Ga direct naar de content

Jrg. 24, editie 1251

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 20 1939

O DECEMBER 1939

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN.

Econom1sch,-*Stat1*st1*sche
Beri*chten’

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN
EN VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

24E JAARGANG

WOENSDAG 20 DECEMBER 1939

No.
1251
COMMISSiE
VAN REDACTIE:
P. Lief tinck;. N. J. Polak; J. Tinbergen;
H.
M. H.
A.. van der Valk; F. de Vries.

JI. F. J. Cool – Secretaris van de Redactie.

Redactie-adres: Pieter de Hoochweg 122, Rotterdam.
Aan geteekende stukken: Bijkantoor Ruige piaa tweg.
Telefoon Nr. 35000. Postrekening 8408.

Advertenties voorpagina f 0,50 per regel. Andere pagi-
na’s f 0,40 per regel. Plaatsing bij abonnement volgens
tarief. Administratie van abonnementen en advertenties:
Nijgh 4 van Ditmar N.V., Uitgevers, Rotterdam, Am-
sterdam, ‘s-Gravenhage. Postchè qua- en giro-rekening
No. 145.192.

Abonnementsprijs voor het weekblad franco p. p. in
Nederland f 16,—. Abonnementsprijs Economisch-Statis-
tisch Alaandbericht f 5,— per jaar. Beide organen samen
f 20,— per jaar. Buitenland en Koloniën resp. f 18,—,
f 6,— en f23,— per jaar. Losse nummers 50 cent. Dona-
teurs en Zeden van het Ncderlandsch Economisch Instituut
ontvangen het weekblad en het Maandbericht gratis en
genieten een reductie op de verdere publicaties.

BERICHT.

In verband met de ophariden zijnde feestdagen zul-
len de nummers van 27 December en 3 Januari a.s.
een dag later verschijnen. In het nummer van 27 De-
cember zullen de cijfers van d&n weekstaat van De
Nederlan.dsche Bank niet worden gepubliceerd, daar
deze dan nog niet te onzer beschikking zijn.

INHOUD:

Blz.

Pogingen tot beïnvloeding van den rentevoet door
F. Philipp………………………………932

De Staatsleening
1939 ………………………..931

Egalisatiefonds en geldinarkt in Nederland door
Dr. H. Al. U. A. van der Volk ………………..934

De tiopositie dooi-
J. Willems ………………….935

1-let werk der Securities and Exchange Commission bij de
public utilities en andere reorganisaties door
Mr. Dr.
E. Schmey………………………………937

De economische toestand van Zweden tijdens den
vorigen oorlog (1) door
P. de Wolf …………..940

De Rijksmiddelen over November ………………
942

BOEanESPREKINGEN:
League of Nations: International trade in certain
raw materials and foodstuffs by countries of origin
and consumptiou; Balances of paymeots,
1938;
International trade statistics,
1938,
bespr. door
Prof. Dr. J. Tinbergen ……………………943

Ii1AANDOIJFERS:
Gecombineerde Maandstaat van de Nederlandsche
en Nederlandsch-Indische Grootbanken……….
944

Overzicht van den stand der Rijksmiddelen ……..
944

Statistieken:
Verkorte opgave der Groothandelsprijzen …………………945
Geldkoersen-Wlsselkoersen-Uankstaten ………………945, 946

GELD-, KAPITAAL. EN WISSELMARKT.

Dci meest opvallende gebeurtenis ‘in de verslagweek was de -vastere stemming voor het Pond. Of -hierbij de aankon-
diging van bert Engelscih-F-mansche ,,monntaire bond-genoot-
schap” een rol van beteekenis -heeft gespeeld, valt moeilijk
na te gaan. Zulks -temeer, omdat liet nog uitermate moei-
lijk te -overzien is, wel-ken invloed deze overeenkomst ten-
slotte op de positie van het Pond aal hebben. Wellicht kan
men een gunstige noot voor het Pond hierin zoeken, dat,
mn.cti-e,n er nog omvangrijke Fransche kapitalen in Londen
zouden uirtrsrbaain, daarvan nu geen druk meer op de Star-
lingrv-ailu-ta zal uitgaan. Waarschijnlijk is dit echter ook
nog riiiet,
wnnt
de Fra:nsche kapirtraaibezitters hebben im-
mei-sreed-s lang hun biriten-iroodseli bezit moeten aanmel-
den, -en ook

voorheen heeft ilieft Egalisatiefonds, wanneer
hert dergelijk -valutrabezirt over-nam, -niet de Pondern op de
markt geworpen. Veel meer dan een co

nsolidabie van de
defacto–situ-atie moet men dan ook ‘voor het moment in de
overeenkomst niet zien. – De vraag naar Pond-en, die vooral in -de eerste helft van
de week plaats vond, stani-de ten deetle van de zijde van
baiss’iers, die -tot dekking overginigen. De koers kwam tijde-
lijk op
7.46,
-waardoor derihalve hart écai-t tussehen off-i-
ciee-len en buite-olarn-dischen Ponden-koers werd ger-educeei-d
tot nog geen
2
fp0t. Daarna nam -de -vraag -af, zoo-dat de
koers inza-kte -tot 740.
Aan -het begin van de nieuwe week
daalde de koers -nog ver-der, echter niet door een oorzaak,
die bij bert Pond lag. Toen was theft de Guldetn, die algemeen
een vaste stremming aan dein -dag legde. De Pondeatet-mijn-
koers bleef over het -algemeen aan den lagen kant, liet
disagio liep op en irti het begin van de nieuwe week amen-
tueerde ziuh dese hou-ding nog. Ook -dit was echter eerder
aan -den Gulden dan aan het Pond toe -te schrijven, want
het agio voor Tei-mijndollars is ook gedaald.
– Dc – Belga itoomde in de v-ersiagweek weer vrij heftige
fluotuaties. Nadat aa.n’vankelijk de koe-rs -beneden de
31
zakte zonder dat cle autoriteiten noenieniswaardein steun
boden, trad daarna een scherpe stijging in, die i.n het be-gin van de nieuwe week -nog werd ver-sterkt. Men heeft
den -indruk, dart de Belgische monetaire autoriteiten haar
ti’aidrirbioneele tactiek, om af en toe de -speculatie den voet
stevig dwars te zetten, weer een-s hebben toegepast. In het
-begin van de week steeg de koers tot boven de
31.20,
ter-
wijl de Gulden tobit ook rond-s vast was.
De
vaste stemming voor -den Gul-den aan het begin van
de niieuave week -is moeilijk te verklaren, tenzij men moet
aannemen, dat beleggers, die op de nieuwe Staaitsleening
willen in-schrijven, Dollars verkochten. Erg waarschijnlijk
lijkt dit intusschen -niet. Hoe dit zij, -deze -dag was getuige
van een in den laatsten tijd ongekend

lagen Dollarkoers
van
187%,
waarna weliswaar weer een stijging tot boven
-de
188
initrad. Maar theft feit, dat men -zich kon distan-
cieeren ‘van het plafond
1.88%,
was op ‘zichzelf eeds merk-
waardig.
De
geldmankit toont ‘niet -veel wijs’iigiinig. Over het alge-
meen was kort pa-pier wel gevraagd. De invloed van de
Staartsl-eetning op de geidmarlet is nog moeilijk te over-
nien. Wanneer er -omvangrijke saldi bij De Nederlandsche
Bank zouden zijn, die voor

inschrijving worden gebruikt,
dan zou -de markt daardoor -verruimd -worden. Die saldi
zijn eehter, naar men mag aannemen, sedert het uitzetten
van geld h deposirto bij
ria
banken weer inoemeuswaard
rentogevend is, minimaal. Wanneer nien d-at -als uitgangs-
punt aanneemt, en dan bedenkt, dat een deel van de op-
brengst der nieuwe leening allicht door de schatkist ge-
bruikt zal wonden om in te loopen op de bij De Neder-
landsche Bank opgenomen middelen, dan ‘moet men dus
eet-der aan een krapper worden van -de gnldmarkt denken.

932

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

20 December 1939

POGINGEN TOT BEÎNVLOEDING VAN
DEN RENTEVOET.

Twee gebeurtenissen der laatste maanden hebben
opnieuw liet vraagstuk aan cle orde gesteld, of de in onderling overleg optredende beleggingsinstellingen invloed kunnen nitoefenen
01)
de ontwikkeling: van
den rentestand en, zoo ja, in welke richting zij clezen
invloed dan dienen te laten gelden in liet algemeen
landsbelang.
Wij doelen in de eerste plaats op het besluit, door
het Beleggerskartel genomen in de moeilijke Septem-
herdagen, om voorloopig bij de investeering van gel-
den met een minimumrente van 4 pOt. genoegen te
nemen. Daar de werkelijke rente van ter Beurze ge-
noteerde ohligatieleeningen aanmerkelijk hooger clan
dit minimum lag, had deze mededeeliug van zoo in-
vloedrijke beleggerszijde uiteraard de tendens, de
markt een psychologischen steun te geven. Ook latere
berichten duiden er op, dat liet Beleggerskartel er
naar zal streven, de rente laag te houden en een zoo
groot mogelijke stabiliteit te handhaven, onder gelijk-
tijdige wijziging van de leeningsvoorwaarden in dien
zin, dat vervroegde aflossing bemoeilijkt ivordt.
Een tweede poging om den rentestand te beïnvloe-
den is ondernomen door den Centralen Beleggings-
zaad, toen deze in November aan de
41%
pCt. leenin-

gen der Gemeenten Rotterdam, Zandvoort, Waalwijk, enz., welke ondershands door de Rijksfoodsen zouden
worden overgenomen, zijn goedkeuring onthield en
verhooging van het rentepercentage tot 414 pOt. ver-
langde, omdat naar de overtuiging van den Raad de
toestand op de geldmarkt het emitteeren van leenin-
gen tegel een rente lager dan 414 pOt. uitsloot en
slechts een rentevoet van 41% pOt. wettigde.
Weliswaar staat het natuurlijk allen leden van het
Beleggerskartel, ook den Rijksfondseu, vrij, boven
het minimum van 4 pOt., hetwelk door het kartel
is vastgesteld, uit te gaan, maar toch is het duidelijk,
dat. de Centrale Beleggingsraad, welke heeft te beslis-
sen onitrent de beleggingen van de Rijksfonclsen –
d.w.z. van de grootste tot liet Beleggerskartel behoo-rende groep -, zijn invloed heef t trachten aan te wen-
den tot het verkrijgen van
hoogere
rente, terwijl de

officieele politiek van liet Beleggerskartel is: liet

stabiel en
laag
houden van de rente.
Van verschillende zijden heef t men er den Beleg-
gingsraad een verwijt van gemaakt, dat deze ziju veto-
recht heeft uitgeoefend, ofschoon omtrent cle leenings-
voorwaarden tusschen de betrokken Rijksfondsen en
Gemeenten hereids onderling overeenstemming was
bereikt. Het is niet publiek bekend, welke eventueele richtlijnen de Centrale Beleggingsraad hij zijn beslis-
singen heeft te volgen, doch ook zonder deze richt-
lijnen te kennen, kan men zich voorstellen, dat de po-
sitie van den Raad verre van gemakkelijk is. Eener-
zijds heeft hij den plicht hij zijn beslissingen reken ing
te houden met de marktverhoudingen – ,,met de
Rentewet”, zooals Minister De G-eer onlangs op-
merkte—, anderzijds zal hij er als overheidsinstantie
niet op uit mogen zijn, gebruik te maken van tijde-
lijke angststemmingen om den geidzoekenden over-
heidsorganen het vel over de ooren te halen. Overi-
gens zal elke hemoeiing, welke tot strekking heeft
den rentevoet onnoodig te verhoogen, ook het Rijk,
dat zelf als grootste geld nemer enorme bedragen zal
moeten opnemen, hoogst onwelgevallig zijn.
In de hovengeschetste gevallen zijn de rollen tus-
schen de vertegenwoordigers der particuliere instel-
lingen en die der Rijksfonclsen anders verdeeld geweest
dan men zou hebben verwacht. Er zal weinig mee-
ningsverschil over bestaan, dat het streven van liet
Beleggerskartel momenteel meer strookt met liet
staatsbelang. Overigens is het waarschijnlijk, dat het
bovendien beter beantwoordt aan het welbegrepen en-
gere eigenbelang der aangesloten instellingen, voor
zoover die althans reeds een portefeuille hebeeren,
welker omvang belangrijk is in vurhouding tot de gel-
den, die in de naaste toekomst voor nieuwe belegging
ter beschikking zullen zijn. Nu hijv. den levensver-
zekeringmaatsehappijen vermoedelijk betrekkelijk ivei-
nig nieuwe gelden toevloeien, welke van een even-
tuéel hoogere rente zouden kunnen profiteeren, en
anderzijds haar groote bestaande effectenhezit door
een stijging van de rente in koers zou worden ge-

drukt, zouden, deze instellingen momenteel inderdaad
w’el het beste gediend zijn niet een stabiele rente.
De vraag, waar het op aan,lronzt, is nu, of’deze .stii-

biliteit, zelfs indien zoowel de grootste geldnemer:
de overheid, als de ,qroote beleggircgsinstellingen haar wenschen, daadwerkelijk zal kunnen worden gehanci.-
haafcl.

Het feit, dat het Beleggerskartel werkelijk deover-
wegende meerderheid van het beleggingskapitaal hier te lande omvat, en dat het zijn aanvankelijke doel, het
verhinderen van een verdere rentedaling, met opmer-
kelijk succes heeft nagestreefd, zal misschien vÖor
sommigen aanleiding zijn, deze mogelijkheid op liet
eerste gezicht optimistisch te beoordeelen.
Het is echter zeer twijfelachtig, of het gewettigd
is uit het verleden conclusies voor de toekomst te
trekken, nu de omstandigheden sedert verleden jaar
zoo geheel veranderd zijn.

Te bedenken valt in de eerste plaats, dat het kartel
zijn activiteit op een zeer gelukkig oogenblik begon.

Het kwam tot stand in Februari 1938, nhdat de
,,wilde staking” tegen de Indische conversieleening van September 1937 was mislukt, en nadat een golf
van conversies feitelijk beëindigd was, doordat vrij-wel alle daarvoor in aanmerking komende leeningen
van hooger rentetype in het 31% pOt-type of lager
waren omgezet. Op den datum van de oprichting van
het kartel vermeldde de Prijscourant van de Vereeni-
ging voor den Effectenhandel 115 leeningen van het
334 pOt.-type, 30 leeningen van lager type en 24

hoogerrentende leeningen, welke laatste echter groo-
tendeels niet of nog niet vervroegd afloshaar waren.
In de tweede plaats beschikte het bij zijn strijd
tegen een verdere rentedaling over belangrijke
nega-
tieve machtsmiddelen.
Het ging uit van de juiste over-
weging, dat voor de overtollige gelden, die ongeveer
10 pOt. van het totale bezit zijner leden uitmaakten,
toentertijd eenvoudig geen belegging te vinden was.
Indien men voor die 10 pOt. of zelfs voor een gi-ooter
percentage, vrijkomencl door geregelde aflossing, geen
belegging zocht en daar dus 0 pOt. rente voor accep-
teerde, mocht nien hopen voor de resteerende 90 pOt.
een rente van 316 pOt. te kunnen behouden, hetgeen
uit den aard der zaak voordeeliger zou zijn dan indien

door een ongebreidelde concurrentie bij het zoeken
van belegging voor de overtollige middelen ook de
90 pOt. reeds belegde kapitalen opnieuw in een con-
versiebeveging zouden worden meegesleept.
Van zijn negatief machtsmicldel, nl. liet onbelegd
laten zijner overtollige gelden, lieef t liet Beleggers-
Icartel met succes gebruik gemaakt en
zijn
opzet is vol-
ledig gelukt, ofschoon opgemerkt nioet worden, dat
het geen vuurproef van ]angeren duur heeft behoe-
ven te doorstaan, daar zich, tengevolge van algemeene

factoren grootendeels van internationaal-politieken
aard, in den loop van 1938 niet slechts in Nederland,
maai oolc in de meeste andere Europeesche landen
een totale ommekeer op de heleggingsniarkt heeft
voltrokken. Een nieuwe conversiegolf Was dienten-
gevolge uitgesloten en het kartel heeft zich sindsdien
een groote zelfheperking opgelegd. In hoofdzaak
heeft het zich er toe bepaald, den rentevoet in zijn
door andere factoren veroorzaakte stijging op eenigen
afstand te volgen, doordat eerst in September 1938,
daarna in April 1939 en tenslotte in September jl.
zijn minimunicondites eenigermate werden verhoogd.
Gesteld, dat het Beleggerskartel thans al zijn in-
vloed zou willen aanwenden om een stijging van de
rente te verhinderen, zou het dan thans over voldoen-
de
positieve
niachtsmiddelen beschikken om zijn wil
door te zetten? Deze machtsmiddelen zouden alléén

20 December 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

933

kunnen bestaan uit een voldoende hoeveelheid gelden,
beschikbaar voor belegging. Voor de beantwoording
van de vraag, of deze gelden inderdaad aanwezig zijn,
moeten wij dus trachten ons een beeld te vormen van
de krachten, die thans op onze kapitaalmarkt werk-
zaam zijn. Den toestand op die markt zouden wij als
volgt willen schetsen: Van het beruchte ,,hraakhggen-
de milliard” zal sedert het begin van dit jaar w’el
meer dan de helft ons land hebben verlaten, terwijl
bovendien het streven naar liquiditeit met het oog
0])
den volkomen onoverzichtelijken toestand is versterkt,
en anderzijds de behoefte aan werkkapitaal van vele
ondernemingen tengevolge van cle ingetreden prijs-
stijging is toegenomen.
De besparingen zijn bijna zeker voorloopig veel ge-
ringer clan in de twee vorige jaren. De besparingen
zijn – naar men mag aannemen – in den laatsten
tijd geringer dan in de twee voorafgaande jaren, het-
geen aan verschillende factoren is toe te schrijven.
Dit verschijnsel uit zich o.a. hij de spaarbanken, waar
in de laatste maanden de onttrekkingen de nieuwe
inlagen met belangrijke bedragen hebben overtroffen,
zij liet dat cle anticipatie-aa.nkoopen van cle verbrui-
kers hier mede een rol zullen hebben gespeeld.

