Ga direct naar de content

Jrg. 27, editie 1376

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: juni 3 1942

3 JUNI 1942

A UTE URSRE CHT VOORBEHO UDEJV

Economi[sch,–fStatistische

/ Berichten


ALG EMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

27E JAARGANG

WOENSDAG 3 JUNI 1942.

No. 1376

11

HOOFDREDACTEUR:

M. F. J. Copl (Rotterçlain).

PLAATSVERVANGEND -HOOFDREDACTEUR:

H. 14′. Lainbers (Zwartewaal).

-Redactie en adnzinist,atie: Pieter de Hoochweg 122, R’dam-W

Aan getee/cende stukken: Bijkantoor Ruige plaatweg.

Telefoon Nr: 35000. Postrekening 8408.

Abonnementsprijs Poor het weekblad, waarin tijdelijk

is opgenomen het Economisch-Statistisch Maancibericht,

franco p. p. in Nederland / 20.85* per jaar. Buitenland en

/coloncën f 23.— per jaar. Abonnementen kunnen niet elk

nummer ingaan en slechts worden beëindigd per ultimo yan

elk kalenderjaar. Losse nummers 50 cent. Donateurs en

leden oan het Nederlandsch Economisch Instituut ontc.’angen

het weekblad gratis en gen’ieten een reductie op de nerdere

picblicaties. Adreswijzigingen op te geQen aan de administratie.

– AdQertenties 900/pagina / 0.28 per mm. Andere pagina’s

f 0.22 per mm. Plaatsing bij abnnenzent Qolgens tarief.

INHOUD:

Blz.

De gewijzigde positie van de groote banken in Neder-
land door
Mr. W. H. C. Schukking …………..242

Gezinsgrootte en woningbehoefte door
Dr. Iî. H. G.

an

Beusekom

…………………………..245

Ontvangen boeken, brochures en

s t a t i s t i e k e n

………………………
247

Overheidsmaatregelen

op

econo-

misch

gebied

……………………..
248

Statistieken.

Bankdisconto’s – Wisselkoersen – – Bankstaten
249

GELD- EN KAPITAALMARKT.

Zoolang er geen wijziging komt in cle bestaande situatie

met betrekking tot de betalingsbalans met Duitschiand,

is er ook geen wijziging van beteekenis te verwachten ter-
zake van de tendens der ontwikkeling van de
geldmnarhC

Behoudens dan een eventueele tijdelijke verkrapping,

ingeval van uitgifte van een nieuwe- staatsleening. De
Agent van de Schatkist plaatst nog regelmatig papier
op de markt. Zelfs de maandwisseling brengt daarin
nauwelijks verandering, omdat de geidbehoefte per

ultimo tegenwoordig maar weinig schommelt, waardoor
de invloed daarvan zich in feite beperkt tot de markt

voor callgeld. Slechts bij uitzondering, en dan nog in
geringe mate, wordt het absorptievermogen voor schat-
kistpapier erdoor getroffen.

De
obligatienmarkt
blijft vo]harden in de geringe leven-
digheid, die deze markt nu al geruimen tijd kenmerkt

bij gebrek aan aanbod van befeekenis. Nu alle
3
pCt.-
.leenirigen om en nabij pari staan, zijn koersfluctuaties
van heteekenis ook niet te verwachten, zoolang er althans
geen aanleiding tot een daling van het koersniveau . is.

Pas wanneer de uitgifte van een nieuwe staatsleening,
hetzij conversie-, hetzij consolidatie-operatie, weer wat
aanbod uitlokt, is ook weer eenige beweging van het
koerspeil te verwachten. De omvang der middelen, die

voor uitzetting op de kapitaalmarkt in aanmerking –
komen en daar geen emplooi hebben gevonden, moet

zonder twijfel zeer omvangrijk zijn. Een deel daarvan is
natuurlijk slechts latent beschikbaar en wordt gereser-
veerd voor een nieuwe staatsleening. Maar men heeft
den stelligen indruk, dat ook boven de daarvoor eventueel

benoodigde middelen al weer bij verschil]ende beleggers
emplooi zoekende kapitalen disponibel zijn.

De
aandeelenmarkt
bleef ook in de verslagw’eek stil en
maar weinig bewogen. Opvallend was de hernieuwde inzinking voor bankaandeelen, die het koerspeil – van

deze aandeelen, met uitzondering van aandeelen Neder-
landsche Bank, weer deed dalen tot het laagste in den

laatsten tijd (kort na de aankondiging van de nieuwe
belastingen) behaalde peil, waarop inmiddels weer een
aardig herstel was gevolgd. Voor de overige binnen-
landsche aandeelen houdt blijkbaar de vraag van koo-

pers, die het om ,,Sachwert” te doen is, los van oogen-
blikkelijke rendementsoverwegingen, het koerspeil op,
ondafiks de vermindering van de vraag van hen, die wel op het rendement letten. Verschillende industrieele aan-deelen waren tegen het einde van de week zelfs vast ge-
stemd, zoo hijv. aandeelen Gist en Spiritus na de afsplit-
sing van de ,,scrip”, aandeelen Ned. Kabel, enz. De
hoofdfondsen wâren over het algemeen goed van onder-
toon. De omzetten bleven echter, zooals boven reeds

opgemerkt, binnen zeer enge grenzen. –

242

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

3 Juni 1942

DE GEWIJZIGDE POSITIE VAN DE GROOTE

BANKEN IN NEDERLAND.

De oorspronkelijke taak n de banken.

De groote of algemeene banken
1),
zooals wij die tegen-
woordig kennen, dragen onmiskenbaar het stempel van

een liberaal economisch stelsel. Zij zijn daar zelfs min of

meer een product van, waar de opkomst van het bank-

ledrijf in grooten stijl nog geen eeuw geleden, tijdens de

stormachtige technische ontwikkeling van de industrie
en den daarmede gepaard gaanden grooten opbloei van

den internationalen handel, plaats vond. Als zoodanig

zijn zij daardoor nauw verbonden aan de begrippen en
toestanden uit die beginperiode, die medebrachten, dat

het vrije initiatief van den prominenten hankiei een

open arbeidsveld vond, waaraan de snelle groei en dik-

wijls belangrijke concentratie van de banken tot machtige
finantieele instellingen te danken was.

De taak van deze banken onder dit niet-gebonden econo-

misch stelsel bestond iii hoofdzaak in de financiering van

den particulieren ondernemer, hetzij door het verleenen
_van bankcrediet of door het onderbrengen van aandeelen-
kapitaal of obligatieleeningen bij de kapitaaikrachtige

groep van de
bevolking.
Weliswaar oefetiden de banken
dikwijls één of meer nevenfuncties uit, doch deze werk-
zaamheden, hoe ômvangrijk zij soms ook waren, bleven

toch altijd van meer secundair belang. Bedrijfspolitiek
en structuur werden voornamelijk bepaald door de hoof d-

functie van de banken, nl. die van financieringsinstituut

van het particuliere bedrijfsleven.

Mochten wij de algemeene banken in hun huidigen

vorm dus qualificeeren als kinderen van een liberaal eco-
nomisch stelsel, dan verbaast het ons niet, dat, waar de
voedingsbodem zich wijzigde, ook hetgeen daaruit was

voortgekomen, een verandering moest ondergaan. Over de

oorzaken van de spanningen in het liberaal economische
stelsel, dat tenslotte daardoor in zijn bestaan werd be-

dreigd, kunnen wij in dit bestek niet uitweiden. Wij

mogen volstaan met deze te constateeren en daarbij te wijzen op het nieuwe stelsel van meer gebonden aard,

dat zich thans in een tijd van een politieke en sociaal-
economische vuurproef begint baan te breken. Deze

wijziging van de algemeene economische structuur, waar-,
van de voorboden zich reeds in de depressieperioden
véér dezen oorlog vertoonden, moeten wij zien als de
omlijsting van de veranderingen, die ook ten aanzien

van het bankwezen hebben plaatsgevonden en thans nog
plaatsvinden.

De OQerheid 9erdrïngt den particulieren cliënt.

Eén van de meest in het oog vallende veranderingen,
die zich in de volkshuishouding, en met name in versneld
tempo in de laatste dertig jaren, heeft voorgedaan, is de
gestadige toeneming van de geidbehoeften van de Over-heid. Zoolang deze voortvloeiden uit een zoodanige ont-
wikkeling van sociale en economische ,verhoudingen, dat een geleidelijk toenemend ingrijpen en coördineeren door
de Overheid plaatsvond, konden zij uit de vrijwillige be-
sparingen van het publiek worden voldaan. De banken ver-
leenden dan hun bemiddeling bij het onderbrengen bij
het publiek van obligatieleeningen van langen looptijd.
Voor de fina
nc
i
es
#i
ng
van haar loopende uitgaven kon de

Overheid een beroep doen op de geldinarkt, hétgeen, zoo-
lang het om bescheiden bedragen ging, geen bijzdndere
moeilijkheden met zich bracht.

In perioden van politieke of economische spanning,
zooals in tijd van oorlog of chronische depressie, zag men

‘)
Met de aanduiding groote ot algemeene banken volgen wij meer het spraakgebruik dan de gebruikelijke wetenschappelijke
omschrijving; onze definitie wil, waar dit te pas komt, zoowcl om-
vatten de groote banken in Duitschland, de ,,cleaiing banks” in
Engeland, de lianddlsbanken in cle V. S. als de algemeene banlcen
te onzent.

echter de directe geldbehoeften van de Overheid dermate

stijgen, dat op veel uitgebreider schaal kort- eii lang-

loopende middelen door de Overheid moesten worden aan-
getrokken. Deze gelden . waren in tijden. van depressie,

zooals in de dertiger jaren, in overvloed aanwezig, aan-
.
gezien er, bij gebrek aan investeering, weinig beleggings-

mogelijkheden waren. In oorlogstijd kon de Overheid

zich desnoods door bijzondere maatregelen van de noo-
dige middelen verzekeren.

De banken vervulden hierbij de rol van een belangrijk

verzamelbekken, waarheen de onbelegde spaargelden en andere middelen, die tijdelijk niet konden worden benut,

voorzoover deze niet werden opgepot, hun weg vonden.

Waar dus de Overheid niet rechtstreeks voldoende van
haar onderdanen kon leenen, deed zij dat indirect via de
banken (en andere instituten), die een deel van de aan

hen toevertrouwde gelden in staatsfondsen of schatkist-
papier belegden.

