Ga direct naar de content

De toepassing van het monetarisme inChili

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: januari 26 1983

De toepassing van het monetarisme
inChili
R. ACX-M. QUINTYN”

Het nieuwe economische beleid dat door de Chileense junta sinds 1973 gevoerd wordt, is vooral
ge’mspireerd door het monetarisme van M. Friedman. Geregeld wordt het Chileense voorbeeld
door voor- en tegenstanders aangegrepen om de degelijkheid of de ongeschiktheid van het
monetarisme aan te tonen. Dit artikel poogt na te gaan in hoeverre de Chileense overheid de
receptuur van Friedman volgde. In nun evaluatie van de resultaten op monetair vlak tegen de
sociaal-economische achtergrond stellen de auteurs dat de Chileense bevolking voor het
beteugelen van de inflatie een hoge prijs heeft betaald in termen van werkloosheid en
inkomensherverdeling. Maar tevens constateren zij dat de monetaristische voorschriften door
de junta niet volledig zijn opgevolgd.
De monetaristische politiek in theorie
In een recent artikel 1) heeft Milton Friedman zijn ideeen rond
de doelstellingen van de monetaire politiek en de wijze waarop
die moet worden gevoerd op een rij gezet. Kort samengevat komen zijn ideeen op het volgende neer.
— De beheersing van de geldhoeveelheid, door het nastreven
van een vooropgestelde groeidoelstelling van de geldhoeveelheid volgens een van de bekende definities, staat centraal in
de monetaristische politiek. Op basis van empirisch onderzoek stelt Friedman voor de doelstelling te koppelen aan de
groei van het ree’le inkomen. Het wordt algemeen aanvaard
dat de geldhoeveelheid het best in de hand kan worden gehouden door de basisgeldhoeveelheid of een component
daarvan te beheersen. De centrale rol die de beheersing van
de geldhoeveelheid speelt, ontspruit aan de rol die Friedman
aan de monetaire politiek toekent. Deze moet zorgen voor
een stabiele achtergrond voor de economie. Daarvan is sprake wanneer de prijsverwachtingen van de particuliere sector
worden gerealiseerd en de prijsontwikkeling stabiel is. Een
stabiele prijsontwikkeling komt de marktefficientie ten goede
omdat bij fluctuerende inflatievoeten de relatieve prijzen van
de goederen zeer instabiel zijn.
— De lange-termijndoelstelling van de geldgroei moet gericht
zijn op een situatie zander inflatie. Stabiele inflatieverwachtingen en een stabiel prijsniveau worden het vlugst bereikt
wanneer een geleidelijk — en in de dynamische-evenwichtssituatie liefst een constant — geldgroeipercentage wordt gehanteerd. Daartoe moet de huidige groeivoet ervoor zorgen
dat het lange-termijndoel stapsgewijs en systematisch wordt
benaderd. De groeivoet moet op voorhand bekend gemaakt
worden aan de marktdeelnemers, opdat deze hun verwachtingen kunnen aanpassen aan de intenties van de monetaire
overheid.
— ..Fine-tuning” — het aanbrengen van monetaire correcties
zodra maar enigszins wordt afgeweken van de lange-termijndoelstelling — wordt afgeraden, omdat de overheid de actuele
economische situatie wil aanpakken met instrumenten die
pas na vele maanden 2) effect zullen sorteren. Dit houdt het
gevaar in dat sterkere maatregelen worden getroffen dan de
omstandigheden eisen. De tijd die verloopt tussen het optreden van een bepaalde ontwikkeling en de waarneming van
dat feit enerzijds en de tijd die het kost om een maatregel uit
te vaardigen anderzijds, zullen ertoe leiden dat in de meeste
gevallen de monetair-politieke actie op een verkeerd moment
82

