Ga direct naar de content

Jrg. 22, editie 1137

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: oktober 13 1937

13 OCTOBER
1937

AUTEURSRECHT T’O ORBEHOUDEN.

Ec
‘onomisch~Statstische

Ben*chtén

ALGEMEEN
WEEKBLAD VOOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN
EN VERKEER

ORGAAN VOOR DE MEDEDEELINGEN VAN DE CENTRALE COMMISSIE VOOR DE RIJNVAART

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

22E JAARGANG

WOENSDAG 13 OOTOBER 1937

No.
1137

COMMISSIE VAN REDACTIE:

P.
Lie ftinck; N. J. Polak; J Tinbergen; P. de Vries en

II.
41.
II. A. van der Vali,: (RedacteurSecrataris)

Redactie-adres: Pieter de Hoochweg 122, Rotterdam

Aangeteekende stukken: Bijkantoor Ruige plaa t weg.

Telefoon Nr. 35000. Postrekening 8408.

Advertenties voorpagina f 0,50 per regel. Andere pagi

na’s f 0,40 per regel. Plaatsing bij abonnement volgens

tarief. Administratie van abonnementen en advertenties:

.Vijgh
4
van Dit,nar N.V., Uitgevers, Rotterdam, Am-
stcrdam, ‘s-G ravenhage. Postchèque- en giro-rekening

No. 145192.

Abonnementsprijs voor het weekblad franco p. p. in

Nederland f 16,—. Abonnementsprijs Economisch-S tatis-

tisch Aloandbericht f 5,— per jaar. Beide organen samen

f 20,— per jaar. Buitenland en Koloniën resp. f 18,—,

f 6,— en f 23,— per jaar. Losse nummers 50 cent. Dona-

tëur,9 en leden van het Nederlandsch Economisch Instituut

ontvangen het weekblad en het Maand bericht gratis en

genicten een reductie op de verdere publicaties.

INHOUD:

BIz.

VAN FISCALE NAAR ECONOMISCHE TARIEFPOLITIEK door
Prof. Dr. P. Lieftiuck ………………………..746

Tariefmachtigingswet 1934 door
Prof. Mr. C. W.
de
Vries 747

Prijs- en loonniveau in Nederlandsch-Indië door
Dr. H.
M. J. Hart ………………………………..748

De inzinking 01) de Amerikaansche beurs en de Dow.
theorie door Dr. H. E. Priester………………..751

Varkenstellingen en varkensprijzen door
Ir. S. IT. cle Jong 753

AANTREKENINOEN:

]3eteekenis van prognose over het petroleumverbruik
in de Vereenigde Staten ………………….
756

De ontwikkeling der wereldproductie van wineralen
en metalen

…………………………….
756

Opbouw en aanvulling van de Oostearijksche arbeids-
markt

………………………………..
757

Ramin’ van de Europeesche buitsuikerprodiuctie in

1937138
………………………………..
759

De zichtbare suikervoorraden in de wereld. ……
759

INGEZONDEN STUKKEN:

Een Nederlandsche export, clie voor goed verloren
dreigt te gaan dooi- de Neclerlandsche Kamer van
– Koophandel voor Duitschland ………………759

ONTVANGEN BOEKEN ……………………………
760

Statistieken’

.

.

.
Geldkoersen-Wisselkoersen-Bankstaten …………760, 761, 764
Grôothandelsprijzen …………………………….760, 762-763

GELD-, KAPITAAL- EN WISSELMARKT.
II)e stem-niing voor den Gulden was iu de ve rslag-ack
veclioin vast. liet Egalisatiefonds moest eellige nialen iii-ter’eiiicereii om dan Dollarkoers op
l.8O’f
s
te handhaven. Realisatie van Anierikaatisch fonclseiibezit zal aan deze
situatie op onze visse1marlct niet vreemd geweest zijti.
i)e gioote belangstelling van ons bcicggeiid publiek voor
iiterika.ainsohe waarden vindt steeds haar weerspiegeling

01)
OflZC
visscltiiarkt wanneer een sterke koersbeweging
oii de Neiv-Yorksche beurs een eenzijdigen stroom van ope-ra-ties, hetzij aa.nkoopen of verkoopen uitlokt.
De koers van den Franc -is ‘deze week ibetrekkelijk stabiel
geweest, zonder -dat, naar het schijnt, het Fransche Egali-sat-iefonds veel behoefde in te gi-ijpen. Ii de laatste dagen
is -de stemming voor deze valuta zelfs uitgesproken vast
geweest, zoodat de noteer-in.g ‘tot boveo de
6
kon oploopen.
Dek-king van contri.mineposities -is in dit koèrsverloop
ongetwijfeld een belangrijke factor, vooral nu het termijn-
disagio de prolongatie van afloopende affaires niet erg
stimuleert. In -de laaitste weken is de vraag- en aa-nbods-
verhouding v-ac dcii Franc zeer ongunstig beïnvloed door
de verschuiving van coinniercieele valutntrivnsaeties. Zoo-
als wij -de vorige week reeds schreven stel-t de exporteur
de realisatie van het provenu zijner uitvoeren zoolaing nio-
gelijk uit, terwijl voor den import het

transfer veelal
wordt vervroeg:d: om, door w

isselacceptatie en verdisco-ii-
teering daarvan. Aan zulk een beweging -is ech.ter eens
een eind. De exporteurs moeten hun bedrijf financieren
en zijn dus
01)
ecn gegeven niomeiit -ge-dwongen tot verkoop
vete een deel. -van hun denieze-n-be-zi.t over te gaan. Welis-
waar trachten -zij -dat moment zoo lang mogelijk uit te
stellen door cle financiering me-t vreemd geld te doen
plaats vinden, hetgeen waarschijnlijk déti van de redenen
is waar-door de-disrontoportefeu’ille van -de Banque de
Franee zoo oploopt. De financiering van den import door
wisselaccept en -disconto, w-aardoor ook -cle betalingsbalans
in den ovengangstijd exti-a belast wordt – eveneens dn
van de oorzaken overigens van de o-pgemelde toeneming
der di&ontoportef-euilie -van -de Franse-he centrale bank–
he-teekent ook een tijdelijke verschuiving. Zoodat een her-
stel van meer normale ver-houd-in-gen na eenigen tijd -voor
de hand ligt. Dat neemt echter niet weg, dat toch -bij da
huidige situatie van de -handelsbalans er een surplus aan-
-bod boven vraag -naar F ra-nes zou zijn – ev-an neer niet baisse-
dekking -do mark-t beïnvloedde.
IDe termijtinoteet-ingen wijzen op eenige vet-tin tidet-ing
van liet wantrouwen in het toekonistig koersverloop hoe-
wel nog altijd de driemaan-dsnoteeritiig uitkomt 01)
OCU
jaarlijksche rente-basis van 17 pOt. De fluctu-atie in deze
ito-teerin-n was overigens vrij groot. Wanneer men be-
denkt, dat •de opgeinel-de gewijzigde financiering van een deel van den Franschen import to-t gevolg Leeft, da-t aan-
bod van te rnhij nfra in-s sanienha ngencl met handelsti-ans-
acties voor -die gevallen uit de markt blijft c.q. zelfs een
-v rang naar termij ii f ranos vo t-d-t geschapen – wat biji’.
het geval ‘is wanneet- het betrokkn wissehnateriaal in
vcz-eii ‘zuiver financie t-i ngspapier -is – dan is de huidige
situatie op deze markt wel hoogst verontrustend.
0
1
)
de goudinarkt blijft de vraag nog -steeds aanhouden,
de Londensohe prijs is voortdurend boven ])ollarpa riteit,
waaruit men kan afleiden da-t het oppotten nog niet tot
een eind is -gekomen. –
– IDe belegigingsinarkt te onzent heeft zich in de vet-slag-
week -zeer ru-sti-g gehouden met -een vasten – oudertobti.
Alleen -in de laatste dagen was de -sternni-ing mmdci- gun-
stig, omdat de onzekere internationale toeitand niet alleen 01 dé aandeeledirtarkt groote liqu’i-daities -ultlokte, maar
ook aanleiding evas tot verkoop van obligaties uit zwakke
posities om de dekkingsniarge weer ‘p pil te brengen.

746

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 October 1937

VAN FISCALE NAAR ECONOMISCHE

TARIEFPOLITIEK.

,,Tariff policy is a
question
of economic expediency
for a particular iiatiou at a particular time, to be
judged by its effect on national welfare”. Deze uit-
spraak van den Engelschen economist Sir Josiah
Stainp
1)
geeft met enkele woorden het inzicht weer,
dat spreekt uit cle indiening door de Regeering van
het wetsontwerp tot wijziging van de Tariefrnachti-gingswet 1934, waarmede, indien het tot wet wordt
verheven, een nieuwe phase zal worden ingeluid in
de geschiedenis van onze tariefpolitiek.

Nauwelijks drie en een half jaar geleden, werd aan
cle Regeering hij de wet van den 17den Mei 1934,
tot instelling, afschaffing, verhooging of verlaging
van invoerrecht op korten termijn (sedert de wet
van den 31ste.n December 1936 tot verlenging van
haar werkingsduur, ,,Tariefmachtigingswet 1934″ ge-
naamd) een dubbele bevoegdheid verleend. 1. Voor-stellen tot wijziging van het tarief van invoerrechten,
die bij de Staten-Generaal waren aanhangig gemaakt,
mochten voortaan geheel of gedeeltelijk voorloopig van toepassing worden verklaard, bij enkel Konink-
lijk Besluit (art. 1). 2. Op dezelfde wijze mochten,
behoudens latere goedkeuring bij de wet, nieuwe in-
voerrechten worden geheven en bestaande invoerrech-
ten worden verhoogd, verlaagd of afgeschaft,

,,ten einde het te gronde gaan van Nederlandsche
bedrijven door hun bestaan bedreigeude buiten-
landsche maatregelen te voorkomen of ten einde met het buitenland gemaakte tariefafspraken on- middellijk van kracht te doen zijn” (art. 2).

De bevoegdheid, verleend hij art. 1, was voor onze
haudelspolitiek van weinig beteekenis. Zij diende
vooral een fiscaal belang, in zooverre zij het mogelijk
maakte, dat, wanneer men om fiscale redenen meen-
de tot verhooging van het tarief van invoerrechten te moeten overgaan, de Schatkist daarvan terstond de baten kon trekken, zonder dat de opbrengst ge-durende den eersten tijd werd gedrukt door abnor-
male voorraadvorming in het vooruitzicht van de ver-
hoogde heffing.
Handelspolitiek van meer belang waren de be-
voegdheden, welke art. 2 verleende. Dit artikel maak-
te mogelijk, dat tariefwijzigingen, opgenomen in een
handelsverdrag, terstond in werking konden treden,
zoodat niet behoefde te worden gewacht tot het ver-drag door den wetgever was bekrachtigd. De positie
van de Regeering bij onderhandelingen over nieuwe
verdragen werd hierdoor vergemakkelijkt en do resul-
taten,• die zoodoende werden bereikt, konden eerder
effect sorteeren.
Voorts openclè art. 2 den weg om aan binnenland-
sche bedrijven op korten termijn tariefbescherming te
verleenen, naast of in de plaats van het middel der
contingenteering. Intusscheu werd het gebruik ma-
ken van deze bevoegdheid aan strenge voorwaar-
den gebonden. Ten eerste toch, moest worden aan-getoond, dat de bedrijven, die men wenschte te be-
schermen, dreigden ten onder te gaan en voorts moest
de noodtoestand, waarin zou worden voorzien, door
buitenlandsche maatregelen worden veroorzaakt. Blij-
kens de mondelinge toelichting van den tôenrnaligen
Minister van Financiën, Mr. Oud, clie het betreffende
wetsontwerp in de Tweede Kamer verdedigde, was
hij deze buitenlandsche maatregelen gedacht aan
,,kunstmatige maatregelen”, (van huitenlandsche Re-geeringen, maar ook van buitenlandsche ti-usts, con-
cerns of kartels), ,,die men neemt om bedrijven, die
hier in Nederland overigens rendabel• zouden zijn, te
gronde te richten”. Het was ,,een bevoegdheid voor
abnormale omstandigheden”, voor ,,omstandigheden,
waarbij men stond in een positie van verweer tegen
maatregelen van het buitenland”, en die, als zoodanig,

volgens den Minister, ,,paste in het kader van een
fiscale tariefspolitiek”
1)

Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer heb-
ben de heeren Kortenhorst en Hermans getracht dit
quasi ,,fiscale” kader te doorbreken door het indienen
van een amendement, tot wijziging van art. 2 in dier
voege, dat de doelstelling, daarin het eerst genoemd,
zou worden vervangen door het veel ruimere motief:

,,ten einde de werkgelegenheid in Nederlandsche
bedrijven te behouden en te verruimen.”

Tegenover het zuiver defensieve karakter, dat het
Regeeringsvoorstel droeg, voerden de voorstellers van
dit amendement het pleit teia gunste var een meer
constructieve politiek, die op aanpassing van het
tarief aan de nieuwe omstandigheden, waarin het
bedrijfsleven verkeerde, gericht was.
ILet waren vrijwel uitsluitend staatsrechtelijke ar-
gumenten, die tegen dit amendement werden inge-
bracht. In het midden latend of een meer construc-
tieve tariefpolitiek al dan niet gewenscht was, voerde
men zoowel van de zijde der Regeering als vanuit
de Kamer aan, dat indien men dien weg wilde uit-
gaan, dit niet behoorde te geschieden door aan de
Regeering een algemeene bevoegdheid te geven tot
wijziging van het tarief. Een dergelijke zaak zou,
wegens gemis aan urgentie, van geval tot geval bij
de wet moeten worden geregeld.
Het amendement van de heeren Kortenhorst en
Hermans werd met groote meerderheid verworpen,
nl. met 57 tegen 17 stemmen. Of hierbij alleen staats-
rechtelijke motieven een rol hebben gespeeld, moge
worden betwijfeld. Hoe dit zij, de beperkte redactie
van het Regeeringsvoorstel werd tot wet verheven.

* *
*

Het wetsontwerp tot wijziging van de Tariefmach-
tigingswet 1934, dat thans, na drie en een half jaar,
voor ons ligt, is weer eens een bewijs hoe snel wij
leven. Wees de Regeering in 1934 de bevoegdheid,
die de heeren Kortenhorst en Hermans c.s. haar wil-
den verleenen, als veel te ruim voor een algemeene
machtiging af, in 1937 vraagt zij om een bevoegdheid,
die, wordt zij verleend, haar op dit gebied
plein pou-
voir
zal verschaffen. Het criterium voor de toepas-
sing van art. 2 stelt zij voor door de volgende woor-
den te vervangen:

,,Indien het economisch landsbelang zulks naar Ons oordeel vereischt ……

en de termijn, waarvoor het tarief mag worden ge-
wijzigd, die in de bestaande wet is beperkt tot één
jaar, wenscht zij tot vijf jaren verlengd te zien.
Het voorgestelde criterium is zoo ruim als maar
kan. Van de beperking, die in het verworpen amen-
dement nog was opgenomen, ni. dat de wijziging van
het tarief moest strekken tot behoud of verruiming
van werkgelegenheid, is in de voorgestelde redactie
zelfs geen sprake. Het economisch landsbelang wordt als eeuige toetssteen genomen.
De Regeering niotiveert haar voorstel tot wijziging
der wet met het argument, dat de practijk heeft ge-
leerl, dat de bevoegdheid van het eerste deel van
art.
2
aan zoodanige beperkende hepalingenis gebon-
den, dat zij welhaast niet te hanteeren is. Als bewijs
voert zij aan het feit, dat gedurende het drietal jaren,
dat de wet van kracht is, deze voor wat betreft het
onderdeel dat hier in geding is, slechts ten aanzien
van een tweetal bedrijven toepassing heeft gevonden. De Regeering is dan ook van oordeel, dat een aan-
merkelijk uitgebreider doelstelling dan de bestaande
noodzakelijk is. Terugkeer tot een vrij internationaal
ruilverkeer binnen een periode, welke uit een oog-
punt van economische overweging is te overzien, acht zij niet te verwachten. Met dit gegeven moet
rekening worden gehouden en de consequenties ervan
moeten worden aanvaard. Het besef is hij haar door-

1)
Motive
and Method
in
a Christi.an

Order,
1936, pag. 35
1)
Handelingen Iie Kamer, 1933-1934, pag. 1619-1624.

..-:….–

13 October 1937

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

747
0

gedrongen, dat een meer geregeld internationaal ver-
keer – met behulp van handeisverdragen op een zoo
hoog mogelijk niveau gebracht – cle eenige practische
oplossing is. Bij de wijziging van cle Crisisiuvoerwet
heeft men zich reeds min of meer met dit inzicht
vereenigd. Thans erkent
zij,
dat ook het tarief van
invoerrechten voor het bereiken van meer geregelde
internationale ruilverhoudingen hanteerbaar moet
worden gemaakt.
Voor de openlijke aankondiging, dat van de ge-
vraagde bevoegdheid, indien noodig, ook voor zui-
ver protectionistische doeleinden gebruik zal worden
gemaakt, schrikt de Regeering niet langer terug.
Wanneer het economisch landsbelang dit eischt, zoo
schrijft zij, moeten aan de huitenlandsche concurren-
tie beperkingen kunnen worden aangelegd. De con-
crete omstandigheden, die dit wenschelijk maken,
kunnen van verschillencien aard zijn. De Memorie
van Toelichting noemt er enkele met name.,,
Zi.j
kunnen zijn gelegen in het optreden van sterke bui-
tenlandsche kartels, zij kunnen voortvloeien uit cle
concurrentie met sociaal-achte.rlijke landen, er kan sprake zijn van valuta-concurrentie, het kan noodig
zijn bepaalde bedrijfstakken tot verdere ontwikkeling
to brengen, enz.” Een volledige opsomming is natuur-
lijk niet te geven; daarom is een ruim criterium
gewenscht. De formule, die werd gekozen, geeft de
Regeering, als zij haar taak op de juiste wijze ver-
‘ult, alles wat zij noodig kan hebben.
Een van de doeleinden, waaraan de Regeering de
gevraagde bevoegdheid, wordt zij verleend, mede
hoopt dienstbaar te maken, is het wegnemen van en-
kele bezwaren, welke kleven aan het bestaande con-tingenteeringssysteem. Overwogen zal moeten wor-
den, zoo schrijft zij, in hoeverre knellende banden op
het gebied der contingenteering vervangen kunnen
worden door tariefmaatregelen en in hoeveire even-
tueel zelfs door een vereeniging van beide maatrege-
hou bereikt kan v,rorclen een soepele toepassing van
de contingenteeriug onder een matig beschermneud
tarief. Dit opent een gelukkig perspectief voor die
gevallen, waarin als zijdelings gevolg van een nood-
zakelijke contingenteering bepaalde bedrijfstakken
overbodig in hun vrijheid belemmerd worden. Zoolang
de contingenteering het eenige middel was, dat de
Regeering tot afweer van buitenlandsche concurren-tie ten dienste stond, had zij geen keus dan tusschen
contingenteering en het vrij laten van den invoer.
Wordt deze keus thans uitgebreid met maatregelen
op tariefgehied, dan zal zij in elk bijzonder geval van
die methode gebruik kunnen maken, waaraan voor
het bedrijfsleven als geheel de minste bezwaren klevemi.
Moet de voorgestelde verruiming van de handels-
politieke middelen, waarover de Regeering beschik-
ken kan, op zichzelf worden beschouwd als een voor-
deel, voor een hij dezc maatregelen nauw betrokken
groep heeft zij ongetwijfeld een schaduwzijde, ni.
voor den handel. Handel en handelsverkeer hebben
belang hij stabiliteit in de invoerrechten. Deze komt
door de gevraagde bevoegdheid op een wankele basis.
Intusschen mag men niet vergeten, dat de handel
nog veel meer gediend is met een zekere mate van
stabiliteit in de prijzen; de juiste hanteering van een
invoerrecht behoeft daaraan geen afbreuk te doen,
kan daaraan integendeel bevordeljk zijn. Niettemin
schijnt •er vanuit dit gezichtspunt gezien iets voor te
zeggen, met het middel der contingesiteering achter de’hand
m
de bevoegdheid tot verhooging van invoer-
rechten te limiteeren, hijv. tot een maximum van
100 pOt. ad
valorem, evenals zulks is geschied in de
Ahnormal Importations (Oustoms Duties) Act, van
November 1931 in Engeland.
* *
*
liet wetsontwerp, dat besproken werd, gaat er van
uit, dat de gewijzigde internationale verhoudingen
op economisch terrein aan de handelspolitiek van
Nederland voor den eerstkomenden tijd andere eischen
zijn gaan stellen dan in een vorige periode het geval

was, liet tijdvak van handelspolitiek op korten ter-
mijn, waartoe men hier te lande na het uitbreken
van de crisis aanvankelijk zijn toevlucht genomen
heeft, schijnt ten. einde te spoeden. De machtiging,
die thans wordt gevraagd, heeft betrekking op wijzi-
gingen van het tarief, welke vijf jare.n zullen mogen
gelden. De weg voor een constructieve handelspolitiek
voor ,,The Next Five Years” kan op deze wijze wor-
den geopend. Dengemien, die de beslissing moeten ne-
men, roepen wij nogmaals de in den aanhef geciteerde
woorden van Stamp in herinnering: ,,Tariff policy is a question of economic expedienc.v for a pa,rticular
nation at a particular time, to he judged by its effect
on national wclfare”. P. Lia’rir’mci.

TARIEFMACHTICINGSWET 1934.

Bileain reed uit op zijn ezel – ieder weet het –
om te vervloeken, maar hij heeft tenslotte gezegend.
Oorspronkelijk komt een natuurlijk verzet op – ik
ga reeds over tot het wetsontwerp van
27
Sept. 1937
houdende een wijziging van de tarief-machtigingswet
1934 – tegen het toekennen vanr uimere bevoegd-
heden aan de Regeering, tegen nieuwe bevoegdheden,
tegen ruimere doelstellingen, maar toen ik reeds de
pen tot het neerscknijven van bezwaren wilde aanzet-
ten, heb ik, uit staatsrechtelijk oogpunt de wetsvoor-
dracht opnemende, alsnog: goedgekeurd.
Ik heoordeel de ontwerp-wijzigingswet van de ta-
riefmachtigingswet-1934 niet op zij.n wenschelijkheid,
zijn nuttigheid, zijn noodzakelijkheid. De vraag, hoe-
vele en hoe groote bevoegdheden de wetgevei in de
handen der Rogeering wil investeeren, is een poli-
tieke vraag, die hier onbesproken blijft. Maar hij een
heoordeeling van de wetsvoordracht uit hèt oogpunt
van den jurist, moet de conclusie luiden, dat• hij
deze voordracht een staatsrechteljke fout uit de ta-
nief-mach tigingswet 1934 wordt uitgelicht.
De Grondwet heeft het terrein tusschen ,,wetge-
ving” en ,,hestuur” niet willen of wellicht niet kun-
nen afbakenen. Tengevolge daarvan is echter een ge-
woonte-recht tot gemeen goed der natie geworden,
dat de wetgever zoowel den omvang als de uitoefe-
ning van een, zelfs in de Grondwet neergelegd ,,oji-perbestuur” (bestuur, oppergezag en dergelijkè uit-
drukkingen) mag regelen en beperken.
Dat ziet er voor de zelfstandige regeeringsinacht
dus slecht uit! De wetgever regelt en beperkt oni-
vang en uitoefening van het ,,hestuur”, zonder dat de
wetgever in zijn baan een barrière ontmoet.
Gelukkig voor de Regeering, gelukkig voor het
bestuur staat het z66 niet. Wanneer de wetgever een
regeling van den omvang en van de uitoefening van
het bestuur in trein zet, is die wetgever gebonden aah
het gemeen oordeel der juristen, dat de wetgever
slechts hij wege van algemeene dispositie, en niet
door bepaalde eigen daden, op het hestuursgebied
mag treden.

