Ga direct naar de content

Jrg. 27, editie 1395

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: oktober 14 1942

14 OCTOBER 1942

conomisch
,
-rStat1*stische

Berichten

T

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJ VERHEID FINANCIËN EN VERKEER

27E
JAARGANG

WOENSDAG 14 OCTOBER 1942

No. 1395

/

Eerste Nederlandsche

Verzekering-Maatschappij
oç; het teven en tegen

Invaliditeit N.V

Gevestigd te ‘s-Grauenhage

Administratiekantoor


Dordrecht

Bellevuestraat 2

Telefoon
5346

Ons Bureau voor

Collectieve Contractn

verstrekt gaarne

Gedocumenteerde

adviezen

voor

Personeelverzekering

Hypoth.eekbanken

en Woningmarkt in

Nederland

door

Ch. GLASZ

l5de publicatie van

het Nederiandsch

Econom. Instituut

Prijs f 1055*

(Prijs’ voor donateurs en

leden van het N.E.I. fl.10)

Verkrijgbaar in den boekhandel

Uitgave:

Be Erven F. Bohn N.Y. – Haadem

N.V.

Stoomvaart-Mij. ,,Nederland”

Amsterdam

II
,

N.V.

Rotterdamsche• Lloyd

Rotterdam

Wat is de

HOLLER’I’TH.

Boekhoud- en Statistiek-D
1 ENST

Deze dienst vormt een afdeeling van ons bedrijf,

die over een uitgebreide,, moderne WATSON

Machin Installatie (HOLLERITH Systeem) beschikt,

alsmede over een staf van deskundig bedienend

personeel, om
alle administratieve werk-

zaamheden en statistieken,
tegen een rede-

lijk tarief, feilloos en snel volgens het HOLLERITH

Systeem uit te voeren.

Vraagt nadere inlichtingen aan de:.

WATSON BEDRIJFSMACHINE MAATSCHAPPIJ N.V..
HOOFDVERTEGENWOORDIGING VOOR NEDERLAND DER

INTERNATIONAL BUSINESS MACHINES CORPORATION te

NEW-YORK.
Fredérikspleln 34, Amsterdam C – Telef. 33656-31856

R.Mee’sfjZoonen

Âo. 1750

BANKIERS EN ABSURANTIE-J5AJ(ELAARS

ROTTERDAM
AMSTERDAM
(As..)
‘.-GRA VE NH AGE
DELFT – SCHIEDAM
VLAARDINGEN

0

• BEHANDELING VAN ALLE

BANK ZAKEN

BEZORGING VAN ALLE

ASSURANTIËN

rvi
A

w
c

VERLI[SPOSTEN..VOORKOH[NDSYSTEEH

BESTAANDE UIT VIER DIENSTEN

Deze tijd is rijk aan veran-

deringen. Laat daarom Uw

onbetaald gebleven oude

posten inschrijven bij

DIENST IV VAN HET V.V.S.

VAN DER GRAAF & Co. N.V.

AMSTERDAM C. – AMSTELSTRAAT 14-18

De Scheepsbouw-

nijverheid in

Nederland

door

Ir. J. W. BONEBAKKER

Publicatie no. 16 van het

P RIJ S

Nederlandsch Econom.

1.55*

lnstituut

Donateurs en leden
fl.10

Ve,’1z,’
,
1jgbaa9′ in den Boek!eandei

Uitgave van

DE ERVEN F. BOHN – HAARLEM

TINRESTRICTIE Bi: TINPRIJS

doorM. J. Schut

De Naamlooze’ Vennootschap

Maandblad voor den Ondernemingsvorm en. het

Bedrljfswezen in Nederland en Nederlandsch-lndië

Inhoud September-aflevering 1942

No. 6. Jrg. 21

Nietigheid van besluiten wegens strijd met het ongeschreven

richt. T …………..Mr. W. C. L. van der Grinten.

Doodgeboren. Artikel 41b K. T ….. Mr. J. M. T. A. Simons.
Rationalisatie van den detailhandel• Dr. E. J. Tobi.
De grossier in koloniale waren …. Drs. F. C. Vervloet,

Agio……………………..J. A. Fray.

De herleide overgangsreserve (mededeeling)

Dr. L. M. M. Nijst.

Bokbesprekingen – Rechtswezen – Belastingen.

Dit nummer ,is uitsluitend verkrijgbaar bij abonnement.

Abonnementsprijs
f 10.50
per jaar.

Uitgave: H. v. d. Marck’s Uitgevers Maatschappij N.V. ROERMOND
POSTREKENING 61631.

OOK VERKRIJGBAAR IN’DEN BOEKHANDEL.

ABONNEERT U OP

DE ECONOMIST

ORGAAN VAN HET NED. ECONOMISCH INSTITUUT

Onder redactie van:

Th. Ligthart, Ch. Raaijmakers,
C. A. Verrijn Stuart, G. M. Verrijn Stuart

F. de Vries.

De Economist verschijnt den
lSIen van elke maand. De

prijs voor den jaargang be-

Met 1942 begon de één-en-negen-

draagt? 12.60′ voor ‘t binneni.,

tigste jaargang:
franco
p. 0.1 13.40′;
voor stu-

denten
t 10.50′.
franco p. p.

Proefnummer gratis op

11.30*;
t
13.60
voor het bul-

aanvraag verkrijgbaar!
tenland, bij voorultbetallng.

Abonnementen worden ook door den boekhandel aangenomen.

UITGAAF VAN
DE ERVEN

F. BOHN
N.V.

HAARLEM – POSTGIRO 5403

31 ste Publicatie vn het Neder-
landsch Economisch Instituut.

Prijsf 1.55*

(Prijs voor donateurs en leden
van het N.E.I. .

. . . f 1.10)

Verkrijgbaar i. d. boekhandel

UITGAVE:

De,Erven F.Bohn N.V.,Haarlem

Derde Gewijzigde Druk

van

Egalisatiefondsen
en Monetaire Poli-

tiek in Engeland,

Nederland en de

Vereenjgde Staten

door

Prof.Dr. H.M. H.A.vanderValk

30ste Publicatie van het Neder-

lan’dsch Economisch Instituut.
Prijs f 2.10*

(Prijs voor donateurs en leden
van het N. E. I.
f
1.50)

Verkrijgbaar in den Boekhandel

Uitgave: De Erven

F. BOHN N.V.., HAARLEM

14 OCTOBER 1942

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEIV

conomischA-rStatistische

Berichten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJ VERHEID,HNANCIËN EN VERKEER
UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH. ECONOMISCH INSTITUUT-

27E JAARGANG

WOENSDAG 14 OCTOBER 1942

No. 1395

HOOFDREDACTEUR:

M.
F. J. Gooi
(Rotterdam).

PLAATSVERVANGEND HOOFDREDACTEUR:

H. W. Lainbers (Zwartewaai).

Redactie en administratie: Pieter de Hoochweg 122, R’dam-W

Aangeteekende stukken: Bijkantoor Ruigepiaat weg.

Telefoon Nr. 85000.

Postrekening 8408.

BERICHT.

NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT.

Wijziging Directorium.

Op zijn daartoe
strekkend
verzoek hebben Curatoren
van het Nederlandsch Economisch Instituut Prof. Mr.
J. G. Koopmans, die zich. om
gezondheidsredenen ge-
noodzaakt ziet zijn functie van Directeur van het Insti-
tuut neer te leggen, op de meest eervolle wij ze als zoo-
danig ontslag verleend.

In de vacature, ontstaai door ht aftreden van Prof.
Koopmans, werd per 1 September
1942
benoemd Prof. Dr. H. M. H. A. van der Valk, hoogleeraar aan de Rijksuniver-
siteit te Utrecht en buitengewoon hoogleeraar aan de Ne-
derlandsche Econo’iische Hoogeschool te Rotterdam.
Het Directoriun’Ç van het Nederlandsch Economisch In-
stituut is thans als volgt samengesteld:
Prof. Dr. J. F. ten Doesschate.
Prof. Mr. P. Lieftinck *).
Prof. Dr. J’ Tinbergen.
Prof. Dr: H. M. 11. A. van der Valk. Prof. Mr. F. de Vries.

J. TINBERGEN.
Wnd. Secretaris van Curatoren.

) Door Omstandigheden verhinderd zijn functie uit te oeîenen.

IN1TOUD

BIz.

Overheidsbemoeiïng met landmolestverzekering door
Mr. J. H. C. Slotenlaker …………………. 448

Analyse van de resultaten der Nederlande levens-
verzekeringmaatschappijen in
1941
door
J. C. Brezet- 450

Een centra
1
e documentatiedienst inzake be’drijfsorga-
nisatie door
J. R. ç’an Mansum …………….453

M a’a n’d cijfers.

Indexcijfers van Nederlandsche aandeelen . . .
454

O’erheids,inaatregelen

op

ecolio-
• misch

gebied ……………………….
455

S t a.t i st i e k e n.
Stand van ‘s Rijks Kas

Bankstaten ………
455

GELD- EN KAPITAALMARKT.

De omzetten in schatkistpapir waren deze week weer
bevredigend, zoowel in het – papier met middelmatig
langen looptijd als in de kortere termijnen. In de tarieven,
‘waartegen de verschillende termijnen werden verhandeld,
kwam weinig wijziging, hetgeen dus beteekent, dat voor
de langere termijnen de relatief hooge noteeringen van
de laatste wekengehandhaafd bleven. Met de krappere tendens op de
geidmarkt,
zooals die duidelijk blijkt uit
de tot den laatsten bankstaat steeds gestegen omvang
van het rechtstreeks bij de centrale bank ondergebrachte
papier, heeft die min of meer vaste houding overigens
weinig uit te. staan. De absolute verhouding tusschen
vraag en aanbod ter discontornarkt gaat geheel buiten de
ontwikkeling van de geldrente om, wijl immers de disconto-
voet voor schatkistpapier doorde Schatkist wordt gefixeerd,
zonder dat met de geldruimte rekening wordt gehouden.
De Agent van de Schatkist immers, neemt op de open
markt zooveel geld op als daar beschikbaar is, en de rest
wordt hij De Nederlandsche Bank opgenomen. Het heeft
geen zin om het
1
aanbod ter markt te forceeren door hooger
discontorentete bieden. Wanneer op de markt de tarieven
voor de middelmatig lange termijnen, al aan wisseling
onderhevig zijn, dan is dat uitsluitend toe te schrijven aan
de verhouding van vraag en aanbod in die termijnen,
die echter niet afhankelijk is van vraag en
aanbod
op
de discontomarkt als geheel. De vraag bij den Agent’
richt zich op de drie- en viermaandstermijn en dp jaars-
papier. De omvang van die yraag wordt inderdaad bepaald
door de situatie ter geldmarkt, maar zooals reeds opgemerkt,
kan die verhouding geen invloed uitoefenen op de disconto-
voet, omdat de Schatkist de rente daarvan onveranderlijk
handhaaft. In de andere .termijnen gaat de handel geheel
buiten den, Agent om, en de aanbieders van dit papier
zijn zij, die jaarspapier van den Ageit afnemen.
De
obligatiemarkt
was deze week over het algemeen
gunstig van ondertoon. De 3′ pCt.-leening
1941
bracht
het tot boven pan, t. w. 100
11
/
16
, de week sloot op 100
1
/
32
.
De 3-31
pCt.-conversieleening sloot op
0J16.
De lang-loopende 3 pCt.-leening
1937
stelde zich bij het slot op

93/16,
zoodat deze leening deze week het minst profiteerde
van de betere stemming. In de staatsleeningen was de
handel, hoewel veelvuldig ongeanimeerd, soms toch nog wel
levendig. In de gefneenteleeningen echter
handhaafde zich
de situatie van minimale omzetten, die in deze afdeeling
nu al geruimen tijd voortduurt:
De
aandeelenmnarkt
bracht deze weekeen opleving en voor
verscheidene, fondsen een niet onbelangrijke verbetering
van het koerspeil. Op die herstelbeweging volgde Vrijdag een reactie, wellicht als gevolg van de publicatie, van een nadere interpretatie op de bepalingen van de Uitvoerings-
beschikking inzake de aanmelding en inlevering van aan- –
deelen. Uit die interpretatie blijkt duidelijk, dat men het
voornemen heeft de bepalingen in den meest strengen
vorm naar den letter te nemen, ook waar zullis naar den
geest der voorschriften niet zou worden verwacht. Zoo
moet de aanmelding (bij bereiking van de f 100.000,-
grens) in ieder geval, geschieden, onafhankelijk van de
vraag, of de aankoopen. vooraf zijn gegaan door direct
daarmee samenhangende verkoopen. Het slot vaii d&
week,bracht overigenaaI’weer eenig herstel na de inzinkiig
van

1

1

448

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

14 October 1942

OVERHEIDSBEMOEIING MET

LANDMOLESTVERZEKERING,

Inleiding.