komt. De ingrepen zullen volgens Friedman ,,too late, too
much” zijn en negatieve gevolgen hebben voor de economische ontwikkeling 3).
— Het voorschrift dat de monetaire overheid zich dient te onthouden van wisselkoersmanipulaties laat vermoeden dat
Friedman vasthoudt aan zijn idee dat de gouden standaard
het beste wisselkoerssysteem is. Gekoppeld aan het besef dat
dit in de gegeven omstandigheden niet haalbaar is, opteert hij
voor volledig flexibele wisselkoersen. Daardoor kan de overheid zich volledig concentreren op het intern beleid. Indien
het intern evenwicht kan worden bereikt en gehandhaafd, zal
ook de wisselkoers zich stabiliseren.
— Ook de interestbeheersing moet als beleidsvorm afgewezen
warden, omdat ze niet bijdraagt tot het bereiken van het lange-termijnevenwicht. De rentevoet kan worden bemvloed
door korte-termijnvariaties in de geldhoeveelheid. Dit is op
zich reeds in strijd met de geest van het monetarisme, omdat
fluctuaties in de geldgroei de ontwikkeling van stabiele prijsverwachtingen onmogelijk maken. Daarenboven resulteert
een toename van de geldhoeveelheid veelal niet in een dating,
maar in een stijging van de interest, wat niet de lange-termijndoelstelling kan zijn.
Uit dit korte overzicht blijkt dat economische doelstellingen
andere dan monetaire stabiliteit, zoals ree’le groei en werkgelegenheid, met andere middelen dan die van monetaire politiek
moeten worden nagestreefd. De monetaire politiek kan alleen op
korte termijn een reele expansie bewerkstelligen. Zodra de prijzen zich aan de nieuwe situatie aanpassen, valt de activiteit immers terug op het initiele niveau. Om de toepassing van monetaristische beleidsprincipes in Chili goed te kunnen beoordelen
is het van belang de visie van de monetaristen te kennen op het
overgangsbeleid om in een periode met hoge inflatie te komen

* De auteurs zijn verbonden aan het Seminarie voor Financiele Economie van de Rijksuniversiteit Gent. Zij danken de professoren G. Vandewalle en H. Verwilst en hun collega S. Deroose voor hun waardevolle opmerkingen bij een eerdere versie van het artikel.
1) M. Friedman, Monetary policy, theory and evidence, Journal of Money, Credit and Banking, februari 1982, biz. 101.
2) M. Friedman, The lag in the effect of the monetary policy, in: The optimum quantity of money. Essays, 1969, biz. 249-467.
3) M. Friedman, The role of monetary policy, American Economic Review, maart 1968.

naar lage inflatie. De analyse van Laidler 4) is in dit opzicht relevant en compatibel met de visie van Friedman. Beiden aan-

vaarden de ,,natuurlijke-werkloosheid”-hypothese en komen al-

Chili nooit overwogen. Deze richtlijn is tijdens een transitieperiode ook niet van toepassing. Hoewel nooit expliciet gesteld
werd dat de omvang van M-l het uitgangspunt vormde, hebben

dus tot een quasi verticale Phillipscurve voor de lange termijn 5).
Daarnaast is er ook de convexe Phillipscurve voor de korte termijn. De combinatie van die twee maakt het mogelijk om een

de monetaire autoriteiten pogingen ondernomen om het aandeel

keuze te maken tussen een snelle en een trage overgang naar een
lage inflatiegraad.

gemaakt. Doch er kan redelijkerwijze en afgaande op de behaalde resultaten worden aangenomen dat die gericht was op een situatie zonder — of lage stabiele — inflatie.
De gewenste groeivoet van de geldhoeveelheid voor de korte
termijn werd wel gekozen in de richting van het lange-termijn-

De snelle overgang naar een lagere inflatie leidt aanvankelijk

tot een snel oplopende werkloosheid. Stel dat men zich bevindt
in punt X (zie de figuur) en dat men punt Y wil bereiken als
nieuw lange-termijnevenwicht. Dan zal de werkloosheid oplopen van Od naar Of (punt M). De feitelijke inflatie in M (Oc) is
kleiner dan de verwachte inflatie (Oa), zodat de Phillipscurve
voor de korte termijn zich naar links zal verplaatsen. Hierbij zal
de periode van lage inflatie aanhouden, doch de werkloosheid

zal slechts traag dalen.
Figuur 1. Snelle en trage overgang naar een lagere inflatie
Inflatiepercentage /
^ Phillipscurve voor de
e termijn

