
mijn bedoeling geheel verkeerd begrepen, indien hij leest,
dat het keurslijf van den landbouw sinds de bezetting
losser zou zijn géregen. Ik heb slechts tot uitdrukking gebracht, dat sinds den oorlog de druk op de industrie
veel meer is verzwaard çlan die op den landbouw en dat
dientengevolge de landbouw,
t’ergelekën bij de. industrie;
er
relatief
op is vooruit gegaan. Natuurlijk onderschat ik
• niet in het minst de moeilijkheden, waarmede onder de
huidige omstandigheden ook de landbouw heeft te wor-
stelen; de bedrijfsinkrimping, met nanie in de veehouderij,
heeft maar al te pijnlijke gevolgen. Zou men hem in dit
• opzicht op één lijn kunnen stellen met een groot deel
van de industrie, dan mag aan de andere zijde echter niet worden vergeten, dat er hiertegenover bij den landbouw,
althans gedeeltllijke, compensaties bestaan in den vorm
van aantrekkelijke’ prijszetting, scheurpremies, grootere
bedrijfsvrijheid, welke cpmpensaties de industrie ten
eenenmale mist.
Met db laatste sub b genoemde conclusie van Ir. Von-
delingkan ik mij voor een groot deel vereenigen. Het
streven na den oorlog zal inderdaad moeten gaai in de richting ‘n een rechtvaardige belooning van landbouw
en industrie. Is Ir. Vondeling het echter ook met mij
eens, wanneer ik stel, dat een gestèunde landbouw geen
aanspraak kan maken op een gelijke belooning als de
industrie, indien zulks zou gaan ten koste van de industrie,
wier na-oorlogsche ontwikkeling van de grootste betee-
kenis zal zijn voor de werkgelegenheid en de deviezen-
positie van ons land?
Van de discussie over het vraagstuk van de bedrijfs-
grootte in het. Tijdschrift voor Economische Geografie,
waarnaar Ir. Vondéling verwees, heb ik met veel belang-
stelling kennis genomen. Het, betoog van Dr. Hofstee,
die scherpzinnige argumenten aanvoert, is zeker belang-
rijk, al is hiermede het laatste Woord.nog niet gesproken.
Het zal mij wel niet euvel worden geduid, dat ik ten aan-
zien van deze kwestie heb gezeild op het kompas van de
kenners van de Nederlandsche landbouweconomie, zooals
Bordewijk, Frost en Minderhoud.

Mr. P. A. BLAISSE.

OVERHEIDSMAATREGELEN OP

*

.
ECONOMISCH GEBIED.

IL4NDEL EN NIJVERHEID

Tabak. Mededeeling inzake het verbod van uitvoer
voor tabaksproductensurrogaten naar Duitschland. (E. V.
No: 34; blz. 928).
Textiel. Beperking van de aflevering en verzending
van textie1productn. (E. V. No. 34; blz. 927).
Turf. Wijziging van de turfproductiebeschikking 1942.
(E. V. No. 34;- blz. 926).
Verpakkingsvoorschriften. Voorschriften inzake het ge-
bruiken van papier en carton voor verpakking van aan
verbruikers te leveren artikalen. (E. V. No. 34; blz. 921).
Verzekering. Verbod van assurantiebemiddeling voor
niet bij de betrokken bedrijfsorganisatie aangesloten
personen. (E. V.
No.
38; blz. 1040).

LANDBOUW EN VOEDSELVOORZIENING

Groenten en fruit. Beperking van het verzenden van

MAANDCIJFERS.

GECOMBINEERDE MAANDSTAAT VAN DE VIER NEDER-
LANDS CIIE GROOTE BANKEN EN VAN HET NEDER- LANDSC}IE BEDRIJF DER NEDEItLANDSCIJE
HANDEL-MAATSCHAPPII

Nedéri.
Nederi.
banken
Banken
en Ned.

(I

millioenen guldens)
Handel-Mij.

31
31
31.
31
Dec.
Jan.
1
Dec.
Jan.
1943
1944
1943
19411

Activa:
Kas, kassiers

en

daggeldieeningen
219
1008
272
1008
262
1194
329
1193

1227
1280
1453
152,

Ned. schatkistpapier

…………..

