Ga direct naar de content

Jrg. 28, editie 1428

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: oktober 27 1943

1
1

27
OCTOBER 1943

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN

c

Berichten’

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

28E
JAARGANG

27 OCTOBER 1943

No. 1428

COMMISSIE VAN REDACTIE:

J. F. ten Doesschate; P. Lieftinck (tijdel. afwezig);

J. Tinbergen; H. M. II. A. van der Valk; F. dc Vries;

M. F. J. Cool (Redacteur-Secretaris).

H. W. La,nbers – Adjunct-Secretaris.
Abonnementsprijs van het blad, waarin tijdelijk is op-

genomen het Economisch-Statistisch Maandbericht, franco

p. p. in iVederland / 20,85* per jaar. Buitenland en ko-

loniën / 23,— per jaar. Abonnementen kunnen met elk

nummer ingaan en slechts worden beëindigd per uit imo van

elk kalenderjaar. Losse nummers 50 cent. Donateurs eiv

leden van het Nederlandsch Econo,nisch’ Instituut ontvangen

het blad gratis en genieten een reductie op de verdere pu-

blicaties. Adeswijzigingen op te geven aan de administratie.

Administratie: Nieuwe Binnenweg 175a, Rotterdam (C.).

Telefoon 38340.

Aangeteehende stukken aan het Bijkantoor . Museum-

park, Rotterdam (C.).

Advertenties voorpagina / 0,28 per min. Andere pagina’s

/ 0,22 per min. Piaitsing bij abonnement volgens tarief.

INHOUD:

Blz.

Nieuw bestek van de gemeentefinanciën door
J.

Hasper………….. .. ………. . …… … 308

Bindede regelingen van arbeidsvoorwaarden door
Mr. Ir. A. W. Quint ……………………..311

De ontwikkeling der sociale verzekering in Duitschiand
sedert
1933
door
Dr. Baresel ………………314

Ingezonden stukken.

Wettige staking van de reis en schepen door de
eigen bemanning tot zinken gebracht door
J. M.
Caviet Jrzn.,
met naschrift van
R. Sodenkamp Jr. 319

Ontvangen boeken en brochurs ..
320

Maandcijfers..

Geymbineerde maandst

t van de vier Neder-
landsche groote banken en van het Nederlandsche
bedrijf der Nederlandsche Handel-Maatschappij
320

S t a t i s t i e k e n.

Voornaamste posten in duizenden guldens vanden
weekstaat van De Nederlandsche Bank ……
320

GELD- EN KAPITAALMARKT.

Op de
geidmarict
zijn de tarieven nog steeds langzaam
afbrokkelend: een logisch •verschijnsel, dat men op elke
oververzadigde markt kan waarnemen, naarmate de
overtuiging postvat, dat de bestaande wanverhouding
tusschen vraag en aanbod zal standhouden. Aanvankelijk
gelooft men nog aan een tijdelijk verschijnsel, vooral,
wanneer sinds geruimen tijd een vraagsurplus heeft be-
staan en men nog geen juist inzicht heeft verworven in het marktmaximum; waardoor de situatie radicaal om-
keert. Maar naarmate men de situatie grondiger analyseert
en daardoor de mogelijkheid van blijvend aanbodsiirplus
moet aannemen, zal ook de marktprijsvorming van dat
inzicht getuigen. Voor driemaands papier noemt men
een prijs van circa voor jaarspapier van 1%. De
omzetten op de discontomarkt zijn voor het overige
minimaal en van de meeste markttarieven moet men
dan ook zeggen, dat zij zuiver nominaal zijn. De Agent
van de Schatkist heeft bijna geen papier af te geven en
het zal wel niet voo half November en begin December
zijn – dan vervallen tezameil f
75
millioen losbare
3%
obligaties der leeningen
1941
en
1942—, dat weer eenigs-
zins omvangrijke ; bedragen worden afgegeven.’ Zooa1s
bekend, heeft verleden jaar de Agent irde laatste maanden
van het jaar bijna geen papier afgegeven i. v. m. de emissie
van de leening
1942,
zoodat er ook uitermate weinig
vervallend papier te vervangen is. Ook op de andere deel-
markten van de geldmarkt doet deze situatie zich natuur-
lijk gevoelen; kasgeldleeningen aan gemeenten worden op
7/%
a 1% aangeboden. Cailgeld is maar tot een fractie van
het aanbod te plaatsen. Dat deze situatie ook haar terug-
slag heeft op de rentepolitiek der banken ten aanzien van de creditgelden is slechts logisch. Verlaging van depositorente
en zelfs stopzetting van rentevergoeçling bij saldi boven een
bepaald niveau zijn maatregelen, die een direct uitvloeisel
van den huidigen toestand op de geldmarkt zijn..
De
..obligatiemarkt
vertoonde sinds ons vorig overzicht
aanvankelijk weer een vastere ,tendens. ,Flierdoor steeg d
noteering voor de nieuweleening, die ten tijde van ons
vorig overzicht
98%
was,,een oogenhlik tot
99%,
waarna
echtei weei een inzinking volgde tot
97’%.
De omzetten
in de nieuwe leefling waren vrij omvangrijk;, het ruime
aanbod werd daarbij tegen oploopende koersen uit de
markt genomen. Ook na vorige emissies heeft men telkens
het verschijnsel van geleidelijk aantrekken van de markt
‘kunnen waarnemen. Aanvankelijk is het aanbod nog
dusdanig, dat een’ koersdruk het gevolg is, maar naarmate
de semi-gedwongen inschrijvers, die tot liquidatie willen
overgaan, uitverkocht raken, trekt de koers aan. Ei’ is
immers steeds vraag in de markt en zoong g.een nieuwe
leening wordt uitgegeven vindt die vraag slechts liguidatie-
aanbod tegenover zich. Daalt dit aanbod, dan moet een
koersstijging intreden. De vraag komt deels uit nieuwe besparing, deels uit brutohesparing en juist deze factor
is thans belangrijk, omdat de oorlogs]eeningen een korten
looptijd hebben, zoodat elke uitloting een omvangrijk
bedrag voor herbelegging vrijmaakt. Waar bovendien
de mogelijkheid om gelden op de geidmarkt uit te zetten
is ingekrompen, is een vergroote vraag op de obligatie-
markt alleszins begrijpelijk. Daarom vangt dan ook de
markt elke koersinzinking reeds vrij spoedig op en verkeert
deze veer in een stijging.

t

1

308

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

27 October 1943

NIEUW BESTEK VAN DE GEMEENTE-

FINANCIËN,

Nu in de Staatscourant van 30 Augustus 1943 nieuwe
voorschriften verschenen zijn betreffende’ de financieele
verhouding tusschen het tijk en de gemeenten, is het
weer tijd nieuw bestek tè maken van de plaats, waar we
ons bevinden. Het laatst is hierover geschreven in ,,Econo-
misch-Statistische Berichten” van 26 Maart 1941 (No.
1314), waarbij dus thans aansluiting wordt gezocht.
Voor degenen, die dat numm’er niet dadelijk bij de

hand hebben, zij gememoreerd, dat de in 1941 ingevoerde
Rijksinkomstenbelasting met als haar voorheffing de
loonbelasting – de mede naar het inkomen geheven
belasting ten behoeve van de gemeenten heeft verdrongen,
zoodat vervangende middelen moesten worden aange-
wezen. Na de noodoplossing, welke voor 1941 werd ge-
troffen, zijn thans nieuwe voorschriften gegeven, waar-
van men vervacht, dat zij eenige jaren van-kracht zullen

kunnen zijn.

Het Gemeentefonds.

Regeling Qan
1929

Vçor détails van de werking van .het gemeentefonds
zij vèrwezen naar vorige publicaties
1).
Van de thans ver-

vallen regeling zij in het kort vermeld, dat het krachtens
de wet van 15 Juli 1929 (S. 388) ingestelde gemeente-
fonds intermédiair verleende tot verdeeling van de op-
brengst van de naar het inkomen geheven gemeente-
fondsbelasting en de opbrengst van 50 opcenten op de
vermogensbelasting. Deze verdeling had plaats naar
verhouding van de gemeentelijke draagkracht (berekend
naar het inkomen van de burgerij of naar belastingopbreng

sten) en de behoeften, waarbij werd uitgegaan van de uit-
ga’en, welke iedere gemeente vopr politie, verplicht
lager onderwijs en armenzorg, – tot 1935 – met inbegrip
van werkloozenzorg, had te doen. Op de wijzigingen,
o.a. bij de Wet van 4 Maart 1935 (S. 74), zal thans niet verder worden ingegaaii. Slechts zij ‘hier nog vermeld,
dat de gemeenten bij de instelling van het fonds het recht
verkregen opcenten op de hoofdsom van de gemeente-
fondsbelasting te leggen, aanvankelijk tot een maximum
van 100, later 75, waardoor zij toch weer een – zij het
eenigszins beperkte – mogelijkheid kregen om ter dekking
van de uitgaven, die zij noodzakelijk achtten, een eigen

belasting naar het inkomen te heffen.

Regeling van
1941.

Doordt nu de nieuwe Rijksinkomstenbelasting – met
de loonbelasting – de gemeentefondsbelasting met hare
opcenten verdrong, moesten in 1941 schadeloosstellingen
worden gegeven, waartoe, als noodoplossing, uit de nieuwe
Rïjksinkomstenbelasting compenseerende middelen ten
behoeve van het gemeentefonds en van de gemeenten
individueel werden afgezonderd.
De
,
compensatie ten behoeve van het gemeentefonds
wegens het wegvallen van de hoofdsom, werd precies
berekend en uitgekeerd, maar die voor de gederfde op-
centen ten behoeve van de gemeenten individueel was
aan den ruimen kant. Men nam niet de som van de werke-
lijk geheven opcenten, maar deed, alsof alle gemeenten
werkelijk het hoogste aantal (75) hadden opgelegd. Voor
1941 werd aIdu bewust een te hoog bedrag van, de op-
brengstvan de Rijksinkomstenbelasting tot het verleenen
van schadeloosstelling aan elke gemeente gereserveerd.
Om nu de beide soorten reserveeringen en uitkeeringen
uit elkander te houden, wérd het gemeentefonds in 1941
gesplitst in twee afdeelingen: afdeeling 1 voor de ver-
deeling van het éigenlijke gemeentefonds; afdeeling II
voor de toèscheiding aan de gemeenten individueel van
het equivalent van de gederfde opcenten. Deze afdeeling II

) Vgl. ,,E.-S. B.” van 13 Decemler 1933, No. 937, en van 4
ranuari 1939, no. 1201.

moest een overschot toonen, omdat het Rijk, uitgaande van het hoogste aantal te heffen opcenten, T 7 millioen
teveel had gereserveerd. Dit excedent zou dienen om de
armlastige gemeenten tegemoet te komen. En toen dan
toch eenmaal afdeeling II gedeelteljjk tot een busje voor
de armen was gemaakt, werd daar nu ook maar ingebracht
het op de Rijksbegrooting voor steun ‘aan noodlijdende
gemeenten geraamde bedrag. Voor hetzelfde dciel beschikte
het Rijk bovendien nog over enkele hieronder nog nader aan te duiden sommen, welke van de begrooting van het
werkloosheidssubsidiefonds -varen geschrapt en die ge-
diend hadden om de tekorten op de geyneentebegrootingen,
voorzoover deze in verband met de heerschende werk-
loosheid waren ontstaan, nog zooveel mogelijk bij te
werken.

Regeling van
1942.

De toestand wordtnu zoo:
Afdeeling 1 blijft in stand voor de gewone uitkeering
als ,,verdeelpot”. In plaats van het equivalent van de
hoofdsom der gemeentefondsbelasting, ontvangt zij:
de zuivere opbrengst van de hoofdsom der personeele

belasting;
idem van de grondbelasting;
idem van de ondernemingsbelasting, geheven met
toepassing van het vermenigvuldigingsgetal 1;
de zuivere opbrengst van de vennootschapsbelasting,

geheven van verzorgingsbedrijven van de gemeenten.
Betaald worden: a. een tegemoetkoming in de jaar-
wedden van den Burgemeester en den Secretaris (75%
met een maximum van f 3.000.— per gemeente); b. een uitkeering, die vrijwel gelijk is aan de bestaande, d.w.z.
dat blijvend rekening wordt gehouden met hetgeen de
gemeenten in 1942 krachtens de wet van 4 Maart 1935
(S. 74) meer, resp. minder ontvingen dan krachtens de
wet van 15 Juli 1929 (S. 388) – zgn. garantie- en limiet-
bepaling. De nieuwe uitkeering is praktisch gefixeerd en zal slechts wisselen, naarmate het aantal inwoners een.er
gemeente in verhouding tot het inwonertal van Neder-
land stijgt of daalt – met een bijzondere regeling voor
gemeenten, die onder evacuaties te lijden hebben gehad -;
c. een uitkeering per inwoner, voor zoover de middelen
van het fonds dat toelaten.
Aan afdeeliL II wordt onttrokken de toescheiding aan
de gemeenten van het equivalent van de opcenten op

de gemeentefoidsbelasting, waartegenover aan de ge-
meenten – die ook nog andere belastingen moeten missen
– een nieuw llastinggebied wordt toegewezen, zoodat
deze afdeeling II nu zuiver als busje voor de armen, als
,,bedeelpot”, een functie zal vervullen.

Nieuw gemeeneljk bela.stinggebied.

Ingevolge detoewij zing van nieuw belastingbied, komt
de ondernemingsbelasting, voor zoover zij geheven
4
wordt

boven het vermenigvuldigingscijfer 1, rechtstreeks aan de
gemeenten ten goede, terwijl de gemeenten verder, met ingang van het belastingjaar 1944, de bevoegdheid ver-
krijgen 190 opcenten op de grondbelasting voor de ge-
bouwde- en 110 opcenten voor de ongebouwde eigendom-
men te heffen, in plaats van resp. 80 en 20. Aangezien
volgens den bestaanden regel, de opcenten op de grond-
belasting tot het maximum moeten worden opgevoerd,
véôrdat meer dan 80 opcenten op de personeele belasting worden gelegd, zullen vrijwel alle gemeent’en ,1i’0, resp.
90 opcenten meer gaan heffen. Ook de provincies zullen
10 opcenten hooger mogen gaan. Daar het Rijk zijn eigen,

krachtens verordening van 28 October 1940, no. 226,
geheven 120, resp. 100 opcenten laat vallen, wordt de
belastingdruk voor de contribuabelen niet verzwaard.
Ten aanzien van de ondernemingsbelasting valt ôp te
merken, dat de opbrengst naar den factor 1 ten bate komt
van het gemeentefonds en dat het voortaan door de ge-.
meenten individueel voor te stellen vermenigvuldigings-

27 October 1948

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

309

cijfer – door het Rijk bij de inveering gesteld op 2,4 -, vooralsnog wel 2,4 zal blijven, althans, ter vermijding
van concurrentie tusschen de gemeenten, niet hooger zal
worden gesteld, wat wil zeggen, dat de rechtstreeks ten
bate van de gemeenten komende opbrengst alsdan, naar
het cijfer 1,4 op de begrooting zal worden gebracht.

Beperking van belastinggebied.

