Ga direct naar de content

De mythe van de rationele consument

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: november 2 2016

Hummel, Jacobs en Oosterveen uiten kritiek op enkele onderdelen van onze aanpak in het rapport over kosten en baten van alcohol en maatregelen gericht op vermindering van alcoholconsumptie (De Wit et al. 2016). We verwelkomen deze discussie die bij kan dragen aan verder inzicht in de complexe problematiek. De kritiek van Hummel et al. gaat echter voorbij aan het niet-rationele en verslavende karakter van alcoholconsumptie.

Onze rapportage bestaat uit twee onderdelen. De kern van het onderzoek is een maatschappelijke kosten-batenanalyse (mkba) van enkele generieke beleidsmaatregelen om de consumptie van alcohol te verminderen (en niet “drooglegging” van Nederland, zoals de auteurs suggereren). Deze analyse laat zien dat afname van alcoholconsumptie naar verwachting per saldo welvaartswinst oplevert. De mkba is opgesteld conform welvaartseconomische principes zoals recent in richtlijnen zijn vastgelegd (Romijn en Renes, 2013; Koopmans et al., 2016) .

Daarnaast is voor het basisjaar 2013 onderzocht wat de huidige consumptie van alcohol betekent voor onze welvaart. Op basis van deze analyse ramen we de welvaartskosten van alcoholconsumptie voor dat jaar op 8 miljard Euro. Een deel van deze kosten is voor eigen rekening van de drinkers: een lagere kwaliteit van leven als gevolg van ziekte en een hogere kans op vroegtijdig overlijden. Andere kosten komen (in eerste instantie) bij anderen terecht, zoals bij verkeersslachtoffers, de overheid en werkgevers.

Tegenover de kosten staan welvaartsvoordelen. Voor drinkers gaat het dan om het nut dat zij aan alcohol ontlenen bovenop de aankoopkosten (het consumentensurplus). In onze raming is het consumentensurplus qua orde van grootte vergelijkbaar met de kosten die direct bij drinkers vallen. Daarnaast zijn er baten voor anderen zoals winsten voor ondernemers en accijnsinkomsten voor de overheid. Deze overige maatschappelijke baten zijn lager dan de kosten voor deze anderen. De balans voor overheid en niet-drinkers is daarmee negatief, ook na herverdeling van deze baten over drinkers en niet-drinkers via belastingen en verzekeringspremies.

Hummel et al. hebben met name kritiek op onze cross-sectionele analyse over 2013. Ze betogen dat het consumentensurplus niet goed te ramen is. Aan de hand van diverse berekeningen laten ze zien dat het consumentensurplus veel hoger zou kunnen liggen dan in onze raming. Hun tweede kritiekpunt betreft de kosten die drinkers zelf dragen. Als mag worden verondersteld dat consumenten zich rationeel gedragen en in hun gedrag rekening houden met de negatieve effecten voor henzelf, internaliseren ze deze kosten al en mogen niet nogmaals als kosten meegeteld worden.

Dit gaat echter voorbij aan het feit dat alcohol een zeer verslavende stof is en dat de consumptie ervan vaak irrationeel is. Ons rapport laat zien dat circa 1,2 miljoen Nederlanders in de twee hoogste klassen van alcoholgebruik vallen, met gemiddelde consumptie van ≥ 2,5 glas per dag (vrouwen) of ≥ 3,5 glas per dag (mannen). En circa een half miljoen Nederlanders voldoet aan de criteria van alcoholmisbruik of alcoholafhankelijkheid (van Laar et al., 2015). Een groot deel van de totale alcoholconsumptie komt op het conto van deze ‘heavy users’. Het overgrote deel van aan alcohol gerelateerde ziekten en overlijdens betreft deze groep.

Zelfs als de vorm van de vraagcurve wel bekend zou zijn is er volop reden om te corrigeren voor deze verslavingsprolematiek. Hoe groot deze correctie zou moeten zijn is echter niet bekend, wat betekent dat het consumentensurplus een grote bandbreedte kent. Onze cijfers bieden een voorzichtige schatting.

In de mkba van de beleidsmaatregelen, de kern van het onderzoek, wordt overigens alleen de verandering in het consumentensurplus als gevolg van de beleidsmaatregelen meegenomen. De omvang van deze verandering wordt in veel mindere mate beïnvloed door de vorm van de vraagcurve.

De veronderstelling dat consumenten de private kosten meewegen in hun consumptie wordt niet ondersteund door de alcoholliteratuur. Hieruit is bekend dat de meeste (zware én lichte) drinkers die gevolgen helemaal niet overzien en uit gewoonte drinken. Bij jongeren is dat nog sterker. Jongeren die veel alcohol gebruiken zetten hun schoolcarrière en loopbaan op het spel, maar beseffen dat op het moment van consumptie niet. Het is dan ook naïef om te veronderstellen dat al die kosten zijn geïnternaliseerd. Dat dronkenschap over het algemeen niet tot rationele beslissingen leidt is genoegzaam bekend.

