Ga direct naar de content

Jrg. 24, editie 1203

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 18 1939

18 JANUARI
1.939

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEÏV.

Eco

nornisch-Statistische

Beriechten

ALGEMEEN WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN EN
VERKEER

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT
WOENSDAG
18 JANUARI 1939

COMMISSIE VAN REDACTIE:

P. Lief tinck; N. J. Polak; J. Tinbergen; F. de Vries en

H. M. H. A. van der Valk (Redacteur-Secretaris).

M. F. J. Gooi – Adjunct-secretaris.

Redactie-adres: Pieter de H000hweg 122, Rotterdam-West.
Aangeteekende stukken: Bijkantoor Ruigeplaat weg.

Telefoon Nr.. 35000. Postrekening 8408.

Advertenties voorpagina f 0,50 per regel. Andere pagi-

na’s f 0,40 per regel. Plaatsing bij abonnement volgens

tarief. Administratie van abonnementen en advertenties:

Nijgh t van Ditmar N.V., Uitgevers, Rotterdam, Am-

sterdam, ‘s-Gravenhage. Postchèque- en giro-rekening

No. 145192.

Ahonnementsprijs voor het weekblad frasco P. p. in

Nederland f 16,—. Abonnementsprijs Economisch-Statis-

tisch Maandbericht f 5,— per jaar. Beide organen samen

f 20,— per jaar. Buitenland en Koloniën resp. f 18,—.

f 6,— en f 23,— per jaar. Losse nummers 50 cent. Dona-

teurs en leden van het Nederlandsch Economisch Instituut

ontvangen het weekblad en het Maandberscht gratis en

genieten een reductie op de verdere publicaties.

INHOUD:

BIz.
Groot- en kleinbedrijf in den detailhan’del door
Dr.

E. J. Tobi ………………………………..44

Ontginning van ijzer- en nikkelerts op Celebes door

Dr. W. K. ii. Fevilletau de Bruyn …………..47

Behoort de pacht tot de ,,onmisbare productiekosten”?

door J.
Horring

……………………………

Het eerste resultaat der kapok-ordening door
J. F. Hac oû 52

Nederlandsche landverhuizing naar overzeesche gebieden

door
Ir. R. A. Verwey …………………. ……..

55

Nieuwjaarsboodschap van Dr. F. H. Fentener van

Vlissingen door
M. F. J. Gooi ………………..
56

AANTEEKENINGEN:
Vervoer per trein in België en Nederland door

Ir. H. E. Verschoor ……………………….58

?.IAANDOIJFERS:
Gecombineerde Maancistaat van de Nederlandsche

en Nederlandsch-Indjsche Grootbanken……….
59

Hypotheekrente in Nederland ………………..
59

Emissies in December
1938 ………………….59

Stati8tieken:

Verkorte opgave der Groothandelsprijzen
………………
60
Geldkoersen-Wisselkoersen-Bankstaten

………………
61, 62

GELD-, KAPITAAL- EN WISSELMARKT.

De wisselmarkt is in de verslag-week betrekkelijk

rustig geweest. Het Pond werd door de contrôle-auto-

riteiten binnen zeer enge grenzen gehouden. Toen de

markt het gevoel had, dat naar boven toe de beweging

begrensd was, en cle autoriteiten een verdere appre-

ciatie niet wenschten, was dat onmiddellijk weer het

sein voor nieuwe haisse-operaties. De geschiedenis der

laatste jaren heeft duidelijk aangetoond, dat niets zoo

gevaarlijk is als cie indruk te vestigen, dat een stij-

ging van de valuta wordt tegengehouden, terwijl ccii

daling niet volkomen uitgesloten is. Nadat aldus door

nie aanbod cle koers weer wat was teruggeloopen,

heeft echter het Egalisatiefonds energiek ingegrepen.

En dat heeft de ‘speculatie weer afgeschrikt, want

men heeft tenslotte niets aan de overtuiging, dat een

stijging wordt geweerd, wanneer ook de daling binnen

nauwe grenzen wordt gefixeerd. Daarbij komt natuur-

lijk, dat de werin.g van goudtermijntransacties en he-

leening van goud een belangrijke stap isgew’eest om
althans de druk op cie contalite markt
teken
te gaan.

De andere speculatieve affaires kunne.n zich immers

eerst op de termijnmarkt uitwerken. De termijunotee-

ring voor Ponden is, ondanks de betere Stemming op

de contante markt, betrekkelijk weinig veranderd.

Verwonderlijk is dat niet. Immers een reeks van maat-

regelen, ‘die recentelijk zijn genomen, had de strekking

om de tcrmijn,vraag naar Pnden t verminderen, zoo-

dat mcii kan zeggen, dat een onder die omstandighe-
den gelijkgehleven noteering reeds een aanmerkelijk

verbeterde stemming heteekent.

De stemming voor den Franc was deze week niet

zoo gunstig, hetgeen ongetwijfel,d verband houdt met

de politieke situatie. Ook de Gulden heeft daaronder

wellicht iets te lijden gehad, maar die invloed is van

zeer voorhijgaanden aard geweest, al zijn dan ook Dol-

lars wat hooger gesloten dan de week opende.
01) de geldmarkt is in het geheel geen wijziging te
constateeren. De beleggingsmarkt hlijft lusteloos ge-

stemd, een feit, waartoe de aankondiging van de nieu-

we 334 pOt. leening B’ataafsche ongetwijfeld heeft

meegewerkt. Wellicht speelt bij vele beleggers ook de

overweging een rol, dat de tendens tot stijging van

de kapitaalrente in Londen op den duur wellicht ook

hier weerklank zal vinden, waarbij men natuurlijk

niet over het hoofd moet zien hoe totaal verschillend

de situatie van de kapitaalmarkt in beide landen is.

44

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 Januari 1939

GROOT- EN KLEINBEDRIJF IN DEN

DETAILHANDEL.

Dc strijd tusschen het groot- en het kleinbedrijf in
den detailhandel dateert eigenlijk al vanaf het ont-
staan van den oudsten vorm van het groothedrijf in
den kleinhandel; in de laatste tien a vijf jaren echter
is die strijd een steeds felier karakter gaan aanne-
men en steeds luider weerklinkt in de laatste jaren
de roep van het kleinbedrijf om wettelijke bescher-
ming tegen het groothedrijf. Die roep is dan ook wel
als de aanleiding te beschouwen van een verzoek van
den ,,Raad voor het Groot-winkelbedrijf in Neder-

land” aan Prof. Dr. G. M. Verrijn Stuart tot het
schrijven van een ,,Memorandum” over deze kwestie
t
),

welk geschrift door Prof.. Stua.rt zelf wordt geken-schetst als ,,gewijd aan de vraag, of met betrekking
tot het grootbedrijf in den detailhandel wettelijke
maatregelen getroffen dienen te worden en met name,
of de ontwikkeling van het groothedrijf dient te wor-

den beperkt.”
2)
Het is dus kennelijk een verweer-
schrift, en om dat behoorlijk te kunnen bespreken is
het noodig eerst kennis te nemen van de argumenten der aanvallers. Zulks is te meer nuttig, omdat die ar-
gumenten verspreid zijn over een aantal publicaties,
welke vele lezers van dit tijdschrift niet elken dag
onder het oog krijgen, terwijl – althans aanvankelijk
– die argumenten in hoofdzaak van één bepaalde
zijde kwamen, zoodat anderen daarvan veelal geen
kennis zullen dragen. Bovendien haalt Prof. Stuart
in zijn Memorandum af en toe het een en ander uit
de door ons bedoelde publicaties aan, waaruit dus
duidelijk blijkt, dat des hoogleeraars geschrift als de

weerslag daarop te beschouwen is.

De eerste gedoctrnenteerde aanvc&llen.

Wanneer wij verschillende meer incidenteele be-
schouwingen en gedeelten van andere schrifturen,
waarin de strijd tusschen groot- en kleinbedrijf in den detailhandel mede ter sprake kwam, ter zijde
laten, is de eerste gedocumenteerde aanval op de
groot-onderneming in den detailhandel te vinden in

het prae-advies van Prof. Dr. W. M. J. Koenraadt

en Drs. II. L. Jansen
2),
uitgebracht aan het 10e con-

gres van den Nederlandschen R.K. Middenstands-
hond in 1933; vier jaar later gevolgd door een prae-

advies van Prof. Dr. J. E. de Quay
4)
voor het 12e

congres van dien hond.
Erkend dient te worden, dat de samenstellers van
het eerstgenoemde geschrift de groote verdiensten van
het grootbedrijf in den detailhandel allerminst onder

stoelen en banken hebben gestoken. Dat doet trou-
wens het praeadvies van Prof. de Quay evenmin,
maar in de eerstgenoemde publicatie worden die ver-
diensten nitvoeriger besproken. Er wordt op gewezen,
dat de groot-onderneming een sterk stimuleerende
werking heeft, en wei in vier richtingen:

a. op
de industrie, door fabricage in massalen om-vang mogelijk te maken;
b. op
de consumptie, door
verbreeding van verhruiksmogelijkheden; c. op de
prjsaa.npassiug, door het bevorderen van een vlottere
aanpassing tusschen groot- en kleinhandeisprijzen

en
d. op
den detailhandel zelve tot het constant op-

voeren van het hedrijfspeil.
De verschillende soorten groot-onderneming passee-
ren eveneens in een gedetailleerde bespreking de
revue. Er wordt op gewezen, dat de vrees van het
kleinbedrijf voor
het warenhuis
niet zoozeer stoelt
op de feitelijke aanbiedingen van het laatstgenoemde,
doch veel meer op de door dien hedrijfsvorm toege-

t)
Wete1ijke regeling van de verhouding tussuhen groot-
en klei.nbedrijf in dn detailhandel – N.V. Noordholland-
sohe Uitgevers Mij. – Amsterdatni.
2)
T..a.p. bi. 15.
‘) Wette]ijke bescherming van het kleinbedrijf – Uitg.
Ned. R.K. Middenstandabond – ‘s-Graivenhage.
4) De beschermIng van het zelfstandig kleinbedrijf in
den detailhandel – Uitg. Ned. R.K. Mid•denstandsbond –
‘s-Grnveuhage.

paste reclame-middelen en de op kapitaalsmacht steu-
nende bedrijfspolitiek. Het is een feit, roo zouden wij
hierbij willen aanteeken.en, dat kleinere winkeliers,
ook in samenwerking met vakgenooteen, nooit zullen
kunnen bereiken wat het warenhuis op dit gebied
vermag te presteeren.
Grif wordt in de eerste publicatie erkend, dat
het

eenheidsprijzenbeclrijf
een nuttige functie vervult door
consumenten met geringe koopkracht een kans tot
hevrediging van behoeften te bieden, doch als nadee-leen worden opgesomd do te starre prijs-classificatie,
w’eike snelle aanpassing hier juist belet, en vooral het wegzuigen van uit elke branche slechts die artikelen.,
welke een zeer vlotten omzet en daarbij een behoorlijke
winst hebben., waardoor de klein-onderneming in die
branches slechts den verkoop gelaten wordt van meer zeldzaam gevraagde artikelen en dagelijksehe artike-len met een minimum winstma.rge, de ag. concurren-

tie-artikelen.
De filiaal-onderneming
wordt gekenschetst als wel

de gevaarlijkste concurrent van het zelfstandige klein-
bedrijf, omdat zij de psychologische werking van het
massale paar-t aan een zoo dicht mogelijke benadering
van het karakter der kleinonderneming, en van
de

verbr’wilcs-coöperatie
tenslotte wordt gezegd, dat haar

historische taak – voorziening in goede kwaliteit
tegen vaste prijzen in den tijd van den min of meer almachtigen winkelier – haar beteekenis volkomen
verloren heeft; dat haar opvoedende taak tot een
juiste besteding van het inkomen ook vrijwel geheel
op den achtergrond is geraakt en dat, economisch ge-
zien, de verbruiks-coöperatie weinig anders is dan een
hedrijfsvorin, waarvan de winst onder een andere
groep van personen dan gebruikelijk wordt verdeeld. Het wil ons voorkomen, dat in deze beschouwingen
aan de voordeelen von het grootbedrijf de juiste
plaats is toegemeten., terwijl de nadeelen voor het
kleinbedrijf zolder niet overdreven zijn voorgesteld –
in verband met dit laatste veroorloofden wij ons
zelfs een kleine kautteekening hij datgene, wat over
het warenhuis werd gezegd.

Waarom is de strijd op het terrein vms den detail-

handel zoo verbitterd?

Trecht stellen de hierboven bedoelde prae-advi-
seurs o.m. ook de bovenstaande vraag, want het is een
feit, dat op het terrein van de industrie w’einig wan-
klanken worden vernomen, hoewel toch daar de groot-
onderneming evenzeer een prominente plaats heeft.
Het antwoord op deze vraag is, dat om te beginnen de
groot-industrie wegen heeft ingeslagen, waarop de
kleine industrieele onderneming eenvoudig niet vol-
gen kon, maar waardoor de functie van dien klein-
ondernemer ook niet werd aangetast: er heeft hier

een zekere werkverdeeling
plaats gehad. Vooral hij de
reparatie van tal van. groot-industrieele producten —
men denke aan auto’s, radio ed. – is er voor de in-
dustrieele klein-onderneming :nog volop plaats, zoo
ook hij, het i nstalleeren en veel ander amhachtswerk.
Gansch anders liggen de zaken op het terrein van
den kleinhandel. Hier strijden groot- en kleinbedrijf
steeds verbitterder en feller om het uitoefenen van
dezelfde fnnctie. Is
er dus voor den klein-nijvere nog

ruim plaats op het industrieele terrein, op het veld
van den detailhandel wordt de klein-ondernemer meer en meer door het grootbedrijf bedreigd en gedeeltelijk
weggedrongen.
Dit geheel andere karakter van de verhouding tus-
schen groot- en kleinbedrijf op het gebied der distri-
butie verleent aan den heerschen.den strijd zijn scher-
pe kanten en verklaart de toenemende verbittering in de rijen der zelfstandige middenstanders. Want,
zoo teekenen wij wederom hierbij aan, men vergete
niet dat wij hier zijn terecht gekomen bij een fellen
concurrentie-strijd; een strijd voorts, die naar de
meening van de eene partij – de zelfstandige mid-
denstand – gestreden wordt niet ongelijke wapenen;
en dat roept nog te meer verbittering in het leven.

18 Januari 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

45

Of clie meaning juist is, daarover willen wij ons in
dit stadium – het etaleeren van de argumenten der
aanvallers – nog niet uitspreken, slechts wijzen wij
er hier
01)
om cle felheid van den huidigen strijd beter
te doen begrijpen.
Deze laatste opmerkingen voeren ons tevens tot
een punt, waarop de bestrijders van het grootbedrijf hun scherpste pijlen richten:
lIet beginsel
VWÏc
de oningeperkte con,currerclie.

De bestrijders – het zij hier uitdrukkelijk vermeld
– ei-kennen volmondig de zegenrijke werking van den
onderlingen wedijver en ook volgens hun inzicht
dankt do maatschappij mede hieraan de algemeene
verhooging van het welvaartspeil. Maar zij verwijte.n
der vrije concurrentie, dat deze is verworden tot
haudeloosheid, tot een ineedoogenloozen strijd ter ver-
nietiging van den tegenstander. Deze ougebondeiiheid
heeft naar het gevoelen dier bestrijders een vernielen-
de uitwerking naar twee zijden: eenerzij:ds via cle ab-
solute vrijheid van vestiging, anderzijds via, het be-
nutten van elk concurrentie-middel, ook die welke,
zoo al niet oneerlijk, toch unfair kunnen worden
genoemd.
Met het vraagstuk van de absolute vrijheid van
vestiging behoeven wij ons thans niet meer in te
laten; het staat trouwens ook min of meer buiten de,
onderwerp van dit artikel, uitmaken de verhoudingen.
Inirners de Vestigingswet Kleinbedrijf heeft hier een
ingrijpende wijziging gebracht en al is niet voldaan
aan den drang van vele zijden om in de vigeerende
regeling het zgn. behoefte-element in te schakelen,
de verhoudingen op dit stuk zijn ingrijpend omgeho-
gen in de richting, welke de besti-ijders van deabso-
lute vesti gingsvrijheid wen schten.
Anders staat het met de concurrentie-middelen. Op
dit punt blijft volgens cle bestrijders van het groot-
bedrijf de toestand nog steeds volstrekt onbevredi-
gend. De hier nog steeds ongebreidel’d heerschende
bandelooze vrijheid van concurrentie beteekent vol-
gens hen niet, dat de economisch beter werkzame be-
drijven succes boeken, doch wel de minst kieskeurige.
Oolc voor den verbruiker achten die bestrijders deze
toestand van groot nadeel. Immers door de voortdu-
rende prijsouderhied ingen, verlokkende aanbiedingen
en verkeerde, vaak misleidende voorstelling van zaken
verliest cle consument volgens hen zijn oriëntatie
0
de markt volkomen. De aandacht wordt van rationeel
koopen afgeleid en overgebracht op gelegenheidsaan-
biedingen van vaalc minderwaardige of overbodige
artikelen.
Alles op te noemen, wat volgens de aanvallers van
het grootbedrijf ontoelaatbare concurrentie-methoden
zijn, is in dit bestek ondoenlijk. Wij volstaan daarom
met een enkele greep: speciale aanbiedingen, zg. Jok-
artikelen, het wegzuigen van consumenten uit de pro-
vincie door speciale treinreizen en/of het aanbieden
van versnaperingen gratis of tegen belachelijk lage
rijzen, cadeaiistelsel en korting-wezen en het exploi-
teeren van lunch rooms, kapperswinkels, postkantoren,
reisbureaux e.d. in warenhuizen.
Met nadruk wordt er door de bestrijders van het
groothedrijf op gewezen, dat zij zich niet richten
tegen de mededinging als zoodanig, doch tegen de
excessen in cle concurrentie-middeler. Zij willen niet
beweren, dat cle vrije mededinging niet zou deugen, al
vinden zij in de gevolgen ervan veel om af te keuren – integendeel, zij beschouwen die vrije concurrentie,
zoo zij binnen de perken blijft, als gerechtvaardigd en
hoogst nuttig. Ook erkennen zij de groote waarde voor
het kleinbedrijf van de vrije concurrentie, om. ter
stimuleering en als kweekpiaats van toekomstige lei-
ders in het zakenleven. En bij herhaling onderstree-
pen zij, dat zij niet de grootonderneming als zooclanig
willen bestrijden, doch alleen de onbeperkte vrijheid
van concurrentie.
Geen economische, doch sociale gronden.
Behalve dan de hierboven aangeduide uitwassen

van cle onbeperkte con
.curretie zien de aanvallers
van het grootbedrjf ‘ en zij zeggen dat herhaaldelijk
en met nadruk – géén economische motieven voor
hun bestrijding van de grootonderneming in de dis-
tributie. Zij geven toe – zooals Prof. De Quay in
het bovengenoemde prae-advies heel duidelijk zegt –
dat men mag aannemen, dat economisch gezien het
groothedrijf voordeeliger functionneert dan het klein-
bedrijf, dat men de goederen hij -verschillende vormen
van grootondernemingen ,,een weinigje goedkooper”
kan betrekken. Maar zij willen uit dit alles nièt ge-
concludeerd zien, dat het terrein nu maar aan het
grootbodrijf moet worden overgelaten; zij vinden dit
alles géén beslissend motief om zich te verklaren
vôôr ongelimiteerde uitbreiding van het grootbedrijf,
maar zij wenschen, dat hei economisch motief moet
worden gesubordineerd aan het sociale.
Nu zou men kunnen meenen, dat voor een bespre-
king van sociale motieven dit weekblad niet in de
eerste plaats aangewezen is. Waar evenwel Prof. Ver-
rijn Stuart in zijn geschrift ook uitvoerig op cle so-
ciale zijde van het vraagstuk ingaat, mogen wij dozen
– met de geheele kwestie onverbrekelijk samonhan-genclen – kant van de zaak hij het bespreken van de argumenten der aanvallers niet verwaarloozen.
De meest principieelo beschouwing over den socia-
lan kant van de ons hier bezig houdende aangelegen-
heid vindt men in een uitvoerig tijdschriftartikel van
de hand van Dr. J. van Beurclen
5),
waarin om. de
sociale waarde van het kleinbedrijf en het sociaal be-
lang voor de samenleving worden belicht. T.a.v. het
eerste punt wordt o.a. gewezen op het feit, dat de
zelfstandige middenstander in zijn zaak de grondslag van zijn maatschappelijke positie vindt en zich daar-
oin dag aan dag, meestal niet zijn gezin, voor zijn
taak inspant en gaarne langer en harder werkt dan
de loonarheidei. Bovendien ondervinden de loonar-heiders, die er in het rniddensta,ndsbedrijf ook zijn,
een weldadigen invloed van het milieu: de verhouding
tusschen patroon en arbeider is er gunstiger dan in
de grootondernemin. Ook vindt de arbeider in het
veel afwrisselender werk in het kleinbedrijf eerder en
meer voldoening. T.a.v. het tweede punt wordt er de
aandacht op gevestigd, dat er, juist door het meewer-
ken van de gezinsleden, een gunstige invloed uitgaat
van de micldenstandszaak op het gezinsleven. De mid-
denstand als klasse tusschen kapitaal en arbeid wordt als een factor van beteekenis voor den socialen vrede
geschetst, en de middenstandsonderneming biedt voor
den loontrekkende een kans om zich als zelfstandig
ondernemer te vestigen; iets, wat blijkens het be-kende spreekwoord: beter kleine haas dan groote
knecht, nog altijd een sterke bekoriug voor velen
heeft. E.n tenslotte is cle middenstand van groot be-
lang voor de handhaving van orde en rust in de
samenleving: iemand, die een eigen zaak heeft en
daarin zijn bestaan vindt, is beducht voor alles, wat
zijn onderneming in gevaar kan brengen en is niet
geneigd op hoop van zegen aan te loopen achter hen, die allerlei radicale hervormingen prediken.
Deze, hier summierljk geschetste g-roote sociale be-
teekenis van den zelfstandigen middenstand nu, vin-
den de bestrijders van het grootbedrijf een dermate
groot goed, dat zij dat niet
prijs
wenschen te geven
of ernstig willen laten henadeelen, en hierin vinden
zij nu ook den rechtsgrond voor hun bostrijding van
het groothedrijf.
De rechtsgrond.