Deze gang van zaken heeft in de laatste tien jaren,

toen de particuliere ndernemer geen reëele investeerings-
kansen zag en dus weinig of geen nieuw geld vroeg, de

Overheid daarentegen, tengevolge van haar toenemehde

bemoeiing en ordenend optreden in de volkshuishouding,
haar behoeften steeds verder zag stijgen, een dergelijke

ontwikkeling doorgemaakt, dat men in tal van landen een

aanmerkelijke verschuiving van de financiering van .den
particulieren ondernemer naar de financiering ‘van de

Overheid heeft kunnen constateeren, waarbij het recht-

streeksche aandeel var de banken een steeds grooteren
omvang heeft aangenomen.

Zoo steeg bijv. in de Vereenigde Staten
2)
het bezit
aan staatspapier (,,bills, notes, bonds” en ,,guaranteed
obligations”) bij alle handelsbanken van $ 5 milliard in
Juni 1930 tot ruim $ 20 milliard in Juni 1941. Op laatst-
genoemden datum bevond zich niet minder dan 35 pCt.
van de totaal uitstaande staatsfondsen in handen van de
handelsbanken. Anderzijds bleven de in deze jaren gedane

voorschotten betrekkelijk op een gelijk jeil.. Alleen voor
de ,,member banks” variëerden deze tusschen de $ 12

en $ 15 milliard. Hoe belangrijk het bezit aan overheids-

papier is geworden, blijkt nog uit het feit, dat dit hij ge-
noemde banken in Juni 1933 ca. 35 pCt. van de totale

credieten en investeeringen (,,loans and investments”)
vormde, hetgeen in Juni 1940 tot ruim 51 pCt. was ge-
stegen.

In Duitschiand kon men een soortgelijk verloop
waarnemen. Bij de vijf Berlijnsche groote banken stegen
de gezamenlijke posten wissels en waardepapieren, die

beide vpor het grootste deel overheidspapier bevatten,
van RM. 2.238 millioen of ca. 23 pCt. der activa in No-

vember 1931 tot RM.5.188 millioen of ca. 54 pCt. der
activa in Juni 1939, terwijl anderzijds de credieten, die
op eerstgenoemden datum RM.5.377 millioen bedroegen
tot RM. 2.884 millïoen terugliepen in November 1935, om
welk peil zij zich sedertdien zijn blijven bewegen.
T-let belang bij staatspapier van de banken in Enge-
land
2)
is eveneens aanzienlijk toegenomen. In December
1930 hadden tien Londensche clearjpgbanken £ 285
millioen aan waardepapieren, voor een overwegend deel be-
staande uit overheidsfondsen, in portefeuille. Tezamen met

het zich onder den post wissels bevindende kortloopende papier, dat toen ruim 50 pCt.
3)
daarvan bedroeg, vormde
het overheidspapier bijna 21 pCt. der activa. 1-liermede
kan men het bezit van elf clearingbanken in Juni 1941

vergelijken. (Sedert 1936 geeft de statistiek de cijfers van
elf instellingen). Waardepapieren vertegenwoordigden toen
een bedrag van £ 880 millioen. Daarnaast komt sedert
korten tijd een post ,,Treasury deposit receipts” voor,

waarmede is aangegeven zesmaands-schatkistpapier tegen

‘)
cijfers ontleend aaii periocliekTe opgaven in het ,,Federal
Reserve Bulletin”.
‘) Zie voor de samenstelling van den Post wissels R. J. Truptil
in ,,British Banks ailcl tbe London iloney Market”, pag. 98.

3 Juni 1942

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

243

ente van
11118
pCt., waarin de banken hun accres aan

depositogelden beleggen. In, Juni 1941 stond deze post op £ 482 millioen. Telt men bij deze cijfers nog het onder den
postwissels aanwezige schatkistpapier op, dat op ongeveer
80 pCt.
4)
van het totaal mag worden geschat, dan blijkt,

dat in het midden van het vorige jaar ongeveer £ 1.500
millioen of 48 pCt. van de activa der elf clearingbanken

voor de financiering van de Overheid werden aangewend.

Oaerheidsfinanciering door banken ook in Nederland.

Stellen wij naast deze summiere voorbeelden van den

toestand in enkele andere landen de ontwikkeling te
onzent, dan kan men in het algemeen zeggen, dat de
Nederlandsche groote bânken
5)
langer dan ergens anders
een relatief bescheiden aandeel in de rechtstreeksche
financiering van de Overheid hebben gehad. Noch in de

oorlogsjaren 1914-18, noch in de depressieperiode van het

vorige decennium vormde het bezit aan overheidspapier een
waarlijk belangrijk bestanddeel van de activa der groote

banken. Pas in de laatste jaren voor 1940 is hierin een
duidelijk aanwijsbare verandering gekomen, die zich

in de afgeloopen oorlogsjaren in versneld tempo heeft
voltrokken. Onderstaande cijfers geven hiervan een beeld.

Nederlandsch ove’heidspapier in handen van vier groole

banken.

(in millioenen guldens)

Ultimo
Schatkist
Ander over-
Totaal
Idem in pct.
van totaal actief
papier ‘)
heidspapier’)
der vier banken

1918 112
4

.
116
10.8 1928
27
1
28
2.3
1933 98
9
107

10.6 1936
134
7
141
13.9
1939
201

60
261
30.6
1940
515
66
581
56.6
1941
793
51
844
69.2

‘) Tot en met 1939 ontleend aan cijfers en schattingen in liet
,,Economisch-Statistisch Maandbericht” van 30 April 1940.
) Berekend of geschat uit de beschikbare gegevens in de be-
treffende jaarverslagen.

Wij zien, dat in tijden van betrekkelijken voorspoed,
zooals in 1928, slechts een onbeteekenend percentage
van het actief der vier banken aan de Overheid was
voorgeschoten. Dit percentage kwam noch in vooraf-
gaande ongunstige jaren, noch tijdens de groote dèpressie
aanmerkelijk veel hooger dan 10 pCt. Pas in 1936 komt
daarin verandering en sedertdien neemt het bezit aan
overheidspapier aanmerkelijk toe, waarbij het accres van
papier met langen looptijd in latere jaren vooral opvalt.
Zoo kan men zeggen, dat te beginnen met het jaar 1939
ook in Nederland de groote banken een duidelijke taak

beginnen te vervullen bij de rechtstreeksche financiering
van de Overheid. De bezetting van oiis land en de aan-
passing van onze monetaire politiek is hij de verdere
ontwikkeling van grooten invloed geweest en- heeft ge-
maakt, dat de credietverstrekkingen aan de Overheid
zelfs een overwegend deel van de bezigheden van
de banken is gaan vormen. Toch moge uit het boven-
staande duidelijk zijn, dat de huidige oorlog deze ont-
wikkeling uitsluitend heeft verhaast ‘ën dat dit omscha-
kelingsproces ook in ons land reeds tevoren door den
drang der omstandigheden was begonnen.

De gevolgen voor de renfabiliteit.

Bij een zoo belangrijk instituut als dat van onze groote
banken, dat in vele opzichten, een uiterst gewichtige plaats in de volkshuishouding inneemt, is een nadere
beschouwing over de gevolgen •van bovenbeschreven

‘) Vgl. ,,Die englischen Banken in der Kriegwirtschaf t” in ,,Die
Bank” van 14 Februari 1940, pag. 108.
‘) ‘Waar niets anders aangegeven, zijn hierined6 in het vervolg
steeds de vier zuiver Nederlandsche groote banken bedoeld: de
Twentsche Bank, de Rotterdamsche Bankvereeniging,. de
Ain-
sterdamsche Bank en de Incassobank, welke representatief voor den toestand hier te lande mogen worden geacht.

accentverleging van financiering van den particulieren
ondernemer naar financiering van de Overheid voor de

rentabiliteit ongetwijfeld op zijn plaats. Wij willen daar-
voor niet blijven staan bij de veelal verhoogde dividend-
uitkeeringen over de boekjaren 1940 en 1941, die van

een gestegen winst over die perioden getuigen, doch dieper
doordringen en trachten een licht te werpen op de wijze,

waarop dat uiteindelijk resultaat is verkregen, speciaal

gezien in het kader van vermelde accentverlegging.

Bij een onderzoek van de belangrijkste winstbronnen
van de groote banken, stuiten wij op de moeilijkheid, dat

het cijfermateriaal in de jaarverslagen weinig gespecificeerrl
en niet uniform is weergegeven.’ De Twentsche Bank ver-
schaft de meeste bijzonderheden en dat in een vorm, die
zich h’et beste voor een vergelijking leent. Dit was voor ons

aanleiding de cijfers van deze ééne instelling, die op grond

van afmeting en karakter van haar bedrijf in voldoende
mate representatief mag worden geacht, als basis voor
een globaal onderzoek te aanvaai’den.

De Twentsche Bank maakt onderscheid tusschen viel’
hoofdbi’onnen .van inkomsten, nl. inkomsten uit provisie,

uit vreemde wissels en arbitrage, uit rente en uit het
effectenbedrijf. Wij hebben hieronder, bij de vermelding

van enkele van deze cijfei’s, de beide eerste bronnen samen-
genomen, als beide vertegenwoordigende inkomsten uit
het bankbedrijf in engeren zin, buiten interest.

Samenstelling van de fainst van de Trventsche Bank.

Totaal
Provisie en
wissels
Rente en
deelnemingen
Effectenbedrijf
Ultimo
in
n
i

pct.
,

in
in pct.
in
in
pct.
fl000
f1000
v.tot.
f1000
v.
tot.
f1000
v.
tot.

1933 10.804
3.220
30
5.628
52
1.956
18
‘1
936
11.679
3.625
31
.
5.524
47
2.530
22
1938
10.081
1
)
2.385
24
4.026
40
3.670
36
1939
8.954
2.777
31
4.273
48
1.904
21
1940
10.331
1.911
18
6.280
61
2.140
21
1941
12.432
1.565
13
7.618
61
3.249
26

‘) Exclusief fl.282.000, afkomstig uit ,,afgewikkelde posten”

Reeds hij een eerste voorloopige beschouwing springen
eenige opmerkelijke feiten in het oog. De inkomsten
uit het effectenbedrijf ‘varieerden betrekkelijk weinig en
vormden steeds ongeveer een vijfde van de totale winst.
De inkomsten uit provisie en wissels, die in de voor-oor-logsche jaren voor bijna één derde tot de bruto resultaten
bijdroegen, liepen later aanzienlijk terug tot 13 pCt.
van het totaal in 1941. 1-Jet aandeel van de inkomsten
uit rente,’ waaruit véér den ooi’log in doorsnee de helft
van de totale winst stamde, steeg nadien belangrijk
en bedroeg aan het einde van 1941 zelfs 61 pCt. van het
totaal. In de verschuivingen in de twee laatstgenoemde
bronnen van inkomsten kunnen wij duidelijk den invloed
van de accentverlegging bij de financiering van de ban-
ken herkennen.

