Ga direct naar de content

De treurnis van Nederland Kennisland

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: november 28 2003

De treurnis van Nederland Kennisland
Aute ur(s ):
Jacobs, D. (auteur)
De auteur is hoogleraar strategisch management aan de Rijksuniversiteit Groningen en lector aan het Amsterdam Fashion Institute.
d.jacob s@b dk.rug.nl
Ve rs che ne n in:
ESB, 88e jaargang, nr. 4420, pagina 572, 28 november 2003 (datum)
Rubrie k :
Tre fw oord(e n):
innovatie

Het innovatiebeleid van het nieuwe kabinet is niet erg vernieuwend of overtuigend.
Na enkele jaren voorbereiding is de nieuwe Innovatiebrief van het ministerie van Economische Zaken (hierna: EZ) gearriveerd: drie
boekjes in een plastic doosje1 Wie ze downloadt, moet voor lief nemen dat een kwart van de pagina’s plaatjes met schaatsers bevat. Dat
schaatsen is wel een mooie metafoor: Nederlandse voorsprong door discipline, specialisatie en innovatie!
In het eerste boekje beginnen de minister en staatssecretaris veelbelovend: “In een moderne economie staat of valt economische groei
met innovatie in alle sectoren van onze economie. Dat betekent: slimmer produceren met de mensen die je hebt. (…) Nieuwe manieren
van organisatie en marketing. Innovatie is mensenwerk en vraagt om het losmaken van creativiteit door sociale innovaties en het
betrekken van medewerkers bij het innovatieproces. Maar ook de overheid zal creativiteit moeten tonen (…). We moeten toe naar een
kennisklimaat waarin lef en ondernemerszin worden gewaardeerd” (accentueringen D.J.).
Het tweede boekje met de analyse van de huidige situatie is minder somber dan we gewend zijn: “Het oordeel over de gehele
Nederlandse kennispositie is gematigd positief (…). Het innovatievermogen van ons bedrijfsleven in brede zin is redelijk en bedrijven
innoveren redelijk efficiënt. (…) Ook het ict-klimaat is goed.” Uiteindelijk is de toonzetting negatief: Nederland ‘verliest momentum’, er
zijn te weinig afgestudeerden in bèta en techniek (verderop blijkt dit rationeel, want hun arbeidsmarktperspectieven zijn niet briljant),
bedrijven mogen nog meer innoveren en de interactie en mobiliteit tussen wetenschap en bedrijfsleven zijn te laag. De conclusie in de
eerste zin van de brief, “Nederland moet van koers veranderen”, maakt nieuwsgierig.
Meer van hetzelfde
Hoe je evenwel ook zoekt, het beleid gaat niet om. Alle maatregelen zijn meer van hetzelfde. Het aangekondigde beleid bevat drie
hoofdpunten en de allereerste maatregel, het versterken van het innovatieklimaat, illustreert gelijk het onvermogen. De doelstelling is dat
Nederland volgens een eu-afspraak in Lissabon toegroeit naar drie procent van het bnp aan o&o-uitgaven, waarvan twee procent door
het bedrijfsleven – weliswaar arbitraire streefcijfers, maar alla. Het probleem is evenwel dat de overheid zijn ene procent al betaalt, terwijl
de bijdrage van het bedrijfsleven internationaal gezien laag is2. Hoe breng je dat bedrijfsleven ertoe meer te investeren zonder zelf meer
uit te geven, terwijl topmanagers nu al vinden dat ze te weinig krijgen3?
Drie onderdelen beleid
Wat stelt ez concreet voor? Een verhoging van de meest laagdrempelige innovatiesubsidie (eigenlijk een belastingskorting op de lonen
van onderzoekers), namelijk die uit hoofde van de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO), met op termijn honderd
miljoen euro per jaar. Die wbso is onlangs positief beoordeeld en wat blijkt? Elke euro publieke wbso-steun leidt tot een à twee eurocent
eigen investeringen van het bedrijfsleven4! De positieve externe effecten van o&o-investeringen, de traditionele legitimatie voor
technologiesteun, worden dus op vijftig tot honderd maal de privé-investeringen geschat. Dat is wel erg optimistisch voor zo’n
laagdrempelig mechanisme. In het allerbeste geval, als de wet van de afnemende meeropbrengsten niet zou gelden (wat ze natuurlijk wel
doet), leiden honderd miljoen euro extra publieke uitgaven dus tot twee miljoen euro extra private o&o-bestedingen! Ook de andere
acties bij het eerste hoofdpunt, het stimuleren van onderzoekssamenwerking en van bèta en techniek, zijn oude bekenden.
Het tweede hoofdpunt heet: Dynamiek: naar meer bedrijven die innoveren. Daarbij gaat het over concrete ondersteuning van
Technostarters. Dat is nuttig, maar gelukkig niet nieuw – waarom dit niet uitgebreid naar alle creatieve starters? Ook lezen we dat de
publieke mkb-adviesorganisatie Syntens zich (nog?) gerichter gaat concentreren op MKB’ers die echt willen innoveren. Verrassend!
Het laatste hoofdpunt – meer strategisch kiezen – schept verwachtingen. Meer dan voorheen wordt gesteld dat we niet alles kunnen. Van
de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) neemt het ministerie hier de kreet ‘backing winners’ over. Zoals men
bij de awt kan lezen, heeft die het weer van een artikel van Dany Jacobs uit 2000 over industriebeleid in de kenniseconomie5. Daarin zette
laatstgenoemde ‘backing winners’ af tegen ‘picking winners’. Het laatste was generiek stimuleren van nieuwe technologieën, het eerste, in
het verlengde van Porter: “clusterbeleid, vertrekkend vanuit de specifieke sterktes van de industriële structuur het opbouwen van
(internationale) concurrentiesterktes”. Dat laatste veronderstelt kennis van de sterkte en zwakte van de eigen industriële structuur, iets