Tegenover deze uitbreiding staat een inkrimping,
zooals in de bieronder opgenomen staatjes is aangegeven.
In het bijzonder zij er op gewezen, dat de gemeenten,
gerekend van 1 Januari 1942 af, niet meer bevoegd zijn een
zakelijke belasting op het bedrijf te leggen en dat zij,
behalve een deel vande hoofdsom, ook een aantal opcenten
op de personeele belasting moeten derven. De zaak is ni. deze, dat de provinciën de bevoegdheid krijgen op
deze Belasting, tot een maximum van 50, gelijke, dus geen
progressieve, opcenten te leggen, waarbij als bedoeling is uitgesproken, dat de druk van deze belasting in totaal
niet zal worden verzwaard. In de practijk komt dat dus
hiérop ner, dat de gemeénten een zelfde aantal opcenten
zullen missen. Van de gemeenten, die op steun van het
Rijk zijn aangewezen, zal worden verlangd, dat zij de
opcenten op de personeele belasting zoo hoog opvoeren, dat deze, tezamen mt de provinciale opcenten, tenminste
een opbrengst geven, welke gelijk is aan tweemaal de
opbrengst van de hoofdsom. Dat wil zeggen,. dat, wanneer
Zuid-Holland 41 opcenten heft, de in ddze provincie
gelegen gemeenten geen hooger aantal zullen vaststellen
dan 159, maar ook dat gemeenten, die met tekorten te
kampen hebben, niet met een lager aantal kunnen vol-
staan.
Flierbij vallen volledigheidshalve nog twee opmerkingen
te maken. In de.eerste plaats, dat, nu ook de provincies
opcenten kunnen heffen, de geneenten geen bevoegdheid
meer hebben de wettelijke grondslagen huurwaarde en mobilair te. wijzigen. In de tweede plaats, dat het getal
van de gemeentelijke opcenten afhankelijk wordt van de
provinciale, waardoor een onzeker element in de gemeente-
lijke belastingheffing wordt gebracht.

Financieele gevolgen voor het gemeentefonds.
Al bij meer dan één gelegenheid is de klacht vernomen,
dat nieuwe voorschriften niet van toelichtingen zijn
voorzien. Ook ontbreken onder de tegenwoodige om-
tandigheden schriftelijke en . mondelinge behandelingen.
Intusschen heeft de heer P. Zegwaard, ambtenaar aan
het Departement van Binnenlandsche Zaken, in ,,Finan-
cieel Overheidsbeheer” van 15 Augustus 1943 eenige
cijfers medegedeeld, waaruit het volgende staatje kan
worden gedistilleerd:

Inkomsten van het gemeentefonds (afdeeling 1):

hoofdsom personeele belasting ……
f

21.000.000,-
idem

grondbelastin

…………..
,,

26.000.000,—
idem ondernemingsbelasting (factor 1)
,,

35.000.000,—
vennootschapsbelasting

………..
,

25.000.000,-

Totaal inkomsten …………
f 107.000.000
1
—.

Uitgaven van het gemeentefonds (afdeeling 1):

jaarwddden burgemeéster en secre-
taris

……………………….
f

3.000000,-
uitkeering naar de vroeger genoten
bedragen

………….. ……….
,,

75.000.000,-
uitkeering per inwoner (restant) .:..
29.000.000,-

Totaal

uitgaven

……….
f 107.000.000,-
Met betrekking tot letter c moet worden opgemerkt,
dat het bedrag steunt op een f’aming van onbekende groot-
heden; een betrouwbare raming van letter d is nog min-
der mogelijk gebleken. D& letters e en f zijn bekende,
vrijwel onveranderlijke grootheden. Het gevolg is, dat

de %itkeering per inwoner (letter g) verre van zeker op
het gemelde bedrag kan worden gesteld. Zouden de
cijfers juist zijn, dan zou iedere gemeente per inwo ner
pl.m. f 3,22 ontvangen, indien wordt uitgegaan van een
bevolking in Nederland van 9.000.000. Een gemeente van
600.000 inwoners zou dan f 1.932.000,— ontvangen, maar
het kan even goed f 600.000,– minder zijn of meer.
Volgens het Departement zullen de gemeenten een lagere opbrengst moeten verwachten, gmdat de bedrijfsuitkom-
sten minder gunstig zijn dan toen de ramingen werden
opgesteld. Dit wijst wel op een zwakke stee in den opzet,
want meer dan de helft van de belastingontvangsten is
conjunctuur-gevoelig. Alle uit dien hoofde te verwachten
voor- en nadeelen zullen speciaal de uitkeering per in-
woner beinvloeden. Voor het opvangen van een nadeel
vn f 600.000.— zou men het eerst naar den factor van de
ondernemingsbelasting kunnen grijpen, maar dat komt
neer op een benadeeling van het bedrijfsleven in de eigen
gemeente vergeleken bij dat in naburige, soms concur-
reerende gemeenten. Men zal dus om een budget sluitend
te krijgen, eventueel gebruik moeten maken van den
in de departementale circulaires genoemden sluitpost,
ni. de opbrengst van de opcenten op de personeele belasting,
indien deze althans in verband met de provinciale rege-.
ling nog kunnen worden verhoogd. Maar ôok dan zullen in’ een gemeente van 600.000 inwoners tegenvallers van
tonnen moeilijk zijn weg te werken, want de opbrengst
per opcent is, gelet op de andere bedragen, niet hoog,
te Rotterdam bïjv. slechts f 10.000
1
‘—.

Financieele gevolgen voor de gëmeenten.

Uit de andere in voormeld artikel genoemde cijfers
kan een beeld worden gevormd van de baten .en lasten,
die de gemeentelijke financiën rechtstreeks zullén be-
invloeden.
Als verliezen, resp. hoogere uitgaven voor alle gemeenten
tezamen, kunnen worden vermeld (uitgaande van 1941,
vergeleken met .1944):

75 opcenten gemeentefondsbelasting

.. f
55.600.000,-
38 opcenten vermogensbelasting

……,,
4.530.000,-
uitkeering

per

aangeslagene

uit

ge-
meentefonds

…………………

,.,
9.235.000,-
idem uit werkloosheidssubsidiefonds

,,
1.500.000,-
peroneele belasting in hoofçlsom, i.v.m.
wetswijzigingen

v.z.v.

rechtstreeks

ten
bate der gemeenten

………………,,
1.630.000,-
opcenten

personeele

belasting

(poten-
tieel 50 minder)

……. . …………

,,
12.785.000,-
idem i.v.m. wetswijziging

………….,,
8.000.000,-
aandeel hoofdsom grondbel. gebouwd

,,
7.000.000,-
idem ongebouwd

………………..


2.925.000,-
15 opcenten winstbelasting …………,,
7.500.000,-
zakelijke bedrijfsbelasting

…………,,
2.200.000,-
betaling briefporti

………………,,
1.800.000,-

Totaal

………………….f
114705.000,-

Als nieuwe inkoiten, resp. mindere uitgaven, kunnen
worden genoemd:

110 opcenten

grondbelasting

gebouwd f
22.440.000,-
90 opcenten grondbelasting ongebouwd ,,
5.265.000,-.–
ondernemingsbelasting (factor 1,4)

….

,,
49.000.000,-
vergoeding werkloosheidsuitgaven ……,,
25.000.000,-
uitkeering uit het gemeentefonds

(per inwoner)

……………………..,,
29.000.000,-

Totaal

………………….f 130.705.000,-

Uit deze cijfers zou men geneigd zijn af te lezen, dat
de gèmeenten er
1
16.000.000,— op vooruit zullen gaan.
Echter moet het grootst mogelijke voorbehoud worden
gemaakt. Het verlies van de hoofdsom van de personeele

t..

-‘
•.-” .:-‘

-r

810

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

27 October 1948

belasting zal mi. zeker f 5.000.000,— hooger mo(ften
worden gesteld, terwijl ten aanzien van de opbrengst
van de vennootschapsbelasting en de ondernemings-

belasting nog niets te zeggen valt. Aangezien de vergoeding
voor de werkloosheidsuitgaven te gunstig is geraamd,

moet voorshands worden aangenomen, dat de gemeenten
als geheel en dooreen genomen, en voor zoover de stof
thans werd behandeld, op het peil van. vroeger zullen
blijven staan.

Het werkloosheidssubsidi.e/onds.

Na een tijdperk van isitkeeringen van Rijksbijdragn
in de werkloosheidslasten, clie de gemeenten moesten

dragen, is in 1935 het werkloosheidssubsidiefonds inge-
steW. Daarin werd, naast eenigeandere middelen, jaarlijks
gestort een som, gelijk aan het totaal van de, in 1934
juist verlaagde, Rijksbijdragen aan de gemeenten, zoo-
mede de opbrengst van een aanta1 aan haar pnttrokken
middelen ten bedrage van in totaal 25% van haar belasting-
capaciteit
1).
Dit fonds verdeelde in totaal f 100 mil-
lioen in dier voege, dat de gemeenten tusschen de 15
en 85% van haar werkloosheidsuitgaven vergoed kregen.
Eventueel ‘werd nog een extra-bijdrage van 14% toege-
kend en, was dat nog niet toereikend om de begrooting
sluitend te maken, dan konden de gemeenten alsnog een
compensatie ontvangen voor, haar alsdan kennelijk ten
onrechte, onttrokken belastingen.

In 1940 zijn deze extra-bijdragen (dus de 14% en de ge-
deeltelijke teruggaaf van belastingcapaciteit) ingetrokken,
met het voornemen deze sommen op andere wijze aan
noodlijdende gemeenten uit te keeren. Thans wordt daar-
over niet meer gesproken. Men mag hopen, dat de middelen,
die voor deze uitgaven waren aangewezen, in den ,,bedeel-
pot” van afdeelingll van het gemeentefonds zullen worden
gestort.
Dit werkloosheidssubsidiefonds is bij èen op 30 Augustus
1943 in werking getreden beluit van 15 Juli t.v. gerekend
met ingang van 1 Januari 1942 opgeheven. tie werkloos-
heidszorgis met terugwerkende kracht Rijkstaak geworden,
d.w.z. de gemeenten blijven met de werkzaamheden be-
last en financieren de uitgaven, doch ontvangn de kosten van steunverleeiiing ,van wachtgeidregelingen, verstrek-
king van kleeding, dekking en choesel en van de spaar-
regeling terug, voorzoover zij de aanwijzingen van het
Rijk hebben gevolgd. Blijkens een circulaire van het
Departement van Binnenlandche Zaken van 4 September 1943 wordt nog overwogen bepaalde uitgaven vOor vak-
ontwikkeling, hersdholing en jeugdzorg, met betrekking
tot bij het Rijksarbeiclsbureau ingeschreven werklooze
arbeiders, eveneens voor 100
0
% Rijkssubsidie in aanmerking
te brengen. Men moet hierbij in aanmerking nemen, dat
de uitgaven den laatsten tijd van f 140 millioeo op f 20
f 30 millioen zijn teruggeloopen, terwijl het Rijk de van de gemeenten afgenomen belastingcapaciteit van onge-veer f 45 millioen behoudt. Floewel het schijnt, doit het
Rijk den gemeenten een schenking doet, zouden de ge-
meenten er meer bij gebaat zijn geweest, wanneer haar
de belastingcapaciteit was teruggegeven.
De zorg – ook eventeel in den vorm an werkverschaffing
– voor armlastigen,waaron der mede kunnen zijn begrepen zij,wier validiteit niet of niet.rneer normaal is, blijft bven-
dien nog ten laste van de gemeenten. Zoo ook de helft
van de uitgaven voor contrôle. Aangezien van 1 Januari
1942 tot heden gehandeld is alsof het werkloosheids-
subsidiefonds nog bestond, zullen alle gemeentebegroo-
tingen en derhalve ook de vrijwel gereed zijnde rekeningen

‘) Onder dit begrip wordt verstaan de berekende opbrengst
over
193811939
van:
100
opcenten op de hoofdsom der gemeentefondsbelasting
le klasse;
50
opcenten op de hoofdsom der vermogensbelasting;
80„,,,,

,,

,,

grondbelasting-gebouwd;
25

,,,,

grondbelasting-ongebouwd;
de hoofdsom der personeele belasting, vermeerderd met
150
opcenten;
t. 75 %
van de hoofdsom der grondbelasting.

over 1942 moeten
wor4en
herzien. Onder de overgangs-
maatregelen, waarop hier nu niet dieper zal worden in-
gegaan, bevindt zich een regeling om de in 1934 buiten

de begrooting gestelde werkloosheidsuitgaven – het
zgn. iitgestooten bedrag 1934 – naar de oorspronkelijke
bedoeling te beëindigen.

D ierse oèranderin gen

Hierboven is als nadeel voor de Kemeenten een bedrag
genoemd voor betaling van briefporti ad f1.800.000,—.
In 1940 betaalde het Rijk hiervoor aan den P.T.T. een
som van f 800
,
.000,—. Waarom dit bedrag nu plotseling
met 1 millioen gulden moet worden verhoogd en ten laste
van de gemeenten moet worden gebracht, is niet toege-
licht. Eisht de P.T.T., die meer zelfstandigheid heeft
verkregen, hoogere bedragen tengeolge van een toene-
ming in het briefverkeerien wentelt het Rijk den geheelen
last af op de gemeenten? Maar is dan onderzocht, of de
gemeentelijke correspondentie wel zoo sterk is toegenomen,
of dat hier eigenlijk arbeid voor het Rijk wordt verricht?
Hoe dit zij, de wijziging is geen logisch uitvloeisel van den
financieelen gang van raken, want, terwijl de tekorten van
de gemeenten met millioenen stijgen, nemen de opbreng-
sten van den P.T.T. gestadig toe; in de perste negen
maanden van 1943 ontving deze Rijksdienst f 9.286.401 meer dan in dezelfde maanden van 1942
3).
Een versch,uiving van grooter beteekenis betreft dèn
overgang vad de politie (met brandweer en luchtbesc1er-
ming) naar het Rijk, met lepaling, dat de gemeenten in
deze nieuwe Rijksuitgaven zullen moeten bijdragen. Hier
doet ‘zich de merkwaardige omstandigheid voor, dat
niemand weet, hoe het hier feitelijk mee staat, en dat
men met evenveel klem een beroep op de nieuwe bepa-lingen kan doen om te beweren, dat de brandweer reeds
door het Rijk werd Overgenomen als dat zij nog gemeentelijk
is. Het bedrag, dat de gemeenten aan het Rijk zullen
moeten betalen, noch de normen, waarnaar dat bedrag
zal worden berekend, staan vast. Toch gaat het voor
groote gemeenten om sommen van f 10 â f 15 millioen.
Daar echter over een bijdrage van de gemeenten aan het•
Rijk wordt gesproken, mag worden verwacht, dat per
saldo een verlichting van lasten zal ontstaan. Intusschen
zijn de uitgaven,

sedert het beheer aan de gemeenten is
ontnomen, zoodanig gestegen, dat het nog de vraag is,
of de bijdaage n’iet even hoog zal zijn als de vroegere last,
zoodat financieel nog’ niets zal zijn bereikt.
Voordeel zullén ‘de gemeenten hebben van een ver-
mindering van de werkloosheidslasten, maar niet van de overneming van deze uitgaven door het Rijk. Hierboven
was reeds gelegenheid er op te wijzen, dat de uitgaven
tot f 20’â f30 millioen geslonken zijn, maar dat het Rijk
circa f 45.000.000,—, nl. het vierde deel van de gemeen-
telijke belastingcapaciteit, zelf heeft behouden, naar we ho-
pen ten bate van de gemeenten, die dan iets meer uij; den
,,bedeelpot” kunnen krijgen. Zoolani dit vierde deel door
het Rijk wordt behouden, kan niet worden gezegd, dat
het Rijk aan de gemeenten 100% van de werkloosheids-uitgaven vergoedt.
3ovendien zitten tal van gemeenten nog friet hooge
schulden tengevolge van de eertijds ontoereikende uit-
keeringen en zelfs met den plicht tot terugbetaling aan het
Rijk van voorschotten, die aan de gemeenten, ter over-
bruggig van begrootingstekorten, werden gegeven, toen
deRijksmiddelen niet voldoende waren om de toezeggingen
tot ,het verstrekken van ‘rij ksuitkeeringen gestand te
doen. Over de toekenning van een Rijksbijdrage in een gemeentelijk tekort van 1941 handelen de departemen-
tale circulaires van 24/25 Juli 1941 en 2 Februari 1943,
volgens welke van het
geraamde
tpkort 10% ,van de
bels,tingcapaciteit over het tijdvak 1938/1939 werd afge-
trokken, waarna van het restant 50% als
gewone
Rijksbij-
drage verd uitgekeerd. Bleek
na het sluiten çan den dienst
nog
) ,,Econ. Voorlichting” van
8
October
1943,
no.
28.