Deze regel wordt in de wetgeving herhaaldelijk
verwaarloosd. De w’etgever geeft algemeene regels, hij
behoort niet te noemen en te onderscheidmin: bpaal-
de gevallen waarin de Regeering al of niet zonde
mogen optreden.
* *
*
liet is een vraag van politiek beleid èf de wet-
gever – zooals in de tariefmachtigingswet is bepaald
– aan de Regeering de bevoegdheid zal verle’enen
den inhoud van een eventueel nieuw ontwerp van wet
tot wijziging van het tarief van invoerrechten onmid-
dellijk bij de indiening voor de burgers verhindend
te achten. Daarover oordeelt de politicus.
Maar wanneer eenmaal op deze vraag een bevesti-
gend antwoord is verkregen, dan mag die wetgever
het bestuur op zijn gebied slechts binden aan
a
l
ge
:

meene regels. De wettelijke regeling zelve moet alge-

meen zijn; zij mag niet ontaarden in het vastleggen
van bepaalde gevallen van bestuursuitoefening, in
het voorschrijven van bepaalde bestuursdaden.

743

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13
October 1937

Aan deze fout maakt de tarief-machtigingswet 1934
zich schuldig. De fout staat niet op zichzelf. Angstig
en aarzelend een bepaalde bevoegdheid aan de Regee-
ring te verleenen, maakt de wetgever dikwijls de
fout, zelve nog een deel der uitvoering te willen he-
heerschen. Staatsrechteli
.
jk gaat dit niet aan. De wet
van 1934 geeft aan de Regeering een bevoegdheid,
maar zij regelt die niet alleen hij wijze van alge-
meene dispositie, zij regelt ook gevallen van al- of
niet-uitoefening. Het wijzigingsontwerp van 27 Sept.
1937. neemt deze fout weg. De wetgever van 1931
heeft. het bestuur willen beheerschen en daarmede het
bestuur onmogelijk gemaakt. Daaraan komt nu een eind.
Het wetsontwerp van 27 Sept. 1937 treft een alge-
meene dispositie; het regelt geen gevallen. De fou-
tieve regeling van 1934: ,,Teneiude het te gronde
gaan van Nederlandsche
bedrijven
door hun bestaan
bedreigende buiténlandsche maatregelen te voorko-
men” vervalt.
Ik eindig dus de thans nieuw getroffen regeling
goed te keuren. Zij bevat een verstolen schoonheid
op staatsrechtelijk gebied. Zijn niet nog dergelijke
verbeteringen in onze wetgeving mogelijk? De hier
gesignaleerde fout staat niet op zichzelf. Zij komt
naar mijn gevoelen ook voor in de wet op het verbin-
dend- en onverbindend-verklaren van ondernemers-
overeenkomsten. Ook in deze wet is de Regeering te
zeer gebonden niet alleen aan regels, die een alge-
meene dispositie treffen, maar ook aan een wettelijke
regeling betreffende gevallen van al- of niet-uitvod-
ring. Staatsrechtelijk-technisch is deze regeling on-
juist. De hier getroffen wettelijke regeling moet op
den duur, in gevallen waarin de wet terecht zou kun-
nen en moeten worden toegepast – en die gevallen
zijn er wèl! – de Regeering schaak zetten. Moet ook
hier niet een gelijke wijziging worden aangebracht
ten hate van een goed ,,bestuur”? C.
W. DE VRIES.

PRIJS- EN LOONNIVEAU IN NED.-INDIË.
1)

De daling van het prjsnivean, welke na 1929 over de geheele wereld optrad, is in Nederlandsch-Indië,
dat een overwegend agrarisch exportland is, met een
betrekkelijk slechts weinig verzekerden afzet in het
Moederland, bijzonder sterk geweest.

i) Tot ons leedwezen was het niet meer mogelijk deze
bijdrage op te nemen in het Ned.-Ind,ië nummer van E.-S.13.
van 29
September ii. – lIed. E.-S.B.

Grafiek
1

ONGEWOGEN INDEXCIJFER

(1920 –

De daling van de grondstoffenprijzen had in een
snel tempo plaats. Na een zeer geleidelijke daling van
1925 tot eind 1929 viel hët indexcijfer voor de groot-
handelsprijzen voor uitvoerproducten in den loop van
2 jaar van 100 op 40 om tenslotte in Juni 1936 zelfs
te dalen tot 32 pOt. van het niveau in 1929 in Juni
1936. De prijsdaling der invoerproducten trad later
in, terwijl de daling iets geleidelijker was (zie gra-
fiek 1). Na de devaluatie in September 1936 stijgen
beide soorten prijzen weer, en in vrijwel gelijke mate.

De verbondenheid van Nederlandsch-Indië aan de
internationale grondstoffenprijzen en het vasthouden
aan den gouden standaard,
terwijl
concurreerende lan-
den devalueerden, maakten een vrijwel evenredige da-
ling van de, de zelf-kosten van de grondstoffen hepa-
lende, factoren noodzakelijk. En aangezien verschil-
lende kostenelementen zeer stroef bleken, was een
vergaande bezuiniging en rationalisatie onvermijde-
lijk. De vervoerskosten daalden slechts zeer geleidelijk
naarmate de depressie voortschreed; de tarieven voor
post, telegraaf en telefoon bleken star te zijn evenals
de licht- en watertarieven; ook de haventarieven daal-
den minder dan de prijzen der uitvoerproducten.
Hierbij kwam in een aantal gevallen bepaalde in gul-dens uitgedrukte verplichte betalingen (obligatie-lee-
ningen, huur van terreinen, enz.), waarvan de beta-
ling bij de sterk stijgende waarde van het geld een
zeer grooten invloed had op de financieele resultaten
van die
bedrijven.
De bezuiniging, die niet door mate
rieele en personeele-rationalisatie gevonden kon wor-
den, moest opgebracht worden uit de salarissen. De
druk op de bonen nam daardoor toe naarmate de
depressie langer duurde, de prijzen daalden en het
aantal werkloozen steeg. Een herwinnen-van de ren-
tabiliteit van vele bedrijven werd bemoeilijkt door be-
perking van de afzetmogelijkheid door de toenemende
neiging tot autarkie bij vroegere regelmatige afne-
mers. De afzet van de producten werd hierdoor be-
lemmerd en dit oefende weer een steeds verder gaande
prijsdrukkende werking uit.

De rentabiliteit van het Nederlandsch-Indische
productie-apparaat leed in hooge mate en het is
slechts te danken aan de rigoureuze aanpassing aan
de gedaalde grondstoffenprijzen, dat een algeheele
débâcle is voorkomen.
De volgende grafiek geeft de
indexcijfers
van de
groothandelsprijzen vanaf 1929, waarbij voor den uit-

GMOOfl1ANDELSPRIJZEN

oo)

160

140

111
20

lOr

80

60
40

ZO

Invoer- a
likelen

UiFvoe
produclen

IIJSDM
J SOM
.1
SOM J5 OM J SOM 1 50
M
J
SOM,.)
4Dm J 5,0 M J 5 D
M is
0
M-.I,9 OM J.SD Mi 90 14
1924

1025

1026

1927

1928

929

930

931

032

033

– 1934
M.
1935

136

1937

13 October 1937

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

749

voer een splitsing gemaakt is in de uitvoerproduc-
ten onder restrictiebepalingen en uitvoerproducten,
welke niet onder restrictiebepalingen vallen, terwijl
tevens in deze grafiek de prijsdaling yan het index-
cijfer van de groothandelsprijzen van invoerartikelen
is opgenomen.

Gi-afiek
2

INOEXCIJFESS VAN GROOTWANDELSPRIJZEN (1029
=
loo)

j

L
1

1930

1932

1933

1_

Uit deze grafiek blijkt duidelijk, dat de prijsdaling
bij de producten, die thans onder de restrictierege-
lingen vallen, sterker was dan bij de vrije producten
totdat in 1932 een begin werd gemaakt met de res-
trictieregelingen. Onder invloed van de restrictiebe-
palingen konden toen een aantal producten hun prijs-
niveau verbeteren, waardoor ook het gewogen uit-
voerindexcijfer geleidelijk aan kon stijgen. De index-
cijfers van de producten, welke niet onder restrictie-
bepalingen vallen, bleven echter in zeer vertraagd
tempo dalen tot in 1935.
De devaluatie in September 1936 en de ongeveer
ge1jktijdig optredende algemeene conjunctuurople-
ving veroorzaakten een zeer aanzienlijke prijsstijging,
welke tot in de eerste maanden van 1937 aanhield om
daarna weer geleidelijk in te zakken. In grafiek 2,
die ht prijsverloop toont vanaf September 1936 tot
Augustus 1937 is deze op- en neergang zeer duidelijk te zien.

De drie lijnen voor de uitvoerproducten dalen thans
vrijwel parallel; slechts blijkt, dat de daling voor de
niet onder restrictiebepalingen vallende producten
eerder is opgetreden; het indexcijfer voor de invoer-

Grafiek
3

artikelen toont daarentegen nog geen duidelijke nei-
ging tot afnemen.


Men mag uit de
indexcijfers
echter niet afleiden,
dat de toestanden in alle cultures nu ookgunstig zijn.
Er zijn hierbij nog zeer groote verschillen. Dit moge blijken uit onderstaande tabel, waarin de prijzen van
de producten op ultimo Augustus uitgedrukt zijn in
procenten van de
prijzen
van September 1936 en in
procenten van die van 1929.

rFae1
1.
Groothandeisindexcijfers van de Neder-landsoh-..
Indische exportproducte.n uit.
Aug. 1937 op basis
van de prijsen in:

Product

Sept.
1936 1929
Zwarte
pi
er …………………….
205.4

14.1
Koffie, Pal. Robusta .. .,.,

………..
191.6

23.4
Suiker

)

………………………..
198.9
1).

55
.
42)

Tin

) ……………………………
161.6

93.0
Witte peper ………………………
151.7

122
Thee, P.S. en S

) …………………
147.4

86.3
Gaplek

…………………………..
146.8

44.9
Maïs, gele

………………………….
143.0

50.2
Rubber St. Sheet ) …………………….
133.0

62.7
Rijst, kl. huller …………..
120.6

43.0.
Gopra, Java fms.

…………………

116.3

43.1
Tapioca, prima ……………………
93.2

36.1

Gewogen indexcijfer
3
)143.5

54.6
1)
Hoofdsui.ker voor exp. naar China, Japan, Hongkong.
2) Siip.
hoofdsuiker voor exp. naar 0. en W. kust
v.
Br.-
Indië.
3)
Gewogen o.p ba5is v. d; tiitoer in
1935. ) Res-
tr.ictieproduoten.
•.

Uit grafiek 3, waarin de indexcijfers van de prijzen
van de voornaamste exportproducten sedert Septem-
ber 1936 zijn opgenomen, blijkt zeer duidelijk, dat
hoewel het indexcijfer tot ongeveer April 1937 bleef
stijgen, niettemin reeds in Januari 1937 bij verschil-
lende producten een daling optrad.. De algemeene
indruk dien men uit deze grafiek krijgt, is dat de in-
vloed van de devaluatie volkomen ondergeschikt is
aan de conjunctuuropleving, maar dat de gezamenlijke
werking van deze factoren in de maanden na de deva-
luatie een sterken uitslag in het prijsniveau naar
boven heeft veroorzaakt, welke nu geleidelijk aan tot meer normale proporties is teruggebracht.
Ten aanzien van dé indexcijfers der invoerproduc
ten is de toestand anders. De
stijging
is hier welis-
waar minder snel,- doch meer continu. Hoewel ook
hier het tempo, waarin de prijzen stijgen sterk aan het afnemen i.s en er zelfs reeds een kleine daling
van Mei op Juni heeft plaats gehad, is de algemeene
tendens toch nog opwaartsch.
Indien men meer in bijzonderheden nakat, waar-
aan dit te danken is, dan blijkt dat de prijsstijging,
welke practisch gesproken sedert April 1937 tot staan
gekomen is, het resultaat is van en aantal stijgingen
en dalingen in het niveau van de invoerproducten,

211

ii STIJGING DAPG000TUANDALSPPIJZAN VAN ANKAAN KXPORTPiODUCTN IN% VAN iii VAN 21-26
SAPTEMBNR
1936.

g
p

l.

-,

kE
77
1930

937

750

.
ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 October 1937

welke elkaar in het (niet-gewogen) indexcijfer nivel-
1 eeren.
De volgende tabel geeft de cijfers van enkele der
voornaamste invoerproducten op dit gebied.

Tabel 2.

Iiidexeijfers voor enkele ‘invoerartikelet
21-26 Sp’te.rn’ber 1936 = 100.

Verhoudngscijfer

Soort

Artikel

iöApriI

25Aug.
1937

1

1937

Manufac-
Supers ongebleekt 5/4, 11
turen 1bs.,36’X
4
0y, Japan
131.4 136.3
Shirtings gebleekt 41 t/nh
45 dr., 33X 20 y, Nederi
128.7
138.8
Drillsgebleekt4l t/m45dr.,
28x 30y, Japan ……
152.1 139.1
Tjita kasar (ordinaire
prints),
24″)<
30 y, Japan
139.3

..

130.3
Katoenen

molton dekens,
goedk. s.,p. sttrk, Nederi
119.5
119.5
Gewogen indexeijfer nianu-
133.5
Metalen
236.9
242.3
220.4
212.5
Gegalvaniseerd plaatijzer
32 B.W.G. (6 kat.tie)…
195.6
197.1
Ohemica-
Bladkoper, rood 12 ounces
214.7 204.9
tiën

facturen

……………136.0
Beton-ijzer ……………

Dubbelsuperphosphaat
118.5
126.2

Staafijzer

……………

163.9
174.4
161.1
144.4
Caustic

oda ………….

109.7
116.3
Levens-

Zinkwit

………………
Mierenzuur

………….
Australische Ioter
118.3
122.5
middelen
Corned beet

………….
135.2 138.2
.

.

.
100.0
100.0
Bier ………………
148.7
130.0
Meel, Australisch …
. . . .
..
Melk, gecond. ongesuikerd
109.4
109.4

Manufacturen dalen in het algemeen, cle ijzerpro-
ducten daarentegen nemen nog steeds in prijs toe,
speciaal geldt .dit voor beton-ijzer, terwijl hij de mees-
te andere producten, waaronder ook de meer direct
voor consumptie bedoelde artikelen vallen, van een
duidelijke prijsstijging geen sprake meer is. Bij de
manufacturen is in de. laatste maanden een geleide-

lijke doch duidelijke daling merkbaar.
De hierboven beschreven veranderingen van het

prijsniveau van in- en uitvoerproclucten vinden uiter-
aard hun neerslag in de prijzen van de kosten van
levensonderhoud. Zooals reeds eerder vernield was de
daling zoowel van bonen als van salarissen zeer
sterk. Uiteraard was het niet mogelijk de aanpassing
in hetzelfde tempo en in dezelfde mate te doen ge-
schieden. als de sterk gedaalde groothandelsindexcij-
frs voor de uitvoerproducten dit gewenscht maakten.
De druk op het lponniveau bleef echter aanhouden
en leidde tot een steeds verder gaande daling van loo-
nen en salarissèn. De wijze, waarbij hierop door de
overheidsinstanties en in het particuliere bedrijf werd
opgetreden was niet gelijk. Bij de Overheid viel de na-
druk op de terugbrenging van het niveau door de
directe of indirecte kortingen niet geleidelijke af-
vloeiing van de minder geschikte en cle overtollige
werkkrachten. Deze personeelsvermindering had ech-
ter een ongunstigen invloed op de werkloosheid en leidde tot een versterkten druk op de salarishoogte.
In het particuliere bedrijfsleven viel vooral in den
eersten tijd in sterke mate te constateeren een be-
houd van het loonniveau ten koste van het aantal te-
werk gestelden Hier dus in de eerste plaats ontslag,
in de tweede instantie echter eveneens boondruk. Uiteraard waren met het intreden der depressie in
1929 vrijwel overal autoniatisch tant.ièrnes en grati-
ficaties weggevallen, zoodat de totale vermindering
in het inkomen in het particuliere bedrijfsleven iii
vele gevallen grooter is geweest dan hij de. Overheid.
• Ten aanzien van de koelieloonen kunnen we kort
zijn. Naarmate de depressie duurde, daalden de loo-
nen. Zij werden tot zoo’n laag niveau teruggebracht, dat de Regeering waarschuwend moest optreden, en
een ioonshewaking voor de landhouwondernemingeti
op Java werd ingesteld.
De omslag van de conjunctuur, welke in Septem-
ber 1936 plaats had, dreef, zooals we gezien hebben,
cle groothandeisprijzen omhoog, doch werkte eveneens
door in de kleinhandelsprjzen en in de kosten van
levensonderhoud. De stijging van de kosten van le-
vensonderhoud is echter door de vele stroeve posten
in het uitgavenhudget steeds slechts een onderdeel
van de stijging, die men bv. uit de conjuuctuurop-

Grafiek 4

INDEXCUFERS VAN
DE KOSTEN VAN ‘LVENSONDERNOUD
1)

(Januari 1929 =
ioo)

0-

on

V
V

1
°
tHtt!
H

Gezin 1
II

“.


.lv
Voedingskosten
der
Inheemsche bevolking
op
Java en Modoera(gemidd. I929 =100)




-;-

– –
1924

1925

1Q26

1927

1928

1939

1930

1931

1932

5933
,

19
.
34

1935

1936

1937

Gezin 1 met een maandinkomen in Januari 1929
Vdfl

63.09
II

.

.

•.

1179,66
19

.

……

1387.64
t no
.18
1)
Basist een gelijkblijvende leveosstandeard ven gemiddelde gezinnen in Baavia, bestaande uit man, vrouw en 2 minderjarige ldnderen we.
een een lns5elling von lager Onderwijs volgend.

140
130

120

110

00
90

61

13 October 1937

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

751

leving of het devaluatiepercentage zou meenen te
mogen afleiden. Evenals in 1929 niet direct kortin-
gen werd ingevoerd, toen de prijzen snel daalden,
evenmin was het in 1936 noodig om direct toeslagen in te voeren.

Tabel 3.
Indexcijfers van de kosten van levensondenhoud te Batavia.

II

1

III

t

IV

Maandinkomen in September
1936

f
29.865

f
92.98
f
218.166
f
505.94

25
Sept.
1936..

100

100

100

100
15
Oct.

,,
. .

103.01

101.67

100.49

100.66
16 Nov.

,,
. .

104.14

103.18

101.44

101.11
17
Dec.

,,
. .

105.74

103.71

102.17

101.50
15
Jan.
1937..

106.51

104.71

102.40

102.28
15
Febr.

..

106.60

104.87

102.44

102.39

15
Maart ,, ..

106.70

104.74

102.35

102.41
15
April

,,
.

106.56

104.91

102.61

102.59
15
Mei

..

107.89

105.32

103.83

102.91
15
Juni

..

108.59

105.50

103.75

102.82
15
Juli
1)

..

110.45

106.65

104.14

103.24
16
Aug. ‘)

. .

111.50

108.46

104.68

103.59
1)
In de cijfers van
15
Juli en
16
Augustus
1937 zijn
cle uitkomsten van de huishuurenqu6te per
1
Juli te Ba-
tavia gehouden, nog niet verwerkt.

Tabel 3 geeft een overzicht van deze stijging be-
rekend voor 4 gezinnen van verschillenden welstand
te Batavia. Voor de laagbezoldigden is deze stijging
niet te verwaarloozen. Het verloop van de indexcij-
fers van de kosten van levensonderhoud voor deze
vier gezinnen en die van de voedingskosten der In heemsche bevolking ziet men in beeld in grafiek 4.
Mede door de propaganda der vakvereenigingen is een deel van de het salarisniveau drukkende maat-
regelen getemperd of opgeheven door het geven van
toeslagen in extreme gevallen. In het particuliere
bedrijfsleven heeft de omslag zich gekenmerkt door,
vooral voor het nieuwe personeel, betere arbeidsvoor-
waarden. H. M. J.
HART.
Hoofdanibteaaar bij het Centr. Kant.
v. d. Statistiek te Batavia.

DE INZINKING OP DE AMERIKAANSCHE BEURS
EN DE DOW-THEORIE.

De begin September begonnen en sedertdien voor t-
durende scherpe sterke koersdaling in Wallstreet, de
grootste sedert de in Augustus 1935 aangevangn
nieuwe hausseperiode, houdt uit den aard der zaak
zeer sterk de publieke opinie in Amerika bezig. On-
danks alle ad hoc afgelegde optimistische verklarin-
gen van de Securities & Exchange Commission en van
toonaangevende groote bankiers is men er in breede
kringen van de beursspeculatie en ook van particu-
lieren niet geheel en al van overtuigd, dat de laatste
gebeurtenissen in Wailstreet slechts een gevolg zijn
van het samenvallen van toevallige gebeurtenissen.
Hun aarzelende houding wordt door de zg. Dow-
theorie sterk beïnvloed, een theorie, die in de Ver-
eeuigde Staten een zeer groote aantrekkingskracht
uitoefent op de bankiers, makelaars en het publiek.
Volgens deze theorie mag men thans stellig een
voortduren van de baisseperiode op de beurs te New-
York verwachten.
Ruim 40 jaren geleden werd deze theorie op zuiver empirische basis door den Amerikaanschen journalist
op financieel gebied Charles H. Dow opgesteld. Op
grond van de door hem berekende en tot heden voort-
gezette ,,Dow-Jones Averages” (gemiddelde index-
cijfers van de koersen van industrieele en spoorweg-
aaiicleelen) beweerde hij de tendens van de beurs
voor een lange periode te kunnen voorspellen. Pas
na zijn dood heeft zijn medewerker S. A. Nelson deze Dow-theorie iii een boek ,,The ABC of Stock Specu-
lation” gepubliceerd. De’ hoofdredacteur van het
Wallstreet-Journal, Willi am Peter Hami lton, gaf een
definitieven vorm aan cle Dow-theorie in zijn in 1922

gepubliceerd boek ,,The Stock-market Barometer:
a Study of its Forecast Value Based on Charles
II. Dow’s Theory of the Price Movement”.
Het succes van dit werk was enorm. Vooraan-
staande tijdschriften stemmen hun beursbeschouwin.-
gen geheel op de Dow-theorie af. Het publiek wordt
overstroomd met een enorme Dow-theorie-literatuur.
Dit had tengevolge, dat een zeer groot gedeelte van
de bij de beurs betrokkenen deze theorie tot richt-
snoer van hun handelingen neemt, waardoor zij een
groote reëele beteekenis heeft verkregen.
Alvorens op de theorie zelf in te gan, komt’ het
mij gewenscht voor, haar uitgangspunt in het kort
te vermelden. De belangrijkste premisse luidt, dat de
indices van aandeelen een totalen index van alle an-
clere indexcijfers van het bedrijfsleven vertegenwoor-
digen: ,,De schommelingen van de dagelijksche Do’-
Jones indexcijfers van de slotkoersen voor indus-
trieele en spoorwegaandeelen zijn een samengestelde
index van alle verwachtingen en teleurstellingen en
al het weten van een ieder, die iets van financieele
zaken op de hoogte is; daarom zijn de gevolgen van
toekomstige gebeurtenissen, voor zoover het niet gaat
om natuurverschijnselen steeds in de beweging van
deze indexcijfers verdisconteerd”.
De Dow-theorie beweert nu, dat de toekomstige
tendens van de beurs door bestudeering van de Dow-
Jones indexeijfers voor industrieele en spoorwegaan-
deelen vooruit vast te stellen is, voor zoover het de richting van’ de beweging der koersen betreft. Elke
hausse en elke baisse is een golfbeweging. Indien
nu na een voorafgaande koersdaling bij de daarop
volgende opwaartsche beweging de hoogste punten
van beide indexcijfers boven de vorige maxima lig-
gen en een koersreactie steeds boven de voorafgaande
laagtepunten eindigt, dan mag men een voortduren
van de hausse-tendens verwachten. Wanneer omge-
keerd bij een dalende koersbeweging het herstel steeds
beneden het voorafgaande hoogtepunt eindigt en door
nieuwe dalingen nieuwe laagtecijfers worden verkre-
gen, is volgens de Dow-theorie een voortduren van
de flauwe tendens waarschijnlijk.
Indien de Dow-theorie juist is, dan verkeert Wall-street reeds sedert eenigen tijd in een baisseperiode. Immers de Dow-Jones indexcijfers voor industrieele
en spoorwegaandeelen vertoonen een verloop, dat uit de volgende grafiek blijkt:

Industr.