Zijn dus zoowel de liquiditeit als de nieuwe bespa-
ringen thans geringer, hiertegenover staat, dat
de overheid, die in 1937 naar rarning nog
f 175
mii-
lioen méér afloste dan aan nieuw geld werd opgeno-
men, thans bedragen noodig zal hebben, welke de
totale spaarcapaciteit van onze bevolking aanzienlijk
zullen overtreffen. Alleen reeds de mobilisatie-uit-
gaven van
f 1.700.000
per dag zijn waarschijuJijk
grooter dan onze totale besparingen. :Dit brengt mede,
dat de toekomstige leeningsvoorwaarden zoodanig zul-
len moeten worden gesteld,
dat niet slechts de beleg

gingsinstituten, doch ooit de particuliere beleggers
tot inschrijving zullen worden gebracht,
en dit houdt
tevens de noodzaak in om bij de bepaling der lee-
ningsvoonvaaiden rekening te houden met de attrac-
tie, welke andere – ook buitenlandsche – beleggin-
gen op den kapitalist uitoefenen.
Ook ddarom is dit laatste noodig, omdat tenslotte
de beleggingsinstituten niet anders zijn dan vergaar-
bakken van individueele besparingen en derhalve al-
tijd onderhevig zuilen zijn aan opvraging van kapi-
taal, indien de spaarders of verzekerden daartoe, om
welk-en reden dan ook, aanleiding zouden vinden.
Vanzelfsprelcend is het daarbij om liet even, of de
attracties, welke de beleggers tot inschrijving zullen
brengen, bestaan, uit een iets hioogere nominale rente,
een wat lageren emissiekoers, of, zooals in liet geval
dér 4 pOt. leening van 1940, uit andere voordeeleu,
in casu het recht bepaalde belastingen met stukken
dezer leening te voldoen.

Indien de overheid, daarin gesteund door de groote
beleggers, een goedicoop-geld-politiek zou willen door

zetten, waardoor cle rentevoet in Nederland abnor

maal laag zou worden gehouden in verhouding tot
dien in andere landen en in aanmerking genomen cle
door het publiek geschatte relatieve risicofactoren,
zou onvermijdelijk kapitaalvlucht optreden. Een der-
gelijke politiek zou uiteindelijk moeten leiden tot een
beperking van den kapitaaluitvoer.
Het is niet noodig veel woorden te verliezen over
de mogelijkheid, dat de :Regeering zou wenschen de
beleggers te
dwingen
tot deelneming in leeningen
tegen naar hun oordeel te ongunstige voorwaarden,
omdat iets dergelijks, voor zoover bekend, gelukkig niet
overwogen wordt en omdat dan van een vrije ontwik-keling van den rentevoet voor nieuwe leeningen geen
sprake meer zou zijn.
Elke stap op den weg naar kunstmatig laag houden van den rentevoet zou tot het ondernemen van steeds
verdere stappen kunnen dwingen, totdat de geheele
vraag naar kapitaal zou moeten worden gecontroleerd
door de overheid, die zou moeten bepalen, welke kapi-taalbehoefte wèl en welke niet mag worden hevredigd;
en totdat tenslotte – Prof. Keynes heeft hiertoe

reeds voorstellen uitgewerkt – ook de
productie
van
spaarkapitaal door cle overheid zou moeten worden
geregeld.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie, dat het
Beleggerskartel lof verdient voor zijn streven, de
rente laag en stabiel te houden; dat zijn minimum-
condities echter natuurlijk momenteel niet effectief
zijn en dat het over geen enkel middel beschikt om
ze effectief te maken, zoolang de kapitaaibehoe.ften
van de overheid de totale middelen zullen overtref-
fen, welke het kartel voor belegging ‘ter beschikking
heeft.

Toch mag men misschien hopen, dat het voorbeeld
van het kartel, dat ook bij de kleine particuliere be-
leggers ongetwijfeld groot prestige heeft verworven,
velen tot navolging zal kunnen bewegen, en dat het
Beleggerskartel daardoor liet zijne er toe zal kunnen
bijdragen om tijdelijke excessen te vermijden.
Onze Regeering zal trouwens zelf een groote bij-
drage kunnen leveren. tot een ordeljke ontwikkeling op de beleggingsniarkt, door een juiste keuze van de
tijdstippen, waarop en de bedragen, waarvoor zij hee-
ningen op langen termijn zal vragen. Financierings-
wijzen op korten termijn bieden daartoe binnen tame-
lijk ruime grenzen de mogelijkheid.
E. F. ‘PHÏLIPP.

DE STAATSLEENING 1939.

Men schrijft ons:
Op het moment, dat wij deze regelen schrijven, staat
de inschrijving op de 4 pOt. nieuwe staatsleening
voor cle deur, en op het moment, dat dit nummer zal
verschijnen, heeft de belegger zijn oordeel over deze
emissie reeds uitgesproken. Er staan ons intusschen
meer staatsleeningen te wachten en daarom heeft het
zijn nut, ook al is het resultaat bij het verschijnen
van, deze regelen reeds bekend, toch deze emissie nog
eens op zijn mérites te toetsen.
Voorop zij gesteld, dat daarbij natuurlijk de im-
ponde’rabele factor van het beroep, dat wordt gedaan
op de nationale gezindheid van den belegger’, buiten
beschouwing moet blijven, omdat deze immers niet
meetbaar is, en dus niet in een beoorcleeling der ge-
boden leeningscondities meegecalculeerd kan worden.
Dat deze gezindheici een rol van beteekenis zal Spe-
len, wanneer liet geldt den doorslag te geven aan de
overwegingen pro en contra, betwijfelen wij niet. En dit element ontneemt natuurljk tot op zekere hoogte,
de waarde aan een zuiver zakelijke beschouwing. Wat
alweer niet wegneemt, dat men cle koele cijfers aller-
minst mag verwaarloozen.

De leeningsvoorwaarden en de icleine particuliere
beleggers.
Wanneer wij’ onder deze reserve de onderhavige lee-
ning onder de loupe nemen, dan kan in de eerste
plaats geconstateerd worden, dat zij voor den particu-
lieren belegger, die slechts een betrekkelijk gering
kapitaal in obligatiën heeft geïnvesteerd, deze groote
attractie biedt, dat zij een nominale rente draagt van
4 pOt.., hetgeen van geen enkele overheidsobligatie
– op een hoogst enkele uitzondering na – kan wor-
den gezegd. In elk geval bestaat er geen staatsleening,
die’ dit rentetype draagt! Wanneer wij hier spreken
van den kleinen en micidelmatigen particulieren be-
legger, ter onderscheiding van de groote beleggers
en de institutioneele beleggers, clan is zulks hierom,
wijl voor deze laatsten het couponrendement op zich-
zelf een factor is, die geen overwegende rol speelt.
Vanneer men het rendement van een obligatie bere-kent, dan is daarvan behalve de couponrente immers
een integreerend bestand deel het ,,af 1 ossingsagio”,
dat hoven den huidigen koers bij aflosbaarstelling
wordt verkregen. Wanneer een beleggingsportefeuille
van hehoorhijken omvang is, dan mag men aannemen,
dat, over het geheel genomen, de lotingen dusdanig
uitvallen, dat de contante waarde van liet obligatie-
bezit gelijkge’steld kan worden aan het evenredig deel

934

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

20 December 1939

van de contante waarde der leeningen, waaruit obli-
gatiën in de portefeuille voorkomen. Het meetellen
van het aflossingsagio in het rendement bevat dan
dus geen noemenswaard speculatief element. Voor den

eenling-houder met een betrekkelijk klein bezit ech-
ter liggen de uiterste lotingskansen zoover van de ge-
middelde kans, dat liet element aflossingswinst cal-
culatorisch wel beteekenis heeft, maar practisch een
zware misrekening kan zijn, zoowel ten gunste als ten
ongunste. Wanneer zulk een houder dus aan een vei-
lige 4 pOt. couponrendement de voorkeur geeft boven
4%, pCt. rendement inclusief agio, dan is dat zeker te

motiveeren.

De groots beleggers.
Wat echter de groote beleggers betreft, bestaat er
geen twijfel, dat het rendement van 4 pOt. op de
nieuwe leening belangrijk lager ligt dan de rond 4%
pOt. rendement, die op de reeds uitstaande staatslee-
ningen op het thans geldende koerspeil is te maken.
Wil dat nu zeggen, dat daarom deze leenin.gscondi-
ties niet aantrekkelijk zijn en dat inschrijvingen al-
leen te verwachten zijn op grond van de nationale ge-
voelens der inschrijvers? Zeker niet!
Een van de leeningsvoorwaarden is immers, dat
met de obligatiën betaald kunnen worden de aansla-
gen in de vermogensbelasting en verdedigingsbelas-
ting. Het behoeft wel geen nader betoog, dat de
eenige ratio van deze bepaling is gelegen in den op-
waartschen druk, die daarvan in de komende jaren uitgaat op het koerspeil, wanneer dit beneden pan
zou dalen. Voor het moment is het geen attractie om
een stuk, dat men â pari koopt, in de toekomst, even-
eens â pan, te mogen inleveren om belasting te be-
talen. Maar wel beteekent de bepaling het secureeren van een zekere toekomstige vraag naar deze stukken,
wanneer zij beneden pari dalen. Voor institutioneele beleggers is dit de eenige denkbare beteekenis, want
deze instituten zijn zelfs niet onderworpen aan de
beide onderhavige belastingen en zij- kunnen dus al-
leen van de bepaling profiteeren, wanneer er van an-

dere zijde vraag naar de stukken is.

De looptijd der leening.
Aangezien reeds is bekend gemaakt, dat het toege-
staan zal zijn om meerdere belastingaanslagen teza-
men met één of meer obligatiën te vereffenen, kan
men practisch zeggen, dat het geheele bedrag dezer
belastingen aldus zal kunnen worden betaald, ivan-
neer de koersstand ‘daartoe aanleiding geeft. Op het
oogenblik is het bedrag dezer hëffin.gen met opcen-

ten op rond
f
40 millioen per jaar aan te nemen.
Zouden nagenoeg alle aanslagen met deze obligatiiin
worden betaald – en, op grond van hetgeen wij zei-
den, moet aangenomen worden, dat dit inderdaad zal

geschieden., wanneer de stukken noemenswaard be-
neden pari ‘dalen – dan betee-kent dat voor de nieuwe
leening een looptijd van 1% jaar. Rekent men de
stukken, die de Rijksfondsen nemen, niet mee, dan
komt men zelfs tot 6 jaar. Wil men echter wat meer
speelruimte nemen en stelt men den looptijd op bijv.

10 jaar, dan is deze nog uitzonderlijk kort.
Wij zullen in het kader van deze beschouwing de
vraag in het midden laten, of uit een oogpunt van f i-
nancieel beleid deze regeling bijzonder wenschelijk
is. Wanneer immers meer dan
f 7%
millioen per jaar
voor betaling van belasting wordt ingeleverd, dan
komt het meerdere weer ten laste van den buitenge-
wonen dienst en moet daarvoor opnieuw worden ge-
leend. In verband met de beoordeeling van de mérites
dezer leening is hoofdzaak het feit, dat, indien de
ontwikkeling van de kapitaalrente den koers tot be-
neden pari zou drukken, de looptijd op maximaal 10
jaar is aan te nemen. Waarbij
wij
natuurlijk -stil-
zwijgend van de veronderstelling uitgaan, dat deze
faciliteit niet ook bij volgende leeningen aan de
houders wordt ingeruimd, want anders zou elke basis

aan deze calculatie gaan ontbreken.
Wanneer men nu de leening in het licht van deze

potentieel zoo korten looptijd beziet, dan moet men
wel tot de conclusie komen, dat de rente allerminst
onbevredigend is. Maar dan ligt tevens de conclusië
voor de hand, dat het hoogst wonderlijk is, dat men
van de zijde der Regeering deze attractie zoo uiter-
mate verdekt heeft opgesteld, waardoor zeer vele be-
leggers de bepaling niet op haar juiste waarde schat-
ten. Een volgenden keer zal men dan ook beter doen

eventueele

,,bijzondere attracties” duidelijk te doen
uitkomen, inplaats van deze te camoufleeren, want
dan doet men beter de attractie weg te halen.

EGALISATIEFONDS EN GELDMARKT IN

NEDERLAND.

• Sedert de depreciatie van den Gulden zijn er, wat
de veranderingen in den totalen goudvoorraad
1)
van

ons land betreft, twee perioden te onderscheiden. In
de eerste periode, die met het loslaten van den gouden
standaard begint, vond een aanhoudende goudstroom
naar ons land plaats, waardoor de goudvoorraad van

ons land steeg van
f
670 millioen in September 1936

tot
f
1.480 millioen in het midden van 1938. Om-
streeks dien tijd begint de tweede periode, waarin de
totale goudvoorraad gaat dalen, die thans op een ni-

veau van
f 1.021
millioen is gekomen, d.w.z. nog steeds

f
350 millioen boven het bedrag ten tijde van de de-

preciatie.

Enkele posten van De Nederlandsohe Bank
in millioenen Guldens. Goudvoo-rraad van De Rek.ort. saldi Biljetten-
•Nederi-a.ndsche Bank van anderen ci roulatie
Eerste periode
28 Sept.

1936..
670
51
773
Bcgi.nMeii
1938..
1480
805
975

Stijging. . 810 754 202

‘l’iveede periode
BeginM-ei
1938..
1480
805 975
11 Dec.

1939..
1019
203
1142

Daling.
.
461
602

167

Deze cijfers betreffen de veranderingen in den
zicht-

baren
goudvoorraad. De veranderingen in den totalen
goudvoorraad komen niet geheel in de weekstaten. van
De Nederlandsche Bank tot uiting, omdat het Egali-
satiefonds een deel van den goudvoorraad in eigen

bezit heeft gehouden.
Het grootste gedeelte heeft het Fonds echter ten
tijde van de goudinvoeren en de ontpotting van de
binneniandsche goudvoorraden aan De Nederlandselie Bank overgedragen. Deze overdracht, welke tegen den
ouden goudprijs

plaats vond, veroorzaakte voor het
Egalisatiefonds groote boekverliezen en belemmerde zijn bewegingsvrijheid, daar zijn omvang op het oor-
spronkelijke bedrag van
f 300
millioen bleef gehand-
liaafd. Door het sluiten van beleeningen bij De Neder-
landsche Bank heeft het Fonds zijn toenemende boek-verliezen en toenemend goudhezit in de eerstgenoem-
de periode kunnen financieren
2).

Het Egalisatiefonds in Nederland heeft zoodoende
slechts gedeeltelijk het binnenkomende goud geste-
riliseerd het grootste gedeelte werd aan De Neder-landsche Bank overgedragen. Uit een oogpunt van
credietpolitiek is deze sterilisatie nog van speciale
beteekenis geweest. Onmiddellijk na het loslaten van den gouden standaard, toen de geidmarkt nog betrek-
kelijk krap was, werd het binnenkomende goud door
het Egalisatiefonds verhinderd in liet credietapparaat
te stroomen. Er vond zelfs een verkoop van
f 100
millioen goud van De Nederlandsche Bank aan liet
Egalisatiefonds plaats, waardoor dit Fonds uitgerust
was met schatkistpapier en goud, zoodat het naar twee kanten kon opereeren. Dit bedrag werd reeds
2
maan-

‘) Het •goudbez.it van De Nederia.ud-sohe- Bank en het
]Sgalisatiefo-nds tezamen.
2)
Deze techniek is -door ons uitvoerig beschreven in een
studie .,EgaJ-i-sabiefondsen en monetaire polItiek
in
Enge-
land en Nederland”, welke in thet, begin van de-volgende
maand zal verschijnen.

20 December 1939

ECONOMISCH.STATISTISCHE BERICHTEN

935

den later weer aan De Nede.rlandsche Bank terug-

verkoch t.
Later, toen de geidmarkt reeds zeer ruim was, vond
het inkornencie goud via het Egalisatiefonds onmid-clellijk Zijn weg naar cle centrale bank. Deze situatie komt dus, principieel beschouwd, hierop, neer, dat in
liet eerste geval uitbreiding van het credietvolume
verhinderd werd op het moment, dat er nog de mees-
te behoefte aan was, terwijl in het tweede geval het
credietvolurne werd uitgebreid, (het al of niet effectief
worden van het additioneele crediet doet hier niets
ter zake) toen het reeds veel te groot was geworden.

