Ga direct naar de content

Jrg. 24, editie 1210

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 8 1939

$ MAART 1989

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN.

Ec

onomisch,,Statisti
4
‘sche

Berl”chten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN EN VERKEER

UITGAVE VAN HEÏ NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSÏITUUT

24E
JAARGANG

WOENSDAG 8 MAART 1939

No. 1210

COMMISSIE V5N RE)ACTJE:

1

(IVT.fl-

P. Lieftinck; N. J. Polak; J. Tinbergen; F. de Vries en

H. M. H. A. van der Valk (Redacteur-Secretaris).

M. F. J. Cool – Adjunct-secretaris.

Redactie-adres: Pieter de !Iloochweg 122, Rotterdam-West.

Aangeteekende stukken: Bijkuntoor Ruigeplaatweg.

Telefoon Nr. 35000. Postreke’nirg 8408.

Advertenties voorpagina f 0,50 per regel. Andere pagi-

na’s f 0,40 per regel. Plaatsing bij abonnement volgens

tarief. Administratie van abonnementen en advertenties.

Nijgh d van Ditmar N.V., Uitgevers, Rotterdam, Am-

sterdam, ‘s-Gravenhage. Postchè qua- en giro-rekening

No. 145192.

Ahonnementsprjs voor het weekblad franco p. p. in

Nederland f 16,—. Abonnementsprijs Economisch-St atis-

tisch Maandbericht f 5,— per jaar. Beide organen samen

f 20,— per jaar. Buitenland en Koloniën resp. f 18,—.

f 6,—. en f 23,— per jaar. Losse nummers 50 cent. Dona-

teurs en leden van het Nederlandsch Economisch Instituut

ontvangen het weekblad en het Maandberict gratis en

genieten een reductie op de verdere publicaties.

INHOUÖ:

Blz.
Naar verlaging van de lasten op liet motorwegverkeer?

door
A. Parent …………………………….186

De financieele en economische toestand in Belgiü door

Prof. Dr. Ü. Eyskens ……………………….188

Handel door onderhandelingen door
H. W. Lambers. 191

De bonen in het bouwbedrijf door
J. W. van Achter-

bergh……………………………………192

Het vraagstuk van de industrie.financiering in bank-

wetgeving en practijk door
Dr. H. M. H. A. van der Volk 196

Het restrictie.percentage voor
1939/1940
voor de thee

door Mr. F. W.
A.
de Kock van Leeuwen ……….
198

INGEZONDEN STUKKEN:

Kunstmatige werkverscliaffing en rentabiliteit door

Meyer de Vrias
en
Ir. V. J. P. de Blocq van

Kuffeler
met Naschrift van
Mr. Dr. A. van

Doorninck
………………………………
199

?,IAANDOIJFERS:
Indexcijfers van Nederlandsche aandeeben ……..
201

Emissies in Februari
1939 ………………….202

ONTVANGEN BOEKEN
………………………….
202

Statistieken:
Verkorte opgave der Groothandeisprijzen ……………….
203
Geldkoersen-Wlsselkoersen-Banksiaten ……………….
204,205

lii cle verslagweek is de onrust om dec Gulden be-
langrijk verminderd. De koers voor den Dollar van
1.88%, die verleden week Maandag door het Egalisa-
tiefonds werd gefixeerd voor de. mnterventie-afgifte,
is het maxinluin gebleven. Op dien dag werd voor een
acer omvangrijk bedrag Dollars aan de markt afgege-
ven, en toen men uit het handhaven van den koers
den indruk kreeg, dat voorloopig althans de daling
van den Gulden was tot staan gekomen, verminderde
ook al heel spoedig de verkoopsdrang. Immers de
geleidelijke varhooging yen den .afgifteprijs voor Dol-lars, die in de vorige wek-en plaats vond, veroorzaakte
toen een vicieuzen cirkel: Guldeusaanhod – lager
koers, en daardoor weer Gulden saanbod en weer lager
koers. Het vasthouden aan de limiet van 1.88%, dus
op een depreciatiepercentage van 21
4,
deed .d’adelijk
het aanbod van Guldens verminderen. Inmiddels kwa-
men af en toe lagere noteeriugen tot stand, maar later
en ook in het begin van de nieuwe week werd als
regel toch op 1.88% gehandeld. Vaak kon echter d
markt het zonder interve.titie van het Egalisatiefonds
stel] en.

Het feit, dat men blijkbaar den Gulden ,,pegde” op
den Dollar, heeft hij velen weer de ‘vraag doen rijzen,
of de politiek van het Egalisatiefonds nu wel gericht
was op een aanpassing van den Gulden aan het Pond.
Natuurlijk- hoeft het ,,peggen” op den Dollar daar-
mee niet in strijd te zijn. Een aanpassing van ons
depreciatieercentage aan de gedaalde Pondennotee-
ring involveert niet, dat men ook technisch zich op
een bepaalden Pondenkoers moet inschieten. Ratio en
techniek kunnen van elkaar gescheiden gehouden
worden.

Ponden hebben in de verslagweek niet veel wijzi-
ging ondergaan. Tijdelijk is wei. ‘de Dollar te Londen
flauw geweest in verband met den invloed op de Lo.n-
denscho markt van de Dollarafgiften uit Brussel en
Amsterdam, maar spoedig trad een herstel in. OoIc
Fransche Francs zijn niet veel veranderd. Anders is
dat met ide Belga. Deze valuta stond door het aan-
houden van de 1

tegeeringscris.is voortdurend onder
druk. In het begin van de nieuwe week steeg liet drie-
maa.ndsdisagio tot een hoogterecord van 100 cts. On-der de andere valuta’s was weinig verandering, slechts
is vermeldenswaard, dat verschillende soorten geblok-
keerde Marken zeer vast gestemd waren.
De geldmarkt vertoont geen wijzigingen, de beleg-gingsmarkt geeft evenmin veel stof tot opmerkingen.
Na een jarenlang geschil tussehen de Vereeniging
voor den Effectenhandel en de Ca.nivdeesche Regeerin.g
over de confiscatie van ,,alien property” is eindelijk
dit beletsel tgen het opnemen van Canadeesche fond-
sen in de Prijscouraut weggenomen. De 4 pOt. leening
Montreal, waarvan binnenkort de uitgifte te. wachten
is, zal dus als één der eerstelingen van, deze nieuwe
mogelijkheid gebruik kunnen maken.

186

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8 Maart 1939

NAAR VERLAGING VAN DE LASTEN OP

HET MOTORWEGVERKEER?

Inleiclin.g.
Onlangs verscheen het lang verbeide verslag van
de subcommissie voor de kosten van den weg van de Centrale Commissie van Advies en Bijstand voor het Verkeersfonds. Met dit verslag is een belangrijk stuk
werk geleverd en is een vraagstuk, waarover groote
meeningsverschillen bestonden, op objectieve wijze
tot een oplossing gebracht. De taak, waarvoor •de subcommissie gesteld werd,
volgde uit een verzoek van den Minister van Water-
staat aan bovengenoemde Centrale Commissie, om hem advies uit te brengen over het vraagstuk, of de
huidige heffingen op het rnotorwegverkee.r de kosten
van den weg goedmaken. Rond deze vraag was een
breede discussie ontstaan, welke om. in de organen
der verschillende verkeersorganisaties, de dagbladpers
en het Parlement gevoerd werd. Daarbij bestond ver-
schil van meening over de bij de berekening te volgen
methode, terwijl het ontbreken van een goede wegen-
statistiek in Neder]and tot gevolg had, dat dc ge-
maakte berekeningen zich binnen zeet’ ruime grenzen
bewogen. Het bleek zoodoende onmogelijk, om tbt
een door alle partijen aanvaarde oplossing te komen.
De werkzaamheden van de subcommissie hadden
om. tot gevolg, dat geheel nieuw materiaal verzameld
kon worden hij de provinciën en verschillende ge-
meenten, waardoor een verruiming van het inzicht in
deze materie verkregen werd.
De subcommissie heeft, daar het niet mogelijk
bleek betrouwbare jaarlijksche gegevens te verzame-
len, haar onderzoek verdeeld over twee perioden, nl.
van 1920 tot en met 1935 en van 1936 tot en met
1951 (het jaar, waarin het Rijkswegenplan 1936 vol-
tooid zal moeten zijn). Zij komt daarbij tot de volgen-
de resultaten:

In m11ioenen Guldens
1920
t/in
1935 1936
t/rn
1951 Tezamen
Bijzondere uitgaven van de
Overheid ten behoeve
van het motorvegverkeer
285

495

780
Bijzondere ontvangsten van
de Overheid uit het mo-
torvegverkeer ………
316

564

880

In beide perioden was er dus een netto-overschot
voor de Overheid. Bovendien is hij de schatting voor
de periode 1936-1951 zeer voorzichtig te werk ge-
gaan. Zoo werd daarbij hijv. aangenomen, dat de jaar-
iijksche opbrengst der motorrijtuigenbelasting gedu-
rende deze geheele periode gelijk bleef aan die van het jaar 1935, terwijl de berekeningen verder geba-
seerd zijn op de veronderstelling, dat in 1952 het ge-
heele net van Rijkswegen afgeschreven zal zijn.
In het Besluit van het verslag wordt er op gewe-
zen, dat de veronderstellingen, waarvan uitgegaan is
hij cle berekening voor de periode 1936-1951, in
1936 en 1937 reeds door de feiten achterhaald zijn;
stelt men een berekening voor de jaren 1938-1951
op, rekening houdend met de werkelijke opbrengsten,
dan blijkt, dat na 1 Januari 1938 nog slechts rond
38 pCt. van de tegenwoordige bijzondere opbrengst
noodig is, om evenwicht te maken tusschen kosten
en opbrengsten. Een verdere daling van dit cijfer in
de toekomst is geenszins uitgesloten.
Is
de conclusie van het ra.pport overtuigendV
De eerste vraag, die rijst naar aanleiding van deze
zeer stellige conclusie, is de vraag, in hoeverre de
resultaten van dit onderzoek algemeen aanvaard kun-
nen worden. Is het mogelijk, dusdanig met de sub-
commissie van meening te verschillen over de metho-
de van berekening of de berekeningen zelf, dat men
tot een conclusie komt, welke tegengesteld is aan de
bovengenoemde? Wij stellen deze vraag, omdat het van groote beteekenis zou zijn voor de verdere ont-wikkeling op vervoersgebied hier te lande, wanneer de conclusies van de suhcommissies algemeen aan-
vaard werden. Samenwerking tusschen de verschil-
lende takken van vervoer is noodzakelijk, in het bij-
zonder als men tot een vruchtbare coördinatiepolitiek wil komen en daarvoor is een juist inzicht in de posi-
tie van de verschillende takken van vervoer vereischt.
De methode, welke door de subcommissie gevolgd
werd bij haar onderzoek, bestaat daarin, dat voor beide

perioden een z.g. .,conto finto” wordt samengesteld,
waarop eenerzijds de verschillende bijzondere opbreng-
sten voor de Overheid uit het motorwegverkeer en
anderzijds do bijzondere kosten van dit verkeer voor
de Overheid gebracht worden. Daarbij is als uitgangs-
punt genomen, dat de Overheid een bijzondere taak
heeft ten aanzien van den aanleg en de verbetering
van wegen, welke daarin bestaat, dat zij de voor het
motorwegverkeer benoodigde uitrusting ter beschik-
king stelt, in tegenstelling tot hetgeen als regel ten
behoeve van andere vormen van bedrijf en ontspan-

ning wordt gedaan. De uit die taak voortvloeiende
kosten worden eis bijzondere kosten beschouwd.
Daarentegen gelden als bijzondere opbrengsten dat
deel van de op het motorwegverkeer drukkende hef-
fingen, hetwelk uitgaat boven hetgeen in het alge-
meen in soortgelijke omstandigheden wordt geheven van andere vormen van bedrijf en ontspanning. Hier

onder vallen in de eerste plaats de opbrengsten der
z.g. hesteinmingsheffingen, doch ook – daar de aan-
wijzing tot bestemmingsheffing min of meer willekeu-
rig en formeel is – een deel van de opbrengst der
overige heffingen (invoerrechten, personeele belas-
ting, enz.) dat als ,,bijzonder” gekenmerkt moet
worden.

De commissie kwam bij de berekening van de bij-
zondere opbrengsten voor groote moeilijkheden te

staan. Welk deel der totale opbrengst van de perso-neele belasting op motorrijtuigen en van de invoer-
rechten •op motorrijtuigen en onderdeelen daarvan
benevens op benzine en olie, moest als bijzonder ge-kenmerkt worden? Deze vraag is des te moeilijker te beantwoorden, wanneer goede vergelijkingsobjecten
ontbreken. Zoo zal bijv. de berekening van het bijzon

der aandeel van de personeele belasting, wellicht cri-
tiek kunnen ondervinden.

Nu domineeren in de door de subcommissie bere-
kende opbrengsten voor beide perioden duidelijk twee
posten, n1. de opbrengsten der motorrijtuigenbelas-
ting en van het bijzonder invoerrecht op benzine.
Tegen het als ,,bijzondere opbrengst” kenmerken van
de opbrengst van deze beide heffingen kan o.i. wei-
nig bezwaar gemaakt worden.

Nemen wij nu aan, dat men alleen deze opbreng-
sten als bijzondere opbrengsten opneemt – en dus
den stri.id over hot al of niet bijzonder karakter van
andere heffingen uitschakelt, door die heffingen bui-
ten beschouwing te laten – dan krijgt men voor de
beide perioden, op basis van de berekeningen der sub-

commissie, een tekort van circa 80 millioen Gulden,
dus van totaal 160 .millioen Gulden. Daar staat tegen-
over, dat cle subcommissie geen rekening hield met het

feit, dat het bijzonder invoerrecht na Januari 1939
opnieuw voor 5 jaar verlengd zou worden, hetgeen
op basis van de tegenwoordige opbrengst van dit
recht van 30 â 35 millioen Gulden, een extra op-
brengst van ca. 160 millioen Gulden inhoudt.
In dit geval zouden kosten en opbrengsten elkaar
dus juist dekken. Doch ook hier zou een overschot
ontstaan, indien na 1943 het bijzonder invoerrech
opnieuw gecontinueerd werd.
Ook omtrent de berekening van het aandeel van
het motorwegverkeer in de totale
bijzondere
kosten
van het wegverkeer is verschil van meening niet uit-
gesloten. De subcommissie berekent nl. eerst de bij-
zondere kosten van het totale wegverkeer en gaat dan
na, welke voor de verschillende soorten wegen de aan-
deden van het motorwegverkeer, het rijwielverkeer
en het zgn. plaatselijk gebruik in deze kosten zijn.
Hoewel het ons voorkomt, dat de subcommissie ook

8 Maart 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

187

hier zeer voorzichtig te werk is gegaan en liet aan-
deel van liet motorwegverkeer zeker niet onderschat
heeft, moet erkend worden, dat het hier tenslotte
scha.tt.i ogen betreft, waarover men van meening kan
verschillen. Het gaat hier bovendieoi om belangrijke
bedragen, weiket- orde van grootte, vergeleken met de
berekende overschotten, van heteekenis is. liet aan-

deel van het rijwielverkeer en het plaatselijk gebruik
in de bijzondere kosten van het totale wegverkeer,
meent de subcommissie voor cie heide perioden
01)
resp.
148 en 164 niillioeri te moeten schatten; ter vergeiij

king chiene, dat de door haar berekende overschotten

voor diezelfde perioden resp. 31. en 69 millioen Gul-
den bedragen. Het is duidelijk, dat iemand, die dit

eerste aandeel belangrijk lager meent te inoete’n schat-
ten, en dus het aandeel van liet motorwegverkeer
hooger, tot kleinere overschotten zal komen. T-let is zelfs denkbaar, dat hij voor de eerste periode tot een
klein tekort komt. Toch zal zijn u:iteindelijke con-
clusie niet belangrijk van die van de subcommissie
kunnen afwijken.
Boven werd bereids vermeld, dat in het besluit

van het verslag er op gewezen is, dat de veronderstel-
lingen van de subcommissie betreffende de
bijzon-

dere opbrengsten reeds door de f ei ten achterhaald
zijn. In de berekeningen werd nl. aangenomen, dat
het bijzonder invoerrecht op benzine en de omzetbe-lasting met inganig van 1 Ja.nuari 1939 zouden. ver-
vallen. Dit is niet gebeurd, de heffing van liet bij-
zonder invoerrecht zal voor 5 jaar verlengd worden. De jaarlijksche bijzondere opbrengst bedraagt dien-
tengevolge niet gemiddeld es. 35.2 millioen, zooals berekend werd, maar ruim 60 millioen Gulden voor
de jaren 1939 tot en met 1943. Neemt men dit feit
in aanmerking, dan zal de totale opbrengst voor de
periode 1.936-1951 circa 730 millioen Gulden bedra-
gen, terwijl de subcommissie de bijzondere kosten
OP
495 millioen Gulden raamde.
Neemt men mi het denkbaar ongunstigste geval,
id. dat het motorwegverkeer belast wordt met de bij-zondere kosten van het totale wegverkeer, dan levert
cle periode 1920-1935 een tekort van ruim 100 mcl-
lioen Gulden op, terwijl 1936-1951 juist een overschot
van 100 millioen Gulden te zien gee:f t, waarbij voor
de jaren 1939-1943 ook de opbrengst van het bijzon-
der invoerrecht op benzine in aanmerking is genomen.
Erkend dient te worden, dat de combinatie van de voor het motorwegverkeer meest ongun.stige ‘eron-
derstelhingen – ni. eenerzijds de veronderstelling, dat
tot de bijzondere opbrengsten alleen de opbrengst van
cle motorrijtuigenbelasting en van het bij’zoncler invoer-

recht gerekend worden en anderzijds, dat de totale
bijzondere kosten van het wegverkeer voor rekening
komen van het motorwegverkeer – tot cle conclusie
zou leiden, dat het motorwegverkeer een, aanzienlijk
tekort op zou leveren. Doch de daarbij gemaakte ver-
onderstellingen geven theoretische maxima aan; be-
twijfeld moet worden of zè zelfs door de incest ongun-
stige schatting benaderd zullen worden. liet is im-
mers ondenkbaar, dat iemand bij;v. de kosten van door-
braken, bruggen en moderniseering der
in de groote steden geheel voor rekening van het mo-
torwegverkeer zou willen brengen.

Bovendien i.s bij onze berekeningen aangenomen,
dat het bijzonder invoerr.echt op benzine na 1943 niet
gecontinueerd zal worden, hetgeen een verlaging van
cle lasten met 30 h 35 millioen Gulden per jaar met
ingang van 1944 als veronderstelling impliceert.

ifoet de rente in aan1nerlciflcj genomen worden?

In de tweede plaats zou bezwaar gemaakt kunnen
worden tegen het feit, dat de subcommissie in de be-
handeling van een materie, die ruim 30 jaren bestrijkt,
de rente geheel buiten beschouwing laat. Is dit niet geheel in strijd met verschillende feiten, zooals het
opnemen, van belangrijke leeniugen door de provin-

ciën voor den wegenaanleg of het brengen van uitga–
ven. voor den aanleg van wegen
OP
dcii kapitaalclienst
van het verkeersfonds? Op dit eerste feit wijst Mr.
Dr. van Doorni:nck in een aan liet versla.g toegevoeg-
de nota en hij voegt er aan toe, dat de Minister van
Taterstaat
in. de M. v. T. op de begrootng van het
Verkeersfoiids voor 1938 mededeelt, dat de schuld
van het Wegenfonds terzake van den aanleg van
Rijkswegen in 1952 niet
f
1.30
a
f
1.40 millio.en geste-
gen zal zijn. Wanneer de subcommissie geen reke-
ning houdt met de rente, ziet zij, naar zijn meening,
de werkelijkheid over het hoofd, een gevolg van den
theoretischen opzet van het ,,conto finto”.

Het komt ons echter voor, dat de subcommissie,
wilde zij liet vraagstuk zuiver zien, abstraheeren
moest van de miii of meer willekeurige verdeelitng en
boeking van, de kosten’ •en opbrengsten. Overigens is
de gedlachte van het conto finto niet zoo theoretisch
als zij schijnt; men ican zich aldus geconcretiseerd
denken, dat een afzonderlijke onderneming – ,,Maat-
schappij tot bouw en exploitatie van wegen” – met
cle zorg voor liet wegennet belast was. Deze onderne-
ming zou over heide perioden een behoorlijk overschot

geboekt hebben volgens de berekeningen van de sub-commissie. Zij’ zou de schuld, (lie aanvankelijk nt is-schierc ontstaan was ‘) u.i.t cle op den duur ve’rschij-
tiende overschotten, hebben afgelost en daarna de ac-
cum uleerende o verscliotten hebben kunnen beleggen,
bijv. in Staatsobligaties. Dus, voor zoover de rente
van heteekenis is in deze, kan, zij slechts cle opbrengst
‘en niet dle kosten verhoögen; gelijk het versia.g na-

clrukkelijk constateert.

Wanneer nu in werkelijkheid tengevolge van
liet feit, dat de Overheid belangrijke deden, der bij-
zondere opbr’e ngst voor algemeene doeleinden aan-
wendt, uitgaven voor den ‘aanleg van w’egen ‘op den
kapitaaldienst moeten worden gebracht, kan de daar-
uit voortvloeiende rentelast moeilijk aan het motor-
wegverkeer in rekening gebracht worden. Want, in(lien
dit ver’keer in liet geheel niet bestond, zou, ceter’is pan-
bus, er toch een, thans uit een deel der bijzondere op-
‘hrengst van liet niotorwegverkeer gedekt, tekort op
den gewronen dienst overblijven.

Evenmin is het in de gedachte van liet conto finto
juist om dit conto te belasten met de rente, welke
ontstaat uit liet feit, dat de lagere Overheidsorganen
wel belangrijke uitgaven moeten doen voor dit ver-
keer, doch slechts geringe baten ‘daarvan trekken
2).