Toen ons land op 10 Mei 1940 in den oorlogwerd be-

trokken, bestonden hier slechts enkele wederkeerige waar-

borgmaatschapijen, welke zich met de zgn. landmolest-
verzekering bezighielden. Doch dadelijk na de oorlogs-

dagen kwam deze tak van verzekering in het brandpunt der

algemeene belangstelling te staan. Er was in die dagen

uiteraard schade door het oorlogsgeweld aangericht; de be-staande molestverzekerings-instellingen hadden in verband

met het uitbreken van den oorlog de acceptatie van nieuwe

verzekeFingen stopgezet, daar zij min of meer belangrijke

schaden te boeken hadden gehad; omtrent de vraag, of

het Rijk (de gemeenschap) de door de oorlogshandelingen
geleden en te lijden schaden geheel of gedeeltelijk voor

zijn rekening zou nemen, verkeerde men aanvankelijk in
het onzekere; en intusschen duurde de oorlogn daarmede de kans op verdere schaden voort.

In grooten getale rezen de onderlinge molestverzekerings-

organisaties (hieronder kortheidshalve aan te duiden als
,,molestonderlingen”) dan ook uit den grond.

Twee reeds op dit gebied werkzame instellingen gingen
terstond over tot de’oprichting van een nieuwe Organisatie

naast de oude, wier ledenwerving was stopgezet. De animo

om zich op vergoeding van molestschaden toe te leggen
‘openbaarde zich o.a. in de assurantiewereld zelf: na den
15den Mei 1940 ontstonden er verscheidene min of meer
,commercieel” getinte molestonderlingen
1
). Niet in de
iaatste plaats door het feit, dat tengevolge van de oorlogs-
omstandigheden verschillende takken van het verzeke-
ringsbedrijf (motorrijtuigen, transport e.d.) een baisse-

periode ingingen, grepen sommige assuradeuren en make-

laars dankbaar de gelegenheid aan, hun bedrijf en agenten-

corps door deze nieuwe verzekeringsbranéhe in stand te
houden.

Voorts waren er vereenigingen of bepaalde groepen
belanghebbenden (huiseigenaren, winkeliers, gemeente-
persoaeel, politie-ambtenaren, employé’s eener onder-

nerhing), die besloten het risico der oorlogsschade geza-
menlijk te dragen.
Daarnaast kwam het voor, dat bestaande wederkeerige
waarborg-maatschappijen, welke zich tot •dusver alleen
met verzekering tegen brand- of stormschade hadden

beziggehouden, een aparte afdeeling,’soms ook een neven-

organisatie, voor, molestverzekering stichtten.

Met name de plaatselijke onderlinge brandwaarborg-
maatschappijen (vooral in. Groningen en Drenthe) lieten
zich niet onbetuigd. Onverklaarbaar was dit niet: men kon
van een bestaand en vooral ook goedkoop apparaat gebruik
maken; een agentencorps was niet noodig; de bestuurders
verrichtten hun taak belangeloos of tegen een geringe
vergoeding; men achtte het eigen kleine werkgebied uit
een oogpunt van oorlogsrisico het veiligst; de deelnemers
kenden elkaar; kortom het eigenlijke en min of meer chauvinistische karakter der ,,onderlinge” kwam hier
duidelijk naar voren.

Deze locale onderlingen verwezenlijkten hun doel op
uiteenloopende wijzen. De
eei!l
deed het door middel van
een kleine reglementswijziging, waarbij de gebruikelijke
,,vrij-van-molest”-clausule werd geschrapt, de ander
richtte een onderafdeeling ‘v’oor molestverzekering op;
weer ebn ander koos den vorm van een meer zelfstandige
neven-ôrgaAisatie onder hetzelfde bestuur. Geconstateerd
moet worden, dat meer dan eens de technische opzet
uiterst simplistisch was en aan elementaire eischen van
rechtsgeldigheid nauwelijks voldeed.

‘) Zie hierover ook Mr. J. J. Kamp: ,,De ontwikkeling en de
huidige stand van de molestverzekering in Nederland”, in
,,E.-S.E.” van 4 December 1940.

Het Besluit betreffende onderlinge moleswerzekeringsmaat-
schap pijen.

De snelle groei en het gevaar voor minder gewenschte
toestanden – waarvan enkele hierna en in een volgend

artikel ter sprake zullen komen – tezamen met de groote

geldelijke belangen, welke ermede gemoeid waren (per 1

Sept. jl. was een kapitaal van ruim f16 milliard verzekerd)
deden al spoedig een ingrijpen van de Overheid op dit ter-

rein noodzakelijk voorkomen, hetgeen leidde tot de afkondi-
ging in het Verordeningenblad Stuk 34/1940 d.d. 1 Novem-

ber 1940 (Staatsblad no. 418 d.d. 1 NQvember 1940) van het
,,Besluit betreffende onderlinge moleswerzekeringsmaatschap-
pijen”
(no. 199/1940), uitgevaardigd door den Secretaris-
Generaal van het Departement van Financiën.

Dit Besluit verbood het na 1 November1940 zonder

de goedkeuring van dezen Secretaris-Generaal in het leven
roepen van een molestonderlinge en legde den bestaanden
molestonderlingen de verplichting op, zich aan te melden,

alle gewenschte inlichtingen.te verstrekken en onderzoek
te gedoogen.

Voorts kreeg genoemde Secretaris-Generaal de bevoegd-
heid, nadere regelen te stellen voor de uitoefening van het

bedrijf, alsmede de bevoegdheid, de liquidatie of fusie

van betaande molestonderlingen te gelasten en de daar-

voor noodzakelijke voorschriften te geven
2).

Tenslotte bevatte het Besluit een strafrechtelijke sanctie

op overtreding van de daarin vervatte of van de op grond
daarvan uitgevaardigde voorschriften.

Omdat er eigenlijk geen enkele officieele, voor dit spe-
ciale gebied geëigende, instantie bestond, het Departement

daarentegen reeds met deze materie in aanraking was,
o.a. door de voorbereiding van de Rijksregeling, is het door
dit Besluit ingestelde toezicht van meet af aan rechtstreeks

door het Departement uitgeoefend. Dit had tengevolge,

dat van den aard en omvang van deze overheidsbemoeiing weinig of niets tot het publiek is doorgedrongen. Daarover moge hier het een en. ander worden medegedeeld.

Het eerste stadium pan uiwoering.

Het aantal bestaande molestonderlingen bleek niet
minder dan 63 te bedragen
3),
terwijl reeds dadelijk een
16-tal verzoeken om goedkeuring tot oprichting werd
ingediend.
Voordat het Departement zijn eigenlijke tak kon aan-
vangen, moesten eerst de gegevns worden verzameld,
noodig ‘voor het verkrijgen van een behoorlijk inzicht in den stand van zaken.

Begonnen werd derhalve met het aan de bestaande of
op te richten molestonderlingen voorleggen van een uitge-
breidevragenlijst. Daarin werden allerlei inlichtingen ge-vraagd omtrent de statuten, reglementen en voorwaarden
.van deelneming, de samenstelling van het bestuur, het
aantal deelnemers, het verzekerd kapitaal, het hoogste en
laagste, op één gevaarsobject ingeschreven bedrag, aard
en indeeling der gevaarsobjecten, de geografische spreiding
dier objecten, de contrôle op opeenhooping van risico’s,
het stelsel van voorschot- en naheffing en andere door de
deelnemers verschuldigde bijdragen, de belegging der geld-
middelen, de reservevorming,de maatstaven, welke golden
bij de schade-afrekening en het tijdvak, waarover deze
plaats vond, de kosten voor administratie, de vergoedingen
voor directies en commissarissen, de provisie voor tûsschen-
personen enz.

‘) Voor een artikel hierover zij verwezen naar P. C. Gruys:
,,Oorlogsrnolestrisïco”, in ,,E.-S.B.” van 28 Mei
1941.
Ingevolge
artikel 7, tweede lid, van het op 5 December 1941 in werking
getredeir ,;Besluit bestreffende het verzekeringswezen” (no.
218/1941; Verordeningenblad Stuk 49/1941; Staatsblad no. 750
d.cl. 5 December 1941) worden deze taak en bevoegdheden sinds 5 December 1961 uitgeoefend door den Secretaris-Generaal voor
Bijzondere Economische Zaken.
‘) Daarnaast werd in 8 gevallen na onderzoek vastgesteld, dat
niet van een onder het Besluit no. 199/1940 vallende Organisatie
kon worden gesproken.

14 October 1942

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

449

Invloed van de Rijksregeling inzake vergoeding van oorlogs-

geweldschade.

Terwille van de chi’onologische volgorde der gebeurte-
nissen moet thans eerst een oogenblik worden stilgestaan

bij het in dien zeifden tijd, ni. op 4 December 1940, in

werking getreden
,,Besluit op de materieele oorlogsschaden”

(no. 221/1940; Verordeningenbiad Stuk 40/1940; Staats-

blad no. 425 d.d. 4 December 1940), waarvan, zooals te verwachter viel, een merkbare invloed uitging. Door dit

Besluit werd voor velen de vraag acuut, of molestverzeke-

ring nog wel reden had. Immers, zoolang dat Besluit on-

gewijzigd van kracht blijft, zal het Rijk een geldelijke

bijdrage verleenen in de door oorlogsgeweld geleden of te
lijden materièele schade aan roerende en onroërende’

goederen.
Het Departement wendde zich in verband hiermede

tot de aangemelde en de in oprichting zijnde mo1estonder-
lingen met als gevolg dat, deels ook op aandrang van het
Departement, 10 bestaande onderlingen tot beëindiging
van, haar werkz’aamheid (liquidatie) besloten, terwijl 8
verzoeken om goedkeuring tot oprichting werdên inge-

trokken.