Spoorw.
aand.

aand.

190

180
170

160

150

140

130

35

1936

1937

Zooals men ziet, is thans gedurende een reactie de
laagste koers van de voorafgaande dalende beweging
overtroffen’, terwijl in de voiige hausseperiode het
hoogste punt beneden het maximum in de daaraan
voorafgegane hausseperiode lag. Dit feit is in de
oogen vaii de Dow-theoretici van des te meër betee-

kenis, omdat reeds gedurende de reactie in het voor-
jaar van 1937 het laagtepunt beneden het laagste
cijfer van de voorafgegane reactie van einde 1936 lag.
Deze constellatie, welke sedert 7 September valt
waar te nemen, heeft bij veel effectenbezitters in de
Vereenigde Staten een soort paniekstemming teweeg-
gebracht. Talrijke liquidaties hadden plaats, ten einde
de nog aanwezige koerswinst te incasseeren, daar
men bevreesd was voor het vermeende einde van de
reeds zoo lang aanhoudende beurshausse.

Het spreekt vanzelf, dat het zeer moeilijk is, reeds
thans een oordeel te vellen over het al dan niet op-
gaan der Dow-theorie. De Dow-theorie op zichzelf tracht slechts op een ruwe empirische basis telkens
den trend van de koersontwikkeling te ontdekken. Zij
is zoo voorzichtig niet op de ontwikkeling van een
enkele cijferreeks te vertrouwen en baseert haar be-
schouwingen op twee, naar zij meent, onafhankelijke
cijferreeksen. Daarbij vertegenwoordigen de gemid-
delde koersen van de industrieele aandeelen den sub-
jectieven factor en die van de spoorwegaandeelen den
objectieven factor. Ik laat in het midden, of dit uit-gangspunt der Dow-theorie juist is of verkeerd.

De grondgedachte, om door te letten op de spoor-
wegaandeelen rekening te houden met de conjunc-
tuurfactoren van meer algemeenen aard bij de beurs-voorspellingen, was stellig juist, toen de Amerikaan-
sche spoorwegen de eenige transportmiddelen te land
in de Vereenigde Staten waren. Uit de wekelijksche
publicatie van de wagonladingen kon men niet alleen
een juist beeld vormen van de rentabiliteit der Spoor-
wegen, doch kon men bovendien telkens de bedrij-
vigheid van het Amerikaansche bedrijfsleven aflezen,
een feit, dat in de koersontwikkeling van de spoor-
wegaandeelen zijn weergave vindt. Heden ten dage
met de structuurwijziging van het Amerikaansche
verkeerswezen en de enorme concurrentie van het
autovervoer, is wellicht de representatieve beteekenis
van de vervoerde hoeveelheden goederen verminderd,
temeer daar het spoorwegverkeer zelf door de Ame-
rikaansche overheid sterk gereglementeerd is. Hier-
bij komt, dat de spoorwegaandeelen als zoodanig niet
meer dezelfde rol van kapitaalbelegging spelen als
tijdens het leven van Charles H. Dow, dus omstreeks
1900, het geval was. Destijds behoorden de spoorweg-
aandeelen tot de standaardpapieren van de Amen-
kaansche koerslijst en de heoordeeling van de spoor-
wegaandeelen had grooten invloed op de tendens van
de beurzen. Uit beurstechnisch oogpunt beschouwd is de functie der spoorwegaandeelen thans door an-
dere groepen aandeelen overgenomen.

Dit alles zij slechts terloops opgemerkt, omdat deze
overwegingen heel veel aan beteekenis inboeten ten
opzichte van de voornaamste bedenking tegen de
Dow-theorie.

Dow en zijn leerlingen gingen ervan uit, dat er een
algeheele vrije beurs bestaat, waarop alle denkbare
omzetten mogelijk waren. Deze veronderstelling was
juist tot onder Roosevelt staatscontrôle op de beur-
zen in de Vereenigde Staten werd ingevoerd. Thans
is de beurshandel aan zeer groote beperkingen onder-
vorpen, ten deele door directe regeeringsvoorschrif-
ten, ten deele door beschikkiugen van de Securities
and Exchange Commission, enz. Hierdoor is ook in
Wallstreet het vrije spel der krachten geremd. Dit
blijkt zeer duidelijk uit de omzetten. Gedurende de
zwarte dagen in den herfst van 1929 werden op de
afzonderlijke dagen ruim 10 millioen aandeelen om-
gezet. Zelfs hij een inzinking van de koersen in den
zomer van 1933 werd een omzet van 9.6 millioen aan-
deelen verkregen. Daarentegen werd voor de huidige
periode van koersinzinking slechts op enkele dagen
een omzet van 2 tot
2.5
millioen aandeelen opge-
geven. Daarbij dient men te weten, dat er thans
1.397 milliard aandeelen op deNew-Yorksche effec-

tenbeurs worden genoteerd tegen 1.290 milliard in
1933 en slechts 1.006 milliard in 1929! Het behoeft
dus niet te verwonderen, dat de elasticiteit van de
New-Yorksche aandeelenmarkt aanzienlijk is vermin-
derd. De koersschommelingen zijn dientengevolge
thans veel heviger dan ten tijde van de opstelling en
verdere ontwikkeling der Dow-theonie. Hierbij komt
nog, dat thans, in het tijdvak van de groote inter-
nationale kapitaalbewegingen, op Wallstreet veel

meer dan vroeger door internationale verschijnselen,
hetzij feiten of verwachtingen, invloed wordt uitge-
oefend.

Om al deze redenen schijnt de afleiding bij voor-
baat van een trend der aandeelenkoersen uit de maxi-
ma en minima van koersschommelingen veel moei-
lijker dan de aanhangers van de Dow-theorie het doen
voorkomen.

Al is ook in overeenstemming met de Dow-theorie,
een ommekeer op de Amenikaansche beurzen waar-
neembaar, toch pleiten alle zuiver economische over-
wegingen tegen het leggen van een dergelijk causaal
verband. Uit de berichten en statistieken inzake het
economisch leven in Amerika blijken nog geen struc-
tureele dalingen van de bedrijvigheid daar te lande.
De bedrijvigheid in de ijzer- en staalindustrie, de om-
zetten in den kleinhandel, het electniciteitsverbruik,
de wagonladingen, dit alles beweegt zich op een zeer
hoog niveau, dat inderdaad boven het peil van het
vorige jaar ligt. Van een overproductie en overdre-
ven voorraden kan nergens sprake zijn. De eenige,
momenteel zichtbare, donkere zijde van het conjunc-
tuurbeeld van de Vereenigde Staten is het vraagstuk
van de prijzen en kosten. De spanningen in het
raderwerk van de prijzen en kosten van het Amen-
kaansche bedrijfsleven zijn stellig toegenomen, span-
ningen, welke de rentabiliteit van de afzonderlijke
ondernemingen in verschillende mate kunnen be-
invloeden. Het Amerikaansche bedrijfsleven moet
reeds zeer dicht bij het rentabiliteitsmaximum staan.
De kostenregressie door voortdurende vermeerdering
van de productie begint te verminderen, omdat de
economisch gunstigste capaciteit in vele gevallen
bijna bereikt is. Onder normale omstandigheden zou
hierdoor de lust tot nieuwe investeeringen worden
geprikkeld daar een moderniseering, resp. uitbrei-
ding van de bestaande fabrieken in staat zou kunnen
zijn de dalende tendens der winstmarges te nivel-
leeren.

Steekhoudende economische argumenten voor een
voortdurende baisseconstellatie worden tot dusver
niet opgemerkt. Men dient echter af te wachten, of
en welke storingen de huidige beursreactie in he
Amerikaansche conjunctuurverloop aanricht. De
regeening is waarschijnlijk in staat, door geëigende,
op de psyche der massa afgestemde, verklaringen en
handelingen de uit de huidige beurspositie voort-
spruitende schokken te paralyseeren. De koerswijzi-
ging in de officieele geldmanktpolitiek van het land
doet vermoeden, dat men dezen weg wil gaan. Ook
het geheele plan van de economische politiek van
Roosevelt doet niet verwachten, dat hij werkeloos zal
toezien bij een afbraak van het moeizaam opgerichte
conjunctuurgebouw, evenmin als hij een overjide
hausse heeft geduld. Juist de staatsinterventie uit de periode van Roosevelt zou het kader van elke
conjunctuur-theorie, welke 40, 20 of zelfs 10 jaren
geleden werd opgesteld, kunnen doen springen.
Derhalve moet men ook de prognoses op grond van
de Dow-theonie, hoe groot haar oogeublikkelijk succes
ook mag zijn, met groot sceptisme beschouwen, voor
zooven zich geen nieuwe, tot dusver onbekende feiten
zouden voordoen.

13 October 1937

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

753

VARKENSTELLINGEN EN VARKENSPRIJZEN.

De varkeushouderij beleeft thans gulden dagen. De prijsstijging, die in dit voorjaar is aangevangen, heeft
zich voortgezet en thans (in Aug.
1937)
is een prijs
voor vette varkens bereikt van
30
ct. p. p. levend
gewicht. Waar wij de laatste jaren gewend zijn aan
matige, zoo niet lage prijzen, trekt een dergelijke
noteering wel bijzonder de aandacht. Eveneens zijn
de biggenprijzen thans zeer hoog te noemen; notee-
ringen van
f
20 per stuk of zelfs nog hooger behoo-
refi niet tot de uitzonderingen. Ook de prijzen van
de lichtere varkens, bestemd voor de haconbereiding,
zijn zeer gestegen. Hierin echter is in de tweede helft
van
1936,
toen de prijzen der zware varkens nog zeer
matig waren, alreeds verbetering opgetreden. Een
vergelijking van de opbrengst van de geëxporteerde
hacon over Sept. t/m. Dec.
1936
met de overeenkom-
stige maanden in
1935,
toont zulks duidelijk aan:

Opbrengst bac’on per 100 kg
1936
1935
Sept.

……………

f
68.27
f
58.58
Oct.

……………

.,
8149
,, 62.77
Nov.

……………

..76.73
,, 56.06
Dee

7674
5429

Als oorzaak van het thans geldende hooge prijsni-
veau wordt een zekere schaarschte aan varkens ge-noemd. Hierover kunnen de z.g. inventarisaties ons
nader inlichten. Sedert de in werkingtreding der
Orisismaatregelen t.a.v. de varkenshouderij zijn regel-
matig tellingen van de varkeusstapel gehouden. Deze
tellingen, onderling vergeleken, kunnen ons belang-
rijke aanwijzingen geven of inderdaad van schaarschte
gesproken kan worden. Bovendien is het van belang
om na te gaan of deze schaarschte incidenteel is of
dat zij langeren tijd zal aanhouden; m.a.w. of het
door deze schaarschte veroorzaakte hoogere prijsni-
veau zich langeren tijd zal handhaven. In zooverre
zouden dus de tellingen dienstbaar aan een prijsprog-
nose gemaakt worden’).
Voor een vergelijking van de tellingen met de var-
kensprijzen zal het dus in de eerste plaats noodig
zijn, dat men tusschen beiden een zeker verband kan
constateeren.
Dit komt dus neer op een vergelijking van de
prijs- en teflingscurve. Wij nemen hiervoor
niet
de
totale
tellingen van het aantal varkens, daar dit tot
geen resultaat kan leiden. De varkensstapel toch is
opgebouwd uit dieren, die op zeer verschillende tijd-
stippen slachtrijp ter markt komen. Een big heeft
hijv. ongeveer een jaar noodig om als vet varken aan
de markt te komen, hij een varken van 100 kg kan
zulks al binnen enkele maanden het geval zijn. De
totale telling der varkens is dus opgebouwd uit ele-
menten, clie op zeer verschillende tijdstippen hun in-

‘) Terloops zij in dit verband opgemerkt, dat men bij
een ideale prognose zich een zekere wiskundige bewerking
van het statistisch materiaal denkt, waaruit tenslotte een
Prognoseforniule resulteert. De varkensprijzen en wat hier-
mede samenhangt zijn de klassieke voorbeelden dezer oeco-
nometrica geweest. klein denke hier aan de pogingen van
Hanau (Duitschland) en Haas en Ezekiel (V. S.).
Varkenstelliisgen deden hierbij als materiaal vrijwel geen
dienst; alleen Baiuiu gebruikt een jaarlijksehe zeugen-
telling en interpoleert vervolgens hieruit de maandge-
gevens.
Dc oorzaak van dit weinig of niet gebruik maken van
varkenstelli.ngen zal wel gelegen zijn in het fit, dat men niet over voldoende periodieke gegevens beschikte. Wij
zijn in dit opzicht in Nederland thans gelukkiger. 1)ank
zij de depressie, beschikken wij alreeds voor de jaren 1932
t/m. Febr. 1937 over een 15-ta.l tellingen. Door de betrek-
kelijk korte tussehcnruimto, welke deze tellin
g
en scheidt,
wordt een maandelijksehe interpolatie minder gevaarlijk.
Echter zijn de gegevens nog te gering in aantal om een
wiskundige prognoseformule op te stellen, waarmede men
met succes kan opereeren, zooals schrijver dezer helaas is
gebleken.
Toch wil het mij voorkomen, dat zoo eenig materiaal
voor pregnosdoeieinden geschikt is, de tellingen dit wel
hij uitstek zijn.

vloed op den prijs zullen laten gelden. Het zal dus
duidelijk zijn, dat bij gebruikmaking der totale tel-
lingen nimmer eenig verband tusschen prijzen en
tellingen zou zijn aan te toonen.

Elke varkens inventarisatie is echter in gewichts-
groepen verdeeld. Daar er uiteraard een verband be-staat tusschen het gewicht en de leeftijd der virkens,
is het dus mogelijk een keuze te doen uit deze groe-
pen en zoodoende een groep of een combinatie van
9nkele groepen te nemen, waarin varkens vereenigd
zijn, wier leeftijd niet te veel uiteenloopt, zoodat te-
vens verwacht kan worden, dat de tijdstippen, waar-
op de dieren dezer groepen ter markt komen, even-
min te veel uiteen zullen loopen, en dus van deze
groep als geheel een zekeren invloed op de prijzen
zal uitgaan.

Een voorbeeld hiervan is de groep varkens boven
150
kg. De varkens tot deze groep behoorende, zijn
direct of vrij spoedig voor de vette varkensmarkt be-
stemd. Tusschen de tellingen van deze groep en de
prijzen is dan ook een zeker verband te constateeren en wel in dier voege, dat gemiddeld de hooge tellin-
gen leiden tot lage prijzen en lage tellingen tot hooge
prijzen.

Past men op de tellingsreeksen en de hiermede
overeenkomende prjsreeksen de herekeningsmethode
der z.g. rechte correlatie toe, dan is de grootte van
de correlatjecoëfficjënt een maatstaf voor het onder-
linge verband der prijs- en tellingsreeksen
1)

Zoo is bij de groep varkens boven
150
kg bij een
phaseverschil van 2 maanden, de correlatie het
hoogst; hij de varkens boven
95
kg vindt men de
hoogste correlatie bij een phaseverschil van
3 â 5
maanden. De groep varkens boven 150 kg komt eerder
ter markt dan zulks met een groot gedeelte der repre-
sentanten van de groep varkens hoven
95
kg het ge-
val zal zijn. Dit verklaart dan ook, dat men bij de
laatste groep een grooter phaseverschil aantreft.
Ook is het mogelijk gebleken, bepaalde groepen te comhineeren; de groep varkens hoven
95
kg bijv. is
een gecombineerde groep.

Bij de vergelijking van tellingen en prijzen dient
het materiaal eerst eenige bewerking te ondergaan.
Dit is op de gebruikelijke wijze geschied door niet
de absolute cijfers tegenover elkaar te stellen, doch
deze op een vergelijkbare basis te zetten, nl. als af-
wijkingen van hun trend of gemiddelde, gedeeld door

‘) ])e correlatie kan positief of negatief zijn. Positieve
correlatie doet zich voor wanneer een gemiddelde stijging
vnu de eene reeks samengaat met de gemiddelde stijging
van de andere reeks.
]3ij een ideale positieve correlatie is •de imiaximumwaar-
de der correlmutiecoffioiënt + 1. Bij een negatieve correla-
tie gaat een gemiddelde stijging van de eene reeks gepaard
met een gemiddelde daling der andere reeks. Bij de ideale
negatieve eorrela.tie is de maximumvaarde van de corre-
lajtiecohffioiënt – 1. Wij zullen hier bij de vergelijking
van varkenstellingen en prijzen steeds met een negatieve
correlatie te maken hebben. Zoo bestaat tussohen de groep
varkens boven 150 kg en dc prijzen van vette varkens een
negatieve correlatie. In het grafisch beeld der tellings- en
prijslijn uit zich dit zoodaaig, dat iie groote trekken deze
lijnen tegengesteld verloopen. (Zie grafiek 1).
wanneer wij de tellingscijfers van een zekere groep ver-
gelijken met de prijsdjfers, zoo kan dit geschieden door
de prijs- en tellingscijfers van
dezelfde
maand onderling
te vergelijken. Di.t leidt echter niet steeds tot de hoogete
correlatie, die in het gegeven geval mogelijk is. Door bijv.
de tellingscijfers een of meer maanden ten opzichte van
de prijscijfers te verschuiven, kan soms een hoogere waar-
de van de correlatiecoëfficiëu,t verkregen worden. Verge-
lijkt men de cijfers
gelijktijdig,
dan spreekt men van een
phaseverschil van 0. Bij verschuiving van de tcllingscijfers bijv. over een periode van 2 maanden (dus ean vergelijking
van de Januari.mtelling met den Maart-prijs, van de Fe-
bruari-telling niet den April-prijs, enz.) spreekt men van
een phaseverschil van 2 maanden. Wanneer de hoogste
çorrelatie zich bijv. bij een phaseverschil van 2 maanden
voordoet, dan wil dit zeggen, dat de invloed van de telling
op den prijs zieh 2 maanden tevoren het sterkst doet
gevoelen.

PI)Jr,Mm,,s,_,rquJ

A
TSNDJ FMAMJ J ASONDJ F
11933

11934
Prijsznaauden
Tellings1naauden


Ji1.I,u,Ii(el

O

J

A

J

0

J

A

J

0

J
Ag N 1F

A Ag
N
1F A
A9 N

11935

11936

754

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 October 1937

hun standaarciafwijkingen
l)
Voor cle prijzen alsmede
de tellingsgroepen is bovendien nagegaan in hoeverre
seizoensschommeiingen bemerkhaar waren en zoo
1100-
clig zijn hiervoor correcties aangehricht.
Dat men bij de tellingen met seizoenschommelin-
gen rekening moet houden, moge ui.t het olgcnde
blijken:

Het aantal varkens hoven 95 kg is in het najaar
steeds grooter dan in het voorjaar.
Vele
dezer var-
kens toch worden
in het voorjaar
als mestvarkens
,,opgelegd” en zijn dan in het najaar (Octoher—No-
vember) slachtrijp. Zij doen zich derhalve in het
najaar in de groep varkens boven 95 kg sterk gelden.
Deze groep geeft dus in het najaar -naar verhouding
hoogere tellingen dan in het voorjaar. Voor de biggen
geldt het omgekeerde; de meeste biggen worden in
het ‘voorjaar geboren, waardoor Mei steeds de hoogste
biggentellingen geeft. Door correctie met het sei-
zoe.usindexcijfer wordt het bovendien mogelijk om
tellingen van vcrsch ii lénde j aargetijclen onderling te
vergelijken.

Waar bij verdere
bespreking
dan ook tellingscijfers
afzonderlijk worden genoemd, zijn deze steeds door
hun seizoensindexeijfer gecorrigeerd, tenzij anders is
vermeld. Daar met tusschenpoozen van enkele maan-
den wordt geïnventariseerd (de laatste jaren om de
drie maanden) moest in de maanden waarin niet is geteld, interpolatie plaats vinden. Dit brengt uiter-
aard eenige onzekerheid met zich mede, welke echter
niet is te vermijden. 1

GRAFIEK 1

.
Prijzen van vette varkens en van de
0
geïnventart4erde
varkens boven 150 kg.

/

Uit het verloop van de prijs- en tellingscurve van
grafiek, 1 blijkt alreeds, dat een verband aanwezig
is. Het verloop der curven is tegengesteld, hetgeen in het jaar 1934 wel zeer sterk tot uiting komt. Het
phaseverschil bedraagt 2 maanden: met een Januari-
telling correspondeert een Maartprijs, met een Fe-
bruaritelling een Aprilprjs, enz. De correlatie be-draagt bij dit phaseverschil – 0.701, wat vrij hoog
is te noemén.

Qm dit in de grafiek 1 te laten uitkomen zijn dus
de tellingen ten opzichte van de prijzen 2 maanden
verschoven. De prijsmaanden zijn aangeduid met de
letter P, de tellingsmaanden met de letter T. ‘De
bovenste jaaraanduiding (in cle vakken) heeft betrek-
king op de prijzen, de onderste jaaraanduiding op, de
tellingen.
‘Ook al zou men echter een phaseverschil van 0
nemen, dus de prijzen en de tellingen van eenzelfde
maand tegenover elkaar stellen
2),
dan is uit de
figuur nog wel af te leiden, dat ook bij dit phase-
verschil een duidelijke betrekking tusschen de twee
curven bestaat. Wij mogen hieruit dus concludeeren,
dat de varkens boven 150 kg invloed op den prijs
der vette varkens uitoefenen.

Deze methode alsmede de berekening van sel.zoens-
schommelingen vindt men o.a. uitvoerig beschreven door
Jhr. Ir. de Bosch Kemper in Ecou. en Sociale Krouiek,
3e kwartaal 1929.
Men deuke hierbij de tellingcurve in de grafiek
1
weer 2 maanden ,,tel uggeschoven”.

Al is deze invloed •niet altijd
even sterk, waarop de
onvolkomenheid der correlatie al reeds wijst, zon geldt
in het algemeen voor de jaren 1933 t/m. 1936, dat’ lage tellingen hooge of vrij hooge prijzen te weeg
brengen. Hoewel de tellingen van 1937 niet meer in
de berekening zijn opgenomen, mag mi. op grond
van hetgeen in de jaren 1933 t/m. 1936 is geconsta-
teerd, wei worden aangenomen, dat voor deze tellin-
gen eveneens een soortgelijk verband met de prijzen
bestaat.