27 October 1943

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

311

een tekort te bestaan, dan werd bij dat nadeelige saldo
eerst weer de, gewone Rijksbijdrage opgeteld; deze som
werd weer verminderd met een bedrag, gelijk aan 40%

van de belastingcapaciteit 1938/1939, waarna van het
verschil 50% werd vergoed als
extra-bijdrage,
tenzij dit

verschil kleiner was dan het werkelijke tekort, in welk
geval 50% hiervan werd uitgekeerd. De tekorten werden
dus nimmer geheel overbrugd. Overigens blijkt uit deze
regeling wel’ hoe ingewikkeld de ,,openbace” financiën
langzamerhand *j,n geworden. Gemeenten met een extra-
bijdrage worden als noodlijdend beschouwd.

Bestek.

Bij het voorgaande is in groote trekken aangegeven
van welke streek het gemeenteschip is komen varen en in wëlke richting zal worden gekoerst. Kan men nu ook
bestek opmaken en precies bepalen waar liet zich bevindt?
Dit is niet het geval wegens tal van onzekerheden, die
zich voordoen. Om maar enkele voorbeelden te noemen:
de gemeenten weten niet, welk bedrag zij uit het gemeente-
fonds per inwoner zullen ontvangen; ten aanzien van de
opcenten op de personeele belasting zijn zij ieder jaar
afhankelijk van de provinciale heffing; het subsidie, dat de gemeenten aan het Rijk moeten ge’en voor den over-
gang van de politie, de brandweer en eventueel de lucht-
bescherming, staat niet vast; de gemeenten zullen worden
ohderworpen aan de ondernemingsbelasting en de ven
nootschapsbelasting. Omtrent de wijze; waarop deze be-
lastingen van de gemeenten zullen worden geheven,
moeten nog nadere voorschriften volgen. En tenslotte
kunnen de gemeenten den sluitpost op haar begrootingen,
d.i. tegenwoordig in de meeste gevallen de steun van het
Rijk, niet ramen, omdat de Departementen eerst moeten
nagaan tot welke som alle gemeentelijie tekorten van
één bepaald jaar oploopen, om vervolgens uit den ,,be-
deelpot” (afdeeling II van het gemeentefonds) nader
vast te stellen giften toe te wijzen. Uit de hierboven verstrekte cijfers van winst en ‘ver-
lies, scheen te mogen worden afgeleid, dat de gemeenten,
dooreen genomen, noch voor- noch nadeel zullen hebben.
Er, is echter een tendens, dat de groote gemeenten – de
grootste zijn in evenbedoelden zin reeds noodlijdend –
het meest de nadeelen zullen ondervinden en de kleine
e voordeelen. Immers zullen het vooral deeerste zijn, die
van haar verzorgingsbedrijven f 25 millioen aan ven-
nootschapsbelasting aan het gemeentefonds moeten af-
staan en in wier gebied het grootste deel van de onder-
nemingsbelasting (f 35.000.000,—) zal worden opgebracht,
waarvan bij de fondsuitkeeringen klein en groot gelijke-
lijk profiteeren. Ook zullen groote gemeenten de hoogste
sommen aan personeele belasting derven en ook het meest
de 15 opcenten winstbelasting missen; wegens het
vervallen van de zakelijke bedrijfsbelasting mist Rotter-
dam bijna 1/3 van het totaal hierboyen genoemde verlies
van f 2.2 millioen. Toch hebben de feiten het meest om
maatregelen gevraagd, die den financieelen toestand
van 4e groote gemeenten zouden kunnen verbeteren.
Vanwege het Departement wordt erlend, dat van
een wezenlijke verbetering van den financieelen toestand
in het algemeen geen sprake zal zijn. Men heeft wegens
de groote – verschuivingen op belastinggebied van den
laatsten tijd iets
moeten
maken en men wil thans afwachten,
welke uitwerking de nieuwe voorschriften op de gemeente-
lijke budgetten zullen hebben. Voor de gemeenten valt
het te betreuren, dat, terwijl het Rijk zelf belangrijk
hoogere sommen aan belasting int en zelfs nieuwe van de
gemeenten vraagt, aan haar nog maar een paar brokken
worden toegeschoven, die niet anders zijn dan rantsoenen
om te kunnen nagaan, hoeveel zij nog tekort komen.
Men stelt het voor als een boedelscheiding, maar dan is
het er toöh een,waarbij het euvel van overbedeeling van
één partij de aandacht trekt. De moeilijkheden van de
gemeenten zijn nog niet opgelost.
J. HASPiR.

BINDENDE REGELINGEN VAN ABEIDS-

VOORWAARDEN.

Het Qeroallen der C.A.O.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft onlangs.
haar jaarlijksche Ôverzicht van loonregelingen gepubli-
ceerd. Ditmaal kon het niet langer den titel voeren van
,Collectieve Arbeidsovereenkomsten in Nederland”,zooals
tot nu toe gebruikelijk was, doch moest de publicatie
worden omgedoopt in ,,Bindende regelingen van arbeids-

voorwaarden”.
Terwijl voorheen als datum van telling 1 Juni gekozen
was, is deze thans verschoven naar 1 November. Met dezen
datum is de gewijzigde titel voldoende verklaard. Op 1
November 1942 toch traden onder andere buiten werking
de wet op de C.A.O. 1927 en de wet op het algemeen ver-
bindend en het onverbindend verklaren van bepalingen
van C.A.O.en 1937, een en ander krachtens Verordening
114/1942 inzake de ordening van den arbeid.
Dit beteekent,’dat van dit tijdstip af de wettelijke basis
aan de collectieve arbei,dsovereenkonist was ontvallen.
Terwijl immers van 1907-1927 deze rechtsfiguur
nog in’ het Burgerlijk Wetboek haar neerslag vond (art.
1637 n), is deze wetsbepaling bij het in werking treden
der wet op de C.A.O.en komen te vervallen.
Aldus leven wij thans, wat de CAO: betreft, juridisch
weer in de situatie van vôér 1907.
Over de rechtsgeldigheid van deze figuur zijn in die
dagen herhaaldelijk de degens gekruist en me’n mag
wel zeggen, dat in de literatuur de opvatting domineerde,
dat de C.A.O. niet slechts als maatschappelijk begrip kon
worden verstaan. De rechtsgevolgen der C.A.O.en werden
echter ‘bepaald door het algemeene contractenrecht;
zoo dience een afwijkend beding in de individueele arbeids-
overeenkomst als toelaatbaar te worden beschouwd, zoodat van ,,Unabdingbarkeit”, één der grondpeilers
van het instituut, nog geen sprake was.
Men kan zich afvragen, wat rechtens is ten aanzien
van C.A.O.en, die op 31 October 1942 nog bestonden.
Dat de rechter bereid zou zijn hier nâ 1 November 1942
meer rechtsgevolgen aan te verbinden dan véör 1907,
zich daarbij onder ander baseerende,op art. 1383 B.W.
(bestendig gebruikelijke bediign), is zeer wel mogelijk.
De C.A.O. in de traditionecle beteekenis is echtervan het
tooneel verdwenen.
In dit verband zij erop gewezen, dat reeds vÔÔr 1 Nov. 1942 de meeste C.A.O.en vervallen waren, doordat werk-
geversorganisaties ‘en/of werkneipersoiganisaties hadden
opgehouden te bestaan. In die gevallen toch werden zij
verder, krachtens besluit 54/1942, aangemerkt als rege-
lingen van het College van Rijksbemiddelaars ex verorde-
ning 217/1940.
Deze als regeling aangemerkte C.A.O.en gingen op haar
beurt op 1 November 1942, krachtens het eerste uitvoerings-
beslui’t ex verordeiiin 114/1942, over iii regelingen van
den Gemachtigde voor den Arbeid.
Een dergelijk voorschrift is ten aanzien van C.A.O.en,
die op 31 Octoter 1942 nog bestonden, niet getroffen.

Gegenens betreffende het aa,ztal bindende regelingen.

In bovengenoemde statistiek is dus de balans opge-
maakt van bindende regelingen van arbedsvoorwaarden
op 1 Nov. 1942″.
Beziet men den verzamelstaat, dan blijkt reeds dadelijk
een zeer krachtige stijging van het aantal werknemers,
‘die vallen onder een dergelijke regeling.
Het totaalcijfer bedraagt per 1 Nov. 1942 1.032.000
werknemers, zijnde een stijging van pl.m. 130%, vergeleken

‘)
Naar mijn. meening ten onrechte werden hieronder blijkens
blz. 3 ook begrepen regelingen, eenzijdig vastgesteld door één of
meer ondernemingen en goedgekeurd door
het
Collegé van Rijks-
bemiddelaars. Deze overigens weinig talrijke categorie omvat uiter-aard geen
bindende
regelingen.

1

812

ECONOMISCH-STATISTISCHE 9ERICHTEN

27 October 1943
1

.

1

11

met den toestand op 1 Januari 1941 (451.150 werk-
nemers), ter’iijl de stijging tegenover het voordien hoogste
cijfer, ni. per 1 Juni 1930 (385.900); zelfs 168 %’bedraagt.
Flierbij zij no aangeteekend, dat het cijfer, bereikt in
Juni 1941, reeds een stijging van pim. 28% beteekende, ‘vergeleken bij dat van 1 Juni 1940 (351.800).
Wij zien duidelijk gedemonstreerd de sterk stimuleerende
werking, welke is ‘uitgegaan van de LoonveroMening

217/1940, welke op 1 Nov. 1940 in werking trad en de
daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten.
Flierin toch werd aan ‘het toenmalige College van
Rijksbemiddelaars de taak opgedragen bindende loon-
regelingen tot stand te brengen in die bedrijfstakken,
waar dit in het belang an de werknemers noodzakelijk
,ws en waar geen CAO. tot stand kwam.
In het iste Uitvoeringsbesluit bepaalde de Secretaris-
Generaal uitdrukkelijk, dat liet College, alvorens een
bindende regeling op te leggen, allereerst moest bevorderen,
dat binnen’ een redelijken termijn een C.A.O. werd aan-

gegaan. –

De contractueele regelink werd dus prinair beschouwd,
‘terwijl de overheidsregeling slecht als subsidiaire oplossing
was gedacht. Elders wezen wij er reeds op, dat tengevolge
van verschillende factoren, het accent geleidelijk meer op
de bindende regeling is komen te liggen
2).

1-Jet kan dan ook wel als zeker worden beschouwd,
dat de stijging van 1941 op 1942 vrijwel gèheeivoortvloeide
uit de totstandkoming van een reeks bindende rege-
lingen yoor bedrijfstakken.

Het aantal gebonden werknemers, het uiteraard be-
slissende cijfer
1
vooi de beteekenis eener bindende i’egeling,
is in alle sectoren van het bedrijfsleven aanzienlijk ge-
segen, zij het niet overal in ‘eyen sterke mate.
Zoo bedraagt de stijging in de nijverheid 72 %'(van-
321300 op 550.000), in den landbouw 220 % (van. 114.250
op 375.000) en in de oYerige bedrijfstakken, d.w.z. handel
en verkeer, bank- en ver,zekerinswezen, zelfs .570 %
(van 15.600 op 107.000).

In de toelichting der statistiek wordt er op gewezen,
dat deze cijfers op •vrij globale schattinen berusten,
aangezien ,,ter zake kundige berichtgevers in een groot
aantal gevallen niet voorhanden waren”.

Voor het aantal gebonden ondernemingen zijn zelfs, zulks in afwijking van de vroegeren statistieken, in het
geheel geen cijfers vermeld. Het cijfer voor de aantallen
werknemers houdt uiteraard verband met den bezettings-
graad; een vergelijking met, voorgaande jaren is daarom
nooit geheel zuiver. A’ingezien mag worden aangenomen, dat
het totaal aantal werknemers in het Nederlandsche bedrijfs-
leven sedert 1940 een constante daling ver,toont, zijn de
boven aangegeven cijfers nog frappanter. Gaan we de
verschillende industrieele bedrijfstakken afzonderlijk na,
dan blijkt ‘Gan.zeer aanmerkelijke stijgingen in de chemi-
sche nijverheid, de houtindustrie, het kleeding- en reifii-
gingsbedrijf, metaal- en textielnijvereid, alsmede voeings-en genotmiddelenindustrie. In deze verschillende bèdrijfs-
takken’ zijn tal van bindende regelingen tot stand ge-
komen
3).

Opvallend groot is de stijging van het aantal onder een
regeling vallende wèrkne’mers in de groep kleeding en
reiniging (van .6.400 op 52.000), metaalnijverheid (van
77.900 op 150.000), textielindustrie (van 4.330 op 65.000)
en voedings- gp genotmiddelen (van 33.650 op 90.000).
Men heeft hier kennelijk te maken met die ‘onder
deelen der indilstrie; waar het instituut der C.A.O. nog
slechts in beperkte mate was doorgevoerd. Het is hier niet
de plaats”om op de oorzaken daarvan nader in te gaan.
Bekend genoeg is, dat, noch in de confectie-industrie, noch
in de’ textielindustrie, de C.A.O. tot ontwikkeling is ge-
komen (met’ ‘uitzondering van de Tilburgsche wollen-
stoffennijverhëid) .

‘) Zie ,,Loonsverhooging” in’ ,,De Naarnlooze Vennootschap”,
Mei 1942, blz. 32.