Phillipscurve voor de
korte termijn

Werkloosheidspercentage

Wanneer daarentegen wordt gekozen voor de trage overgang
naar de lage inflatie, zal men de werkloosheid slechts laten oplopen tot Oe. In punt L is de gerealiseerde inflatie, net zoals dit
het geval was in punt M, kleiner dan de geanticipeerde inflatie

en zal de Phillipscurve voor de korte termijn zich eveneens naar
links bewegen. Dit proces zal zich herhalen tot de korte-termijncurve door punt Y gaat. De lagere inflatie wordt aldus stapsge-

wijs benaderd.
Monetaristen geven de voorkeur aan de laatste mogelijkheid
omdat de kosten in termen van werkloosheid kleiner zijn. De
daarbij horende lange periode met relatief hoge inflatie vereist

van de overheid in de toename ervan te minimaliseren. Een lange-termijndoelstelling voor de geldgroei werd evenmin bekend-

evenwicht, maar er werd niet een stapsgewijze ontwikkeling naar
dat punt toe gepland. De procentuele variaties van de jaarlijkse
geldgroei zijn zeer wisselvallig. Gezien de grote maandelijkse variaties in M-l 9), kan worden aangenomen dat de junta een
,,fine-tuning”-politiek voerde. Dit wijst erop dat de overheid bij
bepaalde ontwikkelingen reageerde met maatregelen die het bereiken van het lange-termijnevenwicht bemoeilijkten, daar de
geldgroei soms sterk toenam.
Ten slotte pasten de interestpolitiek en de wisselkoerspolitiek
slechts ten dele in het monetaristische kader. Deze twee elementen, die een belangrijke rol speelden in de economische ontwikkeling in Chili, komen nog uitgebreid aan de orde.
Uit de ontwikkeling van de inflatie 10) valt af te leiden dat de
overgangsperiode, de periode 1973-1979 beslaat. Nadien bevond de prijsstijging zich op een voor Zuid-Amerika laag peil.
Vergelijking van de inflatie- en werkloosheidscijfers in het licht
van de afweging tussen de lange en de korte overgangsperiode,
doet onmiddellijk vermoeden dat er niet resoluut voor een van
de mogelijkheden werd geopteerd (zie label 1).
Afgezien van de onduidelijke politiek in 1974 kan worden gesteld dat in 1975 en 1976 gekozen werd voor een vlugge daling
van de inflatie en, in overeenstemming met het Phillipsschema
van Laidler, voor een sterke toename van de werkloosheid (tot
15,6%). Conform aan de theorie neemt de werkloosheid in de jaren na de schoktherapie geleidelijk af. We stellen daarbij vast dat
de inflatie niet op hetzelfde niveau bleef zoals de theorie suggereert, maar verder daalde. Dit kan erop wijzen dat de overheid
de inflatie verder wilde bestrijden op een andere wijze 11). De
hoge kosten in termen van werkloosheid kan de junta ertoe hebben gebracht af te zien van nog een grote ingreep 12). Te constateren aan het verloop van de inflatie en van de werkloosheid kan
vermoed worden dat na 1976 de lange-termijnoptie de voorkeur
kreeg. Dat de werkloosheid sindsdien gestabiliseerd is en niet is
toegenomen zoals de theorie voorspelt, kan getnterpreteerd worden als de resultante van het opeenvolgend uitvoeren van de korte- en de lange-termijnopties. i

een bepaalde indexatiepolitiek voor de inkomens. Lang aanhoudende inflatie leidt immers tot een ongelijkere inkomensverdeling en tot onzekere bewegingen van de nominale interestvoeten.
Daarom verdient het de voorkeur te onderhandelen in termen
van reele lonen en rentevoeten 6), wat natuurlijk volledig flexi-

bele prijzen veronderstelt.
De monetaire politick van de Chileense junta
De junta interpreteerde de inflatie als het gevolg van de excessieve geldgroei onder Allende. Ze was van oordeel dat moest
worden ingegrepen met een monetaristisch beleid. Hieronder

wordt beschreven hoe dat beleid er uitzag.
Alleen voor 1974 werd een expliciete geldgroeidoelstelling gekozen. Het resultaat van het beleid was op dit punt ontmoedigend, want de groei van de geldhoeveelheid volgens M-l overschreed tweeenhalf keer de doelstelling. De inflatiecijfers tonen

aan dat het anti-inflatiebeleid eigenlijk pas vrucht afwierp vanaf
1975. Het uitblijven van resultaat kan veroorzaakt zijn door het
feit dat het restrictieve monetaristische beleid, afgekondigd in
1973 7), in overeenstemming met de monetaristische theorie met
een vertraging doorwerkte. De restrictieve aard van de politick
komt in 1974 echter alleen tot uiting in de ontwikkeling van de
particuliere binnenlandse kredietverlening. De monetaire financiering is van 1973 op 1974 sterk toegenomen 8). Dat feit is er
mede verantwoordelijk voor dat de geldgroei evenals de inflatie
nog zeer hoog bleef.
De koppeling van de geldgroei aan het reele inkomen werd in

