Ga direct naar de content

De mythe van een gelijk speelveld tussen UWV en private verzekeraars

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: oktober 10 2016

Laatst vulde ik mijn tijd in de wachtruimte van mijn tandarts met een ‘geduldspelletje’. Doel daarvan was het manoeuvreren van vier balletjes in vier kuiltjes in een glazen kubus. Dat was een frustrerende bezigheid: om één extra balletje in het laatste resterende open gaatje te krijgen hield ik steeds de kubus zodanig dat de andere balletjes van hun plaats los kwamen.

Recent moest ik hier aan denken toen ik het wetsvoorstel ‘Wet Verbetering Hybride Markt WGA’ las. Geen eenvoudige wet, dat zeg ik er meteen bij – en dit kan ook heel goed de reden zijn dat het vrij geruisloos door de Tweede en Eerste Kamer is gekomen en volgend jaar in werking zal treden. Maar laat ik toch proberen het uit te leggen.

Sinds 1998 is sprake van een hybride markt voor verzekering tegen arbeidsongeschiktheid. Werkgevers kunnen kiezen tussen een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij UWV of bij een private verzekeraar. Met de invoering van de wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) in 2006 geldt die keuze alleen nog voor de regeling voor gedeeltelijk en/of tijdelijk arbeidsongeschikten (WGA); de regeling voor volledig en duurzame arbeidsongeschikten (IVA) ligt daarentegen geheel bij UWV.

Zeker de laatste jaren hebben verzekeraars er gewag van gemaakt dat zij niet eerlijk kunnen concurreren met UWV. Sommigen dreigden zelfs zich terug te trekken uit de markt. Die onvrede heeft te maken met de uitkeringslasten van arbeidsongeschikten die werkgevers al op de rol hebben staan en naar verwachting nog door zullen lopen: de ‘staartlasten’. Als werkgevers uittreden uit UWV, moeten private verzekeraars een voorziening treffen voor deze toekomstige staartlasten (meestal vragen zij direct de werkgever hier aan bij te dragen). Niet zo gek dus dat tot dusver bijna alleen ‘schone’ werkgevers zijn uitgetreden. Andersom geldt echter dat staartlasten wél bij de private verzekeraar blijven liggen als de werkgever terugkeert naar UWV. De werkgever kan dan schoon beginnen en een lage minimumpremie bij UWV betalen, UWV hanteert namelijk een systeem van premiedifferentiatie.

De WGA-markt is daarmee vooral een markt geworden waarin transities tussen UWV en private verzekeraars vooral zijn ingegeven door staartlasten, niet op de beste preventie en re-integratie. Reden voor Asscher om na te gaan denken over een nieuwe opzet van het hybride stelsel, met de nieuwe wet als resultaat.

Door die wet is vanaf volgend jaar het leven aangenamer voor private verzekeraars. Enerzijds omdat werkgevers die uittreden hun staartlasten kunnen achterlaten bij UWV. Werkgevers met staartlasten kunnen dus schoon beginnen bij een private verzekeraar. Anderzijds omdat UWV verplicht is om bij haar premievaststelling ook uitkeringslasten mee te nemen die eerder zijn ontstaan bij een private verzekeraar. Als uitkeringen zijn ontstaan bij de private verzekeraar, is het voor werkgevers dus een stuk minder aantrekkelijk om terug te keren bij UWV.

Dat brengt me vervolgens weer op het geduldspelletje waar ik mee opende. Ik kan niet anders concluderen dat de poging om een gelijk speelveld te creëren is doorgeslagen in de andere richting. De balletjes die reeds op hun plaats lagen zijn dus losgekomen, er is straks een ongelijk speelveld ten gunste van de verzekeraar. Werkgevers en verzekeraars zullen namelijk, ondersteund door een leger aan adviseurs en tussenpersonen, blijven kijken naar hun staartlasten en vervolgens hun positie innemen. Wat daarbij telt is de impliciete subsidie op uittreden, ten koste van UWV en (dus) mogelijk ook ten koste van de belastingbetaler. Tegelijkertijd rijst de vraag of het systeem fair is als uitkeringslasten van werkgevers die terugkeren naar UWV in feite dubbel betaald worden: eerst door de private verzekeraar die ook toekomstige staartlasten af financiert (en mogelijk de werkgeverspremie verhoogt) en vervolgens door de werkgever die een hoge UWV premie betaalt.

Afgaand op reacties op het internet lijkt de teneur dat partijen de wet – zoals de naam ook al suggereert – toch echt een verbetering van de hybride WGA-markt vinden. En wellicht is de bijkomende schade voor UWV op korte termijn ook te overzien: er zijn weinig kleine en middelgrote werkgevers die lopende uitkeringen achter zich kunnen laten, dus het zal niet meteen zo’n storm lopen in de richting van verzekeraars. Wat we ons echter wel moeten realiseren is dat het onmogelijk is om echt een gelijk speelveld te creëren, UWV en private verzekeraars zijn gewoonweg te verschillend daarvoor. Dat besef lijkt na 18 jaar hybride markt nog steeds niet door te dringen.

Auteur

  • Pierre Koning

    Hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) en universitair hoofddocent aan de Universiteit Leiden (UL)

Categorieën