Ga direct naar de content

Fietsen op kosten van de bank

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 2 2013

Afgelopen maand was ik op zoek naar een nieuwe fiets. Op advies van een aantal wielerkenners ging ik op bezoek bij een van de meest gerenommeerde zaken in de regio. Toen ik er op koopavond aankwam, was tot mijn verbazing het licht uit. Op de deur voor de ingang hing een groot plakkaat waarop in juridische termen het faillissement stond aangekondigd. Naast dit schrijven hing een brief in koeienletters van de voormalig eigenaren waarin de lokale bank de schuld kreeg van het faillissement: De bank had ten onrechte de stekker er uit getrokken. Een droevige zaak.

Een van de prangende vragen in de Grote Recessie is of banken te weinig krediet verschaffen aan het bedrijfsleven en zo debet zijn aan het aantal faillissementen in Nederland en als ultiem gevolg de oplopende werkloosheid. De analyse van deze vraag is economisch complex. Het is op voorhand niet duidelijk of banken minder bereid zijn te lenen aan bedrijven omdat ze daartoe minder in staat zijn of dat ze terughoudender zijn omdat het risico op in gebreke blijven sterk is toegenomen door bijvoorbeeld vraaguitval van consumenten. Ook maatschappelijk is het antwoord op deze vraag complex. Veel Nederlandse banken zijn met een bepaalde vorm van overheidsteun overeind gehouden en een deel van het publiek is van mening dat deze steun zich zou moeten vertalen in een genereuzere kredietverlening aan bedrijven. Het verwijt dat banken mede verantwoordelijk zouden zijn voor de oploop van de werkloosheid door te weinig geld uit te lenen is vaak gehoord.

Tijd dus voor een solide analyse van de effecten van kredietverlening aan bedrijven op de werkgelegenheid in de huidige recessie. Helaas is een dergelijke analyse nog niet uitgevoerd voor Nederland. Een recent paper van Gabriel Chodorow-Reich over de kredietverlening in de Verenigde Staten biedt echter een mooie leidraad.

De studie hangt op twee aannames, die ik zelf wel schappelijk acht gegeven de ingewikkelde situatie die is ontstaan in de afgelopen jaren, gegeven het gebrek aan goede data en de onmogelijkheid om via een gecontroleerd experiment tot analyse te komen. De eerste aanname is dat verschillende banken op verschillende manieren zijn geraakt in de nasleep van de val van Lehman Brothers in 2008. Deze blootstelling staat los van de kredietverstrekking aan bedrijven, want de oorsprong van de crisis ligt niet direct bij het lenen van banken aan bedrijven. De tweede aanname is dat bedrijven langdurige relaties hebben met hun kredietverschaffers, omdat asymmetrische informatie een grote rol speelt. De bank moet immers voldoende informatie over een bedrijf vergaren om op een verantwoorde manier een lening te kunnen verschaffen. Als deze horde eenmaal genomen is, ontstaat een relatie tussen bedrijf en bank.

De belangrijkste uitkomst van de analyse suggereert dat twee identieke bedrijven die bij twee banken geld leenden die voor de van de Lehman Brothers hetzelfde profiel hadden, maar na de val in verschillende mate in de problemen zijn gekomen, andere werkgelegenheidscijfers laten zien. Bedrijf A dat leende van een bank die in grote problemen is gekomen heeft in het eerste jaar na de val van Lehman Brothers een daling van de werkgelegenheid in het bedrijf meegemaakt die ongeveer 5 procentpunten groter is dan bedrijf B dat leende van een bank die slechts op een geringe manier is geraakt.

Een aantal conclusies uit deze studie zijn interessant voor Nederland. Ten eerste blijkt dat het negatieve werkgelegenheidseffect op kleine bedrijven aanmerkelijk groter is dan op grote bedrijven. Grote bedrijven zijn beter in staat om alternatieve manieren van externe financiering te vinden. Bovendien lijken de ingehouden winsten van de grote bedrijven in Nederland relatief hoog te zijn, waardoor ze zelf in staat zijn investeringen te financieren. De grootste daling van de werkgelegenheid is te zien bij het MKB in de Verenigde Staten. In Nederland zijn de meeste faillissementen te zien in de bouw, handel en financiële en zakelijke dienstverlening. Het gaat hier vaak om relatief kleine bedrijven.

Ten tweede is de markt die is onderzocht die van de syndicated loans. Dit zijn leningen die door een consortium van banken worden verstrekt aan bedrijven. Vaak is er een bank die de leiding neemt. Deze markt bestrijkt meer dan de helft van de leningen aan bedrijven in de Verenigde Staten en ook in Nederland is deze markt groot. Onderzoek van de NMA lijkt er op te wijzen dat deze manier van lenen ingewikkelder is geworden voor Nederlandse bedrijven. Ten eerste zijn er meer banken nodig om tot een consortium te komen. Daarnaast is het aantal banken dat op deze markt in Nederland actief is aan het dalen.

Ten slotte is dit slechts een stukje van de puzzel over de dalende kredietverlening aan bedrijven. Het is wel een stukje dat complementair is aan die van vraaguitval als gevolg van de daling van consumentenuitgaven. Hoe groot het stukje is in de verklaring van de oplopende werkloosheid in Nederland en van de algemene economische en maatschappelijke effecten van de crisis is nog niet uitgemaakt. Voor de voormalig eigenaren van de fietswinkel is het echter waarschijnlijk wel het enige stukje van de puzzel dat telt.

Auteur

Categorieën