Ga direct naar de content

Jrg. 20, editie 1033

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: oktober 16 1935

ie
OCTO1ER 1935

AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN.
E

Berichten

ALGEMEEN WEEKBLAD VÖOR HANDEL, NIJVERHEID, FINANCIËN ËN VERKEER

ORGAAN. VOOR DE MEDEDEELINGEN VAN DE CENTRALE COMMISSIE VOOR DE RIJNVAART

UITGAVE VAN HET NEDERLANDSCH ECONOMISCH INSTITUUT

JAARGANG

WOENSDAG 16 ‘OCTOBER 1935

No. 1033

COMMISSIE VAN REDACTIE:

P.
Lief tinck; N. J. Polak; J. Tinbergen; F. de Vries en

H.
M. H.
A. van der Valk (RedacteurBecretaris).

Redactie-adres: Pieter d Hoochweg 122, Rotterdam.
Aangeteekende stukken: Bijkantoor Ruigeplaatweg.

Telefoon Nr. 35000. Postrekening 8408.

Advertenties f 0,50 per regel. Plaatsing bij abonnement

volgens tarief. Administratie van abonnementen en adver-
tenties: Nijgh
d
van Dit,nar N.V., Uit gevers, Rotterdam,

Amsterdam, ‘s-Gravenhage. Postehèque. en giro-rekeningNo.

145192.

Abonnementsprijs voor het weekblad franco p. p.
in

Nederland f 20,—. Buitenland en Koloniën f 23,— per

jaar. Losse nummers 50 cents. Economis’ch-Btatistisch

Kwartaalbericht f 1.—. Leden en donateurs ontvangen

het weekblad en het Kwartaalbericht gratis en een reductie

op de verdere publicaties.

INHOUD

BIz.

HET ÔOMPENSATIEVERKEER IN DEN BIJITENLANDSCHEN

HANDEL
door
C. A. Klaasse……………………
888

Een treurspel door
Prof. Dr. N. J. Polak…………
890

De Indische Regeering en de rubber:puzzle door
J. F.

Haccoû…………………………………….
891

Verplichte verzekering van wettelijke aansprakelijk-

heid in Nederland door
Dr. P. D. Pestman ……..
893

Ook Nederland’s nationale ,,havengeweten” ontwaakt

doorW. van Looveren ……………………..
895

AÂNTEEKENINGEN:

Bevordering van het toerisme in Nederland ……898

De beteekenis van ordening van het Nederlandsche

bedrijfsleven…………………………….899

Conjunctuurdiagnose………………………. 900

De 14de publicatie van het Nederlandsch Economisch

Instituut……………………………….902

De zichtbare suikervoorraden in de wereld ……902
INGEZONDEN STUKKEN:

Het crediet der publieke lichamen en der hypotheek.

banken door
Mr. J. van Gaten …………….
902

Gevolgen van ingrijpen in hypothecair crediet in

ons land en elders door
Mr. A. J. S. van Lier
met
Naschrift door
J. J. Korndorffer …………..
904

De Regeering en het probleem der vaste lasten door

S
. W. Prins …………………………….
905

S
TATISTIEKEN
………………………….907-910
Geidkoersen. –
Wisselkoersen.
– Bankstaten.

15 OCTOBER 1935.

Deze week is in de positie van onze geidmarkt een

kleine verbetering gekomen. De rente voor drie-
maands bankaccepten is van 5Ys: pOt. op 5% pOt.

teruggeloopen, waarbij door de nemers wel een weinig
gespeculeerd is op een eveutueele verlaging van het hankdisconto. De rente voor sëhatkistpapier ligt iets

lager drie-maandspromessen noteeren es. 5 pOt.,
6-maands 4% pOt., 1- en 2-jaars 4
3
/s pOt.,. 3-jaars 4% pOt en 4- en 5-jaars 4 pOt. De omzetten zijn niet
groot; men wacht de nieuwe insëhrijving af. Oall-gelden waren ook wat ruimer; de noteering is van
5% op 5% pOt. teruggeloopen. IDe animo om ‘gelden
“op prolongatie te géven was nog steeds niet groot.
Men schijnt bevreesd te zijn, dat bij eventueele moei-
lijkheden de terugbetaling van op prolongatie ge-

geven gelden aan ‘beperkende bepalingen gebonden zal

zijn. Na de geheele week 6 pOt. te hebben genoteerd,
va de prolongatierente gisterén 5% pOt.

* *
*

Op de wisselmarkt bleef de toestand onveranderd;
er bleef vraag naar Dollars en aanbod van Ponden.
Ondanks de voortdurende vraag is ‘de Dollar hier
nog iets adhteruitgeloopen – van 1.48 op 1.47°/i4,

terwijl het Pond van 7.25 op 7.23% terugging. De $/f koers werd op 4.90% vastgehouden. Fransche Franes
• kwamen van 9.75 op 9.72%. Men schijnt in Frankrijk

wederom veel zorg voor de politieke toekomst te heb-
ben, wat tengevolge heeft ‘dat men steeds minder ge-
rust wordt voor de toekomst van den Franc.

De £fFrs. koers veranderde weinig; hij werd op ca.
74.40 vastgehouden.. Belga’s kwamen van 25 op 24.83.

L
De verlenging van de Belgische schatkistbiljetten
had noch op de geldmarkt noch op de wisselmarkt

eenigen invloed. Ook uit België komen steeds meer
berichten,’ die op een’ kleiner wordend vertrouwen iii de eigen valuta gaan wijzen. Marken liepen terug van

59.50 op 59.32%. Registermarken waren aangeboden,
terwijl voor Oreditsperrmarkeh eenige vraag te con-
stateeren viel. Zwitsersche Fraucs 48.16-48.06. Lires,

zonder veel zaken, ondanks de côntrôle, 1ageî: ’12.—.
Canadeesche-Dollars 1.45
2!,

De marges op de termijnmarkt zijn kleiner gewor-
den. Ponden en 1- en 3-maandslevering deden ten-
slotte 3% resp. 14 c. agio, Dollars
%
resp. 3% c. Er
was overwegend aanbod van termijnen.

Op de goudmarkt zijn de prijzen teruggeloopen.
Baren levering Amsterdam noteeren
f
1649.50, leve
ring Londen
f
1.649. Eagles doen 2.50% – nog voort-
durend ‘gezocht voor huitenlandiche rekenin’g –
Sovereigns 12.29 en Gouden Tientjes 10.34. Marken
bankpapier zijn zeer aangeboden; de koers liep tot 40.80 terug. Veel vraag is er de laatste weken naar
Dollar-noten, die hooger dan kabel-uitbetaling geno-
teerd staan.

888

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 October 1935

HET COMPENSATIEVERKEER IN DEN

BUITENLANDSCHEN HANDEL.

Oorzaken van het corn pensatiev erkeer

Een van de producten van de on’tred’dering van ‘het internationale goederenverkeer en daarmee het inter-

nationale geldverkeer •is ‘het instituut van den corn-

pensatiehandel. De landen, welke het evenwicht tus-
sehen (‘zidh’tbare en ‘on’ziohtibare) import en export

verbroken zagen, en niet in staat waren geruimen tijd

een invoeroversehot te financieren, ‘hetzij uit den

gou’dvoorraad, ‘dan wel door nieuw opgenomen c.redie-

ten (vrijwillig ‘door ‘het buitenland verstrekt, dan wel

onvrijwillig gegeven in den vorm van bevroren vor-
derin’gen), zagen zidh, nadat de ibeide genoemde over-

bruggingsmiddelen uitgeput ivaren, genoopt om den

‘deviezen’handel aan ‘banden te leggen, resp. in nog en-

ger keurslijf te wringen dan tevoren reeds het geval

was. Deze lan’den-me’t-‘deviezenrestrictie moesten der-

‘halve ‘den invoer aan banden leggen, althans de af-

gifte van vreemde valuta voor de betaling daarvan.
Het ‘daarvoor toegepaste systeem was in de meeste
landen verschillend en ‘in elk land .doorliep ‘de regle-

menteer.in’g zekere stadia, die buy, in Duitschiand,

een der voornaamste landen uit deze groep, in ‘het
,,neue Plan” van Dr. Schacht ‘haar culminatie vonden.

Hoezeer ook technisch van opzet verschillend, ‘had-
‘den toch in alle ‘landen ‘de dev’iezen’bepalin’gen dit

gemeen, dat er een directe hand werd ‘gelegd tussehen

import en export. Aangezien nu eenmaal de uitvoer
de valuta moet verschaffen om den import te kunnen

betalen, was de ‘invoer en den omvang ‘daarvan in

‘zekeren ‘zin secun’dair, hoewel naar de betechenis voor

•de volks’huis’houdin’g natuurlijk primair. Dat alge-
meene verschijnsel nu: het aan elkaar koppelen van
in- en uitvoer als geheel moest vanzelf ‘de tendens in

zich bergen om die ‘koppeling ‘ook ‘bij indivi’dueele
transacties to’t ‘stand te ‘brengen. Is men eenmaal zoo-

ver, dan ‘is het ‘compensatieverkeer ‘geboren, want dit

is immers niet anders dan een verbinding van een
in- en eei uitvoertransactie. Ook daarbij ‘zijn intus-
schen weer e’en ‘groot aantal sdhakeerin’gen ‘denkbaar, zoowe’l wat principe als technisôhe uitwerking ‘betreft.

Daarbij ‘zijn twee groote groepen ‘te ondersheiden:
men kan het particuliere compensatieverkeer beschou-,
wen als een vorm van ‘tenuitvo&rleggin’g van •het al-
gemeene uit’gan’gspunt: geen invoer ‘zonder eveure-
•di’ge uitvoer. In .dat geval kan ‘het heele normale

hand&lsverkeer op compensatiebas’is plaats vinden, en
wordt dus de ‘importeur tot invoer gemachtigd, omdat
er tegelijkertijd een bepaalde uitvoertransactie tot
1
stan’d komt, die ‘hij aamvijst als te vali’deeren tegen-
over ‘zijn import. Tussohen beide affaires’ is ‘dan wel
een parallel – maar nog geenszins een causaal –
verband. Er worden . dus aan ‘beide affaires geen
speciale e’isehen ‘gesteld, “de kans, en soms zelfs de
waarsc’hijnlijk’hei’d, bestaat, dat ook zonder compen-,
satie beide tot stand ‘gekomen waren,’ ‘zood’at ‘de com-
pensatie eigenlijk slechts een methode van wederzijd-
sôhe administratie is.

– Daartegenover staat een ander ui’terste: compen-
satie wordt alleen toegestaan wanneer de uitvoer een
,,a’d’d’i’tioneel” karakter ‘draagt, waarbij ‘dus ‘de heele
,,normale ‘handel”, die ook zonder compensatie geacht
word’t “tot ‘stand te komen, daarvan is uitgesloten, ‘zoo-,
dat ‘hier een ,,extra” har,,delsbeweging
ontstaat, waar-

bij tusshen im- en export niet slechts een parallel,

maar wel
“degelijk
een causaal verband bestaat. Den
importeur wordt “daarbij’ vero’o’rlo’ofd invoer ‘tot stand
te ‘brengen hoven en ‘behalve zijn portie in ‘het nor-‘
male ‘han’delsverkeer, waartoe •de deviezensituatie ‘de
gelegenheid biedt,’ omdat hij ervoor zorg ‘draagt, dat’
er ook een extra uitvoer ‘geschiedt.

Daartussohen liggen ‘dan ‘de velerlei sc’hakeerin’gen,
die in ‘de practijk het meest ‘voorkomen, waarbij wel
aan den export speciale eischen worden gesteld, ‘doch geenszins als e’en wet van Meden en Perzen geldt, dat’

‘de uitvoer alleen, maar ‘dah ook ‘alleen, te danken is

aan de’ importaffaire. Integendeel, vaak wordt ‘die

ban’d tegengewerkt doordat ‘het ‘den betrokkene ver-

boden wordt •prëies te ‘betalen, hetgeen ‘overigens
meestal ‘slechts ‘beteeken’t, .dat ‘die ‘preinie’hetal’ing naar
‘het ‘buitenland wordt verschoven.

In Duitsc’hland, waar het compensatieverkeer zeer

grooten omvang heeft bereikt, wanneer men althans
meerekent ‘de ‘handel ‘die via ASKI (Ausl’n’der-Son’der-

K’on’to fiir In’l’an’dszahlun’gen) plaats ‘vindt, ‘welke de
fact’o immers een speciale en wel teôhnisch zeer ver-

eenvoudigde ‘vorm van compensatie’han.del ‘beteekent

en wel vaak in ‘den vorm van drieh’oekscornpensatie,

is van eeni’ge eisöh van additionaliteit ‘geen ‘sprake

(afgezien van ‘de clearin’gcompensatie ‘met ons land,
‘die een ‘heel anderen opzet
:heeft).
Dat neemt. niet
weg, ‘dat wel ‘degelijk ‘door ‘die compensatie trans-

acties tot stand komen, ‘die anders ‘zouden ‘hebben
schipbreuk ‘geleden. Hoewel in Dui’tsôhlan’d ‘zelve ‘het

betalen van compensatieprernies door den ‘importeur is verboden, wordt toch, ‘doordat de ‘huiten’lan’dsdhe
lever&ncier, ondanks ‘de prjscontrôle door ‘de ijber-

wadhun’gsstelle, een ‘boven de wereldmarkt liggen’den prijs on’tvangt, waardoor deze daarvan een pre’mie kan
aanbieden aan den kooper van Duitshe waren, ‘de

aankoopprjs ‘dier Dui’t’sche goederen verlaagd, het

concurrentievermogen ‘derhalve verhoogd, ‘hetgeen ‘de

tendens tot om’zetvergrootin’g in zich ‘draagt. Het

blijft echter hij ‘die tendens, de eisoh van ,,Zusii’tz-
1’idh’kei’t” wordt niet ‘gestel’d.

An’ders is het ‘buy, in Italië, waar wel prern’iever-

rekening tusschen i’in- en exporteur is toegestaan –
onder contrôle van het Instituto Nazionale per i

Cambi con ‘l’Estero – en waar ‘aan importeurs extra
invoercohsenten worden verstrekt bij compensatie,
waarbij’ dan ook van die transactie uitgesloten zijn
uitvoeren, wâarvan aangenomen ma’g worden, dat zij
ook ‘zonder de prikkel der premie ‘tot stand komen,
bijv. die van typisch n’ati’ona’le producten als zuid-
vruchten, wijnen, enz. Het ad’ditioneele karakter van
den uitvoer wordt wel niet precies on’dertocht, maar
toôh komen alleen die affaires in aanmerking, waar-

bij de compensatie ‘de ‘tendens tot exportvergrooting
in ‘zich ‘houdt (‘dit alles ‘gel’dt ook al weer niet’ met
betrekking tot ‘de Nederlan’dsch-Italiaansehe compen-
satie, die, evenals bij ‘dit verkeer met Duitschl’and,
geheel buiten ‘het kader vn de aldaar ‘geldende ‘com-
pensatie-opzet ‘valt).
Li’gt derhalve de origine van het compensatiever-
keer in laii’de’n rnôt ‘deviéiènre’stricties, dat neemt niet
weg, dat in den loop ‘der ‘ontwikkeling ook de tegen-
partijen ‘dezer landen in ‘het handeisverkeer soms be-
hoef te voelden aan compensatie. De ratio in die an-
•dere landen, waaronder ook ons land, was natuurlijk
een ge’heé’l ‘ân’drb. ‘Wij bdlioeven ons ‘in ‘de imorten
nog niet z’oo ‘te beperken, dat ‘cle ‘handelsbewegin’g
aldus ,,’gemanaged” moet worden, ‘dat ‘de invoer door
uitvoer wordt gedekt. Niet ‘deviezennood
‘drijft
ons

tot compensatie, niet ‘de wensch om – tegenover elken
import ook uitvoer -te ‘doen stellen, maar veeleer ‘de
wensch om tegenover eiken uitvoer ook zorg te dragen
voor evenredi’gen import. Uitvoer naar landen met de-
viezerirestrictie ‘kan immers slechts betaal’d worden,
wanneer •er ‘ook ‘import’ is.’ ‘Als die ‘i’mport er is ‘zorgt
‘de clearin’g, ‘dat ‘de uitvoer ‘betaald wordt, maar het
plaats vinden van ‘dien import wordt dus een primair
‘doel, waaraan nu ‘de compensatie dienstbaar wordt
gemaakt. ..
Ondanks dit algemeene uitgangspunt is echter ook ‘hier ‘de versohijningsvorm van de compensatie vaak
verschillend, zoo verschillend ‘zelfs, dat men bijna van
ui’teenl’oopende ‘bedoeling en opzet zou kunnen spre-
ken. ‘In’ ‘hoof’d’zaa’k zijn hierbij’ twee ‘categorieën te
on’derscheiden, waarvan het prototype te onrzent wordt ‘gevormd ‘door de compensatie met Dui’tschland eener-
‘zijds en ‘door ‘die met Italië anderzijds. Aan ‘deze ‘beide
typen ‘zij hieronder in de eerste plaats de aandacht

‘gewijd.

16 October 1935

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

889

liet karakter van het compensatieverkeer mt

Duitschiand.

Beginnen wij met de Ne’derlandsnh-Duitsche com-
pensatie (hoewel dat historisch niet het eerste type

is, wijl het voorafgegaan werd door de compensatie

met Ohili, die wat opzet betreft, veel meer lijkt op

het met Italië juist ingevoerde stelsel). Reeds spoedig
na de invoering van de gedwongen clearin’g met

Duitschiand bleek, ‘dat, rekening ‘houdend met de all-
dere factoren, ‘die naast den goederenexport uit ‘de

clearing gedekt moesten worden, de import niet vol-

doende was om een vrijen export te kunnen handhaven

zonder tot een groeiend deficit te komen. Resultaat:

de export naa’r dit land moest aan grenzen, de heta-

lin’gscontin’genten, worden gbon’den. Nu was één van
‘de voornaamste oorzaken van dit verloop, ‘dat ‘de in-
voer uit DuitsGhland in de ‘laatste jaren stevk is
terugge’ioopen, en dat feit was, althans tot op zekere

‘hoogte, toe te schrijven aan de omstandigheid, dat
door allerlei oorzaken het prijsniveau in dat land, in
vergelijking tot het wereldmarktniveau, te ih’oog is

geworden. Een van de endogene oorzaken van ‘dat

versdhijn’sel was ‘de financiering der werkverschaf-
fin’g; daarnaast valt een exogene factor te noemen:
de deviezenschaarschte, die tot invoer.beperkin’g en
daardoor tot verhoogde
prijzen
van stapelartikelen en

fabrikaten leidde. Er waren nu dus naast e1kaar twee
feiten: eener’zijds een
belemmering
van onzen uitvoer
(die in Duitschlan’d een beteren prijs kon ibedingen
dan elders, hetzij omdat ‘daar de prijzen hooger waren
dan elders, hetzij omdat elders afzet voor de betrok-
ken producten in het gcheel niet of slechts te’gen af-braakprijzen te
verkrijgen
was) en anderzijds een
teruggaan van onzen invoer uit ‘dit land, omdat van
elders de goederen goezikooper konden worden ver-
kregen. Daar lag dus een mogelijkheid tot nivellee-
ring, waardoor voor beide bewegingen de rem kon
wegvallen, resp. losser zou komen te staan.

In ‘het kort komt de oplossing, waartoe deze situatie
aanleiding geeft, hierop neer: de uitvoer offert een
deel van de nieeropbrengst in Duitschland op om den invoer, die vroeger ‘gesdhied’de, maar nu naar andere
leverancierslanden is verschoven, weer mogelijk te
maken. Die oplossing kon weer op tweeërlei wijze tot
stand gebracht worden: ‘generaal of incidenteel. De
eerste oplossing zou ‘het geinakkelijkst en meest radi-
caal ‘bereikt zijn, wanneer ‘men eenvoudig de basis-
koers voor de clearingverrekening •zou ‘hebben ver-
laagd, waardoor ‘dus de invoer in vijn geheel een
prikkel zou hchheu ontvangen u:it een opoffering, die de heele uitvoer zou moeten ‘brengen. De tweede ino-
gelijkheid lag in het onaangetast laten van ‘het be-
‘staande ‘Iiandelsverkeer, en het toepassen van de
vorenomsohreven nivelleering op een spits van addi-
tioneelen ‘handel. Voor dit laatste was ‘heel veel te
zeggen, ‘omdat immers, ondanks de te ‘hooge prijzen
voor vele artikelen in Duitschlan’d, toch nog een paar

‘honderd mil’lioen normaal ‘han’delsverkeer over’bleef,
en er weinig aanleiding was, om voor dien handel
ten laste van ‘de exporteurs een douceurtje ‘te ver-
strekken aan de importeurs. Aldus kwam men ertoe
het sedert ruim een half jaar werkende stelsel der
clearingcompen’satie in te voeren.

Uitgangspunt daarbij was om de bestaande ële.aring-
massa ongemoeid te laten, maar exporteurs te veroor-
loven hoven de voor het sluitend ‘houden van de
clearing vastgestelde contingenten extra export te
bewerkstellin’gen en via de clearing te incasseeren,
mits tegenover ‘dien export een extra-invoer plaats
von’d. De exporteur zocht dus importeurs, die in
staat waren Duitsche goederen te ko’open in plaats van die g’oe’deren van elders tegen lageren prijs te
betrekken, iaarvoor ‘dien importeur natuurlijk een
voldoende compensatiepremie moest wor’den geboden
om het prijsversdhil te overbruggen plus ‘hem nog een
zekere extra-marge te laten. De afwikkeling van deze
transacties vindt gewoon over de clearing plaats, en

wordt daarbij ‘geheel met de normale clearingmassa
vermengd. In verband daarmee o.a. is ook vastgesteld, dat ‘de invoer in compensatie het dubbele moet beloo-

pen van den uitvoer, wijl immers uit de betalingen
van ‘den invoer •ook verschillende andere posten dan
alleen uitvoer gedekt ‘moeten worden.
Deze compensatie kent ‘dus de volgende essentialia:

1. doel is een additioneel ‘handelsverkeer te scheppen,
waarbij: 2. de ‘invoer alleen maar
mogelijk
is, dank
zij een ‘geldelijk offer, dat de exporteur ‘brengt, zoodat
men: 3. ‘den exporteur k’an veroorloven hoven de nor-

maal toegestane bedragen te exporteeren. Tenslotte is
er, z’ooals gezegd, ‘sprake van: 4. ëlearingcompensatie,

omdat ook de compensatieposten verder geheel over
‘de clearing loopen, de exporteur het clearingrisico

loopt, onderworpen is aan dcii n’ormalen wachttermijn,
enz. Dit laatste punt is overigens niet essentieel voor
dezen ‘opzet; men had evengoed een andere regeling
kunnen treffen, en de exporteurs van het normale

clearingrisico kannen ontheffen, omdat zij immers

zelf zorgdragen, ‘dat er voldoende invoer tegenover
‘hun uitvoer staan, zoodat ‘het vastloopen van ‘de

clearing nimmer aan hun te wijten kan zijn, integen-
deel zij tot verbetering van de rekening
”bijdragen,
gezien de bovenvermelde verhouding export-import
1 : 2. Uit utiliteitsoverwegin’geu ‘heeft men dat echter
niet aldus geregeld.

Het karakter van het con’tpenscttieverkeer met Italië.

Daarnaast staa’t dan het andere prototype van com-
pensatie met
feitelijk
‘geheel andere strekking, waar-
voor wij de regeling met Italië als voorbeeld zuilen
nemen. De opzet van de ‘clearing is daar trouwens
anders. Een ‘beperking van den uitvoer bestaat hier
niet, althans niet een contingent vöor de clearingver-
effenin’g, dat kleiner is dan de ‘handelsverdragscon-
tin’genten. Toch is er feitelijk nu reeds aanleiding om
aan te nemen, ‘dat de clearing met Italië een zeer
ongunstig verloop zal. hebben, in een ‘mate, die voor
de ontwikkeling van de Ned erla’ndsch-Duitsche clea-
ring wellicht niet zooveel zal onderdoen. De cijfers
geduren’de ihet korte verloop van deze clearing ‘wijzen
reeds een ‘deficit aan van rond 17 pOt. (voor Neder-
land-Italië, rekening A, de rekening B voor Indië-
Italië blijve hier in verband met haar specialen aard
buiten beschouwin’g). Men mag aannemen, dat dit
beeld sterk geflatteerd is. Terwijl immers de cijfers
van de stortingen hier ,,ibij” ‘zijn, is er in die van de
stortingadviezen uit Italië waarschijnlijk een flinke
achterstand, zoodat in werkelijkheid het tekort heel
vat grooter zal zijn ‘dan ‘de gepubliceerde cijfers aan-
toon.en. Uit dien ‘hoofde zou men ‘derhalve ook een exportcontrô’le verwachten. En wellicht ‘zal dat ook
‘gebeuren.

Het is echter denkbaar, dat men v’oorloopig eens
hij deze clearing een ‘heel ander middel tot even-wichts’handhaving wil pro’heeren en wel juist: de
compensatie. Wanneer men nl. elken exporteur toestaat
compensatietransacties ‘te sluiten en wel met het be-
ding, dat, indien ‘de import-tegentransactie wordt
betaald, d’ie gelden zullen worden aangewend om den
exporteur te voldoen, dan ‘zal een tekort in de clearing
nimmer kunnen ontstaan voor die exporteurs, welke
voor compensatie van hun uitvoer hchben zorggedra-
gen. Terwijl men in het verkeer met Duitschlan’d de
‘bescherming van den exporteur ‘heeft verkregen d’oor
‘het vaststellen der ibetalings’contingenten in overeen-
stemming met ‘hetgeen in de clearing binnenkomt, is
ook een andere oplossing denkbaar: de exporteur zich-
zelf te laten beschermen door compensatie. Dat in-
vo’lveert dan natuurlijk, ‘zooals gezegd, dat deze com-
pensatie een geheel ander doel beoogt en dat er dus
geheel andere eischen en voorwaarden moeten gelden.
Om te beginnen gaat ‘het ‘daarbij niet om een addi-
tioneel spitshandelsverkeer, maar ‘de ‘heele handelsbe-
wegiug kan ‘gecompenseerd worden. De exporteur
ontleent aan de compensatie niet ‘het recht om buiten de ‘handelsverdragscontingenten u’it te voeren, welke

890

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 October 1935

contingenten in principe ook ‘de grens vormen voor

de normale clearin’gtransacties, maar daartegenover

worden dan ook aan den invoer-in-compensatie in het
geheel geen eisdhen gesteld. Geen extra-uitvoer en

geen extra-invoer dus. Een tweede principieel ver-
sh’il met de compensatie met Duitschiand, dat ook
uitvloeisel van den ‘heel anderen opzet is, vormt de,

betaling, die wel via de ‘beide clearinginsti’tuten plaats

vindt, doch niet over de gewone clearin’grekening,

maar over een speciale compeusatierekeniug. Deze
transacties worden derhalve •gheel uit de gewone

clearingmassa ‘gelicht; elke compensatie is feitelijk een
op zihzelf staande cl’earing, waaibij dus elk clearing-

risico, va’lutarisico en waoh’ttermijn voor exporteurs

is uitgeshakel’d. Zoodat ‘het stelsel veel meer weg

heeft van de Duitsc’he ,,direkte Verredhnun’g”
de clearing om, al loopt administratief ‘de vereffening

over de clearingbureaux. Op •het oogenb’lik, nu de

wach’ttermijn v’oor de Ita’liaansche clearing nog niet
groot is, wordt deze factor door exporteurs nog niet

altijd hoog aangeslagen. Zooals het er echter thans
uitziet ‘met betrekking tot het verloop van deze
clearing, mag men aannemen, ‘dat binnen zeer afzien-
haren tijd alle ‘exporteurs een premie zullen over

hebben voor het uitschakelen van het clearingrisico.
Te meer wanneer
werkelijk
niet, •ooais bij Duitsc’h-

land, de exportbelangen beschermd zullen worden

door het vaststellen van ‘betalingscontingenten. Laat
men den uitvoer, rzooals tot nu toe, vrij en legt de
exporteurs derhalve zelfbescherming wat het clearin’g-

risico ‘betreft op via de compensatie, dan zal den
heelen handel met dit land eerlang op deze basis

moeten plaats vinden.

Beoordeeling van de compensatiestelsels

Zooals gezegd beteekent dit stelsel een radicalö
wijziging ten aanzien van de regeling met Duitsch-‘
land. Is daartoe gegronde aanleiding? Voor de zelf-

beschermingsmethode is in vergelijking met de col-I
lectieve bescherming dit aan te voeren, dat zij elk
risico uitschakelt, wijl immers transactie tegen trans-
actie wordt gesteld. De betalingscontinigenten moeten

voor een kwartaal vooruit bepaald worden op grond

van cijfers der vorige periode, zoo’dat men steeds’
achter de feiten aanloopt. Er is echter ook tegen de
italiaansche methode een zeer ernstig bezwaar, dat
men terdege zal ‘moeten overwegen, alvorens dit stel-
sel definitief te aanvaarden. Wanneer men dergelijke’
affaires stuk voor stuk uit de clearing ,gaat lichten,
dan beteekent zulks, dat het toprisico van de clearing
overblijft voor hen, die niet compenseeren. Nu kan
men zeggen: dan moeten alle exporteurs maar zorgen’
voor compensatie. Maar het spreekt vanzelf dat, zoo-

dra het koppelen van
zijn
uitvoer aan een invoer tot

voorwaarde heeft het betalen van een compensatie-
premie, zij, die de ‘hoogste premie kunnen bieden het
eerst aan bod zijn, en dat voor hen, die weinig pre-
mie kunnen betalen, weinig of geen compensatie-
tegenpartijen’ overblijven,’ zoodat zij_èf hun uitvoer
moeten stopzetten, dan wel het toprisico vah de clea-
ring moeten aanvaarden. Het betalingscontingenten-
stelsel had althans het voordeel, dat in de handels-
beweging een zekeré evenwicht bewaard wordt wat de verschillende exportgroepen betreft. Bij een stel-
sel-Italië laat men de samenstelling van de export-
massa over aan ‘den •meesübieden’de. Het staat intus-
schen geenszins vast, dat men bij de clearing met
Italië dezen weg wil inslaan, maar uit de tot nu toe
getroffen maatregelen: geen vereffeningscontingen-
ten, en toestaan van particuliere compensatie. moet men toch wel dien indruk krijgen.
Zoo heeft dus het compensatieverkeer velerlei
aspect. Niet alleen, dat zijn beteekenis in de landen,
waar het geboren werd, een heel andere is dan in
landen zonder deviezenrestrictie, maar ook in deze
laatste kan de compensatie weer volkomen verschil-lende motieven hebben en geheel andere doeleinden
beoogen.: In alle gevallen heeft de compensatie een
functie te vervullen om het ontredderde handeisver-

keer ndg naar vermogen te steunen. Want al heeft,
zooals gezegd, in den vorm zooals de Italiaansche
compensatie voorloopig wordt toegepast deze onge-

twijfeld bezwaren, zij draagt als elke andere compen-

satie de nuttige tendens in zich om hier den invoer
te stimuleeren en daardoor de mogelijkheid van uit-
‘voer te vergrooten. 0. A. Ki.

EEN TREURSPEL.

Een fahriek’an kwaiiteitsproducten was onder lei-

ding van een bekwame, werkzame, soberlevende gene

ratie opgebloeid tot een bedrijf van wereldreputatie.

