Ga direct naar de content

De regeringscomrnissie

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 17 1980

Ue regenngscomrnissie
Als de Nederlandse industrie haar produkten net zo
goed aan de man zou weten te brengenals de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid zijn economische
adviezen, had het rapport Plaats en toekomst van de
Nederlandse industrie waarschijnlijk niet eens geschreven
hoeven te zijn. Het rapport heeft onmiddellijk na zijn verschijnen in de publieke opinie zeer veel weerklank gevonden. De analyse van de de-industrialisatie in Nederland en
de noodzaak om zo spoedig mogelijk te komen tot een versterking van de economische structuur zijn in brede kring
onderschreven. Politieke partijen hebben het rapport
dankbaar aangegrepen om in hun verkiezingsprogramma’s nog enig nieuw elan te latendoorklinken. Werkgevers
en werknemers zijn eenstemmig tot het oordeel gekomen
dat een soort van herindustrialisatie in Nederland van het
hoogste nationale belang is, o m o p middellange termijnde
werkgelegenheid, d e betalingsbalans en d e economische
groei een noodzakelijke stimulans te kunnen geven.
Na deze golf van eensgezindheid over d e noodzaak van
een industrieel reveil, begint de aandacht zich nuechter vanzelfsprekend meer te richten o p d e vraag hoe het industriebeleid in Nederland dan van de grond zou moeten worden
gebracht. Zoals ook de in dit nummer afgedrukte artikelen
illustreren ziet het er niet naar uit dat d e voorstellen van de
Raad o p dit punt o p evenveel instemming kunnen rekenen.
Met name zijn er grote verschillen van inzicht in d e wijze
waarop het sectorstructuurbeleid in Nederland zou moeten worden bewerktuigd en bemand.
De voorstellen van de W R R o p dit punt zijn bekend.
De Raad bepleit de instelling van een regeringscommissie
die o p louter professionele leest is geschoeid. Daaronder
ressorteren dan een nationale ontwikkelingsmaatschappij
en sectorcommissies, die voor de uitvoering van het industriebeleid zorg dragen. Het welslagen vaneen industriepolitiek zal in hoge mate afhangen van het functioneren
van deze organen.
Tegen de achtergrond van de ervaringen die tot nu toe’
met het sector(structuur)beleid zijn opgedaan, is de Raad
gekomen tot ten minste vijf vereisten, waaraan de nieuw in
te stellen bestuurlijke organisatie zou moeten voldoen.
Zij moet: I . geloofwaardig; 2. niet versnipperd; 3. onafhankelijk; 4. deskundig en 5. duidelijk en consequent in haar
taakuitvoering zijn.
I. De eis van geloofwaardigheid impliceert in de visie
van de Raad een algehele breuk met het tot nu toe gevoerde beleid. Het falen van de NEHEM, de ineffectiviteit
van andere structuurorganisaties en de ervaringen met
het steunverleningsbeleid van Economische Zaken maken
het zeer begrijpelijk dat de W R R de oude opzet wil verlaten. Voortborduren o p hetzelfde patroon zou het nieuwe
industriebeleid al o p voorhand ongeloofwaardig maken.
2. O p dit moment houden talrijke instanties zich naast
elkaar bezig met het verrichten van (sector)structuuronderzoek. Niet alleen de NEHEM en EZ, maar ook het
CPB, het CBS, allerlei bedrijfstakorganen en het particuliere bankwezen doen eigen onderzoekingen. Een betere
coördinatie en bundeling van de verspreide kennis en expertise is geboden. De WRR hoopt onder auspiciën van de
regeringscommissie die bundeling tot stand te brengen.
Sector(structuur)beleid o p basis van gebrekkige informatie is immers gedoemd te mislukken.
3. Aan de onafhankelijkheid vande regeringscommissie
wordt door de WRR veel gewicht gehecht. In het verleden
is de uitvoering van het sector(structuur)beleid sterk beinvloed door belangengroepen. Bij de NEHEM isduidelijk
gebleken dat het dragen van beslissingsbevoegdheid inzake de sectorale ontwikkeling onverenigbaar is met
de functie van belangenbehartiging. In de S E R kon de
commissie die advies moest uitbrengen over het sectorstructuurbeleid vorig ‘aar niet eens tot een eindrapport
komen. De WRR heed dan ook geconcludeerd dat de tripartite formule voor het voeren van sectorstructuurbeleid
ongeschikt is.
Behalve tegen directe beïnvloeding door belangengroepen moet de regeringscommissie ook worden afgeschermd
tegen rechtstreekse druk van politieke zijde bij de uitvoe-