Nu doet zich het feit voor, dat de vermindering van rente-inkomsten, tengevolge van de daling van pai’ti-
culiere debiteuren, meer dan vergoed wordt door de ge-stegen beloonïng uit sôhatkistpapier. Deze compensatie
is zelfs zoodanig, dat de sterk geslonken winst uit provisie
en wissels het totale resultaat niet ongunstig heeft kunnen
beïnvloeden.

Om nu nog een vollediger inzicht te verkrijgen in de
mate, waarin de rente-inkomsten uit de overheidsfinan-
ciering zijn vooruitgegaan ten koste van die uit de finan-
ciering van particulieren, hebben wij voor de drie achter-
eenvolgende overgangsj aren enkele gemiddelde maande-
lijksche balanscijfers berekend en hieraan de gemiddelde
maandelijksche rentevergoedingen toegevoegd (zie blz. 244).

6)
Zie voor een vergelijking van 1940 met 1939 ons artikel ,,De
Nederlandsche groote banken in gewijzigde omstandigheden”
in het ,,Financieel Economisch Overzicht” van de Nederlandsche
Bank voor Zuid-Afrika N.V. van April 1941.

244

ECONOMISCH- STATISTISCHE BERICJ4TEN

3 Juni 1942

Maand gerniddelden van de belangrijkste balansposten der

pier groote banken
1).

(in millioenen guldens) Activa.
schatkist-

wissels

cff.
debit.

debitcurcn papier
1939

….

158

26..

108

270 1940

•…

312

17

92

252
1941

….

689

1

76

175

1941
inpCt.
van
1939

436

4

74

65

Pass iva.

crediteuren

deposito’s
1939

554

41
1940

568

15
1941
………….
809

62
19411fl pCI.
van
1939

146

151

‘) Berekend uit de gecombineerde maandsLaten, zooals periodiek
gepubliceerd in
,,E.-S.
B.”.

Gemiclilelde disconto-

Gemiddelde prolongatie-
koers viermaands-papier

koers
1939

I
I
A2 pCI.

1.47 pCI.
1940

2
1
/,

2.92
1941

2’/,,

,,

2.45

1941
in pOt. van
1939

187

167

Bij vergelijking van de jaren 1941 en 1939
6)
blijkt,

dat er gedurende 1941 gemiddeld 74 pCt. van het vorige

bedrag aan prolongaties, enz., heeft uitgestaan, terwijl

de gemiddelde prolongatierente ongeveer 5/3 maal zoo
hoog was, met het gevolg, dat de rente-inkomsten uit
dezen.tak van bedrijf in het afgeloopen jaar uiteindelijk

niet veel van clie in 1939 zullen zijn afgeweken. De rente-

inkomsten uit den post gewone debiteuren daarentegen
zullen, hij ongeveer gelijke debetrente, tengevolge van
een teruggang met ca. 35 pCt. t.o.v. 1939 aanmerkelijk lager
zijn geweest. Voorts spreken de cijfers duidelijke taal tav.
den vooruitgang van de opbrengst van het schatkistpa-

pier. Vergeleken met 1939 werd gedurende 1941 ruim 41/3

maal zooveelin portefeuille gehouden, terwijl de disconto-

koers bijna dubbel zoo hoog was. Neemt men de hoogere
rentevergoeding op papier met langeren looptijd in aan-merking, dan mag men de inkomsten in 1941 uit hoofde

van dezen tak van bedrijf veilig op achtmaal zoo groot als

in 1939 schatten. 1-lierin ligt dus een voldoende verklaring

voor het zeer hooge percentage,, van de inkomsten uit
rente, dat wij hierboven bij de winstcijfers van de Twent-
che Bank vonden. De verkregen uitkomsten laten boven-
dien vermoeden, welk een aanzienlijk deel van de rente-

inkomsten van de banken, en dus ook van hun totale
winst, afkomstig is van hun belegging in schatkistpapier,

dus van de eene zeer groote cliënte, de Overheid.

De rentabiliteit wordt behalve door de inkomsten be-
paald door vergoedingen, onkosten en belastingen. Waar

ook de lasten den invloed van de gewijzigde omstandig-
heden hebben ondergaan, hetgeen vaak een belangrijke
verzvaring heteekende, willen wij er hier met enkele
woorden melding van maken. –
Wat de vergoedihg door de banken op de bij hen ge-

deponeerde gelden betreft, merken wij op, dat bij een gemiddelde toeneming met 50 pCt van crediteuren en
deposito’s, deze in totaal wel grooter zal zijn geweest,
doch, tengevolge van een slechts weinig veranderde credit-
rente, in verhouding niet veel gewicht in de schaal zal

hebben gelegd.
Zooals uit de jaarverslagen blijkt, zijn de onkosten in
de laatste jaren, mede tengevolge van hoogere sociale

lasten, eenigszins gestegen.
De belastingdruk, onlangs nog verder verzwaard door
de afkondiging van de vennootschaps-, de ondernemings-
en de vermogensbelasting, was reeds in de laatste twee
jaren door de invoering van de winstbelasting inplaats

van de dividend- en tantièmebelastïng sterk toegenomen.
Ter vergelijking gevn wij hieronder voor een tweetal

banken de op de jaarbalansen voor belasting uitgetrokken
bedragen, uitgedrukt in procentpn van de nçttowinst,

d.w.z. de winst na aftrek van onkosten en res6veeringen
Rotterdamsche Bankereeniging. Amsterdamsche Bank

‘(in millioenen guldens)

9939
1940 1941
1939
1940
1946
1
Nettowinst

2.417 4.267
5.108
2.388
4.178
5.488
II
Reserve v. Be-
lastingen

290
1.500
2.000
290
1.200
1.800
IIinpCI.vanl

12
.35
39
12
29
33

De aanzienlijke toeneming van de lasten, vooral ver-

oorzaakt door hoogere belastingen, stelt in een nog scher-

per licht, hoe groot aan den anderen kant de stijging

van de rente-inkomsten moet zijn geweest (uit schatkist-

papiei’) om tenslotte een dergelijk gunstig resultaat

voor de banken téweeg te kunnen brengen. ”Veliswaar

zijn ook nog dndere factoren van invloed geweest, zooals

bijv. dat slechts weinig voorzieningen tegen dubieuse

dehiteuren behoefden te worden gemaakt en dat de

liquide vorm van beleggen in schatkistpapier medebracht,

dat minder kasmiddelen behoefden te worden aangehou-

den en dus meer geld rentegevend kon worden gemaakt,

doch dit alles kan toch slechts van secundair belang zijn
geweest.

Vatten wij de voorgaande conclusies in het kort sanen,

dan kunnen we zeggen: le. dat het effectenbedrijf betrek-.

kelijk weinig is beïnvloed; 2e. dat, ondanks sterke stijging
der lasten, speciaal uit de belastingen, het overige bank-

bedrijf in zijn geheel betere resultaten vertoont, weer-

spiegeld in hoogere dividenden; 3e. dat de betere resul-

taten zijn bereikt, niettegenstaande een zeei’ belangrijken

achteruitgang van de inkomsten uit provisie en wissels,
speciaal door het wegvallen van korte handelscredieten;
4e. dat het verkrijgen van een hoogere nettowinst in
een tijd van afnemende activiteit van het bedrijfsleven
voor een overgroot deel is toe te schrijven aan het feit,
dat de ondernemer de tegenwaarde van zijn uitverkochte

voorraden als liquide banksaldi wilde aanhouden, welke
aanzienlijke bedragen de banken in schatkistpapier konden
beleggen met als resultaat een enorme stijging van rente-

inkomsten uit dezen hoofde.
Fliermede is de basis voor de inkomsten van de banken
aanzienlijk versmald en de winst voornamelijk afhankelijk

geworden van de gegoedheid van één gi’oote cliënte,
die bovendien hij machte is haar eigen leeningsvoorwaar-
den te decreteeren. In hoeverre deze eenzijdige oriën-
teering van de banken ook bij voortzetting van deze ont-

wikkeling een gunstigen invloed op de rentabiliteit zal

blijven uitoefenen, zal moeten worden afgewacht.

De tegenwoordige positie pan de gloote banken.

Hebben wij ons in het voorgaande bezig gehouden
met de inwendige gesteldheid van de’banken en de ver-
anderingen, die hierin gedurende de laatste jaren hebben
plaatsgehad, niet minder belangwekkend is hun tegen-
woordige positie naar buiten in het geld- en crediet-
verkeer en de rol, die zij spelen in de volkshuishouding.
Evenals wij reeds elders lieten uitkomen, dat voor het bank-
bedrijf de overgang van de financiering van den onder-

nemer naar de financiering van de Ovei’heid niet een
uitsluitend gevolg is geweest van den oorlog, al heeft
deze de eenzijdige oriënteering ‘op het overheidscrediet
wel veroorzaakt, zoo willen wij er hier op wijzen, dat de
positie van de banken naar buiten eveneens uiteindelijk

wordt bepaald door het omringende economisc
1
he systeem.. –

Om de tegenwoordige .positie van de groote banken te.
peilen, zouden wij dus eigenlijk een onderscheid dienen
te maken tusschen den invloed van den oorlog en den invloed uitgeoefend door de wijzigingen in de econo-

mische structuur. Beide schijnen echtei’
thans
in dezelfde

richting te leiden, namelijk naar een grootere gebonden-
heid van het particuliere bedrijfsleven, waarbij de oorlogs-
toestand slechts van belang zou zijn voor de mate, vaarin
dit proces zich zal ontwikkelen.

3 Juni 1942

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

245

In ons land hebben wij daarbij, tengevolge van onze

plotselinge intreding in den oorlog, de economische praktijk

aan de wetgevende maatregelen vooraf zien gaan. Voor

de groote banken resulteerde dit in het verlies van het
grootste deel van het terrein hunner particuliere werk-
zaamheden. De speelruimte voor de ontplooiing van het

initiatief van den bankier werd reeds hierdoor uitermate-
beperkt: Deze situatie is langzamerhand achterhaald en

wij zien haar in een duidelijk aangegeven richting gecon-
solideerd worden door een drietal overheidsmaatregelen,

waarvan laatstgenoemde ongetwijfeld de belangrijkste is.