Deze situatie heeft in het eerste geval geen bijzon-
dere moeilijkheden opgeleverd, omdat de geidmarkt
korten tijd na de depreciatie reeds zeer ruim van
middelen werd voorzien. Het proces van rentedaling,
dat toen plaats vond, had alleen iets versneld kunnen
worden. In het tweede geval ligt de verhouding echter anders, omdat toen de overvloed van middelen waar-
schijnlijk één van de redenen is geweest van het ver-
strekken van credieten en het uitgeven van leeningen
aan Frankrijk. Op deze ingewikkelde materie gaan

wij hier niet verder in.

Tenslotte moet hier nog ‘een derde phase genoemd
worden, welke niet den oorlogstoestand is ingetreden,
waardoor een einde is gekomen aan de gunstige situa-
tie op de credietmarkt in ons land. Eenerzijds heeft
de oorlogstoestand namelijk geleid tot aanhoudende
goudverliezen van De Nederlandsche Bank
3),
ander-

zijds zijn de financieele behoeften van den Staat aan-zienlijk gestegen. In deze omstandigheden is elke ver-
zwaring van de positie van de schatkist zeer onge-

wenscht.
Welnu, op het oogenblik financiert het Egalisatie-
fonds door middel van schatkistpapier nog altijd een
deel van de verliezen op de goudoverdrachten aan
De Nederlandsche Bank. In deze phase is dus het
Egalisatiefonds een belemmering – van den kant
van de credietmarkt beschouwd – voor een zoo doel-
treffend mogelijke dekking van de financieele behoef-
ten van den Staat. Immers, indien het Egalisatiefonds
niet bestond, zou een bedrag van ongeveer
f
100 mil-

lioen voor de schatkist vrijkomen.
Het is echter mogelijk, dat het schatkistpapier, dat
het Egalisatiefonds heeft uitstaan, voor het volle
bedrag bij De Nederlandsche Bank is ondergebracht: In dat geval oefenen de operaties van het Egalisatie-
fonds in de huidige omstandigheden een neutralen
invloed uit op de geidmarkt. Tengevolge van de ge-
heimhouding valt hierover niet een definitieve uit-
spraak te doen ). Wij zijn er ons van bewust, dat het bedrag, waar-
om het hier gaat, tenslotte geen groote rol speelt.
Ons doel was alleen om door deze voorbeelden te laten
uitkomen, dat het Egalisatiefonds in de drie genoem-
de phasen telkens in een richting heeft gewerkt,
tegeijgesteld aan die, welke een rationeele crediet
politiek zou vereischt hebben. v. d.
V.
Voor deze goudverliezen zijn vorail twee oorzaken
aansprakelijk, ni. eenerzijd’s de vengrooting van ht pas-
siefsaLdo tvain de handelsbalans, anderzijds cle kapitaal-
vlucht.
Wait heit passiefsaldo van de thaudclsbaJans betreft, dit
was iin de eerste drie oorlogamaanden ruim
f
100 rniillioen
grooter clan in cle beide voorafgaande jaren, zooals uit de
volgende tabel blijkt:
ELandeisbe’wegi’ng over Sept., Oct. en Nov. in
miii.
Guldens.

1937

1938

1939

Invoer …………..406

363

387

Uitvoer ………….317

291

193

lirvoersaldo ……89

72

194

In dit verband ken worden opgemerkt, dat elke cia-
linig van den goudvoorraad, voor zooverre het verd(%”nen-
de goud door sehaticistapier van het ]gaJisabiefonids, dat op de geidmarkt is geplaatst, is gefinaawierci, een togen-
werkende kracht ondervindt bij den conitracteeremden in-
vloed, welke het verdwijnende goud in wezen op dat ere-
dietiupparaat uitoefent.

DE TINPOSETIE.
1)

Iruleidng.

Met ingang van 11 December 1939 heeft de En-
gelsche Regeering de bepalingen omtrent den maxi-
mumprijs van, tin, welke £ 230 per ton bedroeg, doen
vervallen. Hierdoor wordt bereikt, dat de producenten

in Malakka van den hoogeren vrijen marktprijs,
01)
dat oogenblik ongeveer £ 290 per ton, zullen kunnen

profiteeren.
Juist een week nadat het Internationale Tin Con-
trôle Schema op 1 December het uitvoerpercentage’
voor liet eerste kwartaal 1940
01)
100 pCt. der stan-
daard-tonnages had vastgesteld, komt een nieuw be-sluit, waarbij dit percentage tot 120 wordt verhoogd. Daarmede is het hoogste uitvoerpercentage sinds het
bestaan der tincontrôle, dat van liet derde kwartaal
1.039, geëvenaard.
Onderstaande grafiek geeft een overzicht van de
tot op heden vastgestelde uitvoer-percentages vantf
het begin der contrôle.

Het tinuitvoerpercentage ‘)

‘) Voor het 3db nu tde kwartaal 1938 en het 1te kwar-
taal 1939 exclusief 10 pOt. der standard-tonnages, die
voor den Buffer-Pool bestemd waren.

De sterke en plotselinge wijzigingen, die het uit-
voerpercentage na het uitbreken van den oorlog heeft
ondergaan, geven wel een duidelijk beeld van de ge-
heel gewijzigde tinsituatie.
Hoewel natuurlijk buitenstaanders nooit precies
kunnen nagaan welke de overwegingen van het Tin
Comité en de Engelsche Regeering bij liet nemen van
deze besluiten zijn, geweest, kan men toch wel trach-
ten uit gegevens, betreffende den aard van de restric
tie, de statistische l)ositie en den invloed van Enge-
land op de tinpositie, een. en ander te verduidelijken..

En.geln.nd en de tin.restrictie.

De groote vraag bij het uitbreken van den oorlog ten aanzien van de tin was en is nog, of de interna-
tionale samenwerking op dit gebied al of niet zal
blijven voortbestaan,. Men wees op § 24 der overeen-
komst, die het volgende inhoudt: Wanneem- een land
in vijandelijkheden gewikkeld is, kan het aan het Co-
mité verzoeken een tijdelijken overexport toe te staan.
Wordt dit geweigerd, dan kan het betreffende land
zich uit het Schema terugtrekken en kunnen ook de
overige deelnemers de samenwerking opgeven.

‘) De gegevens in dit artikel zijn ‘hoofdaakeljk ontleend
aan publicaties van den ,,Lniternationa.l ‘Din Researeli and
Dervelopmeut Council”.

936

ECONOMISCH..STATISTISCHE BERICHTEN

20 December 1939

Aandeel

der

veradhillencic

]a.nde’n

in

de

tiiire.sbrictie•.
Basis-tonnages
Land

1939( in tonnen)
1)
Percentage
Belgische Congo
…………13.035
6
Bolivia

………………..46.027
22 Fransch Indo-China

……..3.000
4
Malakka

………………77335
37

Nederlandsch-Indjë ……….

39.055
19
Nigerië

………………..10.890
5
Thaïland

(Siam)

…………18.628
9

207.970
2)
Met tonnn eijti in dit antikel bedoeld
long tom.

Zooals uit bovenstaande tabel blijkt, wordt ruim
42 pCt. van den gecontro]eerdeu tinuitvoer onder
Britsche vlag geproduceerd. Voor Engeland is het
zeer zeker wenschelijk, zoo ongehinderd mogelijk over
de productieve krachten van het Britsche Empire te kunnen beschikken. Daar tin in oorlogstijd een zeer
belangrijke grondstof is, is Engeland er bovendien
bij gebaat, dat de prijs van die grondstof zoo laag
mogelijk is en niet door restrict ie-m aatregelen kunst-
matig wordt verhoogd.

Daarbij komt nog, dat reeds véér den oorlog in
Malakka een zekere ontevredenheid bestond ten op-
zichte van het thans geldende restrictie-schema. Men.
wees er op, dat vanwege de toegenomen outsiders-
productie (gedurende het eerste halfjaar 1.939 onge-veer 27 pOt. van de werkelijk uitgevoerde productie
der restrictielanden) er gevaar was de leidende
positie te verliezen, indien de huidige politiek met
betrekking tot het exploiteeren van nieuwe tinstre-

ken niet werd verzacht. Van de zijde van de consu-
menten bracht bovendien een hooge tinprijs met zich
mede, dat men bij de verschillende alliages, waarin
tin verwerkt wordt, het thans niet andere metalen
(o.a. aluminium en lood) ging proheeren.
Dit zijn alle argumenten, die pleiten voor het op-
heffen van de tinovereenkomst. Toch is dit tot op

heden niet geschied en de tot nog toe gevolgde poli-
tiek van het Tin Comité wijst er, naar ik meen, op,
dat men deze richting ook niet uit wil.

Zooals bij meerdere prijsregelings-schema’s t. a.v.
grondstoffen is ook de tincontrôle geheel een zaak
van de regeeringen der betrokken landen geworden.
Daar de onder Britsch gouvernement staande tinpro-
ductiegebieden t.o.v. de andere de grootste produ-
centen zijn, wordt zoodoende de tincontrôle door de
Britsche Regeering be’heerscht. Het is dan ook alles-
zins begrijpelijk, dat Engeland er niets voor voelt de
contrôle over een zoo belangrijke grondstof – en dat
zeker in oorlogstijd – prijs te geven. De gevoerde
politiek is er tot nu toe op gericht geweest de nadee-
len der restrictie voor Groot-Brittannië zooveel mo-
gelijk te verkleinen eenerzijds en de contrôle te hand-
haven anderzijds.
De maximum prijs in Engela.nd en de Straits afge-

schaft; de qnota opnienw verhoogd.

Voor den oorlog had men te Londen de contrôle in
handen door middel van den Buffer-Pool, waarmede
men den prijs onder ,.het plafond” (f 230) w’ist te
houden. Bij liet uitbreken van den oorlog werd de si-
tuatie geheel anders. Er ontstond een zeer grootd
vraag naar tin en beheersching door middel van den reeds vrij sterk geslonken voorraad van den Buffer-
Pool was niet meer mogelijk. Men heeft toen op twee
gebieden maatregelen genomen.

Door middel van een serie veranderingen in het
uitvoerpercentage werd dit tenslotte voor
,
het tweedei

halfjaar 1939 op gemiddeld 110 pCt. der standaard-
tonnages gebracht (tegen gemiddeld 37 pOt. voor de
eerste helft van dit jaar), terwijl liet percentage voor
het eerste kwartaal 1.940 reeds op 120 is vastgesteld.
Aan den anderen kant greep men direct in op liet
gebied der prijsvorming. Om de Engelsche tinverwer-
kende industrieën te steunen en ook om niet in con-

flict te komen met de algemeene prijspolitiek, die
eveneens ten aanzien van de andere metalen
2)
0])
de
Londensche markt werd gevoerd, stelde men den ma-
xlmum-tinprijs vast
01)
het vSér-oorlogsche peil van
£ 230 per ton. Deze bepaling gold ook voor Singapore,
terwijl eveneens het tinerts van Nigerië, en bovendien
ertsen uit andere landen (voornamelijk Bolivia), die
in Engeland gesmolten worden, onder dezelfde voor-
waarden vielen.

Het is deze prijspoiitiek, die tot heel wat beweging

en zelfs vragen in het Lagerhuis heef t geleid.
Door de zeer groote vraag naar tin, vooral van de
zijde van de Vereenigde Staten, lag, ondanks de sterk
verruimde uitvoerpercentages, de prijs buiten de En-
gelsche markten. aanzienlijk boven de Londensche pa-
riteit. Daarbij kwam nog, dat er op de Engelsche
markt door de Vereenigde Staten groote aankoopen
werden gedaan, die tot een tinschaarschte in Enge-
land leidden. Per 31. October werden dan ook alle
exportlicenties voor tin uit Engeland opgeschort.
Tenslotte moest in cle vraag naar tin te Londen ge-
cleeltelijk door levering uit dan Pool worden voorzien
en dat nog slechts op zeer beperkte schaal
(25
ton
per dag) ter voorziening in de behoefte aan loco-tin
voor de industrieën, die regeeringsopdrachten moes-
ten . verwerken. De smelterijen konden niet snel ge-
noeg afleveren door stagnatie in de scheepvaart.
De zee.r groote prijsdispariteit leidde er toe, dat
tusschenpersonen in. Singapore tin opkochten tegen
dcii vastgesteiden prijs van £ 230 per ton en deze bui
ten het Empire om weer voor £ 350 per ton verkoch-
ten, zooals o:nlangs bij vragen aangaande deze kwestie
in het Lagerhuis werd opgemerkt.
Bovendien werd gevraagd, waarom men niet van
deze gunstige gelegenheid had geprofiteerd om meer
Doilar-deviezen te verkrijgen. Uit de beantwoording
door den Minister van Koloniën, MacDonald, bleek
duidelijk, dat men ondanks de gerezen moeilijkheden
niet geneigd was de tinrestrictie te liquideeren. Ten
aanzien van den prijs werd opgenierkt, dat liet niet
in liet voornemen der Regeering lag dit maximum
perrnanen.t te handhaven.
Een en ander leidde waarschijnlijk wel tot de reeds
in den aanvang genoemde besluiten, het loslaten van
den tinprjs door de Engelsche Regeering en de be-
slissing van het Tin Comité, waarbij het uitvoerper-
centage voor liet eerste kwartaal van 1940 nog met
20 pOt. verhoogd werd.
Het vervallen van den maximumprijs heeft tevens
tot gevolg gehad, dat er te Singapore meer tin beschik-
baar komt, daar tot nu toe vele Chineesche en ook
andere mijneigenaren in de verwachting van een hoo-
geren prijs, tin vasthielden, waardoor aldaar een groo-te schaarschte was ontstaan en vele koopers op groote
partijen inschreven in de hoop nog eenige tonnen
te kunnen bemachtigen.

Productie.

De totale export der restrictielauden bedroeg aan liet eind van liet derde kwartaal 1939 over de afge-
loopen negen maanden bijna 89.000 ton, terwijl er
t.a.v. de toegestane exporten nog een tekort was van ongeveer 18.000 ton. De toegestane uitvoer over het
laatste kwartaal bedraagt bijna 52.000 ton, waarvan
volgens de laatste opgaven in October reeds ruim
22.000 ton is uitgevoerd. De productie der outsiders
kan op ongeveer 28.000 ton per jaar geschat worden,
dat is ruim 17 pOt. van den totalen toegestanen uit-
voer der contrôle-gebieden gedurende 1939. De toege-
stane uitvoer over liet eerste kwartaal 1940 kan, bij
liet thans vastgestelde uitvoerpercentage, ruim 62.000
ton bedragen. Het. is ni. lang niet zeker, dat alle aan-
gesloten producenten de hun toegemeten exporthoe-
veelheid inderdaad ook zullen leveren. Bolivia zal

2)
Metingang van
18
December ji. zijn ook de officieele
prijzen
voor
koper, lood en zink, die sedert het uitbreken
van den oorlog onveranderd mei-en gebleven, rverhoogd.

20 December 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

937

hierin naar alle waarschijnlijkheid niet slagen, ter-
wijl moet worden afgewacht of Thaulancl (Siam) en
Fransch Indo-China hun productie tot dit peil zul-
len kunnen opvoeren. Men kan zoodoende den werke-lijk te bereiken uitvoer der restrictiegebieden op pl.m.
55.000 ton schatten; daarbij komt dan nog de out-
siclers-productie, te schatten op ongeveer 7000 ton. liet behoeft geen betoog, dat een dergelijk hoog uit-
voerpercentage de positie der aangesloten landen,
hetwelk juist in hoofdzaak de .,low-costproducers”
zijn, tea opzichte van de outsiders aanzienlijk ver-
betert, te meer nog, daar deze groote productie een
kostprijsverlagenden invloed heeft.

P1111)
roductic
in
1000 tonnen.

1929

……
192.6
1.934

……
115.2 1930

……
176.0
1935

……
147.1
1931…….
148.9
1936

……
180.2
1932

……
99.2
1937

……
208.2
1933
.

……
91.0
1938

……
148.4

Consumptie

Zooals reeds opgemerkt, is de vraag naar tin onder
invloed van den oorlog aanzienlijk gestegen, zooclat
alle verwachtingen dienaangaande ver zijn overtrof-
fen. Voor de Vereenigde Staten schat men de jaar-
consumptie op 90.000
t
100.000 ton (het verbruik in het recordjaar 1937 bedroeg ruim 86.000 ton). liet is
vrijwel onmogelijk om voor het geheel een idee te
geven van de ontwikkeling van het verbruik; ter ver-
gelijking diene onderstaande tabel, waarin het ver-
bruik gedurende 1937, een zeer gunstig jaar voor de
tin, is opgenomen.

Tin vrbruik
in

1937
in 1000
tonnen.

Ver.