waarover het ministerie niet meer beschikt6 Vroeger had je daar namelijk een dg Industrie en Diensten met sectorspecialisten die hun
sectoren redelijk overzagen, maar met de beëindiging van het traditionele industriebeleid zijn deze verdwenen.
Het wekt dan ook geen verbazing dat voor EZ ‘backing winners’ betekent het strategisch kiezen van… kansrijke nieuwe technologieën, te
weten ict, life sciences en nanotechnologie, een herformulering van de oude riedel it, bio- en microtechnologie. ez herhaalt dus de oude
leugen van het begin van de jaren negentig toen het ook al eens Porter omarmde, maar diens meso-verhaal herformuleerde tot macro en
high-tech – precies waar Porter zich tegen afzette! Overigens heeft het ministerie wel geregeld de term clusterbeleid in de mond genomen.
Maar door gebrek aan meso-economische kennis verviel dit in enerzijds het generiek stimuleren van samenwerking tussen
ondernemingen (wat zoals we zagen, blijft) en anderzijds in alle mogelijke vormen van hobbyisme en inspelen op elke vraag die
langskwam7 Samenvattend: het roer gaat in die mate om dat men weer bij de oude koers uitkomt.
Innovatieplatform
Dat brengt ons op het Innovatieplatform, een gezelschap van zestien heren en twee dames onder leiding van de minister-president, dat
‘onconventionele’ voorstellen moet uitwerken om Nederland in innovatief opzicht op de kaart te zetten. Er was terecht veel kritiek op de
nogal grijze samenstelling van die club, maar verrassingen zijn natuurlijk nooit uit te sluiten. Is de platform-secretaris niet de jonge Frans
Nauta van de Stichting Nederland Kennisland (SNK)? Het is daarom verhelderend om naar de Kenniseconomie monitor 2003 te kijken
die deze snk heeft uitgebracht – door premier Balkenende eigenhandig in ontvangst genomen8
Ook hier enkele lichtpuntjes, maar met een toonzetting over de situatie van Nederland die nog negatiever is dan die van ez, maar binnen
dezelfde denkwijze. Richard Florida, de man van de creatieve economie, wordt even genoemd, maar er wordt nauwelijks iets mee gedaan.
Nederland is weliswaar ‘sterk in creatieve sectoren’, dat kan het doembeeld niet bijstellen. Weer is er overdreven aandacht voor O&Ocijfers, die in een creatieve diensteneconomie steeds minder betekenen. Over innovatie in diensten hebben Groningse en Utrechtse
onderzoekers onlangs een genuanceerd rapport gepubliceerd, waaruit zeker niet blijkt dat Nederland achterloopt9
Ook is er veel gegoochel met de rangschikkingen van het World Economic Forum, die voor meer dan de helft worden samengesteld op
basis van enquêtes bij hen toevallig bezoekende managers (geen aselecte steekproef dus). Wie weet dat Duitsland in de meest recente
rangschikking (eind oktober) op de vijfde plaats komt, kan hoogstens concluderen dat Duitse managers minder de neiging hebben
zichzelf het graf in te praten dan Nederlandse.
Dubieus succesje
Ook de positieve scores van Nederland Kennisland geven te denken: moeten we werkelijk geloven dat van de twintig beste Europese
universiteiten er zeven Nederlands zijn? Het is alleen jammer dat die universiteiten zo weinig betekenen voor de praktijk – alsof
praktijkrelevantie niet de ultieme test is. SNK en EZ klagen over die kloof en de lage mobiliteit tussen kennisinfrastructuur en
bedrijfsleven, maar begrijpen niet dat dit juist door dat formidabele publicatiesucces komt. Daar worden Nederlandse universiteiten meer
dan elders op afgerekend. Wie te lang in de praktijk actief is geweest, kan nauwelijks nog terug! Veel van de zaken die EZ en SNK
‘Nederland’ verwijten, moeten ze het beleid zelf aanrekenen. SNK klaagt over tekort aan wetenschappelijke mobiliteit, maar ook over het
feit dat jonge gepromoveerden op de universiteit niet genoeg toekomstperspectief krijgen. Denken ze dat dit in de Verenigde Staten beter
geregeld is? Bovendien weet ik uit ervaring dat dergelijke gedwongen mobiliteit tot een verfrissende verruiming van het perspectief leidt.
Merkwaardig is tenslotte dat SNK zegt dat er iets met Porters clusterbenadering zou moeten gedaan worden, maar dat daar voor
Nederland niet zoveel over bekend is! Waar waren de snk’ers het voorbije decennium? Over clusters in Nederland heb ik meer dan
honderd rapporten liggen, maar zoals bekend: analyse leidt niet zomaar tot strategie.
Dany Jacobs