De jongste telling varkens boven ‘150 kg waarover
wij beschikken, is van Februari 1937. In duizendtal-
len uitgedrukt bedroeg deze telling 42. Hoewel deze
telling ten opzichte van de gemiddelde telling over
1933-1936, clie 65 bedroeg, vrij laag is, is zij, geen
unicum. In Sept. 1935 bedroeg zij eveneens 42, in
Aug. 1935 zelfs 34. Gelijk ook thans het geval is,
lagen de prijzen van vette varkens in de tellings-.
maand en twee maanden daarna hoven 20 ct.
Oefenen dus de tellingen van varkens boven 150 kg invloed uit op het prijsniveau, zon kan men ook een invloed van den prijs op de telling waarnemen.
Een lage telling kan het gevolg zijn van een laag
prijsniveau: een hooge telling van een hoog prijs-
niveau. –

Bij hooge prijzen toch loont het om de varkens
zwaarder af te mesten: immers hoe meer ponden
varkensvleesch, hoe grooter winst. Bij lage prijzen,
wanneer met verlies gewerkt wordt, is het zaak ‘.1e
verliespost zoo klein mogelijk te maken en zoo moge-
iij1et varken beneden een gewicht van 150 kg af
te zetten. In 1935 was het prijsniveau gedurende de maanden
Mei, Juni en Juli laag te noemen, in Augustus stijgt
het, om in October zijn hoogste punt te bereiken,
waarna weer een lichte daling optreedt. Het aantal
varkens boven 150 kg neemt van Mei t/m. Augustus
1935 af, stijgt van September t/in. November en
neemt vervolgens weer af:

(1935) M. J. J. A. S. 0. N. D.
Prjien ‘p. p. levend gewicht ……….17.1 16.3 17.3 19.6 22.1 23.9 21 20.2
Tarkens boven 150 k.g
in duizendtallen .. 48 43 39 34 42 50 58 57

GRAFIEK II
Prijzen van ‘vette ‘varkens en van de geïnventariseerde
varkens boven 95 kg.

fl1

pliJ

A

1

0

1

A

1

0

1

A

J

0

1
T2IA9 N F
M.
Ag N F
M.
Ag
N
F
M.
Ag N
F
M. Ag
1933

934

1935

936
t)
Piijsmaaiideii
2) Tdlli
ngam’a.anden

De varkens boven 95 kg zijn bestemd om als mid-
delzware (120-150 kg), zware (150-180) en zeer
zware (boven 180 kg) afgemest te worden. Door deze
differentiatie is de invloed van deze groep reeds ge-
ruimen tijd te voren op de prijzen merkbaar. Zij is
als het ware het reservoir, waaruit steeds siachtrijpe
varkens voor de markt geput kunnen worden. In dit
verband is haar beteekenis voor den duur van een
prijshausse of -baisse ook van belang. Voor de jaren
1933 t/m. 1936 was de correlatie tusschen de prijzen
van vette varkens en
,
de varkens boven 95 kg als volgt:

Pha,severschil in maanden

Cor relatie
2 maanden

…………… – 0.62
3

…………..-0.71
4

.,

…………..-0.76 …………..-0.77

Het verband tusschen prijzen en tellingen is dus het

13 October 1937

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

755

hoogste (afgezien van cle kleine verschillen der cor-
relatiecoöfficienten) wanneer de tellingen worden ge-
nomen, die 3
á 5
maanden aan de prijzen voorafgaan.
In grafiek
2
is het verband tussehen prijzen en
varkens boven
95
k-g bij een phaseverschil van
5
maanden genomen. De prijsniaanden zijn hier weer
met P, de tellingsmaanden met T aangegeven.
Dus met een Augustustelling correspondeert de
prijs in Januari hieropvolgende; met een September-
telling den prijs in Februari hieropvoigende; met een
Novemberteiling dec prijs in April hieropvolgen-
de enz.

In Februari
1937
bedroeg het aantal varkens boven
95
kg in duizentallen afgerond
254.
T.o.v. het gemid-
delde tellingscijfer over
1933
tot en met
1936,
het-
welk
303
bedroeg, is dit dus vrij laag. Wij moeten dan ook tot
1935
teruggaan om derge-
lijke lage cijfers aan te treffen. Februari
1935
gaf
als tellingscijfer
251.
Toch gaf dit
cijfer
in de eerst
volgende
5
maanden geen aanleiding tot bijzondere
hooge prijzen. Vermoedelijk werd dit veroorzaakt,
doordat het aantal varkens boven
150
kg, hetwelk
meer direct de markt heheerscht, toen nog vrij hoog
was en dus de invloed van het betrekkelijk lage aan-
tal varkens boven
95
kg tegenging. De Mei-telling in
1935
der varkens boven
95
kg was nog lager. Even-
eens was toen het aantal varkens boven
150
kg be-
langrijk gedaald. In Augustus
1935
zien wij dan ook
een prijsstijging:
Van Aug. tot en met Oct.
1935
stijgt het prijs-niveau van
19,6
tot
23,9
ct. om
in Nov. en Dec.
1935
weer tot
21
resp.
20,2
ct. terug te zakken. Intussehen
is in Nov.
1935
het aantal varkens boven
150
kg als-
mede het aantal der groep boven
95
kg weer toege-
nomen.
Varkens boven 95kg. Varkens boven 150 kg.

Prijs
Febr. ’35 254 (laag)

61
(vrij hoog) Matig tot Augustus
Mei’35 229 (zeer laag) 48 (laad)

Flinke stijging
v.
Aug.—Oct.
Nov.
’35 251 (laag)

58 (vrijhoog) Daling na October
De sterke stijging van het prijsniveau in de eerst
volgende maanden na Febr.
1937
kan dan ook ver-
klaard worden:

-Doordat de geheele groep varkens boven
95
kg
in Febr.
1937
betrekkelijk laag was.

Doordat dit eveneens bij het aantal varkens
boven
150
kg het geval w’as.
Uit de Mei-telling
1937,
waarvan nog geen doorge-voerde specificatie der tellingsgroepen bekend is, zoo-.
dat wij bijv. over de varkens boven
150
kg nog niet
zijn ingelicht, blijkt ons, dat de groep varkens boven
95
kg is gedaald tot
206.
Een dergelijke lage telling
geeft de verwachting, dat het prijsniveau na Mei
1937
nog zal stijgen, althans dat dit zich vrij hoog
zal kunnen handhaven. Dit is tot en met Aug.
1937
inderdaad het geval gebleken, van Mei tot en met
Aug. steeg de prijs der vette varkens van
23,7
tot
30
ct. p. p. levend gewicht.
liet aantal zware varkens boven
150
kg zal vermoe-
delijk voor Mei
1937
eveneens een laag aantal geven.
De vraag is nu of er verdere teekenen zijn, die
OP
het aanhouden van gunstige prijzen wijzen. Hiertoe
zuilen wij nog de tellingsresultaten van enkele jon-
gere groepen van varkens moeten nagaan.
Aan de groep varkens boven
95
kg gaat de groep
varkens van
60-95
kg vooraf.

Varkens Van 60-95 kg.

Uit deze groep worden eenscleels de varkens boven
95
kg gerecruteerd, anderendeels gaan de tot deze
groep behoorende varkens bij een gewicht van onge-
veer
95
lcg als baconvarken ter slachtbank. De invloed
van deze groep op de prijzen der vette varkens wordt
daardoor onzekerder. Toch is er nog verband te con-
stateeren: bij een phaseverschil van
5-
maanden, dus
tellingen
5
maanden aan de prijzen voorafgaande,
bedroeg de correlatie over.- de jaren
1933
t/m.
1936
– 0.653.

De gemiddelde telling bedroeg over deze jaren in
duizendtallen
334.
De Meitelling van dit jaar is bui-
tengemeen laag, zooals uit het onderstaande blijkt:

varkens van 60-95 k.g
Ma! 1933 ……………
438
1934 ……………
431
1935 …………….
234
1936 …………. 282

223

De schaarschte in deze groep varkens, waaruit de
zwaardere varkens toch moeten voortkomen, is voor
het aanhouden van een
.
hoog prijsniveau een• gunstig
teeken. Tevens kunnen wij hieruit afleiden, waarom
het thans moeite kost het contingent bacon voor den
export naar Engeland ,,vol” te krijgen. De baconvar-
kens worden immers ook uit deze groep gerecruteerd, als hierboven is medegedeeld. Bovendien is de animo
tot levering van haconvarkens geringer, daar men
bij de thans geldende hooge prijzen voor vette var-
kens de varkens liever zwaarder afmest.

Biggen en fokzeugen.

Voor de thans geldende hooge biggenprjzen geeft
de telling van het aantal higgen beneden
6
weken in
Febr. en Mei van dit jaar de verklaring. In genoemde
maanden -bedroegen de inveutarisaties in duizendtal-len resp.
304
-en
285.
Het gemiddelde der tellingen
bedroeg
1933
t/in.
1936, 383.
De Mei- en Febr.-telling
van dit jaar wijken dus belangrijk hiervan af.
De Mei-telling
1937 is
de- laagste biggentelling
die ooit is voorgekomen. Met deze geringe higgen-
tellingen correspondeeren uiteraard lage tellingen
van fokzeugen. Het gemiddelde aantal fokzeugen ovbr
1933
t/m.
1936
bedroeg in duizendtallen
177.
In Febr.
en Mei
1937
waren de tellingen resp.
127
en
142.
Dit is voor deze maanden laag, zooals een vergelij-
king met overeenkomstige maanden laat zien:

Fokzeugen in du-izendtallen 193á 1934 1935 1936 1937
MeI …………230

154

149

171

142
Febr . ………. 231

189

138

150

127

Het geringe aantal fokzeugen in Febr.
jl.
zal eens-
deels veroorzaakt zijn, doordat de uitkomsten der var-
kenshouderj in
1936
zeer matig waren te noemen
In het najaar zullen toen minder zeugen gedekt zijn.
De Novembertelling
1936
wijst dit reeds uit:

1933 1934 1935 1936

Fokzeugen in Nov. in du-izendtallen 264

156

160

149

Bovendien werd de toewijzing biggenmerken voor
1937
weer verminderd, wat met zich medebracht, dat
er minder fokzeugen in dit voorjaar aangehouden
konden worden, aangezien er tusschen het toegewezen
aantal merken en fokzeugen verband bestaat.
Zoo is het bijv. mogelijk, dat een betrekkelijk ge-ringe vermindering der toegewezen merken, alreeds
een naar verhouding groote vermindering van het
aantal fokzeugen met zich mede kan brengen. Inge-
volge art.
28
der Crisisvarkensbeschikking
1937,
wordt het aantal aan iedere georganiseerde toegewe-
zen fokzeugen bepaald door deeling van het aantal
toegewezen merken door
14
of
12,
met afronding van een half op een. Nu is bijv. de grop georgeniseerden,
(lie een toewijzing van
21
merken in
1936
had, voor
1937
in het algemeen verminderd tot
19. 21
merken
geven bij deeling door
14
nog 2 zeugen;
19
merken
geven bij deelirig door
14
slechts 1 zeug. Er zijn geen cijfers gepubliceerd hoeveel personen, die in
1936
21
merken hadden, in
1937 19
merken hebben ontvan-
gen, zoodat dus de totale beperking van het aantal
zeugen van
1936 op 1937
niet is na te gaan. Het ver-
moeden is gewettigd, dat dit vrij groot moet zijn. Het geringe aantal fokzeugen en het hiermede ge-
paard gaande geringe aantal biggen wijst er dus op,
dat een zekere schaarschte in de groepen jonge var-
kens voorloopig zal aanhouden. Voor het aanhouden
van een vrij hoog prijsniveau is dit naast de door
ons geèonstateerde schaarschte in de oudere groepen
varkens een gunstig voorteeken.

Ir. S. H. un
JONG
Ii.

i) Men -vergelijke hiervoor mijn artikel -in E.-S.B. van
23 Juni 1937. In grafiek
1
van dit artikel is -de rentahili-
teitsma.r-ge over 1933 t/nl. 1936 uitgezet. Hieruit blijkt,
dat het jaar 1936 zeer matige uitkomsten geeft.

756

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 October 1937

AANTEEKENINGEN.

Beteekenis van prognose over het petroleum-
verbruik in de Vereenigde Staten.

Over de waarde van prognoses in het economisch
leven wordt verschillend geoordeeld. Dat aan een
prognose ontzaglijke moeilijkheden verbonden
zijn,

zal niemand ontkennen. In vele gevallen is het echter
noodzakelijk om een schatting te maken. Men denke
slechts aan de internationale kartelovereenkomsten
van grondstoffen, die periodiek het productiequotum vaststellen en daarvoor als richtsnoer het toekomstig
verbruik moeten kennen en dus met alle factoren,
zoowel van algemeenen als van bijzonderen aard reke-
ning moeten houden. Welke groote vergissingen
daarbij gemaakt kunnen worden, leert een voorbeeld
uit de petroleumindustrie, waarop in ,,Internationale
Petroleum-Korrespondenz” wordt gewezen.
Indien men een klassiek voorbeeld wil zien voor
de ontoereikendheid, welke elke raming van het toe-
komstig petroleumverbruik uiteraard moet hebben,
aldus genoemd blad, dan behoeft men slechts de
huidige cijfers van de Amerikaansche behoefte met
de ramingen te vergelijken, welke het American Pe-
troleuin Institute in zijn in. 1935 gepubliceerd rap-
port over de Amerikaansche petroleumindustrie heeft
gegeven. In het tweede hoofdstuk van dit boek, dat
gewijd is aan de waarschijnlijke toekomstige behoefte
aan ruwe olie en motorolie in de Vereenigde Staten,
wordt de toekomstige behoefte voor perioden van
5 jaren tot 1960 vooruitgeraamd op basis van zeer
omvangrijk statistisch materiaal en met gebruikma-
king van de meest betrouwbare methoden. Deze be-
rekeningen werden midden 1935 afgesloten, dateeren
dus van nauwelijks twee jaren geleden en reeds mi
blijkt, dat zelfs de meest eminente deskundigen, die
aan het onderzoek hebben deelgenomen, de toeneming
van het verbruik in Amerika in sterke mate hebben

onderschat.

De ramingen van het verbruik voor de binnen-
landsche behoefte aan benzine in Amerika waren ge-baseerd op zeer zorgvuldige cijferreeksen omtrent de
toeneming van personen- en vrachtauto’s, evenals op
het gemiddelde benzineverbruik. Het aantal geregis-
treerde automobielen zou volgens deze berekening
van 1935 tot 1940, resp. 1945 stijgen van 26 mill. tot

29.2
miii., resp. 31.5 mill. In Amerika waren er ech-
ter in 1936 reeds 28.3 mill. automobielen, terwijl dit
cijfer aan het einde van dit jaar op basis van de
huidige automohielverkoopen meer dan 30 mill. zal
bedragen. liet aantal automobielen in Amerika zal
dus reeds einde 1937 het punt zijn genaderd, dat men
twee jaren geleden pas tusschen 1940 en 1945 voor
mogelijk hield.
Hiermede was dus reeds de basis voor de bereke-
ning van het benzineverbruik wankel geworden en hetzelfde geschiedde voor het verbruik van andere aardolieproducten. De onverwacht snelle en sterke
opleving van het Amerikaansche
bedrijfsleven
heeft
tot een veel snellere en veel sterkere verhooging van
het verbruik geleid dan de mannen van de practijk
nog kort geleden meenden te mogen verwachten. Dit blijkt zeer duidelijk uit de vergelijking van de ramin-
gen van het A.P.I. met de feitelijke ontwikkeling:

Binnenlau.dsohe behoefte in de Ver. Staten (in miii. vaten).
Raming A.P.I.

Werkelijk verbruik
1935

1940

1935 1936

1937
1
)

Motorolie ……..
394.5

519

397

440

ca.
490
Oas- en stookojie .
347.5

390

367

409

,,

450
Smeeroliën

19.5

24.0

19.7

22.7 ,;

25.0
Ruwe olie voor de rai-
finageverwerking
901.5 1.081

898 1.000

,, 1.140
Ruwe olie als zoo-
danig verbruikt

18

18

34

39

,,

45
Ruwe olie, totaal
919.5 1.099

932 1.039 ca. 1.185
1)
Geraamd.

Zooals uit deze vergelijking blijkt, zal de totale
behoefte aan ruwe olie in Amerika in 1937 reeds

aanzienlijk grooter zijn, dan men deze voor 1940
heeft geraamd.
,,Indien men met alle factoren rekening houdt”,
zoo luidt de conclusie, welke het Petroleum Instituut
uit zijn berekeningen trekt, ,,mag worden aangeno-
men, dat het hoogtepunt van de behoefte aan ruwe
olie in 1950 met 1.108.900.000 vaten zal zijn bereikt;
daarna zal zij dalen….

. Dit hoogtepunt zal echter
reeds in 1937 worden overschreden, terwijl alle tee-
kenen voorioopig wijzen op een verdere stijging van
de Amerikaansche behoefte aan aardolieproducten.
Voor het topjaar 1950 berekende men de gemiddelde
dagproductie aan ruwe olie alleen voor de dekking
van de binnenlandsche behoefte benoodigd op
3.041.000 vaten; in 1937 heeft men hiervoor echter
reeds meer dan 3.250.000 vaten noodig. De ,,über-
haupt” – en pas over 15 jaren – verwachte maxi-
mum-behoefte zal dus reeds na twee jaren met ca.
7 pOt. worden overvleugeld!
De genoemde ramingen betreffen de ,,trend” van
het verbruik voor vijfjarige perioden en schakelen

daarom de conjunctureele schommelingen uit. Hoe
hoog men echter den conjunctureelen factor binnen
de jongste verhruiksvermeerdering van aardoliepro-
ducten in de Vereenigde Staten wil taxeeren, het
lijdt geen twijfel, dat de ontwikkeling ook structu-
reel de trendmatige ramingen van het Petroleum
Instituut verre overtrof. Want zelfs op het diepte-
punt van de crisis van de voorafgegane depressiejaren
heeft het Amerikaansche binnenlandsche verbruik
geen noemenswaardigen absoluten achteruitgang on-
dergaan, doch tot 1932 slechts een stagnatie van de
verbruikstoeneming, om van dat tijdstip af weder

geregeld te stijgen.
Daarmede wil niet gezegd zijn ,dat de schattingen
van het A.P.I. waardeloos zijn. Integendeel, het cijfer-
materiaal is zeer bruikbaar, maar de
stijging
van het
Amerikaansche olieverbruik is zoo groot en voltrekt
zich met zooveel kracht, dat men aan een natuurer-
schijnsel zou kunnen gelooven. Prognoses van het
verbruik blijven echter noodzakelijk, omdat de petro-
leumindustrie, als weinig andere industrieën, een
kompas noodig heeft om zich te oriënteeren.

De ontwikkeling der wereldproductie van mme-ralen en metalen.

In Annexe 1 van het rapport van de Volkenbonds-
commissie voor het hestudeeren van het grond-
stoffenvraagstuk
1),
is sprake van de ontwikkeling
der wereldproductie van grondstoffen, waarbij zich
ten aanzien van de mineralen eenige interessante
feiten voordoen.
Voor de ontwikkeling der grondstoffenproductie in het algemeen geeft de schrijver, Prof. Ivar Hög-
bom uit Stockholm, een aantal perioden aan, welke men in het diagram met Romeinsche cijfers aange-
geven vindt. Deze zijn als volgt:
periode voor den oorlog met normale vooruit-gang (waaraan in hoofdzaak een ontwikkeling ont-
leend wordt, welke de schrijver als normaal karakte-
riseert);
periode van verwarring tijdens en na den oor-
log (1914-1922), waarin de normale ontwikkeling
onderbroken wordt;
periode van vooruitgang na den oorlog; periode van verstoringen gedurende de wereld-
crisis (en herstel) van 1930-1936. Een nieuwe stij-ging boven het niveau van 1936 zou men niet meer
als herstel kunnen beschouwen.
In de eerste periode zien wij een constante stijging
over de geheele linie, nauwelijks gestoord door tijd-
perken van welvaart of inzinking. De gebeurtenissen
na 1914 vormen een onderbreking van den vroegeren
vooruitgang of leiden tot een achteruitgaande be-

weging.

– 1)
Rapport de la Conimission pour l’étude du problème
des matières prem.ières (Genève
1937).

13 October 1937

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

757

Wereldproductie van 1e voornaamste mineralen en metalen,
1860-1937.
(Logarirthmisciie schaal).

Milhoenen tonnen

fi

fiT

1V

mam

mmm
-.-
——-

iiiIuiii•ii

IIIIIIlUlII!iI
———–—-

FIII-iuIlu..
!iflhII

•IuAmpillÈuINl

.Iw1IpIIMRp-4I

iT4IPlU

aim

UIlIIIr!IUUluI

uiiiiiuii•uiii

860

1870

188Q

1800

1900

1910

1920

1930

190

Voor den oorlog’ bestond er een vrijwel ononder-
broken rhythme van toeneming der productie van
minerale grondstoffen, al was de maat voor de
diverse categorieën verschillend.
Zoo steeg de wereldproductie van kolen met een
gemiddelde van 4.2 pCt. per jaar van 1870-1910.
Voor koper was dit gemiddelde van 1880-1913 5.9
pOt. en voor olie 8.4 pOt. Deze cijfers houden in een
verdubbeling van de productie in resp. ongeveer 17,
12 en 83″ jaar.

Hieruit blijkt tevens de snelle toeneming in be-
langrijkheid van olie t.o.v. kolen. Een verschuiving,
welke weer gevolgen heeft op het gebied van den in-
ternationalen handel. Van de koleuproductie nam
namelijk slechts 12 pOt. aan den wereldhandel deel (de rest voor binnenlan’dsch gebruik), terwijl bij de
olie dit percentage 45 is. Kolen waren tot nog toe als standplaatsfactor voor de industrie van groote
beteekenis, hetgeen bij olie veel minder het geval is.
Na den oorlog gaven de jaren 1923-1929 weder-om een overeenkomstig rhythme van toeneming te
zien als v66r 1914 (uitgezonderd bij de kolen, welke
naar verhouding veel van hun belangrijkheid als in-
dustrieele grondstof verloren hebben).
Het blijkt, dat het stabiele rhythme van toene-
oning, waarvan hierboven sprake is, slechts dân be-
gint, wanneer de productie van de betrokken grond-
stof een bepaald volume bereikt heeft (iets wat bij
kolen in de GOer jaren reeds het geval was; bij olie
pl.m. 1880; bij phosphaten 1885 en bij aluminium is
dit thans twijfelachtig).
De hier geschetste reusachtige productie-toene. ming kan zich slechts d.n voortzetten, wanneer de
bronnen en afzetmarkten zulks mogelijk maken. Op
korten termijn is echter een uitputting, resp. verza-
diging niet te verwachten, wanneer men de geogra-
fische expansie en de intensiveering van productie
en consumptie in aanmerking neemt.
Bij dit alles dient men de productie en consumptie
over de geheele wereld te beschouwen, waarbij blijkt,
dat een kleine teruggang beneden het normale rhyth-
me in de ,,oude” landen, gecompenseerd wordt door
.een snelle ontwikkeling in de ,,nieuwe” landen.
Tenslotte valt hierbij nog op te merken, dat de

groote verschuivingen in de consumptie aan het
einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw in
hun geheel het regelmatig verloop der ontwikkelings-
curven niet aangetast hebben. Zoo wordt de olie,
welke voorheen als lampolie dienst deed, thans vni.
voor voeding van explosie-motoren gebruikt. Iets
dergelijks zien wij o.a. ook bij gietijzer en koper.

Opbouw en aanvulling van de Oostenrijksche
arbeidsmarkt.

Het, ondanks eenige verbetering in de laatste
jaren, ook in Oostenrijk nog steeds klemmende pro-
bleem der werkloosheid en de kansen van een toekom-
stige oplossing daarvan, zijn aanleiding geweest tot
een analyse der arbeidsmarkt en haar ontwikkeling.
Aan het uitgebreide materiaal door Prof. R. von
Strigl in dit verband samengebracht
1),
ontieenen wij
het volgende:
Men kan de arbeidsmarkt in twee categorieën in-
deelen, en wel in die der arbeiders en die der ,,Ange-
steilten” (bedienden in handel en bedrijf). De eerste
categorie valt dan weer uiteen in landarbeiders en
industrieele arbeiders, terwijl tenslotte nog een mdce-
ling naar geslacht mogelijk is.

Om een statistisch overzicht van den stand van
tewerkstelling en werkloosheid en hun ontwikkeling
te verkrijgen, kan men van verschillende bronnen ge-
bruik maken. In de eerste plaats geeft de voikstelling
van Maart 1934 belangrijk cijfermateriaal. Dan zijn
er de gegevens van de arbeidsbeurzen, de sociale-
verzekeringsmaatschappijen (ongevallen-, ziekte- en
werkloosheidsverzekering) en de ,,Kammer fiir Ar-
beiter und Angstelite in Wien”.
Toch doen zich, ondanks dit groote aantal bron-
nen, bij het vormen van een juist beeld vele moeilijk-
heden voor. De volkstelling geeft in het algemeen
een iets te hoog werkloosheidscijfer, terwijl dat der vrouwelijke werkloosheid aan den lagen kant blijft.
De cijfers van de arbeidsbeurzen zijn om verschillen-
de redenen te laag; die der overige genoemde instel-
lingen zijn uit den aard der zaak veelal onvolledig.
De
ontwikkeling
der tewerkstelling kan men even-
wel vrij goed aflezen; deze is sinds 1933, en vooral
sinds 1935 een stijgende. (Ofschoon deze stijging
slechts gering is in verhouding tot de groote clalin-
gen sinds 1929).

