Ga direct naar de content

Eerste tekenen naderend herstel?

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: mei 1 1996

Eerste tekenen naderend herstel?
Aute ur(s ):
De Nederlandsche Bank
Ve rs che ne n in:
ESB, 81e jaargang, nr. 4056, pagina 411, 1 mei 1996 (datum)
Rubrie k :
CONJUNCTUURINDICATOR
Tre fw oord(e n):
conjunctuurindicator

De DNB-conjunctuurindicator duidt tot en met juli van dit jaar op een voortgaande neergang van de conjunctuur (figuur 1). Wel lijkt
het tempo van de neerwaartse conjunctuurbeweging wat te gaan afnemen. Dit komt nog het duidelijkst naar voren bij beschouwing van
de vijf componenten waaruit de DNB-indicator is opgebouwd, die extra informatie kunnen geven over de huidige en toekomstige stand
van de conjunctuur (figuur 2a, figuur 2b, figuur 2c, figuur 2d en figuur 2e).

Figuur 1. DNB-conjunctuurindicator (t/m juli 1996) en realisatie

Figuur 2a. Componenten van de conjunctuurindicator, Reële geldhoeveelheid

Figuur 2b. Verwachte bedrijvigheid

Figuur 2c. Feitelijke orderontvangst

Figuur 2d. IFO-indicator Duitsland

Figuur 2e. Verwachte groei omzet NCM-polishouders (geïnverteerd)
Drie componenten, te weten de IFO-indicator van de Duitse industrie, de feitelijke orderontvangst van de Nederlandse industrie en de
reële geldhoeveelheid gemeten aan M1, vertonen tot en met juli van dit jaar weliswaar nog steeds een dalend beloop, maar daar staat
tegenover dat de andere twee componenten in de richting van conjunctuurherstel wijzen. Voor de (inverse van de) verwachte omzet van
nieuwe binnenlandse NCM-polishouders is hiervan al sedert het begin van 1995 sprake, bij de conjuncturele component van de
verwachte bedrijvigheid zou vanaf mei dit jaar een keer ten goede kunnen optreden.
Daarbij komt, dat de reële geldhoeveelheid, die circa acht maanden verder vooruitloopt dan de andere componenten, na juli van dit jaar
weer een duidelijke opgaande lijn vertoont. Deze zogenoemde long-leading indicator is in het verleden vaak een betrouwbare
conjunctuurbarometer gebleken. De voorspellende kwaliteit dankt de geldhoeveelheid in de traditionele monetaire zienswijze aan het feit,
dat ruimere monetaire verhoudingen rechtstreeks de economische bedrijvigheid beïnvloeden, bijvoorbeeld via een surplus aan
kasmiddelen en de daaruit voorvloeiende grotere bestedingen. In de zogeheten ‘money-view’ leidt een toeneming van het geldaanbod tot
lagere rentestanden, die op hun beurt een stimulerende invloed hebben op de economie.
Ook in een aantal andere landen is op dit moment sprake van een duidelijke expansie van de geldhoeveelheid, wat zou kunnen wijzen op
een nabij conjunctureel herstel. Zo beliep in de VS en Duitsland de groei van de geldhoeveelheid in februari van dit jaar (ten opzichte van
februari 1995) respectievelijk 5% en 6%, tegenover 0,3% en -0,9% respectievelijk een jaar geleden (tabel 1).

Tabel 1. Geldgroei in de VS en Duitsland procentuele mutatie tov zelfde periode een jaar eerder
1995
maart
VS (M2)
Duitsland (M3)

0,3
-0,9

1996
juni
2,1
-1,3

sept.
3,5
0,4

dec.

feb.
4,3
3,6

5,0
6,1

Ook lange termijn leading indicatoren gepubliceerd door bijvoorbeeld de Rabobank en het CPB bevestigen het bovengeschetste beeld 1.
Volgens de long leading indicator van het CPB zou de productiegroei in Nederland de eerste helft van dit jaar nog onder de trendmatige
waarde kunnen komen te liggen, vooral onder invloed van de internationale indicatoren met voorop de Duitse IFO-indicator, maar zijn
voor de tweede helft van 1996 de signalen overwegend positief: naast de groei van de geldhoeveelheid wijzen gestegen beurskoersen en
de gedaalde rente op een naderende conjuncturele opleving. In lijn met de indicatoren geven recente voorspellingen op basis van macroeconomische modellen (IMF, OESO, CPB) aan, dat voor een recessie in Nederland niet hoeft te worden gevreesd. Naar verwachting zal
de groei van het bbp-volume dit jaar vertragen tot 1,5% á 2%

1 R. Scholten in Rabo-visie, 1996, nr. 1 en CPB, Centraal Economisch Plan 1996 .

Copyright © 1996 – 2003 Economisch Statistische Berichten ( www.economie.nl)

Auteur