Wij bedoelen de instelling van een systeem van daviezen-
banken, de totstandkoming van de organisatie van het
bankwezen en de verordening van 16 December 1941
No. 225, betreffende het bank- en credietwezen.
Door het in het leven roepen van het
instituut der

deç’iezenbanken,
aan welke bij uitsluiting en volgens door

De Nederlandsche Bank te geven regels de handel in

vreemde valuta is toegestaan, heeft de Overheid zich van de volledige contrôle over de werkzaamheden op valuta-
gebied verzekerd. Deze eens zoo belangrijke tak van be-

drijf voor de Nedei’landsche groote banken, die weliswaar
door den oorlog reeds in feite sterk was beperkt, kan voort-

aan slechts binnen het kader van deze regeling worden

uitgéoefend.

De op 13 November 1941 afgekondigde
o!’ganisatie

pan het bankwezen
beoogt, in het kader van de organisatie

van het geheele Nederlandsche bedrijfsleven, ook voor de
bankiristellirigen in ruimen zin een contactapparaat te
scheppen, waardoor de samenwerking van Overheid en

bankvezen zal zijn gewaarborgd. 1-her heeft men duidelijk
een verderen stap in derichting van de ,,Planwirtschaft”,
onder welk stelsel kwesties van bedrijfsvoering, organisatie

e.d. niet meer zonder contrôle van een coördineerende

overheidsinstantie door de belanghebbende groepen tot

een oplossing mogen worden gebracht.
Vermelde regelingen vonden hun afronding in de

Verordening No.
225,
betreffende het bank- en credietwezen.

Flierin worden aan den Secretaris-Generaal voor Bijzon-
dere Economische Zaken (die deze functie thans vereenigt

met het Presidentschap van De Nederlandsche Bank)
vèrstrekkende bevoegdheden verleend. 1-Jij is belast met
het algemeene toezicht op de credietinstellingen, die verder verplicht zijn desgevraagd alle inlichtingen te
verstrekken en het instellen van onderzoeken te gedoogen.
De S.-G. kan regelingen geven betreffende rente, provi-
siën of soortgelijke vergoedingen in hët bank- en crecliet-
bedrijf. 1-Jij is voorts bevoegd voorschriften te geven ten
aanzien van de uitoefening van het toezicht op de crediet-

instellingen, de voorwaarden voor oprichting, fusie en
liquidatie van credietinstellingen, de uitoefening van het
credietbedrijf, de liquiditeit en de inrichting van de ba-
lansen. De feitelijke uitoefening van het toezicht is op-
gedragen aan De Nederlancische Bank, waarmede aan
een reeds lang bestaanden toestand een wettelijke basis

is gegeven.
Uit deze opsomming spreekt duidelijk, dat door vermelde

maatregelen de Overheid de gelegenheid heeft gekregen
zich met alle vitale onderdeelen van het bankwezen te
bemoeien en reeds een aantal gedragingen, die geacht
worden te behooren tot een hoogere belangensfeer, onder

haar contrôle (of die van De Nederlandsche Bank) heeft ge-
steld. Dit impliceert nog niet, dat de Overheid ook op
andere punten van haar bevoegdheden gebruik zal maken

en behalve tot c1uantatitief ook in menig opzicht tot een
qualitatief toezicht zaIovergaan, zooals nog onlangs door

Dr. H. W. J. Wij
n
h
o
ld
s
7)
in dit tijdschrift werd betoogd,

bij welke meeiiing wij ons gaarne willen aansluiten.

Mr. W. 1-1. C. SCI-IUKKING.

‘),Zie
Wettelijke regeling van het particuliere bankbedrijf in Nederland” in ,,E.-S.B.” van 20 Mei 1942.

GEZINSGROOTTE EN WONINGBEHOEFTE.

Voorschriften omtrent het (voningtype.

In een vorig artikel
1)
werd gewezen op de noodzakelijk-

heid van demografisch onderzoek als grondslag voor de

woningvoorziening. ‘De te verzamelen gegevens omtrent

de grootte der gezinnen zullen van invloed moeten zijn

op het typé der te bouwen woningen en het aantal wo-

ningen, dat van de verschillende typen moet worden

gebouwd. –
Tot heden zijn slechts in een enkel geval bindende voor-

scliriften gegeven omtrent de grootte der te bouwen wo-
ningen, gebaseerd op de gegevens omtrent de grootte der,

gezinnen. Met name is dit geschied in de gemeente Am-

sterdam.
Zooals uit Tabel II -van het voorafgaande artikel kan

worden afgeleid, konden de bewoonde woningen in deze

gemeente als volgt worden verdeeld:
36,2 pCt. waarin één slaapruimte voldoende is;

4,6

waarin één slaapruimte aanwezig is, terwijl ‘er
meer dan één,zouden moeten zijn;

34,5

waarin twee slaapruimten voldoende zijn;

3,2

waarin twee slaapruimten aanwezig zijn, ter-
wijl er meer dan twee zouden moeten zijn;

16,6 ,, waarin drie slaapruimten aanwezig zijn;

3,6

waarin vier slaapruimten aanwezig zijn;

1,3

waarin meer dan vier siaapruimten aanwezig
zijn.
Aannemende, dat in de woningen, waarin de toestand
onvoldoende is, met één slaapvrtrek méér zou kunnen

worden volstaan en dat in de woningen met 3 of meer, slaapruimten de-toestand bevredigend is, zou voor de

bevolking van Amsterdam dus noodig zijn:

36
1
2 pct. woningen met één ‘slaapruimte;

39,1

woningen met twee slaapruimten;

19,8

woningen met drie slaapruimten;
4,9 ., woningen met meer dan drie slaapruimten.
,Zooals reeds werd opgemei’kt, kunnen deze cijfers niet
onmiddellijk dienen als grondslag voor een bouwprogram-
ma, omdat de aanwezige woningvoorraad nog lang niet aan
deze normen voldoet. Immers blijkens het bovenstaande
had 7,8 pCt. van de woningen te weinig slaapruimten voor
het daarin gevestigde gezin.
Men kan dus niet de bovenstaande percentages afronden

en bijv. bepalen, dat gebouwd zullen worden:
35 pCt. woningen met één slaapruimte;

40

woningen met twee slaapruimten;

20

woningen met drie slaapruimten;

5

woningen met meer dan drie slaapruimten.

Een dergelijk programma zou niet voldoen aan de be-

lioeften der Amsterdamsche bevolking. De eerste maal,
dat bindende voorschriften ten aanzien’ van de grootte

der te bouwen woningen zijn gegeven, is men dan ook tot
geheel andei’e cijfers gekomen, omdat men, terecht, niet
alleen rekening heeft gehouden met de behoeften der be-
volking, maar ook met den bestaanden achterstand.

Als eerste voorbeeld van een bij verordening vastgelegde
differentiatie in den aanbouw van woningen kan worden
genoemd het uitbreidingsplan voor de wijk Bosch en
Lommer, waarbij in de bebouwingsvoorschriften de be-
paling is opgenomen, dat op de terreinen, aangewezen
voor bebouwing met woningen van ten hoogste 200 m
3

en 250 m
3
– dus de bescheiden en grootere arbeiderswo-
ningen – van het aantal woningen, dat krachtens één
bouwvergunning zal worden gesticht, de helft; behalve

woonkamer en keuken, ten minste diie
slaapkamers moet

bevatten, 3/8 ten minste
twee
slaapkamers en 1/8 ten min-

ste
één
slaapkamer.

Gegeuens omtrent de prou inciën –

Een dergelijke differentiatie zal ook elders in den lande

‘)
,,Differcntiatie van woningtypen”, in ,,E.-S.B.” van 20Mei1942.


ç

246

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

3 Juni 1942

TABEL
1.

Woningen met
ddn
Woningen met
twee
Woningen met
meer
dan
twee

slaapruinite slaapruimten
slaapruimten
Provinci6fl
Voldoende
Onvoldoende
Voldoende
Onvoldoende
drie
vier
nieer dan vier

Aântal
I’pct.
lAantal
1
.
pCt.
Aantal
I

pCI.
Aantal
I

pCt.
Aantal
I
pCt.
Aantal
I

pCI.
Aantali
pCt:

29.976 31,2
9.808
10,2
29.875 30,9
5.141
5,4
15.126
15,6
4.603
4,8
1.805
1,9
31.105
30,9
12.635 12,5

.
29.592
29,4
5.658
5,6
15.506
15,4
4.625
4,6
1.583
1,6
15.138
31,9
8.313
17,4
12.354
26,1
3.544
7,4
5.738
12,6
1.724
3,7
671
1 4

Groningen

…………
Friesland

…………..

21.972
19,2
8.105
7,1
32.151
28,2
5.569
4,9
33.768
29,7
8.857
7,8
3.532
3 1
Drente

…………….

38.272
21,0
12.084 6,7 54.974
30,2
9.689
5,3
44.082
24,2 15.168
8,3
7.740
4,3
22:411
22,9 4.764
4,9


29.938
30,6
3.622
3,7
24.400
24,9
8.375
8,6
4.286
4,4
123.738
30,6
20.633
5,1
136.753
36,0
14.055
3,5
77.785
19,3
21.163
5,3
8.949
2,2

Overijsel

…………
Gelderland

…………

Zuid-Holland
141.181
28,5
26.255
5,3
167.755 34,0
19.831
4,0
97.583
19,8
28.607
5,8
12.670
2,6
Utrecht

…………..
Noord-Flolland ………

19.035
30,4
7.047
11;2
18.741
29,1
3.464
5,5
9.906 15,8
3.236
5,4
1.327
2,1
Zeeland

…………..
Noord-Brabant
37.858 21,3
11.427
6,5
51.430
29,1
9.242
4,9
43.704 24,6
15.548
8,8
8.442
4,8,
Limburg

………….
20.645
48,8 1.448
1,3
32.125 29,2
2,389
2;2
35.299
32,1
12.199
11,1
5.818
5,3

Het

Rijk

…………
1501.331L
26,6
1122.5191 6,
1595.6881
31,6
1

82.2041
4,4
1402.8971
21,3
1124.1051
6,6
1

56.83J
3,0

moeten worden toegepast. Hiervoor zullen, als gezegd,

verschillende demografische gegevens moeten worden

verzameld.

Momenteel zijn nog slechts de uitkomsten van de volks-

telling van 1930 beschikbaar. Ook deze bevatten intus-
schen ieeds belangwekkende gegevens. In Tabel 1 is een
verdeeling van de aanwezige woningen gegeven voor de

verschillende provinciën.
Ten aanzien van den bestaanden toestand toont deze

tabel aan, dat de volgende aantallen woningen voor het

dâarin gevestigde gezin te weinig slaapruimte boden.

