Ga direct naar de content

Jrg. 63, editie 3169

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: augustus 30 1978

ECONOMISCH STATISTISCHE BERICHTEN

UITGAVE VAN
DE

30AUGUSTUS 1978

ESt

STICHTING HET NEDERLANDS 63eJAARGANG

ECONOMISCH INSTITUUT No. 3169

Investeringsethiek

De tijd waarin ondernemen vrijwel uitsluitend bestond uit
het produceren van goederen of diensten om die met winst te
kunnen verkopen, ligt ver achter ons. Steeds meer is het besef
doorgedrongen dat een onderneming niet alleen een bedrijfs-
economische, maar ook een maatschappelijke verantwoor-
delijkheid draagt. Immers, het gehele proces van voort-
brengen van goederen en diensten heeft belangrijke maat-
schappelijke gevolgen waaraan de ondernemer zich niet kan
onttrekken. Vakbonden, consumentenorganisaties, over-
heden, milieugroeperingen, internationale gezagsorganen en de publieke opinie staan klaar om door middel van het
opstellen van wetten of het opleggen van normen de onder

neming op die verantwoordelijkheden te wijzen. Naast de
bedrijfseconomische randvoorwaarden waarmee de onder

neming te maken heeft om de continuïteit te kunnen waar-
borgen, dragen zij op die manier de maatschappelijke rand-
voorwaarden aan, waarvan overschrijding eveneens de conti-
nuïteit in gevaar kan brengen.
Ik spreek uitdrukkelijk van randvoorwaarden, omdat ook
de term georiënteerde markteconomie niet kan verhullen dat
de uiteindelijke motivering van het ondernemen is gelegen in
het behalen van winst door het produceren van goederen en
diensten en niet in het verbeteren van het milieu of zelfs niet
in het verschaffen van werkgelegenheid. De betekenis van de
randvoorwaarden moet echter niet te statisch worden opge-
vat. Deze zijn steeds aan verandering onderhevig en in een
voortdurende dialoog (soms: monoloog) worden telkens op-
nieuw de grenzen vastgesteld en verlegd. Een even interessant als moeilijk geval van het vaststellen
van de grenzen van het ondernemingshandelen betreft de
vraag welke houding ondernemingen zouden moeten aan-
nemen met betrekking tot het investeren in landen met een
verwerpelijk regime. Dit vraagstuk weet van tijd tot tijd de
publieke opinie in heftige beroering te brengen, met name
wanneer regelrechte schendingen van mensenrechten in be-
paalde landen via de media aan het licht komen. In het
merendeel van de gevallen blijft het echter bij incidentele uit-
barstingen van verontwaardiging, waarna de belangstelling
weer spoedig wegebt. Het zou dan ook te wensen zijn, dat de
discussie over dit vraagstuk op wat meer systematische wijze
zou plaatsvinden. Daarom was het een goede gedachte van

de Stichting Maatschappij en Onderneming om een aantal
mensen met uiteenlopende achtergronden bijeen te brengen ten einde tot een gedachtenwisseling over de aanvaardbaar-
heid van het investeren in ,,dubieuze” landen te komen 1). De indruk echter die uit de discussie naar voren komt is er
een van onzekerheid; de discussianten komen er niet uit.
Intussen zullen de leiders van bedrijven die in de betrokken
landen opereren, strategieën moeten uitstippelen om tot een
standpuntbepaling ten aanzien van dit complexe vraagstuk
te komen. Ik onderscheiddaarbij drie mogelijke beleidslijnen. 1. De problemen worden weggepraat. Dit gebeurt bijvoor-
beeld door te stellen dat het ondernemen een politiek neutrale
bezigheid is, wanneer de onderneming zich maar onthoudt
van inmenging in binnenlandse politieke aangelegenheden.
Ik beschouw deze stellingname als een vorm van struisvogel-
politiek. Het is evident dat het ondernemingsgedrag belang-
rijke sociale en politieke implicaties heeft. Met name in die
landeii waarde politieke infrastructuur zwak is, moet de poli-
tieke invloed van buitenlandse bedrijven niet worden onder-
schat. Alleen al hun aanwezigheid kan worden aangegrepen
in een poging de legïtimïteit van een bepaald regime te ver-
sterken. Bovendien kan het bedrijfsleven de economische
voorwaarden scheppen, waaronder het regime zich kan
handhaven. Het komt mij voor dat de publieke opinie zich
door deze strategie dan ook niet zal laten misleiden, zodat
vroeg of laat toch de verantwoordelijkheid van de onder-
neming ter sprake wordt gebracht.
Een tweede strategie is die waarbij de onderneming haar
verantwoordelijkheid erkent, maar waarbij wordt gepro-
beerd het risico te minimaliseren dat door consumentenacties
of publieke afkeuring de onderneming in diskrediet wordt
gebracht. Dat zou op lange termijn immers een gevaar voor de continuïteit kunnen opleveren. Deze defensieve strategie
wordt naar mijn mening veelvuldig toegepast door onder-
nemingen die in omstreden landen opereren. Geprobeerd
wordt dan de positieve effecten van de aanwezigheid ter
plaatse te benadrukken (bevorderen werkgelegenheid, eco-
nomische groei enz.) ofde negatieve implicaties te versluieren
door slechts spaarzaam informatie te verstrekken (wat niet
weet, wat niet deert).
Een derde strategie is die waarbij de ondernemingslei-
ding daadwerkelijk probeert in te spelen op de verlangens van
consumenten, eigen personeel of de publieke opinie. Dat be-
tekent dat de onderneming haar mogelijkheden gebruikt om

op de regimes in de landen van vestiging pressie uit te oefenen
ten einde bepaalde gewenste sociale of politieke hervormin-
gen door te voeren. Daarbij behoeft niet direct te worden ge-
dacht aan een economische boycot. In de praktijk is gebleken dat dit wapen nauwelijks effectief kan worden ingezet (zeker
niet als dat niet internationaal gebeurt). Wel zouden onder-
nemingen kunnen proberen tot internationale afspraken te
komen, b.v. in de vorm van een internationale code gebaseerd
op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens 2).
Het is duidelijk dat het ontwerpen van een dergelijke
actieve ondernemingsstrategie grote moeilijkheden oproept. Alleen al de omvang van het probleem legt beperkingen op.
Amnesty International telt 114 landen waar fundamentele
mensenrechten worden geschonden. Massale actie zou leiden tot enorme kapitaalvernietiging en decimering van de wereld-
handel. Beperkte actie roept echter het gevaar op van ,,selec-
tieve verontwaardiging”. Daarnaast ontbreekt inzicht in de
effectiviteit van verschillende pressiemiddelen (een inter-
nationaal vergelijkend onderzoek daarnaar zou toch wel wat
moeten kunnen opleveren). Ten slotte is er te weinig systema-
tische informatie over de gebeurtenissen in verschillende
landen.
Al die bezwaren kunnen echter de medeverantwoordelijk-
heid van ondernemingen voor omstandigheden in de landen
waarin zij investeren, niet wegnemen. Die verantwoordelijk-
heid moet worden aanvaard. Of gelden nog steeds de woor-den van Brecht: ,,Erst kommt das Fressen, dann die MoraI’?

L. van der Geest

t) S M 0,
Investeren in landen met een %’ern’erpeli/k regime, S
MC-boek 6, Scheveningen, 1978.
2) Zie de suggestie van Drs. H. van den Bergh in bovengenoemd
SMO-boek.

SB 30-8-1978

861

Inhoud

ECONOMISCH STATISTISCHE BEHTEN

Esb

Weekblad van de Stichting Het Nederlands
Economisch Instituut

Drs. L. van der Geest:

Investeringsethiek ………………………………………861

Column

Consequente vergissingen,
door Drs. L. Hoffman

…………….
863

Drs. A. M. Mulder.

Hoe gezond is het betaalde voetbal9 ………………………..864

Dr. M. C. Tideman:

Het reisverkeer in de nationale economie …………………….870

Vacatures

………………………………………………872

H. C. Elte, R. F. Hochheimer, W. Kuipers en C. L. Worms:

De kwaliteit van de voorspellingen van het Centraal Planbureau. Een

analyse van de verschillen tussen voorwaardelijke voorspellingen en
realisaties 1953-1975 …………………………………..873

Maatschappijspiegel

Jeugdwerkloosheid en onderwijsbeleid,
door Drs. W. A. Arts en D.
Brouwer
……………………………………………..
880

Mededeling
…………………………………………….883

Geld- en kapitaalmarkt

Investeringen en kredietverlening,
door Drs. Z. J. Hollestelle …….
884

Boekennieuws

C. P. A. Bartels: Economic aspects of regional welfare,
door Dr. J.
Hartog
………………………………………………
887

Wijzigingen in de samenstelling

van de directie NEI

Prof Dr. H. C. Bos heeft in verband met zijn overige werkzaamheden de wens

te kennen gegeven met ingang van / september 1978 zijn directeurschap van het
Nederlands Economisch Instituut om te zetten in een adviseurschap. Curatoren

en zijn mededirecteuren hebben deze wens geëerbiedigd. In verband hiermede

heeft de directie in overleg met curatoren Prof Dr. L. B. M. Mennes tot adjunct-

directeur van het Instituut benoemd. Met ingang van / september 1978 is de direc-

tie aldus samengesteld: Prof Dr. L. H. Klaassen (president-directeur), Prof Drs.

H. W. Lambers en Prof Dr. J. H. P. Paelinck (directeuren), Prof. Dr. L.
B.
M.
Mennes en Drs. E. H. Mulder (adjunct-directeuren).

Het spijt curatoren en directie, dat Prof Bos heeft moeten besluiten de band

met het Instituut na lange en vruchtbare medewerking losser te maken. Gelukkig

is het geen afscheid, want naast zijn adviseurschap blijft Prof Bos lid van de

Commissie van redactie van Economisch Statistische Berichten. Desalniettemin

past dank. Prof Bos heeft gedurende zijn 10-jarig mede-directeurschap in het bij-
zonder voor de continuiteit en expansie van de onderzoekafdeling ,, Balanced

International Growth “veel bereikt. Wij hopen dat het beroep, dat in deze jaren op

hem werd gedaan -. zij het wat verminderd – kan worden Voortgezet.

Prof. Dr. L. H. Klaassen

(president-directeur)

Redactie

t-

Commissie van redactie: H. C. Bos,
R. Iwema, L. H. K/aassen, H. W. Lambers,
P. J. Montagne, J. H. P. Pae/inck,
A. de Wit.
Redacteur-secretaris: L van der Geest.
Redactie-medewerker: T. de Bruin.

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
3062 PA Rotterdam; kopij voor de redactie:
postbus 4224 3006 A1E Rotterdam.
Tel. (010) 1455 11, administratie: toesiel370/,
redactie: toestel 3790.
Bij adreswijziging s. v.p. steeds adrshandje
meesturen.

Kopij voor de redactie:
in tweevoud,
getypt, dubbele regelafstand, brede marge.

Abonnementsprijs:f
137,28 per kalenderjaar
(mcl.
4% BTW): studenten
f
96,72
(mcl.
4% BTW), franco per Post voor
Nederland, België. Luxemburg, ovërzeese
rijksdelen (zeeposij.
Abonnementen kunnen ingaan op elke
gewenste datum, maar slechts worden
beëindigd per uit imo van een kalenderjaar.

Betaling:
Abonnementen en contributies
(na ontvangst van stortings/giro-
acceptkaart) op girorekening no. 122945,
of op
bankrekeningno. 25.50.56.877 van
Bank Mees & Hope NV, Coolsingel 93, 3012 A E Rotterdam, t.n.v. Economisch Statistische Berichten te Rotterdam.

Losse nummers:
Prijs van dit nummerf 3,30
(mcl.
4% BTW en portokosten).
Bestellingen van losse nummers
uitsluitend door overmaking van de hier’bo ven
vermelde prijs op girorekening no. 122945
t.n.
v.
Economisch Statistische Berichten
te Rotterdam met vermelding
t’an datuni en nummer van het gewenste
exemplaar.

Advertentieverkoop:
Roelants/ EPR
Postbus 53021
2505 AA Den Haag
Telefoon (070) 50 33 00
Telex 33101
Alle orders worden afgesloten en
uitgevoerd overeenkomstig de
Regelen voor hei Advertentiewezen.

Stichting

Het Nederlands Economisch Instituut

Adres:
Burgemeester Oud/aan 50,
3062 PA Rotterdam. tel. (010) 14 55 11.

Onderzoekafdelingen:
Arbeidsmarktonderzoek
Balanced International Growth
Bedrijft-Economisch Onderzoek
Economisch- Technisch Onderzoek
Vestigingspatronen
Macro-Economisch Onderzoek
Projectstudies Ontwikkelingslanden
Regionaal Onderzoek Statistisch-Mathematisch Onderzoek
Transport-Economisch Onderzoek

862

L Hoffman

Consequente•

vergissingen

Een békende’ ecônomist, wiens werk

voortdurend ter’ discussie schijnt te

staan, sdhreef eens de volgende wijsheid:

,,lk denk dat een ietwat uitgebreidere

socialisatie van de investeringen het enige

middel zal blijken om volledige werkge-

legenheid naderbij te brengen; dit bete-
kent echter niet dat de overheid niet meer

met het particuliere bedrijfsleven zal sa-

menwerken Bovendien kunnen de
noodzakelijke socialisatiemaatregelen

geleidelijk worden ingevoerd zonder een

breuk te betekenen met de algemene

tradities van onze samenleving Ver-
breding van de functies van de overheid

verdedig ik als het enig praktische mid-

del om te voorkomen dat het bestaande

economische stelsel wordt vernietigd en

als voorwaarde voor een succesvol func-
tioneren van het particuliere initiatief”.

Als deze wijsheid waar zou zijn, is het

kabinet-Van Agt met zijn
Bestek ’81 op

de totaal verkeerde weg. De z.g. bezuini-

gingsnota verdraagt haar originele titel’

dan niet: het gehele bezuinigingsproces lijkt dan op een manuele eetpartij. V6l-

gens de economist, die ik hierboven ci-
teerde, zou dat echter niet yreemd zijn,

want ,,mannen met volgens hun eigen

oordeel klaarblijkelijke financiële wijs-

heid waren wonderbaarlijk consequent,
vooral in hun vergissingen”. Is dat waar;

zijn economen consequent in het maken
van vergissingen? Ik durf op deze vraag

geen ondubbelzinnig antwoord te geven.
Soms lijkt het er echter op dat het ant-

woord ja luidt.
Bezie de huidige economische situatie.

We durven haar geen crisis te noemen,

aangezien dat herinneringen uit de jaren

dertig zou oproepen. De situatie van

toen is nu ondenkbaar. Dat slaat echter
vnl. op de sociale aspecten. Toen werden

werklozen vrijwel aan hun lot overgela-
ten, nu ontvangen ze zodanige uitkerin-
gen dat ze volgens velen in de watten
worden gelegd. Vergelijken we echter de

omvang van de werkloosheid, dan is er
niet zoveel verschil tussen 1936 en 1978.

Dat verschil is er nog wel als we louter kijken naar de werkloosheidspercenta-

ges: toen 17, nu 5. Deze percentages zijn
evenwel onvergelijkbaar. Immers, in de
jaren dertig waren er geen opvangme-
éhanismen als WAO, de arbeidstijd was

langer en de pensioengerechtigde leeftijd
– zo die er al was – hoger. Het huidige

werkloosheidspercentage moet zeker

vertwee- of verdrievoudigd worden om

het vergelijkbaar te maken met dat van

de jaren dertig. Doen we dat, dan zien we

dat de percentages elkaar aardig nade-

ren. Een cijfer dat evenwel beter de slech-

te economische situatie aangeeft is het

deelnemingspercentage. In 1936 bedroeg

de beroepsbevolking als percentage van

de totale bevolking van 14jaar en ouder

ca. 58; in 1978: ca. 40. Op grond van het
bovenstaande zou je kunnen conclude-

ren dat we thans slechter af zijn dan vroe-

ger.
Zijn er meér verschijnselen die erop

wijzen dat de huidige malaise vergelijk-

baar is met die in de jaren dertig? Laten
we eens naar de onderbezetting kijken.

De jaren dertig werden gekenmerkt door

een conjuncturele onderbezetting, waar-

van men toen zei dat ze kon worden be-
streden door lastenverlaging. Het was

Keynes die er later terecht op wees dat
een dergelijk beleid desastreus is. Thans.

is er eveneens een onderbezetting, zij het

een niet zo ernstige: de investeringen zijn

niet negatief zoals voor de oorlog. De
Centrale Economische Commissie ver-

moedt in haar rapport
Macro economi-
sche verkenning op middellange termijn

1978-
’82
dat er thans een onderbezetting

van 3â4%is. Zij ontkentechterdaterhier-
door ruimte zou bestaan voor vergroting
van de binnenlandse bestedingen, omdat
de onderbezetting (of overcapaciteit) te

specifiek van aard is en te veel een gevolg

is van het teleurstellende verloop van de
buitenlandse afzet. De oplossing is daar

om traditioneel: lastenverlichting.

Dat lijkt ietwat op de oplossing van de
jaren dertig en we zouden haar een con-

sequente vergissing kunnen noemen na bestudering van het ,,spoorboekje” van

het CPB. Dit boekje wijst inderdaad uit
dat een lastenverlichting de economie

stimuleert. Echter, een (gedeeltelijk)

achterwege blijven van de collectieve

bezuinigingen doet dat ook, zelfs als het
monetair wordt gefinancierd. De daaruit

resulterende toename van het financie-

ringstekort van de collectieve sector

blijkt nauwelijks nadelig te zijn. Om het

verwijt van de consequente vergissing te

ontlopen, zou de regering er goed aan
doen de specifieke aard van de onderbe-
zetting nader te laten bestuderen. Het

zou mij niet verbazen wanneer een derge-

lijke studie zou uitwijzen dat voor de be-

strijding van de werkloosheid, naast het

voorkomen van een verdere onderbezet-
ting, marktordening en sterkere planma-

tigheid van de produktie nodig zijn. Eco-
nomisten van verschillende politieke

huize, als Driehuis en Vermaat, hebben

hier reeds eerder op gewezen 1). We zou-

den evenwel verder van huis raken door dit ‘zonder meer aan te nemen: in plaats

van consequente dreigen dan inconse-

quente vergissingen. Om dat te voorko-
men moeten we af van een sociaal-eco-
nomisch beleid dat louter gebaseerd is op

macro-analyses, zoals in het CEC-rap-port. We moeten terug naar de partiële

analyses of – om het kernachtigeruit te

drukken – ,,wij moeten meer’Weten van

weinig i.p.v. weinig van meer” 2).

Of bovenstaande waarschuwingen

enig effect hebben, is overigens de vraag.
Zij zijn immers bepaald niet nieuw. Van-

daar de citaten aan het begin van deze

column, die – voor wie het nog niet weet

—niet afkomstig zijn van een linkse rak-
ker, maar van een der grootste econo-

misten: Keynes.

Zie W. Driehuis (red.),
Economische theo-
rie en economische politiek in discussie,
Lei-
den, 1977.
A. H.
Q. M. Merkies,
Van prognosesnaar programma’s,
Amsterdam, 1973.

ESB 30-8-1978

863

Hoe gezond is het betaalde voetbal?

DRS. A.M. MULDER*

Betaald voetbal mag zich in een buitengewoon

grote belangstelling verheugen. Desondanks

kampen bijna alle clubs met jaarlijks terugkeren-

de exploitatiekosten. In dii artikel wordt inge-

gaan op definanciëleproblemen van het betaalde

voet bal. De auteur stelt de vraag aan de.orde of-er

voor de overheid aanleiding is het betaalde voet-

bal te subsidiëren en op grond van welke motie-

ven zij dit zou moeten doen.

Ons verder beperkend tot de situatie in Nederland mag het

opmerkelijk worden genoemd, dat het betaalde voetbal er al
jaren achtereen niet in slaagt de beide vormen van vraag

zodanig te exploiteren, dat de Verlies- en Winstrekening met
een positief saldo sluit. Integendeel, de financiële problema-

tiek waarmee het betaalde voetbal kampt, heeft zelfs zodanige

vormen aangenomen, dat het nadrukkelijk – ogenschijnlijk

onder de bereidheid een deel van zijn zelfstandigbeid prijs te

geven – de steun van de rijksoverheid heeft ingeroepen om

tot een oplossing te komen. Naar aanleiding van deze herhaal-
de steunaanvrage zijn in 1976 1) en in 1978 2) van de kant van

het Ministerie van CRM twee gedegen rapporten over deze
problematiek verschenen. Een van de belangrijkste conclu-
sies, die uit beide rapporten kan worden getrokken, is dat de

rijksoverheid onder bepaalde voorwaarden bereid is het betaalde voetbal – in ieder geval tijdelijk – financieel de

helpende hand te bieden.

In dit artikel zal de financiële positie van het betaalde

voetbal nader wirden bekeken. Er zal worden ingegaan op de

vraag welke de oorzaken zijn van deal jarenlang voortduren-
de exploitatietekorten. Tevens zal worden geprobeerd aan te

geven welke maatregelen dienen te worden getroffen om deze

oorzaken weg te nemen. Ten slotte zal ook het vraagstuk van

de subsidiëring aan de orde worden gesteld.

De financiële positie van het betaalde voetbal

Zoals gezegd is de financiële positie van het betaalde

voetbal in Nederland zctrgwekkend. Vrijwel iedere club heeft

jaarlijks met exploitatietekorten te kampen. Tabel 1 geeft een

indruk van de omvang van deze tekorten.

Tabel
1.
Exploitatiecijfers van het betaalde voetbala)
b)
(in
duizenden guldens) (exclusief tran.sferwinsten en -verliezen en

afschrijvingen op transfersommen)

974175
1975176 1976177

35 35
35
Aantal clubs
………………………

Balen
20.471
21.827 23.456
Al: vermakehjksheidsbelasting

………
.a

3.009 3.389
3.751

heffingen en afdrachten
………….

2.364
1.335 2.631 1.784 3.051
2.025

13.763
14.023
4.629
2.809 3.158 3.157
640
735
805
Kantine, reclame en diversen
…………

333
99
17
Steun van bedrijven en particulieren
1.749
1.698
4,144

19.294
19.713

Aandeel uitkering NOS
……………..
Overigetelevisiebaten
………………

22.752

Lasten
Salarissen ene, spelers
………………
18.546
21.625
24.521

Bruto wedstrijdbaten
……………….

Idem trainet’s, managers en’,
………….
3.730 4.262 5.076
BTW
………………………..

3.069

.

3.504 3.917
2.869 3.539
3.731

Nettowedstrijdbaten
……………….

Beheer, administratieen diversen
1.772
1.921
2.410
1.125 1.152
1.506

3klIl
36.003
41.161

Totaal baten
………

……………..

Wedstrijd-en trainingskosten
…………
Huisvestingskosten
………………..

Exploitatietekort, persaldo
11,817
16.290
18.409

Interest

………………………….

3.755
4.916
5.361

8.062
11.374
13.048

Totaaltasten
……………………..

Ontvangsten sporitotalisator
………….

Overheidssubsidie
6.077 8.189 9.374

1.985
3.185 3.674

(in geld en in natura)

……………….

tekort nti subsidies
,
……………….

Bron: Samengesteld uit gegevens van Moret en Limperg,
Onderzoek naar deJ7nandële
positie san clubs, uitkonte,tde itt hei betaalde voetbal,
1974 en later.
Van twee clubs, t.w. Ajax en Feijenoord, cijn de gegevens buiten het overzicht gelaten.
Ajax (winnaar Europacup voor landskampioenen in 1971, 1972 en 1973) en Feijenoord
(winnaar Europacup voor landskampioenen in 1970en winnaar IJEFA.cup in 1974) beho-
ren c.q. behoorden tot de rijkste clubs van Nederland.
De tabel verschaft geen gegevens over de vermogenspositie van de clubs. Het vermogen
San ecn club zal voor een belangrijk gedeelte kunnen bestaan uit: a. het stadion; b. het
spelersbestand.

*
De
auteur
is
wetenschappelijk hoofdmedewerker in de Staats-
huishoudkunde aan de Erasmusuniversiteit Rotterdam.
t)
Ministerie van CRM,
Rapport van Adviescommissie CRM Be-
taald Voetbal,
(Rapport-Christiaanse), Den Haag,
1976.
2)
Mintsterie van CRM, Stuurgroep Betaald Voetbal,
Gezonder
betaald voetbal,
Den Haag,
1978.
Inleiding

De in juni 1978 gehouden wereldkampioenschappen voet-

bal hebben nog eens ten overvloede aangetoond, dat het

(betaalde) voetbal zich over de gehelewereld’in een uitermate

grote belangstelling mag verheugen ..Wij.. zouden- .kunnen —- —– .

– ‘—‘zeggen; dat deze grote belangstelling zich uit in twee vormen

van vraag naar het produkt ,,betaald voetbal”:

– de directe vraag: het aantal toeschouwers bij wedstrijden;

2. de indirecte vraag: (vooral) het aantal kijkers van voetbal

op de televisie.

864

Uit tabel I kan berekend worden, dat de exploitatietekor-

ten per club aan het eind van de seizoenen 1974/ 1975,

1975/ 1976en 1976/ l977achtereenvolgensf. 56.714,f. 91.000
en f. 104.971 bedroegen. Bij beschouwing van deze eigenlijk

Vrij bescheiden bedragen dient te worden bedacht, dat het

,,totale” betaalde voetbal zeker al sinds het seizoen 1968/ 1969

met een jaarlijks exploitatietekort te kampen heeft. Het mag

daarom enigszins verbazingwekkend genoemd worden, dat

vrijwel alle clubs de financiële degradatie steeds weten te

ontlopen. Ter verklaring hiervan zou op twee factoren kun-

nen worden gewezen:

het saldo transfers. Een van de manieren om een exploita-

tietekort te dekken is intering op het vermogen. Een

belangrijk onderdeel van het vermogen van een club vormt

het spelersbestand. In samenhang met het feit, dat de

resultaten van twee van de rijkste clubs ontbreken, is het

zeer wel denkbaar dat een aantal clubs erin geslaagd is via

het transfereren Van spelers naar deze rijke clubs tot op
zekere hoogte in het exploitatietekort te voorzien;
geldschieters. Blijkbaar is er een groep individuen en/of

bedrijven, die accepteert dat hun vorderingen op clubs bij

voortduring niet worden betaald. Inderdaad kan worden

geconstateerd dat het betaalde voetbal een bepaalde

aantrekkingskracht uitoefent op mensen, die niet geheel

onvermogend zijn. Hoe groot hun bijdrage is in de dek-

king van de exploitatietekorten, valt zelfs bij benadering

niet vast te stellen.