Daar de buitenlandsche handel per hoofd der be-
volking in Oostenrijk vrij groot is, zijn de afzetmoge-
lijkheden van grooten invloed op den opbouw der
binnenlandsche productie. Daarnaast hebben verande-
ringen in de productietechniek ook verschuivingen
in de arbeidsbehoefte tengevolge.
Het is daarom dan ook niet noodzakelijk (en thans
ook niet in overeenstemming met de werkelijkheid),
dat de vrbegere achteruitgang in de verschillende
productiegroepen zich weer gelijkmatig herstelt.
Tenslotte kan een vooruitgang in bepaalde takken
ook nog het gevolg zijn van bepaalde economisch-politieke bevorderingsmaatregelen, waarover thans
echter nog moeilijk iets met zekerheid te zeggen valt.
Op de landbouw-arbeidsmarkt zet de voortdurende daling der tewerkstelling, welke slechts in de periode na den oorlog tijdelijk onderbroken werd, zich voort. In de cijfers der arbeidsbeurzen komt deze werkloos-
heid niet goed tot uitdrukking. Dit houdt om. ver-
band met het in deze categorie vaak ontbrekende
subjectieve bewustzijn van werkloosheid. Overigens
bestaat er een vrij scherpe scheiding tusschen de
beide markten, welke vooral toe te schrijven is aan
den bestaanden
indruk
vah een sterk verschil in loon-
niveau. Het. hoogere geldloon op de industrieele ar-beidsrnarkt oefént een groote aantrekkingskracht uit
op de (vooral jongere) landbouwarheiders. Zoo ont-
staat er een voortdurende stroom, welke tevens de

1)
Beilagen 5 en
7
van de ,,Monatsberich•ten des Oster-
reichischen Institutes fiir Konjun.kturforschung”
1936-
1937.

2000

1000
800
600
400

200

loo
80
60
40

0I
008
005
0Q’

502

aol

758

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 October 1937
werkloosheid op de landbouwarbeidsnuirkt eenigszins
verlicht (waardoor dan weer tegeutendenzen in het
leven geroepen srorden)

Op de industrieele arbeidsmarkt brengt het bestaan
van het subjectieve bewustzijn van werkloosheid mee,
dat een scherpe begrenzing van het begrip ,,werk-
loos” zeer moeilijk is. Vooral in de stad zullen velen,
welke af en toe gelegenheidswerk verrichten, ofwel buiten hun eigenlijk beroep werkzaam zijn, zich als
werkloos beschouwen (en zich derhalve bij een arbeids-
beurs doen inschrijven). Daartegenover zullen mee-
helpende familieleden (die een groote reserve van de
arbeidsmarkt vormen), zich slechts hij een volks-
telling als werkloos opgeven.

De technische moeilijkheden hij het onderzoek van
dit vraagstuk zijn dus groot.

liet aantal w’erkloozen in Oostenrijk nu, zou eind
Juli 1937 ongeveer 240.000 bedragen hebben’).

De
leeftijden-opbouw
op de arbeidsmarkt.

Om de bevolking op peil te houden of te doen
groeien, dient, de bevolkingspyrarnide breed onderaan
te zijn (immers door sterfte tijdens het opgroeien val-
len velen af). Voor het op peil houden van den ar-
beidersstand is een verbreeding der lagen van tewerk-
gestelden in de jongere leeftijdsklassen, evenzeer nood-
zakelijk; dit geldt nog sterker voor gekwalificeerde
arbeiders, waarbij het aantal oorzaken van afval on-
derweg grooter is dan bij de bevolking als geheel.

Nu staat het er met de bevolkingspyramide in
Oostenrijk, en vooral in Weenen, tengevolge van het

zeer lage geboortecijfer, slecht voor. De lagen van
20-40 jaar zijn het sterkst bezet.

Voor het samenstellen van een pyramide der ge-
kwalificeerde arbeiders is men aangewezen op de
getallen der leerlingen en op den leeftijden-opbouw
bij de ziekte-verzekering der arbeiders.

Bij onderzoek blijkt dan, dat de arbeidersstaucl
over het algemeen ,,überaltet”, en de ,,Nachwuchs”
onvoldoende is. De uitval aan gekwalificeerde arbei-ders zal later niet uit de thans werkloozen aangevuld
kunnen worden (want ook daar bestaat een ,,Uher-
alterung” van de gekwalificeerden), en de jeugd zal
daartoe evenmin geschikt zijn. Bij de werkloozen is
de groep van 20-29 jaar het sterkst bezet.

De veranderingen in den leeftijden-opbouw der
tewerkgestelden zijn Vrij gout. Vouzal de dalug van
het aantal in da jongere groeper. en meer speciaal bi,;
de mannelijke arbeiders (technische en economische
factoren zijn voor dit laatste aansprakelijk). De redenen voor deze veranderingen kunnen veler

lei zijn. Niet alleen de op sociale motieven berustende
personeelpolitiek der bedrijven, maar ook en vooral,
de behoefte der kwaliteitsproductie aan gekwalif i-ceerde arbeiders, zijn hier van invloed. Deze arbei-
ders groeien ni. slechts in het bedrijf zelf, en de moei-
lijkheden na den oorlog (nood, arbeidsonrust, infla-
tie en werkloosheid), hebben dit proces in hooge mate
belemmerd. Daardoor kan men de beste arbeiders
vaak slechts in de hoogste leeftijdsgroep vinden. Ter-
wijl een tendens tot ,,vergreisung” in de bevolkings-
beweging te bespeuren valt, is deze reeds in den leef-
tijden-opbouw der tewerkgestelden aanwezig.

Bij de ,,Angestellten” krijgt men hetzelfde beeld als bij de arbeiders.

Van de jeugd-werkloosheid, welke van dit alles het
gevolg is, geven de volgende
cijfers
een beeld: Van de Oostenrijksche kinderen boven 14 jaar was
ongeveer 50 pat. in 1935 werkloos; 20 pOt. werkte
als hulparheider, 20 pCt. bezette een plaats als leer-
ling en de rest verrichtte huishoudelijke bezigheden
of bleef op de schoolbanken zitten.
Deze stand van zaken doet vanzelf de vraag ontstaan
naar de toekomst der Oostenrijksche arbeidsmarkt.

Zie
ook Dr. Oberaseher in ,,Wir’tsohaf’tsdiens’t” No.
35
van
27 Aug. 1937.

De aanvulling van de Oostenrijksche arbeidsmarkt.
Kwantitatief bezien dient allereerst het dalende
geboortecijfer genoemd te worden. Het geboortecijfer
is opvallend laag in de werkloozengezinnen in Wee-
nen, waar het kinderaantal slechts 0.97 per gezin is.
Het aantal jeugdigen tot 15 jaar is dan ook sterk
achteruit gegaan (in 1910 1.985.000 tegen in 1934
1.599.000) vooral in Weenen (501.000 tegen 274.000).
Toch is dit niet de eenige en bedenkelijkste oorzaak,
waardoor de aanvulling van de arbeidsmarkt in het
gedrang zou kunnen komen. Wanneer ul. de kwalita-
tieve kant van de zaak bekeken wordt, blijkt, dat het
aantal gegadigden voor een plaats als leerling nog
zeer groot is; veel grooter dan het aantal beschik-
bare plaatsen (een omstandigheid, welke voorloopig
nog wel zal blijven bestaan). De aanvulling van de
gekwalificeerde arbeidskrachten in de toekomst is
vooral afhankelijk van de beroepsscholing. De stand
van zaken in dit opzicht is echter een zeer bedenke-
lijke. Van 1922-1937 liep het aantal leerlingen van
scholen. voor voortgezette vakontwikkeling in Weenen
terug van 39.196 tot 18.582. Ook de tewerkstelling der jeugdigen (onontbeerlijk voor verdere vakbekwaming)
w’as in 1935 t.o.v. 1928 met meer dan 100.000 terug-
geloopen.
Voor de 73.438 jeugdigen die gedurende 1931-
1935 de school verlieten, waren slechts 40.100 plaat-
sen als leerling beschikbaar (43.6 pOt. bleef dus van
verdere vakscholing verstoken)
1).

Over de kwaliteit van de aanvulling in de naaste
toekomst is het moeilijk nauwkeurige cijfers te geven.
Werkloosheid doet op den duur goede scholing ver-
geten; arbeid kan zelfs minder goede scholing ver-
helpen. De gekwalificeerde arbeider ontstaat pas âi-
arbeidende.
Omtrent de graden van kwalificatie der tegen-
woordige werklooze arbeiders kan men evenwel eenigs-
zins een conclusie trekken uit den duur der tewerk-
stelling in de laatste jaren (ofschoon zuivere cijfers
moeilijk te krijgen zijn).
Bij de metaalbewerkers vinden wij’ den maximum
tewerkstellingsduur in de afgeloopen 10 jaar in de
hoogere leeftijdsklassen. Het percentage hunner, dat
langer dan 5 jaar in de genoemde periode gewerkt
heeft, bedroeg 18.47. Voor eenige andere beroepen
was dit: houthewerkers 23.05, leerbewerkers 25.36,
banketbakkers 27.78 en kappers 20.71.
Bij de ,,Angestellten” vinden wij een overeeukom-
stigen leeftijdenopbouw. De werkloozen van deze cate-
gorie staan slechts voor de helft hij de arbeidsbeur-
zen ingeschreven; vooral de jeugdigen zijn hierbij
weinig ingeschreven. De tewerkstellings-perioden zijn
hier iets langer, hetgeen echter nog niet op een
grootere tewerkstellingsmogelijkheid behoeft te wijzen.
De tewerkstelling van arbeiders is meer crisis-
gevoelig (groote afhankelijkheid van de conjunc-
tuur) ; de ,,Angestellten” worden evenwel meer ge-
troffen door een structureele werkloosheid. Een op-
leving heeft dus sneller invloed bij de arbeiders.
De ,,Angestellten” kan men splitsen naar voorop-leiding; daarbij blijkt, dat de beroepsvooruitzichten
over het algemeen slechter worden naarmate de voor-opleiding hooger geweest .is, (vooral bij technische in
vergelijking met commercieele beroepen). De acade-
mici zijn er het slechtst aan toe. Volgens berekenin-
gen van Prof. Wilhelm Winkler zijn er in Oostenrijk
per jaar ongeveer 1500 academici noodig, waartegen-over het aantal afstudeerenden 3000 á 3500 bedraagt.
Al is wellicht de eerste jaren nog geen gebrek
aan gekwalificeerde arbeiders te voorzien, een toerie-
ming van den omvang van het economisch leven kan
zulks toch actueel doen worden.
De groote gevaren, welke vooral een permanente
jeugdwerkloosheid met zich brengt, zullen steeds een
aansporing zijn tot pogingen dezen omvang zoo veel
doenlijk te vergrooten.

‘) Dr. Hans Krans. Le’hrlings-, Jugend- und Beruts-
fiLrsor.ge”, Heft
8 1936.

13 October 1937

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

759

Raming van de Europeesche bietsuikerproductie

in 1937/38.
In de afgeloopen week publiceerde F. 0. Licht zijn eerste raming van de Europeesche bietsuikerproduc-
Lie als volgt:

193736

1936137

1935136
Ramiug
Opbrengst Opbrengst
in tons
in tons
in tons

Duitsclrland …………..
2.150.000
1.825.996
1.692.369
Tsjecho-Slowakije

……..
750.000
717.247 564.798
Oostenrijk

…………..
150.000
146.473
205.870
ILongarije …………….
120.000
143.783
116.960
Frankrijk …………….
930.000
881.161
925.211.
België

………………
245.000
243.101 240.947
Nederland.

…………..
220.000
247.309
239.224
Denemarken

…………
240.000
220.000
244.800
Zweden………………
310.000
299.196
294.501.
l’olen

………………
560.000
464.217 449.461
Italië………………..
350.000
338.007
327.618 Spanje

………………
205.000 226.000
200.094
I)antzig

…………….
10.000
7.500

Joego-$lavië

…………
50.000
100.746
89.816
Roemenië …………….
90.000
71.841
134.573 Bulgarije

…………….
28.000
11.969 18.428
Zwitserland …………..
12.000 9.200
8.200
Engeland …………….
450.000 580.100
522.691
Ierland ………………
90.000 99.396
92.007
Finland ………………
10.000
10.900
8.655
Letland………………
47.000 42.434 50.300
Lithauen

…………….
30.000
30.439 24.465
Turkije ………………
64.000
73.512
59.808

Europa zonder Rusland….
7.111.000
6.790.527
6.510.796
Rusland

…………….
2.100.000
2.000.000
2.600.000

Europa
mei.
Rusland ……
9.211.000 8.790.527 9.110.796

De grootere oogst, die voor Duitschiand in uitzicht
gesteld wordt, is van geen heteekenis voor de wereld-markt, aangezien Duitschianci van zijn export-quotum
van 120.000 tons, dat volgens de internationale over-
eenkomst aan dit land werd toegestaan, van 70.000
tons vrijwillig afstand gedaan werd, terwijl het twij-
felachtig is of van een uitvoer der resteerende 50.000 tons, in verband met de toegenomen hinnenlancische
consumptie, gebruik zal worden gemaakt.

De zichtbare suikervoorraden in de wereld.

De zichtbare voorraden per
1
Sept. zijn volgens C. Czarnikow:

In tons
1937 1936
1935

Duitschland …………..
321.000
364.000
371.000
Tsjecho-Slowakije

……..
75.000
101.000
103.000
Frankrijk …………….
189.000
323.000 392.000
Nederland… …. ………..
89.000
135.000
157.000
België

………………
52.000
63.000
66.000
Hongarije …………….
35.000 27.000 28.000
Polen

………………
77.000 87.000
103.000
U.K.
Geïmp. suiker

……
191.000 155.000
213.000
Binnen!.

,…….
68.000
14.000
31.000

Europa……..
1.097.000 1.269.000 1.464.000
V.S.
Alle havens

……..
160.000
401.000
647.000
Cubaansche havens

……
353.000
270.000 374.000
Cuba binnenland……….
907.000
766.000 763.000
Java ………………..
648.000 904.000 1.577.000

Totaal……
3.165.000 3.610.000 4.825.000

INGEZONDEN STUKKEN.

EEN NEDERLANDSCHE EXPORT, DIE VOOR GOED
VERLOREN DREIGT TE GAAN.

De Nederlandsche Kamer van Koophandel voor
Duitschiand te ‘s-Gravenhage schrijft ons:
Toen in Mei 1936 door Runderlass 75/36 D. St./
25/36 Je.St. het gebruik van de ,,ntonatliche Jfrei-
grenze” voor betaling van goederenleveranties verbo-
den werd, heteekende dit een zeer ernstige slag voor
een reeks van Nederlandsche, op export aangewezen,
branches. De heteekenis van de ,,Freigrenze” was wel-
iswaar door de geleidelijke vermindering op R.M. 200
en daarna op R.M. 50 en verder op R.M. 10 gerin-
ger geworden, maar toch was het bedrag van R.M. 10
dikwijls nog voldoende, om in de dringende behoeften
te voorzien. Er waren tal van Nederlandsche bedrij-
ven, welke gewend waren aan tallooze kleine Duitsche
afnemers te leveren, terwijl zij hun betalingen eerst
gemakkelijk binnen de ,,Freigrenze”, later nog bij wijze van afbetaling door middel van de beperkte
,,Freigrenze” konden ontvangen. Dit verschijnsel had
een vrij belangrijken omvang hij den export van
zaden, pootgoederen, bloembollen, sierteeltproducten,
snijbloemen, hoterzuren, boter- en kaaskieursel, che-
micaliën voor den landbouw, kaasinerken en in
sommige gevallen ook voor groenten en zuivel-
producten, enz. De hoeveelheden, die door mid-
del van deze leveringen aan kleine lieden ver-
dec geëxporteerd, mag men niet onderschatten.
Er waren firma’s, die honderden van dergelijke af-
nemers in Duitschland hadden en die met hun oude
cliëntèle op deze manier op de meest prettige wijze
zaken deden. Aan deze belangrijke Nederlandsche
export is door Runderlass 75/36 D.St. volkomen een
einde gemaakt. Voor de betreffende exporthoeveel-
heden zijn hetaliugscoritingenten meestal niet te ver-
krijgen, en als zij nog te verkrijgen zijn, clan zijn
de Duitsche afnemers (kleine tuinders, heel kleine
kooplieden, boeren, enz.) niet in staat en ook niet
geneigd hiervoor een deviezenvergunning aan te vra gen. Voortzetting van een deel van deze levenranties geschiedt veelal nog, doordat betaling op Sperrkonto
plaats vindt, hoewel aanvrage tot vergunning daar-toe in talrijke gevallen moeilijkheden oplevert; ook
wordt nog veel op crediet geleverd in de hoop, dat
eens betaling zal kunnen volgen. Duidelijk is, dat
deze twee mogelijkheden van voortzetting van dit
handeisverkeer minder gewenscht zijn. Overigens zijn
de relaties met deze trouwe en meestal zeer fatsoen-
lijke afnemers van Nederlandsche producten, welke
relaties een belangrijk deel i,ran de Nederlandsche
goodwill bij den handel op Duitschiand uitmaakten,
in den tijd der vermindering der ,,Freigrenze” reeds
verslapt en na Mei 193 volledig afgebroken. Door
het verloren gaan dezer relaties dreigt een regel-
matige en meestal prettige export geheel teloor te

gaan.
Nu een nieuwe Olearing-overeenkomst moet wor-
den afgesloten, meent de Kamer in het belang van
den voor den Nederlandschen export zon belangrijke
verkoop aan kleine lieden in Duitschland de aandacht

AANVOER VAN GRANEN. (In tons van 1000 kg.)

Rotterdam
Amsterdam

Totaal

Artikelen
3-9 October
Sedert
Overeenk.
3-9 October
Sedert
Overeenk.
1 37
1936
1937
1Jan. 1937
tijdvak 1935
1937
1Jan. 1937
tijdvak 1936

16.786
1.220.325 760.678

17.735
8.661
1.238.060 769.339
7.745
217.697 200.816


3.375
1.976
221.072 202.792

Boekweit …………..
428
.

5.249
12.195
19.938
– –
350
12.195
20.288

Tarwe

………………
Rogge

………………

Maïs ………………
941.551
585.444

121.629
117.276
1.063.180
702.720
9.448
263.686
237.880
2.125
10.764 14.763
274.450
252.673
Gerst

………………
Haver

…………….

.

120.110
74.540

3.180
1.175
123.290 75.715

Lijnzaad

……………
4
..254
4.556
154.511 197.089
.7.985
178.095
145.016
332.606
342.105

Lijokoek ……………..
175
55.351
39.657


375
55.351
40.032
2.435
30.064 28.724

5.475 7.296
35.539
36.020
Tarwemeel

………….
Andere
meelaoorten
900
32.168
26.810

6.635
1.101
38.803
27.911

760

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 October 1937

op deze leemte te moeten vestigen, opdat bij de nieu-
we onderhande]ingen ermede rekening wordt gehou-
den en een vorm wordt gek’onden om dezen export
niet volledig verloren te doen gaan.

GROOTHANDELSPRIJZEN.
(Indexcijfers gebaseerd op 1928-1929 = 100).

TUINBOUWARTIKELEN
(‘s-Gravenhage)

DRUIVEN
BLOEM-
VROEGE
ac
KOOL
TOMATEN
AAPD-
can e
Ie soort
A
APPELEN
per

g.
p

100 st. p. 100 kg.
p. 100 kg.
es an
Groote-
Westland
Groote- broek 1) broek
cts.
%
f
%
f
%
t
1928
80
111,1
14,80
92,4
20,-
111,1
4,93
122,0
1929
64
88,9
17,23
107,6
16,-
88,9 3,15
78,0
1930
62
86,1
14,22
88,8
20,-
111,1
4,12
102,0
1931
49
68.1
7,54
47,1
14,50
80,6 4,95
122,5 1932
41
56,9
9,92
61,9
11,50
63,9
1,69
41,8
1933
31
43,1
6,69 41,8
8,21
45,6 0,85 21,0
1934
27
37,5 8,28
51,7 5,53 30,7 3,23 80,0
1935
29 40,3
8,85
55,2
6,64 36,9
3,14 77,7
1936
35 48,6
7,71 48,1
7,31
40,6
2,41
59,7

Juli

1936
– –


7,47
41,5
2,06 51,0
Aug.
48
66,7


4,23 23,5
2,75
68,1
Sept.
25
34,7
5,81
36,3
3,45
19,2
– –
Oct.
31
43,1
9,84 61,4
14,10
78,3

Juli

1937
– –
– –
11,76
65,3
3,46 85,6
Aug.
45
62,5
10,03
62,6 5,06
28,1
3,17 78,5
Sept.
23Aug.-1 Sept.,,
31 41
43,1
56,9
10,78
67,3
4,97
27,6 2,54
62,9

1-8

Sept.
37 51,4
10,03
10,32
62,6
64,4
4,36
4,07
24,2 22,6 2,84 2,54
70,3 62,9
8-I5

,,
33 45,8
10,30
64,3
4,-
22,2


15-22

,,

,,
30
41,7
10,85
67,7
4,93
27,4


22-29
26
36,1
11,84
73,9 6,57 36,5


29Sept.-5Oct..
29
40,3
11,50
71,8
4,80 26,7


‘) De (aren 1928 en 1929 Broek op Langendijk.

ONTVANGEN BOEKEN.

Incoterms 1936
Règles internationales pour l’inter-
prétation des termes commerciaux. Brochure
No.
92.
(Parijs
1936;
Ohambre de commerce inter-
nationale.
Prijs Fr. 10.-).

Deze internationale regels worden in het Du.itseh, En
gelach en Fransch gegeven en geïnterpreteerd ten dienste
van exporteurs en importeurs.

Het democratisch Kapitalisme
door
S.
Benima.
(Haarlem
1937, N.V.
H.
D.
Tjeenk Willink &
Zoon. Prijs ing.
f
2.50;
geb
.f
3.25).

Schr. wil den ontwikkelingsgan.g van het economisch
len in groote trekken aangeven en speciaal de punten
naar ‘voren brengen, welke een beter inzicht kunnen geven
in de ‘verhoudingen, ‘waaronder wij leven. Hij bespreekt
aohtereen’volgen-s de economische begrippen (productie, dis-
tributie, kapitalisme, co’nsumptie), de leer der harmonie of
evenwiohst.stheor.ie
, de economische ziekten, het mechanische
•geldwezen, het goudstelsel, de monetaire politiek, de eco-
nomische politiek en de ordening.

Schweizer Börsenhandbuch für 1937. Ein Jahrbuch
für Banken und Kapitalisten.
Zesde uitgave van
,,Kapitalanlagen in der Schweiz”. Bewerkt en
uitgegeven door
0.
Kling. (Zürich
1937,
Albert
Müller Verlag. Prijs
Zw.
fr.
45.-).

Naslagwerk ‘voor de in Zwitserland verhandelde effec-
ten met zeer veel gegevens betreffende deze fondsen en de
instellingen (ondernemingen, gemeenten, landen, enz., enz.),
welke deze w’aardepapieren u:itgaven. (Zoo van onderne-
mingen de balansen, winsti en verliesrekeningen, dividen.
den over de laatste 10 jaren, enz.). Kaast de aan de beur-
zen vephandelde waarden werden ook de niet officieel ver-
handelde papieren opgenomen, alsmede verschillende aan-
deelen en obligatiën die hier belangrijk en algemeen ge-
noeg voor waren.

Auswirkungen der . Schwankungen des Rohbaurn-
wolipreises auf die Preisgestaltung der Baum-
woliwaren
door Dr. Helmuth Ettl. Heft
14
der
Betriebswissenschaftliche Forschungen des Wirt-
schaftsverkehres. (Weenen
1936;
Verlag Julius
Springer. Prijs R.M.
3.20).

Das deutsche Sparkassenwesen unter dem Einfluss
der Sparkassengesetzgebung des Reichs
door Dr.
Carl Nörtemann, Band 8 Offentliche Kredit-

virtschaft. (Berlijn
1936;
Cari Heymanns Ver-
lag. Prijs R.M. 4.80).