Alle afdelingen ontwikkelden een steeds toenemende

activiteit, het product werd steeds beter, de verkoop

steeg in alle afzetgebieden, de concurrentie van ande-
ren doorstond men uitstekend, vooral ‘door de steeds

betrahte efficiëutie en ‘de steeds gemoderniseerde
outillage.

Verslapping trad in, toen te gemakkelijk oorlogs-
winsten werden gemaakt. Alles ging te gemakkelijk,

zodat men het op menig punt niet zo nauw meer nam.

Zelfs in de tijd van hernieuwde felle concurrentie

na de oorlog liet men verschillende ingeslo5en fouten

voortbestaan’. Met de uit de oorlogswinsten opge-
spaarde reserven kon men
het
nog best volhouden
tegen de zoveel minder kapitaaikrachtige mededin-
gers. In een kort tijdvak van hoge conjunctuur werd

zelfs weer met winst gewerkt.

Zelfs in de grote depressie, die de omzetten sterk

deed verminderen en de jaarrekeningen met steeds

grotere verliezen deed afsluiten, duurde de satisfactie

voort. Men schreef ‘de verliezen af op ‘de reserven, die
daartoe nog voldoende waren. De afdelingen, die het
slechtst ‘gingen, kwam men tegemoet door lagere bij-
dragen in algemene kosten en door hogere verreken-

prijzen voor de goederen, die deze afdelingen aan
andere afdelingen leverden. :Daardoor werd weliswaar

de kostprijs in die andere afdelingen hoger, maar dan
moesten die andere afdelingen zich maar zien aan te

passen. Enkele afdelingschef s probeerden dat inder-

daad, maar jij vonden vele wegen’ versperd, dobrdat

hun niet werd toegestaan, hun benodigdheden te

kopen, waar die het goedkoopst waren, doordat hun
afdelingen telkens met nieuwe bijdragen werden be-
zwaard en ‘dôordat zij bij :het doorvoeren van bezuini-
gingen in ‘hun afdelingen zo weinig steun van de
hoofddirectie ‘kregen .tegenover het verweer, dat door
het personeel van de afdelingen tegen elke bezuini-

ging werd gevoerd. De hoofddirectie gaf er in zulke
gevallen de voorkeur aan, de afdeling tegen al te

groot verlies te vrijwaren door een
bijdrage
uit de
reserven.

11et bedrijf kwijnde meer en meer, hoewel verschil-lende afdelingen, door hoge verrekenprijzen of bijdra-
gen uit de reserven, niet ‘zo’n slechte rekening ver-
toonden. De concurrenten ‘hadden intussen gereor-

‘ganiseerd en kon’den met veel lagere kostprjzen hun
omzetten weer opvoeren. Daardoor verloor ons bedrijf
steeds, meer terrein. Men ging er prat op, dat men
ni’et 66k reorganiseerde en men meende, .dat men
zich door de slapte in het
bedrijf
en de intering der
reserven
innerlijk
versterkte voor de toekomst.
Moedeloosheid maakte zich meester van de afde-
Iingschefs. Het personeel kwam tot wanhoopsdaden
en zelfs, als gevolg van te slappe contrôle, tqt los-

handigheid. Verscheidene employé’s knoopten betrek

kingen aan met een grote concurrent, een moderne

coöperatieve fabriek. Het kwam zelfs zover, dat enige
nachtwakers hun post verlieten en met een vaartuig
van de fa’briek een tochtje gingen maken..

Een gedeeltelijk nieuwe hoofddirectie gaf aan af de-
lingsçhefs en verder personeel het parool uit, dat
over de gehele linie bezuinigingen nodig waren’ ten-
einde de kostprijzen aan te passen aan die van de
concurrentie: Vele malen werd dit parool herhaald,

16
October
1935

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

891

telkens in andere schone bewoordingen, vol over Lui-

ging en met verheffing van stem uitgesproken. Maar

zij volgde overigens dezelfde gedragslijn als cie vorige
hoofddirectie: zij gebood geen bezuinigingen, zij liet

de afclelingschefs, die trachtten te bezuinigen, aan
hun lot over, zij hield verlaging van kostprijzen tegen,

zij handhaafde cle hoge verrekenprijzen, cle gewijzigde

omsiagen van de algemene kosten en de bijdragen uit

de reserven.
Door al die verliezen en bijdragen, en ook door cle

verliezen van onderhorige en verwante ondernemin-

ge’n, voor welke de moedermaatschappij horgstellin-

gen
01)
zich had genomen, werd er een groot gat in de

reserven geschoten. Die reserven waren al lang niet

meer vlottend, men had dus op grote schaal crediet

moeten opnemen, waarvan een zeer groot bedrag op
korte termijn. De zware rentelast en de steeds ver-
min’derende liqui’ditei t werkten met de hoog blijven-

cle kostprijzen samen om cle resultaten hoe langer hoe

treuriger te maken. Steeds groter werden cle ver-

liezen.
Toch liep de zaak nog niet vast. Dat kwam, doordat

zij van oudsher ee.n goede naam had en daarop vlot
crecliet kon krijgen. Velen toch geven gemakkelijke,r

crediet aan oude, gerenommeerde, hoewel in de con-

currentiestrijd achterrakencle bedrijven, dan aan

jonge, energiek geleide, i.n opkomst zijnde onder-
nemingen zonder geschiedenis. Zo ging het hier ook.
Onze fabriek leende links en rechts, op korte en op
lange
termijn,
zelfs kon zij nog door conversie cle ren-
tevoet harer leningen verlagen en de aflossingen er-
van vertragen, maar
tegelijkertijd
leende zij er weer
zoveel
bij,
dat de verlichting niet groot bleek te zijn.
ioewel de winst- en verliesrekening werd geflat-
teerd door vertraging of achterwege laten van af-
schrijvingen, uitstel van verplichtingen, afwenteling
van kosten op dochtermaatschappijen e.n dergelijke
hoekingsivanoeuvres, hoe
w
el cle financiële pers –
op enkele ‘blaadjes na – zich zeer gunstig over het
algenieen ‘beleid der hoof’cldirectie uitliet, werden de
credietverleners toch langzamerhand huiverig, onze
fabriek verder te financieren. De reserven waren in-
geteerd, ‘de activa stonden te hoog op de balans en een
verliessaido had moeten worden opgevoerd. De hoge
kostprijzen en de ‘dientengevolge voortdurende afne-ming der omzetten ‘deden ‘dit verliessaldo steeds toe-
nemen.

In de algemene vergadering werd kritiek uitge-
oefend op het beleid der directie. G’ron’dige reorgani-
satie achtte men noodzakelijk. Consequente ‘verlaging
van de kostprijzen i.n alle afdelingen, zo nodig ‘door
de vrijheid en ‘de zelfstandigheid der afdelingschefs
enigszins te ‘hrei’clelen, financiele reorganisatie om •de
emissiebapaciteit ‘der onderneming te herstellen, ver-

nieuwing ‘der outillage ‘door eigen productie, waar-
•door ‘de bezetting van verschillende ‘bijkans stillig-
gende afdelingen weer kon worden opgevoerd, ziedaar
‘de verlangens van ‘den woordvoerder der ontevreden
aandeelhouders. De
hoofd,dlirectie
toonde ‘zich veront-
waardig’ci over die kritiek en riep Ibaloorig uit:
,,neernt
‘gij
‘dan onze plaats in”. De woordvoerder ver-
klaarde ‘zic’h bereid, dit te proberen, ‘maar ‘had licht-
vaardig over het hoofd ‘gezien, ‘dat hij ‘de ‘benoeming
ener nieuwe ‘directie in eerste ‘instantie ‘de medewer-
king moest worden verkregen van de houders van
prioriteitsaandelen. Deze ‘oligarhie zette ‘hem ‘de voet
dwars en cle ihoofddirectie zette de zaak op ‘dezelfde
voet voort.

Toch niet geheel op dezelfde voet. Zij nam enkele
wensen van de algemene vergadering ten dele over.
Zij breïcielde ‘de vrijheid en de zelfstandigheid van ‘de
afdelingsdhefs, echter zonder ‘daarbij kostprijsverlaging
voor te shrjven. Zij richtte een tekenbureau in om
moderne ‘outilla’ges te ‘ontwerpen, ‘die in ‘de stilliggen-
de afdelingen ‘zouden worden geconstrueerd, eéhter
aon’der ‘door kostprijsverlagin’g ‘de voorwaarden te
scheppen, waaronder cie moderne outillages rendabel
zouden kunnen worden tewerkgestel’d. De woord-

voerder
01)
‘de algemene vergadering toon’do zich daar-
mccie voorlopig ‘bevred igd. Boze tongen beweerden,
dat het uitgesproken voornemen van de ioofddirectic

onï ‘cle raad van commissarissen uit te breiden met
nog iemand uit ‘des woordvoerders kring,
OP
‘die be-

vre’chigin’g invloed had gehad, ‘maar het feit, ‘dat aan
(lat voornemen ‘geen u 1 tvoering was gegeven, bewees,

‘dat ‘zulks niet ‘het geval was.
Ten aanzien van ‘de kostprijsverlaging verklaarde

de hoof’cidi’rectie nogmaals niet kiem, ‘dat de urgent

was, maar ‘dat zij ten deze gee.n voorschriften aan de
afdelingschefs wenste te ‘geven. Over financiele reor-

ganisatie wilde zij niet spreken, daar deze in ‘haar
program ‘geen plaats had. ilaar overmatige schuld-

verplichtingen zouden on,verzwakt worden gehand-

‘haafd. Al ha’d zij het voornemen, enkele onderhori’ge
maatschappijen te verplichten tot eenzij’dige wijziging
van lopende contracten, al ‘ha’d zij ‘zelve ten opzichte
van de pensioenverplichtingen harer grootste ‘dochter-
maatschappij en ten aanzien ”aia artikel 40 ‘cle:r col-

lectieve arbeidsovereenkomst in ‘haar eigen ‘bedrijf

ietwat vreemd met lopende verplichtingen omgespro n-
gen, ‘haar geiclsc’hieters zou’den alles ontvangen, wat

‘de letter van ‘het contract hun ‘deed toevalie.n, zelfs
al ging ‘dit iboven ‘de ‘bedoeling ‘der partijen uit.
Toen ‘de crechetmarkt niettegenstaande ‘cle vlot ver-
lopen algemene vergadering, niet wiliiger bleek ten

opzichte van onze fabriek, liet de hoofddireetie zich

een scheldwoorcl ontvallen en verder liet zij alles hij
lit oude. .
ilet einde verwacht men ‘niet een eclatante décon-
fiture. Of komt er een onverwadhte wending als hij
een goedkope roman met ,,happy end”? Dit laatste
schijnt het geval. Datgene, waarop de ‘hoofddirectie had gespeculeerd, ‘geshicdde: er kwam een prijsstij-
ging. Zette die zich voort, dan ston’den ‘de activa
niet meer te hoog op ‘de balans, ‘clan konden de voor-
raden grondstoffen met winst worden verkocht, ‘dan
kon liet verliessald’o zodoen’de worden weggehoekt en
clan zou het vertrouwen van de kapitaalmarkt terug-
keeren.

Maar…. dan verdween ‘cie prikkel tot ‘bezuiniging,
tot verlaging van ‘de kostprijzen over cie ‘gehele linie.
Bleef ‘die achterwege, ‘dan zou de fabriek blijven’d ach-
ter staan ‘hij haa
r
talrijke concurrenten, ‘die wei ge-
reorganiseerd ‘hadden, ciie wel hun kostprijzen hadden
verlaagd, ‘die met jeugdig élan of met wijs overleg
haar afzetgebied meer en ‘meer veroverden. Dan zou
zij nog een aantal jaren een atrofisc’h ‘bestaan voeren,
zolang ‘de gunstige conjunctuur, ‘die’de concurrentie ‘deed bloeien, voortduurde. Daarna zou zij, uitgeput,
verouderd en verarmri, zich ‘bankroet moeten geven.
Enkel en alleen, doordat zij, ‘gelijk een ‘heursspeculant,
te lang aarzelde voor het kloeke besluit tot grondige sanering eer ‘het te laat was.

Moge het ‘daar, waar het ons allen ter harte gaat,
niet reeds te laat zijn P.

DE INDISCHE REGEERING EN DE RUBBER-PUZZLE.

Toen in 1934 de restrictie-regeling voor Ned.-Indië
werd ‘gepubliceerd, ‘hebben wij in E.-S.B. reeds dade-
lijk geconcludeerd, ‘dat die, welke voor de ‘bevolkings-
rub’ber was ontworpen, zeer onbevredi’gen’d was en
daarvéér en ook ‘daarna erop gewezen, ‘dat ‘de ‘hevol-
kingsrubber typisch-eigen problemen heef t. In E. – S.B.
van 30 Mei 1934 zetten wij uiteen, dat een uitvoer-
redht ‘van een bepaald bedrag een kleinere, doch even-
eens een veel in’grijpen.der ‘dan ‘de voorziene ieper-
‘king kon Ibeteekenen, terwijl wij ‘bij ‘herhaling de aan-
‘dacht hhben ‘gevettigd ‘op ‘de gevaren van het expe-

rimenteele karakter van deze ‘heperkingsregel’in’g. Met
groot optimisme echter ‘heeft het Gouvernement ‘de

regeling ingev’oerd, de ‘betreffende ambtenarën toon-
den naar ‘buiten zeer tevreden gezichten en nadat het
uitvoerrecht van 10 ets. geleidelijk, met tussdhe’ntijd-
she verlagingen, tot 22 ets. per kg werd opgevoerd,
werd ‘liet in dc maanden ,Tuni cii Juli van ‘dit jaar
in twee etappes tot 20 ets. verlaagd, om met in.gang

892

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

18
October 1:935′

van 30 September op 22 en met ingang van 13 Octo-
ber op 23 ets. per kg te worden gebracht. Het opti-
misme ‘der Oveihei’d werd zelfs niet ‘zichtbaar ge-

schokt, ‘toen de uitvoer van ‘bevolkingsrubher per ulti-

mo 1934 den toegestanen export met ruim 8.300 ton overschreed en ondanks 1e voortdurende overschrij-

dingen in 1935, waardoor het surplus per uit. Juni

reeds bijna 33.400 ton bedroeg, werd het uitvoerrecht
nog verlaagd.

Doch tenslotte moest de ‘zaak vas’tloopn en per uit.

September was ‘de positie, met een overschrijding van
rond 34.000 ton, zoodanig, dat de bevolkin’gsrubber,

met inbegrip van die gebieden in de Bu’iten’gewesten,

waar ‘de indi’vi’dueele i-estrictie ‘bestaat, in ‘het ‘geheele
laatste ‘kwartaal van ‘dit jaar nog slechts in totaal
8.000 ton zou mogen uitvoeren indien ‘ze’lfs de inter-

nationaal geoor’loofde overshrj’din’g van den toege-

stanen u’itvoer voor geheel Indië (5 pOt.) geheel te
haren gunste in aanmerking wordt genomen. Het be-

slu’it om voor ‘de laatste 3 maanden van dit jaar het
restrictiepercenta’ge op 40 ‘te stellen – een besluit,
dat alleen met medewerking :der Indische ‘delegatie
tot stand is kunnen ‘komen – was daarvan ongetwij-

fel’d mede oorzaak, ‘doch slechts voor een klein ge-
deei’te. Indien nu in aanmerking wordt genomen, dat de bevolking in de maanden Augustus en September

ruim 9.500 ton per maand heeft geëxporteerd en ‘de
uitvoer weliswaar in ‘de maanden October en Novem-

ber af-, doch in’ December weet toeneemt, dan heboeft
het geen betoog, ‘dat ‘het alarineerende van den toe-

stand ‘dwong tot kraobtig ingrijpen. D’oor middel van
‘het ui’tvoerredht eebter is dit iet mogelijk, ‘tenzij dit
zoodani’g zou worden ‘gehanteerd, ‘dat er ‘,.eer groote

kans zou ‘bestaan, dat ‘de tap geheel eindigde, duch
zelfs dan nog waren er de voorraden bij ‘handelaren
en in het binnenland – die ‘bij de handelaren alleen
‘bedroegen per ult. Augustus ruim 6.600 ton i) – welke
een speciale regeling noo’di’g maakten en ‘v66r de ver-

hoogirug van ‘het recht nog grootencieels ‘zou’den wor-
den uitgevoerd. En een ‘zoodani’g ingrijpen, zou leiden

tot zeer groote storingen in het economisdh leven ‘der
rubberstreken, omdat het een ‘der voornaa’mste ‘bron-
nen van inkomsten eenvoudig zou ‘draineeren.

Indien men bedenkt, dat aan ‘bevoikin’gsrubber in September bij een ui tv’oerrecht van 10 ets. per ‘hkg

en een
prijs
‘in ‘de veiling te Singapore, dus met in-
begrip van de belooningen der tussehensohakels en
van ‘de vracht, van ongeveer 174. ets. per h’k’g, ruim
9.500 ‘long ton werd uitgevoerd, ‘dan be’hoeft het ‘geen
naderen uitleg, ‘dat alleen een zeer soberpe heffing,

zon’der ‘dat verder •ge-experimenteer mogelijk was,
deze ‘hoeveelheid tot ongeyeer 2.700 ton, inclusief defl

niet-extra-belasten export u’it de streken met mdi-

vidueele restrictie, ‘kon reduceeren, temeer omdat de
voorraden grooten’deels zouden worden uitgevoerd en
omdat ‘de versdherpin’g van ‘het ‘hepes-kingspercentage
en de politieke toestand ‘bovendien nog wel eens een
prij’sstijgen.de werking ‘zouden kunnen oefenen, welke
‘het uit’voerreebt wederom ‘achter deze stimulans tot
toeneming der uitvoeren zou ‘doen aan’loopen. Dit mid-
‘del, d.w.’z. ‘de noi-male ha.nteering van de uitvoer-
regeling,
bleek ‘zoodoen’de
onmogelijk
en accentueerde
daarmede nogmaals het vonnis over ‘de betreffende
ordonnantie.

T)odh ‘dan moest naar een ander middel ‘gezocht worden en het ‘Aneta4bericht van 8 October bracht
ons ‘de mededeeling, ‘dat de Regeering ‘den Directeur
van Economische Zaken heeft gemacht’igd om, ter
compensatie van ‘de ten onrechte plaats geba’d ‘heb-
bende oversebrjdin’g,’ met ‘de ondernemingen en de
hoofden van Gewestelijk Bestuur in ‘gewesten met
in’dividueele res’tric’tie in overleg te treden over ‘d’e
overneming tegen redelijken prijs van 20.000.000 k’g
aan licenties. Dat die ‘hoofden van Gewestelijk Be-

t)
De meeste cijfers zijn ontleend aan of berekend met
behulp van het Septemberbulle’tin van het International
Ru’bber Regu1ation Conmiittee.

stuur hier veel hulp’ kunnen ‘bieden mag worden’ be-

‘betwijfeld, zoodat ‘deze ‘dus practiseh moet komen vn
de ‘ondernemingen; ‘d.i. ‘de ‘groep producenten, die
kort te voren werden ,,verblijd” met het iiitvoerrecht
voor 1936, omdat zij ‘hun aanplan’tingen thans weer
in stand kuilnen houden! Voor ‘deze groep is de

positie veel gunstiger; ‘dank ‘zij doelhewuste organi-
satie van ‘het productie-proces heeft zij de mogelijk-

‘hei’d behouden om in het laatste kwartaal ‘in totaal
no’g ron’d 54.000 ton uit te voeren. Weliswaar zijn
daartegenover ‘de voorraden ondernemin’gsrubber, per
uit. Juli ruim 21.000 ton bedragend’e, aanwezig, welke
men vermoedelijk in verband met ‘het komende uit-
voerrecht ‘zal willen ‘beperken, ‘d’odh dan ‘blijft er toch

nog altijd minstens 33.000 ton v’oor productie. Hier

was dus de mogelijkheid, doch alleen ‘dan, indien ‘die

ondernemers zouden willen medewerken, “d.w.’z. ‘hun
productie in het laatste kwartaal nog eens extra

beperken; immers, de voori-a’den ‘zijn in art. 11 ‘der
internationale regeling ‘beperkt, ‘doch voor deze be-

paling zou natuurlijk wel een oplossing ter tegemoet-
koming
‘zijn
te ‘vinden.

Twee mogelijkheden bestonden: de eerste zou zijn
geweest een zoodanigen prijs voor de licenties te bie-
‘den, dat ‘het voor de ondernemers voordeeli’ger ware
hun licenties te verkoopen dan
rubber
te producee-
ren
;
‘de prijs
‘zou ‘dan echter ‘zoodan’ig ‘zijn op’geloopen,

‘dat ‘deze aankoop meer zou ‘hebben gekost dan de ten
onreobte ‘geëxporteerde bevolkin’gsrubber heeft opge-
‘bracht. Weliswaar ston’d ‘h’e’t bevolkin.gsru’bber-potje
een
dergelijke
aderlating toe, doch ‘de Regeering ver-
koos ‘den ‘goedkooperen weg, b
gon
‘met ‘den aankoop-
prijs ‘der licen’ties te stellen op 27 ets. voor Java- en

29 ets. voor huitengewesten-licenties en gin’g toen met
de onde’rnemer praten. Voor ‘deze ston’d, wilden zij de
Regeerin’g vrijwaren voor ernstige moeilijkheden in
de betreffende ruibberstreken, het presti’ge van Ned.-

Indië in ‘het internationaal verkeer aan een
Vrije
be-
slissing in den weg; een weigering toch zou betee
kenen ‘het niet-nakomen van internationale verplich-
tingen of interne moeilijkheden voor het Gouverne-nient en ‘zij konden ‘dan ook ‘ditmaal weinig anders
‘doen ‘dan toestemmen.

Er ‘z’ou o.i. – wij stelden ‘het vraagstuk reeds in

E.-S.B. van 14 Au’gustus ii. – een geheel ander inid-
del ‘kunnen zijn overwogen om hetzelfde te ‘bereiken,
nl. dat ‘de Regeerin’g ‘begonnen ware met ‘het uitvoer-
recht ‘zoodanig te verhoogen, ‘dat dit ‘met een verbod
gelijk stond en vervolgens ‘bevolk’ingsrub’ber ‘had opge-
kocht tegen zooda’ni’ge prijzen, dat d’e opkoop roo
regelmatig mogelijk ware verdeeld. Gebaseerd op den

uitvoer in ‘de afgeloopen maanden -zou ‘gewestelijk de
‘hoeveeÏhei’d op te koopen ‘bevolkingsru’bber gefixeerd
hebben kunnen worden en door ‘delegatie van de
opkoopfunctie en prijszettin’g ‘de verdeeling over dit
kwartaal
‘zijn
‘bereikt. De o’pgekodhte rubber zou dan,
voor roover ‘zij ‘den toelaatbaren export overschreed,
‘hebben kunnen worden vernietigd. Wel ‘zouden ver-
moedelijk on’billjkheden jegens in’divi-dueele tappers en andere belanghebbenden niet te vermijden zijn ge-
weest, ‘dooh ‘dit ‘is het geval met ‘deze ge’heele restri’c-
tieregeling voor de ‘bev’olki’n’gsrub’ber en voor ‘de voor-
ra’den ware een speciale regeling zeker, ,niet, onmo-
‘gelijk ‘geweest.

Op ‘het eerste oog moge ‘deze ‘oplossing wellicht
zon’derlin’g’ ‘klinken, want het is een blijk van rare
economie te laten pro’duceeren voor vernietiging, doch
di’e rare economie zou dan toch a’lleen maar een uit-

vloeisel zijn geweest van de even rare economie,welkè
aan elke ‘internationale pr’oductiebeperkiu’gsafspraak,
welke in ‘haar uitwerking ‘geen rekening ‘hou’dt met
‘de
economische
productie-capaciteit, ten grondslag
ligt. Boven’d’ien, men zou ‘dien opkoop on’der het ‘hoofd
,,sociale maatregelen” ‘hebben kunnen ran’gsdhikken,
waar
hij’
dan wel an’dere, even zonderl’inge broeders
zou ‘hebben ontmoet. En ‘moge het ‘dan al ‘zonder-
lin’ge economie
‘zijn,
‘de, t’hans ‘bew.andel’de weg is
sociaal al even ‘zonderlin,g, want
‘hij
is een ‘beioohin’g

16 October ‘1935

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

893

voor erop-los-leven en een straf voor doêlbewuste
organisatie!

De weg der vern.ietiging is echter niet gekozen, de
Regeerin’g zocht en verkreeg overeenstemming met de
ondernemers en dan nog op een prijsbasis, welke niet

alleen indirect, doch veelal ook ‘direct een offer vergt.

Indirect is ‘het offer, ‘dat ‘de ondernemers ‘zullen ‘moe-

ten ‘brengen, doordat deze maatregel medebren’gt, dat
ajj, indien zij ‘hun voorraden op het bestaande peil
handhaven, in plaats van ‘de ‘door ‘hen gedachte be-

perking van ‘ongeveer 20 pOt. er
thans één van ruim

45 pOt. moeten ‘doorvoeren, hetgeen een stijging van
den kostprijs en van ‘de kosten ‘der onbenutte capaci-
teit en ‘clie van instandhouding der organisatie ten-

gevolge heeft. Direct is ‘het offer, dat zij zullen
brengen, ‘doordat en voor zoover de waarde, •die zij
voor de afgestane licentie ontvangen, kleiner is dan

cle opbrengst van ‘het product, verminderd met de
directe productiek’osteu, anders zou zijn geweest;

direct ‘ook ‘brengen ‘zij een offer, in’dien zij indertijd,
om hun productieproces ‘zoo weinig mogelijk te des-
organiseeren, licenties tegen hoogeren prijs – ‘deze

zijn tot ‘zelfs tegen 30 ets. per k’g product verhandeld
– ‘hebben ‘gekooht ‘dan dien, welken zij t’hans voor de

afgestane ontvangen; direct tenslotte is het offer, dat
zij moeten brengen, indien zij voor uitvoeren, die an-
ders in 1935 ‘hadden kannen plaats hebben, thans in

1936 een uitvoerrecht van 1 ct. per h’kg zullen moe-
ten ‘betalen, tenzij ‘d’e Regeerin’g ‘hun ‘hier tegemoet-
komt.

Wij kunnen niet inzien, dat ‘hier van een redelijken
prijs kan worden ‘gesproken; integendeel
redelijk
ware
o.i. geweest, indien hier het Gouvernement met een
royaal ‘gebaar de ondernemers voor ‘hun offer ha’d
schadeloos. gesteld. Temeer zou ‘daartoe ‘aanleiding ge-
weest zijn, omdat de thans gekozen oplossing – de
goedkoopste ‘der ‘drie – uiteindelijk voor de bevolking
een
voordeel
‘beteekent; immers direct int
zij
‘de op-
brengst van ‘het op die licenties uit te voeren pro-duct, welk provenu grooter is ‘dan ‘het indirect uit

het fon’ds van ‘het rub’beruitvoerrecht te brengen of-
fer, zijn’de ‘het verschil tusschen ‘den aankoopprijs ‘dier
licenties (27 â 29 ets. per kg) en ‘het ‘bij uitvoer ge-
heven recht (thans 23 ets. per kg). Alleen ‘dan, in-
dien de ‘bevolking minder’ dan ‘dit verschil als prijs
ontvangt, zou er ‘harerzij’ds van een offer sprake zijn,
doch dan zou ‘zij waarschijnlijk intensiever (ter corn-
j)ensatie van den achteruit’gan’g in inkomsten, met
de ‘daaraan ‘dus voor het Gouvernement verbon’den
gevolgen) of niet meer tappen. De ondernemingen
moeten ‘zidh thans echter zonder meer een ‘offer ge-
troosten en ‘dat terwijl ‘de on’dernemingsrub’ber als
geheel nog
altijd
geen rendement afwerpt!
Terecht wordt in ‘het avondblad van 11 dezer van
,,De Telegraaf” ‘gesteld, dat, wat thans gedaan wordt,
erop neerkomt, ‘dat het concurreeren’de product te
hulp wordt geroepen en ‘moet ‘beperken, omdat het
door overleg een saldo ‘heeft, terwijl het bevolkin’gs-

product er maar zorgeloos lustig op los ‘getapt ‘heeft.
Doelbewuste ‘organisatie moet ‘offeren voör ongefun-
deerd ‘optimisme en t’hans vindt weliswaar
geen ver-
nietiging van product, doc/i evenzeer oneconomische
voort bren ging
en bovendien vervanging
van superieur
door inferieur, dus
door een ander product
plaats. Wij
kunnen ‘daarbij de vraag of deze vervanging in ver-
band met ‘de werkelijke verhoudingen billijk is, ‘geheel
buiten beschouwing laten, omdat ‘het Gouvernement
indertijd .de verdeeling van ‘het Indische quotum en
daarmee dus de exportm’ogeljkheden op ‘de z.i. ju’iste
basis ‘heeft vastgesteld.
Scherp is ‘door dit ‘gebeuren ‘belicht tot welke ge-
volgen deze restrictieregeling met zulk een onvol-
doen’den regulateur moet leiden, ‘doch even scherp
wordt aangetoond ‘hoe onjuist •het i’s de technische
productiecapaciteit in plaats van ‘d’e economische tot
‘basis van ‘beperkingsregelingen te nemen. Ei- moge
•gehoopt worden, ‘dat ‘het Gouvernement in ‘deze ont-
wikkeling aanleiding aal vinden op ‘dit punt naar

‘herziening “te*streven teneinde, en dan ook voor ‘de

‘ondernemin’gsruhher, ‘de economisdhe werkelijkheid tot
grondslag voor ‘de toekomst ‘te maken.
Wederom wor’dt hier
‘duidelijk,
‘dat de voordeelen

van beperkingsregelin’gen voor ide economisch-sterke
ondernemingen, die met hun zwakkere broeders weer

nominaal
gelijkelijk,
reëel dus ‘drukken’der, gaan ‘dee-

len in ‘de lasten, hoe lan’ge. ‘hoe pro’blematieker
worden.

Het is
begrijpelijk,
‘dat wederom gesproken is ge-

worden over invoering der in’divi’dueeie restrictie in

alle {bevolkingsru’bberge’bieden, welke men per 1 Juli

1936
mogelijk
acht, idoch alvorens daartoe over te

gaan, zal het toch wel ‘zeer aanbeveling verdienen
eerst nog eens ernstig te overwegen of de toestand

voor ‘de bevolking ‘daardoor verbetert.
Indertijd werden ‘berichten ‘gepubliceerd, dat de in-
ternationale regelingscommissie de basisquota ten
gunste van Indië zou herzien, een ‘herziening, die

speciaal in ‘het licht van wat thans geschied is, zeer
wenschelijk ‘blijkt, doch bevestiging en resultaten ble-
ven tot nu toe uit. Hier zou ‘dan zoowel internatio-

naal als regionaal voor ons Indië een, naar thans ge-
bleken is, zeer gereelvtvaavdigde correctie kunnen

worden aangebracht. Indien een ‘groep producentén,
die vermoedelijk nog niet tea volle een derde deel van den marktprijs in handen
krijgt
en in ‘dit op-
zicht ‘dus ver bij ‘de an’dere groepen ten achter staat,
toch nog zoo’n stimulans van dien relatief zeer lagen
prijs ondervindt, li’gt ‘hier toch wel een zeer sprekend
‘bewijs voor ‘de economische kracht van diegroep!
J.F.H.