De exploitatierekening nader bezien

In het volgende zal ik proberen na te gaan welke de
oorzaken zijn van de al jarenlang voortdurende exploitatiete-

korten en wat ,,het” betaalde voetbal zou kunnen doen om

deze oorzaken geheel of gedeeltelijk weg te nemen. Daartoe

zullen wij zowel de lastenzijde als de batenzijde van de

exploitatierekening wat nader beschouwen. Omdat het te ver

zou voeren alle posten de revue te laten passeren, zal ik mij

onderstaand tot die posten beperken, die het meest voor
beinvloeding in aanmerking zouden kunnen komen.

Lonen, salarissen en sociale lasten

Uit tabel 1 blijkt, dat deze Post in de seizoenen 1974/75,

1975/76 en 1976/ 77 achtereenvolgens f. 22.276.000,

f. 25.887.000 en f. 29.597.000 bedroeg. Uitgedrukt in procen-

ten van de totale lasten: in elkjaar
72%.
De bedrijfstak betaald

voetbal kan een zeer arbeidsintensieve bedrijfstak worden

genoemd. In de drie genoemde seizoenen waren de loonbeta-

lingen hoger dan de totale baten! Het zal duidelijk zijn, dat de
loonbetalingen één van de belangrijkste oorzaken van de
exploitatietekorten zijn. Het ligt dan ook voor de hand om te

onderzoeken of m.n. de lonen van spelers niet (drastisch)

kunnen worden verlaagd. Ter vermijding van misverstand zij

erop gewezen, dat waar onderstaand wordt gesproken over

lonen bedoeld wordt lonen mcl. sociale lasten.

Als ik zeg, dat de door betaalde voetballers verdiende lonen

met een waas van geheimzinnigheid zijn omgeven, dan neigt
deze uitspraak naar een ,,understatement”. Inzicht in de

hoogte van de verdiende lonen is nauwelijks te krijgen. Toch
lijkt het mij mogelijk tot enigszins redelijke schattingen te
komen van het gemiddelde loon van een eredivisie- resp.

eerste-divisiespeler. Onderstaand zal ik zulks proberen

voor het seizoen 1976/77, waarbij ik mij beperk tot spelers,

die deel uitmaken van de z.g. A-selectie (= kring van poten-

tiële eerste-elftalspelers). Ik ga daarbij uit van de volgende

veronderstellingen:

Per club maken 16 spelers deel uit van de A-selectie.

Uitoefening van hun ,,eigenlijke” beroep zou betaalde

voetballers een gemiddeld (duidelijker: een modaal) inko-

men doen verdienen.

Voor eredivisiespelers neemt het spelen van betaald voet-

bal 90% van hun dagtaak in beslag; voor eerste-divisiespe-

Iers is dat 60%.

Het behoeft geen betoog, dat vooral de onder 4 genoemde

veronderstelling uitermate arbitrair van karakter is.

,,Berekend” kan nu worden, dat in het seizoen 1976/77 het

gemiddelde loon van een eredivisiespeler f. 70.000 bedroegen

dat van een eerste-divisiespeler f. 23.000. In diezelfde periode

bedroeg het loon van de modale werknemer f. 33.500 (inclu-
sief sociale lasten en pensioenpremies voor rekening van de:

werkgever 4). Deze cijfers lijken ruimte te laten voor eent

verlaging van de lonen van de spelers.

M.b.v. de begrippen ,,transfer earnings” en ,,economic
rent” kan een idee ontwikkeld worden over de mogelijke

omvang van deze verlaging. In navolging van Lipsey en

Steiner 5) definieer ik deze begrippen als volgt: ,,transfer

earnings” is het bedrag, dat een produktiefactor in zijn

huidige aanwending moet verdienen om te voorkomen dat die

factor in een andere richting wordt aangewend. Al datgene

wat een produktiefactor meer ontvangt dan zijn ,,transfer

earnings” wordt ,,ec,onomic rent” (hierna te noemen ,,rent”)
genoemd.

Om de lonen van betaalde voetballers te kunnen verlagen

moet er een stuk ,,rent” in zijn opgenomen. Aan de hand van
bovenstaande veronderstellingen kan worden ,,berekend”,

dat de totale loonbetaling in 1976177′ van f. 24.52 1.000 voor

f. 10.500.000 een ,,rent”-karakter droeg. De conclusie kan dan
ook niet anders Iuiden,dan dat een drastische verlaging van de

lonen van spelers mogelijk is zonder een uittocht van spelers
uit het betaalde voetbal ten gevolge te hebben.

Voor een uittocht van spelers naar het buitenland ben ik

niet zo bevreesd, omdat ook de financiële positie van buiten-

landse clubs in het algemeen niet bepaald sterk is te noemen.

Verder lijkt het mij voor een buitenlandse club niet interessant
om op grote schaal internationaal vrij onbekende spelers aan

te trekken. Bovendien is er het probleem, dat bij overgang van

een speler van een Nederlandse naar een buitenlandse club de

hoogte van de transfersom niet gekoppeld is aan de hoogte

van het loon. M.a.w., clubs kunnen door het ,,risicoloos”
vragen van hoge transfersommen een dergelijke uittocht

tegengaan. Ten slotte, als die uitttocht er wel zou komen, dan

zou op b.v. de Belgische voetbal markt het aanbod van spelers

zodanig worden vergroot, dat ook daar loonsverlaging het

gevolg zou zijn.

Huisvestingkosten

Uit tabel 1 blijkt, dat deze Post in de seizoenen 1974/75,

1975/76 en 1976/77 achtereenvolgens f. 2.869.000,

f. 3.539.000 en f. 3.731.000 bedroeg. Uitgedrukt in procenten
vai’i de totale lasten:
9%,
10% en 9%.
De huisvestingskosten, die grotendeels het karakter van

vaste kosten hebben, drukken bepaald zwaar op de exploita-tierekening. De mogelijkheden om deze druk wat te verlich-

ten, zijn zeer beperkt, zo niet geheel afwezig. Een van de meest

voor de hand liggende mogelijkheden is het laten bespelen van
de stadions door verschillende clubs. Afgezien van allerlei
praktische bezwaren zou dit slechts soelaas kunnen bieden

aan in totaal 7 clubs, verdeeld over 3 steden: Ajax en de FC

Amsterdam in Amsterdam, Eindhoven en PSV in Eindhoven

1. Het gemiddelde loon van een eredivisiespeler is.driemaaL,,,,..
3)W. Sprenger en R. L. Vreernan,
Voeiballen als beroep,
De Vriese-
borch, Haarlem; ‘1976.

zo hoog als dat van een eerste-divisiespeler. Deze verhou-

4) Centraal Economisch Plan 1978.
b!z. 95, 114, 128
ding is mede gebaseerd op de resultaten van een onderzoek

5) R. G. Lipsey en 0. Steiner,
Economic’s,
Harper & Row, New
van Sprenger en Vreeman 3).

York,
3e
cd., 1972.

/.

865
ESB 30-8-1978

Hoe gezond is hei betaalde voetbal?
(Foto: Voetbal Inter-
national Photo Service)

en Excelsior, Feijenoord en Sparta in Rotterdam. Een andere

mogelijkheid zou zijn het gebruiken van het stadion voor

meer doeleinden dan voor het spelen van voetbalwedstrijden.
Hier doet zich echter de ongelukkige omstandigheid voor dat

een voetbalstadion nauwelijks voor andere doeleinden te

gebruiken is.

De naar verhouding grote omvang van de huisvestingskos-

ten voor voetbalclubs is ongetwijfeld een oorzaak van de ex-

ploitatietekorten. Een oorzaak echter, die niet lijkt weg te

nemen. Dit geldt ongeacht het feit of het stadion eigendom is

van een club of een club het stadion huurt van de gemeente.

Vergroting ii’edsiri/dbaien

De beide hierboven besproken oorzaken van de exploitatie-

tekorten lagen aan de kostenzijde en zijn als zodanig direct

beinvloedbaar door de clubs. Maatregelengericht op verho-

ging van de ontvangsten zijn dat niet. Toch zal naar alle
waarschijnlijkheid een verbetering van de financiële positie

van het betaalde voetbal moeten worden gerealiseerd via een
combinatie van opbrengstvermeerderende en kostenvermi n-derende maatregelen.

Uit tabel 1 blijkt, dat de ,,bulk” van de ontvangsten van de

clubs bestaat uit recettes. In de seizoenen 1974/75, 1975/76

en 1976/77 vormden de netto wedstrijdbaten achtereen-
volgens
71%,
7 1 % en 64% van de totale baten.

De netto wedstrijdbaten zijn, uiteraard een produkt van

prijs en hoeveelheid, zodat er twee ingangen zijn om tot een

opbrengstverhoging te komen: prjsveranderingen en hoe-
veelheidsveranderingen. Van der Zwan 6) en Van Duyn 7)

wijzen erop, dat van prijsveranderinggeen opbrengstvermeer-

derend effect valt te verwachten. Blijft over de hoeveelheids-

verandering. Uit onderzoekingen van Van Duyn zou (zeer

voorzichtig) kunnen worden geconcludeerd, dat een vergro-

ting van de aantrekkelijkheid van de wedstrijden leidt tot een

stijging van de toeschouwersaantallen. Vergroting van de

aantrekkelijkheid heeft hier een dubbele betekenis:
de wedstrijden worden aantrekkelijker, omdat zij binnen

het kader van een spannender competitie worden ge-
speeld;

de wedstrijden worden aantrekkelijker in de zin dat alle
clubs ,,op de aanval” gaan spelen.

Ad a. Een spannender competitie wil in dit verband zeggen,
dat de uitslagenvan
alle
wedstrijden niet of nauwelijks meer
voorspelbaar zijn. Dit betekent, dat de speelsterkte van de
clubs dichter bij elkaar moet komen te liggen. De speelsterkte

zal in overwegende mate worden bepaald door de omvang van

de ontvangsten van de club. Als wij afzien van externe finan-

ciers (overheid, bedrijfsleven), dan worden de ontvangsten

vnl. bepaald door de opbrengsten uit recettes. Aan de hieraan
ten grondsiagliggende toeschouwersaantallen wordteengrens

gesteld door het ,,achterland” (het debiet = de bevolking per

club binnen een gebied) van een club. Het zal duidelijk zijn,

dat het achterland van Feijenoord vele malen groter is dan dat

van Veendam. In principe zijn de financiële mogelijkheden

van Feijenoord dan ook aanzienlijk ruimer dan die van

Veendam. Dat zulks niet per definitie het geval is moge

blijken uit het naast elkaar stellen van Fijenoord en Sparta.

Beide clubs hebben hetzelfde achterland. Toch weet – en

zeker wist – Feijenoord veel meer toeschouwers tot zich te

trekken dan stadgenoot Sparta. De opbrengsten uit recettes

liggen bij Feijenoord dan ook op een aanzienlijk hoger niveau

dan bij Sparta. Het hebben van een marktpotentieel is m.a.w.
nog niet hetzelfde als het benutten daarvan. Desondanks lijkt

het niet onredelijk te stellen, dat gegeven de verschillen in

achterlandgrootte bepaalde clubs, b.v. de Graafschap, nooit

kampioen van Nederland zullen kunnen worden. Toch zullen

om de speelsterktes van de clubs dichter bij elkaar te brengen,
de clubs ook in financieel opzicht dichter bij elkaar moeten

worden gebracht. Ter vermindering van de in principe be-

staande ongelijkheid van inkomstenverdeling zou kunnen
worden gedacht aan een vorm van recettedeling. Daarde clubs

zich op onafhankelijke wijze van elkaar gedragen is het overi-

gens niet erg aannemelijk, dat welke vorm van recettedeling

dan ook een fundamentele wijziging mde inkomstenverdeling

ten gevolge zal hebben. Bovendien, slechts een zeergeringaan-

tal clubs heeft een batig saldo ter herverdeling aan te bieden.
De bijdrage van een financiële herverdeling aan een spannen-
der competitie zal dan ook naar alle waarschijnlijkheid gering
zijn.

Ad b. De wedstrijden zouden aantrekkelijker worden wan-

neer alle clubs ,,op de aanval” gaan spelen. Naar mijn mening

zou een dergelijke vergroting van de aantrekkelijkheid kun-

nen worden gerealiseerd wanneer de trainers in KNVB-dienst
treden, Ik ga hierbij uit van de volgende twee veronderstellin-
gen:

de trainers in Nederland laten hun club niet altijd op de

aanval spelen, omdat het daaruit voortvloeiende risico van

verliezen tè grote consequenties met zich brengt wat

betrefthun bestaanszekerheid;
het niet op de aanval gerichte spel heeft een negatieve

invloed op de toeschouwersaantallen.
Naar mijn overtuiging —en niet alleen die van mij; zie de

aanbeveling van de Stuurgroep om clubs te verplichten
trainers voor minimaal driejaar te contracteren – kan vergro-

ting van de bestaanszekerheid van de trainers een zeer wezen-

lijke rol vervullen bij het realiseren van hogere toeschouwers-
aantallen. Om tot diegrotere bestaanszekerheid te komen zou

ik ervoor willen pleiten, enigszins in navolging van Van der

Zwan 8), alle in het betaalde voetbal werkzame trainers in

dienst te laten treden van de KNVB: de KNVB treedt op als

uitzendbureau van trainers. In die situatie zouden trainers
zich geen zorgen meer
,
behoeven te maken over het dagelijks
brood en zullen zij er (van ganser harte) aan mee willen

werken een voetbalwedstrijd zijn oorspronkelijke inhoud

terug te geven, nI. het maken van meer doelpunten dan de

A. van der Zwan,
Belaalcl voetbal in Nederland: saneren of
herstruciureren?,
Ongepubliceerd.
J.J.
van Duijn, Dc vraag naar betaald voetbal,
ESB,
28september
974;
zie ook van dezelfde auteur:
A dynaniicmodelo/aprofessional
Ioo.’hall league,
Working paper, 1 nterfaculteit Bedrijfsk unde, Delft,
1975.
A.
van der Zwan,
Inkomensverdeling; i’erkenning van fiten,
iienseli/k heden, mogelijkheden en gevolgen, P
read
vi
ezen voor de
Vereniging voor Staathuishoudkunde, Martinus Nijhoff, ‘s-Graven-
hage,
1973. Van der Zwan pleit ervoor de gemeenschap
op
te laten treden als uitzendbureau van alle arbeidskrachten. Hij doet dit overi-
gens op grond van geheel andere overwegingen dan hier ter sprake
komen.

866

tegenstander. Dit vergroot de aantrekkelijkheid van de te

spelen wedstrijden, hetgeen zou (moeten) leiden tot een

verhoging van de toeschouwersaantallen.

Steun van particulieren en bedrijven

Uiteraard kunnen clubs door het aantrekken van externe

financiers hun financiële en daarmee samenhangend hun

sportieve positie in belangrijke mate verbeteren. Het zal niet

toevallig zijn (zie ook Van Duyn 7)), dat AZ’67 en PSV

twee clubs, waarvan bekend is, dat zij in ruime mate

externe financiële steun ontvangen – tot de toonaangevende
clubs zijn gaan behoren.
In het seizoen 1976/77 zijn de clubs erin geslaagd

deze inkomstenbron zeer aanzienlijk uit te diepen. Het

is dan ook enigszins twijfelachtig of hier nog verdere

mogelijkheden zitten. Waar wel mogelijkheden in lijken te

zitten is in het vergroten van inkomsten door shirtreclame in

te voeren. Inzicht in de bedragen, die hiermee gemoeid zijn, is

vooralsnog moeilijk te verkrijgen. Bovendien is het zo, dat de

KNVB – waarschijnlijk uit angst (eventuele) overheidssubsi-

dies op de tocht te zetten – invoering van shirtreclame tot nu

toe heeft tegengehouden.

Subsidiëring van het betaalde voetbal

De conclusie die uit het bovenstaande mag worden getrok-

ken is dat wel een verbetering van de financiële positie van het

betaalde voetbal mogelijk is, maar dat betwijfeld mag worden

of die verbetering zodanig zal zijn, dat het betaalde voetbal

kostendekkend gaat worden. Als ik uitga van de veronderstel-

lingen, dat: a. de spelers er in zullen slagen hun loon gedeelte-

lijk uit ,,rent” te laten blijven bestaan, en b. van de grotere

aantrekkelijkheid van de wedstrijden op de toename van de

toeschouwersaantallen geen wonderen te verwachten zijn, zal

het betaalde voetbal naar alle waarschijnlijkheid in een

tekortpositie blijven verkeren. Zouden de voorgestelde maat-

regelen al in het seizoen 1976177 geëffectueerd zijn, dan zou

naar ruwe schatting voor dat seizoen een tekort van f. 4 mln. â

f. 5 mln. hebben geresteerd.
Het spreekt voor zich dat subsidiëring door de overheid

een van de mogelijkheden vormt om dit tekort te dekken. Het
begrip subsidie wordt door mij, in aansluiting bij Hartog en
Van Poelje 9), als volgt gedefinieerd:,,Onder subsidies wor-
den verstaan al die geldelijke bijdragen van de overheid aan

particuliere instellingen zonder welke die particuliere instel-

gen niet in staat zouden zijn bepaalde activiteiten op een door

de overheid gewenst niveau te (blijven) doen.
De overheid kan verschillende motieven hebben om subsi-

die te verlenen. Daarbij is van belang, de aard van het goed dat
wordt gesubsidieerd. Er kan een onderscheid worden ge-

maakt in collectieve goederen, ,,merit goods” en individuele

goederen.
Drees en Gubbi 10) geven de volgende definitie van een

collectief goed: ,,Een collectief goed is een goed, dat technisch

niet splitsbaar is in op een markt verkoopbare eenheden”. In

tegenstelling hiermee is een individueel goed wèl splitsbaar in

op een markt verkoopbare eenheden. Een globale definitie
van ,,merit goods” kan als volgt luiden: ,,merit goods” zijn

goederen, waarvan de burgers naar het inzicht van de over-
heid te weinig consumeren. De overheid grijpt dan in om de

consumptie van het betreffende goed in de door haar gewenste
richting te beinvioeden. In geval van ,,demerit goods” tracht

de overheid de consumptie van het goed af te remmen.

Collectieve goederen kunnen naar hun aard uitsluitend
buiten de markt om geleverd worden. Collectieve besluitvor-

ming ligt ten grondslag aan de allocatie-beslissingen. De

klassieke voorbeelden van collectieve goederen zijn: bestuur,

defensie en justitie . Individuele goederen daarentegen kun-

nen naar hun aard juist wel zeer goed via het prijsvormings-

proces worden geleverd. De op markten plaatsvindende

De wedstrjdbaten moeten worden vergroot
(Foto: Ton den

Haan)

prijsvorming, zijnde de weerspiegeling van een individuele

besluitvorming, ligt aan de allocatie ten grondslag. Uit de

definitie van ,,merit goods” blijkt, dat deze een tussenpositie
tussen collectieve en individuele goederen innemen. Aan de

allocatie-beslissingen liggen zowel elementen van collectieve als van individuele besluitvorming ten grondslag. Voor zover

de door individuele beslissers uitgeoefende vraag naar deze

goederen te kort schiet om ze in een door de overheid

gewenste hoeveelheid te produceren, tracht de overheid deze

te kort schietende vraag op enigerlei wijze aan te vullen. Zij

kan b.v. de financiering van de goederen gedeeltelijk voor

haar rekening nemen. Voor subsidiëring van het betaalde
voetbal is dus de vraag van belang of betaald voetbal een

,,merit good” is.

Is betaald voetbal een ,,merit good”?

In het navolgende zullen verschillende overwegingen de

revue passeren die de overheid ertoe kunnen bewegen aan het

betaalde voetbal het karakter van een ,,merit good” toe te

kennen. Hierbij komen zowel overwegingen van de rij ksover-

heid als van de lokale overheid aan de orde. Eventuele

overwegingen van regionale aard worden gemakshalve bij het

lokale niveau ondergebracht.

Het stimuleren van sportbeoefening

In Nederland subsidieert de overheid de amateursport,

omdat zij het om een aantal redenen belangrijk, zo niet

noodzakelijk vindt, dat zoveel mogelijk mensen aan sport

doen. Het is de overheid daarbij echter volmaakt onverschillig
of iemand ervoor kiest te gaan tafeltennissen, hardlopen of

voetballen. Voor het betaalde voetbal betekent dit, dat duide-

lijk aantoonbaar moet zijn, dat als gevolg van het bestaan daarvan mensen aan het amateurvoetbal zijn gaan deelne-

men, die anders niets aan sport zouden hebben gedaan. Zou

dit niet het geval zijn, dan zou slechts de verdeling van het

totale aantal actieve sportbeoefenaren over de verschillende

sporten afwijken van die in een situatie zonder het bestaan van
betaald voetbal.

In Nederland is het aantal mensen, dat in georganiseerd

verband sport beoefent, de laatste 15 â 20 jaar niet alleen in
absolute zin, maar ook in verhouding tot de bevolkingsom-

vang toegenomen. Het lijkt mij echter een bijna ondoenlijke

zaak te bepalen in hoeverre het bestaan van betaald voetbal

F. Hartog en 0. van Poelje,
Bestuur door middel van subsidiëring,
Preadviezen voor de Belgische en Nederlandse Instituten voor Be-
stuurswetenschappen, 1952.
W. Drees en F. Th. Gubbi,
Overheidsuitgaven in theorie en
praktijk,
Wolters Noordhoff, Groningen, 1968.

ESB 30-8-1978

867

aan deze uit oogpunt van overheidsdoelstellingen op het

gebied van de sport zo gunstig te noemen ontwikkeling heeft

bijgedragen. Immers, zou de relatieve groei van het aantal

sportbeoefenaren niet mede veroorzaakt kunnen zijn door

b.v. de verkorting van de werktijd (waardoor mensen er

gemakkelijker toe kunnen komen een deel van hun vrije tijd

aan sport te besteden)?

De stijging van het aantal sportbeoefenaren is naar mijn
mening nauwelijks het gevolg van het bestaan van betaald

voetbal, maar moet in veel belangrijker mate aan het in

Nederland gevoerde sportbeleid worden toegeschreven. De

argumentatie hiervoor is de volgende. Het lijkt redelijk te

veronderstellen, dat als het bestaan van betaald voetbal al

stimulerend zou werken op de deelname aan de amateursport,

dit voornamelijk op de deelname aan het amateurvoetbal zal
zijn. Het is niet directaannemelijk, datiemanddoorhet kijken

naar een voetbalwedstrijd enthousiast voor de badminton-

sport zal worden. Het sportbeleid in ons land richt zich op alle

takken van amateursport, inclusief de amateurvoetbalsport.

Bij een grote meerderheid van de sportbonden is sprake van
een stijging van de ledenaantallen, ook in verhouding tot de

groei van bevolking. Slechts bij enkele sportbonden, waaron-

der enigszins opvallend de Koninklijke Nederlandse Schaat-

senrijders Bond, is het aantal leden (zelfs in absolute zin) ge-

daald. Gegeven het feit, dat voor een breed scala van sporten

(van golf tot tafeltennis) sprake is van een relatieve stijging van

de ledenaantallen, lijkt de conclusie gerechtvaardigd, dat deze

ontwikkeling eerder een gevolg is van het gevoerde sportbe-

leid dan van het bestaan van betaald voetbal.

Werkgelegenheid

Bij het nu volgende ga ik uit van de nogal vergaande

veronderstelling, dat als de overheid het betaalde voetbal niet

tot een ,,merit good” zou bestempelen, en dus ook niet zou

subsidiëren, het betaalde voetbal zou verdwijnen. ,,Berekend”

kan worden, dat verdwijning van het betaalde voetbal zou

leiden tot een verlies van ca. 950 arbeidsplaatsen. Hierbij is het
begrip arbeidsplaats zodanig gedefinieerd, dat iemand die per

week 40 uur ten dienste van zijn werkgever staat, één arbeids-

plaats vervult. Het totaal van 950 arbeidsplaatsen is als volgt

opgebouwd: Werkgelegenheid van de spelers:

600

Werkgelegenheid van de trainers:.

74

Werkgelegenheid van de staf:

.

256

.
Werkgelegenheid in de toeleveringsbedrijven:

20

950

Zonder de indruk te willen wekken lichtvaardig over het

werkloosheidsprobleem te denken, moet toch worden gecon-

stateerd, dat de absolute omvang van de werkgelegenheid in

het betaalde voetbal niet bijzonder groot te noemen is. Dit

wordt nog versterkt door de kanttekeningeh, die met betrek-

king tot de diverse groepen zijn te plaatsen.

Ad a. Spelers.
Het betreft hier een groep werknemers, die

na het bereiken van een bepaalde leeftijd toch al een ander
beroep dan dat van betaald voetballer moet gaan uitoefenen.

Iedere betaalde voetballer is zich hiervan bewust (zou zich dat

in ieder geval moeten zijn). Bovendien geldt dat de overgrote

meerderheid van hen al een andere (deel)betrekking heeft.
Ad b.
Trainers.
Gegeven het feit, dat een trainer van een

club in het algemeen voor geen enkel ander beroep dan dat
van
trainer is opgeleid, zal het verdwijnen van de werkgele-
genheid in het betaalde voetbal voor hen verhoudingsgewijs

‘eel problemen met zich kunnen brengen. Dit wordt echter

weer in belangrijke mate afgezwakt, omdat de meesten van

hen met waarschijnlijk vrij geringe omscholingsmoeilijkheden

functies binnen de onderwijs- en recreatieve sportwereld
kunnen gaan bekleden. Dit geldt te meer, omdat een aantal
trainers al een onderwijsbevoegdheid voor leraar lichamelijke
opvoeding bezit.

Ad c.
Staf.
Tot de staf van een club behoort administratief,

medisch (arts, masseur) en onderhoudstechnisch (terrein-

knechten) personeel. Werkloosheid zal voor hen verhou-

dingsgewijs weinig problemen met zich brengen. Het admini-

stratieve personeel b.v. is voor een reeks van functies geschikt.

Ad d.
Toeleveringsbedrijven.
Te denken valt aan drukke-

rijen, dag- en weekbladen en de horeca. Ook de in deze

.bed rjven optredende werkloosheid zal verhoudingsgewijs

weinig problemen met zich brengen.

Zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve werkgelegen-

heidsproblemen zijn gering te noemen. Overwegingen betref-
fende de werkgelegenheid zullen dan ook bij de overheidsbe-

sluitvorming over het karakter van het goed ,,betaald voet-

bal” nauwelijks een rol spelen.