1 Ministerie van Economische Zaken, In actie voor innovatie, Analyse van de Nederlandse innovatiepositie en Uitwerking van de
oplossingsrichtingen, Den Haag, 2003 – ook beschikbaar via www.minez.nl
2 Het bedrijfsleven betaalt 55 procent van de Nederlandse o&o-investeringen, het EU-gemiddelde is 65 procent, dat van de OECD 67
procent (V. Gilsing en H. Erken, Trends in R&D bij bedrijven, EZ beleidsstudies, Den Haag, 2003, blz. 13).
3 Den Haag knoeit met innovatie, NRC Handelsblad, 31 oktober 2003.
4 E. Brouwer e.a., WBSO nader beschouwd, ministerie van Economische Zaken, Den Haag, 2002.
5 AWT, ‘Backing winners’. Van generiek technologiebeleid naar actief innovatiebeleid, Den Haag, juli 2003, blz. 25.
6 M. Porter, The Competitive Advantage of Nations, Free Press, New York, 1990.
7 Uit een evaluatie van EZ-clusterprojecten (P. Boekholt e.a., Evaluatie van het EZ Clusterbeleid, interimrapport, Technopolis,
Amsterdam, 2002) bleek dat hieronder projecten vielen als de overheidsincubator Twinning, een NS-experiment met een gecombineerde
internationale goederen- en personennachttrein en het bestrijden van ‘faalkosten’ in de bouw.
8 F. Nauta en J. van den Steenhoven, Tijd om te kiezen. Kenniseconomie Monitor 2003, Stichting Nederland Kennisland, Amsterdam,
2003.

9 B. van Ark e.a., Service Innovation, Performance and Policy: A Review , ministerie van Economische Zaken, Den Haag, 2003.

Copyright © 2003 – 2004 Economisch Statistische Berichten ( www.economie.nl)

Auteur