VERPLICHTE VERZEKERING VAN WETTELIJKE

AANSPRAKELIJKHEID IN NEDERLAND.

In ‘het artikel, verschenen in ‘het vorige nummer,
heb ik ‘de ‘bezwaren trachten te ‘belichten die aan
elken directen of in’directen verzekerin’gsdwang blij-

kens ‘de ervaring veilbonden zijn. Het is thans zaak te
oyerwegen, op welke wijze ‘dan wel een bevredigende
oplossing te ‘bereiken valt. Dat een’igerlei regeling
noodzakelijk is, staat wel vast.
Blijkens
‘het ‘door ‘het
Centrale Bureau voor ‘de Statistiek ‘gepubliceerde Sta-
tistische Overzicht Verkeersongevallen 1934 werden
in 1934 niet minder ‘dan 427 personen ‘gedood en 9,347
‘gewond ten gevolge van fouten van bestuurders van
vervoermiddelen. Het “blijkt niet, in ‘hoeveel van ‘deze
gevallen ‘geen toereikende schadevergoeding kon wor-den verkregen omdat ‘de schuldige niet verzekerd was.
Mr. N. R. H. van Essen stelde in zijn prae-advies,
uitgebracht aan de Nederlan’dsche Advocatenvereeni-ging, echter vast, ‘dat ‘het aantal niet-verzekerde auto-
mobilisten .kort geleden nog 10 pCt. van het totaal
‘bedroe’g. Neemt men verder in aanmerking, ‘dat het
automo’bielver’keer nog in een stadium van opkomst
verkeert en de ‘gevaren, ‘die de weggebruikers ‘bedrei-gen, ‘dus nog voortdurend zullen ‘toenemen, ‘dan is het
duidelijk, ‘dat er alleszins ‘behoefte is aan voldoende
financieele waarborgen tegen de roekeloosheid van
automobilisten en motorrijders.
Wij zagen in het vorige artikel, dat bij de regeling van die waarborgen in het buitenland steeds gebruik
wordt gemaakt van de verzekering van ‘den automo-bilist te’gen zijn wettelijke aansprakelijkheid. Niette-
min ligt het geenszins ‘voor ‘de ‘hand, dat deze ver-
zekering ook in ‘het Nederlandsche stelsel zou ‘moeten
worden ingeschakeld. Volgens Artt. 1406 en. 1407
van het Burgerlijk Wetboek moet ‘de waard’eering van
‘de scha’devergoeding ,,in geval van moedwilligen of
‘onvoorzi’gtigen ‘doodslag” en van ,,moedwillige of on-
voorzi’gti’ge k’wetsing ,of vermin’kin’g van eeni’g ‘deel
‘des li’gchaams” ‘geschieden naar gelang’ van ,,’den we-
derzij’dschen stand en de fortuin der personen, en
naar ‘de omstan’diheden”. Deze omschrijving schijnt
den rechter wel de ‘meest
mogelijke
vrijheid te laten,
maar in ‘de practijk komt zij neder op een belang-

894

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 October 1935

rijke beperking, daar immers ook rekening moet wor-

den ‘gehdu’den met den vermo’genstoestand van cle
schuldige
partij; is deze onvermogend, dan za] de
rechter tot een lagere schadevergoeding
moeten
ver-
oordeelen ‘dan indien zij gefortuneerd was. Dit uit-
zon’clerlijke ibeginsel, dat het reohtsgevoel allerminst
bevredi.gt
en niet geldt bij andere acties, die tot sdha-

clevergoeding strekken heeft in de jurisprudentie met

betrekking tot de wettelijke-aanspra]celijkhei cl sverze-
kering in zooverre verwarring gesticht, dat het ééne

reehteiijke college van meening is, dat ‘de aan den

schuldigen automobilist toekomende verzekeringspen-
ningen hij de bepaling van rijn vermogenstoestand

in aanmerking moeten worden genomen, terwijl an-

dere colleges het tegenovergestelde standpunt inne-
nien. De laatste opvatting is, gelet op de wet, wn•

‘der twijfel de juiste. De automohilist, die zich ver-
zekercie, ‘deed ‘dit tot dusverre om te ‘voorkomen, dat

hij financieel rou worden ‘geruïneer’d, indien hij schul-
‘dig aan een auto-ongeval mocht worden bevonden..

Indien hij rekende t’ot nooit meer ‘dan f50.000 ver-oordeeld te kunnen worden, verzekerde hij rijn aan-

sprakeljkheid ook voor geen grooter bedrag. Zou ‘de
rechter nu, behalve met ‘het fortuin van den schuldige

ook ‘niet zijn assurantie rekening houden en hem dus
tot
f
100.000 vergoeding veroordeelen, dan valt voor
den autorno’hiiist elke prikkel ‘om zich te verzekeren

weg en komt het ‘doel ‘der verzekering niet tot ‘zijn recht. Zooals ‘de wet nu luidt, schept het verzekerd
zijn van den automobilist geen enkelen meerderen

waarborg voor ‘den te beschermen weggebruiker en
het heeft dan ook ‘geen zin naar versterking ‘van dezen

waarborg langs ‘de wegen (Ier wettelijke-aansprakelijk-
‘hei’dsverzekering te ‘zoeken, alvorens het criterium

voor •de ‘bepaling van ‘de schadevergoedin’g, gegeven
in Artt. 1406-1407 B. W., herzien en met de elders
n’c ‘de wet u’itgedrukte ‘beginselen, voor de ‘bepaling
van schadevergoedingen in overeenstemming gebracht

is. Deze preala’bele wetswijziging wordt ni’et alleen
geboden ‘door het ‘hillijkhei’dsgevoel; zij ‘.cal tevens een
urispru’dentie-co ntrover’se, ‘die ‘de rechtszekerheid
schaadt, uit de wereld helpen en bovendien ‘den weg
effenen voor een uidbreiding van ‘de wettelijke-aan-
sprakelijkhei dsverzekering. De aspirant-verzekerde zal

de te verzekeren som dan immers niet meer beper-
ken tot het inaximum-shedrag, waartoe ‘hij op grond
van zijn fortuin veroordeeld ‘zal kunnen worden.

Eerst vaineer de eisch, dat met den vermogens-
toestan’d van ‘de schuldige partij rekening moet wor-
den gehouden, uit de ivet gesdhrapt is, kan de ver-
zekering van ‘den schuldige tot waarborg van den
‘derde gaan strekken en eerst dan ook heeft ‘het zin
naar een vermeerdering van ‘dien waarborg met be-

hulp van de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering
te ‘ga’an streven.

De tot vermeerdering van dien waarborg strekken-
de regeling zal den ‘derde een zoo groot mogelijke
bescherming moeten ‘bieden, zonder nochtans tot na-

deel voor ‘de andere ‘belan’ghe’lyben’den te leiden. Zij
zal niet een belooning op roekeloosheid en onvoorzich-
tigheid mogen stellen enldus tot een vermeerdering

van ‘het aantal ongevallen leiden. Zij zal niet mogen
voeren tot een verhoo’ging van ‘de premie voor clie
weggebruikers, die nu reeds voldoende verzekerd zijn.
Evenmin ‘zal ‘het ‘gevolg van de te ontwerpen rege-
ling mogen ‘zijn, ‘dat het verzekerin’gsbedrijf in zijn
vrije ontplooiing en
hewegingsvrijhei.cl
belemmerd
wordt of dat inbreuk gemaakt wordt op ‘het vrije con-tractsverkeer. Zij zal verder slechts een minimum aan kosten en contrôle mogen vorderen.
Met het voorgaande is, hlijkens de in andere landen
opgedane ervaring, onvereenigbaar:
dwang op ‘den automobilist om zich te verzeke-
ren, relfs indien ‘deze ‘dwang slechts indirect is, bij-
voorbeeld bestaat in. een ‘dreigen met intrekken van
het rijbewijs;
‘dwang op ‘den assuradeur om Ilceii hem aan’ge-
boden post te accepteeren;

reglementeering van ‘den in’houd der verzeke-
r i ng’scontracten, met ‘bindend voorgeschreven clausu-
les en verboden hedingen;
reglernenteering van premie, e.d.;

vervallenverlçlaring van ‘het recht van ‘den ver-
zekeraar, om zekere excepties, die hij tegen den ver-

zekerde mocht hebben (verzw.ijgin’g, contractbreuk),
ook tegen ‘den ‘derde te laten gelden.

De te ontwerpen regeling zal een zuiver
aanvullen-
de
strekking moeten ‘bezitten; als ‘hoedani’g onder meer

kan gelden het stelsel, dat aanbevolen wordt in ‘het

op 5 Juli 1934 ‘door de Fransche parlementaire
,,Commni ssion d’assurance et ‘de prévoyance sociales”
uitgebrachte verslag.

Deze commissie ‘overwoog ampel de voor- en na-

‘doelen, ‘die aan verzekerings’dwang verbonden zijn en

kwam tot de slotsom, ‘dat verplichte verzekering ver-
werpelijk is. Zij deed echter voorstellen voor een an-
der stelsel, gebaseerd op de Fransche Ongevallenwet
van 1898, welke voorstellen hij ‘groote groepen he-
lan gheb’ben’den krachtige instemming vonden.

Van de conclusies van deze commissie gebruik ma-
kende, beveel ik thans de volgende grondslagen voor
een Nederlandsche wettelijke regeling aan:

Indien cle eigenaar of houder van een motor-

rijtuig, die bij een in kracht van gewijsde gegaan
rechterlij]c vonnis veroordeeld is tot het betalen van
een schadevergoeding, in gebreke blijft aan dat von-nis te voldoen, wordt die vergoeding (of liet niet be-

taalde gedeelte daarvan) aan den rechthebbende oj

diens verzoek uitgekeerd door de Rijksverzekerings-
hanic, die daarvoor put uit een waarborgfonds, dat in

het bijzonder voor dit doel in het leven wordt ge-
roepen.

Voor de toepassing van dozen regel is het onver-
schillig, of liet in gebreke blijven te wijten is aan on-
wil of onmacht van den schuldenaar, aan de omstan-
cligheid dat hij niet of niet voldoende verzekerd is,

of aan onwil of :insolvabiliteit van den verzekeraar,
Vereischt, maar ook voldoende is het, dat cle schuld-
eischer een rechterlijk vonnis heef t verkregen, welk

vonnis in kracht van onherroepelijk gewijsde moet

zijn gegaan, en de schuldenaar niet of niet ten volle
aan zijn bij dat vonnis opgelegde verplichtingen jegens
den schuldeiseher voldoet, waarvan door een in ge-

breke stelling moet blijken. Het eenige opzicht, waar-
in de nieuwe regeling voor den schuldeischer een ge-
makkelijker wijze van verhaal schept, is dat hij niet

tot executie behoeft over te gaan, maar volstaan kan
met zich onder overlegging van cie noodige bewijzen

tot de Rijksverzekeringsbank te wenden, welke bank
clan cie ontbre]cende uiticeering verricht.

Het waarhorgfoncis wordt gevormd door:
a. een jaarlijlcsehe bijdrage ten laste van alle eige-
naars van motorrijtuigen;

5. een bijdrage ten laste van den sub 1,becioelçlen

eigenaar of houder van het niotorrijtuig, te berekenen
over liet bedrag der schadevergoeding, waartoe liet
vonnis strekt;
welke bijdragen telken jare hij Algemeenen Maatregel
van Bestuur worden vastgesteld.

Het Fransche regeeringsontwerp van 4 November
1930, dat ook in een waarborgfonds voorzag, wenschte
de middelen voom dit fonds uitsluitend te putten uit

een premebelasting. De Kamercommissie voerde
tegen ‘dit systeem terecht als overwegend bezwaar aan,
dat het de verzekerden voor de onverzekerden laat
betalen en aldus een belooning stelt op gebrek aan
voorzorg. Zij stelde daarom voor cle noodige bijdragen
te heffen van alle automobilisten zonder uitzondering
en bovendien de veroordeelde automobilisten aan een
extra-belasting, in den vorm van een percèntage van

de sehadevergoedingssom, te onderwerpen, aldus liet
zwaartepunt der heffing naar cle onvoorzichtige weg-
gebruikers verplaatsende.
De sub a. bedoelde bijdrage vo:rmt de eenige ver-

ineerdering van lasten voor den zorgvuldi.gen auto-

16 October 1935

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

895

mobilist. Van finaricieele beteekenis voor hem zal zij

niet zijn; de Kamercommissie kwam althans tot cle
slotsom, dat voor Frankrijk volstaan zou kunnen wor-

den met bijdragen van Frs. 10 en Frs. 20 per jaar,

respectievelijk voor voertuigen met minder en met

meer dan 8 P.K. Daar van het bestaande fiscale ap-
paraat gebruik gemaakt kan worden, behoeven de per-

ceptiekosten niet van belang te zijn.

De Rijksverzekeringsbank wordt door de uitkee-
ring tot het bedrag daarvan van rechtswege gesubro-

geerd in de rechten, die de schuldeischer tegen den

veroordeelde mocht hebben.
Deze subrogatie is noodig, omdat de crediteur be-

vredigd wordt zonder tot executie te
zijn
overgegaan.

De regeling is dus in zooverre voor hem gemakke-
lijk; anderzijds is zij echter in het maatschappelijke
belang, daar de bank bij het zoeken van verhaal op

den crecliteur vermoedelijk meer kosten zal kunnen
en willen maken en meer volharding zal betoonen dan

menige particulier.
De Fransche Kamercommissie wilde de bank ook
doen subrogeeren in des schuldeischers rechten jegens

den verzekeraar. Dit past echter niet in ons rehtsstel-
sel, daar tusschen assuradeur en schuldeischer geen

Land bestaat. Aan den crediteur zou een eigen recht

tegen den verzekeraar van zijn debiteur
,
verleend

moeten worden, een constructie, die ik bedenkelijk
acht, omdat zij bij den debiteur den prikkel tot selec-
tie van zijn assuracleuren wegneemt.

De schaal voor de sub 2
b.
bedoelde bijdragen

wordt (in tegenstelling tot die bijdragen zelf) bij de

wet vastgesteld.
i)e Kamercommissie stelde voor de belasting te
verdubbelen in geval van schuld of van recidive,
aldus:
cc. indien niet gebleken isvan schuld in strafrech-
telijken zin of reci.dive: 5 pOt. van de schadevergoe-
ding met een maximum van Frs. 2.000 voor automo-
bi.listen en van Frs. 250 voor motorrijwielen en rij-
wielen met hulpmotor;.
b.
in geval van schuld in strafrechtelijken zin of
recidive:10 pOt. met maxima van Frs. 4.000 en

Frs. 500.
De Commissie baseerde haar differentiatie op
,,faute lourde”, een criterium, dat ik niet aldus heb
overgenomen, daar noch Art. 1.406-1.407 B.W., die de civi elrechtelijke aansprakelijkheid regelen, noch
Art. 307 van het Wetboek van Strafrecht het begrip
,,grove schuld” kennen. ik heb evenwel rekening ge-
houden met het beginsel, dat de grenzen der straf-
rechtelijke verantwoordelijkheid wegens schuld nau-

ver moeten worden getrokken dan cle burgerrechte-
lijke bij onrechtmatige daad en ,,faute lourde” ver-
vangen door het dichtst daarbij komende begrip
,,strafrechtelijke schuld”.
liet voorstel der Kamercommissie strekte de toe-passelijkheid van de sub 2
b.
bedoelde heffing ook
uit tot door dien strafrechter opgelegde boetes, een
onderdeel dat ik niet heb overgenomen, daar men het
strafrechtelijke begiip ,,boete” en het burgerrechte-
lijke ,,vergoeding” niet moet contamineeren.

1-let aangaan van een verzekering mccle of uit-
sluitend tot dekking van cle sub 2 5. bedoelde bij-
cirage is verboden; elk met dit verbod strijdig beding is nietig en stelt verzekeraar en verzekerde aan boete
bloot.

De inrichting en werking van het waarborgfonds
en de maatregelen ter uitoering van de wet worden
hij Algemeenen Maatregel van Bestuur geregeld.
Met deze zes punten meen ik de grondslagen voor
een stelsel geschetst te hebben, dat een maximum van
waarborgen paart aan een minimum van veranderin-
gen in de structuur van ons bedrijfsleven.
Dr.
P. D. PESTMAN.

OOK NEDERLAND’S NATIONALE ,,HAVENCEWETEN”

ONTWAAKT.

Het laatste beletsel: Het statistisch bewijs.

Nationale hav enpolitiek: België, Duitschiand, Ne-

derland.

België.
,,Sedert dertig jaar”, zoo schreef in 1917

Max Oboussier, hoogleeraar te Gent en later direc-

teur-generaal van de Hapag, in zijn boek over de

Haven van Antwerpen en de Economische Conferen-
tie van
Parijs,
,,is er geen enkele levensvraag voor

Antwerpen geweest, die niet is onderworpen gewor-
den aan al de proeven en de tegenwerkingen van de

Belgische politiek, een der nadeeligste die men zou

kunnen uitdenken”.

De tegenstelling tusschen de Ministeries te Brussel
en het Stadhuis te Antwerpen hebben jarenlang een
funesten invloed gehad op het tempo van de ontwik-
keling van de Antwerpsehe haven. Kort v66r den oor-

log was hierin een begin van verandering gekomen:

de onderlinge strijd maakte allengs plaats voor een

nauwere samenwerking, die na den oorlog bekroond is

door de bekende, stelselmatige, nationale havenpoli-
tiek.

Het merkwaardige bij deze tegenstelling Brussel-Antwerpen is evenwel geweest, dat
terwijl
de Bel-
gische Regeering zich destijds, jarenlang, verzette

tegen desiderata van het Antwerpsche Gemeentebe-
stuur, zij geenszins passief bleef of een afwachtende
houding aannam. Integendeel, ten koste van vele mii-
lioenen heeft zij, met voor uitzienden blik, op groote

schaal voorzieningen getroffen, die achteraf van de
grootste beteekenis zijn gebleken voor de verdere ont-
wikkeling van Antwerpen als wereldhaven; voorzie-
ningen, die den grondslag hebben gelegd voor de na-

oorlogsche Belgische, nationale havenpolitiek. En het
is opmerkelijk, dat zelfs op een
tijdstip,
dat het ver-
schil van meening tusschen Brussel en Antwerpen een
hoogtepunt bereikte (1905), de betrokken minister in

de Belgische Kamer verklaarde: , …..Het belang van
Antwerpen valt samen met al de groote belangen van
het land. . . . Het is de voorspoed van het land zelf
die verbonden is aan dien van Antwerpen! En als
men 150, 200 millioen, als ‘t noodig zou zijn, zal uit-
geven voor Antwerpen, zal men
goud zaaien voor het
heele land.”

Duitschland.
Sedert vele jaren heeft Berlijn zich
beijverd een coördinatie tot stand te brengen tusschell
de havensteden langs de Elbe, de Weser en de Eems,
heeft men pogingen aangewend om een nationale

verkeerspolitiek voor de Duitsche Noordzeehavens in
het leven te roepen. Verder dan een – lofwaardige
– samenwerking tussehen Hamburg en de aangreu-
zende havens Harburg—Wilhelmsbur.g en Altona en
een zekere contrôle op nieuw uit te voeren haven-
werken heeft men het niet gebracht. De tegenstellin-
gen tusschen de verschillende Noordzeehavens daar te
lande zijn in de daaropvolgende crisisjaren evenwel

grooter geworden. Eerst sedert het midden van 193:3
wijst de verkeersontwikkeling erop, dat de particula-

ristische invloeden van de Elbe-, Weser- en Eems-
steden plaats hebben gemaakt voor een systematische
nationale havenpolitiek: onder behoud van gezonde
concurrentie-mogelijkheden heeft ieder dezer havens
een bepaalde taak toegedacht gekregen; ook bij de ka-
nalen- en Reichsbahn-tarief-politiek zijn het niec
meer de toevallige invloeden van de een of andere

haven, maar is het de gemeenschappelijke nationale
verkeerspolitiek voor de Noordzeehavengroep, die den doorslag geeft. Deze zeehavenpolitiek vormt thans een
integreerend en met succes toegepast onderdeel van
het nieuwe economische beleid in het Duitsche Rijk.

De noodzakelijkheid van een nationale havenpoli-
hek ook voor Nederland thans officieel erkend.

Toen in 1932 de crisis haar diepste punt bereikte,

was ‘het verkeer in -de Nederlandsche zeehavens dien-
overeenkomstig achteruitgegaan. De kunstmati ge be-

896

ECONOMISCH-STATISTISCHEBERICHTEN

16 October 1935

invloeding van het West-Duitsche doorvoerverkeer,

eerst door de Belgische nationale havenpolitiek en
daarna door de Duitsche, heeft ertoe geleid, dat noch
Rotterdam, noch Amsterdam in de verkeersopleving

die sedert begin 1933 viel waar te nemen, een aandeel

konden verwerven, evenredig aan de rechtmatige

plaats, die zij voorheen onder de N.W.-Europeesche
zeehavens innamen. In tegenstelling tot de Duitsche
en Belgische zeehavens ontbrak het Rotterdam en

Amsterdam aan den steun eener eigen Nederlandsche

nationale havenpolitiek. De devaluatie van de Belga
moest eerst nog het getij doen verloopen, alvorens

hier te lande wat wij zouden kunnen noemen ,,het
Nederlandsche haven’gewe

ten” wakker was geschud.

Thans is – het zij met erkentelijkheid vastgesteld —

ook hier te lande het nationale belang van de twee

groote Nederlandsche zeehavencomplexen officieel er-

kend. Aan de al te groote ongelijkheid tusschen de

loodskosten naar Nederlandsche en Belgische havens

zal van 1 November a.s. af een einde komen. En, in

dezelfde zitting, waarin het desbetreffende wetsont-

werp door de Eerste Kamer is aangenomen, verklaar-

de de Minister-president in het laatste gedeelte van

zijn rede nogmaals: ,. …. dat de Regeering de groote

belangn van onze Noordzeehavens werkelijk erkent
als nationale belangen en dat ze uit dat oogpunt ook
moeten worden bezien …. Dat er voor onze havens
inderdaad alle aanleiding is, de belangstelling te

vragen, erken ik ten volle, en dat de Regeering be’-
reid is die beangstelling te toonen,
wanneer dat nood-
zakelijk
is en binnen de grenzen van het mogelijke,
daarvan kunnen de havensteden en de leden dezer
Kamer, die in het belang van die steden het woord

hebben gevoerd, verzekerd zijn.”,-(Cursiveering van

den schrijver).
Het wil shrjver dezes voorkomen, dat met ‘deze
woordeia voor de naaste toekomst de dringend nood-
zakelijke nationale havenpolitiek ook voor Nederland

wordt aangekondigd; een politiek, waardoor althans getracht ‘zal worden ‘het aandeel van Nederland • in
‘het N.W. Europeesche havenverkeer te
behouden,
‘op
‘gelijke wijze als zulks noodgedron’gen – ook op

liet gebied van onze buitenlandsche handelspolitiek
is
moeten ‘geschieden. Noch op het gebied van ‘den bui-
tenlandshen ‘handel, nodh op •dat van het verkeers

wezen vormt Nederland een eiland in N.W.-Europa;
op beider ‘gebied moet Nederland zich tenslotte aan-
passen aan de door ‘de buurlanden in het leven geroe-
pen nieuwe omstandigheden.

Alleen de urgentie wordt no’g ontkend. Als laatste
beletsel: het statistisch bewijs.

De ‘desiderata van de ‘grdote ‘havens zijn bekend.
Regeeringshulp tot verlaging van havengelden, kade-

gelden en terreinhuren werd voorloopig van de hand
gewezen, met het oog op de hooge ‘daarmede gemoei-‘de bedragen en de eventueele consequenties.
Ten aanzien v,aii de invoering van Rijnvaartpre
mies, die naar ‘de woorden van den .Minister-Presi-
dent, een ,,gehee’l afzonderlijk vraagstuk” vormen,

werd vooral de ûrgentie’ ontkend. De Minister-Presi-
dent wijd’d& hiera2in ‘het grootste gedeelte van zijn
rede, alsmede ‘de g&heele bewijsvoering met cijfers,
– een en ander ten bewijze, ‘dat positieve hulp van

‘de Regeering op dit gebied niet noodzakelijk, nôg
niet noodzakelijk was.

De Minister-President ontkende, dat tot en met
1934 het Rotterdamsche havenverkeer nadeelig be-
invloed zou
‘zijn
geworden ‘door de Belgisch& Rijn-
vaartpremie. Wel zou in ‘het tweede kwartaal van
1935 ‘de devaluatie eenigen invloed hebben gehad,
maar men diende af te wachten, of ‘deze geo’lgen
van ‘de ‘devaluatie an
tij’delijken
‘dan wel van blij-
ven’den aard z’ou’den ‘blijken te zijn.

Men moet toegeven
3
dat indien ‘de ‘zaken ‘zoo staan, indien ‘de. Rijnvaartpremies inderdaad tot het oogen-
blik van ‘de devaluatie zon’der noemenswaardi’g effect
op ‘het Rotterdamsche en op ‘het Antwerpsche haven-

v’erkeer zij’n gebleven, ‘dat er ‘dan alle reden zou zijn

om ‘de Regeerin’g niet tot al te •groote ‘ ovëxhaasting
te nopen. 1-let zou dan immer•s uitsluitend gaan om
‘de vraag, ‘of de ‘zekere verlevendiging, zôoals de Mi-
n’ister-Presj’clent het noemde, die ‘devaluatie, altijd,

i dus ook ten aanzien. van het ‘havenverkeer (den door-

voer) brengt, ook ditmaal een. tijdelijk karakter zou
dragen. En men zou dan maar al te goed kunnen be-
grijpen ‘de geneigd’hei’d om het resditaat af te’ wach-
ten van ‘het proefondervindeljjk onderzoek ten aan-

zien van ‘de beteekenis en de. ‘gevolgen van devaluatie
op ‘dit ‘gebied.

Maar in’dien ‘de met cijfers. gestaafde ‘bevijsvoerin’g
van den Minister-Presi’dent ‘hij nadere analyse tot een
tegengestelde conclusie mocht leiden? Indien uit een

na’der onderzoek mocht iblijken, ‘dat Rotterdam reeds

v66r de ‘devaluatie van ‘de Belga ernstig door de
Rijnvaartpremies werd getroffen? Indien zou blijken,
dat ook zon’der de ‘devaluatie ‘de Belgische Rijnvaart-
premies haar afbrokkelingsproces ten nadeele van Rot-

terdam als natuurlijke Rijn’haven en ten voordeele

van Antwerpen en Gent zouden hebben voortgezet in
een omvang, ‘die onmi’ddellijken steun zou geboden

hebben, wilde een gedeelte van het Rotterdamsche

Rijnverkeer niet onherroepelijk ai.n de Schelde-havens
verloren ‘gaan?

Zal het ‘dan nog noodi’g zijn om eerst ‘de ‘gevolgen
af te wachten, die ‘de ‘devaluatie in ‘de komende maan-
den al of niet zal ‘hebben?
De argumenten ‘door ‘den Minister-President in het
geding gebracht, ten bewijze, ‘dat tot hcit tij’dstip van
de ‘devaluatie ‘de Belgisohe Rijnvaartpremies geen ver-

keersverschuiving tussehen Rotterdam en Antwerpen
hadden teweeggebraeht, zijn ‘de volgende:

1. Het jaar 1929 is, als ,,boomjaar”, een onjuist
uitgangspunt voor cijfergroepeeringen, die een ach-
teruitgang voor ‘het Nederlandsc’he havenverkeer wil-
len demonstreeren.

De Rijnvaartpremies zijn ingesteld in 1931. Van
1931 tot 1934 bedroeg de teruggang van de te Ant-

werpen aangekomen scheepstonnage 1Y2 millioen ton, te Rotter’dam slechts 100.000 ,ton.

Het aandeel van het Belgische Rijnverkeer in
het totale verkeer- via Lobith daalde van 23Y4 pOt.
in 1931 – het eerste jaar dat ‘de Rijnvaartpremies
zouden zijn ingesteld – tot 22Y pOt. in 1934; het
aandeel van het Nederlandsc’he Rijnverkeer daaren-
tegen steeg in ‘hetzelfde tijdvak van 74,44 pOt. tot
75,56 pOt.

Op grond van ‘de statistische ‘gegevens voor ‘het
eerste halfjaar 1935 zou niet alleen Rotterdam, ‘maar
ook Antwerpen een tonrageverlies van een half mil-
lioen ton voor ‘het loopende jaar ‘hebben geleden, en

‘dat ondanks den invloed van de devaluatie in het
tweede kwartaal.

I.
Het jaar 1939 geen basis voor vergelijkingf

In het algemeen is het inderdaad onjuist een biom-
jaar met een crisisjaar te vergelijken. Maar, in’dien
1929 een boomjaar was voor Nedérland, voor ‘de we-
reld en, zoo men wil, ook voor ‘den omvang van het
Rotterdamsche ‘havenverkeer, ‘dan was het dit even-
eens voor ‘de Antwerpsche ‘haven.
Een vergelijking, waaruit ibijv.
blijkt,
dat in die
gemeenschappelijke boomperiode het Rijuvervoer van
ijzer- en mangaanerts via Antwerpen stond tegenover
dat over Rotterdam als 1:20 en in 1934 no’g slechts
als 1:12 is dan ook alleszins geoorloofd, te meer daar
de verhouding v55r den oorlog eveneens 1:20 was.
Ja, het jaar 1929 wint nog aan beteekenis als ver-

gelijkin.gsjaar, wanneer bovendien blijkt, ‘dat in 1934
over Antwerpen en Gent reeds bijna evenveel ijzer-
en mangaanerts Rijnopwaarts is verscheept als in het
boomjaar 1929 en als in 1913, – het Rotterdamsche
ertsverkeer ‘daarentegen in 1934 nog slechts een derde
van ‘dat van 1929 en niet eens 40 pOt. van ‘dat van
1913 bedroeg. V’oeg daarbij, ‘dat in het eerste kwar-
taal van 1935, ‘dus vdbr ‘de devaluatie, over Ant-

16 October 1935

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

897

werpen en Gerit 125.000 ton ijzer- en mangaanerts

is gegaan, zijnde niet alleen de helft meer dan in

1934, maar ook
cle helft meer dan in 1929,
dan blijkt
in dit opzicht juist de periode v66r de devaluatie voot
de Belgische havens een boomperi’ode te zijn geweest.
MT
ann
ee
r
men slechts voldoende het oog gericht

houdt op de ontwikkeling van het verkeer in de
voorafgaande jaren, op de inzinking veroorzaakt door

de crisis en op de heroplevirig na her dieptepunt in
1932, als men niet nalaat ook de ontvikkelingstendes
van jaar tot jaar en op langen termijn gade te slaan,

dan bestaat, er van statistisch standpunt geen enkel

bezwaar tegen om 1929 als uitgangspunt, of zoo men
wil als gemeenschappelijk hoogtepunt te beschouwen.
De opmerking, dat 1929 voor
vergelijking
met 1934

onbruikbaar en onjuist zou zijn, omdat geen enkele
Regeering nationaal ook maar iets zou hebben kun-
nen doen aan ‘den ernstigen teruggang van het ver-
keer, in het tijdvak 1929/1934, kan bovendien evenmin

van toepassing zijn op het andere belangrijke Rotter-
‘damsche massagoedverkeer: de uitgaande kolen. Im-
mers, in totaal valt er voor de N.W.-Europeesche zee-
havens ten aanzien van den zoo omvangrjken kolen-

uitvoer geen achterstand meer waar te nemen: in

1934
zijn
er in totaal evenveel kolen verscheept als
in 1929. Edoch, in 1929 ging van deze hoeveelheid
80 pOt. over Rotterdam, in 1934 nog slechts 50 pOt.
Rotterdam verwerkt thans nog steeds een millioen
ton uitgaande ‘kolen minder dan v66r de crisis, Ant-
werpen evenwel reeds % millioen to,n, ten deele Duit-
sche kolen, meer per jaar.