T
aiit
daartegenover staat dan, dat de Staat belang-
rijke overschotten uit dit verkeer verkrijgt.

Practisc/ce gevoigtrekkingei’c.

De conclusie, welke uit dit rapport volgt, kan, dus
niet anders zijn, dan dat het motorwegverkeer voor de
Overheid een niet onbelangrijke hate oplevert, of, in
liet ongunstigste geval over eenige jaren, hij’ besten-
cliging van, het huidige niveau der heffingen, op zal
gaan. leveren.
Dit beteekent in de eerste plaats, dat een verdere
verhoogiug van de lasten op het motorweg-verkeer
met als motief de door dit verkeer veroorzaakte bij

zondere kosten, uitgesloten is. Doch moet verder aan
deze conclusie niet cle wensche’lij’kheid en gerechtvaar-

t)
Uit cle cijfers van cle
subeoTuntissie
blijkt, dat onge-
veer ce thefft van cle bij’zonclei’e’ opbrengst over cle’ periode
1920-19’35
uit de laatste
3
jaren afkonistig tis. Mcii mag
echter aiwiue.n,en, dat de uitgaven ivoor den aanleg en
‘eribetering van wegen g’elijkn’iati.ger verdeeld ‘zijn geweest
over de periode. Zie bij’s’. het artikel De inresteeringen
in de wegen” in liet :lfcononti’sch-statistiseh Maandberiht
van Noveiniber 1938.
2)
Deze conolusie blijft zelfs geldig, wanneer men cle
uiitkeeringen uit het Verkeers- (vootiheen Wogen-) fonds
‘aan de ‘provinciën in de berekening opneemt. Een hei’zie-
n’iiiig van de fiiancieele verhouding itus
.schen Rijk en lagere orgainen op het gebied van de zorg voor ‘de wegen, schijnt
iii het liCht van de in het ‘verslag gepubliceerde’ cijfers wel
noodzakelijk.

188

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8 Maart 1939

digdheid van een zekere verlaging van diezelfde las-
ten verbonden urorden?

Uit de conclusie van de subcommissie mag men
niet zonder meer besluiten tot de noodzakelijkheid
van lastenverlaging, omdat het steeds mogelijk is, dat
de Overheid, uitgaande van het draagkrachtbegiusel,
dit verkeer speciaal belast. De subcommissie merkt
ter zake zelf op, dat ,,vooral in tijden van financieelen

nood, de Overheid zich verplicht kan zien oneven-redig hoogere heffingen te gelasten vai al wat naar
haar oordeel nog draagkracht heeft, en de opbrengst
daarvan voor algemeene doeleinden te bestemmen”.
Doch het rapport van de subcommissie plaatst den
Staat voor een geheel nieuwe situatie. Biji de succes-
sievelijke invoering van de verschillende lasten, op het motorwegverkeer kon zij uitgaan van de opvat-
ting, dat de opbrengsten uit het motorwegverkeer de
kosten van den weg niet of nauweljkt dekten, doch
nu blijkt echter, dat het motorwegverkeer tot een
object van een heffing naar draagkracht is ge-
worden. Hierbij zal eerst nagegaan moeten worden,
of die draagkracht werkelijk aanwezig is, daar het
bijv. zeer wel denkbaar is, dat een deel van, het mo-
torwegverkeer in feite verliesgevend is, zonder dat dit blijkt, dank zij het verwaarloozen van bepaalde
kostenelementen (afschrijving). Doch ook wanneer
die draagkracht wel bestaat, zal de Regeering moe-
ten overwegen, of niet de
mogelijkheid
van een zekere
verlaging der lasten op het motorwegverkeer bestaat.
Zulk een verlaging zou waarschijnlijk ook psycholo-
gisch een nuttig effect hebben.. De Staat kan echter
onder de gegeven omstandigheden niet van enkele
tientallen millioenen inkomsten afzien, zoodat, wan-neer de Regeering meent geen andere draagkrachti-
ge(r) objecten te kunnen vinden, de verlaging der las-
ten voorloopig achterwege zal moeten blijven.

In ieder geval zal de bestaande onderlinge verhou-
ding der verschillende heffingen nader onder de
oogen gezien moeten worden, waarbij nagegaan zal
moeten worden of in bepaalde gevallen door een ver-
laagde heffing toch niet een gestegen opbrengst ver-
kregen kan worden.

Tenslotte rijst nog de vraag, welken invloed dit
rapport en de eventueel daaruit voortvloeiende maat-
regelen op de beoogde coördinatie van het vervoer
zullen hebben. Natuurlijk zal bij de practische uit-
voering van de coördinatie, rekening moeten worden
gehouden met het feit, dat het motorwegverkeer een
netto-overschot oplevert.

Doch dit raakt slechts de uitvoering en niet de
principieele noodzakelijkheid van de coördinatie,
welke gegeven is met de huidige situatie op vervoers-
gebied, die gekenmerkt wordt door een teveel aan
vervoerscapaciteit, die weer als gevolg van de kosten-
structuur der vervoersbedrijven leidt tot verliesgeven-
de prijzen. Die noodzakelijkheid zou evenzeer bestaan,
indien het motorwegverkeer geen netto-overschot op-
leverde voor de Overheid. Uit rechtvaardigheidsoog-
punt ware er veel voor te zeggen, om, indien een
belangrijke lastenverlaging mogelijk zou blijken, de
verdere ontwikkeling van het motorwegverkeer eens
af te wachten en eerst na eenige jaren tot coördinatie
over te gaan, doch wij meenen, dat het ongemotiveerd
zou zijn, alleen om deze reden ‘de huidige onbevre-
digende situatie nog langer te ]aten voortduren.
Wij wezen er reeds op, dat bij de uitvoering der coör-
dinatie trouwens met de werkelijke kosten van het
rnotorwegverkeer rekening kan worden gehouden.
Aanneming van de ingediende wetsontwerpen :tot
coördinatie van het personen- en goederenvervoer –
eventueel na wijziging in verband met bezwaren van
formeelen en staatsrechtelij ken aard – blijft daarom
o.i. noodzakelijk.
A. PAR1SNT.

DE FINANCIEELE EN ECONOMISCHE

TOESTAND IN BELGiË.

De financieele en econoffiische moeilijkheden geven
thans in België aanleiding tot een zeer groote span-

ning en zij moeten, in de eerste plaats, de diepgaande
politieke ontredderin.g verklaren, waarvan de gebeur-
tenissen der laatste weken overvloedig getuigen.

Het probleem van het begrootingsevenwicht werd
in feite, sedert meer dan een half jaar, op een acute wijze gesteld. De ondervinding in België opgedaan
met onevenwichtige begrootingen, sedert de iiiflatie-
periode en in den ioop van de voorgaande depressie,
is van dien aard, dat men zeer ernstige reacties mag
verwachten bij het groote publiek, dat er aan gewoon

is geraakt in wankeibare Staatsfinanciën het voor-
teeken te zien van grooter onheil.
De geschiedenis van de depressie-ja.ren 1932-1935
is daar, om aan te toonen, dat deze psychose van
onrust zeer sterk kan inwerken op de kapitaalmarkt,
op de heele credietsituatie en zelfs op het monetair
statuut. Alen moet natuurlijk terdege rekening hou-
‘den met deze psycho]ogische gesteldheid en met de
overgevoeligheid van de openbare opinie, die tot
uiting komt in de pers en in het politieke leven, om
een toestand te beoordeelen, die, nuchter en objectief
beschouwd, met wat goeden wil en energie in orde
kan worden gebracht.

Om eenig inzicht te krijgen in de begrootingscijfers
en in de niet altijd eensluidende verklaringen van de
elkaar snel opvolgende Ministers van Financiën, lijkt
het ons noodig even terug te blikken in het nabije
verleden.

De gewone begrootingen van. 1935 tot 1938.

Als men de gewone begrootingen doorloopt van
1935, jaar de devaluatie, tot 1938, ziet men, dat de
uitgaven gestegen zijn van 9.912 millioen tot 12.271 millioen Fr. Vermits een waar offensief wordt inge-
zet tot het doen inkrimpen der uitgaven, is het voor-
zeker allereerst aangewezen ‘de oorzaken samen te
vatten van de bovenvermelde verhooging met meer dan 2 milliard Fr.

Tengevolge van de prijsstijging sedert de devaluatie
en het feit, dat het bedrag van de wedden en de pen-
sioenen, vallende ten laste van dan Staat, gekoppeld
is aan de bewegingen van het indexcijfer der klein-
handelsprijzen, zijn de uitgaven vermeerderd met 939
millioen Fr. in 1938.
De aanwerving van nieuw administratief personeel
en de uitbreiding van allerhande centrale diensten,
hebben een bijkomende som van 471 millioen Fr. ge-
vergd. De pensioenen zijn verhoogd met 393 millioen
Fr. en, eindelijk, de verbeteringen, aangebracht in de
sociale wetgeving, hebben een stijging van 297 mii-
lioen Fr. met zich gebracht.

Men zal bemerken, dat ongeveer de helft van de
vermeerderde uitgaven van 1938, in vergelijking met
de begrooting van 1935, in verband staat met de be-
weging van het indexcijfer der klemn.handelsprijzen.
Vandaar dan ook, dat alle maatregelen in de econo-
mische politiek, welke een terugslag hebben op het
hinnenlandsch prijsniveau, angstvallig worden ge-
volgd. Niet onder deze uitgaven valt de verhooging
van circa 400 millioen Fr. voor pensioenen, een ver-
hooging, die geen verband houdt met de prijsbewe-
ging, doch veroorzaakt werd door de vermeerdering van rechthebbenden en om. door het grooter gewor-
den aantal oud-strijders, welke dan ouderdom berei-
ken, waarop zij recht krijgen op de speciale vera
goedingen, verbonden aan de zgn. frontstrepen.
Het totaal der financieele lasten voor burgerlijke
en militaire pensioenen, invaliditeits-, overlevings-,
mijnwerkers- en ouderdomspensioenen, beliep, in 1938,
2.742 millioen Fr., zijnde 22 pOt. van het geheel der
Staatsuitgaven. Sedert 1935 is de last der pensioenen
met meer dan 700 millioen Fr. verzwaard, zoodat

8 Maart 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

189

men hiermede komt, te staan voor een dei zwakste en
gevaarlijkste punten, in de Belgische begrootings-
politiek. Niemand schijiit preciës te weten, waar men
met den bestendig stijgenden last der pensioenen zal
belanden. Gezien het aangrpeieh van het aantal oude
meuschen en het vermeerderen van cle categorieën
van rechthebbenden op Staatspensioen, wordt een ge-
leidelijk sterker wordende druk gelegd op het jonge
geslacht en op het productieve deel der bevolking.
De daling der geboorte-coëfficiënten levert, van jaar
tot jaar, een aanduiding aangaande den precairen
grondslag, waarop de Belgische overheidspensioenstel-
sels zijn opgetrokken.
In den loop van 1938 is van dikwijls besproke
besparingen weinig terechtgekômen, zoodat men ten-
slotte genoopt is geworden tot het heffen van nieuwe
belastingen, voor een totaal bedrag van 625 miljoen
Fr., waaronder 475 millioen Fr. voortkomende van
cle z.g. nationale crisisbelasting op de inkomens. On-
danks deze maatregelen, die een groot politiek verzet
hebben uitgelokt, werd aangekondigd, dat het begroo-
tingsjaa.r 1938 met een tekort van 1.085 niillioen Fr.
zal sluiten.

Gewone begrooting van
1939.

In deze atmosfeer kwam de begrooting van 1939
tot stand, die 11.700 millioen Fr. voorziet voor de
ontvangsten en 11.683 voor cle uitgaven. Zij werd begroet als een overwinning, omdat voor de eerste
maal sndert 1935 de stijgende lijn der uitgaven werd
gebroken. Zij werd voorgesteld als staande in het
licht van een ,,politique de pause”, waarbij, ‘naar. het
voorbeeld van Frankrijk, de uitgaven en de sociale vergoedingen zouden worden beperkt, tot het land
weer wat op adem zou zijn gekomen..
Het deficit opgeloopen voor het begrootingsjaar
1938 heeft men gelaten, met de hoop het geleidelijk
in komende jaren te kunneh resorbeeren. Drtstische
maatregelen van besnoeiing werden niet getroffen,
want voor 1939 heeft men slechts op
262
millioen Fr.
gerekend als resultaat van administratieve besp arin-
gen. Anderszins steunde het evenwicht op de hypo-
these, dat een som van 311 millioen Fr. voor werk-
loosheid zou kunnen wegvallen uit de Staatsuitgaven,
door het invoeren van de verplichte verzekering tegen
werkloosheid en het vragen van stort.ingen door on-
dernemers en verzekerden. Deze wetgeving is intus-
schen nog niet tot uitvoering gekomen, maar menU
heeft in afwachting reeds speciale bijdragen van de
werkgevers geëischt, zoodat eën bijkomende ‘last
werd gelegd op het bedrijfsleven. Ook werden voor
100 inillioen Fr. nieuwe belastingen gestemd en som-
mige maatregelen getroffen met . het oog op de rich-
tige heffing, waaruit een lichte vermeerdering van
de ontvangsten werd verwacht.
Doch vanaf het begin van J’anuazi 1939 is het
duidelijk geworden, dat, tengevolge van de inwerking
der depressie, de belastingopbrengsten beneden de
ramingen zullen blijven. Als gevolg van een en ander
heeft de heer Gutt, Minister van Financiën, op 23
Februari in de Kamer moeten verklaren, dat in de he-
grooting van 1939 een deficit is naar voren gekomen,
door de administratie der Schatkist geschat op 400
millioen Fr.
De heer Gutt stelde voor een verlaging vnu 5′ pOt.
toe te passen op wedden en pensioenen met ingang
van 1 April as. Een bijzondere bijdrage zou worden gevraagd aan de elentriciteitsondernemingen, hetzij
iii den vorm van een speciale belasting op de win-
sten, hetzij door een verlaging van de tarieven ten
gunste van dë consumenten. Dit tweede alternatief
kan natuurlijk de Staatsinkomsten niet onmiddellijk
verhoogen, maar in elk geval zou, naar het. plan voor-
gesteld door den Minister van Financiën, het deficit
worden aangevuld door nader te bepalen besnoeiingen
op verscheidene begrootingsposten.
Bij het opmaken der begrooting voor het dienstjaar
1939 werd uitgegaan van de veronderstelling, dat het
mudexctjfer der kleinhandëlsprijzen, tea minste ge-
durende zes maanden, beneden het niveau van 753
punten zou dalen, wat een verlaging van wedden en
pensioenen met 5 pOt. moest mogelijk maken. In Fe-
bruai-i bereikte de index het cijfer 759 eii alles wijst
er op, dat de dalende beweging, ingezet sedert Decem-
ber 1938, verder’ zal gaan, zoodat hierdoor de voor-
ziene inkrimping van uitgaven zou worden verwezen-
lijkt. Het voorstel van den heer Gutt impliceerde
echter een extra-conventioneele a.fhouding van 5 pOt.,
boven de normale afhouding, niet ingang van de
maand April. Dit werd in het Parlement dadeljk
bestempeld als een maatregel van ,,deflatie”, waar-
tegen de socialisten en de christelijke democraten.
verzet hebben aangeteekend en hierdoor werd het lot
van het Kabinet Pierlot, den vijfden dag van zijn
bestaan, reeds bezegeld.

Buitengewone begrooting en werkv ersclzo,ffing.

De buitengewone begrootingen zijn, in verband met de politiek van de werkversohaffing, aanmerkelijk ge-
stegen. In 1935 beliepen de uitgaven 1.561 millioen
Fr. en zij hebben in de drie volgende jaren telkens
2%
milliard Fr. overtroffen. Hiermede werd het
reservefonds, dank zij de herschatting van den goud-
voorraad vnu de Nationale Bank tot stand gekomen.

na
de devaluatie, ongeveer geheel verbruikt. Aanvan-
kelijk bestond het plan deze reserve steeds te vernieu-
ven door leeningen voor productieve werken, maar
dit is, gezien de verslechtering van de kapitaalmarkt,
tengevolge van de ingetreden depressie, de politieke
verwikkelingen sedert de tweede regeering Van Zee-
land en vooral gezien het stijgende wantrouwen, on-
mogelijk gebleken. Ook werd de buitengewone be-
grooting van 1939 gereduceerd tot 1.610 millioen Fr.,
hetgeen dus impliceerde, dat men, noodgedwongen, in
de uitvoering van de openbare werken een rhythme
ging volgen, dat volkomen strijidig is met de begin-

selen van de moderne conjunctuurpolitiek.
Intusschen is echter gebleken, dat allerhande ver-
bintenissen of misreken.ingen bestonden met betrek-king tot reeds ondernomen werken, zoodat een reeks
bijkomende credieten moest worden gevraagd, die
de buitengewone begrooting op dreven tot een hooger
peil dan ooit tevoren. Men mag veilig aannemen,
dat de atmosfeer van gemakkelijke uitgaven,, ge-
creëerd door den Dienst van Economisch Herstel, die
de werkverscha.ffing heeft willen bevorderen, aanlei-
ding heeft gegeven tot veel overdrijving.
De kosten van het Albertkanaal, oorspronkelijk
geraamd op 873 millioen Fr., bereiken thans reeds

2.200
millioen Fr. en men is nog niet aan de vol-

tooiing.
De Noord-Zuid spoorwegverbinding te Brussel,
eerst geschat op 400 millioen Fr., gaat tea minste

1 milliard Fr. vergen.
Nadat aanvankelijk werd bepaald, dat voor’120 mil-
lioen Fr. werken zouden worden ondernomen aan het
kanaal van Nimy naar Antoing, blijkt nu, dat, door
een reeks bijkomende uitgaven, de relcening minstens
500 millioen Fr. zal bedragen en dit voor een water-
weg van secundaire beteekenis!
Hier en daar werden werkelijk ,,spectaculaire” uit-
gaven gedaan voor het optrekken van uiterst luxunuse
schoolgebouwen, maar w?aarbij de ‘aanvankelijk uitge-

trokken sommen eenvoudig met vijf of zes werden
vermenigvuldigd.
Een. ander mooi voorbeeld is ook het Natuurhis-
torisch. Museum te Brussel, voor welks modernisee-
ring eerst 60 millioen Fr. was opgenomen in de
Staatsbegrooting, maar dat in feite is omgewerkt
geworden tot een reusachtig gebouwen-complex, waar-
van de kosten met steeds bijkomende credieten zijn
gestegen tot 200 millioen Fr.

Deze en andere overdrijvingen hebben tot gevolg
gehad, dat een storm van verontwaardiging is opge-

190

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8
Maart
1939

gaan en dat een reactie is ingetreden tegen cle poli-
tiek van arbeidsverschaffing door overheiciswerken,
die wellicht nog gedurende jaren haar invloed zal
doen gelden. Hiermede is dan tenslotte een instru-
ment voor de conjunctuurpolitiek verloren gegaan,
dat, mits voorzichtige en gepaste aanwending, resul-
taten had kunnen afwerpen.
Bij dit alles komt nog dat, na de spanning van de
Septemherdagen, beslist werd voor 600 millioen Fr.
bestellingen te doen voor de versterking van het
luchtafweergeschut. Van dit bedrag moeten, volgens
de defensieplannen, 360 millioen Fr. besteed worden
in 1939.
Als eindresultaat beteekent dit, dat in het loopende
jaar,
2.700
millioen Fr. aullen moeten gevoden. Er
kan nog wat worden gepreleveerd op de Schatkist,
maar in elk geval zal men 2X
,
milliard Fr. moeten
zoeken door leeningen. Men rekent hierbij op de ver-
nieuwing van leeningen op korten termijn, in het
buitenland, voor circa 750 millioen Fr. Voor het
overige zou de binnenlandsche kapitaalmarkt worden
aangesproken.

De kapitaalmarkt.

Hiermede raken wij clan onmiddellijk aan het pro-
bleem van den hinneniandschen economischen toe-
stand.
Elk objectief toeschouwer zal moeten toegeven, dat de economische condities in België niet van dien aard
zijn, dat door een gepastè financieele politiek, het
evenwicht in cle gewone begrooting niet vrij spoedig
hersteld zou kunnen worden. Het is een probleem van nieuwe belastingen of nog liever van besnoeiingen, of
van beide samen. De partij-politieke twisten en de
sociale weerstanden, die alom opduiken, nu het
,,spook” der defl.atie weer is verschenen, doen echter
groote moeilijkheden ontstaan, die steeds de oplossin-
gen dreigen te stuwen buiten een economisch rationeel
verband.

Het lijkt ons eveneens duidelijk, dat de binnenland-sche kapitaalmarkt de noodwenidige leeningen tot het
aanzuiveren der buitengewone hegrooting zeer gemak-
kelijk zou kunnen dragen, indien een eerder avontuur-
lijk financieel beleid geen fundamenteel wantrouwen
had doen ontstaan.

De netto-uitgiften op de binneiilandsche markt voor
de particuliere ondernemingen bedroegen in 1938
slechts 676 millioen Fr., vergeleken hij 1.254 millioen
Fr. in. 1937. De overheidsleeningen hebben, in 1938,
2.535 millioen Fr. uit de markt genomen, vergeleken
hij 6.955 Fr. een jaar tevoren. Doch de algemeene
onrust en de psychpse van wantrouwen hebben vrij
snel den. rentevoet opgedreven, vooral op halfiangen
en langen termijn. De kapitalisatierente van de sedert
de consolidatie van 1935 geünificeerde 4 pOt. Staats-
schuld, is, in één jaar tijds, gestegen van 4.11 tot
4.51 pOt. Industrieele obligatieleeningen worden nu
reeds uitgegeven, vrij van belasting, tegen 5 pOt.