Deze rechtsgrond – wij volgen hier nog altijd vrij
het hierboven aangehaalde tijdschriftartikel – wordt
lang niet algemeen erkend. Er wordt op gewezen, dat
zulks in do laatste periode van de vorige eeuw even-
min het geval was, toen de bescherming van de belan-
gen der arbeiders aan de orde was. Er moest vrijheid

5)
Wettelijke beschenmirig van het Kleinwinkelbedrijf te-
gen het Grootwinkelbedrijf – Bouwen en Streven” d.d.
10-12-’36, Tijdschrift v. cl. Neni. R.K. Midderistandabond.

46

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 Januari 1939

zijn op economisch gebied;
as
ook t.a.v. dat vraag-
stuk cle leuze; dan volgde immers de algemeene volks-
welvaart vanzelf en men mocht die vrijheid geenszins
belemmeren. Maar langzaam aan wijzigde zich het in-
zicht in breede kringen, en via den weg van machts-
vorming dwongen de arbeiders den wetgever bepaalde
wettelijke maatregelen ter bescherming hunner be-
langen te nemen, indruischend tegen de economische
vrijheid der ondernemers. Toen dus practisch aan
wettelijk ingrijpen ten behoeve der arbeiders niet
meer was te ontkomen, werd aan dat ingrijpen a.h.w.
een rechtsgrond ondergeschoven.
Dezelfde outwikkelingsgang is waar te nemen t.a.v.
de bescherming van den pachtboer tegen den eige-
naar-verpachter van den grond, maar men aarzelt nog
t.a.v. den middenstander. En toch, zoo gaat nog steeds
de schrijver van het hier geciteerde artikel verder,
gaat het in alle drie gevallen om éénzelfde onmiddel-
lijk doel; bescherming van een economisch z’wakkere groep tegen een sterkere.
Hoe komt het nu, dat op het terrein van de distri-
butie deze rechtsgrond zoo moeizaam wordt erkend?
Het antwoord wordt naar onze meening het best ge-
formuleerd door Mr. Dr. E. Tekenbroek, die in een
eenige jaren géleden verschenen artikel
6)
woordelijk
het volgende zegt: ,,Teu aanzien van den middenstand
wordt een dergelijke sociale politiek (als met betrek-
king tot de arbeiders) niet gedreven; globaal geno-
men kan men zeggen, dat de geestelijke instelling van
de Overheid hier te lande ten opzichte van den mid-
denstand nog is die van het liberalisme”. En
wi5
voe-
gen hier onzerzijds bij: terwijl ook de geestelijke in-
stelling van: een groot deel van dan middenstand zelf
hier te lande nog die van het liberalisme is. Heel tea-
kenend te dozen opzichte is het bijvoorbeeld, dat de

Koninklijk Nederiandsche Middenstandshond, de oud-
ste standsorganisatie in den lande, tot voor zéér kort
niets moest hebben van eenig overheidsingrijpen in
het middenstandszakeuleven. Deze hond heeft zich
dan ook tot voor luttele weken
altijd
geheel afzijdig
gehouden van de actie voor wettelijke bescherming
van het kleinbedrijf. Eerst enkele weken geleden heeft
deze organisatie haar houding te dezen opzichte ge-

wijzigd. Dit feit is wel zéér teekenend voor de stem-
ming in middenstandskringen: ook in de kringen van
den Koninklijken Bond werd de druk klaarblijkelijk
zoo groot, dat men er eindelijk gevolg aan moest
geven, en het is wei een hewis, dat de overtuiging
t.a.v. het ons hier bezig houdende vraagstuk zich ga-dacht aan het wijzigen is. Dat blijkt ook uit geluiden
uit anti-revolutionnairen kring en al evenzeer uit een
onlangs door den Vrijzinnig-Democratischen Bond uit-
gegeven rapport over middanstandsvraagstukken, en
in het licht van deze groote activiteit valt het te ver-
staan, dat de grootwinkelbedrijven er toe zijn overge-
gaan het hovenbedoelde verweerschrift te doen op-
stellen.

Wat stellen de bestrijders va.n hei .qrootbedrjf nu
voor?
Thans zijn. wij genaderd tot de laatste vraag, die
nog beantwoord moet worden om de argumentatie der
aanvallers geheel tot haar recht te doen komen.
Reeds dadelijk kan worden gezegd, dat althans van
officieele middenstandszijide onredelijke manieren van
bestrijding van het groothedrijf uitdrukkelijk van de
hand worden gewezen. In het hierboven genoemde
eerste prae-advies wordt met nadruk betoogd, dat ‘de
winkelstand geen enkel recht – noch een veiworven
recht, noch een recht op grond van het algemeen wel-
zijn – heeft om te eischen, dat anderen van de dis-
tributie worden uitgesloten. Ook het denkbeeld van
speciale belastingen wordt in dat prae-advies vol-
strekt verworpen; de Overheid zou dan iets moeten
gaan doen, waarover de klein-ondernemer zich thans
beklaagt, n 1. ongelijke concurrentievoorwaard en
scheppen! Bovendien wordt er op gewezen, dat het
6)
Almitouto-nummer van ,,De Zakenwereld”, 1933.

effect van dergelijke maatregele:n tegengcsteld is aan
de bedoeling: de grootonderneming wentelt de belas-
ting af op de levéranciers en die op. hun beurt weer
op de kleine afnemers – zoodat juist het tegendeel
bereikt wordt van datgene, wat men wenscht. Ook
zou een
dergelijke
maatregel verscherping van den
concurrentiestrijd ten gevolge kunnen hebben: de
grootonderneming is het wat waard de belasting te
verdeelen over een zoo groot mogelijken omzet. En
uiteindelijk treft een zoodanige belasting dan weer
den consument, en daarmede is de winkelstand ook
niet gediend. Wel wordt het pleit gevoerd voor een
herziening in dezer voege, dat meerdere gelijkheid van belastingdruk konie bij de vennootschap en de
persoonlijke onderneming. Ook het ruwweg beletten van de opkomst van de grootonderneming wordt on-
verdedigbaar genoemd.
Wat willen de voorstanders van wettelijke bescher-
ming van het kleinbedrijf dan wel? Hierover zijn de
meeningen nogal verdeeld.

Het hierboven eerstgenoemde prac-advies stelt zich
op het standpunt, dat direct ingrijpen economisch niet
te motiveeren valt, wèl echter tegengaan van al te
sterken uitgroei. Echter wordt dit practisch moeilijk
op te lossen genoemd, daarom wenscht men de groot-
onderneming te ontdoen van dié concurrentie-midde-
len, welke het gevaar van verdringing van het klein-bedrijf vergrooten. Het prae-advies wenscht door de overheid een geordende concurrentie te laten schep-.
pen, als overgang tot zelfstandig regelende bevoegd-
heid binnen het raam van elken bedrijfstak afzonderlijk.
Het tweede in den aanvang genoemde prae-advies
wenscht echter reeds aanmerkelijk verder te gaan:
het wil beperking van het aantal vestigingen, alsook
van het aantal te voeren artikelen en beveelt het
Engelsche stelsel aan, hetwelk een instantie instelt,
die over eventueele uitbreiding heeft te oordeelen.
Het verst gaat het ook hierboven reeds genoemde
rapport van den Vrijzinnig-Democratischen Bond, dat beperking vân de verdere ontwikkeling van het groot-bedrijf naar Zwitsersch model aanbeveelt en eerst een
volledige spertijd voorslaat en daarna en vergun-
ningsstelsel wenscht. Een vergunning zou dan slechts
moeten worden verleend, nadat is vastgesteld, dat
niet reeds door het kleinbedrijf op bevredigende wijze
de artikelen worden aangeboden, welke het vergun-
ning vragende
bedrijf
wenscht te verkoopen, of wel dat op andere gronden aan de oprichting of uitbrei-
ding behoefte bestaat en/of de middenstand niet ge-
schaad wordt. Het rapport meent, dat een periode
van 5, hoogstens van 8 jaar voor een dergelijk ver-
gunningsstelsel voldoende zal zijn – na een spertijd
van 2 jaar – om den middenstand, die thans aan
alle kanten verzwakt is, een adempauze te geven en
zich innerlijk te doen versterken, waarna het groot-
bedrijf dan weer zou kunnen worden vrijgelaten: het
zou dan een ecnomisch gesaneerde en versterkte mid-
den stand, mede als gevolg van de Vestigingswet
Kleinbedrijf, tegenover zich vinden. Ten slotte wordt een verbod van bepaalde onderdeelen van het tegen-
woordige grootbedrijf verlangd: café’s, restaurants,
lunchrooms, kapperswinkels, postagentschappen e.d.
Parallel met deze voorstellen loopt ook de meening
van Dr. Van Muiswinkel in ,,Antirevolutionnaire
Staatkunde” die een tijdelijke belemmering van het oprichten van nieuwe filiaalwinkels in dezen crisis-
tijd ,,geenszins verwerpelijk” oordeelt en die er op
wijst, dat ieder nieuw filiaal van een grootwinkel-
bedrijf de economische ondergang van ettelijke mid-
denstand sgezinnen beteekent.
Zoo hebben wij dan in het bovenstaande de argu-
menten leeren kennen van de voorstanders van het
treffen van wettelijke maatregelen met betrekking tot het grootbedrijf in den detailhandel, om de formulee-
ring van Prof. Stuart te gebruiken. In een volgend
artikel willen wij dan datgene, wat genoemde hoog-
leeraa.r hiertegenover heeft aangevoerd, nader be-
schouwen. Dr.
E. J. T0BI.

18 Januaxi 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

47

ONTGINNING VAN IJZER- EN NIKKELERTS

OP CELEBES.

Voorkomen van ijzer en nikkel in Nederlcmclse/i-
Oost-in(4ë.

Bij den Volksraad is een wetsontwerp ingediend tot
sluiting van een overeenkomst
01)
den voet va’ru Art. 5a
van de Indische Mijnwet voor de ontginning van ijzer-
en nikkelertsen op Oelebes in de afdeelingen Loewoe,
Boeton, Laiwoei en Poso van het Gouvernement
Oelebes en Onderhoorigheden met de ,,Mijnbouwmaat-schappij Celebes”.
Deze maatschappij zal de reeds door de Gouverne-
mentsopsporingendienst geëxploreerde nikkel- en
ijzerertsvelden . van Midden-Oelebes exploiteeren en
daarnaast verdere opsppringen verrichten.
De exploitatie zal in de eerste plaats op de ijzer-
ertsveiden Larona T en Bone-Poetih respectievelijk op
pim. 15 en 30 km van Lampea, een plaatsje gelegen
aan de N.C. kust van de Golf van Bone, de groote
Zuidelijke inham van Celebes, geschieden. Dit ijzer-
ertsveld zou 370 mm. ton erts van gemiddeld 50.5
pOt. ijzer en 0.38 pOt. inikkel bevatten.
Al in de jaren 1923/24 bestonden plannen dm het
Larona ijzererts te exploiteeren. Door een viertal wer-
ken en een stuwdarn in cle Laronarivier zou men
electrischen stroom opwekken en het erts in elec-
trische ovens versmelten. Maar in die werken alleen
zou een kapitaal van
.f
12.5 millioen moeten worden
gestoken. De vraag of dit plan rendabel is of niet,
moge buiten beschouwing blijven.
1)

Omtrent de
plannen voor verwerken van dit erts
0])
&jzer en staal door de N.V. Mijnbouw Maatschappij
Staronum, een dochtermaatschappij van de Biliton
Mij, die in vereeniging met het Syndicaat voor Brand-
stofveredeling Brikcarbo de Mijnbouw Mij. Oelebes
zal vormen, is niets bekend. Men kan echter wel aan-
nemen, dat zoo tot daadwerkelijke verwerking van
liet ijzererts mocht worden overgegaan, dit pas na
zorgvuldige opsporingswerkzaa.mheden en kostencal-
culatie door de Mijnbouw Mij. Celebes zal geschieden.
Blijkt dit niet mogelijk, dan zal de maatschappij de
terreinen teruggeven, dan wel misschien het erts voor
export exploiteeren.

ijzer- en nikkelgehalte der gevonden klei- en
ertssoorten.

Het grootste deel van het ertsvoorkomen bestaat
uit
middelmatig
klei-erts met ongeveer 50.5 pOt.
ijzer- en 0.38 pOt. nikkelgehalte. De bekende Lotha-
ringeche minette van het ijzerertsbekken Metz-Thion-
vilie bevat 28 â 34 pOt. ijzer, de Zweedsche magnesiet
79.4 pOt. Wel is gebleken, dat het Oelebes klei-erts
zich tot briketteering leent, waardoor het ijzergehalte
van erts van 48.8 pOt. op ongeveer 57 pOt. kan wor-
den gebracht. Sintering leverde minder gunstige ze-
sultaten op.
Sedert het jaar 1023 zijn de methoden tot het con.-
centreeren van relatief arm erts belangrijk verbeterd. Zelfs arme ijzerertsen worden thans door het Krupp-
Renn Verfahren exploiteerbaar gemaakt. Er bestaat
dus een zekere, hoewel niet groote mogelijkheid, dat van liet klei-erts een concentraat met een hoog ijzer-
gehalte kan worden gemaakt, dat de kosten van ver-
voer over zee kan dragen. Want hoogwaardig ijzererts
van pim. 70 pOt. wordt thans reeds van Malakka
naar Japan verscheept. Overigens zijn de grenzen
van ijzer en
ercploiteerbaar
nikkelerts in verticalen
zin (beide ertsen komen in het verweeringspakket van
het moedergesteente door elkander voor) vaak moei-
lijk scherp te trekken, wat bij een nikkelexploitatie

‘) Zie voor bijzonderheden Ir.
A. L.
ter Braake. Schets-oiitwerp voor een hoogoven-, staal- en va1swerk op Celebes,
Verslagen en Mededeelingen betreffende Indische Delf-
stoffen en hare toepassingen. Ter Braake berekent de kos-
ten per ton staal op
flOG.21.
‘) Ir. A. L. ter Braake
1.c.p. 10-14.

mociljkhedll zou kunnen opleveren, indien derden
een ijzerconcessie zouden aanvragen. Ook daarom
heeft men dus waarschijnlijk een nikkel- èn ijzercon-
cessie aangevraagd.
Daarnaast zal men ook tot de opsporing en ontgin-
ning van nikkelertsen overgaan. Dit nikkelerts betreft
vooral de voorkomens van Soroaka T, 700.000 ton
erts van
gemiddeld
1.78 pOt. en Boeloe Balang,
320000 ton erts van
gemiddeld 1.06
pOt. Het daad-
werkelijk gewonnen erts is van grooter nikkelge-
halte.
De nikkelmineralen van de bovenste lagen gaan
in oplossing en zetten zich af op grootere diepte in
spleten en holten, meestal als garnietiet, een nikkel-
niineraal, dat op Oelebes maximum 33.5 pOt. nikkel
bevat, maar normaal slechts 7 tot 12 pOt.

Nikkel belangrijker dan ijzer.

Het accent schijnt bij deze concessie-aanvrage voor-
al te vallen op de nik-kel-exploratie en exploitatie;
blijkens de in de pers verschenen berichten. Overigens
zal de maatschappij een heffing van
f
0.40 per ton
ijzer en van
f
15.— per ton nikkel moeten betalen,
welke heffingen varieeren en gewijzigd worden, als de
gemiddelde nominale prijs dier metalen te Londen
ten minste 20 pOt. stijgt of daalt. Het vaste recht per
ha tijdens de
opsporing is
vastgesteld op f 0.01
voor
de eerste vijf jaren, op
f
0.02
5
voor de tweede vijf
jaren en op
f
0.25 per ha zoodra met de
exploitatie
van een terrein wordt begonnen. Voor het terrein,
dat de maatschappij na de eerste vijf jaren aanhoudt,
zal bovendien
,f 0.01e
extra per ha betaald moeten
worden. Voorts moet de maatschappij aan het gouver-
nement
1/10
deel van de winst betalen, zoo deze 10 pOt.
of minder bedraagt en
1/5
deel van het deel der winst,
dat grooter dan 10 pOt. is.
Deze regeling lijkt billi.jk. Het gaat hier om erts-
velden, die vrij afgelegen zijn. Wel zijn belangrijke
gegevens bekend omtrent de ontginriingkosten door de
uitvoerige studie van Adam, waardoor het risico ver-
mindert, maar practische ervaring in dezen nikkel-
mijnbouw heeft men nog niet.
3)
Tegenvallers zijn
hier niet uitgesloten.
Nikkel is thans na aardolie wel een van de voo:r-naamste strategische grondstoffen. Want de meeste
groote mogendheden zijn voor hun nikkelvoorzienin.g
geheel of grootendeels van het buitenland afhanke-
lijk. lIet wetsontwerp houdt dan ook terdege met de
beteekenis van nikkel als strategische grondstof reke-
ning, en bevat bepalingen, waardoor de Regeering het
nikkel van Oelebes ook in oorlogstijd als strategische
grondstof kan hanteeren. Het ontwerp vertoont ech-
ter een leemte. Daarom is het wenschelijk er iets die-
per op in te gaan.

Nikkel als strategische grondstof.

Nikkel, mangaan, ehroom en wolfram spelen bij dc
bereiding van edelstalen een rol van groote beteeke-
nis. in verband met den bewapeningswedloop is de
vraag naar deze niet-ijzer metalen dan ook zeer sterk
gestegen. Eveneens spelen zij een belangrijke rol bij
de fabricage van de edelstalen, die noodig zijn voor
de vervaardiging van de installaties voor de fabri-
cage. van synthetische brandstoffen uit steenkool, die
aan hooge temperaturen en druk weerstand moeten
kunnen bieden.
Geen der groote mogendheden heeft in eigen land
echter een voldoend groote nikkelproductie. Wel
heeft Frankrijk in Nieuw-Oaledonië een zeer belang-
rijk ertsveld in exploitatie en is Canada, uit welk land Engeland zijn productie betrekt, de grootste
nikkelproducent ter wereld. Beiden moeten nikkel en
erts echter over zee invoeren. Duitschland heeft in

8) J. W. Adam, Over de resultaten eener proefontgin-
ntng van nikkelertsen nabij Soroako. Jaarboek
Mijn-
wezen Nederlandseh-Indië. Veriaandelingen
1 1920 p. 201.

48

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 Januari 1939

1938 ongeveer 22.000 ton nikkelerts (pim. 11.000 ton nikkel) moeten importeeren, hoofclzakelijlc uit Cana-

da en Burma, ondanks het feit, dat men in Duitseli-
land groote vorderingen gemaakt heeft in de ver-
vaardiging van metaalalliagos en nieuwe werk-
stoffen.

Ook 3apan moet zijn nikkel voor een groot deel
van het buitenland betrekken. Het is clan ook niet te verwoncleren, dat Japan voor cia nikkelvoorkomens
van Midden-Celebes groote belangstelling heeft, wat
wel gebleken is uit het feit, dat het Binnenlandsch
Bestuur medio 1937 ontdekte, dat simpele Japansche
‘v:inkeliers in die streken, in werkelijkheid Japansche
mijningenieurs waren, clie in hun omgeving naar

nikkelertsen zochten, en reeds heel wat materiaail ter
analyseering naar hun vaderland hadden opge-
zouden.

Oolc Italië beschikt niet over nikkel. Amerika kan
echter zijn nikkell)ehoefte in Canada dekken. Zijn oor-
logsbehoef te bedraagt voor defensie en burgerbevol-
king samen 48.000 ton, dus ruim drie maal zoo veel
als dc ertsvelden van Soroako T en Boeloe Balang
samen aan nikkel bevatten. Wanneer men echter in
aanmerking neemt dat de heele wereldproductie aan
nikkel in 1935 ongeveer 75.000 ton bedroeg,
dus on-
geveer 1
1
/
3
Van wat Arnerilca alleen
in oorlogstijd ge-
dacht wordt noodig te hebben, (in 1938 bedroeg de
wereldproductie ongeveer 93.000 ton), dan is het wel
duidelijk, dat nikkel een strategische grondstof van
de eerste orde is. Die grondstof wordt voor een zeer
groot deel door Engeland gecontroleerd. Want de
oppermachtige groep International Nickel Oorpora-
ti.on of Canada—Mond Nickel Company, voorziet
thans in meer dan 85 pCt. van de wereldbehoefte aan
nikkel.

Zij beschikt over de rijke mijnen in het Sud-
bury-district in Canada en heeft nikkeiconceros in Finland, Noorwegen en elders onder haar contrôle
weten te krijgen. Duitsche schrijvers stellen dan ook
de Engelsche nikkel-strategie op een lijn met de Brit-
sche petroleum-strategie.
Ook wij h.ebbeu
tijdens
den oorlog aan den lijve
ondervonden welke beteekenis nikkel als strategische
grondstof heeft. Tijdens den wereldoorlog annuleercie
Duitschland in 1914 al zijn leveringseontracten van
wapens en munitie, die met ons vbbr den oorlog waren
gesloten. In 1915 was echter de behoefte aan nikkel
en chroom zoo hoog gestegen in Duitsehiand, dat het
in 1916 beloofde 16 houwitsers van 15 cm te zullen
leveren, mits wij daarvoor nilckel in ruil gaven. Wij kochten toen nikkel in Amerika op. Doch Engeland
hield het schip waarin liet nikicel vervoerd werd aan,
nam het nikkel in beslag, waarop Krupp weigerde het
geschut te leveren.)
liet belang vcis Nederland bij strategische grond-
stoffen..