De daling van het cijfer van het bouwbedrijf (van
86.430 op 55.000) is uiteraard terug te’ voeren op de
sterke daling der bezetting in dit bedrijf.
De sterke stijging voor den landbouw is toe te schrijven
aan de totstandkoming van een loonregeling vooi het
geheele land- en tuinbouwbedrijf. In de afgeloopen jaren
yas trouwens, me’de in verband met de voormalige ver-
plichte loonarbitrage, in dezn sector het aantal rege-
lingen reeds belangrijk toegenomen.
Wat ,,verkeer” betreft kunnen wordy vermeld:.rege-
lingen voor het beroepsgoederenvervoer langs den weg,
binnenbeurt’Vaartbedrijf, kustvaart en hotel- en restaurant-
bedrijf; wat ,,handel’-‘ betreft, iegelingen voor: brand-
stoffenhandel en graanhandel in Groningen en Drenthe.
Tenslotte zij nog gewezen op de salarisregelingen voor
bank- en effectenbe’drijf, levensverzèkcringbedrijf en
notariaat.’

Algemeene regelen bij de totstandkoming.
.-
De vraag rijst: zijn er in dezen springvlded van loon-
regelingen enkele algemeene lijnen te ontdekken, zoowel
wat betreft de wijze van totstandkoming als npai den’
inhoud?

Wat het eerste punt betreft, kan wel worden gecon-
stateerd, dat het voor een overheidsorgaan welhaast
onmogelijk is, zonder intensieve medewerking van belang,-
hebbendèn (werkgevers en werknemers), tot opstelling
van doeltreffende loonregelingen te gerakèn. Raadplegen
vaii deskundigen ûit den betreffenden bedrijfstak zien we
dan ook algemeen. geschieden. De fraaiste figuur doet’
zich voor, indien werkgevers en werknemers een een-
stemmig advies uitbrengen. In dit geval heeft het over-
heidsorgaan weinig anders te doen dan, na toetsing aan
enkele algemeene normen, de aldus ontworen regeling
in gro’bte trekken in haar beschikking. eenvoudig oer te
nemen. Dezè toetsing zal dan met name betreffen dehoogte
der bonen cif salarissen, waarbij enerzijtls rekening moet
worden gehouden met zekere ninima, welke in de ver-
schillende gemeenteklassen dienen te worden .in açht
genomen, terwijl aan den anderen kant de algemeene
loonpolitiek de vast te stellen normen noodzakelijkerwijs
dient te begrenzen. .
Voorzoover zich deze figuur der eenstemmigheid van werkgevers en werknemers voordeed, had men uiteraa4
te maken’ met gevallen, waarin ondèr andere omstan-
digheden een C.A.O. zou zijn tot stand gekomen. Doch
ook, indien tusschen ‘erkgevers en werknemers geen
overeenstemmingis te bereiken, zullen toch de van die
zijde ingediende ontwerpen als regel de basis voor de
regeling moeten vormen. Met’name geldt dit voor bédrijfs-
takken met zeer spêciaal kl’akter, waarbij uiteraard,
wat de techniek der regeling betreft,’ de opvatting van.
belanghebbenden “eelszins den doorslag moet geyen. —
In dit verband kunnen, als ‘oorbeeld worden genoemd
de regelingen voor het hotel- en restaurantbedrijf, die

‘)
In’denavolgende bdrijfstakken kwamen voor het eerst lan-
delijke bindende regelingen tot stand:
In de chemische nijverheid voor: verfindustrie, drukinklindustrie,
zeepindustrie, destructiebedrijven.
In de houtindustrie voor: meubileeringsindustrie, . knoopen-
industrie,’ mandenindustrie, klompenindustrie.
In de groep kleeding en reiniging voor: confectie-industrie, heêren-
kleedingbedrijf, ‘witwasseherij-industrie.
In de metaalnijverheid voor: automobiel- en garagebedrijf,
carrosserie- en wagenbouwbedrij
r,
administratief, technisch’ en
toezichtboudend personeel.
In de textielindustrie: geheele bedrijfstak (volwassen mannen).
Speciale regeling voor: brei- en tricotindustrie.
In voedings- en genotmiddelenbedrijf: aardappelmeelindustrie,
bakkertbedrijf, groenten- en fru itverwerkende industrie, zoetwaren-
industrie, vleeschvarenindustrie, banketbakkersbedrijf, suikerindus- –
trie, mosterd- en azijnindustrie, zuivelindustrie, melkinrichtingbe-
drijf, handeismouterijen.
Verder zijn nog

te noemen: baksteenindustrie, betonindustrie,
paplerenzakkenindustrie.
In verschillende ‘andere bedrijfstakken bestond een CAO., die,
krachtens besluit 5411942, als regeling van het College van Rijks-
bemiddelaars weid aangemerkt. Ook zijn er gevallen, waarin een
landelijke bindende regeling tot stand kwam, welke in de plaats
trad van vroeger bestaan hebbende landelijke C.A.O.en.

27 October 1943

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

313

voor het bankbedrijf en het levensverzekeringbedrijf en
voor de zuivelindustrie.
– De hoogte der loon- of salarisnormen dient natuurîTjk
in verband met het algemeene loonbeleid te worden hiei.
In gevallen, dat vpldoende voorlichting vn belang-
hebbenden ontbreekt, dan w31 dat bepaalde bedrijfstakken
bijzondere moeilijkheden opleveren, dient gebruik te
worden gQmaakt van het middel der enquête, om aan de
vêreischte gegevens tel komen.
In Eet Centraal Bureau voor de Statistiek en de Rijks
accountantsdienst staan hier voortreffelijk toegeruste
instanties .ten dienste.

Alge,neene lijnen ian den inhoud.

1
eVat den inl3oud der diverse regelingen betreft, is min
of meer een standaardnodel ontstaan, volgens welke de
groote meerderheid dezer regelingen is opgebouwd.
Daarbij’ zijn e vaste bepalingen die tnzake indeeling
der werknemers, bonen met gemeente-kiassenindeeling,
betaling overwerk, vacantie, betaling feestdagen, kort
verzuim, opzegging. Daarnaast komen soms speciale
bepalingen voor bettuffende jeugdloonen, accoordoon, getalsverhouding, pensioen, (xtra) uitkeering bij ziekte
en/of ongeval, wijze van loonbetaling, . d., terwijl de’
hierboven gesignaleerde speciale regelingen nog tal, van
specifieke bepalingen bevaen. De belangrijkste arbeidsvoorwaarde is uiteraard het
loon. Stelt men de looncijfers ‘uit de verschillende rege-
lingen voor een bep’aalde gemeente . naast elkaar, dan
blijkt te dien aanzien een• sterke differentiatie voor te
komen. Ook de in den aanvang vermelde statistiek van
het C.B.S. wijst op dit verschijnsel. Van het vroeger..veel-
vuldig gemaakte onderscheid tusschen ,,bescliutte” en
,,onbechutte’.’ bedrijven, vinden wij in het huidige, loon-
beeld nog wel bepaalde sporen terug, doch het is iteraard
voor ‘de huidige situatie niet zeer passend. Zoo kan men
bijv., ruw genomen,,stellefi, dat het loonpeil van 2 der
belangrijkste van deze .bedrijfstakken, vroeger aangezien
als hoeksteen derbeschutte, resp. onbeschutte bedrijven, nl.
bouwbedrijf en ftietaalindustrie, ongeveer op hetzelfde plan
ligt. Wel kan men zeggen, dat in het algemeen de am-
bachtsbedrijven op ‘- een hooger loonpeil staan dan – de
fahrieksindustrie, waarbij intusschn moet worden be-
dacht, dat in de eerste overwegend op tijdloon wordt
gewerkt, terwijl de industrie in sterke mate accoordwerk
kent,,waardoor de .verdiensten uiteraard niet onbelangrijk
boven het voorgeschreven tijdloon uitgaan. –

Meer u7ii/orinieit o enkele punlen genensclit.

Als eengelek in de thans geldende loonregelingen
moet wel wordn beschouwd, dat de gerneenté-klassen-
indeeling alle uniforniiteit mist, zoodat het workomt,
dat voor gelijksoortige bedrijven in een bepaalde gemeente
zeer verschillende bonen gelden. In enkele regelingen
ontbreekt zelfs een gemeente-klassenindeeling of is deze
laatste op onjuiste grondslagen opgebouwd
4).

De totstandkoming van een uniforme gemee’nt-klassen
indeelingrhoet dan ook als ugent worden beschou*d.
lIaar ‘ook afgezien hiervan vertoont het boonbeeld met
name voor de fabrieksbedrijven differentiaties, die niet door den aard van den arbeid kunnen worden verklaard
en blijkbaar moeten worden toegeschreven aan een ont-
vikkeling, samenhangend met de economische posi-tie
van den b6effenden bedrijfstak. Devraag rijst, of deze
verschillen op den duur moeten worden gehandhaafd’
en’ of in dit opzicht niet een belangrijke vereenvoudiging
valt door te voeren.
Wij bevinden ons hier overigens op het uiterst moeilijke
terrein van de afweging der verschillende bedrijfstakken
tegen elkaar, in verband met vakbekwaamheid en aard
van den arbeid. Op dit gebied ligt het terrein nog vrijsve

‘)
Vgl. W. F. de Gaay 1ortman, ,,Overheiclsbemoeiingen tot
beheensching vân het loonpeil”, in ,,E.-S. B.” van 13 januari 4943.

braak, fietgeen voor het overige van zelf spreekt, aangezien
het ineerste instahtie er toch omgaat, voor een zoo grd’ot
mogelijk aantal bedrijfstakken tot bindende regelingen te
geraken. Het onderling aanpassen dezer’ bonen vormt de
tweede étappe der geleide boonvorming
2).

Overigens moet er op worden gewezen, dt de door de
omstandigiiede
,
n vereischte loonpolitiek op de totstand-
koming van een rationeel loonstels’el belemmerend zal
‘kunnen werken. Dit’ brengt mede, dat in tal van gevallen
sociale noodzakelijkheden yoor het ‘economisch mogelijke’
zullen moêten ‘wijken,”, het laatste begrip niet ‘enomen
in den privaat-economischen zin, zooals’ het vroeger
gehanteerd werd,- doch in .dien van het algemeene eco-
nomische belid der Overheid.,.

Er zijn nog andere punten, wâarop nog meer uni-
formiteit knn worden nagetreefd, zoo bijv. ten aanzien
van den leeftijd, waarop het volle loon ordt bereikt.
Deze, loopt in’ de verschillende bedrijfstakken tiiteen
van 20-28 jaar. Al kan -de vereischte vakbekwaamheid
meebrengen, dat een vakman in het eene bedrijf-.eerst.
wat later zijn volle loon krijgt dan in het andere bedrijf, daarmee is toch bijv. niet verklaard, dat de leeftijd voor
geschoolden in het
4
grafische bedrijf 25 jaar, in de metaal-
industrie 28 .jaar bedraagt.
Ten aanzien van andere punten is de”uniformiteit in
‘erheugend’e mate bereikt, zoo bijv. wat b’etreft vacantie,
Chr. feestdaen, kort verzuim (de regeling gaat hier als
regel .verder dan art. 1638e B.W.).
FIet betalen van extra bijdragen boven de wettelijke
uitkeering bij ziekte en ongeval, komt, althans in de
industrie, slechts sporadich voor. In den landbouw is
dit, afthans voor de vaste arbeiders, regel, terwijl voor de
werknemers op maarklsalaris (administratief en technisch
personeel), bij ziekte of ongeval doorbetaling. van het
volle salaris regel is. –
Vacantie is in het. ‘bedrijfsleven.,gemeengoed geworden,
waarbij de duur der vacaiitié vrijwel zonder uitzondering
voor handarbeiders op 6 dagen is gesteld, voor hoofd-
arbeiders op 12′ dagen. Het doel van het, wetsontwerp
vacantie met behoud van booh, zooals dat begin 1940
nog bij den Hoogen Raad van Arbeid was ingediend en waarover deze advies heeft uitgebracht, is dus in
de practijk’ reeds vrijwel verwezenlijkt, behoudens in
die bedrijfstakken, waar een bindende regling ontbreekt.
Een zeer belangrijk punt is nog de grensscheiding
tusschen de verschillende bedrijfstakken Het is wellicht te
betreuren, dat in sommige gevallen niet nauweii aansluiting
wordt (of is) gezocht bij de grensafbakening, welke ge-
‘olgd is bij de organisatie van het-bedrijfsleven door de
bekende: Commissie-Woltersom. Doch ook afgezien hier-
vah, zijn er tal van netelige punten, bijv. de grenstrekking
tussclien fabrieksarbeiders en bouwvakarlieiders, tusschen
huisdrukkerijen en fabriekspersoneel e. t. q., kwesties,
die zich’ reeds bij.de toepassing der wet op deverbin-
dend- en onverbindendverklaring van C.A.O.en 1937
iebbén voorgedaan.

Concbudeerende kan worden vastgesteld, dat voor het
,dverwegende deel der industrie, voor den géheelen land-
‘bouw, benevens voor belangrijke deelen van handel en
verkeer, bank- en veizekeringswezen, bindende regelingen
va’n arbeidsvoorwaarden zijn vastgesteld, waardoor de
groote rnerderheid der werknemers in het Nederlandsche
bedrijfsleven th’ans onder bescherming van een dergelijke
regeling valt. ,
Wie de grafiek op blz. 4
1
van meergnoemdè statistiek
beziet, ziet in een oogopslag, welk een- groote sociale
tak iÇiér’ door de Overheid is verricht.

Mr. Ir. A. W. QTJINT.

(
1

814

1
,

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

27 October 1948

DE ONTWIKKELING DER SOCIALE”VERZE-

KERING IN DUITSCHLAND SEDERT 1933.

Algemeen oQerzicht
1933-1943.