II. De Aniwerpsche en Rotterdamsche tonnagecijfers
van het zeever/ceer en de Rijnvaartpremies.

Ook hiervoor geeft •de Minister-President de voor-
keur aan 1931 boven 1929 als vergelijkin’gsjaar met
1934. liet is evenwel de vraag, of voor vergelijking
va.n soheepvaartcijfers van havens als Antwerpen
(lijnvaart) en Rotterdam (trampvaart) het jaar 1931
wel ‘geschikt is. Het tonnagecijfer van ieder dezer
havens heeft geheel anders en in volkomen verschil-
lend tempo op ‘de crisis gereageerd. Rotterdam, waar
de bewegelijke trampvaart het belangrjkst is, werd
reeds in 1930/1931 zeer zwaar getroffen. Het tonnage-
cijfer voor Antwerpen daarentegen bleef, dank zij het groote aantal ljnbooten, vooreerst nog op peil.
Was 1929 voor beide havens een boomjaar, 1931 was
voor Rotterdam reeds in zeer h’ooge mate een crisis-
jaar, voor Antwerpen, in zoover het ‘de scheepstonnage
betrof, nog slechts in geringe mate. Deze ongelijk-
soortigheid van te vergelijken grootheden maakt der-
halve de tonnagecijfers over 1931 voor het beoogde
doel bepaald ongeschikt.

Handhaaft men desondanks de cijfers voor 1931 als
basis voor vergelijking, dan dient in ieder ‘geval nog
het volgende in aanmerking te worden genomen. Het
Rotterdamsche scheepvaartverkeer is van 1931 tot
1934 niet van 18.072.955 tot 17.964.418 N.R.T. of
met slechts 100.000 teruggeloopen, maar met bijna
700.000 ton. Immers, ,het
cijfer
voor 1934 omvat voor
het tijdvak Mei/Dec. ook het verkeer van het sedert
1 Mei geannexeerde Pernis-Vondelingenplaat, groot
ruim 300 schepen en bijna 600.000 ton. Tegenover
den Antwerpschen achteruitgang met 134 millioen
ton, staat dus reeds een verlies voor Rotterdam van
700.000 ton, in plaats ‘.an 100.000 ton.

Er is echter meer. Juist ‘gedurende het jaar 1931
liepen vele schepen, vooral ljnbooten met groote ton-
nage, die voorheen te Rotterdam kwamen en sedert
1933 (verla’gin’g van havengel’d te Rotterdam) weder-om tot Rotterdam op’stoomen, Sc’hiedam aan. Feitelijk
zou men ‘dus, ter vergelijking met Antwerpen, voor het
jaar 1931 dit
tijdelijk
verlegde verkeer bij het Rotter-
damsche
cijfer
moeten voegen, met het gevolg, dat
de adhteruitgang van Rotterdam in 1934 ten opzichte
van 1931 veel grooter blijkt te zijn. In ieder geval
gaat het niet aan, om uit ‘het feit, dat Rotterdam
juist in 1931 groote verliezen aan havengeld heeft

geleden, een argument te smeden om een goeden gang

van zaken te Rotterdam te
bewijzen
en Antwerpen als

zwaar getroffen partij naar voren te doen treden.
Wil men per se de tonnage van 1931 met die van

1934
vergelijken,
dan neme men het verkeer van Rot-terdam met bijhavens langs den Nieuven Waterweg,

dat in ‘de genoemde jaren, zonder dubbeltellingen, niet
met 100.000 maar met 1.800.000 N.R.T. achteruitliep,
een verlies, dat ‘derhalve
niet 15 maal kleiner
maar

300.000 N.R.T.
grooter
is dan dat voor Antwerpen

(134 millioen).

Tenslotte moge erop worden gewezen, ‘dat de Rijn-

vaartpremies niet in 1931, maar in 1929 zijn inge-

steld. Men dient dus, uitgaande van denzelfden ge-
‘dachtengang, den achteruitgang voor Antwerpen op

3.200.000 N.R.T. te stellen en voor Rotterdam op 4.200.000 N.R.T. Sedert het ‘bestaan van de Rijn-
vaartpremies is Rotterdam ‘derhalve niet minder,

maar belangrijk zwaarder getroffen.

III. Het goederenverkeer langs den Rijn via
Lobith en de Rijrivaartprenzies.

Ten aanzien van den invloed ‘dien de Rijnvaartpre-
mies op het goederenverkeer langs den Rijn hebben

gehad, heeft de Minister-President het volgende
standpunt ingenomen:

,,Ik neem een ander cijfer, ik zou haast zeggen een
nog rnerkwaardiger cijfer dan de tonnagecijfers van het
‘zeeverkeer, omdat het op het goederenverkeer betrekking
heeft. In
1931
bedroeg hot percentage van Beigië in de te
Lobith uitgeklaarde en ingeklaarde gocdeien
23,25
pCt.;
dat was het eerste jaar, dat de Rijnvaartpremies waren
ingevoerd. In
1934,
toen deze premies dus vier jaren had-
den gewerkt,
was het percentage van België van de ‘te
Lobith uitgeklaarde en ingeklaarde goederen
22,24
pOt.,
een teruggang dus niet een vol percent.”
,,Voor Nederland daarentegen bedroeg het aandeel in
1931 74
2
44
pCt., in 1934 75,56
pCt.
Terwijl dus voor Bel-
gië een teruggang met 1 pCt. viel te constateeren in die vier jaren, kon voor Nederland worden gewezen op een
stijging van
1
pOt.”
(c.urs’iveeriug van ‘den schrijver).

Deze conclusie is inderdaad ‘hoogst merkwaardig.
Onwillekeurig komt men ertoe de werkelijke cijfers
erop na te slaan. Men bemerkt ‘dan, ‘dat de percentages volkomen nauwkeurig uitgereken’d
zijn,
maar zij zijn
berekend op het totale Rijnverkeer, ‘dat voor een
kwart bestaat uit verkeer met Belgische en Neder-
landsché binnen’havens. Dit valt, evenals het verkeer
met Fransche binnenhavens en het Rijn-Zeeverkeer
buiten de concurrentiesfeer ‘der zee’ha’vens. Het ver-
keer op ‘de Belgische ‘binnenhavens komt evenmin voor
een Rijnvaartpremie in aanmerking. Uitsluitend de
Rijntransporten over Antwerpen en Gent kunnen op
de premies aanspraak maken en uitsluitend het Rijn-
verkeer op deze havensteden kan ‘dus door de premies
beïnvloed zijn.

Na vertegenwoordigt het Rijnverkeer op de binnen-
havens in Nederland en België ongeveer 10 millioen
ton goederen op een totaal verkeer via Lobith van
40 millioen ton. 1-let Rijnverkeer over Rotterdam be-
draagt ongeveer 20 millioen ton, dat over Antwerpen
ongeveer 5 millioen ton. Het is duidelijk, dat ver-
schuivingen in het groote verkeer op de binnen-
havens, de percentages voor geheel Nederland en

België zoodanig kunnen beïnvloeden, dat deze per-
centages geen juist beeld meer geven van de ontwik-

keling van het verkeer over de respectieveljke zee-
havens. Zooals hieronder zal blijken is zulks voor de
door den Minister-President geciteerde percentages
inderdaad het geval.

Het percentage van liet geheele
Belgische
Rijnver’-
keer in het totale verkeer via Lobith zou met 1 pOt.
zijn afgenomen, maar het Antwerpsche blijkt van

1931 tot 1934 met 10 pOt. te zijn gestegen en wel van
5.098.000 tot 5.542.000 ton.

Voor het Geutsche Rijnverkeer is er voor 1934 in

vergelijking met 1931 een achterstand. Deze is even-
wel in hoofdzaak het gevolg van den verminderden
export van Duitsche kolen, die per binnenschip via

898

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16
October 1935

Cent naar Frankrijk en België werden verscheept.

Deze transporten hielden evenwel geen verband met

liet Gentsehe zeeverkeer; indirect ondervonden zij

zelfs ni.et
den stimuleerenden invloed van den stij-

genden Gentschen ertsdoorvoer ter zee, waarvoor wel
premies worden verleend. Toch profiteerde Gent véér

de devaluatie reeds in bela:ngrijke mate van de Rijn-,
vaartpremies: het Rijnverkeer stroomopwaarts via

Gent steeg ni. van 357.000 ton in 1931 tot 543.000

ton in 1034, dit is met ca. 50 pOt.

liet aandeel van
Nederland
in het totale verkeer

via Lobith zou volgens de door den Minister-Presi-

dent geciteerde berekening
zijn
toegenomen met
1 pOt. In werkelijkheid bedroeg het Rotterdamsche

Rijnverkeer in 1.934 nog slechts 21.020.000 ton tegen

21.666.000
ton in 1931.

Antwerpen boekte derhalve een
vooruitgang
van

450.000 ton; Gent een
winst
van 185.000 ton. Rotter-
dam had in 1934 nog een
achterstand
van 650.000 ton
en ook Amsterdam bleef in dat jaar nog met 260.000

ton bij 1031. ten achter.

In het bovenstaande is ervan uitgegaan, dat voor

het goederenverkeer langs den Rijn het jaar 1931 het

meest geschikte uitgangspunt voor vergelijkingen met

1034 vormt.

Ten aanzien van het zeeverkeer is reeds uiteen-
gezet, om welke redenen een
vergelijking
van het Rot-
terdamsche en het Antwerpsche havenverkeer met

1931 als basis, het beeld voor Rotterdam te rooskleu-
rig voorstelt en de winst, die Antwerpen in 1931/1934

heeft kunnen boeken, kleiner doet schijnen dan zij
werkelijk is. Dit geldt ook voor het Rijnverkeer. Na

hetgeen hierboven is gezegd ten aanzien van de ont-

wikkeling van het Antwerpsche en Rotterdamsche
Rijnverkeer in het
tijdvak
1931/1934, is een vergelij-
king tusschen 1029 en 1934 eigenlijk overbodig te

achten. Nu de Belgische Rijnvaartpremies reeds in
1029 zijn ingesteld, moge als aanvulling niettemin

worden vermeld, dat het Antwrpsche Rijnverkeer in
1034 het peil van 1929 wederom had bereikt – mede
dank zij den kunstmatigen steun in den vorm van

premies -, terwijl zoowel het Rotterdamsche als het

Amsterdamsche Rijnverkeer nog één derde bij dat
van 1029 ten achter waren. ilet Gentsche verkeer
Rijnopwaarts was ongeveer de helft grooter dan véér
de ciisis.

IV.
De vericeerscijfers voor het eerste halfjaar 1935.

Ook de verkeersontwikkeling in ‘het eerste halfjaar
1935 blijkt voor Rotterdam minder gunstig te zijn
geweest, dan men uit de mededeeling van den Minis-
ter-President zou moeten opmaken:

.,Ms
ik het heele eerste halve jaar neem, is (de wijzi.
ging
ten ongunste van Rotterdam en ten voordeele van
Antwerpen)
nog niet eens merkbaar, want als
ik
de cijfers
neeni van de zeetonnage voor het eerste halfjaar van dit
jaar en ik vermenigvuldig die met twee, dan is Antwerpen
niet een half niillioen ton teruggegaan en Nederland is
ook met een half millioen ton teruggegaan. d.w.z. zij zijn
beide in gelijke mate gedaald; ik heb- liet hier over het
zeeverkeer.”
(Cn
rsiveeri ag van den schrijver).

Volgens ‘de officieele
Antwerpsche gegevens heeft het
scheepvaartverkeer te’ Antwerpen in 1934 20.531.000
Belg. Moorsorn T. bedragen. In ‘het eerste halfjaar
1935 is het 10.319.000 T. groot geweest; voor een
heel jaar zou dit overeenkomen met 10.319.000
X
2 =

20.638.000 T. Antwerpen is dus niet met een half
millioen ton achteruitgeloopen, maar boekte een winst
van 100.000 T.
Het verschil is als volgt te verklaren. Bij he’1eiding
va.n de Antwerpsehe
tonnagecijfers
van Belgische Moor-

som T. in Netto Registertonnen, wordt sedert 1913
algemeen – ook in de Antwerpsehe publicaties – een
aftrek toegepast van 15 pOt. De Antwerpsehe cijfers zijn zoodoende vergelijkbaar met die van Rotterdam
en Hamburg. Men komt ‘dan voor Antwerpen tot een
jaarcijfer van 17.451.000 N.R.T. voor 1934 en
8.771.000 N.R.T. X 2 = 17.542.000 N.R.T. voor 1935.

Ook volgens •deze berekening heeft Antwerpen een
vooruitgang behaald van 100.000 N.R.T.

Nu is verleden jaar uit een nieuw onderzoek

van de Rotterdamsche Kamer van Koophandel ge-
bleken, dat door wijziging in soort en bouwtype van
de zeeschepen in den
1001)
der jaren, ‘de afwijking
tusschen de Moorsom-tonnage en Netto Registertoli-

nen voor de laatste jaren veeleer op 18 pOt. moet

worden gesteld dan op 15 pOt. In de vergelijkende
tabellen van het havenverkeer in Antwerpen, Ham-

burg en Rotterdam, opgenomen in driemaandelijksche

statistieken van de Rotterdamsche Kamer van Koop-

handel (1935-11, pag. 16) zijn ‘de Antwerpsehe cijfers

sedert 1 Januari ji. met 18 pOt. verminderd. Voor de
eerste helft van 1935 krijgt men dan 8.464.000 T.;
voor een heel jaar komt dit overeen met 8.464.000 X
2 = 16.928.000 T.

Het vergelijkingscijfer voor 1934 bedraagt dan, zoo-
als trouwens uit dezelfde statistiek van de K. v. K.

(1035 II pag. 16) blijkt, 16.839.000 ton. Ook hier vin-

den we dus een vooruitgang van 100.000 ton voor
Antwerpen.

Hoe is de tegengestelde conclusie van den Minis-
ter-President – achteruitgang voor Antwerpen in
1035 met een half millioen ton – dan wel te ver-
klaren?

Men heeft voor 1935 het cijfer gebezigd, berekend

volgens de nieuve methode (- 18 pOt.), d.w.z.
16.928.000 ton en dit vergeleken met een
cijfer
voor 1934 berekend volgens de v66r-oorlogsche methode (- 15 pOt.), iii. 17.451.000 ton.

Zoo ontstond er een verschil van een half millioen,

dat evenwel niet het gevolg is van een verminderd
scheepvaartverkeer, maar van het feit, dat van de of-

ficieele Antwcrpsche cijfers voor 1935 3 pOt. meer is
afgetrokken dan voor 1934.

Wat het
Eotterdamsche
scheepvaartverkeer betreft,

moge het volgende worden opgemerkt. Het bedroeg inclusief het geannexeerde gebied Pernis-Vondelin-
genplaat in het eerste halfjaar 1935 8.708.000 N.R.T.

Voor twaalf maanden komt dit overeen met 17.416.000
N.R.T.

Het
cijfer
voor 1034, ul. 17.914.000 N.R.T., dat in-
derdaad een half millioen ton hooger is, omvat even-
wel het verkeer van het geannexeerde gebied slechts
van 1 Mei 1034 af. Wil men vergelijken, dan moet
men het cijfer voor 1934 verhoogen met het verkeer
van Pernis/Vondelingenplaat in Januari/April 1934.

Dit vertegenwoordigde ongeveer 120 zeeschepen en

200.000 N.R.T., zoodat hdt vergeljkingscijfer voor 1934 18.174.000 N.R.T. wordt. Het eerste halfjaar
1935 laat dus voor het geheele jaar een achteruitgang
voor Rotterdam van 760.000 N.R.T. verwachten.

Vatten wij het bovenstaande samen, dan blijken de
statistieken van het scheepvaartverkeer in het eerste
halfjaar 1935 noch op een verlies voor Antwerpen
van een half millioen ton, noch op een achteruitgang

voor Rotterdam van eveneens een half millioen ton te
wijzen, maar op een vooruitgang voor Antwerpen van
bijna 100.000 T. en een verlies voor Rotterdam van
760.000 N.R.T.
W. VAN LOOVEREN.

AANTEEKENINGEN.
Bevordering van het toerisme in Nederland.

Het toerisme in ons ‘land is in de laatste jaren
vooral door twee oorzaken sterk getroffen, ni. ‘door
lage vexblijfkosten in het buitenland tengevolge van
de depreciatie van een groot aantal valuta’s, die ‘het
reizen van Nederlanders in het hui’tenlan’d aanmoe-
digt en verder ‘door de duurte in Nederland, die de buitenlanders ervan weerhoudt ons land in grooten
‘getale te bezoeken. Daarnaast hebben nog andere oor-
zaken een ongunst’igea invloed -geoefend, ‘zooals bijv.
de ‘belemmering van ‘het Duitsche toerisme naar ons
land. Hoofdoorzaak blijft echter, afgezien van de al-

16′ Octobér 1935

ECONOMISCH-STATISTISCHE i BERICHTEN

899

gerneene crisisomstandigheden, het groo’te verschil in
prijsniveau’s in goud, zooals wij reeds vroeger op
grond van uitvoerige statistieken hebben aange-

toond
1)

Er is in ‘dit opzidht een markante overeenstemming met ‘het internationale •goederenverkeer te constatee-

ren. iooge prijzen in een land bevorderen den invoer en belemmeren den uitvoer van goederen; zij stimu-
leeren echter tevens den uittocht van eigen bewoners

en verhinderen •de komst van vreemdelingen! In

tegenstelling ‘tot de interventie op het ‘gebied van den

goederenrui 1 (invoeibelemmering door contingentee-
ring en ‘tarieven; uitvoeribevordering door subsidies)

heeft ‘de Regeering tot dusverre nog niet op ‘toeris-

tisch gebied ingegrepen. In de Millioenenn’ota is ech-
ter een belasting ‘op plezierreizen naar ‘het buitenland aangekondigd (te vergelijken met verhooging van ‘het

tarief van invoerrechten), doch aan ‘het complement
van dezen maatregel, aantrekken van vreemdelingen

door verleening van bijzondere faciliteiten (te verge-

lijken met exportsubsi’dies) wordt
schijnbaar
nog niet

gedacht.

Niettemin achten wij dit punt in het algemeen be-langrijker dan een ‘belasting op plezierreizen, waar-
tegen zeer groote bezwaren kunnen worden aange-

voerd. In ‘den laatsten
tijd
wordt er sterk aangedron-
gen op een verbetering van onze propa’ganda in het
buitenland, waarvoor zeer veel te zeggen valt. ) Hier-
mede moet echter gepaard gaan een streven om •het
reizen in ons land voor den buitenlandschen toerist
goedkooper te maken. Oostenrijk biedt in ‘dit opzicht
een uitsteken’d voorbeeld. Daar hbben de lage prijzen
en een krachtige propaganda, ‘ondanks het ontbreken
van Duitsch’e toeristen, tot een verbetering in het
vreemdelingenverkeer geleid, die buitengewoon aan-

zienlijk is.
3).

De wijze, waarop toeristische propaganda voor ons

land moet worden gevoerd, is een
moeilijk
probleem,

doch verdient in alle opzichten de belangstelling. In-

tusschen zouden wij in dit verband op een feit willen
wijzen, dat uit een oogpunt van bevordering van toe-
risme belangwekkend is. In de jongste vergadering
van de Vereeniging ,,Nederland in den Vreemde” heeft Staatsraad J.
T.
Ramibonnet een mededeeling
gedaan van den wensoh van de internationale padvin-

‘dersorganisatie om ‘de WTe
r
eld Jam’boree in 1937 in

ons land te houden. Om het slagen van deze onder-
neming te verzekeren,
schijnt
nog een bedrag van on-
geveer
f
50.000 noo’dig te zijn. Men rekent op circa
25.000 deelnemers (waarvan 10.000 buitenlanders).
De totale ‘omzet van deze Jamboree (reiskosten, uit-gaven voor het kamp, extra verteringen van de deel-
nemers, reis- en verblijfkosten van de buitenlandsche
bezoekers) kan o.i. zeker op ruim
,f
1 snillioen worden

geraamd
4).

De vraag, of aan een dergelijke organisatie steun
verantwoord is, kan men van verschillende kanten

beschouwen. Indien de agrarische steun ook in 1937 nog in denzelfden omvang zou bestaan, zou van zui-

ver
com?nercieel
standpunt een subsidie tot een be-

J)
Vg1 on’s artikel: ,,Toerisme en prijsniveau” in E.-S.B.
van 15 Aug.
1934.
3)
In dit verband mag zeer zeker met groote voldoening
gewezen worden
01)
het artikel over Nederland en het
v reenldelilkgenverkeer in het maaudbe richt van October
van
de Rotterdamsche Bankvereeniging.
Vgl.
Oesterreichisehe Reise- und Ve rkehrsnachrichten
van 7 Sept.
1935.
1-let aantal vreemdelingen in Oostenrijk
is dezen zomer weer sterk ‘toegenomen. Wat ‘dit voor de
Oosten rijksohe volkahuisbouding beteekcnt moge wel hier-
uit blijken, dat, terwijl in
1930 •de inkomsten uit,het vreen-delingenverkeer
20
pCt. van het passief saldo van de han-
delsbalans dekten, dit percentage in
1934
ongeveer 50 pCt.
bedroeg.
De. Wereld Jamboiee ‘te Birkerihead (bij Liverpool)
van 1929
werd bezocht door
50.000
leden van de padvin-
dersbeweging in verschillende landen en ‘trok
350.000
be-
zoekers, die van
1933
te. G’ödbllb (bij Budapest)
2.000
pad-
vinders en
320.000
bezoekers.

paald bedrag

het Landbouwcrisisfonds volkomen

te verdedigen zijn. Immers, de meerdere inkomsten

uit de accijn-zen op levensmiddelen voor 10.000 bui-
tenlanders, ‘die -hier 10
t
14 dagen verblijven, vormen

een niet te verwaarloozen bron van inkomsten. Het
blijft immers hetzelfde, of men een subsidie geeft voor

een verblijf van buitenlanders (een ‘groot ‘deel van de
deelnemers zullen natuurlijk En’gelschen
‘zijn),
‘die hier
tegen hooge prijzen onze levensmiddelen consumeeren,

dan wel een groot gedeelte van die levensmiddelen

tegen afbraakprjzen aan het buitenland verkoopt en

voor dekking van het verlies een subsidie krijgt.

Doch ook de directe en indirecte inkomsten uit

hoofde van het bezoek van een groot aantal vreemde-
lingen moeten niet worden onderschat. Prof. Glücks-

mann heeft daarop in zijn onlangs verschenen boek
zeer duidelijk de aandacht gevestigd
t).
Bovendien
zouden voor dit speciale geval nog allerlei andere

motieven kunnen worden aangevoerd, die niet in geld
zijn te waardeeren.

Uit dit voorbeeld blijkt intusschen, dat er een ob-

ject is voor het aantrekken van vreemdelingen, dat

een na’dere bestudeering ten volle waard is. Op het
gebied van het vreemdeliu’genverkeer ‘kan ‘door aller-

lei instanties zeker meer activiteit worden getoon’d
dan tot dusverre het ‘geval is geweest.
v. d. V.

1)
Prof. Dr. Robert Glücksmanu – Aflgemeine Frem-
denverkehrskunde. (Bern
1935;
Verlag Von Stii.mpfli &
Cie. Prijs R.M. 8).

De beteekenis van ordening van het Nederland-
sche bedrijfsleven.

Ter gelegenheid van -de installatie van de vaste
commissie ex art. 8 van de wet ‘op ‘het verbinden’d
en onverbindend verklaren van ondernemersovereen-
komsten, hebben Minister Gelissen en de voorzitter
van deze commissie, Prof. Dr. P. Lieftinck, rede-
v’oeringen gehouden, ‘die zeker de aandacht verdie-
nen. Uit deze redevoeringen is nl. gebleken, ‘dat de

Regeering aan de ordening een andere beteekenis
toekent ‘dan men in het algemeen pleegt te ‘doen.
Over het begrip ordening bestaan op het oogeublik
zooveel verschillende meeningen en denlbeel’den, dat
ook op ‘dit gebied ,,ordening” wel zeer noodzakelijk
is. Dat ‘de Regeering met bovengenoemde wet slechts
een kleinen stap zet in de richtin’g van ‘het ingrijpen

in het particuliere bedrijfsleven, wor’dt o.i. bevestigd
door ‘de volgende passage uit ‘de redevoering van den
Minister:

,,Orden’ing, die ook deze wet beoogt, wil naar mijn
neening niet zeggen het ‘bedrijfsleven verankeren aan den
steiger van de haven der ,,beati possedentes”. Ordening
in den zin van deze wet moet vooi-tkomen uit ihet be-
drijfsleven zelf, en kan slechts dan verbindend worden
verklaard, ‘indien ze voor de economische verhoudingen
in den eebij betrokken bedrijfstak overwegende beteekenis
heeft of kan hebben, en liet algeniceen belang ‘de verhin-
dendverkiaring eisch-t.
Zij’, die zelf het .groote voorrecht hebben gesmaakt, of
nog smaken, aan het hoofd van een groot bedrijf te ‘heb-
ben gestaan, of te mogen ‘staan, zullen, vooral in deze zoo
veelzijdige functie in zich hebben gevoeld, of nog voelen de ‘werking der sociale en meer individueele krachten, in
iederen mensch, zij ‘het dan ook in ‘zeer verscheiden hou-
ding werkzaam. Zij weten ook, dat een ‘bedrijf of onder-neming slechts dan groot en krachtig kan worden, indien
gesteld onder de bezielende en deskundige leiding van dec
eenling, van den man die geest en :hart aan zijn werk ‘heeft
verpan’d en zich in volkomen harmonie en samenwerking met ‘de onder hem gestelden aan zijn taak wijdt.
Individueele krachten, zoo sterk werkzaam in den ech-
ten ondernemer, hebben vele grootbedrijven doen ont-
staan, waarvan wording en opkomst met gouden letters
in de annalen der technische en economische geschiedenis
zijn neergeschreven. Aan het ontstaan en het wezen van
het grootbedrijf is •dan ook altijd nauw verbonden de
naam van ,,ééu man” van den stich’ter of leider. Men behoeft ook ‘in ons land slechts om zich heen te zien
om ‘dit stuk geschiedenis levend voor oogen te hebben.
Aan de beteekenis van ‘het persoonlijk element mag »aal

900

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 October 1935

mijn meening de gebondenheid niet tornen. Goede orde-
nung zij een gereede ‘voedingabodern voor het immers
onmisbare particuliere initiatief. De ‘mensohelijke vrijheid,
en dus ook die van den ondernemer, moet worden ge-
e,er’bied’igd voor zoover het algemeen belang ‘zulks toe-
laat, eb slechts dan worden beperkt als het algemeen
belang dit werkelijk ‘eiseht. Ook in een organische volks’
‘huishouding
dient gewaakt ‘te worden voor ‘behoud van d
persoonlijke zelfstaud.iheid.
Hoe vaak, ontieende de zon der sociale. yebgeving hai
licht en glans aan het goed geleide grootbedrijf. Een hoog
sociaal niveau i.s op den duur ondenkbaar, in een econo-
nIsch moeras. Zoo richt de sociale rector zich vaak pdrallel
aan den econoiii’isohen; waar zulks niet het geval was,
grijpe de overheid ‘wetgevend in, aldus toonend, dat hare
roepi.ng
een ‘hoogere is, dan die van:den .,,tat gendarme”.”

Uit het antwoord van Prof. Lieftinek blijkt, ‘dat le

commissie ‘bij ‘haar besluiten zich niet alleen zal laten

leiden ‘door ‘de momenteele omstandigheden, ‘doch ook

door •d’e toekomstige ontwikkeling van het bedrijfs-

leven. Wij citeeren in •dit verband de volgende

passage:

,,Het is dan ook zoowel ondoelmatig als ongewenscht bij de toepassing van deze wet de vraagstukken van een
bepaalden bedrijfstak geïsoleerd ‘te beschouwen. De samen-
hang tussc’heu de verschillende ‘bedrijfstakken is daarvoor
eel ‘te nauw. Worden in een bepaalden bedrijfssector
maatregelen genomen, drie elders reacties opwekken – en
di’t ‘is niet zelden ‘het geval – dan kunnen de resultaten,
waarop men gehoopt ‘heeft, ‘volkomen worden teniet
,
g-
daan. Dit ‘gevaar ‘is te gr’ooter, gezien het feit, dat con-
currentie zich niet alleen binnen eén’zelf’den bedrijfstak,
maar ook tussohen verschillende bedrijfstakken voordoet,
– zoo wanneer 1hun productie betrekking heeft op onder-
ling substi’tueerbare goederen. Dit kan ,beteekenen, dat
een ‘in een ‘bepaalden bedrijfstak gewe,n.schte regeling prac
tisch niet te verw’ezenlj’kell is, zonder dat maatregelen
worden genomen om de intensiteit
.
‘der interindu.strieele
concurrentie te verminderen, waardoor tegelijkertijd het tempo van den vooruitgang min of meer aan banden kan
worden gelegd. Ofschoon men in een wereld, waarin de
conjunctuur zike geweldige tempoverschillen ‘te zien geeft
als waarvan onze generatie getuige is, goed zal doen daar-
voor niet altoos terug te ‘schrikken, zullen wij ons van
deze en dergelijke consequenties, waartoe regelend optreden
kan leiden, bij voortduring ibewust moeten zijn, niet het üiins’t ook in verband ‘met de positie, welke ons land in
het internationaal verkeer inneemt.
Behalve ,breediheid van ‘blik, zal echter ook upodig zijn
perspectivisch inzight. De wet, waarop deze commissie
steunt, is ‘geen crisiswet, die zon spoedi’g mogelijk zal
moetefl verdwijnen: ‘zij is i,estemd door ,haar ontwerpers
en door de meerderheid, welke haar heeft aanvaard, om
bij ‘te dragen ‘tot het vorm- en inhou’dgeven aan de toekom-
stige maatschappelijke orde. Volgens ‘sommigen is het een
bescheiden stap, ‘volgens anderen reeds een zeer vèrgaan•’
de op den weg naar een meer geordende economische
samenleving, waarvan ‘de gestalte nog in het verschiet ver-
borgen ‘ligt. Naar mijne meening hangt de ,beteekeais dezer
wet ‘geheel af van de wijze, waarop zij zal worden toe-
iepast. Juist daarom aal fiet erop aankomen, dat wij bij
onze adviezen de mogelijke gevolgen van bepaalde maat-
regelen voor ihet economisch en maatschappelijk on’bivik-
kel’in’gsproces duidelijk ‘in ‘het oog trachten te vatten en
erop bedankt blijven, dart wij’ zorgiu.idi’g voeling blijven
houden niet de feitelijke organische ‘tendenzen, welke zich
‘in ‘de verhouding tu:sschen Staat en ‘bedrijfsleven bezig
zij.n te ontwikkelen. Zonder prijsgev;in’g van cle beginselen
en van de ‘uiteindelijke doelstellingen, waarvoor wij elk
persoonlijk in ‘het maatschappelijk ‘leveti staan, zullen wij ons in dit opzicht moeten laten ‘behèersohe’n door de over-
weging, dat ‘het de Regeeriug is en moet ‘blijven, clie de
richting en het tempo aangeeft, ‘waarin deze ontwikkeling’
zal worden geleid. Deze commissie heeft dan ook naar
mijne meening niet tot ‘taak op dit gebied bepaalde wen-
‘sohen harerzijd ‘bij ‘de Regeering ‘te propageeren, maar
zal goed doen in dit opzicht het standpunt der Regeering
als, ‘gegeven te aanvaarden en de leiding der Regeering
te volgen.”