In tegenstelling met andere en meestal scherp bij
clan uitvoer concurreerenide landen, staat België aldus
met hooge geld- en kapitaalrenten en niets doet een

spoedige verbetering verwachten. Het wil on.s voor-
komen, dat vooral het wankelhaar financieel beleid
en de groote politieke onrust voor dien toestand ver-
antwoordelijk moeten worded gesteld. Wij zijn steeds
de meening toegedaan geweest, dat het herstel van
den gouden standaard in. België, waardoor wij per-
manent bedreigd zijn buiten de Sterlirgarea te wor-
den gedrongen, een vergissing is geweest. Bij een
eventueele daling van eenige heteekenis van het Pond
Sterling moet, in de gegeven omstandigheden, de
algemeene onrust nog scherp toenemen.

De prjspolitiek.

Deze situatie is voorzeker ongunstig te noemen in
verband met een der eerste objecten, dat in de huidige

omstandigheden voorop moet staan bij de Belgische
economische politiek, iil. de verlagiig der kostprijzen
en de aanpassing dc r I)rijsniveaux in het algemeen.
Het indexcijfer der groothandelsprijzen bereikte in
België een maximum in Juli 1937. Het is sedertdien
gedaald met 15 pOt. De kleinhandeisprijzen stonden,
daarentegen, aan hun maximum in November 1938 en
waren in Februari 1939 nog vertegenwoordigd door
een indexcijfer van 759 punten, vergeleken hij 716
punten voor de overeenstemmende maand van 1937.
Wij hebben hierboven toegelicht, welke heteekenis
dit indexcijfer heeft voor de begrootingen. Zijn
. in-
vloed wordt nog uitermate versterkt door het feit, dat
heel wat collectieve arbeidsovereenkomsten aan zijn
bewegingen werden gekôppelci. Men staat aldus voor
een vertraging in de aanpassing van cle loonniveaux,
wat een tamelijk gewoon verschijnsel is hij den aan-
vang van een laagconjunctuur, maar wat in België
toch heel wat onrust begint te verwekken, vooral ten-
gevolge van de verhoogde concurrentiemoeilijkheden
in den huitenla.ndschen handel.
De landhouwprotectie speelt, wat dit betreft, een
groote rol. Doch haar vermindering zou stuiten op
zeer groote politieke weerstanden.

In cle structuur zelf der grootha.ndelsprijzen lig-t
trouwens ook een ahnormaal verschijnsel, dat de aan-
dacht verdient. Het is een feit, dat de groothandels-
prijzen van allerhande consum ptiegoederen in België sneller gedaald zijn dan clie van een reelcs productie-
goederen. De hinnenlandsche prijzen van steenkolen,
cement, staal en sti kstofmeststoffen, die volledig wor-
den heheerscht door kartels of aanverwante groepee-
ringen hebben, tot op heden, een volledige sta.rheicl
vertoond. Hetzelfde moet gezegd van de electriciteits-
tarieven. Dit heteekent dus, dat belangrijke prijsgroe-
pen, welke mede een grondslag vormen voor ver-
schillende kostprijien, vooral in een land waar de
zware industrie een g-roote rol speelt, een huitenge-
wonen weerstand vertoonen op het oogenhlik, dat de
verkoopprijzen der fabrikaten, vooral op de buiten-
landsch e afzetgebieden, sterk moeten worden gere-
duceerd.
Wat meer in het bijzonder de steenkolen, betreft, is

een probleem ontstaan, dat niet kan blijven wachten

0
1
)
een oplossing. Sedert de devaluatie zijn de prijs-
clispariteiten. tusschen de Belgische en de Engelsche
hinnenlandsche steenkolenprijzen, dispariteiten, die
in, het verleden aanzienlijk waren en ten voordeele
van België, nagenoeg geheel geresorheerd geworden.
‘).
Men begrijpt onmiddellijk, dat dit een bedreiging be-
teekent voor de Belgische concurrentiemogeljkheden.
In feite heeft men in de laatste jaren in België een
politiek gevolgd van, dure steenkolen, door toe te laten
dat, achter de bescherming van invoercontingeutee-
ringen en invoertaxes, de consequenties van loonsver-
hoogingen, van nieuwe sociale lasten en ook van tame-
lijk hooge winsten van de mijnbedrijven, op de ver-
bruikend e industrieën werden afgewenteld.

In de pas verschenen jaar verslagen van de Société
Générale en van de Nationale Bank-, die de meaning
vertolken van invloedrijke economische kringen, is
zeer sterk ide aandacht gevestigd op de noodzakelijk-
heid van een spoedig herstel van een voldoenden graad van elasticiteit in de onderscheiden prijsni-
veaux. Het herwinnen van het hinnenlandsch econo-
misch evenwicht en de verdediging van de verworven
posities op de exportma..rkten zijn hiervan in ruime
mate afhankelijk.

De richtlijnen voor de te volgen economische poli-
tiek zijn in dit verband niet moeilijk uit te werken.
Het heele vraagstuk is echter in België het consti-
tueeren van de politieke macht, die, te midden van
een diepgaande ideologische verwarring, een program-
ma tot verwezenlijking voert. Proï. Dr.
G. EYSKENS.

l) ten raadplege oze studie over’ de Belgisohe kostprij-
men in het
rpjj5hi.jft
voor Inlichtingen en ])ocunieatatie
van ‘de N6utio,na1e Bank Van België.
Dec. 1938
;
bi. 471–431.

8 Maart 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

191

HANDEL DOOR ONDERHANDELINGEN.

De groote bedrijvigheid in de handelspolitiek, welke
sinds het vorig jaar valt waar te nemen, houdt nog
steeds aan. Doch het centrum der activiteit ver-
plaatst zich op een wijze, welke eenige hoop laat, dat
een bevrechgender oplossing der huidige hwndelsinoei-
lijkheclen gevonden 7a,1 kunnen worden, waarbij het
mogelijk zal blijken een ontaarding van de mededin.-
ging in dan handel tot een handelsoorlog te voor-

komen.
De reeks maatregelen, door verschillende landen
tegen het eind van 1933 aangekondigd ) ter ver-
sterking van hun positie in den internationalen han-
del, wordt thans ten deele inderdaad tot uitvoering
gebracht. Daarenboven hebben de leidende staatslie-
den der voornaamste betrokken landen, in krachtige
taal, gewezen op het essentieele belang, dat zij aan den
uitvoer in den opbouw van het economisch leven hun-
ner landen toekennen; waarbij zij, in den trant der
lIornerische helden, niet nalieten met klem de machts-
middelen te vermelden, welke hun, desnoods, ten

dienste stonden.
Deze wederzij dsche waarschuwingen lieten echter
alle één mogelijkheid open. Zij dreigden, ‘dat felle
strijd te wachten stond, tenzij de gelegenheid tot on-
derhandelen werd aangegrepen. In het feit, dat op
het oogenblik handelspolitieke onderhandelingen
gaande zijn in een omvang als wellicht zelden is voor-
gekomen, is het laatste spra.nkje hoop gelegen.
De handelspolitieke missies van talrijke landen
hebben de laatste maanden geheel Europa doorkruist.
Resultaat helovende besprekingen over handelsover-
eenkotusten zijn o.a. gaande tusschen Duitschland en
Frankrijk onderling, terwijl elk afzonderlijk onder-
handelt met een aantal Donaustaten. Handelsovereen-
komsten kwamen in deze periode tot stand tusschen
Duitschland en Polen, Polen en Rusland, Rusland en
Italië, terwijl Italië tenslotte eveneens een hande’s-
verdrag met Duitschiand afsloot.
In het middelpunt der belangstelling staan echter
de besprekingen, welke in den loop van deze maand
te Berlijn zullen beginnen tusschen de vertegenwoor-
digers van een groep Britsche bedrijfstakken eener-
zijds en de representanten van de overeenkomstige
Duitsche bedr’ijfsgToepen anderzijds. Uiterlijk ver-
krijgen. deze besprekingen een bijzonder cachet, door-
dat zij worden ingeleid met een officieel bezoek van
de beide Engeische handelsministers, Staniey en

Hudson, aan Berlijn.
Het onderwerp der onderhandelingen past, wat
belangrijkheid betreft, volkomen, in de omlijsting; in
draagwijdte gaan zij nl. de normale handelsbesprekin-
gen verre te boven. Ditmaal zal niet de mogelijkheid
van verhooging van den wederzijdschen in- en uitvoer
ter tafel komen, doch men zal zich bezighouden met
het vraagstuk van den concurrentiestrijd, welke door
de industrieën van heide, landen op de markten van
derden wordt geleverd. 1-let doel dezer besprekingen is voornamelijk een verdere daling der uitvoerprijzen
te voorkomen; tevens worden plannen ontwikkeld ten-
einde tot een zekere marktverdeeling, op basis van
contingenten, te geraken. Hiermee heroert men ‘dus
cle kern van het probleem der uitvoerhevordering tot
elken prijs, zoodat de vraag naar de kans van wel-
slagen der onderhandelingen van groot gewicht
wordt voor het eventueele yervagen of verder toe-
spitsen van de tegenstellingen op handelspolitiek ge-
bied. Ter beantwoording van deze vraag dient o.i.
vooral onderzocht te worden, welke mogelijkheden tot
uitbreiding van den gaf orceerden uitvoer
voor heide
landen nog aanwezig zijn.

Duischla.nd gehouden tot uitvoer.
De Duitsche houding ten aanzien van de uitvoer-stimuleering is door den Rijkskauselier zeer scherp
gesteld. Duitschlanci moet exporteeren of sterven. Het

) Zie
E.-S.B. 19 Oct. 1938
3
pag.
793
en
E.-S.B. 28
Dec.
1938 pag. 978.

feit, dat in het jaar 1938 het oude Rijk een invoer-
overschot had van R.M. 192 millioen, Grooter-Duitsch-
land zelfs van R.M. 432 millioen, terwijl in 1937 hij
een uitvoeroverschot van R.M. 443 millioen nog bij-
zondere heffingen noodig waren om de financieele
positie van het Rijk te versterken, maakt verdere com-
mentaar op deze stelling overbodig.
Niet alleen voor de economie in vredestijd is uit-
voer een gebiedende eisch, doch evenzeer uit het oog-
punt der in Duitschiand aan veelvuldige beschouwin-
gen oniderwoi-pen ,,Wehrwirtschaft”. In het geval van
een eventueelen oorlog zal Duitschiand groote be-
hoefte hebben aan een geregelden uitvoer ter finan-
ciering van den – steeds blijvenden – onmisbaren
invoer. Op dat tijdstip immers, zal men, verplicht zijn
aankoopen in baar geld te betalen. Daar Duitschiand niet beschikt over kapitaalbeleggingen in het buiten-
land noch over belangrijke goud- of deviezenvoorraden
zal men dezen invoer slechts kunnen financieren uit
de opbrengsten van •den uitvoer ). Het is om deze reden, dat Duitschiand uit moet zien naar alzetge-
bieden, aan welker eischen ook in oorlogstijd voldaan
zal kunn.en worden. Noodig is hiertoe echter, dat men
de aangeknoopte betrekkingen, zopals die öp den Bal-
kan, zal kunnen consolideeren. Deze, voor Duitsch-
land, sterker nog dan voor anderen, bestaande be-
hoefte aan vaste markten, kan men noemen als één
der punten, op grond waarvan Duitschiand, – dat zijn principieele bereidheid tot onderhandelen herhaalde-
lijk heeft te kennen gegeven, – een afbreken der be-
sprekingen, hetwelk gevolgd zou worden door een
prijsoorlog, zal willen voorkomen.

De richting van dan uitvoer van Duitschianci.

Van anderen aard is een tweetal factoren, welke
meer in het bijzonder helemmerend kunnen werken
hij de pogingen een grooteren huitenlandschen afzet te
verkrijgen met behulp van een verscherping der tot
dusver gevolgde methoden.
In dit opzicht is een splitsing van den Duitschen
uitvoer helangwekkend, waarbij de achtergrond der
handelsbetrekkingen als kenmerk wordt genomen.
Volgens ,,Der Deutsche’ Tolkswirt” ging in 1938 40
püt. van Duitschlands uitvoer naar landen, waarmee
,,Geiueinschaftsarheit” mogelijk was; dat zijn dus die
landen, welker in- en uitvoerhehoeften een natuur-
lijke aanvulling vormen op die van het Duitsche Rijk,
terwijl de uit handelsrelaties van deze soort voort-
vloeiende geleidelijke verhooging van den levensstan-
daard belangrijker wordt geacht, dan het behalen
van een mogelijk hooger direct ruilvoordeel elders.
De Zuid-Oost-Europeesche en verschillende Zuid-
Amerikaansche staten voldoen in hooge mate aan deze
voorwaarden.
Het is bekend, dat Duitschland naar deze landen
belangrijke uitvoersuccessen heeft weten te behalen.
Het is echter niet uitgesloten, dat een voortgaande
belangrijke verhooging van het Duitsche aandeel in
de handelsbeweging va4 deze landen relatief veel
grooter offers zal vergen. Het is immers, geheel af-
gezien van politieke overwegingen, voor de betrokken
landen economisch niet gewenscht zich al te zeer aan
één afnemer te binden.
Een dergelijke eenzijdige oriënteering, welke als
tegenhanger kan gelden van de thans allerwegen ge-
vaarlij k geachte monocultuur, maakt het betroffen
land op twee wijzen afhankelijk. In de eerste plaats
wordt men gebonden aan de, altijd mogelijke, schom-
melingen of verschuivingen in de bedrijvigheid van
den monopsonist. Daarnaast ontstaat de mogelijkheid,
‘dat een land kwetsbaar wordt door eenzijdige veran-
deringen in de voorwaarden, tegen, welke de handels-
partner het aanbod wenscht op te nemen of te vol-
doen. Ter vermijding van dit bezwaar heeft Duitsch-land verschillende landen aangeboden bepaalde hoe-

2)
Vgl.
iheit artikel .,Auszei’e Kiieg.sf’i.na.nnierung” in ,,1)er
1l)eutsohe Volkswi rt” van
24
Febr. ji.

192

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8 Maart 1939

veelheden gedurende een reeks van jaren tegen vast-
gelegde prijzen af te nemen. In een periode van da-
londe goederenprijzen zijn deze condities, welke altijd
verbonden worden met compensatie-transacties, zeer

aanlokkelijk.
Het nadeel, voortvloeiend uit het feit, dat men
zich op deze wijze geheel afsluit van de wereldmarkt
en daardoor eveneens van de onmiddellijke ruilvoor-

deelen, welke een eventueel stijgen der prijzen bege-
leiden, springt oogenblikkelijk in het oog. Bij ver-
schillende dezer landen schijnt dan ook de geneigd-
heid te verminderen om de reeds enge betrekkingen

nog vaster aan te halen.
Bij deze aarzeling voegen zich nog twee feiten.
Vooreerst zal Engeland zeer zeker zijn – niet ge-
staakte – bemoeiingen op den Balkan verveelvoudi-

gen, indien in Berlijn geen overeenstemming bereikt
wordt. Daarnaast manen de resultaten, welke de Ver-
eenigde Staten in Zuid-Amerika bereiken., Duitsch-
land tot voorzichtigheid.
In dit verband verdient de overeenkomst tusschen
de Vereen.igde Staten en Brazilië, welke in den loop
der vorige week bekend geworden is, de aandacht.
Deze overeenkomst houdt rekening zoowel met de
financieele positie van Brazilië als met de Amen-
kaansche handelsbelangen. Eenerzijds zullen door be-
middeling van de Amerikaansche Export-Import
Bank bankcredieten voor goederenleveranties worden
verstrekt, anderzijds wordt een crediet gegeven van
$ 20 millioen tot het ontdooien van bevroren sal-
di, tenviji tenslotte in samenwerking met het Amen-
kaansche Egalisatiefonds tot stabiliseering van de

Milreis zal worden overgegaan.
Het wil ons voorkomen, dat deze Noord-Amerikaan-
sche activiteit Duitschland tot voorzichtiger manoeu-
vreeren met den anderen Angelsaksischen staat zal

leiden.

Ideologische obsto,lcels?

Hoe staat het met de kansen op verhoogden handel
met de landen, welke de overige 60 pOt. van Duitsch-
lands uitvoer in 1938 opnamen? Onder deze landen
zijn twee grondstofleverende landen, welker uitvoer
aansluit op de Duitsche invoerbehoeften, nl. Rusland
en de Vereenigde Staten. De Duitsche handelsbetrek-
kingen met Rusland waren tot 1934 zeer intensief.
In 1932 ging 46.5 pOt. van den Russischen uitvoer
naar Duitschland, terwijl het Russische aandeel in
den Duitschen export 10.9 pOt. bedroeg. De Regee-
ningsverandering van 1933 deed, om begrijpelijke
redenen, den Duitsch-Russischen handel geen goed.
Voor 1937 waren de bovengenoemde percentages
resp. nog slechts 15 pOt. en 2.0 pOt. Den laatsten
tijd is echter een streven naar verbreeding van de
handelsbeweging tusschen beide staten merkbaar,
welke inderdaad ook beiden ten goede zal komen.
Zou men t.a.v. de betrekkingen tusschen de auto-
ritaire staten, inet een variatie op het ,,pecunia non
olet”, kunnen. zeggen ,,deviezen hebben geen kleur”,
dit geldt niet voor de betrekkingen met den ande-
ren gron.dstofleverancier, de Ver. Staten. De laat-
ste maanden zijn er steeds meer teekenen, welke wij-
zen op een boycott van Duitsche goederen door het
twopende publiek, waartegen het aanbod van econo-
mische voordeelen, zooals drastische prijsverlaging,
machteloos staat. Daar Duitschlauds eenige wijze dm
eventueelen grooteren invoer uit de Vereenigde Staten te betalen gelegen is in ecu vergrootig van den uitvoer
daarheen, zal het niet deze stille kracht terdege reke-

ning moeten houden.
Wij
zijn van meening, dat boven-
genoemde factoren alle tot gevolg zullen hebben, dat
van Duitsche zijde getracht zal worden althans met
Engeland tot overeenstemming te komen.
Anderzijds heeft Engeland minstens evenveel be-
lang
bij
het tot stand komen van een prijsbescher-
mende overeenkomst als Duitschlan.d. In de eerste
plaats is het voeren van een georganiseerden prijs-
oorlog voor een democratischen staat aanzienlijk mooi-

lijker dan voor een autoritair regime. De onvermij-
delijke regeling bij de toewijzing van subsidies en
markten, welke met een dergeljken handelsoorlog on-
verbrekeljkverhonden is, is in haar aard slechts mo-
geljic bij een maatschappelijk stelsel, dat van een
centraal punt uit geregeld wordt. Zelfs onder een
dergelijk stelsel echter blijven er° ta]iooze klachten
over de bezwaren, welke voor het
bedrijfsleven
uit den
adnijnjstratjeven bovenbouw voortvloeien. Veelbetee-
kenend is in dit opzicht een uitlating in de ,,Wirt-
schaftsdienst” van 3 Maart jl.
3),
waarin ronduit
erkend wordt, dat ,,de massa der formaliteiten, den
exporteur opgelegd, de maat van het draagbare over-
schrijdt.” Indien deze moeilijkheden zich reeds voor-
doen in een staat, waar de gecentraliseerde organisa-
tie principe is, blijven er voor de snelle uitvoering
van een dergelijke Organisatie in een van nature mdi-
vidualistischen bedrijfstak als de Engelsche uitvoer is,
weinig gunstige verwachtingen over.
Daarnaast staat, dat het relatieve hooge kostenpeil
der Engelsche industrie bij omvangrijke exportsub-
sidieering van de schatkist offers zou vergen, welke
haar bij de groote eischen, welke de bewapening reeds
stelt, beslist zwaar zouden vallen. Een belangwekken-
de vraag wordt hierbij opgeworpen in het eerder ver-
melde nummer van den ,,Wirtschaftsdienst” ) nl. of
het ,,strijdfonds”, waar(jver in Engeland veel gespro-
ken wordt, eventueel gevormd zal worden uit een deel
van de winst, behaald uit de horwaardeering van den
Engelschen goucivoorraad. Tenslotte, en misschien is
dit de zwaarst wegende factor, is de ,,kalmeering” nog
steeds de teneur der Engelsche politiek.
Bij de genoemde hoopgevende factoren voegt zich vervolgens nog een precedent. De langdurige onder-
handelingen, gevoerd tusschen de Duitsche en. Engel-
sche steenkoolindustnieën, zijn uiteindelijk met succes
bekroond; 28 3anuari ji. is een overeenkomst tot stand
gekomen, waarbij volledige overeenstemming bereikt
schijnt te zijn omtrent de te handhaven uitvoerpnij-
zen en de marktverdeeling.
Indien men niet tot het uiterste pessimisme wil over-
hellen, kan men hierin zeer zeker een gunstig symp-
toom zien voor het welslagen der komende bespre-
kingen, welker belangrijkheid niet alleen op econo-
misch, maar ook op politiek gebied wel algemeen zal
worden erkend.
H. W.
LAMBERS.

Dr. R. Stephairi ,,Ausfuhchernmwngeu und ihre Ueber-
wind
ung”.
Zie ihet artikel van Dr.
A.
Prinziug ,,Die Geidseite
der englisdhen Exportfönderunig”.

DE LONEN IN HET BOUWBEDRIJF.