Bij den overgang van 1932 op ’33 verkeerde de Duitsche
sociale verzekering in een toestand van zware belasting,
welke het voortbestaan van de werkzaamheden, na een
h’alve eeuw van zegenrijken arbeid voor de werkende
landgenootn, zeer twijfelachtig scheen te maken. Immers,
de periode van de economische crisis, waardoor in het
Duitsche Rijk het aantal werkloozen tot het ontzaglijke
cijfer van bijna 7 millioen toenam, had bij de terug-
loopende contributie-ontvangsten een diepn bres ge-
lagen in de reserves der sociale verzekering en ‘in het
bijzonder bij de renteverzekeringen een tekort geschapen,
waardoor men de’ spoedige ineenstorting van deze ver-
zekering kon verwachten. De sedert 1933 ingetieden
ommekeer, welke yia een voortdurenden vooruitgang
van het welhaast stilgelegd economisch leven tot een
toestnd van volledige bezetting leidde, deed, zooals
vanzelf spreekt, ook op het gebied van de sociale ver-
zekering de crisisverschijnselen langzamerhand verdwijnen.
Daarenboven beschouwde de nationaal-socialistische re-
geering het als é.n van haar taken om het door Bismarck
in het leven geroepen werk van de sociale .igen hulp
door bijzondere wettelijke maatregelen wederom te ver-
sterken en uit te breiden tot een steeds meer presteerende
en beter functionneerende bescherming van
4
den werkenden
mensch tegen de wisselvalligheden van het leven. De
sedert de keizerlijke boodschp van 17-11-1881 heer-
schende grondslag, dat de arbeidende landgenoot, die
door een eigen bijdrage aan den opbouw en de instand-
houding van de socia1e verzekering medewerkt, op gro
,n
d
van deze medewerking een juridische aanspraak op de
bij de wet voorziene prstaties za, hebben, vond in de
nationaal-socialistische ‘ociale politiek een volkomen en
steeds veelzijdiger ontwikkelde uitdrukking.
Zoo moet men het niet als een formaliteit beschouwen,
dat de eerste wet van algemeene beteekenis op dit ‘gebied,
van 5-7-1934, dé naam ,,Gesètz über den Aufbau der Social-
versicherung” werd gegeven. 1-let doel, de verhooging van
het prêstatievermogen, en het doen ophouden van ver-
deeldheid en onovei’zichtelïjkheM, werd bereikt door
vérgaande hervormingen in de Organisatie van de afzon-
derlijke verzekeringsorganen en in het bijzonder, door hun
nadrukkelijke samenvoeging voor de vervulling van bepaal-de taken op te dragen. Zoo werd bij de verhouding tusschen
de ,,Landesversicherungsanstalten”, als organen voor de
invaliditeitswet en de’ ziekenfondsen het vruchtbare
begrip ,,gemeenschapstaak” geschapen en ontwikkeld;
men gaat hierbij uit van de overweging, dat het ziekenfonds,
‘hiet zijn plaatselijk nauwbegrensde bevoegdheid, bepaalde
taken minder doelmatig in eigen beheer kan uitvoeren dan
de landelijke verzekeringsinstelling, wanneer deze voor alle
in haar ambtsgebied bestaande ziekenfondsen optreedt.
Aan de landelijk’e verzekeringsinstelling, als regionale
,Mittelinstan z”, zijn, ingevolge deze wet, verschillende
gedeelten uit de ziekteverzekering overgedragen, zoo
bijv. het exploiteeren van geneesinrichtingen, rusthuizen,
herstellingsoorden en dergelijke instellingen; de uitvoering
van de preventieve gezondheidszorg en de deelneming
‘aan de door hevolkings- en hygiënische politiek gestelde
taken, de regeling van den dienst dér vertrouwensarten,
het gemeenschappelijk beheer der reserves, die alle zieken-fondsen tot een bedrag van de uitgaven over twee maanden
moeten bijeenbrengen en instandhouden, en tenslotte
het toezicht op de ‘ziekenfondsen. Het is duidelijk, dat
deze taken veel efficiënter zijn te volbrengen, wanneer
de zakelijke en personeele middelen hiertoe tezamen
worden gebracht bij de voor provincie of gouw competente
verzekeringsdrager en dat de ziekenfondseû als laatste
plaatselijke instantie, na van deze werkzaamheden te
zijn bevrijd, zich des te intensiever konden wijden aan de

resteerende breede verzorgingstaak ten opzichte van
die, verzekerden, waarmede zij in denauwste persoonlijke
betrekking staan. In overeenkomstigen vorm zijn de
landelijke instellingen hunnerzijds ten aanzien van die

werkzaamheden, welke doelmatig voor het geheele Rijk
gemeenschappelijk kunnen worden uitgevoerd, in één
verband gebracht door de oprichting van den Centralen’
Raad der landelijke verzekeringsinstellingen bij de Rijks-
verzekeringskamer. Hierbij gaat het vooral om werk-
aamheden van den keuringsdienst en de door de landelijke
verzekeringsinstellingen verzorgde preventieve genees
ku nd e.

De wet betreffende den opbouw voerde vervolgens
een voor alle verzekeringsinstellingen geldend duidelijk
bestuursschema in. In plaats van de vroegere leidende
kernen van parlementaire kleur kwamen de verantwoor-
delijke leider en de Raad van advies, wlke dzen moet
bijstaan aangaande belangrijke aangelegenheden en vaar-
in vertegenwoordigers van de verzekerden, bedrijfs-
leiders, een arts als zaakwaarnemer van de districts-
instelling voor het betreffende gebied werkzaam zijn. Aan den Raad van advies is verantwoordelijke mede-
werking opgelegd bij het voorstellen van tariefverande-
ringen, vaststellen der begrooting, beoordeelen van de
jaarrekening en décharge van den leider. Zijn leider en
Raad van advies het niet een dan ligt de beslissing bij de
toeziende instantie. De bevoegdheden en plichten van deze
zijn eveneens in de wet van 5-7-1934 van het gezichtspunt
van nationaal-socialistisch opgevat zelfbeheer opnieuw’
omschreven. Het toezicht heeft nu niet slechts betrekking
op het formeel nakomen van wet en tarief, maar kan
ook tot doelmatigheidskwesties worden uitgebreid, waarbij
het zich echter tot belangrijke vragen moet beperken
en niet onnoodig mag ingrijpen in het eigen bestaan en
de zelfverantwoordelijkheid der verzekeringsintellingen.
Lust tot initiatief en besluitvaardigheid van den leider
en den Raad van Advies zonder welks bestaan de best-
gemeende ‘wetgeving niet tot daadwerkelijke uitvoering
zou kunnen komen, hebben op deze wijze hun gepaste
ruimte gekregen.

Op de wet van 5-7-’34, die deze gedachten in prin-
cipieele algemeene voorschriften tot uitdrukking bracht,
volgden in den loop van de ontwikkeling tot 1938 zes-
tien uitvoeringsbesluiten, die de afzonderlijke punten
nader regelden. In het wijdestelde kader werkten wet-
gevers, toeziende instanties en verzekeringsinstellingen
ononderbroken aan de verhooging van het prestatie-
vermogen van de Duitsche sociale verzekering. Van de
80 millioen landgenooten, die véôrhet uitbreken van
dezen oorlog, na de aansluiting van de Oostmark en het
Sudetenland, binnefi de Duitsche grenzen leefden,werden
driekwar, d.i. ruim zestig millioen in één of anderen
vorm – als familielid, als verzekerde of als rentetrek-‘
ker – door de sociale verzQkering behoed. Het teekent
den geest van werken in het algemeen belang, wahrin deze
omvangrijke arbeid voor het Duitsche volk werd gepres-
teerd, dat de verzekeringsinstellingen gemiddeld 92% van
hun totale uitgaven voor prestaties en slechts ongeveer 8 % voor administratiekosten en andere uitgaven besteden. Niet

alleen hét eigen bedrijf van, de verzekeringsinstellingen
echter wordt uit het oogpunt van de grootsterationaliteit
geleid, ook de’ uitwerking van de verzekerin’g op het
economisch leven is, speciaal sedert het uitbreken van
den oorlog, voortdurend bezien met het oog op een vèr-
gaande besparing aan arbeidskrachten en zakelijke mid-
del’en. In dit verband kan vooral worden geween op de
maatregelen to.t vereenvoudiging van den loonaftrek.
De wettelijke aftrekposten van het loon, of salaris, waren mettertijd tot een veelheid van verschillende belastingen,
bijdragèn aan de so’ciale verzekering, contributie van het
,D.A.F.”, enz., uitgebreid, welker vaststelling naar
verschillende maatstaven plaats vond; de loonbureaux
en de uitbqtalingskantoren der bedrijven hadden met de

27 October 1943

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

315

nauwkeurige berekeningen van deze aftrekposten een, naar
verhouding, te groote hoeveelheid arbeid te verzetten.
Om de bedrijven van deze tijdroovende berekeningen

te bevrijden, •had men reeds in 1941 de voor de bere-
kening van de ziekenfondspremies beslissende basisloonen
naar de gemiddelde bedragen van de loonbelastingtabel
vastgesteld, waarna, bij de tweede verordening over de vereenvoudiging van den loonaftrek van 24-4-1942, de
beslissende stap tot de uniforme premie voôr de sociale
verzekéring voor alle in aanmerking komende tkken
van verzekering werd ondernomen. De premieheffing
bij de renteverzekering van arbeiders en employé’s werd
hierbij omgeschakld van het systeem van zegeiplakken.
volgens tien vaste premieklassen, op een percentage van
het voor de ziekte- en werkloosheidsverzekering geldende
basisloon, dat reeds volgens de loonbelastingtabel was
vastgelegd. Het wegvallen van de zegels hield ook een
verandering ,yan de werkwijze in bij de berekening der verhoogde uitkeeringsbedrage, voor welke nueveneens
een percentage van het loon als maatstaf werd aangenomen.
Nu is bereikt, dat de werkgever de premies voor de rente-,
ziekte- en werkloosheidsver2
4
ekering, in een procentgetal
han een incasseerende instantie, nl. het plaatselijk be-
voegde ziekenfonds, afdraagt. Dit percentage van de
totale premie kan uit een, slechts weinig reeksen om-
vattende, tabel wordn afgelezen, terwijl .het voor alle
bedrijven hetzelfde is, met uitzondering van, de nog
steeds plaatselik verschillende ziekenfondspremies.
Het afzonderlijke bedrijf, dat slechts afrekent met het
ééne ziekenfonds, dat voor haar plaatselijk bevoegd is,
heeft echter met een steeds gelijkblijvende verzekerings-
premie te maken. Daar het tot nog toe voor de pensioen-gerechtigde beslissende bewijsstuk, de met premiezegels
beplakte rentekaart,wegva’lt, moet de werkgever, in plaats
daarvan, eenmaal in het jaar den door de(n) verzekerde
in die periode gewerkten arbeidstijd en het loon op deze
kaart noteeren. Wanneer men de fiscale vereenvodigingen meerekent, waarop in dit kader niet kan worden ingegaan,
kan men zeggen, dat het economisch leven door deze
maatregelen een belangrijke ontheffing van admnistra-
tieven arbeid heeft gekregen, waarbij de sociale.verzekering
heeft bewezen, hoe door een energieke veranderng in een
traditioneele werkwijze een in den beginne schijnbaar
gecompliceerd vraagstuk, kan worden opgelost.
De aansluiting van de Oostmark, van hetSudetenland en van de, sedert het uitbreken van den oorlog, bevrijde
gebieden in het Oosten,. Westen en Zuiden, bracht de
taak met zich de nu tot het Groot-Duitsche Rijk be-
hoorende Duitschers deel te doen krijgen aan de bescher-
ming door de Duitsche sociale verzekering. De omvang

rijke wettijke overgangsmaatregelen kunnen hier niet
nader worden beschreven. Zij worden beheerscht door het principe aan de landgenooten, die tot dusverre tot buiten-
landsche verzekeringsstelsels behoorden, de voordeelen.
van de regeling, zooals die tot nog toe was, te verschaffen
(bijv. hoogere loongrenzen voor den verzekeringsplicht in de
Oostmark en het Sudentenland) en om anderzijds iit het
tot voor kort voor hen geldende verzekeringstelsel voort-
vloeiènde nadeelen tea spoedigste te compenseeren (bijv. de
bijtrekking van vroegere dienstjâren hij den wachttijd,
voor de thans naar Duitsch recht te beoordeelen pensioen-
gerechtigdheid, in verband met het tot 1938 ontbreken
van een arbeïdersinvaliditeitsverzekering in Oostenrijk).
Aan dit algemeen overzicht mogen nu opmerkingen
over bijzondere maatregelen in de afzonderlijke takken
van het verzekeringsbedrijf wérden toegevoegd.

1.
Renteerzehering ‘an arbeiders en employé’s.

Men had geprobeerd. het in de crisisjaren oploopend
deficit van de renteverzekering door de bij de noodverorde-
ningen van 1932 Xoorgeschreven vèrgaande vermindering
der uitkeeringen op te vangen; maar ook deze van sociaal
gezichtspunt zeer bedenkelijke stappen hadden op zich-

zelf beschouwd de saneering niet kunnen brengen. Pas met
de wet tot herstel van het vermogen van de invaliditeits-,
de arbeiders- en de gezellenverzekering, van 7-12-1933,
werden. de financieele grondslagen van de rentevërzekering
weer in orde gebracht. Door een nieuwe vaststelling van
premies en uitkeeringen é
1
n door het ter beschikking stellen
van belangrijke subsidies uit rijksmiddelen, werd het
mogelijk gemaakt, dat voor de financiering van de rente-
verzekering het algemeene , $nwartschaftsdeckungs-
verfahren” weer kon worden toegepast, d.w.z., dat uit-
keeringen en premiën zoo op elkaar worden ingesteld,
dat de waarde van alle toekomstige premiën van het
vermogen en van de Rijkssubsidies het bedrag dekken,
dat volgens de waarschijnlijkheidsberekening noodig is om
met rente op rente ‘alle toekomtige kosten te bestrijden.
e tijd van ondersteünde werkloosheid werd erkend als
subsidiaire tijd voor het verkrijgen van een recht op uit-
keering. De door de nood

erordeningen ingestelde kor-
tingen; die hoofdzakelijk bestonden, uit de vermindering
van de renteto,ekénning en veelvoudige wachttijden moesten
voorloopig worden gehandhaafd. Na den voortgang van
het herstel van het economische leven kon’ men, bij de
wet over de uitbreiding van de renteverzekering van
21-12-1937, beginnen om de. renteverzekering voorgoed
te verankeren en de uitbreiding van de prestaties naar
ii.ationaal-socialistische beginselen in te leiden. De wet
leg4e in de eerste plaats vé)e belangrijke grondbegrippn
van het recht der renteverzekering uniform voor alle
takken van renteverzekering vast, bijv. het recht op
verzekering, den wachttijd, het recht op i.itkeering, het chema van de renteberekêning; de. zgn. ,,Wanderver-
sicherun” e. d. De, voor het verkrijgen van een aanspraak
op uitkeering van een rente, vereischte wachttijd beloopt
thaiis 260, 520 of 780 premieweken (60, 120 of 180 premie-
maanden). Tot behoud van het -recht op uitkeering uit
de gestorte’ premies is het jaarlijks betalen van 26 week-
(6 maand)premies vereischt; aan den anderen kant ziet
men hierbij de belangrijk gunstiger bepaling van de zgn.
,,halve dekking’s, d.w.z., dat het voldoende is, wanneer
de tijd van toetreden tot de ren-teverzekering tot aan het
vervallen van de verzekering voor de helft door premies
is gedekt. (Totdien gold de driekwart dekking). Het recht
op zelfstandige verzekering werd aan alle Duitsche staats-
burgers tot het veertigste levensjaar gegeven. De rente-
uitkeeringen voor kinderrijke gezinnen, delnemers aan den
oorlog en jeugdige personen konden belangrijk worden ver-
beterd. De restitutie van premies aan vrouwelijke verzeker-
den der invaliditeitsverzekering il’igeval van huwelijk
gaf ook in dezen tak van verzekering, naar het voorbeeld
der personeelverzekering, de waarborg van financieelen
steun bij het opzetten van een gezin.

De verzekeringsdwang hij de verzekering omvatte vroe-
ger slechts diegenen, die in een dienstbetrekking waren. Aan
de zelfstandigen liet men het over om de verzekering van
hun levensavond door sparen of particuliere verzekeringen
te vQrzorgen. Uit het inzicht, dat bij deze i-egeling met de
behoèfte aan bescherming van breede kringen der nijveren
in den middenstand geen rekening was gehouden, ontstond
de wet op de ouderdomsverzekering van het Duitsche
ambacht, van 21-12-1938, dat alle zelfstandige ambachts-
lieden aansloot bij de personeelverzekering. Teneinde
eigen zorg in geval vak ouderdom en bij ongeschiktheid voor een beroep mogelijk te maken, zijn uitzonderingen
van den verzekeringsplicht toegelaten, voorzooverre een
overeenkomstige levensverzekering- is afgesloten.