Plezier in het voetbal als gevolg van internationale successen

Het lijkt nauwelijks’overdreven te stellen, dat (de kans op)

internationale successen van afzonderlijke clubs (Ajax,

Feijenoord, PSV) of van het nationale team (Wereldkampi-

oenschappen 1974 in West-Duitsland en 1978 in Argentinië)

het Nederlandse volk haast in vervoering kunnen brengen.

Als ,,bewijs” voor deze stelling kunnen de kijkdichtheid- en

waarderingscijfers van voetbalprogramma’s worden aange-

voerd (zie tabel 2).

Tabel 2. Kijkdichtheid- en waarderingscijfers per program-

ma-categorie
a)

Seizoen 197211973 Seizoen 197311974

kijk-
waar-
aantal
kijk.
waar-
aantal
dicht-
dering pro-
dicht-
dering
pro-
heid
gram-
heid
gram-
ma’s
mas

Godsdienst

…………………….

4%
68
131
5%
69 65
2%
70
341
9%
69
450
6%
72
246
26%
72
203
40%
73
1.141
427c
73
1.084
17%
78
122
15%
77
83

zware informatie

…………………
Actualiteiten

…………………….

6%
71
396
4%
70
281

Journaal

………………………..
Natuurfilm/reisreportage ……………

13%
62
124
14%
64
110
Kleine zendgemachtigden ……………

Totaal infornsatie …………………

6%
71
2.501
5%
72
2.276

Lichte informatie ………………….

.

.

8%
68 39
6%
68
43
6%
73
26
7%
73
105
Kunstinformatic

………………….
Ernstige muziek …………………..
13%
66
17

~82

9%
66
12
Modernemuiek

………………….

Totaalcaltuur

……………………
8%
71
7%
72
160

Buitentandstv-spel!titm ………….
22%
73
218
24%
73
208
Ned.ts..spet/film

………………….
19%
69 39
26%
69
45
Ncd.tv-serie

……………
.
………
.41%
75
48
38%
74
101
Buitenlandseavonturenserie

…………
24%
75
289
27%
74
311
Overige baitenlandse 1v-serie …………
27%
74 401
27%
74
413

Totaalelrama

…………………….
25%
74
995
27%
74
1

1.078

26%
72
207
23%
72
204
Ned. amusement/qui?
.

…………….

38%
74
284
30%
72
331
25%
69 43
37%
76
21
21%
71
78
6%
72
59

Ned. lichte muziek

………………..

Ned. cabaret/satire

……………….
Binnenlands amusement

……………

31%

.

73
612
1
26%
72
615

27%
73
170
30%
73
140
56%
72
16
58%
77 32

Totaalamusement ….. ………….. ..

Sportrubriek

…………………….
Voetbalreportagc ………………….
Overige sport progra m ma’s … . ……..

12%
i71
78
14%
72
37

27%
73
264
32%
73
209

.

17%
68
732 14%
68
595

Totaal sport

……………………..

24%
72
67
19%
71
84
Kinderprogramma’s

……………….
TienerproOransma …………………

lotaaljeiigd
18%
68
799
16%
69
679

Totaal

……………

…………….
21%
71
7.801
21%
71
7.467

Bron: NOS.
Kijken
en
/t,istere,i 197211974.
1975
al Bovenstaande tabel geeft degemiddelde kijkdichtheid-en waarderngcujlers
van
alle in het
seizoen 197211973 en in het seizoen 197311974 uitgezonden programma’s, onderscheiden
uaar diverse categoriefn.

868

Uit tabel 1 blijkt, dat de kijkdichtheid- en waarderingscij-

fers van voetbalreportages op de televisie (aanmerkelijk)

hoger liggen dan die van welke andere programmacategorie

ook. Een kijkdichtheid van 1% betekent, dat ongeveer 100.000

personen van 1 2jaar en ouder, die thuis televisie hebben, naar

een bepaald programma hebben gekeken.

Aangezien het niet goed mogelijk is vertegenwoordigers in
de diverse Europacup-tournooien te hebben zonder achterlig-

gende nationale competitie (dit geldt misschien nog sterker

t.a.v. het nationale team), lijkt hier voor de overheid een (zeer)

belangrijke overweging te kunnen liggen om het betaalde

voetbal tot ,,merit good’e bestempelen.

Plezier in de nationale voet balcompet iiie: hei ,, league sian-
ding effect”
Zojuist was sprake van de nationale competitie als noodza-

kelijke voorwaarde voor het kunnefl behalen van internati-

onale successen door Nederlandse voetbalvertegenwoordi-

gers. Maar ook aan die nationale competitie op zich wordt

door het Nederlandse volk veel plezier beleefd. Ook voor deze
stelling zijn nauwelijks ,,bewijzen” aan te voeren. Toch lijkt ze
ons juist, o.a. gezien de zeer grote aandacht die radio, televisie

en schrijvende pers aan de competitiewedstrijden schenken.

Verder is er het ,,gegeven” dat zeer grote groepen mensen, van
willekeurig welke samenstelling, het houden van voor- en

nabeschouwingen tot de geliefkoosde onderwerpen van ge-

sprek rekenen. Naar mij lijkt kân het ,,league standingeffect”

– door Neale II) omschreven als de opwinding over mogelij-

ke kansen op verandering in de stand op de ranglijst – voor
de overheid een belangrijke overweging vormen om het be-

taalde voetbal tot ,,merit good” te bestempelen.

Internationaal prestige

Het is bekend, dat m.n. Oostbloklanden veel waarde

toekennen aan het behalen van internationale successen in allerlei takken van sport. Dit feit moet vooral worden ge-

plaatst tegen de achtergrond van het streven van deze landen

om in de westelijke wereld een zo gunstig mogelijk beeld van
zich zelf te scheppen.

Hoewel het bijzonder moelijk, zo niet onmogelijk, is om

te bepalen of internationale successen van bv. Ajax,

Feijenoord, PSV of het Nederlandse elftal het prestige van
Nederland in het buitenland hebben vergroot, kan wel wor-

den geconstateerd, dat de Nederlandse topvoetballers vaak
een grotere bekendheid genieten in het buitenland dan b.v.

Nederlandse ministers. Maar zelfs al zou het prestige van

Nederland vergroot zijn, dan nog kan volgens mij in alle

redelijkheid niet worden volgehouden, dat Nederlandse be-

drijven buitenlandse orders krijgen toegewezen uitsluitend of

in belangrijke mate dank zij het feit dat Nederlanders zo goed
kunnen voetballen. M.a.w., voor de overheid lijkt hier geen

overweging te liggen om het betaalde voetbal het karakter

van een ,,merit good” toe te kennen. –

Overwegingen voor de lokale overheid

Een extern effect, dat vnl. lokale betekenis heeft, is het
volgende: de aanwezigheid van een betalende club in een

bepaalde stad zou de aantrekkelijkheid van die stad, o.a. als

vestigingsplaats voor het bedrijfsleven, kunnen vergroten.
Inderdaad is er een aantal gemeentebesturen, dat de lokale

betalende club subsidieert op grond van de overweging, dat
haar aanwezigheid de aantrekkelijkheid van de gemeente als

vestigingsplaats voor het bedrijfsleven vergroot. Deze over

weging wordt niet ondersteund door de resultaten van een

tweetal door mij gehouden enquêtes. Uit beide enquêtes

gehouden onder Kamers van Koophandel, die een gebied

bestrjken, waarbinnen één of meer betalende clubs zijn
gevestigd resp. onder bedrijven met meer dan 25 werknemers

in dienst, die zich sinds augustus 1954 (de invoeringsdatum

van het betaalde voetbal in Nederland) in een gemeente

hebben gevestigd waar eveneens een betalende club was en is

gevestigd, kwam overduidelijk naar voren, dat bij het kiezen

van een bepaalde gemeente als vestigingsplaats de aanwezig-
heid van een betalende voetbalclub in geen enkel opzicht een

factor van zelfs maar enige betekenis was.

Een gemeentebestuur kan ook subsidiëren op grond van de

overweging, dat een betalende club tot het sociaal-culturele

voorzieningenpakket behoort, dat zij haar inwoners wenst

aan te bieden.

In de in dit artikel gebruikte definitie van subsidie is sprake

van bepaalde, door particuliere instellingen verrichte activi-

teiten op een door de overheid gewenst peil. Het lijkt redelijk

te stellen, dat het uitspreken van een oordeel over deze

,,bepaalde activiteiten” veel beter kan worden voorbehouden

aan de lokale dan aan de rijksoverheid. Het is vooral de

laagste bestuurslaag, i.c. het gemeentebestuur, die inhoud

moet en kan geven aan het ,,karakter” van een stad. Het

element van vergroting van de aantrekkelijkheid als vesti-

gingsplaats kan voor de overheid, m.n. voor de lokale, dan

ook een overweging vormen om het betaalde voetbal tot

,,merit good” te bestempelen.
Subsidiëren, maar hoe?
In het voorgaande heb ik geconstateerd, dat het weliswaar
mogelijk moet worden geacht de exploitatietekorten van het

betaalde voetbal (aanzienlijk) te verkleinen, maar dat een

volledige verdwijning hiervan waarschijnlijk tot de onmoge-

lijkheden behoort. In samenhang met de bestempeling door

de overheid van het betaalde voetbal tot ,,merit good” lijkt het

redelijk het betaalde voetbal voor subsidiëring in aanmerking

te laten komen. In mijn opvatting rust de ,,plicht” tot subsidië-

ren in ieder geval op de rijksoverheid en kân zij op de lokale
overheid rusten.
Subsidiëring kan op verschillende wijzen plaatsvinden. De
overheid kan b.v.jaarlijks een vast geldbedrag geven, maar zij

kan er ook voor kiezen een bepaald percentage van het

exploitatietekort voor haar rekening te nemen.
De exploitatietekorten worden in overwegende mate ver-

oorzaakt door de loonbetalingen. Deze laatste zijn hoger dan
de ,,transfer earnings”, m.a.w. zij bevatten een stuk ,,rent”. Ik

ben ervan overtuigd, dat als de overheid zou besluiten

,,zomaar” een geldbedrag aan het betaalde votbal te geven,

dit uitsluitend ten gevolge zou hebben, dat de ,,rent” in de

loonbetalingen zou toenemen, zodat het betaalde voetbal ook

na ontvangst van de overheidssubsidie nog met exploitatiete-
korten zou worden geconfronteerd.

Een andere belangrijke ,,veroorzaker” van de exploitatiete-

korten is de nauwelijks in benedenwaartse richting bij te

stellen omvang van de huisvestingskosten. Ik zou er dan ook
sterk de voorkeur aan geven, als de overheid de verplichting
op zich zou nemen te zorgen voor de infrastructuur (= sta-

dion+speelveld+trainïngsaccommodatie) van het betaalde
voetbal. De vorm, waarin dit zou kunnen worden gegoten is

die van doeluitkeringen van de rijks- aan de lokale overheid.

Naar mijn mening schept de overheid op deze wijze een

voldoende voorwaarde om te komen tot een sluitende exploi-

tatie. Iedere andere vorm van subsidieverlening draagt het
gevaar in zich dat, populair gezegd, geld wordt gegooid in een

bodemloze put. Ook de Stuurgroep Betaald Voetbal stelt zich
op dit standpunt.

Mocht deze vorm van subsidieverlening niet voldoende
blijken te zijn, m.a.w. mocht het betaalde voetbal met exploi-

tatietekorten geconfronteerd blijven, dan is geen andere

conclusie mogelijk, dat er voor het betaalde voetbal in Neder-

land onvoldoende ,,markt” bestaat.

A.M.
Mulder

II) Walter C. Neale, The peculiar economics of professional sports,
The Quar:erly Journal of Economics,
februari 1964.–

ESB 30-8-1978

869

Het reisverkeer in de nationale

economie

DR. M. C. TIDEMAN

Uitgaven voor reisverkeer nemen een belang

rijke plaats in in de nationale consumptie en ook
op de betalingsbalans voor hei diensten verkeer.

De ontvangsten uit reisverkeer van buitenlanders
in Nederland houden echter geen gelijke tred mei

de bestedingen van Nederlanders in het buiten-

land. Dr. M. C. Tideman van het Adviesbureau

Tideman voor toerisme en horeca te Voor-

schoten, .en tevens docent aan de Hogere Hotel-

school in Scheveningen, licht dii aan de hand van

cijfers toe en gaat in op enkele mogelijke oor-

zaken van deze ontwikkeling.

Reisverkeer

Onder reisverkeer wordt verstaan het geheel van verschijn-

selen die worden veroorzaakt door de verplaatsing van perso-

nen, ongeacht het doel en de tijdsduur van de reis. Dit bete-

kent dat zowel het reizen voor beroepsuitoefening als voor

genoegen, voor studie zowel als voor gezondheid tot het reis-

verkeer wordt gerekend. En wat de tijdsduur betreft: uit statis-
tische overwegingen ten einde de omvang van althans het

reisverkeer voor genoegen te meten, houdt het Centraal Bu-

reau voor de Statistiek een minimum tijdsduur aan van twee
uur buitenshuis en worden in de hotelstatistiek gasten die lan-

ger dan twee maanden in hetzelfde hotel logeren als vaste gas-
ten beschouwd en niet meer tot het reisverkeer gerekend.

Het bovenstaande houdt in dat in de nationale economie

drie categorieen reizigers van invloed zijn:

• de reizigers voor genoegen in het binnenland; deze uit-
gaven vallen onder de particuliere consumptie;

• de reizigers voor beroepsuitoefening in binnen- of buiten-

land; deze uitgaven vallen onder de onderlinge leveringen van bedrijven;
• de reizigers die in het buitenland geld uitgeven; deze uitga-

ven komen voor op de betalingsbalans.

Over deze laatste categorie bestaat de meeste informatie;

over de tweede de minste. Achtereenvolgens zal nu aandacht

worden geschonken aan de betekenis van deze drie soorten
reisverkeer voor de nationale economie.

Reisverkeer in de consumptie

Onderzoek naar de economische betekenis van het reisver-

keer is nog steeds van zeer beperkte omvang en diepgang. Het
proefschrift van schrijver dezes 1) handelt nadrukkelijk

slechts over het grensoverschrijdende reisverkeer; zijn vol-
gende boeken 2) 3) bleven beperkt tot het reisverkeer voor ge-

noegen, al komt met name in de laatste studie ook het reisver-

keer voor beroepsuitoetening alsmede het betalïngsbalansas-

pect aan de orde.
Sedert een jaar of tien krijgt het reisverkeer ook aandacht

van het Nederlands Research Instituut voor Toerisme en Re-

creatie in Breda, dat van het Ministerie van Economische Za-

ken een subsidie van f. 400.000 per jaar ontvangt voor funda-

menteel onderzoek met betrekking tot het toerisme.
In de publikatie
Recreatie en economie
3) worden voor

1973 de volgende uitgaven voor recreatie van Nederlanders
in eigen land genoemd:

f. 1.242,4 mln. tijdens vakantie;
f. 1.685,7 mln. tijdens korte verbijven 4);
f. 4,303,5 mln. tijdens dagtochten;

f. 2.130,0 mln. voor en na de reis 5);

f. 9.361,6 mln.

Het totale bedrag komt neer op bijna f. 700 per inwoner,

ruim tien procent van de nationale consumptie van gezins-

huishoudingen. Als daarbij de f. 2.855 mln, gevoegd wordt

die Nederlanders volgens genoemde studie in dat jaar in het
buitenland voor recreatie uitgaven, dan bedroegen de totale

bestedingen van Nederlanders voor recreatie in 1973 ruim

f. 12,2 mrd., bijna 13,5% van de toenmalige particuliere con-

sumptie.
Voor 1976 werden de bestedingen vad Nederlanders voor

recreatie in eigen land becijferd op f. 12.176 mln. 6). Als daar-
bij de ruim f. 4,5 mrd. wordt gevoegd die door Nederlanders

voor recreatie over de grens zijn besteed, komen wij op

f. 16,75 mrd., 12,3% van de nationale particuliere consumptie

in dat jaar en ruim f. 1.200 per inwoner (de in Nederland

woonachtige buitenlanders vallen buiten het recreatie-

onderzoek).

Ofschoon het procentuele aandeel van 1973-1976 iets is te-
ruggelopen omdat de bestedingen voor recreatie in eigen land
minder sterk zijn gestegen dan de nationale consumptie, il-

lustreert niettemin het aandeel van de recreatie-uitgaven in de

M. C. Tideman,
De economische betekenis van hei vreemde/in-
genverkeer voor Nederland, 1960.
M. C. Tideman,
De economische betekenis van de openluchtre-
creatie voor Nederland, studie ter gelegenheid van het 10-jarig be-
staan van de Stichting Recreatie, Den Haag,
1968.
M. C. Tideman,
Recreatie en economie,
uitgave Stichting Re-
creatie, ‘s-Gravenhage,
1975.
Het CBS spreekt van een ,,kort verblijr’, wanneer men voor
recreatieve doeleinden 1, 2 of 3 overnachtingen achtereen buitens-
huis vertoeft. Een langer verblijf (4 of meer overnachtingen) wordt
overal in Europa als ,,vakantie” betiteld.
Vrijetijdskleding, foto, film, boten, caravans, tweede woningen,
tenten en andere aan recretie toe te rekenen aanschaf van goederen.
Bron:
De economische betekenis van het toerisme voor Neder-
land,
brochure van het Nationaal Bureau voor Toerisme; bereke-
ningen van het Adviesbureau Tideman voor Toerisme en Horeca te
Voorschoten,
1977.

870

Tabel 1. Het reisverkeer op de nationale dienstenba/ans, 1962, 1973, 1977

1962 1973
1977 1962
1973
1977 1962
1973
1977

in mrd. gld. in mrd. gld.
Saldo

dienstenuitvoer
5,50
15,40
21,8 2,97
9,40
14.4
+ 2,53
+
6,0
+
7,4
reisverkeer
0,81
2,68 2.72
reisverkeer

………..0,65
3,28
6.02
+
0,16

0,60

3.3
2 in % van
14,7 17.4
2,4

diensteninvoer
………

2 in %
van
21,9
34.9
41,9

particuliere consumptie welke grote plaats dit deel van de

dienstverlening voor de bevolking is gaan innemen. Dat daar

bij in die drie jaren het gedeelte van de bestedingen dat in ei-

gen land wordt gedaan is teruggelopen van 76,6 naar 72,8% is

een verontrustend aspect, vooral voor de werkgelegenheid in
de recreatiesector. Deze is in de laatste drie jaren dan ook te-

ruggelopen van 170.000 naar 158.000 manjaren, vooral door

een sterk verbeterde arbeidsproduktiviteit. De ontwikkeling is
des te verontrustender, omdat de relatief teruggelopen beste-

dingen voor recreatie van landgenoten in eigen land geenszins
wordt gecompenseerd door toenemende bestedingen van bui-

tenlanders hier.

Reisverkeer op de betalingsbalans

Het reisverkeer vormt een steeds belangrijker bestanddeel

van onze nationale dienstenbalans. Bestedingen van buiten-

landse reizigers in ons land komen slechts tot stand bij een

dienstverlening hier te lande en behoren aldus tot de diensten-

uitvoer. Omgekeerd vragen Nederlandse reizigers in het bui-
tenland om een dienstverlening van buitenlandse bedrijven

(diensteninvoer).
In tabel 1 trekt de forse verhoging van het aandeel van
het reisverkeer in de diensteninvoer de aandacht (verdubbe-
ling in vijftien jaar; de laatste vier jaar een stijging van
35
naar
42%), maar daarnaast ook de daling met eenderde deel van de
bijdrage van het reisverkeer in onze nationale dienstenuit-

voer. De negatieve bijdrage aan de nationale dienstenba-

lans wordt in tabel 2 voor de laatste acht jaar geïllustreerd.

Tabel 2. Betalingsbalans van het reis verkeer voor Nederland,

1969-1977.

Ontvangsten (in mln. gld.(
Consumptie.
prijsindex
Reisuitgaven
(in mln. gld.(
in geld
in volume

1.236 1.236
100
1.930
1969

………….
1.552 1.492
104
2.191
2.063
1.826
113
2.570 2.396 .964
122
2.806
2.687 2.036
132
3.285

1970

………….
1971

………….

1974
2.742
1.878
146
3.618

1972

………….
1973

………….

2.802
1.740
161
4.214
1975

………….
2.807
.590
176
5.240
1976

………….
1977

………….
2.724
1.449
188
6.016

Bron: De Nederlandsche Bank.

Oorzaken gestegen bestedingen Nederlanders

Eerder in dit artikel werden de uitgaven voor recreatie van
de Nederlandse bevolking voor 1973 gesteld op f. 12,2 mrd.,

ca. f. 925 per landgenoot. Drie jaar later was dit bedrag bijna
éénderde hoger (f. 1.200). Een opvallende stijging in een
periode waarin het reele Vrij beschikbare inkomen van de

modale werknemer met niet meer dan 7% is toegenomen.

Er werd reeds op gewezen dat de sterk gestegen bestedingen
voor het recreatieve reisverkeer overwegend werden veroor-

zaakt door bestedingen van landgenoten in het buitenland. In

de in voetnoot 3 genoemde studie wordt aangetoond dat de reisuitgaven van Nederlanders in het buitenland voor 1973

voor niet minder dan 87% aan recreatie mogen worden toege-
schreven en slechts voor 13% aan zakenreizen; dit in aanzien-

lijke tegenstelling tot de bestedingen van buitenlandse

reizigers in ons land, voor wie dit laatste percentage in 1973 op

36 wordt gesteld.

De veronderstelling lijkt gerechtvaardigd dat in 1976 wel
90% van de reisuitgaven van Nederlanders in het buitenland

aan recreatie mag worden toegerekend, gelet op het feit dat

het bedrag dat aan zakenreizen wordt uitgegeven qua volume

veel minder snel stijgt. In de periode 1973-1976 zijn dan de

reisuitgaven van landgenoten in het buitenland met bijna

tweederde toegenomen.

De vraag naar de oorzaak van deze explosieve ontwikke-

ling wordt o.i. wel eens erg gemakkelijk afgedaan met ,,dood-

doeners” als klimaat en duurte. Wat het eerste betreft willen

wij erop wijzen dat in de beschouwde periode 1973-1976 twee
uitzonderlijk fraaie zomers voorkwamen, terwijl bovendien

ons klimaat gemiddeld niet ongunstiger is dan elders in
Noord-, West- en zelfs Midden-Europa. Wat betreft de prijs-

ontwikkeling mag de aandacht erop worden gevestigd dat in

deze periode in Europa slechts Zwitserland en de Duitse

Bondsrepubliek een geringere prijsstijging hebben gekend.

De vinger wordt nog wel eens beschuldigend gericht op de

Nederlandse horecabedrijven die ,,duur en slecht” zouden

zijn. Op het tweede adjectief komen wij in onze slotparagraaf
terug en wat de duurte betreft: sedert 1969 is het consumptie-

prijspeil met 88% gestegen, maar dat van de horeca slechts

met 75%.
In de prijsstijging schuilt geen rechtvaardiging voor de voorkeurstrek van Nederlandse recreanten over de grens.

Ook de ,,harde” gulden kan maar ten dele als argument wor-

den aangevoerd, want 49% van de reisuitgaven vindt plaats in

landen met een even harde munt (de Duitse Bondsrepubliek,
Belgie, Zwitserland, Oostenrijk). Wel ligt hierin natuurlijk

een belangrijke oorzaak van de snel gegroeide belangstelling

van Nederlandse reizigers voor Groot-Brittannie en Noord-
Amerika.

Belangrijk is dat wij altijd een uitermate reislustig volkje
zijn geweest. Vorig jaar nog werd in dit blad 7) aangetoond

dat de vakantiemarkt in Nederland na die van Zweden en

Zwitserland relatief de grootste van Europa is: het aantal

vakanties op 100 landgenoten bedroeg vorig in ons land ruim

lOO tegenover ca. 200 in Zweden en 155 in Zwitserland, maar

slechts 62 in Belgie, 66 bij de oosterburen, en rond 83 zowel
in Groot-Brittannie als Frankrijk.
Verklarende variabelen voor de grote Nederlandse vakan-

tiemarkt zijn niet zozeer de hoogte van inkomen (dat is in

alle genoemde landen op Groot-Brittannië na niet minder

dan bij ons), maar de urbanisatiegraad (bevolkingsdicht-

heïd), het opleidingsniveau en de caravandichtheid. Wellicht
heeft ook ons stelsel van sociale zekerheid invloed, waardoor

de Nederlandse uitkeringsgerechtigden meer dan hun ,,colle-

ga’s” in andere Europese landen tot reizen voor genoegen in staat zijn.

Oorzaken gedaalde bestedingen buitenlanders

In tabel 2 werd reeds naar voren gebracht dat de ontvang-
sten uit het reisverkeer van buitenlanders zich zeer ongunstig

ontwikkelen: 1977 lag slechts 1% boven het niveau van 1973,

7) M. C. Tideman, Het Europese vakantiepatroon,
ESB,
14septem-
ber 1977.

ESB 30-8-1978

871

hetgeen – de stijging van het algemene consumptieprijspeil

8) in aanmerking nemende – een reële daling met ruim 28%

betekent. Ook hiervoor wordt dikwijls de dure gulden als
reden genoemd. Tabel 3 toont de kwetsbaarheid van deze

redenering aan:

Tabel 3. De stijging van de ontvangsten van buitenlandse rei

zigers in landen met harde valuta’s, 1973-1977

Nederland
……………………………………………………….
115
Zwitserland
………………………………………………………
141
BLEU
………………………………………………………….
58
Oostenrijk
………………………………………………………
169
West-Duitsland

…………………………………………………..
72

Bron: OECD. Parijs; basisgetallen in U.S. dollars, hetgeen het indexcijfer voor Zwitserland
extra nadelig beïnvloedt.

Daar tweederde deel van de ontvangsten m.b.t. het

reisverkeer volgens de valuta-uitsplitsing van De Nederland-

sche Bank afkomstig is uit de bovenstaande vier landen,

verliest deze ,,overmachtsoorzaak” veel aan kracht en geldt

zij alleen voor de Angelsaksische landen en Frankrijk.

