Ga direct naar de content

Gelijke beloning voor gelijk werk

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 2 2016

‘Gelijke beloning voor gelijk werk’ geldt als principe dat veel bijval verdient, zowel bij de gestaalde vakbondskaders als bij politici. Dit principe komt momenteel niet goed uit de verf. Kijk maar naar de oneerlijke concurrentie van Oost-Europese werknemers die ver onder de Nederlandse cao-schalen werken. Of bijna net zo erg: buitenlandse gedetacheerde krachten die ten onrechte als beginner worden ingeschaald binnen een cao, of meer uren werken dan is vastgelegd. Zaken die erg lastig te controleren zijn.

Dat deze situatie een doorn in het oog is van het kabinet, blijkt uit meerdere pogingen van Minister Asscher om binnen de EU ‘gelijke beloning voor gelijk werk’ af te dwingen.  Zo langzamerhand krijgt hij hiervoor steeds meer steun van de andere West-Europese landen binnen de EU;  dit ligt natuurlijk anders bij de herkomstlanden in Oost-Europa.

Zo op het eerste gezicht zullen weinigen zich uitspreken tegen de norm van gelijke beloning voor gelijk werk. Maar hoe logisch is gelijke beloning eigenlijk, wat zijn de consequenties ervan?

Stel nu eens dat een leger aan inspecteurs er in slaagt om een basispakket van arbeidsvoorwaarden uit het ontvangstland van toepassing te laten zijn op gedetacheerde werknemers – iets wat tot dusver dus nog niet gelukt is. Denk daarbij aan het afdwingen van minimumlonen, maximale werktijden en een minimum aantal vakantiedagen.

Het gevolg van zo’n situatie laat zich raden: er is alleen nog maar concurrentie op kwaliteit van geleverde arbeid mogelijk. Dat klinkt voor sommigen misschien als muziek in de oren, maar het is dan moeilijk voor te stellen dat er nog veel internationaal verkeer van diensten vanuit Oost-Europa zal plaatsvinden. Door taal- en andere barrières zullen buitenlandse krachten al snel op een achterstand staan die dus niet meer in te lopen is door effectief lagere lonen. Geen beloning voor geen werk dus. Zo komen de comparatieve voordelen van vrije handel – waarin verschillen in relatieve loonkosten van landen benut worden – ook nauwelijks tot wasdom in het dienstenverkeer. Dit in schril contrast met handel in goederen die in het buitenland tot stand komt en (indirect) gepaard gaat met verlies van werkgelegenheid aan de onderkant van de Nederlandse arbeidsmarkt. Het verschil is alleen dat die buitenlandse krachten die de werkzaamheden overnemen niet zichtbaar zijn.

Nu zullen sommigen stellen dat het werklandbeginsel er juist ook is ter bescherming van gedetacheerde buitenlandse krachten. Immers, bij gelijke beloning blijven zij gevrijwaard van uitbuiting door werkgevers. Maar het is de vraag of buitenlandse krachten dit zelf ook zo ervaren: lonen de effectief onder het Nederlandse cao minimum liggen, zijn nog steeds relatief hoog bij besteding in het herkomstland; de gedetacheerde krachten keren vaak terug naar een land waar de kosten van levensonderhoud veel lager liggen.

In dit licht is het merkwaardig dat met lagere kosten van levensonderhoud wél rekening wordt gehouden in ons stelsel van sociale zekerheid. Hierbij is namelijk sprake van het woonlandbeginsel:  uitkeringen zijn gebaseerd op de kosten van levensonderhoud in het land waar men woonachtig is. Dit levert dus een dubbelzinnige situatie op: buitenlandse krachten mogen in Nederland alleen lonen verdienen die in hun herkomstland erg hoog zullen zijn (het werklandbeginsel), terwijl hun uitkeringsrechten daar juist flink gekort worden (het woonlandbeginsel). Om het verhaal nog maar wat aan te zetten: bij toepassing van het woonlandbeginsel is het de Nederlandse overheid die zich bezondigt aan uitbuiting (niet de werkgever), aangezien de uitkeringshoogte lager is dan de opgebouwde rechten in Nederland.

Al met al een ingewikkelde situatie dus, zeker omdat veel politici tegelijk heel bevlogen en heel oprecht zowel voor het woonland- en werklandbeginsel pleiten. Eén principe is al lastig genoeg.

Auteur

  • Pierre Koning

    Hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) en universitair hoofddocent aan de Universiteit Leiden (UL)

Categorieën

1 reactie

  1. A. Eleveld
    6 jaren geleden

    Het maakt nogal uit uit welk 'Oost Europees' land de werknemer afkomstig: wel of niet behorend tot de EU. Mij wordt verder niet duidelijk of Koning ( met name) in het laatste deel van zijn artikel steeds refereert aan de gedetacheerde EU werknemer. Voor grensoverschrijdende EU werknemers geldt immers wat betreft aanspraken sociale zekerheid in principe het werklandbeginsel en niet het woonlandbeginsel.