Ga direct naar de content

Economentop 40 2015

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: december 18 2015

De economentop 2015 laat verrassend veel verschuivingen zien, maar eigenlijk
is het nog verrassender hoeveel zeer goed presterende Nederlandse economen in het buitenland werken.

Economentop ESB
751Jaargang 100 (4723 & 4724) 17 december 2015
Economentop 40 2015
ECONOMENTOP
H
ij is er weer. De Nederlandse Econo –
mentop 40. Menig econoom zit met
kloppend hart op de bank, heeft zojuist
het folie van zijn of haar ESB afge-
scheurd en bladert snel door, op zoek
naar deze top. En het loont de moeite, ook al staat de eco –
noom er zelf niet in, het is weer een mooie lijst vol met ver –
rassingen en nieuwkomers. Vaste boegbeelden zijn er ook.
Zo zal de aanwezigheid van Daan van Knippenberg , Jan
van Ours, Hessel Oosterbeek en Albert Menkveld niemand
verrassen, wat niet wegneemt dat het bewondering en res-
pect afdwingt hoeveel academisch uithoudingsvermogen
deze economen bezitten.
EXOTISCHE NIEUWKOMERS
Er zijn een handvol jonge nieuwkomers, en wat opvalt zijn
hun onderzoeksagenda’s. Thomas Buser, een jonge econoom
van de UvA, doet indrukwekkend onderzoek naar de im –
pact van biologische kenmerken op voorkeuren. Als u dacht
dat dat ongewoon was, kijkt u dan eens naar de onderzoeks-
vragen die Erik Plug , een andere nieuwkomer, zichzelf stelt
en beantwoordt. Hij stelt vragen als: Zijn homo’s minder
competitiegevoelig ? Is er een inkomenseffect wanneer man -nen vrouwen worden en is dat anders dan wanneer vrou

wen mannen worden? Is het arbeidsaanbod van vruchtbare
vrouwen anders dan dat van onvruchtbare vrouwen? Net
als Buser lijkt Plug gefascineerd door de vraag of economi-
sche determinanten door nature of door nurture gedreven
worden. Dan de nieuwkomer Ko de Ruyter. Op het eerste
oog een doodnormale hoogleraar marketing. Maar ook hij
blijkt exotische vragen te willen beantwoorden met behulp
van de neuro-economie. Aan de hand van metingen van de
hersenactiviteit probeert De Ruyter te weten te komen wat
het inkomenseffect is van het plezier om te winnen en of dit
anders is voor vrouwen dan voor mannen.
DE STRIJD DER INSTITUTEN
Wat is hier aan de hand? Zijn dit uitbijters of is dit het topje
van een ijsberg van een nieuw soort onderzoek? Ik vermoed
het laatste, want deze economen slijten hun werk in de tijd –
schriften die aangeven wat de nieuwe vragen zijn die de eco –
nomische wetenschap probeert te beantwoorden. Toch zijn we niet allemaal op hol geslagen in de kruis-
bestuiving van economie met psychologie, neurologie
en biologie. René van den Brink en Arthur Attema zijn
nieuwkomers die zich richten op de aloude ambachten der
economische wetenschap: speltheorie en verdisconterings-
vraagstukken. Toch hebben ook zij zo nu en dan de neiging SANDRA
PHLIPPEN
Hoofdredacteur ESB
De Economentop 2015 is weer fascinerend en biedt een kijkje
achter de schermen van de ivoren torens van economisch Neder –
land. Wie zijn de besten en welke faculteit versterken ze? Nieuw –
komers blijken zich met steeds exotischere onderzoeksvragen be –
zig te houden en er zijn opvallend veel toppers afwezig omdat ze
in het buitenland aan de slag zijn gegaan.
ESB Economentop
Toch zijn we niet allemaal
op hol geslagen in de kruisbestuiving van economie met psychologie, neurologie en biologie

ESB Economentop
752Jaargang 100 (4723 & 4724) 17 december 2015
InstitutentopTABEL 2
De economentop 40TABEL 1
tot een rariteit, zoals de vraag of een econoom zichzelf een
arm zou afhakken voor een publicatie in de American Eco-
nomic Review!
ZIJ DIE ERUIT VIELEN
Wat u niet ziet in deze Top 40, is dat maar liefst elf econo –
men eruit vielen omdat zij niet voor ten minste een halve
fte (in totaal) aan een Nederlandse instelling verbonden
zijn (kader 1). Dit zijn Nederlandse economen die voor het overgrote deel van hun aanstelling aan buitenlandse fa