Nadat de wet tot verdere opheffing der noodverorde-
ningen in de rijksverzekering,.van 19-4-1939, nogmaals een stap tot verbetering der renteverzekeringen had ge-
bracht, vooral door beperking der ,,Ruhensbestimmuiigen”
en verbetering van weezenrenten en kinderbijslagen,
kwam met het uitbreken van den huidigen oorlog de
groote belastingproef, welke de Duitsche renteve?zeke-
ring door veelzijdige beschermende maatregelen ten

S

/
316

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

27 October, 1943

gunste der-verzekerden tot nog toe in elk opzicht heeft
doorstaan:’ Vele zorgn m6esten van de verzekerden
worden afgenomen; voorzooverre zij in militai}en dienst
traden, fhoest verlies van of inbreuk op hun rechten,
,worden gewèerd; verhinderd moest’ worden, dat zij ‘in
het nadeel kwamen tégenover hun aan het werk blijvende
kameraden. De verordening inzake de renteverzekering
van arbeiders en employé’s en de pensioenverzekerin

der mijriwerkers gedurende den bijzonderen inzet van het’
leger, van 13-10-1939, gaf daarom de tijden van den
militairen dienst in den hudigen oorlog als preiuievrije
perioden voor wachftijd en recht op uitkeerng aan,
voor welke de periodieke verhoögingen worden gewaax-
borgd. Naast deze, bij voorbaat verordenende begunstiging
voor’de soldi&ten was het echtër noodig, wegens de door
den oorlog veroorzaakte uitwerking op het economische
en5ocia1e leven van de burgerbevolking, ook voor de thui-

blijvende verzekerden voorzorgsmaatregelen te nemen
tegen het optreden van moeilijkheden. De verdere maatregelen in de.’rijksverzekering, naar aan-
leiding van den oorlog, van 15-1-1941, bevatté als bdlangrijk
voorschrift ter beschermirig van renttrekkers, die
weder aan het arbeidsproces zijn gaan’ deelnemen, het
verbod om de’rente in te houden of te korten in verband
mçt dit aanvaarden van werk; de wetgever sanctionneerde
hiermede de’ direct na het uitbreken van den ‘oorlog
gevolgde ‘gedragslijn. De aflotp van termijnen voor de,
aanmelding van aansprakeii of ter
voldoening van contri-
buties werd uitgesteld,tot het eind van het kalënderjaar volgende op he’t jaau, dat ‘het einde van d?n oörlog zal
brengen. Om aan de uit alle
,
deelen van Europa en ook’
van overzee weer, naar het Duitsche” Rijk terugkeerende
,,Ausland’
1
-Duitschers, ook voorzoover .zij reeds op ge-
vorderden leeftijd’ zijn, het vrijwillig toetreden tot de
renteverzekering mogelijk te maken, werd ‘de, voor de
zelfstandige verzekering geldende leeftijdsgrens voor hen
van 40,op55 jaar verhoogd. Als bijzondere bepaling vbor
soldaten ‘ werd tenslotte vastgesteld, ,dat bij dood •of
invaliditeit, tengevolge van dienst in het leger, de wacht-
tijd als vervuld wordt beschouwd.

De beide . wetten over de verbetering der., prestaties
in de renteverzekering, van 24-7-1941 en 19-6-1942, hebben
tenslotte,’ behalve de opheffing van de laatste sedert
1932 nog bestaande kortingsbepalingen, de prestaties
van dè Duitsche renteverzekeringop den, op het oogenblik,
hoogst denkbaren stand gebracht. Om te beginnen werden
alle renten met maandelijks RM. 7.00r invaliden, RM. 5
voor weduwen en ‘R. 4 voor weezen verhoogd, terwijl
de kindertoeslagen algemeen
,
op RM. 120 jaarlijks werden
vastgesteld; daarmede zijn alle verminderingen van de renten wederom ongedaan gemaakt. De voor de hand-
having van de ‘aanspraak op uitkeering geldende
,
bepa-
lingen werden in zooverre minder stringent ‘gemaakt,
.dat het recht op uitkeering uit alle, sedert 1-1-1924
tot aali het einde van het op de beëindiging vân den
oorlog volgende kalenderjaar betaalde contributie als
bestaand .i’ordt aangemerkt, voorzooer hot verzekerings-
geval niet voor 26-8-1939 .reeds was ingetreden; alle.vei»-zekerden, die’sedert het eind van de inflatie in Duitschiand
contributies hebben ‘betaald en te eenigertijd de be-
trekking tot de ‘verzekering hebben verbroken, kunnen
thansde, volgens het vroeger geldendé uitkeeringsrecht
vervallen, verzekeringsrelaties weder opnemen en zich
‘daardoor verzekern van de tegenwaarde der door hen
gepresteerde bedragen.
,’
t.

Terwijl voor de nog in het arbidsproces btrokken
landgenooten sedert, nu ,.bijna, 6 decenniën de ‘be-
scherming der ziekteverzekering bestaat, hd men tot nog
,toe voor diegnen die niet langer in het beroepsleven
waren, ook den verzekeringsplicht bij de ziekenfondsen
doen ophouden hij het beëindigen van de beroeswerkzaam-
heid. Deze kring van personen, in den regel invaliden en
oude lieden, moest zichzelf tegen ziëkte ,erzekeren

wat hen wegens het groote risico ,’datzij vertegenwoordigen,

iiiet gemakkelijk viel – of ingeval van zièkte een beroep-
doen op het maatschappelijk hulpbetoon. De b
,
ovengenoem-
de wet van 24-7-1941 voerde met de verpiichte’ ziekte-
verzekering der rentetrekkers een bijzonder verheugende

verbetering in voor alle ontvngers van in’valicUteitsrenten,
pensioen, weduwen- en weezenpensioen (trekkers van
renten uit de mijnwerkers”rerzekering hadden rees
vroeger het genot van deze gunstige régeling bereikt).
De rentetrekkers zijn bij het ingaan van de rente-uitkee-
ringen verplicht ve’zekèrd bij hun bevoegde plaatselijk
of landelijk ziekenfonds, dat hen borgstaat voor het totaal
der zakehijkö prestaties en bij den dood jan den verzekerd
een overlijdensuitkeering betaalt. Prestaties in contant
geld worden verder ‘niet ,’oorgeschreven en zijn ook niet
vereischt, daar immers de verzekerde zijn uitkeering
ook in geval van ziekte nog ontvangt. Van de eenheids-
‘premie, van RM. 3,30 behoeft alleen de rentetrekker
ui.t de invaliditeits-, of personeelsverzekering het aandeel
van RM. 1 bij te dragen, die gelijk bij de uitbetalin
van de rente wordt ingehouden. lIet resteerende, grootere, aandeel ,van RM. 2,30, en bij weduwen- en weezenuitkm-
ringen zelfs het volle bedrag, draagt de verzekerings-
instelling, die voor de’uitke’èring dêr rente verantwoordelijk
is. 1-Jet even eenvoudige als doelmatige procédé .bij het
overdragen dé premie en bij het bewijs van de aansprakk
op prestatie ‘kan hier nie,t nader worden geschetst. De
Duitsche renteverzekering ‘en ziekteverzekering werken
hier in ieder geval op .uitstekende’wijze sarnen
%
aan een
voorbeeldig werk van sociale en rechtvaardige voorzorg,
dat des te meer waard is opgemerkt te wordén, daai het
midden in den oorlog door de, uit hoofde van personeelver-
lies, verzwakte verzekeringsinstelli’igen met succes i,s ter
,hand gendmen en doorgevord. De reeds gcnoèmde
wet van 19-6-’42 schiep tenslotte nôg verderga&nde ver-
beteringen der prestaties voor weduwen met veel kinderen
en stond voor de.eerste maal aan vrouwen, die zonder
schuld harerzïjds warén gescheiden, een aanspraak toe op
weduwenuitkeering,- Oaast de weduwe, die tot de uitkeering
gerechtigd is. De boven hij’ de wet van 15-1-1941 be-
sproken beguntiging van soldaten, wier wachttijd, bij
dood of invaliditeit in militairen diènst als vervuld geldi,
heeft de wetgever tenslotte ook aan die
verzekerden
ten
deel doen vallen, die, tengevolge van een bedrijfsongeva]
invalide (voor hun beroep) ongeschiktworden of overlijden

In het voorgaande is in groote lijnen het beeld ont-
vorpén van den in de laatste tien jaren bereikten vooruit-
gang in de sociale werkzaamheid van de Duitsche rentevér-
zekering; het zou ‘echter,onvolledig en eenzijdig zijn, van-neer het slechts’wees op de eigenlijke rente-uitkringen. De
Duitsche renteverzekering heeft sedert 1933 in toenemende mate den grondslag ,,Schddenverhütung ‘geht.vor Schaden-,
vergütung’ tot de hare gemaakt en haar uitgaven voor
preventieve gezondheidszorg fiemen in het kader van de
totale werkzaamheden een steeds grootere plaats in.
1-her koi’nt in het bijzônder de energie en het initiatief
yan de’ leiders der verzekeringsinstellingen ‘tot uiting, ter
kenmerking waarvan hier eenige informatieve gegevens
mogén worden genoemd. Sdert 1897 is ‘de Duitsche
renteverzekering begonnen met het toestaan van medische
kuren. Toentertijd stond zij 3.374 behandelingen tegen tu-
berculose eii 5,888 andere kuren toe niet een totaal aan
lcotdn van rond 2 millioen’Mark, In 1938 beliep het aantal
behandelingen tegen t.b.c. )ijna 40.000, met RM. 23,6 mi]l.,
die welke voor andere ziekten werden. toegestaan, be-
liepen rond 275,000, met omigeveer RM. 32,4 mill.’ Zoo-
als deze getallen bewijzen, ‘ heeft de ,bestrijding van,
de tuberculose, daar deze de meest verbreide van de
moderne volksziekten is, den voorrang; hiervoor staat
ook de helft, van de eigen geneesinrichtingen dèr rente-
verzekeringsinstellingen (1938: 131 inrichtingen met meer
dan 100,000 verpleegden) met twee-derde der bedden ter

1′

27 October 1943 ,

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

317

beschikking; ter vergelijking zij vermeld, dat er in 1897
in totaal 5, eigen verzekerings-herstellingsoorden waien, met 590 verpleegden. Na de t.b.c., die in de herstellings-
oorden der tenteverzekering, waaronder er zijn met
wereldberoemde namen, wordt behandeld, komen in
aantal de rheumatiékkuren (198: meer dan 1.000), kuren
wegens zenuwziekten (bijna 15.000), wegens niet-tuber-
culose aandoeningen. der ddemhalingsorgandn (meer dan
11.000), wegens •ziekten aan hart en bloedvaten (meer
dan 9.500), enz. Sedert 1941 staat de renteverzekering naast
deze eigenlijke preventieve of bestrijdende geneesmethode
ook rustkuren toe aan die verzekerden, die tengevolge
van. de inspanning van het werk in oorlogstijd behoefte
aan recreatie hebben. Reeds sedert 1934 houden de lande-
lijke verzekeringsinstellingen oefenkampen voor zwakke’en
in hun ontwikkeling achtergdbleve jegdige personen
in stand. Al deze maatregelen op het gebied van gezond-
heidszorg zijn niet telkenmale v’an een verzoek van de(n)
verzekerde afhankelijk; vceleér staat de verzekering
rustkuren bok ambtelijk toe, op voorstel van organen
van het ,,D.A.F.”, van het bedrijf, van den behandelenden
arts, van den vertrouwensarts, enz.

Een bijzondere positie bij de Duitsche renteverzekering
neemt de in de , ,Reichsknappschaft” samengèvatte sociale
verzekering van den Duitschen mijnwerker in. Bijzonder
zwaar door de economische crisis getroffen, heeft de
mijnwerkersverzekering . het bovengeschetste saneerings-
proces der renteverzekering in zijn geheel meegemaakt,
waarbij in den laatsten tijd de algemeene renteverzekering
zelfs in sociale prestaties werd overtroffen. ,,De inzet van
den Duitschen mijnwerker voor de gemeenschap verlangt een
soniale bescherming, die den zwaren krachtverteerenden
arbeid onder den grond toekomt en als een met de trotsche
mijnwerkerstraditie overeenkomstige beoordee1ing erkend
wordt”, staat in de considerans van de verordening over
de, nieuwe regeling van de rënteverzekeiing in den
mijiibouw van 4-10-1942. Door hooge rijkssubsidies,
gemeenschaphulp van de algemeene invaliditeits- en
personeelsverzekeging en door bijzondere overdracht van contributies van de zijde van de ,,Reichsstock für
Arbeitseinsatz” wordt door de ,,Reichsknappschaft” _de
financieele grondslag geschapen, waarop zij aan de mijn-
werkers bij normale verzekeringspremies meer dan normale
prestaties kan geven. De tot nog toe gescheiden takken
van verzekering, nl. de mijnwerkers-, pensioen eninva-
liditeitsverzekering, worden tot de uniforme mijnwerkers-t
renteverzekering samengevat. De hoogte der uitkeeriigeb’
isbelangrijk verbeterd, waarbij de eigenlijke mijnarbeid
onder den grond bij het afwegen der uitkeeringen bijzondére

voorrechten geniet; vooral met
de
ter beschikkingstelling

van d
e
,t,,B
er
gmannst
r
e
u
egeld” genoemde, speciale uit-
keering voor houwers ouder dan vijftig jaar, heeft men geheel nieuwe wegen ingeslagen. –

2.
OngeQa1lenQerekering..

Het recht betreffende de, beroepsziekten, dat zich
sedert 1925 aan het ontwikkelen is, onderging een baan-
brekende hervorming ‘door de derde verordening, van
16-12-1936, betreffende de uitbreiding van de ongevallen-
verzekéring tot beroepsziekten, die de betreffende voor-
schriften in meer volledigen en verbeterden vorm samen-
vatte. De kring van beroepsziekten, welke recht opschade-vergoeding gaven; werd belangrijk uitgebreid, vooral werd
thans op_veel ruimeren schaal rekening gehoudn met de longziektn door stofinademing