Staten

……….
86.7
België

…………
1.5
Engeland

…………
26.0
Nederland

……..
1.5
Frankrijk …………
9.2
Argentinië ……..
1.5
Japan…………….
8.2
Rusland

……….
25.1
Canada

…………..
2.6
Duitschiand

……
12.4
Britsch-Indië

……..
2.6
Ttalië

…………
3.6
Zweden

…………..
1.9
Wereld…………
199.1
Voorraden

Dd zichtbare voorraden per eind November be-
droegen ongeveer 28.300 ton,
w
raar
v
an 19.400 ton in
de Tereenigde Staten of daarheen stoomend. Bij de
voorraadvorming moet men wel bedenken, dat ver-
schillende regeeringen, met name die der Vereenigde
Staten, het noodig achten van een uit strategisch op-
zicht zoo belangrijke grondstof als tin, een zekeren
voorraad aan te houden, te meer, daar in verband
met den oorlogstoestand een tijdelijke stagnatie in
den aanvoer zeker niet tot de onmogelijkheden be-
hoort. De voorraden van den Buffer-Pool werden
tegen het eind van November onder de 1000 ton ge-
schat.

Slot beschouwing.

Alen krijgt den indruk, dat er momenteel op de tin-
markt nog zeker sprake is van scliaarschte, al moet,
gezien de aanzienlijk verruimde uitvoerpercentages,
toch verwacht worden, dat dit tekort binnen afzien-
baren tijd wel zal slinken. Alen kan Vrij zeker aan-
nemen, dat de tinproductie voldoende capaciteit be-

zit om ook hij een sterke st.ijging van het verbruik
in de behoeften te voorzien. Daarom moet men in de
toekomst, afgezien van moeilijkheden in den aan-
voer, met een meer normale marktontw.ikkeling reke-
ning houden.
De restrictiepolitiek van het Tin Comité en de
prijspolitiek de.r Britsche Regeering kan men heide
zien als een poging om aan de plotseling gewijzigde
situatie het hoofd te bieden en een streven om de
internationale samenwerking der tinproducenten te
handhaven.

J.
WILLEMS.

HET WERK DER SECURITIES AND

EXCHANGE COMMISSION BIJ DE PUBLIC

UTILITIES EN ANDERE REORGANISATIES.

De uitvoerIng van de Public Utility Holding Coin-
pany Act, afgekondigd en in werking getreden op
26
Augustus 1935, vormt op één na de jongste aan-
winst van het arbeidsgebied der Securities and Ex-
change Commission.

De overheid en de public utilities.

De Amerikaansche public utility concerns stonden
enkele jaren geleden in het brandpunt der publieke
belangstelling en wel in zeer uiteeuloopende richti a-
gen: het beleggende publiek interesseerde zich voor
de tientallen milliarden Dollars, die het in de public
utilities gestoken had en waarvan een groot gedeelte
noodlijdend was geworden. De groote massa der con-
sumenten toonde zich verontrust over de tariefpoli-
tiek der verzorgingsbedrijven en de Rooseveltsclie
regeeriug zelve beschouwde de public utilities als één
der voornaamste centra van weerstand tegen den

New Deal.
De public utilities werden toen op drie fronten
aangevallen: de regeering trachtte hun leiders hun
anti-New Deal gezindheici uit te drijven door hen aan
een zeer pijnlijk onderzoek ter zake van ,,lohbying”
cd. te onderwerpen. Op de tariefpolitiek der verzo.r-
gingsbedrijven werd dru.k uitgeoefend, om. door het groot opgezette Tennessee Valley experiment, waar-
bij de federale regeering de public utilities een scher-
pe en, althans naar hun meening, niet door eerlijk-
heid uitmuntende concurrentie aandeed, teneinde een
juisten maatstaf (,,yardstick”) voor den werkelijken
kostprijs der verwekking van eleetriciteit, e.nz. te vei-
krijgen. En last not leest werd het toezicht op de
public utilities
beleggingen
toevdrtrouwd aan de goe-

de zorgen der S.E.C.
De Amerikaansche, en op zeer veel bescheidener schaal ook de buiteniandsche, belegger heeft inder-
daad een zeer groot belang bij de Amerikaansche
public utility concerns: Op 30 Juni 1938 was de over-groote meerderheid van de public ut.ility concerns bij
de S.E.C. geregistreerd, nadat het United States
Supremne Court op 28 Maart van dit jaar in het be-faamde proefproces Electric Bond and Share Corn-
party v. Securities and Exchange Commission de
registration bepalingen van de Public Utility Holding
Company Act als
niet
in strijd met de grondwet had
verklaard. Op het aangegeven tijdstip waren bij de
S.E.C. geregistreerd 55 public utility concerns, ge-
organiseerd in 139 zelfstandige holding maatschap-
pijen, waarvan de gezamenlijke activa per 31 Decem-
ber 1937 een reëele waarde van 13.870 mnillioen Dol-
lars hadden.

Beteelcenis der public utility beleggingen.

Deze beleggingen waren en zijn nagenoeg voor 100
pCt. door de emissiemarkt gefinancierd. De public
utility beleggingen werden door de crisis der jaren
1929 e.v. bijzonder zwaar getroffen; een herstel van
de geteisterde koerswaarden liet in vele gevallen op
zich wachten, grootendeels omdat de noodige reorga-
nisatie van tal van public utility concerns tengevolge
van hun uitermate ingewikkelde financieele struc-
tuur nauwelijks te overkomen, moeilijkheden opleverde.
Bonds en preferred shares van de public utility
ondernemingen hebben gedurende de laatste decen-
nia een beteekenis als niet speculatief heleggingspa-
pler geidregen, die de vroegere overheerschcnde posi-
tie der spoorwegfondsen ernstig bedreigde. Véér den
laatsten oorlog waren de spoorwegfondsen het solide
beleggingspapier hij uitstek, waarvan ook de talrijke
Nederlandsche emissies dezer fondsen getuigen. Staats-
ôhligaties, met name die der federale regeering,
speelden naar verhouding een bescheiden rol, hetgeen
zijn oorzaak vond in het lagere rentetype en de be-

938

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

20 December 1939

trekkelijke sc.haarschte van dit soort beleggingsmate-
riaal, dat de voorgeschreven dekking der National
Bank Notes vormde.
De opkomst der public utility concerns zette nog
in het eerste decennium nl den wereldoorlog krachtig
door: gedurende het tijdperk van 1919 t/m 1928 steeg
de waarde van de activa der 44 grootste spoorweg-
maatschappijen van 18.480 millioen Dollars tot 23.020
millioen Dollars, of met 24 pCt. (gemiddelde der
jaarlijksche toeneming: 2.4 pOt., gedurende de ,,boo.m”-
jaren 1924-1928:
2.3
pOt.); de overeznkomstige cij-
fers voor de 35 grootste public utility ondernemin-
gen luidden: waarde der activa per 31 December 1919: 6.017 millioen Dollars; per 31 December 1928: 17.703
millioen Dollars. Toeneming 194 pOt. met een jaar-
lijksch gemiddelde van 12.3 pOt.; tusschen 1924 en
1928 bedroeg de jaarlijksche aanwas zelfs gemiddeld
15.9 pOt., waarmede de public utilities aan de spits
der geheele Arnerikaansche industrie stonden
1).

Dit tijdperk van opkomst der public utilities wordt gekenmerkt door een nieuw economisch inzicht: het
bleek heel spoedig, dat de bedrijven, die de bevolking met tal van eerste levensbehoeften, zooals gas, water,
electriciteit, moesten voorzien, niet zonder meer aan
de anti-trustwetten konden worden onderworpen, die
de instandhouding van de vrije concurrentie ii tort
et â travers beoogden. Een ongebreidelde concurren-tie van cle public utilit.y bedrijven zou prijsoorlogen
en incideuteele stopzetting der gas- en e]ectriciteits-

fabrieken tengevolge hebben gehad, terwijl het alge-
meene belang ontegenzeggelijk een hooge mate van
stabiliteit, en continuïteit dezer ondernemingen eisob-
te. Zoocloende zag de wetgeving der afzonderlijke sta-
ten zich spoedig genoopt voor public utility onder-
nemingen uitzonderingen van de anti-trustwetten te
maken. De positieve regeling verschilde van staat tot
staat, doch over het algemeen werd zij gekenmerkt door een drietal elementen: vergunningsstelsel, he-
dr’ijfsplieht en overheidstoezicht op de tarieven. Dit
laatste evenwel was het zwakke punt: de federale wet-
gever bemoeide zich in het geheel niet met de public
utilities, terwijl de macht der afzonderlijke staten op-
hield bij de staatsgrens. Bijgevoig stonden de afzon-
derlijke staten vrijwel machteloos tegenover de tarief-
politiek der groote en machtige public utility con-
cerns, wier bedrijven zich over tal van staten uit-
strekten en wier calculaties, practisch gesproken, mede
gezien de doorgaans gebezigde hoogst ingewikkelde vennootschapsrechtelijke vormen, door geen der af-
zonderlijke staten gecontroleerd konden worden.
Financieele structuur der public utilities

Volgens de plannen der Rooseveltsche regeering
moest dit gehee’le complex uit financierings- en emis-
sietechnisch oogpunt binnen het kader der Securities
and Exchange wetgeving geregeld worden. Weliswaar
waren de emissies der public utilities reeds sedert de
Securities Act van 1933 ) aan de registratiebepalin-
gen dier wet onderworpen, doch vrij spoedig bleek de
onmogelijkheid met behulp yan de normale registra-
tion statements het noodig geoordeelde licht in de
structureele en financiesle verhoudingen der public
utility concerns te brengen.

Dit is ook best te begrijpen, indien men zich den
uitermate, somwijlen kunstmatig, ingewikkelden op-
bouw van de grootere public utility concerns voor den
geest haalt: vele hunner hadden hun bedrijven ge-
huisvest in een veunootsohapsrechteljk gebouw, dat

aan gecompliceerdheid en onoverzichteljkheid de ju-
ridische structuur van een wereldonderneming als de
Koninklijke verre en verre overtrof. Het vereischte
meer dan een speciale studie om wegwijs te worden
in de honderdhoofdige complexen van hedrijfamaat-

1)
Naar
Br1e and Means, The Modern Corporation and
Priwirte Property, New-York
1937, blz. 34.
t)
Zie E.-S.B. No.
1241, blz. 758.

schappijen, service- en fi nancieringsondernemingen

en holding companies van den eersten tot in den
achtsten of tienden graad, die veelal doorspekt wai’cn
met industrieele belangen buiten het eigenlijke ge-
bied der public utilities om. Tengevolge van een en
ander was het, heleggeud publiek in geen enkel op-
zicht
bij
machte de intrinsieke waarde der – meestal
stemrechtlooze – aandeelen te overzien, die in den
gooden tijd gretig werden opgenomen. In het alge-
meen gesproken, was hij de public utility ondernemin-
gen de splitsing van kapitaal en ‘zeggenschap nog
verder doorgedreven dan in welken Amer ikaanscheti
bedrijfstak ook, waarhij behalve de uitgifte van aan-
deelen zonder stemrecht ook de aaneenschakeling van
talrijke holding maatschappijen een zeer belangrijke
factor was. Het resultaat dezer ontwikkeling, die zich
nergens anders ‘dan op den grondslag van het ver-
spiinterde vennootschapsrecht der Vereenigde Statcn
kon voltrekken was dit, dat groote public utility con-
eet-ns gecontroleerd Iconclen worden door het bezit van
minder dan 1 pOt. van het feitelijk geïnvesteerde
kapitaal.

Dwang tot vereenvoudiging.

In materieel opzicht ligt de kern van de Public Uti-
lity Holding Oompany Act in section 11, handelende
over de reorganisatie, vereenvoudiging en ,,integra-
tie” van public utility concerns. Te ‘dien einde wordt
in de eerste plaats aan cle S.E.O. zeggenschap ver-
leend over alle, hetzij vrijwillige, hetzij gerechtelijice,
reorganisaties van public utiEty holding maatschap-
pijen.

In de tweede plaats wordt de S.E.C. bevoegd ver-
klaard ook buiten gevallen van reorganisatie om uit
eigen beweging aan elk public utility concern, dat
onder de onderhavige wet valt, een door haar opge-
steld plan op te leggen, strekkende tot vereenvoudi-
ging van den concernopbouw, met name tot opheffing
van overbodige tusschengeschakelde holding maat-
schappijen; tevens moet het arbeidsgehied van elk
concern zich beperken tot een of meer organisch sa-
menh angende, afgeronde (,,geïntegreerde”) gebieden.
De S.E.C. kan de uitvoering van aan deze doelstel-
lingen heantwoordende plannen afdwingen.

Dit is de befaamde ,,death clause” voor de inter-
niediary holding companies (section 11 (b) (1) der
wet), ‘die tijdens de beraadslagingen van het Congres
zeer groot opzien heeft gebaard en waarvan thans be-
kend is, dat zij een concessie van Roosevelt aan de groep der radicale New Dealers beteekende, die, in
geval van ernstig verzet van het Congres, zonder
meer uit het wetsontwerp gelicht zou zijn.
Deae bepaling, in werking getreden op 1 Januari
1938, is tot op heden echter niet toegepast, en wel om
twee redenen: eenerzi,jds werd het proefproces Elec-trio Bond and Share over de grond’wettigheid van cle
Public Utilities Holding Cornpauy Act pas in het
voorjaar van 1938 door het United States Supreme
Court beslist. Hierin vond de S.E.C. aanleiding om
die public utility concerns, die, in afwachting van deze
beslissing, hadden nagelaten, zich volgens de bepalin-
gen der wet te doen registreeren, alsnog een tem-me de
grâce toe te staan, waarvan de betrokken onderne-
mingen vrijwel alle gebruik hebben gemaakt. Ander-
zijds is de ,,death clause” op zichzelf slechts als cle
stok achter de deur bedoeld, waarvan niet dan in ge-
val van nood gebruik gemaakt zal worden.

De wet opent immers in section 11 (e) voor de pu-
blic utility concerns de mogelijkheid, den weg der ver-
eenvoudiging en integratie enz. ,,vrijwillig” te be-
wandelen. Doen zij dit, clan behoeven oolc deze reor-
ganisatieplannen de goedkeuring der S.E.O., die al-
leen verleend mag worden, indien ‘de voorgestelde wij-
ziging der concernstructuur beantwoordt aan de
eisohen, zooals in section 11 (b) voor gedwongen con-
ceruvereenvoudigingen opgesteld. Onder section ii
(e) hebben reeds enkele belangrijke vereeuvoudigingen

20 December 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

939

van dcii concernopbouw van do public utility groepen
plaats gehad, bv. de reorganisaties der American
Peper and Power, Arnericari Water Works and Elec-
tric Company, Massachusetts Utilities Associates.

i?e.gistratiebepalingea ertz.

Deze kern van ce Public Utility Holding Company
Act vooropstellende, is het niet meer moeilijk de
overige materieele bepalingen der wet, benevens de
uitvoeringsbepalingen,
01)
grond hiervan door de
S.E.C. gemaakt, als een organisch geheel te zien en
te begrijpen. Al deze zijn ni. slechts hulpmiddelen om
het bereiken van het hoofcldoei, de vereenvoudiging
van den conce.rnopbouw der public utilities, langs di-recten of indirecten weg te bevorderen.
Hiervoor leek het in de eerste plaats gewenscht, de
S.E.C. een volledig en nauwkeurig inzicht in den
stand van zaken. te verschaffen. Dit wordt bereikt,
doordat men aan alle holding maatschappijen, die di-
rect of indirect bij gas- of electriciteitsfabrieken ge-interesseerd zijn, de verplichting oplegde zich bij de
S.E.C. te doen registreeren, dan wel vrijstelling van
de verplichting tot registratie aan te vragen. Vrijstel-
ling wordt verleend, indien de gus en eiectriciteits-
belangen slechts van bijkomstigen of ondergeschikten
aard zijn. Andere public utility belangen, met name
in waterwerken, zijn vrij gelaten, orniclat zij overwe-
gend van locale beteekenis zijn en bij den opbouw der
sterk vertakte groote public utility concerns, slechts
een ondergeschikte ‘rol speelden. liet door de S.E.C.
uitgewerkte formulier van het ,,registration state-
mont” is van dusdanigen aard, dat de financieele
structuur van de betrokken holding maatschappijen
tot in de kleinste en geheimste bijzonderheden bloot-
gelegd moet worden, zulks op straffe van schorsing of
herroeping der registration, die onverkoopbaarheid
der aa.ndeelen en obligaties der betrokken holding
maatschappij en van al haar dochterondernemingen
tot gevolg heeft.

Het verrichten van elke effectentransactie der ge-
registreerde holding maatschappijen is afhankelijk
van een vergunning der S.E.C., onverschillig of het zuiver interne maatregelen van reorganisatorischen
aard dan wel het verkrijgen, vervreemden of vera.n-deren van deelnemingen in andere public utility On-
dernemingen betreft. Hierdoor moet voorkomen wor-
den, dat buiten de S.E.O. om reorganisaties plaats
hebben, die aan de bepalingen van section 11 der wet
niet voldoen.

Administratieve bepalingen.

