Ga direct naar de content

Economie is oorlog

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: maart 15 1995

•

Micro-macro

Economie is oorlog
Economen worden er van beschuldigd dat ze vooral sterk zijn in het
beschrijven van “the behavior of incredible smart people in unbelievabIe simple situations”. Hoe sterk staat de econoom?

Een bekend jurist trok een tijd geleden aan mijn jasje. Hij trok zachtjes,
want de jarenlange studie van wat redelijk en billijk is, maakt een mens
zachtmoedig in de omgang. Hij vertelde dat hij met andere juristen uit Nederland en daarbuiten eraan dacht
een conferentie te organiseren met
als thema de ‘economisering van de
samenleving’. Het was hem als jurist
opgevallen dat zijn vakbroeders in de
opera van het leven naar de achtergrondkoren werden verdrongen, terwijl economen als heldentenoren
voor heftige dramatiek vooraan op
de bühne zorgden. Bij voorbeeld het
milieubeleid was niet meer af te doen
met de leer van de onrechtmatige
daad, het uitspinnen van de hinderwet of het toepassen van administratief recht maar was een kwestie van
negatieve externe effecten, sociale
kosten en kwartjes milieuheffing. Economen hebben het steeds meer voor
het zeggen, voegde hij er treurig aan
toe. Er worden alleen maar sommetjes gemaakt op het Binnenhof. Ik benaderde zijn boodschap met enig argwaan, want de jarenlange studie van
wat rationeel en optimaal is, doet een
mens verwachten dat de andere liegt
of vleit tot het marginale baat van zijn
laatste leugen gelijk is aan zijn marginale kost. Toch maak ik mij zorgen.
Als de samenleving steeds meer op
ons gaat bouwen, moeten we extra
opletten. Hoe hoger we stijgen in aanzien, hoe meer men ons nodig heeft,
hoe dieper we kunnen vallen, hoe
eenzamer we kunnen achterblijven.
Het moet de plankenkoorts zijn die
mij nu doet twijfelen of economen altijd de beloofde hoge noten zullen halen als ze de aria’s zingen die Den
Haag in vervoering moet brengen. Immers, wat hebben we te bieden? We
hebben – zoals beginnende studenten alras opvalt – een micro deel en
een macro poot. We komen vanuit
beiden – zoals lezers van derde geld-

I

stroom onderzoeksrapporten
alras opvalt – met hoofdstukken vol conclusies en beleidsaanbevelingen.
Op beide terreinen wordt steeds
meer beroep gedaan op onze kunsten. Op het terrein van de macroeconomie wordt de invloed van de
berekeningen van het Centraal Planbureau steeds groter. Steeds meer politieke partijen laten hun politieke
programma doorrekenen om daarmee het economisch keurmerk van
serieuze partij te verwerven. Tijdens
de laatste verkiezingen werd GroenLinks opgenomen. Ik wacht met spanning op de dag dat klein links en
rechts en ouderenpartijen de grenzen
van het planbureaumodel
doorbreken. Door de toegenomen populariteit van deregulering en het hechtere
geloof in marktwerking kunnen we
meer dan vroeger ons micro-economische gedachtengoed slijten. Den
Haag is er inmiddels achter dat burgers reageren op prikkels en dit is de
kans voor econometristen om hun
metingen van gedragsreacties en elasticiteiten aan de man te brengen. Tijdens de recente maatschappelijke discussie over het verlagen van het
minimumloon rolden de arbeidsvraagelasticiteiten en substitutie-effecten
over tafel.

Hoe sterk staat de econoom?
Als Kok vrijdagavond na het kabinetsberaad een praktisch ingesteld econoom belt en zucht dat ze er ook vandaag niet uitkwamen hoe ze de
werkloosheid moeten oplossen en
hem vraagt of hij het weet, hoe sterk
staat dan de econoom? Wij kunnen er
altijd op vertrouwen dat onze vakbroeder een antwoord heeft. Als hij
net micro heeft gedoceerd zegt hij
meer flexibilisering en vanuit macro
roept hij op voor meer infrastructurele werken. Maar waar baseert hij zich
op? Wie door de winkel van de eco-

noom loopt, bekruipt het gevoel dat
het een rariteitenkabinet is. Hij ziet
dingen die niet kloppen zoals vrouwen met baarden en mannen met
borsten. Want de economie is niet
wat ze zegt te zijn. Economie gaat
over de consumptie van huishoudens
maar de consument is een optimaliseringsprogramma, het gaat over de
produktie en werk maar een bedrijf is
een plaatje met kostenfuncties, het
gaat over perfecte markten die niet
bestaan en werkloosheid die in evenwicht is. ‘We have’, zegt Coase,
‘consumers without humanity, firms
without organization, and even exchange without markets,1. De winkel
van economen is verder gevuld met
weckflessen hete lucht. Want economie gaat vaak over dingen die niet
bestaan en alleen maar door de ware
gelovige kunnen worden gezien: nut,
welvaart, algemeen evenwicht, veilingmeester, permanent inkomen, natuurlijke werkloosheid.