Vooral voor een land als Nederland, dat zelfstan-
digheidspolitiek wenscht te voeren en dus neutraal
wil blijven, zijn strategische grondstoffen van de
grootste beteekenis. Een voorbeeld moge dit verduide-
lijken.

Tijdens den wereldoorlog hadden wij practisch
een kinine-monopoli.e. Noch onze kinine, noch onze tin, noch onze kapok enz. hebben wij echter als stra-
tegische grondstoffen gehanteerd. Wel zeer typeerencl
is cle volgende Engelsche uitspraak. . . . practically
the whole of the quinine for all the Allies was coming
from the Dutch Indies. We vere absolutely in the
grip of Holland, and if she had chosen to exercise
the power she had over us, if she had said: ,,You are
overridi.ng all the recognised laws, that concern the
treatment of neutrals, we will brirng great pressure

) N. Bosboorn: In moeilijke omstatdigheden
p. 124.
5)
Arnold Forster. Maritjnie La’ and Economie pres-
sure. Journal of the Royal United Service
1925 p. 457.

equally to bear on you, she had the power to do so.”
5)

Natuurlijk kan een neutrale kleine staat niet in
alle gevallen een onbeperkt gcbruilc van zijn strate-
gische grondstoffen maken om zich te verweren
tegen den economischen druk van een machtigen oor-
logvoereucle. Maar tal van situaties zijn denkbaar,
waarin dit wel kan en waarin een staat, d:ie zelfstan-
digheidspolitielc wil voeren zijn strategische g.rotncl-
stoffen kan hantecren in het belang van zijn grond-
stoffen- en voedselvoorziening. Dan dient men echter

steeds over cle grondstoffen te kunnen beschiklcen en
moeten
zij
liefst in loco zijn opgeslagen. Binnen dat
lcacler di.enen de uit te geven nikkelconeessies te
worden bezien.

jTikkelvindplaatsn be-oosten. Straat MaJcassar.

Thans werken op Celebes de ,,Mijnbouwmaatschappij
Celebes”
in Midden-Celebes
en de ,,Oost-Born,eo Maat-
schappij” in
Zuid-Oost Celebes.
Dese laatste maat-
schappij heeft daar reeds drie jaren opsporingen ver-
richt. Een proefzending van 20.000 ton erts van pl.m.
1 pCt. nikkelgehalte werd via Bremen en 1-lamburg
naar de firma Er upp te Essen afgescheept, tenein.dle
ervaring op te doen omtrent de winning van het me-
taal uit de a:rme ertsen van Pamalali, naar een me-
thode waarop de f:irma Krupp gespecialiseerd :is.
Bij die beide maatschappijen zal het niet blijven.

In het deel van oozen Archipel ten Oosten van
Straat Makassar komen peridotiet-massieven en ser-
pentijnen voor, de moedergesteeuten der nikkelertsen
van Celebes en Nieuw-Caledonië. De nikkelmineralen
garnieriet en chrysopraas vallen door hun kleur ook
aan niet-vaklieden snel op. Maar ,,nickle-chocolat”,
zooals de Franschen het bruine erts, met aardachtig
voorkomen noemen, valt den niet-specialist niet dade-
lijk op en het is mogelijk dat in de Groote Oost en op
Nieuw-Guinea nog nikkel-vindplaatsen zullen word en
aangetroffen. Professor Caron wees er reeds op, dat
waar peridotieten en serpentijnen gevonden w’orden
in onzen archipel en waar zij bedekt zijn door een

dikke verweeringsdeklaag de potent:ieele mogelijkhei dl
bestaat voor het vinden van exploiteerbare nikkel-
ertsen.
6)

Nederlands positie ten opzichte van de te ver-
leercen. concessie.

De Regeering heeft nu met de heteekenis van
nikkel als strategische grondstof op de volgendle wijza
rekening gehouden. Volgens art. 16 is de Gouverneur-
Generaal bevoegd overdracht van een deel of van cle
geheele concessie aan derden ,,zonder opgaaf van
redenen” te weigeren, terwijl volgens art. 19 sub h
de overeenidomst. wordt ontbonden als de ,,statutaire
,,bepalingen der Maatschappij, strekkende tot handha-
,,ving van het nationaal karakter der onderneming,
,,uitsluitond ter beoordeeli.ng van den Gouverneur-
,,Generaal, een toepassing vinden, welke met de strek-
,,king dier bepalingen onvereenigbaar is.” Voorts is
de maatschappij in gevolge art. 13 (7) verplicht mede-
werking te verleeuen ten aanzien van defensiemaat-
regelen.

Intusschen moet men, om nikkel als strategische
grondstof te hanteeren, daarover de absolute be-
schikking hebben. Nu worden bij de winning van reik-
kel uit de ertsen, dcxe ertsen eerst geroost, daarna
in lage hoogovens met een toeslag verwerkt, waarbij dan ecu concentraat, de ,,nikkelmatte” wordt gewon-
nen, waarvan het gehalte al naar de samenstelling
van, de ertsen tot 36 h 55 pOt. kan worden. opge-
voerd, zonder dat :in de slakken te veel nikkel ver-
loren gaat.

) Prof. Caron. De Ingenieur
1939. p. M 3.
Vooral onder dikke pakketten leemerits, die outstaati zijn uit de verweening van heit moodergesteente, ‘is de
kans voor heit aantreffen van goede ertsen groot, wanneer
het geheele verveer.ingspakket boven den gro.ndwateirspie-
gel ligt.

18 Januari 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN•

49

Uit de zoo verkregen nikkelmatte wordt dan op ver-
schillencle wijzen, afhankelijk van cle samenstelling
van het conceutraat (gehalte aan zwavel, arsenicum,
silicium enz.) cle ruwe nikkel gewonnen. Deze wordt tenslotte nog geraffineerd.

in beginsel zal de Maatschappij ôf nikkelmatte –
ôf wat waarschijnlijker is nikkel-maken, daar de
transportkosten op het relatief arme erts te zwaar
zullen drukken. Indië heeft dus in oorlogstijd over
deze strategische grondstoffen de beschikking. Neder-
land kan daarentegen de nikkel en nikkelmatte die in
1
.
Indië zijn, slechts in sommige gevallen ten bate van het moederland hanteeren. Zijn echter cle nikkel o:f
cie nikkelmatte in Nederland beschikbaar, duni kan
van deze stoffen een veel ruimer gebruik gemaakt
worden.

Overigens zal het staal-wals bedrijf van ‘de ,,Konin-
klijke Hoogovens”, dat eerlang zal verrijzen een zekere
behoefte aan nikkel hebben, waarin te allen tijde
moet kunnen worden voorzien.
Nu hebben wij in Nederland de ,,N.V. Nederland-
sche N:ikkel Maatschappij” te Amsterdam, een der
weinige n’ikkelraffinaderijen ter wereld, welk bedrijf
nog bij het uitbreken van een conflict over een zeke-
ren voorraad ruw nikkel, geraffineerd nikkel en nik-
keilegeeringen zal beschikken.
7)
Nederland zou ccli-
ter over nog meer nikkel beschikken, indien het ruwe
nikkel of eventueel de nikkelmatte van Celebes in Nederland vnrwerkt werd. Ook voor Indië is deze
verwerking hier te lande indirect van beteekenis,
omdat het Indische leger ten deele nog vanuit Neder-
land bewapend wordt. Maar ook voor de Mijnbouw-

maatschappij Celebes zou deze verwerking in Neder-
land it de toekomst van, beteekenis kunnen worden,
omdat Indië geen internationale metaleumarkt heeft,
waar het nikkel zoo voordeelig mogelijk kan worden
verkocht.

Nederland’s positie op de internationale metaal-
markt.

Daarentegen begint Nederland geleidelijk aan een
bijzondere positie in den internationalen metaalhandel
te krijgen. Dochter-maatschappijen van Duitsche me-
taalfirma’s uit Frankfurt, Keulen enz. hebben zich
hier te lande gevestigd. Behalve om de voor intern a-
tionale metaalaffaires zoo hinderlijke Duitsche dcvie-
zenbeperking te ontgaan, is dit ook om andere rede-
nen geschied. Voorts heeft de Arnhemsche Tinsmel-
terij bijgedragen
tot de ontwikkeling van den Neder-
lancischen tinhandel, zij het dan ook dat daarnaast
nog andere oorzaken hebben gewerkt. Stellig zou een
nikkeismelterij of raffinaderij in Nederland aan den
afzet van het product ten goede komen.
Er bestaat dus een mogelijkheid, dat de bedrijfsbe-
langen van cle Mijnbouw Maatschappij Celebes paral-
lel met de staatsbelangen loopen.
Het is echter de vraag, of het opzetten van een
smelterijbedrijf in Nederland op basis van een ver-
vachte totale nikkelhoeveelheid van 15.000 ton loo-
nend zou zijn. Natuurlijk zou dit veranderen, indien
de opsporingswerkzaainheden in den Archipel nieuwe
ertsvelden opleverden. Art. 13 (5) laat het van de
gezonde bedrijfsvoering afhangen of op Celebes nik-
kelmatte wordt gewonnen. Maar nikkelmatte is als
strategische grondstof van veel minder beteekenis dan nikkel zelf.
Want niet in ieder land is men ingesteld op de
verwerking van de nikkelmatte der silicaatertsen van
Celehes.
lIet is dus van zeer veel grooter beteekenis voor
den staat, dat nikkel gewonnen wordt instede van
n.ikkelm.atte. Of het voor de maatschappij voordee-
liger is om matte of nikkel te winnen
01)
Celebes, is

7)
Volgens de gegevens van Van Nierop en Bank over
Naa.mlooze Vennootschappen Joud t de maatschappij zich
bezig met de fabriicage, be- en ver werken, import en ex-port en groothandel in nikkel, legeeringen daarvan en an-
dere metalen.

echter van tal van factoren afhankelijk. Maar liet is
wel duidelijk, dat hier ook met staatsbelangen reke-
ning dient te worden gehouden.

De plaats van het verwerkingsbedrijf in de gedach-
te concessievoorwaarden.

Nu luidt Art. 13 (5) van het ontwerp:
,,De Maatschappij verbindt zich om, indien dit in
overeenstemming is te brengen niet de opvattinge:rc
van een go ede bedrijfspolitiek
de gewonnen delfstof-
fen in Nederlandsch-lndië tot metaal en/of halfpro-
duct te verwerken.”
8)

Daartoe zal door de Maatschappij overleg moeten
worden gepleegd met het Hoofd van het Mijnwezeu.
Zon men het echter niet eens kan worden over de
wijze van exploitatie zullen partijen zich onderwer-
pen aan een scheidsrechterlijke uitspraak van drie
scheidsmannen. De procedure van deze arbitrage is in
Art. 20 omschreven.
Volgens dit artikel wordt dan de verwerking van het erts, hetzij op nikkel, hetzij op halfproduct
uit-sluitend beheerscht door opvattingen van gezonde be-
drijfspolitiek. Redenen van staatsbelang kunnen hier-
op
geen invloed uiteof enen.
Een dergelijke reden valt
volgens de redactie van dit
vijfde
lid van Art. 13
niet
onder de arbitrale uitspraak van Art. 20.
Natuurlijk kunnen de belangen der maatschappij
parallel loopen met die van het Koninkrijk en zijn
Overzeesche Gewesten. Maar het is ook mogelijk dat
het in bepaalde gevallen voor de maatschappij voor-
deeliger is, indien zij met de staatsbelangen geen reke-
ning houdt.

Nu is er geen reden om te twijfelen aan den goeden
wil van de dochtermaatschappij der Biliton Mij. om
het staatsbelang te dienen, (vooral niet, omdat de
plaatselijke verwerking op ruw of geraffineerd n:ik-
kel voor haar economisch het meeste gewenscht lijkt),
tenzij zij daardoor zeer ernstig financieel nadeel zou
lijden.

Evenzoo zou een Regeeringspolitiek te veroordee-lan, zijn, waarbij aan het jonge bedrijf zoodanige be-
drjfsvoorwaarden zouden worden opgelegd, waarbij
een redelijlce w.instmogeiijkheid zou zijn uitgesloten.
Maar tusschen deze beide uitersten is een breade
marge, waarbinnen het mogelijk is de staatsbelangen
èn de bedrijfsbelaiigen met elkander in evenwicht te
brengen. De juridische basis zou daartoe geschapen
kunnen worden, indien uien de eerste zinsnede van
Art. 13 (5) zou doen luiden: ,,De Maatschappij verbindt zich om,
,,ircdien het
staatsbelang dit eischt”
en indien dit in overeenstem-ming is te brengen met de opvattingen van een goede
bedrijfspolitiek, de gewonnen delfstoffen in Neder-
l.andsch-Indië tot metaal en/of halfproduct te ver-
werken.”

Deze wijziging is ook daarom noodig, omdat het
niet gewenscht :is een antecedent te scheppen voor
later uit te geven concessies. Bij de Oost-Borneo-
Maatschappij is dit niet geschied. In hoeverie dit
nikkelbelang door Krupp wordt gecontroleerd is niet
bekend.
Dat, gelet
0])
de groote beteekenis van nikkel
als strategische grondstof Krupp er zeer groot belang
hij heef t dit nikkelvoorkomen te controleeren,
i5
ccli-
ter duidelijk, in alle gevallen is het gewenscht dat de Regeering in de toekomst zelf de contrôle over de in
Jndië geproduceerde nikkel behoudt, liet is dan ook
een verheugend feit, dat zij blijkens liet wetsontwerp
een open oog heeft gehad voor de beteelcen:is van
nikkel als strateg.ische grondstof.
Dr. W. K. H.
FnUILLETAU DE
BRUYIc.

8)
Cu rsiveeri i.ig van
dcii
schrijver.

50

. ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 Januari 1939

BEHOORT DE PACHT TOT

DE ,,ONMISBARE PRODUCTIEKOSTEN”?

De Laudbouw-Orisiswet 1933 schrijft in art. 7 voor,
dat bij het bepalen der steunbedragen de ,,onmisbare
productiekosten” als grondslag moeten worden geno-
men. De vraag dringt zich nu op, in hoeverre de
pacht ook tot de ,,orimisbare productiekosten” moet
worden gerekend.

De qua.ntito,tieve beteekenis van het vraagstuk.
Uit de gegevens van de landbouwboekhoudbureaux
blijkt, dat het bedrag, hetwelk door de landbouwbe-
drijven aan pacht wordt betaald, een zeer aanzienlijk
deel van de totale uitgaven bedraagt. De onderstaande
tabel geeft gemiddelde cijfers van een groot aantal
bedrijven in Nederland gedurende de laatste jaren.

Aantal
bedrijven

Uitgaven in gid. p. h.a.
Percentage
pacht van
Pacht of ge-
Totaal schatte pacht-
totale

uitgaven
prijs

1927/1928
2143 444
112
25,2 1929/1930
3167
472
108
22,9
1930/1931
3651
390
102
26,2
1931/1932 4288
345
86
24,9
1932/1933
4832
282
71
25,2
193311934
5370 270
68
25,2
1934/1935 5934
261
65
24,9 1935/1936
6389
251
64
25,5 1936/1937 5549
256
63
24,6
Bron: Verslagen
en Mededeelingen
van de
Directie van
den Landbouw,
1938,
No.
2,
tabel
C.

Hoewel het absolute bedrag, dat aan pacht betaald
wordt, in den loop der jaren sterk is gedaald, is het
opmerkelijk, dat het procentueele aandeel van de
pacht in de totale uitgaven vrijwel constant blijft.
Dit percentage blijkt gemiddeld voor Nederland on-
geveer 25 te bedragen. Uit meer gedetailleerde ge-gevens, die wij hier kortheidshalve niet weergeven,
kan men berekenen, dat de uitgaven voor pacht in de
kleistreken gedurende de genoemde jaren 28 5. 30 en
op de zandgronden ongeveer 20 pOt, hebben bedragen,
Uit deze cijfers spreekt duidelijk de quantitatieve be-
teekenis van het aangeroerde vraagstuk.
Bruto-pacht en netto-pacht.

Pacht is de vergoeding, die de agrarische produ-
cent betaalt voor het gebruik van den cultuurgrond
met de gebouwen en andere duurzame installaties.
Het is dus de belooniug voor het gebruik van het
vaste kapitaal in den landbouw.
De pacht is evenwel geen netto-opbrengst van den grond; het is een bruto-bedrag. Verschillende kosten
moeten er worden afgetrokken om het netto-inkomen
van dec grondeigenaar te bepalen. Zoo betaalt de
grondeigenaar in den regel de grondbelasting, lasten
van publiekrechteljke lichamen, kosten voor onder-houd en verzekering, terwijl uit de pacht ook perio-
dieke vernieuwingen moeten worden bekostigd.
In de reeds genoemde publicatie van de Directie
van den Landbouw treffen wij over het jaar 1936/1937
gegevens aan over de opbrengst van een aantal bedrij-
ven, gerangschikt volgens een drietal gezichtspunten.
In de eerste plaats naar het gebied, in de tweede
plaats naar de grootte der bedrijven en ten derde her-
leid tot eigendom en pacht. Bij de herleiding van de
bedrijven tot eigendom wordt de pacht niet van de
opbrengst afgetrokken, maar worden wel de grond-
belasting, lasten van publiekrechtelijke lichamen, kos-
ten van onderhoud eii verzekering en afschrijving in
rekening gebracht. Bij de herleiding van de bedrijven
tot pacht wordt de betaalde pacht – dus de bruto-

pacht – in mindering van de opbrengst gebracht. De
verschillen tusscheu de netto-opbrengsten in geval van
eigendom en pacht zijn gelijk aan de netto-pacht in
de betrokken groep bedrijven.
Hoewel men sommige cijfers met eenige reserve zal
moeten beschouwen, daar zij het gemiddelde vormen
van een klein aantal bedrijven, geeft deze tabel toch

Netto-pacht per ha in Guldens
1)

Grootte der bedrijven

1936137

1

1

1

1
1-5 ha5-lOhal0-20ha120-50ha’ 50 en
1
meer ha

Z,,eklei.

Zuiver akkerbouw
59,69
76,71
68,47
67,03
53,52
Overwegend akkerbouw
56,51
50,19
61,90 58,31
Gemengd bedrijf
46,06
45,29
48,94
47,37
Overwegend veeteelt
46,90
53,33
Zuiver veeteelt
52,85 47,39

Riv
ierklei.
Overwegend akkerbouw
62,09
Gemengd bedrijf ……
59,65
60,61
46,58
Overwegend veeteelt… 65,37
48,67
41,43
.31,21

37,72
59,32

Weidest reken.

Zuiver veeteelt
……..24,95

Gemengd bedrijf
43,96 47,98
Overwegend veeteelt
60,65
41,88 40,78
115,28
48,91 47,69
46,90
Zuiver veeteelt ……..

Zcendg ronden.

Zuiver akkerbouw
27,51
Overwegend akkerbouw
34,40 37,45
32,16 40,65 33,97
29,16
40,98 35,73
Gemengd bedrijf …….
Overwegend veeteelt
48,48
34,93
30,72
34,29
Zuiver veeteelt
39,33
52,24
46,68
i)
Berekend uit tabel
E en
F van
voorgenoe.mde
pabli-
cetie.

een vrij nauwkeurig overzicht. De netto-opbrengst van
den grond blijkt zeer uiteen te loopeu. De vruchtbare kleigronden leveren een veel hoogere netto-pacht op
dan de zandgrouden. De laagste netto-pacht per groep
bedraagt ongeveer
f
30 per ha. Dit cijfer is evenwel
een gemiddelde. Ook de kwaliteit der zaudgroreden
vertoont nog vele gradaties. Zoo blijkt voor bepaalde
gebieden in Drenthe, Overijssel, Gelderland en Noord-
Brabant
2)
de gemiddelde netto-pacht nog belangrijk
lager te zijn dan
f
30; in Overijssel en Noord-Bra-
bant zelfs beneden
f
20 per ha. Ook dit zijn gemid-
delden. Het moet daarom niet onwaarschijnlijk geacht
worden, dat op de ,,greus der bebouwing” in Neder-
land de netto-pacht zeer laag of zelfs nihil is.

Is
pacht een kost enbestanddeel?
In hoeverre de pacht nu tot de ,,onmisbare produc-
tiekosten” moet worden gerekend, hang

t af van de
periode, die men beschouwt en uiteindelijk van de
doelstelling der agrarische politiek.
Hecht men aan het blijven voortbestaan van een
productie-apparaat geen waarde en is het de bedoe-
ling om alleen
voorloopig de productie nog op gang
te houden, dan is het voldoende, dat de variabele kos-
ten worden goedgemaakt. Kosten, die in het verleden
zijn gemaakt spelen geen rol. Het vaste kapitaal
behoeft geen belooning te ontvangen, noch is het noo-
dig in den vorm van afschrijving iets op zij te leg-
gen voor herinvestatie. Tot op zekere hoogte is het
mogelijk de grond uit te mergelen door roofbouw. In
dit extreme geval is de pacht – met uitzondering
van enkele lasten – geen kostenfactor.
Wil men het agrarisch productie-apparaat
in den
bestaanden omvang in stand houden,
dan is het aspect
geheel anders. In stand houden wil zeggen, dat door
herinvestatie het vaste kapitaal voortdurend op peil
wordt gehouden. Afschrijving, onderhoud en verze-
kering zijn zonder meer kosten. Het verschil tusschen
bruto-pacht en netto-pacht behoort dus in dit geval
geheel tot de ,,onmisbare productiekosten”.
Evenwel moet ook een deel der netto-pacht tot de
,,onmisbare productiekosten” worden gerekend. Her-
investatie veronderstelt, dat het geïnvesteerde kapi-
taal rente opbrengt. Indien het vaste kapitaal geen
netto-pacht ontvangt, zal er geen prikkel bestaan om

) Vergelijk tabel G en H van meergenoende publicatie.