Terzake van de tenuitvoerlegging van cle Public
Utility holding Company Act heeft de S.E.C. zich
wel bijzonder actief getoond. Dit blijkt reeds uit de
door haar uitgewerkte en voorgeschreven formulieren
voor registration staternents, voor de jaarlijksche rap-
porten, voor aanvragen van vergunning voor effec-
tentransacties, voor reorganisaties en voor het verkrij-
gen en vervreemden van deelnemingen uit anderen
hoofde.

Daarenboven heeft ide S.E.C. een zeer gedetailleerd
balansschema opgesteld, dat voor de geregistreerde
holding maatschappijen verplicht is met het prac-
tisch gevolg, dat de gehecle administratie der hol-
ding companies en harer dochtermaatschappijen op
een nieuwe leest geschoeid moest worden. Daarmede
niet tevreden heeft de S.E.C. zich ook nog met de
interne zaken der public utility concerns willen be-
moeien, waarbij een bepaald on.’dercleel van deze be-
drijven haar bijzondere aandacht had, t.w. de z.g.
,,service companies”. Service companies werden veel-
al binnen liet kader van de public utility concerns
opgericht, ten einde den inkoop van materieel en deu technischen dienst te centraliseeren en meer efficiënt
te maken. Daarnaast werden zij evenwel gebruikt, om
winsten der bedrijven langs een verkorten weg over

te hevelen naar de centrale holding maatschappij, bv. door de bedrijfsmaatschappijen te verplichten boven-
matige vergoedingen voor haar diensten aan de ser-
vice company te betalen en door de service companies
onevenredig hooge winsten op leveringe.n aan de be-
drijfsmaatschappijen te doen maken. Thans behoeft cle
financieele en personeele opzet van de service corn-panies en haar verhouding tot de dochtermaatschap-pijen van geval tot geval de goedkeuring der S.E.C.,
zoodat de financieele resultaten der beclrjfsmaat-
schappijen niet meer vertroeheld kunnen worden, zoo-
als dit in het belang eener ,,besparing” van belastin-
gen der afzonderlijke staten tot nog toe niet onge-
bruikelijk was.

Andere reorganisaties (Cho.ndler Act).

De tot nu toe laatste uitbreiding van de bevoegd-
heden der S.E.C. bracht de Chandler Act, af
. gekori-
digcl op 22 Juni 1938, strekkeucle tot wijziging vn de
Federal Bankruptcy Act, met name ten aanzien van
de z.g. section
71
B-proceclures. Krachtens deze wet
zijn de federale rechtbanken verplicht een met rede-
nen omkleed advies der S.E.C. i.n te winnen omtrent
alle reorganisaties van n aarnlooze vennootschappen,
waarin de genamenljke verplichtingen van de schul-
denaresse drie inillioen dollars te boven gaan; in, alle
andere gevallen is het inwinnen van een dnsdanig
advies facultatief.

In het bovenstaande heb ik den. term ,,failiisse-
mont” opzettelijk vermeden, aangezien het Engelsche
en het Amerikaansche recht in principe geen f au-
lissement van naamlooze vennootschapllen kennen:
faillissement (hankcruptey) is een strafbaar feit, dat
naar Engeisch recht niet dan door een natuurlijk
persoon gepleegd kan worden. Déconfitures van naam-
boze vennootschappen leiden tot gedwongen ontbin-
ding en liquidatie, tenzij een reorganisatie der on-
derneming plaats heeft. De reorganisatie kan zijn bf
een vrijwillige bf een gerechtelijke; in geval van ge-
rechtelijke reorganisatie kan een opponeerende mino-
riteit van aandeelhouders, van obligatiehouders en van andere crediteuren gedwongen worden tot een
accoord toe te treden.

Dit geheele gebied nu, dat ton onzent somwijlen
met den niet bijzonder fraaien term ,,saneering” wordt
aangeduid, was in de Vereenigde Staten reeds voor
den oorlog op een belangrijk hooger peil van ontwik-
keling gekomen dan op ons continent. Terwijl de con-
tinentale rechtstelsels het begrip der onderneming
nog nauwelijks kenden, stond in de Vereeuigde Sta-
ten ook bij gerechtelijke reorganisaties reeds het ge-
zichtspunt op den voorgrond, dat een levensvatbaar
bedrijf, zij het ook ten koste van zware offers van
alle belanghebbendch onder alle omstandigheden, be-
houden moest blijven. Nog uit de negentiende eeuw
dateeren gevallen, waarin gerechtelijke hewindvoer-
ders (receivers) in moeilijkheden geraakte onderne-
mingen grondig hebben gereorganiseerd cii nieuw
kapitaal hebben aangetrokken, soms zelfs het geheele
bedrijf op een nieuwen zakeljken grondslag hebben
gesteld, om mi enkele jaren een gezond bedrijf in de handen van aandeelhouders terug te leggen, die tus-
schentijds van elke zeggenschap verstoken varen ge-
bleven. Pas in het tijdperk mi den wereldoorlog wer-
den in verschillende Europeesche landen maatregelen
van soortgelijke strekking genomen. Deze wetteu op
de surséance van betaling, ,,Geschiftsaufsicht zur
Abwendung des Konkurses” e.nz. bereiken echter hij
lange na niet den graad van technische volmaakt-
heid, die de Ame.rikaansc’he rechtsontwikkeling in cle-
zen gedurende een zeer veel langere groeiperiode
heeft bereikt.

,,Protective Committeos”.

Doch ook op dit Amerikaansche rechtsgebiecl waren
tal van misbruiken ingeslopen. Reeds vroeg was het

940

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

20 December 1939

gebruikelijk geworden, dat cle verschillende groepen
van belanghebbenden bij een reorganisatie zich in col-
lectief verband aaneensloten: aandeelhouders der ver-
sch illende klassen onderling, obligatiehouders, leve-
ranciers en andere groepen van belanghebbenden
vormden elk een ,,protective committee”, ten einde
iiun gemeenschappelijke belangen bij de reorganisatie
te doen gelden. Uit vertegenwoordigers van de ver-
schillende belangengroepen werd dan meestal een al-
gemeen e reorganisatiecommissie samengesteld, die
dan binnenskamers. tant bien que mal de uiteenloo-
pende belangen met elkaar in overeenstemming
trachtte te brengen. Op de samenstelling en de ge-
clragslijn van deze ,,protective” of ,,reorganisation
committees” ontbrak nu elke contrôle. Vaak genoeg
gebeurde liet, dat bepaalde groepen, met name het be-
stuur der gestrande onderneming, door een voor het
oog der buitenwereld neutraal comité op touw te zet-
ten trachtten de geheele reorganisatie te haren
voordeele te beïnvloeden, en dit ook gedaan kregen.
De S.E.C. werd reeds door een der
,
bepalingen van
de Securities Exchange Act van 1934 gemachtigd een
onderzoek naar de practijken van deze commissies,
haar tot standkorning, de wijze harer amhtsvervul-ling, enz. in te stellen
3).
Tevens verkreeg zij de op-
dracht over haar bevindingen rapport uit te brengen
aan het Congres. Het resnitaat van het onderzoek en de uitgebrachte rapporten hebben wij voor ons in de gedaante van de Chandler Act, terwijl andere wette-
lijke maatregelen wel in voorbereiding zijn, doch het
Staatsblad nog niet hebben bereikt. Het gezag der
S.E.C., die thans geroepen is over
alle
belangrijke re-
organisaties een uitvoerig advies uit te brengen, is

tegenwoordig zoo groot, dat het heleggend publiek,
voor zoover bij een reorganisatie betrokken kunnende
worden geacht, blijk geeft aan het advies der S.E.C.
meer waarde te hechten dan aan welke andere mee-
ningsuiting ook. Bovendien is in de practijk geble-
ken, dat de federale rechtbanken zich hij haar beslis-
singen in sterke mate door de adviezen der S.E.C.
laten leiden.

Verdere vooruitzichten.

I-Iiermedo hebben wij het einde van het overzicht
bereikt, dat wij getracht hebben ons van het tegen-

woordige arbeidsgebied der S.E.C. te verschaffen. Een
andere kwestie is, dat de S.E.C. haar activiteit gaarne
nog verder uit zou willen strekken, met name tot het
financieel beleid der investment maatschappijen en
trusts, die zij eveneens op grond van wettelijke mach-
tiging aan een uitgebreid onderzoek heeft onderwor-

pen. Gezien echter den tegenwoordigca politieken toe-
stand, die ook op de hinnenlandsche verhoudingen in
de Vereenigde Staten zijn stempel drukt, is het te
onzeker èf en, .zoo ja, wanneer eenige wettelijke maat-
regel in deze richting verwacht kan worden, om een
ingaan op deze toekomstplannen te wettigen.
WT61
dienen wij ons rekenschap te geven, wat de
actueele en potentieele heteekenis van de Securities
and Exchange wetgeving en van haar exponent, de
S.E.C., voor de sociaal-economische evolutie is, die de
Vereenigde Staten thans bezig zijn door te maken en waarin de behoudende en vooruitstrevende krachten,
de voorstanders van de liberale en de ,,geordende”
economie, hutl zeer uiteenloopenden invloed op de
toekomstige ontwikkeling trachten te doen gelden.
De S.E.C. en de New Deal zullen liet onderwerp van
een volgend (slot-)artikel vormen.
Mr. Dr.
F. E. SOHMEY.

3)
Sec. 214
Seuribics Exci1ange A.U.

DE ECONOMISCHE TOESTAND VAN

ZWEDEN TIJDENS DEN VORIGEN OORLOG

I.
liet’ uitbreken van het huidige conflict heeft aller-
wegen opnieuw groote belangstelling gewekt voor de
economische geschiedenis van de jaren 1914-1918.
Begrijpelijkerwijze is die belangstelling in de eerste
plaats gericht op de lotgevallen van het eigen land,
daarnaast doet zich ook de behoefte aan vergelijkin-
gen met andere landen gevoelei. Voor Nederland ligt
uiteraard een vergelijking met de overige toenmaals
neutrale landen het meest voor de hand. Onder deze
biedt Zweden, een belangrijke plaats onder de neutra-
len, vele interessante punten van vergelijking
t).

De beweging van het prijspeil.

Een beschrijving van de ontwikkeling van het eco-
nomische leven der neutrale landen kan het doelma-
tigst beginnen bij de krachtige prijsstijging, omdat langs den weg der prijzen de oorlogsinvioeden het
snelst werden ,,geïmporteerd”. De factor schaarschte
trad eerst in liet begin van 1917 in vollen omvang
naar voren, doch speelde in de eerste jaren van den
oorlog nog slechts een ondergeschikte rol. Enkele
prijsindices voor Zweden en Nederland zijn:

Prijspeil in Zw’edori en Nederland
(1913 = WO).

191811919

Groothan deisprijzen.
Zweden ………….
100 108 142 182 240 334 324
Nederland ……….
.
100 109 146 224 276 376 304
Kosten v. levensonderh.
Zweden ………….
100 102 115 130 162 225 261
IdeminNederl.valuta
100 97 111 135 193 237 255
Nederland ……….
.
100 103
1
1131 1151 137 175
1
194

Hieruit blijkt, dat de groothandelsprijzeu zich in
beide landen in hoofdzaak op dezelfde wijze ontwik-keld hebben, zij het ook, dat het Nederlandsche prijs-
peil in de jaren 1916 t.e.rn. 1918 aanzienlijk boven
het Zweedsche lag. Een mogelijke verklaring hier-
voor kan gelegen zijn in het feit, dat in de genoemde
jaren van schaarschte de Nederlandsche invoer van
grondstoffen nog veel sterker is teruggeloopen dan
de Zweedsche. Een zekere voorzichtigheid hij de ver-
gelijking dezer indices blijft echter geboden, hun
samenstelling en weging loopen ni. nogal uiteen en
de afwijking moet vermoedelijk voor een deel op reke-
ning van de sterke spreiding der prijzen in de be-
schouwde periode gesteld worden. Een oinrekening
op Nederlandsche valuta is daarom achterwege ge-
laten. Dit is wel geschied bij de vergelijking van de
kosten van levensonderhoud. Deze indices toch zijn
grooteudeels op overeenkoinstige goederen en dien-
sten gebaseerd en derhalve beter vergelijkbaar. Het
blijkt uit tabel 1, dat de kosten van levensonderhoud
in Zweden veel sterker zijn gestegen dan bij ons. Be-
zien wij de verschillende posten van het budget af zon-
derlijk, dan vinden wij in de eerste plaats een ster-
kere stijging van de levensmiddelenprijzen. In Zwe-
den steeg de boterprijs bijv. van 1913 tot 1919 met
209 pCt., in Nederland ,,slechts” niet 146 pCt.; voor tarwenieel bedroegen deze percentages 142 en 108;
voor boo.nen 345 en —6!, enz. Evenals cie Nederland-
sche heef t ook de Zweed sche regeering getracht de levensmiddelenprijzen zoo laag mogelijk te houden,
grootendeels ook met dezelfde middelen, nl. maxi-
mumprijzen en exportlicenties. Bij deze laatste werd
bedongen, dat voor iedere geëxporteerde hoeveelheid
een evenredig deel tegen vastgestelde lage prijzen aan
de binnenlandsche markt ter beschikking moest wor

1)
De cijfeis voor Nederland, welke in het volgende ge-
bezigcl wordn, zijn ontleend aan,,De Nederlandsohe Volks-
huishoudin.g
1914-1918″,
speciale onderzoelcing No.
3
van
De •Nederlandsohe Conjunctuur, uitgegeven door het Gen-
traal Bureau voor de Statistiek. De Zweedsche cijfers zijn, voor zoover cle bron niet afzonderlijk vermeld is, ontleend aan de officieele Zweedsohe statistische publicaties, of ge-
baseerd op eigen berekeningen.

20 December 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

941

(len gesteld. De prijsverschiUen waren in sommige
gevallen aanzienlijk, zoo ontvingen cle exporteurs yan
de rijksinkooporganisatie voortdurend
85
öre per kg
rundvleesch. De exportprijs bedroeg iii October
1916
niet minder dan
204
öre
2).
De heteekenis van deze
maatregelen werd echter, naar mate de schaarschte
in de jaren
1916
en volgende steeds toenam, hoe lan-
ger hoe geringer; het percentage, dat voor export be-
schikbaar kon worden gesteld, werd steeds lager en
tenslotte moest de export geheel verboden worden.
In één opzicht is er een verschil tusschen de Neder-
landsche en de Zweeclsche maatregelen. In ons land
werd een aantal eerste levensbehoeften, o.a. tarwe,-
meel, peulvruchten, varkensvieesch en vet gedistri-
bueerd tegen prijzen, die lager waren clan de inkoops-
prijzen van het Rijk. In Zweden is een de.rgelijk
systeem niet in toepassing gebracht. Wel werden
gelden beschikbaar gesteld voor de verlaging van de
kosten van levensonderhoud van minder bemid delden.
In totaal werd hieraan van eind
1916
tot midden
1920
slechts 102 millioen Kronen ten koste gelegd
3),

in Nederland bedroegen de kosten van de distributie
in
1918
alleen reeds pl.m.
150
millioen Gulden. liet is
dan ook waarsciijnlijk, dat een deel van het verschil
in cle ontwikkeling van de kosten van leverisonderhou cl

01)
rekening van dezeu factor gesteld moet worden.
Ook de ontwikkeling van het huurpeil is verschil-
lend. Van
1913
tot
1919
steeg dit in Zweden met

ongeveer
23
pOt., iii Nederlarucl slechts mat 3 pOt.
4)

hieruit zou af te leiden zijn, dat de Nederlandsche
huurcommissies een veel straffer politiek gevoerd
hebben dan de overeenkomstige Zweedsche instanties.
Men dient hierbij echter te bedenken, dat de sterke
stijging van de overige posten van het budget, zoowel
als van de loon- en ondernernersinkomsten (vooral
wat de bonen betreft, sterker dan in Nederland), ook
een minder straffe politiek rechtvaarcligde.
Voor de overige posten van het budget is een ver-
gelijking minder gemakkelijk uitvoerbaar door het ge-ringe prijzenm ateriaal, vooral voor Nederland.