Micro-economie

of marketing

Toch wordt er van ons verwacht dat
we micro-economische adviezen geven over de omvang van gedragsreacties op prijsprikkels, het creëren van
meer marktwerking, het realiseren
van Pareto-optimaliteit. Het fundament waar ons hele gebouw op rust
is de theorie van de optimale keuze
door rationele mensen. Alhoewel iedereen die om zich heen kijkt wel
ziet dat mensen niets maximaliseren
behalve dan rampzaligheid en zelfs
daar zijn ze niet goed inZ. Echter de
econoom zet door en maximaliseert na wat verontschuldigende
opmerkingen dat het ding wat hij maximaliseert niet echt bestaat – een nutsfunctie en leidt na oersaai rekenwerk een
vraagrelatie af die daalt behalve als
ze stijgt. Vervolgens vertelt hij dat aan
een klas adolescenten die nog erg
veel van het leven verwachten en
dooft bij hen alle lichtjes. Economen
worden er van beschuldigd dat ze
vooral sterk zijn in het beschrijven
van “the behavior of incredible smart
people in unbelievable simple situations” terwijl we inzicht nodig heb-

1. R.H. Coase, Tbe Firm, tbe Market and
tbe Law, University of Chicago Press, Chicago, 1988, blz. 3.
2. Vrij naar Coase (988) blz. 4: ‘There is
no reason to suppose that most human
beings are engaged in maximizing anything unless it be unhappiness, and even
this with uncomplete success’.

ben in hoe “believable simple people
cape with incredible complex situations”3.
Het gaat over keuzen van huishoudens, maar niet over waarom de auto
uiteindelijk een Volvo werd Cpa) met
sportbiezen (rna) en een speciale
plek voor de hond (zus). In de marketing wereld waar het echt om kopen
en verkopen gaat, stelt de micro-economie niets voor. Maar onze bijdrage
aan de wereld is hier misschien eerder de elasticiteit? Dat is ooit door
Marshall bedacht boven op het dak
van een Italiaans hotel in Palermo
waar hij verbleef omdat het Italiaanse
klimaat beter was voor zijn zwakke
gestel4. Maar elasticiteiten variëren
met tijd en plaats, schattingswijze en
functionele vorm van de nutsfunctie
en leiden soms tot rare resultaten.
Een anomalie is in elk geval dat bij
het schatten van arbeidsaanbodelasticiteiten wordt gevonden dat mannen
en vrouwen substituten zijn, terwijl
als ik kijk hoe ze gebouwd zijn, het
voor mij onmiskenbaar complementen zijn.
Micro-economie gaat vooral over
markten en prijzen. Maar in mijn willekeurige verzameling tekstboeken
zoekend, vindt ik het kembegrip
markt of niet of heel verschillend gedefinieerd. Stigler heeft het over de
markt als het ‘gebied waar de marktprijs voor een goed naar hetzelfde niveau tendeert’. Lipsey, Steiner, Purvis
en Courant stellen dat de markt oorspronkelijk de plek was waar goederen verhandeld werden maar dat het
‘begrip nu veel ruimer is’. Varian
heeft het zomaar over de markt voor
woonruimte in een middelgrote Amerikaanse universiteitsstad. Andere
tekstboekschrijvers definiëren wel de
marktrelatie (Hirshleifer) of marktfalen (Layard en Walters) maar zeggen
niet wat een markt is. Het moge duidelijk zijn dat we er niet uitkomen.
Het wordt nog erger als we voorbeelden zoeken van volmaakte markten
(vvm markten). Dan wordt er of
schuchter richting landbouw gewezen. Niet direct qua bijdrage aan het
nationaal produkt een dominerende
sector. Of er wordt gewezen naar aandelen- of valutamarkten. Het zijn allemaal voorbeelden van markten die
juist niet volmaakt zijn maar fors gestuurd door interventies van buiten
(landbouwbeleid, beurscommissie,
‘managed floating’ enz.).
Vervolgens hebben we geen enkele
praktische beschrijving van hoe een

ESB 15-3-1995

markt werkt, wie prijzen zet en wie
ze verandert. In het klassieke volmaakte marktmodel hebben we dat
handig ontweken door te stellen dat
er veel marktpartijen zijn, die afzonderlijk niks voorstellen, maar wel allemaal tegelijk invloed hebben op het
tot stand komen van de prijs. Voor
niet-ingewijden blijft het een mysterie. Voor het algemene marktevenwicht worden echt grote middelen
niet geschuwd en haalt Walras de veilingmeester te voorschijn zonder dat
gesproken wordt over wat voor salaris die man voor zijn werk krijgt en of
hij nu een vast contract heeft of alleen maar tijdelijk via een uitzendbureau werd aangetrokken voor het
vaststellen van dat ene grote algemene evenwicht voor N goederen, T tijden en S toestanden van de wereld?

