Ga direct naar de content

Economentop 40 2017

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 21 2017

Traditiegetrouw publiceert ESB met de kerst geen analyse over de economie, maar over de economen zelf. In de Economentop leest u hoe het de crème de la crème van economisch Nederland ­vergaat. Is er een topeconoom wiens publicatierecord zijn ego niet ondersteunt? Weet aankomend talent een plek te veroveren? En staan er dit jaar meer vrouwen in?

In het kort

ESB dankt Pieter Vreeburg (Erasmus School of Economics) voor het samenstellen van de top

Goed publiceren in internationale, wetenschappelijke gepeerreviewde tijdschriften is belangrijk voor met name universitair onderzoekers. Al jaren brengt ESB in december een ranking van de Nederlandse economen die in de afgelopen vijf jaar het best gepubliceerd hebben in zulke tijdschriften. Sinds 2014 doen we dat volgens de in kader 1 beschreven methode, zie ook Phlippen (2014; 2015), Lukkezen (2016) en Abbring et al. (2014). De ranking van dit jaar volgt dezelfde methode als vorig jaar.

Opknippen en zelfplagiaat

Een zorg met betrekking tot de discipline bij het publiceren van wetenschappelijk werk is het opknippen van substantieel werk in veel kleine publicaties. Die zorg speelt vooral als het opknippen ingegeven is door de prikkels die de universitaire beloningssystematiek biedt – voor onderzoekers levert een publicatie in een goed field journal vaak maar twee keer zoveel punten op als een publicatie in een laag­geclassificeerd tijdschrift, maar is het veel meer dan twee keer zo moeilijk om voor elkaar te krijgen. Dat geldt in hogere mate voor een publicatie in de top 5.

Een hieraan gerelateerde zorg betreft de neiging die door dezelfde publicatieprikkels ingegeven wordt om meermaals vaak net op een andere manier te publiceren. Vaak is hierbij sprake van tekstrecycling ofwel zelfplagiaat. Dit is storend, omdat zelfgeplagieerde artikelen andere bijdragen met origineel onderzoek uit tijdschriften verdringen.

In de Economentop spelen beide onderwerpen sinds de herziening van de methode in 2014 nauwelijks meer. De Economentop kijkt naar de vijftien best gepubliceerde artikelen van economen in de afgelopen vijf jaar en weegt die met de article influence score (AIS) van het tijdschrift waarin het artikel gepubliceerd is. Schrijvers met veel kleine bijdragen in marginale tijdschriften komen daardoor niet hoog in de Economentop.

Ik was dan ook verbaasd door de publicatie van ­Sergei Horbach en Willem Halffman in Research Policy (2017, sinds september online). De auteurs vonden – door met plagiaatherkenningssoftware de publicaties van economen, biochemici, psychologen en historici te onderzoeken – dat in Nederland zelfplagiaat in de economische wetenschap meer voorkomt dan in de biochemie, de psychologie en de geschiedenis. De economen die zij onderzochten kwamen uit de Economentop.

Het onderzoek van Horbach en Halffman speelt handig in op de door de Nijkampaffaire toch al beschadigde reputatie van de Nederlandse economen. De hele Nederlandse pers sprong er bovenop (De Volkskrant, NRC, Nederlands Dagblad, BNR, Das Kapital – alle op 26 of 27 september 2017) en schreef dat “economen vaak in herhaling vallen”. Niet echt een lekkere conclusie voor de beroepsgroep.

Het lijkt er echter op dat Horbach en Halffman naar hun conclusie toe geschreven hebben. Ze hebben top­economen gedefinieerd door naar de top 6 in de Economentop van 2013 te kijken. Dat is vóór de herziening van de methode, die nu een lager gewicht op veelschrijvers in laaggeclassificeerde tijdschriften legt. En 2013 is ook het jaar dat Peter Nijkamp voor het laatst voorkwam in de Economen­top, en wel op plek 6.

Verder ligt de Economentop zoals die sinds 2014 wordt samengesteld veel dichter bij de manier waarop Horbach en Halffman topbiochemici, toppsychologen en tophistorici selecteren. Deze samenstellingswijze blijkt relevant. Ik heb de publicaties van de top 6 uit de Economentop van vorig jaar bij wijze van proef door plagiaatherkenningssoftware gehaald en vind daar geen aanwijzingen voor zelfplagiaat. Mijn bezwaren tegen de aanpak van Horbach en Halffman en de door mij uitgevoerde gevoeligheidsanalyse heb ik in een brief aan Research Policy uiteengezet en zijn ook op de ESB-site te lezen (Lukkezen, 2017).

[Toevoeging 16 januari: Research Policy heeft me gevraagd mijn commentaar te verhelderen en Horbach en Halffman om een reactie gevraagd. Zodra de verheldering en de reactie finaal zijn, zal dit artikel worden bijgewerkt.]