De loop der bedrijvigheid.
Gaan wij thans de ontwikkeling van de bedrijvig-
heid in Zweden na, dan blijkt
bijna
overal de alge-
meene tendentie: zwakke daling tot
1916,
scherpe in-
zinking tot
1918
en soms vrij krachtig herstel in
1919.
Uit nevenstaan cle tabel blijkt, dat slechts de werk-loos-
heid en liet aantal arbeiders, in de industrie werkzaam, op den aigemeenen regel een, uitzondering maken. De
werkloosheid neemt toe tot
1915
en is juist het laagst
in
1917.
De industrieele werkgelegenheid daalt zelfs
in het geheel niet onder het niveau van
1913
en ver-
toont haar maximum in
1917,
in overeenstemming
met de beweging van de werkloosheid. De sterke
daling van de industrieele productie is met deze cij-
fers weinig in overeenstemming. Slechts zeer ten
dccle is de discrepantie tusschen de beweging der
l)eide grootheden te verklaren uit het feit, dat na

Sveriges Ekonommiiska och Sociala Historia under ooh
efter Vitrl(lskriget, uitgegeven door Eli Heckscher. Dl. 1,
blz. 95 cv.
Loe. cit., blz.
110.
Verder werden eind November 1916 gelden ei) cle bebnoo-
hing uitgetrokken voor een verlaging van de prijzen van
maIs en reekoeken. Deze maatregel diende om den prikkel
tot o’n’tduiki lig van het voedervei4od van brooclgraan weg
te nemen. Een pnijsverlagencie invloed zal er nauwelijks
van zijn ii itgeigaan.
Het cijfer voor Nederland is gebaseerd
0
gegevens
van de IPersoneele Belasting. Teneinde een correctie te
kunnen aanbrengen voor de gvlaidelijketoeneini ug van de
kwaliteit van den word tigvoorraad, is aangenoInen, dat
bet aantal vertrekken per woning rechtilijnig is toegeno-
men tu’ssehen de jaren 1909 en 1930, waarvoor gegevens
nainwenig ivaran (ontleend aan de Voikstellimigen) . Deze
methode is erg ruw. }3eter is het de toeneming evenredig
te stellen niet vermeerdering isun den woni ngvoorraacl. l)oet
mcii dit, dan vindt men tengevolge van de geringe bouw-
activiteit tijdens de oorlogsjaren, een stijging van het
huurpeil met
7
pOt., hetgeen de werkelijkheid waaivchijn-
lijk beter benadert.

Ilbedrijvigheidsiucliices in Zweden.

1913j
l9I4I9I519I6
I917
1918j1911

Werkloosheid onder de leden van
6.7
7.8
4.2
3.9
4.5
5.5
V olume van de industrieele pro-
100
97104
109
91
76
84
Aantal arbeiders in de industrie
100
101
104
110
111
107
101

vakvereenigingen in pCt……4.5

Arbeidsproductiviteit(1913

100) 100
97
101
100 82
75
82
Invoersaldo van grondstoffen

ductie (1913
=
100)………..

100 86 108 98
33
35
71

werkzaam (1913
=
100) …….

Volume van den uitvoer
(1913
=
100)

……………..

100 88 103 99 64
59
51
(1913
=

100) ……………..
Volume van de landbouw produc- tie (1913
=
100)

………….
100
87
89
91 77
72
81

1917
algemeen een verkorting van de werkweek werd doorgevoerd. Het belangrijkste gedeelte moet worden
toegeschreven aan een afneming der arbeidsproducti-
viteit, welke in
1918
het sterkst was. Voor deze op-
vallende daling kunnen verschillende oorzaken aan-
gegeven worden; in de eerste plaats gebrek aan ge-
schoolde krachten door
,
de mobilisatie, dlaarnaast cle
wensch der werkgevers om een gedeelte van het ge-
routineerde personeel aan te houden om na het hei-
eindigen van den oorlog gereed te staan voor de ver-
wachte sterke vraag, maar vooral ook de noodzaak om
,,Ersatz”-stoffen te gebruiken door gebrek aan grond-

stoffen.
Het is niet onmogelijk, dat cie sterkere daling van
dle arbeidsproductiviteit in NederlauI (in
1917
en

1918
slechts
68
pOt. van de waarde van
1914)
ver-

bandi houdt niet liet feit, dat de Nederlandsche in-
voer van grondstoffen, zooals hij liet prijsverloop
reeds werd opgemerkt, nog veel sterker terugliep dan cle Zweedsche, nl. tot
13
in
1918
(op basis 100 in

1914),
terwijl bovendien Zweden s grondstoffenposi-
tie veel minder afhankelijk van het buitenland was.
Toor deze opvatting pleiten ook de cijfers van dc
arbeidsproductiviteit in de Zweedsche textielindus-
trie. Voor deze industrie, welker grondstoffeninvoer
vrijwel tot nul daalde, verminderde de arheidsproduc-
tiviteit in
1918
tot
58
pOt. van de waarde in
1913.
Een belaugnjk punt van verschil tusschen de eco-
nomische ontwikkeling in Zweden en Nederland is
gelegen in den uitvoer. Voor sommige der Zweedsche
exportproducten, o.a. ijzererts, ijzer en staal, bestond
door den oorbogstoestand juist een zeer groote vraag.
Speciaal naar Rusland, dat geheel van de overige
geallieerden geïsoleerd was, had een groote export
van machines en andere metaalproducten plaats.
Hierdoor is het te verklaren, dat de Zweedsehe ex-

port in
1918
niet lager daalde dan tot
59
pct. van

cle hoeveelheid in
1913.
Ons indexcijfer van den uit-
voer van fabrikaten stond in hetzelfde jaar op 10
(1914 = 100).
liet versclul is des te opvallender, om-
dat liet Nederlandsche cijfer alleen op de indus-
trieele producten betrekking heeft, terwijl liet Zweed-
schei cijfer ook den export van landbouwvoortbreng-
selen omvat, welke door de exportverboden in
1918
vrijwel nihil was. 1-let is begrijpelijk, dat de export
van metaalprodu.cten in
1919
sterk terugliep, doordat

echter een grootere vraag naar andere producten
ontstond (o.a. ceuiulose), bleef liet volume van den
export als geheel ongewijzigd. Van groote beteekenis was de relatief hooge export voor het Zweedsche be-drijfsleven, welke juist in de jaren
1917
en
1918,
tegen
bijzonder gunstige prijzen plaats vond.
De lanclhouw’p roductie vertoont vrijwel hetzelf dc
beeld als in Nederland, hetgeen niet te verwonderen
is, daar de factoren, welke hier een rol spelen, ni.
achteruitgang van de agrarische opbrengsten door
gebrek aan kunstmest en afslachting van een deel
van den veestapel als gevolg van voedseltekort, in
beide landen ongeveer gelijk werkten.

De invloed op het nationale inkon-ien.
Het nationale inkomen van Zweden is gedurende
de oorlogsjaren nominaal heel sterk gestegen, zooals

912

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

20 December 1939

uit de liero.ndcr afgedrukte tabel blijkt. Ehmineert
men echter den invloed van de sterke pr.1jsstijging cii
houdt men bovendien rekening met den groei der
bevolking, clan resulteert aanvankelijk nog een Vrij
sterke stijging, maar na 1016 neemt het inkomen
weer af en de laatste twee jaren blijft het zelfs onder
het niveau Van 1913.

Het nationale inkomen van Zweden in de jaren 1913-1919.

1919

Nationaal inkomen, ln
millioenen Kr.
1).
.
..
3464 3625
4206
5229
6480
8312
9631
Idem, reëel p. hoofd v. 6.
bevolk.,1910/’13100′)
104
107
108 116
110
100 101
Gem. dagloon 1913=100


207
270
404
318
A. Boschbouw
2)
…….100

102 108
131 171
244
296
C. Industrie, handel en
102 108 120
148
214 270

B. Landbouw

………100

Opbrengst v. 6. oorlogs.
verkeer ………….100

winstbelast.jnmjll.Kr


6.5
79.3
251.4 304.0 274.8
Winsten

van N.V.’s
in pCt. van het kapitaal
11,6
– –
29.2


18.1
Ontleend aan ,,The Nationa.l Incone of Swoden” door
E. Lindahi, na. Deel T, blz. 237 en 244. Ontleend aan ,,Wages in Sweden” door G. Bage e.a.
Deel II, blz. 68.
Cijfer voor 1012.

Bij de studie, waaraan de cijfers over het nationale
inkomen ontleend zijn, is deze grootheid berekend
door de netto-inkomens der verschillende bedrijfstak-
ken bijeen te tellen, deze bron is derhalve niet te
gebruiken voor een inzicht in de ontwikkeling van
de verschillende componenten van het nationale in-
komen. lIet verloop van het. arbeidsinkornen wordt
goed gedemonstreerd door de indices van de verschil-
lende dagloonen. Vergelijict men deze met de kosten
van levensonderhoud, dan blijken de industrie-arbei-
ders, reëel gesproken, eerst in 1919 boven het niveau
van 1913 te zijn uitgekomen. De bonen der land-
arbeiders vertoonen, evenals in Nederland, een gun-
stiger verloop, slechts in 1915 was hun reëeie inko-
men lager dan in 1013. Het gunstigst is de ontwik-
Iceling voor de boscharheiders (in N. Zweden), hun
reëele loon was in 1918 ongeveer 80 pOt. hooger dan
in 1913. Men dient hierbij natuurlijk wel te beden-ken, dat de cijfers niets zeggen omtrent de verhou-
ding van de absolute hoogten van de verschillende
loonpeilen onderling. De aangegeven ontwikkeling
heeft echter de tendentie gehad de groote verschillen
tusschen de drie groepen van arbeiders eenigszins te verkleinen. Voor alle arbeiders tezamen is het reëele
loon vermoedelijk ook eerst in 1919 boven het peil
van 1913 uitgekomen. Vergelijict men dit met de stij-
ging van het reëele totale inkomen, dan volgt hieruit
reeds, dat het reëele niet-arbeidersinkomen eveneens
sterk gestegen moet zijn. Tot eenzelfde conclusie leidt
het verloop van de oorbogswinstbelasting. Deze trof
in een bepaald jaar (vanaf 1915) de inkomens (met
een minimum van 10.000 Kr.), welke hooger waren dan het gemiddelde der overeenkomstige inkomens
voor de jaren 1012 en 1913 en belastte liet meerdere
met 12 tot 18 pOt., afhankelijk van de grootte van de
toeneming. Ook de winstpercentages van de N.V.’s
wijzen in dezelfde richting, vooral wanneer men be-
denkt, dat de kapitalen enorm waren toegenomen,
tengevolge van de talrijke emissies. Deze kapitalen
bedroegen achtereenvolgens in de jaren 1912, 1916
en 1919:
2.8,
3.6 en 6.3 milliard Kronen. Uit de
winstpercentages zijn eveneens interessante conclu-
sies te trekken ten aanzien van cle rentabiliteit der
afzonderlijke bedrijfstakke:n. Bovenaan staan de me-
taalindustrie met de percentages 8.4, 50.6 en 22.2 en
dc reederijen met 1.9.3, 114.3 en 54.4, steeds voor de-
zelfde jaren. Het slechtste figuur slaan cle particu-
liere spoorwegen met 7.0, 7.7 en 10.1.
(Wordt vervolgd.)

P. DE WOLFF.

DE RIJKSMIDDELEN OVER NOVEMBER.

Algemeen beeld.

In het algemeen aspect, dat de Rijksmiddelen in September ji. na
het intreden van den ooriogstoe-
stand begonnen te vertoonen, is nog vrijwel geen wij-

ziging gekomen. Enkele middelen zijn van meetaf on-
gunstig beïnvloed, doch bij verschillende andere hef-
fingen viel een ,,00riogswinst” te hoeken, die do ge-
maakte verliezen belangrijk heeft overtroffen, liet
thans gepubliceerde overzicht per ultimo November
jl. strekt ten bewijze, dat die heffingen, welke bij het
uitbreken van den oorlog onmiddellijk het normale
niveau verlieten, het oude evenwicht nog niet her-
kregen. De totale ontvangst der niet-directe hef fin-gen bedroeg ditmaal
f
39.998.800, d.i.
f
3.185.000
meer dan in de gelijknamige maand van het vorige
jaar en
f
3.188.400 boven de gemiddelde maandra-
min.g. Vergeleken met de opbrengst van October jl.
beteekent dit een teruggang van ruim f
1
millioen,
doch dit verschil zit grootendeels in de omzetbelas-
ting, die in October abnormaal hoog was. In vergelij-
king met November 1938 vertoonden de meeste bron-
nen van inkomst een hooger opbrengstcijfer; alleen
de zoutaccijns, de wijnaccijns, de bieraccijns, de om-
zetbelasting, de zegeirechten, de registratiereehten
en de loodsgelden brachten minder op. Van de heff in-
gen, die een stijging te zien gaven, trekken vooral de
invoerrechten de aandacht, die niet niet minder dan

f
3.516.800 vooruit gingen en hiermede de record-
opbrengst van October jl. nog weer overtroffen.

De ontvangsten over de eerste elf maanden van dit
jaar heliepen
f
436.219.900 tegen
f
403.510.900 in
hetzelfde tijdvak van 1938 en bij een evenredige ra-
ming van
f
404.914.600. Twaalf middelen brachten
tezamen f43.001.600 meer op dan in het vorige jaar;
de resteerende vijf middelen vertoonden gezamenlijk
een teruggang van f 10.298.600.

Dividend- en tantièmobelasting.

Gaan wij nu de afzonderlijke middelen na, dan
blijkt vooreerst, dat de dividend- en tantièmebelas.
ting iets meer heeft opgeleverd dan in dezelfde
maand van het vorige jaar (toeneming f15.100). Ge-
rekend over elf maanden, kwam dit jaar
f
1.665.900
méér binnen. Deze toeneming is geheel aan de ver-
hooging der opcenten in Mei 1938 te danken.

Invoerrechten.

Zooals reeds werd opgemerkt, waren de invoer-
rechten verrassend hoog. De ontvangst beliep dit-
maal
f
11.098.300. Een dergelijk bedrag werd nog
nimmer verantwoord. Uiteraard levert de verhooging
van het tarief met ingang van 1 Maart jl. extra baten
voor ‘s rijks schatkist op. Daarnaast is het rijkelijk
vloeien der invoerrechten te danken aan den gefor-
ceerden invoer in de afgeloopen maand (toeneming
met f 38.000.000) en voorts aan een verschuiving in
den invoer naar belaste goederen. Ook is wellicht dc
prijsstijging van verschillende artikelen van invloed
geweest. De opbrengst der eerste elf maanden over-
treft die van dezelfde periode van het vorige jaar
met niet minder dan f 19.750.900. lIet statistiek-
recht stak in Sept. en Oct. ongunstig bij de overeen-komstige opbrengsten van liet vorige jaar af; ditmaal
heeft de ontvangst zich weer hersteld. De ontvangst
bedroeg nl. f239.900 (in November 1938 f 213.600)
hij een maandraming van f 208.300; ook hieruit blijict
de stijging van den invoer, waarbij intussehen de
daling van den uitvoer (niet
f
11.000.000) in tegen.
overgestelde richting heeft gewerkt.

Accijnzen.

Met uitzondering van een paar kleine heffingen
maken de accijnzen een goed figuur. Het zout ver-
toont in de laatste maanden een inzinking. Ditmaal
kwam
f
21.600 minder binnen dan in November
1938; voorts bleef de opbrengst bij de raming zelfs

20 December 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

943

f
82.500 ten achter. Het geldt hier echter een uiterst
wisselvallig middel. Daarentegen geeft de geslacht-
accijns thans extra ruime baten door de vele slach-tiugen voor de militairen en voor de Veehouderi.i-
centrale (vleesch in blik). Er kwam ditrnaal’f 781.700
binnen, di. fl47.700 meer dan in November 1938 cii

f
156,700 boven de gemiddelde maandraming. De

w

ijnaccijns vertoonde een decres van f 1.150, doch de
tweede maand van het kwartaal is voor dit middel
van weinig beteekenis De gedistilleerdaccijns geeft

ruime baten; blijkbaar is het verbruik toegenomen.

Dat de afgeloopen maand
f
512.100 meer in ‘s Rijks

schatkist werd ontvangen dan in dezelfde maand van
het vorige jaar, is echter louter gevolg van de om-
standigheid, dat November ditmaal een verschijridag
van den credietterniijn méér telde dan in 1938. I{et
bier verschafte in de afgeloopen maand
.f
118.700

minder; veilig mag echter worden aangenomen, dat
in dezen teruggang een reactie op de voorafgaande

maanden moet worden gezien, toen de bieraccijns bij-
zonder ruim heeft gevloeid. Te bedenken valt, dat de
bieraccijns een crediettermijn van 3 maanden kent,
zoodat de ontvangsten betrekking hebben op de pro-
ductie van Augustus jl. De suikeraccijns wees een

hooger opbrengstcijfer aan van
f
137.000. Deze toe-
neming zal nog wel in verband staan met de abnor-
male voorraadvorming van eenigen tijd geleden. (voor
den suikeraccijns geldt een crediettermijn van 2
maanden). Tenslotte trekt nog de tabaksaccijns de
aandacht, die een surplus van
f
759.300 te boeken

gaf wegens de toeneming van het verbruik door de
mobilisatie. Alles tezamen genomen, moet worden ge-
constateerd, dat de bijzondere tijdsomst,andighedcn
een stimuleereuden invloed op den loop der accijnzen
hebben uitgeoefend. Tot dusver heeft deze middelen-

groep
f
9.319.100 meer opgebracht dan in de eerste

elf maanden van het vorige jaar.

Andere indirecte heffingen.

De belasting op gouden en zilveren werken leverde

f
7.100 meer op, dank zij de opleving in de zilver-
industrie. Daarentegen vertoonde de omzetbelasting

een daling van
f
1.396.700. Deze teruggang is even-
wel een gevolg van de verschuiving der betalingen.
naar de eerste maand van het kwartaal. Op zichzelf
beschouwd, was de ontvangst der afgeloopen maand
volstrekt niet ongunstig; immers, een ontvangst van

.f
7.153.800
(f
320.100 boven de maandrarning) is

thans voor de tweede maand van het kwartaal bijzon-
der hoog. De abnormale voorraadvorming, de prijs-

stijging van verschillende artikelen, alsmede de ver-
zwaring van het tarief hebben hier samengewerkt. De
couporibelasting gaf ditmaal eens een stijging te zien

(toeneming
f
1.27.900); het nadeelig verschil, ont-

staan in de reeds verstreken maanden van het jaar,

bedraagt echter nog
f
204.200.
Met de zegel- en registratierechtcn gaat het slecht.
In den effectenhandel en in den verkoop van vast
goed is blijkbaar een verdere verstarring ingetreden.