Conjunctuurdiagnose.

Een onderzoeli betreffende de diagnose en de therapie

van excessieve cyclische fluctuaties in het
economisch leven.
In ‘de 14de publicatie van het Nederlandsh Eco-

nomisch Instituut van ‘de !hand van Dr. W. L. Valk

‘wordt een onderzoek ingesteld naar de ‘diagnose en
‘de therapie van excessieve cyclisohe fluctuaties in

het economisch leven. De schrijver heeft ‘zooveel

mogelijk termen ‘gebezigd, die met het spraakgebruik
van ‘de praktijk verband houden en slechts ‘daar, waar
‘het hein ‘onvermijdelijk voorkwam, meer theoretische

begrippen gebezigd, resp. ingevoerd. De opzet van
het werk is in hoofdzaak kwalitatief, ‘de behandeling

van ‘de zuiver kwantitatieve vraagstukken heeft de

schrijver ‘zich voor een andere gelegenheid voorbe-
houden.
* *
*
[n ‘den evenwiohtstoestan’d bestaat er geen winst.

D’oor allerlei factoren ontstaat nu in ‘den tijd van
goede conjunctuur een stijgende
winstvoet,
waarvan

de stijging echter op een ‘gegeven oogenihl’ik ophoudt
en in een daling omslaat.

De meest oorspronkelijke ‘componenten ‘der winst
zijn ‘de omzetten op ‘de consumentenmarkt en de om-
‘zetten van origi’neele productief.act’oren, of, zoo men
‘dit liever zegt, de ‘inkomsten van het totale ‘bedrijfs-
leven ch de kosten. De kosten kan men meten aan
‘de omzetten ‘der productiefactoren (in ‘hoofdzaak arbeid, ‘grond en ‘geleend kapitaal); de kosten van

inter’mediaire producten – ‘die immers met’ ‘behulp

van de oorspronkelijke productiefactoren samenge-
stel’d ‘zijn – mag men niet meetellen, omdat dit du’b-

beltelling zou lbeteekenen. Wel moet men rekening
houden met het feit, ‘dat’ er een zekere tijd’distributie
van kosten en inkomsten is, en de voornaamste moei-
lijk’hei’d van het bepalen van de totale ‘maatschappe-
lijke winst ‘is wel, uit te maken, welk deel ‘der ‘kos-

ten, die in heden en verleden aangewend zijn, op de
af’gezette ‘productie van een bepaald jaar moet ‘druk-
ken. Dit vereischt een moeizaam en tij’drooven’d natio-
naal accountantson’derzoei, ‘doch ‘de
schrijver
is van
meenin’g, ‘dat ‘dit werk ‘het eerst noodzakelijke is, om
tot een ibeoordeelin’g van den economisc’hen toestand te
komen. Daarnaast ‘moet men de speciale winsten der
afzonderlijke bedrijven en bedrijfstakken bepalen,
want ‘de ‘gegevens, die het bedrijfsleven ‘zelf op ‘dit
gebied publiceert, ‘geven ons n’iet voldoende ‘houvast.
Hoewel de omvang en intensiteit van, ‘den
geldomn-
loop ‘de neigin’g hebben, het win.s’tcij’fer te volgen, met ‘de winst te ‘stijgen en te dalen, hebben de geld-
factoren op sommige momenten een oorspronkelijke
‘heteekenis, en ook, wanneer ‘zij ‘die niet hebben, ver-
sterken zij in ‘Jiooge mate ‘de ‘gevolgen van een be-
paal’de winstbewegin’g, waardoor ‘deze veel krachtiger
wordt ‘dan zonder het bestaan van geldfactoren het geval zou lijn. Er’ is ‘dus een ‘kern van waarheid in
de ‘gedadhte, dat ‘de intensiteit van onze ‘hausses en
‘depressies vooral aan. :gel’dfactoreu te danken is, doch
‘desniettem’in tendeert men er ‘toe, tegenwoordig ‘de
gel’dfactoren in ‘de conjunctuur te overschatten. Er is
een cu,mulatieve wisselwerking tu’sshen ‘de geld-
verschijnselen en ‘de win sbbewegin’g.
De winstvoet wor’dt ook beivloed ‘door ‘den om-
vang van
sparen en beleggen.
De opvatting, dat deze
factoren, op ‘zichzelf ‘de consu.mentenmarkt niet zou-
den sdhadeo, is niet
houdbaar.
Meer sparen en inves’-
teeren verrniii’dert dan ook de winst, vooral ook, om-
dat het aantal kapitaa1seenheden, waarover de ‘totale
winst verdeeld moet worden, vermeerder’t; ‘doch, in-
dien goed ‘geïnvesteerd wordt, kunnen deze nadeelen
gecompenseerd worden en zelfs overgecompenseerd
door ‘het ‘drukken van het kostencijfer. Desniettemin
is oversparen – ‘doch evenzeer ‘ondersparen – een
conjunctuurfactor, ‘al ‘zijn ‘het vooral de ‘onregelmatig-
heden van ‘het spaarproces, ‘die. veel kwaad kunnen ‘doen. Het verband tussohen ‘de ‘begrippen kapitaal,
investeerin’g, ‘omzetten ‘der productiefactoren en ‘kos-

18 October 1935

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

901

ten van productie is veel ingewikkelder dan men op
het eerste gezicht zou denken. De beteekenis van den

interestvoet voor de conjunctuur is •zeer groot, en ook

de verschillen tusshen de iriterestvoeten voor ver-
so’hillende kapitaalvormen en voor verschillende
doeleinden zijn ‘zeer belangrijk.

Een opgaande spaar- en investeercurve kan een
gunstig verschijnsel
zijn,
doch aangezien overbeleggen
verminderend op den winstvoet werkt, mag men hier
niet zonder meer gunstige conclusies trekken. Men
zal het geheele complex van wisselwerkingen tusschen

belegging en winstvoet moeten overzien, •om van
dezen factor een gunstige diagnose te kunnen maken.

Daalt echter de curve, dan is de diagnose gemakke-

lijker, omdat dat altijd een ongunstig versdhijnsel is, ook indien de teruggang slechts een correctie Fs van een te grooten vooruitgang in een vorige periode. Het
bankwezen
oefent een sterken invloed op de
conjunctuur uit, doordat het zoowel de interest als de
gel’dschepping beïnvloedt. Ook heeft het invloed op
de aanwending van het belegde kapitaal, op •de dis-
tributie •der geidvoorraden over ‘het bedrijfsleven. De

remmende invloeden bij de geldereatie en de betee-
kenis voor •het om bijzondere redenen nogal gevaar-
lijke corisumentencrediet worden nu onder de oogen
gezien.
Bij de besdhouwing der internationale factoren
in
‘de conjunctuur worden uit ‘den aard der zaak de
vraagstukken van van het buitenland uitgaande defla-
tionistische werk’in’gen, ‘destructies van bepaalde in-
dustrieën en cle adgeineene tendenzen der ‘handels-
politiek behandeld, welke laatste vooral als een •der
ernstigste oorzaken van onze moderne depressies er-
kend wordt.
Het is niet voldoende de rentabiliteitssituatie van
het ‘han’delsleven te kennen; men moet ook ‘de
liquidi-
teitsfa,ctoren
overzien, want bij een nog bevredigende
rentabiliteit kunnen ongun’stige ‘liquiditeitsverschijn-
selen een ontijdige inzinking veroorzaken. De scheiding
in den tijd van inkomsten en uitgaven, maakt het
mogelijk, dat bij een bevredigende winstsituatie illi-quiditeit kan ontstaan, en als ‘dan de geidgevers niet
steunen, is ook de rentabiliteitssituatie verloren. Al-
gemeene illiquiditeit kan ontstaan, wanneer de geld-stroom opdroogt tengevolge van een negatieve hou-
‘ding van banken en ‘geldgevers, waardoor een ver-kleining van ‘de effectieve circulatie niet te vermij-
‘den is.
Naast ‘de winstfactoren en de gel’dfactoren spelen
ook de
beursfactoren
een belangrijke rol. De schrij-
ver zet uiteen, hoe •de ‘beurs stimuleerend en versto-
rend kan werken op de gel’dcirculatie, op ‘de ‘distri-
butie van ‘het inkomen en op ‘de relatieve pfijsvor-
min’g van sommige ‘goederen. Voor zoover op ‘de beur-
zen gekapitali.seerde waarden verhandeld worden, wor-
den bovendien winstiilus’ies ‘gevoed, ‘die ‘geen direct verband met ‘de realiteit he’b’beh, en die vroeg of laat
door ontnuchtering gevolgd ‘moeten worden. Het ‘bre-

ken van een bepaalde markt is een gevaar voor an-
•dere markten en ook ‘het ééne artikel kan ‘het andere
artikel in zijn val meesleepen. Bovendien spelen velen
mede, die ‘geen verstand hebben van de artikelen,
waarom ‘het gaat, met name op ‘de effectenmarkt.
De effectenmarkt beïnvloedt ook het sparen en in-

vesteeren en de distributie van het kapitaal. Haar
bewegingen zijn voor een groot deel cumuleerend met
‘de gevolgen van winstbeweging en beweging van ‘om-
rang en intensiteit van den geldstroom, doch een
beurskradh kan winstbeweging en beweging der geld-factoren sohenden, ‘hoewel de eerste breuk even goed
op één der beide andere gebieden kan optreden.
Omgekeerd kan ook een verbetering op de beurs geld
losmaken en daardoor de situatie verbeteren.
De distributie van het kapitaal is zeer belangrijk
en niet minder de wijze, waarop het aangewend wordt.
Proportionaliteit is hier de norm, doch deze norm
wordt vaak geschonden. Partieele overproductie
treedt vaak op en is een gevaar voor het geheel, om-

dat zij aanleiding kan geven tot kapitaalverlies, tot

immobilisatie van geld en ‘tot ongunstige beursbewe-

gingen. Gebieden van hoogen winstdruk komen ech-ter vaak voor naast gebieden van lagen winstdruk en

dan is ‘het niet zeker, welke de ‘gevolgen van ‘dezen toe-

stand voor de geldcirculatie zullen
zijn.
Het is hier
een kwestie van elkander tegenwerkende krachten,
en om het resultaat te kunnen schatten, moet men de
tij’d- en hoeveel’hei’dscoëfficiënten, ‘die ‘hier in het spel

zijn, nauwkeurig kennen. Er zijn echter oolc psycholo-

gische krachten in het spel, zoodat de schatting hier
wel heel
moeilijk
wordt.

Uitvoerig wordt dan behandeld, door welke facto-
ren overproductie ontstaan kan en in welke mate deze

factoren ook in de practijk tot het ontstaan van dit

– ook voor het geheel – gevaarlijke verschijnsel bij-
dragen.

De auteur is van meening, dat sommige van de
overproductie veroorzakende factoren in de organi-

satie van ons economisch leven gezocht moeten war-
den. Verder wordt nagegaan, hoe de tendens tot over-

productie in sommige speciale gevallen werkt, en

welke in het algemeen de conjunctuurbeteekenis van
organisatorische en politieke factoren is. Aangetoond
wordt, dat ook restrictie van productie niet geheel

zonder gevaar is.

De gedachte, dat de depressie een onvermijdelijk
onderdeel van de conjunctuurbeweging is, wordt door
den schrijver verworpen. Wanneer men geleerd zal

hebben, ‘de krachten van ‘het economisch leven te b&
heerschen, zal men, volgens den schrijver, geen lang-

durige depressies meer hebben. Trouwens, zelfs de
gedachte, dat de depressie een volkomen spiegelbeeld

van de hause zou zijn, hetgeen men zoo vaak ver-
kondigt, blijkt niet houdbaar te zijn.

De auteur is niet optimistisch betreffende de ican-
sen van quantitatief economisch onderzoek, en ver-
werpt om principieele redenen de gedachte, dat •er
een vaste volgorde der conjunctuurrerschijnseleri zou zijn. Niettemin
zijn
er terreinen, waarop men e:nige
min of meer permanente quantitatieve verbanden zou
kunnen vaststellen, die misschien practisch bruik-
baar zouden zijn.

Tenslotte worden de conjunctuurfactoren nog eens
opgesomd en in tien groepen ingedeeld. De. meest
elementaire en meest belangrijke’ factoren bljve:
winst, ibeweging van gel’dhoeveelhid en ‘geidomloop,
sparen en investeeren, en de beursbewegingen. Deze
meest elementaire gegevens
zijn
echter niet,, volledig
bekend.

Hoewel cle conjunctuur gemeten wordt aan den

winsttoestand, behoeft stijgende winst (en daarmede
stijgende conjunctuur) niet altijd te beteekenen stij-
gende volkswelvaart. MT
an
t stijgende winst beteekent
een verminderend aandeel van de’ ‘arbeidende klasse. Er is hier een antinomi.e: terwijl ‘stijgende Winst een eisch,is voor de ontwikkeling van wat men een goede

conjunctuur noemt, is stijgend loon een allereerste
wensch van hen, die het met het volk goed meenen.
De tegenstelling is echter grootendeels schijnbaar.
Want ook cie arbeiders hebben belang’
bij
een goede
conjunctuur, wanneer deze tenminste meebrengt een
maximale tewerkstelling van arbeiders.

Het probleem der toekomst is, dien winstvoet te
vinden, welke nog juist een min of meer maximale
bezetting van het productie-apparaat waarborgt, en’te
beletten, dat de winst daarboven zou stijgen of daar-,
beneden zou dalen. Dit punt is geen vast punt, want
het is niet uitgesloten, dat de ondernemers in de toe-‘
komst, wanneer er meer stabiele verhoudingen zijn,
voor minder geld zullen willen werken en dan kan
het loon stijgen, zonder de bedrijvigheid te’ belemme-
ren. Het eerste doel der conjunctuurpolitiek moet
dan ook wezen
winstnorm,alisatie,
geen stabilisatie
echter, want de omstandigheden veranderen voort-
durend en het door ons gezochte maximumpunt ver-andert voortdurend van ligging.

902

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16 October 1935

Allereerst inoet men een goede
diagnose
kunnen

maken, en daarvoor is eerst nog veel statistisch werk

noodig. Er is ook veel materiaal, dat ,èl beschik-

baar is, doch niet in den vorm, waarin wij het zouden

kunnen gebruiken. Doch aan de mogelijkheid van een.

behoorlijke diagnose kan niet getwijfeld worden.

Wat de
theapie
betreft, ook deze is stellig niet on

mogelijk. De auteur is van voornemen, in een later

geschrift uiteen te zetten, hoe hij zich deze politiek

van winstnormalisatie voorstelt.

In het bovenstaande is getracht, een indruk te

geven van den inhoud van het werk. Het is uit den
aard der zaak echter niet
mogelijk,
den inhoud van

een theoretisch werk van een dergelijken omvang in

eenige bladzijden juist weer te geven. Het moest

blijven bij een aanduiding van de hoofdlijnen, wai

langs ‘het betoog zich ‘ontwikkelt, en waarbij aan vele

belangrijke bijzonderheden van liet in ‘dit boek ‘ver-

vatte ‘denkwerk geweld aangedaan moest worden.

De 14de publicatie van het Nederlandsch Econo-

misch Instituut.

In den loop van de volgende week zal verschij tien

publicatie No. 14 van het Nederlandsch Economisch

Instituut, namelijk: ,,Oonj unctuu rdiagnose”, door Dr.
W. L. Valk.

Men treft in dit nummer een kort résumé van dee

studie. De prijs, waartegen het boek van Dr. Valk
(519 pagina’s) in den ‘handel verkrijgbaar zal zijn, is

f 6,
‘gebonden in prachtban.d en
f
5, gekartonneerd.
Voor donateurs en leden
van het Nederlandsch
Economisch Instituut gelden de
verlaagde prijzen van respectievelijk
f
4.50 en
f
3.75. Alleen ‘donateurs
en leden gelieven hun bestellingen te richten aan het Secretariaat: Pieter ‘de Hoogh’.veg
122,
Rotterdam. Giro No. 158411.

De zichtbare suikervoorraden in de wereld. –

De zichtbare voorraden per
1
Sept. zijn volgens Czarnikow:

1935 1934
1933
tons
tom
tom
Duitschiand …………..
.384.000
258.000
340.000
Tsjecho-Slowakije

……..
103.000
94.000
140.000
Frankrijk…………….
392.000
204.000
241.000
Nederland

…………..
185.000 197.000
151.000
België

………………
66.000 53.000
57.000
Hongarije …………….
28.000
.

29.000
40.000
Polen………………..
103.000 97.000
168.000
U.K.
Geïmp. suiker

……
187.000
230.000
283.000
Binnenl.

,…….
31.000
38.000
25.000

Europa……..
1.479.000
1.200.000
1.445.000
V.S.
Alle havens

……..
647.000 771.000 425.000
Cubaansche havens

……
313.000
712.000
876.000
Cuba binnenland.’………
797.000
1.262.000
1.387.000
Java ………………..
1.519.000
2.373.000
2.916.000

Totaal……

4.755.000 6.318.000 6.849.000

INGEZONDEN STUKKEN.

HET CREDIET DER PUBLIEKE LICHAMEN EN DER

HYPOTHEEKBANKEN.

(Lichtvaardige conclusies).

Mr. J. van Galen schrijft ons:
Met gro.ote belangstelling ‘heb ik de ‘discussie ge-
vol!gd, welke in Uw fblad. heeft plaats ‘gha’d, naar
aanleiding van ‘het interessante artikel van den .heer
J. J.
Korn’dorffer in Uw nummer van 11 Septem-
ber I.I. Ik zal mij ‘in de zaak ‘zelf niet mengen, maar nu de heer L. J. van den Steenihoven pogingen heeft
gedaan in het jongste nummer, om het ,,beleggings-
‘gehalte” van staatssc’hul’d ‘te toetsen, meen ik eenige
opmerkingen over de wijze, waarop :hij de financieele
positie van deti Staat en ‘de andere Overhei’dsliohamen
‘beoordeelt, niet achterwege te mogen laten, temeer
daar de ‘heer Korndorffer in ‘zijn nasdhrift, voor zoo-

ver de ‘heer Van den’ Steenhoven den ongunsti’gen

toestand van,de Overheidsfinanciën in ‘het lidht stelt,

dit met alleen volkomen beaamt, maar er ‘zelfs no’g

veel aan toe zou kunnen voegen, ter versterkin’g van

clie opvatting. Ik ‘geloof graag, ‘dat de ‘heer Kom.
‘d’orffer in zijn functie van chef van deafdeeling

geidbelegging van de Rij’ksverzekerin’gshank, inder-
daad nog zeer veel on’gunstigs over den toestand van
cle Overheidsfinanciën, speciaal van ‘de Gemeentef i-

nanciën, zou kunnen vertellen. Maar m.i. mogen ‘de
cijfers, welke ‘de ‘heer
‘Tan
den Steen’hoven ons voor-
legt, niet bekljven, daar ‘zij een volkomen onjuisten
indruk wekken van ‘de financieele positie van ‘den

Staat en ook vak andere Over’hei’dsliohamen. ,,Oon-
clusies trekken is zeer gevaarlijk,” ‘sdhrijft ‘deceer

Van den Steenhoven, volkomen terecht, aan het slot

van zijn betoog, maar m.i. ‘had hij, ‘het artikel schrij-
ven’de, ‘dit eerder moeten ‘bedenken.

De ‘heer v. d. Steen’hoven stelt naast elkan’der den

schuldenlast van Rijk, ‘gemeenten en provincies in

1907 en in 1929)-1934, en ‘daarnaast wat hij noemt,
,fiscaal volksvermogen” en ,,fiscaal vo’lksinkomen”.
Later toovert ‘hij dit om in ,,nationaal vermogen” en

,,nati’onaal inkomen”, wat totaal andere begrippen

zijn. G. M. Boissevain raamde in 1891 het Nederland-
sche volksvermo’gen reeds op
f
10.7 milliar’d en het

zal sindsdien nog wel belangrijk zijn toegenomen. Ik
iil echter niet ‘oh dit punt in’gaan, doch slechts erop
wijzen, ‘dat, niettegenstaande ‘den wereldoorlog van
1914/1918, ‘die ons land voor ‘groote en kostbare offers

stelde, de staatsschul’d van het Rijk ‘dan toch nauwe-
lijks in verhouding tot de
stijgin’g
van ‘het ,,fiscaal
volksvermogen” is toegenomen. En ‘dat nog wel niet-

tegenstaande de veran’derde opvatting omtrent “het-

geen tot de taak van ‘den Staat hoort, juist sedert
1900, zeer sterk heeft ‘doorgewerkt. Ik ‘herinner er
bijv. aan, ‘dat :de Woningwet van 1901 nog nauwelijks
financieele ‘gevolgen ‘vodr on’ze staatabegrooting ‘had in 1907, toen de rente-ontvangst uit ‘dezen hoofde nog
slechts
f
1406 ‘bedroeg tegen
f
26.400.000 in 1934.
Het sterkst spreekt ‘die verandering wel, wanneer i’k
eens naast elkan’der ‘zet het totaal aan rente-ontvang-
sten voor het jaar 1907 en in 1934. In eerstgenoemd

jaar ontving de Staat aan rente een bedrag van

f
3.858.274, welk bedrag
practisch ‘gesproken geheel
voortsproot uit het aandel van Nederlan’dsch-Indië
in de Nederlan’dsdhe Staatsshul’d.

Hiertegenover ‘stond aan rentelasten uit ‘hoofde van
cle geconsoli’deer.de Staatsschuid (die slechts 2 en
3 pOt. rente ‘deed) een bedrag van
f
31.125.801.
Voor 1934 eischte ‘de ‘gewone, begrooting een be-
‘drag van
f
52.592.215 aan rente, waartegenover ik
een bedrag van ‘omstreeks
f
47.437.000 aan rente-ontvangsten uit de versdhillen’de ‘hoofdstukken ‘dec
mi’ddelenwet ‘becjfer. Wanneer men ‘dus den ‘dienst van
de oorlogsschul’d, ‘die in 1934 nog ‘door ‘het Leenin’g-
fon’ds werd gedragen, buiten ‘beschouwing laat, clan
kan ik niets anders concludeeren, ‘dan dat de finan-
cieele p’ositie van den Staat in 1934, wat ‘den schul-denlast en ‘het daartegenover ‘staande actief ,betreft,

veel gunstiger was, dan in 1907. Wanneer ik ‘hiecibij
nu nog even memoreer, dat in 1907 ‘de Staat geen
voldoende voorzieningen trof voor zijn ‘diverse pen-
sioen- en andere latente verplichtingen, dan geloof ik
al voldoende te hebben aangetoond, ‘dat ‘het simpele
naast elkan’der zetten van ‘de’ staatssdhuld in 1907
an
f 1,1
milliard naast een ‘geconsoli’deer.de schuld
van
f
2,7 mifliard in 1934, tot onjuiste gevolgtrek-

kin’gen ican leiden en tot conclusies, ‘die inderdaad
zeer ‘gevaarlijk zijn.

Met de vlottende schuld is in mindere mate de toe-
stand ‘ook zoo, dat een belangrijk bedrag ‘gedekt wordt
door vorderingen. ‘In 1907 bedroeg de vlottende schuld
niet meer ‘dan omstreeks
f
20 miljoen en een cijfer
van
f
648,6 millioen steekt ‘hierbij wel erg sterk af.
Men dient bij laatstgenoemd cijfer, dat blijkbaar ont-

J)
De gunstige jaren vaji sterke ‘schul’ddelging
van 1925
(gecot)sol. Staatssehuld
f
2.91,6,4
m’ill’ioen) vallen dus ‘bui-
teu
zijn opgave!

16 October 1935

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

903

leend is aan het verslag van den Directeur van •het

Grootiboek, in aanmerking te nemen, •dat niet minder
dan
f
445,1 iniIlioen aan vorderingen hiertegeover

stond, zoodat de netto-vlottende sebuid voor rekening

van het Rijk op uit. 1933 minder ‘dan
f
200 millioen

bedroeg. Het cijfer van 648,6 inillioen geeft dus ook

een oujuisten indruk.

De hieiboven reeds genoemde uitbreiding van de
staatstaak heeft het totaalcijfer van de staats’begroo-
ti.ng doen zwellen. De totale uigaven voor 1907 be-
droegen rond
f
183 millioen. Het overgroote deel

hiervan werd gedekt door dti belastingen, nl. 143,2

miljoen. De bemoeiingen van den Staat op steeds
grooter gebied ‘hebben er nu toe geleid, dat eenerzijds
cle sta’atsuitgaven wel grooter werden, maar ander-
zijds de staatsinkomsten uit belastingen proportioneel
ook in belangrijkheid vijn gedaald, tegenover de in-
komsten uit anderen hoofde. Via de ‘begrooting loo-

pen thans ook vele staatsdiensten, waarvan de uit-

gaven cii de inkomsten, wo al niet balanceeren, dan
toch voor de Staatskas veel minder schrikwekkend
zijn dan het uiteindelijke totaaicijfer van ‘de begroo-

ting voor velen ‘blijkbaar is. Ik wil hier die uitbrei-

ding van die staatsbemoeienis niet verdedigen; geens-
zins. Eerder geloof ik, .dat de huidige moeilijkheden, zoowel voor den Staat als voor de andere Overheids-
lichamen, voornamelijk hieruit v•oortspruiten, dat zij

te veel hooi op hun vork hebben genomen en zij zich
thans moeilijk van dat teveel aan hooi kunnen ont-doen. Nu hemerk ik, merkwaardig genoeg vaak bij

menschen, ‘die op ‘de wijze als de heer Van den Steen-
hoven onze staatsfinanciën ‘beoordeelen, in den ihui-‘digen tijd een zeer groote neiging om nôg meer door
den staat te laten doen, het terrein ‘der staatshemoei-
ing, hetzij door daadwer3elijk ingrijpen, hetzij con-
troleerenci, nog verder uit te ‘breiden. Beide manieren
kosten geld; ‘de eerste meer, •de tweede minder om-
dat slechts nieuwe ambtenaren worden gevraagd, maar
toch teudeert dit streven steeds de staatsuitgaven te

vergrooten, het eindcijfer der begrooting verder op te
voeren en, – doordat men zoo’n nieuwe organisatie
moeilijk weer kwijt raakt, ook al manen de econo niische omstandi’gheden tot afschaffing van zulke
diensten loopen ‘de staatsfinanciën kans een nieuw
blok aan het ‘heen erbij te krijgen.
Niet in •de vermoenspositie van den Nederland-
schen staat (voor zoover deze is op te maken) schuilt
eenig gevaar voor onze staatsfinanciën, maar in •de
moeilijkheid om den staatsdienst te brengen in over-
eenstemmin’g met de veranderde omstandigheden en
om de ,.franje” – in gunstige tijden genakkelijk te
dragen — thans los te tornen.
Wie cle financieele positie ‘onzer provincies nagaat

Op
de wijze als ik ‘hieeboven voor den ‘staat ‘heb ge-daan, zal ‘hemerken, dat tegenover ‘de toeneming der leeningen een evenredige vermeerdering van ‘de pro ductieve bezittingen staat. Het is misschien waar, dat
een enkele provincie zich op •het gebied ‘der eleetrici-
tei tsvoorzieni n’g bijv., niet steeds heeft gerealiseerd, dat men daarmede •het terrein ‘der commercie betrad,
dat vele risico’s biedt. Het zou mij te ver voeren de
provinciale financiën te analyseeren op ‘de wijze als
ik hierboven – in het kort – deed voor ‘de staats-
financiën, maar i.k beveel den heer Van den Steen
hoven de hesturleerin’g van ‘de ‘betreffende statistiek
in •d’e ,,Jaarcijfers” ‘aan; ik verwacht, ‘dat ‘hij dan tot
een gunstiger oordeel ‘zal komen.
En de ‘gemeentefinanciën? Ja, ‘dit is inderdaad de
zwakke stee in onze overheidsfinanciën. Onze moderne
gemeenten zijn – uit financieel-teëhnisch oogpunt –
feitelijk niet anders ‘dan ,,s’lec,ht gekapitaliseerde open-
‘baar-nutebedrijven” te noemen. Slecht gekapitaliseerd, omdat zij haar ‘han’delsondernemingen uitsluitend heb-‘hen ‘gefinancierd met o’bli’gatiekapitaal. De ‘belasting-
Ihetaler is hier de aandeelhouder – stootblok. Die on-
dernemingen als gas-, electriciteits-, waterleiding-
‘bedrijven, slachthuizen, haven-inrichtingen en ‘last not
least woningbouw, ondervinden thans ‘den druk der

omstandigheden, maar toch is de toestand ‘der meeste
geineentebedrijven, behalve ‘haven-inrichtingen en
wogin’gbouw, zeker niet ‘zoodanig, dat men van een

dé’hâcle kan spreken. Wel moet worden vastgesteld,
‘dat vele ‘gemeenten verwen:d zijn door de mooie win.

sten, welke haar openbaar-nutsbedrijven voor ‘de ge
meentelijke schatkist op’brachten en ‘zich thans moei-

lijk in ‘de veranderde omstandigheden kunnen schikken.

De heer Van tien Steenhoven somt eëhter slechts

0
1), ‘de toeneming van ‘de ‘gemeenteschul’den. Dat in
‘de opgevoer’de bedragen van ca.
f
2,5 niilliard ook

het t’otaal der Rijkswoningihouwvoorschotten ad ca

f
700 rnilli’oen is ‘opgenomen, waarvoor ook de staat

heeft geleend, ‘zoodat ‘dit bedrag in de opgaven van

den ‘heer v. d.
S. dubbel is
vermeld, heeft hij ‘blijk-

baar niet opgemerkt. Over ‘de productieve werken ‘der
gemeenten zwijgt ‘hij; de ‘diensten, welke de gemeen-
ten uit die bedrijven verkoopen, ‘zijn missdhien thans

wei wat ‘duur, maar in ieder geval zeker niet waarde-
loos. Ongetwijfeld zullen ‘cle gemeenten verliezen ‘heb-
hen te boeken op woningbouw, haveninrich’tingen ed.;

ook hier geldt, hetge
en
wij hoven reeds opmerkten, ‘dat men met handelsondemnemingen ook
handels-

risico loopt.

liet verwonciert mij overigens, ‘dat de heer Kern-
dorffer geen aanleiding gevonden heeft ‘bij de wel
‘zeer simpele cijfers van ‘de toeneming der gemeente
‘schulden een opmerking te maken. Wie immers – meer
thii iemand anders, – heeft ‘de gemeenten in de gele-
genheid gesteld om gemakkelijk leeningen te ‘sluiten?
De gel’dbeieggen’de Rijks’lich’amen, ‘de Rijksverzeke-
rin’gshank in ‘het ‘bijzonder. Ik herinner mij ‘de zeer

interessante rede van Mr.
W.
M. van Lanschot in de

vergadering ‘der Ver. v. Staatshuishou’dkunde en ‘de
Statistiek van 1930, waarin deze bekwame financier
met h’lijkhare ‘bezorgdheid wees op het sterk stijgend
bezit aan gemeenteleenin’gen van de bedoelde ‘licha-
men, ni. met
f
324 milli’oen in 5 jaren tijds. En

‘behoef ik teh’er inneren aan ‘het reeds tal van jaren
geleden stelling nemen van ‘den thesaurier-generaal,
Mr. Van Doorninck, tegen de ‘door de ‘gemeenten ge-
volgde financieele politiek, waatbij ‘de geid’beleggende
Rjkslichamen ‘de ‘behulpzame ‘hand ‘hebben verleend,
door feitelijk
kunstmatig
‘liet gemeeutecrediet te ver•
grooten?