Belangrijk in de analyse naar de oorzaken van genoemde

daling – zelfs in waardebedragen dus – is de vaststelling dat

het aantal verblijfsdagen van buitenlandse reizigers in ons

land niet afneemt. Voor het omvangrijke dagbezoek – dat in

1973 voor bijna de helft in de ontvangsten bijdroegmeest

1973 voor bijna de helft in de ontvangsten bijdroeg – is dat

moeilijker te meten dan voor de meeste logiesvormen, maar

met name in de kwalitatief belangrijke hotellerie (hoogste

gemiddelde ,dagbesteding) was in 1977 het aantal geregis-

treerde overnachtingen van buitenlanders hoger dan in 1973

(3,1%). Dit duidt op een gedaalde gemiddelde dagbesteding,

zo niet absoluut dan in elk geval in constante prijzen. Deze

veronderstelling vindt een bevestiging in de ontwikkeling van
de feitelijk betaalde logiesprijs voor tours die gedurende de

jaren 1973-1977 door een wanverhouding m.b.t. de vraag

naar en het aanbod van hotelkamers sterk is afgebrokkeld

en dikwijls tot de helft van het nominale tarief daalde.

Een CBS-onderzoek 9) toont aan dat 34% van de Neder-

landse vakantiegangers in 1972 veel tot zeer veel ,,lekker gaat

eten” en dat slechts 24% dat nooit deed. Wij hebben sterk de

indruk dat in recente jaren deze percentages nog sterker

zijn gaan divergeren, mede omdat er versneld tot een buiten-

landse vakantie wordt overgegaan, waar ,,lekker eten” in het

algemeen veel goedkoper kan geschieden dan in ons land.

De relatief gedaalde gemiddelde dagbesteding kan ook zijn

veroorzaakt door een afnemende waardering vn het ,,reis-

produkt Nederland”. De sterk gestegen arbeidskosten, die in

de horecabedrijven ongeveer de helft van de omzet opeisen,
dwingen vele ondernemers tot een versterkt streven naar ar-
beidsproduktiviteit, hetgeen vermindering van persoonlijke

service ten gevolge kan hebben. Maar daarnaast spelen de

mentaliteitswijzïgingen in het arbeidsklimaat o.i. een belang-
rijke rol: in brede kringen wordt ervaren dat dein de jaren ze-

ventig aanzienlijk verbeterde arbeids’oorwaarden geenszins

hebben geleid tot een evenredige verbetering van de geleverde

arbeidsprestatie, soms zelfs het tegendeel! Wezenlijk dienst-

betoon is geen eenvoudige zaak.

Omgekeerd heeft dit verschijnsel natuurlijk een remmende

invloed op de bestedingen van buitenlanders in ons land.

Voor ons heeft zich het laatste jaar in toenemende mate de

vraag opgedrongen of dit laatste verschijnsel niet de voor-
naamste oorzaak is voor de daling van onze ontvangsten uit

het reisverkeer van buitenlanders.

Uiteraard stemt deze prjsindex niet overeen met die welke zou
moeten worden gehanteerd voor het pakket dat buitenlanders in ons
land aanschaffen; gedacht behoeft slechts te worden aan bestedingen
in horecabedrijven die in de nationale consumptieprijsindex een we-
ging van ca. 3% hebben en in het reisverkeer voor 40% meetellen. Het
berekenen van een prjsindex voor het pakket dat buitenlanders hier
te lande kopen, moet dan wel naar zeer vele Soorten reizigers afzon-
derlijk geschieden (zakenlieden, logerende recreanten en dagbezoe-
kers), hetgeen wel mogelijk is, maar ons thans hier te ver voert.
CBS, Statistische onderzoeken M2,
Vakantiesti/len 1972,
1977.

Vacatures

Functie:
Blz.:
Functie:
Blz.:

ESB
va,t 16 augustus
Econoom voor research op breed terrein bij de afdeling

Econoom tevens waarnemend afdelingschef voor de
Financiele Zaken van Philips in

Eindhoven
III

afdeling Grondzaken van de Dienst Stadsontwikke-
Econoonbij de. Universiteits Bibliotheek van de Eras-

lingen en Volkshuisvesting te Groningen

.
822 .

mus Universiteit Rotterdam
IV

Econoom ten behoeve van de afdeling Economisch
onderzoek en statistiek van de FME te Zoetermeer
830
Jonge academici of HBO-ers in de fïnancieel-econo-
mische richting voor functies in de kredietensector
van de NMB

.
Buitengewoon hoogleraar marktkunde (m/v) aan de
834 ‘

ESB
van 23 augustus

Economische Faculteit van de VU te Amsterdam
835
Stafmedewerkers (m/v) voor het Ministerie van Finan-
Buitengewoon lector in de
bedrijfskunde (i.h.b. tech-

ciën t.b.v. het Directoraat-Generaal van de Rijks-
nologische aspecten van de
bedrijfskunde)
voor de

begroting, Secretariaat van de Commissie voor de
Rijksuniversiteit Groningen
850

Ontwikkeling
van Beleidsanalyse
836
Administrateur voor het energiebedrijf van de gemeente

Wetenschappelijke

medewerkers

voor

het

Centraal Voorburg
860

Planbureau (m/v)
836
Regionale planner voor DHV Raadgevend Ingenieurs-

Beleidsmedewerker voor het Ministerie van Onderwijs bureau BV te Amersfoort

.

.
11

en Wetenschappen t.b.v. de Directie Arbeidsoor-
Econoom van 30 â 35 jaar met enige bedrijfservaring

waardenbeleid,
afdeling Analyses
836
voor de functie van wetenschappelijk medewerker bij

Chef sectie statistiek voor de afdeling
Fondsenbeheer,
het bedrijfschap voor de groothan4el in bloemkwe-
Administratie en Statistiek van de Sociale Verzeke-

kerijprodukten
111

ringsraad

.
.
Medewerker regionaal-sociaal-economisch’ beleid (m/v)

Medewerkers voor het Ministerie van Economische
voor de Provincie Noord-Brabant

.
IV

Zaken (m/v) t.b.v. het Directoraat-Generaal voor
Medewerker arbeidsrnarktvraagstukken
(mis’)
voor de

Prijzen, Ordening en Regionaal Beleid
III
Provinçie Noord-Brabant

..
IV

872

De kwaliteit van de voorspellingen

van het Centraal Planbureau

Een analyse van de verschillen tussen voorwaardelijke

voorspellingen en realisaties 1953-1975

H. C. ELTE

R. F. HOCHHEIMER

W. KUIPERS

C. L. WORMS*

In het afgelopen jaar zijn zowel de modellen die het
Centraal Planbureau gebruikt bij het maken van voor

spellingen en
,
,spoorboekjes”, als de kwaliteit van de

voorspellingen zelf uitvoerig onderwerp van discussie

geweest. Het eerste aspect wordt hier buiten beschou-

it’ing gelaten. In dit artikel gaat de aandacht uitsluitend

uit naar de kwaliteit van de voorspellingen van het

CPB. Na de twee publikaties die het bureau daarover

zelf hei licht heeft doen zien
1)
was het, a/ezien van

enij’e incidentele discussie, een tijdlang stil rondom de

anali’se van ramingen en realisaties. Met de publikaties

van Bomho/jen Koovman
c.s.
2)
onisiond er opnieuw

aandacht voor deze problematiek. De wijze waarop

(leze discussie werd gevoerd vinden wij echter teleurstel

lend
3).
In dit artikel wordt daarom een poging onder-

noinen om tot enige
,,
klimaaisverbetering” op het

gebied van de beoordeling van de voorspellingen van

hei CPB ie komen.

1. Uitgangspunten

Het object van onderzoek wordt in dit artikel gevormd

door de kwaliteit van de voorspellingen van het Centraal

Planbureau (CPB) over de jaren 1953- 1975, zoals jaarlijks
gepubliceerd in de Centraal Economische Plannen (CEP). Dit
betekent dat dus niet, zoals bij Bomhoffen Kooyman es., de

kwaliteit van de mode/voorspellingen ter discussie staat. De

voorspellingen in het CEP zijn nI. niet pure modeluitkomsten

van de endogene variabelen bij gegeven waarden van de

exogene en vertraagde endogerie variabelen. Zoals bekend
worden de modeluitkomsten op hun plausibiliteit beoordeeld

en vergeleken met niet-modelmatige, al dan niet gekwantifi-

ceerde, informatie 4). Een onderzoek naar de kwaliteit van de

voorspellingen van het CPB is dus een onderzoek naar de

kundigheden van de aldaar werkende voorspellers, die mede
van een macro-economisch model gebruik maken.

Voorts is het van belang vast te stellen dat de voorspellingen
in het CEP een
vooris’aarde/i/k
karakter hebben, d.w.z. ze zijn
gebaseerd op een aantal veronderstellingen m.b.t. het eco-

nomisch beleid en met betrekking tot datgene wat zich buiten
de Nederlandse economie afspeelt.

Naast een beoordeling van de voorspelkwaliteit van het

CPB over de gehele periode 1953- 1975 is tevens aandacht
geschonken aan de voorspelfouten en de ontwikkeling daar-

binnen en tussen een drietal subperioden, nI. 1953- 1962,

1963- 1970 en 1971-1975. De afbakening5) van deze drie
perioden kan globaal worden gemotiveerd op grond van:

wijzigingen in de economische str.uct.uur;

wijzigingen in het economisch beleid;

wijzigingen in het gebruikte macro-economische model.
Deze wijzigingen staan overigens niet noodzakelijkerwijs

met elkaar in causaal verband.

A cl a. Wijzigingen in de economische structuur

De jaren vijftig kenmerkten zich door relatieve kapitaal-
schaarste, d.w.z. de potentiële werkgelegenheid bleef achter
bij het potentiële arbeidsaanbod. Hierdoor was er sprake van

een beperkte produktiegroei. Verder was het infiatietempo

relatief matig. in de jaren zestig waren produktie- en prijsstij-

gingen sterker, terwijl de werkloosheid geringer was en de

relatieve kapitaalschaarste plaats had gemaakt voor een
situatie waarin arbeid relatief schaars was. De jaren zeventig

laten opnieuw een vertraging in de groeivoet van de produktie

zien, alsmede een hogere werkloosheid en een relatieve
schaarste aan kapitaal, maar ook een hoger infiatietempo.

A cl h. Wijzigingen in het economisch beleid

Hoewel ten dele verband houdende met wijzigingen in de

economische situatie, valt er binnen de onderscheiden perio-

den eveneens een wijziging in het economisch beleid waar te

nemen. Aanvankelijk is de invloed van de overheid relatief
sterk, zoals tot uiting komt in de industrialisatiepolitiek,
het woningbouwbeleid en het loonbeleid.

Sedert het begin van de jaren zestig is er van een duidelijke
liberalisatie sprake en beperkt de overheid zich vooral tot

* Dit artikel vormt een beknopte weergave van een onderzoek dat de
auteurs als doctoraalstudenten in de economie hebben verricht in het
kader van een werkcollege Macro-economie aan de Universiteit van
Amsterdam. Zij zijn Prof. Dr. W. Driehuis en Drs. K.B.T. Thio
crkenelijk voor hun kritische begeleiding bij het onderzoeken bij het schrijven van liet artikel. Vanzelfsprekend dragen alleen dc auteurs
verantwoordelijkheid voor de inhoud van dit artikel. Zie voor een
uitvoerige beschrijving het Research Memorandum no. 7808, Eco-
nomische Faculteit Universiteit van Amsterdam.
C P B.
Monogr(ffle nt.
4. ‘s-Gravenhage, 1955 en CP B,
Monograjle
tsr.
10.
‘s-Gravenhage, 1965.
E..J. Bornhoff en J. Ooms, Een nalef monetair model voor de
Nederlandse economie.
ESB,
23juni 1976, en Het Grecon-model 77-
13 nader bekeken,
ESIJ,
29juni 1977; M.A. Kooyman, B. Bos, R.H.
Ketellapper en W. Voorhoeve, Het Grecon Model 77-A voor de
Nederlandse economie,
ESB, 30
maart 1977.
Zie ook W. Driehuis, Macro-economische voorspellingen en
bedrijfsprognoses, Lezing voor de Accountantsdag op 12 mei 1977 te
Rotterdam.
NIVRA-geschrif) nr.
19,
Kluwer, Deventer, 1977.
Zie C.A. van der Beld in: 25 jaar Centraal Planbureau, CPB
Monografie ,,r.
12,
Den Haag, 1970 en W. Driehuis, Diagnose en
prognose van de conjunctuur t.b.v. overheid en bedrijfsleven,
Kn’ar-
taa/bericht Amrobank,
juni 1973, blz. 5-19.
Zie voor een nadere uitwerking van de eerste twee genoemde
aspecten: P. de Wolff en W. Driehuis,
Post nar economic deve/op-
,nents in t/te Nether/ands, t”ith special re/i’rence to in/lation,
Brook
ings conference on stabilization policy, Rome, mei/juni 1977, hfst. 1;
en S.K. Kuipers,
Over structurele en con/uncturele ontwikkelingen
/,innen cie Nederlandse economie sinds de Eerste Wereldoorlog,
Openbare les, IS maart 1977, Groningen.

ESB 30-8-1978

873

globale toepassing van budgettaire en monetaire instrumen-

ten. Na 1970 zien we geleidelijk aan de invloed van de

overheid op het economisch gebeuren weer toenemen. Loon-

en prijsmaatregelen, sterkere steun aan het bedrijfsleven,

maatregelen op het gebied van milieu en grondstoffen e.d.

marke,ren deze jaren.

Ad c. Wijzigingen in het gebruikte macro-economische mo-

del

Hoewel niet scherp overeenkomend met de gehanteerde

tijdsindeling kan worden gesteld dat er globaal genomen ook
sprake is van wijzigingen in het macro-economisçhe model.,

het z.g. jaarmodel, dat bij het vervaardigen van de voorspel-


lingen wordt gebruikt. Aanvankelijk wordt een tamelijk

eenvoudig statisch model gehanteerd, dat regelmatig wordt

verfijnd en gedynamiseerd om in de versie 1 963-D 6) een vorm

te vinden die een aantal jaren het paradepaard wordt van de

Nederlandse econometriebeoefening. In 1971 wordt het mo-

del 1969-C 7) in gebruik genomen, dat dienst doet tot aan het

einde van de hier beschouwde periode.

Alvorens uiteen te zetten m.b.t. welke economische groot-
heden en op welke wijze het onderzoek is uitgevoerd, wijzen

wij erop dat niet is gepoogd eventuele verschillen in de

voorspelkwaliteit per subperiode te verklaren uit de zojuist

genoemde factoren. Op zich zelf is dit een interessant onder-

zoek dat evenwel buiten de opzet van dit artikel valt.

2. Variabelen en beoordelingsmaatstaven

Macro-economische voorspellingen vervullen een belang-

rijke rol bij het uitstippelen van het economische beleid 8).

Daarbij staan de z.g.,
doelvariabe/en
centraal. Te zamen met
de
irrelevante variabelen
behoren deze doelvariabelen tot de
endogenen,
d.w.z. hun waarde wordt binnen het model

bepaald. De
exogene variabelen
worden buiten het model om

geraamd. Zij zijn te onderscheiden in de door de overheid te

hanteren
instrumenten
en in van buitenaf op de economie

inwerkende,
externe variabelen.

Moeilijkheden werden ondervonden bij het kwalificeren
van de consumptie en investeringen van de overheid. Deze

bestedingen werden door het CPB soms in
volumetermen,

soms in
waardetermen
als instrumentvariabelen in de kernge-

gevens opgevoerd. Vanwege het feit dat in een groot aantal

jaren van de beschouwde periode het
volume
van deze

bestedingscategorieën als
exogeen werd opgevat, zijn deze

variabelen in het onderzoek onder de instrumenten opgeno-

men. M .b.v.
de jaarlijkse
Centraal Economische Plannen
was

het mogelijk om voor 22 variabelen cijfermateriaal te verza-

melen over de periode 1953- 1975. Deze 22 variabelen zijn te

vinden in tabel 1, gerangschikt naar:

• doelvariabelen (nrs. 1 t/m 4);

• instrumentvariabelen (nrs.
5
t/m 6);

• externe variabelen (nrs. 9 t/m II);

• irrelevante variabelen (nrs. f2 t/m 22).

In de volgende paragrafen worden de voorspelprestaties

m.b.t. deze variabelen met behulp van de volgende maatsta-

ven beoordeeld:

a. de ongelijkheidscoëfficient en de gemiddelde voorspel-

lingsfout:
per variabele en variabelengroep over elke subperiode;

per variabele en variabelengroep over de gehele pe-

riode;
per Centraal Economisch Plan;

b. maatstaven ter beoordeling van de richting van de voor-

spelling (omslag, acceleratie, deceleratie en stabiliteit).

Ten slotte (paragraaf 8) gaan wij na in hoeverre er een
verband bestaat tussen de richting van de voorspellingen en de

Zie P.J. Verdoorn, The short-term model of the Central Planning
Bureau and its forecasting performance (1953- 1963), in:
Macro-
economie mode/s fbr planning and policvmaking,
United Nations,
1967. bi’,.. 35 cv.
Zie Bijlage bij het
Centraal Economisch Plan 1971.
S) Zie bijvoorbeeld J. Tinbergen,
On the theory oj’economicpolicy,
Amsterdam, 1970.

Tabel 1. Ongeljkheidsmaatstaven bij normering per subperiode 11)


(V1-)l_SR

1953-
1963-
1971
1953-
1963-
1971-
totale
1953-
1963-
1971-
962
1970
1975
1962 1970 1975
periode
1962 1970
1975

Dorlvariabelen
0.63
0.113
0,60

0.51
0.51
0.29 0.22
-0.01
-0.20
005
-0,33 -0,02
-0.22
0.78 0.66
0.61
-6.37
-2.95
2.56
-3.16
-0.44
-0,31
0.38
0.46 0.18
0.18
-0.98
-0.25

1.00
-0,73
-0,37
-0,05
-0,11
0.71
1.43
0.98
0.30 0.32

1.38
-0.06
0.10 0.34
-0.73

Inslrumentvariabelen
1.89
1.23
0.94

1.

Werkloosheid

………………………………..

0.27
0.58 0.52
-0.63
-2.34

1.96

1.83
-0.10
-0.31
-0.28

Investeringendoorbedrijven
……………………..
Consumptieprijspeil
……………………………

0,80 0.80
1.27
-4.60
-0.73
6.34

1.03
-0.22 -0.08
0.94

Saldolopenderekening

………………………….

1.22
0.58
0.83
1.96
-3.40
-4.26

1.25
0.17
-0.24 -0.42
3.48
2.18
1.01
6.50
5.10
0.10
3,39
3.48
1.68
0.02

Osternevariabelen
0.57
0.49 0.37

Volume materieleoverheidsconsumptie
……………..

0.58 0.53
0.31
-0.05
-0.49
-3.66
-0.99
-0,01
-0.17 -0.23
10.

Wcreldinvoer(herwogen(
……………………….
0.61
0.40 0.26
-3.22
-2.45
-0.96
-2,46
-0,37
-0.24
-0.13
0.53 0.53
0.51
-0.14
-0.51
-3.06
-0.91
-0.05
-0.19
-0.31

9.

lns’oerprijspeil
………………………………..

II.

Co:

rerend uilvoerprijspeil
…………………….

lrrelrs’ante s’ariabelen
0.59

.

0.47 0.54

Vojumeos’crheidsinvesleringcn
……………………
\’olumeinvesteringeninwoningen
…………………

2.

Loonsom perwerknemer
………………………..
0.24 0,27 0.09

1.04
-2.30

1.14
-1,63
-0,14 -0.20
-0.08

8.

Liquidilcitsquote

……………………………..

3.

I’rodukties.olume(bedrijvcn)
…………………….
0,44 0.39 0.38

1.90

1.43
-0.24
-1,37
-0.31
-0.22
-0,06
0.18
0.34 0.54
-0.07
0.04
0.36 0.06
-0.04
0,03
0.41
0.37 0,38
0.27

1.12
-1,91
0,64

1.01
-0,20
-0.29
0.19
16.

Volumegoederenuitvoer

………………………..
0.57 0,39 0,43
-3,30
-2,48

1.58
-2,64 -0,34
-0.21
-0.16
0.42 0.43
0.49
-2.54
-3,59
0,38
-2.27 -0,19
-0.31
0.06

14.

Werkgelegenheid (bedrijven)
………………………
..

1.10
0.82
1,21
-0.44
0.04
1.26
0.10
-0,21
0.03
0.77

IS.

Volumeparticuliereconsumptie
……………………

0,72 0.33
0,28

1.38
-0,86
-0,72

1.03
-0,35
-0,18
-0,08
0,58 0.64
0,37 0.33
0.51
-2.74
-0,63
0.10
0.26
-0.21

Volumegoedereninvoer
…………………………
Voorraadvorming
……………………………..

0,70 0,48
0,68
-1.89
-1.78
0,64
-1,30
-0.29 -0.28
0,16

Investeringsprijzen

…………………………….
Uits’oerprijspeil
……………………………….

0,61
0.40
0,41
-1,66

1.20
-0,52
-1,23
-0.36
1

-0.23
-0.12
Relfelnalionaatinkomen

…………………. …….
Arbeidsproduktiviteit
…………………………..

Totaal
0.97
0.74 0,63

874

stand van de conjunctuur. In paragraaf 9 worden de onder-

zoeksresultaten samengevat en gevalueerd.
Het is gebruikelijk om de kwaliteit van voorspellingen te

beoordelen m.b.v. de bovengenoemde ongelijkheidscoëffi-

ciënten 9). Zoals in de appendix wordt uiteengezet is het voor

vergelijking van de ongeljkheidscoefficienten van de diverse

variabelen (groepen) noodzakelijk tot normering over te

gaan. De wijze van normering is echter niet eenduidig be-

paald. In het onderhavige onderzoek geschiedde dit op twee

manieren: per subperiode
en
over de tolale periode.
Bij toepassing van de eerste methode wordt meer gewicht

toegekend aan de hoogte der realisaties
in elke periode.
Indien
namelijk bij de berekening van de ongelijkheidscoefficiënt

niet de gemiddelde realisatie over de betreffende subperiode,
maar die over
degeheleperiodewordt
betrokken, dan hebben
relatief zeer hoge of lage waarden in een bepaalde subperiode

minder invloed op de hoogte van de ongelijkheidscoëfficiën-

ten in die periode 10). Normering per subperiode doet dan

ook meer recht aan de hierboven genoemde verschillen in eco-

nomische omstandigheden tussen de drie subperioden.
3. Normering per subperiode

De belangrijke groep der doelvariabelen vertoont in de
middelste periode zijn hoogste ongelijkheidscoëfficient, het-

geen veroorzaakt wordt door het misschatten van het saldo op

echter niet op voor alle afzonderlijke variabelen en varia-
belengroepen.

De belangrijkste groep der doelvariabelen vertoont in de

middelste periode zijn hoogste ongelijkheidscoëfficiënt, het-

geen veroorzaakt wordt door het misschatten van het saldo op

de lopende rekening (nr. 4). Werd het niveau van de werkloos-
heid (nr. 1) tot 1965 bijna voortdurend overschat, na dat jaar

wordt deze variabele vrijwel steeds onderschat. De voorspel-
fouten in het consumptieprijspeil (nr. 3) zijn, zeker in de

laatste twee perioden, klein. Toch wordt in 16 van de 23 jaren
deze variabele onderschat, waarbij de gemiddelde procentuele

onderschatting in de eerste en derde periode even groot is.

Al daalt bij de instrumentvariabelen de ongelijkheidscoëffi-

ciënt in de loop der tijd, toch vertoont deze groep een zeer

onregelmatig beeld. Heel goed zowel als heel slecht voorspel-

de jaren kunnen hier worden geconstateerd. De ontwikkeling

van de variabelen nrs. 5 en 6 wordt door de overheid zelf

gecontroleerd, terwijl deoverheid d.m.v. het vergunningenbe-

leid op het verloop van de woningbouw (nr. 7)eendoorslagge-

vende invloed kan uitoefenen. De mutaties in deze laatste

variabele werden in de eerste subperiode gemiddeld over-

schat, in de andere subperioden gemiddeld onderschat. Deels

als gevolg van uit het buitenland komende monetaire impul-

sen, deels als gevolg van ad hoc monetair beleid en van

onvoorziene liquiditeiscreatie door de particuliere sector

bleek het ramen van het verloop van de liquiditeitsquote (nr.

uiterst moeilijk 12): liefst 7 omslagfouten op 13 waarnemin-

gen. Bovendien is deze variabele – afgaande op de hoogte

van de ongelijkheidscoëfficiënten – de slechtst voorspelde

van alle behandelde variabelen. De externe variabelen zijn vrij

goed en worden steeds beter voorspeld. Ondanks grote

schommelingen van de beide prijsvariabelen, invoerprjspeil

(nr. 9) en concurrerend uitvoerprijspeil (nr. II), in de laatste

subperiode was de ongelijkheidscoëffïciènt lager dan in de

vorige perioden. Bij alle drie variabelen is echter wel een
sterke neiging tot onderschatting van de mutaties waar te
nemen. De wereldhandel (nr. 10) vertoont bovendien een
groot aantal onderschattingen van niveau.

De irrelevante variabelen worden als geheel redelijk voor-

speld. Per variabele lopen de ongeljkheidscoëfficiënten ech-

Zie appendix bij dit artikel.
Verderop in dit artikel zal hiervan een illustratie worden gegeven.
II) Zie voor een verklaring van de ongelijkheidscoefficiënten de
appendix.
12) Het CPB neemt de ,,voorspelling” van de liquiditeitsquote van De
Nederlandsche Bank over.

Tabel 2. Ongelijkheidsmaatstaven bij normering over 1 953-1975 11)

(V_1)/Sg

1953-

1963-

1971-

totale

1953-

1963-

1971-

t6tale
1962

1970

1975

periode

1962

1970

1975

periode
Doelvariabelen

0.75

0.44

0.51

0,60

Werkloosheid

……………………………………0.52

0.34

0.40

0,44

0,34

-0.02

-0.31

0.08
Invesleringendoorbedrijven …………………………0.99

0.54

0.35

0,74

-0.55

-0.26

0.22

-0.27
Consumplieprijspeil ……………………………….0.23

0.6

0.30

0,22

-0.18

-0,05

-0.18

-0.13

Instrumentvariabelen

1.08

0,88

0.88

0.98

Saldolopenderekening …………………………….0.96

0.58

0.82

0.82

0.13

0,14

-0.60

-0.03

volumemaleriëleo*’erheidsconsumptie …………………0.24

0.61

0.51

0.51

-0.09

-0.33

-0,27

-0.26
Volumeoverheidsinyesteringen ………………………

.1.12

0.47

0.56

0.83

-0,30

-0,05

0.42

-0.07

7.

Volumeinvesteringeninwoningen …………………….1.16

0.67

0.68

0.92

0,16

-0,28

-0.35

-0.10

8.