De vrees voor te hoge lonen in het bouwbedrijf,
leeft in Regerings- en andere kringen nog steeds.
De overtuiging, dat deze lonen inderdaad te hoog
zijn, uit zich ook nu nog meerdere malen.
De aanvraag tot verbindendverklaring van de Col-
lectieve Arbeidsovereenkomsten voor ide burgerlijke
en utiliteitsbouw en water-, spoor- en wegenbouw,
door de Bednijfsraad voor het Bouwbedrijf, lokte een
aantal reacties uit, welke duidelijk demonstreerden,
hoe weinig velen, van wie men anders mocht verwach-
ten, van ide lonen in het bouwbedrijf weten..
Bladen als ,,De Nederlander” en ,,De Nederlandse
Werkgever”, trokken dadelijk stevig van leer en bij de z.g. ,,hearing”, voor wie bezwaren tegen verbin-
dendverklaring der genoemde Overeenkomsten had-
den., bleken meer dan 50 bezwaarschriften ingekomen,
waaronder van den Hoofdinspecteur der Volkshuis-
vesting, het Ministerie van Waterstaat en tal van
groot-industriëlen.
Niet alle bezwaren golden de hoogte van loon., een
deel betrof een bepaling van de Collectieve Contrac-
ten, welke bij verbiudendverklaning, ook grote onder-
nemingen, die zelf ook het bouwbedrijf als bij-onder-neming uitoefenen, voor deze bij-onderneming onder de bepalingen van. het Contract zou brengen.

8 Maart 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

j11]

De bezwaren tegen de loonhoog-te alleen, kwamen
van oerheidsinstanties. Hieraan is het vermoedelijk
toe te schrijven, dat het verzoek pm verbindendver-
klaring van de Overeenkomsten voor het bouwbe-
drijf, ook aan de Economische Raad om advies is
gezonden.

Uit de jongste Memorie van Antwoord van het Mi-
nisterie van Sociale Zaken blijkt nadrukkelijk, dat
het advies van de Economische Raad ,,met name over
cle wenschehjkheid van verbindendverklaring van de in
deze Contracten voorkomende loonbepalingen” is ge-
vraagd; waaruit blijkt, dat ook in het Ministerie van
Sociale Zaken nog twijfel bestaat over de vraag of de
lonen in het bouwbedrijf wel op een economisch en/of
sociaal toelaatbare hoogte staan.

Wij hebben in 1932, in ,,Economisch-Statistische
Berichten” (27 Jauuari en. 17 Februari) gelegenheid
gehad om aan te tonen, hoe onjuist de opvattingen
vrij algemeen over de lonen der bouwarbeiders waren.
Dat deze vertogen niet geheel zonder invloed waren
gebleven, bleek uit de kort daarna gehouden debatten
in de Tweede Kamer. Op de Regering zeil hadden
zij niet de uitwerking, die redelijkerwijze mocht wor-den verwacht, wat bleek uit een mededeling door den
toenmadigen. Minister van. Sociale Zaken geruime tijd
later in de Tweede Kamer gedaan. Hij vertelde, dat
de lonen van de bouwarbeiders – het was intussen
Mei 1934 geworden – nog
f
40 h
f
50 per week bedroe-
gen, wat, voorwat het als maximum genoemde bedrag
betreft, zowat de helft met de werkelijkheid scheelde.

iii een ,,Open. Brief” in ,,De Bouwer”, werd de
Minister over zijn onjuiste voorlichting aangevallen.
Zijne Excellentie deelde daarop in een schriftelijk
antwoord mede, dat per abuis in de Handelingen van

f
50 als maximum werd gesproken. Het genoemde
maximum was
f
45. Overigens persisteerde hij bij
zijn mening.

In het antwoord, dat de Minister daarop kreeg, kon onomstotelijk worden bewezen, dat hij volkomen on-
juist was ingelicht. De Minister reageerde daarop
niet meer. Het kwaad was echter gesticht en de
legende van de hoge lonen in het bouwbedrijf, bleef
verder leven; met welke gevolgen, bleek bij de hier-
boven gereleveerde ervaringen bij de aanvraag tot ver-
bindendverklaring.

Niet alleen uit een oogpunt van rechtvaardig-
heid tegenover arbeiders en werkgevers in het bouw-
bedrijf, maar ook terwille van het zuiver kunnen stel-
len van het loonvraagstuk, in verband met tal van
vraagstukken van economische en sociale aard, doen
wij thans een nieuwe poging om een juister oordeel
over de lonen in het bouwbedrijf mogelijk te maken.

In de vooroorlogse periode en ook nog in het begin
van de oorlog, was het loon van den bouwarbeider,
in vergelijking met het gemiddeld loon van de arbei-
ders, die onder de industriële ongevallenwet vielen,
steeds hoger. In 1905 b.v. (en andere jaren geven een
vrijwel gelijke verhouding aan), was het gemiddelde
dagloon van den type-arbeider (300 werkdagen)

f
1.67. Voor den houwarbeider was het
f
1.76 of 5.4
pOt. hoger.

Dit hoger gemiddeld loon was geen toeval. De meer-
derheid van de bouwarbeiders behoorde tot de ge-
schoolde arbeiders. Voor de burgerlijke en utiliteits-
bouw geldt dit trouwens nog. Ondanks de outscho-
ling, waaraan ook het bouwbedrijf niet is ontkomen,
behoorden in 1937 van de arbeiders werkzaam in:

I3urgerlij’ke en utiiiititsbouw

Alle bedrijven

tot de geschoolden

53
pot ……..

4t
pCt. geoefenden

20 ………
37
ongeschoolden
27 ………19

Bij water-, spoor- en wegenbouw, waar de mecha-
nisatie grotere vorderingen kon maken en waarin de
betonbouw een belangrijke rol is gaan spelen, over-
weegt het aantal ongeschoolden.
De loonverhoudingen, zoals die tot uitdrukking ko-

men in de cijfers van de ongevallenstatistiek, waren
in de achterliggende crisisjaren als volgt:

Gem’idd. dagloon volgens Ougevallenstat

istiek.

Alle verzekerings-
19?0 1931 1932 1933 1934 1935 1936 1937

plichtige bedrijven
tezamen … ……
4.23 4.22 4.07 3.92 3.77 3.64 3.54 3.52
Alle industr. bedr.
(1 tot en met
XVII) 4.08 4.05 3.86 3.69 3.55 3.41 3.32 3.32

Bouwbedrijven
(IV) 4.57 4.54 4.08 3.82 3.61 3.45 3.36 3.39
waaronder burger-
en utiliteitsbouw..
4.67 4.72 4.42 4.12 3.93 3.67 3.49 –
In procenten van de
geheleindustrie
. .

114 117 115 112 111 108 105 –

Deze cijfers zijn, om meer dan een reden, van be-
lang. Er wordt tegen het gebruik maken van d
gegevens van de ongevallenstatistiek voor vergelijking
van de lonen van de bouwarbeiders met die der ove-rige arbeiders aangevoerd, dat ook de werkverschaf-
fingen biji de bouwbedrijven zijn ingedeeld en daar-
door het gemiddelde dagloon wordt gedrukt. Inder-
daad is dat het geval, maar bij vergelijking van het
‘dagloon, dat in het gehele bouwbedrijf – dus met inbegrip van de werkverschaffingen – gemiddeld
werd uitbetaald met dat van de burgerlijke en utili-
teitsbouw, waarin slechts weinig werk in werkver-
schaffing wordt uitgevoerd, is het verschil miniem.

Opvallend is ook, dat zelfs de burgerlijke en utili-
teitsbouwlonen., ondanks het beduidend groter per-
centage geschoolden, in 1936 nog beneden het gemid-
delde van alle verzekeringsplichtige bedrijven blijkt
te liggen.
Gelet op de aard van ‘de werkzaamheden der bouw-
arbeiders, op het relatief grote aantal geschoolden, op
het vrijwel niet voorkomen in het bouwbedrijf van
vrouwen- en kinderarbeid, is de achteruitgang van het
dag-loon der bouwarbeiders in een sneller tempo dan
dat van de overige arbeiders niet billijk. Het is niet
wel mogelijk, dat aan te tonen aan de hand van de dag-
loonstatistiek van de Rijksverzekeringsbank. De in-
voering van de Land- en Tuinbouwon.gevallenwet in
1921, heeft het gemiddelde dagloon van de in deze
statistiek opgenomen arbeiders verhoogd; de uitbrei-
ding van de industriële Ongevallenwet in 1921 heeft
waarschijnlijk een verlagende invloed uitgeoefend.
Een vergelijking met alle industriële bedrijven zou
ook geen rekening houden met ‘de ongetwijfeld be-
langrijk toegenomen ontscholing van de arbeid en de
daarmede hand in hand gaande toeneming van vrou-
wen- en meisjesarbeid.
Een meer juiste vergelijking schijnt ons die van
het bouwbedrijf met enige bedrijven, waarin vrijwel
uitsluitend mannelijke arbeidskracht wordt aangewend.
Ook zulk een vergelijking is aanvechtbaar, omdat
het percentage geschoolden, geoefenden en ongeschool-
den niet in al deze bedrijven gelijk is, terwijl som-
mige bedrijven niet, zoals het bouwbedrijf, over het
gehele land verspreid zijn. Sterk sprekende a.fwijkin-
gen zijn de groepen: aardewerk, glas, kalk enz., waar-
van het gemiddeld dagloon
f
2.98 i; de groep diamant
e.a. edelstenen enz., dagloon
f
4.41, welk bedrijf zich
tot Amsterdam beperkt, en de groep vervaardiging
van gas en eiectriciteit, dagloon
f
5.44, dat ook
slechts in weinige plaatsen wordt uitgoefend en vrij
veel hooggeschoold personeel nodig heeft.
In aanmerking voor vergelijking komen dan (ge-,
gevens van het jaar 1936):

Groep

IV: Hout, kurk en &troo’bèw.
.enz. dagloon
f
2.99
X: Oer, steenkolen, turf ……….
4.72
Vervaardiging r
v.
400m.
of an-
dere werktuigen enz. ……..

,,
3.78 Scheepsbouw, vervaardiging van
rijtuigen

…………………
3.64
XVIII: Handel en venkeerswezen enz.,,

,, 3.92
Bouwbedrijf, ‘burgeri. en util’iteitsbouw ….

…,,
3.49

Vooral indien bedacht wordt, dat groep IV, veel
sterker dan met het bouwbedrijf het geval is, ten

194

ECONOMISCH.STATISTISCHE-BERICHTEN

8
Maart 1939

plattelande is gevestigd, valt, moeilijk te ontkennen,
dat hij een vergelijking van bedrijven met vrijwel uit-
sluitend mannelijke arbeiders, het bouwbeclrtj•f slecht
wegkomt; cle cijfers wijzen in eik geval zeker niet op
een te hoog gemiddelde.
Er zijn, andere, mogelijk sterker sprekende, over’-
wegingen., welke een gemiddeld hoger loon voor bouw-arbeiders rechtvaardi gen
De bouwarbeider heeft zijn werk heel dikwijls ver
van zijn woning, wat vervoerkosten meclebrengt en tijd kost. liet ongevallenpercentage van het houvbe-
drijf is 141.6 per 1000 type-werklieden per jaar,
tege.0 een algemeen gemiddelde van 87.6. Het ziekte-
cijfer ligt hoven het gemiddelde van alle arbeiders
en in de voornaamste delen van het bouwbedrijf, moet
de bouwarbeid er eigen gereedschap medebren gen.
Daarbij komt, dat het bouwbedrijf veel kleine verzui-
men kent en dat ook in cle meest normale tijden het
werkloosheidspercentage in het bouwbedrijf groter is
dan gemiddeld in alle bedrijven. Weliswaar komt dat
niet of slechts voor een gering deel in het gemiddelde
‘dagloon per type-arbeider tot uiting, maar het recht-
vaardigt mede, dat het gemiddelde dagloon hoger mag
liggen dan het algemeen gemiddelde.

Indien liet mogelijk zou zijn, alle overwegingen,
van belang hij beoordeling der juistheid van ccii. be-paald loon, tegen elkaar af te wegen., zou zeer waar-
schijnlijk blijken, dat de rechtvaardigheid zou, eisen,
dat het berekende dagloon van den bouwarbeider he-
tekenend hoger zou moeten zijn dan iiï 1936 het geval
is geweest.

Zeer velen in het boiiwhediijf

en niet alleen de
arbeiders, waarvan het natuurlijk zeer begrijpelijk is –
zijn reeds geruime tijd overtuigd, dat de loonsverla-
ging in het bouwbedrijf, in vergelijking met de alge-
mene loonstandaard, verder wus gegaan dan hilljk
en wenselijk was.

Ook de werkgevers in het bouwbedrijf kwamen tot
die erkenning en de waardevermindering van ons
geld, gevolgd door de stijging van de kosten van het
levensonderhoud, deden hen, over het algemeen con
amore, toestemmen in een verhoging van het uurloon
met 2 cent, de eerste algemene verhoging, na een
17-jarige periode van loondaling.
Dat zette bij sommigen kwaad bloed. In een offi-
cieel verslag van de Hoofdinspectie van de Volkshuis-
vesting, werd deze verhoging ,,hevreerndend” ge-
noemd. Toch was niet anders geschied, dan ook in
andere bedrijven gebeurde. In het metaalbedrijf hijv.
steeg het gemiddelde uurinkomen, in het eerste half-
jaar van 1938 alleen reeds, met 3.5 pCt. Sedert het
tweede halfjaar 1936 steeg het gemiddeld uurinkornen
in Amsterdam voor met geschoolde houwarbeiclers ver-
gelijkbare arbeiders (bankwerker, monteur) van 71
op 76.2, in Rotterdani van 63.8 op 69.9 cent per uur
enz. De verhoging voor de bouwarheiders werd voor
een geheel jaar vastgelegd en is hij de thans geëin-
digde onclerhaiidelingen voor verlenging van het Con-
tract ook niet door een nieuwe verhoging gevolgd.
1-let Jaarverslag van de Rijksverzekeringsbank over
1937 zal dan ook bijna zeker uitwijzen, dat er in
de nadelige positie van de bouwarheiders tegenover
het algemeen gemiddelde loo.ncijfer geen verandering
van enige betekenis is gekomen. De twee centen
loonsverhoging voor het bouwbedrijf bleven dus zeker
binnen redelijke perken.

Er zijn er, o.i. ten onrechte, die de aan de onge-
vallenstatistiek o’ntleende gegevens, voor vergelijking
van lonen, minder goed bruikbaar achten. Het is
daarom wel goed, ook enig ander materiaal ter be-
oordeling van cle lonen in het bouwbedrijf aan te
voeren.
,,Het Maandblad van het Centraal Bureau voor de Statistiek” publiceert in het jong’ste Novembernum-
nier een gedeelte van het tweede deel van zijii. ,,ove.r-
zicht van de lonen voor mannelijke arbeiders hoven
de 21 jaar, werkzaam in de industrie in een aantal

gemeenten niet industrieel karakter”. De cijfers heb-
ben betrekking op het 2de halfjaar 1937.

Een vergelijking van de gemiddelde lonen in alle
genoemde plaatseLi. met die van de voor die plaatsen
aangegeven lone.n voor bouwarheiders ‘geeft bijgaand
statistisch beeld. (‘Toor eventuele bijzonderheden moge
worden verwezen naar de November-aflevering van
het Maandschrift)

Cleini’cl’delcj uui’inkoineii van de arbeiders waarover
gegevens werden verkregen.
de bon warbei.dei’s:
alle

arbeiders

Burgerlijke en utiliteitsbouw
geschool’clen geoefewlea geschooiden geoefenden

Leeuwarden
55.1

46.5

52.6

42.6
Zwolle

55.6

45.3

52.3

45.2
Eindhoven

50.2

46.0

50.7

40.5
Til’burg

50.8

44.3

49.0

40.7
‘.s-H.er.togen- bo’seh

50.6

44.1

49.3

39.5

Maastricht
.48.7

45.3

47.7

38.7
Oss ,

50.0

47.8

45.9

Wiinterswij.k
37.8

41.7

33.7


i

Ieliiioncj

44.8

44.4

45.4

36.0
Sghiedwm

59.7

‘ 55.9

57.1.


Dordrecht

53.9

47.9

55.0

49.6
Leiden

55.8

48.1

56.6

48.1
Vlissingen

53.5

48.4

47.1

36.2

Vlaardiisgen
58.7

53.1

55.2

48.8

R’id.derkerk
50.3

43.9

42.2

36.0
Gouda

51.2

46.3

47.5

40.5
‘,Dil

48.7

38.9

53.1


WeeSI)

54.4

49.1.

56.0


Alkmaar

52.1

45.9

55.8

48.8
Bussuni .

57.0

48.7

54.4


Hoorn

54.8

54.8

49.6


Zaandam

64.1

61.9

60.1

56.3

Z’aanatreek ,
62.7

57.8

59.1

54.3
Gemiddeld

uurinkonion
53.2

46.9

51.1

43.9

Uit deze gegevens blijkt, dat de berekende gemid-
delde lonen in de 23 genoemde plaatsen voor den
doorsnee-industrie arbeider pl.m. 2 cent per uur ho-
ger liggen dan voor de bouwarbeiders.
Uit deze statistiek blijkt voorts, dat de uitkomsten
van de
becijferingen
van de Rijlcsverzekeringshank
niet veel’ van de werkelijkheid kunnen verschillen.
De overzichten van andere gemeenten, welke in de
Maandschriften. va
.n October en December gegeven
worden, geven geen noemenswaard verschil met die
van November te zien.

Om te voorkomen, dat de bewering, dat in de grote
plaatsen liet loon van den bouwarheicier in elk geval
te hoog is, tegen bovenstaande gegevens zal worden
aangevoerd, geven wij hieronder nog een overzicht
van rie loönverhoudingen in de grootste plaatsen.

Bou
warbei de rs.
Alle

arbeiders

Burgerlijke en utiliteitsbouw
geschoolden geoefenden geschoolden geoefeucleit

Amsterdam
66.7

59.9

62.9

58.3
Rotterdam

60.5

53.9

58.5

50.0
‘s-Graiveitih.

62.1

51.2

62.2

56.6
Haarlem

62.1

57.7

61.3

54.0
U’treoh’t

58.2

49.0

61.2

54.1
Groningen

57.3

47.6

55.9

48.3
Arnhem

59.2

51.8

54.6

46.1
Nij’iiiegeii

56.9

46.8

51.0

43.6
Het beeld, dat de’Le statistiek geeft, is op de onder-
delet verschillend. Het totaal resultaat geeft ook hier
een hetekenend verschil in uurinkomen ten nadele van
de bouwarheiders.
Men heeft ons tegemoetgevoerd, dat een rekenkun-
dig gemiddelde als door ons werd gemaakt van de ge-
gevens, welke in het Novembernummer van het
Maandschrift van het C.B.S. voorkomen, minder juist
is; hij het vaststellen van een type-cijfer als het on-
derhavige zouden meer factoren in acht genomen moe-
ten worden en de geniiddelcle lonen dienen te worden
bepaald als
gewogen
gemiddeltden.
Indien zij’ volgens deze opvattingen worden ge-
toetst, is het verschil tussen de loongegevens van alle
bedrijven gezamenlijk en die van het bouwbedrijf
kleiner. Aldus behandeld, komt men tot een loonge-

8
Maart
1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

195

middelde voor alle doorsnee-arbeiders hoven 21 jaar
over 55 gemeenten van 53.4 cent en voor de bouw-
arbeiders in cle burgerlijke en u.tiliteitsbouw van 52.9
cent per uur. 1-let verschil zou dus in feite 0.5 cent
per uur zijn, ten nadele van den houwa.rbeider. Wij aanvaarden deze weging critiekloos, omdat wij
de toegepaste methode niet kennen. Ook gewogen
blijken de lonen van de bouwarbeiders, die in de bur-
gerlijke en utiliteitsbouw werken., echter lager dan
cle doorsnee-lonen van de onderzochte andere groepen.
arbeiders.

De lonen van arbeiders, die bij water-, spoor- of
wegenbouw werken, vallen er nog meer onderuit, wat wil zeggen, dat het feitelijk gemiddelde van de bouw-
arbeiders groter verschil aanwijst. En dat, terwijl het,
zoals wij hoven betoogden, billijk en rechtvaardig zou
zijn als de bouwarbeiders tot een hoger uurloon zou-
den komen om een gelijkwaardige positie als andere
arbeiders te hebben. De plattelandalonen geven al
evenmin aanleiding tot serieuze critiek.

Er zijn voor het bouwbedrijf twee Landelijke Col-
lectieve Contracten, één voor de z.g. burgerlijke en
utiliteitshouw en de tweede voor water-, spoor- en
wegenbouwkundige werken.

Het laatste contract kent voor pl.m. 325 gemeenten
een loon, .dat hoger ligt dan het loon, dat voor het
,,overig deel” van de verschillende provincies geldt.
Ruim 700 gemeenten zijn dus ingedeeld bij het ,,ove-
rig deel”. De contractlonen zijn daar, na
de loonsver-
hoging van
verlede7-6
jaar, voor de geschoolden
42,
44

of 46 cent per uur, voor de geoefenden 34, 35 of 37
cent per uur en voor de ongeschoolden (de grondwer-
kers) 30, 32 en 33 cent per uur. Het rekenkundig ge-
miciclelde

is dus voor de geschoolden 43.2, de ge-
oefenden 35.8 en de ongeschoolden 32 cent per uur;
een gewogen loon zou nog iets lager liggen, omdat het
hoogste loon slechts voor een enkele provincie geldt.

Deze lonen kunnen niet zonder meer met 48 uren
per week worden vermenigvuldigd, daar er in de
zomer in een aantal gevallen langer en in de winter
algemeen korter wordt gewerkt. Ook andere factoren
als regen, vorst, wachten op materiaal, tekort aan
vacantiebon.s – hij vacantie- e.n feestdagen e.d., beïn-
vloeden het loon; de weekloonvermindering is ca. 8 pCt.

Het jaarinkomen van bouwarbeiders kan alleen
worden nagegaan met behulp van de werkloosheids-
cijfers. Deze wezen in de jaren 1929-1937 achtereen-
volgens een werkloosheidpercentage aan van: 12.2
pOt.; 11.3 pCt.; 17.6 pCt.; 36.8 pCt.; 36.5 pOt.;
35.7 pCt.; 42.2 pCt.; 47.7 pOt. en 41.3 pOt. Practisch
nog wat hoger, omdat niet alle werkloze dagen wor-
den gemeld. Deze percentages liggen beduidend hoger
dan de gemiddelden van alle bedrijven. Voor het jaarinkomen moet ook rekening gehouden
worden met ontvangen uitkeringen uit werklozenkas
en met eventuele rechtstreekse steun van overheids-
instellingen. –

Een vergelijking van de jaarinkomsten van bouw-
arbeiders met andere arbeiders, zou dus nog een heel
ander, en miserabeler, beeld geven.