18 3anuari 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

51

de eigenaars tot vervanging van oude gebouwen, ver-
sleten installaties, uitgewerkte groudverbeteringen
euz. te bewegen.
Als karakteristiek van het vaste kapitaal in den
landbouw wordt vaak genoemd, dat het niet omloopt,
of, wat op hetzelfde neerkomt, een oneindig langen
omlooptijd heeft: Geheel juist is dit niet. Het kapi-
taal, gestoken in gebouwen, dat men veilig op
1%
L
1/5

van het totaal kan schatten, valt hier reeds niet on-
der. Eveneens zijn hieronder niet begrepen bepaalde grondverbeteringen, zooals buy, een drainage. In ,de
boekhouding vinden deze feiten dan ook hun weerslag
in de toepassing van afschrijving op deze investeerin-
gen. Verder is een deel van het vaste kapitaal in den
grond, die door voortdurend goede bebouwing en
bemesting op peil wordt gehouden, door roofbouw ge-
deeltelijk vrij te maken; een proces, dat bij het niet
beloonen van het geïnvesteerde kapitaal niet geheel
denkbeeldig behoeft te zijn.
Wat na aftrek van de rente voor het omloopend
deel van het vaste kapitaal van de netto-pacht over-
blijft, is geen kostenfactor bij een
bestaand productie-
apparaat. Het hier bedoelde overschot van de netto-
pacht – dat men zuivere grondrente zou kunnen noe-
men is een belooning voor natuurgaven en inves-
taties, die een oneindigen levensduur bezitten. In vele
gevallen zullen dit in ons land leapitaalinvestaties
zijn. Men denke hierbij slechts aan de vele droogma-
kerijen, polders en ontginningen.
Het bestaan van een zuivere grondrente is geen
onmisbare voorwaarde voor het laten deelnemen van
het niet-omloopende kapitaal aan de agrarische pro-
ductie, tenzij de betrokken kapitaalgoederen een an-
dere en meer rendabele aanwendingsmogelijkheid be-
zitten bij een ander landbouwsysteem of buiten den
landbouw.
De mogelijkheid bestaat, dat bij extensieve bebou-
wing of beweiding de grond toch een zuivere grond-
rente afwerpt. Ook is er in ons dichtbevolkt land veel
belangstelling voor S-rond, die kan dienen voor recre-atiedoeleinden en bouwterrein.
Deze aan wendingsrnoelijkheden moeten in het al-
gemeen zeker niet te hoog worden aangeslagen. Zij
zijn uit den aard der zaak hoofdzakelijk beperkt tot
bepaalde streken en grondsoorten. Het zijn evenwel
juist de schralere gronden – hoofdzakelijk woeste
gronden en boschgronden -, die uit de’zen hoofde een
grosidrente genieten. Het ligt voor de hand om aan
te nemen, dat deze grondrente tevens het minimum-
bedrag is aan zuivere grondrente, dat voor de cul-
tuurgrond valt onder de ,,onmisbare productiekosten”.
Indien evenwel de agrarische productie niet tot den
bestaanden omvang zal blijven gelimiteerd, maar be-
oogd wordt de oppervlaicte cultuurgrond uit te brei-
den,
valt ook de zuivere grondrente niet buiten de
,,onmisbare productiekosten”. Immers niemand zal
bereid zijn kapitaal te investeeren in nieuw land, dat
door inpoldering, ontwatering en ontginning moet
worden gewonnen, indien de reeds in cultuur zijnde
grond geen zuivere grondrente oplevert.
Een natuurlijke tendens is zelfs, dat de zuivere
grondrente toeneemt, daar men kan aannemen, dat
de ontginning van woeste gronden voortdurend meer
kosten meebrengt. De gronden, die met de geringste
kosten kunnen worden herschapen in cu1tuurgrod,
komen natuurlijk het eerst aan de beurt. Indien de
Overheid geen belangrijke subsidies gaf voor ont-
ginningen en ontwateringen ter bestrijding van de
werkloosheid, zou bij de tegenwoordige hoogte van de
zuivere grondrente wel zoo goed als geen uitbreiding
van den cultuurgrond plaats vinden. Ook de opbrengst
van den grond in de Wieringermeer. is bij lange na
niet in staat een normale rente van het geïnvesteerde kapitaal op te brengen
3).

Uit deze analyse blijkt, dat het niet aangaat de
pacht een zuiver ,,rent”-karakter toe te kennen en

) F. van Heek, Economische en sociale problemen van
de Wieringermeer. Alphen a/d. Rijn, 1938.

dus ide pacht enkel te zien als overschot en niet als
kostenfactor. De pacht bevat beide elementen.
De recente stijging der pachtprijzen.

Hoewel wij in het bovenstaande speciaal het kosten-
karakter hebben belicht, moet ook de volle nadruk
gelegd worden op het feit, dat pacht tevens voor een
deel restinkomen is. Als zoodanig heeft zij sterk de
neiging de verbetering van de bedrjjfsuitkornsten te
absorbeeren.
Gedurende het laatste jaar hoort men herhaaldelijk
berichten over stijging van de pachtprjzen. Veel cij-
fers zijn ons hierover nog niet bekend, maar het ver-
schijnsel wordt algemeen als vaststaand aangenomen.
Ten deele wordt de stijging der pachtprjzen toege-
schreven aan de verwachte inwerkingtreding van de
Pachtwet, die waarschijnlijk pachters aanleiding heeft
gegeven zich door een hoog bod van een bedrijf te
verzekeren met de stellige hoop, dat na eenigen tijd
de pacht lager zal worden gesteld onder de nieuwe
regeling. Maar ook het feit, dat de geldelijke op-
brengst der landbouwproducten in 1937/1938 hooger
was 1dan in de voorgaande jaren, zal de stijging der
pachtprijzen ongetwijfeld bevorderd hebben. Er zijn
zooveel gegadigden voor een pachtboerderij in Neder-
land, dat de pachters door onderlinge concurrentie
gedwongen zijn genoegen te nemen met een karige
belooning.
Er bestaat alle aanleiding de agrarische producen-
ten een belooning voor hun arbeid te doen toekomen, die in een redelijke verhouding staat tot de belooning
van de producenten in andere takken van bedrijf. De
moeilijkheid is evenwel, dat een verbetering dei prij-
zen van landbouwvoortbrengselen slechts in hoofdzaak
den boeren ten goede komt, die tevens eigenaar van
den grond zijn. De pachters wier aantal en totale
oppervlakte door hun geöxploiteerde grond ongeveer
gelijk is aan dat van de eigen boeren – werden tot
voor kort onder de vrije werking van vraag en aan-bod genoodzaakt een groot deel van de stijging der
bedrijfsuitkomsten af te staan aan den grondeigenaar.
De nieuwe pachtwet, die op 1 Nov. 1938 in werking
is getreden, eischt, dat de voorwaarden van de pacht-
overeenkomst een ,,redeljk bestaan” van den pachter
mogelijk maken. Deze bepaling opent de mogelijkheid
te bewerkstelligen, dat de pachters een ruimere be-
looning ontvangen en te verhinderen, dat een verbe-
tering in de bedrijfsresultaten voornamelijk ten goede
komt aan de verpachters.

Conclusie.

Bij het vaststellen der steunbedragen moet tot op
zekere hoogte rekening worden gehouden met de
pacht als ,,onmisbare productiekosten”. Het is moei-
lijk scherp vast te stellen hoe hoog het economisch
voldoende peil van de pacht ligt. Opmerkelijk is, dat
de uitgaven voor pacht vanaf 1927/’28 in de achter-
eènvolgende, verliesgevende jaren evenredig zijn ge-
daald met de totale uitgaven en niet tot nihil. Mis-
schien ligt hierin een aanwijzing, dat voor de grens-
bedrijven de pacht in deze jaren zoo goed als geheel
uit kostenbestanddeelen bestond.
Een aanzienlijke verlaging van de pacht beneden
het niveau van de jaren 1934 tot 1937 zou waar-
schijnlijk bezwaren medebrengen voor het intact hou-
den van een goed geoutilleerd agrarisch productie-
apparaat. Bovendien zouden
ongetwijfeld
groote moei-
lijkheden ontstaan voor het landbouwcrediet.
Een stijging van de pacht is echter ook niet nood-
zakelijk voor het handhaven van de productiviteit van
den landbouw. Ter uitbreiding van cultuurgrond is
een systeem van subsidiëering van ontginningen
maatschappelijk voordeeliger, dan een hoogere pacht
over de geheele linie als stimulans. Zoolang de ren-
dabiliteit van den landbouw met behulp van Over-
heidsingrijpen tot stand moet worden gebracht, moet
eell stijging der pacht ongewenscht worden geacht.
J. Hoaano.

52

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 Januari 1939

HET EERSTE RESULTAAT DER KAPOK-

ORDENING.

In ons vorig artikel hebben wij in groote lijnen op
de gevaren van de kapok-ordening gewezen; wij wil-
len thans nagaan hoe de gang van zaken is geweest.
In 1935 werd de ed.-Indische Vereeniging van Ka-
pokexportbeurs (N.LV.K.E.) opgericht, w.i er werk-zaamheid haar zwaartepunt vond i.n de uit de quota-
verdeeling voortgekomen prijspolitiek. Men kwam tol
de vaststelling van minimum-prijzen, een vaststelling
clie na raadpleging van de departementale instanties
geschiedde. Hier komt het logische verlengstuk op
het gevaarlijke pad der ordening. Formeel was het
een vrijwillige overeenkomst tnsschein de exporteurs
en daarom zou de Regeering wel elke verantwoorde-
lijkheid in deze kunnen verwerpen, ware het niet,
dat het zich houden aan deze minima als vereischte
werd en wordt gesteld om uitvoervergunning te krij-

gen.

Van medio 1935 tot medio 1937 heeft de kapok-
situatie zich bijzonder gunstig ontwikkeld, op het
laatste tijdstip bedroeg de voorraad in Ned.-Ïncbë nog ongeveer 8.000 ton.; de binnenlandsche prijzen stegen

van
f
25 tot
f
40 per quintaal. De opleving in cle

Vereenigde Staten had een groote uitbreiding van de
vraag tengevolge, welke niet alleen het verbruik,
doch ook speeulatieve oogmerken en de voorraadvor-

ming diende; in Amerika werd gevreesd, dat Ned.-
Indië niet aan de behoefte zou kunnen voldoen. Tegen
6.904 ton in 1934 werden in 1935 en 1936 resp. 12.333

en 14.825 ton naar Amerika uitgevoerd, doch in 1931
begon de zaak zich minder gunstig te ontwikkelen.
De conjunctuur-omslag in de Vereenigde Staten en
cle wetenschap, dat een tekort niet behoefde te wor-
den gevreesd, leidden —. mede door de groote voor-
raden in de Unie – tot een vermindering van de uit-
voeren daarheen Vanaf October 1936 tot April 1937
lag de pariteit der prijzen in Amerika boven de mi-

nima op Java
1),
zoodat deze feitelijk alleen beteeke-

nis hadden als belemmering voor dan uitvoer naar
elders.
De ordening werkte aanstekelijk op sommige expor-
teurs en deze kochten zelfs kapok tot hoeveelheden, welke ver buiten verhouding stonden tot de hen nog

ter beschikking staande licenties. Niet alleen in de
voorraadvorming kwam het optimisme tot uiting, doch
ook in het opschroeven van den prijs, tengevolge waar-
van een groote vaste order voor een technische toe-
passing van kapok (isolatie-industrie) voor Java ver

loren ging ‘). In het buitenland poogde men den in-
druk te wekken, dat Java vrijrwel was uitverkocht,
aan welke politiek de Kapok-Centrale door publicatie
der werkelijkheid een einde maakte.

Later kwam stagnatie in dan uitvoer en zou het dus

normaal zijn geweest te pogen het verlies aan den
eenen kant te compenseeren door grooteren uitvoer
– met behulp van een prijsverlaging – naar elders;
weliswaar werd dëze mogelijkheid van compenseeren-
de afzetverruirning door verschillende instanties ont-
kend, doch het feit, dat bijv. op de Europeesche mark-
ten de saigon, •die een paar cents lager noteerde, haar

Vgl. Memonie van Toelichtiub op voorstellen Gouver-
nement tot wijaiging an de begrooting van het Kantoor
voor dn Handel en G. J. Schimmel ,,De ontwikkeling van
de kapoksltuatie in cle laatste jaren” in het ,,Economisoh
Weekblad van Ned.-Tindië” van
10
Juni
1933,
No.
23;
het
betoog, dat uit het feit, dat, omdat de marktprijzen boven
de mininuc lagen, geen enkele rem op dan afzet zon hebben
bestaan, is onjuist, wat andere afzetgebieden, voor welke
de minima zelf te
hoog
waren, betreft; in Nederland en
België bijv. veroverde Saigon ten koste van Ned.-Indië haar
Plaats.

Vgl. het overzicht van .heit Bureau Uitvoeizaken van
het Kantoor voor den 1-lande! In het jaaroverzicht
1937
van het Econ. Weekblad voor Ned.-Iadië
(29
April
1938,
pag.
783) ; ook
G. J. Schimmel ta.p.

plaats verbeterde, doet twijfel ontstaan aan de juist-
heid van dit inzicht.

J:Tet tegendeel gebeurde, met sanctie der overheid;

teneinde, aldus het gec:iteerde verslag, een al te groote
prijsdaling tegen te gaan, werden, mede ter bescher-
ming van bonafide handelaren en verbruikers in de Vereenigde Staten van Amerika en elders, de mini:
mumprjzen voor verkoopen naar het buitenland door
de N.I.V.Ti.E. verhoogd. Een zeer merkwaardige ge-
clraging in een dalende conjunctuur bij een artilcel,
waarvan men wist, dat het een zekere conjunctuurge-
voeligheid bezit. Men kan stellen, dat hier sprake is
geweest van een te optimistische beschouwing van
het conjunctuurverloop, doch dan heeft men hier te
doen met een gevaar van de ordening, cl. dat de over-
heid — zonder productie en verbruik te heheerschen
– de verantwoordelijkheid aanvaardt voor omstandig-
heden, die buiten haar contrôle liggen en als het dan
anders uitkomt, dan treft haar zeker het verwijt alles
op de verkeerde kaart te hebben gezet, met name in
dit geval andere afzetmogelijkheden tengevolge van
een op een prognose gebaseerde prijspolitiek te heb-
ben uitgeschakeld. De gevolgen bleven niet uit; in de

hausse waren de onzichtbarc voorraden in Amerika
toegenomen en thans werden deze en de speculatieve
voorraden eerst verbruikt, overigens een normaal ver-
schijnsel. De kans op grootere uitvoeren naar de Ver-

eenigde Staten was zoodoende gering, die op uitvoer
naar elders werd doelbewust verkleind. De voorraden
in Ned.-indië waren wei klein, maar de nieuwe oogst
1937 stond voor de deur. Aanvankelijk werd opge-
kocht tegen de oude prijzen, doch, naar de heer Van
ileisdingen in den Volksraad mededeelde, daalde de
opkoopprijs voor de tweede helft van den oogst eerst
tot 10 en later zelfs tot 6 â 7 cent per 100 kolven.
Ondanks een op 1 October 1937 ingegane prijsverla-
ging en terwijl de raming voor de hinnenlandsche con-
sumptie op ongeveer 3000 ton kon worden gehand-
haafd, namen de voorraden toe, zoodat tegen medio
1938 kon worden gerekend op een voorraad van onge-
veer 15.000 ton, waarvan ongeveer 80 pCt. in handen
van de etahlissementshouders zouden zijn.

Hierdoor zouden deze niet in staat zijn en geen
lust gevoelen kolven op te koopen en dreigde de zaak
grondig vast te loopen. Men had nu de keuze tusscheu
vrijlaten of nieuwe bescherming. Vrijlaten zou groote
moeiljlcheden geven, in den vorm van zware verlie-
zen voor houders van en geldschieters op de voor-
raden en van een lagen oplcoopprijs voor de inlanders.

Het zou op de wereldmarkten een prijsverlaging
brengen, die anderen het bestaan zou bemoeilijken of
onmogelijk maken en dus langs dezen weg, zeker op
den iets langeren duur, zoowel in als buiten Indië
tot een beperking der voortbrengi ng leiden. Echter,
men was van oordeel, dat de prijs van
f
40 per qui.n-

taal in het binnenland niet te hoog was voor één
categorie van verbruikers – de Amerikanen – en
durfde de consequenties der verliezen ook niet aan.
Dus moest er een verdergaande regeling komen, wellce
na vele besprekingen werd gevonden in het onlangs
ingestelde

I(ccpolcfonds.
De opzet daarvan is zeer eenvoudig;
in groote lijnen i.s de gang van zaken als volgt: aan
etablissementhouders en kapokondernemers (de groot-ondernemers) wordt de gelegenheid geboden ten hoog-
ste ‘TO pCt. van hun op 3 September 1938 nog on-
verkochte kapok véôr 30 September jI. aan het Kapok-
fonds te leveren voor de vastgestelde minimumprij-
zen, zijnd(-, voor de C-kwaliteit
.f
38.75, voor de B-
kwaliteit
f
39.15 en voor de betere kwaliteiten
f
44.50
per 100 kg geleverd in aangewezen pakhuizen te
Semarang’), Soerahaia en Tegal
1)
De financiering ge-
schiedt met behulp van kortloopend crediet tegen
3 pOt. rente door liet Kapokfonds, dat de gelden op
zijn beurt weer van de banlcen verkrijgt. Tevens

J)
Van begin October af werd de A-kwaliteit geschrapt.

18 Januari 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

53

wordt voor dezelfde categorieën de gelegenheid open-gesteld om maximum de helft van de verkregen kapok
van oogst 1.938 aan het fonds te verkoopen tegen een
PflJS
van resp.
f
26.25 voor B-kwaliteit en beter en

f
23.75 voor cie 0-kwaliteit. Aannemende, dat deze
oogst 20.000 ton zal bedragen, moet rekening wor-

den gehouden met een levering ui.t den nieuwen
oogst van 10.000 ton.
rjet.eii1die het crediet, dat op dezelfde wijze, maar
tegen een ander rentepercentage, wordt verkregen, te
liquideeren, zou op alle van oogst 1938 uit te voeren kapok een uitvoerrecht van
,f
15 per 100 kg worden
geheven, zooclat men erop rekent, dat een zekere voor-
raad op den duur in vrij bezit van het Kapokfonds
zal zijn.

Wij moeten deze heele regeling in onderling ver-
band zien. De opkoop van kapok uit oude oogsten
had ten doel den etablisseme.nthouders de gelden te
verschaffen om icolven uit den nieuwen oogst op te
koopen, resp. in staat te stellen hun bankcredieten a

te lossen, echter alleen onder de mits, dat hierdoor
de koop van den nieuwen oogst zou zijn verzekerd.
En daarom was deze opkoop door het Kapokfoncls
van kapok uit de oogsten. 1937 en vroeger clan ook
afhankelijk van de bereidheid van deze eigenaren,
om ]colveu uit den oogst 1938 op te koopen op cc
basis van 6 tot 8 ets. per 100 kolven van goede
gezonde kwaliteit. Dit kon, omdat de etablissement-houders door den verkoop aan het Fonds gelden vrij
kregen, resp. credieten iconden aflossen; met deze
gelden, resp. met een nieuw crediet op lagere basis
konden zij icapok uit dan nieuwen oogst – de kolven
immers noteerden op cie helft vergeleken met he
begin van den vorigen oogst – icoopen.
De aanvankelijk – vSSr 30 September ii. – uit
oogst 1937 opgekochte voorraad moet, zoodra een be-
paalde kwaliteit is uitvericocht en voordat, in prin-
cipe althans, van oogst 1.938 mag worden uitgevoerd, ter beschikking van exporteurs worden gesteld; de f i-
nanciering is dus slechts een tijdelijke. Men rekent
erop, dat deze voorraad uiterlijk in April 1939 zal
zijn geliquideerd.

Door den aankoop van maximum de helft van den

kapokoogst 1938 verkreeg het Fonds dus een nieu-wen voorraad, die voorloopig eveneens met behulp

van cie banken wordt gefinancierd. Ter delging van
deze crecheten echter, aldus de regeling, wordt, te
beginnen met kapok van oogst 1938, een retributie

van
f
15
per
ciuintaal
geheven, die aan cle rechtsper-
soon ,,het Kapokfonds” komt. hierdoor krijgt dit
dus een vrijen voorraad, die ,,gesteriliseerd”, m.a.w.
aan de markt onttrokken, wordt. Men stelde zich de
zaak aldus in eenigszins gewijzigde cijfers voor: er

is een voorraad uit oogst 1.931 of vroeger van onge-
veer 1.5.000 ton, de nieuwe oogst bedraagt 20.000 ton,
cie uitvoer en het birinenlandsch verbruilc kunnen
worden geraamd op 18.000 ton, zoodat er medio 1939
nog een. voorraad van 11.000 ton zal zijn, waarvan het
Fonds er 10.000 en de exporteurs en. etablissement-
houders, resp. ondernemingen, er 7.000 bezitten. Met
betrekking tot die 7.000 ton is de toestand gezond,
de 10.000 ton zijn steriel en hebben geen invloed op
de markt.