Liquiditeilsquote

………………………………..1.42

1.44

1.43

1.43

1,41

1,11

0.02

0.74

Cxterne variabelen

0.41

0.33

0.67

0,46

Invoerprjspeil ……………………………………0.30

0.19

0.61

0,37

-0.01

-0.06

0.44

-0.12
Wereldinvoer(herwogen) …………………………..

.0.58

0.45

0.22

0,48

-0,36

-0,27

-0.11

-0,27

Irrelevautevariabelen

0,60

0.41

0.51

“052

Ii.

Concurrerend uitvoerprjspeil ………………………..0.27

0.28

0.96

0.51

-0.03

-0.10

-0.59

-0.18

Loonsomperwerkuemer ……………………………0.15

0.27

0,11

0,21

-0,09

-0,20

-0.10

-0.14
Produktievolume(bedrijven) ………………………..

.0.45

0.43

0.27

0.41

-0,32

-0.24

-0.04

-0.23
Werkgelegcnheid(bedrijven) …………………………0.22

0.31

0,36

0,29

-0.05

0,03

0.27

0.05
IS.

volumeparliculiereconsumplie ………………………0.37

0.45

0.16

0.37

-0.20

-0,35

0,12

-0.18
16.

Volumegoederenuitvoer ……………………………0.54

0.43

0.41

0,48

-0.31

-0.24

-0,15

-0.25
Ii.

Volumegoedcreninvoer……………,……,,…,,,.,

0.49

0,43

0.29

0,43

-0,22

-0.31

0,03

-0.20
18.

Voorraadvorming,.,..,,,..,..,,.,,..,.,,.,,.,.,,.,…,

1.32

0,59

1,15

1,08

-0,26

0,02

0,73

0,06

21.

Reëeivaiionaal inkomen …………..,,.,.,,,,,,,,,.,,

0.76

0.51

0,44

0.62

-0.31

-0,30

0.11

-0.22

9.

Invesleringsprijzen ………………………………..0.49

0.27

0.44

0.41

-0.24

-0,15

-0,13

-0.18

20.

Uitvoerprijspeil …………………………………..0.29

0,19

0,74

0,41

0,05

0,08

-0.41

-0.10

22.

Arbeidsproduktiviteit………….,.,.,,.,,.,.,,,,…,,

0.59

0.44

0.37

1

0.49

1

-0,34

-0.25

1-0.11

-0.25

‘i’otaal

0,72

0,52

0.62

0,64

ESB 30-8-1978

875

ter sterk uiteen: is de loonsom per werknemer (nr. 12) in de

derde subperiode de best voorspelde uit het gehele onderzoek,

de voorraadvorming (nr. 18) vertoont in twee subperioden

ongelj kheidscoëfficiënten boven de één. Het produktievolu-

me (nr. 13), het consumptievolume (nr. 15), het in- en uitvoer-

volume (nrs. 17 en 16), het reëel nationaal inkomen(nr. 21) en

de arbeidsproduktiviteit (nr. 22) worden over de gehele

periode van 23 jaar sterk onderschat. –

Ten slotte zij opgemerkt dat 3% van alle voorspelde muta-

ties in het onderzoek exact juist voorspeld bleek te zijn.

4. AIternatie’e normering

Zoals hierboven reeds vermeld, zijn tevens ongelijkheids-

coëfficiënten berekend door te normeren over de totale perio-

de (tabel 2). De verschillen in de grootte der ongelijkheids-

coëfficiënten bij toepassing van de twee normeringsmethoden

komen naar voren in nevenstaande diagrammen (figuur 1).

Bij normering over de gehele periode blijkt voor alle variabe-

lengroepen en het totaal der variabelen in de tweede sub-

periode de ongelijkheidscoëfficiënt lager te zijn dan bij nor-
mering per subperiode. De eerste subperiode geeft bij totale

normering hogere coëfficiënten voor doel- en irrelevante

variabelen doch lagere coëfficiënten voor instrument- en exter-

ne variabelen alsook voor alle variabelen samen. Bij totale

normering verslechtert de coëfficiënt van de externe variabe-

len. De invloed van de hoge waarden der realisaties uit 1974
(nawerking van de sterke stijging der grondstofprjzen, in het

bijzonder die van aardolie) wordt nu genivelleerd door lagere

realisaties uit andere subperioden.

Normering per subperiode liet zien dat m.b.t. het totaal der

variabelen van een continue verbetering van periode op perio-

de in de kwaliteit van de voorspellingen sprake was. Bij

normering over de gehele periode treedt na een daling in de

tweede weer een stijging van de ongelijkheidscoëfficiënten op

in de derde periode. Overigens leidt alternatieve normering bij

de meeste variabelen niet tot wezenlijke verschillen in de

genormeerde gemiddelde voorspelfouten.

S Ongelijkheidscoëfflciënten per Centraal Economisch Plan

Aan de hierboven besproken resultaten ligt vanzelfspre-

kend een berekening van ongeljkheidscoëfficiënten per jaar

ten grondslag. Deze zijn per variabelengroep weergegeven in

figuur 2 en tabellen 3 en 4, waarmee een illustratie wordt

gegeven van de verschillen in invloed van de realisaties op de

hoogte van een ongelijkheidscoëfficiënt bij de twee wijzen van

no rme ren.

Figuur 1. Ongelijkheidscoëfjiciënten op basis van beide for-

,neringsrnethoden

Doelt’ariabelen

0.5

2
1
Instrumenivarjabelen

i L
Externe variabelen

Genornteerd over totale
r
periode
0.5

Idem per subperiode

6.
Omsiagpunten, acceleraties, deceleraties, stabiliteit

Uit bovenstaand onderzoek komt geen voldoende informa-

tie naar voren om een oordeel te kunnen vellen over de mate

waarin cle i’ic’hting van cle variabelen in de tijd
j uist is voorzien.

Van den Beld 13) merkt op dat accuratesse van de voorspellin-

gen op dit punt in het bijzonder van belang is wanneer de eco-

noriiische beleidsmaatregelen meer berusten op voorspelling

van tendenties dan van exacte getallen.

De beoordeling van de voorspelkwaliteit van het CPB is

daarom in deze paragraaf niet gericht op het kwantitatieve

verschil tussen geraamde en gerealiseerde mutaties, maar op

het aantal malen dat een voorspelde richting door de realisatie

werd bevestigd 14).

Een omslagpunt (OP) heeft betrekking op een verandering

in het teken van de mutatie in een grootheid. Een acceleratie

(A) is de toename van een positieve mutatie, dan wel een

minder sterke negatieve mutatie t.o.v. het voorgaande jaar.

CPB. Monografie nr. ID. 1965, blz. 18.
Tevens is een analyse verricht van het aantal malen dat een
bepaalde realisatie inderdaad was voorspeld. In dit artikel wordt
slechts gesproken over het aantal malen dat een voorspelling werd
gerealiscerd.

Tabel 3. OngelijkheidscoëJficiënten per CEP (per variabelengroep en totaal; genormeerd over de afzonderlijke subperioden)

952
19A
1955
956
1957
1958
1959
19601196111962
1963
1964
965
966 967
1968
1969119701197
1
1972197319741975

0.83
0.88
0.91
0.70 0.42
0.51
0.77
0.30
0.21 0.21
0.61
.43
0.11
0.90 0.70 0.59
0.53
1.10
0.51
0.64 0.76
0.55
0.49
1.9
0.64
0.37
1.17
0.49
2.09
0.12 0.24
1.06
.66 2.24
1.27
0,21
0.46
0.98 0.85
0.78
0.81
0.33
1.12 1.26
1.07
0.61
0.38
1.00
0.56
0.64 0.20 0.65
0.70 0.49
0.20
0.39
0.32
0.33
0.33 0.10
0.35
0.60 0.78
0.70
0.14 0.27
0.24
0.72 0.20

Doelvariabelen

………………………………………….
lnstrumentvariabelnn

……………………………………..
Externe variabelen
………………………………………..
0.00
0.93 0.74
0.57 0.57
11.50 11.42
0.55
0.35
0.19
0.54 0.54 0.23 0,52
0.33
0.51
0.55
0.41
0.38 0.57
0.43
0.29 0.86
lrrelevante s’uriabelen

……………………………………..

l’otaal

…………………………………………………
1
.00
0.90
0,72
0,69
0.5 0.00 0.53
0.47 0.84 0.74
1.07
0.91
0.23 0.57
0.58
0.61
0.63
0,70
0,38
0,69
0.70
0.61
0.70

Tabel 4. OngelijkheidscoëfJiciënten per CEP (per variabelengroep en totaal; genormeerd over 1953-1975)

1955195

l)oelvariabelen

…………………………………….

….
1,01
.05
1,08
0,87
0,47′
0.60
0.83
0,37 0.25
0.21
03610,60

0.05
0,40
0.41 0.46
0,40
0,58
0,36
0.56 0.64
0,48
0.47
2,48
0,8
0,40
1,11
0,65
11.99
0.14
0,24
0.78
0.72
1.48
0,92
0.16
0,27
0,91 0,75
0.60
0.55
0,31
1.13
0.85
1,09
0.75
Externevariabelen
……………………………………….
0,20
0.73
0.50 0,34
0,13
10,37
0,40
0,92 0.23 0.35 0.27 0.18
0.17
0.05
0.19 0,57
0.50
0.33 0.25
0.23
0.42
1.37
0.29
Instrumentvariabelen

……………………………………..

.00

.

.
1,01
0,72
0.45
0.63j
,
l
0.42
0.52
0.30
0.18
0.33 0,48
0.21
0.46
029 0.51
0.49 0.39 0.36
0.51
0.37
0,50
0.73
Irrelevante variabelen

……………………………………..

Totaal

…………………………………………………
19
.96I.64

0.55
0.8
0,51
0.45
k.42

0.37
170i0.5910.18

0.39
0.48 0.56
0.50 0.45
0,34
0.66
0.55k.80
.65

876

Tahel6. Aantal malen dat een voorspelde ontwikkeling werd

gerealiseerd (naar variabelengroep; procenten) a)

OP
A
ID
St
Gemiddeld

59.3
65.6
48.4
0 57.1
54.5
75
48
00
57.2
Doelvariabelen

……………….
lnstrumentvariabelen
…………..
90.9
77,3
70
0
72.5
Externe variabelen
……………..
Irrelevante variabelen
…………..
65.7
85.7 62.3
0
69.0

119

0.5

Figuur 2. OngeljkheidscoëJjïciënten per jaar per variabelen-

groep
Genormeerd – over lol, periode
Doel varia belen
1.5

Idem —–per subperiode

0.5

De gemiddelden die
verticaal
zijn berekend, en die dus

bétrekking hebben op de gehele periode, geven weer dat met

de hoogste frequentie
acceleraties
in de variabelen juist zijn

geprognosticeerd. De op één na beste prestatie is geleverd op

het vlak van de
oinslagpunten
die in ruim 63% van de gevallen

terecht zijn voorspeld.

Voor de verschillende
variabelengroepen
zijn, voor de

gehele periode 1953-1975, op dezelfde wijze de percentages

berekend die zijn opgenomen in tabel 6.

1.5

Ijaterne variabelen

O.S.

Irrelevante varia belen
1.5

0.5

1.5

Alle variabelen

1953

1956

1959

1962

1965

1968

1971

1974

Een deceleratie (D) is een tegenovergestelde ontwikkeling.
Stabiliteit (St) betreft een constante mutatie.

Het aantal malen dat over het totaal der variabelen per

periode een OP, A, D of St
terecht
werd voorzien is in

tabel
5
uitgedrukt in een percentage van het totaal aantal

keren dat in de betrokken periode een dergelijke ontwik-

keling werd voorspeld.

Tabel5. ,4antal,nalen dat een voorspelde ontwikkeling werd
gerealiseerd (naar periode; procenten)

OP
A
1)
St
Gemiddeld a)
1953-1962
66.7
76.6
62.5
0
67.2
1963-1970
61.5
76.5 57.6
20
62.6
1971- 1975
58.6
84.6 60,0
– –
65.4

Gemiddeld b)
63.2 78.0 59.9
12.5

al Berekend als percentage van het absolute aantal juiste voorspellingen tot’, het totale
aantal voorspellingen per periode.
b) Deze gemiddelden betreffen het procentuele aandeel van het respectieve totale aantal
juiste OP-, A-,
D- of St- voorspellingen in de gehele periode 1953-1975 in het respectieve
totale aantal voorspelde OP,
A,
ID. en St in deze periode.

Deze percentages laten zien dat het CPB relatief steeds
minder vaak omslagpunten juist is gaan voorspellen. De

relatieve frequentie waarmee acceleraties zowel als decelera-

ties in de variabelen juist werden voorspeld nam daarentegen

van de tweede op de derde periode toe.
De gemiddelden die
horizontaal
zijn berekend tonen dat, op

het gebied van het voorspellen van OP, A, Den St te zamen,
de CPB-prestatie sinds 1963 gemiddeld is verbeterd. Zij was,
evenwel’ in de periode 1953-1962 vooralsnog het best.

al De s’erticaal berekettde gemiddelden kunnen hier achterwege blijven, omdat deze gelijk zijn aan de s’erticale gemiddelden in tabel 5.

Hieruit kan ten slotte nog worden berekend dat 65% van

het totale aantal voorspellingen (van omsiagpunten, accelera-

ties, deceleraties en stabilisaties) in de periode 1953- 1975

door de gerealiseerde ontwikkelingen werd bevestigd.

7. Nadere analyse van onder- en overschattingen

Bekijken we voor de totale periode 1953- 1975 de gemiddel-

de voorspellingsfouten (tabel 1), dan valt de grote mate van

over- of onderschatting van niveau 15) op bij de instrument-
variabelen en het

• volume bruto investeringen door bedrijven in vaste activa

(nr. 2);

• volume wereldinvoer (nr. 10) en het
• volume goederen in- en uitvoer (nrs. 17 en 16):

Zeer lage over- of onderschatting, eveneens voor de totale

periode, vertonen de variabelen:

• werkloosheid (nr. 1);
• saldo lopende rekening (nr. 4);

• werkgelegenheid in bedrijven (nr. 14);

• voorraadvorming (nr. 18).

Op grond van de gemiddelde voorspellingsfouten kan niet
worden gesteld dat er tussen de drie subperioden een duidelij-
ke en eenduidige ontwikkeling in de mate van onder- en over-
schatting is te bespeuren.

Bij normering van de gemiddelde voorspellingsfouten over

de subperloden blijkt (tabel 1) dat in de eerste twee perioden
deze fout hoge waarden vertoont voor de liquiditeitsquote

(nr. 8) en in de derde periode voor het saldo lopende rekening

(nr. 4), volume overheidsinvesteringen (nr. 6) en voorraadvor-

mlng(nr. 18). Een eenduidige ontwikkelingtussen de drie sub-
perioden valt opnieuw niet te constateren.

Uit tabel 2 blijkt dat voor de totale periode de liquiditeits-
quote (nr. 8) een grote overschatting vertoont. De mate van

overschatting van de voorraadvorming (nr. 18) in de derde

periode springt eveneens in het oog.

Tabel 7 toont het aantal onder- en overschattingen van
mutatie
16) en het aantal omslagfouten in procenten van het

15) Het verschil tussen bijvoorbeeld een overschatting van mutatie en
een overschatting van niveau kan als volgt worden gillustreerd: bij
een voorspelling van -8% en een realisatie van -6% is sprake van een
overschatting van mutatie, doch van een onderschatting van niveau
(bv. niveau van 100 naar 92, gerealiseerd van 100 naar 94).
6) Een overeenkomstige, hier niet te bespreken, analyse is eveneens
verricht voor onder- en overschattingen van
niveau.

ESB 30-8-1978

877

Tabel 7. Frequentie van de onder- en overschattingen van mutatie en de omslagfouten (in procenten van het aantal waarnemingen
per periode)

Omslagfouten
Overschatting Onderschatting

953-62 963-70
1971-75
totale
1953-62
1963-71
1971-75
totale
953-62
1963-70
1971-75
totale
periode
periode
periode

54
o
68
52
21
37
16
25
25 23
16
23
38
44
47
44
31
28
6
25
31
28
37
31
Doelvariabelen

………………………………………

53
73
87
67
30
8
7
21
17
9
7
12
Instrumentvariabelen

………………………………….
Externevariabeten
…………………………………….
62
71
55 64 29
23
28 27
9 6
7 10
Irrelevante variabelen

………………………………….
Totaal

……………………………………………..
58
61 61
60 27 26
21
25
15
13
18
IS

aantal waarnemingen per variabelengroep per periode. Nam

het CPB zelf in 1965 nog een afnemende tendentie tot

onderschatting
van veranderingen waar 17), thans is zo’n tendentie waar te nemen in de
overschattingen.
Ten slotte
nam het aantal omslagfouten bij de externe en doelvariabelen
voortdurend af.

S. De invloed van de conjunctuur en van de externe variabe-

len nader bezien

Het CPB heeft zelf wel eens verondersteld dat de voorspel-

fouten enig conjunctuurpatroon laten zien 18). Getracht is

deze veronderstelling m.b.v. regressie-analyse globaal te
onderzoeken over de periode
1953-
1975. Eveneens is nage-gaan in welke mate fouten in het voorspellen van twee belang-

rijke externe variabelen – het invoerprïjspeil (nr. 9) en de

wereldhandel (nr. 10) – hebben geleid tot voorspellingsfou-

ten in de doelvariabelen van het economisch beleid. Een

dergelijke enkelvoudige analyse is verricht om de gevoeligheid

van modeluitkomsten na te gaan voor voorspelfouten m.b.t.

de ontwikkelingen die van buitenaf op de zeer open Neder-

landse economie inwerken. Het economisch proces in ons

land is grotendeels afhankelijk van prijs- en volumebewegin-

gen in het buitenland. Hiervan uitgaande is een verband

tussen de voorspelfouten in de externe variabelen en die in de

endogene variabelen – in dit geval doelvariabelen – a priori

een aannemeljkheid.

Hieronder is eerst het resultaat weergegeven van het onder-

zoek naar de aanwezigheid van een conjunctuurpatroon in de

voorspelfouten van het CPB. Onderzocht is daarbij slechts
het verband tussen de gerealiseerde mutaties in het produktie-

volume van bedrijven (y), welke mutaties hier als proxy zijn

genomen voor het conjunctuurverloop en daarmee dus de

verklarende variabele vormen en de absolute voorspelfout in
het produktievolume van bedrijven (y*_y).

Het volgende verband werd gevonden:

=
1,40 – 0,53y

R
2
=0,563

(0,615) (0,10)

DW = 1,62

Het negatieve teken van de regressiecoefficient, die zeer
significant is, impliceert dat bij een (versnelling in het) op-

gaand conjunctuurverloop – i.c. een toename van de groei
van het produktievolume van bedrijven – de overschatting

afneemt, resp. de onderschatting toeneemt. Omgekeerd

neemt bij een teruggang van de conjunctuur, zodanig dat
y < 0, de overschatting toe, resp. de onderschatting af. Kenne-

lijk wordt in de ramingen wat te voorzichtig ingespeeld op

conjuncturele hausses, terwijl de mate van teruggang van de

conjunctuur optimistisch wordt ingeschat.

In de tijdreeks van de mutaties (y) in het produktievolume

van bedrijven blijkt, indien grafisch uitgebeeld, inderdaad een
conjunctuurbeweging te kunnen worden waargenomen. Uit

het teken en de grootte van de regressiecoëfficiënt in boven-
staande vergelijking kan nu worden afgeleid dat (y*_y),

indien in hetzelfde assenstelsel als y afgezet, een anti-cyclische

ontwikkeling zal laten zien, waarvan de amplitude evenwel
geringer is. Het verband tussen y en
(y*_y)
is empirisch

redelijk sterk. Circa 60% van de variatie in (y* – y) kan worden

verklaard uit de variatie in y.

Het blijkt dat van enig
conjunctuurpatroon
in de voorspel-

prestatie (y*_y) kan worden gesproken, zodanig dat bij een
conjuncturele opgang in y het verschil (y*_y) daalt en v.v.

Vervolgens zijn in tabel 8 de uitkomsten weergegeven van

de regressies van de voorspelfouten in ieder van de twee

genoemde externe variabelen op elk van de vier doelvariabe-
len. Hierbij hebben de endogenen
w
*_
w
, p’ –
Pc
en
Et – Ebetrekking op het verschil tussen de voorspelde en

gerealiseerde mutaties in resp. het werkloosheidspercentage,

de bedrijfsinvesteringen, het consumptieprijspeil en het saldo

lopende rekening van de betalingsbalans. De exogene

Pn – Pm en m – m betreffen de voorspelfouten van het
invoerprijspeil en de wereldhandel.

Tabel 8. Regressieresultaten m. b. t. hei verband tussen voor-

spelfouten in de externe en in de doe/variabelen in de periode
/953-1975

Externe variabelen

constante
Doelvariabelen
m

m
term
R

w-w
0.031
0.016
0.10
(0,004)
(0,061)
w-w
-0.037
-0,043
0.21
(0,003) (0.060)
i_i
1,255
-4,560
0.20
((1.133)
(1.653)
i-i
1,092
-0.568
0,24
(0,087)
(1.809)
p’

p
0.123
-0,858
0.13

(0.015)
(0.212)
6.plé–p
-0.098
-0.971
0.12
(0,012)
(0.245)
E

_EL
-0,285
0.253
0,19
(0.027) (0,390)
EL’._EL
-0,063
-0,200
0.01
(0,023) (0.481)

Het algemeen beeld dat uit het bovenstaande naar voren

komt is dat voorspelfouten in de wereldhandel en in het

invoerprijspeil – indien deze fouten als enige verklarende
variabele worden opgenomen – weinig of geen verklaring

bieden voor het foutief voorspellen, i.c. het onder- of over-

schatten van de vier doelvariabelen.

De correlatiecoëfficiënten zijn laag tot zeer laag. De stan-

daarddeviaties van de regressieco&ficinten zijn redelijk. Ten

slotte kan men op intwtieve gronden moeite hebben met het
teken der coëfficiënten van de onafhankelijke variabelen in

de vergelijkingen 3 en 8. Met vergelijkingen
5
en 6 behoort

vergelijking 3 tot de drie relaties, waarvan de standaarddevi-
atie van zowel regressiecoëfficient als constante term aan-

vaardbaar is.

17)
CPB, Monografle nr. 10,
1
965, blz. 51.
8) Voorspelling en realisatie, CPB,
Monogra/le nr. 10,
Den Haag,
1965, hoofdstuk 8, blz. 51.

878

9. Evaluatie

In bovenstaand onderzoek is gepoogd de kwaliteit van de

voorspellingen van het CPB over de periode 1953- 1975 te

beoordelen aan de hand van verschillende maatstaven 19). De

resultaten vormen geen basis om zonder meer aan te sluiten

bij de ernstige kritiek die met name in 1977 op de kwaliteit van

de CPB-voorspellingen is uitgeoefend 20).

Zoals reeds vermeld bestaat er een verband tussen de eco-

nomische vooruitzichten, zoals deze door het CPB worden

gepresenteerd, en de door de regering in de voorspelperiode te

nemen beleidsmaatregelen. Ervan uitgaande dat het econo-

misch beleid bepaalde waarden van de doelvariabelen na-

streeft, is het van belang de invloed van dat beleid te bepalen

op de uiteindelijke realisaties. Een uitspraak over de oorzaken

die geleid hebben tot misschattïngen in de onderzoekperiode

en over het al of niet mislukken van het beleid vereist echter

een diepgaander studie naar de achtergronden van de beleids-
vorming, alsmede naar de theoretische opbouw van de succes-

sieve CPB-modellen. Op dit laatste punt verschilt onze studie

dan ook met name van die van Bomhoff c.s. die hun kritiek

inderdaad meer richten op de theoretische specificaties 21).

Bij beide wijzen van normeren lopen de voorspelresultaten

per variabele sterk uiteen. In het algemeen tonen de instru-

mentvariabelen de hoogste ongelijkheidscoëfficiënten en zijn
de externe variabelen over de gehele periode de best geschatte.

Uitgezonderd de doel- en irrelevante variabelen blijkt bij

normering per subperiode
het voorspelresultaat in de derde

subperiode het best. De kwaliteit van de voorspellingen is
bij
totale normering
evenwel in de tweede periode het hoogst. De

oorzaak van dit verschil is in het artikel uiteengezet.
Zowel qua niveau als qua mutatie heeft het aantal
onder-
schattingen
de overhand bij de voorspellingen van het CPB.

Op grond van de – al of niet genormeerde – voorspellings-

fout kan er echter geen duidelijke ontwikkeling in de mate van

onderschatting worden geconstateerd.

Het CPB heeft in de perioden na 1963 met een toenemende
(relatieve) frequentie zowel acceleraties als deceleraties ge-

prognosticeerd die door de realiteit werden bevestigd. De

voorspelprestatie op het vlak van de omslagpunten was het

best bij de externe variabelen.
Regressieresultaten wezen ten slotte uit dat, hoewel op dit

punt geen sterk verband kon worden gevonden, in de voor-
spelfouten m.b.t. het produktievolume van bedrijven wellicht

een – invers met het conjunctuurverloop samenhangende –
ontwikkeling kan worden bespeurd. Daarnaast werd, in

tegenstelling tot wat men zou kunnen verwachten, geen

verband geconstateerd tussen de voorspelfouten in de wereld-

handelen invoerprijzen enerzijds en die in de vier doelvariabe-

len anderzijds.

Rekening houdende met het feit dat zich in de tweede sub-

periode (1963- 1970) geen opzienbarend grote schommelin-gen in de economische ontwikkeling van Nederland voorde-

den, moet, het geheel der resultaten overziend, worden

geconcludeerd dat zich na het begin der jaren zestig geen

verbetering of verslechtering van betekenis in de voorspel-

prestaties van het CPB heeft afgetekend.

Bij normering per subperiode, aan welke methodiek, zoals

uiteengezet, meer gewicht wordt toegekend, kan het oordeel

over het CPB echter positiever luiden dan bij normering over
de gehele periode.