Na een bespreking van de oorzaak van de wettelijke
maatregelen (nl. de Duitsche eredietcrisis van Juli 1931)
en van den omvang van de spaarbankwetgeving wordt
achtereenvolgens de invloed hiervan op de actief- en de passiefzijde van het spaarbankbedrijf behandeld en ten-
slotte stilgestaan bij den invloed, welken de wetgeving op
organisatorisch gebied heeft gehad.

STATISTIEKEN.

Laatstbekende noteeringen te Amsterdam en Rotterdam op

1 Oct. 1937 voor
telegrafiëche
uitbetaling op:

Gulden per
.
Pari
Koers
disconto
Europa.

910
£
100
. Mark


.8.951
2
.

Berlijn
*)
……….
59,26
8

72.5.7*

Parijs”) ………..

100 Franc

6.191 3*
100
.Belga
24.90
6

30.451
2

Londen *)

……….

100 Franc.
6.22
6

7.6.1*
Zürich
‘)
……….

..

100

,,

41
.
52
*
4
100 Kronen

6.33
3

Weenen ‘) ………..
100
Schilling
.35.01
34.05
.
3
100 Pengö

.
43.51
.35.75
4
100 Lei
1.48
8

1.3.7*
4
*
100 Leva

.
.

1.79.
2.25
6

Luxemburg

………

Belgrado ……….
100 Dinar

..


.4.15
5

Praag …………..

Istanbul ……….
Turksch
£

1.45

Brussel
‘)

……….

100 Drachme

1.66
6
100 Lira

..


9.52
*

Boedapest

……….

Madrid
5)
100 Peseta-
48.-

5

Boekarest

……….
Sofia

…………..

Lissabon ……….
E scudo



0.08175
4
Kopenhagen’) ;…
100 Kronen

40.-
4
100

45.02*

..

100

..

..


4
6.17*
2*
Reickjaviek

……
100

sI. Kr.
IJ

40.45
100 Zloty
27.90
9

34.20
5
Kovno (Litauen) ..
100 Lita
24.88
31.-
*

Athene

…………

Riga (Letland) ….
100 Lat
48.-
35.75
5-51

Milaan

…………

rallinn (Estland) ..
100 EstI. Kr.

50.25
4
100 Finnmrk.

3.96
4
Moskou

……….
Tjerwonets

36.-

Warschau

……….

(100 Roebel)

..
Oslo ‘) …………..
Stockholm

)
……..

100 Gulden
27.90
9

34.20
4
Amerika.
Danzig

…………

1ew-York’)
$
1.46
9

1.801
1

Helsingfors

……..

Canad.
$

1.80*
2
*
Montreal

……….
Mex. Dollar

..


.
0.54
Buenos Aires……

0
.
54
*
La Paz (Bolivia)
8) Boliviano

8.95,

Mexico

…………

Rio de Janeiro….
Milreis (pap.)
– .
0.
11
*
31
Peso (papier)
0.15
Bogota (Columbia)
8)

Peso

1.04
uito (Ecuador)

..
Sucre

0.17*
Lima (Peru)

……
Sol

ontevideo (Urug.)

P
.eso (papier)

Peso

1.05

Valparaiso ………

Caracas (Venezela)
u
Bolivar

57.50
Gulden

1
.00*
San

José (C. Rica)
(Jolon

i1
..

Quetzal

1.81

Paramaribo

……..

Willemstad (Curaç.)
Gulden

1.01
lIanagua (Nicar.)
8)

Cordoba
-.


San Salvador 8)
….
Colon

0.72
Azië.
Calcutta ……….
Rupee

0.67*
Gulden 1.G.

1.00*
3

luatemala ……….

Yen

0.52*
3.285
Dollar

0.
56
*
Dollar

0.55
Straits DolI.
1.41
1.05

Phil. Peso

0.91

Batavia

………….
Kobe

……………

Shanghai

………..
Singapore

………..

reheran
4
)(Perzië)..
Pablavi

11.12

E[ongkong ………..

Baht

0.8
2
*

1ani1la

………….

Afrika.
– –

£

8
.9
4
*
31

Bangkôk ………….

8Jexandrië ……..

Egypt.
£
L.
9.18*

Eaapstad

………

Australië.
1elbourne, Sidney

.


en Brisbane
….
£

.

7.16*
ieuw Zeeland
…,
£

7.
2
1*
2*
1)
0ff. 0.36 vrije markt 0.09.
2)
Milreis Goud.
3)
Goudpeso.
4)
Munteenheld
Rail (=een Kran.)
5)
Nom.

‘)Not, te A’dam.
0v.
not, part. opg.

13
October
1937

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

761

BANKDISCONTO’S.

Ned
2

3Dec.’36
Lissabon

.411 Aug.’37 1Disc.Wissels.
Bk ‘Bel.Binn.Eff.
24

3Dec.’36
Londen ……
2
30Juni’32

Vrsch.inR.O.
24

3Dec.’36
Madrid ……
5

9Juli’35

Athene ……….
6

4Jan.’37
N.-York F.R.B.
1
26Aug.’37

Batavia

……..
3
14Jan.
’37
Oslo

……..
4

7Dec.’36

Belgrado ……..
5

1
Febr.
’35
Parijs

……
34
2 Spf. ’37

Berlijn ……….
4
22Sept.’32
Praag

……
‘3

1Jan.’36

Boekarest ……..
44
15Dec.’34
Pretoria
. .
.34
15Mei’33

Brussel ……….
2

16 Mei
3
35
Rome ……..
44
18Mei’36

Boedapest

……
4
28Aug.’35
Stockholm
.
.24

1Dec.’33

Calcutta

……..
3 23Nov.’35
Tokio….
3 28,5
7Apr.’36

Dantzig

……..
4

2Jan.’37
Weenen …….
4
10Juli’35

Helsingfors ……
4

3Dec.’34
Warschau
….5

26Oct.’33

Kopenhagen

….
4 19Nov.’36
Zwits.Nat.Bk.1425Nov.’36

OPEN MARKT.

1937

20125
1

1936
1935
1914

9
419
27Sept./
5/10
7112
2024
Oct.
Oct.
2 Oct.
Sept.
Oct. Oct.
Juli

Amsterdam
Partic. disc.
11
4

114

11
4

11
4

2114-31
511_51
3I/
g
_3/
j

Prolong.
11
112
.
112
1
12
231
4
311
4

6
21/
4
-314
Londen
Daggeld
1
13-1
‘/,.-I
11
2
-1
1
12-1
‘/,l
121
131
4
-2
Partic. disc.
171
33
91
35

171
33
_5/
34

17/
33
9134

17
152_
9
118
132-/16
51_111
411
4
_31
4

Berlijn
Daggeld
2
5
18.
7
/8
2
5
j8-
3
18
3-
1
1
214-318
2
5
18-3
3
1
12

MaandeId

3
2
1
1-3
2
1
/2-
7
/8
2
3
,4-3
3
-1
1

Part, disc.

2
718
2
7
18
2
7
1s
3 3
1
18
2
1
18-
1
12
Warenw.
. .

4_114
4_112
4.1/
4

4_11
4

4..1/

Nea, York
Daggeld
1)
1
t
1
1
1
11
4

13/
4
22/
2

Partic.disc.
1
:2
1
12
1
12
11
3

2
1
14_
3
18
S
/it

1)
Koers van 8 Oct. en daaraan voorafgaande weken
Om.
Vrijdag.


WISSELKOERSEN.
KOERSEN IN NEDERLAND.

Data
New
Londen
Berlijn
Parijs
Brussel
Batavia
York)
8)

)
S)
*
1)

5 Oct.

1937
1.8Oyi
8.9551
5

TTÖ
5.94X
30.49
100%

6

,,

1937
1.80%
8.6
72.65 5.96
30.474
100%

7

,,

1937
1.80’%
6

8.96%
72.674
5.96
30.484
100%

8

,,

1937
1.80%
8.96%
72.674
5.97
30.484
100%

9

,,

1937
1.80%
8.96
72.66
5.93%
30.484
100%

11

,,

1937
1.80%
8.96%
72.65
6.00% 30.494
100%

Laagste d.w’)
1.80%
8.95%
72.574
5.92
30.45
100

Hoogste d.w
1
)1
1.81%
8.96%
72.72i
6.02
30.52
100%

Muntpariteit
1
1.469
12.1071
59.263
9.747
24.906
100

Data
zl
vit-
Weenen
Praag
Boeka-
Milaan Madrid

5 Oct.

1937
41.60

6.33

6

,,

1937
41.62%

6.334



7

,,

1937
41.62

6.34



8

1937
41.58

6.334
– –

9

1937
41.62

6.34



11

1937
41.62%

6.33


Laagste d.wl)
41.55 34.20
6.30
1.45

Hoogste d.w’)
41.66
34.25
6.36
1.50
9.60

Muntpariteit
48.003
35.007
7.371
1.488 13.094
48.52

Data
Stock-
1

holm
5
)
Kopen_l
hagen*)
Oslo)
Hel-

for!’)

Buenos-
Aires’)
Mon-
treall)

5 Oct.

1937
46.20
40.-
45.024
3.97 54% 1.80%

6

,,

1937
46.20
40.05
45.024
3.96 54% 1.80%

7

,,

1937
46.224
40.024
45.05
3.95
54%
1.80%

8

,,

1937
46.20
40.-
45.024
3.95
54% 1.80%

9

,,

1937
46.224
40.-
45.05
3.96
54% 1.80%

11

,,

1937
46.224 40.024 45.05
3.96
54%
1.80%

Laagste d.w’)
46.124
39.95
44.95
3.93
54
1.80%

Hoogste d.w’j
46.274
40.074 45.10
3.99
543%
1.81%

Muntpariteit
66.671
66.671
66.671
6.266
95%
2.1878
8)
Noteering te Amsterdam.
5*)
Not, te Rotterdam.
1)
Part. opgave.
In ‘t late of 2de No. van ieder maand komt een overzicht
voor van een aantal niet wekelijks opgenomen wisselkoersen.

KOERSEN TE NEW YORK. (Cable).

D
Q
a
Londen
($ per £)
Parijs
($
P.
IOOfr.)
Berlijn
($
P.
100 Mk.)
Amsterdam
($ p. 100 gld.)

5 Oct.

1937
4,95%
3;29%
40,16 55,29

6

1937
4,95 3,29%
40,17%
55,30

7

,,

1937
4,95%
3,29% 40,17%
55,29

8

,,

1937
4,95%
3,30%
40,17%
55,29

9

,,

1937
4,95%
3,32
40,17 55,30

11

,,

1937
4,95%
3,30
1
4
40,16 55,30

12Oct.

1936




Muntpariteit..
4,86
3,90%
23,81%
40%

KOERSEN TE LONDEN.

Plaatsen en
Landen

1
Noteerings-
eenheden
25
Sept.
1937
2
Oct.

1
1937

iLaagste
l
Hoogstel
419
Oct.
’37

1
9
Oct.
1937

Alexandrië..
Piast.
p.,
97%
97X”
97%
97%
97%

Athene

….
Dr.
p.
547%
547%
540 555
547%

Bangkok….
Sh.p.tical
1110′
1110.’
1,10,’
11031 1’lO%

Budapest’)..
Pen.
p. £
25 25
24% 25%
25

BuenosAires’
p.pesop.
16.55
16.53
16.45
16.55 16.484

Calcutta .
. . .
Sh. p. rup.
116′
11631
16
3
1
32

116
5
1
32

116%

Istanbul

..
Piast. p..0
620 620 620
621
620

Hongkong ..
Sh. p. $
13
113
1’2%
1/3%
113

Sh. p. yen
1J2
1/163/64
1
1
11
y16
11211
1 2
Kobe

…….
Lissabon….
Escu. p. £
110 %
6

18
110%,,
18
110
1i0
110%,, 18
Mexico

….
$per,g
17%
18%
Montevideo
3)

d. per £
28
28
27%
28%
28
Montreal

..
$
per £
4.95%
4.95°
4.95
4.95%
4.95

Rio d.Janeir.
4

d. per Mii.
3119.
3
2%
31/
2281
33

Shanghai

..
Sh. p. $
1/2K,,
112%
1 2%
112%
112%

Singapore ..
id. p. $
214

52

214
5
1
33

214%,,
2:4%
214
6
1
1
31

Valparaiso 5).
$
per £
124
124
124
124
124
Warschau ..
Zi. p. £
26%
26%
26
26%
26%

‘)
Offic. not.

10
Dec.

16112.

2) Offic.
not. 15 laten, gem. not., welke
imp. hebben te betalen
10
Dec. 16.12.
3)
Offic. not.

12 Aug. 39131; 17
Aug.
397/8;
18Aug. 39151; 25Aug.
39714;

26Aug. 39
1
3/16.
4)
Id.
II
Mrt. 1935
411
4
.6)90 dg. Vanaf 28 Aug. laatste .export” noteering.

ZILVERPRIJS
GOUDPRIJS
3)

Londen’)
N.York2)
Londen
5

Oct.

1937..

19ii1,,
443%

.
5 Oct.

1937.

.

14018

6

,,

1937..

1934
44%
6

,,

1937

140174

7

,,

1937..

19 ly,
44%
7

,,

1937

140164

8

,,

1937..

20 44%
8

,,

1937

140164

9

,,

1937..

20%

9

,,

1937 ….140/64
11

,,

1937..

20%,,
44%
11

,,

1937

140164

12 Oct.

1936..

20

12 Oct.

1936

141111

7 Juli

1914.
.

241%,,
59
27 Juli

1914

84110%
1)
in pence
p.
oz.stand.
2)
Foreign silver
in
$c. p. oz.
fine. S)in sh.
p.oz.
fine

STAND VAN ‘s
RIJKS KAS.

Vorderingen.

1
30Sept.1937
1

7Oct.1937
Saldo van
‘s
Rijks Schatkist
bi)
De Ne.
f
86.128.754,90
f14951474891
Saldo b. d. Bank voor Ned. Gemeenten
,

1.208.415,27 192.728,82
Voorschotten
op
ultimo Augustus 1937
a/d. gemeent. verstr.
op
a. haar uit te
keeren hoofds. der pers. bel., aand. in
de hoofds. der grondbel. en der gem.
fondsbel., alsmede
opc. op
die belas-
derlandsche Bank
……………..

tingen en
op
de vermogensbelasting


Voorsch,stten aan Ned.-lndië
………
4.891.209,71
,

15.654.232,44
12 013.207,41
,,

12166.972,30
Kasvord.weg. credietverst. a/h. buitenl

,,
103.808.773,38 103.617.772,47
Idem

aan

Suriname……………….,,
….

Daggeldleeningen tegen onderpand
Saldo der postrek.v.Rijkscomptabelen

31.514.682,75

.36.651.760,58
Vord.
op
het Alg. Burg. Pensioenf.
1
)
– –
Vord.
op
andere Staatsbedrijven’)
4.517.120,97
.

4.820.50648
Verplichtingen

Voorschot door De Ned. Bank lngev.
art.

16 van haar octrooi verstrekt


Schatklstbiljetten in omloop ………

f262.339.000.-
f251.020.000,-
3.200.000,-
,,

62.260.000.-.
1.104.655,-
,,

1.104.292,-
Schuld
op
ultimo Augustus 1937 aan de

.
Schatkistpromessen in Omloop
…….,,
Zilverbons in
omloop

.. ………… ….,,

gem. weg. a. h. uIt te keeren hoofds.t1.
pers. bel., aand.
1.
d. hoofds. d. grondb.
e. d. gem. fondsb. alsm.
opc. op
die
bel, en
op
de vermogensbelasting

,,
5.604.782.16
,,

5.604.782,16
1.866.150,89
,,

1.652.212,20
18.018.360,78
1)
Schuld aan het Alg. Burg. Pensioenf.

,,
12.164.099,13 143.958.093,07

161.705.544,34

Schuld aan Curaçao’)
……………..,,

T. 1)
Id. a. h. Staatsbedr. der
P.T.
en

,,
13.500.000,-
,,

13,500.000,-
Id. aan andere Staatsbedrijven
1)
….
…..
Id. aan diverse instellingen’)
………..
120.716.360,44
,
121.097.379,82
1)
In rekg.-crt. met
‘s
Rijks Schatkist.

NEDERLANDSCH-INDISCHE VLOTTENDE SCHULD.

voroeringen
:’)
f

945.000,-

Saldo b. d. Postchêque- en G

irodienst
,,

75.000,-
f

335.000,-

Verplichtingen: Voorschot’s Rijks kas e.a. Rijksinstell.

12.596.000,-
,,

15.405.000,-

Saldo Javasche

Bank

…………..

7.000.000,-
,,

7.000.000,-
Schatkistbiljetten in omloop


Schuld aan het Ned.-lnd. Muntfonds
,

766.000,
.

784.000,-

Schatkislpromessen in omloop………

Idem aan de Ned.-lnd. Postspaarbank
1.188.000,-
1.352.000,-
Belegde kasmiddelen Zelfbesturen…..
830.000,-
,,

830.000,-
Voorschot van de Javasche Bank

.
2.635.000,-
1)
Betaalmiddelen in
‘s
Lands Kas
f
26.098.000,-.

SURINAAMSCHE BANK.
Voornaamste posten in duizenden guldens.

Data
Metaal
Andere

°sfe

Discont.
ID’
y,;gre0kjeç

11

Sept.

1937..
659 1.118 468
620
1.403
4

,,

1937..
662
1.227
515 619
1.381
18 Aug.

1937..
687
1.273
452
623
1.404
11

,,

1937..
704
1.128
451
620 1.369
14

1937..
702
1.141
470
621
1.368

1

Juli

1914.,
645
1.100
560 735 396
1) Sluitp. der activa.

GROOTHANDELSPRLIZVN VAN RVÎÂN(RT1ICV Vfllfl1N( PN (NflT
GERST
MAIS
ROGGE
1

TARWE BURMA RIJST
BOTER
per
kg.
KAAS
EIEREN
65~
6
Rotterdam
oer 2000
kg.
74 kg
La
Rotterdam
per
100
kg.
Loonzein
c1
a
e
r
r

Gem.
not.
Heffing
T

•.
La Plata
T
La Plata
1)
1
Z

blz 73P
/

iz E.-S. B.
Rott°eam
Plata’) loco
Rotterdam
per cwt………
Rangoon/Bassein
Leeuwar-
drCoIm.

C
zJ-
F br kaa
Eierm,jn

V. 6 Oct. f1.
per2O(O kg,
1 of 2 mnd. ocoprijs
per

00

g.
1 of 2 mnd.
ocoprujs
HerI.Ned.Ct.I

Not
r

g
Centr.
gnj ex.
per 50kg.

Roe1rod
P.

f
%
f
%
f%
f
%
f
%
f
%
t
%
sh
t
%
f
t
%
f
%
1927
237,-
110,2
171,50
89,3
176,-
87,1
12,475
102,5
13,825
110,1
14,75 109,3
6,83
104,5
1113
1
4
2,03
98,4

43,30
95,0
7,96
99,3
192
8

228,50
106,2
208,50
108,6
226,-
111,9 13,15
108,1
12,575
100,1
13,475
99,9
6,43
98,4
1017
3
14
2,11
102,3

48,05
105,4
7,99
99,6
1929
179,75
83,6
196,-
102,1
204,-
101,0
10,875
89,4
11,275
89,8
12,25
90,8
6,34
97,0
106
2,05
99,4

45,40
99,6
8,11
101,1
1930
111,75
52,0
118,50
61,7
136,75
67,7
6,225
51,2 8,275
65,9
9,67
5

71,7
5,09 77,9
8,5
1,66
80,5

38,45
84,4
6,72
83,8
1931
107,25
49,9
78,25
40,8
84,50
41,8 4,55 37,4 4,65
37,0
5,55
41,1
3,09 47,3
5,6
1,34
64,9

31,30
68,7
5,35
66,7
1932
100,75
46,8
72,-
37,5
77,25
38,2
4,625
38,0
4,70 37,4
5,225
38,7
2,59
39,6
5/
11
1
1
0,94
45,6

22,70
49,8
4,14
51,6
1933
70,-
32,5
60,75
31,6
68,50
33,9 3,55 29,3
3,75 29,9
5,02
5

37,2
1,84
28,2
4/51/2

0,61
29,6
0,96
20,20
44,3
3,71
46,3
1934
75,75
35,2
64,75 33,7
70,75
35,0
3,32
5

27,3
3,25
25,9
3,67
5

27,3
1,74
26,6
4173/4

0,45
21,8
1,-
18,70
41,0
3,45
43,0
1935
Z
68,-
31,6
56,-
29,2
61,25
30,3 3,07
5

25,3
3,87
5

30,9
4,12
5

30,6
2,07
31,7
5/8
1
1

0,49
23,7
0,99
14,85
32,6
3,20
39,9
1936
86,-
40,0 74,50
38,8
74,-
36,6
4,275
35,1
5,75
45,8
6,275
46,5 2,19
33,5
517
1
12
0,58
28,1
0,88
5

17,55
38,5
3,50
43,6
Jan.

1936
5.’
63,50
29,5
54,-
28,1
56,-
27,7
3,525
29,0
5,10 40,6
5,45 40,4
1,81
21,7
4111
1
12
0,57
27,6
0,95
16,80
36,9
4,04
50,4
Febr.
Maart
64,50 69,75
30,0 32,4
52,- 56,-
27,1
29,2 55,25 59,50
27,4 29,5
3,40 3,50
27,9
28,8
4,925
4,925 39,2
39,2
5,225 5,225
38,7 38,7
1,89
2,03 28,9
31,1
5/2
1
/4
0,61
29,6 0,92
5

17,375
38,1
3,375

42,1
April

,
f
70,-
32,5

30,2
64,-
31,7 3,45
28,4
4,85
38,6
5,175
38,4 2,10
32,1
517
5/9
1
/
0,46
0,44
22,3 21,3
1,04 1,02
5

17,70
16,825
38,8 36,9
2,69 2,49
33,5
31,0
Mei

.,
z
72,25
33,6

30,7 63,75
31,6
3,175
26,1
4,65
37,0
5,125
38,0
2,11
32,3
5
1
8
3
1
4
0,47
22,8
0,99
18,75
41,1
2,52 31,4
Juni

,,
ci.’

71,50 33,2
60,75 31,6
66,-
32,7 3,45
28,4
4,625
36,8 5,05 37,4
2,12
32,4
5
1
81
1
,
0,57 27,6
0,89
20,20
44,3
2,69 33,5
Juli

74,75 34,8
65,75
34,2
71,75
35,5 3,65
30,0 5,15
41,0
5,625
41,7
2,06
31,5
5/7
0,60
29,1
0,815
19,35
42,5
2,91
36,3
Aug.

,,
z
88,-
40,9 79,75
41,5
84,-
41,6
4,02
5

33,1
5,95 47,4 6,35
47,1
2,17
33,2

5
/1
0
1
/
2

0,62
30,0
0,80
17,875
39,2
3,31
5

41,3
Sept.

‘.’
88,-
40,9
79,-
41,1
85,-
42,1
4,40
36,2
6,-
47,8 6,50 48,2
2,22
34,0
5(11
1

0,58
28,1
0,79
16,25
35,6
3,63
45,3
Oct.

120,50
56,0
94,75
49,3
97,50
48,3 6,025
49,5
7,775

61,9
8,80
65,2 2,57
39,3
517
12
0,63
30,5
0,77
5

17,55
38,5 4,85
60,5
Nov.

0
121,50
56,5
89,75
46,7
89,50
44,3
5,72
5

47,1
7,275
57,9 8,55
63,4
2,46
37,7
5/5
1
/
0,70
33,9
0,78
16,075
35,3 5,15 64,2
Dec.
129,-
60,0
95,25
49,6
97,-
48,0
6,97
5

57,3
7,87
5

62,7 8,17
5

60,6
2,71
41,5
61-
1
1
0,65
31,5 0,82
5

15,75
34,6
4,36
5

54,4
Jan.