De individuele ranking

Genoeg over de methode, tijd voor het bespreken van de resultaten! Voor het vierde jaar op rij voert Daan van Knippen­berg (Erasmus Universiteit Rotterdam, EUR) de economentop aan. Dat is een onwaarschijnlijk knappe prestatie. Hij doet onderzoek naar leiderschap en team­prestaties in organisaties. Zijn eenzame leiderschap in de top roept toch de vraag op of hij zijn eigen onderzoeks­bevindingen wel in de praktijk brengt.

Tabel 1

Waarschijnlijk is er volgend jaar een nieuwe nummer een. Van Knippenberg is sinds september verbonden aan Drexel University en kwalificeert zich daarom waarschijnlijk volgend jaar niet meer. Een goede kandidaat daarvoor is onderwijseconoom Hessel Oosterbeek (Universiteit van Amsterdam, UvA), dit en vorig jaar nummer twee. Maar wellicht maakt ook de huidige nummer drie kans. Thomas Buser is een jonge gedragseconoom met empirische publicaties over gender en competitiviteit. Hij is al een paar jaar bezig met een mars omhoog door de Economentop van een eerste notering op plek 30 in 2015 naar plek 6 vorig jaar, en nu dus het podium. De opkomst van een onderzoeker naar gender en competitiviteit in een top die gedomineerd wordt door mannen, is wel ironisch. Er staan twee vrouwen in de top, met enig cynisme is dat overigens te framen als een verdubbeling ten opzichte van vorig jaar.

De ESB Economentop heeft net als vorig jaar vijf ­echte nieuwkomers, waaronder drie gedragsonderzoekers. De hoogste nieuwe binnenkomer op de lijst is Jan Stoop (vorig jaar stond hij op plek 41 en daarmee net buiten de lijst). Stoop voert veldexperimenten uit naar de rol van informatie en prikkels voor samenwerking en valsspelen. De andere twee gedragsonderzoekers hebben een heel verschillende achtergrond. Arnold Bakker heeft een aanstelling als organisatiepsycholoog aan de EUR, terwijl Casper Chorus bij de TU Delft naar onder meer verkeersstromen kijkt. Daarnaast is er een nieuwkomer op de lijst in de marketing en in de internationale economie. Inge Geyskens van Tilburg University doet onderzoek naar de detailhandel in den brede en Robert Inklaar is verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen en onderzoekt productiviteit en inkomensverschillen.

Daarnaast zijn er dit jaar zeven terugkeerders in de top-40. De hoogste binnengekomen terugkeerder op de lijst is Pieter Gautier, een arbeidseconoom van de VU, die na afwezig­heid in de top vorig jaar dit jaar weer terugkeert op plek 19 met een drietal publicaties in 2016. Ook Peter ­Verhoef en Jakob de Haan zijn na een aantal jaren ­afwezigheid weer terug op de lijst. Verhoef is een marketing­onderzoeker van de Rijksuniversiteit Groningen en De Haan doet internationaal vergelijkend onderzoek naar macro-economische onderwerpen bij De Nederlandsche Bank. Tot slot zijn ook Werner Brouwer (EUR), Luc Renneboog (TU), Arthur Attema (EUR) en Dick van Dijk (EUR) weer terug op de lijst.

Figuur 1

De ranking van instellingen

Als we kijken naar de instellingen waar de toppers werken, dan zien we dat de EUR dit jaar een groot gat met zijn ­concurrenten slaat. Waar vorig jaar acht economen uit Rotterdam in de lijst staan, zijn dat er dit jaar maar liefst twaalf. Dit gaat ten koste van nummer twee, Tilburg, die van twaalf naar negen economen terugvalt, en nummer drie, de Vrije Universiteit (VU), die van negen naar acht terugvalt. Wat verder opvalt is dat de terugval van de Universiteiten van Maastricht (UM) en Amsterdam. De UM heeft zelfs helemaal geen toppers meer op haar loonlijst staan. Hiervoor komen de TU Delft en De Nederlandsche Bank terug.

Voor de institutenranking tellen echter alle mede­werkers, en dat is te zien in tabel 2. Ook als het gaat om alle medewerkers haalt Rotterdam Tilburg in en is ze de nieuwe nummer 1. De vlag kan uit aan de Burgemeester Oudlaan in Rotterdam. Wel blijft Tilburg meer invloedrijke artikelen publiceren. De gemiddelde AIS van een artikel uit ­Tilburg is 1,00 tegenover 0,76 in Rotterdam.

Tabel 2

De VU blijft stabiel op de derde plaats, en de UvA daalt verder. Waar de UvA vorig jaar van 3 naar 4 zakte, komt ze nu op plaats 5, ten gunste van Maastricht die naar plaats 4 gestegen is.

Het beste nieuws is er voor de discipline als geheel. Economen zijn in 2017 weer productiever geworden dan in 2016. De Economentop 2017 neemt 5015 artikelen mee met een gemiddelde AIF van 0,762, terwijl de Economentop 2016 nog 4959 artikelen meenam met een gemiddelde AIF van 0,741. Nu alleen nog maar tijd vinden om al die mooie artikelen te lezen. Ik wens u prettige feestdagen.