Aan zegelrechten ver d
f
316.300 minder ontvangen

dan in November 1.938, waarvan
f
216.600 is te

wijten aan een trager vloeien van de beursbelasting.
Bij: de registratierechten bedraagt de teruggang
j 271.200. Toch was de ontvangst weer iets hooger
dan in de drie voorafgaande maanden, toen dit mid-
del inderdaad een dieptepunt had bereikt.
De opbrengst der suecessierechten verschilde be-
trekkelijk niet veel van die van November 1938 (toe-
neming
f
113.400). Gerekend overr elf maanden, is

het loopende jaar nog
f
5.232.600 hij het vorige in
liet nadeel. Met de loodsgelden is het treurig gesteld;
de ontvangst bedroeg niet meer dan
f
25.200, d.i.

,f
52.100 minder dan in de gelijknamige maand van
het vorige jaar.

Directe belastingen.
Het overzicht op ultitno November verschilt niet
veel van den stand, dien de voorafgaande middelen-
staat voor 31. October ji. aangaf. in de kohierbedra-
gen der directe heffingen komen aan het einde van
het jaar geen belangrijke wijzigingen meer. Het to-
tale bedrag van alle belastingen is thans gestegen tot
fl.32.900.300, hetgeen
f
12.774.000 uitkomt boven
den stand van den overeenkomstigen dienst op 30
November 1938. Deze toeneming komt bijna geheel
voor rekening van de inkomstenbelasting, waarvan
de kohieren
f
1.2.662.300 hooger te boek staan dan in
1938. Naast de verbetering van de conjunctuur in 1938 is het vlotter verloop van deaanslagregeling
van invloed geweest. Uit staat II, die van maand tot
maand het verder verloop van het dienatjaar 1938
aangeeft, blijkt, dat sedert September ii. op de in-
komstenbelasting een bedrag van
f
5.857.800 is afge-
schreven wegens kwade posten., d.w.z. restituties en
oninbaar gebleken aanslagen. Niettemin komt de zui-
vere opbrengst over het tijdvak van 1 3an.uari 1938
tot en met November 1939 nog
f
9.836.500 uit hoven
het bedrag der raming
(f
75.000.000). Omtrent de
overige directe belastingen valt noch van den dienst
1939 noch van den. dienst 1938 iets bijzonders
te
ver-
melden.

BOEKBESPREKINGEN.

International trade in certairi, raw
nsaterials and foodstuffs by coun.tries of
origin and consurnptiors.
Genève 1939.
(Leagu.e of Nations. 180 biz.).
.Balarsces ‘of payniersts,
1938.
Ge-
nève 1939. (League of Nations. 148 blz.). International trede siatistics, 1938.
Genève 1939. (Leagu.e of Nations. 345
blz.).
Kort geleden zijn bovengenoemde drie jaarlijksehe
statistische overzichten van de Voikenbond wederom
verschenen. Van deze publicaties is de eerstgenoemde
de jongste; zij geeft voor ee.n 40-tal grondstoffen en
voedingsmiddelen de invoer van alle landen gesplitst
naar landen van werkelijke herkomst en is daarom
een zeer waardevolle aanvulling op de gewone han-
delsstatistieken, waar, zooals men weet de landen van
herkomst soms op meer oppervlakkige wijze worden
aangegeven. In het bijzonder in de tegenwoorrlige

AANVOER VAN GRANEN. (In tons van 1000 kg.)

Rotterdam

.

Amsterdam
Totaal
Artikelen
10-16 Dec.
Sedert
Overeenk.
10-16 Dec.
Sedert
Overeenk.
,
1939

1938
1939
1Jan. 1939
tijdvak 1938
1939
1Jan. 1939
tijdvak 1938

S.686
754.623 1.451.210
1.032 74.091
19.423
828.714
1.470.633

148.018
234.908

3.740 151.758
234,908

15.495
20.087



15.495
20.087

Tarwe

………………..

29.9 00
691.251 1.159.942
13.411 104.681
84.388
795.932 1.244.330

Rogge

……….
………….
Boekweit ……….
………..

Gerst

…….
1.778
243.140
479.763

14.115
23.782
257.255 503.545
Mais………….. ……

Haver

…………

181.688
211.787

3.260 9.752
184.948
221.539
Lijnzaad

…………….

136.756
160.703
11.226
241.543 211.606 378.299
372.309
225
S7.393
54.353

150
225
87.543
54.578
Lijukoek

……………
m
25
56.200
57.310

5.446
10.257
61.646 67.567
Tarweeel

………….
Andere meelsoorten

19.444
36.524
1.425
6.337
5.400 25.781
41.924

944

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

20 December 1939

tijclsornstandigheden zijn ‘deze statistische onderzoe-

kingen van betekenis. Van de heide eerste is cle ver-
schijningsdatum met het oog daarop dan ook ver-

vroegcl.
De tweede publicatie geeft, als gewoonlijk, de zeer handige overzichten van de officiële of cle meest be-
trouwbare particuliere schattingen van de posten der
betalingsbalansen van ongeveer 50 landen. Voor de
belangrijkste posten worden bovendien cijfers van cia 1.2 laatste jaren gegeven in overzichtelijke staten.
De derde publicatie, die al sedert een langere reeks
van jaren verschijnt, wordt in toenemende mate ge-
bracht in de vorm van de uniforme nomenclatuur der
z.g. minimumlijst, vastgesteld door liet Volkenboncis-
coniitd van stat.istische deskundigen; thans hebben
30 landen, met 60 pOt. van de wereldhandel, deze in-

deling reeds gevolgd. J. T.

MAANDCIJFERS.
Gecombineerde Maandstaat van de Nederlandsche en
Nederlandsch-Indische Grootbanken.

(In milh oenen guldens)
Nederi.
Banken
Ned.-Ind.
Banken Totaal

3OSep.I31
Oct.
3OSep.131

Oct.
3OSep.131
Oct.

Activa:

135
122
67
91
202
213
Nederl. en Ned.-Indisch
141
170
.63
72
204
242

276
292
130
163
406
455

Ander overheidspapier
24
24
11
10
35
34
Wissels …………….
31
31
51
56
82
87
Bankiers in binnen- en
70
74
51
47
121
121

Kas, kassiers en

dag-
geldieeningen

……..

schatkistpapier ……..

Prolongaties en

voor
schotten op effecten
96
100
87
79
183
179

221 229
200
192 421 421

buitenland …………

268 265
168
166
436
431
Effecten en Syndicaten
50
48
37 36
87
84
Deeln. (incl.voorschott.)
12
12
30
30
42
42

Debiteuren

…………

330
325
235
232
565
557

Gebouwen …………
.16
16
14 14
30
30
Diverse rekeningen
(mcl.
overl. posten)


4

4

Belegde bestemmings-

Effecten leendepot
.7
2 16




2
17 2
16

862 880
583
601
1445
1481

reserve

………….2

Passiva:

526 540
349
362 875 902
Crediteuren …………

Wissels

eigen accept.
12
11 11
10
23
21
— derden

….
4
3
1 1
5
4

16
14 12
11
28
25

Deposito’s op termijn..
40
41
98 96
138
137
Diverse rekeningen

. .
9
14
9
17
18
31
Bestemmingsreserve ..
2 2


2
2
Effecten leendepot ….
17
17


17
17

610
628
468
486
1078
1114

Werkzaam kapitaal
252 252
115
115
367
367
Aandeelenkapitaal
170
170
87 87
257
257
Reserve ……………
..
8282
28
28
110
110

252 252
115
115
367 367

OVERZICHT VAN DEN STAND DER RIJKSMIDDELEN.

INKOMSTEN TEN 3ATE VAN HET VERKEERSFONDS.

Nov. 1939
1

1939
1

1938

Motorrijtuigenbelasting
Rijwielbelasting ……….

Totalen ………

1.339.2321
17.932
22.588.531 8.398.205 21.779.493 7.769.308

1.357.164
30.986.736 29.548.801

Ult. Nov. 1939 (in Guldens)

KiDEELING1a
Kohieren
voor den dienst
1939
1
)
Dir.
belastinger
Bedragen,
welke zijn

Benaming der
terugge-
geven of
middelen
Totaal
bedrag
anders dan
Zuiver
bedrag

a
0
.n o
..:
wegens
betaling
opdekoh.
afgeschr.

Grondbelast. a)
10.734.198
26.987
10.707.211
10.514.713
Inkomst.bel. b)
95.255.186
4.185.455
91.069.731
78.407.415
Vermogensb. c)
18.871.524
129667
18.741.856
18.538.257
Verdedig.bel. 1
10.531.380
113.179
10.418.201
10.784.784
Bel.v.d.doodehd.
1.983.041
13.717
1.969.324 1.887.136

Totaal
137.375.329
4.469.005
132.906.323
120.132.305

a)
34
hoofdsom + 20 opcenten op de hoof.dsom der ge-
bouwde eigendommen. b) Hoofdsom + 70-88 opcenten.
c) Hoofdsom + 75 opcenten.

‘) Voor de belastingen naar inkomen en vermogen be-staan de vermelde bedragen uit
34
gedeelte van het be-
Iastinigdienstjaar 193911940 en
3/
gedeelte van het belas-
tdngdienstjaar 1938/1939.
2)
Voor de belastingen naar in-
komen en vermogen bestaan de vermelde bedragen uit
34
gedeelte van hht belastin•gdienstjaar 1938/1939 en
gedeelte van het belaetin•gdienstjaar 1937/1938.

AFDEELING Ie
Overige middelen.
Nov.
1939
¶ef

1939

Overeen-

periode
1938
Benamingder middelen
Divid.- en tantièmebel.
.
935.142 25.392.571
23.726.687
Rechten op den invoer
.
11.998273
110.680.913
90.930.024
239.869
2.308.158 2.277.431
84.203
1.600.825
1.880.738
Statistiekrecht

………..
Accijns op zout

…………
Accijns op geslacht

….
781.678
7.125.312
6.785.664
Accijns op wijn
39.846
1.881.551
1.798.283
Accijns op gedistill.

.
..
2.944.676
28.232.505
25.612.961 8.306.587 7.469.346
Accijns op suiker

. . .
.,
..
4.771.911
54.499.845 51.699.366
Accijns op bier

………604.075

3.568.392 30.609.392 33.690.577
Accijns op tabak

…….
Bel, op gouden en zflverw.
71.431
574.866
517.836
Omzetbelasting

………
7.153.482
82.968.850
71.112.625
Couponbelasting

……..
443.923
4.456.6611
4.720.257
Recht. en boeten v. zegel
1
1.134.803
2
)17.141.136
19.630.680
Recht, en boet. v. registr.
1.105.401
12.619.029 14.651.354
Recht. en boet. v. succes-
siè, v. overgang bij over-
lijden

en

v.

schenking
4.096.500 41.189.019
46.421.630
Opbrengst d. loodsgelden
25.193
633.309
585.442

Totalen….
39.998.798
436.219.929
403.510.901
1)
Hieronder begrepen wegens zegelrecht van nota’s van
makelaars en commissionnairs in effecten, enz,
f
198.733
(Beursbel.).
2)
Idem
f
3.167.891.

OVERZICHT VAN DE INKOMSTEN TEN BATE VAN

HET WERKLOOSHEIDSSUBSIDIEFONDS.

Zuiver bedrag
Dienst 1939

Bedrag van kohieren tot en
raming

met de maand
Nov.
1939

Grondbelasting (veertig ten hon-
derd van de hooidsom wegens
gebouwde eigendommen en vijf
en twintig ten honderd van de
hoofdsom wegens ongebouwde
9.682.261
Personeele belasting (tachtig ten
honderd van de hoofdsom naar
den eersten, tweeden en derden
.9.000.000
19.442.528
grondslag)

……………….
Geeentefondsbelasting

(vijf

en
m
twintig opcenten op de hoofd-

eigendommen)

……………9.681.000

15.500.000 15.691.707
Vermogensbelasting

(twee

en
twintig opcenten op de hoofd-

som)

…………………….

2.640.000
2.152.001
Enkomstenbelasting

(tien opcen-
som)

…………………….

ten op de hoofdsom)
4.800.000 5.265.326

.51.621.000
52.233.823
Totalen ……

20 December 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHË BERICHTEN

945

AFDEELING II. DIENSTJAAR 1938.
Zuivere op-
brengst over het Bedrag van de

tijdvak van 1
Benaming der middelen

raming

Jan. 1938 tot en
met de maand
Nov. 1939
Uronaflelaating.
(Y,
hoofdsom
+
20 opcenten
op de hoofd8om der gebouw-
de eigendommen.)
10.600.000 10.465.547
Inkomstenbelasting
75.000.000
84.836.471
Vermogensbelasting
20.000.000
21.418.490
Verdedigingsbel.

1

……….9.000.000
11.285.958
Belastingv. d. doode hand

.
1.800.000
2.110.454
Divid.- en tantièmebelasting
21.000.000 25.039.288 98.000.000
99.152,027
2.459.190
1.981.017
7.200.000 7.424.848

Statistiekrecht

………….2.500.000
Accijns op zout

………….2.000.000

2.263.529
Accijns op geslacht

……….

Accijns op gedistilleerd

..
. .
28.000.000 28.921.244

Rechten op den invoer …….

8.119.599 55.000.000
56.853.631
35.000.000
36.512.955

Accijns op bier

………….7.000.000
Accijns op suiker

………..

Belast. op gouden en zilverw.

575.000
577.095
Accijns

op tabak

…………

75.000.000
77.132.031

Accijns op wijn

…………2.200.000

Omzetbelasting

…………..
4.996.633
Rechten en boeten van zegel
26.000.000
21.112.051
Rechten en boeten v. registr.
17.000.000 16.605.610

Couponbelasting

…………6.000.000

Rechten en boeten v. succes- sie, v. overgang bij overlij-
46.000.000 50.321.940
den

en v. schenking ……
Opbrengst der loodsgelden ..
750.000
663.225

Totalen…. 545.625.000

1570.252.833

INKOMSTEN TEN BATE VAN HET GEMEENTEFONDS.

l

Dienst 1938f 1939 Zuiver bedrag der ko-
Zuiver bedrag der hieren voor den dienst
kohieren tot en met
19371’38
tot en met de
de maand Nov. 1939 zelfde maand van 1938
Gemeente.f.belast… 1

65.685.981

1

60.054.710
Opc. verm. t. get. v. 50
1

5.986.520

1

6.036.518

STATISTIEKEN.

Groothandeisprijzen van belangrijkevoedings- en genotmiddelen en grondstoffen.

(Indexcijfers gebaseerd op 1927 t/m 1929 = 100).

Laatste noteeringen (12-19 Dec. 1939).

A r tk

i
1

e
Vreemde
munt

I
Prijs in

Ilndex-
Guldens
cijfer


Geret…………………………..


.Rogge

……………………………


.

Tarwe,

termijn

………………….

I
Tarwe,

Roemeensche

………
..-


sh. 1/9
2,50 38,3
f0,83′)
0,80
38,8

Kaas ……………………………
19,50
42,8

Rijst

…………………………….
Boter

…………………………….


3,85
48,0

Maïs

termijn

……………………
.!

Maïs,

La

Piata ……………………

1

Rleren

…………………………..
..-


68,70
72,5

71,50
13,8
sh.

51-
1,85
62,5
sh. 1151-
42,51
63,8

C

Geel,

runderen

…………………..

Geel,

varkens

……………………


15,75
45,6

Bevr.

Arg.

rundvleesch

………….

Koffie,

Robusta

………..
0,175
35,7

Bacon

…………………………..
Cacao

…………………………..

o

KoffIe,

Sup.

Santoe

……………

0,185
31,3
..
_*)

>

Suiker

………………………….-
Thee

……………………………

0,6325
83,5

£
53,-!-
2)

390,74
91,3
Sets 11.33
0,213 45,2
penc.7,32
3
)
0,224 62
1
3

Jute

…………………………….

i

Austr.

Wol,
Croesbr. Col. Carded
-*
– –

0

Katoen, MId. Upland

…………….
0
Katoen, Sup. Floe Oomra

………

Auetr.

Wol.

Merino

…………….

5 3,65
4
)
…-

6,88

53,7
Jap.

Zijde

………………………..
gRubber

………………………..
Grenenboot
>

……………………
penc. 12,00
.£25.216
0,37
185,74
55,8 80,8
_*)

20,-5)
49,9
Vurenhout

………………………-
Koehulden

……………………..-
Copra

………………………….
2

Grondn

……………………
.-
£

4.151-
12,-
109,11
39,2
43,6
Llj
oten
nzaad………………………..
.