Ik mag niet meer plaatsruimte van ‘de Redactie
vragen; gaarne zou ik nog een vergelijking tusschen
onze staatsfinanciën en die van andere landen, ‘die
ons ‘door sommigen tot voorbeeld worden ‘gesteld, als
bij’v. Engeland, willen maken en waarbij de balans èn
wat financieele positie èn wat financieel ‘beheer ‘he-
treft zeer ‘duidelijk in ons voordeel zou uitslaan. Ik
geloof echter niet eens zoover behoeven te ‘gaan,
maar dat uit het ‘bovenstaande reeds voldoende ‘blijkt,
dat beschouwingen als die van ‘den ‘heer Van ‘den
Steenhoven een geheel verkeerden indruk geven.

GEVOLGEN VAN INGRIJPEN IN HYPOTHECAIR
CREDIET IN ONS LAND EN ELDERS.

Mr. A. J. S. van Lier schrijft ons:

Het heeft de aandacht getrokken, dat terstond na-
dat ‘het befaamde Koninklijk besluit van 12 Maart
1935 bekend was ‘geworden, nergens meer hypotheken
op landelijke ‘eigendommen te verkrijgen waren; en
eveneens, ‘dat zôodra op 5 Juli 1935 een ontwerp
van wet ten aanzien van sommige vaste lasten zich
ook met ‘de rentevoet van ‘hypotheken en van pand-
brieven ‘bleek ‘bezig te hu’den, ‘het uitleenen van geld
onder veniband van ‘hypotheek geheel tot stilstand
kwam; terwijl de koersen ‘der pan’dbrieven sterk
‘daalden.
Mdi
e
nagaat, wat in het ‘buitenland is voorgevallen, wanneer ‘de wetgever in ‘het gewone ra’derwerk van
‘het crediet aan het veranderen trok, vindt analoge
verschijnselen.

In het Ge’schiiftshenicht 1932 van cle R’heiniseh-

904

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16
October 1935

Wdstfkliseh’e Boden-Credit-Bank ‘in Köln lazen wij
(reeds een paar jaar geleden) o.a.:

,,Sehr ungiinstig wirkte sih der •zwangsweise ]Siugriff
in die Z’insbiIdung aus. Der gewaitsanno Eingriff durh
Notverordnung e rfolgte eutgegen der drd’ngliohen Abmah-
nung seitens aller .sachlioh zustkndigen und unterrichteten
Kreise and anntlinhen Berufsvertretungen. Infolge dieser
Zwangsz1nssenkung und der mit dieser zusammenhitngen-
den Beanrahigung der Sparerkreise wurdn unsere fast
pari stehenden Pfand,briefe •auf einen Kur,s von 634 %
zurückgeworfen. Es wurde damit wilihrand des ganzen
Jailires jede neue Beleihu•ngstiiiti.gkeit der Hypotheken-
Banken verhindert.”

In ons
land
is sedert 5 Juli 1935 ‘het geheele ‘be-
drijf der hypotheek!banken tot sbi’lstand gekomen.
Niet anders ‘dan in Duitschiand. Het schijnt mij td,

dat men te voren had kunnen verwachten, dathet
pu’biiek aldus ‘zou reageeren,
op
een maatregel, welke
het vertrouwen ondermijnt.

Aan het Verwaltun!gshericht 1932 van de Gemein-
schaftagruppe Deutscher Hypot’heken’banken out-
leen ik o.a.:

,,Langfri•stiger Kred.it erfor,dert
Vertrauen auf lange
$icht,
‘und genade deshalb ‘ist fOr i’h’n
Rechtssicherheit in
besonderern Massa Voraussetzung.
Die ‘nach’teiiige Wi rkung
geset’zl’icher Eingrif te in langfristige Vertrage besteh’t für
die Volkswirtschaf’t in erster Linie in dein unvermeidl’ieh
aufkommenden
Ge! iihl der TJnsicherkeit and der Zerstörang
des ,fiir den Gesohdftsverkehr notwendigen Vertranens.”
,,Die Not’verordnuu,g vom 8. i)eze,rnber 1931 mi’t der
zwangsweisen Zinssenkung, dem au’sseroi’dentlichen Küu-digungsrecht der Mieter, dem Moratorium für fii.11ige Hy-potheken und dem Vollstrenkuugsschutz ist, wie wir sohon
in unserem vorjiihrigen Bericht voraussagen musten, zum A.usgangspunkt we’iterer s’taatl’ioher Eingriffe geworden.
Sie wurdeu ‘überwiegend von .der Rücksicht nut die Schuld-
neriirteressen bestimm’t. Die
eilgemeinen
Auswrirkuugen
wurden dabei zu wenig ‘beachtet. In euler Volkswirtsclsaît,
die an langfristigen Kredit gewö:h’nt ist und iihn für •tau-
send Zwecke braucht, ‘deren Lndustr’ie an ungeniigender Ausstattuug nut Kapital kran’k’t, deren Bauwirtschatt fast
vöilig brach liegt, deren Of fentliche Körpersohaften seit
jahren unter hohen kurzfristigen Krediten leiden, ist die
Wiederherstellung amen leistungsfiihigen Kaiiitelmarktes
cme besoncters dringliche staatspolitische A,ufgabe.”
,,Wie aussehlaggebend die Pfaud’briefkurse von der Ver-
trauenssei’te hr bestimm’t and reguliert werden, lfsst sich
dahin ausdrücke,n, dms diese Kurse um so melir Not lei-
den, je mehr Eingriffe durch Notverordiiungen drohen,
und um so ‘mahr’ anziehen, je weiter der lebzte Ein.gr.iff
zeitl’ich ‘zurückliegt und die Befürchtun’g vor neuen Zwaings-
massnahmen uaohlhsst. Ende Juni 1932 waren tro’tz der
dauernd betriLch’tliohen Pfand’briefkiLufe zur Hypotheken-
rüeksahlu.ng die 6 %-igen Pfan’d’briefe auf einen Kurs von
60 % abgesunken.”

Het is niet
doenlijk
hier nog meer uit ‘deze versla-
gen aan te halen. Laat ik tenslotte nog ‘deze uitin’g
vermelden:

,,Gerade aus •dieser Entwickiung wird deutlich, dass es
für die Bereitsuhaft zur Anlage und fOr ‘die Wahl der A’n-
lagefonn weniger auf die Höhe des Zinssatzes als auf die
grössere Sicherheit ge gen Zugriffe and Beschriinkun gen
(znkorn.rn,t.”

Nie’ttegenstaande
dergelijke
ervaringen in ‘het ‘bui-
tenand
1)
‘drijft men in ons ‘land de Regeering hoe
langer zoo meer ‘denneifden weg op; met geen andere
ge’ol’gen dan men in andere landen reeds had kunnen
waarnemen. –

Verscheidene scihnijvers, ‘die ‘buiten het bedrijf dei
hypot’heekhanken staan, hebben ‘zich over dit ‘bedrijf
geuit met een ‘zekerheid, alsof ziji zich niet konden
vergissen. Vooral wordt veel verwacht van ‘de vermin-

dering der ,,marge” (tussehen ‘hypotheek- en pand-

1)
In ‘de N.R.C. kwamen in 1932 cii 1933 bijv. leerzame
berichten voor uit Zui’d-Slavië, waaruit ik (ter bekorting)
slechts citeer: ,,Naar mate er meer beschermende maat-
regelen werden genomen, werd ook ‘de mogelijkheid van
crediet geringer.”: (19 April 1933) en ,,Binnen enkele
maanden was bet geheele bedrijfsleven tot stilstand geko-
men en behalve alle credie’t was ook elk vertrouwen ver-
dwenen” (22 Augustus 1933).

bniefrente), welke ,,groote” voordeelen aan deze ban-

ken zou bezorgen. Deze ‘vermindering zou dan ten
goede ‘komen aan de hypothecaire schul’denaren.
Ook hier lijkt ‘het mij: niet ondienstig melding te
maken van de ondervinding elders opgedaan. Deze is

o.a. te ‘boek gesteld in het 49ste verslag van, ‘de Banco

Hipotecario Nacional der Republiek Argentinië, ‘het-

welk de vorige maand verschenen is. Op ‘blz. 21
vindt men:

,,C’était l’idde courante: Sas fonds de réserve, selon
cette croyance, représen’taient mi patrintoine enlevé in-
justement au ‘débiteur, puisque la Jlanque n’était pas une
entité créée pour accumuler des ibéiiéfices, mais un orga-
nisme d’in’tér&t public don’t In fonct’ion coasistait
It
t avo-
riser le ‘développement de la riehesse ‘nationale.
Pour ces raisons, on résolut de limiter la commission,
et cette mod’ïfication fut in’troduite dans la Loi 8.172,
quoique cette niesure iie favor’isa jamais ostensiblement
aucun dehiteur, pan contre clie détermmna une diminution
dans l’accroissement an’nuel des réserves de l’Etablissesnent.
Dans les ‘insti’tutions bancai ras of t icielles, een ‘réserves sont
indispensables, si l’on veut compter sur ‘des orgnnitett’ions
stables, qui ne soient pas une préoccupation constante pour
ceux qui ont sous leur responsabnli’té ia direction des
t inances niutionales. On encourt les conséquences d’unc im-
prévision trés dn’ngereuse lorsqu’on favorise des ‘i’ntérêts
quoiqu’ils aient ,besoin de proteetion, si l’avance des som-
mes destinées 5.
in
condeseendance se fait au moyen des
sécurités des éta:bl’issernents de credit, qui sont toujours
sujets 5. des aléas.”

De ‘heer Korn’dorffer ‘heeft in E.-S.B. No. 1030 met

nadruk betoogd, dat de ‘gezonde toestand van ‘het
bedrijf der h’ypot’heekbanken voor ons lan’d ,,een al’ge-

‘meen maatsohapeljk belang is van de eerste orde” en
dat deze instellingen reeds jaren tevoren sterk had-

den moeten reserveeren. Hoewel ‘dit slechts kan ge-

schieden uit eenbehoorlijke marge (vooral nu), wil
de geachte sdhrijver desondanks de marge verminde-
ren (met eene verwijzing naar 1913!).

I:k veroorloof mij ‘hiernaast te stellen, wat ik las

in vermeld ‘verslag van de Banque Hypothécaire Na-
tionale van Argentinië:

,,Lorsque les affaires se développent normalement, la
prospénité faut oujb’l’ier les années mauvaises et ennpêohe de
prévoir les con’ti’ngences adversos.
En 1910 on ne coniprenait pas
in
nécessité pour la
Bainque IELypot’hécaire Nationale d’avoir 30.000.000 de pesos de réserves. En 1934, ceux qui’négissent la Banque,
ainsi que c-eux qui observeut de près son évolu’bion finan-
cière, n’ont aucun doute que l’avenir de l’Injstitution serait
ineertain sans de fortes réserves et que de graves oonsé-quences ‘pour l’éc(>nomiedu pays découleraient de l’ab-
sence de réserves. Et l’on sait, en ou’tre, que
si de tellen
réserves étaient plus grandes que celies qu’indiquent les
‘derniei-s b’ilans, elles ne seraient jamais excessives.”

Inderdaad! Het ‘blijkt thans wel, dat reserves nooit
te groot ‘kunnen ‘zijn. De regelma’tige aanwas te gaan belemmeren ‘door een maatregel, van welke de sdhul-
denaren nimmer eenig merkbaar nut kunnen trekken,
wordt in ons land van verschillende kanten aanbe-
volen op een oogenblik, waarop vermindering van de
marge voor ‘het bedrijf zeer gevaarlijk is geworden.
Zouden wij binnenkort het Argentijusche verslag moe-
ten nasohrijven: ,,Cette ‘mesure ne favonisa jamais
aucun ‘dé)biteur, pan contra dle détermina une dimi-
nution dans l’accroissement annuel ‘des réserves?”

De heer Korn’dorffer acht ook regeeringstoezicht
wenschelijk en vermindering van het aantal hypo-
thee’kbanken, waarbij hij o.a. naar Frankrijk verwijst,
waar sleéhts ééne hypotheekbank zou ‘bestaan, ‘le Cr6-
‘dit Foncier de France. Vermoedelijk is deze naam de
oorzaak, dat ‘de geachte schrijver zich vergist; ‘deze
‘bank is ‘immers geen ‘hypotheekbank, maar een instel-
ling voor
allerlei
credieten, ook aan en in Fransche
protectoraten. Behalve met tal van andere ‘transacties
houdt -zij zich ook ‘bezig met het sluiten van ‘hypothe-
ken en het is bekend, ‘dat zij onder staatstoezicht staat
en ‘hiervan. . . laten’ wij zeggen ,,de voordeelen trekt.”
Toen er eene ‘hypotheekbank in Frankrijk werd opge-
richt, de Société Foncière du Nord ‘de France, ‘heeft
,,men” deze het leven’ onmogelijk gemaakt ‘door wet-

16 October 1935

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

905

ten, welke voor de Crédit’ Foncier
niet
golden. De

laatste was echter in hare rente-ciedhen veel hooger
clan de nieuwe concurrente. Merkwaardig is in dit verband het bericht in thet Algemeen Handelsblad

van 14 April 1935, dat de voorzitter in de algemeene

vergadering van aandeelhouders van de Crédit Fon-
cier heeft niedegedeeld, dat het bestuur bij de Re-

geering stappen had gedaan, teneinde te bewerken,
dat de wet op de verlaging van rente
niet op
‘het be-

drijf van de Crédit Foncier van toepassing zou zijn

en •dat
de Regeering dit verzoek had in.gewilligd.

In ons land hebben zich reeds analoge verschijn-
selen voorgedaan. Allerwege daalde de rente en de
Regeering wil bij de wet huren, landpachten en hy-
potheekrenten verlagen. Zoodra edhter de Overheid
(gemeenten bijv.) eigenares van den grond is, wordt
het verlangen geuit, dat voor deze een uitzondering
moet worden gemaakt. Juist als geschied is met de onder Overheidssteun werkende Crédit Foncier de

France, zien wij de Overheid hooge rente-opbrngsten
eischen, wel wetende, dat wie eenmaal met haar in

zee is gegaan, toch niet meer weg kan.
Bij deze – ook elders gebleken – mentaliteit van

de Overheid schijnt het mij in het algemeen landbe-
lang verwerpelijk ‘de Overheid te betrekken in ‘het
hypot’hecair crediet; afgezien nog van ‘het feit, dat de

gevolgen van hare inmenging fataal zouden izijn en
haar zouden stellen v’oor eene aansprakelijkheid.
welke haar enorme bedragen zou gaan kosten.

N
a s c h r i f t. Bovenstaand artikel ‘heeft in tweeër-

lei zin een goede strekking. ilet betoog betreffende
de noodzaak van zware reserves vormt, hoewel mis-
s.,hien n’iet als zoodanig bedoeld, een versterking van

mijn artikel in ‘de E.-S.B. van 11 September ji. En
eveneens kan het slechts nuttig zijn, dat de heer
Van Lier nogmaals en gedocumenteerd de funeste ge-
volgen in het licht stelt, die kunnen voortvloeien uit
een op onjuiste wijze ingrijpen van de Overheid op
gebied van het crediet; het geneesmiddel kan ni.
erger zijn dan de kwaal. Minder gelukkig is de ge-
achte Schrijver, waar bij gedeelten uit het betoog van
steller ‘dezes weergeeft.
De heer Van Lier deelt mede, dat ik, met een
verwijzing naar 1913, de rentemarge wil verminderen.
Echter, met betrekking tot een ‘dergelijke verminde-
ring, noemde ik slechts de in het ‘bekende wetsont-
werp opgenomen rentemarge van % pOt. Steller dezes
had nl. in overweging gegeven, bij het invoeren van
•de voorgestelde wet, welke ook voor hypotheekhanken
een reddingswet is, aan de Regeering de bevoegdheid
te schenken zoo nocdi’g die marge tot 0,6 pOt. te ver-
minderen ibij ‘de hypotheekbanken, welke bij het ge-
zondmakingsproces zou’den weigeren haar financieele
positie te versterken. En verder noemde ‘het artikel
van 11 Sept. jl. nog een groot aantal zeer ruime
rentemarges, uit •het verleden en in het ‘heden, ten-
einde te doen blijken, dat de hypotheekbanken zeer
goed tot het vormen van sterke reserves in staat zijn
geweest en •dat ‘de ,,behoorlijke marge”, waarvan de
heer Van Lier als zeer noodig spreekt, meer in den
i’orm van buitengewoon hooge winstuitkeeringen tot
uiting is gekomen ‘dan in dien. van reserves, niette-
genstaande den ernst ‘der tijden en de ontvangen waar-
schuwingen.
Verder brengt de geachte Sdhrijver het ,,Crédit
Foncier” ter sprake en meent mij te moeten mede-
deelen, ‘dat het ,,Crédit Foncier” een instelling is,
•die behalve hypotheken ook an’dere credieten ver-
strekt. Tot die mededeeling bestaat ‘geen aanleiding,
daar mijn artikel van 11 September uitdrukkelijk
vermeldde, dat het ,,Cr&dit Foncier” een uitgebrei-
dere taak vervult dan onze hypotheekbanken, terwijl
ik tegelijkertijd voor ons Land de wenscheljk.heid ont-
kende van een centralisatie als die in
Frankrijk.
Het
noemen van het ,,Orédit Foncier” in het artikel van
11 September vond slechts plaats om ‘de hopelooze verspliriterin’g van het hypotheekbankwezen in ons

Land in het liht te stellen, – 49 hypotheekbanken
in ons kleine Lan’d tegenover één ,,Orédit Foncier”,

boven’dien met uitgebreidere taak, in het veel grootere Frankrijk, met andere woorden mogelijkheid voor ons

Land van grootere concentratie en van een meer eff i-

cient bedrijf.
En nog brengt de heer Van Lier mijn naam iis

verband met het ,,betrekken van de Overheid in het
hypothecair Orediet” en vermeldt terecht allerlei na-

righeid, die daaruit zou kunnen voortvloeien. Ik

stelde echter slechts in het licht de wenschelijkheid
van het invoeren van een openbaar hypotheektaxatie-

register, zoomede van een toezicht door een ,,Hypo.
theekkamer”, in den geest van het bestaande toezicht

van de Rijkspostspaarbank, doch aangevuld met een
sanctie, ni. bevoegdheid tot publicatie onder bepaal-

de waarborgen, zoôals cle Verzekeringskamer bezit
met betrekking tot het Levensverzekeringswezen. Van

het betrekken van de Overheid in het bedrijf is daar-

bij, zooals algemeen bekend, geen sprake.
De heersVan Lier, zeer verdienstelijk, waar hij de

noodzaak van zeer groote reserves en het niet ingrij-
pen in het credietwezen door de Overheid in het licht
stelt, toont zich niet in alle opzichten een goed en gids

op het gebied van weergeven van anderer betoog,

hetgeen niet steeds zonder bedenking is, daar de
lezers een onjuisten indruk kunnen bekomen; im-

mers men neemt
bij
het lezen van critiek veelal niet
c1cmoeite het oorspronkelijke artikel nog eens in te zien. Afgezien daarvan, zijn stukken als het bespro-

kene, ook wanneer zij op zichzelf juist zijn, toch min-
der gelukkig in verband met hun eenzijdigheid, daar

zij de zich vormende legende versterken, dat uitslui-
tenci de Regeering verantwoordelijk zou zijn voor de

heftige waardedaling der pandbrieven, terwijl zij de
enorme waardedaling der hypothecaire onderpanden
en de onvoldoende reserveering daartegen geheel bui-

ten beschouwing laten.
J. J.
K0RND0RFFER.

DE REGEERING EN HET PROBLEEM DER VASTE
LASTEN.

De heer S. W. Prins schrijft ons:

In de E.-S.B. van 2 dezer wijdt Dr. H. M. II. A.
van der Valk een beschouwing aan het probleem der
vaste lasten, waarbij als uitgangspunt wordt geno-
men een uitspraak van Dr. Colijn, zooals deze in de

,,Handelingen” is opgenomen.
In verband met het groote belang en de actualiteit
van ‘het probleem meen ik, dat het ‘zijn nut kan
hebben nog eens nader op bedoelde uitspraak terug te
komen, waarbij ik uiteraard de kwestie vanuit een
andere gezihtshoek zal behandelen dan door Dr. Van
der Valk werd gedaan.
Het pro- en contra van devaluatie kan hierbij ge-
heel buiten beschouwing blijven. Toor mijn doel is

het evenwel onvermijdelijk, dat ‘de voornaamste pun-
ten van het betoog van de Regeering ‘hier nog even
worden weergegeven.
,,Wat nu betreft het gelegde verband tussehen devaluatie
en vaste lasten, met
betrekking
dan ‘tot de verhouding tus-
soheii productiekosten en prijzen, moet ik er op wijzen,
wat ook reods is geschied in de Memorie van Antwoord van
het bezuinigingsontwerp, dat de
verhoud4ivg
tusschen pro-
ductiekosten en prijzen heheerscht wordt niet door én
factor, maar ‘door drie faotoren. Die verhouding wordt
beheerscht door hetgeen men moet betalen voor de grond-
stof fen, ‘door ihetgeen men moet betalen voor de bonen en
door de vaste lasten, die op het bedrijf drukken. Aange-
nomen nu een oogeublik, wat ‘ik niet toegeef, dat door
devaluatie •het probleem van de vaste lasten verzacht zou
worden, dan staat daai’ toch ‘dadelijk tegenover, dat, afge-zien nog van de bonen, de grondstoffen een nadeeliger in-
vloed op het kostencijfer zullen uitoefenen, dan de verlich-
ting bedraagt, die voor ‘de vaste ‘lasten zou kunnen worden
verki-egen. Wanneer men voor wat men uit het buitenland
aan grondstoffen betrekt, meer moet bp,alen in verband
met devaluatie, dan is het nadeel grooter dah het voor-
deel, dat, gesteld ‘dat ‘het juist ware, uit de verlaging van
de vaste lasten door devaluatie kan worden verkregen.
Mede daarom moet de Regeering dan ook die, in de Kamer

906

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16
October, 1935

bij he rlialing ‘gemaakte ‘tegenstelling ‘tuaschen consequente
deflatie en devaluatie als onjuist van de land wijzen, en
niet alleen als onjuist, maar als verwarring ;s’tinktend. De
devaluatie geeft voor geen enkel prob’eem een blijvende
‘oplossing en het probleem van de verhouding ‘tu’ssohen kos-
ten en prijzen
w
ro
r
dt veel sterker beheeischt door den uit-
gavenpost voor gronds’toffrten en bonen dan door den druk
van de vaste lasten.”

1-let gaat ‘hierbij in ‘de eerste plaats om de vra
of ‘de vaste lasten tengevolge van ‘devaluatie zullen

verminderen. Nu is het in de practijk wel afdoende
gebleken, ‘dat ingeval van ‘devaluatie de vaste las-

ten nominaal ongeveer ‘de-zelfde blijven; de beoogde

verlaging kan dus alleen éen vermindering van druk

zijn en is dus slechts relatief, zooals ook reeds door
Dr. Van ‘der Valk werd opgemerkt.

De vermindering van den druk der vaste lastei,

tengevolge van devaluatie kan slechts op twee ma-
nieren ontstaan:

door middel van de
verhooging
van de overige
kosten, welke voor de productie noodzakelijk zijn.
‘door middel van een
toegenomen
productie, ten-

gevolge waarvan de druk der vaste lasten per een-
heici’ van product vermindert.

Volledighei’dshalve ‘zij hierbij aangestipt, ‘dat in de
practijk heide factoren (A. ‘zoowel als B.) ‘zich kun-
nen ‘voordoen, alsook .elkan’der over en weer heïnvlbe-

den. Aan mijn betoog doet ‘dit overigen’s niets af of

toe; ter wille ‘der overzichtelijkheid dien ik ‘cle heide
gevallen wel afgescheiden van elkaar te beschouwen.

De vermindering is ‘dus relatief. In geval A vol-
trkt zic’h de yermin’derin.g door middel van ‘de ver-
houding tot’ ‘de overige productiekosten; in ‘geval B
door mi’ddèl van ‘de verhouding tot ‘de ‘hoegroothei’d
der pro’ductie.

De Regeering rsu gaat in boven weergegeven be-
schouwing uit van geval A.
Zij redeneert ‘hierbij als volgt: devaluatie kan geen
verlichting van vaste lasten brengen, maar ‘gestel’d,

‘dat ‘dit wel het ‘geval ware, dan ‘zou ‘deze verlichting
van ‘geen ‘heteekenis zijn, omdat ‘de andere factoren,

welke den kostprijs ‘bepalen, ‘zijn ‘toegenomen.

ik acht deze conclusie zeer merkwaardig, omdat
juist deze toegenomen kosten der andere factoren de
uitsluitencie oozacm/c
vormen van de verlaging van
den druk der vaste lasten (geval A).
Grooter tegenstellng in conclusi,e is welhaast niet denkbaar. Ik wil evenwel trachten, hiervan een ver-
klaring te geven.
Naar mijn meening ontstaat het verschil, omdat
‘fl
het betoog der Regeering geen onderscheid wordt ge-
maakt tusschen de gevolgen, welke devaluatie heft, ten aanzien van de vaste lasten en de gevolgen van
devaluatie voor het bedrijfsleven in zijn geheel. En
toch zijn dit twee geheel verschillende gebieden,
welke streng gescheiden dienen te worden, wil nin
liet risico van verwarring vermijden.
Zooals uit het betoog van de Regeering hl,ijlt,
wordt hierin het door
mij
onder A genoemde geval
behandeld. Men kan het geval ook anders uitdruk-
ken: het geldt hier de relatieve vermindering van
den druk der vaste lasten bij toegenomen kosten van
productie, dus hij prijsstijging. Op dezelfde wijze
treedt in het omgekeerde geval, dus bij prijsdaling;
een vermeerdering van druk op, zooals ook door :Dr.,
Van ‘der Valk in zijn artikel is betoogd.

Ik meen ‘dan ook, ‘dat over ‘het feit van de ver-

mindering van ‘druk in ‘geval A wel ‘geen versdhil
van meenin’g ‘zal bestaan.

De Regeering ‘koppel’t echter aan ‘de behandeling van ‘het d’oor Haar gestelde probleem van ‘den ‘druk

‘der vaste lasten ‘de vraag vast, of een eventueele

verlaging ‘dier lasten nu ook gepaard gaat met ,,voor-
deel” voor ‘het
bedrijfsleven
en komt ‘hiermede op

een ‘geheel ander en veel ruimer terrein, nl. de gev’ol-

‘gen van devaluatie voor ‘het ‘bedrijfsleven in ‘zijn
geheel. 1-let loont evenwel ‘de moeite Haar gedadhten-

gang op ‘dit terrein na’der te volgen. Tenein’de het

?veutueele voordeel voor ‘het bedrijfsleven te onder-

‘zoeken, richt ‘cle Re’geering Haar aandacht op ‘de pro-
ducti ekosten.

Zij ‘merkt in ‘dit verband op, dat de
verhouding
tas-
schen produetiekosten en prijzen n’iet ‘door één, maar

‘door ‘drie factoren wordt 1belieerscht en ‘dat, tengevolge

van ‘cle stijging ‘der overige pro’ductiefactoren, voor

het bedrijfsleven geen voordeel overblijft. Deze stellin’g
lijkt mij zeer aanvechthaar. Men kan, ‘globaal gen’o-
men, zeggen, dat ‘de drie ‘door de Regeerin’g genoem-
de factoren de
productielcosten
‘beheersdhen, ‘doch ‘om
de verhouding tusschen productiekosten en
prijzen
vast te
stellen is ‘het noo’d’i’g, dat men. . . . ook ‘de prij-

zen in ‘zijn beschouwing ibetrekt. Over de prij’zen nu

wordt ‘in ‘het ‘betoog van de Regeering met geen enkel
w’oord ‘gerept. En toch kan ‘deze factor in een sluitend

‘betoog niet worden gemist, ‘omdat, indien men het

voordeel ‘voor het ‘bedrijfsleven wil onderzoeken, na-
gegaail ‘client te worden,, in hoeverre cle geconstateerda

verhoogin’g ‘van den kostprijs ‘door eventue6le prijs-

verhoogin’g wordt ‘gecompenseerd of overtroffen. Het
‘gevolg van het feit, dat de factor ,,prijzen” wordt
gene’geerd, is ‘dus, ‘dat voor- of nadeel voor ‘het be-

drijfsleven niet ‘kan worden afgemeten, (geheel afg-
zien no’g van ‘het feit, ‘dat nooit via dit vermeende
ghrek aan voordeel voor ‘het bedrijfsleven een ‘oordeel

mag worden uitgesproken op een ‘geheel ander terrein,
nl. ‘de invloed van ‘devaluatie op ‘de va’ste lasten).

Ik hoop hiermede te ‘he’b’ben aan’getoond, ‘op welke

wijze :het inderdaad merkwaardige versdhil ‘in con-
clusie is ontstaan.

Om tot een, juist inzicht ‘te komen in het door de
Regeerin’g als uitgangspunt ‘gestelde probleem, ‘had
Zij ook ‘het onder B. ‘gestelde ‘geval in Haar betoog
moeten ‘betrekken. Er ‘dient te worden onderzocht, in
hoeverre ‘de ‘meerdere rentabiliteit van de
uitvoer-
bedrijven
als ‘gevolg van ‘devaluatie (in elk ‘geval im-
mers ‘grootere opbrengst in ‘guhiens, ‘ook ‘bij ‘gelijk-
blijvende hoeveelheid geëxporteerde ‘goederen), ‘be
vruchten’d kan werken op ‘de
activiteit
van het be-
‘drjfsleven in ‘het binnenland, waardoor via toene-
qnen’de productie een verlaging van vaste lasten per
een’hei’d zou kunnen ontstaan (geval B.).
Mijn ein’dconclusie is, dat verlaging van ‘den druk
der vaste lasten in het ‘door de Regeerin’g ‘hhandelde
geval (geval A.), ‘onmiskénbaar is. Voor’ts ‘zouden, ter
verkrij’gin’g van volledig inzicht, ‘ook ‘de inogelijkhe-
den van geval B. ‘dienen te worden onderzocht. En
tenslotte, indien devaluatie slechts ‘de functie zou
verrichten van ‘het voorkomen van verdere prjs.da:
l’in’g, -zou ‘de met deze daling onherroepelijk verbon-

den toenemin’g van druk ‘der vas’te lasten, komen te
vervallen.

Artikelen

Rotterdam
Amsterdam
Totaal

6112
Oct.
Sedert
Overeenk.
6/12
Oct.
Sedert
Overeenk.
1935
1Jan.
1935
tijdvak
1934
1935


1Jan.
1935
tijdvak
1934
1935
193

Tarwe

……………..
22.030 738.482
1.074.958

14.876
29.555
753.358
1.104.513 9.743
178.911
342.278

701
15.257
179.612
357.535
Rogge

………………

15.759
17.699


15.759 17.699
Mais
………………
621.454 737.644
250
94.726
188.470
716.180
926.114

Boekweit ……………….