Voor zover de Collectieve Arbeidsovereenkomsten
zijn doorgevoerd, is het 1daarin. vastgestelde loon, het
loon voor geheel volslagen arbeiders. De tijd, dat het
contractloon als presentiegeld werd bescho nwd, en
de rest, welke werd ontvangen, prikkel voor hard wer-
ken heette, is voorbij. Met uitzondering van groep III
van het contract voor water-, spoor- en wegenhouw
(grondwerkers) komt het slechts bij uitzondering
voor, dat boven het contractloon wordt betaald.
– Verzet tegen de in de Collectieve Arheiclsovereen-
komsten opgenomen lonen voor het bouwbedrijf, is
niet het minst gekomen van overheidswege. Uitvoerige gegevens, welke een vergelijking tussen
lonen in het vrije bedrijf en clie, door de Overheid
betaald, mogelijk maken, zijn van een belangrijk aan-
tal gemeenten beschikbaar. Alleen cle lonen der ge-
school’de arbeiders zijn vergelijkbaar.

Hierbij moet in het oog gehouden worden, dat niet
allen het maximum loon verdienen; daarom namen
wij, terwille van de zuiverst mogelijke vergelijking,
uitsluitend enige achtei elkaar in de gegevens van het
Centraal Bureau voorkomende gemeenten, waar alle
overheidsbouwarbeiders het maximum. loon ontvangen.
Als weeklonen, krachtens de Collectieve Arbeids-
overeenkomsten verdiend, nam en w’ij liet contractloon
maal 48 uur, dus een zomerweek. Dit cijfer moet fei-
telijk verminderd worden met het verlies van om-
streeks 8 pCt., waarop wij hoven wezen, wat wij echter
niet deden. Voor een goede vergelijking zouden wij
ook nog de meerdere overige rechten, die een groot
deel van de arbeiders in Gemeentedienst heeft, als
kindertoeslag, langer vacantie met behoud van loon
e.d., moeten mederekenen, maar ook zonder dat is het
beeld duidelijk genoeg.

Naam
Gemeente weekloon
Weekloon onder Coil. Contr
gemeente
Timmerman en metselaar Timmerman en metselaar
Apeldoorn

…..
f
30.50
p.w.
f
24.96-p.w.
])ven

r
te

———
1.20

,.
24.96
Doetii:ichem
……
28.32

.,
,,
21.60
l5mnien

………
26.73
.
1
22.56
G-oes

……….

26.40

,,
., 22.56
Gouda

………
.,
31.68

.,
24.96
Heerenveen
….

.,
29.76
.. 24.-
1E[eerlen

………
28.73
11
25.92
Hoorn

………
.,
31.68

,,
,,
24.96

Enzovoort!
En hoe staat het met het Rijk zelf?
Bij het Rijk zijn de geschoolde arbeiders, die voor
vergelijking in aanmerking komen, in ‘de 4e en 5e
loongroep ingedeeld.
Wij nemen voor een vergelijking alleen de 4e loon-
groep, om iedere gedachte aan overdrijving onmogelijk te maken.
Er zijn een 40-tal plaatsen in de eerste en een 180-
tal in. de 2e Rijksioonklasse opgenomen. Een wille-
keurige greep, maar zonder tendens om het voor de
contractionen ongunstiger te stellen, geeft het vol-
gende beeld: –

Rijkslonen

Lonen Coil. Contr.
Naam der Gemeente Gem.klasse Timmerm.Mets. Timnierm.Mets.
Amsterdam
….
le klasse 1 30.10 p. w. f 31.68 p. w.
Rotterdam . …. le
.,
30.10 ,, ,, ,, 29.76
Delft
……….
ie

30.10
,,,,
,,
28.32
Vlissingen . … .ie

30.10 ,, ,,

,, 23.52 Alntelo
……..
2e

1128.73 ,,

,,

,, 24.96
Bergen
01)
Zoom 2e

,, 28.73 .,

,, 23.52
Breda
……….
2e

,, 28.73

, 24.96 Ede
………..
2e

,, 28.73 ,,

,,

,, 24.-
Zutten
………
2e

,,

1128.73 ,,

,,

,, 24.-
G-orreclijk
……
3e

26.90

,, 23.52
4eklasseplaatsen

25.08

gem. 21.12

In feite zou een volledige vergelijking ook hier een
nog beduidend ongunstiger verhouding voor de onder
de Collectieve Contracten werkende vaklieden geven dan uit het bovenstaande reeds blijkt te bestaan.
Het is verre van ons de lonen van de arbeiders in
overheidsdienst te hoog te achten. Iiitegendeel: waren de lonen in de particuliere bedrijven op gelijke hoogte
gebleven, het zou o.i. heel wat minder droevig met de werkloosheid in ons land zijn gesteld. Voor een
objectieve beoordeling van de loonhoogte in het
bouwbedrijf zijn de cijfers echter te veelzeggend, om
ze achterwege te mogen laten.
Na onze vorige ervaringen zijn wij er lang niet
zeker van, dat nu eindelijk -de legende van de hoge
lonen der bouwarbeiders voor goed zal verdwijnen.
Nu vraagstukken, als de verhindendverklaring van
de Collectieve Arbeidsovereenkomsten voor het bouw

bedrijf, als het uitvoeren van wericen, welke tot het
bouwbedrijf moeten worden gerekend, in w’e.rkver-
schaffing, als het werken voor lager dan de contrac-.
tuele lonen hij Werkfondswerken, actueel zijn, moge
evedwel aan de verantwoordelijke instanties het bo-
venstaande ter ernstige oyerweging worden aange-
boden.
J.
W. v.
AOHTzICBERGH.

196

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8 Maart 1939

HET VRAAGSTUK VAN DE INDUSTRIE-

FINANCIERING IN BANKWETGEVING EN

PRACTIJK.

In verschillende industrielanden heeft het bank-
wezen v66r de grootë depressie een belangrijke rol
géspeeld in het overhevelen van de jaarljksche be-
sparingen naar investeeriugen op industrieel gebied.
Niet alleen inden zin van een bemiddeling tusschen
aanbieders en vragers van kapitaal, maar ook door
het steunen van de industrieele expansie in denvorm
van het anticipeeren op toekomstige besparingen (cre-
dietcreatie). De erustige baukcrises in het begin van
de groote depressie hebben aan het z.g. gemengde bank-
wezen in verschillende landen een einde gemaakt, het-
zij als gevolg van de invoering van bankwetteu, hetzij
als gevolg van de veranderde omstandigheden.
Een van de kenmerken van het moderne bankwezen
is de z.g. scheiding tusschen deposito- en financiering-
of emissiezaken. In verschillende industrielanden is
deze scheiding op grond van de wet voltrokken
(België, Italië en de Vereenigde Staten). De Duitsche
bankwetgeving van December 1934 heeft weliswaar
uitdrukkelijk de scheiding tusschen ,,Depositen”- en
,,Geschhftsbanken” verworpen, maar daarin toch be-
palingen opgenomen om uitwassen te verhinderen,
zooals deze in de periode na den oorlog zijn voor-
gekomen. Een definitieve beslissing op een zoo be-
langrijk onderdeel van het bankwezen paste overigens
niet in de Duitsche bankwet. Immers, deze wet geeft
alleen de hoofdlijnen aan en is daarom zeer elastisch
gehouden; zij laat de uitvoering van de details over
aan de Bankcommissie.
De gebeurtenissen van de laatste jaren hebben reeds
bewezen, dat deze opzet beter is dan het tot in details
vastleggen van allerlei bepalingen in een bankwet,
welke slechts met groote moeite gewijzigd kan worden.
Indien in Nederland ooit een ba.nkwet zou worden
ingevoerd, is de opzet van de bankwetgeving in
Duitschiand te verkiezen boven dien van België en de
Vereenigde Staten. De jongste verschijnselen op het
gebied van de iudustriefivanciering in laatstgenoem-
de landen bevestigen deze opvatting.

Verdere ontsluiting van de kapitaalmarkt in
Duitschland voor particuliere en issies?

De staatsfinanciering in Duitschland heeft de ban-
ken in een merkwaardige positie geplaatst. Voor de
eerste maal in de geschiedenis van het industrieele
Duitschland is een hoogcoujuuctuur tot stand geko-
men zonder directe medewerking van de banken.
Terwijl in vroegere tijden de banken als een soort
motor van de opgaande conjunctuur fungeerden ‘),
zijn de banken in de huidige periode van groote acti-
viteit volkomen passief gebleven ten aanzien van de
industrieele credietverieening. Zelfs is in het begin
van de opleving de post debiteuren bij de banken
nog gedaald. Dit verschijnsel is te verklaren uit de
groote liquiditeit in het bedrijfsleven tengevolge van
de credietexpansie van staatswege. De ondernemingen,
die na 1933 langzamerhand weder op volle kracht
begonnen te werken, gebruikten haar winsten aller-
eerst tot aflossing van vroeger opgenomen bankcre-
dieten. Op deze wijze outdooiden de bevroren vorde-
ringen en de banken kregen zoodoende vaak vorderin-
gen volledig terugbetaald, welke reeds als oninbaar
waren afgeschreven.
De staatsfinanciering was dus in ëerste instantie
oorzaak van de passiviteit in tegenstelling tot de
vroegere activiteit van de Duitsche banken op het ge-
bied van de industrieele credietverieening. De limitee-
ring van uit te betalen dividenden en het embargo van
particuliere emissies op de kapitaalmarkt leidden tot

.1)
Schumpeter’s dynamische ci-ediettheorie (de ,,Neue Kombinationen” doargevoerd met behulp van additioneel
ban.kcrediet) Is kennelijk op de Duitsehe verhoudingen
geïnspireerd.

een sterke interne financiering, waardoor de industrie,
na aflossing van de vroeger opgenomen credieten, zichzelf kan financieren. De financiering uit eigen
middelen heeft dan ook, in, Duitschiand in de laatste
jaren een, enormen omvang bereikt. Volgens een
schatting in het jongste bericht van de Reichs-Kredit-
Gesellschaft heeft de interne financiering in de laat-
ste 5 jaren ongeveer R.M.
6
milliard bedragen.
Zooa]s bekend, is in Duitschlaud in 1938, afgezien
van de nieuw verworven gebieden, een to1:uid van
,,Vollbeschëftig-ung” ingetreden. De grens van de in-
dustrieele capaciteit is door allerlei methoden en
maatregelen weliswaar- verlegd, maar tenslotte was
een sterke uitbreiding en vaak vernieuwing in vele
deelen van de industrie noodzakelijk. Daarbij komt de
noodzaak van een grootere voorraadvorming in be-
paalde bedrijfstakken uit overwegingen van oorlogs-
voorbereiding.
De netto-winsten van de industrieele ondernemin-
gen zijn daarentegen in den laatsten tijd eerder ge-
daald dan gestegen. In de eerste plaats zijn de belas-tingen opnieuw’ verhoogd, terwijl tevens tengevolge
van het bereiken van een toestand van ,,Vollheschitf-tiguug”, de kosten per eenheid product zijn gestegen.
De banken kunnen in het voorzien in de behoefte
aan het z.g. ,,Anlage” kapitaal op tweeërlei wijze
inedewerken; eenerzijds door het onderbrengen van
emissies, anderzijds door het verleenen van credieten
op langen termijn. In beide ‘gevallen is echter een
ontsluiting van de kapitaalmarkt voor particuliere
emissies noodzakelijk. Wel is in de laatste jaren in
verschillende gevallen toestemming verleend voor het
uitgeven van emissies, maar de gevallen hebben
slechts op een klein deel van den totalen omvang
van de kapitaalvraag betrekking. Vandaar dat reeds
geruimen tijd van verschillende zijden op een ver-
sterkte activiteit van de banken in het industrieele
credietbedrijf wordt aangedrongen. En in zijn jongste
rede heeft de Rijkskanselier er op gewezen, dat de ra-
tionalisatie en tecbnische vervolmaking ertoe dwingen
de kapitaalmarkt in grooteren omvang als tot dus-
verre is geschied, voor particuliere ernissies vrij te
geven.

Indien deze ontwikkeling plaats vindt, zullen
de Duitsche banken in staat worden gesteld om, zoo-
als van ouds, z.g. geanticipeerde emissiecredieten te
verleenen. Daarmede zullen zij haar historische rol
op het gebied van de industriefin.anciering opnieuw
kunnen vervullen, zij het weliswaar onder geheel an-
dere omstandigheden. Zooals reeds opgemerkt, is daar-
voor geen wijziging van de bankwet noodig.

Lacune in de industrie financiering in België


De behoefte aan industriefinanciering beperkt zich
niet alleen tot Duitschiand. In België en de Vereenig-
de Staten ondervindt het bedrijfsleven de nadeelen
van een te strenge reglementeering door de bankwet-
geving. Opmerkelijk zijn in dit verband de uitlatingen
in het zoo juist verschenen jaarverslag van de groot-
ste Belgische bank, de Société Générale de Belgique
2)

2)
Wij laten de betreffende passages uit dit verslag hier-
onder volgen:
,,Ln ieder geval kan uit een ervaring van vier jaren de
volgende redelijke conclusie worden getrokken: noch de
depositobanken eenerzijd’s,
noch
de flnancieringsmaatschap-pijen anderzijds, waarin onze zakenbanken gescheiden ver-
den, zijn hij machte de groote industrieele, oommercieele
en koloniale ooncepten, – die de rijkste bronnen u’it,maak-
ten van de economische expansie van België en van den
nangrooi van het vermogen zijner bevoliring – met even-
veel dynanii.sme als de vroegere zakenbanken te verwezen-
lijken, noch er gedurende de periode van organisatie den-
anifden aaizhoudenden steun amen te verleenen (his. 21).
,,Sanienmvattend, is het geoorloofd, na verloop van de ier
jaren tijdens dewelke de banken onder het regime stonden
van de besluiten van 22 Augustus
1934
en van
9 Juli 1935,
de onderstaande gevolgtrekkingen te maken:
De Belgische banken verkeeren in een goeclen staat van
liquidmiteit. Tegenover
1937 is
haar rentabiliteit geslonken;

8 Maart 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

197

Dat de bankwetgeving in België niet aan de ver-
wachtingen heeft voldaan, valt niet te verwonderen.
De banden tussehen banken en bedrijfsleven waren in
België reeds een eeuw oud. In de leemte, die door
de verbreking van •deze betrekkingen is geschapen, is
niet iii voldoende mate op andere wijze voorzien.
Het zijn echter niet alleen de banken zelf, die blij-
kens het aangehaalde citaat, de ha.nkwet een belemme-
ring achten voor de volle ontplooiing van het be-

drijfsleven. Ook uit het bedrijfsleven schijnen deze
k1ichten te komen. De scheiding, welke zich op grond
van de bankwet van 1935 heeft voltrokken tusschen
de depositobanken en de financieringsmaatschappijen
(d(-/e heheeren thans de vroegere aanzienlijke effec-
teuportefeuille van de banken, die zeer groot was), heeft tot gevolg gehad, •dat de ondernemingen, die
niet onder contrôle of invloed van de banken en
financieringsmaatschappijen staan, haar behoefte aan
credieten op langen termijn niet of niet in voldoende
mate kunnen dekken
3)

Industrieele credietbehoefte in cle Vereenigde
Siaten.

Het vraagstuk van de industriefina.nciering is in
de Vereenigde Staten sedert de groote depressie meer en meer op den voorgrond getreden. De verschillende
federale instellingen, die in de laatste 8 jaren zijn
opgericht, hebben slechts gedeeltelijk in de leemten
op dit gebied kunnen voorzien. In een recent memo-
randum aan de Monopolie Commissie wordt gewezen
op de groote moeilijkheden voor het kleinbedrijf om
aan voldoende middelen te komen. In verband hier-
mede wordt een studie voor de oprichting van een
aantal industriebanken aanbevolen.
Doch niet alleen het kleinbedrijf, ook de onderxue-
mingen, welke via de kapitaalmarkt gefinancierd
kunnen worden, ontbreekt het aan voldoenden steun van de zijde van de banken. Dit is in de eerste plaats
het gevolg van de in de baukwet van 1933 voltrokken
scheiding tusschen deposito- en financierin.gszaken; verder door de verscherpte contrôle op emissies. Bo-
vendien heeft de belasting op de onverdeelde winsten
de behoefte aan kapitaal, vergeleken met vroeger, ver-
groot.
De baukwet van 1935 en de daarna gevolgde wijzi-
gingen van October 1937 en Juli 1938 hebben de
mogelijkheden tot verleening van industrieele credie-
tea – van banktechnisch standpunt beschouwd –
doen toenemen. Maar de ,,underwriting” zaken blijven
voor de banken nog steeds verboden en ook sommige
bepalingen van de Securities Act werken nog belem-
merend op de credietverleening.
In dit verband dient er op gewezen te worden, dat
de banken wel bereid zijn tot industrieele credietver-
leening. Dr. Gross heeft er onlangs de aandacht op
gevestigd, dat er bij de banken een priricipieele be-
reidheid bestaat tot het verleenen van industrieele credieten ingeval de zekerheid van consolidatie in
effecten aanwezig is
4)
Dit blijkt duidelijk uit de toe-
nemende gemeenschappelijke financieringszaken van banken en verzekeringsmaatschappijen. In de periode
van Jan.fOct. 1938 bedroegen ‘de
buiten
de officieele
kapitaalmarkt (het meest bij verzekeringsniaatschap-pijen) geplaatste emissies $ 445 millioen tegen $ 390

dit is grootendeeis toe te schrijven aan oinstandi.giheden en
gebeurtenissen van algemeenen aard, waaraan de banken
vreemd zijn.
Voor wat betreft dc beperking aan de bedrijvigheid der
banken opgelegd, is het nieuwe statuut echter, in een
zekeren zin, buitensporig en, moest het naar de opgedane
ervaringen niet verbeterd worden, dan zou het een belem-
merenden invloed kunnen uitoefenen op •hun exploitatie
en op de doelbreffendhcid van (hun functie van krediet-
bedeelsters.”
Zie het artikel van Dr. 0. Ronart – ,,Bankoontrôle
en bankbedrijf in ‘België” in De Economist van Februari
1938.
In Bank-Arehiv van 1 Januai-i
1939.

millioen in dezelfde periode van 1937. Het aandeêl
van dit soort ernissies in het totale bedrag aan emis-
sies steeg van een zesde tot een vierde. Daar de
levensverzekeringsmaatschappijen slechts grootere

emissies kunnen overnemen, blijft he.t vraagstuk van
de ontoereikende kapitaaJverzoging van de industrie
bestaan.

Zeer opmerkelijk is verder, dat volgens Dr. Gross
de verzekeringsmaatschappijen dit emissiebedrijf zelf
ter hand hebben genomen. Bijna alle groote verzeke-
ringsconcerus beschikken over eigen emissie-afdee-
lingen, die in toenemende mate aan de ,,underwrit-
ing” van openbare emissies deelnemen. De concurren-
tie van do leveusverzekeringsmaatschappijen moet niet
onderschat worden. Zij weten, in tegenstelling tot de
banken, tot hoe lang zij over bepaalde middelen kun-
nen beschikken en kunnen mede ook daardoor credie-
ten op langeren termijn verleenen.

Naast de concurrentie van de verzekeringsconcerns
blijft de mogelijkheid tot grootere activiteit van de
Regeering op dit gebied bestaan. Dit vraagstuk is op
de jongste vergadering (November 1938) van de Ame-
rican Banicers Association ter sprake gekomen, waar-
bij er door den inleider over dit onderwerp op aan-
gedrongen werd, dat de banken een studie zouden ma-
ken van de nieuwe eischen, welke de industrieele
credietverleening stelt
5).

Hoe dit ook zij, het blijkt uit deze voorbeelden, dat
de wetgeving in de Vereenigide Staten een van de
oorzaken is van de onvoldoende voorziening van het
bedrijfsleven met credieten op langen termijn.

En/cola opmericingen..

Een van de belangrijkste economische problemen,
waarmede de groote crediteurlauden op het oogeublik
te kampen hebben, is de storing van het proces van
de besparingen tot investeeringen. Dit vraagst.uk
is
van verschillende kanten te beschouwen. Het komt ons echter voor, ‘dat in de discussies over de werk-
loosheid (een van de gevolgen van de geringe inves-
teeringsbedrijvigheid) te weinig aandacht wordt be-
steed aan de fouten in de Organisatie van de indus-trieele credietverleening. De w’ijzigingen., die zich
na den oorlog op industrieel gebied en op de kapitaal-
markten in den ruimsten zin ‘des woords voltrokken
hebben, zijn van dien aard, dat de huidige structuur
van het financieele mechanisme daarbij niet voldoende
is aangepast.

In ieder land liggen daarbij de verhoudingen an-
ders. Een algemeen verschijnsel is echter, dat het
bankcrediet niet meer die scheppende functie heeft
als v66r den oorlog. Het is onjuist om de oorzaak
daarvan alleen bij het bankwezen te zoeken.. In alle
landen is het risico van de industrieele crediet.ver-
leening toegenomen door de economische, fiscale, mo-
netaire en sociale politiek. Dat echter de huidige
finaucieele organisatie, zooals deze in de Vereenigde Staten en België door de bankwetgeving iii het leven is geroepen, verre van ideaal is, bewijzen de geschet-
ste moeilijkheden in die landen.
Het gemengde bankstelsel moge bezwaren hebben,
de nieuwe organisatie,
ideaal
op papier vooral uit
liquiditeitsoogpunt, heeft dit eveneens. Het verschil
is echter, dat dle nadeelen van het gemengde bank-
wezen zichtbaar werden, terwijl de nadeelen van een
verkeerde financieele Organisatie verborgen blijven of
niet precies zijn vast te stellen.
In elk geval blijkt hieruit, dat het vraagstuk van
de industriefinanciering, ook in het buitenland, nog steeds actueel blijft, mede door het feit, dat het nog

andere punten bevat, die hier niet ter sprake zijn
gekomen.
‘v.
d. V.