Een totale hervdrming en wijziging onderging de
Rijksongevallenverzekering bij’de zesde wet, van 9-2-1942,
betreffende veranderingen in de ongevallenverzekering.
De doeleinden daarvan zijn in de coi3siderans samengevat
met de woorden :,,Uitbreiding van ‘de bescherming door
de ongevallenverzekering tot alle leden van het perioneel,
vereenvoudiging en verbetering dek, rnteberekening,

opheffingvan de kortingen der renten uit den tijd der –
noodverordening, opheffing van bnbullijkheden, die het
gevolg zijn van niet aan schdld te wijten arbeidsvermin-
dering in vorige jaren”. Hierbij staat öp den voorgrond de
uitbreiding, van den kring der onder de ongevallenver-
zekering vallende personen; sedert de stichting van de
rijksongevallenverzekeringhad uien deze vraag beoordeeld
naar het criterium, of het bedrijf, waarin het lid, van het
personeel werkzaam was, in de wettelijke opsomuiiing
van de ,,gevaarlijke” ondernemingen was opgenomen.
Deze reeks was weliswaar in den loop der jaren voortdurend
uitgebreid, maar een rechtvaardige grehs .kon, volgens dit
beginsel van de uitputtende opsomming, moeilijk worden
bereikt. Kantoorpersoneel en huisperson eel konden
hierbij bijv. niet in aanmerking worden genomen.. Bij de
nieuwe regeling heeft de wet den grondslag van• opsom-
ming van bepaalde ‘bedrijven verlaten, waarbij zij als
voor ongevallen verzekerd verklaart: ,,allen, die op grond
van een arbeids-, dienst- of leerbetrekking werkzaam

zijn”. Dit is de omvattende algemeene clausule, waarbij
nog meer groepen van v’erzekeringsplichtige personen

komen, zooals de thuiswerkers en anderen, die zich in een
of andere capaciteit aan bijzohder gevaar blootstellen,
bijv. bij reddingen, luchtbescherming e. d.; ook de, tijdelijk
op de wijze van een verzekerde, werkzame personen, zooals
leerlingen, leeraren in beroepsopleiding, scholingscursis-‘
ten e. d. vallen daaronder. Men kan dus zeggen, dat de
geheele arbeidende bevolking zonder uitzondering onder
de ongeval1enverzekeriig valt, met inbegrip van, de tot
nog. toe daarbuiten vallende personen in kantoor- en
administratieve betrekkingen. Daarmede is in de Rijks-
ongevallenverzekering de, vooruitstrevende vroegere
Oostenrijksche rechtstqestand overgenomen. Alleen per-
sonen, voor ivie reeds uit anderen hoofde voorzieningen
tegen ongevallen bestaan, zooals bijvoorbeeld ambtenaren
of militairen, of die zelf in staat zijn voorzorgsinaatregelen
te treffen, bijv. juristen en artsen in vrije beroepsuitoefe-
ning, zijn met nadruk als vrij van verzekering aangegeven.
Voorts zijn in de wet vèrgaande mogelijkheden geopend
om het voor de ongevallenuitkeering beslissende jaarloon
te berekenen op een wijze, die aan de sociale en economische
positie van de(n) verzekerde is aangepast. Voor personen,
aan wie nog tijdens hun opleiding in hun jeugd een ongeval
-overkomt, is een uitkeering ontworpen, welke stijgt in
ivereenstemming met hun vermoedelijke toekomstige
loon, waarbij iTiet verhoogingen tot het 30ste levensjaar
rekening kan worden gehouden. Het derde boek van de

,Reichsversicherungsordnun”, in
!den
door de wet van

9-2-1942 opnieuw geredigeerden vorm, schenkt aan den
werkenden landgenoot een in elk opzicht op de hoogte

van den tijd zijnde volledige bescherming tegen gezond-heids- en financieele schade door ongevallen gQdurende

het werk.

3.
Ziehteerze1cering.

De gevolgen van de wet betreffende den opbouw va1 de
sociale verzekering,van 521934É voor het arbeidsterrein
der ziekenfondsen, werden reéds in den beginne geschetst.
De in talrijke uitvoeringsbepalingen vastgelegde ver-
anderingen van de organisatie van het administratieve
recht e. d. kunnen hier niet worden weergege.vefi. Een verwijzing zij veroorloofd n&ar de hervorming van het
medische recht, die de, op een verordenin van 2-8-1933

berustende
1
stichting. der, ,,Kassenârztliche Vereinigung
Deutschlands” in werking stelde. Deze is sedertdien
gemachtigde voor de betrekkingen tusschen de zieken-
fondsartsen en de ziekenfondsen en de competente ver-
tegenwoordigster der artsen bij het waarborgen ,van de
medische verzorging bij de ziekteverzekering. Vooi’ de
aan ziekenfondsen verbonden tandarten en tandtechnici
werd in gewijzigden vorm een overeenkorntige iegeling
getroffen. De dienst der vertrouwensartsen van de zieken-

318

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

27 October 1943

fondsen, welke de vet etreffende den opbotiw, zooals
in den beginne vermeld, tot een taak van de landelijke verzekeringsinstellingen hd gemaakt, kreeg in het jaar
1936 een diepgaande wettelijke regeling. Van belang is
tenslotte het doen overgaan van de ,,Ersatzkassen” in
de wettelijke ziekenverzekering hij de twaalfde verordening
tot opbouw der sociale, verzekering van 24-12-1935.
Onder privaatrechtelijke oogmerken opgericht, werden de ,,Erstzkasen” naast de verplichte ziekenfondsen ook
toekomstig toegelaten, waarbij zij echter, met betrekking
e
tot ledenkring, premies l uitkeeringen, volledig aan de
wettelijke verzekeringsinstellingen gelijk werden gemaakt.
Zij mogen nog slechts employé’s of arbeiders als leden
hebben. Personen, die niet als verzekeringsplichtig of
Lot verzekering berechtigd in den zin der Rijksverzekerings-
verordening konden gelden; moesten tot den 31-12-1936,
met het aandeel in het dekkingskapitaal, aan particuliere verzekeringmaatschappijen worden overgedragen.

De omvang van de contante prestaties was door de
noodverordeningen sterk beperkt, daar reglementaire
prestaties boven de wettelijk áangegevene waren verboden.
Deze beperking kon langzamerhand worden verzacht,
totdat men haar eindelijk in den oorlog bij de wet be-
treffende verdere maatregelen in de Rijksverzelering,
van 15-1-1941, geheel heeft laten vallen. De leider van
het fonds heeft het voortaan weer in eigen hand, al
naar den financieelan toestand van zijn fonds en
de bijzonder dringende plaatselijke floodzaak, het toestaan
van het wettelijk peil te boven gaande uitkeeringen in
het reglement op te nemen, waarbij atuurlijk op het
oogenblik de bevolkingspolitieke belangen worden bezien
en daardoor vooral kinderrijke verzekerden worden bègun-
stigd, bijv. door verhooging van de leeftijdsgrens voor ki’nde-
ren, die familiebehandeling genieten, door uitbreiding van
den familiesteun tot in de huishouding van de(n) verzekerde
wonende ouders, grootouders of andere b1oedvwanten e.d.

Reeds vÔôr het afkondigen ‘ran de genoemde wet hadden
de ziekenfondsen zich, zooals vanzelf spreekt, gericht op
de eischen door den oorlog veroorzaakt, en deel genomen
aan de uitbreiding van de kinderzorg, aan vaccinaties,
uitreiking van vitaminen en dergelijke maatregelen, maar
ook speciaal gelet op de juridische belangen der gemd-
biliseerden of op andere wijze uit hun werk gehaalde ver-
zekerden door passende handhaving van de bestaan

de
wettelijke bepalingen. Het ging erom, vooral voor de
familieleden van deze verzekerden de bescherming bij ziekte ook gedurende hun afwezigheid van het werk te
behouden. Voorschrift par. 209b van de Rijksverzekerings-
verordening, volgens hetwelk deelnemers aan korte leger-
oefeningen gedurende deze oefeningen van premies waren
vrijgesteld, waarbij het recht op hulp bij ziekte en bevalling
voor hun familieleden echter bleef bestaan, paste weliswaar
niet woordelijk op
den door den oorlog geschapen toestand,
maar werd in, overeenstemming met de beteekenis door
de fondsen op milit3iren, geïnterneerden, zeelieden, wier
thuisvaart werd verhinderd, en overeenkomstig gelegen
gevallen toegepast. De wet van 15-1-1941 legaliseerde dit
administratieve standpi,int.

én der neteligste problemeh bij de uitkeeringsproble-matiek van ziekenfondsen was steeds verbonden aan het
begrip der zgn. ,,Aussteuerung”, het ,,uitgetrokken”
zijn, volgens hetwelk de fondsprestatie, nl. ziekengeld
eenerzijds en verzorging (vrije geneeskundige behandeling,
medicijnen en kleine geneesmiddelen) anderzijds, slechts
tot ten hoogste 26 weken werd verstrekt. FIet fondsreglement
kon deze-periode weliswaar tot een jaar
verlengen,
terwijl
hij het, gelukkigerwijze, relatief zelden optre’den van
langdurige ziekten, de groote massa der ziektegevallèn
voldoende was verzorgd: maar indien in een, enkel geval
een dergelijke lange ziekteperiode optrad, trof het uit-blijven van de verzorging na 26 of 52 weken den zieke
des te harder, te meer daar het uitgetrokken zijn” vroeger
ook dan werd aangenomen, wanneer verschillende onder-

ling onafhankeiijke ziekten behandeling verlangden, bij
voorbeeld wanneer een organische zieke een verwonding
opliep. Pogingen van de rechtspraak, door grootmoedige
uitlegging, bijzonder onbillijke gevallei te voorkomen, kon-
den niet geheel en al bevredigen. Hulp in den breedsten
omvang werd echter
?gebracht
door het besluit van den
– Rijksarbeidsmnister betreffende verbeteringen in de wette-
lijke ziekteverzekering,van 20-5-1941, die met betrekking
tot, de ziekenverpleging voor verzekerden – en familieleden
het begrip der ,,Aussteuerung’ buiten werking stelde: Een
medische behandeling, medicamenten en de gebruikelijke
geneesmiddelen krijgen de verzekerden nu zonder
beperking in den tijd. Deze, ten dienste van den
arbeidsinzet, bijzonder waardevolle verbetering der
,

prestatie, kan natuurlijk bij het toekennen van ziekengeld
en het verleenen van ziekhhuisverpleging niet eenvoudig-
weg worden overgenomen, daar de zieIenfondsen anders
tot premieverhooging gedwongen zouden zijn. Voor deze
prestaties moet dus principieel de termijn (wettelijk:
26 weken, reglementair: 26-52 weken) blijven be-
‘staan. Als belangrijke vernieuwing is, echter hierbij de
machtiging voor de ziekenfondsen ingevoerd, om na
dezen termijn ziekengeld en ziekenhuisverpleging te ver-
leenen, wanneer, volgens rapport van den vertrouwensarts,
de gegronde verwachting bestaat, – dat de verzekerde in
afzienbaren tijd weder aan het werk zal kunnen gaan.

Ook hiermede dient de ziekenverzekering uitdrukkelijk de
belangen van den arbeidsinzet. De ziekenverpleging der
huisgenooten wordt verbeterd, doordat de tot nog toe
bestaande wachttijd voor het ingaan van prestaties uit
dien hoofde wegvalt en de tot nog toe bestaande tijds-grenzen voor de verleening van medische behandaling
(13, eventueel 26 weken) worden opgeheven, zoodat ook
aan de gerechtigde fahiilieleden medische behandeling
onbeperkt wordt verleend. Het door het ziekenfonds
bij te dragen aandeel in de kosten van medicamenten
bij de familiebehandeling, wordt bij aanmeldingsplichtige
besmettelijke ziekten van 80 % tot het – volle bedrag
verhodgd. – –

De ziekteverzekering van rentetrekkers werd reeds
boven, in de paragraaf over ïenteverzekering, vermeld; een
overeenkomstige begunstiging is ook – – voor achterblij-
venden van oorlogsslachtoffers getroffen. Op den,
in de ,,Mutterschutzgesetz” van 17-5-1942 geschapen,
‘breeden opbouw van de moederzorg kan hier slechts kort
worden gewezen. De wet vergroot de prestaties wat betreft hulp bij bevallingen zeer belangrijk. De beteekenis hiervan
gaat hiermee het eigenlijke gebied van de ziekenverzekering
te boven en wijst den weg naar de bevolkings7 en sociale
politiek vôor de toekomst.

Het voorafgaande overzicht kon slechts in zeer grove
trekken de ontwikkeling nagaa’n, welke de ‘Duitsche
sociale verzekering in de laatste tien jaren heeft onder-
vonden. Het zal in elk geval duidelijk zijn geworden, dat
de voortdurende bemoeiingen van wetgever en uitvoerende
organisaties in staat geweest zijn om den ‘arbeidenden
mensch in Duitschiand de best mogelijke bescherming tegen
nood en zorgen, die voortvloeien uit ziekte, ongeval,
inva]iditeit of – ouderdornsgebreken, te verschaffen. Daar
de sociale verzekering geen museumstuk is, maar een levend, steeds groeiend geheel, moet men deze schets
echter slechts als een voorloopige balans opvatten. Den
kring van het Duitsche volk teboven gande, heeft thans
ook een belangrijk deel van de Europeesche arbeiders kennis
gemaakt met de sociale instellingen in Duitschland. Over-
eenkomsten en verdragen tusschen hét Duitsche Rijk
en een groot aantal Europeesche Staten verzekeren den
buitenlandschen arbeider -bij zijn inzet in het Duitsche
bedrijf de bescherming der Duitsche sociale ver-
zekering; de verzorging van terugkeerenden en van de
in het vaderland achtergebleven familieleden is veelal –
ook in Nederland— in haiiden gelegd van Duitsche zieken- –
fondsen, dië buitén de Rijksgrenzen werden opgericht.

27 October 1948

EÇONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

319

Arbeidspiannen van een, vroeger niet vermoede, continen-
talen omvang, worden op deze wijze mede door de Duit-
sche sociale verzekering mogelijk gemaakt.
Dr. BARESEL.

INGEZONDEN STUKKEN.

VTTIGE STÂKIT’G VAN DE REIS EN SCHEPEN DOOR DE
EIGEN BEMANNING TOT ZINKEN GEBRACHT.

De heer J. M. Caviet Jrzn. schrijft ons:
In het nummer, van Juli 1943 van ,,E.-S. B.” deelde
de heer R. Sodenkamp Jr. één en ander mede van de
arbitrale uitspraak inzake de ,,Antiochia” en stelde daarbij
den Staat ten voorbeeld aan den particulieren assuradeur.
Ik meen, dat de particuliere assuradeur een beter oordeel

verdient.
Wat was toch het geval der ,,Antiochia”? Uit de mede-
deelingen van den heer Sodenkamp krijgt men onwille-
keurig den indruk, dat het door hem behandelde proces
zich afspeelde tusscheri den goedereneigenaar en zijn
assuradeur. De werkelijkheid was, dat het proces werd gevo.’d door een particulieren assuradeur en den Staat.
Die particuliere asuradeur had den goedereneigenaar
binnen zes weken zijn schade vergoed, die particulieïe
assuradeur had geen bezwaren opgeworpen als zoude de
reis- veranderd of gestaakt zijn geweest. Die bezwaren
maakte de Staat, toen deze door den particulieren assu-
radeur werd aangôsproken hem het krachtens ré-assu-

rantie verschuldigde te voldoen.
Het is naar mijn meening. onjuist vergelijkingen te trekke% tusschen verzekering door den Staat en ver-
zekering door particulieren, maar indien men daartoe

wil
overgaan kan in het geval der ,,Antiochia” de ver-
gelijking niet anders dan ten gunste van len particulieren
assuradeur uitvallen. Irrimers, de particuliere: assuradeur erkende aansprakelijkheid, terwijl de Staat.die ontkende.
Voorts stemt het, om met den heer Sodenkamp te
spreken, tot voldoening, dat een particuliere assuradeur
en -niet een verzekerde den Staat tot verandering van
zienswijze heeft gebracht.
Doch ook buiten het geval der ,,Antiochia” oordeelt
de heer Sodenkamp niet juist over den particulieren assu-
radeur en wel doordat hij er zich kennelijk geen reken-schap van geeft, hoe de zgn. ,,vrije markt” was samen-
gesteld, toen daar de verzekeringen werden gesloten,
welke thans moeilijkheden geven. Deze markt werd voor
een belangrijk deel gevormd door buitenlandsche maat-
schappijen, waarmede de Nederlandsche. agent geen
verbinding meer heeft. Kan van zoodanigen agent ver-
wacht worden, dat hij schaden afdoet van de soort waar-
over de Staat procedeert? Is het niet verklaarbaar, dat
de agent de uitspraak van den rechter afwacht? De agent
stelt zich immers bloot aan verwijten van zijn maat-
schappij, indien hij schaden afdoet, welke later blijken
niet verschuldigd te zijn geweest. In zek&re mate geldt
hetzelfde voor Nederlandsche maatschappijen, welke
zich destijds op de ,,vrije markt” bewogen: zij hebben
met vele harer herverzekeraars uit dien tijd geen vee-
binding meer.
De pmcessen, welke de Staat vdert, zijn dus óorzaak,
dat de ,,vrije markt” van v66r 10 Mei 1940 in het afdoen
van schaden ,,onvrij” is geworden. Ik rep slechts van
processen, welke de Staat voert, want ,n bijna alle ge-
Yoerde processen stond de Staat als herverzekeraar ach
,
ter

de schermen. ,
Ik heb hierboven’ opgemerkt, dat het onjuist is het
verzekeringsbedrijf van den Staat met dat van den par-
ticulier te vergelijken. Dit geldt zeer zeker ten aanzien
van de voorschot- eg renteregelingen, wblke de Staat
zijn verzekerde’n heeft aangeboden. De Staat is zich
met de-molestverzekering gaan bezighouden om ont-
wrichting van het bedrijfsleven te voorkomen. Houdt

men dit voor oogen, dan is het verleenen van voorschotten
en het toekennen van extra rente zeer begrijpelijk. Met
,,coulance” heeft dat echter niets van doen. Het parti-
culiere bedrijf heeft nu eenmaal een ander doel dan het
Staatsbedrijf. Beiden doet men onrecht, wanneer men
hun gelijke eischen stelt.