De overigen motiveerden haar bestaansrecht vnl. op
grond van het feit, dat het Rijk nit alle schaden en niet

elke schade voor 100 pCt. vergoedt en uitgaat van de
waarde op 9 Mei 1940. Voorts gold voor vele maatschap-
pijen, dat zij ook tegen oorzaken van molestschade verzeke-
ren, terzake waarvan het Rijk geen vergoeding geeft, zooals

bijv. binnenlandsche onlusten, staking, oproer, relletjes, diefstal of plundering tijdens evacuatie e. d. Verder ver-

leent het Rijk wel bijdragen ingeval van materieele be
schadiging of vernietiging van roerende – en onroerende

goederen, ‘doch niet terzake van bijv. bedrijfsschade, huur-
dervirig, schade door persoofilijke ongevallen,’invaliditeit
e. d., welke door oorlogsgeweld .kunnen worden veroor-
zaakt, zoodat de particuliere molestverzekering op deze

gebieden een taak bleef behouden. Bovendien werd door sommigen aange’oerd,. dat een
molestonderlinge dikwijls spoediger schadevergoeding kan

uitkeeren of voorschotten daarop kan verstrekken dan
de Staat. Ook stelden onderlingen, die eerst ria het sluiten
van den vrede t9t vergoeding van de over den geheelen
oorlogsduur geleden schade overgaan, zich op het stand-
punt, dat tusschentijdsche liquidatie onbillijk zou zijn
tegenover hen, die nog geen schade hadden geleden;
dezen zouden immers wèl moeten bijdragen in de reeds

door hun mede-verzekerden geleden schaden,, zonder
dat zij, hoewel zij de kans bleven loopen, dat aan hun
goederen véôr het eindigen van den oorlog schade wordt
toegebracht, voor de toekomst van hun verzekering
profijt zouden kunnen trekken. –
Inderdaad wardn deze argumenten over het algenieen
houdbaar. Niettemin had de Rijksregeling, wat het par-
ticulier initiatief betrof, de uitwerking, dat de groote
stroom molestonderlingeis eenigszins werd afgedamd.

Voorschriften voor, de bedrijfsuitoefening.

Zooals hierboven werd opgemerkt, verleende het Be-
sluit no. 199/1940 den Secretaris-Generaal de bevoegdheid
regelen te stellen met .betrekking tot de uitoefening van
hçt bedrijf. Van deze bevoegdheid werd geleidelijk, naar-
mate de behoefte zich deed gevoelén, gebruik gemaakt.
Teneinde regelmatig op de hoogte te blijven van den
stand van zaken, werd allereerst de verplichting ‘opge-
legd, een maandelijksche opgave te verstrekken van den
stand van het verzekerd kapitaal, het totaal aantal deel-
nemers en het hoogste op één gevaarsobject ingeschreven

bedrag
4)
.

Ingevolge den wensch van de militaire bezettings-
autoriteiten werd verboden, in de gebruikelijke, door de
adspirant-verzekerden in te vullen aanmeldingsformu-

‘)
Beschikking Secr.-Gen. Dept. v. Fin. dcl. 13 Ianuari 1941,
no. 107.

heren de vraag te stellen, of het gevaaisobj eet zich bevindt

in de nabijheid van militaire objecten
5).

Daarna volgde het voorschrift, dat voor het oprichten

van nieuwe en

het samenvoegen of opheffen van be-

staande afdeelingen voor molestverzekering, voor elke

wijziging van statuten, reglementen, voorwaarden van

deelneming, aanmeldingsformulieren en tarieven, als-
mede voor fusie of ontbinding van de maatschappij, her-
verzekering of overdracht van de verzekeringsportefeuille

en het aangaan van een collectief lidmaatschap bij een

andere molestonderlinge, de goedkeuring vân den Se-

cretaris-Generaa’l vereiseht is
6)
Aldus kon een wakend

oog worden gehouden op de ontwikkeling van deze le-

vende en jonge materie.
– Korten tijd later werden eveneens de wijziging of vast-
stelling van salarissen, vacatiegelden, provisicln en

andere belooningen of vergoedingen, van welken aard ook,

van directeuren, administrateurs, commissarissen en
tusschenpersonen, en voorts het heffen van een geheelen
of gedeeltelijken omslag aan de departementale gcted-

keuring onderworpen
7).
Het betrof’ hier de eeste stap

op den weg naar het controleeren van de finaacieele
gestie der besturen, waarop in een volgend artikel nader

zal worden teruggekomen.
Vervolgens werd aandacht ‘besteed aan de belegging

van de geldmiddelen,w’aarover de maatschappijen de be-
schikking kregn. Voorgeschreven, werd, dat deze, voor-
zoover zij, na aftrek van de bedrijfsonkosten, niet in
verband met een normale bedrijfsvoering ter onmiddellijke
beschikking moeten blijven, niet anders mogen worden
belegd dan (eventueel moesten worden herbelegd)

in door den Staat der Nederlanden uitgegeven schatkist-
papier of – indien minder dan t 100.000 voor be-
legging in schatkistpapier beschikbaar is of na belegging

in schatkistpapier overschiet – door plaatsing â deposito
bij een bankinstelling of bankier, hehoorende tot de Be-
dri.jfsgroep Handelsbanken. Ingeval het reserves va n meer

blijvend karakter betreft, mogen de gelden behalve in
‘schatkistpapier ook worden belegd in staatsobligatiën ten
laste van het Rijk der Nederlanden. Voor afwijking van
deze beleggingsvoorschriften is de departementale toe-
stemming vereischt
8).
Door deze maatregelen werd

bereikt, dat de gereserveerde gelden rentegevend worden
belegd en te allen tijde liquide kunnen worden gemaakt
en voorts, dat de hoogte der reserves zooveel mogelijk
werd losgemaakt van koersschommelingen of andere

storende factoren.
Laatstelijk ‘volgde ter uitbreiding van het inzicht in
het verloop van-zaken een beschikking, welke bepaalde,

dat op gezette tijden (na afloop van elke verzekerings-
periode, boekjaar e. d.) een overzicht van de bedrijfs-
resultaten aan het Departement moet worden overgelegd
en dat elke molestonderlinge haar administratie aan regel-matige accountantscontrôle moet onderwerpen; voorts, dat’
van elke mededeeling van algemeenen aard, welke een mo-
lestonderlinge aan haar deelnemers doet (circulaire, jaar-
stukken e. d.) een exemplaar aan het Departement moet
worden ingezonden. Eveneens werd het goedkeurings-
vereischte voor herverzekering of overdracht’ van de
geheele of gedeeltelijke verzekeringsportefeuille nader

uitgewerkt. En tenslotte werd het uitbreiden van de
werkzaamheid, zooals deze tot dusver werd uitgeoefend,
tot nieuwe oorzaken van molestschade (bijv. schade
door al of niet bevolen ontruiming of evacuatie, bezet-
tingsschade, req.iisitie, diefstal of plundering tijdens
evacuatie.) en andere categorieën of soorten gevaars-
objecten (bijv. vee, oogst te velde, landbouwproducten,
geidswaarden) of verzekerde belangen (bijv. hypothecaire

vorderingen, bedrijfsschade, huurderving, persoonlijke
ongevallen) van de goedkeuring van de Overheid afhan-

)
Beschikking Secr.-Gen. Dept. v. Fin. d.d. 18 April 4941, no. 210.
‘) Beschikking Secr.-Gen. Dept. v. Fin. d.d. 9 Mei 1941, no. 227.
Beschikking Secr.-Gen. Dept. v. Fin. cl.d. S Juni 1941, no. 130.
Beschikking Secr.-Gen. Dept. v. Fin. d.d. 20 Nov. 1941, no. 175.

t

..

.-.. •,.-,

,

..,

‘•, ‘”‘:


1

450

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN.

14
October
1942

1
kelijk gesteld, ook ingeval een en ander zou geschieden

bij wijze van het verleenen van aanvullende verzeke-

ring
9).

Daarnaast werden nog enkele andere-aanwijzingen aan

de maatschappijen gegeven, o.a. betreffende de toepas-

sing van de Besluiten no.
221/1940
en no.
18/1941,
welke

hier verder onbesproken kunnen blijven.

Door het weven van dit net van voorschriften werd

een deels preventieve, deels repressieve contrôle gescha-
pen. Dat deze heel wat werk voor het Departement mede-

bracht en dat men hier te doen heeft met een ,,dyna-

mische” verzekeringsbranche, welke zichals het ware in
en door de piactijk ontwikkelt, moge blijken uit het feit,

dat tot hog toe 85 verzoeken om goedkeuring tot wijziging

van statuten, reglementen, verzekeringsvoorwaarden, ta-

rieven, énz., werden ingediend, waarvan er 70 zijn in-

gewilligd en 13 zijn afgewezen, terwijl er nog
2
in be-

handeling zijn. In veel gevallen werden de gedane voor-

stellen op uitnoodiging van en in overleg met het De-
partement, dikwijls op ingrijpende wijze, herzien of aan-

gevuld of werden aan de goedkeuring bepaalde voor-

waarden verbonden.
De veelzijdige techniek van deze speciale verzekering

immers maakt een gestadige evolutie door en is er, ‘mede

door het verband met de Rijksregeling, niet eenvou-

diger op gek’orden. De formuleering vereischt de noodige

zorgvuldigheid en de op zich zelf begrijpelijke neiging

van vele besturen om de verzekering voor gegadigden zoo
aantrekkelijk mogelijk te maken strookt uiteraard wel

– eens niet geheel met wat de Overheid in het belang van

een stevige
1
positie der maatschappij wenschelijk acht.

De beorijdende ceerking oan art. 18 Besluit no. 221/1940.

– Reeds tevoren werd gewezen op den belangrijken in-
vloed, welken het Besluit op de materieele oorlogsschaden

op het wezen der molestônderlingen deed gelden. Dit

vond vooral zijn oorzaak in artikel 18 van dat Besluit,
hétwelk in lid
4
bepaalt, dat de verzekeraar tot het be-

drag van de aan den verzekerde verleende Rijksbijdrage

van zijn op hetzelfde schadegeval betrekking hebbende

verbintenis uit het verzekeringscontract is bevrijd, terwijl

lid 5

van dat artikel inhoudt, dat de verzekerde van zijn

verbintenis uit het verzekeringscontract in zooverre wordt
bevrijd, als deze betrekking heeft op dat deel der ver-
plichtingen vaii den verzekeraar, waarvan laatstgenoemde
ingevolge lid 4 van dat artikel ‘is bevrijd.-

M. a. w. aan diegenen, die zich tegen molest hadden
verzekerd en dus bij het aangaan der verzekeringsover-
• eenkomst financieele verplichtingen op zich hadden ge-
nomen (betaling van premie en, zoo noodig, van een
omslag tot een van tevoren vastgesteld maximum) werd
hiér bij wettelijk voorschrift een vermindering toegekend

van het maximum-bedrag, .waarvoor zij zich oorspron-
‘kelijk aansprakelijk hadden. gesteld.
De wetgever wilde aldus de onhillijkheid voorkomen,
dat hij, die uit voorzichtigheid een molestverzekering
had gesloten, dubbele lasten te dragen zou krijgen, nl.
eenerzijds in den vorm van premie en omslag, anderzijds
in den vorm van belastingen, uit welker opbrenst het
Rijk uiteraard de noodige middelen moet putten om de

Rijksbijdragen te voldoen
10)
.
.

Een nadere bespreking van deze belangrijke bepaling
zou ons buiten het bestek van deze beschouwingen voereh
11).