ESB 26-1-1983

4) D. Laidler, Essays on money and inflation, Manchester University
Press, 1975, biz. 87-92, waarin men een grondige beschrijving van deze
verschuivingen aantreft.
5) Friedman introdueeerde eveneens een Phillipscurve voor de middellange termijn, die een positieve helling heeft. De curven voor de korte en
de middellange termijn beschiouwt hij beide als uitingen van overgangsperioden.
6) M. Friedman, Monetary correction, in: Essays on inflation and indexation. American Enterprise Institute, Washinhgton, 1974, biz. 25-61.
7) Banco Central de Chili, Memoria Annual, 1973, biz. 69.

8) Banco Central de Chili, Memoria Annual, 1974, biz. 74-80. Sinds
1976 neemt de binnenlandse kredietverlening weer toe.
9) M. F. Rivas en A. V. Gaete, Los effectos del desarrollo del mercado financiero sobre de la politica monetaria: el caso chileno, Estudios de Economica, 9, Universidad de Chili, 1977, biz. 119.

10) Dat dit slechts een van de vele criteria vormt, wordt aangetoond door
de persistente onevenwichtigheden die er in andere economische kengetallen bestaan. De Chileense minister van Financien, S. de la Cuadra, verklaarde onlangs (mei 1982), wijzend op het grote betalingsbalansdeficit,
dat Chili zich nog steeds in een aanpassingsperiode bevindt.
11) Er is echter nog een andere verklaring mogelijk voor het licht dalend,
doch hoog blijvend niveau van de inflatie. De prijs op de Internationale
grondstoffenmarkt voor koper was tijdens het jaar 1973 en begin 1974
zeer hoog. Tijdens die periode maakte koper 72% uit van het Chileense
exportpakket. Dit resulteerde in een opwaartse druk op de binnenlandse
prijzen. De daarop volgende jaren is de koperprijs gevoelig gedaald en
heeft Chili zijn afhankelijkheid van het koper verminderd (koper stond
nog voor 50% in van de Chileense export tijdens 1977-1979).
12) Daarvoor werd bevestiging noch ontkenning gevonden.

83

Tabel 1. Macro-economische gegevens
1972

Wisselkoers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
– Peso per SDR ………………………………
– Peso per US$ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

1974

1975

77,8
70,0
56,2

Inflatiepercentage
– consumptie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
– groothandel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
– invoer ……………………………………

1973

352,8
511,4
580,4

504,7
1029,0
1 349,8

374,7
482,0
445,9

0,434
0,360

0,0027
0,0025

Groeivoet van de geldhoeveelheid in procenten
M-l . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
– M-2 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

2,290
1,870

314

151
146

9.951
8,500
257
194

273
360

473

9,4
68,5
569

145

105

60 a)

– 894

134

1980

n.b.
12,0
112,7
– 1003

n.b.
142

17 a)

n.b.
11.2
n.b.
– 2447
– 4500
135b)

Bronnen; IMF, International Financial Statistics; VN. Economic Survey of Latin America; ILO, Bulletin of Labour Statistics, 1982-1.

Uit een en ander komt naar voren dat wel de grote lijnen van

het monetarisme werden gevolgd doch dat de praktische uitwerking ervan afwijkingen vertoonde van de voorschriften.
De rol van buitenlandse factoren