H.C. Elte
R.F. Hochheimer

W.
Kuipers

C.L. Worms

Appendix

Als kwantitatieve maatstaf voor de juistheid van de voorspelling
van de mutatie in een variabele i in jaar t ten opzichte vanjaar t- 1 kn
gebruik worden gemaakt van de
voorspellingsJbut:

=
V, – R
1
,

waarbij V
1
ten R
1
,t procentuele mutaties t.o.v. jaar t-1 zijn, resp.
betrekking hebbend op voorspellingen (V) en realisaties (R).
Om eenheid van meting te krijgen wordt de voorspellingsfout van
een variabele i ,,genormeerd” met de
middelbare waarde
van de realisaties van die variabele:

SR= \/!

zodat de
genormeerde voorspe/lingsfout
van een variabele i in jaar t
luidt:
ui,t
= –
i,t

SR

De kwaliteit van de voorspellingen over een aantal jaren n wordt
weergegeven door de ongelijkheidscoëJflciënt:

u =/ n
(u)2

Deze coëfficiënt is voor alle 22 variabelen berekend, waarbij in tabel 1
voor de onderscheiden subperioden is genormeerd en in tabel 2 over
het totaal der 23 jaren.
Voorts Staan in de vier middenkolommen van tabel 1 de
gemiddel

de t’oorspellingsfoumen:V1

R.
die aangeven of niveaus gemiddeld
worden over- of onderschat. Het rechterdeel van tabellen 1 en 2 toont
de genormeerde gemiddelde voorspellingsJ’oui,
waarbij
S
i
,
eveneens
is berekend over de subperioden, resp. de totale periode.
t
Tabellen 3 en 4 laten voor elke variabelengroep en voor het totaal
der variabelen de
ongeliikheidscoëfficiënten per jaar

m
u

= / –

(is’
)2

m1

i,t

zien, waarbij m het aantal variabelen is waarover de coëfficiënt wordt
berekend.
Per variabelengroep en voor alle variabelen te zamen is in de
tabellen 1 en 2 tevens een ongeli/kheidscoëJficiëni per periode
bere-
kend:

= / –

(u’)2
mn

Een onderdeel van het onderzoek dat in dit artikel eveneens niet is
besproken betreft de analyse aan de hand van de zogenaamde onge-
lijkheidsproporties.
Zo blijkt dat, indien bovenstaande resultaten m.b.t. de ongelijk-
heidscoëfficiënten over de tweede subperiode 1963- 1970 worden
vergeleken met de resultaten, die voor de periode 1962- 1971 werden
gevonden door Bomhoffc.s., Kooymanc.s. en Bemer en Van Milten-
burg, deze critici ‘(veel) negatiever oordelen over de voorspelprestatie
van het CPB m.b.t. de bedrijfsinvesteringen, de consumptieprijzen en
vooral de werkgelegenheid. Het tegenovergestelde gaat op tav. het
consumptievolume, de investeringsprijzen en de lonen. Vooral de
gunstiger beoordeling in dit artikel van de werkgelegenheidsvoorspel-
lingen in de genoemde periode is opmerkelijk te noemen. Zie E.J.
Bomhoffen J. Ooms. Het Grecon-model 77-B nader bekeken,
ESB,
29 juni 1977.
In het kader van het onderhavige onderzoek is, wat betreft de
opeenvolging van de verschillende door het CPB gebruikte modellen,
wel getracht de voorspelprestaties te onderzoeken over subperioden,
dte – zij het globaal – samenvielen niet de perioden waarin deze
modellen voor prognoses zijn aangewend (zie het Research Memo-
randum). De op basis van dit criterium gekozen perioden werden
door ons daarna steeds met een jaar verschoven. Uit de resultaten
hiervan kwam naar voren dat veranderingen in de lengte der subperi-
oden met een of meerjaren weinig invloed hebben op de hoogte der
ongelijkheidscoëfficienten.

Met ESB een beter economisch-politiek inzicht

ESB 30-8-1978

879

Tabel 1. Geregistreerde arbeidsreserve per ultimo augustus van elk jaar

Leeflijd
1970
1971
1972
1973
974
1975

,
1.976
1977

11.154
8.628 35.463 34.353
50.669 82.512 94.887 96.619
(I)< 25jaar

………..
35.326
51.768
97.610 96.143
126.338
193.931
213.311
208.676
(2)<65jaar

………..
(in
%

(2)
………
van
31.6%
36%
36.3% 35.7%
40,1% 42.5%
44.4% 46.3%

Bron:
Moanc/’ersIog .’-lrheidsn,arkt.

Maatschappijspiegel

Jeugdwerkloosheid en

onderwijsbeleid

DRS. W. A. ARTS

D. BROUWER
De positie die jongeren innemen opde

arbeidsmarkt is nogal gevoelig voor in-

vloeden van de conjunctuur. Waren te-

gen het eind van de jaren zestig de jeug-

digen nog ondervertegenwoordigd in het

werklozenbestand, in de jaren daarna –

onder sterk verslechterende economi-

sche omstandigheden – sloeg die

ondervertegenwoordiging om in over-

vertegenwoordiging. Hoe hoger, het

aantal werklozen, des te hoger ook het

percentage daarvan dat uit jeugdigen

bestond (zie tabel 1).

Ook de belangstelling voor het pro-
bleem van de jeugdwerkloosheid lijkt

nogal gevoelig te zijn voor conjuncturele

invloeden. Het grote aantal schoolverla-

ters dat zich ieder jaar weer rond deze

tijd, met een geringe kans op succes, bij

de gewestelijke arbeidsbureaus laat in-

schrijven, heeft een piek in het percenta-

ge jeugdige werklozen tot gevolg. De in

tabel t aangegeven cijfers zijn, vergele-

ken met de jaargemiddelden, dan ook

wat overtrokken. Maar deze cijfers heb-
ben wel tot gevolg dat er op dat moment

ook een piek in de publieke belangstel-

ling voor het probleem van de jeugd-

werkloosheid ontstaat. Een belangstel-

ling die niet alleen terug te vinden is bij

de media, maar ook bij de beleidsma-
kers.

Zo kwam de Europese commissaris

voor sociale zaken Vredeling eind juni
met een plan voor het scheppen van
extra banen voor het groeiende leger van

jeugdige werklozen in de Gemeenschap.

Hij toonde zich bereid zo’n f. 300 mln, uit
te trekken ter ondersteuning van de ver-
schillende nationale programma’s op dit

terrein. Zijn plan werd echter door een

Frans veto getroffen. Een van die pro-

gramma’s in ons land is de tijdelijke.

maatregel jeugdige werklozen. Minister

Albeda. stelde nog onlangs extra geld

voor die maatregel ter beschikking. Sa-
men met de staatssecretaris van Onder

wijs, De Jong, bracht dezelfde minister

ook nog een ander plan ter bestrijding

van de jeugdwerkloosheid naar buiten.

In een aan het parlement gerichte notitie

deden zij voorstellen voor een aantal on-
derwijsprojecten ten behoeve van jonge-

ren tussen zestien en achttien jaar, die nu

geen dagonderwijs kunnen volgen. Een

aantal proefprojecten zou volgend jaar

augustus van start kunnen gaan. Hoe-
veel geld ervoor ter beschikking komt,
zal eerst blijken uit de komende rijksbe-

groting.

Albeda en De Jong hebben een tweetal

typen onderwijsprogramma’s op het

oog. De schatting is dat de groep waar-

op deze onderwijsprogramma’s betrek-

king hebben zo’n 100.000 â 150.000 jon-

geren omvat. Het eerste programma be-

treft een eenjarige oriëntatie voor diege-

nen die nog niet hebben gekozen vooreen

beroepsopleiding of die niet voldoen aan

de toelatingseisen. De bedoeling ervan is

tekorten in opleiding weg te werken en/ of
te oriënteren op een beroep. Het tweede

programma omvat een tweejarige be-

roepsopleiding voor diegenen die niet
naar het middelbaar beroepsonderwijs

kunnen doorstromen en voor uitvallers.

De beroepsopleiding is speciaal bedoeld

voor diegenen die niet voldoen aan de

toelatingseisen van het middelbaar be-
roepsonderwijs, ondanks het bezit van

een diploma LBO of MAVO; men
spreekt hierbij wel over ,,het gat in de

mammoetwet”. Tevens is deze opleiding,
zoals gezegd, bedoeld voor uitvallers van

MAVO en HAVO en het beroepsonder-

wijs (LBO en MBO). Voorwaarde voor

de laatste groep is wel, dat minstens 10

jaar scholing is genoten. De bedoeling

van deze beroepsopleiding is, dat een op-

leiding wordt gegeven tot
,
aankomend
vakman op een niveau dat minstens ver-

gelijkbaar moet zijn met dat van de pri-

maire opleidingen van het leerlingwezen.

Deze onderwijsprojecten kunnen een

flexibel instrument vormen bij het be-

strijden van de jeugdwerkloosheid. De

mogelijkheid wordt ermee geschapen in

te spelen op de vraag naar arbeids-

krachten met een bepaalde scholing. Het

programma van de beroepsopleiding

dient dan ook zo soepel te zijn, dat het

kan worden aangepast aan een gewijzig-

de vraag. Ook is het mogelijk rekening te houden met de situatie op de verschillen-

de regionale arbeidsmarkten. De toe-

wijzing van de projecten o.verde verschil-
lende scholen kan geschieden door te let-

ten op de situatie op de arbeidsmarkt in
die speciale omgeving.

Discrepantie

De discrepantie tussen onderwijsuit-

stroom en arbeidsmarktmogelijkheden

werd in een notitie van het vorige kabinet

over de jeugdwerkloosheid als een van de

oorzaken van die jeugdwerkloosheid ge-

zien. De huidige bewindslieden spelen
door middel van hun onderwijsprojecten

duidelijk in op deze discrepantie tussen

wat jongeren op school wordt bijge-
bracht en de wensen van de werkgevers.

Ze kunnen ertoe bijdragen dat een deel

van de frictiewerkloosheid onder jeugdi-
gen wordt weggewerkt.

Het is de moeite waard de relatie tus-
sen jeugdwerkloosheid en onderwijsbe-

leid wat nader te bekijken. Daarvoor is
het noodzakelijk allereerst duidelijk aan

te geven wat die discrepantie tussen on-
derwijsuitstroom en arbeidsmarktmoge-

lijkheden nu precies inhoudt. Aan die

discrepantie zijn twee belangrijke aspec-

ten te onderkennen. Het eerste aspect

heeft te maken met de klacht dat het on-

derwijs in de loop der jaren te algemeen

vormend is geworden en daardoor te
weinig op de specifieke’ ‘vraag van de

werkgevers is ingesteld. Het andere as-
pect betreft de klacht dat de onderwijs-
uitstroom van een te hoog niveau is en

880

Tabel 2. Uitstroom uit het basisonderwijs (%)

Jongens
Meisjes

AVO
LOO a)
Overig AVO
LBO
Overig

50
48
2
52
47
55
44
1
56
43
966

……………………..

59
40
1
60
39 1968

……………………..
970

……………………..
62
37
1
64
35
1972

……………………..
974

……………………..
63
36
1
67
32

n) Inclusief LAVO en VGLO.
Bron: CBS. Statistiek east liet ges’oon lager onderwijs.

Tabel 5. Beroepsbevolking en schoolverlaters naar onderwijsniveau in procenten

Mannen
Vrouwen

lager
uitgebreid
middelbaar
lager
uitgebreid
middelbaar
ntveau
lager niveau
niveau en hoger
niveau lager niveau
niveau en hoger

Samenstelling be-
roepsbevolking
volgens

volkstel- ing 1960
57
32
II
54 37 9

Uitstroom

uit

het
onderwijs
50
33
17
52 35
13
1965

…………
38
40
22
42
37
21
1967

…………
33
41
26
36 39
25

1961
………….

1969

…………
28 43
29
30
40
30
1971

…………
20 47
33
22
44
34
1972

…………
18
45
37
23
42
35

Bron:
Soeiaul est eultureel rapport 1974.

daardoor niet meer overeenstemt met de

vraag op de arbeidsmarkt.

Algemene vorming

Ondanks de toegenomen werkloos-

heid heeft men de laatste jaren toch aller-

lei organisaties en bedrijven horen kla-
gen over het gebrek aan voldoende vak-

kundig personeel. Vooral technische

vaklieden waren blijkens die uitspraken

moeilijk te vinden. Aan het onderwijs
werd het verwijt gericht, dat het deze

vaklieden niet aflevert. Scholieren zou-

den verkeerd worden voorgelicht over

hun toekomstkansen, hetgeen zou blij-

ken uit de relatieve achteruitgang van de

belangstelling voor het lager beroeps-

onderwijs ten voordele van het algemeen

vormend onderwijs. Daar zou nog bij
komen dat het beroepsonderwijs zelf,

volgens veel werkgevers en hun organi-

saties, een te algemeen vormend karak-
ter heeft gekregen. De praktijkoefening

in het lager beroepsonderwijs is zo ge-ring, zo luidt de klacht, dat een LTS’er

niet eens meer een hamer kan vasthou-

den. ,,Het vak waarvoor ze mijn bedrijf
binnenkomen, hebben ze niet onder de

knie. Ik zou me doodschamen zo voor
Jan Doedel te staan”, aldus een fabrieks-

directeur 1). Mogelijk bestaat er zelfs een

verband tussen de twee gesignaleerde

verschijnselen. De vermeende vermin-

derde kwaliteit van de uitstroom van het
lager beroepsonderwijs zou te wijten
kunnen zijn aan de gedaalde kwaliteit

van de leerlingen van dat onderwijs. Een

LTS-directeur merkt tenminste op:

,,Het probleem is dat de jongens met het
niveau dat vroeger onze school bezocht

nu naar MAVO of HAVO gaat. De zo-

genaamde input is van lager niveau” 2).

De vraag is of er aanwijzingen te vinden

zijn die deze klachten ondersteunen.

Uit diverse CBS-publikaties is op te
maken dat zowel bij meisjes als jongens
er een tendens bestaat in de richting van

een steeds sterkere vxrkeur voor het al-

gemeen vormend onderwijs (zie tabel 2).
Ook moeten we constateren dat het la-
ger beroepsonderwijs tegenwoordig in-

derdaad meer gericht is op algemene
vorming. Vlak na de tweede wereldoor

log werd daar al voor gepleit. Vanaf 1949

hield een aantal commissies zich met het
probleem bezig. Veel succes boekten zij
echter nog niet. Van belang voor de ver-
schuiving in de richting van een meer al-

gemeen vormende beroepsopleiding zijn

vooral de verschillende leerplichtver-

lengingen en de invoering van de mam-

moetwet geweest. De cursusduur is daar-

door van 2 â 3 jaar naar4jaar gegroeid;

er is een brugperiode ontstaan van eerst 1

jaar, daarna 2jaar,zodatdeberoepskeuze

langer kan worden uitgesteld; enten slot-
te zijnde keuzemogelijkheden wat de be-

roepsvoorbereidende vakken betreft

sterk uitgebreid. Dit alles heeft er inder-

daad toe geleid dat het lager beroepson-

derwijs in vergelijking met vroeger alge-

mener is geworden. Dit is echter veeleer
toe te schrijven aan een vermeerdering

van het totaal aantal beschikbare uren,

dan aan een vermindering van een speci-

fieke voorbereiding op de beroepsprak-
tij k.

Ten slotte rest nog de vraag ofde kwa-

liteit van de input in het LBO lager is ge-
worden. Deze vraag is moeilijk te beant-

woorden. Wel blijkt dat het algemeen

vormend onderwijs steeds minder eind-onderwijs wordt, terwijl dit voor het la-

ger beroepsonderwijs nog veelal wel het geval is. (zie tabel 3).

Blijkens de statistieken tonen steeds
meer MAVO-leerlingen belangstelling
voor het middelbaar beroepsonderwijs.

In 1970 had nog 50% van de MBO-in-

stroom een LBO-achtergrond; in 1975
was dit nog maar 36%. Het is dus best
mogelijk dat de jongens, met het niveau

dat vroeger het LTO bezocht, toch in het

beroepsonderwijs terecht komt via het

AVO. Vergeleken met vroeger zou erdus

sprake kunnen zijn van een omweg. De
belangstelling voor het MBO blijkt in de

loop der jaren namelijk niet afgenomen

te zijn.

Tabel 3. Uitstroom uitgebreid lager

onderwijs met diploma. Geen verder

dagonderwijs

Jongens
1968
1974

MAVO

………………33.7%
LTO …………………83,7%
18.5%
79,3%

Meisjes
1968 1974

MAVO

………………
LHNO

………………..
.56,1%
66,5%
37,9% 52.8%

Bron: Diverse CBS-publikaties.

Hoog niveau

Een verondersteld te hoog niveau van
de onderwijsuitstroom vergeleken met de

arbeidsmarktmogelijkheden vormt het

tweede aspect van de gesignaleerde dis-

crepantie. Voor een sterk stijgend niveau

van de onderwijsuitstroom zijn inder-

daad duidelijke aanwijzingen te vinden.
Ons tot mannen beperkend geeft tabel 4
een overzicht over de lange termijn.

Tabel 4. Mannelijke schoolverlaters

verdeeld naar het hoogst behaalde

onderwijsdiploma (%)

936
1961
1974

74
50
18
Lager niveau

……………
Uitgebreid lager niveau
19
33
44
Middelbaar niveau en hoger
10
17
38

Bron: Diverse CBS-publikaties.

Vooral de laatste 10 â 15jaar is de uit-

stroom sterk gestegen. In 1961 bijvoor-

beeld kwam het gemiddelde uitstro-

mingsniveau nog ongeveer overeen met
het gemiddelde oriderwijsniveau van alle

leeftijdscategorieën van de totale be-

roepsbevolking volgens de momentop-

name van de volkstelling 1960. Daarna

steeg het uitstromingsniveau Vrij sterk

(zie tabel
5).

SEM,
18december 1976, blz. 16117.
Idem, blz. 18.

ESB 30-8-1978

881

Nogmaals: discrepantie

Uit het voorafgaande blijkt dat er in-

derdaad sprake is van een Vrij sterk stij-

gend niveau van de onderwijsuitstroom

en eveneens van een trend in de richting

van meer algemeen vormende opleidin-

gen. Daarmee is natuurlijk nog niet de

vraag beantwoord of het onderwijs
te
hoog van niveiu en
te
algemeen is gewor-

den. Het antwoord daarop is afhankelijk

van de antwoorden op twee andere vra-

gen. De vraag namelijk naar veranderin-

gen in de arbeidsmogelijkheden en de

vraag of de onderwijsuitstroom wel

moet
overeenstemmen met de arbeids-

marktmogelijkheden.

Over de klacht dat het onderwijs te al-

gemeen vormend is geworden, kunnen

we betrekkelijk kort zijn. Inderdaad zijn
de lagere beroepsopleidingen algemener
van aard geworden. Het is echter denk-

baar dat we het uiten van deze klacht aan

de stand van de conjunctuur kunnen

toeschrijven. In een periode van econo-

mische neergang zullen de werkgevers bij

hun personeelsselectie strengere normen

hanteren. Men is ook minder bereid in

eigen opleidingen te investeren. De
kosten zijn toegenomen door de invoe-

ring van het minimumjeugdloon en de

kans bestaat, dat een flink deel van de

leerlingen na de opleiding elders gaat

werken. Het gevolg hiervan is dat men

begint af te geven op de veralgemenise-

ring en dat bedrijven op diverse

manieren trachten hun opleidingskosten
te drukken door middel van verlaging

van de beloning van de leerlingen, hetzij

afwenteling van de kosten op de over-

heid. Het is de vraag of deze klachten

bij een weer opgaande conjunctuur niet

zullen verstommen.

Van de klacht maakt echter ook deel

uit de toenemende belangstelling voor

het algemeen vormend onderwijs. Deze

klacht is terecht voor zover bijvoorbeeld

de MAVO steeds minder geschikt is om

als eindonderwijs dienst te doen. In tabel

3 hebben we echter al gezien dat dit voor

een steeds kleiner percentage van de

schoolverlaters ook inderdaad het geval

is. Via een omweg komt men dikwijls toch nog bij het beroepsonderwijs te-

recht. Dan kan echter de tweede klacht gelden dat het niveau te hoog is.
Om er achter te komen of de onder-

wijsuitstroom inderdaad van een te hoog

niveau is, kan men deze vergelijken met
het niveau van de vacatures. De gegevens

hierover welke van de arbeidsbureaus af-

komstig zijn, geven echter geen goede in-

formatie. Daarom houdt het CBS tegen-

woordig een enquête naar moeilijk ver-

vulbare vacatures. Deze enquête heeft

haar bezwaren, omdat ze niet de gehele

beroepsbevolking betreft. Er blijkt

echter wel uit dat het percentage pro-

bleemvacatures dat openstaat voor

schoolverlaters lager wordt naarmate

het niveau van de vacatures stijgt. Dat

kan te wijten zijn. aan het feit dat op ho-
ger niveau meer ervaring nodig is voor
een vacature, maar ook dat de werkge-

vers vanwege het hogere niveau van de
schoolverlaters geen problemen hebben

met het opvullen van de vacatures die

voor de schoolverlaters openstaan. Dui-

delijker informatie is te krijgen door

voor een recent jaar het scholingsniveau

van de werkgelegenheid, van de beroeps-

bevolking en van de schoolverlaters

naast elkaar te zetten. Uit tabel 6 komt

de discrepantie duidelijk naar voren.

Tabel 6. Verschillende scholingsniveaus

voor het jaar 1973

Werk-
Beroeps-
School-
gelegen-
bevolking
ver-
held
laters

50%
36%
18%
Uitgebreid

lager

ni-
Lager niveau

……..

38%
41%
51%
‘veau

………….
Middelbaar niveau en
hoger

…………
8%
14%
20%

Bron: CBS, Statistisch zakboek;
Van Oudenhoven en
Willems 3).

Deze rubriek wordt verzorgd door de
afdeling Sociaal-Economisch Beleid

van de Erasmus Universiteit Rotterdam

Een discrepantie tussen onderwijsuit-

stroom en arbeidsmogelijkheden is dus

aanwezig. Rest de vraag of die discre-
pantie wel zo bezwaarlijk is. Dat is de

vraag naar de doelstellingen van het on-

derwijs.

Ruwweg zijn er een tweetal sterk ver-
schillende visies omtrent het onderwijs
te onderscheiden. In het ene geval wordt

het onderwijs gezien als een investering

ten behoeve van de toekomstige arbeids-
prestaties. De eisen van de arbeidsmarkt

bepalen de inhoud van het onderwijs en

door middel van een selectiesysteem wor-

den ook de benodigde aantallen zoveel
mogelijk gereguleerd. Uiteraard garan-

deert het bezit van een bepaald diploma

dan zo goed als zeker een bepaalde werk-

kring met alle bijbehorende voordelen.
In het andere geval ziet men onderwijs

als een doel op zich. Het leidt tot zelfont-
plooiing en deelname aan het maat-

schappelijke leven. In deze visie is onder-
wijs een consumptiegoed. Het onderwijs

bepaalt zelfstandig, los van de arbeids-

markt, zijn lesdoelen. Iedereen is vrij de

studie van zijn keuze te volgen. Een di-
ploma biedt geen garantie meer op een

bepaald soort of niveau van werk.

Deze beide visies zijn twee uitersten,
waarbij de praktijk veelal een mengvorm
te zien geeft. Lange tijd is de eerste visie
overheersend geweest. Halverwege deja-

ren zestig lijkt de situatie echter om te

slaan. De groei van de onderwijsdeelna-
me haalde de groei van het niveau van de

werkgelegenheid in. Daarmee is de lan-
gere onderwijsdeelname voor de maat-

schappij geen investering meer. Wie

meer leert dan hij in zijn werkkring no-

dig heeft, doet macro-economisch gezien

aan verspilling.

Sleutelmacht van de school

Macro-economisch gezien mag dat

het geval zijn, voor het individu zelf blijft

deelname aan het onderwijs noodzake-

lijk. Het volgen van meeronderwijs blijft

het middel bij uitstek om tot een betere

sociale positie te komen. Het onderwijs

bezit tenslotte een duidelijke allocatieve

functie. De verdeling van de arbeids-

krachten over op de arbeidsmarkt te ver-

vullen beroepen is, meent Baars, zelfs de

overheersende functie van het onderwijs

4), ondanks de grotere klemtoon op zelf-

ontplooiing en maatschappelijke weer-
baarheid. Het beroep op zijn beurt is in

de huidige maatschappelijke constellatie

weer de belangrijkste factor bij de toewij-

zing van allerlei schaarse zaken als inko-

men, invloed en prestige. Matthijssen

spreekt dan ook over de sleutelmacht

van de school 5). Het onderwijs, zegt hij,

neemt zowel ten aanzien van het totale

welvaartsniveau als van iedere positie af-

zonderlijk een sleutelpositie in. Onder-

steuning voor deze opvatting put hij

enerzijds uit de geweldige toename van

de overheidsuitgaven ten behoeve van

het onderwijs in de laatste decennia en

anderzijds uit het feit dat onderwijs mo-

menteel veruit de grootste post van de

overheidsbegroting vormt.

Planning

De discrepantie tussen het indivi-

duele verlangen naar meer onderwijs en

het maatschappelijk gezien te hoge on-

derwijsniveau, althans in vergelijking
met de arbeidsmarktmogelj kheden,

stelt de overheid voor een keuzepro-

bleem. Een keuze die des te neteliger is
gezien het sterk stijgende kostenniveau

van het onderwijs (ter illustratie: de over-

heidsuitgaven voor het onderwijs stegen

van 1965 tot 1975 van f. 4,3 mrd. naar

17,3 mrd.; in percentages van het natio-

naal inkomen was dat een stijging van
6,8 naar 9,4) en de moeilijke positie van

de overheidsfinanciën. Een voor de hand

liggende conclusie is dat in de toekomst

in steeds verdergaande mate moet wor-
F. J. M. van Oudenhoven en R. Willems,
Kloof tussen onderwijs- en werkgelegenheids-
niveau,
ESB.
26juli 1972, blz. 704-707.
W. Baars, Opmerkingen overde relatie tus-
sen onderwijs en arbeidsmarkt,
Socialisme en
Democratie,
1975, blz. 491-501.
M. A. J. M. Matthijssen,
Klasse-onderwijs, Deventer, 1971.

882

den ingegrepen in de keuzevrijheid van

individuen ten aanzien van het door hen

gewenste onderwijs. Kruse gaat zelfs zo-

ver zich af te vragen of het nog langer

verantwoord is de keuze van het Soort

dagonderwijs dat men wil volgen geheel
vrij te laten 6). Hij denkt daarbij aan een

numerus fïxus voor MAVO, HAVO,

atheneum en gymnasium.

Het is echter de vraag of deze conclu-

sie op het ogenblik wel zo voor de hand

ligt. De politieke discussies lijken een an-

dere kant op te wijzen. Daaruit komt

namelijk de vraag op of de negatieve ge-

volgen van verdergaande overheidsbe-

moeienis de positieve gevolgen niet zul-

len overtreffen. Zou het onderwijs niet in

een geweldig bureaucratisch apparaat

verzanden? Het is de vraag ofdit kabinet

erg geneigd zal zijn zich door middel van

regulering en toewijzingsregels nog ver-

regaander met het onderwijs in te laten.