24
23 27 27
Wissels.
2
2 8
8
Ander overheidspapier

…………

Bankiers

n binnen- en buitnlad
68
68
90
91
i
……………………

Proing. en voorsch. op effecten.
34
31
45
43
128
124
170
169

.
136
135
173
172
12
12
20
19
Deelnemingen

(mci.

voorschôtten)
11
11
23
23

159
158
216
214

Gebouwen
………………
. .
13 13
17
17
Diverse reken.
(mcl.
oven. poste3)
1

1

Belegde bestemmingsrcserven

. .
1
1
1
1

Debiteuren

…………………..

13
13
13
13

Effecten en syndicaten
…………

Effecten leendepôt

…………….

1542 1589
1871
1936
Passlva:
1145 1178
1387
1441



Deposito’s

op termijn
………….
123
125
152
153

Crediteuren

…………………
Wissels

……………………..-

Kassiers en genom. daggeldleeningen
.-



17
.
29 23
33
.
3
1 1 1
Effecten

lendepôt

…………..
13
.

13
13

Diverse rekeningen
…………….
Bestemmingsreserven ………….1

1

..
1299
1346
1576
1641

Aandeelenkapitaal.

……….
….

.
170
170
210
210

Reserve

…………………….
73
73
85
85

1542 11589 1187111936

S

l.

16 Februari 1944

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

97

groenten en fruit, met name voor pakketzendingen van kleinhandelaren aan consumenten. Verordening inzake
den opslag van appèlen en druiven van den oogst 1943.
(E. V. No. 38; blz. 1037 en 1045).

Landbouw. Besluit hzake bestemming van pootaard-
appelen van den öôgst 1943. Met ingang van 1 Januari
1944 zijn de P.I.C.A.’s opgeheven, daar hun werkzaam-
heden zijn overgenbmen door de Aan- en Verkoop-
bureaux van Akkerbouwproducten (P.A.V.A.’s), terwijl
ook de Landbouw-crisisorganisaties per dien datum worden ogeheven. (E. V. Nos. 34, 36 en 37; blz. 936, 978 en 1010).
Sierteelt. Besluit inzake beperling van het als bedrijf
telen van en verhandelen van voortkweekingsmateriaal
van boomkweekerijewassen tot bij den Nederlandschen
algemeeden keuringsdienst voor boomkweekerijgewassen
aangeslotenen, met het oogmerk de kwaliteit ian boom-
kweekerijgewassen te verbeteren. (E. V. No. 35; blz. 964).
Suikerbieten. Vaststelling van de zgn. teeltpremies
voor suikerbieten op 1,4 kg per 1.000 kg geteelde en aan
de suikerfabrieken afgeleverde suikerbieten. Zooals bekend,
moet de helft van de toewijzing onder het oogstpersoneel
*orden verdeeld. (E. V. No. 35; blz. 964).

Surrogaten. Voor de bereiding van koffiesurrogaat
mogen vanaf 12 December 1943 volgens besluit van het
Departement van Sociale Zaken. wOrden gebruikt: gerst,
veldboônen, erwten, cichorei en/of witlofpeekofuie. In
afwijking van de vorige beschikking zlln thans eikels en
tulpebollen niet onder de bestanddeelen opgenomen. Het
plukken en verzamelen van bladeren is, onder bepaalde
voorwaarden, vrijgegelen met ingang van 25 October
1943. (E. V. Nos. 35 en 38; blz. 954 en 1045)..
Vee. Tijdelijke sluiting der rundveemarkten i.. v. m. de

STATISTIEKEN
STAND VAN ‘s
RIJKS
KAS.
orderingen

1
22
Jan. 1944 1 31 Jan.

Saldo van ‘s Rijks Schatkist

hij De Nederlandsche Bank
67.322.061,26
9.717.892,30
Saldo b. d. Bank voor Ned.
Gemeenten
449.144,33
970601,91
Voorschotten op ultimo Dec.
1943 aan de gem. verstrekt
op aan haar uit te keeren
hoofdsom

der

pers.

hel.,
aand. in de hoofdsom der
grondbel. en der gem. fonds-
bel., alsmede opc. op die be-
lastingen en op de vermo-
26.048.41 5,97
26.048.415,97
Voorschotten aan Ned.-Indi0′)
324.193.890,93
324.393.890,93.
Idem voor Suriname
‘)
8.703.340,08.
8.739.340,08
Idem voor Curaçao
‘)
95.986,55 97.986,55
Kasvord. wegens credietver-
strekking a. h.

buitenland
16.012.028,-
16.012.028,-

gensbelasting

………..