Provincie

Aantal woningen Percentage
Groningen

……………
14.949

15,6
Friesland …………….
18.293

.

18,1
Drente-

…………….
11.857

24,8
-‘Ovcrijsel

……………..
13.674

12,0
Gelderland …………….
21.773

12,0
Utrecht ………………
8.386

8,6
Noord-Holland

……….
34.688

.

8,6
Zuid-Holland

………..

46.086

93
Zeeland ………………
10.511

16,7
Noord-Brabant…………
20.669

11,4
Limburg

………………
3.837

3,5

hit deze cijfers b.ijkt, dat de gunstigste toestand ten

aanzien van de woningbezetting behalve in Limburg,
waar men van ouds veel grootere woningen bouwt dan in
het overige deel des lands, in Noord-Holland, Zuid-I-lol-

land en Utrecht werd aangetroffen, waar de groote steden

liggen en het grootste deel van de bevolking des lands is geconcentreerd. Als provinciën ‘met een ongunstig cijfer

trekken de zuivere plattelandsgebieden de aandacht, in de eerste plaats Drente en verder Friesland, Groningen

en Zeeland.

De
ooniigbehoefte.

1-loe staat het nu met de behoefte aan slaapruimte? Ook
deze is uit Tabel T af te leiden.
Aan Tabel 1 lLan een andere tabel worden ontleend,
waaruit blijkt, welke woningen in de onderscheidene

rovinciën noodig zijn (Tabel II).
1-lierbij is, bij gebreke aan andere gegevens, weer aange-
nomen, dat in de woningen, waarin de toestand onvol-
doende is, met één slaapvertrek méér een bevredigende
toestand zou worden verkregen. Met name voor de platte-
fandsgebieden met een groot percentage te kleine en over-
bevolkte woningen is deze veronderstelling vermoedelijk

te gunstig.

TABEL
11.
Procentueele behoefte aan woningen met
één slaap- twee slaap- drie slaap- meer dan
ruimte

ruimten

ruimten drie slaap-
ruimten
Groningen

. . .

31,2

41,1

21,0

6,7
Friesland

30,9

41,9

21,0

6,2
Drente

31,9

43,5

19,5

5,1
Overijsel

19,2

35,3

34,6

10,9
Gelderland’ …..
21,0

36,9

29.5

13,6.
Utrecht ……..
22,9

35,5

28,6

13,0
Noord-Holland

. 30,6

39,1

22,8

7,5
Zuid-Holland
.

28,5

39,3

23,8

8,4
Zeeland ……..
30,4

.

41,1

21,3

7,2
Noorcl-Brabant
– 21,3

35,6

29,5

13,6
Limburg

18,8

30,5

34,3

16,4

Deie tabel geeft een interessanten kijk op de

hing-

behoefte in de verschillende deelen des lands. Zeer groote

woningen (meer dan drie slaapi’uimten) zijn het meest

noodig in Limburg en vervolgens in Noord-I3rahant,
Gelderland en Utrecht, het minst in de drie noordelijke

provinciën, waar zeer groote gezinnen slechts in gel’inge
mate voorkomen.

‘Woningen met slechts één slaapkamer zijn het minst

noodig in Liinhui’g, Noord-Brabant, Overijsel, Gelderland
en Utrecht.

De drie noordelijke provinciën en Zeeland wijzen onge-

veer hetzelfde percentage van ongeveer 30 aan, dat mérk-

vaardigerwijze vrijwel overeenkomt met dat van Noord-

Holland en Zuid-Holland. Bij het opstellen van een bouw

program zal echter in het oog moeten worden gehouden,

dat de bestaande toestand in de vier eerstgenoemde pro-

vinciën blijkens het bovenstaande veel en eel ongunstiger
is dan in Noord- en Zuid-Holland, waar veel groote steden
liggen, die een aanzienlijkgrooter percentage zeer kleine ge-

zinnen tellen. In de laatstgenoemde provinciën zal dus een

grooter percentage kleine woningen kunnen worden gebouwd

dan in de agrtrische deelen des lands, zoowel in verband met
het feit, dat hier de bestaande toestand gunstiger is, als
met de omstandigheid, dat in de steden een nauwere aan-

sluiting van het.woningtype aan de gezinsgrootte mogelijk

is dan op het platteland, waar de gezinnen veel langer in

dezelfdé woning blijven en dus op groei moet worden ge-
rekend.

TABEL
III.
Vofliflgen niet:

ç)n
•ca
-.a4
‘,e
n2

‘°c’

It

..
0
p,

a
0
n.,
0
a,
,
0

Amsterdam énHaarlem
7.698 3.1 43.477 17.610.337 4.2 4.074 1.6
Overig deel van Noord-
FIollanci
………..6.357 4.0 34.308 22.0 10.826 6.8 4.875 3.1
Rotterdam en ‘s-Gra-
venhage
………..8.656 3.1 54.574 19.7 15.078 5.4 7.013 2.5
Overig deel van Zuid-
1-1


olland ……….

.

.1.175 5.0 43.009 19.0 13.529 5.9 5.657 2.5

Belangwekkend is in dit opzicht Tabel III, die de ge-
gevens bevat omtrent de twee grootste steden en het overig
deel der provincie, respectievelijk voor Noord-I-Iolland en
Zuid-I-Iolland.
1-lieruit blijkt, dat de behoefte aan woningen met minder
dan drie slaapkamers is:
Amsterdam en Haarlem

73,5 pCt.
Overig deel van Noord-I-Iolland 64,1
Rotterdam en ‘s-Gravenhage

69,3
Overig deel van Zuid-Holland 67,6
Uit deze percentages blijkt, zooals wel te verwachten
was, dat de behoefte aan kleine woningen in de groote
steden grooter is dan in het overige deel -der provinciën

en dat het verschil, in de provincie Noord-Flolland, die
buiten de twee groöte steden een meer uitgesproken plat-
telandskarakter heeft, grooter is dan in Zuid-Holland,

t-,

3 Juni 1942

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

247,1

dat behalve Rotterdam en Den Haag nog een aantal be-

langrijke steden bevat.

ilnclere gegeoens.

In de door een viertal architecten gepubliceerde bro-
chure ,,Woonmogelijkheden in het nieuwe Rotterdam”

wordt, aan de hand van de gegevens van de Voikstelling

1930, een bouwplan uitgewerkt, dat de volgende woningen

bevat:

8,4 pCt. met 1 slaapkamer (voor ouden van dagen);
16,6 met 1 slaapkamer voor kinderlooze gezinnen of

gezinnen met een baby;

32

met 2 slaapkamers, maximum 2 personen per
slaapkamer, dus gezinnen met 2 of 3 kinderen;
32 met 3 slaapkamers, maximum 2 personen per

slaapkamer, dus gezinnen met maximum 4

kinderen, eventueel een baby, slapend bij de

ouders;
11

met 4 en 5 slaapkamers met 3 personen per slaap-

kamer, geschikt vôor gezinnenmet 9-10 kin-

deren.

1-her hebben wij te doen met een weloverwogen bouw-

plan, waarbij echter de vraag moet worden gesteld, of

niet te veel uitsluitend is uitgegaan van den bestaanden
toestand.
Immers, in het oog moet worden gehouden, dat de groote

vraag naar kleine woningen, die deJaatste jarenwas waar
te nemen, ook verband hield met den slechten economischen

toestand en liet tekort aan draagkracht bij een belangrijk
deel van onze bevolking. Wij moeten daarom ook rekening

houden met hetgeen in het belang van een goede ontwik-
keling van het gezinsleven gewenscht moet worden geacht.
Een woning moet niet alleen plaats bieden voor de huis-
vesting van een gezin, maar ook voor de ontplooiing van
het gezinsleven. Daarom moet bij den bouw van woningen

voor jonge gezinnen met de mogelijkheid van gezinsuit-
breiding worden gerekend. Doet men dit niet, dan werkt men de gezinsuitbreiding tegen en doet men schade aan

de volkskracht.
Daarom moet de woningvoorziening wel mede op de

behoefte aan kleine woningen worden gebaseerd, doch
moet hèt aantal van deze soort woningen veel kleiner zijn
dan uit de bestaande woningbezetting zou voortvloeien.
Een argument van zakelijken aard is nog, dat een te
nauwe aanpassing van de woning aan de gezinsgrootte
het veelvuldig verhuizen in de hand werkt. Het verhuizen
is in de groote steden een maatschappelijk kwaad gewor-
den, dat zooveel mogelijk behoort te worden beperkt.
Iedere leegkomende woning immers kost een belangrijk
bedrag voor opknappen. Daarom is het gevaarlijk om de

woningen precies passend te maken voor de grootte der

gezinnen.
Bij de bepaling van de noodzakelijke gezinsgrootte moet
dus eenerzijds rekening worden gehouden met de bestaande
samenstelling der bevolking, doch anderzijds met de mo-
gelijkheid van ontplooiing van het gezinsleven. Voor
beide factoren zal een uitgebreid demografisch onderzoek
noodig zijn.
In een artikel van J. M. C. Koert, directeur der N.V.
Vreewijk te Rotterdam, in , ,De Woningbouwvereeniging”
van April1942 wordt voor Vieewijk de volgende verdeeling

ontworpen.:

10 pCt. woningen met één slaapkamer;

25

,, tweeslaapkamers;

53
.
,,

,,

,, drie slaapkamers;

8

vier slaapkamers;

4

meer dan vier slaapkamers.

Flierbij zijn, naast de beschikbare statistische gegevens,
alle omstandigheden, die een goede volkshuisvesting, goede
woonzeden en een gezond gezinsleven beoogen, in rekening

gebracht

Conclusie.

Met het bovenstaande is niet bedoeld, een concreet

bouwprogram op te stellen. Daarvoor zouden meer recente
gegevens noodig zijn en bovendien gegevens, die verder

gaan dan die, waarvan hier werd gebruik gemaakt.

Getracht is slechts te laten zien, dat reeds met Vrij een-
voudige gegevens een inzicht kan worden verkregen in

den verschillenden aard van de woningbehoefte in de

onderscheiden deelen des lands.

Er ligt hier nog een uitgebreid arbeidsveld, dat op be-

werking wacht. Systematische bearbeiding, hiervan zal

aan de woningvoorziening na den oorlog ten goede komen

en ertoe kunnen leiden, dat met de beschikbare middelen
meer wordt bereikt dan wanneer de Overheid ten aanzien
van type en grootte der woningen als voorheen zich zou

beperkèn tot minimum-eischén en zich overigens van in-

menging zou onthouden.
Dr. Ir. H. G. VAN BEUSEKOM.