Zie de rede van E. N. Dekker, Assistau.t Vice-Presi-
dent van de National City Bank of Cleveland, over ,,In-
termediate Credit for Industry” (afgedrukt ‘in de speciale
bijlage van Tke Oonimeroial & Fimencial Chronicle van
3 Dec.
1938).

198

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8 Maart 1939

HET RESTRICTIE-PERCENTAGE VOOR

1939/1940 VOOR DE THEE.

Besivit van het I.T.C.

1-let door het ,,International Tea Committee” in
zijn vergadering van 3 Maart ji. genomen besluit om
het restrictie-perceutage voor het restrictie-jaar 1939
—1940 vast te stellen op 10 pCt,., waardoor dit per-
centage dus 234 pCt. hooger is dan dat van het vorige restrictie-jaar, geeft ons aanleiding cle theepositie aan een nader onderzoek te onderwerpen, teneinde dit be-
sluit te toetsen aan de thans bekend zijnde statisti-
sche gegevens, en, voor zoover mogelijk, eenige toe-
komstverwachtingen daarop te haseeren.
Flacht het International Tea Committee vroeger
steeds het restrictie-percentage voor het komende res-
trictiejaar in de maand November te bepalen, thans
is dit voor het eerst slechts kort voor het ingaan van

de nieuwe restrictie-periode vastgesteld, hetgeen zijn
oorzaak in hoofdzaak vindt in het feit, dat het Co-
mité, o.i. terecht, van meening was, dat korten tijd
voor het ingaan der nieuwe restrictie-periode een
betere beoordeeling der marktpositie mogelijk was,
dan ruim vier maanden van tevoren. Tenslotte zijn
de statistische gegevens, die voor het verkrijgen van
een inzicht in de marktpositie noodig zijn, steeds en-
kele maanden oud, en moet het dus juister worden
geacht om slechts korten tijd voor het ingaan der
nieuwe restrictie-periode aan de hand der ter beschik-
king staande gegevens de marktpositie te beoordeelen.
Allerwegen werd in theekringen verwacht, dat het Comité tot een verzwaring van het restrictie-perceh-
tage zou overgaan, omdat een verdere toeneming der
zichtbare voorradei. ongewenscht werd geacht. Men
discussieerde in hoofdzaak over de grootte van het
percentage i.c. ging het om 10 of
1234
pCt. restrictie.

Statistische positie.

Vergelijken wij ‘de verhruikscijfers, voor zoover deze
bekend zijn over het thans loopende restrictie-jaar
1938—’39, met die van dezelfde periode van het voor-
afgaande restrictie-jaar, dan kan op een toeneming
van het verbruik worden gewezen. Wij laten deze
cijfers hieronder volgen:

Venbruik in iiiillioetien lbs.
1)

April/Nov.
1938
April/Nov.
1937
Europa ………………..
354

338 Noord- en Cejitraal-A’mei’ika

80

86
Zuid-Amerika ………….
S

9
Azië ………………….
31

34

Afri’k

48
Oceauië ……………….
42

41
Produotieianden . ……….
5

5

Totaal …………
572

561

1)
De in dit artikel verwerkte statistische gegevens zijn
ontleend aan: de Monthly Bulletins van het 1nternatinal
Tea Committee.

Een vermeerdering van het totaal-verbruik van ca.
11 millioen lhs. valt te constateeren, hetgeen in hoofd-
zaak te danken is aan het belangrijk grooter verbruik
i»an Europa (ca. 16 millioen lbs. meer). Noord-,

Centraal- en Zuid-Amerika geven een vermindering
van het verbruik te zien, (ondanks de dure en inten-
sieve propaganda-actie in de Vereenigde Staten!), terwijl daarentegen in. Afrika en Oceanië het ver-
bruik is toegenomen. Zou in de resteerende vier
maanden van het restrictie-jaar 1938 de toeneming
van het verbruik gelijk blijven aan die gedurenide

de eerste 8 maanden, dan zou het verbruik een toe-
neming te zien geven van ca. 1634 millioen lhs. of
nog geen 2 pCt. van het totaal-verbruik.
Tegenove deze te verwachten toeneming vati het
verbruik staat de op grond van het toegestane export-
quotum 1938—’39 te verwachten vermeerdering van den export van Nederlandsch-Indische, Britsch-Indi-
sche en Ceylon-thee, welke ca. 4334 millioen lbs. he-

draagt. (Totaal te exporteeren in 1937—’38 724.5
millioeu lbs. tegenover 1938—’39 767.9 millioen ‘Eng.
ponden). Op grond van deze cijfers kan men dus aan
het einde van het restrictie-jaar 1938—’39 een toe-
neming der wereldvoorraden verwachten van ca. 27
miflioen lbs., indien wij aannemen, dat de exporten
der ,,outsiders” in dit jaar onveranderd zijn gebleven.
Dit valt echter moeilijk te heoordeelen, omdat de Chi-neesche exporten in de eerste maanden van 1938 door de gevolgen van het Chineesch-Japansch conflict zeer
laag zijn geweest, maar daarna hoven het gemiddelde
hebben gelegen, zoodat hij de vergelijking van de
e-xportcijfers April/Novmher 1938 en 1937 met dien
factor rekening moet worden gehouden.
Wij laten niettemin deze cijfers volgen om hier-
mede aan te toonen, hoe sterk de exporten in China
juist in de periode April/November 1938 weer zijn
gestegen, waarbij wij mogen vermelden, dat de terug

gang van den uitvoer in de eerste 3 maanden van
1938 ca. 19 millioen lhs. had bedragen.

Export in duizenden lbs.

April/November
1938
Apri]/Novenhbcr
1937

China

…………..
71.617
50.229
Japan

………….
27.582
40.626
Formosa

………..
18.650
18.700
Nyasalan.d

……….
3.889 3.480
Kenya

………….
5.257
5.759
Fransch

Judo-China
3.253 3.168

Totaal ……
130.248

121.962

Valt aan de hand van deze cijfers dus moeilijk te
voorspellen of deze toeneming zich gedurende de res-
teerende vier maanden in haar geheel zal weten te
handhaven, toch achten wij een misschien in ver-
houd ing geringere toeneming niet onwaarschijnlijk.
Is deze verwachting juist, dan zullen de wereld-
voorraden, dus boven de hiervoor berekende 27 mil-
lioen lbs., aan het eind van het restrictie-jaar 1938–
1939 nog met het export-surplus der ,,outsiders” toe-

nemen.

Als wij nu de voorraadcijfers te Londen, die immer
een helangrijken maatstaf vormen voor de zichtbare
werelclvooi-raden, van het tweede halfjaar 1938 ver-
gelijken met die van het tweede halfjaar 1937, dan
valt te constateeren, dat in het eerstgenoemde tijdvak
‘de voorraden, te Londen. gemiddeld 34 millioen lhs.
hooger waren dan in de laatstgenoemde periode.
De voorraden in Engeland lagen gemiddeld 38 mii-
ben lhs. hooger in de overeenkomstige periode.
Echter verbeterde de voorraadspositie zich eenigs-
zins in het begin van dit jaar en waren de voorraden
in Engeland ultimo Januari 1939 ca. 25 millioen lbs.
hooger dan op hetzelfde tijdstip in 1938 en slechts
ca. 28 millioen. lhs. hooger ten opzichte van ult..

Januari 1937.
Ook te Londen was dit het geval, zoodat ulto.
Februari ji. daar cle voorraden nog slechts 19 mii-
lioen lhs. hooger waren dan ulto. Februari 1938, en
ten opzichte van ulto. Februari 1937 was het verschil

26 millioen lbs.

De situatie bij het nemen van het besluit tot ver-
hooging. .

llesumeerende mogen wij dus vaststellen, dat de
situatie, waarin de theemarkt verkeert op het oogen-
blik, dat het Comité het besluit had te nemen omtrent het restrictie-percentage van het restrictie-jaar 1939–1940, weergegeven wordt door de volgende feiten:
le. de exporten gedurende het loopende restrictie-
jaar lagen ongeveer 27-35 millioen lhs. hooger dan
het verbruik.;
2e. de voorraden, tot uitdrukking komende in die
te Londen en in geheel Engeland, waren toegenomen
met eemi hoeveelheid, die ongeveer gelijk was aan, het

totale export-surplus;
3e. de export-capaciteit der ,,outsiders” was voor

8 Maart 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

199

een goed. deel (zoo niet geheel) hersteld van de na-
deelige gevolgen van het conflict in het- Verre Oosten.
Dat het Comité dus op grond dezer feiten zou
willen besluiten tot een verscherping der restrictie
moge duidelijk zijn, aangezien een verdere toeneming
der voorraden zou zijn te verwachten hij een gelijk-
blij ‘end restrictie-percentage, hetgeen algemeen on-
gewenscht werd geacht met het oog op den psycholo-
gischen invloed, dien dit in het huidige tijdsgewricht
zou hebben.
Ter nadere bepaling van den omvang van het res-trictie-percentage heeft het Comité zich rekenschap
te geve.n van den te verwachten omvang van het
verbruik en van den export der ,,outsiders”.
Men zou mogen veronderstellen, dat het Comité
bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van
een restrictie-percentage voor de periode 1939—’40
van 10 pCt., zoowel het verbruik als de export-moge-
lijkheid der ,,outsiders” heeft geschat op een omvang
ongeveer gelijk aan dien in het voorafgaande jaar.
Immers, slechts indien dit laatste het geval zal zijn,
kan bij een restrictie van 10 pCt. ongeveer een even-
wicht tusschen aanvoeren en verbruik te verwach-
ten zijn.

Bij een toekomstig verbruik, dat ca. 2 pCt. hooger
ligt dan dat gedurende het restrictie-jaar 1937—’38
en een export der ,,outsiclers” gelijk aan dien gedu-
rende ditzelfde restrictie-jaar zou men een volgend
verloop mogen verwachten:

te verwachten verbruik 1939-40 870 mill. lbs. (2
pCt. hooger dan 1937—’38;

export-quotum 1939—’40 727 mili. lbs.;

te verwachten export ,,outsiders” 19 39—’40 102
mill. lbs. (gelijk aan 1937—’38);

te verwachten toeneming wereidvoorraden 13
mill. lbs.

De export-capaciteit der ,,outsiders” zou echter in
het komende restrictie-jaa.r wel eens op een hooger
niveau kunnen liggen dan wij bij bovenstaande op-
stelling hebben aangenomen. Overigens zou cle toe-
neming van het verbruik, die de statistische gege-
vens over de periode April/Nov. 1938 te zien geven,
minder waarde hebben voor de toekomst-verwachting,
indien deze consumnptievermeerderiimg een gevolg was
van cle op cle theemarkt herhaaldelijk rondgaande ge-
ruchten van de vorming van geheime voorraden door
cle Engelsche regeering, waarbij zelfs hoeveelheden
van 80 millioen lhs. worde.n genoemd. Wij kunnen
echter moeilijk beoordeelen, in hoeverre aan deze ge-
ruchten’aa,rde moet worden toegekend. Men mag echter verwachten, dat het I.T.C. van de
waarheid dezer geruchten op de hoogte is, zoodat
het, althans wat het te verwachten consumptie-cijfer betreft, beter was ingelicht 1dan de theemarkt. Voor
het Comité is de moeilijkst te schatten factor waar-
schijnlijk wel geweest de export der ,,outsiders”.

Conclusie.

In dit licht bezien, meenen wij te mogen. conclu-
deeren, dat het besluit van het I.T.C. eenige waar-
borgen biedt, dat op de theemarkt vooralsnog wel
een bevredigend prijsverloop kan worden gehand-
haafd, terwijl daarnaast de matige verhooging van
het restrictie-percentage voorkomt, dat de theeprijzen
op een te hoog niveau zouden belanden, hetgeen het
verbruik niet ten goede zou komen.
Dit zou immers niet in het belang zijn van cle
propaganda-actie, die bijna over de geheele wereld
gevoerd wordt voor een grooter theeverbruik.

Mr.
F. W. A. DE KOOK VAN LEEUWEN.

INGEZONDEN STUKKEN.

KUNSTMATIGE WERKVERRUIMING EN

RENTABILITEIT.

De Heer Meyer de Vries schrijft ons:

De beschouwingen van Mr. Dr. A. van Doorniack
tegen hetgeen ik onder meer mocht vertellen over de
beteekenis van eenige groote werkohjecten ten be-
hoeve van de directe en blijvende werkverruiming in ons land, culmineeren in de volgende stellingen:
,,Alleen dan immers kan men van productief werk ,,spreken, indien het in deze werken vastgelegde ka-
,,pitaal normale rente afwerpt”, en verder
,,De productiviteit van een onderneming moet uit-
,,sluitend naar haar eigen baten en lasten worden be-
,,00rdeeld.”
Tie
vorenstaande denkbeelden huldigt – de op-
vatting van den geachten opponent, den heer Van
Doorninck, blijft sedert vele jaren in alle opzichten
onveranderd en bij hem sluiten zich aan de zg-n. negen
mannen, wier opvattingen de heer Van Doorninck
uitdrukkelijk naar voren schuift – kan zich uiter-
aard principieel niet vereenigen met de denkbeelden,
welke er toe geleid hebben om objecten in uitvoering
te nemen, die door mij in
E.-S.B.
van 28 December
zijn belicht.
De denkbeelden van de negen mannen, althans zon-
als de heer Van Doorninck er gestalte aan geeft, gaan
uit van, een utopie. Wanneer ons vaderland contin-
genteeringen, verhoogde tarieven, tolgrenzen, export-
premies, werkloosheid, toenemende bevolking enz., niet
zou kennen, wanneer alle fabrieken volop zouden
werken, er voortdurend een tekort aan arbeidskrach-
ten was, de goederen, ‘die de fabrieken voort-brachten,
vrijuit overal heen konden worden vervoerd zonder
eenige belemmering, wanneer al deze belemmeringen
ook niet golden voor hen, die wilden emigreeren, wan-
neer de internationale verhoudingen schitterend wa-
ren, wanneer het niet noodig was, de defensie tot een
,,uniek” belang voor Nederland te verklaren, en de
werkloosheidsbestrijding eveneens niet op een ,,uniek”
niveau behoefde te staan, als dit- alles het geval was,
dan zou het niet noodig zijn een uiteenzetting te geven
van groote cultuur-technische werken en zou wellicht
het Ijsselmeer nog den naam dragen van Zuiderzee.
Waren de omstandigheden zoo mooi als ik hier juist
schetste, dan zou het wellicht mogelijk zijn, van Ne-derland een land te maken, dat administratief en gel-deljk ongeveer overeenkwam met ,,een onderneming
met eigen baten en lasten”, waarin ,,het vastgelegde
kapitaal normale rente afwerpt”.
Helaas, helaas, de toestand is anders, geheel anders zelfs. Is het noodig, om hier in den breede te schetsen
de zware zorgen, waaronder ons land gebukt gaat en
die geheel tegengesteld zijn aan die, welke ik hiervoren
weergaf als te zijn die van utopia; een schets te geven
van de ernstige internationale moeilijkheden op han-
delspolitiek gebied, een beeld van de moeilijkheden
bij den nitvoer, een uiteenzetting van de zware werk-
loosheid, die ons volk treft, een toelichting op de
zware lasten, welke uit een oogpunt van defensie op
ons worden gelegd? Het zou zijn water naar de zee
dragn om dit alles hier in den breede weer te geven.
Aangezien wij nu met deze enorme moeilijkheden
hebben te kampen en omdat tot heden geen reëel
middel werd aangegeven om uit deze moeilijkheden
te komen, en ook de heer Van Doorninek in zijn laat-
ste artikel dit niet doet, staan anderen er voor, ht
leed tot de kleinst mogelijke verhoudingen terug te

brengen.
Omdat wij groeien ,,in tal en last”, omdat er in ons
land gelukkig meer ,,kinderwagens” dan ,,rolwagens”
zijn, omdat bij de overgroote meerderheid van ons
volk, en met dit volk bij zijn Regeering, het begrip
arbeid bovenaan staat en niet het steuntrekicen zon-
der meer, wordt met kracht gestreefd, die objecten
tot uitvoering te brengen, welke bij meer utopische

200

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8 Maart 1939

verhoudingen wellicht achterwege zouden kunnen
blijven,
maar die nu
moeten worden aan gevat.
Wie de hierbedoelde objecten uitsluitend wenscht
te bezien door de bril van den financier, wiens voor-
naamste en eigenlijk’ eenige doel is het verkrijgen van
een ,,normale” rente van het ingestoken kapitaal,
moet zonder meer bedrogen uitkomen. Wie echter de
feiten ziet, welke deze zijn, dat door de vele ontgin-nings- en ontwateringswerken, door de ruilverkave-
ling, door de inpoldering van het IJ’sselmeer e.d.
niet alleen tienduizenden dag in dag uit regelmatig
aan den arbeid zijn en daardoor onttrokken aan den
demoraliseerenden lediggang, maar ook, dat vele dui-

zenden er een blijvende werkgelegenheid door hebben
gevonden, ook al vergt dit onder bepaalde omstan-digheden een extra-offer van de gemeenschap, zal,
moet hij een keuze doen tussehen wat de heer Van
Doorninck wil en wat de Regeering voorstaat, zich
onomwonden scharen achter de Regeering, ‘die open
oog heeft voor de geweldige beteekenis, welke de
werkverruiming biedt.

Ik weet, dat hier en daar de beteekenis van deze
directe, indirecte en secundaire werkverruiming niet
altijd even, hoog ‘wordt aangeslagen, mede omdat niet
aanstouds de rente van het ingestoken kapitaal op
tafel ligt, doch ook omdat de papierenrekening niet
altijd aanstonds ,,sluit”, doch wie niet aan den bui-
tenkant blijft, doch doordringt in wat werkelijk ver-
kregen is en wordt, idoordat deze werkverruiming is

aangevat, moet na korte studie tot de conclusie
komen,, dat wat gaat gebeuren het waarachtig dienen van het volksbelang is.’

Een groote factor in dat alles is nog de strijd
tegen de demoralisatie, welke het gevolg is van de nu
reeds jarenlange ononderbroken steunverleening voor
honderdduizenden. Ik wil slechts één cijfer noemen en
wel dit. Nu al lang achtereen wordt jaarlijks een 90
millioen Gulden uitgekeerd aan steun voor werkloo-
zen, waarvoor geen arbeid is verkregen. Welk een
mogelijkheid van niet te ontgane vei-wording ont-
staat bij hen, die dag in dag uit niets anders doen
dan stempelen. Wie twijfelt aan wat hier gegroeid
is, moet zich eens als vrijwillig huisbezoeker opgeven
en ten minste een half jaar dagelijks in de werkloo-
zenzorg medewerken. Hij geve dan zijn conclusies.
Ik ben er van overtuigd, dat hij dan, met volle waar-
deering voor de goede bedoelingen, welke voorzitten
bij hen, die zoo sterk den nadruk leggen op ‘de
nor-
male
rente van het
ingestoken kapitaal,
tot deze eind-
conclusie moet komen, dat wat de negen mannen
voorstaan, geen zegen is voor ons volk, doch dat
staatsmanswijsheid is, wat in den winter van 1938/ 1939 door de Regeering zoo sterk naar voren werd
gebracht en waarvan met aan zekerheid grenzende
waarschijnlijkheid mag worden verwacht, dat het
reeds in de naaste toekomst, maar vooral uiteindelijk, blijvende vruchten zal opleveren voor land en volk.

Ir. V.
J.
P. de Blocq van Kuffeler schrijft ons:

De opmerkingen van den heer Van Doorninck be-
treffende de financiering ‘der Zuiderzeepolders in dit tijdschrift van 22 Februari 11. op blz. 149, geven mij
tot een paar opmerkingen aanleiding.
De geachte schrijver schijnt van oordeel te zijn, dat het ontoelaatbaar is bij de huidige conjunctuur
een werk uit te voeren, dat economisch verantwobrd
is, wanneer de aanlegkosten worden verminderd iet
de besparing op de kosten van werklooshei’dsvoorzie-
ning, welke van de uitvoering het gevolg zijn.. Dit
lijkt mij niet juist; door het noodzakeljker’wijze uit
te geven geld niet beschikbaar te stellen voor den
steun, maar voor het werk, komt de gemeenschap niet
voor grootere uitgaven te staan, terwijl daarentegen
een werk wordt verkregen, dat dan economisch ver-
antwoord is en derhalve de volkskracht verhoogt, ter-
wijl, zonder dat dit een cent meer kost, een groep
arbeiders arbeid vindt in plaats van in den demorali-

seerenden steun te loopen. Wanneer het werk na het
gereedkomen blijvende werkverruiming veroorzaakt, zal het, zoolang de ernstige werkloosheid voortduurt
tot vermindering der lasten daarvan bijdragen.
Was aanvankelijk het doel van de gedeeltelijke
droogmaking van de Zuiderzee het verkrijgen van
nieuwen eultuurgrond, onder de huidigè conjunctuur
is daarnaast een tweede belang voor den Staat ge-
komen, nl. de. werkverruiming.
In mijn aangehaalde voordracht heb ik duidelijk
naar voren gebracht, dat d.e Wieringermeer, in tegen-
stelling met de verwachtingen bij den opzet, een groot
tekort oplevert; ook de oorzaken daarvan gaf ik aan.
Naast de landaanwinning heeft de uitvoering echter
het onvoorziene voordeel van beperking’ der werk-
loosheid opgeleverd en ik zie, in verband met het
voorgaande, geen reden waarom het financieele resul-
taat van dit voordeel niet in rekening zou mogen wor-
den gebracht bij de bepaling van hetgeen ten laste
komt van het andere voordeel, de landaanwinning. Op
dezen grond heb ik in mijn voordracht het totale
bedrag der kosten van de Wieringermeer, inclusief
rente ad 100 millioen, verminderd met het bedrag van 17 millioen, dat tengevolge van de uitvoering
aan steun werd bespaard, en de kosten gebracht op
83 millioen. Het bedrag van 17 millioen is een schuld,
ontstaan tengevolge van de noodzakelijke werkloos-
heidsvoorziening; dat deze is ontstaan, is een gevolg
van een verklaa,rbare maar feitelijk onjuiste financie-
ring dier voorziening.
Bij den N.O. polder ligt het geval eenigszins an-
ders, doordat bij de beslissing omtrent de uitvoering
wel werd voorzien, dat deze een beperking van de
werkloosheid zou opleveren.

