Ga direct naar de content

Extra re-integratiegelden voor doelgroepen: niet effectief, of juist wel?

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: mei 6 2016

Geregeld maakt het Rijk financiële middelen vrij voor gemeenten, met de opdracht deze aan speciale doelgroepen te besteden. Ik noem er een paar: 8 miljoen euro extra voor gemeenten ten behoeve van schuldhulpverlening, 14 miljoen euro ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid, 22 miljoen voor het vitaal houden van oudere werknemers en 5 miljoen euro voor sportende kinderen. De gemeenschappelijke ingrediënten van zulke nieuwsfeiten vormen dus steeds een bewindspersoon, een bedrag en een doelgroep.

Hier bovenop zijn er de Europese Simuleringfondsen (ESF) die zich ook richten op bepaalde doelgroepen. Ook hier kunnen gemeenten op intekenen. Te denken valt daarbij aan werkloze jongeren, oudere werkzoekenden, langdurig werklozen, mensen met een arbeidsbeperking of gedetineerde jongeren. In totaal is hiervoor in ieder geval 114 miljoen euro dit jaar beschikbaar.

Door de bezuinigingen op re-integratiegelden (zie daarvoor deze oudere blog van mij) zullen de extra miljoenen vanuit Europa meer dan welkom zijn. Staatssecretaris Klijnsma moedigt de gemeenten dan ook aan om veel ESF-aanvragen in te dienen. Een logische zaak, zo lijkt het: het geld is er nu eenmaal, niemand zal al die doelgroepen misgunnen.

Toch ben ik geneigd nu de rol van spelbreker op me te nemen. Want waarom zou het Rijk of Europa beter weten dan de gemeenten welke doelgroepen aandacht behoeven en dat anders niet zouden krijgen? Dit staat in ieder geval haaks op de Wet Werk en Bijstand (WWB) uit 2004 en zeker ook op de Participatiewet die vorig jaar is gestart. De gedachte van die wetten is immers dat als gemeenten duidelijke prikkels hebben tot beheersing van het aantal bijstandscliënten, zijzelf bij uitstek geneigd zijn de juiste keuzes te maken bij de inzet van re-integratiemiddelen. Daarbij passen participatiebudgetten die vrij te besteden zijn. En dus niet geoormerkte potjes voor doelgroepen.

Verder door redenerend borrelt al snel een andere vraag bij me op: hoe effectief zullen die geoormerkte bedragen voor doelgroepen eigenlijk zijn? Het is een hele klus om er op toe te zien dat de bedragen bij de beoogde doelgroepen terecht komen. Maar nog veel complexer – zo niet onmogelijk – is het om vast te stellen of die bestedingen ook dankzij de impuls van het Rijk tot stand komen. Het kan zomaar zijn dat de financiering van activiteiten voor de beoogde doelgroep eerst liep uit vrij te besteden middelen en vervolgens dus uit geoormerkte middelen. Met als gevolg dat de bestedingen voor de doelgroep effectief gelijk zijn gebleven en de gemeente meer ruimte heeft gekregen voor andere bestedingen.

Voor het Rijk is het zo goed als onmogelijk een dergelijke substitutie van middelen aan te tonen – als het dat al zou willen. Stel bijvoorbeeld dat gemeenten al (informeel) van plan waren om extra trajecten voor een doelgroep in te zetten. Dankzij de extra, geoormerkte gelden hoeft dat niets extra’s te kosten, terwijl het Rijk of de EU niet aan kan tonen dat die bestedingen er toch wel waren gekomen. Evenzo kunnen gemeenten beargumenteren dat zij – in tijden van bezuinigingen – dankzij de extra gelden alsnog de doelgroep kunnen bedienen. Zie maar eens aan te tonen dat dit niet zo is.

Toezien op effectiviteit van doelgroepenbeleid is dus een mission impossible – althans, als je verder wilt gaan dan het tellen van mensen uit de beoogde doelgroep die geholpen worden. Maar wie weet besteden gemeenten de meevallers die zij zo ontvangen op een verstandige manier. En misschien zijn die extra bedragen vanuit het Rijk helemaal niet zo strijdig met de Participatiewet, omdat de gemeenten aan de besteding ervan de facto toch een vrije invulling kunnen geven.

 

Auteur

  • Pierre Koning

    Hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) en universitair hoofddocent aan de Universiteit Leiden (UL)

Categorieën