ONTVANGEN BOEKEN, BROCHURES
EN STATISTIEKEN,

BOEKEN.

Commentaar op de Zieken jondsoerzekering. Beknopte toe-
lichting poor de practijk.
Uitgave van het Overleg
van Ondernemingsziekenfondsen (‘s-Gravenhage 1942;
N.V. Boek- en Kunstdriikkerij v/h Mouton & Co.
Prijs fl.75; 114 blz.).

Deze commentaar is bedoeld als een beknopte hand-
leiding voor de dagelijksclie practijk; door, een deskundige
geschreven, zal het zeker in staat zijn op vele punten
zakelijke informatie te verschaffen. –

Organisatieoormen ç’an het sociaal-economische leoen in

Duitschland
door Dr. A. 1-lollenberg (‘s-Gravenhage;

De Residentiebode N.V. Prijs f 4.95 geb.; 260 blz.).

Cont,’ôle op bedrijfsbeheer en bedrijf sefficien?y door pariabele
budgetteering
door Drs. A. M. Groot (Purmerend 1942;
J. Muusses. Prijs f 2.50; 164 blz.).

Wetenschappelijke balansen oan het Ongeoallenfonds en oan
het Landbouwongeoallenfonds op
31
December
1940

(Amsterdam 1942; Rijksverzekeringsbank. 72 blz.).

Des comptoirs aus Empires, 1-listoire Unioerselle des Co-

lonies
door René Maunier (Parijs 1941; Librairie du
Recueil Sireay. 202 blz.).

Deutsche IS/erkstof je
door Prof. Dr. Viktor Pöschl (Stutt-
gart 1942; Ferdinand Enke Verlag. Prijs ing. RM. 13.-,

geb. RM. 14.30; 220 blz.).

BROCRUEE.

Kent gij uw kostprijs?
(Brussel; Uitgave van de N.V.
Kredietbank. 47 blz).

STATISTIEK.
Jaarcijfers voor Nederland
1940, uitgege,ren door het Cen-

traal Bureau voor de Statistiek (‘s-Gravenhage 1942;
N.V. Drukkerij Albani. 420 blz.).

Het Centraal Bureau voor de Statistiek toont de laatste
jaren te beseffen, dat het oog ook wat wil. Een uiting van dit inzicht geeft de uitvoering van de zoojuist verschenen
,,Jaarcijfers voor Nederland 1940″, die in opmaak terk
zijn gemoderniseerd. Slechts ontbreken nog de beeldsta-tistieken, die bijvoorbeèld aan.het Statistisch Zakb.oekje
van 1941 zooveel aantrekkelijkheid verschaffen.
Naar den inhoud overtreffen deze jaarcijfers eveneens
hun voorgangers, door toevoeging van een aantal nieuwe
gegevens. Op vrijwel elk gebied van het Nederlandsche
leven, dat voor statistische meting vatbaar is, vindt nen gegevens. Men treft mededeelingen aan over het aantal
Nederlanders, hun beroepen en de door hen betaalde be-

rT

1 1.

248

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

3 Juni 1942

1
1

lastingen evenals over de door een aantal van hen begane

misdrijven en overtredingen. Indien men dit wenscht, kan

men zich op de hoogte stellen van de gemidaelde 1ucht

temperatuur in graden Celcius, den neerslag en de zonne-
schijn, de windrichting en windsnelheid op allerlei plaat-
sen in Nederland.

Voor den meer op het economisch leven gerichten lezer

zal het uitgebreide deel, dat zich met de economische

werkzaamheid van de Nederlandsche bevolking bezighoudt,
een veelheid van gegevensverschaffen. Men kan ontdekken,

dat het aantal met Amsterdam gevoerde interiocale ge-

sprekken vait 1935 tot 1939 vrijwel gelijk is gebleven op

ongeveer 6.000.000, terwijl de getallen voor Den Flaag en

Rotterdam in die periode met ruim een millioen zijn ge-

stegen. Desgewenscht zou men daarin een index kunnen
zien van de toeneming van het staatsingrijpen en de op-

leving van Rotterdam’s havenverkeer in de jaren, die

aan het uitbreken van den oorlog voorafgingen.
Alles tezamen genomen is het verheugend, dat de Jaar-

cijfers 1940 zijn verschenen, zij het dan ook, dat door de

oorlogsomstandigheden de cijfers voor een belangrijk ge-
deelte slechts historische beteekenis hebben.

OVERHEIDSMAATREGELEN OP
ECONOMISCH GEBIED.

HANDEL EN NIJVERHEID.

Arbcidszaken. Beschikkingen van het College van Rijks-

bemiddelaars, waarin lo,onen en andere arbeidsvoorwaar-

den voor de droge verfstoffenindustrie en het banket-

bakkersbedrijf bindend zijn vastgesteld. (E.V. 22/5/’42,
pag. 649; Stct. No. 92).
BuitcnlandscJse handel.
Instelling van een uitvoerheffing
van monopolieproducten door de monopoliehouders bij
uitvoer van deze goederen. (BV. 22/5/’42, pag. 650; Stct.
Nos. 90 en 92).

ehemische producten. Onder de distributieregeling voor
chemische producten vaJlen thans ook acetyleen dissous,
glauberzouten en natriumsulfaat. (E.V. 22/5/’42, pag.
650; Stct. No; 94).

Handel. Instelling van een vervoersverbod van onge-

schild teenhout van bepaalde kwaliteiten. (E.V. 22/5/’42,
pag. 650; Stct. No. 94).

Nadere bepalingen inzake den handel in paarden. Op

heffing van den nog bestaande vervoerverhoden voor-
zoover het uitvoer naar Duitschiand betreft. (E.V. 29/5/’42,
pag. 682; Stet. No. .99).

Hout. Ontheffing van het verbod om tusschen 15 Mei
en 1 Augustus geveld naaldhout te laten liggen of opge-
stapeldte houden. (E. V. 29/5/’42, pag. 683; Stct. No. 97).

Industrie. Voorschriften inzake het regenereeren van
oude kroonkurken. Regeling voo,r de suikerbietverwerken-de industrie voor den oogst 1942. ((BV. 22/5/’42, pag. 650;
Stct. No. 91).

Nadere voorschriften iizake verwerking, voorraden en

handel van bepaalde chemische’ producten. Wijziging van
de voorschriften inzake de aflevering van tegels. (E. V.
29/5/’42, pag. 682/83).
Pensionbedrijf. Gedurende de maanden Juni t/m Sep-

tember 1942 wordt het, onder bepaalde voorwaarden,

aan pensionhouders in bepaaldegebieden toegestaan om
logies tegen betaling te verstrekken voor korteren duur
dan5 dagen. (E. V. 29/5/’42, pag. 683; Stct. No. 99).

Prijsregclingen. Nadere prijsvoorschriften met betrek-
king tot de prijsregeling van niet-landbouwgronden.
(BV. 15/5/’42, pag. 622;, Stct. No. 89).

Nadere prijsvoorschriften met betrekking tot den ver-
koop van veenputten, regeling van de prijzen der ver-
schillende soorten paarden, maximum-prijzen voor jam,

en calculatievoorschriften voor inslagpoolartikelen e.d.
(BV. 22/5/’42, pag. 649; Stct. Nos. 93, 94 en 95).

Nadere prijsvoorschriften met betrekking tot verdubbe-
ling van de prijzen van stalinest op basis van de prijzen

-van 9 Mei 1940, vaststelling van maximum-kleinhandels-

prijzen voor zuidvruchten, voorschriften voor prijzen voor
den groot- en kleinhandel in zeeppoeder en maximum-

prijsregeling vooi’ gebruikte houten vaten. De bepalingen

betreffende de Iriisvorming met betrekking tot het goede-

renverkeer met Duitschland worden thans aangemerkt
als prijsvoorschriften in den zin van het Prijsbéheer-
schingsbesluit. (E. V. 29/5/’42 pag. 680; Stct. No. 96;
V.B. No. 13).

Organisatie bedrijîsleven. Instelling van de vakgroepen

groothandel in tahaksfabrikaten, eieren, aardappelen,
alcoholhoudende en alcoholvrije dranken, specerijen,

vleeschwaren, hooi, stroo en ruwvoeders, kapok, koffie,

rubber, thee, kruidenierswaren en pluimvee en wild.

Instelling van de bedrijfsgroep _,,Koopvaardij” met de
vakgroepen ,,Zeescheepvaart” en ,,Kustvaart” en de

bedrijfsgroep ,,Diamant- en Edelmetaalindustrie” met twee
vakgroepen, ni. ,,Diamantindustrie” met drie ondervak-

groepen, en ,,Edelmetaalindustrie”. (E.T. 22/5/’42, pak.
651; Stct. Nos. 39, 92 en 96).

Instelling van de vakgroepen’ ,,Detailhandel in aard-
appelen, groenten en fruit” en ,,Detailhandel in vleesch-

waren”, alsmede van de bedrij fsgroep , ,Voedselvoorzie-

ningsambachten” met een vijftal vakgroepen, nl. Slagerij,

Brood- en Banketbakkerij, Maalderij, Loondorscherij en
Sigarenmakerij. (12. V. 29/51’42, pag. 685; Stct; No. 97).

LANDBOUW EN VOEDSELVOORZIENING.

Aardappelen. Aanvulling van het Aardappelbesluit
V.V.O.
1940, volgens welke de P.I.C.A.’s ook handelaren
in aardappelen kunnen verplichten hun voorraden aard-

appelen in te leveren. (BV. 15/5/’42, pag. 624; Stct. No. 90)
Eieren. Vei’plichte inlevering van 15- eieren per kip’
per jaar voor hen, die voor hun pluimvee geen voeder-
toewijzing ontvangen. (E. -V. 29/5/’42, pag. 687).

Korrelinais. Medêdeelingen inzake den verbouw van

kdrrelmais, waarbij de richtprijs wordt verhoogd en voor-
waarden zijn vastgelegd inzake het voor eigen gebruik

behouden van een bepaald gedeelte van den oogst. (E.V.
15/5/’42, pag. 624).