Bij de overweging dier beslissing werd aangetoond,
dat de rente vn het bouwkapitaal ruimschoots ge-
dekt zal worden door besparing
01)
de werkloosheids-
voorziening. Tengevolge van de uitvoering van het
werk wordt het tekort der gewone middelen dus niet
verhoogd, eerder iets verlaagd, zoodat de rente van
het bouwkapitaal niet zal leiden tot verhooging van
de Staatsschuld en dientengevolge ook later geen las-
ten op den N.O. polder zullen ‘drukken.
De kosten van dezen polder mogen dus worden ge-
steld op de aanlegkosten van
f
2600 per bruto ha,
een bedrag waaraan de Regeering geen te groot risico
verbonden achtte.

Opgemerkt zij nog, dat in dit bedrag naast de waar-
de van, den grond zijn verdisconteerd de algemeene
voordeelen van landaanwinst, welke bij’ vroegere sub-
sidies voor landaanwinning door de Regeering op
vele honderden guldens per ha (tot
f
900 toe) wer-
den gewaardeerd.

Naschrift. Ik ben ‘den heer Meyer de Vries in
zééverre dankbaar voor zijn poging om mijn, inzicht
in den arbeid van zijn dienst te verhelderen, dat uit zijn nadere beschouwing blijkt, dat gelukkig
ook naar zijn inzicht de verkverschaffing, zooals
zij thans is georganiseerd,
niet is
een voor normale
tijden ecbnomisch verdedighare staatswerkzaamheid,
maar een Overheidszorg, die uitsluitend haar recht-
vaardiging vin’dt in de tegenwoordige abnormale
omstandigheden. Dat is al veel gewonnen! Wij ver-
schillen dus blijkbaar niet zoozeer in onze diagnose
van den economischen toestand als wel in de genees-
middelen.

Zullen wij echter over die geneesmiddelen met
kans op succes van gedachten kunnen wisselen, dan
is véér alles noodig, dat wij ons op zuiver zakelijk terrein blijven bewegen. Ik heb daarnaar gestreefd
toen ik aanstoot nam aan de verklaring van den heer
Meyer de Vries, dat een inpoldering in de gemeente
Zeven,huizen, welke op een kostprijs van
f
1.327.000
een verlies zal opleveren van
f
922.000, ,,niet alleen
,,uit een oogpunt van directe werkverruiming, maar
,,oôk voor de blijvende werkgelegenheid volkomen te
,,verdedigen zou zijn.”

Gem.
’29 ’30
’31
’32
’33
’34 ’35 ’36
’37
’38

101.9 94.2
73.6 48.3
51.5
47.1
50._
56.8
73.3
67.-.

73.1 34.1
22.7
13.6
10.7 16.7 14.1 13.9
26.2
17.7

119.-
90.1
60.7 45.6 48.7
48.1 52.1
57.6
77.8 75.3

114.4
100.4
83.-
70.7 80.7
77…
69.9
78.2
108.5
123.7

95.6
71.6
52.2 38.4
41.-
37.7 39.7
0.2
78.-
70.7
88.6
63.9
45.9
33,4
40.-
47.3
49.4
58.2
77.-
72.-

Jan.
’37

72.2

20.5

77.5

95.-

71.4

77.2
Febr.

77.1

26.4

79.5

105.4

78.5

80.3
Mrt.

78.5

31._

79.8

103.5

81.4

87.4
April,,

75.-

30.1

77.8

101.4

78.4

81.7
Mei

72.6

28.4

76.9

101.6

77.6

76.8
Juni

72.8

27.6

77.

106.3

79.8

78._
Juli

74.4

28.9

78.8

115.1

83.3

80.5
Aug.

77.4

30.9

82.9

120.7

87.4

82.9
Sept.

74.5

28.3

80.4

118.4

82.4

78.4
Oct.

69.-

22.5

74.5

109.6

72.7

66.7
Nov.

68.9

20.2

74.3

109.1

71.3

66.1
Dec.

69.1

19.6

74.-

114.5

71.1

66.9

Jan.
’38

71.1

19.2

77.1

118.7

72.5

70.1
Feb.

71.-

18.1

78.6

119.1

71.8

71.9
Mrt.

69.8

18.-

76.7

118.7

69.7

72.5
April

68.1

16.5

75.4

120.6

68.2

68.9
Mei

67.4

16.4

75.8

122.2

.69.3

69.5
Juni

64.-

16.2

75.1

124.2

68.9

71.8
Juli

67.8

19.4

76.2

130.7

72.2

75.4
Aug.

67.5

19.1

75.7

126.9

72.4

74.9
Sept.

64.1

17.5

70.5

121.4

68.3

70.-
Oct.

65.7

18.-

74.5

127.4

72.3

73.4
Nov.

64.8

17.8

75.1

128.-

72.4

73.1
Dec.

63.5

16.8

7.3.6

127.7

71.1

72.8

Jan.
’39
1

61.3

16.1

70.3

124.8

68.-

71.6
Feb.
,,

59.6

15.3

69.2

122.8

65.8

67.2

lndexcijfer. der totale beurswaarde
2
Januari
1939
f
3.794.61

4
Jan.
100.1 18
Jan.
95.5 1
Feb.
93.7 15
Feb.
93.3
11

,,

97.6 25

,,

90.2 8

,,

93.7122

,,

93.4
1)
Men zie voor de toelichting op dit overzicht het nummer

8 Maart 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

201

De heër Meyer de Vries kan deze opmerking niet
weerleggen met het verwijt, ‘dat ik dergelijke objecten uitsluitend zou wrenschen te. zien door de bril van den
finaucier, wiens voornaamste eneigenlijkeenige doel
zou zijn, het verkrijgen van een normale rente van
het ingestoken kapitaal. Want al acht ik een plan,
dat bij uitvoering aanstonds afschrijving van 70 pCt. van het geïnvesteerde kapitaal noodig maakt, econo-
misch niet verantwoord, daarmede heb ik niet den ren-
tabiliteitseisch als onvoorwaardelijk critbrium ge-
steld. Vooral indien de geachte schrijver dan daar-
aan vastknoopt beschouwingen over den demoralisee-
renden invloed van de jarenlange ononderbroken
steunverleening, wekt hij den schijn van te willen
poseeren als beschermer van de werkloozen tegen het
keiharde egoïsme van den kapitalistischen financier.
Laat ons dien kant niet verder opgaan! Ik ben
evenzeerovertuigd, dat de heer Meyer de Vries eer-
lijk meent, dat hij de werkloosheid reëel bestrijdt als voor mij vaststaat, dat hij met zijn werkverschaffing
bezig is de arbeidsmogelijkheden in ons land steeds
verder in te krimpen. Acht de heer Meyer de Vries
dit standpunt zuiver negatief, dan wil ik gaarne daar-
aan nog toevoegen, dat er naar mijn inzicht slechts
één middel bestaat om de werkloosheid te bestrijden,
dat is het voortbrengen van zoo goed mogelijke pro-
ducten tegen zoo laag mogelijken kostprijs. Indien
de heer Meyer de Vries dit middel niet deugdelijk
acht is het zijn goed recht dit aan te toonen, maar

MAANDCIJFERS.
Indexcijfers van Nederlandsche aandeelen.
1)

Indexcijfers van
12
aandeelengroepen der Amster

De Bank voor Handel en Scheepvaart te Rotterdam zendt

dan met zakelijke argumenten en niet met phrases
over de demoraliseerende werkloosheid, . waarvan de
heer Meyer de Vries niet het recht heeft te veron-
derstellen, dat zij hem meer ter harte zou gaan dan
mij. Dit is temeer noodig nu het tegenwoordige sys-
teem den schuldenlast van den Staat veel sneller doet stijgen dan dat het de werkloosheid doet dalen, en nu
bovendien de Rijksbegrooting een tekort vertoont, dat
slechts gedekt kan worden door een belastingverzwa-
ring, die aan het bedrijfsleven steeds nieuwe moeilijk-
heden oplegt.

Wat de .opmerking van den heer Ir. De Blocq van
Kuffeler betreft, kan ik kort zijn. Of een werk al of
niet economisch verantwoord is, hangt m.i. af van
de baten, wélke uit dat werk worden verkregen in
verhouding tot de lasten, welke
te
dier zake aan de
gemeenschap worden opgelegd. Ter wille van de zui-
verheid dezer vergelijking acht ik he

t niet juist de
lasten te verminderen met een uitgaaf, welke om
andere reden toch gedaan zou zijn. Een feit is, dat
die uitgaaf plaats heeft als onderdeel van de inpol-
deringskosten, en dat dus de kostprijs van den droog-
gernaakten grond per ha berekend moet worden met
inbegrip van dit onderdeel. Ik hëb in mijn bestreden
artikel met voorbeelden aangetoond, hoe gevaarlijk
het is van een zuivere kostprijsberekening af te
wijken.

A.
VAN DOORNINOK.

lamsche effectenbeurs. Basis
2
Januari
1929 = 100.

)ns onderstaand overzicht:

Banken 1
Kunst- Industrie

citeit

ondern.
Electri- Handels-
Mnbouw Olie

Rubber Scheep- Suiker

Tabak

Thee
1
beurs-
zijde
vaart

waarde

99.1
100.2
95.._
99.9 87.3
92.7
103.2
93.1
52.1
71.-.
76.2 65.5 74.5 84.3 52.3
.

48.2
47.1
46.3 45.5
46.3
55.1 34.1
17.6 29.3
27._
25.8
30.8
37._
41.-
26.7 28.2 27.4 25.4
39.5
40.5
39.-
40.6
22.2 23.2 26.2 50.2
39.4
43.8
43.2
23.7
24.4
29.3
47.1
42._
73.1
58.7
34.8 37.1
44.8 51.5
55.2
99.-
101.1
73.6
60.4

76.4
77.7
82.7
71.5 85.4
53.9
51.8 67.4
69.-

102.2
103.9
61.5 60.9 60.2 70.5 77.2
107.6 110.8
64.3
62.2 64.9 80.5 81.3
106.1 129.3
73._
65.9
65.5 86.3
82.7
102.4
117.5
77.6 62.4 61.8 83.8
80.-
102.1 110.1
74.4
61.3

76.8
78.6
103.8 104.8
73.5 63.5 59.2
74.4 79.1
102.3
106.3
78.8
64.5 60.9
78.4
80.2
105.-
110.5
87.9
67.7 63.5
82.4 83.8
98.-
99.3
82.4
61.3
57.9 79.6 79.2
88.5
76.4
71.7 52.7
51.-
69.8 71.1 83.5 70.7
67.9
49.8
51.-
67.1
69.
87.3
73.2
67.6 51.9
52.2
66.6
70.3

90.8

70.7
54.5
55.1
69.8
73.-
88._
72.1
68.1
52.-
56.1
68.2 72.2
82.8
68.2 65.6 50.5 54.6
66.8
69.7 80.7 63.9 63.6 48.8 51.7 64.4
67.7 79.3 84.3 64.1
49.1
50.9
63.7
67.4 79.9
64.1
62.5
51.7
49.6
64.1
66.8
85.4 77.5 66.4 56.3 52.8
68.3 70.6
84.7
76.8
64.5
57…
52.2
69.2 70.2
8Ö.5
71.9
.

61:6
54.4
.

49._
66.2
66.3
82.8

67.-
56.5
52.4
70.5
69.2
81.5.
.

75.6 66.7
57.7 50.7
69.8 68.8
78.1
72.6
65.1 58.1
47.3
68.3
67.-

77.3 67.9
63.4 53.9 44.8 66.4
64.8
76.6
64.9
60.9
51.4
43….
63.9
63.3

31.000
100.

van E.-S.B. van 12 Febr.
1936,
blz. 120.

Nadruk verboden.

202

ECONOMISCH-STATiSTISCHE BERICHTEN

8 Maart 1939

MAANDCIJFERS.

EMISSIES
IN
FEBRUARI
1939.

Mijnbouwondernemingen ………. …
8.750.000,-
zijnde:

T
ederla,ed
Aancieelen:

NV. BilLi,ton Maatschappij
f3.500.000 aand.’) der 2e
rubriek t 250% ……… fS.750.000
Kerkelijke Leeningen
2)

.
153.800,-
zijnde:

i’s’ederlend

Obligatiën:
Gereformeerde Kerk ean Ru-
• vei’sum
f
75.000
334%
obi.
3)

t 100% ……………..f

59.300
Gereformeerde Kerk van
men f 48.000 334% ohi.
4)
t
100%

………………..,,

16.500
Gereformee
.
…de Kerk van Rot-
terda.m-Oeatrum f 125.000 5)

334% obi t 100% ………12.000
Gereformeerde Kerk van Was-
senaar
f
60.000
334%
obi. t
100% ………………
., 60.000.
Ver. tot opvoeding en verple-
ging van i,dioteri en aehter.1.
kinderen
f
470.000
13
)
334′ %
obi.
1
100% …………..6.000

Totaal . . . .
.
f 8.903.800,-

1.Jiitsluitend voor aandeelhouders in de verhouding 1 : 3.

Bovendien conversie
Neclerlanci:
Ver. Missinhuis voor
Vreemde M.issihn, Steiji, f550.000 4% 20-j. Ie hyp. obi. t
100% (Ze tranche).

Van het netto-proveiiu der leenin.g is een bedrag vais f 15.700 voor conversieafgetrokkeu.
Van liet netto-provenu der Ieen.i.ng
is een ‘bedrag win
f 31.500 voor couveps’ie afgetrokken.
Dit beding maakt deel uit. van een leening, groot
f 200.000. Van het netto-provonu ‘der leeuing is een ho-
drag van f113.000 voor con’versie afgetrokken.

(1
)
Resta.n.t eener icening, groot
f
1.150.000, waarvan
reeds
f
680.000 in 1.938 is uitgegeven. Van het netto-pro-
venu .der leenin.g’is een bedrag van
f
464.000 voor con’
versie afgetrokken.
Voorts werd hier te lande de inschrijving opeuigostekl
op een bepçrkt bedrag:
Gort. van £ Z.A. 100
334%
ingeschreven schuld der
Unie van Zuid-Afrtka tot een bedrag van £ Z.A. 200.000 t
7534% (.i.ntroduetie).
Cei-t. s’a:n 10 gesi’. aand. van $ 25 elk The Texas Corpo-
r.ation A P
1
“• £ 34 l?

(inbroduatie).
Cert. van 10 gesi’. aand. z.n.w. The i3ri.tiis’h Ajnerican
Oil Go., LIX). t pim. $1734 p.a. (introductie).
4% ebiigatiën. coupureS Nnain,
f
500 en f 1000 ,,:De Auto
F:inancier NV.” t 100%.

Em jasjes in 1939.
(In Guldens)
Nieuw kapitaal:
Conversie: Obligatiën Aandeelen

Totaal
lan.

….

101.981.175,-
3.100.000,-

105.ORI .175,-
70.650.000,-
Febr

153.800,-
8750.000,-

8.903.800,-
1.174.200,-


102.134.975,-
11.850.000,-

113.984.975,-
71.824.200,-

ONTVANGEN BOEKEN.

De wetenschap der votkshnishoudlcunde en de grond-
sla.gen d&r voticshzeishouding
door Dr.
C.
A. Ver-
rijn Stuart (Haarlem
1939;
,De Erven F. Bohn
N.V.).

Die Weizenwirtschaf t der Niederlcrnde 1980-1936
door
J. Ippius
Fockens ‘(dissertatie). (Amster-
dam
1938;
Noozid-Hollandsche Verlagsgesell-
schaf t). .

De regeering op den iierlceerden weg!
door ,,Beste-
vaar”. Uitgave naar aanleiding van het wetsont-

werii
510
tot coördinatie van het goederehvervoer.
(Den 1-Jaag.
W. P.
van Stôckurn & Zoon
NV.).

Groothandeisprijzen van belangrijke voedings- en
genotmiddelen en grondstoffen.

(Indexcijfers gebaseerd op 1927 t/ns 1929 =100).
Laatste noteeringen (28 Februari-7 Maart ’39).

A r t
i
k e 1
Vreemde
I
munt

I

Prijsin
.
‘Index-
Guldens
cijfer

Gerst

………… . ……………..
87,50
40,7
Maïs,

termijn

………………….

•p0,75
,
473
2

Mais,

Amer.

Mixed

…………….

99,50

.

46,7
.

Rogge

………………………….

…-


4,20
34,5

3,60 28,7
Tarwe,

Roemeensche

….

………

3,55
.26,3
sh. 5141(
4

2,36
36,1
Rijst

…..

…… ………………….
g

Boter

……… ……………….
…..

Kaas

f0,60′)

0,81
39,3
…………………………..

sh. 43
19,50
1,88
42,8 63,5


3,35
41,8

.

Tarwe,

tèrmijn

……………………

Gesi.

varkens

………………….

.

61,36 64,7

Eieren

…………………………..

Bacon

………………………….

..

55,-
64,5
sh. 100/-
44,14
66,3

GesI.

runderen

…………………..

sh. 21/l
9,33
27,0
Koffie,

RObusta

………………..

..
..

0,13
26,5

Bevr.

Arg.

rundvieesch

…………
Cacao

…………………………..

0
Koffie,

Sup.

Santos
>
Suiker

..
0,15
25,4
…………………………
Thee

……………………………
..-

6,-
0,4875 37,5 64,4

206,34
48,2 9,17
0,173
36,7
Katoen, Sup. Fins Oomra
………pence
4,09
.

ence 16,25
0,15
41,7
i

Austr.

Wol,

Crossbr.

Col.
Carded
0,598
43,2
pence 24,75
0,91
38,9

Jute


…………………………….£23.716

Tap.
$2,11
pence8,374
3,98
0,31 31,1
46,7

5

Katoen, Mid. Upland

……………Sets

£
l9.5J-
169,95
73,9

Austr.

Wol,

Merino

……………..

115,-
75,3

Zijde

……………………….
g
Rubber

………………………….

14.50
36,2

I.

Grenenhout

…………………….
Vurenhout

………………………-

9,875 32,2
Koehuiden

……………………..-
Copra

………………………….-
£
10.10
92,75
37,1
o

Grondooten

…………………….
Lijnzaad

………………………..

94,
48,3

Goud

……………………………
5h. 14813
1
h
65,50
1

127,3

5

Koper

…………………………
£
42.1716
378,75
48,2
£
14.11:3
128,65
46,3
£
214.15/-
1897,05
65,3 5h.
99
1

43,75
103,8
S

Tin

……………………………..

?
Zink
sh.

6716
29,80
75,4
£
13.16/3

..

122,-
38,4

Lood

…………………………….

pence2o’/,6
0,76 58,5

IJzer,

Cleveland

………………….
n

Gieterij-ijzer

………………………

Steenkolen.

……………………..

9,60
87,9

…………………………….
Zilver

…………………………..

Petroleum

……………………..
$
0,96
1,81
58,6
….

$cts 4,38

0,0818
28,3
>

Benzine

………………………..
:

Kalksalpeter

…………………….

6,10
54,5
.

Zwavelz.

ammoniak

…………….
.-
5,30
47,5

12.35
67,9
c

Cement

………………………..
06

Steenen,

binnenmuur

…………..
.-.
9,50
72,6
O

Steenen,

buitenmuur

…………..
.-
12,-
64,3
‘)
Heffing

Crisis Zuivel-Centrale. (Wegens plaatsgebrek vervangen bovenstaande statistie- ken deze week het gebruikelijk overzicht der
groothandels-
prijzen.)

AANVOER VAN GRANEN.
(In
tons van
1000
kg.)

Rotterdam
Amsterdam
Totaal
Artikelen
26
Feb.14 Mrt.
Sedert
Oi’ereenk.
25
Feb.14Mrt, Sedert
Overeenk.

1939
1Jan.1939
tijdeak
1938
1939
1Jan.1939
tijdvakl938
1939

14.147
142.934
203.755
16.876
2.127 159.810
205.882
Tarwe

……………..
RoFge

……………..
5.327
36.510 35.970



36.510 35.970
Boekweit
………………
325
3.090 2.184

– –
3.090
2.184
Mais ……………….
8.705
133.233
263.291
1.968
28.618
26.758
161 851
290.049
8.508

44.421 59.451
178
4.030
2.101
48.451
61.552
6.098 28.687 54.756
.


1.460 1.036
30.147
55.792

Gerst

.
……………..

.

8.485
21.276
2.388
71.505
.

60.152
79.990
81.428

Haver

……………..
Lijnzaad

………………..
Lijiikoi’k

………….
16.557 15.005

150

16.707 15.005.
Tarwi’ineil

…………
1.33
.
1
1.247
8.358 10.609
.
741
3.540
9.099
14.149
An,t*’rp

m.eleoorten
– . .
684 5.147 7.061
110
950
983
1

6.097
8.044

8 Maart
1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

203

Indexcijfers van belangrijke voedings- en genot.
. BANKDISCONTO’.
.

middelen en grondstoffen.

.

{Disc.Wissels. 2

S
Dec.’36
Ned.
Bk.