culteiten werkzaam zijn. Rick van der Ploeg bijvoorbeeld,
die baanbrekend werk verricht aan de University of Oxford
aangaande milieu-economische vraagstukken. Als hij werk
van gelijkwaardige kwaliteit zou leveren aan een Neder –
landse faculteit zou hij helemaal bovenaan hebben gestaan. Vooral de Tilburg University zal flink balen van het
vertrek van maar liefst vijf economen die namens Tilburg
in de top hadden gestaan als ze onlangs niet naar een bui-
tenlandse faculteit waren gegaan. Tilburgse economen als
Thorsten Beck, Steven Ongena en Stefan Trautmann had –
den Tilburg nog wat verder kunnen opstuwen in de vaart
der volkeren. Voor het bereiken van de top van de Institu –
tentop (tabel 2) maakt het niet uit: Tilburg staat bovenaan. Als u dacht dat een publicatie als ’ Your right arm for
a publication in AER?’ een weergave is van een levensge –
vaarlijke (letterlijk) competitiedrang onder economen die
alles doen om te scoren, dan kent u de strijd der instituten
nog niet. Minstens zo belangrijk als de Economentop is de In –
stitutentop. Decanen zitten weliswaar meerdere keren per
jaar braaf bijeen om gezamenlijke problemen aan te pakken
– zoals kwalitatief goed onderwijs, Nederland economisch
op de kaart zetten in het buitenland en netelige integriteits-
kwesties en schandaaltjes in het academisch onderzoeks-
proces oplossen – maar onder die gezamenlijkheid woedt
een stevige strijd om onderzoeksgelden, studentenaantal –
len en talentvolle onderzoekers. Wat dat laatste betreft
toont de Institutentop wie er waar staat op de rots. De Institutentop telt de totale impactscore van de
artikelen die in de afgelopen vijf jaar uit die instituten
voortkwamen. Het is een maatstaf voor de grootte van de
stempel die een faculteit wereldwijd weet te zetten met hun
onderzoeksbevindingen. Je zou kunnen argumenteren dat
kleinere faculteiten met minder personeel ook een minder
groot stempel kunnen zetten. Dat is waar, maar een rela –
tieve impactmaat naar faculteitsomvang leek ons nogal on –
interessant. De resultaten lijken op de eerdere uitkomsten. Steeds
strijden Tilburg en Rotterdam met elkaar om de eerste
plek. Saillant detail is dat Tilburg met bijna 250 publicaties
minder toch een hogere score weet te halen dan Rotterdam.
Auteur scoreaantal
publicaties 2010-2014 huidige
affiliatie
1 van Knippenberg, Daan 26.69515EUR
2 Wagner, Wolf 25.67715EUR
3 Oosterbeek, Hessel 25.62615UvA
4 Abbring, Jaap H. 20.3974UvT
5 Pieters, Rik 19.04415UvT
6 Koopman, S. J. 18.79915VU
7 van Soest, Arthur 16.20814UvT
8 Kok, Nils 15.9415MU
9 van der Klaauw, Bas 15.88915VU
10 van Ours, Jan C. 15.85215UvT
11 Verhoef, Erik 15.61215VU
12 Beetsma, Roel 15.3815UvA
13 van Ommeren, Jos 14.89315VU
14 Renneboog, Luc 14.54515UvT
15 Spalt, Oliver 14.4855UvT
16 Huizinga, Harry 14.0547UvT
17 Wakker, Peter P. 13.7815EUR
18 Werker, Bas J. M. 13.3697UvT
19 Gijsbrechts, Els 12.91211UvT
20 Gautier, Pieter 12.7688VU
21 Van Dijke, Marius
112.755 15EUR
22 Bulte, Erwin 12.59215WUR
23 Lucas, Andre 12.56911VU
24 Menkveld, Albert J. 12.2936VU
25 Giuliodori, Massimo 12.23910UvA
26 Verwijmeren, Patrick 11.95611EUR
27 Driessen, Joost 11.9076UvT
28 Alessie, Rob 11.88415RUG
29 Herings, P. J. J. 11.8715MU
30 Buser, Thomas 11.794UvA
31 van Dijk, Dick 11.34115EUR
32 Lindeboom, Maarten 11.28813VU
33 Leeflang, Peter 11.21715RUG
34 Plug, Erik 11.2084UvA
35 Bronnenberg, Bart 11.1959UvT
36 van den Berg, Vincent 11.19511VU
37 de Ruyter, Ko 11.14515MU
38 Sonnemans, Joep 11.12113UvA
39 van den Brink, Rene 11.07115VU
40 Attema, A. E. 11.01115EUR
Instituten totale
impact score aantal artikelen
per instituut
1 UvT 897.86 910
2 EUR 856.321 1154
3 UvA 568.403 640
4 VU 509.497 653
5 UM 475.621 686
6 RUG 416.25 676
7 UU 209.244 401
8 RUN 80.786 166