De evaluatie van de gevoerde politiek kan niet los gezien worden van de ruimere economische doelstellingen van de junta.
Naast de terugdringing van de inflatie beoogde ze tevens een
doorgedreven economische liberalisatie. Daartoe werd de con-

trole van de centrale bank op de financiele instellingen versoepeld en gepoogd de binnenlandse geld- en kapitaalmarkt te ontwikkelen. Ook structuurhervormingen werden doorgevoerd,
o.m. in de richting van de privatisering van de economic, het
herstel van de vrije concurrentie en het openen van de Chileense
economie voor de wereldhandel (zowel voor goederen, diensten
als financieel verkeer). Deze en andere factoren hebben niet altijd gunstig gewerkt voor de bestrijding van de inflatie.
Buitenlandse factoren hebben een belangrijke rol gespeeld in
de Chileense ontwikkeling. Ondanks de intentie van de autori-

teiten de inflatie aan te pakken met een stringent monetair beleid, valt bij een analyse van de basisgeldhoeveelheid op dat deze

de eerste jaren vrij sterk bleef groeien. Nochtans is het krediet
aan de binnenlandse sectoren aanzienlijk geslonken. Het probleem lijkt zich vooral te concentreren bij de buitenlandse componenten van de basisgeldhoeveelheid (zie tabel 2).

Tabel 2. Bijdrage tot de basisgeldhoeveelheid van de diverse
componenien tijdens de overgangsperiode, in procenten

1977
1978

57
57

67
134

13,4
113,8
– 455

4,6

6,0
74,4
86,5
52,1
101,1

65
36

108
130

13,7
102,2
– 594
– 888
124

45.394
39,000

11,5
89,6
– 69
– 513
116

3,8
109,5
– 78
– 514
151

1975
1976

49,741
39,000

13,6
71,2
399

Werkloosheidspercentage in Groot-Santiago . . . . . . . . . . . .
Reek lonen (1970= 100) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Saldo handelsbalans in mln. $ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Saldo lopende rekening in mln. $ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Industrie^ produktie (1975 = 100) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

1974

51,376
39,000

15.6
66,6
126
– 576
100

Buitenland

44.230
33,950

8,5

10.0

Jaar

19,7
9.1
6.1

7.3

4,3

a) Tegenover September 1980.
b) September 1981.

35.1
39.6
36,9

8.6

139

49.4
41,7

4.5

2,2

0296

194
207

33,4

42,9
34,9

11.3

Groeivoet (reeel) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

72,3
133
– 536
145

20,239
17.420

40,1

33,963
27.960

201.6

1978

92,0
86,0
99,8

211.9
221,1

1979

1981

1977

1976

Krediet aan de
particuliere sector

2.1
31,8
29,8
49,1
25,5

1974 volledig moest worden bereikt door beperking van het kredietberoep van de overheid. Het beperken van de invloed van de
overheid op de economie door in de begroting te kappen was wel
consistent met de lange-termijnvisie van privatisering, doch
door de sterke toename van de andere componenten van de geldhoeveelheid moest dit zeer bruusk gebeuren.
Binnenlandse monetaire indicatoren

Naast de moeilijkheden die het buitenland gaf, gaf de junta tevens blijk van een onvolledige kijk op het binnenlands monetair

proces. Dit kan worden afgeleid uit de blijvend hoge infiatieverwachtingen van de particuliere sector die door het beleid in stand
werden gehouden tijdens de eerste drie jaar. De groei van de geldhoeveelheid, de ontwikkeling van de interestvoeten en het wisselkoersverloop waren de indicatoren die de infiatieverwachtingen van de particuliere sector bepaalden.

De geldhoeveelheid
De schoksgewijze ontwikkeling van de geldgroei (zie hiervoor)
heeft ongetwijfeld de hoge inflatieverwachtingen in de hand gewerkt. Daarenboven werd er te weinig rekening gehouden met de
omloopsnelheid van het geld, die sterk ging toenemen. De overheid had eveneens weinig oog voor de substitutie tussen de ver-

scheidene bestanddelen van de geldhoeveelheid. De vrijlating
van de rentevoeten leidde er juist toe dat geldtypen die niet onder
M-l ressorteren (doch wel onder M-2) aantrekkelijker werden.
Daardoor verloorM-1 haarrepresentatiefkarakter 13). Wekunnen concluderen dat zelfs in een semi-gei’ndustrialiseerd land als

Chili de juiste keuze van een geldgroei-indicator een delicaat

Krediet aan de
overheid

Totaal

107,8
6,2
– 16,3
1,2
– 26,5

100
100
100
100
100

probleem is.