Deze laatste meening is natuurlijk zeer aanvecht-
baar, zoolang die kapok niet is verdwenen. Door mid-
dal van het uitvoerrecht en de daardoor vrij gekregen
kapok wordt vernietiging, resp. aanwending voor
speciale doeleinden van een deel van dien voorraad
mogelijk. De stelling, dat deze, indien noodig, even-

tueel 10.000 to.n zouden kunnen bedragen is niet juist,
omdat de mate afhangt van de mate van den uitvoer.
Voor elke 100 kg die men zoo wenscht te bestenimen
– en die globaal
f
25 plus ongeveer 10 pOt. kosten,
dus globaal
f
27.50 hebben gekost – moete:n hij e3n
uitoerrecht van
f
15 ruim 183 kg worden uitgevoerd,
zoodat deze bestemming voor deze 10.000 ton alleen
maar mogelijk is – een mogelijkheid, clie nergens uit-

drukkeiijk in de stukken staat vermeld – indien ook
van oogst 1939 het uitvoerrecht wordt geheven of in-
dien de opbrengst van den specialen afzet hier het
evenwicht zou herstellen. Anders en tenzij een an-
dere oplossing voor het delgen der haukeredieten
wordt gekozen, kan, het binnenlandsch verbruik in
aanmerking genomen, door de retributie hoogstens
ruim 6.000 ton worden vernietigd of voor speciale
doeleinden gebruiict bij een oogst van 20.000 ton.

Zou het verbruik zich herstellen, dan zouden er op
cien duur belangrijke sommen vrij komen, die dan den
producenten, resp. den ondernemingen ten goede zou-
den komen.

Alvorens de instelling van het Kapokfonds door
den Volksraad was goedgekeurd, kwamen nog een
tweetal besluiten:
in de eerste plaats w.erd eind Juli besloten voort-
aan slechts aan 2 minimum-prijzen – één voor de B-kwa.liteit en beter en één voor de 0-kwaliteit –
vuit te houden, wat dus voor de betere kwaliteit de

mogelijkheid van prijsverlaging beteekende en
voorts werd het uitvoerquotuni voor 1938/39 op
15.000 ton vastgesteld.
Wij zullen. ons in de technische finesses der rege-
ling niet verd:iepen, willen volstaan met op te mer-ken, dat deze ingewikkelder zijn, dan bovenstaande
uiteenzetting zou doen vermoeden; uitsluitend de
groote lijn blijft voor o.ns van beteekenis.
Nu er door de verkleining van het uitvoerquotum
een werkelijke en ingrijpende uitvoerrestrictie komt,
vloeit hieruit voort, dat de ondernemingen ook wor-
den getroffen en tengevolge van de halveering van
den uitvoer haar halven oogst in voorraad moeten
houden. Verkoop aan h.et Kapokfonds toch heeft voor
hen het gevaar, dat, als later die kapok van goede
hoedanigheid niet vernietigd zou worden, maar ver-
koop plaats heeft, zij hun eigen product als concur-
rent op de markt zullen aantreffen. Voor de expor-teurs beteekent de verkleining van het uitvoerquo-
tum, dat de goodwill van hun eigen organisatie in
gevaar komt; zij, die in het verleden een eigen af zet-
organisatie hebben opgebouwd, zien thans, dat de con-

currenten, die zich de moeite en off.ers niet hebben
getroost, met de resultaten gaan strijken.
Het is buitengewoon gevaarlijk om, indien een
hausse-speculatie is mislukt, nog een stapje verder
te gaan, vooral als geen poging wordt gedaan om te
genezen. hrnmers, het steriliseeren van een voorraad
neemt de oorzaak niet weg, die gelegen is in een te groote productie-capaciteit, doch geeft integendeel allen belanghebbenden de aanwijzing om rustig op
den ingeslagen weg voort te gaan, omdat Vadertje
Staat wel te hulp zal icomen. Wel heeft de Regeering
in uitzicht
gesteld,
dat voor den uitvoer naar bepaal-de gebieden op den duur lagere prijzen zouden kun-
nen worden genoteerd, dank zij het retributiesysteem,

doch dit zou een gevaarlijke prijspolitiek worden en
een drang van consumenten elders om product te
icrijgen, waarbij zij niet gediscrimineerd worden, icun-
nen scheppen.

* *
*

Nadien is deze regeling nog in zooverre gewijzigd,
dat de kapokvrachten naar verschillende bestemmin-
gen ten behoeve vain het Kapokfonds zijn verlaagd;
technisch is deze regeling zoo uitgevoerd, dat het
uitvoerrecht met het bedrag der vrachtverlaging en
met de kosten, verbonden aan de uitvoering der kapok-
regeling, is verhoogd en dus, al naar gelang van de
bestemming, varieert van
f
0.65 tot
f
2.25 voor den
ouden en
f
15.65 tot
f
17.25 voor den nieuwen oogst.
Wij hebben nu den volgenden toestand geicregen:
bij den werelduitvoer van ruim 35.000 ton (1936) is
het aandeel van Ned.-hndië ruim 28.000. De pro-
ductie noch de uitbreiding van aanplant zijn beperkt;

alleen de uitvoer uit Ned.-Indië. Door den omslag
der conjunctuur en de groote voorraden in het bui-

54

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 Januari 1939

tenland is de uitvoer verminderd, waardoor in IndIë
een zeer g-roote voorraad zal ontstaan. Teneinde den
toestand te verbeteren, wordt een groot deel van dien
voorraad gesteriliseerd. Inmiddels handhaaft men
den prijs, omdat hij voor één bepaalde categorie ver-bruikers niet te hoog is, ‘laat den outsiders volop ge-

lege’nheid hun product te verkoopen en ziet hen zelfs
op markten verschijnen, waar zij vroeger niet kwa-
men (in het eerste halfjaar van 1938 wordt voor het
eerst Saigonkapok naar Amerika en Duitschiand uit-
gevoerd). Een enkel cijfer, ontleend aan de econo-
misch-statistische mededeelingen. der Federatie van
Vereenigingen van Ned.-Indische Bergeultuuronder-
nemingen.:

Uitvoer Jan. t/m. October in ton.

1938

1937

Indo-China

………………….
3223

2417
Britsch-In4ië

………………..
1333

931

WeI.k een gelegenheid door de ka.pokpo•litiek aan de
outsiders wordt geboden, moge blijken uit het feit, dat in 1938 door Indo-Ohina tot ult. October reeds
2291 ton (1937: 1663 ton) naar Nederland zijn, uit-
gevoerd. Gaat de vlieger op en zal in de toekomst
het verbruik toenemen, dan kan men den gesterili-
seerden voorraad verkoopen.; blijken de verwachtin-
gen te worden beschaamd, dan zal hij moeten worden
vernietigd en staan inmiddels weer nieuwe oogsten
voor de deur,
terwijl
intusschen overal wordt ge-

streefd naar vergrooting van de productie. Alleen dus in het geval, dat het verbruik toeneemt,
zal de ordening een succes kunnen geven en dan nog
alleen, indien deze toeneming grooter is dan die van
de productie van kapok en der rationeele vervan-
gingsmiddeleaz. Do best6 wijze om het verbruik te sti-
muleeren en de toekomstige productie binnen zoo
klein mogelijke grenzen te hôuden, een lagen prijs te
noteeren, wordt echter alleen maar in uitzicht ge-
steld voor over een paar jaar. Indien men deze orde-niing beziet, is het een voortdurend mengsel van het
optimisme van de verantwoordelijke instanties en het

pessimisme van de werkelijkheid.

Vergelijking met de koffie-maatregelen.

Nu is het interessant eens na te gaan tot welke
resultaten elders de ordening heeft geleid en wij
kiezen daartoe de koffie. Daarbij moet vooropgesteld

worden, dat bij de koffie, toen men de ordening be-
gon, de productie fluctueerend, het verbruik vrij con-
stant was, bij de kapok het verbruik een tendens tot
toeneming vertoont en ook de productie toeneemt.
Brazilië was – en is nog – de belangrijkste koffie-
producent ter wereld. Na den overvloedigen oogst
van 1901/02 daar, leefde men voortdurend onder den
vrees, dat een nieuwe groote oogst tot een catastrofe
zou leiden en zoodoende werden plannen overwogen
om de productie en den uitvoer te beperken, het ver-

bruik te prikkelen en de prijzen te steunen
8).
In

1906/07 kwam de gevreesde overvloedige oogst en
men nam, met van het buitenland geleend kapitaal,
groote voorraden uit de markt. De gevolgen daarvan

waren, dat de handel ten deele de functie der voor-
raadvorming van zich afschoof, maar, dank zij den
oorlog, is die valorisatie oogenschijnlijk geslaagd.
In 191.7/18 herhaalde men daarom de maatregelen
en moeder natuur kwam te hulp door een tweetal
oogsten door vorst ten deele te laten mislukken.
In 1921 komt dan de derde valorisatie en dank zij
een toeneming van het verbruik en een kleinen oogst
1922/23 slaagde men er alweer in den’ tcestand tot
meer normale verhoudingen terug te brengen.

3)
Vgi. Dr. R. Philips ,,De invloed van de Braziliaa.nsohe
koffieverdedigingspoiitiek op de kofuie-dmporte’n der hoofd-
consuinptielanden”
1934
(Pubi. Ned. Eoon. Instituut No.
9).

Doch daarna begint de misère. Het tijdelijke werd
permanent gemaakt, de aanvoeren naar Santos be-
perkt en voor de prijzen stroef de men via een rege-
ling der aanvoeren naar stabilisatie. Inmiddels had
een zeer
belangrijke
uitbreiding van den koffie-aan-
plant in Brazilië en elders plaats gevonden, doch zoo-
lang de financiën nog uit het buitenland konden
worden verkregen, kon men de valorisatie voortzetten,
ondanks het feit, dat het teveel voortdurend grooter
werd. Belemmering van nieuwe aanplantingen, con-
tingenteering van den aanvoer in Santos, heffing
van hooge vervoer- en uitvoerrechten bleken midde-
len te zijn, die toch het onvermijdelijke niet konden
verhinderen. Tenslotte moeten de Braziliaansche pro-
ducenten thans 30 pOt. van den oogst der gewone
soorten afstaan tegen een vergoeding van 2 milreis
per baal, 30 pOt. in het binnenland laten en zij
mogen 40 pOt. uitvoeren. Brazilië streeft sedert No-
vember 1937 naar een grooter aandeel in den wereld-
koffiehandel met behulp van lagere prijzen en een
actieve politiek, terwijl tevens de bescherming moet worden voortgezet. Het resultaat kan in de volgende
gegevens voor de koffie worden samengevat:

Gemidd. prod.
1905/’08
Brazilië
14
mili., andere
3.8
miii. bin.
,,

,,

1934/’37

,,

22.2 ,,

,,

9.5
Gemidd. wereidverbruik 1905/’08 Braziië
16.8 miii,.
bin.,
1934/37 24.5 miii.
bin.
Vernietigd sedert
1931
ongeveer 63M
millioen balen.

Prijs: over het algemeen beneden kostprijs.

De kapok heeft de eerste schreden gezet op het pad
door contingenteering van den uitvoer, vaststellen van minimumprjzen en thans steriliseeren van een
voorraad; zij heeft ongetwijfeld betere kansen voor
vergrooting van het verbruik, doch ook grootere ge-
varen, dat andere stoffen haar zullen vervangen; er
wordt naar gestreefd om andere stoffen te verdrin-
gen, wat een kans is, doch tevens een wisselvallige
zijde heeft, vooral door den voortgang der techniek.
Koffie had éen regelmatiger ontwikkeling van het
verbruik en was minder conjunctuurgevoelig.
Bij beide producten meende de voornaamste produ-
cent den toestand te kunnen beheerschen zonder de
uitbreiding der productie-capaciteit aan banden te leggen; bij beide zijn de resultaten eerst na eenige
jaren zichtbaar en dan worden nieuwe maatregelen
vereischt.

De kapok is den weg van de koffie ingeslagen, cle
eerste resultaten zijn niet bemoedigend en hoe gevaar-
lijk het op het oogenblik ook schijnt de positie los te laten, de gevaren van een voortgaan op den gekozen
weg lijken nog veel grooter, zonder dat op den duur
aan een onvermijdelijk terug of aan een dure philan-thropie kan worden ontkomen. Tenzij het gehoopte –
waarmede echter niet mag worden gerekend – zou
gebeuren, ni. een nog grootere toeneming van het
verbruik dan de productie thans doet verwachten,
zal een steeds dieper ingrijpen noodzakelijk worden
en gebeurt dat, waar men thans op hoopt, dan kan dit
alleen
tijdelijk
uitkomst brengen, omdat men bij deze ordening het toekomstig verbruik niet kan reglemen-
toeren en het eenige jaren duurt voordat een be-

langrijke uitbreiding van de productie kan plaats
hebben. Men tracht hier door ingrijpen een natuur-
lijke incongruentie tusschen productie en verbruik
weg te nemen en verliest daarbij uit het oog, dat
daardoor juist die disproportionaliteit, zoolang men
alle factoren, die het aanbod en de vraag bepalen,
niet beheerscht, wordt vergroot.

J. F. HACCOÛ.

November 1938.

18 Januari 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

55

NEDERLANDSCHE LANDVERHUIZING
NAAR OVERZEESCHE GEBIEDEN.

Binnen het .lijj1c.

Migratievraagstukken liggen in de kern van he

Rijksbeleid.
Door onze techniek, ons recht, onze militaire macht,
ons onderwijs, onze hygiëne, onze bestuursorganisa-
tie, hebben wij in Java, als in het moederland, sterfte-

en zioktecijfers tot een ongekend ninimum terugge-bracht. Maar in ,Tava, nog meer dan in het moeder-land, is nu de noodzaak gekomen van emigratie. De
Buitenbezittingen en het aan onderbevolking lijdende
Suriname kunnen door immigreerende Javanen tot
groote.re welvaart komen. Curaçao – meer dan vijftig
jaren geleden door een deskundigen medicus, toen
roepend in de woestijn, reeds beschreven als van
nature een van de gezondste oorden van deze aarde
– heeft een hoog geboorte-overschot; sedert de komst
van de petroleumraffinaderijen kan niet alleen dat
overschot, maar ook een immigratie-overschot door
het bedrijfsleven worden geabsorbeerd. Curieus, dat
die immigratie mede uit het potentieel economisch rijkere Suriname komt; op den duur kan dat veran-
deren. Overal en bovenal is een staf van geschoolde leiders noodig; het moederland, door bar klimaat en
natuurlijke armoede bron van activiteit, kan die het
overvloedigst leveren. De vooruitgang van de tech-
niek maakt de topen in toenemende mate voor den
noorderling aantrekkelijk. De kans, dat de benoodig-
de bekwaaniheid verkregen wordt, neemt dus ook toe.
De aangeduide vraagstukken verdienen bestudee-
ring door een commissie tot onderzoek, hoe de werk-
gelegenheid in de onderscheidene gebiedsdeelen door migratie te bevorderen.
In de overzeesche gebiedsdeelen zijn al administra-
tieve organen, die hierbij behulpzaam kunnen zijn. In het moederland heeft, met instemming van den
Minister van Koloniën, de Rijksdienst der Werkloos-
heidsverzekering en Arbeidsbemiddeling den oud-Gou-
verneur van Sumatra’s Oostkust, den heer H. E. K.
Ezei-man, bereid bevonden als adviseur voor de ar-
beidsbemiddeling naar en uit Nederlandsch-Indië,
Suriname en Curaçao op te treden. De heer Ezerman
werkt nauw samen met het Koloniaal Instituut.
Toenemende behoefte aan een organisatie ten be-hoeve van de migratie blijkt o.a. uit het in een vorig
artikel medegedeelde feit, dat in 1937 het aantal af-
schrijvingen uit de bevolkingsregisters van personen,
vertrokken naar Nederlandsch-Indië, Suriname en
Curaçao (14.854) grooter was dan ooit te voren en
dat in dat jaar eveneens het overschot van die af-
schrijvingen boven inschrijvingen van personen, uit
die gebiedsdeelen (2.687), ongekend groot was.

Naar la.nden buiten het Rijk.

De Vereenigde Staten trokken vroeger de meeste
Nederlandsche immigranten; het maximum in één jaar: 9.517, werd in 1882 bereikt. Hoezeer de toe-
standen veranderd zijn, blijkt uit de cijfers van een
halve eeuw later; in 1932 werden 231 Nederlanders
toegelaten, terwijl er 780 vertrokken.
Het is niet gezegd, dat deze laatsten allen naar
Nederland teruggingen. Volgens Canadeesche mede-
deelingen was er vroeger een sterkere trek van Ne-
derlanders uit de Vereenigde Staten naar Canada dan
in omgekeerde richting en blijkt de aantrekkings-
kracht van Canada op Nederlanders ook uit het feit,
dat ongeveer 150.000 personen van Nederlandsche na-
tionaliteit of afkomst in Canada wonen.
In de laatste jaren heeft de Unie van Zuid-Afrika
de meeste Nederlandsche emigranten tot zich getrok-
ken. Deze
omvangrijke
en geslaagde emigratie is,
sedert in 1937 beperkende wettelijke maatregelen
werden getroffen, van minder beteekenis geworden.
Dat de ruim 2000 in 1936 aangekomen Nederlandsche
landverhuizers en ook de sedert aangekomenen het
in den regel goed maken is in belangrijke mate

te danken aan de hulp en voorlichting van het in
Zuid-Afrika gevestigde personeel van de Neder

la.ndsch-Zuid-Afrikaansche Vereeniging.
Het ligt in de bedoeling, in meer landen dergelijke
emigrautenvaders te benoemen.
Met behulp van een subsidie van den Minister van
Sociale Zaken heeft de Stichting Landverhuiziug Ne-
derland reeds de Nederlandsche coöperatie te Tres
Arroyos aangewezen om aan Nederlandsche, in den
landbouw werkzame emigranten in Argentinië voor-
lichting te geven. Voor andere dan in den landbouw
in Argentinië werkzame emigranten en voor emigran-
ten naar Uruguay zal een Nederlander te Buenos
Aires benoemd worden. Indien in bepaalde staten van
Brazilië de kansen voor Nederlanders gunstig blijken
(met den heer Pinheiro Machado van den federalen
iinmigratiedieust en den heer Dario de Vasconcellos
van den immigratiedienst in den staat Sao Paulo
zijn aangename relaties aangeknoopt), kunnen over-
eenkomstige benoemingen ook daar volgen. De te be-
noemen personen komen onder leiding van de Neder-
landsche diplomatieke of consulaire a.mbtenaren. De missie-Van Karnebeek heeft voor deze landen
ertoe medegewerkt, de deuren te openen.
Daarnaast heeft de S.L.N., eveneens dank zij een
subsidie van den Minister van Sociale Zaken, de
vooruitzichten in andere landen onderzocht.
Juist is teruggekomen de onderzoeker, die in Ca-
nada geweest is. Hopelijk zullen zijn mededeelingen
ertoe leiden, dat in het voorjaar een aantal Neder-
landers met kans op succes naar Canada kunnen gaan.
Een andere onderzoeker is naar Australië en Nieuw-
Zeeland vertrokken. De eerste berichten uit Austra-
lië luiden bemoedigend.
Een derde is naar Venezuela en andere landen van
Zuid- en Centraal-Amerika vertrokken, het deel van
de wereld, dat in den komenden tijd zal blijken on-
begrensde mogelijkheden te bieden.
Bij al dit voorbereidende en voorlichtende werk
wordt er van uitgegaan, dat de mondige Nederlander
mans genoeg moet zijn en is om zelf zijn lot te be-
palen. Op Vadertje Staat jehoeft niét en behoort
niet
bij
normaal verloop van zaken geleund te worden,
al zal hij voor voorlichting en voor steun in nood
kunnen zorgen. Ook de Nederlandsche belegger, die
veelal goede kansen heeft waar Nederlanders gaan
werken, behoeft niet en behoort niet op Vadertje
Staat te leunen, in dien zin, dat hij van hem het
dragen van des beleggers lasten verlangt, wanneer
het gaat om het financieren van projecten, welke
voor het werken van Nederlanders in den vreemde
van belang zijn.

Gelukkig zijn er teekenen, die er op wijzen, dat de
poorten voor emigranten weer opengaan en dat de
ondernemingslust van den Nederlaudsehen werker en
den Nederlandschen belegger weer toeneemt.

Van de vluchtelingen,.

Tenslotte een enkel woord over het brandende en
bijtende probleem van de vluchtelingen. En wel dit,
diat het veelal gehoorde denig-reerende oordeel over
Evian misplaatst is. Evian stond onder de meester-
lijke leiding van iemand, die kort te voren nog de lei-
ding had gehad van de grootste staalonderneming
van de wereld en die met hart en ziel een Quaker is. Zonder een woord van verwijt, dat later werk kon
bemoeilijken, werd de eenige ju.iste beslissing geno-
• men, welke met grooten spoed tot uitvoering werd gebracht: het tot stand brengen van een bureau, dat
kan onderhandelen met emigratielanden, met trans-
migratielanden als het onze, met immigratielanden en
met anderen. Dat dit enorme onderhandelingswerk
door het bureau in de maanden na 3 Augustus, in
deze trillende wereld, niet met succes voltooid kon
worden, kan er niet met recht aan verweten worden.
Geen volk heeft, in verhouding tot zijn draagkracht,
tot den steun aan vluchtelingen meer bijgedragen
dan het onze. R. A.
VERw’EY.

56

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 Januari 1939

NIEUWJAARSBOODSCHAP VAN

Dr. F. H. FENTENER VAN VLISSINGEN.

Inleiding.