Voor het onderhavige exposé is van belang, dat de be-
vrijdende werking van artikel 18 medebracht, dat de
capaciteit eener molestonderlinge (waaronder te verstaan:
het totaal bedrag, gevormd uit ioorschotpremiën, om-

‘) Beschikking Secr.-Gen. Bijz. Econ. Zaken
0.
d. 22 AugusLus
1942, no. 202. . .
0)
Zie hierover ook
Mr.
Ph.
B.
Libourel: ,,Vorgoedingcn van
oorlogsschade in verband met molestTisico”, in van
28 Augustus 1940 en2 October 1940. – • ‘) Alen, raadplege hierQver het werk van Mr. Ph.
C. M.
van
Campen, ‘,,Rijkregeling veçgoedng.00rlpgsschaden”,

pag. 48 e.v.

slagheffing en eventueele reserve, hetwelk deze op tafe
1

kan brengen om schade, geleden gedurende het tijdvak

– halfjaar, jaar, duur oorlog – waarovér schade-afreke-
ning, moet plaatsvinden, uit te keeren) vermindert naar-

mate de door het Rijk te vergoeden schade stijgt en dat

derhalve een situatie kan ontstaan, waarin de verzekerde,
ondanks de Rijksbijdrage en ondanks het feit, dat hij

verzekerd is, toch geen 100 pCt. vergoeding ontvangt,

omdat de capaciteit van de molestonderlinge is uitgeput.

1-let behoeft dan ook geen verwondering te wekken, dat

de molestonderlingen in verband hiermede naar een weg
hebben gezocht om deze gevolgen te voorkomen en den

verzekerden een onder alle omstandigheden zoo volledig
mogelijke dekking te geven. Deze weg is
1
inderdaad ge-
vonde’n en bestaat hierin, ‘dat de molestonderlinge –
uitgaande van het beginsel, dat het haar leden vrij staat

hun eigen aansprakelijkheid, en daarmede de dekkings-

capaciteit der onderlinge, te bepalen – haar oorspron-

kelijke capaciteit behoudt door de als gevolg van art.
18,
leden
4
en 5, verminderde aansprakelijkheid te –ergrooten
met het.totaalbedrag der aan de beschadigde verzekeMen

toegekende Rijksbijdragen, voorzoover door deze bij–‘

dragen de. -verzekeraar en .de verzekerden gezamenlijk zijn bevrijd. Daartoe,NVerd een constructie ontworpen,

welke hierop neerkomt, dat de molestonderlinge zoo
noodig – ingeval de hoogte der schaden daartoe noopt –

een aanvullenden omslag kan heffen, welke gelijk is aan

en gecompenseerd wordt met het bedrag der Rijksbijdrk-

gen, hetwelk de onderlinge op grond van artikel
18
anders
aan de verzekerden zou moeten truggeven. Dit komt er

derhalve op neer, dat de verzekerden onder

bepaalde
omstandigheden éfstand doen van de bevrijdende werking

van genoemd artikel, d.i. van de hun bij wettelijk voor-
schrift toegekende vermindering van hun maximum-
aansprakelijkheid. .

Deze constructie is thans door middel van wijziging
of aanvulling van statuten, regiemeiiten of – verzeke-
ringsvoorwaarden ingevoerd bij vrijwel alle daarvoor in
‘aanmerking komende molestonderlingen, met dien ver-

stande, dat het Departement steeds de vrijwillige mede-

werking daaraan door de reeds verzekerden als voor-
waarde steldé, omdat daarin een uitbreiding van hun
aansprakelijkheid ligt opgesloten.
Eenige andere resultaten’ van de overheidsbemoeiing
met landmolestverzekering, welke den lezer zouden kunnen
interesseeren, zullen in een volgend artikel worden be-
sproken: ”
Mr.
J. II: C.
SLOTEMAKER.

ANALYSE VAN DE RESULTATEN DER

NEDERLANDSE LEVENSVERZEKERING-

MAATSCHAPPIJEN iN 1941.

Nadat in een voorgaand artikal ) de eigenlijke bedrijfs-
voering ter sprake kwam, zullen wij thans onderzoeken,

hoe in
1941
de resultaten waren van alle Nederlandse
levensverzekeringmaatschappijen.

T1’insib’ronnen.
/

De normale bédrijfswinst hij het levensverzekering-
bedrijf vloeit uit 3 hoofdbronnen: –
de sterfte is gunstiger dan in de tarieven verdiscon-
teerd;

de gemaakte onkosten blijven beneden het daarvoor.,
in de premies uitgetrokken bedrag;


de maatschappij maakt een hogere rente over de door
haar gereserveerde en belegde spaarbestanddelen der ont-
vangen premies dan de intrestvoet, op grond waarvan zij
haar prernietarieven heeft berekeiid.

‘) Zie
J. C.
Brezet: ,,I-Iet bedrijt der Nederlandse Ievensverze-
keringmaatschappiien in 19′.-l” in ,,E-S.B.” ,van
7
October 1942,
pak. 441.

14 October 1942

ECONOMISCH-STA±ISTISCHE BERICHTEN

451
Sterfte.

De op grond van de diverse gebruikte sterftetafels be-

rekende en in de tarieven verdisconteerde sterfte wordt

in tabel 1 gesteld tegenover ht waargenomen aantal sterf-
gevallen. De sterfte in Indië, kwantitatief overigens niet –

zeer belangrijk, iverd hierbij, zoveel, mogelijk geëlimineerd.

TABEL 1.

Verwachte en waargen’n?en sterfte (aantal personen).

1938
1939 1940
1

1941

Kapitaal- en renteverzekering:
Bij overlijden:
11.160
11.580
11.590
11.990
‘T
aargenomen

……………6.490
6.750
8.230 7.750
Idem in pCt.
v.
verwacht
58
.

58
71
65

Verwacht

………………..

Bij

leven:
3.800 4.010
4.214
2.950
3.530
3,700
Idem in pCt.
v.
verwacht
83
78
88
88

Verwacht

………………..3.510
‘V
aargenomen

……………2.904

Volksverzekering:
Verwacht

………………..

..

11.000
131.020
133.370 136.940
80.030
..
84.010 95.730 98.970
Waargenomen

……………..
Idem In pCt.
v.
verwacht
61
.

64
72
72

Zoals bekend, nam de sterfte gedurende 1940 toe ten ge-

volge van de oorlog
2).

In 1941 daalde de sterfte slechts in één der drie cate-gorieër, hoewel het aantal oorlogsslachtoffers onder de
gehele bevolking tot 20 pCt. van het corresponderende

âantal in 1940 slonk.
In het algemeen is hoger sterfte een nadeel voor de
maatschappij in de groep uitkering bij overlijden en volks-
verzekering; dit wordt ten dele gecompenseerd door een
voordelig effect in de groep uitkering bij leven (bijv. op-

houden van een pensioen). –
lIet verdient te worden opgemerkt, dat, blijkens de per-
centages van tabel 1,. de in de premies verdisconteerde
sterfte-opslag ook de laatste 2jaar nog een grote marge ver-
toonde to.v. de werkelijke, sterfte, zodat de ondernemingen
zeIf schokken, vele malen groter dan die van 1940, zonder
moeilijkheden zouden, kunnen doorstaan. In de tweede
groep is de marge – doordat de verwachte aantallen op
speciale sterftetafels voor lijfrenteniers zijn gebaseerd –
lager, hetgeen hier echter. juist günstig is voor de ver-

zekeraars. –
De groter sterfte hij rente- en lager sterfte bij over-
lijdensverzekeringen doet vermoeden, dat de sterfte-winst
in 1941 niet zal achterblijven bij die van het vorige jaar.

Onkosten

Deze worden verdeeld in eerste onkosten, dat zijn kosten
gemaakt ter verkrijging van nieuwe verzekeringen, en doorlopendè kosten, welke dus elk jaar weer voor alle

polissen geschieden. Tabel 2 geeft het verloop van beide
componenten weer.

TABEL 2.
Onkosten (in rn illioenen guldens)

1938
1939 1940
1941

Eerste

onkosten

…………..
Doorlopende

onkosten

………
.17,2
15,8 14,3 16,0 11,6
16,4
15,7
17,1

Totale

Onkosten

………….
1

33,0 30,3
28,0
1

32,8

De sterke stijging der eerste onkosten is toe te schrijven aan de verhoging van het bedrag der betaalde afsluitprovi-
sies tengevolge van de grote productie gedurende 1941;
De doorlopende onkostën namen langzaam toe door
de geleidelijke uitbreiding van het administratieve appa-

raat.

De eerste onkosten”kunnen wij stellen tegenover het
ermee bereikte resultaat: de nieuwe productie. In een
percentage uitgedrukt, eisten zij de laatste 4 jaar achter-
”)
Zie:
P. ,L.
V.
d. Velden: ,,IIet
vrerlag
van de Verzekerings-‘
kamer over het jaar 1940″ in ,,E.-S. B.” van
1 Juli
1942, pag. 303.

eenvolgens 2,7 pCt., 2,9 pCt., 3,4 pCt. en 2,6 pCt. hiervan
op.Relatief zijn zij dus in 1941 sterk gedaald, hetgeen steeds

het geval is
.
in jaren van hoge productie, daar het erin
begrepen vaste gedeelte, zoals reclarnekosten, salarissen

e.d., in dit geval over een groter bedrag wordt omgeslagen.

De doorlopende kosten worden bestreden uit een daar-

voor in de bruto-premie gemaakte opslag.

TABEL 3.

Voor onkosten beschikbare bedragen en u)erkelijke onkosten

(in niillioenen guldens).

1938
1939
1940
1941

Bruto jaarpremie per uIt.

Dec
117,2 120,5
119,2
128,1
Reservepremie

………
…….
92,7 95,4
94,1
101,2

Beschikbaar voor onlosten
24,5
25,1
25,1
26,9
Gemaakte onkosten

……
…..
..15,8
16,0 16,4
17,1

Onkostenmarge

……………8,7
9,1
8,7
9,8
Idem in pCt.
v.
bruto-premie
. .
7,4 pCt.7,6
pCt.17,4
pCt.)7,7
pCt.

Tabel 3 geeft de stand aan van de totaal te’ ontvangen
jaarpremies, wanneer er geen verzekeringen zoudén ver-
vallen of bijkomèn, een momentopname dus.

Na aftrek van hetgeen hiervan moet worden gereser:
veerd voor latere uitkeringen vinden wij hieruit de beschik-
bare kostenopslag. De in werkelijkheid gedureiale het
voorafgaande jaar gemaakte doorlopende kosten blijven
steeds aanmerkelijk beneden dit bedrag. Daar laatstge-
noemde, zoals wij reeds zagen, slechts zeer geleidelijk
stegen, maar de bruto jaarpremie, tengeiolge van de
sterke stijging van het verzekerd bedrag, daarentegen vrij
plotseling toenam, was de kostenmarge, procentueel t.o.v.
de bruto jaarpremie, gedurende het laatste jaar iets
gunstiger dan de voorafgaande jaren.
Ook de component winst in de (doorlopende) kostenop-
slagen zal dus in 1941 zijn toegenomen.

Rente.