Een liberale minister van onderwijs en

een minister-president die met kenne-

lijke wellust de overheid aanduidt als de
heer Albedil lijken daar niet op te wijzen.

Positionele goederen

Toch lijkt de overheid nauwelijks te

kunnen ontkomen aan de noodzaak tot

ingrijpen. De tweede onderwijsdoelstel-

ling kan weliswaar worden aangevoerd
ter verdediging van slechts een beperkt

ingrijpen, maar het blijft de vraag of ie-
mand verscheidene academische studies

mag volgen, omdat hij dat voor zijn zelf-

ontplooiing noodzakelijk vindt, terwijl

de verwachting gewettigd is, dat hij die

voor zijn beroepsuitoefening niet no-
dig heeft. Als verdediging zou kun-

nen worden verwezen naar de positieve
maatschappelijke effecten van het te

hoge onderwijsniveau. Daardoor zou-
den meer mensen het in zich hebben hoge

posities te bezetten, waarvan grotere so-

ciale gelijkheid het gevolg zou kunnen

zijn.
Of grotere gelijkheid inderdaad het

gevolg is, is op zijn minst problematisch.

Volgens Hirsch kunnen we de hoge
posities opvatten als positionele goede-
ren, d.w.z. goederen die begerenswaar-

dig zijn omdat ze per definitie slechts

voor een enkeling beschikbaar zijn 7).

Weliswaar is het scholingsniveau in de

samenleving sterk gestegen, maar het

aantal hoge posities is beperkt gebleven.

Voor ieder individu op zich is hoge
scholing noodzakelijk om een hoge
positie te bezetten, maar voldoende is het

niet. De concurrentie is namelijk toege-
nomen. Het gevolg daarvan is, dat de

toegang tot de hoge posities wordt
geblokkeerd doordat steeds zwaardere
eisen worden gesteld aan opleiding,

capaciteiten e.d. Het gevolg daarvan is
weer dat de hoge posities voor de grote

meërderheid onbereikbaar blijven. Toe-
genomen scholing zal dan ook niet tot
meer sociale gelijkheid leiden 8).

Marktwerking
Als grotere overheidsbemoeienis met

het onderwijs op het ogenblik niet voor

de hand ligt, zal dan misschien de markt-

werking een oplossing voor de discre-

pantie bieden? Gezien het overschot aan

hoger geschoolden valt een verminde-

ring in beloning en tevens een toename in

werkloosheid binnen deze groep te ver-

wachten. Vermindering van beloning en

grotere kans op werkloosheid zouden

een dusdanige invloed kunnen hebben,
dat de motivatie om verder te studeren
zal afnemen. Inderdaad zien we een da-
ling optreden in bijvoorbeeld de aan-

vangssalarissen van academici en even-

eens een grotere werkloosheid onder ho-
ger geschoolden. Maar of dat tot een ge-

ringere motivatie zal leiden, valt te be-
twijfelen.
Gegeven het feit dat de jeugdwerk-

loosheid vooral te vinden is onder de

jeugdigen met een onvolledige en ge-

brekkige vooropleiding lijkt het plausi-
bel dat er zich een afwentelingsproces af-

speelt binnen deze categorie 9). Jeugdi-

gen meteen hogerscholingspeilaanvaar-

den lager geclassificeerde banen; er is

sprake van ,,diploma-inflatie”. Een be-

paald diploma levert geen werk meer op

ôp het niveau dat er voorheen mee te

krijgen was, maar werk dat net een trapje

lager ligt. Dit is het gevolg van het feit

dat veel bedrijven en instellingen bij de

functie-eisen niet kijken nar de werke-

lijke zwaarte van het werk, maar naar het

niveau van de mensen die ze gegeven de

arbeidsmarktomstandigheden nog wel

voor de baan menen te kunnen interes-

seren. Dit onder het motto: ,,Hoe hoger

het diploma, des te beter zal de betrokke-

ne zijn werk verrichten”. Maar ook dat is

twijfelachtig. Uit Amerikaans onder-

zoek trekt Berg de conclusie:” ( … ) man-
agers who raise educational require-

ments are likely to purchase themselves

some, if not all, of thevery dissatisfac-

tion that their expensive personnel prac-
tices are calculated to reduce” 10). Voor
Nederland komen Van Oudenhoven en

Willems tot dezelfde conclusie 11).

Als blijkt, stellen zij, dat een aanzienlijk
deel van de beroepsbevolking meer capa-
citeiten heeft dan hun taak van hen eist,

dan kan dat leiden tot negatieve effecten
als verzuim, verloop, frustratie, een

lauwe instelling en dergelijke.

Slot

Het is een weinig begeerlijk dilemma

waarin de overheid zich bevindt. Grijpt

ze in bij het toewijzen van onderwijs-
plaatsen, dan zal ze ontevredenheid ver-

oorzaken door ontnomen onderwijs-
kansen. Grijpt ze niet in dan zal de

marktwerking grotere arbeidsontevre-

denheid opleveren. Er lijkt maar één
uitweg uit dit dilemma te bestaan. Dat is

het overtuigen van de werkgevers, dat
aanstelling van personeel beneden hun

opleidingsniveau ongewenst is. Als daar-

door de werkloosheid naar opleidings-
niveau evenals de betaling een duidelj-

kere afspiegeling van de werkelijke situa-

tie op de arbeidsmarkt gaat vormen, be-

staat pas de kans dat de animo voor een
voortgezette opleiding vanzelf vermin-

dert. Leidt deze oplossing binnen een ter-

mijn van enige jaren niet tot het gewenste

resultaat, dan kan alsnog naar hardere

maatregelen gegrepen worden. Daarbij

mag niet uit het oog worden verloren dat

het onderwijs naast voorbereiding op

een werkkring ook andere doelen dient
te vervullen.

Wil Arts
Derk Brouwer

F. H. A. M. Kruse, Arbeidsmarkt en on-
derwijs,
Eniree.
1975,
nr.
2,
blz.
16-19.
Fred Hirsch,
Social limils to growth,
Lon-den,
1977.
Zie ook: Hans van den Doel, De
valse belofte van de economische groei,
Haag-
se Post,
22
oktober
1977,
blz.
12-14.
R. Boudon,
Educazion, opportunity and
social inequality,
New York, 1974.
W.
A. Arts, Jeugdwerkloosheid en werk-
gelegenheidsbeleid,
ESB, 10
november
1976,
blz.
1102-1 106.
Ivan Berg,
Education and jobs,
Boston,
1971,
blz.
17.
II) Van Oudenhoven en Willems, o.c., blz.
707.

ESb
Mededeling

25 jaar post-doctorale studie voor

belastingkundige

Op 13 oktober 1978 zal de slot-

bijeenkomst in het kader van de viering

van het 25-jarige bestaan van de post-
doctorale studie voor belastingkundige

aan de Katholieke Hogeschool Tilburg
en de Universiteit van Amsterdam

worden gehouden. Het programma

voor deze bijeenkomst omvat de vol-

gende onderdelen:

• rede van Prof. Dr. D. Brüll;
• uitreiking van de lustrumbundel door

Prof. Mr. Ch. P. A. Geppaart aan

Mr. A. Nooteboom, staatssecretaris

van Financiën;
• erepromotie van Prof. J. E. A. M.

van Dijck;
• receptie, aangeboden door de Uni-

versiteit van Amsterdam.

Plaats: Aula van de Universiteit van
Amsterdam (tijdelijk Lutherse Kerk,

ingang Singel 411, hoek Spui). Aanvang:
14.00 uur.

ESB 30-8-1978

883

Tabel 1. Bruto investeringen in vaste activa
(f
mrd.)

1976 1977
77
lekwar-
lekwar-
kwartaal

78b)
%
%
% %
nomi-
volume
taal
taal
nomi-
volume
naal
1977 1978
naal

Nijverheid

…………………..
12,02 13,76
14,5 10,5
3,18
3,45
8.5
5,1
Anderebedrijven
……………..
.13,32
17,03
27,9
19,4
3,92
4,29
9,4 4,5

landbouw …………………2,38
3,38
42,0
0.65 0,78
20;0

handel
……………………
3,03 3,48
14,9
0,86
0,84
-2,3

verkeer …………………..4,00
5,22
30,5
1,24 1,32
6,5
3,91
4,95 26,6
1,17 1.35 15,4
11,94
15,15
26,9 5,5 3,36 3,83
14,0
4,6

overig
…………………….

37,28
45,94
23,2
16,3
10,46
11,57
10,6
4,7
Cxpl.vanwoningen

……………
1+2+3
…………………….
9,13 9,17
0,4
-7,1
2,00
1,88
-6,0
-13,4
Overheid

……………………
4
+
5

……………………….
46,41 55,11
18,9 11,2
12,46
13,45
7,9
2,0

L

0

e
iL]

Geld- en kapitaalmarkt

Investeringen en

kredietverlening

DRS. Z.J. HOLLESTELLE*

Het is niet zonder meer aan te geven in hoeverre er een verband bestaat

tussen rendemenisniveau, investeringsactiviteitenkredietverleningaanhetbe-

drijfsleven. In hei voorhanden cijfermateriaal vallen niettemin enige tenden-

ties te onderkennen. Bedrijven kunnen behoefte hebben aan kort en lang

krediet voor de financiering van hun normale bedrijfsactiviteiten, al dan niet

vrijwillige voorraadvorming of voor een investering. Hei is niet louter toeval

dat de flinke kredieigroei, zoals die zich in 1977 heeft gemanij’esteerd,

gelijktijdig optreedt met een hausse in de investeringen in vaste activa van het

bedrijfsleven. Dit geldt le meer daar een andere belangrijkefinancieringsbron

– de winstinhouding – gezien hei economische beeld weinig additionele

ruimte zal hebben verschaft. Hoe zullen de investeringen zich de komende
jaren ontwikkelen, zal hei rentabiliteitsniveau toenemen en wal zou een en

ander uit dien hoofde voor de krediet vraag van het bedrijfsleven kunnen

betekenen?

waarschijnlijk verband hield met het

aflopen van in het verleden geëntameer-

de stimuleringsprogramma’s.

Vergelijkiiig van de gemiddelde groei-

cijfers van de beide sectoren nijverheid en

andere bedrijven over de jaren zestig en

zeventig toont een opmerkelijk verschil.

Onder invloed van de krachtige expansie

in bedrijfstakken als aardolieraffinage,

chemie en metaal bedroeg de gemiddelde

jaarlijkse toename van de investeringen

in de nijverheid in de jaren zestig in

volume gemiddeld bijna 9% tegen 6,5%

in de sector andere bedrijven. In de

laatste periode blijken de rollen omge-

draaid, namelijk een daling van gemid-

deld bijna 1% per jaar- medetengevol-

ge van de structurele problematiek in
genoemde bedrijfstakken – tegenover
een toename van 3%.

Uit recent gepubliceerde gegevens over

het eerste kwartaal van dit jaar blijkt een
nog immer aanhoudende – zij het af-

zwakkende – opwaartse beweging van

de investeringen van bedrijven en in

woningen. De overheid laat het daaren-

tegen afweten (- 13,4%). Het groeitempo
in het eerste kwartaal is min of meer

conform de verwachting zoals die in de
nota
Bestek
’81
voor 1978 is te vinden.

1978- 1982

De economische vooruitzichten vallen
somberder uit dan aanvankelijk door het

kabinet is verondersteld. Gezien de taak-

stelling – terugdringing van de werk-

loosheid tot 150.000 personen op middel-

lange termijn en vermindering van het

inflatietempo tot ten minste het peil van

West-Duitsland zijn additionele bezuini-
gingen c.q. ombuigingen noodzakelijk
geworden. In de nota
Bestek
’81
geeft de
regering aan hoe zal worden getracht

deze doelstellingen alsnog te verwezenlij-
ken.

De ,,economische” basis van de nota

wordt gevormd door de nieuwe analyse
van de Centrale Economische Commis-

1977

Kenmerkend voor de economische

ontwikkeling van ons land in 1977 was de

krachtige opleving van de binnenlandse

vraag, met name van de investeringen

van bedrijven (excl. woningen) die 16,5%

in volume toenamen. Het was de grootste
stijging sinds 1964.
Tabel 1 geeft een indruk hoe de krach-

tige toename van de investeringen over

de verschillende sectoren verdeeld is ge-
weest. Het volume van de investeringen

in de nijverheid steeg met 10,5%. Niette-

min ligt het niveau als gevolg van de

teleurstellende investeringsactiviteit in

de tussenliggende jaren nog steeds ruim

beneden dat van 1970. Het groeitempo

van de investeringen van de ,,andere

bedrijven” nam met 19,4% zelfs bijna

tweemaal zo snel toe. Uitsplitsing van

deze laatste sector is mogelijk. Wel levert

dat nominale groeitempi op, waardoor

geen zuiver beeld van de volumebewe-

ging wordt verkregen. Hoewel het onder-
liggende prijspeil van het ,,investerings-

pakket” per sector zal verschillen, kan

globaal de conclusie worden getrokken

dat de sectoren landbouw, vervoer en

overige bedrijven en in mindere mate de

sector handel fors aan de investerings-

hausse hebben bijgedragen. Het volume
van de investeringen in woningen steeg

eveneens sterk
(15,5%),
terwijl de inves-
teringen van de overheid onder neer-

waartse druk kwamen te staan, hetgeen

1977 tav. 1976.
le kwartaal 1978
1.0v.
le kwartaal 1977.

* De auteur is medewerker aan het Econo-
Bron: CBS,
Statistisch Bulletin.
nr
. 67, 1978.

misch Bureau van de AMRO Bank.

884

Tabel 4. Vorderingen van handelsbanken op bedrijven (ultimo ‘s)

f.mln.
%

december
december maart
december
maztrl
976
1977
1978
1977
1978
t.o.s’.
.0v.
december
december
1976
1977

Nijverheid (mcl. bousvnijverheid)
………….
12.486
13.049 14.323
4.5
9.7
Dienstverlening

………………………13.329
.
16.222
17.126
21,7
5,6

fataal

……………………………..25.815
1

29.271
1

31.449
13.4
1

7.4

Bron:
Ku’artaalbericht DNB,
Statistische Bijlage, tabel 2.3., Statistiek grote kredi’eten.

sie (CEC), een commissie van hogere

ambtenaren. Zonder de voorgestelde

ombuigingen zullen de investeringen van

bedrijven en in woningen de komende

jaren gemiddeld
3,5%
resp. 1% perjaar in

volume toenemen. De arbeidsinko-

mensquote (AIQ) blijft praktisch con-

stant. Het rentabi!iteitsniveau van het

bedrijfsleven zal derhalve niet of nauwe-

lijks verbeteren. De werkloosheid zal in

deze situatie oplopen tot 255.000 â

280.000 personen.

In de CEC-nota zijn een aantal be-

leidsvarianten ontwikkeld. Daarin komt

naar voren dat een combinatie van loon-

matiging en fiscalisering van werkne-
merslasten voor het terugdringen van

inflatie en werkloosheid de beste resulta-
ten geeft. De investeringen van bedrijven
zullen in dat geval sneller toenemen, ter-

wijl de AIQ ruim 2 procentpunten zal

dalen.

Tabel2. Enkele kerngegevens 1978/1982

Basis.
Beleids-
projectie
alternatief c)
volgens
(effecten op)
CEC-nota

Bruto investeringen bedrijven
(volume: cxci. woningen) a)
3,5
+
1.5
Investeringen in woningen

(voinme) a) …………..1
Arbeidsinkomensquote b)
91.5
-2.3

Gemiddelde jaarlijkse mutatie in procenten. Niveau in 1982 (cxci. delfstoffenwinning, openbaar nut,
exploitatie van woningen).
e( Atttonome loonmatiging gecombineerd met fiscalisering
sscrkncmcrslasten (0.3% van het nationaal inkomen perjaar).
Bron: Nota Bestek ‘BI.

Na 1982 verwacht de CEC een toene-

mend groeitempo van de investeringen in

outillage en transportmiddelen. Het gaat

hierbij met name om vervangingsinveste-
ringen als echo van investeringen uit het
verleden, in dit geval uit de jaren zestig.

De nota plaatst hierbij onmiddellijk en-

kele kanttekeningen. Terecht wordt op-
gemerkt dat het in het licht va0 de huidi-

ge overcapaciteit onzeker is of
vervanging nog wel zal optreden. Van

belang is ook de mate waarin de reële
arbeidskosten zullen toenemen. Daar

kan evenwel tegenover staan dat door

omschakeling van bestaande produktie-
processen ten einde een betere afstem-

ming van het aanbod op de vraag te

verkrijgen, investeringen in een versneld

tempo worden uitgevoerd. Dit laatste

lijkt het groeitempo van de investeringen
in 1977 mede bepaald te hebben. In

hoeverre dit effect de groeicijfers zal

benvloeden, is overigens evenmin te

overzien.
Parallel aan het gestelde in
Bestek ’81

heeft ook de’ Commissie van Econo-

mische Deskundigen (CED) van de SER’

zich uitgelaten over verlaging van de

AIQ en verhoging van de investerings-

quote. De Commissie is wat specifieker

te werk gegaan bij het uitwerken van de

voorstellen dienaangaande. Zij wijst in

dit verband op het feit dat aan de effecti-
viteit van een algemene lastenverlichting,

leidende tot rendementsverbetering en

verhoging van de investeringsquote o.a.

door het bestaan van grote sectorale ver-

schillen in afzetmogelijkheden, beper-

kingen worden gesteld. Volgens de Com-

missie zou het beleid gericht moeten

worden op het wegnemen van knelpun-
ten op de goederen- en arbeidsmarkten.

De Commissie pleit o.a. voor opvoering

van de produktie in de bouwnijverheid

(wo. stadsvernieuwing, energie, enz.).

Gesteld wordt daarbij evenwel dat finan-

ciering hiervan niet mag leiden tot ver-

storingen in het economisch proces el-
ders.

Financiering
Voor de financiering van bedrijfsacti-

viteiten, w.o. investeringen, komen met

name de ,,cash-flow” en kredieten c.q.

leningen in aanmerking. Ten gevolge van

de geleidelijk afnemendë winstgevend-

heid van het bed rijfsleven sedert deeerste

helft van de jaren zestig is het belang van

de ,,cash-flow” als financieringscompo-nent relatief verminderd. Het eigen ver-

mogen als percentage van het totale

vermogen nam vrijwel voortdurend af.
Volgens tabel 3 lijkt daar in de periode

1974 t/m 1976 enige verandering in te

zijn gekomen.

Tabel 3. Financiering

1973
1974 1975 1976
l9T

45
33
45
53

(% van de totale ftnanciering)
interne financiering a)

……..

29 27 27
27

Eigen vermogen a)

………..
(% van

het

totale

vermogen)
84.8
87,5
93,6
91,5
92,2
)excl. dcifst. winning, openb. nut,
expl. san woningen)

Arbeidsinkomensquote
………

Investeringen van bedrijven
14,1
9.9
3,0
3,8
21.5
in s’asie aCtis’a
(cxci. woningen: groeiperccutagc.
lopende prijzen)

a) Beurs NV’s (handel, industrie, diversen).
Bron: CBS: CPB. Centraal Eco,to,nisc/t Pia,,, Wj,tst en
i’ersnogeitsstutistiek
van
beurs NV’s
1976; CBS,
Statistisch Bulletin.
no. 67. 1978.

De interne financieringsgraad van

handel, industrie en diversen verbeterde,

terwijl de verhouding eigen vermogen/

vreemd vermogen in dit deel van het be-

drijfsleven constant bleef. Opgemerkt zij

evenwel dat de nominale groei van de

investeringen in deze periode betrekke-

lijk gematigd was, waardoor uit dien

hoofde geen fors beroep op vreemd ver-

mogen behoefde te worden gedaan. Bo-

vendien was het bedrijfsleven als gevolg

van de voorraadafbraak in 1975 tamelijk
liquide. Vorig jaar is de interne financie-

ringsgraad vermoedelijk weer verslech-

terd, hetgeen eveneens geldt voor de

verhouding eigen/vreemd vermogen. De

arbeidsinkomensq uote steeg immers met

0,8 procentpunt, anderzijds vertoonden

de investeringen van bedrijven een

krachtige opleving. Deze verwachting

wordt bovendien gestaafd door de ex-pansie van de kredietverlening van de

handelsbanken in 1977.
Het is opmerkelijk dat de nijverheid,

waar een aanzienlijk lager groeitempo

van de investeringen valt waar te nemen,
tevens de geringste mutatie in de krediet-

verlening te zien geeft met 4,59
ó
tegen

21,7% in de dienstverlenende sector

(excl. financiële instellingen).

Indien u niet élles op economisch gebied kunt lezen,

dan kunt u ESB onmogelijk missen.

ESB 30-8-1978

.

.

885

In hoeverre er dit jaar sprake zal zijn

van een verbetering van de financierings-

verhoudingen van het bedrijfsleven valt

vooralsnog moeilijk te overzien. Ener-

zijds speelt de teleurstellende econo-

mische groei, die naar het zich laat aan-

zien nog ongunstiger zal uitvallen dan in

Bestek ’81
wordt voorzien, het bedrijfsle-

ven parten. Anderzijds neemt het groei-

tempo van de investeringen duidelijk af,
terwijl bovendien door de invoering van

de Wet op de investeringsrekening

(WIR) en de tijdelijke maatregelen die

vooruitlopen op het regeringsstandpunt

m.b.t. de studie-Hofstra, nieuwe finan-

cieringsbronnen worden aangeboord.

Ook op middellange termijn geeft het

verwachte groeitempo van de investerin-

gen van bedrijven en in woningen, zoals

uit tabel 2 blijkt, op zich geen aanleiding
tot een krachtige kredietexpansie. De

financieringsverhoudingen zouden zelfs

wat kunnen verbeteren. De AIQ daalt,

terwijl de zojuist vermelde regelingen

hun volle effect gaan sorteren. De ko-

mende 4jaren zal uit dien hoofde ca. f. 15

mrd. naar het bedrijfsleven toestromen.

Conclusie

De met betrekking tot de econo-

mische ontwikkeling wellicht wat opti-

mistische nota
Bestek ’81
verwacht een

gematigde toename van de investeringen

van bedrijven en in woningen. Het renta-

biliteitsniveau kan enigszins verbeteren.

terwijl de komende jaren omvangrijke

bedragen uit hoofde van diverse regelin-

gen naar het bedrijfsleven zullen toe-
vloeien. Verbetering van de financie-

ringsverhoudingen is derhalve

waarschijnlijk. Tegen deze achtergrond

is het nauwelijks aannemelijk dat het

groeitempo van de kredietverlening van

de handelsbanken aan de bedrijven uit

hoofde van investeringen t.o.v. 1977 niet

aan kracht zal inboeten.

Z. J. Hollestelle

E;Wm

Stichting

kmSurinamestraat

WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK

KONSUMENTEN AANGELEGENHEDEN

4

‘s-Gravenhage

In oprichting is de Stichting
Wetenschappelijk Onderzoek Konsumentenaangelegenheden:

SWOKA

Deze heeft ten doel langs de weg van onderzoek tot een betere onderbouwing te komen van het kon-

sumentenbeleid van deoverheid en van de konsumentenorganisaties.

De volgende onderzoeksgebieden vallen onder de taakstelling van het nieuwe op te richten instituut:

sociaal economisch, huishoudkundig, voorlichtingskundig en natuurwetenschappelijk.

Dit instituut zal starten met een staf van 1 direkteur en 5 onderzoekers.
Projecten, staf en overige instituutskosten zullen door de overheid gefinancierd worden.

De stichting is opgericht door de Consumentenbond en het Konsumenten Kontakt en wordt bestuurd

door vertegenwoordigers van deze organisaties.

Het voorlopig bestuur van SWOKA zoekt contact met gegadigden voor de functie van

DIREKTEUR

Tot zijn voornaamste taak behoort:

Het opstellen van onderzoeksprogramma’s

Externe contacten

Leidinggeven aan het instituut

Voorbereiden en uitvoeren van bestuursbesluiten

Voor deze functie zijn de volgende kwalificaties vereist:

– Ervaring in onderzoeksmanagement: wetenschappelijke kwaliteiten in goede verhouding met mana-

gementkwaliteiten

– Beleidsondersteunende kapaciteiten t.b.v. bestuur, waarbij o.m. gedacht wordt aan prioriteitsstelling

en lange termijnprogrammering

– Affiniteit t.o.v. konsumentenaangelegenheden

Verdere inlichtingen over deze functie kunnen worden ingewonnen bij pröf. dr. G. M. van Veldhoven,

Katholieke Hogeschool Tilburg, telefoonnummer: 013-662480.

Aanvangssalaris in schaal 151, overeenkomstig het
bezoldigingsbesluit
burgerlijke rijksambtenaren met

opname in het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds en met inachtname van het privaatrechtelijke karak-

ter van de stichting.
Schriftelijke solicitaties vergezeld van een curriculum vitae kunnen binnen 3 weken na verschijningsda-

tum van dit blad worden ingezonden aan. het voorlopig
secretariaatsadres:

van Haestrechtstraat 75, Goirle.

886

C. P. A. Bartels: Economic aspects of regional welfare,
Martinus Nijhoff Social
Science Division, Leiden, 1977, 276 blz., f. 41,10.

Het boek waarop Bartels in oktober

1977 aan de Vrije Universiteit te Amster-

dam promoveerde, houdt zich bezig met

methoden voor het meten van econo-

mische aspecten van regionale wel-

vaart en presenteert een aantal empiri-

sche resultaten voor Nederlandse regio’s.

Die economische aspecten betreffen de

personele inkomensverdeling (lokatie
en spreiding) alsmede de situatie op de

arbeidsmarkt (niveau en fluctuaties van
het werkloosheidspercentage). De na-

druk wordt gelegd op een discussie van

(kwantitatieve) technieken omdat de

keuze van de techniek vaak van essen-

tiële betekenis is voor de conclusies.