.,e1.Binn.Eff. 2

3 Dec.’36
Lissabon

. . . . 4
11 Aug.’37
Londen ……2
30 Juni’37

.!.

ZQ
.


. .

!.
Vrsch.inR.C. 2

3Dec.’36
Madrid ……5

15 Juli’35
•Q.
o,.
•- b
Q,,=
,
00
V
E
:..
,

,,
Athene ……….6

4
Jan.’37
N.-YorkF.R.B. 1

6Aug.’37

:
Batavia

…….. 3

14Jan.’37

Oslo

……..3

5Jan.’38


<. Belgrado

…….5

1
Pebr.’35
Berlijn ……….4
22$ept.’392
Parijs

……2 3

Jan.’39
Praag

……3

1Jan.’36
Oct.

1938

44,6

41,3

56,9

49,8

47,8

47,2,
Boekarest

…… 3j

5 Mei ’38
Pretoria

. . . . 3j
15
Mei’33
.

Nov.

43,2

40,6

56,1

490

46,8

45,4
Dec .,.

43,6

40,2

55,5

48,6

46,645,1
Brussel

…….. 2j 2
6 Oct. ’38
Rome ……..q
18Mei’36

p
n.

1939

43,4

40,7

55,1

48,5

46,5

• 45,4
Boedapest

……4
28Aug.’35
Stockholm

.. 2f

1
Dec.’33
b.

41,7

42,1

55,5

49,4

46,4

45,7
Calcutta ………3

28Nov.’35
Tokio. . . .

3.46

11 Mrt.’38
21-28 Feb .

42,2

43,0

55,9

50,0

47,0

46.7
28 Feb.-6 Mrt .,,

42,6

43,5

56,4

50,5

47,5

47,6
Dantzig

……..4

2 Jan.’37
Warschau . . . . 4j
18
Dec.’37
Helsingfors ……4

3Dec.’34 Zwits.Nat.Bk. 125Nov.’36

STATISTIEKEN.
Kopenhagen

. . . . 3j
22Feb.’39

Laatstbekende noteeringen te Amsterdam en Rotterdam op
OPEN MARKT.

1

193

25

20!25

4

127 Feb.fl28
Febr.

Febr.

M,t.

4 Mrt.

1

1938
,
Feb.!
5 Mrt.

1937

116
Mrt.

1914

20j24
Juli

1 Mrt.
1939_voor_tolegrafische_uitbetaling_op:

Gulden per
Pan
Koers
Bank-
discouto

Europa
0/0
Amsterdam

-:—-
Londen ‘1
£

8.82e
2
Partic.disc.

1
14

1
14

1
1
4

.

114

1J4

14
4

331
4
_431
4

Berlijn

)……….
100 Mark
59.26
8

75.55
4
Prolong.

1
12

1
12

’12

1
12

1
12

1

3..4
114
Parijs

) ………..
100 Franc
4.991
2
(,onden

100 Belga


24.906
31.70
.•

2
Daggeld. . .

!2-1

hla-1

1!_1

I2l

‘Ia-1

‘Iz-1

!2

1
Partic.dtsc.

132

1
I32


7
1n

1I32

1713

17
132-
9
116

I1614

.

100 Franc
6.22e
7.924
Berlijn

Brussel
•)

………

100

,,

42.82
14
Daggeld…

2
1
12
3
/4

2
1
i5-
3
14

211
2
31
4

21/2-3/

231
4
311
5

23/4-3

2
5
(-3
1
(
Luxemburg

……..
Zürieh
*)
….

[00 Kronen

6.45
3
Maandeld

2314-3

2314-3

2314-3

2314-3

2
3
14-3

2314-1514

2112.718
Praag …………..
Boedapest

………
100 Pengö
43.51
36.50
4
Part, disc.

2718

2
7
18

2718

2
7
18

2
7
1s

3

2
7
/8
Warenw…

4-/2

4-
1
J

4-12

4./
2

411
4

41/7

4114
Lei
1.48
8

1.36
3j
New York
100 Leva
1.79
7

2.324
6
Daggeld’)

1

1

1

1

1

1

3
116

Boekarest

………100

Belgrado……….
100 Dinar
4.324
5
Partic.dlsc.

‘!s

‘Ii

‘Ii

1
12

1
12

7/8

1
Sofia

…………..

Turksch
£

1.53
1) Koers van 3 Mrt. en daaiaan voorafgaande weken t/m. Vrijdag.

100 Drachme

1.624
6
WISSELKOERSEN.
Lira

9.95 44
Madrid 8)
Peseta
48.–
21.-
5
KOERSEN IN NEDERLAND.
Lissabon………
;
. –
8.05
4
Kopenhagen

)
….
100 Kronen

..


39.424
4
Data
New
York
)
Londen
5)

Berlijn
I
Parijs
)

5)
Brussel
5)

Batavia
)

Istanbul ………..

Oslo

)
100

44.35
4
1
28 Febr. 1939
1.88
8.81%
100%
Stockholm
5)

100

45.474
2

Athene

………..
Milaan

………..100

100 1J51. Kr.
39.80
1 Mrt. 1939
1.88%
8.82% 75.55
4.99%
31.70
100%

E
.scudo
.100

100 Zloty
27.90
9

35.60
44
2

1939
1.88%8

8.82%
75.574
4.99%
31.68
100%.

………..

Kovno (Litauen) ,
100 Lita

..

24.88
32.-
5 3

1939 1.88%
8.82%
75.50
4.99
31.68
100%

Reickjavick

……..

Riga (Letland)
100 Lat
48.-
35.25
5-5k
1939
1.88%
8.83
75.574
4.99%
31.70
100%

Warschau

………

Tallinn (Estland) •
100 Esti. Kr.

49.-
44
6

1939
1.88%
8.83% 75.60
4.99%
3170
100%’

100 Finnmrk.

3.90
4
Laagste d.w’)
1.87% 8.81
75.35
4.97%
31.58
100
Helsingfors

…….
Moskou

………..
Tjerwonets

36.-
Hoogsted.w’)
1.88%
8.84 75.75
5.-
31.72*

100%

(100 Roebel)
Muntpariteit
1.469 12.1071
59.263
9.747
24.90(i
100

Data
Zwit-
serland
Praa g
i
Boeka-

1
rest 1)
Milaan
5*)
Madrid
5*)
Amerika.
100 Gulden
27.90
9

35.60
4

New-York )
$
1.46
9

188 eTl

1
28 FebiT’Tb
42.75
– –
Canad.
$
– .
1
.
8
7* 24
1 Mrt. 1939
42.82
6.45


Mex. Dollar

0.40
2

1939
42.77


– –
Buenos Aires …….
Peso (papier)

‘ 0.434
3

1939
42.78
6.45

Danzig

………..

La Paz (Bolivia)
8)

Boliviano

. 6.50
Rio de Janeiro.,..
Milreis (pap.)

0.114
4

1939
42.81
6.45


Peso (papier)
0.15
0.074
,,

1939
42.80



Bogota (Columbia)
8)

Peso

1.10
Laagste d.w’)
4270
6.37%
2.32*

9.90

Montreal

………
Mexico

………..

Quito (Ecuador)

..
Sucre

0.134
Hoogste d.wl)
42.84
6.47%
2.35 9.95

Valparaiso ………

Sol

0.39
Muntpariteit
48.003
7.371
1.488

13.094 48.52

Data
.
Stock-
Kopen-j
Oslo)
sing-
uenos-
BAiresl)
Mon-
Montevideo (Urug.)
Peso

0.694
Lima (Peru)

…….

Caracas (Venezuela)
.Bolivar

0.584
Iiolm) hagen*)1
fors

freal’)
Gulden

1.00*
28 Febr. 1939
45.42*
39.35

44.30

T”

43%

1.873%
San

José (C. Rica)
Colon

.


l’

Mrf. 1939 45.474
39.42*
44.35

3.89

43%

1.875
Quetzal

1.88
.
2′

1939 45.474
39.42*
44,35

3.89

43%

1.87%
Willemstad (Curaç.)
Gulden

1.004
3

1939 45.474 39.424 44.35

3.89

43%

1.87%
Managua (Nicar.)
8)

Cordoba


4

1939 45.474

95

44.374

3.89

43%

1.87%
San Salvador 8)
Colon

0.76
6

.1939 45.50

39.45

44.40

3.89

43%

1.87%

Paramaribo

…….

Azse.
.
Laagste d.w1) 45.35

39.324 44.25

3.85

42%

1.87

Guatemala ………

Calcutta ………..
Rupee

0.664
3
Hoogste d.wl; 45.55 ‘ 39.50

44.45

3.91

44

1.88%
Batavia

………..
Gulden I.G.

1.004
3
Muntpariteit 66.671 66.671 66.671

6.266

95y
4

2.1878
Kobe

………….
Yen
Dollar
.



0.52
0.511
3.285
5) Noteering te Amsterdam.
*5)
Not, te Rotterdam.
1)
Part, opgave.
In ‘t late of Zde No. van iedere maand komt een overzicht
Dollar

0.304
voor van een aantal niet wekelijks opgenômen wisselkoersen.
Straits DolI.
1.41
1.03
Phil. Peso

0.94
,
(t
KOERSEN’ TE NEW YORK. (Cable).
Teheran ‘)(Perzië)..
Bangkok
Pahlavi
Baht


10.95

Data
Londen
Parijs
1

Berlijn

1
Amsterdam

Singapore

………
Manilla

………..

0.814
($ per
£
Ioofr.)I($
i.
100 Mk.)I($i.
100 gld.)

Hongkong ………
Shanghai

………

………..
Afrika
Kaapstad
£

8.814
28 Febr.

1939
4,68%
2,65%
40,13%
53,12%

Alexandrië ……..
Egypt.
£

9.074
.
1 Mrt.

1939
4,68
1
% 2,65% 40,13
53,08

Australiê.
2

1939
4,68%
2,65%
40,13%
53,1434

Melbourne, Sidney

.

‘3

1939
4,68%
2,65
40,13%
53,13

en Brisbane …. £

7.064
24
4

1939
4,68%
2,65%
40,14
53,12

Nieuw Zeeland….
£

7.114
6

1939
4,69
2,65%
40,1334
53,09%

1)Off.0.36vrilemarkt0.09.2)MilreisGoud.3)Goudpeso.4)Munteent,eid=
7 Mrt.

1938
5,00%
3,23% 40,39 55,83
Rail(= een Kran.)
9
)Not. te A’dam. 0v.
not, part.
opg.
Muntpariteit..
4,86
3,90%
23,81%
40%

204

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

8
Maart
1939

IOERSEN ‘LE LONDIjN.

Plaatsen en Noteerings-1
18
Feb. 125
Feb.
27
Feb.14 Mrt.
’39 4
Mrt.
Landen

I
eenheden 1
1939 1
1939
I
LaagstelHoogstel
1939

Alexandrië.. Piast.p.0

97X
9734
97%

97% 97%
Athene

….

Dr. p.
z
e
547% 547%
540

555
547%
Bangkok…. Sh.p.tical

1/10
1/10
1/10
8

1/10k
1/10
Budapest

.. Pen. p.
£

23% 23%
23%

24%
2374
BuenosAires’ p. peso p.L 20.374
20.35
20.30

20.38
20.34
Calcutta
. . . .
3h. p. rup. 1/5′
1/5i
1/5
29
/
32

1/6
1/5
31
/
32

Hongkong ..

5h. p.
$

1/2%
1/2%
1/2%

113%
112%
Istanbul

.. Piast.p. Y
,

5.80
580 580

580 580
1/2
1/1
1
9.

1/2%
1/2
Kobe

…….Sh. p. yen

1/2
Lissabon…. Escu.p.0

110%
110%
110

110%
110%
Montevideo
.

d.pery,

1834
18%
.

18

19
1834
Montreal

..

$
per
£

4.71
4.70% 4.70

4.71
4.70%
Rio d. Janeiro d. per Mii.

3% 3%
3%

3%
3%
Shanghai

..

d. p.
$

8%
8%
7%

8% 8%
Singapore ..

5h. p.
$

2/3
29
/

2/3
25
/
32

2/3%

2/4
2/3
39
/
39

Valparaiso
2
).

$perc

116
116 116

116
116
Warschau ..

Zi. p.
£

24% 24%
24%

25%
24%
1)
Offic. not. 15 laten, gem. not., welke Imp.
hebben
te betalen 15Nov.1938
17.13.
3)
90 dg. Vanaf 13 Dec. 1937 laatste

export”noteering.
ZILVERPRIJS
GOUDPRIJS Londenl) N.Yorka)
A’dani
3)

Londen
4
28 Febr. 1939.. 209/
1

42%

28 Febr.
1939. . 2120
148/3
1 lirt. 1939.. 20,%

42%

1 Mrt.
1939.. 2120
149/5
2

1939.. 20%

42%

2
1939.. 2120
148/34
3

1939.. 20%

42%

3
1939.. 2120
148/4
4

1939.. 20%

4
1939.. 2120
148
1
4
6

1939..

209i,

42y,6
1939.. 2120
148/34
7 Mrt. 1938.. 20%

44%

7 Mrt.
1938.. 2035
139/84
27 Juli

1914..

2419/,

159

27 Juli
1914.. 1648
84/104
1)
in pence p. oz. stand.

2)
Foreign silver
in $c. p. oz. line.

)
In
guldens
per Kg. 100011000.
4)
in sh. p. oz. line.

STAND VAN ‘e
RIJKS KAS.
V order 1 n gen.
1 23 Febr. 1939
1

28 Febr. 1939
SalOo van ‘s i4ijks Schatkist bij De Ne-
derlandsche Bank ………………
fl55.560.832,05
f142.352.525,13
Saldo b. d. Bank voor Ned. Gemeenten
,.

52.177,36
,,

780.154,67
Voorschotten op ultimo Januari 1939
ajd. gemeent. verstr. op a. haar uit te

.

keeren hoofds. der pers. bel., aand. In
de hoofds. der grondbel. en der gem.
fondsbel., alsmede opc. op dle belas-
tingen en op de vermogensbelastlng


Voorschotten aan Ned.-Indlë ……….
.

38.324.474,76
,,

39.463.701,24
Idem aan Suriname ………………
,,

12.217.807,39
,,

12.248.080,28
Kasvord.weg. credletverst. ajh. bultenl
,, 100.316.224,56
,,

99.704.404,10
Daggeldleeningen tegen onderpand
Saldo der
postrek.v.Rijkscornptabelen

38.569.365,52

.

Vord. op het Alg. Burg. Pensioenf.
1)…
.

38.438.059,15
,,

Vord. op andere Staatsbedrijven
1)
13.535.518,36
,,

13.779.654,35
Verolichtlneen

art.

16 van haar octrooi verstrekt
-.

Schatklstblljetten In omloop ………
1220.701.000,-
/220.701.000,-
Schatkistpromessen in Omloop


Zilverbons in omloop …………….
,,

1.077.152,-
Schuld

op

ultimo

Januari

1939
gem. weg. a. h.ult te keeren hoofds.d.

.

pers. bel., aand. 1. d. hoofds. d. grondb.
e. d. gem. fondsb. alsm. opc. op dle

….1.077.301,-

bel, en op de vermogensbelastlng
14.952.326.72

14.952.326.72
Schuld aan Curaçao’) …………….
aan
1.198.520,31

1.198.746,30
Schuld

het Alg. Burg. Pensloenf.
1)
Id. a. h. Staatsbedr. der P.T.

T.’)
en


5.450.328,38
,,

5.594.720,24

Id. aan andere Staatsbedrijven
1)
257.109.655,35 ,,

….

,,

16.000.000,-
252.901.318,50
,,

16.000.000,-
Id. aan diverse Instellingen’) ………..
..
265.415.947,07

266.808 947,89
1)
In rekg.-crt. met ‘s Rijks Schatkist.
NEDERLANDSCH-INDISCHE VLOTTENDE SCHULD.
1
25 Feb. 1939
4 Maart 1939
Vorderingen:
1)
Saldo Javasche Bank

……………

Saldo b. d. Postchèque- en Glrodlenst
348.000,-
/ .
/

215.000,-
Verplichtingen:
Voorschot’s
Rijks
kas e.a. Rijksinstell.
,,

38.438.000,-

41.112.000,-
Schatkistpromessen in omloop …….
Schatkistbiljetten In omloop

.-

35.000.000,-

,,

35.000.000,.-

Schuld a.d.Indische Pensioenfondsen

..

,,

20.000.000,-
,, 20.000.000,-
Schuld aan het Ned.-Ind. Muntionds.
,,

2.152.000,-

2.152.000,-
Idem aan de Ned.-lnd. Postspaarbank.
.

2.305.000,-
,,

2.391.000,-
Belegde kasmiddelen Zelfbesturen… ‘,,

695.000,-
,,

570.000,-
Voorschot van de Javasche Bank…
,,

3.210.000,-
.,

5.647.000,- 1)
Betaalmiddelen in ‘s Lands Kas
/
39.052.000,-.
SURINAAMSCHE BANK.
Voornaamste posten in duisenden guldens.

Data
Metaal
Clrcu
laffe
1
i
opeischb.
1

schulden
Discont.

4 Febr.

1939..
840 1.217
622
519 1.247
28 Jan.

1939..
869
1.228
1

627
521
1.234
21

1939,.
859 1.045
1

660
523
1.221
14

1939..
877 1.085
684 519
1.199
7

1939.
860
1.181
718 517 1.177
1

Juli

1914..
845
1.100
560
735
396
1)
Sluitp. der activa.

NEDERLANDSCHE BANK.

Verkorte Balans op 6 Maart 1939

Activa.

Binhenl.Wis.(fffdbk.
f

6.625.929,-

seis,Prom.,1 Bijbnk.
,,

183.691,07
enz.ln alsc.(.rs.g.scn.

f
7.361.627,39
Papier o. h. Buitenl.

f

3.150.000,-
Af: Verkocht maar voor de bk.nog niet af gel.


3.150.000,-
Beleeningen1Hfdbk.
f
219.081.904,101)
ncl. vrsch.
in rek..crt.
Bijbnk.

1.920.575,13

op

onderp.l.
1
Ag.sch.

24.028.722,41

f
245.031.201,64

Op. Effecten enz. ..
f
243.760.861,201)
Op Goederen en Ceel. ,,

1.270.340,44

,,
245.031.201,64
1
)
Voorschotten a. h. Rijk …………….,,

Munt, Goud
……f

106.637.555,-
Muntmat., Goud
..
,,1.309.634.132,84

fl.
4
l
6
.
271
.
887,84

Munt, Zilver, enz.

25.551.876,07
Muntmat. Zilver.

Belegging van kapitaal, reserves en pen-
1.441.823.563,91

sioenfonds

……………………,,
43.850.044,83
Gebouwen en Meub. der Bank
………,,
4.580.000,-
Diverse

rekeningen
……………….,,
12.816 995,97
Staatd. Nederl. (Wetv. 27/5/’32,
S. No.
221)
,,
8.905.871,61

Passiva

__
f
1.767.519 305,35

Kapitaal
……………………….f
20.000.000,-
Reservefonds
……………………,,
4.860.787,51
Bijzondere

reserve

………………,,
7.102.179,67
Pensioenfonds

………………….,,
12.155.170,97
Bankbiljetten in omloop …………..

,,
988 279.780,_
Bankassignatiën in omloop

………..,
58.610,68
Rek.-Cour.
(
Het Rijk
f

90.577.891,06
saldo’s:

k
Anderen ,,639.364.381,79
729.942.272,85
Diverse rekeningen
………………,,
5.120.503,67

f

1
767.519.305,35

Beschikbaar metaalsaldo

…………f
754.697.431,40
Minder bedrag aan bankbiljetten in om
loop
dan waartoe de Bank gerechtigd
is

1.886.743.570,

Schatkistpapier, rechtstreeks bij de Bank
ondergebracht

…………………
,

1)
Waarvan aan Nederlandsch-Indig
(Wet van 15 Maart 1933, Staatsblad No. 99)
……..
/

63.247.800,-

Voornaamste posten in duizenden guldens.

Data
Goud

Munt
1
Munt
mat.
Circulaf ie
Andere
opeischb.
Beschikb.
Metaal-
Dek-
kings
schulden
saldo
perc.

6 Mrt. ’39
106638
1.309.634 988.280
730.001
754.697
84
27 Febr. ’39
106638
1.324 644 991.589 759.409
758.022
83
25 Juli

’14
65.703
96.410 310.437
6.198
43.521
54

Data

1

1
;

;n
j
Belee-
1
rupe

1
£JLI’ersr
i op het 1 reke-
1
disconto
slrecht sf reeks) ningen

buifenl.
1
nlnRen’)

6 Mrt. 1939

7.362

245.031

3.150 12.817

27 Febr. 1939

8.427

260.782

3.150 12.032

25 Juli 1914

67.947

61.686 20.188

509
‘)Onder de activa.

JAVASCHÉ BANK.

Data
Ooud
I

Zilver
Ctrculatle
I
opeischb.
metaal-
schulden
saldo

4 Mrt. ‘392)
134.050
188.290
84.560
29.910
25Febr.’39
2
)
138.890
184.710
85.230 30.914

21 Jan.1939
116.886
21.848
186.803
82.836
30.878
14

,,

1939
116.886
21.620
1
191.435
79.159
30.269
25Juli1914
22.057
31.907
110.172
12.634
4.842

Data
buiten’
N.-!nd.
befaalb

Dis-
conto’s
I

Belee-
ningen
Diverse
I
rekekings-
ningen’)

‘”

percen-
tage

4 Mrt. ‘392)
11.480
7760
59.170
51
25Febr.
1
392)
8.320 74.050
62.150
51

21 Jan.1939
9.417
62.269
51
13.997
48.67i 14

,,

1939
9.911
13.987

i
49.252 61,104
51
25 Juli
1914
6.395
7.259
75.541
2.228
44
t)
Sluitpost activa.
2)
Cijfers
telegrafisch
ontvangen.

Auteur