De rente-ontwikkeling

dietbeperkingen te omzeilen. De controle op de banken heeft die

Ook de ontwikkeling van de debetrentevoeten na het opheffen
van de renterestricties was voor de particuliere sector een indicator voor de toekomstige inflatie.
In het kader van de geld- en kapitaalmarktontwikkeling werden de ,,financieras”, de intermediairs van het officieus financieel circuit uit de Allende-periode, gelegaliseerd. Deze mochten
begin 1974 hun rentevoeten vrij laten fluctueren. De banken
kregen die vrijheid pas in 1975. Doch net zoals bij de goederenprijzen is gebeurd als reactie op het opheffen van prijsrestricties,

tendens nog versterkt. De liberalisatie van het financieel verkeer

werd het vrijlaten van de rentevoeten gevolgd door ,,overshoot-

met het buitenland verhield zich slecht met de beheersing van de

ing”. In deze onevenwichtige overgangsperiode zijn te hoge ren-

Bron; Banco Central de Chili, Series monelarias, juli 1979.

De inkomende buitenlandse geldstromen hebben vooral betrekking op kapitaal, want de lopende rekening is deficitair. De

particuliere sector heeft van de liberalisatie gebruik gemaakt om
in het buitenland krediet op te nemen en zo de binnenlandse kre-

geldgroei. De geldhoeveelheid heeft zich grotendeels aan de overheidscontrole onttrokken, waardoor zich een eerste spanningsveld tussen de monetaristische politiek en de politiek van liberalisering en internationalisatie aftekent. De buitenmatige invoer van vreemd kapitaal, dat voornamelijk binnen de financiele
sector circuleerde, en het gebrek aan instrumenten om deze tegen te gaan, leidde ertoe dat de beperking van de geldgroei na
84

13) M-l is gedefmieerd als chartaal geld niet in het bezit van banken en
de direct opvraagbare deposito’s. M-2 omvat naast M-l ook termijndeposito’s, tegoeden op spaarboekjes en deposito’s van ingezetenen aangehouden in buitenlandse deviezen.

tevoeten (ver boven de lange-termijnwaarde) de keerzijde van
hel bestaande onevenwicht op de goederenmarkt. In dit verband
wordt gewezen op de studies van Cavallo en Bruno 14) die tot de
conclusie komen dat in half-geindustrialiseerde landen als Chili
te hoge rentevoeten in belangrijke mate de prijzen gaan bei’nvloeden. Terwijl in gei’ndustrialiseerde landen vooral de loonstijgingen als ,,cost-push”-factoren gelden, spelen in deze economieen de kosten van kapitaal een grotere rol als prijsdeterminatoren. De minder ontwikkelde en niet gemtegreerde fmanciele
markten (b.v. in Chili het naast elkaar bestaan van banken en
,,financieras”) zijn daar mede verantwoordelijk voor. Doordat
de junta weinig vat had op de ,,financieras” en de vrijlating van
de rentevoeten te snel plaatsgreep, is de anti-inflatiepolitiek erg
bemoeilijkt en werden de beoogde monetaire doelen aanvankelijk voorbijgeschoten.

De wisselkoers
Wat de wisselkoers betreft kan worden gesteld dat niet het
Friedmaniaanse recept van een zwevende munt werd gevolgd.
De wisselkoers was eerder gei’ndexeerd: met talrijke minidevaluaties werd gepoogd de wisselkoers in lijn te houden met de
koopkrachtpariteit. Ook het resulterende koersverloop van de
munt was een bepalende factor voor de inflatieverwachtingen
van de particuliere sector. Deze werden nog versterkt toen eind
1974 de overheid reele neerwaartse wisselkoerswijzigingen nastreefde. In overeenstemming met de hypothese kunnen we vaststellen dat er voor het eerst een aanzienlijke reductie in de inflatie heeft plaatsgevonden na de revaluaties van de Chileense
munt in 1976 en 1977. Daarna zijn de verwachtingen gekeerd.
De junta heeft de wisselkoers gebruikt om diverse, niet steeds
compatibele doelstellingen na te streven. Zo werd de wisselkoers
aangewend om de concurrentiekracht te handhaven (via devaluaties), vooral in het kader van de commerciele liberalisatie.
Vanaf 1976-1977 werd de wisselkoers echter gebruikt om de inflatie in te dijken (via revaluaties). Uiteindelijk is de waarde van
de peso door de jaren zo veranderlijk geweest (reeksen devaluaties, nadien revaluaties gevolgd door nieuwe devaluaties) dat