De studie opent met een overzicht
van bekende, minder bekende en nieuwe

maatstaven voor ongelijkheid. Relaties
tussen de maatstaven, generalisaties,

decomposities en al dan niet impliciete
wegingsschema’s voor de verschillende

inkomensniveaus komen uitvoerig aan

de orde. Vervolgens wordt de aandacht

gericht op de expliciete dichtheids-
functies waarmee inkome nsverdelingen

kunnen worden beschreven. Als keuze-

criteria worden voornamelijk pragma-

tisch-empirische overwegingen aange-
voerd, in tegenstelling tot abstract-

t heoretische (vanuit bepaalde genereren-

de processen). Diverse dichtheidsfunc-

ties, toegepast op het inkomen zelf of

een transformatie daarvan, passeren

de revue en de interpretatie van de

parameters als ongelijkheidsmaatsta-
ven komt aan de orde. Gegeven het

feit dat ongelijkheidsmaatstaven via
het gewichtenschema voor de inko-
mensniveaus altijd een impliciet waar-

de-oordeel behelzen, zijn er stemmen

opgegaan om de maatstaven dan maar

rechtstreeks te baseren op expliciete

welvaartsfu ncties (lang geleden Dalton,
recentelijk Atkinson). Bartels is erg
kritisch over deze benadering. De ge-

bruikte welvaartsfuncties zijn hem te
grof en de behoefte aan deze aanpak

is gering indien wegingsschema’s expli-
ciet worden gemaakt. Bovendien gaan ze

altijd uit van een referentieverdeling met
volledig gelijke inkomens. In dit verband
breekt de auteur een lans voor het duide-
lijk specificeren van een referentiever-

deling waarin niet noodzakelijk alle in-
komens

gelijk zijn. Ongelijkheidkan dan
worden gemeten als de afwijking tussen
de werkelijke en de referentieverdeling,
met een maatstaf waarin de gewichten

expliciet worden duidelijk gemaakt.

De empirie vangt aan met de bereke-

ning van een 30-tal ongelijkheidsmaat-

staven voor de 40 Nederlandse COROP

gebieden. De resultaten worden gecon-

denseerd door Kendalls en Pearsons
correlatiecoëffïciënten te berekenen

en op de laatste factoranalyse toe te
passen. Ook lokatiemaatstaven (gemid-

delde, modus, mediaan) worden in die

beschouwing betrokken. De mate van
(positieve) samenhang tussen inkomens-

niveau en -spreiding hangt af van de

gehanteerde maatstaven. Meestal is die
samenhang behoorlijk positief, hoewel

bij genormaliseerde spreidingsmaat-

staven nogal eens zwak of zelfs negatief.

De meer conventionele maatstaven

blijken redelijk samen te hangen. Zo is

de onderlinge (Pearson) correlatieco-

efficiënt tussen standaarddeviatie, varia-
tiecoëfficiënt, Gi ni- en Theilcoëfficiënt

nimmer lager dan 0,90. Dat sluit afwij-
kende rangschikkingen echter bepaald

niet uit en de rangcorrelaties zijn dan
ook lager. De keuze van een dicht-

heidsfunctie wordt ook empirisch onder-

zocht en hier is de Champernowne-
functie, toegepast op een Box-Cox-
transformatie, favoriet.

Vervolgens wordende regionale werk-

loos heidscijfers geanalyseerd. Zowel de

factoranalyse -als spectraalanalyses wij-
zen hier in de richting van een aantal
combinaties van provincies met sterk

samenhangende werki oosheidspatro-

nen: a. Noord- en Zuid-Holland, Utrecht,

b. Groningen, Friesland, Drenthe, Zee-land, c. Overijssel, Gelderland, Noord-

Brabant, d. Limburg. Aanwijzingen

voor een intertemporele structuur
(,,leads and lags”) werden niet gevonden.

Met behulp van lineaire régressie
wordt getracht verschillen in inkomens-
niveau en -spreiding tussen de 40

COROP-regio’s te verklaren. Ten aan-

zien van inkomensniveau blijken de ge-
middelde opleidingsduur van de be-

roeps bevolking, het werkloosheids-
percentage, het regionaal vermogen en

het relatief aantal ontvangers van so-

ciale o verdrachtsinkomens significant;
de gemiddelde leeftijd (ervaringsduur),
het percentage vrouwen, het percentage

hogere employés, het percentage wer

kenden in sectoren met continu-arbeid
blijken niet significant. Ten aanzien van

de spreiding (gemiddelde afwijking) blij-
ken de spreiding van scholing en van

vermogens, het percentage overdracht-

ontvangers en het percentage hogere

employés significant; spreiding van

leeftijd blijkt niet significant.

Ten slotte wordt in het laatste hoofd-

stuk een schets gegeven van een regio-

naal arbeidsmarktmodel waarin in-

komensverdeling en werkloosheid (c.q.

vraagoverschot van arbeid) een plaats
vinden en waarin voorgaande resultaten
kunnen worden ingebracht.

Regional welfare is
een waardevol
boek, pragmatisch in aanpak en goed

ingebed in de verwante literatuur d.m.v.

een uitvoerig notenapparaat. Het over-

zicht van de ongeljkheidsmaatstaven

en hun onderlinge relaties, zowel ana-
lytisch als empirisch, is bijzonder wel-
kom. Bartels trekt hier een belangrijke
lijn door uit de literatuur, waar een ge-

intensiveerde belangstelling blijkt voor

de relatieve gevoeligheid van ongelijk-

heidsmaatstaven en voor hun onderlinge

verschillen. Uit dit laatste volgt de dui-
delijke les om bij de keuze van een maat-

staf terdege op de gewichten te letten.

Een interessant idee is om bij onge-

lijkheidsmeting niet volledige gelijkheid

maar de optimale inkomensverdeling

als uitgangspunt te nemen. Daartoe
dienen acceptabele inkomensverwer-

vende attributen te worden geselec-
teerd (b.v. inspanning wel, aangeboren

talenten niet belonen) en rechtvaardige
prijzen te worden vastgesteld. Dit sluit
aan bij pogingen tot verklaring van
de inkomensverdeling en ligt in de lijn

van de voorgestelde politiek in de (in-

middels achterhaalde?)
Interim-nota
Inkomensbeleid.
Praktische uitvoering
van het voorstel is echter niet eenvoudig. Met Bartels’ verwerping van de onge-
lijkheidsmeting via welvaartsfuncties
ben ik het niet eens. Toegegeven, dat gaat

uit van perfecte gelijkheid, maar

het maakt de keuze van de gewichten

heel expliciet en dat past geheel in de op-

vattingen van de auteur. Over die wel-

vaartsfunctie is empirisch best wat te
zeggen, getuige het werk van Van Praag

en Kapteyn op individualistische basis,
of op grond van impliciete voorkeuren aanwezig in de tarieven van de inkom-
stenbelasting (Keller – Hartog).

Een empirische uitkomst die me op-
viel was de insignificantie van de leef-

tijdsspreiding voor de inkomenssprei-
ding. In de verklaring van individuele

inkomens is nu juist leeftijd, naast scho-

ling, steevast de sterkste variabele. Wel-
licht heeft dit te maken met de meting
van de leeftijdsspreidi ng: leeftijden

boven 45 werden gelijkgesteld aan 45,

zodat een deel van de spreiding wordt
geëlimineerd. Overigens zij hierbij ver-
meld dat in een tijdreeksanalyse van de
Nederlandse inkomensongelijkheid van-

af 1914 (in eigen onderzoek) de leeftijds-
spreiding er ook niet altijd goed uit-
kwam.

Joop Hartog

ESB 30-8-1978

887

Round table 36: Cost benefit analysis.

Uitgave van de European Conference of

Ministers of Transport (ECMT), Parijs

1977, 109 blz., $3,75.

Verslag van de 36e ronde-tafelconfe-

rentie over transporteconomie, gehou-
den
op
29 en 30 november 1976 te Parijs.

W. van Rijckegem (ed.): Employment

problems and policies in developing

countries. The case of Marocco. Rotter-

dam University Press, Rotterdam, 1976,

211 blz., f.49,90.
De essays in dit boek vormen de neer-

slag van de ervaringen van een interna-

tionale groep van economisten, die in de

gelegenheid werd gesteld déel te nemen

aan het planningsproces in Marokko van

1970-1973. Het boek bestaat uit drie

delen: deel 1: general economie policies;

deel II: sectoral problems and policies;

deel III: specific problems and policies.

A.J.P. Tiberghien: De Belgische belas-

tingen. Kluwer BV, Deventer, 1978, 100
blz.,
f.21,75.

Het boekje behandelt compact de

structuur en de inhoud van de Belgische

fiscaliteit. Steeds worden höofdregels

gegeven voor het berekenen van de be-

lastbare grondslag en voor het toepassen

van het hoofdtarief. Sinds de verschij-

ning van de eerste druk is de Belgische

belastingwetgeving dermate veranderd,

dat een grondige bewerking en uitbrei-

ding van de eerste druk noodzakelijk

werd.

John Lamperti: Stochastic processes. A

survey of the mathematical theory.

Springer Verlag, New York! Heidelberg

/Berlijn, 1977, 266 blz., DM. 21,40.

Deze publikatie maakt een onderdeel

uit van de serie ,,Applied Mathematical
Sciences”. Het doel van het boek is om

een overzicht te geven van de belangrijk-

ste thema’s in de moderne theorie van de

stochastische processen.

Xe)

DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN TE ZWOLLE

is een officiële instelling van het regionale bedrijfsleven en heeft haar werkgebied in Noordelijk Over-

ijssel en de lJsselmeerpolders, waar zo’n 10.000 ondernemingen zijn gevestigd.

Zij treedt op als spreekbuis voor het bedrijfsleven in haar gebied in contacten met de overheid.

Naast het bepleiten van de algemeen economische belangen van het bedrijfsleven bij de overheid geeft
de Kamer voorlichting en advies over diverse facetten van economische bedrijvigheid.

Voorts heeft de Kamer tot taak de uitvoering van een aantal wetten, die betrekking hebben op onder

meer het handelsregister en de vestiging van bedrijven.

Bij onze Kamer is plaats voor een

JONG ACADEMICUS

die de Secretaris van de Kamer terzijde zal staan bij de dagelijkse leiding van de werkzaamheden.

GEBODEN wordt een aantrekkelijke, gevarieerde staffunctie in een organisatie met 20 medewerkers, die

het gehele veelzijdige werk van de Kamer raakt en die zal worden gehonoreerd overeenkomstig de be-

tekenis ervan.

GEVRAAGD wordt een jong academicus – wij denken aan een BEDRIJFSECONOOM OF JURIST met

enkele jaren praktijkervaring – die met mensen kan omgaan, redactionele vaardigheid bezit, efficient

kan werkén, in staat is om leiding te geven en belangstelling heeft voor vraagstukken op het gebied van

het regionaal economisch beleid, de planologie en het milieu.

Schriftelijke sollicitaties, vergezeld van een curriculum vitae, met exacte gegevens over opleiding, erva-

ring en tegenwoordige werkkring ziet de Kamer graag binnen 14 dagen na heden tegemoet.
Een psychologisch onderzoek kan deel uitmaken van de selectieprocedure.

De Secretaris van de Kamer is metgenoegen bereid gegadigden telefonisch in te lichten over de inhoud

en de betekenis van de functie.

Het adres van de Kamer is:

Weeshuisstraat 27, Postbus 630, 8000 AP ZWOLLE, tel.: 05200-18047.

888

vrije universiteit

amsterdam

De vakgroep Macro Economie
van de faculteit der Economische wetenschappen

zoekt een

part-time wetenschappelijk medewerker (m/v)

Tot de taken behoort het geven van onderwijs en het verrichten van onderzoek op het terrein van de macro-economie en de leer der Openbare financiën.

Gedacht wordt aan iemand die een doctoraal examen economie heeft behaald met als keuzevak open6are financiën.

Nadere Informatie
wordt gaarne verstrekt door prof. dr. L.F. van Muiswinkel,
tel. 020-548 46 060f 02153-8 36 74.

Instemming met de doelstelling van de Vrije Universiteit als christelijke instelling wordt verwacht.

Schriftelijke sollicitaties, onder vermelding van vacaturenummer 501-1928,
te richten aan de Dienst Personeelszaken, Postbus 7161, 1007 MC Amsterdam.
De Vrije Universiteit is gelegen aan de De Boelelaan 1105,

Amsterdam-Buitenveldert.

va.

Adverteer in

Economisch

Statistische

Berichten

b

Het Instituut voor Cultuur-
techr’ek en Waterhuishou-

ding
/ Wageningen

vraagt voor haar Afdeling Algemene Economie
een

ALGEMEEN

ECONOOM

De afdeling verricht economisch onderzoek op

het gebied van de landinrichting en de waterhuis-

houding. Dit omvat o.a. onderzoekingen op het

gebied van de systeemanalyse, optimalisatietech-

nieken en afwegingsprocedures.

Kennis van de omstandigheden op het platteland

strekt tot aanbeveling.

De aanstelling geschiedt in een van de rangen

112 en 130 (Wetenschappelijk ambtenaar).

Sôlliitaties te richten aan het Instituut, Postbus

35, 6700 AA Wageningen.

Inlichtingen

Roelants/E PR

Postbus 53021

Catsheuvel 75, Den Haag

Telefoon 070-503300

ESB 30-8-1978

889

0

de rijksoverheid vraagt

stafmedewerker economische beleidsaspekten
(mn!/vrl.)

voc. nr
. 8-465910936

voor het Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne
t.b.v. het Directoraat-Generaal voor de Milieuhygiëne, Afdeling Economische Zaken
en. Beleidsontwikkeling

De afdeling is belast met de behartiging van de financieel-economische aspecten van
de uitvoering van het milieuhygiënisch beleid, in welk kader zij tevens een bijdrage
levert tot de beleidsanalyse en beleidsprogrammering. De werkzaamheden geschieden in nauwe samenwerking met de op verschillende deelterreinen werkzame dienst-
onderdelen.

Als belangrijkste taakbestanddelen van de afdeling kunnen worden genoemd: analyseren
van de economische gevolgen van het beleid op de diverse niveau’s; signaleren van
de milieuhygiënischegevolgen van het overheidsbeleid op diverse terreinen; adviseren over het te voeren beleid met inbegrip van de toepassing van bij de beleidsvorming
te hanteren instrumenten; leveren van een biidrage aan de beleidsanalyse en
programmering.

Taak: i.h.b. analyseren van de economische gevolgen van het beleid. Daartoe zal
hij/zij de organisatie en de begeleiding van m.n. onderzoek op het gebied van de
kostenkwantificering van milieuhygiënische maatregelen en voorschriften ter hand
nemen en adviseren over het te voeren beleid. Tevens meewerken aan de vervulling
van de algemene taakopdracht van de afdeling. Onderhouden van contacten met onderzoekinstituten, het bedrijfsleven en andere departementen, nationaal en inter

nationaal.

Vereist: doctoraal examen economie; ervaring met onderzoek en/of de behandeling van
beleidsvraagstukken.

Standplaats: Leidschendam.

Salaris: afhankelijk van ervaring max. f5909,- per maand.

Sollicitaties inzenden v66r22 september1978.

econoom
(mnilvrl.
) vac. nr
. 8-647910936

vor het Ministerie van Financien
t.b.v. de Directie Buitenlandse Financiële Betrekkingen, Afdeling Internationale
Monetaire .Zaken

Taak: analyse t.bv. de beleidsvoorbereiding op het internationale monetaire terrein,
w.o. vraagstukken m.b.t. de functionering van het internationale geldstelsel, het
internationale geld- en kapitaalverkeer en het deviezenbeleid; overleg plegen over
deze vraagstukken, zowel nationaal (interdepartementaal, met De Nederlandse
Bank NV en met het financiële bedrijfsleven), als op internationaal niveau (m.n. EEG
en OESO).

Vereist: doctoraal examen economie, b.v.k. internationale monetaire specialisatie
en kennis van kwantitatieve methoden in de macro-economie; actieve beheersing van de Franse, Duitse of Engelse taal. Onderzoekervaring op genoemde terreinen strekt
tot aanbeveling.

Standplaats: ‘s-Gravenhage.

Salaris: afhankelijk van leeftijd en ervaring max. f5103,- per maand.

Sollicitaties inzenden véôr 22 september 1978.

Bovengenoemde salarissen zijn exclusief 8% vakantie-uitkering.
Schriftelijke sollicitaties, onder het bij de gewenste functie vermelde vacaturenummer
(in linkerbovenhoek van brief en enveloppe en voor elke vacature een afzonderlijke
brief), zenden aan de Rijks Psychologische Dienst, Prins Mauritslaan
1.
Corr. adres:

Postbus 20013, 2500 EA ‘s-Gravenhage.

890

®
r11
-21
de rijksuniversiteit groningen vraagt:

Bij de Financieel-Economische Dienst van het
Bureau van de Universiteit zijn vakant de funkties
van:

hoofd van de afdeling begroting en budgettering
(mlv)
)vac. nr
. 78082210936)

medewerker bil de afdeling Bedrijfseconomische analyse
(mlv)
(vac. nr
. 78082310936)

De Financieel-Economische Diensl is o.a. belast met:
– voorbereiding van het
financieel-economisch beleid t.b.v. de
bestuurlijke organen, t.w. het College van
Bestuur en de Universiteitsraad.
– uitvoering van het financieel-economisch
beleid in opdracht van het College van
Bestuur.
– advisering van de besturen van
(sub)faculteiten vakgroepen en de
universitaire beheerders m.b.l.
financieel-economische problemen. – uitvoering van en conlrole op het financieel
beheer in opdracht van hel College van
Bestuur en mede ten dienste van de
universitaire beheerders. De dienst Is opgebouwd uit de afdelingen
Begroting en Budgettering, Financiële
Administratie, Bedrijfseconomische Analyse
en Materiële Zaken.
De Financieel-Economische Dienst Omvat in
totaal circa 50 medewerkers, terwijl de
afdeling Begroting en Budgettering 5
medewerkers omvat.

Taakomschrijving A:
Tot de werkzaamheden van de afdeling behoren
het leiding geven en medewerken aan:
– het ontwikkelen c.q. aanpassen van
begrolingsrichilijnen en begrotingsmethoden
en -procedures, alsmede de invoering
daarvan.
– het ontwikkelen c.q. aanpassen van
budgelferingstechnieken mci. toe- en doorberekeningasyslemen.
– hel adviseren van de bestuurlijke organen op
midden- en basisniveau alsmede de
beheerders m.b.l. zich voordoende problemen
in het vlak van de begroting en budgettering.
– het Opstellen van de jaarlijkse begrotingen.
– het opslellen van hel financiële gedeelte van
het middellange termijnplan )tinancieel
schema).

De funktie wordt uitgeoefend onder direkte leiding
van het hoofd van de Financieel-Economische
Dienst en in nauwe samenwerking en overleg met
de andere afdelingen binnen en buiten de dienst,
mei name de Dienst Onderwijs, Onderzoek en
Plannirg en de Dienst Personeelszaken.

Vereisten A: – bereid en in staaf zijn reeds in ontwikkeling zijnde ideeën verder uit te bouwen en te
introduceren.
– plezier hebben in leamverband te werken. – in slaat zijn goede werkrelaties le
onderhouden.
– reeds over praktische ervaring op dit gebied
beschikken.
– een academische opleiding – bij voorkeur
doctoraal euamen Bedrijtseconomie hebben
genoten.

Tot de Selectie kan een psychologisch onderzoek
behoren.
In overleg met de test-instantie beslist de
kandidaat of al dan niet rapport zal worden
uitgebracht.

Salaris afhankelijk van leeftijd, opleiding en
ervaring tot maximaal
f
5.909,—bruto per maand.

Verdere promotiemogelijkheden zijn niet
uitgesloten.

Nadere inlichtingen kunnen worden ingewonnen
bij het hoold van de Dienst de heer t. J.
Scheepstra, tel. 050-114880 of 050-347597.

Taakomschrijving B:
– binnen het kleine team van de afdeling en in
nauwe samenwerking en overleg met andere
afdelingen binnen en buiten de dienst – met
name de Dienst Personeelszaken en de
aldeling Interne Organisatie – mede inhoud
geven aan de laakstelling van de atdeling.

– het aan een kritische analyse onderwerpen van
de aanwending van middelen voor gestelde
en/of te stellen doeteinden, metgebruikmaking
van aanwezige kwantitatieve of linanciëf
6
gegevens.
Meer in het bijzonder gesteld betreft deze
analyse:
– het mede behandelen van Organisatie- en
etticioncy-vraagstukken op hel gebied van
beheer en Organisatie.
Deze werkzaamheden worden afgerond met een
adviserend rapport t.b.e. de bestuurlijke organen.

Vereisten B:
– plezier hebben in leamverband te werken. – in staat zijn goede werkrelaties te
onderhouden.
– reeds over praktische ervaring op dit gebied
beschikken.
– een academische opleiding – bij voorkeur
doctoraal examen Bedrijlseconomie hebben
genoten.
Ttde selectie kan een psychologisch Onderzoek
behoren. In overleg met de test-instantie beslist
de kandidaat of al dan niet rapport Zal worden
uitgebracht.

Salaris afhankelijk van leeflijd, opleiding en
ervaring lot maximaal
1
5.103.—bruto per maand.


solIicitaties

Schriftelijk binnen twee weken na plaatsing
van deze advertentie te richten aan de
direkteur van de Dienst Personeelszaken, Postbus 72, 9700 AB Groningen, onder
vermelding van het vakature nummer op brief
en envelop.

Bij de Inlerlaculteil dei Actuariële
Wetenschappen en Econometrie van de
Rijksuniversiteit te Groningen komt per 1januari
1979 vacant een

gewoon lectoraat wiskunde

)vac. nr. 78081710936)

De taak van de lector )m/v) bestaat voor een
belangrijk deel uit hel verzorgen van onderwijs.
Verder het verlenen van medewerking en hel geven van adviezen op wiskundig gebied bij onderzoek, zowel in de inlerlaculfeil als in de Faculteit der Economische Wetenschappen. De
tector wordt voorzitter van de Vakgroep Wiskunde
van de Interlacufteil.

Bovenstaande taakomschrijving laat, afhankelijk
van de taakverdeling binnen de Vakgroep, in
meer of mindere male ruimte voor het verrichten van eigen Onderzoek.

De bezetting van het lectoraat vereist een academicus, die gepromoveerd is of een
gelijkwaardige wetenschappelijke prestatie heeft
geleverd, met goede didactische kwaliteiten en
ruime ervaring in het doceren van wiskunde.
Verlangd wordt tevens, dat hij bereid is deel te
nemen aan bestuurlijke activiteiten en open staal
voor onderwijsvernieuwingen.
Ervaring mei Onderwijs aan en begeleiding van
economen/econometristen 01 andere
niet-wiskundigen strekt tot aanbeveling.
De honorering zal geschieden overeenkomstig de
ministeriële richtlijnen inzake salarisinpassing
van gewone lectoren. Het bruto-salaris bedraagt
minimaal
J
5.909,— per maand en maximaal
t
8.474,— per maand.

Inlichtingen kunnen worden ingewonnen bij Dr.
J.M. Sanders, Voorziner van de
Benoemingscommissie, telefoon (050) 1168070f (05940) 3015.
Zij die namen van geschikte kandidaten kunnen
noemen worden verzocht zich eveneens lot de
voorziner van de benoemingscommissie te
wenden.


sollicitaties:

Sollicitaties behoren, vergezeld van een curriculum vitae en een lijst van publicaties,
binnen 3 weken na het verschijnen van dit btad
Ie worden gezonden aan de Directeur van de
Dienst Personeelszaken van de
Rijksuniversiteit Groningen. Postbus 72,
9700 AB Groningen.

891

De Stichting ECONOMISCH TECHNOLOGISCH

INSTITUUT UTRECHT (E.T.L)

is belast met onderzoek op sociaal-economisch terrein en met arbeidsmarktonderzoek.
Het instituut adviseert en informeert op eigen initiatief en in opdracht het provinciaal bestuur, de gemeentebesturen
en het bedrijfsleven over deze onderwerpen. Het secretariaat van de Regionale Raad voor de Arbeidsmarkt (R.R.A.U.)
en van de Stichting Commissie Opvoering Produktiviteit (C.O.P.) wordt door het instituut verzorgd.
De werkzaamheden brengen het instituut veelvuldig in contact met de lokale, regionale en nationale overheid, met
het bedrijfsleven en met onderzoekinstanties.

Voor het bureau (14 medewerkers) dat met deze werkzaamheden is belast, vraagt het bestuur van de Stichting een

ERVAREN ECONOOM

Van de kandidaat wordt een meerjarige onderzoekervaring verwacht op sociaal economisch terrein met bij voorkeur
een regionale specialisatie en vooral feeling voor met onderzoek samenhangende beleidsproblemen Aan contactu-
ele vaardigheden en aan de schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid worden in dit verband hoge eisen gesteld.
Het vermogen tot zelfstandig werken en optreden is vereist.

Het salaris is om: afhankelijk van ervaring en bedraagt bij aanstelling tot t 5.563,— per maand. Een. salaris van
/ 5.909,— behoort tot de mogelijkheden.
Voorts geldt een aantal gunstige arbeidsvoorwaarden, overeenkomend met die van het personeel in provinciale
dienst.

Tot de selectieprocedure behoort een psychologisch onderzoek.
Belangstellenden wordt verzocht hun sollicitatie binnen 14 dagen in te zenden aan de directèur van het E.T.l.-
Utrecht, Pietershof 17, die desgewenst gaarne bereid is nadere informatie te verstrekken (telefoon kantoor 030-317444,
privé 030-785421).

(j STICHTING NIJENRODE

Instituut voor bedrijf skunde te Breukelen.

roept sollicitanten op voor de functie van

GEWOON LECTOR

die in het bestek van de geïntegreerde driejarige wetenschappelijke bedrijfskundige studie verantwoordelijk is voor
Onderwijs en onderzoek in

KOSTENm EN WINSTBEPALING

Van de te benoemen lector wordt verwacht dat hij
– ervaring bezit in het geven van onderwijs
– blijkens een proefschrift en andere publicaties bekwaam is in het verrichten van wetenschappelijk onderzoek
– de eigen discipline vermag te integreren in de multidisciplinaire studie van de bedrijfskunde
– bekend is met bedrijfssituaties in organisaties met of zonder winstoogmerk
– bereid is tot participeren in bestuurlijke taken – zowel mondeling als schriftelijk een goede uitdrukkingsvaardigheid bezit in het Engels.

De honorering geschiedt op grond van de ministeriële richtlijnen inzake de salarisinpassing van lectoren.
Het bruto salaris als lector bedraagt thans minimaal / 5.828,— en maximaal / 8.357,— per maand. Overige arbeidsvoorwaarden overeenkomstig rijksregeling.

Inlichtingen omtrent de functie kunnen worden ingewonnen bij de voorzitter van de vacaturecommissie, Prof. Dr. C.
van Dam, Warandalaan 15, Oosterhout; tel.: 01620-33739.

Sollicitaties voorzien van een curriculum vitae’en een lijst van publicaties te richten aan de decaan van de faculteit,
Dr. G. B. J. Bomers, Nijenrode, Breukelen.
Zij die de aandacht op mogelijke kandidaten willen vestigen wordérruitenodigd dit kenbaar te maken aan bovenge-
noemde decaan.

892

Auteur