Kader 1: De telmethode

Voor het berekenen van de scores en het samenstellen van de Economentop 40 wordt er gebruikgemaakt van de ‘Web of Science’-database van Clarivate Analytics (voorheen onderdeel van Thomson ­Reuters) voor de periode 2012–2016.

Geteld worden alleen artikelen die zijn verschenen in een tijdschrift binnen het domein ‘Economie’, waarvan er ten minste één auteur op het moment van publiceren een affiliatie had met een Nederlandse universiteit. Het domein ‘Economie’ is voor deze top gedefinieerd als alle tijdschriften die voorkomen op de Tinbergen Journal List (www.tinbergen.nl) of de toptijdschriften op de ERIM Journal List (www.erim.eur.nl, alleen categorie P* en P). Alle andere documenttypen in ‘Web of Science’ worden niet meegeteld.

De score van ieder individueel artikel wordt bepaald aan de hand van de gemiddelde article influence score (AIS) van het tijdschrift in de periode 2012–2016, en wordt gewogen voor het aantal auteurs. De volgende formule is gebruikt om de score van ieder individueel artikel te bepalen:

\\(P_{i}\\) = \\(W_{(auteur)}\\)×\\(W_{(influence)}\\),

waarbij:

\\(P_{i}\\) = de score van artikel i
\\(W_{(auteur)}\\) = het gewicht van de auteur volgt uit de breuk van 2 / (1+#auteurs)
\\(W_{(influence)}\\) = de gemiddelde AIS van het tijdschrift in de periode 2012-2016

De totaalscore van een wetenschapper zijn de scores van zijn of haar vijftien hoogst ­scorende artikelen bij elkaar opgeteld. Ten slotte zijn de wetenschappers met een ­kleinere Nederlandse aanstelling dan 0,5 FTE uit de resulterende ranglijst verwijderd. De bovenste veertig posities op de uiteindelijke ranglijst vormen gezamenlijk de Nederlandse Economentop 2017.
Hierbij is net als vorig jaar de AIS van een publicatie in American Economic Review: Papers & Proceedings (AER:P&P) tot 25 procent van de waarde van een publicatie in de reguliere AER verlaagd. Volledige consistentie met de totale AIS van de AER betekent dat publicaties in de reguliere AER een beetje zouden moeten worden opgewaardeerd. Dat is niet gedaan, omdat het onduidelijk is wat die ophogings­factor zou moeten zijn. Gelukkig lost dit ­probleem zich de komende jaren vanzelf op: de AER heeft besloten vanaf maart ­volgend jaar zijn AER:P&P-publicaties in een apart tijdschrift met eigen ranking onder te brengen (AEA, 2017).
Om de score per instituut te bepalen, is ieder artikel op basis van de ­affiliatie-informatie van de auteurs in ‘Web of Science’ toegewezen aan een of meer instituten. Per instituut telt een artikel hoogstens eenmaal mee, ongeacht het aantal aan het instituut verbonden (co)auteurs. Artikelen met auteurs van verschillende instituten zijn bij alle relevante instituten meegeteld. ­Vervolgens zijn de scores van alle artikelen van een instituut gesommeerd. De resulterende ranglijst vormt de Nederlandse Institutentop voor 2017.

Literatuur

Abbring, J., B. Bronnenberg, P. Gautier en J. van Ours (2014) Alternatieve Economentop met meer kwaliteit. ESB, 99(4684), 266–269.

AEA (2017) About AEA papers and proceedings. American Economic Association. Publicatie te vinden op www.aeaweb.org.

BNR (2017) Wetenschappers plegen veel zelfplagiaat. 26 september.

Das Kapital (2017) Bewijs: economen vallen in herhaling. 26 september.

De Volkskrant (2017) Nederlandse economen en psychologen plegen vaak zelfplagiaat; vooral prominente wetenschappers. De Volkskrant, 25 september.

Horbach, S. en W. Halffman (2017) The extent and causes of academic text recycling or ­‘self-plagiarism’. Research Policy, te verschijnen.

Lukkezen, J. (2016) De Economentop 2016. ESB 101(4744), 759–761.

Lukkezen, J. (2017) A comment on The extent and causes of academic text recycling or ‘self-­plagiarism’ by Serge Horbach and Willem Halffman. Tekst te vinden op esb.nu.

Nederlands Dagblad (2017) Nederlandse economen plegen vaak zelfplagiaat. Nederlands Dagblad, 27 september.

NRC (2017) Economen schrijven zichzelf relatief vaak over. NRC, 27 september.

Phlippen, S. (2014) De Economentop 2014. ESB, 99(4699&4700), 786–788.

Phlippen, S. (2015) De Economentop 2015. ESB, 100(4723&4724), 751–753.

Auteur

  • Jasper Lukkezen

    Hoofdredacteur van ESB en universitair docent aan de Universiteit Utrecht (UU)

Categorieën