ring van het sectorístructuur)beleid. Dit laatste heeft met
name een consequente uitvoering van het steunverleningsbeleid aan individuele bedriiven voortdurend eefrustreerd.
Steeds weer waren er nieuwe noodgevallen Laarvoor de
gehanteerde richtlijnen moesten wijken. Het is geen wonder dat in het ad-hoc-beleid dat aldus tot stand kwam,
voor rechtszekerheid en rechtsgelijkheid weinig plaats was
ingeruimd. De W R R wil herhaling daarvan voorkomen
door de regeringscommissie onder de verantwoordelijkheid van één enkele bewindsman vandaan te halen. Het
structuurbeleid moet een permanente regeringsverantwoordelijkheid zijn. Wanneer eenmaal d e grote lijnen van
het beleid zijn aanvaard, moet voortdurende doorkruising
daarvan door parlementaire bemoeienis met de uitvoering
worden voorkomen.
4. O m een zo veelomvattende taak als het voeren van
een industriebeleid van d e grond te krijgen, zijn bij uitstek
deskundigen nodig. Die deskundigheid is niet alleen noodzakelijk vanwege de complexiteit van de materie, maar
vooral o m d e betrokkenen te kunnen overtuigen van de
noodzaak van het voorgestelde beleid. Deskundigheid
moet het belangrijkste legitimatiemiddel voor d e regeringscommissie zijn.
5. Het ad-hoc-karakter dat het sectorbeleid tot nu toe
heeft gekenmerkt, dient plaats te maken voor een duidelijke en consequente lijn, zodat werkgevers en werknemers
in de sectoren te allen tijde weten waar zij aan toe zijn. Ook
daarom is het wenselijk dat één instantie onder rechtstreekse verantwoordelijkheid van de regering het beleid
bepaalt.
De organisatorische opzet die de W R R schetst voor het
industriebeleid zieter helder enconsistent uit. Maar hoe zal
hij in de praktijk functioneren, wanneer in de eerste plaats
een beleidsprogramma moet worden opgesteld waarin
duidelijk wordt gemaakt in welke richting de regeringscommissie versterking zoekt van d e industriële structuur
en het daarnaast g a a t o m uitwerking en vertaling van dit
beleidsprogramma in maatregelen die aangrijpen o p
sectorniveau?
De eerste taak van de regeringscommissie is van puur
strategische aard. Zoals d e Raad van Bestuur voor één onderneming, zo moet de regeringscommissie voor de gehele
Nederlandse industrie kansen zien, ontwikkelingen signaleren, markten ontdekken, kortom aangegeven hoe het
aanwezige potentieel optimaal kan worden benut. Ik geloof niet dat deze pure ondernemersactiviteit aan belaneenbehartigers of ambteliiklbureaucratische instanties

kan worden overgelaten. ~ é n ‘ r e ~ e r i n ~ s c o m m i sdieemet
si
haar onafhankelijkheid en deskundigheid slagvaardig kan
optreden, lijkt me voor deze taak het aangewezen orgaan,
ook a l kan de bemanning en taakomschrijving van die
commissie nog heel wat hoofdbrekers kosten.
Als echter het beleidsplan voor de versterking van de
industriële structuur is getrokken, komt het o p de vormgeving per sector aan. Het lijkt me onmogelijk hiervoor algemene regels o p te stellen. In sommige sectoren kan misschien worden volstaan met bijscholingscursussen voor
managers of employés, in andere zullen echter veel zwaardere vormen van interventie noodzakelijk zijn. Per sector
zal het optimale instrumentarium moeten worden bepaald.
Het zou zeer onverstandig zijn de betrokkenen daarbij niet
in te schakelen. Hoe kan een regeringscommissie die haar
interventies dicteert, effectief zijn? Niet alleen zou zo’n
constructie historisch gezien niet in de Nederlandse verhoudingen passen (zie De Hen) maar zonder informatie
en een zekere mate van medewerking van betrokkenen
– slechts o p basis van vrijwilligheid te verkrijgen – kan
de commissie nooit vaste voet aan de grond krijgen. Afhankelijk van de situatie in de sector zullen besluitvormingsprocedures moeten worden ontworpen, waarin de
betrokkenen hun stem kunnen doen gelden zonder dat zij
beslissingen kunnen blokkeren. De regeringscommissie
kan daarbij wel de eindverantwoordelijkheid dragen,
maar niet de alleenheerschappij.
Vooreerst zal het echter gaan omdeeerstgenoemde taak.
L. van der Geest