Daggeldleeningen tegen ondet’-


Saldo der postrek. van Rijks-
302.812.022,20
303.520.115,34

78 1

152.510.434.14

,JciI1ee,I Uw”
Schatkistbiljetten in omloop.

6.706.000,-
Schatkistpromessen in omloop
3.086.4 00.000,-‘)
Daggeldieeningen
Zilverbons in omloop

. . .
‘.
216.192.101,- Schuld op ultimo

Dec. 1943

…….-

aan de geih. wegens a. h. uit
te keeren hoofds.

d.

pers.
bel., aand. 1. d. hoofds. d. grondb. e. d. gem. fondsb..
alsm. opc. op die bel, en op de vermogensbelasting ..
.

Schuld

aan

het Alg.

Burg.
Pensioenfonds
‘) 3.367.587,86
Id.

aan het

Staatsbedr. der,.
650.080.333,91
Id.

aan andere Staatsbedrij-
P. T.
en
T.

‘)

………….

854.648,20
ven

‘)

…………………..
Id.
aan div. instellingen
1)

. .
1
,46.039.095,81

‘)
In
rekg.-crt. met ‘s Rijks Schatkist. ‘)
gebracht hij De Nederlandsohe Bank nihil.

December-inventarisatie. Regeling inzake af!fte van
geleidebiljetten voor schapen. (E. V. Nos. 35 en 36; b),z.
964 en 984).

Veevoeder. Vaststelling van de verordening ‘natte piilp,
1943, waarbij om. de inlevering aan het Bedrijfschap.
voor hooi, stroo en ruwvoeder wordt geregeld. (E. V.
No. 35; blz. 964).

Vlas. Besluit inzake het verplicht repelen van stroovlas
door teler en/of handelaar. (E. V. No. ,38; blz. 1045).

Voedselvoorziening. Bereidings- en af1veringsverbod
voor bouillon. Bekendmaking inzake strengere overheids-
maatregelen bij overtreding yan de voedselvoorzienings-
bepalingen. (E. V. Nos. 35 en 36; blz. 950 en 978).
Zaden. Besluit inzake h0.t ter beschikking houdtn van
het Bedrijfschap voor zaaizaad en pootgoed voor akker-
en wêidebouw van zaden ‘van groenvoedergewassen.
Bekendmaking van het Rijksproefstation voor zaadcon
r

trôle betreffende hoedauigheidseischen voor zaaizaden.
(E. V. Nos. 36 en 38; blz. 990 en 1037).

Zuivel. Verordeningen inzake consumptien%elkregeling
en melkstandaardisatie. Besluit inzake de be
,
voegdheden
van het Bedrijfschap voor Zuivel ten aanzien van de
uitvoering der Warenwet 1935, zulks o.m. in verband met
de overdracht van de consumptiemelkregeling van de
A.V.M. aan genoemd Bedrijfschap. (E. V. Nos. 36 en 37;
blz. 978 en 1010).

GELD-, CIIEDIET- EN BANKWEZEN EN ‘BELASTINGEN

Omzetbelasting. Mededeeling in-zake de hffing van de
omzetbelasting, vooroover een lager tarief van toepassing
is, met betrekking tot levering van het product grasmeel.
(E. V. No. 36; blz. 993).

DE NEDEI1LANDSCIIE BANK.
(Voornaamste posten
In
duizenden guldens)

Binnent. wissels,
Munt,
open markt pa pier,
Totaal
Data
munt mate-
beleeningen, voor-
Totaal
opeischb.
riaat en
schotten a/h. Rijk
activa
schulden
deviezen ‘)
en diverse
rekeningen ‘)

14 Febr.’44
4.405.825
146.046
4.620.999
4.463.971
7

,,

’44
4.345.594
148.422
4.564.741
4.410.601
31Jan. ’44
4.336.262
144.988
4.553.193
4.400.802
24