Economentop ESB
753Jaargang 100 (4723 & 4724) 17 december 2015
Ook in de Economentop zie je de overmacht van Tilburg
ten opzichte van Rotterdam terug. Zeven Rotterdammers
tegenover elf Tilburgers bereiken de top. Eigenlijk is het
ook verbazing wekkend dat de VU niet hoger eindigt in de
Institutentop. Terwijl deze universiteit wel tien economen in de top 40 heeft en de UvA zes, delft de VU toch het on

derspit. Voor zover we op basis van deze gegevens kunnen
gissen naar de facultaire strategie, lijkt de VU in te zetten
op minder maar betere economen.
WINNEN OF SAMENWERKEN
Lex Borghans stelde onlangs in zijn blog op economie.nl
dat economen niet willen winnen maar dat zij willen sa –
menwerken. Deze Economentop 40 zal zeker het willen
winnen niet ontmoedigen, maar of de waslijst aan negatie –
ve externaliteiten die hij noemt zich voordoet door de aan –
wezigheid van deze top, dat vraag ik mij af. Borghans wijst
op het gegeven dat onderzoekers zullen proberen elkaar te
slim af te zijn en minder open praten over onderzoek. Wellicht een mooi idee om dit eens te onderzoeken,
nu er toch een trend lijkt onder economen om zichzelf en
hun eigen gedrag tot onderzoeksdomein te verklaren. Wat
is het effect van de Top op de toppers? Zowel het erin staan
als het eruit zijn gevallen kan hun gedrag en hun welzijn
beïnvloeden. Je zou hen moeten vergelijken met de mensen
die er net niet inkwamen of met hen die eruit moesten om –
dat ze niet voldeden aan alle criteria. Eigenlijk zou je bij deze effectmeting ook moeten vari-
ëren met de publicatie van de Institutentop. Mijn hypothe –
se zou dan zijn dat het de Top 40 weliswaar de individuele
scoringsdrift aanwakkert, maar dat de Institutentop juist
aanzet tot samenwerking en intensieve kennisuitwisseling.
Tenminste, als dit nog steeds de ingrediënten zijn voor het
behalen van baanbrekende resultaten.
Saillant detail is dat Tilburg
met bijna 250 publicaties minder,
toch een hogere score weet te halen dan Rotterdam
KADER 1De telmethode
Voor het berekenen van de scores en het samenstellen
van de Economentop 40 wordtgebruikgemaakt van de
database ‘Web of Science’ van Thomson Reuters voor
de periode 2010–2014.
Geteld worden alleen artikelen die zijn verschenen in
een tijdschrift binnen het domein ‘Economie’ waarvan
ten minste één auteur op het moment van publiceren
een affiliatie had met een Nederlandse universiteit.
Het domein ‘Economie’ is voor deze Top gedefinieerd
als alle tijdschriften die voorkomen op de Tinbergen
Journal List (www.tinbergen.nl) of de toptijdschriften
op de ERIM Journal List (www.erim.eur.nl, alleen ca –
tegorie P* en P). Alle andere documenttypen in ‘Web
of Science’ worden niet meegeteld.
De score van ieder individueel artikel wordt bepaald
aan de hand van de gemiddelde Article Influence Score
(AIS) van het tijdschrift in de periode 2010–2014 en
wordt gewogen voor het aantal auteurs.
De volgende formule is gebruikt om de score van ieder
individueel artikel te bepalen:
P
i = W(auteur)× W(influence), met Pi = de score van artikel i
W
( auteur)
= het gewicht van de auteur volgt uit de breuk
van 2 / (1+#auteurs)
W
(influence) = de gemiddelde AIS van het tijdschrift in de
periode 2010–2014
Om de totaalscore per wetenschapper te bepalen zijn
de scores van zijn/haar vijftien hoogst scorende arti-
kelen gesommeerd. Ten slotte zijn de wetenschappers
met een kleinere Nederlandse aanstelling dan 0,5 fte
uit de resulterende ranglijst verwijderd. De eerste veer –
tig posities op de uiteindelijke ranglijst vormen geza –
menlijk de Nederlandse Economentop 40 voor 2015.
Om de score per instituut te bepalen is ieder artikel
op basis van de affiliatie-informatie van de auteurs in
‘Web of Science’ toegewezen aan een of meer institu –
ten. Vervolgens zijn de scores van alle artikelen van een
instituut gesommeerd, waarbij ieder artikel maximaal
één keer per instituut is meegeteld. Artikelen met au –
teurs van verschillende instituten zijn bij alle relevante
instituten meegeteld. De resulterende ranglijst vormt
de Nederlandse Institutentop voor 2015.
De auteur dankt Pieter Vreeburg (Erasmus School of
Economics) voor het samenstellen van de top.

Auteur

  • Sandra Phlippen

    Hoofdeconoom van ABN Amro en universitair docent aan de Erasmus Universiteit Rotterdam