1-let gemiddeld rendement over alle beleggingen, bere-
kend als percentage over het gemiddeld gedurende 1941
uitstaande belegde bedrag, bedroeg in 1941 volgens onze
berekening 3,94 pCt.
Floewel het totaal ontvangen rentebedrag nog aanmer-
kelijk is gestegen, heeft het rendementspercentage dus een
nièt onaanzienlijke daling ondei’gaan, daar het gedurende
de jaren 1937 t/m 1939 achtereenvolgens 4,12 4,04 en
4,07 pCt. bedi’oeg. (Voor de analyse der beleggingen en
rendementen verwijzen wij naar een volgend artikel).
De rente over de premiereserve, dat gedeelte van de ont-
vangen intrest dus, dat later aan de verzekerden zal worden uitgekeerd en derhalve voor hen gereserveerd moet blijven,
bleef de laatste jaren voortdurend gebaseerd op een per-
centage van gemiddeld 3,50 pCt. Ook 1941 heeft in dit
opzicht geen belangrijke afwijkingen te zien gegeven, daar
zeer weinig omrekeningen op een andel’ percentage plaats.
vonden. Hieruit volgt, dat de rentemarge, de derde winst-
bron, procentueel belangrijk ingekrompen moet iijn, ni. van
0,57 tot 0,44pCt., een daling van ruim 20 pCt. dus. Hierte-
genover staat echter, dat het bedrag, waarover dit percen-
tage werd genoten, de premiereserve, is gestegen (ongeveer
met 8 pCt). Per saldo zal de intrestwinst dus een teruggang
hebben vertoond, zij het dat deze van tamelijk beperkte
omvang is gebleven. (Uit bovenstaande cijfers zou een
daling van omstreeks 17 pCt. volgen).

De gepubliceerde winst- en oerliesrekeningen.

Deze geven niet aan de winst, gespecificeerd naar de
drie bovengenoemde bronnen. Slèchts de combinatie van
deze drie kan worden gecalculeerd en wel door als winst
naastde ontvangen renten op te nemen de geïnde premies,
verminderd met het daaruit voor toekomstige uitkeringen te reserveren gedeelte, en als verlies de verschillende uit-
keringen. –

452

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

s
14 October 1942

TABEL
4.
Gecombineerde r.vinst- en verliesrekening
(in millioenen guldens)

1Vinsten:

i
1938
1939
1

1940
1

1941

Renten

… ………..
48,3
49,3
51,1
Netto-huren
6,1
.

15,9

7,6
8,1
8,2
Ontvangen

termijnpre-
mies

…………

.47,8

120,0 119,7 125,7
Ontvangen koopsommen
67,9
.
32,0 24,3
60,9
Overige winsten
8
1
0
5,3
4,2
5,7

Totaal
245,7 213,2 205,6
251,6

Verliezen:
1938
1939
.

1940
1941

Uitkeringen:
Kap. hij overlijden
18,1 19,1
22,2
21.7
Kap. bij expiratie
30,4
32,8
35,3
33,0
Lijfrenten
23,3
25,3
26,4
27,9
Uitkering hij afkoop

.
15,3
18,4
21,2
11,3
Gereserv. voor toekom-
stige uitkeringen
.
100,3
59,9
68,1 106,1
33,0
30,3
28,0
32,8
Onkosten

………….
Overige verliezen

. . .
8,9
7,7 5,3
6,2
Winstsaldo
16.4 19,7
19,1
12,6

Totaal
245,7 213,2
205,6
251,6

Tabel 4 geeft een dergelijke gecombineerde resultaten-
rekening voor het geheje bedrijf. Daaruit blijkt, dat in

1941 de schuld aan de verzekeringnemers wegens toekom-

stige uifkéringen aanzienlijk toenam, waarvoor dus sterk

moest woi’den ,,gereserveerd”.

De oorzaken van deze stijging was voornamelijk een toe-

neming der bij de maatschappijen gestorte koopsommen

(premies ineefis en voorts geringer afkoop en een stijging

van het ontvangen bedrag aan premies. –
Het netto-winstsaldo daalde in 1941 belangrijk. Dit
kan wellicht op het eerste gezicht enige verwondering
wekken, daar wij tevoren beredeneerden, dat vrijwel

alleen de intrestwinst noemenswaard zal zijn gedaald.

Nog twee andere factoren waren echter hiernaast werk-
zaam. Wanneer een onderneming gewoon is, haar uit-

gaven, verricht voor een reeks volgende jaren, reeds

uit de winst van dit jaar (althans de eerstkomende
jaren) af te schrijven, kan men zeggen, dat zij een so-
lide of conservatieve financiële politiek voert. Het spre-

kendst voorbeeld hiervan is de afschrij ving van waarde-

volle .machines en gebouwen tot op f1,-. Zo’n consèr-
vatieve politiek wordt ook door vele levensverzekering-
maatschappijen
gevoerd. De eerste kosten, die worden
geMaakt in het eerste jaar van de verzekering, maar eigen-
lijk over de gehele duur van de verzekering zouden mogen
worden verdeeld, schrijven zij geheel af in het eerste jaar,
dat de verzekering loopt (netto-methode). riet feit, dat de
eerste onkosten in 1941 f 4,1 millioen hoger waren dan het
voorafgaande jaar, verklaart dientengevolge een aanmer-

kelijk deel van de winstdaling.
Als derde oorzaak van de winstdaling kan tenslotte nog
worden genoemd de stijging van verschillende van over-
heidswege op het bedrijfsleven gelegde lasten, voorzover

die niet onder het winstsaldo werden opgenomen.
Van de totale winst ad fl2,6 millioen werd f 4,8 millioen
aangewend ter versterking van de (extra) reserves. Bij de
winstverdeling nam de fiscus met een bescheiden plaats

geen genbegen. Voor belastingen werd £ 4,0 millioen be-
steed, waarbij nog moet worden bedacht, dat enkele onder-
nemingen het winstsaldo opgeven na aftrek van belastin-
gen, en anderen geen belastingreserve uit de winst vormen,
doch de aan den fiscus betaalde bedragen afschrijven van
de extra-reserve. Aandeelhouders en verzekerden ontvingen aan dividen-
den en winstuitkeringen tezamen f 2,5 millioen, terwijl
tenslotte aan tantièmisten en personeel nog £ 0,9 millioen
werd toegekend.

Conclusies.

De’ sterke toeneming van het nieuwe verzekerde bedrag,
juist in een oorlogstijd als de huidige, is een bewijs, dat het
w
vertrouen van het publiek in het Nederlandse levensver-

zekeringbedrijf .groot is. Dit vertrouwen is volkomen ge-

rechtvaaidigd; de ondernemingen berusten op gezonde,
baais en hebben daardoor zonder enigerlei nadelig gevolg

de moeilijkheden, die de bijzondere tijdsomstandigheden

meebrachten, kunnen doorstaan. Zij deden zelfs meer dan

hetgeen juridisch van hen kon worden geëist! In geval van

,sterfte door oorlogsmolest keerden zij de verzekerde be-

dragen volledig uit, ook wanneer dit risico in de polis was
uitgesloten, in welk geval de verzekerden dus geen recht

hadden op uitkering van het gehele verzekerde bedrag,

doch slechts op de – vrijwel steeds veel geringere – aan-
wezige premiereserve.

Deze gunstige situatie mag zeer zeker ook voor een ge-

deelte worden toegeschreven aan het toezicht en de des-

kundige adviezen der Verzekeringskamer. Te snel is men

geneigd het bijv. vanzelfsprekend te achten, dat van de

transfermoeilijkheden van buitenlandse valuta geen hinder
wordt.ondervonden. Doch dit is alleen te danken aan een

zoi’gvuldige, steeds op valuta-evenwicht gerichte beleg-
gingspolitiek
3),
waarop ook de Verzekeringskamer, voor
zover nodig, steeds heeft aangedrongen.

Toch zijn aan de oorlogsomstandigheden gevaren voor

het levensverzekeringbedrijf verbonden, ofschoon deze
zich tot dusverre nog niet hebben geopenbaard.

In de eerste plaats bestaat de mogelijkheid van een stij-

ging van de niet-oorlogssterfte; wij zagen reeds, dat hier-

van reeds enige – zij het nog niet ernstige – symptomen

aanwezig zijn. Nederland kende voor de oorlog een zeej’ gunstige gezondheidstoestand, zodat de sterfte-uitkerin-
gen steeds aanzienlijk beneden de daarvoor beschikbare,
uit de premies geFeserveerde, bedragen bleven. Wij hebben

dan ook -de indruk, dat van de drie winstbronnen de
sterftewinst de voornaamste was. Of deze gunstige positie
zich zal handhaven, hangt geheel af van de verdere ont-

wikkeling van de mortaliteit hier te lande. In 1941 beston-

den in elk geval nog’ruime marges. Over de oorlogs-
sterf te menen wij hier kort te mogen zijn. Voorzover
het molestrisico niet mede is verzekerd zou men, naar

onze mening, niet mogen verlangen, dat het levensverze-

keringbedrijf de last van een eventuele sterke toeneming
van deze sterfte geheel zou dragen. Meer nog dan bij de
vergoeding van materiële schade, eist de billijkheid, dat
– afgezien natuurlijk van de van geval tot geval reeds
aanwezige premiereserve – dergelijke uitkeringen niet
door het bedrijf, maar door de gehele bevolking, dus uit
de staatskas, worden bestreden. Op het ogenblik is dit
probleem khter gelukkig nog van academische aard.
In de tweede plaats zijn gevaren-te duchten voor de
onkostenvinst. Een sterke toeneming van de doorlopende
kosten, onevenredig met de ervoor in de premies gecalcu-
leerde opslagen, is alleen te zien als uitvloeisel van eeh
algemene prijsstijging, en wel een stijging van lonen en

salarissen in het bijzonder. Thans is hiervao – prijsstop
en loonstop – nog geen sprake en zolang de oorlog duurt
schijnt elke kans hierop uitgesloten.
De intrestwinst, in de derde plaats, staat reeds thans
niet meer als een rots in debranding, zoals wij boven op-
merkten. Vooruitlopende op hetgeen wij in een volgend
artikel zullen zien, kunnen wij de aanwezigheid van twee
tendenzen constateren: enerzijds het dalen van de intrest-

voet van overheidsleningen tot omstreeks
31
pCt. en an-

derzijds een steeds verder gaande verschuiving van de
beleggingen van het levensverekeringbedrijf in de rich-
ting van overheidsleningen. Daar de tarieven in het alge-
meen gebaseerd zijn op ditzelfde percentage van
31
pCt.,

resulteert hieruit een tendens van’ de intrestwinst om tot
nul te naderen. Thans is dit nog niet het geval; in hoeverre
dit punt zal worden bereikt of benaderd, hangt geheel af
van de doorwerking der beide genoemde oorzaken. Op
langere termijn lijken ons echter de vooruitzichten voor

1)
Vgl.: C.
Goedhart : ,,Aetleve beleggingspolitiek der Neder-
landsche maatschappijen van levensverzekering”, in
,,E.-S.B.”
van
6
Maart
1940.

MjW

14 October 1942

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

453

de intrestwinst minder zwart. Gezien over de laatste 50

jaar, is de intrestvoet thans laag; enige stijging is na de oorlog hoogst waarschijnlijk. Is het levensverzekering-

bedrijf op dat momènt nog in een phase van uitbreiding,

dan zal het rendement op Ie
nieuwe
beleggingen verbeteren.

Onze beschouwingen samenvattende, kunnen wij zeg

gen: de levensverzekeringmaatschappij garandeert aan
den verzekerde uitkering, tegen een vaste prerniebetaling.