Persdraad. Regeling inzake de verstrekking van zgn.

persdraad voor landbouwdoeleinden en waarbij aankoop

zonder vergunning van het Rijksbureau V.V.O. wordt
verboden. (BV. 15/5/’42, pag. 624; Stct. No. 91).
Rundvee. Nadere regeling inzake classificatie in verband
met het aanhouden van rundvee. (E.V. 22/5/’42, pag. 650.)
Vee. Nadere mededeelingen inzake de verplichte vee-
levering, waarbij d. m. v. extra-toeslagen getracht wordt

de levering van jongvee te bevorderen, zulks o. m. met
het oog op de a.s. winterperiode, waarin geen krachtvoer
zal kunnen worden verstrekt. (E. V. 29/5/’42, pag. 686).
Vies. Verplichte opgave bij de Akkerbouwcentrale van
voorraden stroovlas bij den handel. Verkoop- en vervoer-verbod voor vias vanaf 13 Mei 1942. (E. V. 29/5/’42, pag.

GELD-, CEEDIET- EN BANKWEZEN EN BELASTINGEN.

Personcelc belasting. Wijziging in de Wet op de Per-
soneele Belasting 1896, waarbij voortaan slechts de huur-

waatde en het meubilair als groiidsiag gelden, terwijl

bedrijfsiocaliteiten buiten de belasting vallen. (E. V.
29/5/’42, pag. 680; Stct. No. 99).

VERKEER.

Binnenscheepvaart. Nadere besluiten inzake uitvoering
van de regelingen tot verhooging van de vervoer-
capaciteit van. de binnenvioot. (B.V. 15/5/’42; pag. 623;
Stct. No. 91). Vervoer met paardentractie. Houders van paarden en

voertuigen, bestemd voor het vervoer van goederen,
kunnen door een Rijksinspecteur van het verkeer worden
aangewezen om bepaald vervoer te verrichten tegen be-
paalde vrachtprijzen en onder zekere vervoersvoor-
waarden. (B.V. 22/5/’42, pag. 650; Stct. No. 90).

3 Juni 1942

ECONOMISCH-STATISTISCHE
BERICHTEN

249

STATISTIEKEN.
BANKDISCONTO’S.

Ned

Disc

WIss.2* 28 Juni
1
41
Bel BI Eff.3* 28Aug.
1
39
1Vrsch.inRC3j

Lissabon

. . .

4

31 Mrt. ’41
Londen

……2

26 Oct.

’39
Bk

28Aug. ’39
Madrid

……4

28 Nov. ’38
Athene

…….5

24 Juli

’41
N.-York F.R.B.1

27 Aug. ’37
Batavia

……3

14 Jan.

’37
Oslo

……..4*

21 Sept.’39
Belgrado

. . .

5

1 Febr. ’35
Parijs

……..

11

17 Mrt.

’41
Berlijn

……

3j

9 Apr. ’40
Praag

……..3

1 Jan.

’36
Boekarest

. . .

3

12 Sept. ’40
Pretoria

……

31 15 Mei

’33
Brussel

……°’) 25 Jan.

’40
Rome

……..41,

18 Mei

’36
Boedapest

. .
..

22 Oct.

’40
Stockholm

.

3

29 Mei

’40
Calcutta

.

. .

28Nov. ’35
Tokio

……..

3.521 Juli

’41
Helsingfors

. .

3 Dec. ’34
‘Warschau

.

4* 18 Dec. ’37
Kopenhagen

.
.

15Oct. ’40
Zwits

Nat. Bk

1 j 25Nov. ’36
‘) 3 pCt. voor wissels, promessen en leeningen met een looptijd
van meer dan 120 dagen.
KOERSEN VASTGESTELD
DOOR HET
NEDERLANDSCH
CLEARINOINSTITUUT.

(met data van
vaststelling)
Belga’s

.
.. .30.14

7Aug.

’40
Lewa(Bulgarije)2.30 25 Nov. ’40
Zw. Francs. .43.56 11 Oct.

’40
Pengoe (Hongarije)
Fr.Francs

..

‘3.77

6 Mrt.

’41
(oude schuld)36.52 20 Dec.

’40
Lires

……9.91

3 Juli

’41
Pengoe
Deensche Kr.39.34

2 Febr. ’42
(nwe. schuld)45.89 20 Dec.

1
40
Noorsche Kr.42.82 21 Dec.

’40
Zloty (Polen)
ZweeclscheKr.44.85 13Aug. ’40
(oude schuld)35.00 28 Jan.

’41
FinscheMark

3.82

2 Juli

:41
(nwe. schuld)37.68 11 Febr. ’41
Dinar (Joego-Slavië)
Lei

1.28 24 April ’41
……..
’40
(oude schuld)

3.43 16Aug.
Dinar
Slow. Kr.

.’
6.48 10 Juni

’39
(nwe. schuld)

3.77

1 Juli

’41
Drachmen Turksche
(Griekenland)

1.26

8 Oct. ’41
Ponden

… .1.458 29 Dec.

’39
Kuna

.

3.77 29 Oct. ’41

0FF! CIEELE WISSELKOEItSEN NEDE1tLANDSCHE BANK.’
Valuta’s (schriftelijk en t t.)

N.-York

I
Brussel
Zürich
I
Stockli.
1
Helsinki
27 Mei 1942

30.14
43.67

,.
44.85*

28

,,

1942

30.14
43.67
44.85*

29

1942

30.14
43.67
44.85*

30

,;

1942

30.14
43.67
44.85*

1 Juni1942

30.14
43.67
44.85*

2

,.

1962

30.14
4 3.6 7
44.85*

Laagste d.w.

30.11
43.63
44.81′

Hoogste d.w.

30.17
43.71
.
44.90

Muntpariteit
1.469
24.906
48.003
66.671
6.266

STAND VAN ‘s RIJKS KAS.
‘orc1eringen
1

15

.alei

1842
1

11 Met
1842
Saldo van ‘s Rijks Schatkist
bij de Nederlandsche Bank
f


f


Saldo b. d. Bank voor Ned.
Gemeenlen

…………..
650.985,77
,,

135.970,91
Voorschotten

op

uit.

Maart
resp. April 1942 a. d. gem.
verstrekt

op

aan

haar
uit te keeren hoofdsom der
pers. bel., aand. in de hoofd-
som der grondbel. en der

gem.fondsbcl., alsmede opc.

……

op die belastingen en op de
vermogensbelasting

……
,,

10.028.256,37
Voorschotten aan Ned.-Indië’)
…40.023.256,37
,,

205.031.051,66
,,

205.224.142,08
Idem voor Suriname
1) …7.750.972,76
,,

7.775.972,76
Idem

aan

Curaçao ‘)
285.283,23
,,

285.283,23
Kasvord.

wegens credietver-
strekking a. h.

buitenland
,,

37.266.922,74
,,

36.835.263,67
Daggeldleeningen tegen onder-
pand

……………..
Saldo der postrek. van Rijs-
comptabelen

…………
98.674.814,33 99.296.832,07
Vordering op het Alg. Burg.

k
……..

Vordering op andere Staats-
Pensioenfonds ‘)

……………

bedr. en instellingen ‘)
46.998.756,97
,,

40.147.351,91
V,erplichtirigen

Voorschot door de Ned. Bank
ingevolge art. 16 van haar
f

15.000.000,-
t

13.870.410,09
Voorschot door de Ned. Bank
in reken.-cour. verstrekt ..,,
961.183,-

Schuld

aan

de

Bank

voor
Ned.

Gemeenten

……..
Schatkistbiljetten

in

omloop
,, 110.106.000,-
,,

110.106.000,-
Schatkistpronlessen in omloop
,,2244.100.000,-‘)
,,2280.800.000,-‘)
Daggeldleeningen

……….

Octrooi

verstrekt

………

…….-

119.759.386,50
,,

119.969.793,50
Schuld op uit. Mrt. resp. April
1942

aan

de

gein,

weg.
a. h. uit te keeren hoofds. d.
pers.bel., aand. i. d. hoofds.

…….

d. grondb. e. d. gem. fondsb.

Zilverbons in omloop

……….

alsm. opc. op die bel, en op
de verinogensbelasting

Schuld

aan

het

Alg.

Burg.
35.653,24
853.975,94
Id. aan het Staatsbedr. der
Pensioenfonds’)

…. …………

P. T. en T.
1)

ven’)

………………

276.179.290,32
268.391.846,46
Id. aan andere Staatsbedrij-
….

…..18.217.910,68
19.262.910,68 Id. aan div. instellingen ‘)

..,,
355.008.414,38
,,

355.723.632,83

‘) In rekg. crt. met ‘s Rijks
Schatkist.

‘)
Rechtstreeks
bij de
Nederl. Bank geplaatst 1195.000:000,-. ‘) Idem
1177.000.000,-.
DE NEDERLAND9CHi
BANK.
Verkorte balans op 1

Juni 1942.
Activa.

Binnenl

‘Wissels,

Ç
Hfdbank.
1

215.000.001)

Promessen, enz

Bijbank
Agentsch.

,,

2.900
1

215.002.900
Papier op het

buitenland

..
11.031.154.589
Af:

Verkocht maar voor de
Bank nog

niet

afgeloopen

Beleeningen mcl.
t

141.580.064

1.031.154.589
111fdbank.
voorschotten in

Bijbank.
1.459.378
rekening-courant

Agentsch.
12.826.835
op onderpand
,,

155.866.277
Qp Effecten enz.

………..
1

155.802.841 ‘)
Op Goederen en Ceelen
63.437
11

155.866.278
‘)
Voorschotten aan het

Rijk

………………..
15.000.000
Munt en muntmateriaal:
Gouden

munt

en

gouden


muntmateriaal … ……….

f
943.304.835
Zilveren munt, enz.

……..
..
7.762.257 951.067.092
Belegging van kapitaal, reserves en
pensioenfonds ,,

53.643.801
Gebouwen en meubelen der Bank
…………4.000.000
Diverse

rekeningen

………………………
153.694.079
2.579.428.739
Passiva..
Kapitaal

…………………………….
f0.000.000
Reservefonds

……………………………
5.368.354
Bijzondere

reserves

……………………..
16.583.835
Pensioenfonds

…………………………..
11.757.025
Bankbiljetten

in

omloop

………………..
2.345.198.580
Bankassignatiën

in

omloop

…………………
42.637
Rek-Courant 5′ Van het Rijk

f

saldo’s

1, Van anderen

,,
170.369.581
/
,,

170.369.581
Diverse

rekeningen

……………………..
10.108.727
t 2.579.428.739

Beschikbaar dekkingssaldo ………………f1.022.905.141
Minder bedrag aan bankbiljetten in omloop dan
waartoe de bank gerechtigd is
.
…………..2.557.262.850
Schatkistpapier, rechtstreeks bij de bank onder-
gebracht

…………………………….215.000.000
1)
Waarvan aan Nederlandsch-Indië (Wet van
15 Maart 1933, Staatsblad No. 99) ……….55.341.825

Voornaamste postân In ilnizendan guldens.’
Gouden

Andere
1

Beschikb.
Dek-
Data
munt en
.