,,Mulnchen had het Alkmaar kunnen worden der
,,internationale verbroedering.
T0
het zoo geweest,

,,hoe dankbaar zouden wij afscheid hebben genomen
,,van 1938, hoe blijmoeclig en hoopvol gestemd zouden
,,wij 1939 zijn ingetreden.
,,Groot is de onzekerheid, waarin wij verkeeren om-
,,trent hetgeen het jaar 1939 ons brengen zal zoowel
,,op politiek als op economisch gebied.
,,Onzekerheid is geen goede voedingsbodem voor
,,ondernemingslnst en wij zuilen alles in het werk
,,moeten stellen, wat in ons vermogen ligt om de
,,voor onze volkshuishouding nog steeds zoo belang-
,,rijke functie van den ondernemer desondanks beter
,,tot zijn recht te doen komen”, aldus Dr. F. H. Pen-
tener van Vlissingen in de redevoering, welke hij
uitsprak als Voorzitter van de Kamer van Koophan-
del en. Fabrieken voor het gebied Utrecht in de eerste
vergadering in 1939 van deze instelling. Deze type-
ring van ons tijdsbeste1 is raak en kernachtig, het is
reeds vaker gezegd, de grote en de vele onzekerheden,
welke de laatste jaren kenmerkten, domineren het
beeld van het economisch leven; 1938 heeft hierin
niet veel verandering gebracht.
Het is echter niet zo, dat een aantal zuiver poli-
tieke maatregelen en de daardoor teweeggebrachte
spanningen moeten worden beschouwd als buiten-
economische feiten, die voor de leiders van het econo-
nusch leven als hen zuiver door de omstandigheden
opgelegde uitgangspunten zijn. Er is kennelijk ver-
band tussen het een en het ander en Dr. Fentener
van Vlissingen heeft voor dit verband een open oog
als hij zegt:

,,Want wij mogen nimmer vergeten, dat een groot
,,gedeelte der politieke spanningen een econ.omischeu
,,ondergrond heeft.”

Intussen is voor ons kleine land het voorkomen der
politieke spanningen en van de handelspolitieke be-
lemmeringen in veel sterker mate een ,,gegeven” dan
voor de grotere staten in de wereld. Nederland, als
kleine inogendheid, met een t.o.v. de wereidgoederen-
ruil slechts kwrantitatief kleine positie op cle wereld-
markt wordt veel meer dan de anderen in de positie,
waarin het verkeert, gedrongen. Deze positie wordt
gekarakteriseerd door een sterke afname van onzen
handel met en onze dienstenverlening aan de omrin-gende wereld, waardoor wij in sterke mate het beeld
vertonen van een ouderbezet bedrijfsleven, met de ge-volgen van dien.

,,De twee grootste problemen, waarvoor onze volks-
,,huishouding zich gesteld ziet”, zo drukte cle heer Fentener van Vlissingen het uit, ,,hehhen nog niets
,,van hun dreigend aspect verloren. Het blijven nog
,,steeds de werkloosheid en de onvoldoende dekking
,,van de uitgaven van Staat en gemeenten.”

Wrkloosheid Van ka.p’itaal en arbeid.

De heer Fentener van Vlissingen besteedt aan dit
maatschappelijk euvel en zijn bestrijding veel aandacht.
Hij onderscheidt in de werkloosheidsbestrijding drie groepen van maatregelen, t.w.:
lo. ,,die, welke beoogen het particuliere bedrijfs-

,,leven in
zij.n
algemeenheid tot grooter of tot nieuwe

,,activiteit te prikkelen”;
2o. ,,die, welke door directen of indirecten steun
,,aan dit bedrijfsleven verleend de bestaande werkge-
,,legenheid pogen te behouden of te verruimen”, en

tenslotte 3o. ,,die, welke door het besteden van overheidsgeld

,,voor andere dan de normale overheidsuitgaven nieu-
,,we werkgelegenheid trachten te scheppen”.
Dit is niet typisch-Nederlands, in ialle – zgn. ka-
pitalistisch georganiseerde – landen doen zich deze
verschijnselen voor.

De heer Fentener van Vlissingen heeft voor de
sub 2 en 3 genoemde groepen van maatregelen niet
veel appreciatie. Hij ziet in het toepassen van de
twede groep maatregelen een der hoofdoorzaken van
de internationale moeilijkheden op het gebied der ruil
van goederen en diensten en meent, dat deze soort
steunmaatregelen uitermate ongunstig zal moeten
doorwerken en vrijwel onuitroeihaar zal blijken:

,,Indien men zich bij de bestrijding der werkloos-
,,heid had beperkt tot het op juiste wijze toepassen
,,van de bestrijdingsmiddelen van de eerstgenoemde
,,categ’orie, zou onze wereidhuishouding zich naar mijn
,,meening voor heel wat minder moeilijke vraagstuk-
,,ken gesteld zien dan thans het geval is. Het met
,,kunst en vliegwerk in stand willen houden van de
,,hestaande werkgelegenheid, zonder dat een aanpas-
,,sing aan sterk veranderde omstandigheden had
,,plaats gevonden, bracht ons echter de hestrijdings-
,,middeien der in de tweede plaats genoemde catego-
,,rie. Zij riepen over de geheele wereld een complex
,,van overheidsmaatregelen in het leven, die den pro-
,,ducent eenerzijds hij zijn afzet op de hinnenlandsche
,,markt tegen concurrentie van buiten kunstmatig
,,heschermen en heni anderzijds hij zijn afzet op de
,,huitenlandsche markt kunstmatig steunen en die zoo-
,,doende allerwege cle beruchte handelsbelemmeringen
,,deden ontstaan, waaronder de wereldhuishouding
,,thans nog steeds gebukt gaat.
,,Dat de werkgelegenheid op de wereld in zijn ge-
,,heel genomen zou worden verruimd door deze maat-
,,regelen, die veelal lijnrecht tegen elkaar ingaan, of
,,elkaars effect opheffen, en die in het algemeen tot
,,strekking hebben de producti’ekosten en de openbare
,,iasten te verhoogen en dus om de koopkracht van
,,de afnemers te verminderen, kan niet worden aan-
,,genomen. Integendeel, zij grijpen storend in een
,,doelmatige internationale arbeidsverdeeling in, he-
,,letten in vele gevallen daardoor, dat de goederen
,,daar geproduceerd worden, waar zulks het goed-
,,koopst en best geschieden kan en moeten dus rem-
,,niend op den afzet werken en een vermindering der
,,totaie werkgelegenheid
01)
de wereld tengevolge heb-
,,ben. In hun geheel genomen kunnen zij nooit nieu-
,,we arheidsmogelijkheid scheppen, zij kunnen haar
,,aileen verplaatsen en dat slechts ten koste van de
,,doelmatigheid.

,,Desn.iettegeustaande gelooven vele volksgemeen-
,,schappen blijkbaar, dat cie maatregelen, welke voor
,,de wereldhuishouding een vermindering van de werk-
,,geiegenheid tengevolge moeten hebben, voor de eigen
,,voikshuishouding meer weric kunnen brengei. Dit
,,geloof heeft ook blijkbaar de Regeering van ons
,,iand, dat door zijn geographische ligging, de dicht-
,,heid zijner bevolking, zijn economische structuur,
,,zijn productie-apparaat en zijn koloniaal bezit op
,,eeu levendigen internationalen goederenruil is aan-
,,gewezcn, ertoe geleid in den ioop van het achter ons
,,liggende jaar onze handelspolitiek in protectionis-
,,tischen zin te wijzigen. Niet alleen heeft de Regee-
,,ring ee.n wetsontwerp aangekondigd e
, waarbij voorg
,,steld zal worden de invoerrechten ten aanzien van
,,een aantal goederengroepen te verhoogen, maar bui-
,,teudien namen de Staten-Generaal de wetsvoorstellen
,,der Regeering betreffende de zgu. Tariefmachti-
,,gingswet 1934, die een verruiming harer bevoegd-,,heid ten opzichte van de d.ouanetarieven heoogen,
,,aan. Indien in dringende gevallen cle levensbelangen ,,van Nederlandsche bedrijven zulks noodig maken en
,,het algemeen belang dit vereischt, kan de Regeering
,,thans zonder medewerking van de Staten-Generaal
,,tot tariefswijziging overgaan. De in de wet opge-
,,nomen bepaling, dat tariefsverhooging zal strekken,
,,hetzij tot vermeerdering van de inkomsten van het
,,Rijk, hetzij tot matige bescherming van bepaalde Ne-
,,derla.ndsche bedrijven, wijst erop, dat men voortaan
,,inderdaad aan onze invoerrechten naast het fiscaal
,,karakter, dat zij tot dusverre droegen, ook een he-

18 Januari 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

57

,,schermencle – zij het ook een matig beschermende ,,- functie wil verieenen. Gezien het feit, dat tariefs-
,,verhooging het binnenlancisch prijspeil in. Opwaart-
,,sche richting moet beïnvloeden, en overtuigd zijnde,
,,dat op den duur voor elke volkshuishouding een
,,evenwicht tusschen uit- en invoer, in den. ruimsten
,,zin des woords genomen, onmisbaar is, vrees ik,
,,dat de uitwerking van deze matige bescherming van
,,bepaaide Nederlandsche bedrijven op de werkloosheid
even ongunstig zal zijn als clie van de na dcii
,,00rlog verhoogde invoerrechten van de Vereenigde
,,Staten op den duur op het aantal werkzoekenden
,,daar te lande is geweest. Eet geheele arsenaal van
,,steunmaatregelen, waaruit ook in ons land zoo ijverig
,,geput wordt, – heeft niet niemand minder dan
,,onze Minister-President gezegd, dat er in Nederland
,,geen man meer is, die niet op krukken loopt? –
,,kan trouwens mi. nimmer cle wapenen, geschikt voor
,,een afdoende bestrijding der werkloosheid, leveren.
,,Uit den tegenwoordigen druk van belasting en an-
,,dere heffingen, gepaard gaande niet zorgwekkende
,,begrootingstekorten, blijkt genoegzaarn, dat de steun,
,,welke aan bepaalde bedrijfstakken verleend wordt, ,,niet voor onbepaalden tijd kan worden verstrekt en
,,dat men dus hiermede de kwaal wellicht tijdelijk
,,verlichten, maar niet duurzaam genezen kan. Steun
,,aan een deel der volkshuisvesting verleend, moet ten
,,laste va.n een ander deel dier huishouding vallen en ,,hehoort dientengevolge tot dat zoo gevaarlijke soort
,,hulp, dat steeds nieuwe hulpbehoevenden kweekt.”
In boven
w
ree
rgegeven
zeer knappe schets der
onderhavige maatregelen wordt door steiler dezes
één – naar het voorkomt toch zeer belangrijk –
element gemist. Ik doel hier op de welbewuste wij

ziging, die men in de totalitai re staten heeft aange-
bracht in het ,,welvaartshegrip”. Indien men niet
meer als welvaart begrijpt het voor de individuën der
gemeenschap verkrijgen van een maximum van stof-

felijke en onstoffelijke hehoeftehevredigingsmiddelen
tegen de minste krachtsinspannin.g, maar indien men
in het begrip welvaart mede omvat het besef, dat de
organisch-gebonden volksgenieenschap, waartoe men
behoort, op zichzelf, in zo hoog mogelijke mate is een
gesloten huishouding, voor het verkrijgen van zijn
bestaan niet
afhankelijk
van de ruilbereidheid der an-
dere volksgemeenschappen, dan komen hij de door
den heer Fentener van Vlissingen getoonde elenien-
ten nog enkele andere, die de tegenwoordige situatie
in een ander licht stellen.
Doch, al is dit punt niet met zoveel woorden ge-
noemd, de heer Feitener van Vlissingen ziet dit zeer
wel in, wat blijkt uit den aanhef van de onder ge-
citeerde opmerkingen op hlz. 14, welke slaan op een
voorafgaande bespreking der zgn. uitgavenpolitiek der
Regeringen..

Actieve welvaartspolitie7e.

,,Zoolang wij als economischen grondslag van onze ,,volkshuishouding het particuliere bedrijf aanvaarden
en de ruggegraat van het produceeren en het hewij-
zen van diensten dus moet zijn ondernemingslust
,,en ondernemersurinst, zullen wij met name in tijden
,,vmrn dalende conjunctuur moeten trachten de ouder-

,,neiningslust aan te wakkeren en voor de onderne-
,,merswiust een behoorlijke kans open te laten. Doen
,,wij dit niet, dan zullen geleidelijk de bronnen der

,,particuliere eco:nomische activiteit opdrogen en geen
,,nieuwe worden aangeboord. De overheid moet dan
,,ingrijpen, doch dit ingrijpen, dat aanvankelijk als
,,Ankurbelung” als ,,priming the puinp” bedoeld is,

,,wordt een zi cli steeds uitbrei dende alles aantasteude
,,olievlek, indien het niet gepaard gaat niet een zoo-
,,danige verbetering van de omstandigheden, waaron-
,,der het particuliere bedrijfsleven moet werken, dat
,,nieuwe onderiaemingslust wordt opgewekt, nieuwe
,,kansen op onde.rnernerswinst worden geopend. Dat
,,deze olievlek zoodanig kan uitvloeien, dat tenslotte
,,het stadium van den totalitairen staat wordt bereikt,
,,wordt langzamerhand aan. velen duidelijk.
,,Willen wij in Nederland onze bestaande staatsbe-
,,ginselen trouw blijven, dan zal onze Regeering, en
,,zij heeft herhaaldelijk verklaard zich daarvan. bewust
,,te zijn, er dus voor moeten waken, dat het particu-
,,liere bedrijfsleven zijn nuttige functie in onze volks-
,,huishouding kan blijven vervullen. Daartoe zal ech-,,ter noodig zijn, dat de overheid er meer dan tot dus-
,,verre toe bijdraagt, dat de omstandigheden, die voor
,,het behoud e.n verdere ontwikkeling van dat parti-
,,culiere bedrijfsleven onmisbaar zijn, aanw(yig zijn.”
Tot die omstandigheden rekent de Voorzitter van
de Utrechtsche Kamer van Koophandel zeer zeker
niet het ingrijpen van de Overheid. Genoegzaarn reali-
teitsrnens om te begrijpen, dat de Overheid zich in de
nu eenmaal gegeven omstandigheden niet afzijdig
kan
houden, is hij toch kennelijk van mening, dat deze
activiteit tot het uiterste zal moeten blijven beperkt.
Ook de openbare-werkenpolitiek moet z.i. niet de
grootste omzichtigheid worden gehanteerd. Eet ,,pla.n-
Westhoff” hesprekend, brengt de heer Fentener van
Tljssjng.en dat tot uiting, als hij: erop wijst, dat het,
alvorens tot uitvoering van dit plan over te gaan en
te besluiten tot het aanbrengen van deze ,,revolutio-
naire verandering van de economische ,,structiiur van
,,onze volkshuishouding”, ,,du.s zaak zal zijn allereerst
,,na te gaan, welke gevolgen de sterke vermeerdering
,,der agrarische productie, di’e eruit moet voortvloei-
,,en en de wijze waarop zulks mogelijk gemaakt wordt, ,,voor onze overige bedrijfstakken met zich mede zul-
,,len brengen.

,,Voorzichtigheid en een ,,hezint eer
Gij
begint” is
,,hier zeker op zijn plaats, daar de cijfers der volks-
,,telling duidelijk aanwijzen, dat de economische ont-
,,wrikkeling van ons land, voo lang deze niet door
,,ki.mstmatige factoren beïnvloed werd, in de richting
,,eener geleidelijk voortschrijdende industrialiseering
,,ging.”

In het algemeen blijkt spreker geen groot voorstan-
der van dergelijke ,,extensieve” iverkverschaffingen,
die liet gevaar met zich brengen, ,,dat onze Neder-
,,landsche werkverschaffing zich te veel instelt op cul-
,,tuur-technische werken en aldus onze economische
,,structuur forceert in een richting, die-niet niet haar
,,ncmtuurljk groei proces ‘)
overeenstemt.”
Het komt mij voor, dat hij de hovenstaand bespro-ken kwestie wederom een rol van betekenis gespeeld
wordt door het beeld van het welvaartsbegrip, dat
men zich – veelal niet scherp bewust – als eind-
doel stelt.
De Voorzitter van. de Utrechtsche K. v. K. blijkt
meer te gevoelen voor wat men zou kunnen noemen
een ,,intensieve” werkverschaffing, als hij (op blz. 13)
zegt:
,,Aan de outillage, de mechanische uitrusting en de
,,efficiency van onze overige bedrijfstakken zou ook
,,heel wat kunnen worden toegevoegd en verbeterd,
,,indien de Regeerin.g daartoe
0!)
– een, wat den kost-
,,prijs betreft, even ingrijpende wijze als het plan-
,,Westhoff dit beoogt te doen, de behulpzame hand zou
,,willen bieden. De werkverruirning, die hieruit zou
,,voortspruiten, zou mi. op solider economischen

,,gron.dslag berusten en dus meer garantie voor haar
,,duurzaarnheid bieden, omdat zij ons zou helpen onze
,,productiekosten ook in vergelijking met die van an-
,,dere landen op een redelijk peil te brengen of te
,,houden..”

Herstel van winstkcinsen.

Uit het bovenstaande is wel gebleken., dat naar
het oordeel van den heer Fentener van Vlissingen
slechts die maatregelen op den duur nu kunnen af-
werpen, die de winstmnogeljkhedeu voor de onderne-mers weer herstellen. Moet daartoe overheidsingrijpen

worden aanvaard, dan is dat acceptabel in dien zin en

‘) Cui’sivering van mij – M. C.

58

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 Januari 1939

voor zover de Overheid zich terugtrekt, zodra hot
gestelde doel is bereikt, althans zich dan beperkt tot
het in stand houden van de voorwaarden voor den
bloei van het bedrijfsleven ioodzakelijk.
Tot deze voorwaarden behoort, naast terugkeer van
meer zekerheid als primaire voorwaarde, een even-
wichtige prijs-kosten-structuur:

,,Het lig-t voor de hand, dat het noodig is, wil do
,,oiidcrnemer een voldoende uitzicht op deze redelijke
,,winst hebben, dat zijn kostprijs niet hoven dien van
,,zijn concurrenten in zijn afzetgebied ligt en dat cle
,,verkoopsprijs, die hem een zoodanige winst laat, hin-
,,nen het bereik van de koopkracht van een voldoend
,,aantal afnemers valt. Is zulks niet het geval, dan
,,kan hij slechts geholpen worden door een verlaging
,,van zijn kostprijs, een verhooging van de koopkracht
,,zijner afnemers of door een kunstmatige overbrug-
,,ging van het nadeelig verschil tusschen zijn kostpris
,,en dien van anderen.”

In de heide laatstgenoemde middelen ziet spreker
geen baat. ,,Beide vormen rau overheidsinmenging in
,,het bedrijfsleven verbeteren derhalve de kansen van
,,hepaalde groepen van ondernemers, doch hebben een
,,onguustigen invloed op de kansen van andere groe-
,,pen.” ,,Het zijn allerminst geschikte factoren om het
,,bedrijfsleven in zijn algemeenheid tot nieuwe ge-
,,zonde activiteit te prikkelen.”
,,Blijft tenslotte de vermindering van den kostprijs
,,en de verlaging van het niveau der kosten.”

Dit lijkt op het eerste gezicht veel op een aan-
prijzen van het aloude recept der aanpassing door
rechtstreekse druk der lonen en der tarieven en an-
dere kosten. Geheel en al verwerpt Dr. Pentener van Vlissingen dit ook niet, als hij laat volgen: ,,dat voor
,,zoover het doel bereikt moet worden langs den zwa-
,,ren weg, die via bezuiniging, versobering, rationali-
,,satie en verlaging van het loonpeil naar lagere kos-
,,ten voert, het bedrijfsleven hierin niet zal slagen,
,,zonder dat de Regeering op dien weg v66rgaat en
,,door doelmatige maatregelen hulp verleent.”

Maar zo gemakkelijk maakt spreker er zich toch
niet van af, het zwaartepunt ligt voor hem – heb ik
hem goed begrepen – toch bij die kostprijsverlagencie
maatregelen, die het gevolg zijn van een meer effi-
ciente, gerationaliseerde productiewijze. Immers hij
laat hierop volgen:

,,De bezwaren, die tegen dit soort aanpassing wor-
,,deu aangevoerd, zijn, dat het een tijdelijke inkrim-

,,ping der werkgelegenheid en vermindering der koop-
,,kracht tengevolge kan hebben, die de bestaande moei-
,,lijkheden, aanvankelijk althans, nog vergrooten.
,,Deze bezwaren gelden echter niet voor de indirecte
,,kostprijsverlaging, die tot stand komt, indien men
,,er in slaag-t bij geiikblvende kosten de kwaliteit

,,van het vervaardigde product te verbeteren, of de
,,doeltreffendheid der aangeboden diensten te ver-

,,hoegen.
,,Het wil mij voorkomen, dat in dit opzicht in ons
,,land nog veel nuttig werk zou kunnen worden ver-

,,richt en dat op dit gebied door overheidsvoorlichting
,,eh door overheidssteun n.og veel gedaan zou kunnen
,,worden, dat voor onze volkshuishoucling van blij-
,,vende waarde zou blijken te zijn.”

Daarmede komt hij, langs anderen weg, terug op
zijn advies rn.h.t. de werkverschaffingspolitiek gege-
ven, om het instede van in extensi’eve werkverscha:f-
fingsobjecten te zoeken in de richting van intensieve
werkverschaffin.g.
M. C.

AANTEEKENINGEN.

Vervoer per trein in België en Nederland.