’44 4.277.620
145.646
4.492.726
4.431.668
17

,,

’44 4.223.864
151.469
4.447.407
4.298.622
10

,,

’44
4.280.231
143.678
4.396.066
4.250.078
3

’44 4.147.220
134.220
4.362.287
4.218.856
6 Mei

’40
1.173.319
248.256
1.474.306 1.424.016
S

Bankbiljel-
Saldi
Bankassig-

Schatkist-
papier
Data
ten in om-
in
natiën en
diverse
Saldo Rijk
R/C

(D/C)
rechts Ir.
loop
R/C
rekeninge

,

onder-
.
gebrachi

14 Febr.’44
3.682.381
’14
88.124
C.

123’044

7

,,

1
44
3.649.463
761.134 85.207
IC.
.124.480

31 Jan.

’44
3.620.110
780.535
83.573
C. 112.384

24

,,

’44
3.552.668
788.952
82.181
C. 153.609

17

,,

’44
3.527.932
770.646
79.903
C. 178.425
10

,,

’44
3.514.600
735.167
77.396
C. 192.228

3

,,

’44
3.511.514
.
707.131 74.691
1
C.

182.234

6 Mei

’40
1.158.1113
1
255.174
10.230
1
G.

22.962

‘)
Ingevolge de verordening 5811943 (d.d. 26 Juni) zijn de posten
,,Correspondenten in het buitenland” en ,,Buitenlandsche betaal-
middelen (excl. pasmunt)”, vOorheen begrepen in de Diverse
rekdningen”, vanaf 5 Juli opgenomen onder de buitenlaiidsche
.portefeuille, in onzen staat samengevat als ,,devie’zen”. –

GEZAMENLIJKE STATEN VAN DE NATIONALE BANK VAN
BELGIË EN VAN DE EMISSIEBANK TE BRUSSEL.
(in milI. Francs)

;;

i-

,
‘enE
,s
0
,
5

,w
c

a
-j
,s
4
.
0
G
.e
•.

0 0
b
Ç5
0
aow,
0
(5’0Ç5

27 Jan. ’44
IÏZ “öï’
WÏZ7
iTï’
4T3
5’5
5.138
20

’44
77.915
936
16.402
1.879
84.616 6.987
4.700
13

,,

’44-
77.724
829
17.0.28
1.936
84.433
6.978 5.285
6

’44
77.391
899
17.466
1.894
84.156
7.027
5.646
29 Dec. ’43
76.983
947- 16.729 1.900
83.211
7.038
5.489
8 Mei

’40
23.609
5.394
595
1.480
29.806

990

pand……………….

comptabelen ………….
Vordering op het Alg. Burg.
Pensioenfonds
1)


Vordering
dp
andere Staats-
beelr. en instellingen
‘)
. .-

151.566.711
V e r p1 iChti n g e n

___
Voorschot door De Ned. Bank
ingevolge art. 16 van haar
octrooi verstrekt ……..
Voorschot door De Ned. Bank
in rekg.-crt.

verstrekt
Schuld aan de Bank voor Ned.

6.686.000,-
3.047.300.000,-‘)

217.432.781,-

189.730,96

644.014.058,05

854.648,20 451.537.095,81

Rechtstreeks onder-

98

16 FEÉRUARÎ 1944

Aljabetische Index Qverheidsmaatregelen

(Zie voor den alfabetischen index Ovdrbeidsmaatregelen in 1943 het Jaarri

Blz.
Bfz.
Administratieplicht

…………..
27, 55
Prijsregelingen

………………40,

83
Algemeen Vestigingsverbod

……….55
Scheidsgereçlit Voedselvoorziening

….41
Ambacht

……………………..
27
Sierteelt

…………………..
41,

97
Arbeîdszaken

………………..
27, 55
Steunverleening a. Stilgelegde Bedrijven

40,
Bank- en

Creclietwezen

.
………….
41
55
Belastingzaken

………………..
41
Suikerbieten

e.

d……………..41,

97
Betalingsverkeer met het buitenland
.

27
Surrogaten

………………………97
Groenten

en

fruit

………………
Handel
96
Tabak

……………………..4p,

96
……………………..
27, 55
Textiel

………………………

40,

96
Heffingen ……………………
41, 55
Toegepast Natuurwetenschappelijk On-
Iii-

en

Uitvoer

…………………..
26
derzoek

……………………….41
Industrie……………………
27, 55
Tuinbouw

……………………..41
Kamers van

Koophandel

………….
40
Turf

…………………………96
Landbouw

…………………..
Monopolieproducten……………….
41,

97
ss
Vee

………………………..41,

97
eevoeder

………………….41,

97
Omzetbelasting

………………
41,

97
Verpakkingsvoorschrifte

…………96
Opheffing

Centrales

……………..
40
Verzekering

……………………96
Organisatie Bedrijfsleven ……….
27, 83
Vestigingswet Kleinbedrijf …………41
Pluimvee