Naschrift.

Het ingezonden stuk van den heer J. M. Caviet Jrzn.
maakt mij bevreesd, dat men misschien, hoewel m.i.,
ten onrechte, uit mijn artikel meent te kunnen opmaken,
dat ik wellicht een lans voor staatsbemoeiing op het
gebied van de schadeverzekering heb willen breken. Dit
is allerminst mijn bedoeling geweest en ik kan slechts
verzekeren, dat ik het optreden van den Staat op dit
gebied als een noodzakelijk kwaad beschouw,’ door den
nood der tijden in het leven geroepen. Ik ben van oordeel,
dat de bemoeiingen vai den Staat bij de molestverzeke-
ring op goederentransporten slechts een aanvullend en tijdelijk karakter moeten dragen in tegenstelling tot de
molestverzekeringen op de zgn. ,,statinnaire” objecten.
Bij het gdval der ,,Antiochia” heeft zich inderdaad
het verschijnsel voorgedaan, dat de particuliere assura-
deur den Staat heeft aangesproken, nadat hij de
verzekerde reeds schadeloos had gesteld. In dit geval
kan ik mij dus volkomen aansluiten bij den lof, dien de
heerCaviet meent dezen assuradeur te moeten toezwaaien.
In mijn artikel, dat een algemeene strekking heeft,
heb ik mij echter onthouden van het nbemen van ver-

schillende op zich
zelf
staande geiallen. Het ware mij
zeker mogelijk geweest om zaken, te noemen, waarbij
particuliere assuradeuren’ vlot betaald hebben.
Ik heb echter slechts terloops een algemeên’ oordeel
gegeven over de verhouding staatsmolestverzekering –
,,vrije” markt, ofschoon over dit onderwerp ongetwijfeld
nog meer te zeggen valt. Ik ben het volkomen met den
heer Caviet eens, dat voor den Staat en den particulieren
verzekeraar niet dezelfde maatstaven kunnen worden

aangelegd.
Het proces ,,Antiochia” werd door mij aangehaald
uitsluitend ter illustratie van mijn betoog over de ,,stakin
van de reis”. Doel van de passages over de houding van
den Staat was alleen om te laten uitkomen, dat nu eenmaal
de Staat tijdelijk en als_noodhulp – is opgetreden
als verzekeraar, wij, m.i., in het algemeen over de manier
van optreden niet ontevreden mogen zijn, al moet ik er
direct aan toevoegen, dat er anderen zijn, die de houding
van den Staat soms als te formeel kwalificeeren. Zooals
ik in mijn artikel reeds heb doen uitkomen kan echter
van den Staat moeilijk anders worden verwacht. Aan-.vankelijk bestond de vrees, ook bij ondergeteekende,
dat het optreden van den Staat op dit gebied tot voor
verzekerden minder prettige ervaringen zou leiden.
In het algemeen is deze vrees echter niet ‘bewaarheid.
Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat wij nu met alles te-
vreden zijn. Aan den anderen kant verlangen wij van
den particulieren assuradeur ook geenszins,dat hij schaden
afwikkelt, waarover door den Staat nog wordt geproce-

deerd. Nog minder, indien het zaken betreft, dle met
90 of 95% herverzekering bij den Staat• zijn gesloten.
Ook-dat de,,,vrije” markt niet altijd hetzelfde standpunt
als de Staat heeft ingenomen is nog daaraan toe. Ik heb in mijn artikel zelfs laten uitkomen, dat voor het stand-punt, om niet tot het verlee’nen van een voorschot over
te gn, misschien wel iets valt te zeggen. Ik blijf het
echter betreuren, dat zelfs op verzekeringen, die met
herverzekering bij den Staat waren gesloten, assuradeuren
de voorschotregeling niet hebben gevolgd en ook niet
bereid zijn tot rente-vergoeding over te gaan. Hierdoor
ontstond de vreemde figuur, dat een verzekerde slechts
een voorschot kreeg van 90% van de 95%, herverzekerd
bij den Staat, en niet van de volle 100%. Thans worden
schaden door den Staat betaald, waarbij slechts rente

/

‘9’•_

-,

-..

320

27 OCTOBER 1943

wordt vergoed over het aandeel van den Staat, doch
niet-over het aandeel van de particuliere assuradeijren.
Het is mij bekend, dat er assuradeuren zijn, die dezen
gang van zaken evenzeer betreuren als ondergeteekende
en persoonlijk op een ander standpunt stonden, ook wat
de kwestie ,,wettige staking van de reis” betreft, en
daarom individueel wel tot afwikkeling van dergelijke
zaken zijn overgegaan.
Hierin ligt waarschijnlijk het verschil van opvatting
tusschen den heer Caviet erf mij, indien men in dit ver-
band tenminste daarvan spreken kan. Ik had het in het
belang van het schadeverzekeringsbedrijf geacht, indien
de particuliere assuradeuren tenminste voor de ver-
zekeringen met herverzekeririg hij den Staat de voorschot-
en rente-regeling hadden gevolgd. -Het optreden van.
den Staat heeft inderdaad ten doel ontwrichting van het
bedrijfsleven te voorkomen. Doch de particuliere verzeke-
ringsmarkt heeft dit doel evenzeer. Ook zij heeft een
belangrijke economische functie te vervullen en het is
naar mijn meening in het belang van de ,,vrije” markt
om dit den verzekerden, indien de gelegenheid zich daartoe
voordoet, duidelijk te maken. Ongetwijfeld is daarvan
ook een colléctieve propaganda voor de verzekeringsidee
het gevolg. –
De vrees van den heer Caviet over mijn oordeel ‘over
den particulieren assuradeur is werkelijk ongegrond.
Daarvoor bestaat ook geen reden. Ook het particuliere
bedrijf heeft in het algemeen zijn taak naar behooren
vervuld en- ik meen zelfs te mogen zeggen, dat het Neder-
landsche bedrijf in dit opzicht den toets der vergelijking
met het buitenland best kan doorstaan.
Er is natuurlijk verschil in houding tusschen den Staat als verzekeraar en den particulieren assuradeur. Dat kan
nu eenmaal niet anders. Wij hebben echter den indruk
gekregen, dat het vooral aan het optreden van de Ge-
machtigdèn der Regeering is te danken, dat er van ge-
maakt is, wat mogelijk was;en dat de Regeering hen zelfs
op enkele punten in staat stelde meer dan dat te doen,
was vooral hetgeen, waarop ik de aandacht wilde vestigen.
De kriebeligheid, die er ook bij inij wel eens is ontstaan over een bepaald formeel standpunt van den Staat (mijn
eerste artikel over ,,Staking van de reis” was daarvan
een gevolg-‘) heeft niet gemaakt, dat ik tot op hedenOver
dit staatsoptreden -wederom als tijdelijke noodhulp –
ontevreden ben. Aan het particuliere bedrijf wordt dooib dezen lof wel geen afbreuk gedaan en mijn waardeering
voor dit bedrijf in, het algemeen behoeft daarmede aller-
minst in strijd te zijn.
R. SODENKAMP Ir.

i) Zie
mijn artikel: ,,Oorlogsmolestverzekering”, in ,,E.-S. B.” van 1 Oct. 1941.

ONTVANGEN BOEKEN EN BROCHURES.

BOEKEN.

Arbeidsoverëenlcomstenrecht,
door Mr. W. C. L. van der
Grinten. (AJphen aan den Rijn 1943; N. SamsomN.V.).

Conjunctuurpolitiek en budgetteering,
door Dr. A. Mey
– Bedrijfseconomische monographieën onder redactie
van Dr. J. G. Stridiron. (Leiden 1943; H. E. Stenfert
Kroese). –

Sociaal Ceographische me,dedeelingen No.
3. Prof. L. van
Vuuren en de sociale geographie in Nederland. (1943).

BROCUIJEES.

De oprichting eener vennootschap en de industrieele eigeitdoin
(octrooi, merk en handelsnaam),
door Mr. J. W. van
– der Zanden. Overdruk uit het , ,Weekblad voor privaat-
• recht, notarisambt en registratie”, jrg. 74, nrs. 3833/4.
(‘s-Gravenhage 1943).

Lijst van aanwinsten (Aug. en Sept.
1943). Economisch’e
Voorlichtingsdienst. (‘s-Gravenhage 1943).

Verslag van den Pensioenraad over het jaar
1942. (‘s-Gra-
yenhage 1943; Algemeene Landsdrukkerij).

Telcstuitgar.’e van nieuwe regelingen ten aanzien van het
arbeidsrcc/tt,
bewegkt dooî Mr. P. A. G. Ubink. le
suppl. (Alphen aan den Rijn 1943; N. Samsom N.V.).

Instituut voor sociaal onderzoek van het. Nederlandsche
volk.
iliededeelingen No. 5.
(Alphen aan den Rijn
1943; N. Samsom N.V.).

Beleggingen in koloniale waarden.
Uitgave van de N.V.
Kredietbank (Brussel 1943).

MAANDCIJFERS.

GECOMBINEER1)E MAANDSTAAT VAN
DE YWR NEDER.
LAM)SCHE
OROOTE
BANKEN EN VAN HET NEDEI1-
LANJ)SCIIE BEIMIIJF DER NEL)ERLANDSCILE

IIANI)EL.MAATSOILtI’PtJ.

Nederi.
Necleri.
Banken
Banken
en Ned.

(In millioenen- guldens)
Haifdel-Mij.

31
31
31
31

Juli
Aug.
Juli
Aug.
1943
1943
1043
1943

Activa:
Kas,

kassiers en daggeldleeningen
167 183
206
210
Ned.

sdhatkistpapier

………….
994
913
1l59
1065

Ander overbeidspapier
…………
15

14

18


18
Wissels

…………………..2 .

1 .

7

7
Bankiers in binnen- en buitenland

67

66

90

89 . Prolong. en voorsch. op effecten

32

62

47

79

Debiteuren
Effecten en syndicaten
……….
Deelnemingen (mci. voorschotten)

4
Gebouwen

14
Diverse reken.
(mci.
oven, posten)
Belegde bestemmingsreserven .

4
Effecten leendepOt

13

13

43

1466 1423 1774
l’assiva:
1081
1012
1284
Vissels

….
.

……………..
– –

115 116
140

Crediteuren

………………..

Kassiers en genom. claggeldleeningen

..

– –
Diverse

rekeningen
33 38
42
Besl,emmingsreserven
1 1 1

Deposito’s

op

termijn

.
………..

13
13
13

.
……………

Effecten leendepôt

…………….

1223
1

Aandeelenkapitaal
.

…………
..170
170

11480

210
Reserve

……………………
73
73
84

STATISTIEKEN.
DE NEDEJILANDSCHE
BAIÇK.
(Voornaamste posten in duizendengu1ilens)

Binnent. ‘wissels
Munt,
open
marhtpapier,
Totaal
Totaal
Data
muntmate-
beleenin gen, voFr-
opeischb.
riacel en
schotten af h. Itijk
activa
schulden
deviezen
‘)
en diverse

rekeningen’)

25 Oct. ’43
3.824.359
142.913
4.040.910 3.929.918
18

’43 3.785.783
142.053
4.000.167 3.889.182
11

’43 3.745.167
142252
3.959.832 3.848.859 ’43
3.’712.074
146.725
3.930.866
3.819.886
27 Sept.’43

3.7

11.143
143.174
3.926.529 3.816.272
20

’43
3.673.481
144.563
3.890.256
3.780.012,
13

’43
3.632.046
149.054
3.854.326
3.744.096
6 Mei ’43
3.673.481 248.256
1.475.306
1.924.016

Banhassig-
Schatkist-
Bankbiljet-
Satdj
natien en
Saldo
Rijk
papier
Data
ten in om-
in
diverse
RIO (D/C)
recht str. loop
BIG
rekeningen
onder-
.
gebracht

25 Oct. ’43
3.155.800
774.086
42.132
G.

98.357
18

’43
3.133.652
755.470
43.141
C.

104.741

’43 3.118.488
730.345
42.105
C.

101.577

4

,,

’43
27 Sept.’43
3.098.836 3.040.983
721.025 775.258
42.084
41.325
C.

97.820
C.

98.452
– –

20

’43
3.006.961
773.027
41.305
C. 100.003

13

’43
2.977.580
t 766.483
41.302
C. 125.276

6 Mei ’43

1.158613
1
255.174
10.230
C.

22.962

1)
Ingevolge de verordening 5811943 (d.d. 26 Juni) zijn de posten
,,Correspondenten in het buitenland” en ,,Buitenlandsche betaal-
middelen (cxci. pasmunt)”, voorheen begrepen in de ,,Diverse
rekeningen”, vanaf 5 Juli opgenomen onder de buitenlandsche
portefeuille in onzen staat samengevat als ,,deviezen”.

134

128

.169

165
-14

17

23

27
12

11

23

23

160 156 215 213

97
13

1714
1217

141

4

13

210′
84

1714

Verantwoordelijk voor het redt gedeelte: Drs. M. F. J. Cool te Rotterdam; voor de advertenties: H. A. M. Roelants te
Schiedam. Drukker en Uitgever: H. A. M. Roelants te Schiedam. Verschijnt tweemaal in de ‘maand, Abonnementsprijs
f20,85 per jaar. Prijs per nummer 50 cts. P 1299/1.

K 2193.

Auteur