Het elfde verslag van de Nationale Maatschappij
der Belgische Spoorwegen betreft 1937. Op cle blad-
zijden 7 t/ni 10 wordt een vergelijkend overzicht ge-
geven van elk der negen jaren 1929/37, terwijl 1913
daaraan voorafgaat. In 24 ,jaar steeg het
reizigers-
verkeer
(reizigers kms.) 26 pOt., maar hierbij is in
aanmerking te nemen, dat in denzelfden tijd de leng-
te van het net 11 pOt. steeg en de wijze van bereke-
ning sinds 1935 een stijging van 5 püt. geeft; de ver-
keersstijging per km spoorweg bedraagt slechts
26-
15 = 11 pOt. Daarnaast bedroeg de stijging van den
omvan.g van het reizigersverkeer per trein in Neder-
land 30 pOt. (evenveel als de stijging der bevolking),
terwijl de lengte van het net 1 pOt. daalde. Tegelijk
is het verkeer op den opohbaren weg geweldig ge-groeid; noch over 1913 noch over 1937 zijn echter
ter zake voldoende gegevens bekend. Het is mogelijk,
dat thans het verkeer per trein en dat op den open-
baren weg, in reizigerskms, niet veel uiteenloopen. Het
goederenverkeer
(ton kms) steeg in België per
trein van 1913 op 1937 18 1)Ot.; voor de gemiddelde
verkeersdichtheid is hier weder in aanmerking te
nemen dat de lengte van het net 11 pOt, steeg. Bij
een vermindering van de lengte van het net met
1 pOt., daalde het goederenverkeer in Nederland per
trein in 24 jaar van 1813 p 1774 millioen tonkms.;
in laatstgenoemd getal is de afstand per ton goede-
ren afgelegd, geschat op 110 k-ms., evenals zulks in de
grafische voorstelling, voorkomende in de Econ-Stat.
Berichten van 5 October 1938, bladz. 756 over de
jaren 1926 t/m 1937 werd toegepast. In België legde
in 1937 een ton goederen per trein gemiddeld 85
km af.
Zoowel het reizigers- als het goederenverkeer is in
België veel grooter dan in Nederland. Het eerste is
te verklaren met het Belgische arbeidersverkeer tegen
verwonderlijk lage tarieven, het laatste door de Ne-
derlandsche waterwegen. In 1937 bedroeg de hedrjfs-
coëfficiënt in. België 99 pOt., en in Nederland 91
pOt.; in België draagt dus 1 pOt. van de bruto op-brengst in de lasten hoven de exploitatiekosten hij,
in Nederland 9 pOt.
Ter heoordeeling van het aantal beambten berekenen
de Belgische Spoorwegen het aantal beambten per
millioen eenheidskms, terwijl dan het totale aantal eenheidskms (verkeersdichtheid) verkregen wordt
door eenvoudige opteiling van reizigerskms en ton-
kms. Zoo gebruiken de Belgische Spoorwegen 6.6 man
per miffioen eeuheidskms; de Nederlandsche Spoor-
wegen 6.5 man; laatstgenoemd getal is zeer gunstig
in vergelijking met België, indien men in aanmerking
neemt, dat de gemiddelde verkeersdichtheid (reizigers
+ goederen) in België per kin spoorweg bijna twee-
maal zoo groot is als in Nederland, op grond waar-
van in België een veel gunstiger personeelgebruik zou

verwacht mogen worden.

* *
*

De financieele uitgaven zijn bezwaarlijk vergelijk-
baar, omdat na 1913 de Belgische Franc geweldig in
goudwaarde is gedaald, zoodat in 1937 9.6 Francs ge-
lijk waren aan één goudfranc van 1913.
Uit het medegedeelde op biadz. 10 van het Belgisch
Verslag blijkt, dat in 1913 de exploitatiekosten 246
millioen goudfrancs bedroegen en in 1937 275 mil-
lioen goudfrancs (= 2652 millioen Francs). Daar-
naast stegen in Nederland de exploitatiekosten van
50 millioen. op 91 millioen Gulden; deze 91 zijn tot
73 millioen goudguldens van 1913 terug te brenegu. In goud stegen dus de exploitatiekosten in België 12
pct. en in Nederland 46 pOt.; in de internationale
concurrentie is zulks van heteekenis. In heide landen
stegen da bonen der werknemers belangrijk: in Bel-
gië van 146 op 192 millioen goudfrancs (32.5 pOt.),
in Nederland zijn de personeeluitgaven verdubbeld,

18 Januari 1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

59

zonder dat bij de Nederlandsche Spoorwegen de over-
heidsloonen zijn bereikt.
Op
hla’dz.
58
van het Belgisch verslag wordt ver-klaard, dat de concurrentie van den automobiel ook
in
1937
niet is verminderd. Evenals voorheen kan de
spoorweg zich nog :lechts verdedigen door verlaging
van (verliesgevende) tarieven; dit geldt ook tegen-
over den waterweg.
Tenslotte wijzen wij op bla’dz.
115,
blijkens welke
in België een reizigerskm evenveel kost als een ton-
kru; op bladz.
116
blijkt, dat deze kostprijs door da-
ling van het verkeer steeg. Van
1928 op 1937
daalde
het verkeer van
14 op 12
milliard verkeerseenheden,
en stetgen de kosten per eenheid van Fr.
0.183 op
Fr.
0.214.
In
1937
bedroeg de opbrengst per reizigers-
km Fr.
0.134
en per tonkm Fr.
0.284.
In een waterland kunnen spoorwegen niet econo-
misch bestaan ‘); en in dezen tijd kunnen iij het zelfs
niet in België. H. E.
VERSOHOOR.

) De uitzondering, die dozen regel bevestigt, ‘is de lijn
Anî ste id arn-.Dan Haag-Retterdzon, alwaar de giddeide
verkeersdichtheid per km achtinaal zoo groot is als van
het gehecle net dr Ne•derlau.dsche Spoorwegen.

MAANDCIJFERS.

Gecombineerde Maandstaat van cle Nederlandsche en Nederlandach-Indische Grootbanken.

(In millioenen

uldens)
::;
Totaal

131 Oct.I3ONov.
31 Oct.I3ONov
13
1
Oct.l3ONov.

Activa:

235
235
148 139
383
374
Nederi. en Ned.-Indisch
167
168
96
99
263
267

402
403
244
238
646
641

Ander

overlieidspapier
47
38 20
20
67 58
26
25
42
39
68
64

Kas, kassiers en

dag-

Bankiers in binnen- en
Wissels …………….

50
79
37
37 87
116

geldieeningen

……..

schatkistpapier ……..

schotten op effecten
100
101
74
75
174
176
Prolongaties

en

voor-

223
243
173
171
396 414

buitenland …………

265 260
143
148
408 407
Effecten en Syndicaten
60
59
41 39
101
98
Deeln. (incl.voorschott.)
9 9
28
29 37
38

Debiteuren

………….

334
328 212
216
546 543

Gebouwen …………
.
18
18
14
14
32
32
Diverse rekeningen
(mcl.
overl. posten)

Belegde bestemmings- reserve

.
………….
2 2

-.
2
2
Effecten leendepot
..
.
8
18


18
18

997
1012
644
640
1641
1651

Passiva:

Crediteuren ………..
643
658
403
398
1046
1057

Wissels

eigen accept.
10
10
9
8
.19
18
derden

….
7
7
1
1
.

8
8

17
17
10
97.26

Deposito’s op termijn..
1,7
46
109 109
156 155
Diverse rekeningen

. .
18
19 8 10
26
29
Bestemmingsreserve ..
2

..

2


2
2
Effecten leendepot ….
18 18


18 18

1275
745
760
530
526
1287

Werkzaam kapitaal
252
252
114 114
366
366
Aandeelenkapi1aa1
Reserve ……………
170
82
170
82
87 27
87 27
257
109
257
109

252
252
1

114
114
1
qRR
qAA

Am-
sterdam
rn em
Den Haag
Volle .-
eigen-
”5
doma

Middel-
burg
Rotter-
dam
Wo
e

4.67
4.98 4.93
5.01
4.98
4.70 4.89 4.49 4.65 4.69 4.95 4.89
4.52
4.65 4.54 4.54 4.58 4.80
4.50 4.40 4.44

1933 ………
1934………

1936 ……..
4.58 4.69 4.63
4.87
5

4.50
4.47 4.51

1935………

1937 ……..
4.-
4.04 4.34
4.-
4.12
4.03
1938 ……..
3.74 3.77 3.72
3.91
3.81.
3.79
3.59

Jan. 1937

.4
..-

4.58 44


44

44
Febr.

……


4.25
4.50
44
4.47

3.83
4_4
4.-

44
2)

4.50
4_44
April

……
4.-

..

44 4.10 4.50
-.
4_44
3.50
4_4 4.25
4.50
4
4.31
34_44

[tiaart ……..

..

4_4

4
4.04
34_44

[tIei

……….
Juni

……..
Juli ……..
3.83
4_4
4.
4.25
4
4.50
34_44
4.-.
..
34_4
4.-
4.25
4 4
34_44
Sept

……
3,87e
34_4
4.._.
4.25
4 4
34_44
)ct ………
4.25
34_44
3.80
4.20
4
4.02
34_4

Aug………..

ov.

……
3.92
34_4
4.-
4.25
4..34
4)

3.54 34_4

…. ….

4.25 34_4


4_34
4)

3.77
34_4
Dec…………
Jan. 1938

….

4.-
4
3.90

4_34
4)

4.14
34_44
l’ebr.

……
3.75
4_4
‘t-
4
4-34

)
3.75 34_4 3.50
34-4
3.90
4.10
4-34
4)

4.15
34_4 3.60
34.4

4
4_34
4)

3.72
34_4
4ei

……..
3.50
3 44
3.75 3.75
4_34
5)

3.52
34-4

[tiaart ………

3.50
34_4
3,75

4_34
4)

3.81
34_4

kpril

…….
.

4.-
344
3.50
4.-
4
3.75
34_44
Juni

…….

4.ug.

……

34_4
375

4
3.69
34_4
Juli ………

Sept.

……

..


34-4
3.50

4_34
4)

3.50
34_4
)ct ………
.
3.75
34
3.75
4.-
4_34
4)

34
4.-
34 3.50 3.50
4
3.76
34
ov……..
Dec………3.75
3.65

4_34
4)

3.92 34

Bijzonder geval, geen maatstaf.
Door bijzondere omstandigheden.
Enkele hypotheken t 4
0
/0.
Voor hypotheken op gebouwen 4
0/s;
voor hypotheken
op landerijen 34 0/.
Voor hypotheken op gebouwen deels 4 0/, deels 34 0/;
voor hypotheken op landerijen 34 o/
o
.

EMISSIES IN DECEMBER
1938.

Prov. en Gemeentelijke Leeningen . ..
f
2.062.706,25
zijnde:

Nederland
Obligatiën:
Gemeente Haarlem
f2.055.000 2Ç% lO-jar.
oibl. t 100% % …….. f 2.062.706,25
Industrieele Ondernemingen
1
),,
4.021.500,-
zijnde:

Nederland

Obligatiën:

Blikemba.liagef•abriek Tho-
niassen en Drijrver N.V.
f350.000 4% obi.
2)
5.
100% …………….
.f
350.000,-
Kon. Ned. Hoogovens en
Staalfabrioken N.V.

f
3.000.000

4%

20-j.
obi.
3)
t
100% . . . . . . . . ..
3.000.000,-
Aandeelen:
Kon. Ned. Papierfabriek
N.V. f330.000 aand.
4
)5.
105% ……………. ..346.500,-
NV. Fabriek van Electr.
Apparaten vh. F. Haze-meyer & Co. f2SO.000
aand.
5)
t 130%
…… ..
325.000,-

Scheepvaart-Maatschappijen ………

1.500.000,-

zijnde:

Nederland

A.andeelen:

Stoomvaart Mij. Zeeland

f
1.500.000 pref. aand. 6)
t 100% ………….
f
1.500.000,-
Diverse Cultuurondernemingen ……,,
280.500,-

60

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18
Januari
1939

zijnde:
j
Tederl,e)jd
.Aandeelen:
NV. Cultuu r-Mij .,,Ngredjo”

f
170.000 aand.
7)
S 165% f 280.500,-

Diversen …………………….
f 11.500.000,-
zijnde:
Nederland
Aaivdeelen:
C.V. Nationaal J3ezit van
Aandeelen Win. H. M(il-
ier
& Co.
f
1.500.000
conim .aand.
5)
a
100%
f
1.500.000,-

Spoorweg-Maatschappijen
0).
Kerkelijke Leeningen
15)
,,
325.000,-
zijnde:
1Tederla?4
Obligatiën:
Coiigregatie der Broeders
van Onze Lieve Vrouw
van Lourdes, Don.gen,
f 250.000 3% % obi. 9.
100% …………….
f
250.000,-
Gereformeerde Kerk van
Rotterdam-Zuid (Il.aten-
drecht) f75.000 3%%
’30-j.

bi.
11)
9.
100% ..,,

75.000,-

Totaal
. . . . f 9.689.706,25
Bovendien conversie:
Nederland: Obligatiën:
Ned.-
Lid. Portiand Cement Mij. f 1.065.000 4% eb!.
9.
100%.

Vandetota.le leening groot f500.000 is reeds flSO.000
op uschrijvi ngsvoo rwaarden geplaatst.
4)
Van de tolale leening groot
f
4.000.000 is reeds

f
1.000.000 op emissievoorwaarden geplaatst.

Recht van voorkei.ir voor aandeelhouders in de ver-
houding 2 : 3.

Recht van voorkeur voor aandeelhouders jin de ver-
houding 1 : 4.

) Recht van voorkeur voer aandeelhouders in cle ver-
houding 1: 1.

‘/) Uitsluitend voor aandeelhouders.
8)
Uitsluitend voor aandeelihoudersJnde verhouding 1 : 5.
Van de totale leening groot f 2.000.000 is reeds f 500.000
op mni ssievoorwaa rden geplaatst.
5)
Conversie:
Frankrijk: Obligatiën:
Marokkaansc.he
Spoorweg Mij.
f
6.000.000 5% obi. ii. 98%. (Van de totale leening groot
f
9.000.000 (= Zw. Pas. 21.600.000), die in
Nederland en Zwitserland is uitgegeven, is f 3.000.000 in
het buitenland geplaatst).
10)
Bovndin conversic:
iV(-derland:
St. Jan’s Stich-
ting (RK. Ziekenhuis) te Laren f300.000 3% obl.
It
100%.
Ii.)
De 2e serie van de totale leening groot f 150.000.
Voorts werd hier te lande de i’asehrijving opengesteld op
een lbeiperkt bedrag:
Cert. van 5 en 10 aand. van $10 elk Sterling Produets
(Incorporated).
Cert. van 10 gen’. aand. z.n.w. Pacif ie Lighting Corpo-
ration
t pl.m. $31 pa.
Geit. van 5 en 10 ges’. aatid. z.n.w. Oliqna-x Mo!ybdenum
Conip.
9.
P
1

$42% Pa.
Depotîraotiebewijzen van
11100
eis 21100 aand. in cle
depoteenheid van Amerikaansehe Waarden ,,]3iscsn” resp. f 467 en f 934 per bewijs.
Cert. van 10 gew. aand. z.n.w. Consolidateci Iddison
Gomp. of New-York, Inc.,
9.
piJn. $ 22%.
500.000 aand. Comp. Fin et Indutr. Cofinindus,
9.
Frs. 250 l.a. (recht van voorkeur voor aandeelhouders in
de verhouding 1: 1).

AANVOER VAN GRANI

Rotterdam

Emissies in 1938.
(In Guldens)
Nieuw kapitaal:
Conversie: Obligation
Aandeelen

Totaal
lan……2.461.075,-
1.740.000,-

4.201.575,-
1.076.516.650,-
Febr…..9.267.401,25
636.000,-

9.903.401,25
110,140.600,-
Maart

17.951.327,50
1.650.000,-

19.601.327,50
81.525.748,-
April

466.292,50
157.500,-

623.792,50
4.852.400,-
Mei …..20.122.140,50

20.122.140,50
4.613.850,-
luni…..24.164.620,-
5.856.250,-

30.020.870,-
1.460.650,
Juli …..27.838.264,50
375.000,-

28.213.264,50
.

4,654.618,-
Aug…..2.010.000,-
1.852.000,-

3.862.000,-
12.413.000,-
Sept…..4.636.960,-
270.000,-

4.906.960,-
586.000,-
Oct……6.873.812,50
10.650.750,-

17.524.562,50
288.000,-
Nov.
5
)

144.000,-
1.600.000,-

1.744.000,-
2 080.500,-
Dec…..5.737.706,25
3 952.000,-

9.689.706.25
7.365.000,-
121.673.600,-
28.739.500,-

150.413.100,- 1.306.497.016,-
) Deie cijfers werden verhoogd door de volgende uitgif-
te, welke in die maand
nog plaats had:
Kerkelijke Leeningen:
f 100.000

3%

50-j.
obl.

Vereeniging van
Mannen Mis-
sionarissen voor Africa
bij Maastricht Ii 100%.

Groothandeisprijzea van belangrijke voedings- en

genotmiddelen en grondstoffen.

(Indexcijîers gebaseerd op 1927 t/m 1929 = 100).
Laatste noteeringen (10- 17 Januari ’39).

A r t i k e 1
Vreemde
I
munt

I
Prijs in Guldens
Index-
cijfer

Gerst

…………………………

88,-
40,9
Maïs,

termijn

……………………

(47,75
50,9

106,-
49,7
a

Rogge

……………………………

4,25
34,9
2

Maïs,

Amer.

Mixed

………………

Tarwe,

termijn

………………..

..


3,70
29,5
j Tarwe,

Roemeeusche

. …………
.. ..

3,80 28,2
sh.4/l1
2,11
32,3
Boter

…………………………..
10,60′)
0.85
41,3

20,25
44,4

Rijst

…………………………..

..


4,40
54,9

.
66,-
69,7

Gesi.

varkens

………………….

..


57,-
66,8

Kaas

…………………………….
Eieren

…………………………..

sh. 1001-
42,97
64,5
Bevr.

Arg.

rundvleesch

………..
sh. 415
1.90
64,2

C

GesI.

runderen

…………………..

Cacao

……… …. ………………
sh. 2i
9,04
26,2

0

Bacon

…………………………..

gKoffie,

Robusta

………………..

..

0,13 26,5
o

Koffie,

Sup.

Santos

……………
>

Suiker

…………………………

.. ..

0,15
5,87
5

25,4 36,7
Thee

…………………………..
0,46
5

61,4

Jute

…………………………..
£20.-!-
171,85
40,2
$cts 8,93
0,164
34,8
m
4,08
0,146 40,6
i

Austr.

Wol,

Crossbr.

Col.

Carded

..

pencel6,50
0,591
42,7

o

Katoen,

Mid.

Upland

…………….
Katoen,

Sup.

Fine

Oora

………ence

pence2s,-
0.895
38,3
Austr.

Wol,

Merino

……………..
Jap.

Zijde

…………………………
Rubber

…………………………
$ 1,78 pe nce 8,12
5

3,27
0,29
25,5
43,7 >

Greneohout

……………………

.
£20,5!-
174,02
75,7 ‘
108,50
71,1
14.50
36,2
Vurenhout

………………………-

9,125
29,8
W
O

Koehuiden

……………………..-
Copra

………………………….-
o

Grondnoten

……………………
£10.6(3
88,70
35,5
o

Lijnzaad

………………………..
.

88,-
45,2

Goud

……………………………
sh. 14818
1
1,
63,95
1

124,3

O

Koper

…………………………

£43.113

370,40

47,1

0

Tin

……………………… ……

£216.-!-

1857,85

63,9

..
o

Lood

…………………………….£ 14.1113

125,25

45,1
..
IJzer,

Cleveland

………………….sh. 991-

42,60

101,1
o

Gieterij-ijzer

………………………oh.

6616

28,60

72,4
Zink

…………………………….£

13.1716

119,35

37,6
Zilver

………………………….pence
1
2ol/s

0,73

56,2

Petroleum

……………………..

$ 0,96

1,77

57,3
Steenkolen

………………………..-

9
1

82,4

Benzine

………………………..$cts 4,38

0,0805

27,8
Kalksalpeter

……………………-

6.10

54,5
.

Zwavel’,.,

ammoniak

……………..-

5,30

47
0
5
S

Cement

……………………….

12,85

70,7
O
U

Steenen,

biuneumuur

…………..

9,50

72,6
cD

Steenen,

buitenmuur

…………..
.-

12,-

64,3
1) Heffing

Crisis Zuivel-Centrale.
(Wegens plaatsgebrek vervangen bovenstaande statistie- ken deze week liet gebruikelijk overzicht der groothandels.
prijzen.)

;N.
(In tons van
1000
kg.)

Amsterdam

II
Totaal

Artikelen
8-14Jan.
1939
Sedert
1Jan.
1939
Overeenk.
tijdvak
1938
8-14 Jan.
1939
Sedert
1Jan.
1939
Overeenk.
tijdvak
1938 1939
1938

8.089
16.137
49.660

1.200

17.337
49.660
Tarwe

……………..
Rogge

……………..
2.499 3.765 6.784



3.765
6.584
300 450 450



450 450
Boekweit ……………….
Mais………………
20.594
74.970
1.800
8.844
5.221
29 438
80.191
3.489 5.428
12 294


980 5.428
13.274
1.005 1.305
13.384
860
860
1.036
2.165
14.420
Gerst

…………….
12.
.436

3.275
3.990
5.240
4.596
12.441
7.623
16.431
12.863
Haver

………………
Lijnzaad

…………….
1.921
4.232
3.450



4.22
3.450
Lijnkoek …………….
1.057 1.977
2.768
70
172
1.100
2.149 3.868
Tarwemeel
…………..
Andere
meelsoorten . . .
65
405
1.665:
15
45

225 450 1.890

18 Januari
1939

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

6

Indexeijfers van belangrijke voedings- en genot-middelen en grondstoffen.

4:u
n0n
.L22
EQo
e2
E
‘o,O
l)’Z
6
:0
5
n
QUM
-‘0
.52
<.5
<.5

Sept.

,,
45,7
41,0
56,5 49,5 48,0
46
1
0
Oct
Nov
..


44,6 43,2
41,3
56,9
56,1
49,8 49,0 47,8 46,8
47,2 45,4
Dec.

.
43,6
40,6
40,2
555
48,6 46,6
45,1
27 Dec.-3 Jan.

1939
43,3

.

40,3
55,5
48,6
46,5
45,2

3-10

,,

,,

10-17

,,

,,
44,2
43,5 40,6
40,5 55,4 55,2 48,7 48,5
46,9
46,6
45,3 45,3

STATISTIEKEN.
OPEN MARKT.