Deze laatste is gebaseerd op een bepaalde sterfte, onkosten-

opslag en intrestvoet. Alle drie lieten in 1941 nog vrij

ruime marges. De sterfte heeft kans in de oorlog te stijgen

en de rente te dalen, wat per saldo ongunstig is. Vooi’ na

de oorlog dreigt meer het gevaar van een ongunstige
kostenontwikkeling.
Een opmerking tenslotte hog over de nieuwe verzekerin-
gen. De omstandiheden zijn thans voor het levensverzeke-

ringbedrijf wel uitermate gunstig. De aanwendingen voor
besparingen en vrijgekomen kapitalen in de goederensfeer
zijn schaars. Vanzelf wendt men zich dan te eerder tot de
geldsfeer: banken,’ spaarbanken, levensverzekeringmaat-
schappijen.

Wanneer echter eenmaal de goederensfeer weer investe-
ringsmogelijkheden gaat bieden, zal voor de genoemde
credietinstellingn het kritieke ogenblik zijn aangebroken.

Zoudeafkoopsterktoenemen in een tijd, dat de rente hoog,
dus de koersen laag zouden zijn, terwijl weinig nieuwe ver-
zekeringen toevloeiden, dan zouden de levensverzekering-
maatschappijen v’oor ‘moeilijkheden kunnen ko’men door
de hieruit voortvloeiende noodzaak van verkoop van effec-
ten. Deze nadelige gevolgen zullen echter 2chterwege
kunnen blijven, indien de heriivestering in de goederensfeer
op zeer geleidelijke wijze plaatsvindt, hetgeen trouwens
ook tiit andere overwegingen wenselijk is.

J. C. BREZET.

EEN CENTRALE DOCUMENTATIEDIENST.

INZAKE BEDRIJFSORGANISATIE.

Het vraagstuk van de interne bedrijfsorganisatie mag
zich de laatste tientallen jaren, zoowel in ons land als
daarbuiten, ‘in een steeds groeiende helangstelliiig ver-
heugenr Deze groèiende belangstelling komt ook tot
uiting in de literatuur. Dit is op zich zelf zeer verblijdend,
daar de literatuur in belangrijke mate kan bijdragen tot
de zoo noodzakelijke uitwisseling van ideeën en ervaringen.

De groote omvang van de literatuur maakt het echter
buitengewoon moeilijk zich snel te oriënteeren. Dit geldt
vooral voor de practici, die in den regel niet voldoende
tijd hebben om langdurige speurtochten door de lite-
ratuur te ondernemen. Weliswaar zijn er allerlei biblio-
theken en documentatie-instellingen, die op aanvraag
literatuurlijsten verstrekken, doch uit deze dikwijls
verschillende pagina’s beslaande opsommingen van titels
kan men moeilijk zien,
welke
boeken
precies van belang
zijn en op welke bladzijden men in die boeken moet
zoeken.
Een tweede moeilijkheid is, dat de meeste bibliotheken,
wat betreft het onderwerp interne bedrijfsorganisatie,
slechts over een zeer onvolledige verzameling beschikken.
Weliswaar zijn er tal van goede particuliere verzamelingen.
Deze bestrijken in den regel echter een beperkt terrein. In vakkringen heeft men zich reeds geruimen tijd afge-
vraagd, hoe men deze moeilijkheden op rationeele wij ze
zou kunnen oplossen. Men is daarbij tot de conclisi’e
gekomen, dat een goede bplossing o.a. aan de volgende
eischen zou moeten beantwoorden:
1
0
.
Men moet over een behoorlijk onderwerpsgewijze
gerangschikt kaartsysteem beschikk’en, dat men voort-
durend bij de hand heeft, zoodat men het te allen tijde kan
raadplegen.
2°. •Dit kaartsysteem dient volgens een zeer fijn on-
derverdeelde systematiek gerangschikt te zijn, daar anders

het aantal kaartjes, dat men vôor een bepaald onderdeel
moet raadplegen, te groot 7,ou worden.
3°. Voor ieder detail-onderwerp, dat in eenig boek wordt

behandeld, dient een afzonderlijk kaartje aanwezig te

zijn, dat verwijst naar de bladzijden, waarop het betrok-

ken onderwerp is behandeld.

40• De kaartjes dienen een duidelijke omschrijving

te geven van den aard van het in het desbetreffende ge-
deelte behandelde.

Door deze laatste drie punten wordt een zeer groote

selectiviteit verkregen en wordt het zoekwerk tot een

minimum beperkt.

Het opzetten en handhaven van een dergelijk kaart-
systeem beteekent echter een zoo groote hoeveelheid
werk, dat dit voor de afzonderlijke bedrijven practisch

onuitvoerbaar is. Men is daarom aangewezen op samen-

werking. De kosten kunnen daardoor ovèr een aantal
bedrijven omgeslagen en tot een minimum worden be-
perkt. Bovendien wordt door samenvoeging van de

kaartjes der verschillende aangesloten bibliotheken een
veel vollediger beeld van de beschikbare literatuur ver-
kregen. –

Op grond van deze overwegingen heeft een aantal

vakmenschen in onderling overlg het initiatief ge-

nomen tot het instellen van een Centralen Documen-
tatiedienst inzake Bedrij fsorganisatie (C. D.B.)’). Flet Raad-
gevend Kantoor heeft daarvoor een speciale afdeeling
in het leven geropen, die thans reeds van het begin

van dit jaar af in werking is. Deze staf zal tezamen met
deskundige medewerkers uit andere bedrijven de geheie
literatuur op het gebied der bedrijfsirganisatie, voor-
zoover van• eenig belang, systematisch doorwerken en
classificeeren.

Daartoe is allereerst een zeer uitvoerig decimaal clas-
sificatie-systeem ontworpen, dat bestaat uit een hoofd-

code, en een afzonderlijke bedrijvencode. De hoofdcode
van dit classificatië-systeem telt nu reeds niet minder
dan 1200 hoofden, de indeeling naar bedrijven ongeveer
300. Door het decimale systeem kan ieder onderwerp
steeds weer verder worden onderverdeeld en kan men
er dus voor zorgen, dat rubrieken, waarin te veel kaartjes
komen, nader worden onderverdeeld. Voor hen, die de
voorkeur geven aan toepassing van de Universeele De-
cimale Classificatie, wordt daarnaast ook de U.D.C. toe-
gepast. (Het eene nummer. staat rechts op het kaartje,
het andere links; men kan’ de kaartjes dus zoowel naar het eene als naar ‘het andere systeem rangschikken).
De hoofdcode van den C.D.B. omvat de volgénde tien
hoofdgroepen:

0. Algemeene grond’slagen en algemeene aspecten van
de bedrijfsorganisatie.
Juridische en financieele organisatie.


Arbeidsverdeeling, leiding en contrôle.
Personeel- en arbeidsvraagstukken.


Terreinen, gebouwen, huisvesting, inrichting, ,enz.
Kostprijs, waarde- en balansproblemen.
Technische organisatie.
Commercieele organisatie.
Administratieve organisatie.
Algehieene hulpdiensten• en stafafdeelingen, externe
adviseurs en controleurs.
Elk dezer tien hoofdgroepen is op ‘zeer overzichtelijke
wijze onderverdeeld. De code is losbladig en kan daardoor
regelmatig worden aangevuld.
Het gehele systeem is het’resultaat van een langdurige
studie en is getoetst aan de hand van de meest uiteen-
loopende literatuur. De kans, dat later in de literatuur
nog begrippen worden aangetroffen, die in het code-
systeem nog geen plaats hebben, is daardoor zeer klein
geworden. Het ontwerp is ter beoordeeling toegezonden

‘)
Momenteel gevestigd in het Raadgevend Kantoor voor Orga- – nisatie en Efriciency te Amsterdam.

rai

454

ECONOM ISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

14′ October 1942

aan hen, die zich vÔÔr 1 Augustus 1942 hadden aange-

sloten. Deze konden zich allen met het ontwerp ver-
eenigen.

De literatuur wordt nu volgens deze gedetailleerde

systematiek geëxcerpeerd. Van een boek komen daarbij

zooveel kaartjes als er detailonderwerpen zijn, die in dat

boek voorkomen. Op deze kaartjes staat duidelijk.ver-

meld, op welke bladzijdenmen het betrokken onderwerp
kan vinden. Verder is de inhoud in het kort aangegeven.

Onderaan staan de nummers van de bibliotheken waar

het boek aanwezig is. Elk der aangeslotenen zendt in
verband daarmede bij zijn toetreding een opgave in

van de in zijn bezit zijnde literatuur. Daarbij geeft hij

tevens aan, welke literatuur hij van bijzonder belang

acht. Bij het excerpeeren zal aan deze literatuur zoo

veel mogelijk voorrang worden verleend. De kaartjea

kunnen desgewenscht met de kaartjes van den Econo-

mischen Voorlichtingsdienst door elkaar in eenzelfde
bakje’ worden opgéborgen.

Behalve den inhoud van de bibliotheken der aange-
slotenen wordt ook die van enkele belangrijke openbare
en semi-openbare bibliotheken in het kaartsysteem op

genomen, zooals bijv.:

Handels-Economische Bibliotheek te Amsterdam.

Bibliotheek der Economische Hoogeschool te Rotterdam.

Bibliotheek der Technische Iloogeschool te Delft.

Bibliotheek van het Nederlandsch Instituut van Ac-
countants.

Bibliotheek van het Serninarium voor Bedrijfshuis-
houdkunde van de Universiteit te Amsterdam (waarin

opgenomen de unieke verzameling aangeboden door de
,,Taylor Society”).

Bibliotheek van het Instituut voor Handels- en Eco-
nomische Wetenschappen (Katholieke Universiteit) té
Leuven.

Voozoover eenig boek niet hij een dezer laatste instel-

lingen verkrijgbaar is, bestaat de mogelijkheid dit boek

bij een der aangeslotenen te leenen, voorzoover deze zich

MAANDCIJFERS.
INDEXCIJFERS VAN NEDERLANDSCIIE AANDEELEN (Centrâal Bureau voor
de Statistiek).

(Men zie voor de wijze van berekening der indexcijfers het Maandschrift ian het C.B.S. van Maart 1925, blz. 355 e.v. en 30 April 1937, blz. 605 e.v. De lijst der fondsen, uit welker noteering de indexcijfers worden berekend, ligt ter inzage op

het Centraal Bureau voor de Statistiek).

De tusschen haakjes geplaatste cijfers geven het aantal fondsen aan, waaruit het indexcijfer berekend is.

