Ga direct naar de content

Flexibel werken als nivelleringsfeestje

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 1 2016

De meeste lezers van de economie.nl blog zullen er weinig van hebben meegekregen, maar feit is dat de manier van werken binnen het Rijk de laatste jaren een drastische transformatie heeft ondergaan. Daar waar eerst nog ambtenaren op vaste werkplekken en sommigen tevens in gescheiden kamers werkten, gebeurt dat nu op flexibele werkplekken in doorgaans grote kantooreilanden. Persoonlijke spullen behoren in een kluisje opgeborgen te worden en dito kastruimte is gereduceerd tot één boekenplank.

De overstap op flexibel werken is vooral ingegeven door financiële motieven van het Rijk, namelijk een flinke besparing op huisvestingskosten. Zo waren er volgens (bijlage 3 uit de) Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2014 nog 2,7 miljoen vierkante meters huisvesting voor het Rijk in 2013, terwijl dit geslonken was tot 2,1 miljoen vierkante meters in 2014 (!). Volgens diezelfde rapportage bedroegen de gemiddelde loonkosten ongeveer 60 duizend euro per jaar in 2015, tegenover gemiddelde jaarlijkse huisvestingskosten van circa 20% van 31 duizend euro aan kosten voor overhead (zie de Handleiding overheidstarieven 2015). Dit komt dus neer op een daling van de gemiddelde totale loonkosten van 2% door een besparing op huisvestingskosten.

Die forse verkleining van kantoorruimte per ambtenaar maakt dat flexibel werken een logistieke uitdaging kan zijn: waar is een vergaderplaats als je niet meer – zoals voorheen – op je eigen kamer kunt overleggen? Waar zijn je collega’s gebleven? Waar kun je bellen zonder dat je iemand stoort? En last but not least: waar ga ik zitten als er geen plaats is op mijn directie?

Op zich zijn dit bekende vragen die al snel opkomen bij flexibel werken. Maar wat mij vooral zo intrigeert is iets anders: het nivellerende effect dat uitgaat van flexibel werken bij het Rijk. Voorheen beschikten senior-medewerkers, afdelingshoofden en directeuren nog over een eigen kamer, met een aantal kasten, een vergadertafel en wat persoonlijke attributen zoals fotolijstjes of kunstwerken aan de muur. Maar indachtig het flexibel werken is iedereen tot aan het niveau van directeuren gelijk aan elkaar – althans, qua werkomstandigheden. In dit opzicht is een directeur dus een soort primus inter pares geworden.
 
Terug redenerend komt bij mij nu al snel de vraag opzetten waarom hoger personeel voorheen nog wel het voorrecht had op een eigen werkruimte. Een mogelijk, misschien niet eens zo gek, antwoord is dat het hun productiviteit ten goede kwam. Maar stel dat niet zo is en flexibel werken dus alle zorgen blijkt weg te nemen. In dat geval zie ik geen andere verklaring dan dat een eigen kamer een voorrecht in de meest letterlijke zin is geweest, namelijk als secundaire arbeidsvoorwaarde. Dat voorrecht is dan dus in één klap verdampt. 

Nivellering laat zich ook nog op een andere manier gelden: ambtenaren met leidinggevende taken vergaderen veel en zullen dus moeilijk goede werkplekken kunnen claimen of vasthouden. In de schaarse uren achter de computer zullen zij genoegen moeten nemen met de minst aantrekkelijke plekken (of met een laptop uit moeten wijken naar het bedrijfsrestaurant) – alle goede plekken zullen immers al bezet zijn.

Het heeft mij verbaasd dat de transformatie naar flexibel werken zo geruisloos en zonder al te veel weerstand is volbracht. Ik ken ook nauwelijks ambtenaren die (openlijk) klagen over het verlies dat zij hebben moeten nemen door hun vaste werkplek in te leveren (of ze durven zich hierover niet te uiten). Hoe dan ook, het Rijk gaat zo in tegen de vermeende trend van toenemende inkomensongelijkheid die de laatste jaren zoveel aandacht krijgt. Als nivellering dan toch ergens moet beginnen, dan kennelijk bij de overheid zelf.

PS: Voor alle helderheid: ik heb in mijn vorige functie (toen dus nog bij het Rijk) de overstap naar flexibel werken zelf mogen ervaren. Dat maakt mijn betoog misschien sterker, maar misschien ook gekleurder. Ik heb mijn blog in ieder geval zou neutraal mogelijk proberen te houden.

Auteur

  • Pierre Koning

    Hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) en universitair hoofddocent aan de Universiteit Leiden (UL)

Categorieën