6.586
241.175
295.992
240
23.763
43.290 264.938 339.282
2.073
117.551
99.901

1.660
3.195
119.211
103.096

10.0
.47

5.603
146.075
172.092
6.328
282.415
192.792
428.490

364.884.

Gerst

……………..
Haver

……………..

37.667
56.841,


25
37.667
56.866.

Lijnzaad

……………
Lijnkoek
……………387
m
576
..
15.153
16.320
125
4.549 2.486
19.702
18.806
Tarweeel

……………
Andere meelsoorten .’
1.375
24.789
46.227
99
2.572
5:795
27.361 52.022

16 October 1935

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

907

STATISTIEKEN.

BANKDISCONTO’S.

Ned
(Disc Wissels. 6
17Sept.’35
Lissabon

•… 5
13Dec.’34

Bk
Bel. Binn. Eif.
6
17Sept.’35
Londen ……2
sO
Juni’82
Vrsch.inR.C.64
17Sept.’35
Madrid ……5

9Juli’35
Athene ……….
7

14Oct.’33
N.-YorkF.R.B. 11
1
Feb.’34
Batavia……….
4

1 Juli’35
Oslo

……… 3422
Mei’33
Belgrado

……..
5
1
Febr.
’35
Parijs

……3
8 Aug. ’35
Berlijn

……….
4
22Sept.’32
Praag

……
3425 Jan.’33
Boekarest……..
4
28Aug.’35
Pretoria

….
3415Mei
’33
Brussel ……….
2
16Mei’35
Rome…. ….

5
9Sept.’85
Budapest ……..
4
28Aug.’35
Stockholm

.. 24
1Dec.’83
Calcutta

……..
34
16Feb.’33 Tokio

…. 3.65

2 Juli’33
Dantzig

……..
6

1Mei
’35
Weenen …… 3410
Juli’35
Helsinglors ……
4

3 Dec.’34
Warschau…. 5
26 Oct. ’33
Kopenhagen

,…
3422Aug.
1
35
Zwits. Nat. Bk. 24
3
Mei’35

OPEN
MÂRKT.

1935 1934
1933
1914

12 Oct
1

7/12
130Sept.li
23128
8113
9114

2024 Oct.
1
5Oct.
1

Sept.
Oct.
Oct.
Juli

Amsterdam
Partic.disc.
511
4

5l4_515
5/s6
514-6
11
2

3
1
8-112
3
1
!s’/i,
Prolong.
6
6
6114
514-6
1
12
1
1
211
4214

Londen
Dageld.
. .
1
12
1

‘j,..I
1
12
-1

12i
‘/,-I
1
12-1
1
5
/4-2
Partic.disc.
51
18”116
5
18_i
1
116
116
116’18
11
116_8
14
4
1
14_1
1
Berlijn
Daggeld…
3-
1
I2
3-‘!,
3’/’/,
3-14
4_5114
4114-5113

MaandeId
3-
1
12
3-
1
12
3.
1
12
231
4
311
4

4j,-6
4’ls-6

Part, disc.
3
3-
1
I8
3-
1
1
3
3
7
18
318
21-13
Varenw.
. .
4-
1
/2
4-112
4_
1
1
4_112
41/
3

4..1/

Nem York
Dag6eld
)
11
4

11
4

114
‘/
1
31
4

1
3
142
1
1,
Partic.disc.
!16
116
5116
51
31

1)
Koers van II Oct. en daaraan voorafgaande weken t/m. Vrijdag

WISSELKOERSEN.
KOERSEN IN NEDERLAND.

Daa
New
Londen
Berlijn
Parijs
Brussel
Batavia
York)
S)
S)
S)

)
1)

8
Oct.

1935
1.48%
7.25% 59.55
9.75k
24.99
100%
9

,,

1935
1.471%,
7.24%
59.524
9.74%
24.97
100%
10

,,

1935
1.47%
7.24%
59.45
9.73% 24.92
100%
11

,,

1935
1.47%
7.24%
59.424
9.73%
24.874
100%
12

,,

1935
1.47’X
7.23%
59.40 9.72% 24.86
100%
14

,,

1935
1.47%
7.23%
59.35
9.72%
24.834
100%
Laagste d.w’)
1.47%
7.23
59.30
9.72
24.824
99%
Hoogste
d.w’)
1.48%
7.26
59.60
9.76
25.01
100%
Muutpariteit
2.4878
12.1071
59.263 9.747
34.592
100

Data Zs’it-
ser and
Weenen
Praag
Boeka-
Milaan
Madrid
5)
1)
rest
5)
5*) 5*)

8 Oct.

1935
48.19

6.14
1.20 12.05
20.224
9

1935
48.15

6.14
1.20
12.06
20.20
10

1935
48.11

6.12
1.20
12.024
20.20
11

1935
48.10

6.11
1.20
12.-
20.174
12

1935
48.07%

6.11
1.20


14

1935
48.07

6.12
1.20
12.-
20.174
Laagste d.wl)
48.02%

6.08
1.15
11.95
20.10
Hoogste d.w
1
)
48.22%
28.-
8.16
1.25
12.10
20.25
Muntpariteit
1
48.003
1

35.007
1

7.371
1.488
13.094
48.52

Data
Stock-
Kopen- Oslo


Hel-
Buenos-
Mon-
holm
)
hagen*)
f5)
Aires’)
treal
1)

8
Oct.

1935
37.424
32.40
36.474
3.20
40%
1.46%
9

,,

1935
37.40
32.374
36.424
3.20
40%
1.46
10

,,

1935
37.35 32.35 36.40
3.20
40%
1.46%
11

,,

1935
37.35 32.35
36.40
3.20
40%
1.4534
12

,,

1935
37.30 32.30
36.35
3.20
40%
1.45%
14

,,

1935
37.30
32.324
36.35
3.21
40%
1.45%
Laagste d.w
1
)
37.10
32.10
36.15
3.174
40
1.45
Hoogste d.wl)
37.55
32.55
36.60
3.224
41
1.46%
Muntpariteit
66.671
66.671
66.671
6.266 95%
2.4878
5)
Noteering te
Amsterdam.
•)
Not, te
Rotterdam.
1
1
Part.
nopave.
En ‘t lsfe of 2de No. van iedere maand komt een ovicht
voor van een aantal niet wekelijks opgenomen wisselkoersen.
KOERSEN TE NEW YORK. (Cable).

D a a
Londen
($
per
£)
Parijs
($
P.
IOOfr.)
Berlijn
($
P. 100 Mk.)
Amsterdam
($ p. 100
gld.)

8 Oct.

1935
4,90%
6,59% 40,24
67,64
9

,,

1935
4,903/
4

6,59%
40,25 67,70
10

1935
4,90%
6,59
40,25 67,72
11

1935
4,90%
6,59
40,25 67,76
12

1935

-.


14

1935
4,90%
6,59
40,24
67,78
15
Oct.

1934
4,91% 6,64%
40,63 68,36
Muntpariteit.
.
4,88
3,90%
23.81%
40%

KOERSEN TE LONDEN.

Plaatsen en
Landen
1Noteerings-1
eenheden 28Sept.
1935
5
Oct.
1935
7112
Oct.
1935
1
Laagste
l
Hoogste
l

12
Oct.
1935

Alexandrië..
Piast.
p. £
97%
97%
97%
97% 97%
Athene

. .. .
Dr.
p.,
516
513
512
514 514
Bangkok.

Sh.p.tical
1110%
1/10%
1110
1110%
1110
Budapest

..
Pen. p. £
16% 16% 16%
16%
16%
BuenosAires’
p.pesop.0
18.00
17.80 17.80 18.10
18.05
Calcutta
. . . .
Sh.
p.
rup.
1/634
1/6%
1/6
3
1
33

116
6
1
32

1/6%
Constantin.
.
Piast.p.0
613
611
612 612 612
Hongkong
. .
Sh.
p. $
2/0%
20%
210
2/1
2,0%
Kobe

…….
Sh.
p.
yen
112
8
1
32

112
1
1
32

112
112%
1/2
1
1
33

Lissabon….
Escu.p.0
110% 110%
109%
110%
110%
Mexico

. .. .
$
per
£
18
17%
17%
18% 17%
Montevideo
2)

d. per
£
20%
20%
20%
21%
21
Montreal

..
$
per
£
4.96% 4.97%
4.95
4.97%
4.97%
Riod.Janeiro3
d. per
Mil.
2%
2%
2%
2%
2%
Shanghai

..
Sh.
p. $
1)6%
116%
116
1
1
6%
116%
Singapore.
.
id. p. $ 2/4% 2/4%
214
214%
2/4%
Valparaisod).
$perg
118%
119 119
121
121
Warschau
. .
Zi. p. £
26%
26
25%
26%
26
1) Oftic. not. 15 laten, gem. not., welke importeurs hebben te betalen,
27 Sept. 17.02; 30 Sept. 17.03; 1 Oct. 17.02. 2) Offic. not. 26 Sept. 39
11
1:6;
30 Sept. 39
1
14; 2 Oct. 39131
16
; 3 Oct. 39314; 5 Oct.
39113116;
10 Oct. 3931
4
.
3) Id. II Mrt.
4)
90 dg. Vanaf 28 Aug. laatste export” noteering.
ZILVERPRIJS

GOUDPRIJS
5)

Londen’) N.Yorkl)

Londen
8 Oct. 1935.. 29%

65%

8 Oct. 1935.,.. 141/10
9 ,,

1935.. 29%

65%

9 ,,

1935.,.. 141110
10 ,,

1935.. 29%

65%

10 ,,

1935,.,, 141,9
11 ,,

1935.. 29%

65%

11 ,,

1935..,. 141194
12 ,,

1935.. 29%

12 ,,

1935..,; 14119
14
11

1935.. 29%

65%

14 ,,

1935.,., 141/94
15 Oct. 1934.. 24%

55%

15 Oct. 1934…. 14311
27 Juli 1914.. 24194

59

27 Juli 1914;… 84110%
1) in pence p. oz. stand.’) Foreign silver in $c. p. oz. fine.’) in sh. p. oz. fine
STAND VAN ‘s RIJKS KAS.
Vorderingen.
/

23Sept.1935 7Oct.1935 Saldo van’s Rijks Schatkist bij De Ne-
derlandsche Bank ………………


Saldo b. d. Bank voor Ned. Gemeenten
f

1.084.267,22
1

90.346,18
Voorschotten
op
ultimo Augustus 1935
a(d. gemeent. verstr.
op
a. haar uit te

keeren hoofds. der pers. bel., aand. in
de hoofds. der grondbel. en der gem.
fondsbel., alsmede
opc. op
die belas- tingen en
op
de vermogensbelasting
7.680.072,61

7.680.072,61

…..

114.141.512,48
,,
127.837.273,68
Idem aan

Suriname ………………
12.743.477,09
,,

12.903.491,96
Idem

aan

Curaçao ….

. ………….
,

1.224.338,99

1.085.092,04
Kasvord.weg. credietverst. a/h. buitenl
123 924.552,78 124.130.848,23

Voorschotten aan Ned.-lndië
………

Saldo der postrek.v.Rijkscomptabelen
Vord.
op
het Alg.Burg. Pensioenfonds’)

.
….

20.455.152,18
.

26.781.838,36

32.587.534,42

,

33.073.032,58
Vord.
op
andere Staatsbedrijven
1) ……
Verstr. ten laste derRijksbegr. kasgeld-
leeningen aan gemeenten (saldo)
,,

33.101.035,28
,

34.333.735,28
Ver_Plc_h_tin_gen

Voorschot door De Ned. Bank ingev.
art.

16 van

haar octrooi verstrekt
f

5.996.814,69

f
15.000.000,-
Voorsch.d.DeNed.Bk.j.rek.crt.verstr

716.552,75
Schuld a. d. Bank
v.
Ned. Gem


Schatkistbiljetten in omloop ………
386.795.000,-
.387.687.000,-
,,
157.020.000,-
,,
147.640.000,-
Schatkistpromessen in
omloop …….
w.v.
rechtstr. bij De Ned. Bank gepl
,,

10.000.000,-
,,

10.000,000,-
Zilverbons in
omloop

… ………….
Schuld
op ultimo
Augustus 1935 aan de
,,

1.211.722,50
,,

1.209.709,-

gem. weg. a.h.uittekeeren hoofds.d.
pers. bel., aand.
i.
d. hoofds. d. grondb.

..

e. d. gem. fondsb. alsm.
opc. op die

.

bel, en
op
de vermogens belasting
Schuld aan het Alg. Burg. Pensioenf.
1)

Id. a. h. Staatsbedr. der
P.T.

T. 1)
en
644.027,83
,,
536.109,24

Id. aan andere Staatsbedrijven
1)
47.065.532.01

,,

61.303.379,28

Id. aan diverse instellingen’) ………
..
119.761.710,65
.119.998.224,17
1)
In rekg.-crt. met’s Rijks Schatkist.
NEDERLANDSCHlNDl5CHE
VLOTTENDE
SCHULD.

/

5Oct.1935
1

12Oct.1935
Vorderingen:
Saldo Javasche

Bank
.
…………….


Saldo b. d. Postchècue- en Girodienst
f

2.588.000,-
t

358.000,-
Betaalmiddelen in

s
Lands kas
– –
Verplichtingen:
Voorschot’s Rijks kas e. a. Rijksinstell.

……

,,
127.837.000,-
,
126.237.000,-


Schatkistpromessen
…………………..
Schuld aan het Ned.-lnd. Muntfonds.
426.000,-
426.000,-
Idem aan de Ned.-lnd. Postspaarbank.
790.000,-

828.000,-
Voorschot van de Javasche Bank

,,

2.570.000,-
3.144.000,-
SURINAAMSCHE
BANK.
Voornaamste posten in duizenden guldens.

Data
Metaal
__
_______________
‘/Çf/ ‘
Andere
opetschb.
schulden
Discont.
D
n

7 Sept.

1935..
797
1.121
464
50
1.709
30
Aug.

1935..
803
1.185 395
559
1.720
24

,,

1935..
814 1.128 435 571 1.719
17

,,

1935..
815
1.058 430
570
1.707
10

,,

1935..
804
1.061
463
573
1.716
5 Juli

1914..
645
1.100
560
735 396
IulIp. oer acuva.

908

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16October 1935

STATISTISCH OVERZIC

GRANEN EN ZADEN
TUINBOUWARTIKELEN
VLEESCH
TARWE
80 kg La
ROGOE
MAIS
GERST
62163 kg
LIJNZAAD
DRUIVEN
TOMATEN
1

BLOEM-
KOOL
RUND-
VLEESCH
VARKENS-
VLEESCH
Plata loco
74 kg Bahia
Blanca loco
La Plata’
loco
Z.-Russische
La Plata
loco
Black
Alicante
ie soort
(versch)
(versch) Rotterdam(
Amsterdam
R’damlA’dam R’damiA’dam
loco Rotter-
dam/A’dam R’dam/A’dam
per kg
per 100 kg
P. 100 St.
Gem.v.3kw.
per 100 kg
per 100kg.
per 100 kg.
per 2000 kg.
per2000kg.
per 1960 kg.
Westland Westland Groote-
per 100kg
Rotterdam
3)
3)
4)
broek

5)
Rotterdam

fi
°Io
fL
1
10
6.
fl.
0
10
6.
%
fi.
°h
1925
17,20 100,0
13,075
100,0
231,50
100,0
236,00
100,0
462,50
100,0


1926
15,90
92,4
11,75
89,9
174,25
75,3
196,75
83,4 360,50 77,9
– –
1927
14,75
85,8
12,475
95,4
176,00
76,0 237,00
100,4
362,50 78,4

1

————


1928
13,475
78,3
13,15
100,6
226,00
97,7
228,50
96,8
363,00
78,5 0,80
100,0
20,

100,0
14,80 100,0

93,
100,-
77,50
IOC
1929
12,25
71,2
10,875
83,2
204,00
88,1
179,75
76,2 419,25
90,6
0,64
80,0
16,
80,0
17,23 116,4
96,40
103,7
93,125
120
1930
9,67
5

56,3
6,225
47,6
136,75
59,1
111,75
47,4
356,00
77,0 0,62
77,5
20,
100,0
14,22
96,1
108,
116,1
72,90
94
1931
5,55 32,3 4,55
34,8
84,50
36,5
107,25
45,4
187,00
40,4 0,49
61,3
14,50
72,5 7,54
50,9
88,
94,6
48,-
61
1932
5,225
30,4
4,625
35,4
77,25
33,4
100,75
42,7
137,00
29,6
0,41
51.3
11,50
57,5
9,92
67,0
61,
65,6
37,50
4
1933
5,025
29,2 3,55
27,2
68,50 29,6
70,00
30,0
148,00
32,0
0,31
38,8
8,21
41,1
6,69
45,2
52,
55,9
49,50
63
1934
3,675
21,4
3,325 25,4
70,75
30,6
75,75
32,1
142,50
30,8
0,27
33,8
5,53 27,7
8,26
55,8 61,50
66,1
46,65
60

Jan.

1934
4,75 27,6
3,10
23,7
65,25
28,2
58,00
24,6
144,25
31,2 62,50
67,2
53,75
69
Febr.,,
3,40
19,8
2,775
21,2
65,25
28,2 58,50
24,8
133,00
28,8
63,-
67,7
53,50
69
Maart

,,
3,25
18,9
2,725 20,8
70,75
30,6
58,75
24,9
132,00
28,5

——-

61,75
66,4
50,50
65
April

,,
3,20
18,6
2,70
20,7
70,50
30,5
56,75
24,0
136,50
29,5

————————–
——-

63,50
68,3
49,125
63
Mei

,,
3,325
19,2
2,875 21,9
62,00
‘26,8
63,00
26,7
154,50
33,4
-‘

——-

65,75
70,7
47,50
61
juni

,,
3,676
21,4
3,175
24,3
65,00
28,1
74,75
31,7
156,50
33,8

63,25
68,0
43,75
56
Juli

,,
3,80
22,1
3,30
25,3
71,50
30,9
78,75
33,4
151,25
32,7
8,28
41,4
63.-
67,7
44,62
5

.
57
Aug.
4,37
25,4
4,27
5

32,7
83,25
36,0 93,50
39,6
159,25
34,4
0,35 43,8 5,89
29,5


63,95
68,8
43,30
55
Sept.

,,
4,-
23,3
4,15
31,7
77,25
33,4
93,25
39,5
145,50
31,5
0,25
31,3
2,02
10,1
11,21
75,7
63,55
68,3
42,62
5

55
Oct.

,,
3,50 20,3
3,70
28,3
69,50
30,0
93,50
39,6
135,25
29,2
0,21
26,3
5,92
29,6
6,19
41,8
60,70
65,3
42,125
54
Nov.


3,50 20,3
3,45
26,4
71,25
30,8
89,25 37,8
127,75
27,6




7,37 49,8
53,75
57,8
44,50
57
Dec.

,,
3,45
20,1
3,55
27,2
76,25
32,9
91,00
38,6
134,00
29,0


—-









. –


53,15
57,2
44,65
57

Jan.

1935
3,30
19,2
3,525
27,0
74,25
32,1
89,25
37,8
137,25
29,7

—-





















53,625
57,7
45,62
56
Febr.
3,20
18,6
3,375
25,8
68,00
29,4
71,25
30.2
124,25
26.9

—————-

51,90
55,8
47,55
61
Maart

,,
3,20
18,6
3,075
23,5
67,75
29,3
64,00
27,1
120,50
26,1
51,40
55,3
51,20
66
April
4,07
5

23,7
2,95
22,6 70,75
30,6
66,75 28,0
125,00
27,0
51,925 55,8
50,25
64
Mei
4,05 23,5
2,90
22,2
59,90
25,9
67,25
28,5
125,50
27,1
50,80
54.6
48,50
62
Juni

,,
4,02 23,4 2,90
22,2
57,50
24,8
75,00
31,8
124,25
26,9

















—-








48,-
51,6
46,12
59
Juli

,,
3,926 22,8
2,55
19,5
54,50
23,5
66,75 28,3
124,50
26,9
10,19

—-












50,9
48,-
51,6
47,375

61
Aug.


4,25
24,7
2,625
20,1

1
55,25
23,9
64,50
27,3
132,25
28,6 0,42
52,5

—————-

7,29

—-











36,5
-.
44,80
48,2
52,55
67
Sept.

,,
4,75
27,6
3,-
22,9
I
55,75
24,1
64,50
27,3
139,50
30,2
0,27 33,8 4,45
22,3
6,60
44,6
43,375 46,6
56,625
73
7 Oct.

,,
5,20
30,2
3,45
26,4
1
60,50
26,1
72,00
30,5
150,00
32,4 0,20
25,0 3,20
16,0
9,56 64,6
44,_6

47,3 64,506
83
4

,,
5,-
29,1
3,40
26,0
1
58,50
25,3
66,00
28,0
145,00
31,4
0,21
26,3
3,55
17,8
II,
74,3
49,_7

52,7
68,507
88
5)
Men zie voor de toelichting op dezen staat de nos. van 8, 15 Aug. 1928, 25 Febr. 1931 en 15 Febr. 1933.
2)
Tot Jan. 1931 Hard Winter No. 2. van Jan. 1931 16 Dec. 1929 tot 26 Mei 1930 74(5 kg Hongaarsche vanaf 26 Mei 1930 tot 23 Mei 1932 74kg Zuid-Russische; van 23 Mei 1932 tot 2 Oct.1933 No. 2 Canada.
4)’]
Canada. Van 19 Sept. ’32 tot 24Juli’33 62163 kg Z.-Russ. van 24Juli ’33-7 Oct.’35 64165 kg La Plata.
5)
De iaren 1928 en 1929 Broek
op
Langendijk. 6) 5 Oct.
7)
12 C

Vervolg STATISTISCH OVERZICI
MINERALEN
TEXTIELGOEDEREN
DIVERSEN

STEENKOLEN
Westfaalsche/
P
ETROLEUM
BENZINE KATOEN
WOL
WOL
gekamde
KOE-
KALK-
.
Hollandsche

,
M,d..Contin.
rude
Gulf exp.
Australische,
HUIDEN
SALPETEI


Middling
locoprijzen
F. G. F.
Sakella-
‘”

. No. 1
bunkerkolen,
ongezeefd f.o.b.
m

.
64(66°
$cts. per

u

ra,s
v.
1
ering.
CrossbredColo-
nial Carded,
Gaaf, open
kop
GId. per
100 kg
R’dam/A’dam
5. g.
per barrel
U.S. gallon
New-York
rides


Oomra
Lverpool
OCO eb or
P

.
So’s Av. loco
57-61 pnd.
netto
per 1000 kg.
per Ib.
Liverpool
Bradiord per Ib.

61.
O(
$
O(


$cts.
O(o
$
cts.
Olo
pence
°lo
pence

s/s

pence
Oj
pence
o
61.
‘n
61.
°io
1925
10,80 100,0
1.68
100,0 14,86
100,-
23,25
100,0
29,27
100,-
9,35
100,- 55,00
100,0
29,50
100,0
34,70
100,0
12,-
100,
1926
17,90
165,7
1.89
112,5 13,65
91,9
17,55
75,5
16,24
55,5 6,30
67,4
47,25
85,9
24,75
83,9 28,46
82,0
11,61
96,
1927
11,25 104,2
1.30
77,4
14,86
100,-
17,50

.
75,3
16,78
57,3
7,27
77,8
48,50
88,2
26,50 89,8
40,43
116,5 11,48
95,
1928
10,10
93,5
1.20
71,4
9,98
67,2 20.00
860
19,21
65,6
7,51
80,4
51,50
93,6
30,50
103,4
47,58
137,1
11,48
95,
1929 11,40 105,6
1.23
73,2
10,-
67,3
19,15
82,4
17.05
58,2 6,59
70,5
39,-
70,9
25,25
85,6 32,25
92,9
10,60
88,
1930 11,35
105,1
1.12
66,7 8,77
59,0
13,55

1
58,3
12,-
41,0
3,92
41,9
26,75
48,6
16,25
55,1
25,36
73,1
9,84
82,
1931
10,05
93,1
0.58
34,5
5,04
33,9
8,60
37,0
7,33
25,0
3,08
33,0
21,50
39,1 12,00
40,7
18,65
53,7
8,61
71,
1932
8,00
74,1
0.81′
48,2
4,50
30,3
6,45
27,7
5,21
17,8
3,11
33,3
16,00
29,1
8,50 28,8
11,15 32,1
6,15
51,
1933
7,00 64,8 0.45
26,8
3,61
24,3
6,75
29,0
5,13
17,5
2,78
29,7
19,25
35,0
9,50 32,2
13,26
38,2
6,18
51,
1934
6,20
57,4
0.63
37,5
2,88
19,4
7,35

t
31,6,
5,32
18,2
2,68
28,7
19,25
35,0
‘10,25
34,7
12,07
34,8
6,11
50,

Jan.

1933
7,05
65,3
0.53 31,5
4,16.
28,0
6,15
26,5
5,13
17,5
2,95
31,6
15,75
28,6
8,25
28,0
11,50
33,1
6,30
52,
Pebr.,,
7,20
66,7
0.38
22,6
3,97
26,7
6,10
26,2
4,98
17,0
2,78
29,7
15,50
28,2
8,25
28,0
10,38
29,9
6,40
53,
Maart

,,
7,25
67,1
0.38 22,6
3,87
26,1
6,40
27,5 4,97
17,0
2,77 29,6
15,25
27,7
7,75 26,3
10,75
31,0 6,40
53,
April

,,
7,25
67,1
0.37
22,0
3,67 24,7
6,65
28,6
5,18
17,7
2,68
28,7
15,75
28,6
7,75 26,3
11,25
32,4 6,40
53,
Mei
7,15
66,2
0.23
6

14,0
2,95
19,9
7,30

.
31,4 5,60
19,1
3,07
32,8
17,00
30.9
8,25
28,0
12,25
35,3 6,40
53,
Juni
7,15 66,2
0.25
5

15,2
3,02
20,3 7,85 33,8 5,85 20,0
3,25
34,8
18,50
33,6
9,00
30,5
15,75
45,4 6,40
53,
Juli

,, 7,05 65,3
0.41
24,4
3,33
22,4
7,60
32,7
5,76.
19,7
3,20
34,2 20,75
37,7
9,75
33,1
16,-
46,1
6,40
53,
Aug.
6,95
64,4 0.37 22,0 3,37
22,7
6,90.
29,7
5,39
18,4 2,91 31,1
20.75
37,7
9,75
33,1
14,75
42,5
5,80
48,
Sept.

,,
6,85
63,4
0.52
31,0
3,50
23,6 6,60 28,4 4,70
16,1
2,54 27,2
21,50
39,1
10,50
35,6
.15,13
44,1
5,85

Oct.


6,60
61,1
0.66
39,3
4,04 27,2
6,40
27,5 4,55
15,5
2,48
26,5
20,75
37,7
‘10,75
36,4
14,50
41,8
5,90

Nov.
6,75
62,5
0.66
39,3
3,72 25,0
6,25
26,9 4,63
15,8
2,39 25,6
23,75
43,2
12,00
40,7
13,38
‘ 38,6
5,95
49,
Dec.

,
6,95
64,4
0.67
39.9
375
25,2
6,50
28,0 4,89
16,7
2,38 25,5
25,00
45,5
13,25
44,9
13,50
38,9
6,-
50,

Jan.

1934
6,65
61,6
0.66
39,3
3,74 25,2
7,10
30,5
5,47
18,7
2,59
27,7 27,00
49,1
14,75
50,0
13,-
37,5 6,15
51,
Febr.

,,
6,30
58,3
0.64
38,1
3,25
21,9
7,50
32,3 5,64
19,3
2,68
28,7 23,75
43,2
12,75
43,2
13,-
37,5
6,20

Maart

,,
6,25
57,9
0.63
37,5
3,05 20,5 7,40 31,8
5,50
18,8
2,76
29,5
23,25
42,3
11,75
39,8
12,50
36,0 6,25

April

,,
6,30
58,3
0.62
36,9 2,79
5

18,8
6,95 29,9
5,37
18,3
2,50
26,7
23,00
41,8
11,50
39,0
12,-
34,6 6,30
52,
Mei
6,25
57,9
0.62
36,9 2,88
19,4
6,80
29,2 5,20
. 17,8
.2,48
26,5
21,00
382
10,50
35,6
11,88
34,2 6,30
52,
Juni
6.15
56,9
0.62
36,9
2,83
19,0
7,15 30,8 5,23
17,9
2,77
29,6
19,00
34,5
9,50
32,2
11,50
33,1
6,30
52,
juli
6,15
56,9
0.62 36,9
2,68
18,0
7,55
32,5
5,22
17,8
2,83
30,3
17,00
30,9
9,00 30,5
11,50 33,1
6,30
52,
Aug.
6,15
56,9
0.62 36,9
2,68
18,0
7,85
34,0
5,32
18,2
2,85 30,5
16,00 29,1
8,50 28,8
11,75
33.9 5,80
48,
Sept.

,,
6,00 55,6
0.62
36,9 2,74
18,4
7,70
33,1
5,06
17,3
2,71
29,0
15,00
27,3
8,50
28,8
12,-
34,6 5,85

Oct.


6,00
55,6
0.62
36,9
2,60
17,5
7,40
31,8
4,93
16,8
2,57
27,5
15,00
27,3
8,50 28,8
12,50
36,0 5,90

Nov.
.

6,10
56,5
0.62
36,9 2,53
17,0
7,40
31,8
5,42
18,5
2,67 28,6
15,00
27,3
8,75
29,7
12,-
34,6
5,95
49,
Dec.
6,05
56.0
0.62 36,9 2,76
18,6
7,50
32,3 5,43
18,5
2,77 29,6
14,50 26,4
8,50
28,8
11,25
32,4
6,05
50,

Jan.

1935
6,05
56,0
0.62
5

37,2
2,97
5

20,0
7,55
32,5
5,38
.18,4
2,99 32,0
14,75

.
26,8
8,25 28,0
10,75
32,0
6,15
51,
1ebr.
6,05
56,0
0.62
5

37,2
2,75
18,5
7,50
32,3 5,24
17,9
3,-
32,1
14,00
25,5
7,75 26,3
10,50
30,3
6,20
51,
Maart

,
5,90
54,6
0.62
36,9
2,74
18,4
6,80
29,2
4,85
16,6
2,79 29,8
13,75
25,0
7,50
25,4
10,25
29,5
6,25
52,
April

,,
6,00
55,6
0.63
37,5 2,99
20,1
7,05
30,3
4,89
16,7
2,89
30,9
14,75
‘26,8
8,00
27,1
10,75
31,0
6,30
52,
Mei
6,05 56.0 0.62
36,9 2,97
5

20,0
7,30
31,4
4,96
16,9
3,07
32,8
16,00
29,1
8,50
28,8
11,75
.’
33,9
6,30
52,
Juni

,,
6,05
56,0 0.62 36,9 3,15
21,2
7,-
30,1
4,82
16,5
2,98
31,9
16,75
30,5
8,50
28,8
12,-
34,6
6,30
52,
juli
6,05
56,0 0.62 36,9
3,115 21,0
7,25
31,2 4,82
16,5
3,08
32,9
18,25
33,2
9,00
30,5
11,75
33,9
5,40
45,
Aug.
6,15
56,9
0.62 36,9 3,08
20,7
6,80
29,2
4,91
16,8
2,83 30,3
18,25
33,2
9,25 31,4
12,-
34,6
5,40
45,
Sept.
6,10
56,5
0.62
5

37.2
2,85
19,2
6,40
27,5 4,95
16,9
2,63
28,1
18,25
33,2

8,75
29,7
14,50
41,8
5,50
45,

7 Oct.

,,
6,05
56,0
0.63
37,5 2,70
2
1
18,2
6,85 29,5 5,15
4
1
17,6

1
2,83
4

30,3
.