Conclusies

De economische liberalisering na de staatsgreep tegen Allende
werd asymmetrisch toegepast. Achtte de junta het concurrentiebeginsel ideaal voor de goederen- en fmanciele markten, voor de
arbeidsmarkt werd een geheel andere lijn gevolgd. De strakke

loonbeheersing en dalende reele lonen (hoewel Friedman uitgaat
van indexering tijdens een overgangsperiode), leidden ertoe dat
de recessie bovenop de reeds harde sociale maatregelen kwatn.
De arbeidsmarktpolitiek kan tot de grote fouten van de junta
worden gerekend.
Gebleken is dat zware problemen kunnen rijzen wanneer tegelijkertijd gestreefd wordt naar een internationalisatie van de
nationale economie en naar een interne stabilisatie via de toepassing van het monetarisme. Het komt ons echter voor dat de
voorschriften van het monetarisme vooral bedoeld zijn voor een
gesloten economie, omdat daarin aan de voorwaarden van het
theoretische model het best wordt voldaan 17), of althans voor

een economie waar de invloed van het buitenland geminimaliseerd kan worden. Die invloed kan gedeeltelijk worden tegengehouden d.m.v. een actieve sterilisatiepolitiek bij vaste wisselkoersen of door het laten zweven van de wisselkoers. Het recente
verleden heeft echter aangetoond dat ook dit laatste middel de
buitenlandse impulsen niet buitensluit. Het monetarisme, onder
vaste wisselkoersen en zonder sterilisatie, blijkt bijzonder moeilijk verzoenbaar met een snelle opening naar het buitenland.
De Chileense monetaire politiek kan niet beschouwd worden
als een voorbeeld van neutrale monetaristische politiek. Ten eerste heeft de junta, in tegenstelling met de opinie van Friedman,
met het monetarisme gepoogd alle economische doelstellingen

na te streven, want van andere maatregelen op korte termijn is
weinig of geen sprake. Ten tweede is door de interferentie van de
buitenlandsector en de asymmetrie van het beleid de last van het

realiseren van de monetaire doelstellingen grotendeels op het
overheidsbudget komen te rusten. Daardoor is o.a. de werkloosheid sterk toegenomen (voor een groot deel komende uit de overheidssector) en is de financiering van het sociaal beleid fors gedaald. Daarnaast heeft dit soort liberaal beleid geholpen om een

noch de ene, noch de andere doelstelling van de wisselkoerspo-

herverdelingsproces op gang te brengen ten koste van de minst

litiek bereikt werd. Het gevolg was dat er vanaf 1980 heel wat
kritiek is losgekomen op dit beleid. Het wisselkoersbeleid wordt
gezien als een der oorzaken van de actuele neergang van de Chileense economic 15).

bedeelden. Zoals uit label 3 blijkt. was de prijs voor deze groep
niet onaanzienlijk.

Ten aanzien van de blijvend hoge inflatieverwachtingen argumenteert Ramos 16) dat de verschillende prijszetters niet de rekening kregen gepresenteerd voor hun verkeerde verwachtingen;
de voornaamste oorzaken daarvan zijn de verdere daling van de
reele lonen (de arbeidsmarkt bleef onder strenge overheidscontrole staan) sinds 1973 en de structuur van de Chileense industrie. Hoewel de junta tot doel had de economie te liberaliseren
en te privatiseren, betekende dit helemaal niet dat Chili in de
richting van een toestand van volkomen concurrentie werd gestuurd. Integendeel, de vroegere dualistische structuur werd bevestigd. In de gesloten sector die wordt gevormd door een groot
aantal naast elkaar bestaande kleine middenstandsbedrijven,
heerste en heerst sterke mededinging. Door de verkoop van de
genationaliseerde bedrijven aan multinationals en grote binnenlandse bedrijven werd echter de oligopolistische structuur van
het tweede segment — de open sector — verstevigd. Tegenover
de contractie van de vraag die vanaf 1974 volgde op de loondaling, heeft deze dominante sector dan ook als oligopolist geopteerd voor hoeveelheidsdalingen in plaats van voor prijsdalingen. Zo is Chili van 1975 tot medio 1976, mede onder invloed