Indien we de welvaartskosten met onze aanname al zouden overschatten dan betreft dat alleen de kosten voor de drinkers. Ook een eventuele onderschatting van het consumentensurplus betreft alleen deze groep. Met andere woorden: de welvaartsbalans voor drinkers zou in dat geval positiever zijn dan wij ramen. De negatieve balans van baten en kosten voor anderen wordt echter niet beïnvloed door deze twee kritiekpunten. Merk op dat hier nog kosten zitten die met de huidige kennis niet kunnen worden gewaardeerd, zoals de overlast die drinkers teweeg brengen voor anderen.

Samengevat concluderen we dat de micro-economische analyse van Hummel et al. een nuttige aanvulling is op onze studie. Het niet-rationele en verslavende karakter van alcoholconsumptie maakt echter dat voorzichtigheid geboden is bij het toepassen van welvaartseconomische principes.

LITERATUUR

De Wit, G., P. van Gils, E. Over et al. (2016). Maatschappelijke kosten-baten analyse van beleidsmaatregelen om alcohol te verminderen. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, rapportnummer 2016-0133.

Hummel A.J., B. Jacobs en M. Oosterveen (2016) Een nuchtere blik op de kosten en baten van alcohol. ESB

Koopmans C., A. Heyma, B. Hof et al. (2016) Werkwijzer voor MKBA’s in het sociaal domein. Amsterdam: SEO Economisch Onderzoek.

Romijn, G. en G. Renes (2013) Algemene leidraad voor maatschappelijke kosten-baten analyse. Den Haag: CPB / PBL.

Van Laar M.W. et al. (2015) Nationale Drugmonitor, jaarbericht 2015. Utrecht: Trimbos Instituut.

Auteurs

Categorieën

1 reactie

  1. D.I.C.K. Harmsen
    6 jaren geleden

    Het irrationele element van een aantal alcoholmisbruikers legitimeert m.i. niet een wetenschappelijk onderzoek met losse eindjes aanelkaar te knopen. De ontnuchterende, maar desondanks opbouwende, kritiek van Jacobs, Oosterveen en Hummel zou ik ook niet een geval van "micro-economics" wilen noemen. De maatchappelijke schade van verkeersongevallen is enorm, waarbij alcohol "in het spel" kan zijn, evengoed als een verkeerde bandenspanning, smart phone-gebruik en gewoon onoplettendheid. Het zal dus altijd om een percentage gaan van de bijdrage die veroorzaakt wordt door alcoholgebruik.

    Dat de consument niet rationeel is, geldt niet slechts voor alcoholconsumptie. Om dan op te merken dat dronkenschap niet tot rationele beslissingen leidt, terwijl de bijdrage aan bijvoorbeeld (liefdes-)relatievorming en voortplanting niet wordt meegeteld, toont de hoge, maar wellicht niet geheel bewuste paternalistische ondertoon van de onderzoekers aan.

    Enkele alcoholgebruikers die dagelijks beneveld zijn kunnen geen rationele belissingen nemen. Het valt echter te betwijfelen of zij nog andere beslissingen naast hun dagelijkse scoren nemen, waarbij de maatschappelijke schade, alhoewel een gewoonte, in de grond rationeel is: ik moet dronken zijn, wat het mij en mijn medemens ook moge kosten. Radicaal ja, irrationeel?

    Dan gaat het om de groep zware tot zeer zware drinkers, maar zijn die vóór, tijdens en ná het dagelijkse alcoholgebruik irrationeler dan andere consumenten? Misschien liggen ze 80% van de benevelde tijd te rusten, terwijl ze anders slapeloos zouden zijn.

    Kosten die met de huidige kennis niet kunnen worden gewaardeerd, zoals de overlast die drinkers teweeg brengen voor anderen, kunnen niet worden gewaardeerd. Toch wordt het genoemd. Dan kan je ook positieve effecten van drinkers noemen: zoals meer communicatieve eigenschappen, of andere positieve gevolgen voor intermenselijke relaties en zoals hierboven al genoemd de effecten op het liefdesleven.

    Als laatste is er het verwijt dat een aanzet tot drooglegging verweten wordt door Jacobs, Oosterveen en Hummel, maar dat heb ik niet kunnen lezen in het artikel. Wèl dat volgens het rapport een algehele drooglegging of elk beleid dat alcoholconsumptie ontmoedigt leidt tot een stijging van de maatschappelijke welvaart. De uiterste rationele consequentie is dat drooglegging een optimaal resultaat levert volgens het rapport, maar wij weten allemaal dat de tegengestelde negatieve effecten al snel groter zijn dan de positieve.

    De drooglegging wordt dus opgevoerd om de falsifieerbaarheid en niet om het verwijt dat het onderzoek uit zou gaan van algehele drooglegging.