Ga direct naar de content

Een nieuwe faillissementswet

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: april 20 2001

Een nieuwe faillissementswet
Aute ur(s ):
Boot, A.W.A. (auteur)
McKinsey & Co en Universiteit van Amsterdam.
Ve rs che ne n in:
ESB, 86e jaargang, nr. 4305, pagina 343, 20 april 2001 (datum)
Rubrie k :
Prikkel
Tre fw oord(e n):

Bij de Tweede Kamer ligt al enige tijd een wetsvoorstel tot wijziging van de Faillissementswet. En of dit niet genoeg is, is nu ook een
uitgebreid consultatiedocument beschikbaar met suggesties voor nóg verdere wijzigingen in de wet. Dit alles is onderdeel van de
operatie ‘marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit’ (mdw) die onder leiding van het Ministerie van Economische Zaken
moet bijdragen aan een grotere dynamiek in de economie en vooral minder verstikkende overheidsregeltjes.
Op zich is deze activiteit niet verrassend. Het moderne tijdsbeeld vraagt om efficiente faillissementsprocedures. Wij willen
ondernemingsgeest, marktwerking en flexibiliteit. Langdurige en stigmatiserende faillissementsprocedures staan hiermee op gespannen
voet. Verbeteringen zijn mogelijk: de bestaande procedures zijn verre van efficiënt, de kennis in het justitieel apparaat schiet tekort, maar
ook is de precieze doelstelling van de faillissementsprocedure onduidelijk. Alle reden voor een herziening van de Nederlandse
faillissementswet. Maar zoals bij alle veranderingen, staan ook nu de lobby-groeperingen (banken!) al klaar om zand in de motor te
gooien 1. Tijd voor een inhoudelijke discussie zonder te veel eigenbelang.
Waar gaat het over? De faillissementswetgeving is gericht op het efficiënt scheiden van kaf en koren voor die ondernemingen die in
financiële moeilijkheden zijn geraakt. Men moet komen tot de juiste beslissing: reorganisatie, verkoop of liquidatie. Als vrije
markteconomen zouden we de betrokkenen dit gewoon onderling willen laten regelen, dus waarom zijn wetgeving en procedures
noodzakelijk? Soms gaat het inderdaad onderling, maar vaak zijn er allerlei belangenconflicten. Banken willen hun geld terug,
ondernemers willen niet opgeven en crediteuren onderling staan soms ook tegenover elkaar; zie de banken en obligatiehouders van DAF
die het nog steeds aan het uitvechten zijn. Een goede faillissementswet moet deze verlammende patstellingen in goede banen leiden.
Eerdere voorstellen, die al gedeeltelijk in het concept-wetsontwerp zijn te vinden, hadden tot doel de bewindvoerder en curator meer
armslag te geven, zodat zij in een procedure meer mogelijkheden hebben bij het saneren dan wel continueren van de onderneming. De
huidige voorstellen bouwen hierop voort en hebben tot doel de “economische efficiëntie, praktische bruikbaarheid en het
reorganiserend vermogen” van de faillissementswet te verbeteren. Een belangrijk doel is om de surseanceprocedure aan attractiviteit te
laten winnen, zodat ondernemingen tijdiger bereid zijn om surseance aan te vragen en er een grotere kans is op een vruchtbare
reorganisatie.
De bedoelingen van de overheid zijn duidelijk en verdienen steun. De faillissements- en surseanceprocedures werken gebrekkig.
Onderzoek laat zien dat de op overleving gerichte surseanceprocedure het in het geheel laat afweten: bijna alle ondernemingen die in
surseance komen gaan toch failliet, met al of niet een doorstart via het faillissement 2. Bovendien zijn de gerealiseerde opbrengsten laag.
Schijnbaar is er geen sprake van waardemaximalisatie en is de te verdelen koek onnodig klein.
De werkgroep stelt daarom voor om vanuit het algemene uitgangspunt van waardemaximalisatie voor elke insolvente onderneming de
juiste ‘afwikkeling’ te zoeken. Dit betekent dat bij het betreden van de formele procedures informatie moet worden aangeleverd die het
mogelijk maakt om snel en professioneel vast te stellen of de insolvente onderneming geheel of gedeeltelijk kan worden behouden. Dit
moet een onmiddellijke schifting mogelijk maken die ervoor zorgt dat de surseanceprocedure alleen door ondernemingen wordt bevolkt
die ook daadwerkelijk kunnen reorganiseren. Bovendien moeten de mogelijkheden om tot een oplossing te kunnen komen, worden
vergroot. Hiertoe zijn al in het concept wetsvoorstel langere afkoelingsperioden ingebouwd om, voorzover nodig, bewindvoerder en
curator meer tijd te geven om tot een oplossing te komen.
Gaat dit werken? Veel zal afhangen van de manier waarop met de wetgeving wordt omgegaan. Ervaring leert dat snel tot een oplossing
moet worden gekomen. Elke vertraging vermindert de overlevingskansen: klanten lopen bijvoorbeeld weg en toeleveringsbedrijven laten
het afweten. Dit betekent dat de voorgestelde grotere armslag voor curator en bewindvoerder averechts kan werken, bijvoorbeeld
doordat procedures langer gaan duren, tenzij curator en bewindvoerder tegelijkertijd worden blootgesteld aan prikkels die daadkracht en
urgentie garanderen. Veel meer dan nu het geval is, zijn duidelijke doelen voor curator en bewindvoerder nodig met een bijbehorend,
verifieerbaar tijdpad.
De mdw-operatie heeft dus een staartje. Efficiëntie en daadkracht van het justitieel apparaat zijn meer dan ooit van belang. Een ware
uitdaging voor onze rechtbanken! Het huidige tijdsbeeld is er ook een van openheid. Via de website van het ministerie van Economische
Zaken (http://www.mdw.ez.nl) kunt u de voorstellen bestuderen

1 Zie ook A.W.A. Boot en J.E. Ligterink, Banken en de faillissementswet , ESB, 3 november 2000, blz. 876-878. 2 MS Sans Serif;}
{ ï“ï¹ï­ï¢ï¯ï¬ï€»ï½ï»Courier New;}{ Times New Roman;}{ Arial;}} {.
1

Copyright © 2001 – 2003 Economisch Statistische Berichten ( www.economie.nl)

Auteur