1930
=
100


(29)
(22) (51)
(6)

Cd

(6)
(1)
(5)
(5)
(7)
(4)

&

(5)
(29)
(100)
(15)

100 100 100 100 100 100 100
100

_

100 100 100 100
100
100
1931
72 76
74
86
55 57
51
68
51
68 65
66
70
59
1932
44
65 49 64
30
37 32 86
29
89
46
41
46 39
1933
51
59
54
72
26
44
34
35
45
38 59
49 52
’36
1934
50
66
57 68
21
42
84 28 73
41
69 58
55
34
1935
46
67 55
75
21
47 38
34
80 48
65
60
55
37
1930

………

1936
52 76


64
80
38
79
44
42
109
70 73
79
66
62
1937
85
108
95 103
113 108
70
64
209
92
107 120
104
76
1938
84
105
93
.99
98 90
57 56
145
81
94
98
96
54
1939
86
100
92 80 94 79
45
63
132
53
84
.56
90 56
1941
4
)

….
140 154 146
91
139
72 74
75
192
75
101
110
129

Jan. 1941
126.2
189.2 131.8 85.9
134.1
70.8
61.8 77.6
186.2
7046
93.4
.
106.4
120.0
69.7
Febr.
120.8
183.4
126.2
84.1
125.3
62.0
56.7
69.6 169.9 64.9
89.4 97.6
113.4
63.4
Mrt.
123.0
135.8
128.5
82.1
125.6 60.0
56.8
69.9
174.0 64.9 90.7
99.0
115.1
63.8
April
134.3
151.7
1418
87.1
133.7
70.6 68.8
78.9 189.
75.3
100.7
109.5
126.5
57.1
Mei
130.2 146.2
137.1
88.3
128.6
64.7
67.6
74.5
181.3
72.4
100.1
105.2
121.6

Juni
127.1 141.1 133.1
85.5
124.8
— 66.9
68.1
169.4
70.4 97.3
99.0
117.1

•Juli
136.9

150.2
142.8
87.7
133.7
65.8
74.8 72.5
186.2
76.0
99.1
106.4
125.6

Aug.

,,
147.0
160.3
.152.7
92.2
144.9
71.2
79:2
75.4
195.2
77.9
100.2
110.9
133.6

Sept..

,,
154.1
170.7
161.3
96.3
156.3
84.1
89.1 81.4
.218.2
85.2
106.0
122.1
143.0

Oct.
150.2
166.8 157.4
96.3
154.7
84.1
84.5
82.0
218.2
85.1
112.0
123.5
141.1

Nov.
161,4
176.6
167.9
99.6
161.9
‘89.5
90.3
85.3 229.5 89.3
121.2 180.4
149.9

Dec.
163.6
177.9
169.8
103.4 139.6
76.0
91.3
67.9
186.5
72.3
103.3
105.5
142.8

Jan. 1942
160.4
174.5
166.4
103.6
127.2 65.8 89.5 53.7
127.1
49.0 78.7
762
131.6

Febr.
157.5 170.5
163.1
107.1
118.5 60.9
85.4
46.2,
101.5
41.4
.70.3
.63.1
125.5
– –
Maart
154.4
168.5 160.5
104.9 112.7
62.3
•84.2
43.9
.106.1
41.8
61.3
62.3
123.1

April
167.1
176.9
171.4
107.9 133.2
79.0
93.5
50.5
126.3
49.7 73.7 73.6
134.6

Mei
159.0
169.3
163.4 101.4
133.3
79.5
90.3
48.0
122.6
47.8
72.0
70.7
128.3

Juni
164.6
175.5
169.3
99.5
138.9
88.4
944
51.4
130.6
50.6
75.2
75.1
133.4

Juli
167.6 178:5 172.3 99.9
136.0 90.6
95.8
49.6
125.2 47.7 71.7 71.7
134.1

Aug.
176.6
187.8
181.5
102.1
146.5
103.0 103.3
52:5
181.8
51.4 73.5 75.8
141.4

Sept.
170.8 178.0
,

173.9 98.6
186.0 88.7
95.9 52.3
130.8
52.1
75.4
75.9 136.0

‘)
Fondsen.

die zoowel internationaal ‘verhandelbaar zijn,
als geacht
kunnen worden

terk den invloed
van
den
buitenlandschen conjunctureelen toestand te ondervinden. –
Hieronder is ook het petroleumaandeel uit de voorafgaande kolom opgenomen.
Hieronder zijn begrepen de aandeelen uit de 4 voorafgaande kolommen.

Aandeelen van Nederlandsche en Nederlandsch-Indische ondernemingen, waaronder
voorafgaande kolommen zijn opgenomen.

Daar over de maanden Mei t/m Augustus 1940 geen indexcijfers werden berekend,
gemiddelde voor 1940 te geven.

3 fondsen, die niet in de jj

is het niet mogelijk- een

31

– .-

14 OcL’oher 1942

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

47551

althans op basis van wederkeerigheid tot onderlinge uit-

Ieenirsg bereid heeft verklaard.
Door deze regeling erkrijgt men toegang tot eeh aantal

zeer- goed gesorteerde partiçuliere verzamelingen.
Reeds thans mag de C.D.B. zich, dank zij de grondige

en breede opzet, in een ruime mate van belangstelling

vtn de zijde van bedrijfsleven en overheidsinstellingen

verheugen en het is te verwachten, dat de C.D.B. eerlang

tot een dienst van respectabelen omvang zal uitgroeien.

J. R. VAN MANSUM.

OVERHEIDSMAATREGELEN OP
ECONOMISCH GEBIED.

GELD-, CREDIET- EN BANKWEZEN EN BELASTINGEN.


Qvernensingscredletcn.
Besluit, waarbij regelen zijn

vastges Leid inzake verleening van overnemingscredieten.

(E. V. 2/10/’42, pa(r. 1206; Stct. No. 188).

Waardepapieren. Besluit, waarbij de SecretarisGene-
raal van het Departement van Financiën de bevoegdheid
verkrijgt om aandeelen en andere geen vaste’rente dra

gende waardepapieren in bepaalde gevallen te doei
aangeven en inleveren. Hierbij kan tevens de, verplichting
tot vervreemding en belegging van de verkregen op

brengst op bepaalde voorgeschreven
wjjz6
worden op

gelegd. (Zie ook de aanteekéning ,,De nieuwe béu
rs-

maatregelen” in ,,E.-S.B.” van 30 September 1942,

pag. 432 e. v.). (E.
V
. 2/10/’42, pag. 1207; Stct. No. 187;

V. B. No. 25).

Voorscuot door cle INedI. Ilank
ingevolge art. 16 van haar
t

15.000.000,-
t


Voorschot door de Ned. Bank

in reken.-cour. verstrekt ..,,
2.023.395,22

Schuld

aan

de

Bank voor

octrooi

verstrekt

………

Ned.

Gemeenten

……..
Schatkistbiljetten

in

omloop
,,

110.196.000,-
,, 110.096.000,-
Schatkistpromessen in omloop
,,2751.400.000,-‘)
,,2852.500.000,-)
Daggeldleeningen

……….


Zilverbons in omloop

……
127.104.002,-
128.386.745,50
Schuld

op

ultimo

Aug.

….

1942 aan de gemeenten weg.

…….

a. h. uit te keeren hooîds. d:
pers.bel., aand. i. d. hooïds.

..

d. grondb. e. d. gem. fondsb.
alsm. opc. op die hel, en op
de vermogensbelasting


Schuld

aan

het Alg.

Burg.
Pensioenfonds
1)
Id.

aan het Staatsbedr.

der
……1.296.395,39

P.
T.
en T.

‘)

…………
288.035.586,55
,,

298.511.399,83
Id. aan andere Staatsbedrij-
ven

‘)

……….

………….
…19.514.791,28
19.514.791,28
Id. aan div. instellingen
1)

..
461.748.374,18
,,

47

1.748.410,13

‘) In rekg. crt. met ‘s Rijks Schatkist.

)
Rechtstreeks bij De
Nederl. Bank geplaatst
t
255.000.000,-.
3)
Idem t 324.000.000,-

DE NEDERLANDSCIIE
BANK.

Verkorte balans op 12 October 1942

Activa.

(Hfdbank.

297.000.000
Binnenl.

Wissels,

‘Bijbank


Promessen, enz.

Agentsch.
::

2.000
-297.002.000
Papier op het

Buitenland

– .

f1.378.810.957
Af: Verkocht maar voor

de
.
bank

nog

niet

afgeloopen

Beleeningen mci.

Hfdbank.

f

129.274.942 i)
1.378.810.957

voorschotten in

Bb nk

1723739

rekening-courant
Aen
a
tsc
i
l.3
:
986
:
854


t

139.985.535

Op Effecten,

enz.

……….

t

139.854.469
‘)
Op goederen en Ceelen

131.066

Voorschotten

aan het

Rijk …………………
139.985.535
1)

13.919.933
Munt en mi.rntmateriaal:
Gouden

idunt

en

gouden
muntmateriaal .

t

917.809.475
Zilveren munt,

enz.

… ..-

. –

,

.7.04.405
‘924.8-13.380

1
Belegging van kapitaal, reserves en pensioenfonds
,,

60.516.674.
Gebouwen en meubelen der Bank

………….
-,

4.000.000
Diverse

rekeningen

…..-

…………………….
-1.63.528.625


,

.

..-

.

….

12.982.577.604

Passiva.
– –

Kapitaal

………………………………..
1

Reservefonds


………………………….
8.050.922
Bijzondere.reserves

……
……………….
……..
19.564.874.–
Pensioenfonds

……………………………….
13.141.77.0
Bankbiljetten

in

omloop

………….. ……..
2.724.143.500.
RankassignatiOn in

omloop

…….
………..
;……

9.953
-Rek-Courant
f
Van het Rijk

f


-,
saldo’s

1. Van anderen

,,


191.775.428



,,

191.77.428
Diverse rekeningen

………………………5.891.157

11


t 2.982.77.604

BeschiklaTar dekkingssaldo

…………………
f1.208.704.547
Minder bedrag aan bankbiljetten in omloop dan
waartoe de bank gerechtigd is

…. ……….
3.021.76-1.360
Schatkistpapier, rechtstreeks hij de bank onder-

gebracht

………………………………
297.000.000
1)
Waarvan aan Nederlan.dsch-Indiê (Wet van.,
15

Maart

1933,

StaatsNad

No.

99) ……………..
52.706.509


Voornaamste posten In duIzenden guldens.

Gouden
‘.


Cru

‘Andere
Beschikb.
1
Dek-
Data
munt en
1n_

1
opeischb.
dekking-
1
kings- muntmaler.

schulden
saldo
1
perc.
12 Oct.

’42!
‘917.809
‘2.724.144
.

191.785
1

1.208.705
1
±32
5

,,

‘421
98 Sept. ‘421
9

17.829
923.380
2.71 1.127
2.679.921
204.980
1

1.182.553 1
1
±32

6

Mei ‘401
1.160.282
1


1.158.613
180.261
255.183
1.218.076.1
1-607.042
32,5
1

83
Totaal
Schâikist-

Deler-
I’apier
1
Div..
Dala
bedrap
prom.
op
het
1
reken.’

disconto’s rechtstr.
ningen
buitenl.
(act.)
12 Oct.2
297.002

1

297.000
139.986
,
1.378.811
5

,

’42
334.002


I
334.000
139.615
1.373.913
141.583
28Sept.’42
250.002

1
250.000
V
,
143.313
1.359.670

116$.529
160.561
6 Mei ’40
9.853

1

217.726
750
150.648

DUITSCIIE RIJKSBANK.
(in mill. R.M.)