J
I
schulden
opeischb.
1
dekkings-
hings-
I

muntmater.
1

saldo

perc.
1

Juni ’42
943.305
2.345.199
170.412
1

1.022.905
38 26

Mei ’42
950.847 2.310.761
189.472
1

1.057.188
38
18

,,

’42
950.878
2.289.132
193.115
1

1.036.019
39
.6

?ilei

’40
1.160.282
4.158.613
255.483
1

607.042
83
Totaal
Schatkist-
B elee-
‘Papier
Div.
Data
bedrag
prom.
mngen
op het
reken. disconto’s
recht str.
buiten!.
(act.)
1
Juni”T21
215.003
1

215.000
155.866
1.031.155
-f53.694
26

Mei ‘421
184.004
1

‘184.000
149.708
1.035.676
1182.664
’18

,,

‘421
195.004

1
195.000
446.816
99-1.215
1183.539
6 Mei ‘401
9.853

1

217.726

1
750
1120.648
DUITSCHE RIJKS]IANK.
(in milI. R.M.)
1

Goud
Renten- Andere wissels,
1
13etee-
Data

,
1

en bank-
chèques
1
deviezen
scheine
schatkistpapier
1
ningen

23

Mei

1942
1

77
322,8
20.656,7
1

16,1
’15

1942.
1

77,1 290,1
21.138,2
1

20,1
7

,,

1942
1

76,8
272,7 21.556,0
1

16,6
23 Aug. 1939
t

77,0
27,2
,
8.140,0
1

22,2

Data
1

Effec-
1
Diverse
1

Circu-
1

Rekg.-

1
Diverse
1

ten
1

Activa
1

latie

1

Cr1.

1
Passiva
23 Mei’42
16,2

1
1.8

18,1

1
‘19.401,4

1
2.644,3

1
406,2
15

,.

’42
15,7
1.740,0

1
19.638,7 2.752,6

1
421,9
7

;,

’42
17,4
1.447,1

1
19.935,6 2.690,3

t
384,6
23 Aug.’39
982,6
1.380,5

1
8.709,8
1

1.195,4

1
394,2

GEZA3NL1.H(E STATEN
VAN
DE NATIONALE BANK
VAN
BELGIË EN VAN
DE EMISSIEBANK TE BRUSSEL.

n
0
,.

‘O,

-a

ci

1.

-‘

a
f3
r

0
0
rn
20Mei’42

3 9
‘5

T2
15

,,

’42

38.786

743

21.543

1.609

54.172

3.871

3.889
7,,

’42

38.451

763

21.436

1.596

54.030

3.900

3.567
30Apr.’42.38.473

795

21.116

1.713

53.623

3.979

3.748
23

,,

’42

37.869

801

21.009

1.844

53.237

3.860

3.681
8 Mei ’40

23.606

5.394

695

1.480

29.806

909

Verantwoordelijk voor den geheelen inhoud: Drs. M. F. J.
Cool, Rotterdam; Uitgever tevens drukker: H. A. M.
Roelants, Schiedam, K 2193.

250

3 JUNI 1942

Alfa betische Index 0 verheidsmaatregelen op Economisch gebied

(Zie voor den a1fbetischen index Overheidsmaatregelen in 1941 het Jaarregister 1941, laatste bladzijde.)

Blz.
Aardappelen

…………….
33,

47,
248
Aardolieproducten

………………
102
ACCIJnS

.
………………..
33, 185,
195

Afval

……………………….
165
Arbeidszaken ……

113,
189,

215, 227,
248
Bank- en Credietwezen
……….33,
195
Bankwet

1937

………………….
195
Bedrijfsvorm

……………………
59
Bedrjjfsorganisatie Vee
en
Vleesch
59
Belastingen …………..
33,

59, 227,
248
-Bindtouw

………………….
33,
215
Binnenscheepvaart ……
59, 156,

238, 248
Bloemkweekerij

…………..
155
BOschbouw

…………………….
185
Bouwnijverheid …………….
47,

58,
113
Buitenlandsche Flandel 47,
59,

75,

101,
113,
155, 204,
215, 227, 238,
248
Chemische Industrie……….
58, 184,
248
Deviezenverkeer. ………….
33,

59, 167
Diamant

……………………..
113
Dividendbeperking

……………….
59
Drankwet

………………………
58
Economische

Sancties…………….
194
Eieren

……………………….
248
Electrotechnische Industrie

……….
58
Fruit…………………………
59
Garnalen………………………..
123
Gevogeite

………………………
47
Grafische Industrie

……….
58,

75,
194
Granen …………………………
205
Grasland

…………33,
67, 85,

155,
205
Groenten

……………………
33,
155
Handel

……….204,
215, 227, 238,
248
Hennep

……………………….
205
Hout

…………………………
248
Industrie

………………….
238, 248
Kaas

………………………
75,
227
Kamers van Koophandel
………47,
184
Kantoormachines

……………….
156
Kapok

……………………
101,
165
Keramische Industrie …………

194
Kunstmest

………………….

215
.Kweekerij

………………………
59
Landbouw 33, 47 59, 67,
75: 85, 93, 102,
155,
165,

195,
205,

215,

227,
248
Landstand; Nederlandsche
……..33,
102
Leenlngfonds 1940
. . .
……….
102
Machines

……………………..
215

Blz.
Meel en ‘-producten …………101, 195
Melk en -producten …………..33, 205
Merkengeld ……………………113
Metalen 47, 58, 75, 155, 184, 195, 227, 238
Middenstand ………………195, 215
Motorbrandstof ………….. 58, 165, 215
Nationale Plan ……………….101
Neclerlandscije Coöperatieve Raad . . .. 194
Nicotine……………………….102
OliOn en vetten …………. 102, 195, 215
Omzetbelasting ………….. 59, 102, 227
Ondernemingsbelasting …………..227
Oorlogsschade …………….123, 184, 195
Organisatie Bedrijfsleven 47, 102, 113, 123, 165, 195, 204 .215, 227, 238, 248
Paarden ……………………215
Pacht …………….67, 102, 123, 165
Papier …………58, 102, 195, 204, 215
Pelterijen ……………………..51
Pensionbedrijven …………….58, 248
Peulvruchten …………………..205
Pluimveehouderij …………..165, 248
Postverkeer ……………………..59
Prijsregeling47, 58. 75, 101,113,123, 155, 165,
.184, 195, 204, 215, 227, 238, 248
Radio …………………………47
Rantsoeneering………………….227
Registratierechten ………………..59
Restaurants …………………….75
Rijwielen ……………………47, 123
Rubber ……………………113, 123
Slaclitvee ……………33, 59, 67, 248
Smeerolie ……………………..102
Spaar- en betaalzegelkasbedrijf .. 102,227
Spertijden Kleinbedrijf ………..75, 123
Suikerbieten ………………….205
Surrogaten ……………………..155
Tabak’ ……………..47, 58, 113, 195
Tankgas …………………………205
Textiel ……………………….102
Tuinbouw ……….33, 59, 102, 205, 227
Turf ………………………….. 59
Tweelandenorganisaties …………….59
Uien ………………….. ……… 33
Varkens ……………………..59 227
Vee ……67. 165, 185, 195, 205, 227, 248
Veenproducten ………………….113
Veevoeder ………………47, 102, 238

Blz
Vennootschapsbelasting …………..
227
Verf en -grondstoffen

……….
102, 165
Vermogensbelasting …….
.

……….

.227
Vervoerswezen ……….
59,

102, 165,

248
Testigingseischen

……………….
.102
Vezelstoffen

………………….
215
Visscherij

……33,

47, 59,

102, 123,

215
Vlas

………………..
59, 75, 227, 248
Vleesch …………….
59,

165,

185, 205
Voederbieten……………………
215
Voedselvoorziening

33, 47,
59,

75, 123,

155,
185, 205, 227
Vijandelijlt

vermogen

…………….215
Wol…………………………..
205
WiJnbelasting

……………………
33
Zaden…….47,

59,

102, 123,

156,

195,

205
..
Zuidvruchten

…………………..
195
Zuivel ……

.

………..
. ………..

227

/

ABONNEERT U OP

LII
DE. ECONOMIST

.ORGAAN VAN HET NED. ECONOMISCH INSTITUUT

Onder redactie van:

Th. Ligthart, Ch. Raaijmakers,

C. A. Verrijn Stuart, G. M. Verrijn Stuart,
F. de Vries.

De Economist verschijnt don –
-__
löden van
elke maand. Do

prijs voor
(1011
jaargang bo-,

Met 1942 begon de Eén-en-negen.

__- draagtf 12.60 voor ‘t bluneni.,

– tigste jaargan
11
o’:
-_ f
r
anco p. n. t
13.40*;
voor stu-

denten t 10.50*. franco p. p.

Proefnummer
gratis op

t 11.30; 113.60 voor het bul-

aanvraag
verkrijgbaar!
tenland, hij voorultbetallug.

Abonnementen worden ‘ook door den boekhandel aangenomen. –

UITGAAF VAN-DE ERVEN F. BOHN N.V.

HAARLEM

POSTGIRO 5403

A D
V
E R T E N T I E S

Onze organisatie waarborgtU een prompte, deskundige en economi-
sche uitvoering van Uw
advertentie-opdrachten voor alle couranten

NIJGH & VAN DITMAR

ERASMUSHWS – ROTTERDAM – TELEF. 31696

BIJKANTOREN- AMSTERDAM, N.Z.
Voorburgwal
157,
Telefoon
33050.
DEN HAAG,
Parkstraat
25,
Telefoon
116220.

Koninkl. Nederlandsche Boekdrukkerij

H1
A. M. ROELANTS

SCHIEDAM

Onze terzczké-kundige staf is te allen

tijde
voor
gratis advies te Uwer

beschikking.

Tel. 69300 (3 lijnen)

Een Ahalyse van de

Arbeidsproducti..

viteit In Nederland

door

Dr. Ir. F. J. C. VAN DER SCHALK

24s1e
Publicalie van hef

Nederlandsch
Econo-

misch Insfifuuf

PRIJS f 2.60*

(Prijs voor donateurs en

leden van het N.E.I. fl.85)

Verkrijgbaar
in
den Boekhandel

Uitgave:
De Erven

F. BOHN N.V.-Haarlem

P. 1299/3.

DRUK H. A. M. ROELANTS, SCHIEDAM

Auteur