1937
Febr.
1h.’

61,4
99,75
52,0
97,50
48,3
7,975
65,5 8,07
5

64,3
8,40
62,3
2,74 41,9
6/1
1
j
0,66
32,0
0,85
17,075
37,5 3,45
43,0
129,-
60,0
102,-
53,1
100,50
49,8
8,72
5

71,7
7,925
63,1
8,25
61,1
2,62
40,1
5
1
10
1
1
4
0,69 33,4
0,80
18,75
41,1
3,81
47,5
Maart

61,8
104,25
54,3
106,-
52,5
9,02
5

74,2
8,72
5

69,5
9,15 67,8
2,57 39,3
519114
0,68
33,0
0,80
18,825
41,3 3,86
48,1
April
149,75
69,6
110,75
57,7
115,-
56,9
10,-
82,2
9,40 74,9
10,175
75,4
2,72
41,6
61-
3
14
0,69
33,4
0,80
16,45
36,1
3,05
38,0
Mei
144,40
67,1
107,-
55,7
110,-
54,5
10,-
82,2
8,92
5

71,1
9,72
5

72,1
2,64 40,4
511011
2

0,71
34,5
0,72
5

17,325
38,0
2,89
36,0
Juni
148,75
69,2
99,-
51,6
105,-
52,0
10,15
83,4′
7,52
5

59,9
8,95
66,3
2,63 40,3
5/10
1
/4
0,74 35,9
0,70
19,825
43,5
2,98
37,2
Juli


149,25
69,4
108,25
56,4
III,-
55,0
9,85 81,0
8,57
5

68,3
9,975

73,9 2,68 41,0
5/11
1
/4
0,77 37,4 0,68
20,15
44,2
3,74
46,6
Aug.

,,
136,50
63,5
106,50
55,5
112,-
55,4 9,30 76,4 7,82
5

62,3 9,22
5

68,4 2,86
43,8
614
0,78
37,9
0,64
21,50
47,2
3,84
47,9
Sept.

,,
129,50
60,2
107,-
55,7
122,

60,4
9,225
75,8
7,55
60,1
8,52
5

63,2 2,96
45,3
6
1
7
0,85 41,3 0,52
5

21,-
46,1
4,69 58,5
8 Sept.-5
0
ct.
138,50
64,4
109,25
56,9
115
,5
0
57,2
9,225
75,8
7,80
62,1
8,65
64,1
3,-
45,9
6/8′!.,

0,92 44,7 0,45
23,50
51,6
5,-
62,3
’37
5-12 Oct.
136,50
63,5
109,-t
56,8
114,50
56,7
8,7751
72,1
7,65 1 60,9 1 8,50 1
63,0 3,03 46,4
619
0,93
45,1
0,45
24,25 1 53,2 1 4,95 1 61,7

JUTE
First
Mark
s”
KATOEN
AUSTRALISCHE WOL
JAPAN. ZIJDE RUBBER
Middling Upland
1

Super Fine

.i.
c.i.f. Londen
in Olie gekamd; loco Bradford per Ib.
13114 Dernier
Stand. Ribbed
Crossbred Colonial
,
Carded
50’sAv.
.
eruno

,
S

V.
per Eng.
tOfl
loco
New York per Ib.
Oomra
Liverpool per Ib.
wit Gr. D. te
New
York perlb.
Smoked Sheets
loco Londen
p.
Ib.

Herl.Ned.Ct.1
Not.
Herl.Ned.Ct.l
Not.
H

Not,

Herl.Ned.Ct.
1

Not.
Herl.Ned Ct
1
ir
Herl Ned.Ct.
Not.
Herl.Ned.Ct.I
Not.

1927

f
442,38
%
103,4
£
36.101-
cts.
43,8
%
93,1
$cts.
17,60
cts.
36,7
%
102,1
pence
7,27
ets.
133,8
%
96,8
pence
26,50
ets.
244,9
%
104,8
pence
48,50
f
13,55
%
105,8
$
5,44
ets.
93
%
140,2
pence
18,50
1928 1929
<
<
445,89
104,2 36.16111
49,8
105,8
20,-
37,9
105,5
7,51
153,8
111,2
30,50
259,7
111,1
51,50
12,60
98,4 5,07
54
81,4
10,75
Z
395,49 92,4
32.1413
47,6
101,1
19,10
33,2
92,4 6,59
127,2
92,0
25,25
196,5
84,1
39,-
1228
95,9
4,93
52
78,4
10,25.
1930
1931
257,97
60,3
21.619
33,6
71,4
13,50
19,7
54,8 3,92
81,9
59,2
16,25
134,8
57,7 26,75
8,50
66,4
3,42
30
.45,2
5,872
1932
192,15
44,9
17.117
21,1
44,8
8,50
20,1
55,9
4,28
60,9
44,0

109,0
46,6 23,25
5,97
46,6
2,40
15
22,6
3,12
1

t
…’
146,86
34,3
1618
1

15,9
33,8
6,40
19,5
54,3 5,39
42,5
30,7
11,75
79,7
34,1
22,-
3,87
30,2
1,56
12 18,1
3,372
1933
1934
LO
128,63
30,1
15.1212
17,4
37,0
8,70
16,8
46,8
4,91
48,9
35,4
14,25
96,9 41,5
28,25
3,21 25,1
1,61
11
16,6
3,25
1935
115,85
134,52
27,1
31,4
15.9/9
18.1118
18,3
38,9
12,30
13,6
37,8
4,37
51,4
37,2
16,50
95,8 41,0
30,75
1,92 15,0 1,29
19
28,6
6,25
1936
17,6
37,4
11,90
17,7
49,3 5,87
42,2
30,5

84,5
36,2
28,-
2,41
18,8 1,63
18
27,1
6,-
ti
142,61
33,3
18.618
19,0
40,4
12,10
18,2
50,7
5,60
54,3
39,3
16,75
108,6
46,5
33,50
2,71
21,2
1,73
25
37,7
7,75
Jan.

1937
Febr.
Z
166,88
39,0
18.1216
23,7
50,4
13,-
22,0 61,2 5,88 88,2
63,8
23,75
141,9
60,7
38,-
3,92
30,6
2,14
5

38 57,3
10,37
5

Maart
169,23 174,86
39,5 40,9
18.18/2
19.9/1
24,0
26,6
51,0 56,5
13,15
14,45
21,8 23,3
60,7
64,8
5,85
6,25
$5,6 88,6 61,9
64,1
23,-
23,75
133,6
138,9
57,2
59,4
35,75 3,53 27,6
1,93
40
60,3
10,50
April

ii.
189,96
44,4
21.3
1
3
26,0
55,2
14,35
23,1
64,3
6,16
96,5
69,8
25,75
144,9
62,0
37,25 38,75
3,59
3,56 28,0
27,8
1,96
1,95
44 44
66,3 66,3
12,-
11,625
Mei

Juni
201,20
47,0
22.716
24,3
51,6
13,35
22,7
63,2
6,04
97,4
70,4
26,-
142,9
61,1
38,25
3,25
25,4
1,785
38 57,3
10,25
,,
Juli
C13
186,90
189,87
43,7 44,4
20.16
1
7
21.113
22,9
48,6
12,60
22,3
62,1
5,96
95,6

69,1
25,50
140,2
60,0
37,50 3,28
25,6
1,805
36
54,3
9,625
,,
Aug.
188,67
44,1
20.1716
22,4
18,8
47,6
12,32
21,5 59,8
5,71
95,8
69,3 25,50
142,2
60,8
37,75
3,42
26,7
1,885
34
51,3 9,125
Sept.
186,01
43,5
20.14/3
16,3
39,9 34,6
10,35
9,

19,6
54,5
5,19
98,9
71,5 26,25
145,0
62,0
38,50 3,30
25,8
1,82
33
49,7
8,85
,,
8Sept.-50ct.
17,4
48,4
4,64
94,1 68,1
25,25
131,3
56,2
35,-
3,19 24,9
1,76
34
51,3
9,-
5-12 Oct. ’37
0

186,30
43,5
2016/3
15,3
32,5 8,48
16,0
44,5 4,29
89,5
64,7
24,

124,9
53,4
33,50
3,10 24,2
1,71
32
48,2
8,62
5

184,88
,
43,2
20.1216
15,1
32,1
8,33
15,2
42,3
4,08
85,9
62,1
23,-
121,4
51,9
32,50
3,03
23,7
1,675
30
45,2
8,-

KOPER
Standaard
Loco Londen
per
Eng, ton

LOOD
gem. prompt en
1ev. 3 maanden
Londen per Eng. ton

TIN
,

L n”
OCO

0

en
per

ng.

on

IJZER
Cleveland No. 3
franco Middlesb.
per Eng, ton

GIETERIJ-IJZER
.

(Lux III)
per Eng. ton f.o.b. Antwerpen

ZINK
gem. prompt en
1ev. 3 maanden
Londen p. Eng, ton

ZILVER
cash Londen
per Standard
Ounce
Her!. NedCt.l

Not. Herl.Ned.Ct.1 Not.
Herl.Ned.Ct,I
Not.
Her!.
Ned.Ct.l
Not.
H
Not.
HerI.Ned.Ct.I
Not.
HerI.Ned.Ct.
Not.

1927
f
675,10
%
85,9
£
55.13/11
f
295,75
%
106,5
£
24.811
t
3503,60
%
120,6
£
289.115
f
44,10
%
104,7
sh.
7219
f
39,10
%
98,9
Sh.
6416
f
345,40
%
108,8
£
289111
ets.
132
%

101,5
pence
26
1
/,6
1928
771,20
98,1
63.14/9
256,15
92,2
21.314
2749,50
94,6
227.418 39,85
94,6
65110
37,90
95,9
62/8
305,75
96,4
25.515
135
103,8
26
3
14
1929
912,55
116,1
75.917
281,10
101,2
23.4111
2465,65
84,8
20
3.
1
8!
1
0
42,45
100,8
7013
41,55
105,1
68/9
300,80
94,8
24.1718
123
94,6
24
7
111
1930
661,10
84,1.
54.1317
218,70
78,8
18.115
1716,20
59,1
141.1911
40,50
96,1
67/-
35,95
91,0
5916
203,55
64,1
16.1619
89
68,5
17
11
/,6
1931
431,85 54,9
387/9
146,60
52,8
13.-17
1332,55
45,9
118.911
33,-
78,3
5818
28,90
73,1
5115
140,05
44,1
12.8/11
69
53,1
145
18
1932
.
275,75
35,1
31.1418
104,60
37,7 12.-19
1181,30
40,6
135.18110
25,40
60,3
5816
22,20 56,2
5111
118,95
37,5
13.13110
64
49,2
17
13
/,
1933

268,40
34,1
32.1114
97,25
35,0
11.16/1
1603,50
55,2
194.11/11
25,55
60,6
621-
21,-
.53,1
511

129,80
40,9
15.14111
62
47,7
18
1
18
1934
z

226,80 28,8
30.615
82,65 29,8
11.11-
1723,15
59,3
230.715
25,

59,3
66111
20,25
.
51,2
5411
103,05
32,5 13.15/6
66
50,8
21
1
14
1935
1936
5.1
230,95
29,4
31.1811
103,40
37,2
14.518
1634,25
56,2
225,1415
24,70
58,6
6812
20,25
‘51,2
56/-
102,65
32,3
14.316
87
66,9
28
15
1,6
298,75 38,0
38.811
137;15
49,4
17.1217
1592,-
54,8
204.1218
28,40
67,4
73/-
22,40 56,7
57/7
116,55
36,7
14.1917
65
50,0
201116
Jan.

1936
2
253,-
32,2
34.14111
112,50
40,5
15.8111
1528,35
52,6
209.1819
25,50
60,5
701-
20,10
50,9
55(2
106,30
33,5
14.1211
61
46,9 20
1
/1,
Febr.
Maart
257,35 262,25 32,7 33,4
35.71

36.1
1
6
117,05 121,30
42,2
43,7
16.118
16.13
1
9
1508,85
1551,15
51,9
53,4
207.512
213.7
1
3
25,50 25,45
60,5
60,4
701-
20.10
50,9
55/2
111,10
35,0 15.5
1
2
60
46,2
197/
8

April
269,45 34,3 37.

f3
117,70
42,4
16.3/4
1524,80
52,5
209.9/1
25,50
60,5
70
1

70/-
20,10 20,10
50,9 50,9
5513
55/2
116,95 111,10
36,9
35,0 16.1/9
15.5/2
60
61
46,2 46,9
19
3
/4
20
3
/,,
Mei


269,95
34,3
36.14/6
114,45
41,2
15.11/4
1489,20
51,2
202.12/2
25,75
61,1
70/-
20,20
51,1
54
1
11
107,75
34,0
14.1312
62
47,7
20318
Juni

.’
269,80
34,3
36.7
1
2
112,90
40,7
15.4
1
3
1360,45
46,8
183.6
1
11
25,95 61,6
70
1

20,20
.51,1
54
1
5 103,95
32,8
14.-/2
61
46,9
193
1
4
Juli

,,
274,90
35,0
37.511
116,95
42,1
15.1711
1374,30
47,3
186.415
27,70 65,7
751

20,05
50,7
54/4
100,20
31,6
13.1117
60
46,2
19519
Aug.
Z
283,40
36,0
38.5/1!
124,10
44,7
16.15/5
1360,70
46,8 183.17/8
27,75
65,9
75/-
20,05
50,7
54/2
100,10
31,5 13.10/7
60
46,2
19
1
2
Sept.

290,20 36,9 38.191-
134,15
48,3
18.-/2
1451,85
50,0

194.17
1
7
27,95
66,3
75
1

20,20
51,1
54
1
3
103,65
32,7
13.18
1
2
61
46,9
19
5
18

Oct.

365,90
46,5
40.2
1
4
168,25
60,6
18.8
1
11
1836,45
63,2
201.713
34,20
81,2
75/-
27,45
69,5
6012
132,70
41,8
14.1111
75
57,7
19
0
116
Nov.
Dec.
z
397,95
50,6 43.1916
196,60
70,8
21.14/6
2091,-
71,9
231.-/1I
33,95
80,6
75
1

29,35
74,3
64
1
10
147,75
46,6
16.6
1
6
79
60,8
21
ci.,
413,45 52,6
45.19
1
9
229,80
82,8
25.1112
2087,95 71,8
232.511
36,40
86,4
811-
32,75
82,9
72/10
161,45
50,9
17.1912
80
61,5
21
1
14
Jan.

1937
461,70
58,7
51.10
1
8
244,05
87,9
27.4
1
10
2060,25
70,9
229.18
1
9
36,30
86,2
81
1

34,20
86,5
76
1
4
188,60
59,4
21.-/1
1

78
60,0
20
7
18
Febr,,,
Maart

,,
1-
522,10 638,40
66,4 81,2
58.712
71.9/6
248,

292,95
89,3
105,5
27.1414
32.16/

2080,65 2498,25
71,6
86,0
232.1113
.279.14/-
36,25 36,15
86,0 85,8
811-
34,75 87,9
7716
219,45
69,2
24.1018 75
57,7
20
1
1,
April
z
559,70
71,2
62.7/6
235,50
84,8
26.4110
2404,95
82,8
268.-/-
36,35
86,3
811- 811-
48,20
54,25
122,0 137,3
10811
120111
289,65
238,65
91,3
75,2
32.818 26.615
77
78
59,2 60,0
20
11
/is
20°/,,
Mei
o
545,95
69,4
60.151-
214,95
77,4
23.1815
2256,45
77,6
251.21-
36,40
86,4
811

59,65
150,9
13219
209,35 66,0
23.5111
76
58,5
295/in
Juni
Juli
499,70
510,10
63,6
55.1315
205,40 74,0
22.1718
2245,10 77,3
250.216
36,35
86,3
811-
60,60
153,3
1351

194,55
61,3
21.1315
75 57,7 20
Aug.
517.55
64,9 65,8
56.1113
57.6/-
213,70
205,25
77,0
23.13111
2365,20 81,4
262.5
1

45,55
10$,!
101,- 59,60
150,8
132j6
205,75
64,8
22.13
1
6
75 57,7 20
,,
Sept.
474,25
603
52.15111
187,55
73,9
22.14/6
2388,50 82,2
264.9/-
45,60
108,2
101f-
48,60
123,0
1091

215,35
67,9
23.1618

75 57,7
19
7
18.
,,
?8Sept.-5Oct.
67,5
20.1718
2323,10
79,9
258.1216 45,35
107,6
101/-
44,65
113,0
9915
191,80
60,4
21.711
74 56,9
1971
449,30
57,1
50.216
175,90
63,3
19.1216
2240,95
77,1
250.

/

45,25
107,4
101/-
43,70
110,6
9716
178,70
56,3
19.1819
74 56,9
19
15
/16
’37
5-12 Oct.
416,80
53,0
46.101

164,45
59,2
18.6111

12104,25
!
72,41
234.151

45,251
107,4
1011-
43,70
110,6

1
9716
163,35
51,5
18.415
75
57,7
201/j6

MIDDELEN EN GRONDSTOFFEN.
(Indexcijfers gebaseerd op 1927 t/m 1929 = 100).
GE-
SLACHTE GE-
SLACHTE
DEENSCH
BACON
BEVROREN
ARG. RUND-

CACAO G.F.
KOFFIE
Loco R’dam/A’dam
SUIKER
Witte krist.-
THEE
N.-Ind thee-

t,
0

W
0
RUNDEREN
(versch)
VARKENS
(versch)
middelgew. No. 1
VLEESCH
Accra per 50 kg
c.i.t. Nederland
per

kg.
suiker loco veiling A’dam
=

ger 100 kg
ger 100 kg
Londen per cwt. Londen per 8 lbs.
Rotterdam/
Amsterdam
Gem.Java-en
Sumatrathee
g
r
________
Robusta
________
Superior
Herl.Ned.Ct.I
Not.
Herl.Ned.Ct.I

Not.
Herl.Ned.Ct.I
Not.
teçotterdan,
Santos
per 100kg.
per’!,kg.
t
%
ƒ
sh.
%
sh.
TT7
%
cts.
%
1927




65,15
97,8
107,6
2,73 92,2
416
41,21
119,4
681-
46,87
5

95,5
54,10 91,4
19,12
5

119,6
82,75
109,2
101,3
1928
93,-
98,2
77,50
90,8
66,80
100,3
11015
3,03
102,4
51-
34,64
100,4
5713
49,62
5

101,1
63,48
107,3 15,85
99,1
75,25
99,3
102,2
1929
96,40
101,8
93,12
5

109,2 67,81
101,8
11212
3,12
105,4
512
27,70
80,2
45110
50,75
103,4
59,90
101,2
13,-
81,3
69,25
91,4
94,7
1930
108,-
114,0
72,90
85,5
57,19
85,9
9417
2,97
100,3
4111
21,04
61,0
34111
32
65,2
38,10
64,4
9,60 60,0
60,75
80,2
72,1
1931
88,-
92,9
48,-
56,3
35,72
53,6
6316
2,44 82,4
414
13,84
40,1
2417
25
50,9
27,10 45,8
8,-
50,0 42,50
56,1
53,3
1932
61,-.
64,4
37,50
44,0
25,46
38,2
5817
1,70
57,4
3111
11,77
34,1
2711
24
48,9
30,04
50,8 6,32
5

39,6
28,25
37,3
43,0
1933
52,-
54,9
49,50
58,0
30,74
46,2
7417
1,54
52,0
319
9,30
26,9
2217
21,10
43,0
22,83
38,6 5,32
5

34,5
32,75
43,2 37,0
1934
61,50
64,9
46,65
54,7
32,94
49,5
8811
1,42
48,0
319
1
1
8,15
23,6
21110
16,80
34,2
18,40
31,1
4,07
5

25,5
40
52,8 34,9
1935
48,125 50,8 51,625 60,5
32,-
48,1
8815
119
40,2
313
1
12
8,15 23,6
2216
14,10
28,7
15,21
25,7
3,85
24,1
34,50
45,5 32,5
1936
53,42
5

56,4
48,60
57,0
36,37
54,6
9316
1
:48
50,0
319
1
12
12,05
34,9
3014
13,625
27,8
16,875
28,5
4,02
5

25,2
40
52,8 39,2

Jan.

1936
44,-
46,5
50,87
5

59,6
32,09
48,2
8812
1,41
47,6
3110
1
12
8,49 24,6
2314
13
26,5
15
25,4 4,32
5

27,0
39,50
52,1
35,4
Febr.


43,775
46,2
48,25
56,6
33,85 50,8
931-
1,27
42,9
315314

8,62
25,0
23,8
13
26,5
15,50
26,2
4,125
25,8
38,50
50,8
34,6
Maart

,,
45,75
48,3
46,57
5

54,6
34,35 51,6
9416
1,23
41,6
3/0),
8,48
24,6
2314
13
26,5
15,50
26,2
3,92
5

24,5
37,25 49,2
33,8
April

,,
48,50
51,2
45,375

53,2
33,85 50,8
93/-
1,30
43,9
317
8,67
25,1
23110
13
26,5
15,50
26,2
3,975

24,9
36,50
48,2
33,6
Mei

,,
51,60
54,5
44,30
51,9
33,38
50,1
90/10
1,33
44,9
317L12

9,25
26,8
2512
13
26,5
15,50
26,2 3,65
22,8
37
48,8
33,9
Juni

,,
54,15
57,2
46,25
54,2
34,13 51,3
921-
1,51
51,0
41_314

10,42
30,2
2811′
13
26,5
15,50
26,2 3,85
24,1
36,50
48,2
35.7
juli

;,
57,35
60,6
47,75
56,0
34,53
51,9
93/7
1,52
51,4
411
5
12
10,33
29,9
281- 13,125
26,7
15,50
26,2 3,70
23,1
36,25
47,9
36,5
Aug.

,,
60,40
63,8
50,20
58,8
37,-
55,6
100/-
1,54
52,0
4/2
10,92
31,6
29/6
13
26,5
15,50
26,2 3,55
22,2
36,75
48,5
38,8
Sept.,,
61,05
64,5
51,87
5

60,8
37,25 55,9
1001-
1,51
51,0
4/-
1
/,
12,20
35,3
3219
13
26,5
17,50
29,6
3,475

21,7
37,50
49,5
39,2
Oct.,,
58,85
62,1
52,30
61,3
44,15
66,3
96110
1,65
55,7 3/7
1
1,
17,21
49,9
37/9
14,87
5

30,3
19,50
33,0
4,475

28,0
46,50 61,4
48,4
Nov.
56,-
59,1
49,87
5

58,5
40,73
61,2
901-
1,69 57,1
318
1
14
17,42
50,5
38/6
15,25
31,1
20,50
34,7
4,575

28,6 48,50 64,0
48,0
Dec.

,,
59,80
63,1
49,70
58,3
41,35
62,1
921-
1,80
60,8
41-
22,48
(35,1
501-
16,25
33,1
21,50
36,3
4,72
5

29,5
48
63,4
50,4

Jan.

1937
64,60
68,2
52,75 61,8 41,22 61,9
921-
1,81
61,1
4/-‘1,
24,50 71,0
5418
16,75
34,1
22,125
37,4
5,575

34,9
50,50 66,7
52,0
Febr.
64,175
67,8
53,32
5

62,5
38,49 57,8
86/-
1,80
60,8
4/-
1
/4
21,09
61,1
4712
18,25
37,2
24
40,6 5,72
5

35,8 53,50 70,6
52,4
Maart
66,15 69,9
54,82
5

€4,3 39,83 59,8
891-
1,67
56,4
318
3
14
23,-
66,7
51,6
18
36,7
23,80
40,2 6,10
38,1
55 72,6
53,7
April
71,-
75,0
56,25 65,9 42,32 63,6
9413
1,72
58,1
3110
20,83
60,3
4615
17,875
36,4
23,375
39,5 6,12
5

38,3 54,25
71,6
54,4
Mei
73,32
5

77,4
56,75 66,5
42,71
64,1
951-
1,90
64,2
412
3
14
17,30
50,1
38/6
17,50
35,7
23
38,9 6,07
5

38,0 55 72,6
53,6
Juni

,,
80,25
84,7
55,75′
65,3
39,87
59,9
88110
2,04
68,9
4/6′!,
15,66
45,4
34(11
17,50
35,7
23
38,9 6,52
5

40,8
50,50
66,7
52,7
Juli
78,45
82,8
60,85 71,3
42,63
64,0
9416
1,97
66,6
4/4
1
1,
16,46
47,7
3616
17,50
35,7 23
38,9
6,57
5

41,1
55
72,6
55,1
Aug.
77,87
82,2 67,87
5

79,6 46,32
69,6
10216
2,13
72,0
4/8
1
1,
17,61
51,0
39/-
17


34,6
23
38,9
6,50
40,6
54,75 72,3
55,3
Sept.
72,42
5

76,5
69,20
811
46,17 69,3
102110
1,96
66,3 4/4
1
),
15,97
46,3
3517
16,75
34,1
23
38,9
6,32
5

39,6
56
73,9
55,1
2/3 Spt.-5 O”ct.
70,30
74,2
68,75
806
47,46
71,3
1061-
2,01
67,9
416
13,88
40,2
311-
16,50
33,6
23 38,9
6,25
39,1
57 75,2
56,6
5-12 Oct.’37
70,30
74,2
69,50
81,5
47,49
71,3
1061-
1,98
66,9 1415
13,66
39,6
3016
16
32,6
23
38,9
6,37
5

39,9
57
75,2
56,1

GRENENHOUT
Zweedsch ongesor-
teerd 2′!,
x
7
per standaard

VUREN- HOUT
basis 7″ Lo.b.
Zweden/FinI.
perstandaard
van 4.672 M
3
.