……………………..41
Visscherij

……………………..41

p
eçonomisch gebied

1
gister 1943, laatste bladzijdc

Blz.
Vlas

……………………….41, 97
Voedselvoorziening

………………97
Zaden

……………………..41, 97
Zuivel

………………………41, 97

PA

1
1

KONINKLIJKE NEDERLANDSCHE BOEKDRUKKERIJ

H. A. M. ROELANTS — SCHIEDAM

Onze speciale ofdeeling: drukwerk voor contrôle en

admin&stratie, levert alle voorkomend drukwerk op
dit gebied concurreerend, snel en accuraat.
Uitgifte-apparaten in groote verscheidenheid van werk-
wijze en capaciteit naar de behoeften van elk bedrijf.
Tel. 69300

Onze terzake-kundige staf is te allen tijde voor gratis
(3 lijnen)

advies ter Uwer beschikking.

Dr. J. R. A. Buning:

De.beleggingen der bijzondere

spaarbankén.. in Nederland

Publicatie No. 32

van het Nederlcmdsch Economisch Instituut


Prijs
f365 *

(voor donateurs en leden vi het N.E.I. f2,75; bestellen
bij het N.E.I.).
Verkrijgbaar in dett boekhandel
U1TqAVE: DE ERVEN F. BOHN N.V., HAARLEM

Het

voIkscredietwezen

in de depressie

door

R. M. Dr., Soemitro

Dj oj ohadikoesoemo

Publica
lie
No. 34 van hel

Nederlandsch Economisch

Inslituut

Prijs f
5.50*

(Prijs voor donateurs en

leden van het N.E.I.
f
4.10;

bestellen bij het N. E. 1.).

Verkrijgbaar in den boekhandel

Uitgave: De Erven

F. BOHN N.V.-Haarlem

DE. TWENTSCHE BANK
N.Y.

T

MAANDSTAAT OP 31 JANUARI 1944

Kas, Kassiers en Daggeldleeningen

………f
76.811.447,32
Kapitaal

………………………. . ….

f
.40.000.000,-
Nederlandsch

Schatkistpapier

………….

..
283.600.000,—
…………………………….

..
,
Reserve
11.200.000,—
Ander

Overheidspapier

……………….

..
4.101.556,40′

Bouwreserve

……
…………………….
1.500.000,-
Wissels

……………………….
…….
627.813,52
Deposito’s

op

Termijn

.
…………….’.

,,
52.485.799,96
Bankiers in

Binnen- en

Buitenland

………

..
13.750.254,27
Crediteuren

………………. . ………

..
303.319.340,44
Effecten

en

Syndicciten

………………….
681.384,48
Overloopende Saldi en Andere Rekeningen ..,,
7.123.791,26
Prolongatiën en Voorschotten tegen Effecten ,,
6.990.471,70
Reserve voor Verleende Pensioenen

……….
1.296.324,27
Debiteuren

…………. ……………….
23.628.626,98
Aandeelhouders voor Effecten in Leendepôt..,,
13.021.850,-
Deelnemingen

(mcl.

Voorschotten)

………

..
1.437.376,99

‘Gebouwen

…………………………

..
4.000.000,-

Belegde Reserve voor Verleende Pensioenen
,,
1.296.324,27

Effecten van Aandeelhouders in Leendeôt
..,,
13.021.850,-

f
42.947.105,93
f
429.947.105,93

Verantwoordelijk voor het red. gedeelte: Drs. M. F. J. Cool te Rotterdam; voor di advertenties: H. A. M. Roelants te
Schiedam. Drukker en Uitgever: H. A. M. Roelants te Schiedam. Verschijnt wekelijks. Abonnementsprijs f20,85 per jaar.
(,,Prijsvaststelling No. 052. IM 312″). Prijs per nummer 50 ct. P 129911.

1 K 2193.

Auteur