Santiago

van de achterwege blijvende investeringen in vaste activa, terechtgekomen in een recessie.
Het is uiteindelijk de recessie geweest die de inflatieverwachtingen heeft doen keren: de inflatie is dits in hoofdzaak afgenomen door een recessie. De daling werd in de hand gewerkt door
twee revaluaties en de verlaging van de douanerechten in de periode 1975-1977, die zorgden voor een grotere concurrentie met
de invoer. Initiele geleiding van enkele belangrijke prijzen zou
mogelijk de inflatiedaling hebben kunnen versnellen, doch door
de structuur van de gesloten sector zou dit moeilijk te realiseren
geweest zijn.
ESB 26-1-1983

Tabel 3. De ontwikkeling van de consumptieverdeling in
Quintiel
I

II

III

IV

V

1969

7,6

5,2

11,8
9,3

15,6
13,6

20,5
20,9

44,5

1978

51,0

Bron: A. Foxley, Stabilization policies and their effects on employment and income distribution, a

Latin American perspective, in: W. R. Cline en S. Weintraub Economic stabilization in developing
countries, The Brookings Institution, 1981.

De sociale kosten, in termen van werkloosheid en inkomensherverdeling, hangen nauw samen met de snelheid waarmee de
junta te werk is gegaan. Dit punt brengt ons bij de band tussen

14) D. Cavallo, Stag/lationary effects of monetarist stabilization policies
in economies with persistent inflation. Harvard University, 1977. M. Bruno, Stabilization and stagflation in a semi-industrialized economv, Jeruzalem, 1977.
15) Momenteel wordt een politiek van systematische devaluatie gevoerd
(0,8% per maand tot juni 1983) sinds de devaluatie van 23% in juni 1982.
Daardoor zal de peso in juni 1983 zeker gedepreeieerd zijn met 33% in

vergelijking met het vorige jaar.
16) J. R. Ramos, The economics of hyperstagflation. Stabilization policy
in post 1973 Chile, Journal of Development Economics, 1980, biz.
467-488. Zie ook R. Zahler, The monetary and real effects of the financial opening up of national economies to the exterior. The case of Chile,

Cepal Review, VN, april 1980, biz. 127-153.
17) P. Arnaud, Ambiguites theoriques et incoherences politique: le monetarisme applique a des economies semi-industrialisees, Critique de

ieconomie politique, nr. 18, januari-maart 1982, biz. 23-44 en M. Panic,
Monetarism in an open economy, Lloyds Bank Review, juli 1982, biz. 47.

85

het gevoerde beleid en het politieke regime. Hoewel het rechttrekken van een uit de hand gelopen situatie tijdens de overgangsperiode een prijs vergt, valt het toch op dat er in de Chileense economie een aantal wijzigingen heeft plaatsgegrepen die

men en dat de junta, hoe eigenaardig dit ook moge klinken, door
politieke repressie poogt te komen tot economische vrijheid.

meer structureel van aard schijnen te worden. Wij denken hierbij

voorbeeld van het volledig toepassen van het monetarisme te
kunnen doorgaan. De schaarse resultaten (het beteugelen van de

vooral aan de hoge werkloosheidsgraad en de scheve inkomensverdeling. De snelheid waarmee de junta heeft ingegrepen —
vooral in de overheidsbegroting — is in de hand gewerkt door het
uitschakelen van zowel het electoraat als de vakbonden. Het
kunnen bestendigen van het minimale sociale beleid, dat bovendien door de gemaakte fouten in het begin hogere kosten vergde,
mag grotendeels worden toegeschreven aan het buitenspel zetten
van deze maatschappelijke krachten.
Afgezien van de vraag of de band tussen dit soort liberalisme
en monetarisme een conditio sine qua non is 18) stellen we vast
dat alle genomen maatregelen de geest van strikt liberalisme ade-

Tot slot leidt dit artikel tot de vaststelling dat het Chileense beleid te veel fouten en afwijkende interpretaties bevat om voor een
inflatie na zeven jaar) lijken eerder via gissen en rnissen te zijn

bereikt, dan door een adequate toepassing van het monetarisme.
Rudi Acx
Marc Quintyn

18) Een interessante behandeling hiervan vindt men bij J. Ascheim en
G. S. Tavlas, On monetarism and ideology, Banca Nazionale del Lavoro,
juni 1979, biz. 167-186.

Auteurs