HUIDEN
Gaat,open kop
57-61 pond
Veiling te
Amsterdam

COPRA
Ned.-Ind.
1. m.s.
per
ioo
kg
Amsterdam

GRONDNOTEN
Gepelde Coromandel,
per longton
c.i.f. Londen
_______________

LIJNZAAD
La Plata
loco
Rotterdam
per 1960 kg.

GOUD
cash Londen
per ounce line

1
Herl.Ned.Ctij

Not.

Herl.-Ned.

“iE
Hen. N’ed. Ct. Not,
7
t
%
7
%
£
f


1927
230,28
100,1
19.-/-
160,50
105,1
40,43
100,9
32,625
106,5
266,03
106,4
21.18/11
362,50
95,0 51,50
100,1
85/-
105,3 104,4
124,1
1928
229,90
100,0
19.-/-
‘151,50
99,2
47,58
118,7
31,875
104,1
254,10
101,6
21.-/-
363,-
95,1
51,45
100,0 851-
102,0 100,2
94.6
1929
229,71
99,9
19.-/-
146,-
95,6
32,25
80,5
27,37
5

89,4
230,16
92,0
19.-19
419,25
109,9
51,40
99,9
85/-
92,7 95,4
84,5
1930
218,43
95,0 18.1/2
141,50
92,7
25,36
63,3
22,62
5

73,9
175,55
70,2
14.1014′
356,-
93,3
51,40
99,9
85/-
69,6
75,3 60,0
1931
187,88
81,7
16.141- 110,75
72,5
18,65
46,5
15,375
50,2
136,69
54,7
12.2111
187,-
49,0
52,-.
101,1
9215
41,6
54,2
44,7
1932
136,14
59,2
15.1314
69,-
45,2
11,15
27,8
13,-
42,4
130,52
52,2
15.-/4
137,-
35,9 51,25
99,6
1181-
35,1
43,0
38,4
1933
136,48
59,3
16.1112
73,50
48,1
13,26
33,1
9,30
30,4
90,39
36,1 10.1914
148,-
38,8 51,35
99,8
12417
33,1
39,2
34,5
1934
134,02
58,3
17.1814
76,50
50,1
12,07
30,1
6,90
22,5
71,90
28,7
9.1213 142,50
37,3
51,50
100,1
13718
31,6
37,4 36,5
1935
127,91
55,6
17.1314
59,50
39,0
12,54
31,3
9,15
29,9
104,26
41,7
14.81- 131,75
34,5
51,50
100,1
142/2
32,2
37,3 34,8
1936
139,98
60,9
17.19110
78,25
51,3
15,40
38,4
11,90
38,9
113,49
45,4
14.1119
166,50
43,6 54,60
106,1
14014
39,0 42,3 40,7

Jan.

1937
181-
78,7
20.4!-‘

118,75
77,8
21,50
53,6
20,62
5

67,3
145,04
58,0
16.319
201,50
52,8
63,45
123,3
14118
55,1
56,3
58,5
Febr.
187:95
81,7
21.-(-
125,-
81,9

,
22,75 56,8
17,95
58,6
132,01
52,8
14.151-

194,50
51,0 63,60
‘123,6
14211
54,1
57,1
59,5
Maart
201,84
87,8
22.121-
135,-
88,4
25,-
62,4
18,05
58,9
137,54
55,0
15.811
209,25
54,8 63,60
123,6
14214
51,5 61,6
64,8
April
208,79
90,8
23.5/-
135,-
88,4
28,50
71,1
16,875
55,1
138,95
55,6
15.918
224,50
58,8
63,45
123,3
14115
59,3
60,5
63,6
Mei
211,29
91,9
23.101-
137,-
89,7
26,25
65,5
14,95
48,8
127,60
51,0
14.41-
2200
57,8
63,15
122,7
14018
56,7 00,3 58,2
juni
211,01
91,8
23.10/-
137,50
90,1
24,25
60,5
14,32
5

46,8
130,85
52,3
14.1117
216,50 56,7
63,10
122,6
140174
54,8
59,1 56,1
juli

»
212,-
92,2
23.101-
136,25
89,5

59,9
14,525
47,4
137,65
55,0
15.514
221,75
58,1
63,15
122,7
1401-

55,2
60,3
56,3
Aug.
212,40
92,4
23.101-
135,-
88,4

62,4
13,95
45,6
126,66
50,6
14-16
225,50
59,1
63,05
122,5
13917
53,7
59,2
55,3
Sept.
211,08
91,8
23.101-
135,-.
88,4
25,-
62,4
13,15
42,9
120,84
48,3
13.911
226,-
59,2
63,05
1225
14014
52,3
57,9
55,3
28 Spt.-5 Oct,
210,44 91,5
23.101-
135,-
88,4
25,-
62,4
14,-
45,7
124,93
50,0
13.1819
227,-
59,5
63,-
122,4
140164
51,9 57,9
54,1
5-12 Oct.’37
210,56
91,6
23.101-
135,-
88,4
25,-
62,4
13,62
5

44,5
122,13
48,8
13.1216
227,50
59,6
63,
122,4
14065
51,0
57,0
52,0

TÊÊÏKOLEN
Westf./Holl.
bunkerk. ongez.
f.o.b. R’dani/
A’dam per
1000 kg.

PETROLEUM
Mid. Contin. Crude
33
tlni.
33.9° Bé s. g.
te N.-York p. barrel

HerI.Ned.Ct.l Not.

BENZINE
Gulf Exp. 64/66
0

per
U.S. gallon

Herl.Ned.Ct./ Not.

KALK-
SALPETER
franco schip
Ned. per 100kg
bruto

ZWAVELZURE
AMMONIAK
franco schip
Ned. per 100kg

CEMENT
levering bi)
groots part.
franco wal
Ned.perton’)

5 T E EN E N
af fabriek

binnenmuuri buitenmuur
per

per

1000 stuks

1000 stuks




,

0
‘7
%
7
,’
‘ï
cts.
%
iÏi
‘7

“7”
“3”
“T”
1927
11,25
103,1
3,21
103,6 1,28
37
128,0 14,86 11,48 102,6
11,44 102,5
18,-
99,1
14,50 107,4
18,50
95,3
105,1
105,2
1928
10,10
92,5
2,99
97,1 1,20
24,85 85,9
9,98
11,48 102,6 11,08
99,3
18,-
99,1
12,-
88,9
18,50
95,3 96,5
99,0
1929 11,40 104,4
3,06
99,4
1,23
24,90
86,1
10
10,60
94,8
10,96
98,2
18,50
101,8
14,-
103,7
21,25
109,4
98,4 95,8
1930
11,35 104,0
2,76 89,6
1,11
21,90
75,7
8,81
9,84 88,0
10,55
94,5
19,50
107,3
12,50
92,6 20,75
106,9
83,7
77,3
1931
10,05
92,1 1,42
46,1
0,57
12,38
42,8
4,98
8,61
77,0
7,73.
69,3
14,-
77,1
10,25
75,9
20,25
104,3
60,7 54,7 1932
8,-
73,3
2,01
65,3 0,81
11,99
41,5
4,83 6,15
55,0 4,20
37,6
12,-
66,1
9,25
68,5
15,-
77,3
49,6
43.0
1933
7,-
64,1 1,14
37,0 0,57 9,24 32,0
4,63
6,18
55,2
4,63 41,5
12,-
66,1
10,-
74,1
12,75
65,7 46,0
40,6
1934
6,20
56,8
1,40
45,5 0,94 7,18
24,8
4,84 6,11
54,6
4,70
42,1
12,-
66,1
8,50
63,0
10,50
54,1
45,2
39,0
1935
6,05 55,4
1,39 45,1
0,94 7,65
26,5 5,18
5,89
52,7
4,81
43,
1

12,50
68,8
7,25
53,7
8,75
45,1 47,1
40,3
1936
6,60
60,5
1,63
52,9
1,04
8,86
30,6
5,65
5,70
51,0
4,82 43,2
II,-
60,5 7,50
55,6
9,50
48,9
48,7
44,3

Jan..

1936
6,15
56,3
1,48
48,1
1,01
8,51
29,4
5,80
5,80
51,8
4,85 43,5
II,-
60,5 8,25 61,1
10,-
.51,5
45,5
40,8
Febr.
6,15
56,3
1,51
49,0
.
1,04
8,57
29,6 5,88
5,85
52,3
4,90 43,9
II,-
60,5
8,

59,3
9,50
48,9
45,9
40,9
Maart
6,15
56,3
1,52
49,4
1,04
8,60
29,7
5,88
5,90
52,7
4,95
44,4
II,-
60,5
8,-
59,3
10,25
52,8
46,5
41,1
April
6,20
56,8
1,53
49,7
1,04 8,55
29,6 5,80
5,95
53,2
5,-
44,8
II,-
60,5
8,

59,3
10,25
52,8
46,4
41,0
Mei
6,25
57,3
1,54
50,0
1,04
8,41
29,1
5,69
6,-
53,6
5,05
45,3
II,-
60,5
8,-
59,3
10,25
52,8
46,3
.
40,8
Juni

»
6,30
57,7
1,54
50,0
1,04
8,32
28,8
5,63
6,-
53,6
5,05
45,3
II,-
60,5
7,75
57,4
10,-
51,5
45,7
40,6
Juli

»
6,25
57,3
1,53
49,7
1,04
8,08
27,9 5,50
6,-
53,6
5,05
45,3
11,-
60,5
7,-
51,9
9,25
47,6
45,6
41,2
Aug.

»
6,30
57,7
1,53
49,7
1,04
8,10
28,0
5,50 5,25
46,9 4,45 39,9
II,-
60,5 6,50
48,1
9,
46,4 44,9
41,2
Sept.,,
6,35
58,2
1,53
49,7
1,04
8,10
28,0 5,49
5,35 47,8 4,55 40,8
II,-
60,5

51,9
9,-
46,4
45,9
42,0
Oct.,,
7,80
71,4
1,94
63,0
1,04
10,16
35,1
5,46
5,40 48,3 4,60 41,2
II,-
60,5 7,25
53,7
9,-
46,4
54,9
51,2
Nov.
7,70
70,5
1,93
62,7
1,04
10,28
35,6
5,55
5,45 48,7
4,65 41,7
II,-
60,5 7,25
53,7
9,25
47,6
51,9
53,9
Dec.

»
7,85 71,9
1,91
62,0
1,04
10,32
35,7
5,63
5,55
49,6 4,75
42,6
II,-
60,5 7,50
55,6
9,-
46,4
60,4
57,2

P
n

1937
8,05
73,7
1,90
61,7 1,04
10,61
36,7 5,81
5,65
50,5 4,85
43,5
II,-
60,5
7,50
55,6
9,-
46,4
62,5
59,1
r.

»
8,25
75,6 2,12
68,8
1,16 10,95
37,9
5,99
5,70 51,0 4,90
43,9
11,85
65,2 7,50
55,6
9,-
46,4
65,0
60,1
Maart
8,30
76,0
2,12 68,8
1,16 11,16
38,6 6,10
5,75
51,4 4,95 44,4
11,85
65,2

59,3 9,25
47,6
74,1
66,6
April

•»
8,55
78,3 2,12
68,8
1,16
11,30
39,1
6,18
5,80
51,8
5,-
.

44,8
11,85
65,2 8,25
61,1
9,50
.48,9
>
68,6
64,4
Mei

»

82,4
2,11
68,5
1,16
11,46
39,6
6,30
5,85 52,3
5,05 45,3
11,85
65,2
8,25
61,1
9,50
48,9
71,1
64,5

j
uni

»
9,-
82,4
2,11
68,5
1,16
11,48
39,7
6,31
5,85
52,3
5,05
45,3
11,85
65,2 8,25
61,1
9,50
48,9,
70,1
63,1
juli

,,
9,-
82,4
2,11
68,5
1,16
11,58
40,0 6,38
5,60
50,1
4,80 43,0
11,85
65,2
8,50
63,0
9,75
50,2
70,5
63,5
Aug.
9,-
82,4
2,10
68,0
1,16
11,57
40,0
6,38
5,70 51,0
,

4,90
43,9
11,85
65,2 8,50 63,0
9,75
50,2
68,4
61,1,
Sept.
9,-
82,4
2,11
68,5
1,16
11,56
40,0
6,38 5,75 51,4 4,95
44,4
11,85
65,2 8,50 63,0
9,75
50,2
65,8
59,7
285pt.-5
Ot.
9,

82,4
2,10
68,0
1,16
11,55
39,9
6,38 5,80
51,8
5,-
44,8
11,85
65,2 8,50 63,0
9,75
50,2
64,5
58,8
5-12 Oct.’37
9,-
82,4
2,10
68,0
1,16
11,30
39,1
6,25
5,80
51,8
5,-
44,8
11,85
65,2
8,50
63,0
9,75
50,2
63,0
57,5

764

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

13 October 1937

NEDERLANDSCHE BANK.
Verkorte Balans op 11 October
1937.

Activa.
Binneni. Wis- (Hfdbk.
f

8.829.712,24
se1s,Prom.,

Bijbnk.
,,

187.857,62
enz.in disc.Ag.sch.
,,

554.168,94

f

9.571.738,80
Papier o.
ii.
Buiten!. in disconto

……

Idem eigen portef.

f

5.064.000,-
Af: Verkocht maar voor
de bk.nog niet afgel.


5.064.000,–
Beleenin
g
en
Hfdbk.
f
161.579.062 18′)
ncl. vrsch.
B
1
ijbnk.

4.021.586 24
in

rek.-crt.i
op

onderp.

Ag.sch.
,,

31.211.773,30

f
196.812.421,72

Op Effecten

……
f
195.297.017,65
1
)
Op Goederen en Spec.
,,

1.515.404,07

196.812.421,721)
Voorschotten a. h. Rijk …..
….. ……

,,

Munt, Goud ……
f

1
1
3.607.470,-
Iluntmat., Goud
..
,,1 177.208.303,46

fl.
290.8l5.773,46

Munt,

Zilver, enz.

17.377.641,52
Muntmat. Zilver.


11
1.308.193.414,982)
Belegging van kapitaal, reserves en pen-
sioenfonds

……………………
,,
41.855.630,88
Gebouwen en Meub. der Bank ……..
,,
4.600.000,-
Diverse

rekeningen ………………
,,
5.961.977,26
Staatd. Nederl. (Wet v. 27/5/’32, S. No. 221)
,,
10.193.915,19

Passiva.

r
1.582.253.098,83

kapitaal ……………………….
f
20.000.000,-
Reservefonds ……………………
,,
4.338.707,82
Bijzonderereserve

………………
,,
6.600.000,-
Pensioenfonds

………………….

,,
13.096.937,21
Bankbiljetten in omloop …………..

,,
849.019.670,-
Bankassignatiën in omloop

……….
,,
58.865,80
Rek.-Cour.
f
Het Rijk
f
150.534.549,85
saldo’s:

‘l, Anderen

,,
538.315.169,44

688.849.719,29
Diverse rekeningen ………………
»
.2.289.218,71

f

1.582.253.098,83

Beschikbaar metaalsaldo

…………
f
693.025.101,37
Minder bedrag aan bankbiljetten in om-
loop dan waartoe de Bank gerechtigd is
1.732.562.755,-
Schatkistpapier, rechtstreeks bij de Bank
ondergebracht

………………..
,,

9
Waarvan aan Nederlandsclj-Indit
(Wet van 15 Maart 1933, Staatsbiad No. 99) ……..
/
65.883.125,-
2)

Waarvan

in

het

buitenland

…………………….

..25.009.003,38

Voornaamste
posten
in duizenden
guldens.

Goud
1
Andere
1
Beschikb.
Dek-
Data
1
Circulatie
ope,schb.
schulden1
Metaal
kin ga
Munt
1
Muntmaf.
__
saldo
perc.

11

Oct.

‘371113607
.1.177.2081
8490201688.9081693.025
1
85
4

,,

‘371113607
1.162.2691
863.0401663.648
682.714
1
85

25Juli
‘141
65.703
_96.410
_
310.4371
6
.
1
Ô
8
J
43.521
54
1

Totaal
1
Schatkist-
Belee-
Pa7i
iv.ï
Data
1

bedrag

1
pro messen
ningen
op het
reke-

Idisconto’lrechtstreeksI
buitenl.
ningen
1
)

11

Oct.

19371
9.572
1
5.064 5.962
4

,,

1937
10.702

~
.
196.812

197.364 5.064
7.927

25 Juli

19141
87.947
1


61.686 20.188
509
?
UIIUCI UC 4ÇIIVU.

JAVASCHE BANK.

Data
Goud
Zilver
Circulatie
Andere
opeischb.
schulden

Beschikl
metaal-
saldo

9Oct.
‘372)
1.980
199.860
82.670
19.968
2

1372)
133.150 195.490
83.810
21.430

48ept.1937
116.57415.777
201.644
71.881
22.941
28Aug.1937
116.574

15.940
198.697
73.188
23.760

25Juli1914
22.057

31.907
110.172 12.634
4.842

1

reke-

1
k’tn’gs-
Data

1
buiten’
1
Dis-
1
Belee-

Diverse
1

1
N.-Ind.
1
conto’s
1
ningen

ningen’)

percen-
1
betaalb.
1

1

IaEe

9Oct. ‘371)
4.530 84:920
74.020
47
2

,,

1372) 4.040
83.600 72.270
48

4Sept.1937
4.546
10.767
71.549
48
28Aug.1937
4.740
10.843
56.295 67 685
49

25Juli1914
6.395
7.259
75.541
2.228

1
44
t)
Sluitpost activa.
2)
Cijfers
telegrafisch ontvangen.

BANK VAN ENGELAND.

Bankbilf.
1
Bankbilj.
I

OtherSecurities
Data
Metaal in

‘n
1
i

Bankingl
Disc.and
ISecurities
circulatie
1
Departm.
Advances
6 Oct.

1937
328.104
1
491.834

1

34.573
10.837

1

20.897
29 Sept. 1937

_

1 328.068
1 488.470
1

37.936

________

6.191

j

20.768

22Juli1914
1
40.164
1
29.317 33.633

1

Oov.
1

Public
OtherDeposits
1

Dek-
Data
Sec.
Depos.
Other

Bankers
lAccount

J
Reservel
kings-
1
perc.
1)

6 Oct.’37
1106.533
1

17.954
1102.1311

36.805

1 36.2701
23,1
29 Sept.’37
105.838
1

21.805 95.122

37.179
39.5981
25,7

22 Juli ’14
1

11.005 14.736
1

42.185
1
29.
2
9
7
1
52
‘) vernouaing tusschen
I
BANK VAN FRANKRIJK.

Data
Goud
Zilverin

Te goed

Wis

h
t


Waarv.l

op het
t
Belee-
.
1
oos
vohot
buitenl.

sels
buitenl.I
ningen
v.d. Staat

30Sept.’37
55.8051
13111.2111
812!
5.515 I
3.200
23

’37
55.805
1
421
12

_

111
.
098
1
8091
5.448
1
3.200

23Juli’14
4.104 _
640

1
1.5411
81
7691

Bon, v.d.
1

Diver-
1
1
Rekg.Courant
1
Data
zei/st.
sen’)
Circutatie
__

Staat
Zet/st.
1
Parti-
amort. k.
lamort.k.l
culieren
30Sept.’37
5.637
1

4.320
1

91.370
1

59
1 2.292
15.886
23

’37
5.637
1

2.993
88.645
74
1

2.261
117.143
23 Juli’14

1

1
5.912
401

943
‘)Siuitpost acttva.
DUITSCHE RIJKSBANK.
Daarvan
Devlezen
Andere
Data
Goud
bij
bui-
als goud-
wissels Belee-
tenl. circ. dekking
en
ningen
banken
1)

geldende
cheques

7 Oct.

1937
1
70,1
20,1
5,9
5.285,4
1
35,7
30 Sept. 1937
1
70,1
20,1
5,7
5.538,3
1
51,5

30 Juli

1914
1.35
6
,9


750,9
50,2

Data
1

Effec-
t

Diverse
Circa-
Rekg.-
Diverse

1

ten

1
Activai)
latie
Crt.
Passiva

7 Oct.

1937
1

104,7
1

780,3
5.035,5
745,2
284,0
30 Sept. 1937
1

304,5 786,1
1

5.256,2
838,]
283,8

30 Juli

1914
1

330,8 200,4
1

1.890,9
944,-
40,0
t) Onbelast.
2)
w.o. 1fentenbankscheine 7 Oct.,
30 Sept., reap. 19, 7 miii

NATIONALE BANK VAN BELGIE (in Belga’s).

Data

Goud
C.
.
0.
otz
,

.2

Rekg. Cr1.

‘937
,..

0

0
0
L
0
-.
.
CQ
0

7 Oct.

44
11.2611

47

1152

40

30
1

599
1021
30 Sept.3.483

46
11.2511

50
j
152

40

4.436

42
j

536

FEDERAL RESERVE BANKS.

Goudvoorraad
Wissels

Data
,,Olher
1

Goud-
In her-

1
In de
Totaal
certifi-
cash”
2)
disc. v. d.
1
1
open
bedrag
cateni)
,neniber
markt
banks

I
gekocht

22Sept.’37
9.338,6
1

9.129,9
j

308,4
24,2

I
3,0
35

’37
9.139,1
9.129,9 296,3
23,2
3,1

Belegd
1

F. R.
Notes
1
1
Gestort
1
Goud-
1

Dek-
t
Algem.
1

Dek-
Data
in
U.

.
Gov.Sec.
in circa-1
.

.
Kapitaall
kings-
1

kings-
latie
I
1
perc.3)

1

perc.
4
)

22Sept.’371 2.526,2
4.253,2
1
7.532,7
1
132,6

I
80,2
1


15

,,

‘371
2.526,2
1
4.271,3 7.525,2
,
132,6
80,0
j


‘)
ueze cerinicaren weruen uoor
ue ncna,,s,
aan ue rveserve DanKen
gegeven voor de overname van
het goud, toen de $ op 31Jan. ’34 van
1(0
op
59.06
cents we,d gedevalueerd.
.
2)
Other Cash” does not inciude Federal Reserve Notes or a Bank’s
own Federal Reserve
bank
notes.
5)
Verboudiug totalen goudvoorraad tegenover opelschbare schulden: F. R. Notes en netto deposito.
4)
Verhouding totalen
voorraad •muntmaterlaal en wettig betaalmiddel tegenover idem.

PARTICULIERE BANKEN AANGESLOTEN BIJ lIET
FED. RES. STELSEL.

Dis-
1
Il
Totaal
1
Waarvan
Data
Aantal
conto’s
I

Beleg

bil de
1

depo-
1

time
leening.
en
gingen
R.
1

sito’s
deposits
beleen.
1
bank,
1

15Sept.’37i
8
1

10.049
112.183

1
5.291

1
26.389
1

5.280
8

,,

‘371
23
10.041
1

274

1
5.162
26.207
5.289
u puevan
VUIl
0
100.
UUfl, UU UVUbÇIO 0U11 00 CIV UbIflUIIÎ
land
zijn In duizenden, alle overige posten in millioenen van de be-
treffende valuta.

Auteur