1938139

14

9114

217

2713
1

Jan.

Jan.

Jan.

Dec.

1938

10115
Jan.

1937

11116
Jan.

1914

20124
juli

Amsterdam
Partic. disc.
1/
4

114
3
19
Is
114
91I6
3314_4314
Prolong.
1
12
1
12
1
12
1
12
1
12
1
3.411
4

Lo,.den
Daggeld.
. .
’12-1
1/21
ll_1
1j
3
31/
3

1
12.1
‘/l
1
/2l
Partic.disc.
/16
91
14
5/
8

91_5/
8

1-1/
8

17
133
9
J16
17132.9/16
116

/
4
Ber/ijn
Daggeld.
..

2
1
133
23/s_31I
2
1
12-3
1
I9
2
3
14-3
1
18
2
1
14-“4
2
5
(-3
1
/
MaandeId
2
3
14-3
2
3
14-3
2
3
14-3
2
3
14-3
24-3
2
3
14-3
2
1
13-
7
j5
Part, disc.
271
2
7
18
2
7
18
2118
2
7
1
3
21
Warenw. ..
4-
1
/2
4
1
12
4_
1
Iz
41/
3

4.
1
12
4.
1
/2
4.6/
4

New York
Daggeld 11
1
1
1 2)
1
1
3/
16

Partic.disc.
1
12
1
12
11
11
3

1
14.
15
116
1
1)
Koers van 13jan. en aaaraan voorargaanoe weken t,m. vrijoag.
2) 317 Jan.

WISSELKOERSEN.
KOERSEN IN NEDERLAND.

Da a
New
Londen

Berlijn
Parijs
Brussel
Batavia
York
)
*)
)
)
S)
1)

10 Jan. 1939
1.83%
8.58%

73.721
4.85%
31.06
100%
11

,,

1939
1.83
1
%,
8.59%

73.75
4.85%
31.07
100%
12

1939
1.83
1
%
8

8.59%

73.80
4.85
31.07
100%
13

1939
1.84%
8.59%

73.85
4.84%
31.10
100%
14

1939
1.84%,
8.60%

73.90
4.85
31.11
100%
16

,,

1939
1.84%

8.60%

73.84
4.86
31.11
100%
Laagste d.w
1
)
1.83% 8.57%

73.60
4.83%
31.-
100
Roogsted.w’)
1.84%
8.60%

73.95 4.86
31.14
100%
Muutpariteit
1.469
12.1071

59.263
1

9.747
24.906
100

Data
Zwit-
serland
Praag
Boeka-
Milaan
Madrid
1
T
rest
1)
)
5*)

10
JanT9
41.57 6.32
– –

11

1939
41.57
6.31



12

1939
41.57 6.32
– – –
13

1939
41.58%
6.31

– –
14

1939
41.59
6.31

– –
16

1939
41.56%
6.31



Laagste d.w1)
41.48
6.27%

9.70

Hoogste d.w’)
41.62%
6.34 2.25 9.72%

Muntpariteit
48.003
7.371 1.488

13.094
48.52

Data
Stock- Kopen-
S0
o
i

Hel-
Buenos-
Mon-
holm) hagen5)
Aires’)
treal’)

10
Jan. 1939
44.20

38.321
43.15 3.78
42y,
1.823
11

1939
44.25

38.371
43.20
3.79
42%
1.82%
12

1939
44.25

38.371
43.20 3.781
42%
1.82%
13

1939
44.271 38.40
43.20
3.80
42
1.82%
14

1939
44.30

38.521 43.221
3,79
42
1.82%
16

1939
44.321 38.42k
43.25
3.80
42
1.82%
Laagste d.w’)
44.12k 38.25
43.05
3.75
41%
1.81%
Hoogsted.w’)
44.35

38.45
43.271
3.821
42%
1.83
Muntpariteit
66.871 66.671
66.671
6.268
95%
2.1878
•) Noteering te Amsterdam. •) Not. te 11)
i’art. opgave.
In ‘t iste of 2de No. van iedere maand komt een overzicht
voor van een aantal niet wekelijks opgenomen wisselkoersen.

KOERSEN TE NEW YORK. (Cable).

Da a
Londen
($
per

)
Parijs
($ p.
lOOfr.)
Berl(in

I
($
p. 100 Mk.)
Amsterdam
($
p. 100 gld.j

10
Jan.

1939
4,67%,
2,63%
40,08%
54,39%
11

1939
4,66%
2,63%,
40,09
54,38%
12

1939
4,67%
2,63%
40,11
54,38
13

1939
4,67y,,
2,63% 40,13 54,35
14

1939
4,67
1
%,
2,63%
40,14%
54,36
16

1939
4
)
67%
2,64 40,15
54,35%

17 Jan.

1938
4,99y,
3,373%
40,28
55,67
?.{untpariteit..
4,86
3,90%
23,81%
40%
4

IiOERSEN TE LOND1iN.

Plaatsen en Landen
Noteerings-
eenheden
31Dec.
1938
7Jan.
1939

I
LangstelHoogstel
9/14
Jan.’39
14
Jan.
1
939

A.lexandrië..
Piast. p. y,
97%
9734
97%
97%
97%
&thene

….
Dr.
p. X,
547%
547%
540
555
547%
Bangkok….
Sh.p.tical
1/10r31
ig 0
T
.,
1/10
3

1/10k 1/10k
Budapest

..
Pen.
p. £
24%
23%
23%
24
23%
BuenosAires’
p.
peso
p.L
20.40
20.20
20.20
20.45 20.401
alcutta
. …
Sh.
p.
rup.
1/5%
1/5%
1/5
20
/ 1/5
81
/
1/5
15
1
16

aongkong
..
Sh.
p. $
1
1
1
3
1/3
1/234
1/3%
1/3
[stanbul

..
Piast.
p. £
575 575 575 575 575
Sh.
p.
yen
12
1/2
1/11%,
1/2%8
1/2
[‘issabon….
Escu.p..0
110%
110%,
110
160%
110%,
ontevideo
.
d.per Y,
19
19
18%
19%
18
3
%
ontreal

..
$
per
£
4.69% 4.71%
4.70%
4.72%
4.71k

obe

…….

aiod.Janeiro
d. per
Mii,
3%,
3%
6

3%,
3%, 3%,
shanghai

..
d.
p. $
8% 8%
8
9
8%
singapore
..
Sh. p. $
2
1
1
3%
2/3% 2/3%
214%,
2/3%
ValparaisoS).
$perC
116
116
116 117
117
Warschau
..
Zl. p. £
24%
1
24%
24%
1

25
24%
1) 0111e.
not. I5laten, gem. not., welke Imp. hebben te betalen
10
Oec. 1936 16.12; 15Nov. 17.13.
2
)90 dg. Vanaf 13 Dec. 1937 laatste ,export” noteering.

ZILVERPRIJS

GOUDPRIJS
Londen’)
N.Yorkl)

A’dam
3)

Londen 4
10
Jan. 1939.. 20%
6

42%

10
Jan. 1939.. 2075
149/4
11

1939.. 20%,
42%
.

11

1939.. 2075
148/10
12

1939.. 20%
42%

12

1939.. 2075
148/9k
13

1939.. 20%
42%

13

1939.. 2075
148/11
14

1939.. 20%

14

1939.. 2075
148/91
16

1939.. 20%
42%

16

1939.. 2075
148/8k

17 Jan. 1938..

191%
6

44%

17 Jan. 1938.. 2035
139/81

27 Juli 1914.. 24%
159

27 Juli

1914.. 1648
84/101
1)
in pence
p. oz.
stand.

2)
I
2
oreign silver in
$c.p.oz.
fine.

3)
In
guldens
per Kg.
100011000.
4)
in sh.
p. oz.
fine.

STAND VAN

a RIJKS KAS.
Vorderingen.
1

7Jan.1939

1

14Jan. 1939 Saldo van
‘s
Rijks Schatkist bij De Ne-
derlandsctie Bank
………………
fl70.043.874,72
f174.831.904,37
Saldo b. d. BankvoorNed.Oemeenten
,,

34158,06
,,

8.611,42
Voorschotten
op
ultimo December ’38
a/d. gemeent. verstr.
op
a. haar uit te
keeren hoofds. der pers. bel., aand. In

.

de hoofds. der grondbel. en der gem.
fondsbel., alsmede
ope. op
die belas- tingen en
op
de vermogeasbelasting
– –
Voorschotten aan Ned.-lndl8 ………
,,

43.668.272,19

44.897.637,28
Ide

aan

Suriname ………………
m
11.909.691,26

11.917.106,07
Kasvord.weg. credietverst. a/h. bulteni
.,,
102.147.029,60

101.497.051,60
Daggeldleeningen tgen onderpand
Saldo der postrek.v.Rijkscomptabelen

….


51.777.121,21

,,

54.981.816,64
Vord.
op
het Alg. Burg. Pensioenf.’)


Vord.
op
andere Staatsbedrijven’)
13.838.190,99
,,

14.195.360,41
Verplichtingen

Voorschot door De Ned. Bank ingev.
art.

16 van haar octrooi verstrekt
-.

Schatklstbiljetten In omloop ………
f220.745.000,-
f220.707.000,-
Schatkistpromessen in omloop

.

,,

1.078.896,50
,,

1.078.591,-
Schuld

op

ultimo

December

1938
gem. weg. a. h. uit te keeren hoofds.d.

Zilverbons in omloop
……………..

pers. bel., aand.
1.
d. hoofds.
4.
grondb.
e.
4.
gem. fondsb. alsm.
opc. op
dle
bel, en
op
de vermogensbelasting
11.256.137,79

10.613.335,20

Schuld aan het Alg. Burg. Pensioenf.’)
,,

1.592.510,06

27.495.763,32
1.621.159,09
,,

29.107.933,82
Schuld aan Curaçao’)
……………..

Id. a. h. Staatsbedr. der
P.T.
en
T.’) …
,,
257.704.172,53
,,
254.117.825,53
.

13.500.000,-
Id. aan andere Staatsbedrijven
1)

….13.500.000,-
Id. aan dIverse lnstelllnen’)
………
..65.774.085,52
.267.814.230,17
L)
in rekg.-crt. met
‘s
Rijks
Schatkist.
NEDERLANDSCH-INDISCHE
VLOTTENDE
SCHULD.
1
7 Jan. 1939
1

14 Jan. 1939
Vorderingen:’)
Saldo Javasche Bank
…………….

Saldo b. d. Postchèque- en Olrodienst
/

258.000,-
f

88.000,-
Verplichtingen: Voorschot’s Rijks kas e.a. Rijksinstell

…-

43668.000,-
,,

44.998.000,-
Schatklstpromessen In omloop …….
31.000.000,-
,,

31.000.000,-
Schatkistbiljetten in omloop
Schuld aan het Ned.-Ind. Muntfonds

,,

2.173.000,-

2.173.000,-
Idem aan de Ned.-Ind. Postspaarbank
2.030.000
1

..

2.417.000,-
Belegde kasmiddelen Zelfbesturen
770.000,-

770.000,-
Voorschot van de Javasche Bank
,,

4.009.000,-

1.753.000,-
3) Betaalmiddelen in ‘s Lands Kas
f
37.121LMJU,-.

SURINAAMSCHE BANK.
Voornaamste posten in duizenden guldens.

Data
Metaal
c
Andere
opeischb.
Discont.
r

Dl

k
n
T,
ge
e
n’
e
Ç

17 Dec.

1938..
875 1.126 618 519
1.330
10

1938..
768
1.114
686
519
1.342
3

1938..
760 1.247
713
518
1.329
26
Nov.

1938..
787
1.151
663
525
1.301
19

,,

1938..
764
1.065
667 525 1.314

1 Juli

1914..
645
1.100
560
735
396
olLilip. UCI

62

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18 Januari 1939

NEDERLANDSCHE BANK.

Verkorte Balans op 16 Januari 1939.

Activa.

Binneni. Wis-lufdbk.
f

7.677.150,22

sels, Prom.,. Bijbnk.
,,

264.690,34
enz.ln aisc.(Ag.scfl. ,,

281.093,88

f
822293444
Papier o. h. Buitenl.

f

3.150.000,-
Af:
Verkocht maar voor
de bk.nog niet afgel.


3.150.000,-
Beleeningen

Hfdbk.
f
278.892.852,57
1
)
nc1. vrsch.
Bijbnk
f
.

,

2.595.159,52
in

rek.-crt.1
op

onderp.l.
Ag.sch.

23.873.687,41

f
305.361.699,50

Op Effecten enz. ..
f
303.709.322,691)
Op Goederen en Ceel. ,,

1.652.376,81
305.361.699,501)
Voorschotten a. h. Rijk …………….

Munt, Goud ……
f

106.637.555,-
l4untmat., Goud .. ,,1.354.609.180,89

fl.
46
l.
246
.
735,89

Munt, Zilver, enz.

28344.724,23
Muntmat., Zilver..
,, 1.489.591.460,12
Belegging van kapitaal, reserves en pen-
sioenfonds

……………………,,
43.646.263,07
Gebouwen en Meub. der Bank ……..,,
4.580.000,-
Diverse

rekeningen ………………,,
12.077.107,11
Staat d. Nederl. (Wetv. 27/5/’32, S.No. 221) ,, 8.905871,61

Pa8s

f
L875.535,335,85
Iva.
Kapitaal
……………………….f
20.00U.000,-
Reservefonds ……………………,,
4.860787,51
Bijzondere

reserve

………………,,
7.102.179,67
Pensioenfonds

………………….,,
11.825.923,27
Bankbiljetten in omloop ……………,
1372.344.440,-
Bankassignatiën in omloop

……….,,
66.036,45
Rek.-Cour.
f
Het Rijk
f
174.879.499,28
saldo’s:

k
Anderen

,,679.750.858,95

,,
854.630.358,23
Diverse rekeningen ………………

..
4.705.610,72

f

1 875.535.335,85

beschikbaar metaalsaldo

…………
f
758.961.341,39
Minder bedrag aan bankbiljetten in om-
loop dan waartoe de Bank gerechtigd is ,,
1.897.403.350,-
Schatkistpapier, rechtstreeks bij de Bank
ondergebracht

………………..

..

9 Waarvan aan Nederlandsch-lndjë
(Wet van 15 Maart 1933, Staatsbiad No. 99) ……..
t

63.247.800,-

Voornaamste posten In duizenden
guldens.

1
Goud
1 Andere
1
Beschikb. 1
Dek-
Data Circulatiel
opelschb.j
Metaal- Ikings
1
Munt
1
Munt mat.
1
1
schuldeni
saldo

1
perc.

16 Jan.
’39!10663811.354.609

972.344I854.696
1

758.961
81
9

,,

‘39110663811.354.609 987.7281839.587
1

757.931
81 15
Juli’
14
65
.703!
96.410
_
31
0.437!
6.198
43.521
54

1

Totaal
1
Schatkist-

1

Belee-
Papier
Diverse
Data
1

bedrag
,

_
promessen
1

nin
g
en

het
reke-
1 discontosirechtstreeksl
butenl.
ningen’)

16 Jan. 1939
8.223
1

1
305.362
3.150
12.077
9

,,

1939
8.392
1

1
306.469 3.600
11.460

15
Juli
1
1914
67.947

61.686
20.188
509
‘)unaer ae activa.

JAVASCHE BANK.

Andere Beschlkl
Data
Goud
Zilver
Ctrculatle
opelschb.
metaal-
I

schulden
saldo

14 Jan. ‘392)
138.510
191.440
79.150 30.274
7

1392)
138.860 193.680 76.970
30.600

17 Dec.1938
11i886 1

21.i
186.726
83.117
30.090
10

,,

1938
116.886

20.564
190.072
80.432 29.249

25 Juli 1914
22.057

31.907 110.172
12.634
4.842

Data
Wissels,
buiten
Dis-
Belee-
Diverse
reke-
Dek-
kings-
N.-Ind.
conto’s
ningen ningen
1)
percen
betaalb.
lage

14Jan. ‘392)
9.910
7540
61.100
51
7

1392)
9.340
78.230 58.510
51

17 Dec.1938
8.984
59.815
51
‘116

1

48.25′
10

,,

1938
8.686
14.335

1
49.450
58.446
52 25
Ju1i
1914
6.395
7.259
75.541
2.228
44
1)
Sluitpoat activa.
2)
Cijfers
telegrafisch
ontvangen.

BANK VAN ENGELAND.

1 Bankbilf. 1
Bankbtlj.
I OtherSecurittes
Data

Metaal 1

In

un Bankingl Dtsc.and Securittes
1
circulatle
1
Departm.
1
Advances
11 Jan. 1939 1 327.066 1 475.644 1 50.771

22.122 1 22.321
4 ,,

1939 1 327.100 1 488.071

68.345

48.906

22.380
22 Juli 19141 40.164

29.317

33.633

1 Oov. 1
Public
1
OtherDeposits

1 Dek-
Data

Sec. J Depos. Ban kers Other Reserve1 kings-
Accounts

1
perc.
1)
11 Jan.’39
1
96.171 119.214 1118.139 1 36.653 1 51.4221 29,5
4

1
39 1 71.381 1 20.503 135.955 37.241 1 69.0301 35,6

22 Juli ’14 11.005 14.7361

42.185

29.297J 52
9 Verhouding tusschen Reserve en Deposits.

BANK VAN FRANKRLIIC

1
Te goed
1
Wis-
Waarv.I
Beige-
enteloos
Data
Goud
Zilverl
In he
bu tient
1.
sels

I

op
het
.

IR

voorschot
buitenl.I
ningen
ad. Staat

5 Jan.’39
87.265
1
50
41
15
1
8051
4.525
1
30.627
29 Dec.’38
87.265
510)
18
12372
8031
4.055 30.627 23
Juli’
14
4
.
104
1
640
!

1
1
.541
1
8!
7691

Bons
v.
d)
Diver-
Rekg. Courant
Data
zelfst. amort.
k.
sen
‘)
I

rcu
Cilatie
Staat
I
1
ZeIfsi.
Parti-
kmorl.k.
I
culieren
5 Jan.’391
5.530
1

3.4281
111.520
1

2.887
1

2.384
123.811
29 Dec.’38
5.530
1

3.223
110.935
2.839 2.223
25.595
23 Juli ’14j


5.912 401

943
OIULtpVt fl¼.IIVU.

DUITSCHE RIJKSBANK.
Daarvan
Deviezen
1

Andere
Data
Goud
bij bui-
als goud-
1
wissels
Belee-
tenl. clrc.
dekking
en
ningen
banken9
geldende
1
cheques

7 Jan. 1939
70,8 10,6
1 1
7.224,7
1

44,1
31
Dec.

1938 70,8
10,6
1

5,5
8.123,4
44,9
30
Juli

1914
1.356,9


750,9
j

50,2

Data
Effec-
1
Diverse
1

Circu-
1

Rekg.-
1

Diverse
ten
_Activa’)
J

latie
Crt.
Passiva

7 Jan. 1939
554,1
11.373,5
1

7.705,1
1

950,0
1

420,4
31
Dec.

1938
556,8 1.504,7
1

8.222,6
1.527,5
1

426,2
30
Juli

1914
330,8
200,4
1.890,9
944,-
40.0
unoelasi. ‘j w.o sçentenoansscnelne 1 Jan. 3, Ji Uec., resp. 30,17 milI.

NATIONALE BANK VAN BELGIE (in Beka’a.

Data

Goud
.

n
,
.

,..

0.
0
4.13

Rekg. Cr1.


B
1939
8 0

n•-

0

_
0

12/1
i0I
1

351147
Ti
Ti(ö
5/1

.13.4281
51

j
926
199!

43
147
231
4
.
418
!
FEDERAL RESERVE BANKS.

Goudvoorraad
Wissels

Data
,,Other
cash”
2)
Totaal
1

Goud
cert
1fl-
In her-

1

disc.
v.
d.
I
In de
open
bedrag
catenl)
member
1
markt
banks
1
gekocht

18 Dec.’38
11.797,6
111.787,7
325,5
7,0

1
0,5
11,,’38
11.772,6
_11.762,7

306,0
6,0

_
0,5

Data
Belegd
In
U. S.
F.
R.
Notes
1
I
Totaal
I
Gestort
1
Goud
I

Dek-
1
Aloem.
I

hek-
Gov.Sec.
In clrcu-I
Kapitaal
I
kings-
1
kings- lotle
1
I
perc.i)

I

perc.
4
)

18 Dec.’381
2.564,0
1
4.470,5
110.022,71
134,5
1

83,6
1


11

,,

’38j
2.564,01
4,483,2

10
.
010
,7!
134,4

1
83,3

1


‘., ueze certincaten weruen 000r cle Schatkist aan cle Ifeserve Banken
gegeven voor de overname van het goud, toen de $ op 31Jan. ’34 van
100 op 59.06 cents werd gedevalueerd.
‘) ,Other Cash” does not inciude Federal Reserve Notes or a Bank’s
own Federal Reserve
bank
notes.
3) Verhouding totalen goudvoorraad tegenover opeischbare schul-
den: F. R. Notes en netto deposito.
4)
Verhouding tot voorraad
muntmateriaal en wettig betaalmiddel tegenover idem.
PARTICULIERE BANKEN AANGESLOTEN BIJ HET
FED. RES. STELSEL.

I

Dis-
I

Reserve
Totaal
1
Waarvan
Data

1
Aantal conto’s

Beleg-

bIJ/de
I
depo-
1
time
leening.

en

gingen
beleen.

banks

sito’s

deposits

21 Dec.’38)

2 1 8.473 113.269 1 6.980 1 28.363 1 5.171

14 ,, ’38! – 1 8.496 1
13
.
00
8 1
74′

1 28.739

5.130
De posten van Do Ned. Bank de Javaeche Bank en do Bank of
England zijn in duizenden, nu0 overige posten in millioenon van
de betreffende valuta.

Auteur