Goud

…………………………..
.sh. 168/-
62,15
120,8

Heffing Crisis Zuivel-Centrale.
Noteering van 7 December, Noteering van 6 December. Noteering van 5 December. Noteering van September.
S)
In verband met den internationalen toestand geen noteering
ten gevolge waarvan het berekenen van indexcijfers achterwege moet
blijven.

A r t i k e i

Vreemde

Prijs in Index-
munt
I
Guldens I cijfer

OKoper…………………………
0Lood

…………………………..
£
258.15/-

1914,10

65,9
eb. 1081-
39,95

94,8
sh. 1411-
52,15
132,0
1
.Jzer,

Cleveland

…………………
m

Gieterlj-ijzer

……………………..
?Zlnk

…………………………..
…_*)

0

TIn

……………………………..

penc. 23!i
0,72 55,4

12,50 114,5
5
1,02 1,92
62,2
$cts6,l3
0,1155
39,9

Zilver

………………………….


5,556)
49,6

Steenkolen

………………………..
Petroleum

………………………..
>

Benzine

………………………..

Zwavelz,

ammoniak

…………….
5.05
6
)
45,3
Kalkealpeter

……………………


13,35
73,4
Cement

. .,

…………………….
2

Steenen,

binnenmuur

…………..
9,50
72,6
o

Steenen

buitenmuur

…………..
12,-
64,3
Noteering van November,
(Wegens plaatsgebrek vervangen bovenstaande sta tistie-
ken dezë week het gebruikelijk overzicht der groothandels-
n’ijzen.)

DISCONTO’S
Gewijzigd: Stockholm van
21/2
op 3
0
/
s
op 14 Dec. 1939.

WISSELKOERSEN.

KOERSEN IN NEDERLAND.

D
ata
New
Londen
Berlijn
Parijs
‘Brussel
Batavia
York
) )
)
)
)
1)

12 Dec,

1939 1.88%
7.39%
75.60
4.19%
30.97
100%
13

1939
1.88K6

7.40%
75.60
4.20
31.04
100%
14

1939
1.8894
7.45
75.60
4.22% 31.114
100%
15

1939
1.88%
7.41k
75.574
4.21
31.134
100%
16

1939
1.88%
7.40%
75.574
4.21
31.16
100%
18

,,

1939
1.87% 7.39%
75.50 4.19%
31.23
100%
Laagste d.w1)
1.87% 7.38
7530
4.17
30.86
100
Eoogste
d.w1) 1
1.88% 7.45
75.87JI
4.23
31.27il
10031
kluutpariteit
1.469 12.1071
59.266
9.747
24.90til
100

Data
serland
Praat
Boeka-
Milaan
Madrid

12 Dec.

1939
42,24




13

1939
42.24


– –
14

1939
42.24

– –

15

1939
42.23%

– – –
16

,,

1939
42.22




18

1939
42.17

– – –
Laagste d.w1)
42.32%


– –
Hoogste d.w’)
42.30
6.45

9.57%

Muntpariteit
48.003
7.371 1.488
13.094
48.52

Dat a
Stock-
Kopen-
Oslo’
/
1/el-
ng
Buenos-
holm) hagen5)
Aires’)
freal’)

12 Dec’199
44.874 36.40
42 824

43
1631j
13

,,

1939
44.874 36.40
42.824

43 184
14

1939
44.874 36.40
42.824

43%
164
15

1939
44.874 36.40
42.824

43
164%
16

,,

1939
44.874 36.40
42.824

42%
16434
18

1939
44.774 36.30
42.70

42%
164%
Laagste d.w’)
44.55

38.10
42.50

42
162%
Hoogste
d.wl)
44.95

3650
42.90

43%
165
Muntpariteit
66.671 66.671
86.671
8.266
95%
2.1878
5) Noteering te Amsterdam.
5*)
Not. te Rotterdam.
1)
Part. opgave.
In ‘t late of Zde No. van iedere maand komt een overzicht
voor van een aantal niet wekelijks opgenomen wisselkoersen.

KOERSEN TE NEW YORK. (Cable).

Da
a
Londen
($ per £)
Parijs
($ p. IOOfr.)
Berlijn
($
p. 100 Mk.)
1
Amsterdam
(t
p. 100 gid.)

12 Dec.

19391
3,92%
2,22%
40,20
53,09
13

1939
3,93%
2,23%
40,20 53,09
14

1939
3,93%
2,23%
40,20
53,09
15

1939
3,93%
2,23%
40,20
53,11
16

,,

1939
3,94
2,21%
40,20
53,18
18

1939
3,95%
2,24%
40,20
53,19

19 Dec.

1938
500K8
3,40%
40,4314
55,51
Muntpariteit..
4,86
3,90%
23,81%
40%

ZILVERPRIJS

GOUDPRIJS
Londen’) N.York’)

A’dam3) Londen4)
12 Dec. 1939..
23K6
34% 12 Dec. 1939.. 2065 168/_
13 ,, 1939.. 2334

34% 13

1939.. 2065 169/_
14

1939.. 23% 34% 14

1939.. 2065 168/_
15 ,

1939..
23Kg
34%

15 ,,

1939.. 2075 168/…
16

1939.. 23% -.

16

1939.. 2070 168/_
18 ,, 1939.. 23K6 34% 18 ,, 1939.. 2070 1681_

19 Dec. 1938.. 19
1
9.j’,, 42% 19 Dec. 1938.. 2075 147/11

23 Aug. 1939.. 18% 37% 23 Aug. 1939.. 2110 148,64
1) In pence p. oz. stand.
2)
Foreign silver in $e. p. oz. fine,
3)
In guldens
per Kg. 100011000. 4) In sh. p. oz. fine.

946

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

20 December 1939

NEDERLANDSCHE BANK.
Verkorte Balans op 18 December 1939.

Activa.
Binnen!.Wis-fllfdbk.
f
57.969.375,19
sels, Prom.,. Bijbnk.
,,

817.740,44
enz.indisc.Ag.sch.

2.066.460,47
f

60.853.576,10
Papier o. h. Buiten!.
f

1.575.000,-
Af: Verkochtmaar voor
debk.nognietafge!.

,,

1.575.000,-
Beleeningen IHfdbk
f
174.813.969,781)
mcl. vrsch. Bijbnk.

6.704.995,69
inrek.crt.fAgsch.
,,
40.509.485,50
op onderp.J

f
222.028.450,97

Op Effecten enz.
..
f
217.615.119,022)
OpGoederenenCeel.
,,
4.413.331,95 222.028.450,972)
Voorschotten a. h. Rijk …………..
Goud ……
f
105.497.605,-
Isluntmat., Goud..
,,
908.060.177,47

f
1.013.557.782,47
Munt, Zilver, enz.

12.194.176,40
Muntmat., Zilver.
.

1.025.751.958,87
Belegging an kapitaal, reserves en pen-

sioenfonds ……………………
,,

43.855.516,40

Gebouwen en Meub. der Bank ……..
,,

4.580.000,-

Diverse rekeningen ………………
,,

27.498.960,33

Staat d.Neder!. (Wet v.27/5/’32, S.No.221)
,,

7.629.955,16

Passiva.

f

1.408.773.417,83

Kapitaal ………………. ..
…….
f

20.000.000,-

Reservefonds
……………
………
,,

4.277.243,54

Bijzondere reserve ……………….
,,

7.756.940,37

Pensioenfonds ………………….
,,

11.978.243,37
Bankbiljetten in omloop …………..
,,
1.134.857.040,-

Bankassignatiën in omloop ……….
,,

26.089,53
Rek.-Cour. Het Rijk
f

saldo’s:

Anderen
,,
224.729.412,72
,,

224.729.412,72
Diverse rekeningen ………………
,,
5.148.448,30

f
1.408.773.417,83

Beschikbaar metaalsaldo …………
f
481:910.039,82
Minder bedrag aan bankbiljetten in om-
loop dan waartoe de Bank gerechtigd is
,,
1.204.775.100,_
Schatkistpapier, rechtstreeks bij de Bank

ondergebracht ………………..
,,

51.000.000,-
1)
Waarvan aan Nederlandsch-lndië
(Wet van
15
Maart 1933, Staatsbiad No. 99)………..
f
60.612.475,-

Voornaamste postenin duizenden
guldens.

Goud
1
Andere
1
Beschikb.
1
Dek-
Data
1
Circulatie
Iopeischb.I
Metaal-
1
kings
Munt

Muntmat.i
Ischuldenl
saldo
lperc.

18 Dec. ‘3911054981
908.060
1
1.134.8571224,755
481.9101
75
11

‘39105498

913.097
1.141.915

20

1
491.936
77

21Aug.’39
10595811.023.46711.011.5821401.626
1
590.049j
79.9
1

Totaal
Schatkist-
Belee-
1

Papier
Diverse
Data
1

bedrag

1
_
promessen
I
ningen

op het

1
reke-
Idiscontos(rechtstreeks
_buiten!.
_ningen
1
)

18 Dec. 1939
1.

60 854
1
51.000
1
222028
1

1.575
27.499
11

,,

1939
48.222
38.000
1
217.684
1

1.575

1

28.833

21 Aug. 1939
21.297

1
214.812
1.575
11.581
1)
Unaer 0e activa.

KOERSEN TE LONDEN.

Plaatsen en
Landen
Noteerings-
eenheden
25Nov.
1939
2Dec.
1939
4,9
Dec.
1939
LaagstelHoogste
9Dec.
1939

Alexandrië..
Piast.
p. z
e
97M
97X
97PA
97
97
Athene

….
Dr.
p..
535
535
535 535
535
Bangkok….
Sh.p.tical

22.18 22.18 22.18
22.18
Budapest

..
Pen. p. £
21.75
21.75
21.75 21.75 21.75
BuenosAiresi
p. peso p.y,
17.25
17.25
17.-
17.65
17.40
Calcutta….
Sh. p. rup.
– – –

Hongkong
..
Sh. p.
$
1/3 1/3
1/23.
I/3X
1
1
3

Istanbul
….
Piast. p. X
505
510 510 510
510
Sh. p.
yen
1
1
2 1/234
12%

1
/2
1/23
Lissabon….
Escu.p.
108 108
10734 10834
108
Montevideo
.
d.perC
23 2234 21 2334
21%

Kobe

…….

Montreal

..
$
per £
4.45 4.45
4.43 4.47
4.45
Rio d. Janeiro
d. per Mi!.
3y
,6

37/
/82
37/

Shanghai

..
d. p.
$
43J
434
4
4j4
434
Singapore
..
Sh. p.
$
214%
2;4
2/4%
2/5%
214%
1
7
alparaiso
5
).
$per Y,
110
110 110
110
110
Warschau
..
Zi. p. £
I

– –
– –

‘lullic. not. 13 laten, gem. not.,welke Imp. neooen ee oeraien iorov.
iiiio
17.13.
2
)90
dg. Vanaf
13 Dec. 1937 laatste ,,export’ noteering.

OPEN MARKT.

1939

16

11/16

49

27 Nov.!
Dec.

Dec.

Dec.

2 Dec.

1938

12/17
Dec.
~ID

937
3(18
ec.

1939

14119
Aug.

4msterdam
Partic. disc.
2
1
!8 1/
4

21/
4
21/01
4

21/8_318
31
11
4

1
/2
Prolong.
2/4
2/4
2
3
/4
21)2.314
1
12
1
12
3
14
Conden
Daggeld.
. .
31
4
_
11/4 2)
3(4.11(4
4)
3/
4
_
111
4

31
4
_
1114
1
121
1
12-1
1273
1
I4
Partic.dlsc.
1
3
/l6.
1
(4
2
)
I
3
/16
1
(4
4
)
1
3
/16.
1
/4
1
5
132
-7
132
I
5
1161
/16

/16
1
3(16_3
7
/5
Berlijn
Daggeld…

2
1
14

3
/4
5)

21/s-1(2
6)
21j8_314
2
7
/5-3
1
4
2
7
18-3
1
18
21(
4
5(4
Maandçeld
2-1/2
3)
2-‘I2
5)
21/41/
5
6)
21(
4
_il
i

2′(4-3
214-
7
1
5
2
3
1a-
5
I
8

Part, disc.

25,8
3
)

25j

5)

25/s

6)
25(
2
7
8
2
7
1
8

23/4
Warenw…
4..1/3)
4/2
5)
4.Jj
5

6)
4
112
4_
1
/2
4-
1
/2
4_
1
i2
t’Jew York
Daggeid
1)
1
1
1
1
1
1
1
Partic.disc.
1/
ij
1/
i/
1
12
11
1(
) Koers van
1
Dec. en oaaraan voorargaanoe welren om. Vrijaag.
2)
9 Dec.
2)
15 Dec.
4)
419 Dec. 5)11(15 Dec.
6)
4/8 Dec.
BANK VAN ENGELAND.

1
Bankbilj.
1
Bankbilf.
1.
OtherSecurit les

Disc.and lSecunit
les
Data
Metaal
1

in
un
Banking)
1
circulatie
1
Depart,n.
Advances
13 Dec.1939
1.286
1
545.120
1

35.099
5.379

1
24.427
6

,,

1939
1.349

1
247.263
1
533.876
1

46.343 5.400
1
23.362

23Aug.1939
1
508.064
_38.353
5.711
24.334

1

Gov.
Public
Of/ierDeposits
Dk-
I
_
Bankers
1_
Other
Data
Sec.
Depos.
I
_Reservel
kings
Accounts
1
perc.
1)

13 Dec.’39
128.106
1

45.804
87.739
1
40.657
t 36.1661
20,7
6

’39
1114.886
47.141
l

86.288
1

39.824
47.473j 27,9

23 Aug.’39
99.666
1

22.371

1

92.132

1
36.229
39.l99J
26,0
•, vernuuuing tusscnen reeserve en Deposils.

BANK VAN FRANKRIJK.

I
g
oed
Wis-
Waarv.
I
Beee-
os

Data
Goud
Zilver
in he
sels

__
op het
.
nin
g
en
I
Rent
e
lo

_
voorschot
buiten!.
buitenl.I
a.
d.Staat

7 Dec.’39197.266
1.3941

46
68
4.016 30.473

3ONov.’39197.266
1394
53
~12
.
8411

11998
67
4.036
1
30.473

l7Aug.’39J97.266
1
6631
14
9.617705
3.825
30.577

fons v.
d.
Diver-
t
Rekg.Courant
Data
zelfst.

I

sen’) Circulatie
_
1
Staat
1 Zelfst.
1

Parli-
amort. k.
Iamort.k.I
culieren
7 Dec.’39
5.455 3.837
1

149.456
1

129
t

1.921
111.619
30Nov.’39
5.466 5.249
1

149.370
1

1041
1.849
112.392

17Aug.’39
5.466
3.051
J

123.135

1

3.0131
2.104
1
20.538
1)
Sluitpost
activa.
NATIONALE BANK VAN BELGIË
(in
BelRa’s).

Data

Goud
c
12

.

Rekg. Crf.

1939
ONO
.
-.
2.
0
L

T 13.59
31
45
653
93
7
TI
142
290
568l
8

1
7
7/12.
13.5901
39
1

664j
913
191
142
1
293
1

5.568j
1
171

FEDERAL RESERVE BANKS.

Goudvoorraad

Wissels

Data

Totoal
I
Goud

,,Other

in her-
1
!n de

bedrag

certifi-

cash”
2)

disc. v. d.
1

open
cafen
1)

member
1
markt
banks
1
gekocht

15 Nov.’391 14.876,9 14.866,7

353,7

6,5
1


8
,,
‘3914.867,3 14.858,2

323,9

6,5

Belegd

FI

1

Goud-
1
Algem.
Totaal
Data

in
U.
S.
1
Notes
1
Depo- Gestort

I

Dek-
1
Dek-
Gov.Sec.
1
in
circu-I sito’s lKaPitaal kings-
t kings-

lat ie
1

1

perc.
3)
1
perc. 4)

15Nov.’391 2.649,3
1
4.805,3
12.923,31
135,6
1 85,9
1


8
,,
‘°
1
2.686,8
1
4.817,1
1
12.875,4
1
135,6
1
85,9


Deze certificaten werden door de Schatkist aan de Reserve Banken
gegeven voor de overname van het goud, toen de $ op 31Jan.’34 van
100
op 59.06 cents werd
gedevalueerd.
Other Cash” does not
include
Federal
Reserve Notes or a Bank’s own Federal Reserve
bank
notes.
Verhouding totalen goudvoorraad tegenover opeischbare schul-
den: F. R. Notes en netto deposito.
4)
Verhouding tot voorraad muntmateriaal en wettig betaalmiddel teen.over idem.
PARTICULIERE BANKEN AANGESLOTEN BIJ HET
FED. RES. STELSEL.

Dis-
I

IReservel
Totaal ) Waarvan
Data

1
Aantal
1
conto’s

Beleg
1
bij
de
1
ieening.

engingen

F. R.
1
depo-
1
time
sifo’s
1
deposits
beleen.

1
banks
1

8Nov.’39’

1
1
8.521 114.314
1
9.852
1
33,118
1
5.250
1

391

1
8.521
14
.
207
1
9.885
1
33.023

5.249
Do posten van Do Ned. Bank

de Javasche Bank en de Bank of
England zijn
In
duIzenden, allo overige posten
in
millioenen van
de betreffende valuta.

Auteur