Goud

t

Renten-
Andere wissels,
1

Betee-
Data
I
en
1

bank-
chêques
en
deviezen
1

scheine schat.ki.stpapier
ninen

7 Oct.1942
1


76,5
1

302,2
24.206,4
1

16,9
30 Sept. 1942
1

76,8

1

297,5
,

23.995,9
1

21,3
23

,,

1942
1

77,0
1

356,3
23.178,6
1

13,9
23 Aug. 1939
1

77,0

1

27,2
.
8.140,0
1

22,2

Data
Ei/er-
Diverse
L

Îrcu-
Rekg.-

1
Diverse
ten
Activa
latie
Cr1.

1
Passiva
7Oct.

’42
68,0
1.146,4
21.870,4
1

2.706,6

1
706,7
30Sept. ’42
67,8
1.801,5 22.036,9
1

2.985,5

1
703,2
23

,,

’42
1

67,2
1.134,8
20.911,1

-I
2.731,5

1
669,9
23 Aug.’39
1

982,6
6.380,8

,

8.709,8
1

1.195,4

1
94,2

OEZAIIIENLIJKE STATEN VAN DE NATIONALE BANK VAN
BELGIIt EN
VAN
DE EMISSIE BANK TE BRUSSEL.
– –

(in mill. – Francs)

1
1
o 3-
n
B a
,1
W

n
.e>.-.,
u
,
‘5
0
1
I(
0
Ln
333)
i
!
1


b
0
cI’0
1
1
Oct.

’42
11
16.831
1

361
21.584
1


1.707
llll
5:;

ö

ï

24Sept.’42
1
46.389

1

404
20.819
1.745
61.529
3.829
8.201
17

,,

’42
1 45.916
1

364
20.945
1
1.789 61.128 3.830 3.259
10

,,

’42
1
45.681
1

398
21.475
11.819
60.961
3.885
3.728
3

,, –

’42
1
45.121
1

357
21.461
11.883
60.618
3.929
3.478
8 Mei ’40
1
23.606

1
5.394
695
11.480
29.806

909

STATISTIEKEN

. –

STAND VAN
‘s
RIJKS KAS

,

Vorderingen

1
30
Sept.
1942

7Oct.1942
Saldo van ‘s RijkS Schatkist

hij de Nederlandsche Bank
t


t

.4.395.018,67
Saldo b. d. Bank voor Ned.
,,

383.295,63
V oorschotten op ultimo Aug
,
1942

aan

de

gemeenten

verstrekt

op

aan

haar

Gemeenten …………….2.497.223,73

uit te keeren hoofdsom der

.

pers. bel., aand. in de hoofd-
som der grondbel. en der
gem.fondsbel., alsmede ope.
op die belastingen en op de
.4.510.5881
9
,,

14.510.588,19
Voorschotten aan Ned.-Indië’)
,,

221.904.050,12
250.032.782,62
7.940.192,86
,,

7.940.192,86

vermogensbelasting

………

320.283,23
.
260.283,23
Kasvord.

wegens credietver-

Idem

voor

Suriname ‘)……..
Idem

aan

Curaçao
‘)

…….

strekking a. h. buitenland
.,

8.502.948,23
,,

18.802.948,23
Daggeldleeningen tegen onder-
pand………………
,,


Saldo der postrek. van Rijks-

comptabelen

…………
92.537.304,77
103.053.366,71
Vordering op het Alg. Burg.

…………….

Pensioenfonds
1)

357.842,52
Vordering op andere Staats-
…….

bedr. en instellingen

)
54.117.717,86
,,

62.617.71 7,08
Verplichtingen
1

456

14 OCTOBER 1942

A?fabetische Index O’v&heidsmaatregelen ‘.op economisch gebied

(Zie

voor

den

alfabetischen

Index
Overheidsmaatregelen

in

1941

tat

•Jaarregister

1941,

laatste bladzijde.)
Blz. Blz. Biz.
Aardappelen 33, 47, 248, 314, 335, 354, 364,
165,

195,

205, 215,

227, 248,

305,’ 364, 375,
Vennootschapsbelasting

227, 305, 335, 395
394, 414,,424
385, 394/95, 425, 446
Verf en -grondstoffen

……….
1
02, 165
Aardolieproducten ……….102, 345, 414
Landstand, Nederlandsche

. . .
33, 102, 272
Vermogensbelasting

……….227, 305
Accijns

…………33,

185,

195,

364,
,354,
Leeningfonds

1940

………………102
Vervoerswezen ……59, 102, 165, 248, 375
Advertenties …………………….345
Loonbelasting

.
…………………335
Verzekering

………………..414,

445
Afval

……………………465,

445
Lucerne

……………………….354
Vestigingseischen ………………..102
.A.beidszaken

113,

189, 215,

227,

248,

272
Machines

………………………215
Vezelstoffen

……………………215
305, 325, 345,

354, 364, 374, 414, 445
Meel

en

-producten

……….101,

195
Visscherij

33,

59, 102,

123,

215,

305,

325,
Bakkerij

………………….335,

345
Melk

en

-producten

…………33, 205
.

385, 425
Bank- enCredietwezen

……….33, 195
Merkengeld

……………………113
Vlas

…………….59,

75,
.

227,

248

Bankwet

1937

………………..195
Metalen 47, 58, 75, 155, 186, 195, 227, 238,
Vleesch

……59,

165,

185,

205,

315, 355
Bedrijfsorganisatle Vee en Vleesch 59, 305,
394, 414
Voederbieten

…………………..215
315
Middenstand ……………. 195,

215,

272
Voedselvoorziening 33, 47, 59, 75, 123, 155,
Bedrijfsvorm

…………………..59
Mijnbouw

……………………..305
475, 205, 227, 355, 364,

375, 415, 425,

446
Belastingen

…. 33, 59, 227, 248,305, 355
Molens

……………………….445
Vruchtboomen

………………..355
Bindtouw

………………….33,

215
Motorbrandstof

. .
.’.

58, 165, 215, 305, 325
Vijandelijk vermogen

…………….215
Binnenscheepvaart .. 59, 156, 238, 248, 446
Nationale

Plan

…………….101

365
Waardevermeerderingsbelasting

……385
Bloembollen

……………………364
Nederlandsche Ooöperatieve Raad
. . . .
196
Warenwet

……………………..305
Bloemkweekerij

………………..155
Nicotine

……………………..102
Wol’

…………………………205
Boschbouw

……………………185
Olitn

en

vetten

. . . .

102, 195, 215,

305
Wijnbelasting

………………….33
Bouwnijverheid

………..47, 58, 113, 325
Omzetbelasting 59, 102, 227, 315, 335, 364,
‘Zaden 47,

59, 102, 123, 156,

195, 205, 335, Buitenlandsche Handel 47, 59, 75,.101,

113,
.

425
364, 385
155, 204

215, 227, 238,

272, 314, 325, 345,
Ondernemingsbelasting

……….227, 364
Zuidvruchten

………………….195
374, 384, 414, 445
Oorlogsschade

……….123,

184,

195
Zuivel

227,

335,

355,

364, 385, 395, 415,
Chemische Industrie ……….58, 184, 248
Oost-Compagnie,Nedcrlandsche

…….314

446
Commissarissenbelasting…………..415
Organisatie Bedrijfsleven, 47, 102, 113, 123,

Deviezenverkeer …..33, 59, 167, 335
165, 195,

04, 215, 227, 238, 248, 305, 314,

Diamant

113
325, 335, 345, 354, 363,
1
……………………..
Paarden
Pacht

……

67,’

O2′,’ ï2’3′,’ ’16’5

335

354
Dividendbeperking

…………..59,

35
p

58

102

195

204

215

335

Distributie

………………………..

Pelterijen

58

248

Economische Rechtspraak ……..194, 445
Peu1’yuchten

………………….205
Eieren

……………………248,

354
Pluimveehouderij

……….165, 248, 354
Electriciteit

……………………
Postverkeer

……………………59
Electrotechnische Industrie

……….58
Prijsregellng 47, 58, 75, 101, 113, 123, 155, Fruit

………………59,

315,

345, 445
165. 184, 195, 204, 215, 227, 238, 248, 305,
Garnalen

……………………..123
314, 325, 335, 345, 363, 384, 394, 414, 424,
Gas…………………………334
445
Gasgeneratoren

…………………325
Radio

……………………….47
Gevogelte

……………………47
Rantsoeneering

………………..227
Goederen voor Duitsche Weermacht … 345
Registratlerechten

………………59
Gort

…………………………335
Restaurants

……………………75
Grafische Industrie

……….58,

75, 194
Rijwielen ……………………47,

123
Granen

……………………….

‘205
Rubber

………………..113, 123,

305
/
Gras

…………………………354
Ruwvoedergewassen ………………355
Grasland

……….33,

67,

85,

155,

205
Slachtvee

.
………..33, 59, 67, 248,

272
Groenten ……….33,

155,

315,

335,

345
Smeerolie

……………………..102
Handel .. 204, 215, 227, 238, 248, 314, 325,
Spaar-en betaalzegelkasbedrijf 102, 227, 355
345, 354, 363, 374, 384, 394, 414, 424, 445
Spertijden

Kleinbedrijf

……….75,

123
Heffingen

……………………..354
Suikerbieten

………………….205
Hennep

……………………..205
Surrogaten

……………………155,
Hooi

……………………..335,

354
Tabak …………..47,58,113,

195,

355
Hout

……..248, 272, 335, 345, 354, 445
Tankgas

……………………..205
Industrie- 238, 248, 345, 354, 363, 375, 384,
Textiel

………………102,

325,

364
394, 424, 445
Tuinbouw

33, 59, 102, 205, 227, 364, 395,
Kaas

………………….75,

227,

315
,

414, 425
Kamers van, Koophandel

……..47, 184
Turf

………………………..59,

335
Kantoormachines

………………156
Tweelandenorganisaties

…………..59
Kapok

……………………101,

165
Uien

………………………….q3
Keramische

Industrie

……….58, 194
Varkens

………………..59,

227,

315
Klaver

…………………………354
Vee67,165, 185, 195, 205, 227, 248, 272, 315,
Klompen

……………………..’.

272
,

.

355,

375, 414;’ 425
Kunstmest

………………59, 215,

335
Veenproducten

………………..113
Kweekerij

……… .. ……..59,

354
Veevoeder

…………..47,

102,

238, 445
Landbouw 33, 47, 59, 67, 75, 85, 93, 102, 155,
Vennootscbappen …………….

325, 363

DE TWENTSCHE BANK
N.V.

-.

ÎAA’ANDSTAAT OP 30 SEI
3
TEMBER 1942.

Kas, Kassiers en Daggeldleeningen …….f
11.137.550,43

Kapitaal
.
……………………………f
40.000.000,-

Nederlandsch Schatkistpapier …………..
286.397.259,56

Reserve ……………………………. ..11.000.000,-

Ander Overheidspapier ………………..
7.617.165,99

Bouwreserve ………………………… ..

1.500.000,-

Wissels ……………………………..
604.282,01

Deposito’s op Termijn …………………,
43.098.916,87

Bankiers in Binnen- en Buitenland ……..
13.231.428,13

Crediteuren …………………………..
257.052.516,80

Effecten en Syndicaten ………………..
2.476.232,87

Overloopende S’aldi en Andere Rekeningen ,,
10.318.245,93

Prolongatiën en Voorschotten tegen Effecten
,,

7.868.422,91

‘Reserve voor Verleende Pensioenen ……. ..
1.550.190,91,

Debiteuren
.
………………………….
28.146.293,49

Aandeelhouders voor Effecten in Leendepôt ,,
12.963.950,-

Deelnemingen
(mcl.
Voorschotten) ………
1.491.044,21

Gebouwen …………………………..

..
4.000.000.-

Belegde Reserve voor Verleende Pensioenen
,,

1.550.190,91

Effecten van Aandeelhoudrs in Leendepôt
,, 12.963.950,-

f
377.483.820,51

,

,

f
377.483.820,51

t-

Auteur