Unilever als anomalie
Als markten inderdaad perfect zouden werken, echt perfect zoals we
vaak veronderstellen, dan is de logische consequentie daarvan dat alle
transacties in de economie puur gedecentraliseerd zouden verlopen en dat
bedrijven geen enkele bestaansgrond
hebben. Het dilemma, reeds in 1937
door Coase geschetst, is simpel: of
we veronderstellen een perfecte economie en dan bestaat Unilever niet,
of we veronderstellen dat bedrijven
toch bestaan maar dan moeten we
het vvm-model laten vallen. Minder
erg maar wel kenschetsend voor de
nonchalante manier waarmee economen met de praktijk omgaan, zijn de
totaal verkeerd gekozen klassieke
voorbeelden van externe effecten (de
imker en de eigenaar van een bloeiende boomgaard) en van publieke
goederen (vuurtorens)5.
Op het eind van de meeste tekstboeken micro-economie wordt aandacht besteed aan de welvaartstheorie. Zoals in het artikel van Pen in dit
millenium nummer al wordt aangegeven, faalt de economie ook in het definiëren van zijn meest essentiële
grootheid de welvaart.

Blinde kapper knipt kale man
De aantrekkelijkheid van de microeconomie is haar consistentie. Daarmee vergeleken is de macro-economie een lelijk eendje dat reeds lelijk
was bij zijn geboorte maar in tegenstelling tot het bekende sprookje is
uitgegroeid tot een foeilelijke woerd.
De macro-economie is een grote cirkelredenering. Ten eerste zou je kun-

nen stellen dat de theorie de empirie
moet leiden. Maar de macro theorie
bestaat ofwel uit ad hoc redeneringen (e.g. de consumptiefunctie van
Keynes, de Phillipscurve, de exportfunctie van Tinbergen) of ze bestaat
uit zogenaamde micro funderingen
.waarbij een representatief agent
wordt opgeblazen tot een nationale
grootheid. Of je laat de empirie (tijdreeksanalyse) de theorie bepalen. Of
je doet een beetje van allebei, maar
in alle gevallen is het een blinde kapper die een kale man knipt. Een aansprekend voorbeeld over hoe erg het
fout kan gaan komt uit de macro-economische arbeidseconomie.
In zijn
hoofdstuk over het arbeidsaanbod
vertelt J. Pencavel hoe twee groepen
economen regressies schatten met dezelfde Amerikaanse data en geaggregeerde arbeidsuren verklaren uit gemiddelde lonen: ‘Both groups of
researchers tend to find a negative
partial correlation between hours and
wage- rates: one group interprets this
as a negatively-inclined labor supply
function while the other group confirms the existence of an inelastic labor demand function,6.

Wat is er aan de hand
De lijst overziend zou bij iemand de
vraag kunnen opkomen: waarom
gaat dit zo hardsgrondig mis? Waarom is de economie zo’n lege huls?
Het antwoord is tweeledig maar toch
eenvoudig. Voor wat betreft het micro-economische gedeelte gaat het
als volgt. De micro-theorie is niet gebouwd voor het toepassen in de praktijk. De micro-economie is er om de
onzichtbare hand van Adam Smith
vorm te geven. Het is een theoretisch
bouwwerk met indrukwekkende
theorema’s maar onpraktisch als beleidsmateriaal. Voor wat betreft het

3. Geciteerd in Leijonhufvud’s artikel: Toward a not-too-rational
macro-economics”
in de Soutbern Economicjournal, juli
1993.
4. Zie J.M. Keynes, Essays in Biograpby,
Ruper Hart-Davis, London, 1951, blz. 334.
5. Zie Steven N.S. Cheung, The Fable of
the Bees: An Economie 1nvestigation, journal of Law and Economics, April 1973,
blz. 11-33 en R.H. Coase, The Lighthouse
in Economies, Tbejournalof Law and
Economics, oktober 1974, blz. 357-376.
6. J. PencaveI, Labor Supply of Men, in
O. Ashenfelter en R. Layard (red.), Handbook of Labor Economics, North Holland,
Amsterdam, 1986, blz. 34.

macro-deel is het antwoord dat het
geen echte basis heeft maar ook geen
alternatieven. Als de samenleving
steeds meer beroep op ons doet dan
staan we tamelijk zwak. De aria’s worden met een piepstemmetje gezongen.
Een vergelijkbare conclusie werd
ook getrokken in het feestnummer
dat verscheen toen de Economie Journat in 1992 zijn honderdste jaargang
afsloot. In dat nummer werden bekende economen gevraagd korte
beschouwingen te wijden over ‘de

volgende honderd jaar’ van de economische theorie. Men was het er haast
unaniem over eens dat de economische theorie in de afgelopen decennia veel te ver was doorgeschoten
naar abstract geformaliseerde modellen en dat zelfs het empirische onderzoek vaker problemen maakte over
de stochastische eigenschappen van
de schatter dan de betrouwbaarheid
en relevantie van de schattingen. Een
voorspelling die vaak gemaakt werd
voor de volgende honderd jaar was
dat de economie veel meer aandacht

zou geven aan de praktijk, de instituties, de feiten, het beleid. Het gaat
met de economie zoals met alle oorlogen: over honderd jaar zijn we klaar
voor de veldslag die we nu moeten
winnen.
Jules Theeuwes
De auteur is hooieraar
teit Leiden.

aan de Rijksuniversi-

Auteur