17,75
6
)
32,3 8,75
6
)
29,7

5,55

4

,,
6,05
56,0
0.62
36,9
3,
1
0
20,9 6,60 28,4 5,18
5

17,7
2,98
5

31,9
.

18,50
7
)
1

33.6
1

8,75
7
)
29,7 5,55

1) Jaar- en maandgem. afger. op ‘Is pence.
2)
5 Oct.
3
)11 Oct.
4)
2 Oct.
5)
9 Oct.
6)
3 Oct.
7
)10 Oct.
8)
1 Oct.
9)
8 Oct.

16 October 1935

ECONOMISCH

STATISTISCHE BERICHTEN

909

N GROOTHANDELSPRIJZEN’)

.

ZUIVEL EN EIEREN
METALEN

BOTER
BOTER
p,

KAAS
Ener
EIEREN KOPER LOOD
TIN
CIv
Z
ld

GIETERIJ-
IJZER
ZINK
GOUD
ZILVER
cash
per kg
Leeuwar-
k
g
Alkmaar
Fabrieks-
Gem. not.
Eiermijn
Standaard
Locoprijzen
1.

r

en
OOPlZ
Loco rizen
Lonc?enner
F0
i
dr
No 3f o
(Lux III) p.
Locoprijzen
Londen
cash
Londen
Londen per
.
derComm.
crisis
Zuivel-
kaas
Roermond Londen
er En

ton
En

ton
Middlesb
Eng. t. f.o.b.
per
per ounce
Standard
Ounce
Noteering
Centr.
kl.mjmerk
p.
100 St.
per Eng. ton

.
_•
per Eng. ton
Antwerpen
Eng. ton
line

Ii.
°Io
f1.
f1.
°fo
ii:

oi
£
01
0

£
%
£
0
1
0

5h.
O!o

sh.
0
10
£
0
10
sh.
Ol
o

pence
0
10
1925

2,31
100.0

56,-
100,0
9,18
100,0
62.116
100,0
36.816
100,0
261.171-
100,0
731-

100,0
671-
100,-
36.316
100,-
85j6

100,-
32118

100,0
1926

1,98
85,7

43,15
77,1
8,15
88,8
58.11- 93,5
31.116
85,3
290.1716
111,1
8616.
118,5
6818
102,5
34.216
94,3
851-
99,5
28
10
116
89,3
1927 2,03
87.9

43,30 77,3
7,96
86,7
55.141- 89,7
24.41- 66,4
290.41

110,8
731-
100,0
6416
96,3
28.101-
78,8
851-
99,5
21
83,3
1928

2,11
91,3

48,05 85,8
7,99
87,0
63.16
1

102,8
21.1/-
57,8
227.51-
86,8
661-
90,4
6218
93,5
25.516
69,9
851-
99,5
26ijio
81,1
1929 2,05
88,7

45,40
81,1 8,11
88,3
75141-
121,9
23.51-
63,8
203.1516
77,8
7016
96,6
6819
102,6
24.1716
68,8
851-
995
95
24
7
/1n
76,2
1930

1,66
71,9

38,45
68,7
6,72
73,2 54.131- 88,0
18.116
49,6
142.51-
54,3
671-
91,8
5916
88,8
16.171-
46,6
851-
17
13
(1
55,4
1931

1,34
58,0

31,30
56,9 5,35 58,3
36.51-
58,4
12.11-
33,1
110.11-
42,0
551-
75,3
4716
70,9
11.1016
31,9
9216

108,2
13
1
1
41,6
1932 0,94
40,7

22,70 40,5
4,14
45,1
22.171-
36,8 8.121-
23,6
97.21-
37,1
421-
57,5
371-

55,2 9.161-
27,1
1181-

138,0
12
7
1
40,1

1933 10,61
26,4
0,96
20,20
36,1
3,71
40,4
22.216
35.6
7.1716
21,6
131.181-
50,4
411-
56,2
351-
52,2
10.1216
29,4 1241714 145,8
12l
385
1934 0,45
19,5
1,-
18,70
33,4 3,45 37,6
18.1416
30,2
6.1516
18,6 141.1916
54,2
‘401-
54,8
33:7
50,1
8.91-
23,4
13717
3
1
4
161,0
13
1
116
40,7

Jan.’34 0,50
21,6
t,-
20,40 36,4 5,05
55,0 21.71-
34,4 7.71-

20,2
148.31
56,8
3916
54,1
361
53,7
9.121
26,5
12916

151,5
12
3
14
39,7
Feb.
.
0,47
20,3
1,-
21,55
38,5 3,68
40,1
20.916
33,0
7.41-
19,8
140.131-
53,7
3916 54,1 3615
54,4
9. 16
24,9
13711

160,3
12
1
1
38,9
Mrt.
.
0,44
19,0
1,-
19,90
35,5
2,71
29,5
20.31-
32,5
7
.31
6

19,7
144.1516
55,3
4016
55,5
3513
52,6
9.21- 25,2
13618

159,8
125(
39,3
Apr.
.

0,42
18,2
1,-
17,20
30,7
2,72
29,6
20.1416
33,4
7.416 19,8 150.1016
57,5
4116
56,8
3412
51,0
9.716
25,9
135115

158,0
12
1
f1
38,7
Mei ,,

0
1
41
17,7
1,-
16,05
28,7
2,54
27,7
20.41-
32,5
6.1616
18,7
144.1916
55,4
4016
55,5
3219
48,9
9.21
25,2
13613

159,4
12
1
11
37,5
Juni

‘0,41
17,7
1,-
19,40
34,6
2,74
5

29,9
19.1816
32,1
6.141-
18,4
140.11-
53,5
4016
55,5
3119
47,4
8.161-
24,3
137(8+

161,1
12
1
14
38,1
Juli

0,40
17,3
1,

21,50 38,4
2,81
30,6
18.11/-
29,9
6.14(6
18,5
142.91-
54,0
4016
55,5
3214
48,2
8.61-
22,9
137111

161,4
12
3
14
39,7
Aug.
.
0,43
18,6
1,-
20,90
37,3
3,320
36,2
17.61-
27,9
6141-
18,4
139.716
53,2
401-
54,8
3216
48,5
8.716
23,2
13816

162,0
13
40,5
Sept.. ‘043
18,6
1,-
18,12
5

32,4
3,31
36,1
16.101-
26,6
6.516
17,2
137.171-
52,6
3916 54,1 3216
48,5
7.171-
21,7.
1411-

1€4,9
13
1
19
4,9
Oct. ,,

0,43
18,6
1,-
17,37
0

31,0 3,95 43,0
16.31
26,0
6.61 17,3
137.1916
52,7
3916 54,1 3216
48,5
7.71

20,3
141110

165,9
14
43,6
Nov.

0,47 20,3
1,-
17,-
30,4
4,52
5

49,3
16.1116
26,7
6.81-
17,6
13981-
53,2
401-
54,8
3216
48,5
7.716
20,4
139/6

163,2
14
7
18
46,3
Dec.

0,54 23.4 0,95
15,120
27,0
4,07 44,3
16.161-
27,1
6.61-
17,3
137.816
52,5
3916
54,1
3411
50,9
7.4/6
20,0
14016*

164,4
14
11
116
45,7

Jan.’35 0,58
25,1
0,90
14,95
26,7
3,12
5

34,0
16.191-
27,3
6.51-
17,2
138.111-
52,9
39!6
54,1
3416
51,5
7.616 20,4 141/101

165,9
14814

45,9
Feb.

0,52 22,5
0,95
14,37
5

25,7
3,20
34,9
16.41-
26,1 6.41
17,0
136.81
52,1 3916
54,1
3416
51,5
7.316
19,8
14218

166,9
14
10
f
1
6
46,1
Mrt. ,,

0,37
16,0
1,020
13,30
23,8
2,74
29,8
16.81-
26,4
6.716
17,5
124.516
47,5
381-
52,1
3319
50,4
7.)-
19,4
14715

172,4
15
3
14
49,0
Apr.
.

0,37
16,0 1,08
11,50
20,5
2,31
6

25,2
18.81-
29,6
7.516
20,0
131.-16
50,0
3816
2,7
3316
50,0
7.11(-
20,9
14415

168,9
18116
56,6
Mei

0,34
14,7
1,10
11,85
21,2
2,38
6

26,0
20.-1-
32,2
8.616
22,9
135.516
51,7
39f-

53,4
3316
50,0
8.1516
24,3
142134

166,4
20 62,3
Juni

,,

0,41 17,7 1,07
11,95
21,3 2,415
26,3
18.16

30,3
8.1116
23,5 136.5/6
52,03916
54,1
3316
50,0
8.111-
23,6
14116

165,5
19
0
/
61,1
Juli

0,44
19,0
1,
12,375
22,1
2,54
27,7
18.101- 29,8
8.131
23,7
140.1116
53,71
39,6
54,1
3316
50,0
8.101
23,5
140110

164,7
18(16
57,0
Aug. ,,

0,46
19,9
1,-
15,10
27,0
3,31
5

36,1
19.151-
31,8
9.11!-
26,2
5.1216

51,8
40f-
54,8
33j6
50,0
8.1816 24,7
14014

164,1
17
7
1s
55,6
Sep..

0,58
25,1
0,97
20,25 36,2 3,16
34,4
20.1016
33,1
9.1416
26,7
5.416

05.161-

51,6
3916
54,1
33/6
50,0
9.8!-
26,0
1411-

164,9
I7ii
54,7
r
Oct.,,

0,58
8

25,1
0,95
22,-‘°
39,3
2,60 28,3
21.141- 35,0
11.17(-
32,5
6.101-
52,1
3916 54,1
33/6
50,0
10.101-
29,0 142!-

166,1
17fljj0
55,1
,,

0,65
9

28,1
0,90 20,50
01

36,6
4,40 47,9
21.516
34.3
11.716
31,2
55,7
3916
1

54,’
3316
50,0
lO.-/6
27,7
I4lJ9

16,8
17518
1

54,9

Sept. 1932 79
K.G.
La Plata;
van
26 Sept.
1932
tot 5
Febr. 1934
Manitoba
No.
2
3)

Tot Jan.
1928
Western
;
vanaf
Jan.
1928
tot 16
Dec. 1929
American
No.
2, van
1.
1928 Malting;
van
Jan. 1928
tot
9 Febr.
1931
American
No.
2, van
9 Febr.
1931
tot 23
Mei 1932
6415
K.G.
Zuid-Russische.
Van
23
Mei-19
Sept.
1932
No. 3
Oct.
9)
10
Oct.
1
0
)
4 Oct.
1)

11Oct.
.

N
GROOTHANDELSPRIJZEN.

BOUWMATERIALEN
.

KOLONIALE PRODUCTEN

VURENHOUT
STEENEN
CACAO
.
COPRA
.
KOFFIE
RUBBER
SUIKER
THEE
INDEXCIJFER

basis 7″
t 0
b
Zwedenl
binnenniuur

buitenmuur G.F.Accra
Ned._Ind.
Robusta Len.
Standaard
Ribbed Smoked
e
,
Kolo-

erstatdaard
per

per
50 kg c.i.f.
per
100
kg
Amsterdam
Rotterdam:
Sheets
R’damlA’dam
100
kg.
per
Java- en Suma- trathee

1
12
kg.
p.
Grond-

nlale
stoffen
.’an 4.672 M.
per
1000
stuks per
1000
stuks
Nederland
1
1
2
kg.
per

.
per

.
den

-ij;-
°Io
0
10
sh.
/o
cts.
01
5h.
0
10
f1.
010

.
cts.
%
1925
159,75 100 15,50

100,-
19,-
100,-
4216
100,-
35,87
5

100,0
61,375
100,0
2111,625
100,0
18,75
100,0
84,5
100,0
100.0 100.0
1926
153,50
96,1
15,75

101,6
19,50
102,6 491-
115,3
34,-
94,8
55,375
90,2
21-
67,4
17,50
93,3
94,25
111,5
90.0
102.6
1927
160,50 100,5 14,50
93,5
18,50
97,4
681-
160,0
32,62
5

90,9
46,875
76,4
116,375
51,6
19,12
5

102,0
82,75 97,9
87.5
109.1
1928
151,50
94,8
12,-
77,4
18,50
97,4
5713

134,9
31,87
0

88,9
49,625
80,9
-110,75 30,2
15,85
84,5
75,25
89,1
84.6 97.4
1929
146,00
91,4
14,-
90,3 21,25
111,8 45110
107,9
27,37
0

76,3
50,75
82,7
1-/10,25
28,8
13,-
69,3
69,25 82,0
81.9
85.5
1930
141,50
88,6
12,50
80,6
20,75
109,2
34111
82,2
22,62
5

63,1
32
52,1
-15,875
16,5
9,60
51,2
60,75 71,8
66.0 64.3
1931
110,75
69,3
10,25
66,1
20,25
106,6
22/5
52,8
15,375
42,9
25
40,7
-j3
8,4
8,-
42,7 42,50 50,3
46.8 46.6
1932
69,00
43,2 9,25
59,7
15,-
78,9
1916
45,9
13,-
36,2
24
39,1
-11,75
4,9 6,320
33,7
28,25
33,4
36.1
38.0
1933
73,50
46,0
10,-
64,5
12,75
67,1
1514
36,0
9,30
25,9
21,10 34,2
-12,25
6,3 5,52e
29,5
32,75
38,7
35.2
34.7
1934
76,50
47,9
8,50
54,8
10,50
55,3
1316
31,8
6,90
19,2
16,80
27,4
-13,875
10,9
4,07
0

21,7 40
47,3
34.4
32.1

an.

’33
70,00 43,8
9,25
59,7
13,50
71,1
1616
38,8
11,50
32,1
24
39,1
-11,625 4,6
5,37
4

28,7
25
29,6
33.2
34.1
ebr.
,
70,00
43,8 9,25
59,7
13,-
68,4
1519
37,1
10,625
29,6
23,75
38,7
-11,5
4,2 5,60
29,9
26,75
31,7
32.1
34.4
trt.

,,
70,00
43,8
9,50
61,3
12,25
64,5
1613
38,2
10,37
5

28,9
23,50
38,3
-11,5
4,2
6,-
32,0
26,25
31,1
32.4
34.9
pr.
70,00
43,8
9,75 62,6
12,75
67,1
1515
36,3
9,50
26,5 23,50
38,3
-/1,625
4,6
6,07
5

32,4 27,50 32,5
32.8
34.9
tel

,,
70,00 43,8
9,50
61,3
12,50
65,8
1616
38,8
9,50
26,5 23 37,5
-J2
5,6 6,026
32,1
26,50 31,4
34:2 35.0
nul

,,
72,50 45,4
10,-
64,5
13,-
68,4
1811
42,6
10,-
27,9
22,50 36,6
.

-12,375
6,7
6,35
33,9
31
36,7
37.2 37.5
uh
75,00
46,9
10,25
66,1
13,-
68,4
1718
41,6
9,475 26,4
22,50 36,6
.
-12,625
7,4
5,920
31,6 33,50
39,6
38.2 37.4
ug.
75,00
46,9
10,50
67,7
13,-
68,4
.1615
38,6 8,75 24,4
20,75
33,8
s
-/2,625
7,4
5,27
5

28,1
35,25
41,7
36.5 35.6
ept.
80,00
50,1
10,50
67,7
12,50
65,8
14/5
33,9
8,25 23,0
19,75
32,2 -12,5 7,0
5,375

28,7
36,75 43,5
36.7
34.6
)ct.

,,
80,00
50,1
10,50
67,7
12,50
65,8
1217
29,6 7,62
5

21,3
17,75
28,8

-12,625
7,4,
4,90
26,1
42,25
50,0
36.5
33.4 10v.
75,00
46,9
10,-
64,5
12,50
65,8
1216
29,4
8,-
22,3
16,25
26,5
..
-/2,75
7,7
4,65
24,8 40,50 47,9 36.4
32.7
)ec.

,,
75,00 46,9
10,75
69,4
12,50
65,8
1115
26,9
7,975

22,2
16 26,1
-12,875
8,1
4,75
25,3
41
48,5
37.1
31.3

3an.’34
75,00 46,9
10,75
69,4
12,75 67,1
12110
30,2
7,45 20,8
16,50
26,9
-12,875
8,1
4,95
26,4 45,50
53,8
36.9 33.8
Feb.
80,00
50,1
10,50
67.7
12,50
65,8 14/5
33,9 7,25
20,2
17,25
28,1
-13
8,4
4,975

26,5 46,75 55,3
35.9
35.9
Mrt.,
80,00
50,1
9,75 62,6
12,-
63,2
1411
33,1
7,-
19,5
17,75
28,9
13,25
9,1
4,525
24,1
45,50
53,8
35.7 35.2
Apr.,
80,00
50.1
9,75
62,6
12,-
63,2
1414
33,7
6,55
18,3
17,75
28,9
-13,625
10,2
4,25
22,7
44,25
52,4
35.8
34.5
Mei
,,
80,00
50,1
9,25
59,7 11,25
59,2
1512
35,7
6,72
5

18,7
17
27,7
-14
11,2
4,15
22,1
42,75
50,6
35.1
34.3
77,50
48,5
8,-
51,6
10,-
52,6
15
1
4
36,1
7,-
19,5
17
27,7

1
4
11,2
4,20
22,4
41,-
48,5 34.5
33.8

j

uni.
uli
,,
77,50
48,5 7,50 48,4
10,-
52,6
13111
32,7 6,92
5

19,3
16,75
27,3
-14,375
12,3
3,975

21,2
40,50
47,9
34,1
32.2
ug..
75,50 47,3
7,25
46
,8
9,50 50,0
12/10 30,2 6,87
5

19,2
16,50
26,9

1
4,5
12,6
3,975

21,2
39,75
47,0
33,9 31.4
Sept..
73,50
46,0
7,-
45,2
8,75
46,1
1215
29,2
6,65
18,5
16,50
26,9
-/4,5
12,6
3,726
19,9
33,50
39,6
33.1

29.5
Oct.,,
7300
45,7
7,-
45,2
8,75
46,1
1117
27,3 6,70
18,7
16,50
26,9 -14,125
11,6
3,525
18,8
32,75
38,8
32.7
27.8
Nov.,
73,00
45,7
7,-
45,2
8,75
46,1
1213
28,8
6,62
5

18,5
16
26,1
-13,875
10,9
3,15
16,8
33
39,1
52.1
27.8
Dec.,
73,00
45,7
7,-
45,2
8,75
46,1
1218
29,8
7,175
20,0
16 26,1
-/3,675
10,9
3,37
5

18,0
34,50
40,8
32.7
28.8

Jan.’35
66,00
41,3
7,25.
46,8
8,50
44,7
1411
33,1
8,776 24,5
16
26,1
-13,875
10,9
3,50
18,7
33,75
39,9
32.9 29.5
Feb.
,.
66,00
41,3 6,75
43,5
8,25
43,4
1412
33,3 9,376

26,1
15,625
25,5
-13,75
10,5
3,45
18,4
32
37,9 32.4 28.9
Mrt.
,,
59,00
36,9
7,-
45,2
8,25
43,4
1313.
31,2
8,57
5

23,9
14,625
23,8 -13,25
9,1
3,55
18,9
29
34,3
30.9
27.4
Apr.
60,00
37,6
7,-
45,2 8.25
43,4
13/6
31,8
9,15
25,6
14,50
23,6
-13,375
9,5
4,15
22,1
31,25 37,0
32.1
28.5
Mei

,,
57,50
36,0
7,-
45,2 8,25 43,4
.1314
31,4 9,50
26,5
14,125
23,0
-/3,5
9,8 4,20 22,4
32,75
38,8
33.3
28.6
Juni

57,50 36,0
7,25 46,8
9,-
47,4
13/3 31,2
9,07
5

25,3
13,875
22,6
-13,625
10,2
3,87
5

20,7
30,25
35,8
33.2
27.8
Juli

,
57,50
36,0 7,25 46,8
8,75
46,1
13/2 31,0

22,3
13,50
22,0
-13,5
9,8
3,575
19,1
30,75
36,4
33.4
27.1
Aug..
58,25
36,5
7,-
45,2
9,25
48,7
13
1
1
30,8
8,07
5

22,5
13,50
22,0
-/3,5
9,8 3,525
18,8
32,50
38,5
33.7
27.4
Sep.,,
57,75 36,8
7,-
45,2

47,4
13/5
31,6
8,47
5

23,6
13,50
22,0
-/3,375
9,5
3,725
19,9
36
42,6
34.2
28.8
7 Oct..
56,50
35,4
.
13/6
8

31,8
9,625 26,8
13,50
22,0
–/3,5
9,8 4,25
22,7
35.7
30.5
4

,,

,,
56,50 35,4
.
13/8
9

32,2

27,9
13,50
22,0
.
-/3,6875
10,4
4,25
22,7
35.8
30.6
B Alle Pondennotearingen vanaf 21 Sept.
1
31 zijn op goudbasis omgerekend; de Dollarnoteeringen vanaf 20April ’33 zijn.in
verhouding van de depreciatie
n den Dollar t.o.v. den Gulden verlaagd.

910

ECONOMISCH-STATISTISCHE BERICHTEN

16
October
1935

NEDERLANDSCHE BANK.
Verkorte Balans op 14 October
1935.

Activa.
Binnen!. Wis- (Hfdbk.
f

47.320.547,29
sels, Prom.,

Bijbnk.

2.214.540,38
enz.in disc.Ag.sch.

4.453.333,09

f
53.988.420,76
Papier o. h. Buiten!, in disconto

……,,

Idem eigen portef.

f

1.074.500,-
r
Af: Verkocht maar voor
de bk.nog niet afgel.


•1.074.500,
Beleeningen

f
Hfdbk. f
107.596.312,32
1
)
mcl.
vrsch.
j
Bijbuk.

7.316.597,43
in rek.-crt.
op

onderp.
(Ag.8cl

,,

43.647.047,31

/’ 158.559.957,06

Op Effecten
……f
152.254.497,44
1
)
OpGoederenenSpec. ,,

6.305.459,62
158.559.957,06)
Voorschotten a. h. Rijk …………….,,
15.000.000,_
Munt, Goud
……f
132.097.020,-
Muntmat., Goud ..

429.717.031,56

f

561.814.051,56
Munt, Zilver, enz.

,,

20.332.913,72
Muntmat., Zilver..


11
Belegging van kapitaal, reserves en pen.
582.146.965,28
2
)

sioenfonds

……………………,,
39.591.084,58
Gebouwen en Meub. der Bank ……..,,
4.600.000,-
Diverse rekeningen ………………,,
9.007.791,85
Staatd. Nederi. (Wetv. 27/5,’32, S. No. 221) ,,
15.486.148,55

f
879.454.868,08
Passiva.
Kapitaal ………………….
……
f

20.000.000,-
Reservefonds ……………………,,

4.049.884,01
Bijzondere reserve ………………,,

5.675.000,-
Pensioenfonds ………………….,,

9.895.398,89
Bankbiljetten in omloop… ……….. ,,

795.949.970,_.
Bankassignatiën in omloop ……….,,

177.720,77
Rek.-Cour.
J
Het Rijk
f


saldo’s:

Anderen,, 40.236.756,61

4023675661
Diverse rekeningen ………………,,

3.470.137,80

f
879.454.868,08

Beschikbaar metaalsaldo ‘ …………
f
248.700.752,94
Minder bedrag aan bankbiljetten in om-
ioop dan waartoe de Bank gerechtigd is ,, 621.751.880,-
Schatkistpapier, rechtstreeks bij de Bank
ondergebracht ………………..,,

10.000.000,-
1)
Waarvan aan Nederlandsch-lndie
(Wet van 15 Maart 1933, Staatsblad No. 99) ……../ 71.153.775,-
2)
Waarvan in het buitenland ……………………. ..57.409.755,36
Voornaam8te posten in duizenden guldens.

Goud

Andere Beschikb. Dek-
Data

Clrculatie opeischb. Metaal- kings
Munt
1
Muntmat.

schulden saldo

perc.

14 Oct.’35 132097 429.717 795,950 40.414 248.701 ±70
7 ,, ’35 132097 423.640 805.778 34.090 241.226 69

25 juJi ’14 65.703 96.410 310.437 6.198 43.521 54

Data Totaal
bedrag
disconto’slrechtstreeksl

1
Schatkist-
promessen
Belee-
Papier
op het
buiten!.

1

Diversi
reke-
1
ningen
1

14 Oct.19351

53.988

10.000
158.5’dO
1.074
9.Ö08
7

,,

19351

56.392 1

10.000
170.571
1.074
4.098
25 Juli

1914
1

67.947


61.686 20.188
509
i) Onder de activa.
JAVASCHE
BANK.

BANK VAN ENGELAND.

1
Bankbilj. Bankbilj.
L
Other Securities
Data

Metaal
1

in

in
circulatje
1
Departm. 1 Advances
1

9 Oct. 1935
1
194.4641402.116 1 51.557

17.619 1 11.848
2

,,

1935 1194.434 1 402.033 1 51.609

17.252 1 11.597
22 Juli 1914 1 40.164

29.317

33.633

Other Deposits 1

1 Dek-
Data

Gov.
1
Public
1

Other
1
Reserve1 kings-
Sec.
1
Depos. Bankers Accountsl

1
perc.
1)

9 Oct. ’35 85.49 5 1 35.991 75.078 1 38.596 1 52.348 34,9
2 ,, ’35 82.520 1 25.453 80.875 J 39.135 52.401i 36,0

22 Juli ’14 11.005 J 14.736

42.185

29
.
2
97 52
1) Verhouding tusachen Reserve en Deposits.
BANK VAN FRANKRIJK.

Data
Goud
Zilver
Tegoed
in

[;
,el’

isWaarv.I
ophet
1
.

1
Belee- IRenteloos
voorschof
buiten!.
1
buitenl.l
ningen lv.d.
Staaf

4 Oct. ‘35172.093
684
23
8.8861
1.
225
1
4.825
3.200
27Sept.’35171.952
7061
8
9.2851
1.225)
4.499 3.200
23 Juli_’14J
4.104
640J

1.5411 8

769

Bons v d
5i
.
I

Rekg. Courant
Data
Diveç;
sen
Circulatie
ZeI/st.
Parti-
amort. k.
1
Staat
lamort.k4
culieren

4Oct. ‘351
5.800
2.569
1

83.337
86
1

2.872
110.103
27Sept.’35
5.800
1

2.412
82.399
79
1
2.972
10.848
23 Juli ‘141

1

1
5.912
401
J


1

943

DUITSCHE_RLJKSBANK.____

Daarvan
Deviezen
Andere
Data
.
Goud
bij bui-

1
als goud-
wissels Belee-
tenl. circ.
1
dekking
en fin g e n
banken
1)
1
geldende
cheques

7 Oct.

1935
94,3
1
29,4
4,5
3.964,5
49,8
30 Sept. 1935
94,8
29,4
5,5
4.143,6
73,1

30 Juli

1914
1.356,9
1
– –
750,9 50,2

Data
Effec-
Diverse
Circu-
Rekg.-
Diverse
ten
Activa2)
latie
Crt.
Pass iva

7 Oct.1935
347,2
660,3
1

4.004,7 690,2 268,7
30
Sept. 1935
345,9 644,6
4.143,4
773,9
258,2

30
Juli

1914
330,8
200,4
1.890,9
944,-
40,0
-, W.U. flCULCIIVUIIKSI.iieIjIC t Jt1., 3V
3eP1.,
ieSP.
C3.
ii mlii.
NATIONALE BANK
VAN BELGIE
(in
Belga’s).

Goud
Rekg. Crt.

Data
,c

1935

wi
en
q

U
.

L

QQ

10

Oct.

13.4711
_–

54
11.3721
117

162
40
1
4.217
18
972
3.434
56
1
122 162
40
4.196
17
942

FEDERAL RESERVE BANKS.

Goudvoorraad
Wissels

Data
Other
1

Goud
in her-

1
in de
Totaal
1

certifi-
‘ash”
2)
disc.
v.
d.
1
open
bedrag
caten’)
member
1
markt
banks

1
gekocht

25Sept.’35
6.571,2
1

6.551.1 223,6
9,5

1
4,7
18

,,

‘i
6.571,6
6.551,1
218,0
9,6 4,7

Belegd
F.
R.
Notes


Totaal
1
Gestort
1
Goud-
1

Dek-
1
Aluem.
1
Data
in
U.S.
1
Gov.Sec
.

j
in circu-
IKapitaall
kings-
kings-
latie
1
1
perc.2)

1

perc.
4
)
____________
25Sept.’351
2.430,2
1
3.430,2
15.609,5
1

130,9
1

75,2
1


18

,,

‘1
2.430,3
1
3.426,8 15.605,0
1

131,6

1
75,2
1


1) Deze certificaten werden door de Schatkist aan de Reserve Banken
gegeven voor de overname van het goud, toen de $ op 31Jan.’34 van
1000 59.06 cents werd gedevalueerd.
1) ,,Other Cash” does not include Federal Reserve Notes or a Bank’s
own Federal Reserve
bank
notes.
3) Verhouding totalen goudvoorraad tegenover opelschbare
echulden: F. R. Notes en netto depoalto.
4)
Verhouding totalen
voorraad muntmatariaal en wettig betaalmiddel tegenover Idem.
PARTICULIERE BANKEN AANGESLOTEN BIJ HET
FED. RES. STELSEL.

Data
1
Aantal
Dis-
1

conto’s
i

Beleg-
bij de
ITotaal
1

depotime
1
Waarvan
leenin.
en
beleen.
gingen
1
F.
R.
banks
1

sito’s
1
deposits
18Sept.’36]

1

7.465

111.619
13.947
1
21.307 4.408
11

,,


1

7.460 111.
2
15
14.163
1
20.987

1
4.386
De posten van
De Ned. Bank,
de Javasche Bank
en de Bank of Eng.
land zijn in duizenden, alle
overige posten In mililoenen
van de be.
treffende valuta.

Andere
Beschikb.
Data
Goud
Zilver
Circulatie
opeischb.
metaal-
schulden saldo

12Oct. ‘352)
102.980 166.840
18.060
29.020
5

1
35
3

103.700 165.990
18.860
29.760

14Sep. 1935
85.017
22
.938 167.866
22.209 31.924
7

,,

1935
85.017
23.840
169.257
21.342
32.617
25Juli1914
22.057

1
31.907

1

110.172
1

12.634 4.842

Data
Wissels.
buiten
Dis-

Belee-
Diverse
Dek-
kings-

______________
N.-Ind.
betaalb.
conto’s
ningen
reke-
ningen
Percen-
lage

12Oct. ‘352)
1.890
81810
10.070
56
5

,,

1352)
2.500
80.110

.
10.290
56

14Sep. 1935
2.180
‘11.031
60.856
10.509
57
7

,,

1935
2.041 11.085
60.324 10.734
57
25 Juli1914
6.395 7.259

1
75.541
2.228
44
t)
Sluitpost activa.

2)
Cijfers
telegrafisch ontvangen.

Auteur